Bovendien moesten wij ons thans bezighouden met Joli-Coeur en dezen zoo spoedig mogelijk verwarmen.
Wij traden de hut weder binnen; en terwijl Vitalis de handen en voeten van het dier vóór het vuur hield, zooals men dit met kleine kinderen doet, warmde ik zijn deken, waarin wij hem vervolgens wikkelden.
Maar hij had niet slechts een warme deken noodig, doch ook een goed verwarmd bed, en vooral een warmen drank. Noch het een noch het ander was echter binnen ons bereik. Het was al wel, dat wij vuur hadden.
Wij zaten bij den haard, mijn meester en ik, zonder een woord te spreken en wij bleven daar onbeweeglijk zitten, starende in de vlammen.
Wij hadden ook geen woorden noodig, wij behoefden elkander zelfs niet aan te zien om te zeggen wat er in ons hart omging.
—Arme Zerbino! Arme Dolce! Arme vrienden!
Dit waren de eenige woorden, die wij nu en dan lieten hooren of althans de gedachten, die ons bezielden.
Zij waren onze makkers geweest, onze lotgenooten in goede en kwade tijden; en voor mij, in de dagen van droefheid, mijne vrienden, ja schier mijne kinderen.
En ik was oorzaak van hun dood!
Want ik kon mij zelven niet van schuld vrijpleiten: als ik goed de wacht had gehouden bij het vuur, zooals ik had moeten doen, zou ik niet in slaap zijn gevallen en zouden zij niet weggeloopen zijn; de wolven zouden dan niet naar onze hut zijn gekomen om hen te verslinden, maar uit vrees voor het vuur op een afstand zijn gebleven.
Ik had gewenscht dat Vitalis mij beknorde; ik had hem bijna kunnen smeèken, dat hij mij sloeg.
Maar hij zeide niets; hij zag mij zelfs niet aan; hij bleef met het hoofd voorover bij den haard zitten. Zeker dacht hij aan hetgeen ons lot moest worden, wanneer wij geen honden meer hadden. Hoe zouden wij zonder hen voorstellingen kunnen geven? Hoe zouden wij aan den kost komen?
Wat de doorbrekende dag had aangekondigd, werd vervuld. De zon schitterde aan den wolkeloozen hemel en hare zwakke stralen werden weerkaatst door de vlekkelooze sneeuw. Het bosch, den vorigen dag zoo treurig en somber, schitterde thans van een glans, die de oogen verblindde.
Van tijd tot tijd stak Vitalis de hand onder den deken om naar Joli-Coeur te voelen; maar deze werd niet warmer en toen ik mij over hem heenboog, hoorde ik hem klappertanden.
Weldra kregen wij de overtuiging, dat wij op deze wijze het bloed in zijne aderen niet konden verwarmen.
—Wij moeten het een of ander dorp zien te bereiken, zeide Vitalis, opstaande, anders gaat Joli-Coeur hier dood. Het zal nog een geluk wezen, wanneer hij niet sterft onderweg. Kom, laat ons op weg gaan.
De deken werd nog eens goed verwarmd en vervolgens de aap erin gewikkeld; mijn meester nam hem toen onder zijn jas en wij waren gereed om heen te gaan.
—Dat is een herberg, die ons de gastvrijheid, welke ze ons bood, duur heeft laten betalen, sprak Vitalis.
Hij zeide dit met bevende stem.
Hij ging vooruit en ik volgde hem op de voet.
Wij moesten Capi roepen, die op den drempel van de hut was blijven staan, met zijn neus in de richting van de plek, waar zijne makkers waren overvallen.
Tien minuten nadat wij weder op den grooten weg waren gekomen, ontmoetten wij een wagen, waarvan de voerman ons mededeelde, dat wij na een uur gaans aan een dorp zouden komen.
Dit deed ons met moed onzen tocht vervolgen, maar het gaan was even moeilijk als pijnlijk door de sneeuw, waarin ik halverlijf wegzonk.
Van tijd tot tijd vroeg ik aan Vitalis hoe het met den aap ging, en hij antwoordde, dat hij hem nog altijd voelde sidderen.
Eindelijk zagen wij aan den voet van een berg de witte daken van een groot dorp. Nog eene laatste poging en dan waren wij er.
Wij plachten niet in de voornaamste herbergen onzen intrek te nemen, in die, welke door haar welvarend voorkomen eene goede ligging en eene goede tafel beloofden. Integendeel; gewoonlijk zochten wij een onderkomen in de eerste huizen van het dorp of in eene buitenwijk, bij voorkeur in eene armelijke woning, waar men ons niet zou afwijzen en ook niet te veel geld zou vragen.
Ditmaal echter weken wij van onze gewoonte af; inplaats van in het begin van het dorp stil te houden, ging Vitalis naar eene herberg, waarvoor een fraai verguld uithangbord heen-en-weer bengelde. Door de keukendeur, die wagenwijd openstond, zag men eene tafel bedekt met vleeschschotels en op een breed fornuis ontwaarde men een aantal pannen van roodkoper, die allerverleidelijkst pruttelden en kleine witte wolkjes naar boven zonden. Reeds op straat rook men den lekkeren geur van een soep, die onze hongerige magen alleraangenaamst aandeed.
Mijn meester, die zijn voorkomen van een heer hier aannam, trad de keuken binnen met den hoed op en het hoofd in den nek. Hij verlangde eene goede kamer met vuur.
Eerst had de eigenaar der herberg, die er zeer welvarend uitzag, ons niet eens met een blik verwaardigd, maar de voorname manieren van mijn meester maakten toch indruk op hem en hij gaf aan een dienstmeisje last om ons eene kamer te wijzen.
—Gauw, kruip in bed, zeide Vitalis, terwijl het dienstmeisje de kachel aanmaakte.
Een oogenblik stond ik verwonderd: waarom moest ik gaan slapen? Ik had veel meer trek mij aan tafel te zetten dan in mijn bed te gaan liggen.
—Gauw! herhaalde Vitalis.
Ik gehoorzaamde.
Er lag een donzen dekbed op het ledekant; Vitalis stopte mij tot mijn neus daaronder.
—Doe je best zoo warm mogelijk te worden, zeide hij; hoe warmer hoe beter.
Het kwam mij voor, dat Joli-Coeur veel meer behoefte aan warmte had dan ik, want ik was volstrekt niet koud.
Terwijl ik onbeweeglijk onder het dekbed lag en trachtte warm te worden, wentelde Vitalis, tot groote verbazing van het dienstmeisje, Joli-Coeur om-en-om alsof hij hem wilde roosteren.
—Heb je 't warm? vroeg hij mij na eenige oogenblikken.
—Ik stik bijna.
—Dat is juist wat ik wenschte.
Toen kwam hij bij mij, legde Joli-Coeur in mijn bed en beval mij hem zoo dicht mogelijk tegen mijn lijf te houden.
Het arme dier, dat anders zoo weerbarstig was, wanneer men iets met hem deed dat niet naar zijn zin was, onderwierp zich nu aan alles.
Het drukte zich tegen mij aan zonder eene enkele poging om zich te verzetten. Het was niet koud meer; zijn lijf brandde.
Mijn meester was naar de keuken gegaan en kwam weldra met een groote kom warmen wijn met suiker terug.
Hij wilde Joli-Coeur eenige lepels van dien drank ingeven, maar het dier kon zijn bek niet openen.
Met zijn schitterende oogen zag hij ons treurig aan, als smeekte hij ons, dat wij hem niet langer zouden plagen.
Tegelijk stak hij een van zijn pooten uit bed en strekte die naar ons uit.
Ik begreep die beweging niet, die het dier telkens herhaalde, maarVitalis gaf mij er de verklaring van.
Voor ik deel uitmaakte van het gezelschap, had Joli-Coeur eene bloedspuwing gehad en men had hem adergelaten. Thans voelde hij zich wederom ziek en stak ons een arm toe, om hem nogmaals ader te laten en te genezen, zooals de eerste maal.
Was dit niet aandoenlijk?
Vitalis werd er dan ook niet alleen door aangedaan, maar het verontrustte hem ook.
Blijkbaar was de arme Joli-Coeur ziek en hij moest zich dan ook wel ziek gevoelen, dat hij den zoeten wijn weigerde, waarvan hij anders zooveel hield.
—Drink den wijn uit, zeide Vitalis, en blijf in bed; ik ga een dokter halen.
Ik moet bekennen, dat ik veel van warmen zoeten wijn hield en dat ik een geduchten honger had. Ik liet het mij dan ook geen tweemaal zeggen, en na de kom te hebben uitgedronken kroop ik weder onder het dekbed, waaronder ik nu, ook tengevolge van den wijn, bijna stikte.
Mijn meester bleef niet lang uit, weldra kwam hij terug met een heer met een gouden bril; dat was de dokter.
