XVIII.

—Nu heb ik genoeg gepraat, zeide hij, Garofoli komt zoo dadelijk tehuis, en dan vindt hij niets gereed: nu gij meent, dat ik genoeg slaag heb gehad, om naar het hospitaal te gaan, nu is het ook niet langer noodig om er meer bij te krijgen; dat zou slechts verloren moeite zijn en bovendien schijnen die, welke ik thans krijg, mij veel harder dan de klappen, die hij mij eenige maanden geleden gaf. Zij, die beweren dat men aan alles went, hebben gelijk, niet waar?

Terwijl hij sprak, liep hij hinkende om de tafel en legde de borden en lepels en vorken op hun plaats. Twintig borden telde ik, dus twintig kinderen had Garofoli onder zijn leiding; daar ik slechts twaalf bedden zag staan, sliepen zij dus zeker twee aan twee. En welke bedden waren het! geen lakens, maar versleten wollen dekens lagen erop, die zeker uit een stal afkomstig waren, toen zij niet warm genoeg meer waren voor paardendekken.

—Is het overal zooals hier? vroeg ik angstig.

—Waar, overal?

—Overal, waar men knapen opvoedt.

—Dat weet ik niet; ik ben nooit ergens anders geweest, maar tracht gij ergens anders te komen.

—Waar?

—Dat weet ik niet, dat doet er ook niet toe; ergens waar gij beter zijt dan hier.

"Het doet er niet toe waar", dat was zeer onbestemd en hoe zou ik het aanleggen, om Vitalis op zijn besluit te doen terugkomen?

Terwijl ik hierover stond na te denken, ging de deur open en trad een knaap binnen; hij had een viool onder zijn arm en in zijn andere hand hield hij een stuk hout, dat van afbraak afkomstig was. Dat stuk hout, dat veel geleek op de stukken, welke onder den schoorsteen lagen, deed mij plotseling begrijpen, vanwaar Garofoli zijn voorraad hout opdeed en hoeveel deze hem kostte.

—Geef mij uw stuk hout! zeide Mattia, terwijl hij naar den nieuwaangekomene toetrad.

Maar inplaats van het stuk hout aan zijn makker te geven, hield hij het achter zijn rug.

—Neen, zeker niet, zeide hij.

—Geef het mij, dan wordt de soep beter.

—Als gij meent, dat ik het voor de soep medegebracht heb, dan vergis je je, want ik heb niet meer dan vijftien stuivers kunnen ophalen en ik reken op dit hout, om mij de vijf stuivers, die mij ontbreken, niet te duur door Garofoli te laten betalen.

—Dat zal dat stuk hout niet beletten; je moet ze toch betalen, ieder krijgt zijn beurt.

Mattia zeide dit op bitsen toon, alsof hij blijde was, dat zijn makker ook eens gestraft zou worden. Ik was verbaasd over den harden trek, die er plotseling op zijn zacht gelaat kwam. Eerst later heb ik begrepen, dat, wanneer men aanhoudend met slechte menschen omgaat, men zelf ook slecht wordt.

Het uur, waarop de leerlingen van Garofoli gewend waren tehuis te komen, scheen aangebroken te zijn; na het eene kind met het stuk hout, kwam het tweede en na dit nog wel tien anderen. Elke jongen hing, zoodra hij binnenkwam, zijn instrument aan een spijker boven zijn bed; de een zijn viool, de ander een harp, een derde een fluit ofpiva; zij, die geen muzikanten waren, maar slechts met dieren rondliepen, gingen hun marmotten of barbarijschen biggen voedsel geven.

Een zware tred klonk op de trap; ik voelde, dat het Garofoli was; ik zag daarop een klein, beweeglijk mannetje, met een waggelenden gang binnentreden: hij droeg geen italiaansche kleederdracht, maar had een grijze overjas aan.

Hij wierp het eerst een blik op mij; een blik, die mijn hart deed verstijven.

—Wat doet die jongen hier?

Mattia haastte zich om hem zoo beleefd mogelijk te antwoorden en hem mede te deelen wat Vitalis hem opgedragen had.

—O, is Vitalis in Parijs, antwoordde hij, wat wil hij van mij?

—Dat weet ik niet, hernam Mattia.

—Ik spreek niet tot jou, maar wel tot dien knaap.

—Depadronekomt zoo straks, zeide ik, zonder hem de waarheid te durven vertellen: hij zal u zelf wel zeggen wat hij wenscht.

—Nu, dat ventje weet zijn woorden te wikken en te wegen. Gij zijt geen Italiaan?

—Neen, ik ben een Franschman.

Zoodra Garofoli binnengekomen was, waren twee knapen hem genaderd en eerbiedig naast hem blijven staan, totdat hij uitgesproken had. Wat wilden zij van hem? Spoedig zou ik een antwoord ontvangen op deze vraag, die mijn nieuwsgierigheid gaande had gemaakt.

De een nam zijn hoed en legde dezen zorgvuldig op een bed; de ander schoof een stoel naderbij; dit alles gebeurde met den grootsten eerbied en plechtigheid en hieruit kon men opmaken hoe gevreesd Garofoli was, want zeker was het niet uit genegenheid, dat zij hem met zooveel ijver bedienden.

Toen Garofoli gezeten was, bracht een andere knaap hem zijn pijp, die gestopt was en een vierde snelde met een brandende lucifer naar hem toe.

—Die ruikt naar zwavel, kwajongen! riep hij, toen hij de lucifer bij zijn pijp bracht en hij wierp ze in de kachel.

De schuldige haastte zich om den misslag te herstellen. Hij nam eene andere lucifer, die hij weder aanstak en na ze even te hebben laten branden zijn meester aanbood.

Maar deze nam ze niet aan:

—Jij niet, domkop, zeide hij, terwijl hij hem van zich afstiet. Daarop wendde hij zich met een glimlach, hetgeen zeker een bewijs van zijn gunst was, tot een anderen knaap:

—Riccardo, beste jongen, geef mij eens een lucifer.

En de beste jongen voldeed fluks aan zijn verlangen.

—En nu, begon Garofoli, toen hij alles had, wat hij behoefde en zijn pijp brandde, nu zullen we onze rekeningen eens opmaken, beste jongens. Mattia, geef het boek.

Het was inderdaad een groote gunst, wanneer Garofoli zich verwaardigde te spreken, want zijn leerlingen toonden zich zoo bezorgd om aan zijn minste wenschen te voldoen, dat zij ze reeds gisten, vóór hij ze nog te kennen gegeven had.

Nauwelijks had hij het gevraagd, of Mattia bracht hem een vuil boek.

Garofoli wenkte en het kind, dat hem een verkeerde lucifer gegeven had, trad naderbij.

—Ik moet nog een stuiver van gisteren van je hebben; je hebt beloofd, dat je mij die vandaag zoudt geven; hoeveel breng je er mij thans?

De knaap aarzelde eer hij antwoord gaf; een donkere blos overtoog zijn gelaat.

—Ik kom een stuiver te kort.

—Zoo, een stuiver, en gij durft mij dat zoo kalm mededeelen?

—Het is niet de stuiver van gisteren; het is de stuiver, dien ik vandaag moet geven.

—Dan zijn het twee stuivers? Ik heb nooit zoo'n jongen gezien.

—Ik kan het niet helpen.

—Geen onzin; gij kent onze wetten: maak uw kiel los; twee slagen voor gisteren en twee voor vandaag; en bovendien krijgt gij voor uw schandelijke onbeschaamdheid vanmiddag geen aardappelen. Riccardo, beste jongen, gij hebt door zoo goed op te passen, wel eene belooning verdiend; haal de riem.

