Den anderen dag zou mijn meester begraven worden en Acquin had mij beloofd, dat ik daarbij tegenwoordig mocht wezen.
Maar den anderen morgen was ik niet in staat mij op te richten, want dien nacht had ik eene hevige koorts gekregen, die met een rilling begon en in een bad van zweet eindigde; het was mij, of een stuk vuur op mijn borst brandde en ik gevoelde mij zeker even ziek als Joli-Coeur, toen hij een nacht in een boom en in de sneeuw had geslapen.
Ik had een heftige longontsteking, veroorzaakt door de koude, welke ik den nacht, waarin mijn meester gestorven was, doorstaan had.
Deze ziekte deed mij nog meer de goedheid van de familie Acquin op prijs stellen, en vooral bleek mij toen welk een zorgvolle huishoudster Martha was.
Hoewel men bij minder gegoede huisgezinnen niet spoedig de hulp van een dokter inroept, deden zich bij deze ziekte zulke onrustbarende verschijnselen voor, dat men voor mij een uitzondering maken moest op dezen regel, die even natuurlijk als algemeen is.
De geneesheer behoefde mij niet lang te onderzoeken om een volledig verslag van mijn ongesteldheid te geven; hij verklaarde terstond, dat men mij naar het gasthuis brengen moest.
Dit was inderdaad het eenvoudigste en gemakkelijkste wat men doen kon. Toch weigerde de tuinman dezen raad op te volgen.
—Daar hij voor onze deur is gevallen en niet voor die van het gasthuis, moeten wij hem ook bij ons houden!
De geneesheer trachtte op allerlei wijzen hem van dit denkbeeld af te brengen, maar niets mocht baten. Men wilde mij houden en men hield mij bij zich.
En bij al haar drukke bezigheden nam Martha nog de rol van ziekenverpleegster op zich; zij verzorgde mij liefderijk, geheel volgens het voorschrift, evenals de zusters dat in het gasthuis doen, zonder ooit eenig ongeduld daarbij aan den dag te leggen. Als zij mij een oogenblik verlaten moest om haar huishouden te besturen, nam Lize haar plaats in en dikwijls zag ik deze in mijn koorts, aan het voeteinde van mijn bed, terwijl zij haar groote oogen aanhoudend op mij gevestigd hield. In mijn verward brein meende ik, dat zij mijn beschermengel was en ik sprak haar toe, zooals men tot een engel spreekt, aan wien men zijn wenschen en verlangen vertelt.
Sedert dien tijd gewende ik mij, haar als een ideaal wezen te beschouwen, dat door een soort van stralenkrans omgeven was en ik kon nooit mijn verbazing bedwingen, wanneer ik haar zag deelnemen aan het gewone huiselijke leven, juist wanneer ik meende, dat zij haar groote witte vleugels zou uitspreiden.
Ik leed veel gedurende mijn lange ziekte; telkens stortte ik weder in, zoodat bloedverwanten misschien den moed zouden hebben opgegeven. Maar Martha verloor haar geduld niet en bleef mij trouw oppassen. Nachten achtereen moest er bij mij gewaakt worden, want ik had dikwijls zulke benauwdheden, dat men bevreesd was, dat ik er in stikken zou. Alexis en Benjamin waakten beurtelings bij mij.
Eindelijk vertoonde zich eenige beterschap; maar daar ik nu eens erger dan weder beter was, moest ik wachten tot het voorjaar aanbrak en de velden bij de Glacière met een groen waas overtogen waren.
Lize, die niet werkte, nam weder de plaats van Martha in. Met haar wandelde ik langs de oevers van de Bièvre. Tegen den middag, als de zon hoog aan den hemel stond, begaven we ons samen hand aan hand op weg, door Capi gevolgd. Het was een mooi en zacht voorjaar, tenminste ik heb dien lieflijken indruk ervan behouden, hetgeen toch eigenlijk op hetzelfde neerkomt. Dagelijks bezochten wij het dal dat niet ver van onze woning verwijderd lag.