Daar hij vreesde, dat zulk een gewichtig man niet zou komen, als het maar voor een aap was, had Vitalis hem niet gezegd voor welke zieken hij hem kwam roepen; toen hij mij dan ook op bed zag liggen zoo rood als een pionieroos, kwam de dokter bij me en terwijl hij zijn hand op mijn voorhoofd legde, zeide hij: congestie, waarbij hij het hoofd schudde op eene wijze, die alles behalve geruststellend was.
Het was tijd dat ik hem uit de dwaling hielp, anders zou hij op mij misschien ook een aderlating hebben toegepast.
—Ik ben niet ziek, zeide ik.
—Niet ziek? herhaalde de dokter. De knaap ijlt.
Zonder te antwoorden sloeg ik het dek een weinig op en wees opJoli-Coeur, die zijn poot om mijn hals had geslagen.
—Dat is de zieke, zeide ik.
De dokter deed twee stappen achteruit en wendde zich tot Vitalis.
—Een aap, riep hij uit. Is het voor een aap, dat gij mij met zulk een weer uit mijn huis hebt gehaald?
Ik dacht dat hij verontwaardigd zou wegloopen.
Maar mijn meester was een slim man, die niet licht van zijn stuk was te brengen. Zeer beleefd en met de voornaamheid hem eigen wist hij den dokter te bewegen om te blijven. Eerst bracht hij hem op de hoogte van den toestand; hoe wij overvallen waren door de sneeuw en Joli-Coeur, uit vrees voor de wolven, in een boom was geklauterd en daar kou had gevat.
—'t Is waar, de zieke was maar een aap, maar welk een geniale aap! Bovendien was hij een makker, een vriend van ons. Hoe zou men zulk een merkwaardig dier, dat zoo voortreffelijk komedie speelde aan de behandeling van een eenvoudig veearts toevertrouwen? Iedereen wist dat de dorpsveeartsen groote domooren waren; terwijl iedereen ook wist, dat alle geneesheeren, ofschoon in verschillende mate, wetenschappelijke mannen zijn, zoodat men zelfs in het kleinste dorp zeker kon wezen dat men de hulp van een edelmoedig en bekwaam man bekomt, wanneer men maar bij een dokter aanschelt. Bovendien, ofschoon de aap slechts een dier is, volgens de natuurkundigen, komt hij een mensch zoo nabij, dat hij ook de ziekten van een mensch heeft. Was het niet van belang, ook uit een wetenschappelijk oogpunt, om na te gaan in hoeverre die ziekten met de menschelijke ziekten overeenstemmen, of daarvan afwijken?
De Italianen bezitten grooten tact om te vleien en de dokter kwam eindelijk bij het bed.
Terwijl mijn meester sprak, had Joli-Coeur, die zeker geraden had dat die heer met zijn bril een dokter was, wel tien keer zijn pootje uitgestoken om gelaten te worden.
—Zie nu eens hoe verstandig die aap is; hij begrijpt dat u een dokter is en hij steekt zijn poot uit, om zijn pols te laten voelen.
Dit gaf voor den dokter den doorslag.
—In ieder geval, zeide hij, is de zaak misschien niet van belang ontbloot.
Voor ons was die zaak echter hoogst treurig en verontrustend; de armeJoli-Coeur werd door een bloedspuwing bedreigd.
Het pootje, dat hij zoo dikwijls had uitgestoken, nam de dokter in zijne hand en met zijn lancet opende hij een ader, zonder dat het dier een kreet slaakte.
Hij wist dat dit het middel was om te genezen.
Na de aderlating kwamen de pappen en de drankjes.
Natuurlijk bleef ik niet in bed; ik werd de ziekenoppasser onder leiding van Vitalis.
De arme Joli-Coeur wilde gaarne door mij verpleegd worden en hij beloonde me met zijn vriendelijksten glimlach; zijn blik had iets erg menschelijks.
Hij, anders zoo vroolijk, zoo dartel, zoo weerbarstig en altijd er op uit om ons een streek te spelen, was thans de rust en gehoorzaamheid zelve.
Het scheen dat hij behoefte had, dat men hem vriendschap betoonde; hij vroeg die zelf van Capi, dien hij zoo vaak geplaagd had.
Als een bedorven kind wilde hij ons allen bij zich hebben en hij was boos, als een van ons de kamer verliet.
Zijne ziekte had den gewonen loop, dien alle borstaandoeningen hebben; weldra begon hij te hoesten en die hoest matte hem af door de gestadige schokken, waaraan zijn lichaam was blootgesteld.
De vijf stuivers, die mijne geheele bezitting uitmaakten, besteedde ik om sucre d'orge voor Joli-Coeur te koopen.
Ongelukkigerwijze werd hij daardoor erger inplaats van beter.
Aan zijn gewone opmerkzaamheid toch ontging het niet, dat ik hem sucre d'orge gaf zoo dikwijls hij hoestte.
Van die opmerking maakte hij gebruik om elk oogenblik te hoesten, teneinde zooveel te vaker het geneesmiddel te krijgen, dat hij zoo lekker vond, zoodat hem dit, inplaats van te genezen erger maakte.
Toen ik zijn list had begrepen, hield ik mijn sucre d'orge terug, maar dit ontmoedigde hem niet; hij begon mij met smeekende oogen aan te zien en, als dit niet baatte, ging hij op zijn kussen zitten, en, in tweeën gevouwen, met zijn hand op zijn buik, hoestte hij zoo erg als hij maar kon; zijn gelaat werd rood; de aderen van zijn voorhoofd zwollen op; de tranen liepen hem over de wangen en hij eindigde met bijna te stikken; thans was het geen komediespel meer, maar volkomen ernst.
Mijn meester had mij nooit inzage in zijne zaken gegeven en slechts door eene toevallige omstandigheid had ik vernomen, dat hij zijn horloge had moeten verkoopen, om mij een schapevacht te bezorgen. In de moeilijke omstandigheden, welke wij nu beleefden, meende hij van den regel te moeten afwijken.
Op een morgen, dat hij van het ontbijt terugkwam, terwijl ik bij Joli-Coeur was gebleven, dien wij niet alleen lieten, deelde hij me mede, dat de herbergier betaling gevraagd had voor hetgeen wij hem schuldig waren en dat wij na de voldoening van diens rekening slechts een gulden overhielden.
Wat nu te doen?
Natuurlijk wist ik geen antwoord op die vraag.
Hij zelf wist ook geen ander antwoord, dan dat wij nog dienzelfden avond eene voorstelling gaven.
Eene voorstelling zonder Zerbino, zonder Dolce, zonder Joli-Coeur! Dit scheen me onmogelijk.
Maar wij waren niet in een toestand om ons zelfs door het onmogelijke te laten weerhouden. Wij moesten, wat het ook kosten mocht, Joli-Coeur verplegen en redden; de dokter, de medicijnen, het vuur, de kamer, alles eischte dat wij onmiddellijk tenminste twintig gulden bijeenbrachten, teneinde den herbergier te betalen, die, als hij maar ééns geld van ons gezien had, ons wel langer krediet zou geven.
Twintig gulden in dit dorp, met dit koude weer en de middelen die ons ten dienste stonden—het zou wel een wonder zijn, als wij daarin slaagden.
Inplaats dat mijn meester daarover bleef peinzen, nam hij terstond maatregelen om hetgeen hij verlangde te verwezenlijken.
Terwijl ik onzen zieke verpleegde, zocht hij eene plaats waar wij eene voorstelling konden geven op de overdekte markt, want in de open lucht was het niet mogelijk bij zulk eene koude. Hij maakte een tooneel met behulp van eenige planken en besteedde den gulden om kaarsen te koopen, die hij half doorsneed om het aantal lichtjes dubbel zoo groot te maken.
Uit het raam van onze kamer zag ik hem heen-en-weer loopen in de sneeuw, bij herhaling de herberg voorbijgaande en niet zonder angst vroeg ik mijzelven af, waaruit de voorstelling van dien avond bestaan zou.
Weldra kwam ik ook dit te vernemen: de tamboer van het dorp, met zijn roode soldatenmuts op het hoofd, hield voor de herberg stand, en na een prachtigen langen roffel las hij het programma voor.
Hoe dit was samengesteld, laat zich wel denken. Vitalis had de buitensporigste dingen beloofd: er was sprake van een "kunstenaar door het gansche heelal beroemd",—dat was Capi—en van een jeugdigen zanger, die een "wonderkind" was.—Dat wonderkind was ik.
Maar het belangrijkste gedeelte van dit programma was de slotbepaling: men behoefde niets te betalen; wat men geven wilde liet Vitalis geheel over aan de mildheid van het geachte publiek, dat eerst zijn giften zou offeren na gehoord, gezien en toegejuicht te hebben.