Riccardo was de knaap, die de goede lucifer gegeven had; hij nam van den muur een karwats met een kort handvatsel, en dat uit twee lederen riemen met dikke knoopen bestond. In dien tusschentijd knoopte de schuldige zijn kiel los en liet zijn hemd tot aan zijn middel toe zakken.

—Wacht even, zeide Garofoli met een boozen lach, gij zijt misschien de eenige niet en het is altijd prettig om gezelschap te hebben; bovendien is Riccardo er dan met één keer af.

De kinderen stonden onbeweeglijk voor hun meester; deze wreede spotternij perste hun allen een gedwongen lachen af.

—Ik ben er zeker van, vervolgde Garofoli, dat hij, die het hardst lacht, de meeste stuivers te kort komt. Wie heeft er hard gelachen?

Allen wezen naar den knaap, die het eerst met zijn blok hout tehuis gekomen was.

—Nu, zeg eens eerlijk, hoeveel kom jij te kort? vroeg Garofoli.

—Ik kan het niet helpen.

—Voortaan zal hij, die zegt: "ik kan het niet helpen", een zweepslag meer krijgen, dan hem toekomt; hoeveel ontbreken er bij je?

—Ik heb een stuk hout medegebracht; dit mooie stuk hout.

—Dat is wat; ga er mede naar den bakker en vraag hem in ruil een brood. Zal hij het je geven? Hoeveel stuivers komt ge te kort? Kom, spreek.

—Ik heb vijftien stuivers.

—Vijf stuivers ontbreken er dus aan, ellendige schooier, vijf stuivers, en gij durft nog vóór me verschijnen! Riccardo, je bent een gelukkige duivel! Je zult pleizier ervan hebben! Doe je vest los.

—Maar mijn blok hout!

—Ik geef het je voor je middagmaal.

Deze domme scherts deed de andere jongens, die niet veroordeeld waren, lachen.

Gedurende dit verhoor waren een tiental knapen binnengekomen; allen kwamen op hun beurt met hem afrekenen; behalve de twee eersten, kwamen er nog drie, welke evenmin het aantal stuivers hadden opgehaald.

—Vijf schelmen bestelen en plunderen mij dus? riep Garofoli met donderende stem; dat komt ervan, wanneer men te edelmoedig is; waarvan, denkt gij wel, dat ik het vleesch en de aardappelen, die ik je geef, betalen moet, als jelui niet werken wilt? Gij speelt liever; wie in het bosch is, moet met de wolven huilen en gij lacht liever. Gelooft gij niet, dat ge beter deedt, wanneer gij schijnbaar huilend uw hand uitsteekt, dan wanneer gij in ernst huilt en me den rug toekeert? Kom, trek uw jassen uit!

Riccardo stond met zijn zweep in de hand, en de vijf schuldigen om hem geschaard.

—Gij weet, Riccardo, dat ik niet naar je omzie; want ik kan niet tegen zulke bestraffingen; maar ik hoor ze wel, en daaruit kan ik zeer goed opmaken, met hoeveel kracht je ze geeft: doe het maar met hart en ziel, mijn jongen, je werkt voor je brood.

En hij ging met zijn gelaat naar het vuur staan, alsof hij onmogelijk deze tuchtiging zien kon. Ik zat in een hoekje te sidderen van verontwaardiging en angst. Deze man zou mijn meester worden; als ik de twintig of dertig stuivers, die hij van mij eischen kon, niet ophaalde, zou ik Riccardo ook mijn rug moeten aanbieden. O, ik begreep toen, waarom Mattia zoo kalm en met eenig verlangen over zijn dood spreken kon.

Toen ik den eersten zweepslag hoorde, sprongen de tranen mij in de oogen. Ik dacht, dat niemand op mij lette, maar ik had mij bedrogen, want Garofoli sloeg mij gade, hetgeen hij ook spoedig blijken liet.

—Dat kind heeft een goed hart, zeide hij, terwijl hij met zijn vinger naar mij wees; hij is niet zooals jelui, die allen groote schelmen zijt en om je makkers ongeluk en mijn verdriet lacht. Al behoort hij niet tot jelui, neem toch maar een voorbeeld aan dien makker.

Het woord makker deed mij van het hoofd tot de voeten rillen en beven.

Garofoli hief zijn hand op en Riccardo liet de zweep hangen.

Ik dacht, dat hij hun genade wilde schenken, maar daarom was het hem niet te doen.

—Gij weet hoe slecht ik dat gillen kan verdragen, zeide Garofoli op vriendelijken toon tot zijn slachtoffer; gij weet, dat al doet de zweep je op je huid pijn, je kreten mij nog meer aan het hart gaan; ik waarschuw je dus, voor elk nieuwe gil krijgt gij een zweepslag meer: en dan is het je eigen schuld; pas op, dat gij mij niet van verdriet ziek maakt; als gij een weinig van mij hieldt, een beetje dankbaarheid gevoeldet, zoudt ge je mond houden. Kom, vooruit Riccardo!

Deze hief de zweep op en de riem viel weder op den rug van den ongelukkige.

—Moeder! moeder! riep deze.

Gelukkig behoefde ik niet langer van dit tooneel getuige te zijn, want de deur ging open en Vitalis trad binnen.

Met een oogopslag begreep hij de kreten, die hij op de trap gehoord had; hij snelde naar Riccardo toe en rukte hem de zweep uit de handen; daarop keerde hij zich tot Garofoli en zag hem ernstig aan, terwijl hij zijn armen over de borst kruiste.

Dit alles had zoo snel plaats gehad, dat Garofoli een oogenblik als verstomd staan bleef, maar hij herstelde zich spoedig en zeide met zijn zoetsappigen glimlach:

—Niet waar, het is vreeselijk; die jongen heeft geen hart.

—Het is een schande! riep Vitalis.

—Dat zeg ik ook, viel Garofoli hem in de rede.

—Geen gekheid, vervolgde mijn meester ernstig, gij weet wel, dat ik niet tot dien knaap spreek, maar tot u; ja, het is een schande, een laagheid om kinderen, die zich niet verdedigen kunnen, zoo te mishandelen.

—Waar bemoeit gij u mede, oude dwaas? vroeg Garofoli, plotseling van toon veranderende.

—Waar de politie zich mede bemoeien moest.

—De politie! riep Garofoli, terwijl hij opstond; gij dreigt mij met de politie?

—Ik, ja, ik, hernam Vitalis zonder zich door den boozenpadronevan zijn stuk te laten brengen.

—Luister Vitalis, begon deze op bedaarden, zelfs eenigszins spottenden toon, gij moet u niet zoo boos toonen, en mij dreigen, dat gij klappen zult, want ik zou van mijn kant evengoed dat kunnen doen. En wie zou er dan het ergst aan toe zijn? Gij kunt erop rekenen, dat ik er niets van aan de politie zeggen zal; uw zaken gaan haar niets aan. Maar er zijn andere menschen, die er belang in stellen en als ik hun eens vertelde wat ik wist, als ik hun maar een naam, een enkelen naam noemde, wie zou dan zijn schande moeten verbergen?

Mijn meester zweeg een oogenblik. Zijn schande! Ik stond versteend. Vóór ik den tijd nog gehad had om van mijn verbazing, door deze zonderlinge woorden opgewekt, te bekomen, had hij mij bij de hand genomen.

—Volg mij.

Hij trok mij mede naar de deur.

—Kom, zeide Garofoli lachende, laten we weer goede vrienden zijn, oude: gij wildet mij spreken.

—Ik heb u niets meer te zeggen.

En zonder een woord verder te uiten, zonder zich zelfs om te keeren, ging hij de trap af, mij altijd vasthoudende. Met welk een verlicht hart volgde ik hem! Ik ontsnapte dus aan Garofoli; als ik gedurfd had, zou ik Vitalis wel hebben willen omhelzen.