Natuurlijk sprak Lize onderweg nooit, maar zonderling genoeg, wij hadden ook geen woorden noodig, want als wij elkander zagen, lazen wij in elkaars blik hetgeen we wilden zeggen, zoodat ik zelf meestal ook zweeg.
Langzamerhand kreeg ik mijn krachten terug en zou ik in den tuin kunnen arbeiden; ik zag dien tijd met ongeduld tegemoet, want ik verlangde er naar om voor de anderen te doen, hetgeen zij voor mij gedaan hadden: voor hen te werken en naarmate mijn krachten het vergunden, terug te geven, hetgeen ze mij gegeven hadden. Ik had nooit gewerkt, want hoe vermoeiend verre tochten ook zijn mochten, zij zijn niet te vergelijken met den bestendigen arbeid, die veel goeden wil en ijver eischt; maar het scheen, dat ik goed werkte, tenminste dat ik met lust het voorbeeld van hen, die mij omringden, volgde.
Het was de tijd, waarop de viooltjes naar de markt te Parijs gebracht werden en vader Acquin had aan deze bloemen al zijn zorg gewijd; in onzen tuin stonden er van allerlei soort en kleur en 's avonds, vóór dat de ramen gesloten werden, was de lucht met de geur van deze bloemen vervuld.
De taak, die men mij had opgedragen, was in evenredigheid met mijn krachten; zij bestond voornamelijk om 's morgens de ramen van de broeikasten af te lichten, wanneer de vorst voorbij was, en ze 's avonds daarmede weder te bedekken, vóór dat deze inviel; overdag moest ik zorgen, dat zij met rietmatten overdekt werden, wanneer de zon soms al te fel scheen. Dat was moeilijk noch zwaar, maar het duurde toch lang, daar ik wel een paar honderd pannen tweemaal daags verleggen en aanhoudend moest zorgen, dat het te warm noch te koud werd.
Gedurende dien tijd bleef Lize altijd bij het toestel, dat diende om het water voor de besproeiing op te pompen, en als de oude Coco, wiens oogen met een lederen klap waren geblinddoekt, vermoeid van het rondloopen, wilde stilstaan, dan klapte zij met haar kleine zweep; een van haar broeders stortte de emmers uit, die gevuld opgehaald werden en de ander hielp zijn vader; zoo had iedereen zijn werk en niemand liet tijd verloren gaan.
In mijn dorp had ik de boeren menigmaal aan het werk gezien, maar ik had in het minst geen denkbeeld van den moed en de inspanning, welke de arbeid van de tuinlieden in den omtrek van Parijs vereischt, die 's morgens nog vóór het opkomen der zon reeds moeten opstaan, en eerst laat in den avond zich ter rust kunnen begeven, zich geheel aan hun werk wijden en daarvoor hun beste krachten inspannen; ik had ook het land zien bebouwen, maar ik wist niet hoeveel schatten dit kon voortbrengen, indien men het voortdurend bewerkte: ik was in een goede leer bij vader Acquin.
Ook werd ik niet altijd in de broeikasten gebruikt; toen ik weder geheel hersteld was, mocht ik ook bloemen planten en smaakte ik het genot, die te zien groeien; dat was mijn werk, mijn eigendom, mijn schepping en dat maakte mij trotsch; ik was dus tot iets geschikt en ik gaf hiervan de bewijzen. Maar wat mij nog gelukkiger maakte was, dat ik zelf gevoelde, dat ik het goed deed, hetgeen de moeite dubbel loont; dit verzeker ik u.
Ondanks de vermoeienissen, dat dit nieuwe leven voor mij medebracht, gewende ik mij toch spoedig aan al deze werkzaamheden, die zoo weinig geleken op mijn vorig zwervend leven. Inplaats van vrij rond te loopen, zooals vroeger, steeds den grooten weg te volgen, moest ik mij thans tusschen vier muren van een tuin opsluiten en van den morgen tot den avond hard werken, terwijl het hemd mij aan het lijf kleefde, met de gieters aan mijn arm en mijn voeten in beslijkte schoenen; maar iedereen werkte zoo hard; de gieters van den vader waren nog zwaarder dan de mijne en zijn schoenen niet minder vuil. Het doet ons goed, als wij, wanneer ons iets moeite kost, zien, dat anderen hetzelfde lot met ons deelen. Bovendien had ik hier wat ik niet dacht dat ik ooit genieten zou: het leven in een huiselijken kring. Ik was niet langer alleen, ik was niet meer het verlaten kind; ik had een eigen bed; ik had een plaats aan de tafel, waaraan wij ons altijd vereenigden. Zoo Alexis of Benjamin nu en dan eens met mij vochten, spoedig hadden wij onze twisten weder vergeten en 's avonds, als we de soep aten, waren wij weer de beste vrienden.