Dit scheen me nogal gewaagd toe, want het was zeer de vraag óf men ons zou toejuichen. Capi verdiende werkelijk beroemd te worden genoemd; maar ik voor mij was volstrekt niet overtuigd, dat ik een wonderkind was.
Toen hij den tamboer hoorde, had Capi vroolijk geblaft en Joli-Coeur had zich half opgelicht, ofschoon hij op dat oogenblik erg ziek was; beiden hadden begrepen, dat het eene voorstelling gold.
Dit idée, dat ook bij mij opkwam, werd spoedig bevestigd door eene pantomime van Joli-Coeur; die wilde volstrekt opstaan en ik kon hem met geen geweld terughouden; hij verlangde zijn generaals-uniform, zijn rooden rok en broek met goud galon en zijn steek met pluimen.
Hij vouwde de handen en wierp zich op de knieën om mij te smeeken.
Toen hij zag, dat hij door smeeken niets verkreeg, werd hij boos en eindelijk stortte hij tranen.
Het leed geen twijfel, of wij zouden groote moeite hebben om hem te bewegen afstand te doen van zijn plan om dien avond eene rol te vervullen en ik dacht, dat het onder deze omstandigheden het best was, om ons vertrek voor hem geheim te houden.
Ongelukkig hoorde hij het bevel van Vitalis, die niet wist wat er gedurende zijne afwezigheid had plaats gegrepen, dat ik mijne harp en alles wat voor eene voorstelling noodig was, in gereedheid zou brengen.
Bij die woorden, die Joli-Coeur maar al te goed begreep, begon hij opnieuw te smeeken, maar nu wendde hij zich tot onzen meester. Al had hij kunnen spreken, dan had hij zeker zijn wensch niet beter kunnen uitdrukken dan hij nu deed door de verschillende geluiden, welke hij maakte, door het vertrekken van zijn gelaatsspieren en de beweging van zijn geheele lichaam. Het waren echte tranen, die langs zijn wangen biggelden en echte kussen, die hij op de handen van Vitalis drukte.
—Wil-je meespelen? vroeg deze.
—Ja, ja, gaf Joli-Coeur met zijn gansche lichaam te kennen.
—Maar je bent ziek, arme Joli-Coeur.
—Ik ben niet meer ziek, antwoordde hij met zijne sprekende gebaren.
Het was roerend te zien hoe de arme, kleine zieke die slechts met moeite ademhaalde, bad en smeekte en de grimassen die hij maakte, en de houdingen die hij aannam, om ons te bewegen; maar toe te staan wat hij vroeg, ware zijn doodvonnis geweest.
Het oogenblik was gekomen, dat wij ons naar de markt moesten begeven; ik maakte een lekker vuur aan met eenige beukenblokken, die lang konden branden. Toen wikkelde ik hem in zijn dekens en de arme, kleine Joli-Coeur weende heete tranen en omhelsde mij keer op keer. Toen gingen wij heen.
Terwijl wij over de sneeuw voortschreden, vertelde mij Vitalis wat ik doen moest.
Er kon natuurlijk geen sprake wezen van onze gewone voorstellingen, daar onze voornaamste acteurs ontbraken; maar Capi en ik moesten nu ook al ons talent ten beste geven. Het was volstrekt noodig dat wij twintig gulden ontvingen.
Twintig gulden! Dat was een vreeselijke som.
Alles was door Vitalis in orde gemaakt; wij behoefden nog maar de kaarsen aan te steken, maar dit was eene weelde, waartoe wij eerst overgingen toen de zaal nagenoeg gevuld was, immers wij moesten zorgen, dat het licht niet uitging vóór het einde van de voorstelling.
Terwijl wij ons tooneel in bezit namen, ging de tamboer nogmaals voor het laatst trommelend de straten door en wij hoorden zijn roffel nu eens van verre dan van dichterbij, naarmate de straten verder of minder ver van ons verwijderd lagen.
Nadat ik Capi en mijzelven had aangekleed, vatte ik post achter een pilaar, om te zien wie er kwam.
Weldra naderde de tamboer weder en wij hoorden een onbestemd gedruisch op straat: het was het gedreun van een twintigtal straatjongens, die in den pas liepen, den tamboer volgende.
Zonder met zijn roffel op te houden, zette de tamboer zich tusschen een paar lichten neder, die aan den ingang van ons tooneel waren gesteld en het publiek behoefde slechts plaats te nemen in afwachting, dat de voorstelling beginnen zou.
Helaas! het kwam slechts zeer traag op en nochtans ging de tamboer voort aan den ingang zijn ram-plam-plam te doen hooren. Al de straatjongens hadden plaats genomen, maar van hen hadden wij geen twintig gulden te wachten: wij moesten gezeten burgers hebben met eene goed gevulde beurs en geneigd om die te openen. Eindelijk besloot mijn meester de voorstelling te doen beginnen, hoewel de zaal op verre na niet gevuld was. Maar wij konden niet langer wachten, daar de kaarsen waren aangestoken.
Het eerst moest ik zelf op het tooneel komen. Ik zong twee liederen, mij met mijn harp accompagneerende. Openhartig moet ik erkennen, dat de toejuichingen zeer schaarsch waren.
Ik heb nooit groote eigenliefde gehad als acteur, maar in deze omstandigheden deed mij die koelheid van het publiek zeer veel leed. Immers nu ik niet toegejuicht werd, was er niet veel kans op eene ruime ontvangst. Het was waarlijk niet om de eer, dat ik zong: 't was voor mijn armen Joli-Coeur. O, hoe gaarne had ik dat publiek willen behagen, neen, in verrukking brengen, met geestdrift vervullen; maar voor zooveel ik zien kon in dit gewelf, door allerlei zonderlinge schaduwen gevuld, scheen het mij toe, dat men in mij volstrekt geen wonder zag.
Capi was gelukkiger; men juichte hem bij herhaling en luide toe.
De voorstelling duurde voort; dank zij Capi, eindigde zij onder luide bravo's; niet slechts klapte men in de handen, maar men trapte zelfs met de voeten.
Het beslissende oogenblik was gekomen. Terwijl ik, door Vitalis geaccompagneerd, een spaanschen dans uitvoerde, ging Capi met het bakje in zijn bek alle banken van het publiek langs.
Ik was buiten adem; toch danste ik nog altijd voort, want ik mocht niet ophouden vóór dat Capi was teruggekomen; hij haastte zich niet en als hij niets kreeg, tikte hij met zijn pootjes op den zak van hen, die niets wilden geven.
Eindelijk zag ik hem terugkomen en ik was op het punt mijn dans te eindigen, toen Vitalis mij een wenk gaf, dat ik voort zou gaan.
Ik danste dus voort en bij Capi komende, zag ik dat het bakje op verre na niet gevuld was.
Vitalis zelf had met een oogopslag het bedrag van het ontvangen geld begroot. Hij stond op en zeide:
—Ik geloof, zonder ons te vleien, te mogen verklaren, dat wij ons programma zijn nagekomen; evenwel daar de kaarsen nog branden zal ik, met goedvinden van het geëerde publiek, nog een paar liederen voordragen. Capi zal dan nog eene inzameling houden en de heeren en dames, welke den toegang tot hun zak nog niet konden vinden bij zijn eersten omgang, zullen misschien ditmaal gelukkiger en handiger zijn. Ik verzoek hun zich alvast gereed te maken.
Ofschoon Vitalis mijn onderwijzer in het zingen was geweest, had ik hem zelf eigenlijk nog nooit hooren zingen en althans niet zooals dien avond.
Hij koos twee liederen, die iedereen kent, maar die voor mij toen nog vreemd waren. Ik was toen nog te jong om te kunnen beslissen of hij mooi of leelijk zong, met of zonder kunst, maar dit mag ik zeggen, dat de gewaarwording, welke zijne manier van zingen in mij opwekte, mij in tranen deed uitbarsten, terwijl ik op een uithoek van het tooneel aandachtig naar hem luisterde.
Door den nevel heen, die mijne oogen verduisterde, zag ik eene jonge dame op den voorsten rang met geestdrift toejuichen. Ik had haar vroeger al opgemerkt, want ze was geen boerin, zooals de andere vrouwen onder het publiek. Zij was eene wezenlijke dame, schoon en, naar ik opmaakte uit haar bont en mantel, de rijkste van het dorp. Naast haar zat een knaapje, dat ook bijzonder toejuichte als Capi zijn kunstjes deed. Het was zeker haar kind, want hij geleek sprekend op haar.
Na het eerste lied had Capi weder zijne inzameling gehouden en met verbazing zag ik, dat de rijke dame niets op het bakje legde.
Toen mijn meester zijn lied geëindigd had, wenkte zij mij met de hand. Ik ging naar haar toe.
—Ik wenschte uw meester te spreken, zeide zij.