Zoolang wij op straat en onder de menschen waren, liep Vitalis, zonder een woord te spreken, voort, maar toen wij een stil en afgelegen gedeelte der stad bereikt hadden, ging hij op een paal zitten, en wreef met de hand over het voorhoofd, hetgeen hij altijd deed, wanneer hij in verlegenheid was.

—Het is heel mooi en wel om aan zijn goed hart gehoor te geven, zeide hij, alsof hij tot zich zelf sprak, maar met dat al staan wij nu op straat, zonder een cent in den zak, of een stuk brood in de maag. Hebt gij honger?

—Ik heb na het korstje brood, dat gij mij vanmorgen gegeven hebt, niets meer gegeten.

—Arme jongen! en waarschijnlijk zult gij vanavond zonder eten naar bed moeten gaan, en als ik dan nog maar wist, waar we een nachtverblijf zullen vinden.

—Gij waart dus van plan, om bij Garofoli den nacht door te brengen?

—Ik meende u bij hem te laten, en daar hij mij een gulden of tien gegeven zou hebben, wanneer ik u den geheelen winter bij hem liet, zou ik voor het oogenblik zelf ook geholpen zijn. Maar toen ik zag, hoe hij de kinderen behandelde, toen kon ik mezelf niet langer meester blijven. Gij hebt immers geen lust om bij hem te blijven?

—Gij zijt zoo goed voor me!

—Misschien is het jonge hart nog niet geheel en al bij den ouden zwerver uitgedoofd. Ongelukkig echter heeft de grijsaard goed gerekend en had de jonkman het mis. Waar zullen we thans heengaan?

Het was reeds laat en de koude, die overdag minder streng was geweest, was thans aanmerkelijk toegenomen; de wind was noord geworden en de nacht zou waarschijnlijk zeer koud wezen.

Vitalis bleef geruimen tijd op den paal zitten, terwijl Capi en ik onbeweeglijk voor hem bleven staan totdat hij een beslissing genomen zou hebben. Eindelijk stond hij op.

—Waar gaan wij heen?

—Naar Gentilly en daar een steengroef opzoeken, waarin ik vroeger ook wel geslapen heb. Zijt gij moe?

—Ik heb bij Garofoli zitten uitrusten.

—Ongelukkig heb ik dat niet kunnen doen en ik kan thans niet meer voort. Toch moeten we verder; kom, vooruit kinderen!

Als hij dit zeide, was hij altijd in zijn schik; maar nu klonken die woorden toch treurig.

Wij liepen dus door de straten van Parijs; het was stikdonker en het gaslicht dat door den wind flikkerde, verlichtte den weg slecht; telkens gleden wij uit op de eene of andere bevroren plaats. Vitalis had mij bij de hand genomen, terwijl Capi ons volgde. Van tijd tot tijd echter bleef hij achter, om tusschen den een of anderen hoop vuil een beentje of een korstje brood te zoeken, want de honger kwelde ook hem; maar het vuil lag onder een ijskorst en zijn zoeken was tevergeefs; met hangende ooren haalde hij ons dan weder in.

Op de groote straten volgden de stegen, en na die stegen weder breede straten; wij liepen maar altijd voort, en de weinigen, die wij op onzen weg ontmoetten, staarden ons verbaasd na; was het onze kleeding of onze vermoeide gang, die de aandacht trok? De agenten van politie, die wij tegenkwamen, bleven stilstaan en sloegen ons een oogenblik gade.

Vitalis liep bijna in tweeën gebogen, zonder een woord te spreken, voort; ondanks de koude, voelde ik zijn hand in de mijne branden; het scheen mij toe, dat hij beefde. Als hij stilstond, om even op mijn schouder te rusten, dan voelde ik, dat een schok door zijn gansche lichaam ging.

Gewoonlijk durfde ik hem niet lastig vallen met vragen, maar ditmaal brak ik met die gewoonte; ik had dan ook behoefte om hem te vertellen, dat ik van hem hield, of tenminste, dat ik gaarne iets voor hem wenschte te doen.

—Gij zijt ziek! zeide ik, toen wij weder stilstonden.

—Ik geloof het ook; in elk geval ben ik doodmoe; die groote tochten zijn voor mijn leeftijd niet meer geschikt en de koude is te heftig voor mijn bloed: ik had een goed bed noodig, een avondmaal in eene warme kamer bij een goed vuur. Maar van dat alles kan niets gebeuren. Kom, vooruit kinderen!

Vooruit! Wij waren nu buiten de stad; of liever wij hadden thans geen huizen meer aan onze zijde; nu eens hadden we aan weerskanten een lange rij muren, dan weder bevonden we ons op het vlakke land. Geen voorbijgangers, geen politieagent noch gaslantaarnen waren op dezen weg te zien; een enkelen keer slechts een verlicht venster en boven ons hoofd een donkerblauwe hemel met eenige sterren. De scherpe en hevige wind deed onze kleeren aan ons lichaam bevriezen; gelukkig echter woei hij in onzen rug, maar daar de naad van mijn jas getornd was, blies hij door die opening tegen mijn arm, wat mij niet verwarmde.

Hoewel het donker was en verscheidene wegen elkander kruisten, liep Vitalis toch steeds voort, als iemand die goed den weg kent; ik volgde hem dan ook zonder een oogenblik bevreesd te zijn, dat wij zouden verdwalen, slechts verlangende, dat wij eindelijk de steengroef zouden bereiken.

Eensklaps echter bleef hij stilstaan.

—Ziet gij daar ginds dat boschje boomen? vroeg hij.

—Ik zie niets.

—Ziet gij geen donkere massa?

Ik zag eerst goed rond, vóór ik hem antwoord gaf; wij moesten ons midden op een vlakte bevinden, want mijn blik verloor zich in de duisternis, zonder iets te bespeuren, wat naar boomen of huizen geleek; nergens ontdekte ik eenig teeken van leven; geen ander geluid dan het gieren van den wind, die over den bodem heenstreek.

—O, had ik uw oogen maar, sprak Vitalis, maar ik zie slecht; kijk ginds eens.

Hij wees recht vóór zich, maar daar ik hem toen nog geen antwoord gaf, want ik durfde hem niet bekennen, dat ik niets zag, begon hij weder voort te loopen.

Eenige oogenblikken zwegen wij, maar daarop bleef hij weder stilstaan en vroeg hij nogmaals of ik geen boschje boomen zag. Ik was toen niet even zeker van mijn zaak als een oogenblik te voren en een onbestemde angst overweldigde mij, toen ik antwoordde, dat ik weder niets zag.

—Het is de angst die u alles zoo verkeerd doet zien.

—Ik verzeker u, dat ik geen boomen zie.

—Ook geen breeden weg?

—Ik zie niets.

—Dan hebben we ons vergist.

Ik wist niet wat hierop te antwoorden, want ik kon niet zeggen waar wij ons bevonden, noch waarheen we ons begaven.

—Laten wij nog vijf minuten voortloopen, en wanneer wij dan nog geen boomen zien, dan keeren wij terug; ik heb mij zeker in den weg vergist.

Nu ik begreep, dat wij verdwaald waren, nu begonnen ook mij de krachten te ontbreken.

Vitalis trok mij bij den arm mede.

—Wat is er?

—Ik kan niet meer loopen.

—En denkt ge dan, dat ik u zou kunnen dragen? Wat mij nog staande houdt is de gedachte, dat, wanneer wij gaan zitten, wij niet weder op kunnen staan en van koude zouden sterven. Kom, vooruit!

Ik volgde hem.