Om de waarheid te zeggen, moet ik bekennen, dat we niet altijd werkten en ons vermoeiden; wij hadden ook onze uren van rust en uitspanning; zij waren wel kort, maar daarom juist des te prettiger.
Des Zondagsmiddags kwamen wij allen in een met wingerden begroeid prieel bij elkander; ik nam dan mijn harp van den muur, die de gansche week daaraan hangen bleef, en liet de kinderen dansen. Geen van allen had dansen geleerd, maar de jongens hadden eens een bal bijgewoond en hun geheugen kwam hen bij die gelegenheid te hulp.
Wanneer zij het dansen moe waren, verzochten zij mij om iets voor hen te zingen en wanneer ik mijn napolitaansch lied zong, dan kwamen altijd, evenals de eerste maal, de tranen in Lize's oogen.
Om haar dan eenige afleiding te geven, liet ik terstond een vroolijk stukje volgen, waarbij Capi kon optreden. Voor hem waren die Zondagen ook feestdagen; zij herinnerden hem aan het verleden en wanneer hij zijn rol afgespeeld had, zou hij die gaarne weer van voren af aan begonnen zijn.
Twee jaren gingen er op deze wijs voorbij, en daar de tuinman mij dikwijls naar de markt medenam of soms ook wel naar andere tuinlieden, bij wie wij onze planten brachten, begon ik langzamerhand Parijs te leeren kennen en te begrijpen, dat het geen stad van marmer en goud was, gelijk ik mij vroeger verbeeldde, maar dat het evenmin slechts vuil en slijk was, wat men er zag, zooals op den avond, toen wij voor de eerste maal hare straten doorkruisten.
Ik zag praalgraven en monumenten, ik wandelde langs de kaden en over de boulevards, in het Luxemburg, de Tuileriën en de Champs Elysées.
Ik zag beelden. Ik bleef de menigte vol bewondering gadeslaan. Ik begon mij een denkbeeld te vormen van het leven, dat men in een hoofdstad leidt.
Gelukkig bestond mijn opvoeding niet alleen in hetgeen ik toevallig op mijn wandelingen of mijn tochten door Parijs zag. Voordat "de vader" zich zelf als tuinman gevestigd had, was hij werkzaam geweest in de boomkweekerij van den Plantentuin en daar was hij in aanraking gekomen met wetenschappelijke en gestudeerde menschen, door wier omgang het verlangen bij hem levendig was geworden om te lezen en te studeeren. Verscheidene jaren had hij van zijn inkomen gespaard om boeken te koopen en die in zijn vrijen tijd te lezen. Maar toen hij getrouwd was en kinderen had, kreeg hij minder vrijen tijd, want hij moest toen zorgen, dat allen aan den kost kwamen; zijn boeken bleven van toen af gesloten, maar hij bewaarde ze zorgvuldig in een kast. De eerste winter dien ik in zijn huisgezin doorbracht, duurde zeer lang en hoewel het werken in den tuin niet geheel gestaakt werd, viel er toch maanden achtereen weinig te arbeiden.
Des avonds vereenigden wij ons dan bij den haard; de oude boeken werden te voorschijn gehaald en onder ons verdeeld. Voor het grootste gedeelte handelden zij over planten en kruiden en de geschiedenis daarvan; voorts waren er eenige reisverhalen. Alexis en Benjamin hadden echter niet dien lust in lezen en studeeren, dien hun vader in zijn jeugd bezat; geregeld vielen zij dan ook gerust over hun boek in slaap. Ik voor mij, die minder slaperig of misschien leergieriger was, bleef, totdat wij naar bed gingen, doorlezen: de eerste lessen, welke Vitalis mij gegeven had, waren dus niet verloren gegaan, en wanneer ik dit bij mezelf zeide, terwijl ik mij uitkleedde, dacht ik altijd met dankbaarheid aan hem.