Het verwonderde mij wel eenigszins dat die aanzienlijke dame mijn meester wilde spreken. Zij had, dacht mij, beter gedaan met haar gift op het bakje te leggen; maar ik deelde aan Vitalis haar wensch mede, terwijl Capi onderwijl bij ons kwam.
De tweede inzameling had nog minder opgebracht dan de eerste.
—Wat wil de dame van mij? vroeg Vitalis.
—Zij wil u spreken.
—Ik heb haar niets te zeggen.
—Zij heeft niets gegeven aan Capi; misschien wil ze het hem nu geven.
—Dan moet Capi naar haar toe gaan en niet ik.
Nochtans ging hij, maar nam Capi met zich.
Ik volgde hem.
In dien tusschentijd was een bediende met een lantaarn en een reisdeken gekomen en had achter de dame en den knaap postgevat.
Vitalis was haar genaderd en had gegroet, maar zeer koel.
—Ik vraag u verschooning dat ik u lastig val, maar ik wilde u mijn compliment maken.
Vitalis boog zonder te antwoorden.
—Ik beoefen de muziek, ging zij voort, en dit zal wel voldoende zijn om u te doen beseffen, dat ik gevoelig ben voor zulk een groot talent als het uwe.
Een groot talent! En dat zou Vitalis bezitten, een straatzanger, een man met gedresseerde honden! Ik was buiten mijzelven van verbazing.
—Een oud alledaagsch man als ik heeft geen talent, zeide Vitalis.
—Geloof niet dat onbescheiden nieuwsgierigheid mij beweegt, sprak de dame.
—Ik zou anders zeer bereid zijn die nieuwsgierigheid te bevredigen. Gij waart verwonderd een man met gedresseerde honden te hooren zingen, of althans te doen of hij zong?
—Verrukt zelfs.
't Is evenwel doodeenvoudig; ik ben niet altijd geweest wat ik nu ben. Voorheen, in mijne jeugd—dat is dus lang geleden—ben ik…. ja ben ik de bediende van een groot zanger geweest, en uit zucht tot nabootsing heb ik, als een papegaai, de stukken nagezongen, die mijn meester instudeerde. Dat is de heele zaak.
De dame antwoordde niet, maar zij vestigde langen tijd haar blik opVitalis, die in verlegen houding voor haar bleef staan.
—Tot weerziens, mijnheer, sprak zij, den klemtoon op dit laatste woord leggende, dat zij op een bizonderen toon uitsprak.—Tot weerziens, en ontvang nogmaals mijn dank voor het genot, dat gij mij geschonken hebt.
Daarop boog zij zich tot Capi en legde een goudstuk in zijn bakje.
Ik dacht dat Vitalis deze dame naar haar plaats zou terugbrengen, maar hij deed het niet, en toen zij zich verwijderd had, hoorde ik hem eenige Italiaansche vloeken mompelen.
—Maar zij heeft aan Capi een goudstuk gegeven, zeide ik.
Ik dacht dat ik een klap zou krijgen; hij trok echter zijn opgeheven hand terug.
—Een goudstuk, zeide hij, alsof hij uit een droom ontwaakte, o ja, het is waar; arme Joli-Coeur, ik vergat hem; kom laten we naar hem toegaan.
Onze zaken waren spoedig geborgen en wij keerden naar de herberg terug.
Ik ging het eerst de trap op en trad de kamer snel binnen; het vuur was niet uitgedoofd, maar toch zag men geen enkele vlam meer.
Ik stak haastig een kaars aan en zocht naar Joli-Coeur, daar ik hem niet hoorde.
Hij lag op zijn mat uitgestrekt in zijn generaalsuniform en scheen te slapen.
Ik bukte mij over hem heen en vatte hem bij een poot, om hem wakker te maken.
Zijn poot was koud.
Op dit oogenblik trad Vitalis binnen.
Ik wendde mij tot hem.
—Joli-Coeur is koud.
Vitalis knielde naast mij neder.
—Helaas, sprak hij, hij is dood! Dat moest gebeuren. Ziet gij, Rémi, het was verkeerd van mij, dat ik u niet bij mevrouw Milligan liet. Ik ben ervoor gestraft. Zerbino, Dolce, en thans Joli-Coeur. En daarmede is het nog niet gedaan.
Wij waren nog een geducht eind van Parijs verwijderd.
Aanhoudend moesten wij wegen volgen, waarop de sneeuw hoog lag opgestapeld, en van den morgen tot den laten avond woei een scherpe wind ons in het gelaat.
Hoe akelig waren die lange wandelingen! Vitalis liep altijd voorop, terwijl ik hem volgde, en Capi weder vlak achter mij.
Zoo liepen wij in een rij, zonder dat we, uren lang, een woord met elkander wisselden, met een gelaat blauw van koude, natte voeten en leege maag; en de menschen, die wij tegenkwamen, stonden stil om ons voorbij te zien trekken.
Blijkbaar maakten wij een zonderlingen indruk op hen en zij vroegen zichzelf af: waarheen brengt deze grijsaard dien knaap en dien hond?
Die stilte was mij ondraaglijk; ik had groote behoefte om te spreken en mijn hart eens lucht te geven, maar Vitalis gaf mij altijd een kort antwoord op mijn vragen en keerde zich nooit naar mij om. Gelukkig was Capi hartelijker, en dikwijls voelde ik, onder het loopen, zijn natte, warme tong op mijn hand; Capi likte deze alsof hij daarmede zeggen wilde:
—Gij weet toch wel, dat ik, uw vriend Capi, er nog ben.
Ik streelde dan even zijn kop, zonder stil te staan.
Hij scheen met dit bewijs van mijn genegenheid zeer in zijn schik, evenals ik met het zijne; wij begrepen elkander; wij hielden van elkaar.
Voor mij was hij een steun en ik weet zeker, dat ik dit ook voor hem was; het hart van een hond is niet minder gevoelig dan dat van een kind.
Deze liefkoozingen schonken Capi veel troost, zoodat zij hem wel eenigszins den dood van zijn makkers vergeten deden; de kracht der gewoonte behaalde ook de overhand en dikwijls stond hij eensklaps stil, om evenals vroeger, toen hij nog korporaal over zijn troep was, deze in oogenschouw te nemen. Maar dat duurde ook slechts kort; spoedig kwam zijn geheugen hem te hulp en herinnerde hij zich, waarom zijn troep niet volgde. Hij snelde ons dan voorbij en keek Vitalis aan, alsof hij hem wilde laten zien, dat hij er nog was; zoo Dolce en Zerbino niet kwamen, was het, omdat zij niet konden komen. Hij vertelde hem dit met zulke welsprekende blikken, die van zooveel verstand en smart getuigden, dat wij medelijden met hem kregen.
Dit maakte onze wandeling ook niet vroolijker en toch hadden wij groote behoefte aan eenige afleiding; ik tenminste.
Over het geheele landschap lag een bed van sneeuw gespreid; het was een grauwe, gure dag, waarover de zon haar stralen niet zou werpen; op het veld was niet de minste beweging te ontdekken; geen enkele boer was aan zijn werk. Noch het hinneken van een paard noch het loeien van een koe trof ons oor; slechts het gekras der raven, die in de hoogste toppen der kale boomen zaten en van honger piepten, daar zij geen enkele plaats op den grond zagen waar zij een wormpje zouden kunnen vinden; in de dorpen waren alle huizen gesloten, alles was stil en verlaten; de koude was vinnig, een ieder bleef bij het hoekje van den haard, of men arbeidde op de zolders en in schuren.
En wij liepen steeds voort op den gladden en hobbeligen weg, zonder een oogenblik stil te staan en zonder eenige andere rust genoten te hebben, dan onze nachtrust in een stal of schaapskooi. Met een klein stuk brood moesten wij ons 's avonds tevreden stellen, en dat brood gold ook voor ons middagmaal. Als we het geluk slechts hadden van in een schaapskooi een onderkomen te vinden, dan werden wij tenminste door de warmte der schapen voor de koude bewaard; ook was het juist tijd, dat de schapen hun jongen zogen en dikwijls kregen wij verlof om een schaap te melken; wij zeiden wel niet, dat we bijna van honger omkwamen, maar Vitalis vertelde met zijn gewone slimheid, "dat het kereltje zooveel van schapemelk hield, daar hij als kind gewend was geweest die te drinken en het hem aan zijn land herinnerde." Dit verhaal gelukte niet altijd. Maar het was een heerlijke avond, wanneer het geloofd werd. Ik hield werkelijk veel van schapemelk en wanneer ik ze gedronken had, dan gevoelde ik mij den volgenden dag veel krachtiger en beter tot loopen instaat.