—Zijn er op den weg diepe voren?

—Er zijn er in het geheel geen.

—Dan moeten wij omkeeren.

De wind, dien wij eerst van achteren gehad hadden, blies ons thans vlak in het gelaat en met zooveel hevigheid, dat het was of hij ons brandde.

In het gaan hadden wij niet snel kunnen loopen, maar in het terugkomen liepen wij nog langzamer.

—Wanneer gij voren ziet, waarschuw mij dan, zeide Vitalis; de goede weg moet links zijn; men herkent dien aan het kreupelhout bij den ingang.

Een kwartier lang liepen wij voort, worstelende tegen den wind; onze stappen weerklonken op den harden grond in dezen hollen nacht; hoewel ik eigenlijk het eene been niet meer voor het andere verzetten kon, trok ik thans Vitalis voort. Met hoeveel verlangen zag ik den weg aan de linkerzijde tegemoet.

In het donker zag ik eensklaps een klein roode ster schitteren.

—Een licht, sprak ik, mijn hand uitstrekkende.

—Waar?

Vitalis staarde voor zich uit, en hoewel het licht flikkerde op niet zeer grooten afstand, zag hij toch niets. Ik begreep hieruit dat zijn gezicht verzwakt was, want gewoonlijk kon hij ver zien.

—Wat doet er dat licht ook toe? zeide hij: het is de lamp, die op de tafel van den een of anderen arbeider brandt, of misschien wel haar schijnsel over het bed van een stervende werpt; wij kunnen aan die deur toch niet aankloppen. Op het land zouden wij des nachts een onderkomen kunnen vragen, maar in den omtrek van Parijs is men niet zoo gastvrij. Hier is geen huis voor ons open—kom vooruit!

Weder liepen wij eenige minuten voort; toen meende ik een weg te bespeuren, die den onzen doorsneed en op den hoek van dat pad een zwarte massa, dit moest het kreupelhout zijn. Ik liet de hand van Vitalis los om spoedig vooruit te komen. Deze weg was met voren doorploegd.

—Hier is het kreupelboschje; hier zijn de voren!

—Geef mij de hand, wij zijn gered: de groeve moet een minuut of vijf hier vandaan zijn; zie maar eens goed, dan zult gij het boschje boomen zien.

De hoop schonk ons weder kracht; mijn beenen werden minder zwaar; de grond scheen mij minder hard toe.

Toch waren voor mij die vijf minuten een eeuwigheid.

—Wij volgen nu reeds langer dan vijf minuten den goeden weg, sprakVitalis, stilstaande.

—Dat geloof ik ook.

—Waar loopen de voren?

—Recht voor ons.

—De ingang van de steengroef moet rechts zijn; we zijn hem voorbijgegaan, zonder hem gezien te hebben; in dezen donkeren nacht is het bijzonder moeilijk; toch hadden wij erom moeten denken, dat wij te ver gingen.

—Ik verzeker u toch, dat de voren niet links afwijken.

—Hoe het ook zij, laten we maar omkeeren.

Wederom keerden wij terug.

—Ziet ge het boschje boomen?

—Ja, daar ginds, links.

—En de voren?

—Die zijn er niet.

—Ben ik dan blind? zeide Vitalis, terwijl hij de hand over de oogen streek; geef mij uw hand en laten we recht op de boomen toeloopen. Is er een muur?

—Een steenhoop?

—Neen, ik verzeker u, een muur.

Dat dit werkelijk zoo was, kon ik spoedig ontdekken, daar wij slechts weinige schreden van den muur verwijderd waren. Vitalis deed eenige passen en toen, alsof hij hem nog niet zag, legde hij zijn beide handen op den hinderpaal, dien hij een muur noemde, en dien ik voor een hoop steenen hield.

—Het is een muur, zeide hij; alle steenen zijn geregeld geschikt en ik voel de kalk: waar is dan toch de ingang? Zoek de voren.

Ik ging op den grond liggen en kroop den geheelen muur langs, zonder echter een voor te kunnen ontdekken; ik keerde toen naar Vitalis terug en stelde een zelfde onderzoek aan de tegenovergestelde zijde in. De uitslag was dezelfde, overal een muur; nergens kon men een opening bespeuren, noch een weg of diepe voren of het spoor dat ons den ingang verraadde.

—Ik zie niets dan sneeuw.

De toestand was onhoudbaar; ongetwijfeld was mijn meester verdwaald en de groeven, die hij zocht, waren niet in dezen omtrek.

Toen ik geen voren vinden kon, bleef mijn meester een oogenbik zwijgend staan; daarop drukte hij weder zijn handen tegen den muur en betastte dezen van alle kanten. Capi begreep van dit alles niets en blafte van ongeduld.

Ik liep achter Vitalis.

—Moeten wij nog verder zoeken?

—Neen, de groeve is ommuurd.

—Ommuurd?

—Men heeft den ingang gesloten, en wij kunnen onmogelijk daar binnen komen.

—Maar wat dan?

—Wat nu, niet waar? Ik weet het niet en er schiet ons niets anders over dan hier te sterven.

—O, meester!

—Ja, gij wilt niet sterven; gij zijt jong en aan het leven gehecht: welnu, gij kunt loopen; ga uw gang.

—Maar gij dan?

—Als ik niet meer voort kan, dan zal ik als een oud, versleten paard er bij neervallen.

—Waar moet ik heen?

—Naar Parijs terug; wanneer wij soms een politieagent tegenkomen, dan laten we ons naar het bureau van politie brengen; ik had dit willen vermijden, maar ik wil u niet van koude laten omkomen. Kom, Rémi, mijn jongen, vat moed.

En wij sloegen toen weder denzelfden weg in, dien wij reeds eenmaal hadden afgelegd. Hoe laat het was, daarvan kon ik mij volstrekt geen denkbeeld maken. Wij hadden reeds lang en zelfs zeer langzaam geloopen. Middernacht, misschien wel een uur later. De hemel bleef steeds donker; de maan scheen niet en slechts enkele sterren vertoonden zich, die echter veel kleiner dan anders geleken. De wind was inplaats van te gaan liggen, met dubbele kracht opgestoken. Telkens deed hij de sneeuw, die aan den kant van den weg opgestapeld lag, verstuiven en ons in het gelaat waaien. De huizen, die wij voorbijgingen, waren allen gesloten en donker: ik verbeeldde mij dat de bewoners, die onder hun dekens lagen te slapen, de deur voor ons zouden geopend hebben, indien ze wisten, hoe koud wij het hadden.

Als we maar hard waren gaan loopen, zouden we de koude nog hebben kunnen trotseeren, maar Vitalis kon slechts met moeite voort en moest telkens uitrusten; zijn ademhaling was snel en kort, alsof hij zeer haastig geloopen had. Toen ik hem iets vroeg, antwoordde hij niet, maar gaf met een gebaar van de hand te kennen, dat hij niet spreken kon.

Wij waren nu weder in de stad gekomen, dat is te zeggen wij liepen tusschen muren, boven welke van tijd tot tijd een lantaarn uitstak, die aan een ijzerdraad scheen te hangen.

Vitalis stond stil: ik begreep, dat hij niet langer voort kon.

—Wilt gij, dat ik aan deze deur zal kloppen? vroeg ik.

—Neen, want men zou ons toch niet openen; het zijn tuinlui en groenteboeren, die daar wonen; zij staan midden in den nacht niet op. Laten wij dus maar voortloopen.

Maar hoe gaarne hij dit ook wilde, zijne krachten begaven hem. Toen hij eenige schreden gedaan had, stond hij weder stil.

—Ik moet een oogenblik uitrusten, zeide hij, ik kan niet meer.