Mijn lust tot leeren herinnerde Acquin weder aan den tijd, toen hij op zijn eten zooveel mogelijk uitzuinigde om zich boeken aan te schaffen; hij bracht mij soms ook wel nieuwe boeken uit Parijs mede. Zijn keus liet hij aan het toeval over en dikwijls zelfs ging hij alleen op de titels af; in elk geval, het waren boeken en al mochten zij mijn geest een weinig in de war brengen, met den tijd zou dat wel in orde komen en ontegenzeglijk is mij veel goeds daarvan bijgebleven.
Lize kon niet lezen, maar toen zij mij, zoodra ik een uur vrij had, in een boek verdiept zag, verlangde zij te weten, wat mij zooveel belangstelling inboezemde. In het eerst wilde zij mij altijd de boeken afnemen, die mij beletten om met haar te spelen; maar toen zij zag, dat ik, ondanks alles, toch altijd weer naar mijn boeken terugkeerde, verzocht zij mij haar te vertellen, wat erin stond. Een nieuwe band vormde zich daardoor tusschen ons. Daar zij vaak in zichzelf gekeerd was en haar verstand goed ontwikkeld was, zonder dat zij ooit kon deelnemen aan beuzelachtige of onbeduidende gesprekken, moest zij een groote vergoeding in het lezen vinden, hetgeen zij er dan ook werkelijk in vond: een afleiding en voedsel voor haar geest.
Hoeveel uren hebben wij niet samen doorgebracht: zij naast mij, geen oogenblik haar oogen van mij afwendende, terwijl ik verdiept was in een boek. Dikwijls hield ik even op, als ik een woord of een zin niet begreep, en dan zag ik haar aan. Langen tijd zochten wij dan, en wanneer wij het niet te weten kwamen, dan beduidde zij mij met een gebaar, dat ik maar moest voortgaan, alsof zij zeggen wilde: "later". Ik leerde haar ook teekenen, dat wil zeggen, zooals ik teekenen kon. Dit duurde echter lang en was veel moeilijker, maar het gelukte mij toch. Ik was zelf geen groot meester, maar wanneer meester en leerling het met elkander eens zijn, is dit dikwijls meer waard dan talent. Welk een vreugde was het, toen zij eenige lijnen kon zetten, waaruit men kon opmaken, wat zij voorstellen wilde! Vader Acquin drukte mij toen een kus op het voorhoofd.
—Ik had wel een grooter domheid in mijn leven kunnen begaan dan u in huis te nemen, zeide hij. Lize zal er u later wel voor betalen.
Later, dat wil zeggen, wanneer zij weder spreken kon, want men had de hoop nog niet opgegeven, dat zij eenmaal haar spraak zou terugkrijgen; de dokters hadden echter gezegd, dat zij voor het oogenblik er niets aan doen konden en zij de krisis moesten afwachten.
"Later" beteekende ook een treurig schudden met haar hoofd, wanneer ik een van mijn liedjes voor haar gezongen had. Zij had ook op de harp willen leeren spelen en al spoedig liet zij even vlug als ik haar vingers over dat instrument glijden. Maar natuurlijk kon ik haar niet leeren zingen en dat speet haar. Dikwijls zag ik tranen in haar oogen, die mij het bewijs waren, hoeveel zij er onder leed. Maar bij zulk een goed en zacht karakter duurt het verdriet niet lang; zij wischte hare tranen af en met een glimlach beduidde zij mij dat het "later" wel gebeuren zou.
Door vader Acquin als kind aangenomen en door zijn zoons als een broeder beschouwd, zou ik waarschijnlijk mijn levenlang op de Glacière gebleven zijn, zoo er niet een gebeurtenis plaats had gegrepen, die plotseling weder een verandering in mijn leven bracht; want het stond geschreven, dat ik niet lang gelukkig zou kunnen zijn, en dat juist wanneer ik meende het zekerst van mijn rust te zijn, het oogenblik was aangebroken, waarop ik weder, door omstandigheden onafhankelijk van mijn wil, tot een leven vol avonturen en zonderlinge lotgevallen zou terugkeeren.