Mijlen en uren volgden elkander op en de eene wandeling kwam na de andere; meer en meer naderden wij Parijs en als de boomen, die langs den weg geplant stonden, mij niet gewaarschuwd hadden, dan zou ik het toch reeds bemerkt hebben aan het grooter vertier op de wegen en ook aan de kleur der sneeuw, die hier lang zoo helder wit niet meer zag, als op de vlakten van Champagne.
Het verbaasde mij ten hoogste, maar het landschap werd niet fraaier en de dorpen niet mooier dan die, welke wij vroeger bezochten. Ik had zoo dikwijls over de wonderen van Parijs hooren spreken, dat ik in mijn onwetendheid mij voorgesteld had, dat deze wonderen reeds van verre door het een of ander buitengewoons zich zouden toonen. Ik wist niet recht wat ik eigenlijk verwachtte en durfde het ook niet vragen; ik bleef dus op een wonder hopen: gouden appelen, straten met marmeren paleizen en wandelaars geheel in fluweel en satijn gedost; dat zou ik alles zeer natuurlijk gevonden hebben.
Hoewel ik geen oog had dan voor de gouden boomen, die ik zocht, bemerkte ik toch wel, dat de voorbijgangers ons niet meer nastaarden; waarschijnlijk hadden zij te veel haast, of zij waren gewend aan nog treuriger tafereelen, dan wij thans aanboden.
Dat stelde mij niet zeer gerust.
Wat zouden wij te Parijs doen? en vooral in den ellendigen toestand waarin wij ons bevonden?
Dit vroeg ik mezelf dikwijls af en gedurende de verre tochten hield dit meestal mijn geest geheel bezig.
Gaarne zou ik het eens aan Vitalis gevraagd hebben, maar ik durfde niet, want hij zag er zoo treurig uit en hij gaf mij altijd een zeer kort antwoord.
Eens echter ging hij naast mij zitten en uit de wijze, waarop hij mij aanzag, begreep ik, dat ik thans zou vernemen wat ik reeds zoo lang gewenscht had te weten.
Het was nog vroeg in den ochtend; wij hadden den nacht in een boerderij doorgebracht, die niet ver van een groot dorp verwijderd lag, dat Boissy-Saint-Léger heette. Wij hadden ons bij het aanbreken van den morgen op weg begeven, en nadat wij geruimen tijd den muur van een park gevolgd waren en het dorp in zijn geheele lengte hadden doorloopen, waren we op een hoogte gekomen, vanwaar wij een zwarten rook boven een groote stad zagen opstijgen, maar waarvan wij slechts eenige hooge gebouwen konden onderscheiden.
Ik deed mijn oogen wijd open om tusschen dat tal van daken, klokken en torens, die zich in den nevel en den rook verloren, op mijn verhaal te komen, toen Vitalis plotseling langzamer ging loopen en naast mij kwam zitten.
—Uw leven is thans veranderd, zeide hij tot mij, alsof hij een gesprek voortzette; binnen vier uur zijn wij te Parijs.
—O, is dat Parijs, dat daar vóór ons ligt?
—Ja.
Op het oogenblik zelf, toen Vitalis mij zeide, dat het Parijs was, brak een lichtstraal door den grijzen hemel, die plotseling, als een bliksemstraal, een gouden kleed over alles verspreidde.
Ik had mij dus niet vergist; ik zou daar gouden boomen vinden.
Vitalis vervolgde:
—In Parijs moeten wij van elkander scheiden.
Plotseling echter viel de duisternis in en ik zag de gouden boomen niet meer.
Ik zag Vitalis aan; ook hij hield den blik op mij gericht en de bleekheid van mijn gelaat, het trillen mijner lippen zeiden hem, wat er in mij omging.
—Gij zijt bang, en het doet u ook verdriet, ik geloof het best.
—Moeten wij scheiden! riep ik, toen het eerste oogenblik van schrik voorbij was.
—Arme jongen!
Deze woorden en vooral de toon, waarop zij werden uitgesproken, deden mij de tranen in de oogen komen; het was zoo lang geleden, sedert ik een hartelijk woord van hem gekregen had.
—O, gij zijt zoo goed voor mij! riep ik uit.
—Gij zijt een goede jongen, een dapper kereltje. Weet je, er zijn oogenblikken in het leven, waarop men geneigd is dit te erkennen en zich te laten overreden. Wanneer het ons in de wereld goed gaat, dan volgt men zijn weg, zonder er ooit aan te denken, wie ons vergezelt; maar wanneer alles tegenloopt, als men beseft, dat men een verkeerd pad is ingeslagen en vooral als men oud wordt, dat is te zeggen, wanneer men niets meer van de toekomst verwacht, dan heeft men behoefte om op iemand te steunen en men gevoelt zich gelukkig, wanneer zoo iemand dan bij ons is. Dat ik op u steun, dat verbaast u waarschijnlijk, niet waar? En toch is het zoo. En gij hebt mij reeds veel troost geschonken, toen ik u tranen zag storten, terwijl gij naar mij luisterdet. Want ook mij, Rémi, doet het scheiden smart.
Eerst later, toen ik iemand liefhad, gevoelde ik de waarheid van zijn woorden.
—Het is ongelukkig, ging Vitalis voort, dat men juist dan van elkander scheiden moet, wanneer men zich nader tot elkander voelt aangetrokken.
—Maar, vroeg ik verlegen, gij zult mij in Parijs toch niet aan mijn lot overlaten?
—Neen, zeker niet, ik zal u niet alleen laten. Wat zoudt gij, geheel verlaten, in Parijs doen? En ik kan u ook gerust zeggen, dat ik het recht daartoe niet heb.
Toen ik u niet aan de zorg van die goede dame wilde toevertrouwen, die u als haar zoon wenschte op te voeden, heb ik de belofte afgelegd, u eene opvoeding te geven, zoo goed als eenigszins in mijn vermogen was. Ongelukkig loopt het mij niet mede. Op het oogenblik kan ik niets voor u doen en daarom ben ik van plan van u te scheiden, wel niet voor altijd, maar toch voor eenige maanden, opdat wij het laatste gedeelte van dit slechte jaargetijde elk op ons zelf kunnen leven. Binnen weinige uren zijn wij te Parijs. Wat zouden wij daar moeten beginnen met een tooneelgezelschap, dat slechts uit Capi bestaat?
Toen de hond zijn naam hoorde noemen, ging hij voor ons staan en toen hij zijn poot bij het oor gebracht had, om ons zijn militairen groet te brengen, legde hij dien op zijn hart, alsof hij daarmede wilde zeggen, dat wij op zijn genegenheid konden rekenen.
In den toestand, waarin wij ons bevonden, stemde ons dit niet minder treurig.
Vitalis zweeg een poos om hem den kop te streelen.
—Gij zijt ook een goede, dappere hond; maar helaas, men leeft in deze wereld niet alleen van goedheid; wij moeten iets overhebben voor het geluk van hen, die ons omringen en ook nog iets anders, hetgeen ons juist ontbreekt.
Wat zullen wij met Capi alleen ontvangen? Gij begrijpt het, nietwaar, dat wij thans geen voorstellingen kunnen geven?
—Dat is waar.
—De jongens zouden ons bespotten en ons met vuil naar het hoofd gooien en wij zouden geen halven franc ophalen; denkt gij, dat wij alle drie van een halven franc daags zouden kunnen leven, en daarbij de kans nog hebben, wanneer het koud is, regent of sneeuwt, niets te verdienen?
—Maar mijn harp?
—Als ik twee kinderen had, zooals gij, dan zou het misschien nog gaan, maar een grijsaard en een knaap, neen, dat gaat niet samen. Ik ben nog niet oud genoeg. Als ik nog wat gebrekkiger was of misschien blind…. Maar ongelukkig ben ik wat ik ben, dat is te zeggen, dat ik niet in een toestand ben om medelijden op te wekken, en om in Parijs de belangstelling te wekken van menschen, die allen evenveel haast hebben, moet men al in een zeer beklagenwaardigen toestand verkeeren. Men moet zich dan ook bovendien niet schamen om een beroep te doen op de publieke liefdadigheid, en daartoe zou ik nooit kunnen besluiten. Wij moeten dus wat anders bedenken. Ik zal u zeggen wat ik gedacht heb en waartoe ik dan ook besloten ben. Tot aan het einde van den winter zal ik u bij eenpadronein den kost doen, die u met andere kinderen op de harp zal leeren spelen.
Aan zulk een plan had ik niet gedacht.
Vitalis liet mij echter den tijd niet om hem in de rede te vallen.