Een deur in de heining stond open en boven deze heining uit verrees een groote mesthoop, zooals men ze dikwijls in de tuinen van moezeniers ziet; de wind, die daarover heenstreek, had het stroo losgemaakt en de eerste laag had zich over den weg, zelfs tot aan de heining toe, verspreid.

—Ik ga daar zitten, hernam Vitalis.

—Gij zeidet daar straks, dat, als wij eens gingen zitten, wij door de koude overvallen zouden worden, en niet meer zouden kunnen opstaan.

Zonder mij hierop te antwoorden, wenkte hij mij, dat ik het stroo een weinig bij elkander moest vegen. Hij liet zich toen daarop nedervallen; hij klappertandde en eene rilling voer door zijn geheele lichaam.

—Breng nog wat stroo, zeide hij, de mesthoop beschut ons tegen den wind.

Hij beschutte ons tegen den wind, dat is waar, maar niet tegen de koude. Toen ik al het stroo zoo goed mogelijk bij elkander had gezameld, ging ik naast Vitalis zitten.

—Kruip maar dicht naast mij en neem Capi bij u; hij zal u iets van zijne warmte geven.

Vitalis was een man van ondervinding, die wist, dat de koude, in een toestand, waarin wij verkeerden, doodelijk zijn kon. Hij moest dus wel uitgeput zijn, om zich aan zulk een gevaar bloot te stellen.

Hij was dit ook inderdaad. Veertien dagen lang was hij iederen avond te ruste gegaan, na een dag van inspanning, die zijn krachten te boven ging; deze laatste tocht had hem bewezen, dat hij te zwak en te oud was om dergelijke vermoeienissen te doorstaan.

Had hij eenig bewustzijn van zijn toestand? Dat heb ik nooit te weten kunnen komen. Maar toen ik wat stroo over mij heen had gelegd en vlak naast hem was gekropen, toen voelde ik, dat hij zich over mij heenboog en mij een kus gaf. Dat was voor de tweede maal en, helaas! het was ook de laatste maal.

Een geringe koude belet hen, die zich bibberend in bed leggen, te slapen; een groote koude, die men geruimen tijd heeft moeten doorstaan, brengt ons plotseling in een bedwelmenden, doffen toestand. Dit was bij ons het geval.

Nauwelijks lag ik naast Vitalis of ik gevoelde, dat ik in zwijm viel en dat mijne oogen zich sloten. Ik deed nog een poging om ze te openen, maar daar dit mij niet gelukte, kneep ik mezelf met alle kracht in mijn arm; mijn huid was echter gevoelloos, en hoe ik ook mijn best deed, mocht het mij niet gelukken, mezelf pijn te doen. Toch keerde ik eenigszins tot mijn bewustzijn terug. Vitalis, die met zijn rug tegen de deur leunde, haalde zwaar en moeilijk adem. In mijn armen en vast tegen mijn borst gedrukt, lag Capi te slapen. De wind gierde steeds over ons heen en bedekte ons met stroo. Op straat was niemand; een doodelijke stilte omringde ons.

Deze stilte maakte mij bang; waarvoor was ik bang? Ik kon me daarvan geen rekenschap geven, maar een onbestemde vrees en een onbeschrijflijk treurig gevoel deed mij de tranen in de oogen komen. Het was mij, of ik daar zou sterven.

En de gedachte aan den dood bracht mij Chavanon in herinnering. Arme vrouw Barberin! Zou ik dan sterven, zonder haar te hebben weergezien, zonder een blik op ons huis en onzen tuin? En ik weet niet door welk een zonderling spel mijner verbeelding, zag ik mij plotseling in dien tuin verplaatst; de zon stond hoog aan den hemel, de goudsbloemen openden haar knoppen, de meerlen zongen in het kreupelhout en over de heg had vrouw Barberin het linnen gehangen, dat zij in de beek gewasschen had.

Eensklaps dwaalde mijn geest van Chavanon naarDe Zwaan: Arthur sliep in zijn bed; mevrouw Milligan was ontwaakt en toen zij den wind zoo hoorde loeien, vroeg zij zichzelf af, waar ik mij in deze hevige koude bevinden zou.

Mijn oogen vielen toen weder dicht; mijn hart verstijfde en ik gevoelde duidelijk, dat een bedwelming zich van mij meester maakte.

Toen ik ontwaakte lag ik in een bed; een heerlijk knappend vuur brandde in de kamer, waarin ik te slapen lag.

Ik keek eens rond.

Ik kende die kamer niet.

Evenmin kende ik de personen, die mij omringden: een man in een grijze jas en op gele klompen; drie of vier kinderen, waaronder een meisje van vijf of zes jaar was, die mij met de grootste verbazing stond aan te staren; het waren zonderlinge sprekende oogen.

Zij verdrongen zich om mij heen.

—Vitalis? vroeg ik.

—Hij vraagt naar zijn vader, zeide een meisje, dat de oudste der kinderen scheen.

—Hij is mijn vader niet, hij is mijn meester; waar is hij? Waar is Capi?

Vitalis had men voor mijn vader gehouden, en men vreesde daarom zeker mij van hem te spreken; maar nu hij slechts mijn meester bleek te zijn, was men van meening, dat ik gerust de waarheid vernemen mocht en men vertelde mij toen het volgende:

De deur die in de heining was, waartegen wij ons hadden gelegd, behoorde aan een tuinman. Tegen twee uur in den morgen had de tuinman deze deur geopend om naar de markt te gaan, en had ons toen onder het stroo gevonden. Men was begonnen met ons te zeggen, dat wij moesten opstaan, om den wagen voorbij te laten gaan; maar toen wij ons geen van beiden verroerden en Capi slechts tot onze verdediging kon blaffen, had men ons bij den arm genomen en ons eens terdege geschud. Toen zelfs bewogen wij ons nog niet. Men had daarop gemeend, dat het wel een zeer ernstig geval kon zijn. Er was een lantaarn gehaald; de uitslag van dit onderzoek was geweest, dat Vitalis dood en van koude gestorven was, en dat ik er al even slecht aan toe was als hij. Dank zij echter Capi, die op mijn borst gelegen had, kon ik nog ademhalen. Men had mij toen in de tuinmanswoning gebracht en in het bed van een der kinderen gelegd. Zes uur lang was ik meer dood dan levend geweest; gelukkig had mijn bloedsomloop zich hersteld, was de ademhaling langzamerhand weder op haar kracht gekomen en ontwaakte ik uit mijn bezwijming.

In welk een staat van verdooving, hoe afgemat ik van lichaam en geest ook was, zoo had ik mijn denkvermogen toch voldoende herkregen om de woorden, die ik vernam, in hun geheelen omvang te begrijpen. Vitalis was dood!

De man met de grijze jas, of liever de tuinman, deed mij dit verhaal; terwijl hij sprak had het kleine meisje, met haar verbaasde oogen, haar blik niet van mij afgewend. Toen haar vader vertelde, dat Vitalis dood was, besefte zij zeker, als bij ingeving, welk een zware slag deze tijding voor mij wezen moest, want zij trad naar haar vader toe, legde haar handje op zijn arm en uitte daarbij een zonderlingen klank, die niets van de menschelijke stem had, maar veel op een stillen, medelijdenden zucht geleek.

Bovendien was die beweging zoo welsprekend, dat zij er geen woord behoefde bij te voegen; in haar blik en haar geheele houding raadde ik onwillekeurig een gevoel van sympathie en voor de eerste maal, sedert ik van Arthur gescheiden was, maakte zich een onbeschrijflijk gevoel van mij meester, dat mij vertrouwen en genegenheid inboezemde, evenals in dien goeden tijd, toen vrouw Barberin mij zoo liefderijk aanstaarde, vóór zij mij een kus gaf. Vitalis was dood, ik stond dus heel verlaten op de wereld en toch scheen het mij toe alsof ik niet geheel alleen was en hij nog naast mij stond.