Als ik alleen zat, dacht ik dikwijls bij mezelf: "Gij zijt te gelukkig, jongen; dat zal niet lang meer duren."
Welk ongeluk mij overkomen moest, dat kon ik niet voorzien, maar ik was bijna zeker, dat het, van welken kant ook, zou komen opdagen.
Dit stemde mij dikwijls treurig, maar toch had het in één opzicht veel goeds, daar ik in alles zooveel mogelijk mijn best deed om het ongeluk te vermijden, en mij verbeeldde, dat het mijn eigen schuld zou zijn, wanneer ik weder door een ramp getroffen werd.
Het was echter niet door mijn toedoen, maar als ik mij niet bedrieg, besefte ik het ongeluk in zijn geheelen omvang.
Ik zeide reeds, dat vader Acquin hoofdzakelijk viooltjes teelde. Deze zijn zeer gemakkelijk te kweeken en de tuinlieden, die in den omtrek van Parijs wonen, slagen erin wonderen daarvan voort te brengen, getuige de groote planten, die van boven tot onderen met bloemen beladen zijn en die zij in de maanden April en Mei naar de markt brengen. De tuinman, die van viooltjes zijn werk maakt, moet er slechts op letten, dat hij de dubbele planten uitkiest, omdat de dames de enkelen niet verlangen. Daar het zaad, in evenredigheid tenminste, meestal evenveel dubbele als enkele planten doet ontkiemen, is het van het grootste belang, dat men slechts de dubbelen behoudt; want anders loopt men gevaar, dat men met de grootste zorg vijftig op de honderd planten kweekt, die men moet wegwerpen, wanneer zij beginnen te bloeien, dat wil zeggen, een jaar nadat zij gezaaid zijn.
Wanneer zij, die viooltjes telen, de dubbelen van de enkelen moeten uitzoeken, dan wenden zij zich tot andere tuinlieden die met het geheim bekend zijn en deze gaan naar de stad, om, evenals de dokters of deskundigen, een consult te houden. Vader Acquin behoorde onder de knapste bloemkweekers van Parijs; wanneer de tijd was aangebroken waarop de viooltjes uitgezocht moesten worden, was hij den ganschen dag bezig. Dan was het voor ons en vooral voor Martha een slechte tijd, want als vrienden bij elkaar komen, wordt er in den regel menig glas gedronken en als hij dan na zulk een dag tehuis kwam, had hij een hooge kleur, kon moeilijk uit zijn woorden komen en dikwijls beefden zijn handen.
Martha ging niet naar bed voordat hij tehuis was, hoe laat in den nacht dit ook wezen mocht.
Als ik dan nog wakker was, of door het gedruisch, dat hij veroorzaakte, ontwaakte, hoorde ik vanuit mijn kamer, wat zij spraken.
—Waarom zijt ge niet naar bed gegaan? vroeg de vader.
—Omdat ik wilde zien, of gij soms nog iets noodig mocht hebben.
—Dat wil zooveel zeggen, als dat gij mij bespied.
—Als ik niet meer wakker was, tot wien zoudt u dan spreken?
—Gij wilt zien of ik nog goed kan loopen; zie nu maar, of ik niet heel goed tot aan gindsche deur kan gaan zonder een oogenblik van de streep af te wijken.
Ik hoorde hem in de keuken eenige ongeregelde schreden doen; daarop volgde er een stilte.
—Gaat het met Lize goed?
—Ja, zij slaapt, wilt gij zorgen dat gij geen leven maakt.
—Ik maak geen leven; ik loop recht voor mij uit; ik moet wel recht voor mij uit loopen, daar de dochters anders haar vader beschuldigen. Wat zeide zij wel, toen ze mij niet bij het avondeten zag?
—Niets; zij heeft aanhoudend naar uw plaats gekeken.
—O, zag zij naar mijn plaats?