—Ik zal, vervolgde hij, les geven op de harp, op depivaof op de viool aan Italiaansche kinderen, die op straat muziek maken. Ik ben in Parijs bekend, waar ik verscheidene malen gewoond heb, en van waar ik kwam, toen ik uw dorp bezocht; ik behoef slechts om een les te vragen, dan krijg ik er meer dan ik er geven kan. Wij kunnen dan elk op ons eigen leven. Terwijl ik les geef, kan ik tevens een paar andere honden dresseeren, die Zerbino en Dolce zullen moeten vervangen. Ik zal hun opvoeding voltooien en wanneer het dan weder voorjaar is, dan kunnen wij samen weder op weg gaan, Rémi, om niet weer van elkander te scheiden, want de fortuin begunstigt steeds hen, die moedig weten te strijden. Ik verg thans slechts moed en onderwerping van u. Later zal alles beter gaan; dit is een moeilijk en voorbijgaand oogenblik. In de lente neemt ons vrij leven weder een aanvang. Ik zal u dan naar Duitschland en naar Engeland brengen. Gij zijt dan ouder en verstandiger geworden. Ik zal u alles leeren en een man van u maken. Dit heb ik mevrouw Milligan beloofd. En die belofte zal ik houden. Juist met het oog op die reizen, zal ik u Engelsch gaan leeren; gij kent nu Fransch en Italiaansch en dat is al veel voor een kind op uw leeftijd; gij zijt nu ook veel sterker. Gij zult zien, Rémi, dat alles nog niet verloren is.
Dit was misschien nog het beste, waartoe wij in onzen toestand besluiten konden. En wanneer ik er nu nog aan denk, dan moet ik erkennen, dat mijn meester al zijn best gedaan heeft om ons uit dien hachelijken toestand te redden. Maar niet dezelfde gedachten bezielen ons wanneer wij in onze herinneringen de een of andere gebeurtenis herdenken, als op het oogenblik, toen deze plaats greep.
In hetgeen hij mij toen zeide, stonden twee dingen mij slechts duidelijk voor oogen:
Onze scheiding.
En depadrone.
Op onze tochten door dorpen en steden hadden wij verscheidene van diepadronesontmoet, die de kinderen, welke zij in dien tusschentijd hadden gehuurd, met stokslagen gedrild hadden.
Zij geleken volstrekt niet op Vitalis; zij schenen mij wreed, onrechtvaardig en veeleischend toe, en waren meestal dronken en vloekten aanhoudend.
Het was zeer wel mogelijk, dat ik in handen van zulk een meester zou vallen.
En al voerde het toeval mij bij een die goedhartiger was, dan zou het toch eene groote verandering voor mij wezen.
Na mijn pleegmoeder, Vitalis.
Na Vitalis, alweer een ander.
Zou het altijd zoo met mij gaan?
Zou ik dan nooit, mijn geheele leven lang, aan iemand mij mogen hechten?
Langzamerhand had ik mij aan Vitalis gehecht, alsof hij mijn vader was.
Ik zou dus nooit een vader hebben?
Nooit een bloedverwant?
Zou ik dan altijd alleen op de wereld wezen?
Altijd op die groote wereld moeten rondzwerven, zonder mij ooit ergens te kunnen vestigen?
Op al die vragen had ik gaarne eenig antwoord gehad en zij waren mij bijna van de lippen gevloeid, zoo ik ze niet met moeite teruggehouden had.
Mijn meester had van mij moed en onderwerping gevraagd; ik wilde hem gehoorzamen en zijn verdriet niet vermeerderen.
Bovendien zat hij al niet meer naast me; alsof hij bang was al deze vragen te moeten aanhooren, die hij eveneens voorzien had, was hij eenige schreden vooruitgeloopen.
Ik volgde hem en spoedig hadden wij een rivier bereikt waarover een brug lag, die hier vreeselijk slikkerig was; de sneeuw was geheel zwart en men zakte tot aan de enkels in de modder.
Aan het einde van die brug bevond zich een dorp met enge straten; daarna was men weder geheel buiten, maar men zag hier geen arme woningen in vervallen toestand.
Op den weg volgden en kruisten elkander tal van rijtuigen. Ik ging naast Vitalis loopen en Capi kwam vlak achter ons.
Spoedig was men niet meer in de vrije natuur, maar kwamen wij in een straat, waarvan het einde niet te zien was; aan beide zijden verhieven zich huizen, maar het waren vuile, arme en lang zulke mooie huizen niet als te Bordeaux, te Toulouse en te Lyon.
De sneeuw lag hier en daar opgehoopt en op die zwarte stapels had men asch, verrotte groente en allerlei vuil geworpen; een onaangename lucht kwam ons tegemoet, de kinderen, die voor de deur speelden, zagen er bleek en ongezond uit; telkens reden zware wagens ons voorbij, die zij met de grootste behendigheid wisten te ontwijken zonder er ooit acht op te slaan.
—Waar zijn wij nu? vroeg ik aan Vitalis.
—Te Parijs, mijn jongen.
Te Parijs!….
Was het mogelijk! Was dat Parijs?
Waar stonden mijn marmeren paleizen?
Waar liepen de menschen in fluweel en satijn?
Hoe leelijk en akelig was de werkelijkheid!
Dat was dan het Parijs, waarnaar ik zoo vurig verlangd had.
Daar zou ik dus den winter doorbrengen, gescheiden van Vitalis…. en van Capi!
Hoewel ik al wat mij omringde even leelijk vond, moest ik toch mijn oogen wijd openen om alles aandachtig op te nemen en vergat ik bijna in welk een ernstigen toestand ik mij bevond.
Hoe verder wij in Parijs doordrongen, hoe minder het aan mijn kinderlijke droomen en mijne verwachtingen beantwoordde: de bevroren grachten wasemden een vuilen geur uit; de slijk werd hoe langer hoe zwarter en wanneer zij niet meer uit ijs of sneeuw bestond, dan spatte zij om de wielen der rijtuigen en bemorste de ruiten der onaanzienlijke winkels.
Parijs kon ongetwijfeld niet bij Bordeaux vergeleken worden.
Toen wij geruimen tijd een breede straat, die minder onaanzienlijk was dan die welke wij reeds waren doorgegaan, hadden gevolgd en waarin de winkels hoe langer hoe beter werden naarmate wij verder kwamen, sloeg Vitalis rechts om en een oogenblik later bevonden we ons in een zeer armoedige wijk der stad met hooge huizen, die door hun zwarte gevels nog hooger schenen; het water liep uit de ontdooide goten midden door de straat en zonder zich om dat vuile water te bekommeren, schreed een dichte menigte over de modderachtige steenen voort. Nooit had ik zulke bleeke gezichten gezien als van deze menschen; evenzoo trof mij de onbeschaamdheid der kinderen; in de vele kroegen zaten mannen en vrouwen of stonden zij aan de toonbank te drinken, terwijl zij om het hardst schreeuwden.
Op den hoek van een straat las ik den naamLourcine.
Vitalis, die den weg scheen te kennen, ontweek behoedzaam de voorbijgangers, die hem den doortocht belemmerden en ik volgde hem op den voet.
—Pas op, dat gij mij niet verliest, zeide hij.
Maar deze aanbeveling was noodeloos; ik liep vlak achter hem en voor alle zekerheid hield ik een pand van zijn jas vast.
Nadat wij een groote plaats en een gang waren doorgegaan, bereikten wij een soort van loods, die zeer donker en vermolmd er uitzag, en waarin de zon zeker nooit hare stralen had geworpen. Dit was nog leelijker en verschrikkelijker dan alles, wat ik tot nogtoe gezien had.
—Is Garofoli tehuis? vroeg Vitalis aan een man, die allerlei lompen tegen den muur ophing en zichzelf met een lantaarn bijlichtte.
—Ik weet het niet; ga maar naar boven; gij kent den weg; de bovenste trap, dan hebt ge de deur recht voor u.
—Garofoli is de padrone van wien ik u gesproken heb, zeide Vitalis, terwijl wij de trap bestegen, waarvan de treden met een laag slijk en aarde waren bedekt, alsof zij uit vochtige klei gehouwen waren; hier woont hij.
De straat noch het huis of de trap waren geschikt om mij in een vroolijker stemming te brengen. Hoe zou de bewoner wel zijn?
Wij klommen tot de vierde verdieping; Vitalis duwde, zonder te kloppen, de deur open en wij bevonden ons in een ruim vertrek, op een soort van zolder. In het midden was een groote ruimte ledig gebleven, terwijl langs de wanden een dozijn ledekanten geschaard stonden. De muren en de zoldering waren van een niet meer te onderscheiden kleur; ofschoon vroeger waarschijnlijk wit geweest, waren zij door rook, stof en onzindelijkheid zwart geworden en op verscheidene plaatsen zag men zelfs gaten; naast een kop met houtskool geteekend hingen eenige gebeeldhouwde bloemen en vogels.
—Garofoli, sprak Vitalis, terwijl hij binnentrad, zijt gij thuis? Ik kan niets zien, dus geef mij eenig antwoord; ik ben Vitalis.