—Ja, lieve Lize, sprak haar vader, terwijl hij zich over het kind heen boog; gij hebt gelijk, het smart hem, maar ik moet hem toch de waarheid vertellen, want als wij het niet deden, dan doet de politie het toch.

Hij ging toen voort mij mede te deelen, dat hij de politie gewaarschuwd had en deze Vitalis had medegenomen, terwijl men mij in het bed van Alexis, den oudsten zoon, gelegd had.

—En Capi, vroeg ik, toen hij zweeg.

—Capi?

—Ja, de hond.

—Ik weet het niet, hij is plotseling verdwenen.

—Hij is de baar gevolgd, zeide een van de kinderen.

—Hebt gij hem gezien, Benjamin?

—Ik geloof het wel, hij volgde de dragers met hangenden kop en van tijd tot tijd zelfs sprong hij op de burrie, en toen zij hem begroeven, liet hij een klagend geluid hooren alsof hij zacht huilde.

Arme Capi! hij, die zoo menigmaal als een goed acteur de begrafenis van Zerbino gevolgd was en dan altijd zulk een treurige houding wist aan te nemen en daarbij zoo steunde en jammerde, dat soms de kleinen aan zijn verdriet geloofden….

De tuinman en zijn kinderen lieten mij toen alleen en zonder zelf recht te weten wat ik deed of wat ik wilde doen, stond ik op.

Mijn harp lag aan het voeteinde van mijn bed; ik hing het koord om mijn hals, en begaf mij naar de kamer, waar de tuinman en zijn kinderen zaten. Ik moest wel vertrekken, maar waarheen, dat wist ik niet…. ik had er zelfs niet het minste begrip van, maar ik gevoelde dat ik vertrekken moest…. en ik vertrok.

Toen ik in het zachte bed ontwaakte, gevoelde ik mij niet ziek, een weinig stijf en mijn hoofd brandde mij als vuur; maar toen ik eenmaal op was, dacht ik, dat ik zou neerstorten en ik moest mij aan een stoel vastgrijpen. Toch, na een oogenblik gerust te hebben, opende ik de deur en toen was ik weder bij den tuinman en de kinderen.

Zij zaten aan een tafel, bij een helder vuur, dat in een hoogen schoorsteen brandde, en ze waren bezig een lekkere warme soep te eten.

De reuk van de soep wekte weder mijn honger op; ik voelde dat ik in onmacht raakte en wankelde. Mijn machteloosheid lag op mijn gelaat te lezen.

Zijt gij niet wel, mijn jongen? vroeg de tuinman mij op deelnemenden toon.

Ik antwoordde, dat ik mij ongesteld gevoelde en, als men het mij toestond, ik gaarne een oogenblik bij het vuur ging zitten.

Maar aan warmte gevoelde ik thans geen behoefte, meer aan voedsel; het vuur bracht mij niet bij en de damp, die uit den soepketel steeg, het rinkelen der borden, het klokken van de tong van hen, die aten, dat alles deed mijn zwakte nog toenemen.

Als ik gedurfd had, zou ik om een bord soep gevraagd hebben, maar Vitalis had mij geen bedelen geleerd en ook had de natuur mij niet tot een bedelaar geschapen; liever zou ik van honger omgekomen zijn dan mijn honger bekend te hebben. Waarom, dat weet ik zelf niet; misschien omdat ik nooit om iets heb willen vragen, wat ik niet terug heb kunnen geven.

Het meisje met haar verwonderde oogen, dat geen woord sprak en door haar vader Lize genoemd werd, had haar lepel nedergelegd en staarde mij onafgebroken aan. Eenklaps stond zij van tafel op, nam haar bord, dat nog vol soep was en bracht dat mij.

Ik deed een poging om haar ervoor te bedanken, daar ik zelf de kracht tot spreken miste; maar hiertoe liet haar vader mij zelfs den tijd niet.

—Neem het gerust aan, mijn jongen; wat Lize geeft is goed gedaan en als ge trek hebt, is er nog wel weer een ander te krijgen.

Als ik trek had! Het bord soep was in een oogwenk ledig. Toen ik mijn lepel neerlegde, uitte Lize, die voor mij was blijven staan, een onverstaanbaren kreet, hetgeen thans geen zucht maar een uitroep van tevredenheid beduidde. Zij nam toen het bord en reikte het haren vader over om het nogmaals te vullen; toen het gevuld was, bracht zij het mij weder, met een glimlach zoo zacht en bemoedigend, dat ik ondanks mijn honger, een oogenblik dien honger vergat en het bord niet aannam.

Evenals de eerste maal, was de soep in een oogwenk verdwenen; geen glimlach speelde er meer om de lippen van de kinderen, die mij omringden; allen lachten luidkeels.

—Wel, vriendje, sprak de tuinman, gij zijt een goede eter.

Ik kleurde tot achter de ooren; maar ik begreep terstond, dat ik beter deed, hem de waarheid te zeggen, dan mij van gulzigheid te laten beschuldigen, en ik gaf hem daarop ten antwoord, dat ik sedert den vorigen dag niets gegeten had.

—En ontbeten?

—Ook niet ontbeten.

—En uw meester?

—Hij had evenmin iets gegeten.

—Dus is hij eigenlijk van honger en koude omgekomen.

De soep had mij weder kracht gegeven, ik stond op om te vertrekken.

—Waar wilt gij heen? vroeg de vader.

—Vertrekken.

—Waarheen wilt gij gaan?

—Dat weet ik niet.

—Hebt gij vrienden in Parijs?

—Neen.

—Geen menschen, die uit dezelfde streek komen als gij?

—Niemand.

—Waar woont gij?

—Wij hadden geen woning; wij zijn eerst gisteren hier gekomen.

—Wat wilt gij doen?

—Op de harp spelen, liedjes zingen om daarmede mijn kost te verdienen.

—Waar?

—Te Parijs.

—Gij zoudt beter doen met naar uw land, naar uw bloedverwanten of ouders terug te keeren.

—Ik heb geen ouders.

—Gij zeidet dat die grijsaard uw vader niet was?

—Ik heb geen vader.

—En uw moeder?

—Ik heb geen moeder.

—Gij hebt toch stellig wel een oom of tante, een nicht of neef?

—Neen, niemand.

—Waar komt gij vandaan?

—Mijn meester heeft mij gekocht van den man van mijn voedster. Gij hebt mij met goedheid behandeld en ik ben u daarvoor hartelijk dankbaar; zoo gij wilt, zal ik Zondag terugkomen en voor u op de harp spelen, als u dat genoegen kan doen.

Al pratende, was ik de deur genaderd; maar nauwelijks had ik eenige schreden gedaan of Lize, die mij gevolgd was, greep mij bij de hand en wees lachende op mijn harp.

Ik kon mij niet bedriegen.

—Wilt gij, dat ik voor u speel?

Zij knikte toestemmend en klapte in de handen.

—Kom, ja, speel een deuntje.

Ik nam mijn harp en hoewel ik niet den minsten lust tot dansen gevoelde, begon ik een wals te spelen, die ik het best kende. O, hoezeer wenschte ik toen te kunnen spelen als Vitalis, om het jonge meisje genoegen te geven, wier oogen mij tot diep in de ziel roerden!