Het scheen inderdaad of er zich niemand in de kamer bevond, zoo flauw was deze door een kleine hanglamp verlicht; maar op de vraag van mijn meester antwoordde een zachte en sleepende kinderstem:
—Signor Garofoli is uitgegaan; eerst over een paar uur komt hij terug.
Op hetzelfde oogenblik stond hij, die ons antwoord gegeven had, voor ons: het was een kind van omstreeks tien jaar oud; het kwam met een sleependen tred naar ons toe en ik was zoozeer door zijn uiterlijk getroffen, dat ik het thans nog vóór mij zie; het had eigenlijk geen lichaam en zijn groot hoofd, dat niet in de minste evenredigheid met zijn voorkomen was, scheen onmiddellijk op zijn beenen te rusten, evenals op die karikatuurplaten, die eenige jaren geleden zooveel opgang maakten. Op zijn gelaat lag een pijnlijke en zachte uitdrukking en uit zijn blik las men een groote gelatenheid, terwijl zijn geheele voorkomen iets wanhopends had. Zoo gevormd, kon hij niet schoon wezen en toch gevoelde men zich tot hem aangetrokken, hetzij uit medelijden of wel door zijn vriendelijk, trouwhartig oog en den verstandigen trek, die er op zijn gelaat lag.
—Zijt gij zeker, dat hij binnen twee uren thuis zal zijn? vroegVitalis.
—O, heel zeker, signor, dan is het etenstijd en hij alleen geeft ons het eten.
—Welnu, zoo hij soms vroeger terug mocht komen, zeg hem dan, datVitalis over twee uur bij hem terugkomt.
—Over twee uur, goed signor.
Ik wilde mijn meester volgen, maar deze wees mij terug en zeide:
—Blijf gij hier, gij kunt hier uitrusten; ik kom terug.
Ik kon mijn angst niet verbergen.
—Ik verzeker u, dat ik terugkom, herhaalde hij.
Liever was ik, ondanks mijn groote vermoeidheid, Vitalis gevolgd, maar wanneer hij iets gebood, dan was ik gewoon hem te gehoorzamen en ik bleef dus staan.
Toen wij zijn zware stappen niet meer op de trap hoorden, vroeg het kind, dat met zijn oor tegen de deur aandachtig geluisterd had:
—Zijt gij uit het land? Hij vroeg mij dit in het italiaansch. Gedurende mijn omgang met Vitalis had ik genoeg italiaansch geleerd om bijna alles in die taal te verstaan, maar zelf was ik ze niet voldoende machtig om ze gaarne te spreken.
—Neen, antwoordde ik in het fransch.
—O, zuchtte hij en zag mij met zijn groote oogen strak in het gelaat: dat is jammer, ik had gehoopt dat gij ook uit het land waart.
—Uit welk land?
—Uit Lucca; gij zoudt mij misschien eenige tijding hebben medegebracht.
—Ik ben een Franschman.
—O, des te beter.
—Houdt gij dan meer van de Franschen dan van de Italianen?
—Neen, ik zeg het ook niet voor mezelf, maar voor u, want als gij een Italiaan waart, dan zoudt gij waarschijnlijk in dienst van signor Garofoli komen; en men zegt niet des te beter tot hen, die bij dezen in dienst treden.
Deze woorden waren nu juist niet zeer geruststellend voor mij.
—Is hij kwaad?
Het kind gaf op deze vraag geen antwoord, maar de blik, waarmede hij mij aanzag, was welsprekend genoeg. Daarop, alsof hij dit onderwerp niet langer wilde voortzetten, keerde hij mij den rug toe, en begaf hij zich naar den schoorsteen aan het einde van de kamer.
Een heerlijk vuur van takkenbossen brandde daarin en op dat vuur stond een groote ketel.
Ik ging voor het vuur staan, om mij wat te verwarmen en ontdekte toen dat deze ketel iets bijzonders had, wat ik in het begin niet had opgemerkt. Het deksel met een smal tuitje bovenop, waaruit de stoom ontsnapte, was aan den pot bevestigd, aan de eene zijde met een scharnier en aan de andere zijde met een hengsel.
Ik begreep, dat ik geen onbescheiden vragen omtrent Garofoli doen mocht, maar toch wel wat den pot betrof.
—Waarom is deze ketel op slot?
—Omdat ik er niet uit snoepen zou. Ik moet de soep wel gaarmaken, maar de meester vertrouwt mij niet.
Ik kon een glimlach niet onderdrukken.
—Gij lacht erom, vervolgde hij op verdrietigen toon, want gij denkt zeker, dat ik snoepziek ben. In mijn plaats zoudt gij het misschien ook zijn. Ik ben ook eigenlijk geen snoeper, maar ik ben uitgehongerd en de reuk van de soep, die uit het tuitje ontsnapt, doet mijn honger nog grooter worden.
—Signor Garofoli laat u dus hongerlijden?
—Wanneer gij in zijn dienst komt, dan zult gij wel ondervinden, dat men van honger niet sterft, maar wel ontzettend veel erdoor lijden kan. En vooral ik, want voor mij is het eene straf.
—Een straf, hongerlijden?
—Ja; en ik durf het u gerust vertellen, want als Garofoli soms uw meester wordt, dan zou mijn voorbeeld u van nut kunnen zijn. Signor Garofoli is mijn oom en hij heeft mij uit liefdadigheid bij zich genomen. Gij moet weten, dat mijn moeder weduwe en dus, zooals gij wel begrijpen kunt, niet rijk is. Toen Garofoli het vorige jaar onze streek bezocht, om kinderen op te halen, stelde hij mijn moeder voor mij met zich te nemen. Het kostte haar heelwat om mij van zich af te zenden; maar gij begrijpt als iets noodzakelijk is! En het was noodig, want wij waren met ons zessen thuis, waarvan ik de oudste was. Liever had Garofoli mijn broeder medegenomen, die op mij volgt, want Lenardo is mooi, terwijl ik leelijk ben. En als men geld verdienen moet, dan moet men niet leelijk zijn; zij, die leelijk zijn, krijgen niets dan slaag en slechte woorden. Maar mijn moeder wilde Lenardo niet afstaan; Mattia is de oudste, zeide zij, en wanneer er een weggaan moet, dan is het Mattia; de goede God heeft het zoo besloten en er valt niets aan den wil van God te veranderen." Ik ben dus met mijn oom Garofoli op reis gegaan; gij begrijpt, dat het mij hard viel om de ouderlijke woning en mijn moeder, die luid weende, te verlaten en vooral de kleine Christina, die veel van mij hield, omdat zij de jongste was en ik haar altijd droeg. Ook speet het mij, dat ik mijn broeders, mijn makkers en mijn land vaarwel moest zeggen.
Ik wist bij ondervinding hoe wreed zulk een scheiding was en ook ik kon mij de aandoening nog levendig herinneren, toen ik voor de laatste maal de witte muts van vrouw Barberin zag.
De kleine Mattia vervolgde zijn verhaal.
—Ik was geheel alleen met Garofoli, toen ik mijn woning verliet, maar acht dagen later waren wij reeds met ons twaalven en begaven we ons op weg naar Frankrijk.
O, hoe lang viel die weg aan mij en mijn makkers, die even treurig waren als ik. Eindelijk toch kwamen wij te Parijs; wij waren toen nog met ons elven, daar een onzer in het gasthuis te Dijon was achtergebleven. In Parijs werd er een keus uit ons gedaan; de sterksten kwamen bij schoorsteenvegers of rookverdrijvers in dienst; die niet krachtig genoeg voor een ambacht waren, gingen op straat zingen en op de lier spelen. Garofoli gaf mij twee witte muizen, die ik op straat en voor de deuren moest laten kijken en hij rekende uit, dat ik daarmede vijftien stuivers daags zou verdienen. "Zooveel stuivers als daaraan ontbreken, wanneer gij 's avonds tehuis komt, zooveel stokslagen krijgt gij van me." Vijftien stuivers was moeilijk bij elkander te zamelen; maar stokslagen waren evenmin prettig, wanneer Garofoli ze toediende. Ik spande dus alles in om die som op te halen, maar ondanks al mijn moeite, gelukte het mij niet dikwijls. Mijn makkers hadden gewoonlijk het aantal stuivers en ik bijna nooit. Dit maakte Garofoli nog boozer. "Die domkop van een Mattia, wat voert die dan toch uit?" vroeg hij. Een ander kind, dat evenals ik, met witte muizen rondliep, moest twee francs inbrengen, hetgeen hij getrouw iederen avond deed. Dikwijls ging ik met hem mede, om te zien, wat hij deed en waarin hij zich handiger gedroeg dan ik. Ik begreep toen waarom hij zoo gemakkelijk zijn twee francs en ik zoo moeilijk nog een franc bij elkander kreeg.