Eerst luisterde zij, terwijl zij mij bleef aanstaren, maar daarop begon zij de maat met haar voetjes te trappelen; spoedig echter, alsof zij door de muziek werd medegesleept, begon zij in de keuken te dansen, terwijl haar twee broeders en zuster rustig bleven zitten; zij walste echter niet, maakte ook niet de gewone passen, maar draaide en wendde zich geheel verrukt in de meest bevallige en sierlijke houdingen.

Haar vader, die bij den schoorsteen zat, verloor haar geen oogenblik uit het oog; hij scheen getroffen en klapte telkens in de handen.

Toen de wals geëindigd was, hield ik op met spelen. Zij ging toen voor mij staan en maakte een diepe buiging. Zij klopte vervolgens met haar vinger op mijn harp, hetgeen wilde zeggen: "speel het nogmaals."

Ik zou den geheelen dag wel voor haar hebben willen spelen, maar haar vader zeide, dat het lang genoeg geduurd had, daar hij vreesde, dat zij te vermoeid zou worden.

Inplaats van een wals of een dans te spelen, zong ik een napolitaansch lied, dat Vitalis mij geleerd had, en dat mijn lievelingsstukje was.

Zoodra Lize dat hoorde, ging zij tegenover mij staan en terwijl zij mij strak aanzag, bewoog zij hare lippen, alsof zij mijne woorden herhaalde; toen mijn lied droever werd, ging zij eenige passen achteruit en bij het laatste couplet viel zij snikkend in haar vaders armen.

—Genoeg, zeide deze.

—Hoe dwaas! riep haar broeder Benjamin, om eerst te dansen en dan te huilen.

—Niet zoo dwaas als gij! Zij begrijpt het, sprak haar zuster, terwijl zij zich over haar heenboog om haar te kussen.

Terwijl Lize zich in haar vaders armen had geworpen, hing ik de harp om mijn hals en begaf mij naar de deur.

—Waar gaat gij heen? vroeg hij weder.

—Ik ga weg.

—Gij houdt dus zeer veel van muziek?

—Ik ken niets anders.

—Gij zijt dus niet bang om alleen zulke verre tochten te maken?

—Ik heb geen thuis.

—Toch zullen de nacht en de angsten, die gij doorgestaan hebt, u wel tot nadenken gebracht hebben?

—Zeker, en ik houd ook meer van een goed bed en een knappend vuur.

—Wenscht gij dat bed en dat vuur, tenminste als gij ervoor werken wilt, wel te verstaan? Als gij wilt, kunt gij hier werk vinden en bij ons blijven. Gij begrijpt, dat ik u geen schatten kan aanbieden, maar evenmin dat ik luiheid zou dulden. Wanneer gij het aanneemt, dan zult gij u veel moeite moeten getroosten, des morgens vroeg opstaan, overdag hard werken, en uw geld in het zweet uws aanschijns verdienen. Maar gij kunt op een stuk brood staatmaken; 's nachts zult ge niet meer onder den blooten hemel behoeven te slapen, en geen gevaar loopen van in een sloot of greppel om te komen; 's avonds zult gij uw bed gespreid vinden, en wanneer gij de soep eet, dan zult ge de voldoening genieten, dat gij ze zelf verdiend hebt, hetgeen ze nog wel dubbel zoo lekker smaken doet; dat verzeker ik u. En wanneer gij een oppassende jongen zijt—wat ik wel geloof—dan zult gij door ons als kind behandeld worden.

Lize had zich omgewend en door haar tranen heen, zag zij mij lachend aan.

Door dit voorstel verrast, bleef ik een oogenblik besluiteloos staan, zonder mezelf rekenschap te geven van hetgeen ik hoorde.

Lize kwam toen naar mij toe en mij bij de hand nemende, trok zij mij voort naar een gekleurde plaat, die tegen den muur hing: zij stelde den heiligen Johannes voor in een schapevacht.

Zij wenkte haar vader en broeders om naar de plaat te zien en tegelijkertijd strekte zij de hand naar mij uit, streek over mijn schapevacht en wees naar mijn haren, welke, evenals die van Johannes, in het midden gescheiden waren en golvend over mijn schouders hingen.

Ik begreep, dat zij een gelijkenis tusschen Johannes en mij vond en zonder te weten waarom, deed mij dit toch genoegen en trof het mij.

—Het is waar, sprak haar vader; hij lijkt op den heiligen Johannes.

Lize klapte in de handen.

—Welnu, hernam haar vader, op zijn voorstel terugkomende; hebt gij lust om in ons gezin te worden opgenomen?

Een gezin!

Ik zou dus een gezin hebben! O, hoe menigmaal bleek deze geliefkoosde droom ijdel geweest te zijn: vrouw Barberin, mevrouw Milligan, Vitalis, de een na de ander waren mij ontvallen.

Ik zou niet langer alleen op de wereld zijn.

Mijn toestand was vreeselijk: ik had een man zien sterven, met wien ik jaren achtereen geleefd had en die voor mij altijd een vader was geweest. Op hetzelfde oogenblik had ik een metgezel verloren, een makker, een vriend, mijn goeden, besten Capi, van wien ik zooveel hield en die ook een groote gehechtheid voor mij had opgevat en toch, toen de tuinman mij voorstelde om bij hem te blijven, begon ik weder eenig vertrouwen in mijn toekomst te stellen.

Alles was dus nog niet voor mij verloren: het leven kon dus weder voor mij beginnen.

En wat mij nog het meest aantrok, meer nog dan het brood, dat ik verdienen zou, was die kring, dat huiselijk leven, dat men mij beloofde.

Die jongens zouden mijne broeders zijn.

Die mooie lieve Lize mijne zuster.

In mijn kinderlijke droomen had ik mij meer dan eens voorgesteld, dat ik mijn vader en moeder zou weervinden, maar nooit had ik aan broeders en zusters gedacht.

En nu boden zij zich aan.

Zij waren het niet in werkelijkheid, dat was waar, maar door hun vriendschap konden zij het worden; ik behoefde ze daarvoor slechts lief te hebben (en ik voor mij wenschte niets liever) en om mij door hen te laten beminnen zou niet moeilijk zijn, want zij schenen mij allen even goed toe.

Haastig ontdeed ik mij van mijn harp.

—Dat is zijn antwoord, zeide de vader lachende, en het is een goed ook, want men ziet dat het u genoegen geeft. Hang uw instrument aan dien spijker, mijn jongen, en wanneer de dag soms mocht aanbreken, waarop gij het niet langer met ons vinden kondt, dan neemt gij het daar weder af om te vertrekken; als gij dan maar het voorbeeld van de zwaluwen en de nachtegalen volgt en een beter jaargetijde tot reizen kiest.

Het huis, voor welks deur wij ons ter ruste hadden gelegd, behoorde aan deGlacièreen de tuinman, die het bewoonde, heette Acquin. Toen ik door hem in zijn huiselijken kring opgenomen werd, bestond zijn gezin uit vijf personen: de vader, dien men vader Peter noemde, twee zoons Alexis en Benjamin, en twee dochters, Martha de oudste en Lize de jongste der kinderen.

Lize was stom, maar niet stom geboren; dat wil zeggen, dat geen doofheid van haar gebrek de oorzaak was. Twee jaar lang had zij gesproken, maar plotseling, kort vóór haar vierde jaar, had zij haar spraak verloren, tengevolge van hevige stuipen. Gelukkig echter had het op haar verstand geen invloed uitgeoefend; dit had zich integendeel met een buitengewone snelheid ontwikkeld; zij begreep niet alleen alles, maar wist ook alles uit te drukken. In arme gezinnen en dikwijls zelfs bij gezeten families ook wordt zulk een kind verstooten of aan zijn lot overgelaten.