Als een heer en een dame ons iets gaven, dan zeide de dame altijd: "Geef het aan dien aardigen en niet aan dien leelijken jongen." De leelijke was ik. Ik ging nooit meer met mijn makker mede, want al is het naar stokslagen te krijgen als men tehuis komt, het is toch nog akeliger op straat in tegenwoordigheid van iedereen een hard woord te hooren. Gij kent dat gevoel niet, daar men u nooit gezegd heeft, dat gij leelijk waart; maar ik…. Kortom, toen Garofoli zag, dat slaag tot niets leidde, bedacht hij een ander middel. "Voor elken stuiver, die er ontbreekt, krijgt gij 's middags een aardappel minder, zeide hij. Daar uw huid tegen slagen bestand schijnt te zijn, zal ik eens zien of uw maag misschien voor den honger gevoeliger is." Hebben bedreigingen ooit eenigen vat op u gehad?
—Dat hangt ervan af.
—Nu, op mij nooit; bovendien kon ik niet anders doen dan ik tot nogtoe gedaan had; en ik kon onmogelijk tot hen, die ik mijn hand reikte, zeggen: "Als gij mij geen centen geeft, dan krijg ik vanavond geen aardappelen." Menschen die een aalmoes aan kinderen geven, laten zich nooit door zulke redenen overhalen.
—En door welke dan wel? Men geeft om iemand genoegen te doen.
—O, wat zijt ge nog jong; men geeft om zich zelf genoegen te doen en niet voor het pleizier van anderen; men geeft gaarne iets aan een aardig kind; dat is nog de beste reden, ook wel als men een kind verloren heeft of men gaarne zoo'n kind zou willen hebben; men geeft wanneer men het zelf warm heeft en het kind van koude loopt te rillen. O, ja, ik weet het allemaal heel goed; ik heb al den tijd gehad om het te leeren. Het is koud vandaag, niet waar?
—Zeer koud.
—Welnu, ga voor een deur staan en steek uw hand eens uit naar een heer, die haastig voortloopt en een kort overjasje draagt en vertel mij dan eens, wat hij u gegeven heeft. Strek daarentegen uw hand eens uit naar een heer, die langzaam loopt en in een jas met bont gewikkeld is, dan zult gij misschien een stuk zilvergeld van hem krijgen. Nadat ik ongeveer een maand deze manier gevolgd had was ik er niet dikker op geworden; ik zag er bleek en ziekelijk uit en dikwijls hoorde ik in het voorbijgaan zeggen: dat kind sterft van honger. Mijn lijden gaf mij dus, wat ik door schoonheid niet had kunnen verkrijgen; het gaf aan mijn gelaat een uitdrukking die belangstelling scheen in te boezemen en het maakte mijn oogen grooter; de menschen uit de buurt kregen medelijden met mij, en al haalde ik niet altijd geld op, ik kreeg dikwijls brood of soep. Dat was een goede tijd! Ik kreeg geen slag, maar ook geen aardappelen, hoewel het laatste mij minder hinderde, daar ik gewoonlijk 's middags wat te eten gehad had. Maar eens betrapte Garofoli mij toen ik bij een fruitverkooper een bord soep at en hij begreep toen, waarom ik mij nooit beklaagde, dat ik geen aardappelen kreeg. Hij besloot toen mij niet meer uit te laten gaan en mij voortaan tehuis te houden om op de soep te passen en het huishouden te doen. Maar daar ik onder de hand best van de soep zou kunnen snoepen, verzon hij er op, om ze in dezen ketel te koken; iederen morgen, voordat hij uitgaat, doet hij het vleesch en de groenten in den pot en sluit het deksel met een hangslot; ik behoef dan maar te zorgen, dat het gaar wordt; ik kan dan alleen het vleesch ruiken, maar ervan proeven, dat begrijpt gij, dat zou nooit door zulk een smal tuitje gaan. Sedert ik in de keuken gekomen ben, heb ik zulk een vale kleur gekregen, want de reuk voedt niet, integendeel hij doet den honger nog erger worden. Zie ik er erg bleek uit? Daar ik thans niet meer op straat kom, hoor ik het ook niet meer zeggen en er hangt hier geen spiegel.
Ik had toen nog niet veel ondervinding, maar toch wist ik, dat men een zieke nooit beangst moet maken door hem te zeggen, dat hij er ziek uitziet.
—Gij ziet er niet bleeker uit dan een ander, antwoordde ik.
—Ik merk wel, dat gij dit zegt om mij gerust te stellen, maar ik vind het prettig, als ik er bleek uitzie, want dat bewijst dat ik zeer ziek ben en ik wil gaarne heelemaal ziek zijn.
Ik zag hem met de grootste verbazing aan.
—Gij begrijpt mij niet, vervolgde hij glimlachend, en het is toch heel eenvoudig. Als men erg ziek is, dan wordt men òf goed opgepast òf men sterft.
Als ik dood ga, dan is alles uit, dan heb ik geen honger meer en krijg ook geen slaag; en men beweert ook, dat, als men dood is, men in den hemel komt. Als ik in den hemel ben, dan zie ik mijn moeder weer en dan zal ik misschien aan onzen lieven Heer kunnen vragen, om mijn zuster Christina gelukkig te maken. Als men mij goed wil verzorgen, dan zendt men mij naar het gasthuis en dat zou ik gelukkig vinden.
Het gasthuis boezemde mij altijd grooten afkeer in en dikwijls, als ik onderweg uitgeput was van vermoeienis, behoefde ik slechts aan het hospitaal te denken, om weder kracht tot loopen te vinden. Het verbaasde mij dus zeer, toen ik Mattia op deze wijze daarover hoorde spreken.
—Als gij eens wist hoe goed men het in het gasthuis heeft, vervolgde hij; eens ben ik daar reeds geweest; men heeft daar een dokter, een grooten man met blonde haren, die altijd klontjes in zijn zak heeft. Het zijn wel gebroken klontjes, want die zijn goedkooper, maar daarom smaken ze niet minder lekker; en de verpleegsters zijn ook altijd even vriendelijk: "Kom, doe dat, mijn jongen, steek uw tong uit, arm kind." Ik vind het prettig als men zoo vriendelijk tegen mij spreekt, dan zou ik wel kunnen weenen en als ik daarin lust heb, dan ben ik ook gelukkig. Dat is dom, niet waar? Maar mijn moeder sprak altijd zoo vriendelijk tegen mij. Die pleegzusters spreken juist zooals mijn moeder en al zijn het niet dezelfde woorden, dan is het toch dezelfde muziek. En als men beter wordt, dan krijgt men bouillon en wijn. Ik vond het prettig, toen mijn krachten hier langzamerhand begonnen af te nemen, omdat ik niet meer at. Ik zeide toen tot mezelf: Ik word ziek en Garofoli zal mij naar het gasthuis zenden. O, ik word erg ziek; nu ben ik nog niet ziek genoeg; ik voel het zelf wel, maar het is nog niet zóó erg, dat ik Garofoli hinder; hij heeft mij bij zich gehouden. Het is vreemd, maar ongelukkige menschen zijn taai. Gelukkig heeft Garofoli het niet verleerd om mij evenals de anderen te tuchtigen. En acht dagen geleden heeft hij mij een slag met zijn stok op het hoofd gegeven. Ik hoop nu dat het beslist is; mijn hoofd is erg gezwollen; gij ziet daar dien grooten witten bult wel. Hij zeide dat het misschien een gezwel was; ik weet niet wat een gezwel is, maar zooals hij erover sprak, moet het wel erg zijn; in elk geval heb ik er vreeselijk pijn aan. Soms voel ik onder mijn haren zoo hevig steken en trekken, nog veel erger dan wanneer ik kiespijn heb. Mijn hoofd is zwaar, alsof het honderd pond weegt; vaak krijg ik duizelingen en alles waggelt mij voor de oogen, en 's nachts zelfs in mijn slaap, lig ik te steunen en te kermen. Nu geloof ik zeker, dat ik over een dag of drie, vier, wel naar het gasthuis zal gezonden worden; want ge begrijpt, een jongen die 's nachts lastig is, hindert ook de anderen en Garofoli wordt niet gaarne gehinderd. Hoe gelukkig dat hij mij een slag met zijn stok gegeven heeft! Zeg nu eens eerlijk of ik niet erg bleek zie?
Terwijl hij dit zeide, ging hij vlak voor mij staan, en keek hij mij strak aan. Ik had nu geen reden om langer te zwijgen; toch wilde ik hem niet de volle waarheid zeggen, en hem bekennen welk een akeligen indruk zijn groote glinsterende oogen, zijn magere, ingevallen wangen en zijne bleeke lippen op mij maakten.
—Ik geloof wel, dat gij ziek genoeg zijt om naar het hospitaal te gaan.
—Eindelijk!
En met zijn hinkend been trachtte hij eene buiging te maken. Daarop ging hij weder naar de tafel en begon deze af te vegen.