Maar dit was met Lize het geval niet geweest; haar lieftalligheid en levendige geest, haar zacht en goedhartig karakter hadden haar voor zulk een rampzalig lot weten te bewaren. Haar broeders zorgden altijd, dat zij haar ongeluk vergat; de vader had slechts oogen voor haar en de oudste zuster aanbad haar.

Vroeger was het recht van den oudste bij adellijke geslachten een groot voordeel; tegenwoordig is het bij arbeidersfamiliën dikwijls een groote verantwoordelijkheid, welke de eerstgeborene erft. De vrouw van Acquin was een jaar na de geboorte van Lize gestorven en sedert dien dag was Martha, die slechts twee jaar ouder was dan haar broeder, een moeder voor het gezin geworden. Inplaats van naar school te gaan, moest zij tehuis blijven, het eten klaarmaken, het linnengoed van haar vader en broeders herstellen en Lize verzorgen; men had vergeten, dat zij de dochter, de zuster was en was haar spoedig als een dienstbode gaan beschouwen, die men zelfs in geen enkel opzicht ontzag, want men wist, dat zij nooit zou wegloopen of boos worden.

Martha had geen jeugd gekend, want toen ze nog een kind was, droeg ze Lize reeds in haar armen, paste op Benjamin, werkte den ganschen dag voor het huishouden, stond 's morgens reeds vroeg op, om haar vader, vóór dat hij zich naar de markt begaf, zijn soep te geven, ging laat te rust om alles op te bergen; waschte het linnengoed, begoot de bloemen, zoodra zij een uurtje vrij had, en verliet menigmaal des winters midden in den nacht haar bed om de stroomatten uit te leggen, wanneer de vorst plotseling was ingevallen. Op haar veertiende jaar lag er op haar gelaat een treurige, zwaarmoedige trek, alsof zij reeds dertig jaar oud was, maar tevens een uitdrukking van zachtheid en onderwerping.

Nog geen vijf minuten hing mijn harp aan den spijker, terwijl ik nog bezig was mijn lotgevallen te vertellen, of wij hoorden krabben tegen de deur en een klagend geblaf.

—Dat is Capi! zeide ik opstaande.

Maar Lize was mij reeds voor, zij snelde naar de deur en opende ze.

De arme Capi was in een sprong bij mij en, toen ik hem in mijn armen drukte, lekte hij mijn gezicht en gaf door een zacht janken zijn blijdschap te kennen: hij beefde over zijn geheele lichaam.

—En Capi? vroeg ik.

Mijn vraag werd goed verstaan.

—Wel, Capi blijft bij u.

Het was of hij het begreep, want hij sprong op den grond en terwijl hij den rechterpoot op zijn hart legde, maakte hij een buiging.

Hierin hadden de kinderen groot pleizier en vooral Lize, maar toen ik Capi een stuk van zijn repertoire wilde laten spelen, weigerde hij mij te gehoorzamen en sprong weder op mijn knieën om mij te lekken; daarop begon hij mij aan de mouw van mijn jas te trekken.

—Hij wil dat ik zal uitgaan.

—Om u bij uw meester te brengen.

De politie, die Vitalis had medegenomen, had gezegd, dat zij mij een verhoor zou doen ondergaan en in den loop van den dag zou terugkomen. De tijd viel mij lang. Ik verlangde naar eenige tijding van Vitalis. Misschien was hij niet dood, zooals men meende. Ik was ook niet dood. Hij kon, evenals ik, uit zijn bewusteloosheid ontwaakt zijn.

De vader giste mijn bezorgdheid en nam mij naar het bureau van politie mede, waar men mij de eene vraag na de andere stelde die ik eerst beantwoordde, toen men mij verzekerd had, dat Vitalis dood was. Hetgeen ik wist was zeer weinig en in korte woorden te vertellen. Maar de commissaris wilde meer weten en ondervroeg mij geruimen tijd naar alles, wat betrekking had op Vitalis en mij.

Wat mezelf betrof kon ik hem antwoorden, dat ik geen ouders had en dat Vitalis mij voor een som geld, die hij aan den echtgenoot van mijn voedster had gegeven, gehuurd had.

—En wat gaat gij nu doen? vroeg de commissaris.

Acquin antwoordde hem hierop voor mij.

—Daarvoor zullen wij zorgen, indien gij hem aan ons wilt toevertrouwen.

Niet alleen stemde de commissaris hierin toe, maar hij prees den tuinman zelfs voor deze goede daad.

Ik moest nu alles vertellen, wat ik van Vitalis wist: dat viel mij moeilijk, want ik wist niets of bijna niets van hem.

Toch was er een geheimzinnig punt, dat ik zou hebben kunnen aanhalen: hetgeen bij onze laatste voorstelling had plaats gehad, toen het zingen van Vitalis zoozeer de bewondering en verbazing van die dame had opgewekt; evenzoo de bedreigingen welke Garofoli hem had toegevoegd; maar ik vroeg mij af, of ik niet beter deed, dit voor mijzelf te houden.

Wat mijn meester bij zijn leven zoo zorgvuldig bewaard had, mocht toch na zijn dood niet openbaar worden gemaakt.

Maar een kind kan moeilijk voor een commissaris van politie iets verzwijgen, want deze heeft een manier om zoo te vragen, dat ieder spoedig alles moet bekennen.

Dat gebeurde ook met mij.

Eer er vijf minuten verloopen waren, had de commissaris mij alles laten vertellen, wat ik hem juist verbergen wilde.

—Het beste is om hem bij Garofoli te brengen, zeide hij tot een agent; wanneer hij in de straat Lourcine is, dan zal hij het huis wel herkennen; gij moet dan maar met hem naar boven gaan en dien Garofoli ondervragen.

Wij begaven ons alle drie op weg; de agent, de vader en ik.

Zooals de commissaris vermoed had, zou ik spoedig het huis herkennen en wij gingen naar de vierde verdieping. Ik zag Mattia niet, die was waarschijnlijk reeds naar het gasthuis gebracht. Toen Garofoli den agent zag en mij herkende, verbleekte hij; zeker was hij bang.

Maar spoedig werd hij gerustgesteld, toen hij de reden van ons bezoek vernam.

—Zoo, is de arme oude dood?

—Kendet gij hem?

—Ja, zeer goed.

—Welnu, zeg mij dan alles, wat gij van hem weet.

—Dat is heel eenvoudig. Hij heette niet Vitalis; zijn naam was Carlo Balzani, en zoo gij een dertig of veertig jaar geleden in Italië geleefd hadt, zoudt gij weten, wie deze persoon was, naar wien gij thans onderzoek doet. In dien tijd was Balzani de beroemdste zanger en oogstte op het tooneel vele lauweren; hij heeft overal gezongen, te Napels, Rome, Milaan, Venetië, Florence, Londen en Parijs. Maar eens brak de dag aan, waarop hij zijn stem verloor; toen was hij niet langer de koning der zangers; hij wilde niet, dat zijn roem zou verminderen door in schouwburgen van minder rang op te treden. Hij deed afstand van den naam Carlo Balzani en is Vitalis geworden; voor een ieder die hem in zijn goeden tijd gekend had, hield hij zich verborgen. Hij moest echter leven, maar is nooit kunnen slagen, wat hij ook beproefd heeft, zoodat hij steeds lager en lager zonk en eindelijk met dieren ging rondreizen. Maar hoe ellendig zijn toestand ook was, zijn trots behield hij, en hij zou van schaamte gestorven zijn zoo het publiek te weten ware gekomen, dat de gevierde Carlo Balzani de arme Vitalis geworden was. Een toeval heeft mij dit geheim verraden.

Dit was dus het geheim, dat mij altijd zooveel belang had ingeboezemd.

Arme Carlo Balzani, goede, beste Vitalis!


Back to IndexNext