—Ja.
—Dikwijls? Zag zij er dikwijls naar?
—Dikwijls.
—En wat zeide zij?
—Haar oog zeide, dat gij daar niet zat.
—Toen vroeg zij u zeker, waarom ik er niet was en gij hebt haar toen verteld, dat ik bij mijn vrienden was?
—Neen, zij vroeg mij niets en ik heb haar ook niets verteld, zij wist wel waar gij waart.
—Zij wist het, zij wist dat…. Is zij spoedig gaan slapen?
—Neen; eerst een kwartier geleden heeft zij den slaap kunnen vatten; zij wilde op u wachten.
—En wat wildet gij?
—Ik wilde niet hebben, dat zij u thuis zag komen.
Na een oogenblik stilte.
—Martha, gij zijt een goede dochter; luister eens; morgen ga ik naar Louisot, ik beloof u plechtig, dat ik dan bijtijds terug zal wezen; ik wil niet, dat gij zoo lang op mij moet wachten; ik wil niet, dat Lize ongerust gaat slapen.
Maar die beloften werden gewoonlijk niet nagekomen en dikwijls kwam hij weer even laat thuis. In huis was Lize almachtig, buitenshuis werd zij vergeten.
Weet ge, men drinkt zonder er bij te denken, omdat men het zijn vrienden niet weigeren wil; men drinkt de tweede maal, omdat men de eerste maal gedronken heeft en men is dan vast besloten om geen derden keer te drinken: maar drinken geeft nadorst. De wijn stijgt dan naar het hoofd; men weet, dat, als men een goed glas gebruikt heeft, men de zorgen vergeet; men denkt niet langer aan schuldeischers; alles ziet men van de zonnige zijde; het is of men in een andere wereld komt, in die wereld, waarin men zoo gaarne zou willen zijn. En men blijft voortdrinken; daar schuilt het gevaar.
Ik moet eerlijk zeggen, dat het niet dikwijls gebeurde. Bovendien duurde die tijd niet lang en als deze voorbij was, dan had vader Acquin ook geen reden om van huis te gaan. Hij was geen man, die uit luiheid of om zijn tijd zoek te brengen, naar kroegen of herbergen liep.
Toen de viooltjes uitgebloeid waren, gingen we onze zorg aan andere planten wijden, want een tuinman mag nooit een plekje in zijn tuin onbebouwd laten: zoodra de eene plant verkocht is, moet er een andere voor in de plaats komen.
De kunst van den tuinman die zijn bloemen naar de markt brengt, bestaat hoofdzakelijk daarin, dat hij het juiste oogenblik weet te kiezen, dat de marktprijzen het hoogst staan, en vader Acquin vergiste zich daarin nooit.
De maand Augustus beloofde veel goeds, alle planten stonden zoo voordeelig mogelijk en hij zeide dikwijls tot zijn zoons, terwijl hij vergenoegd de handen wreef:
—Alles staat prachtig. En bij zichzelf rekende hij reeds uit, hoeveel de bloemen hem zouden opbrengen.
Er was hard gewerkt om het zoover te brengen; wij hadden geen uur vrijaf gehad en zelfs Zondags was ons geen rust gegund. Alles was thans ook in orde en, tot belooning van ons werken, zouden wij op een Zondag bij een vriend van Lize's vader gaan eten; Capi zelfs mocht van de partij zijn. Wij zouden tot een uur of drie werken en dan zou alles gereed zijn en we mochten het huis sluiten en ons op weg begeven; wij zouden echter niet laat terugkeeren, daar wij vroeg naar bed moesten gaan, om den anderen morgen bijtijds den arbeid te kunnen hervatten.
Wat waren wij in onzen schik.
Alles bleef zoo afgesproken, en eenige minuten vóór vieren draaide Acquin den sleutel om in de groote deur en zeide met een verheugd gezicht:
—En nu voorwaarts!
—Vooruit, Capi!
Ik vatte Lize bij de hand en snelde met haar vooruit, terwijl Capi ons blaffende volgde en vroolijk tegen ons opsprong. Misschien meende hij, dat onze verre tochten weder een aanvang namen, wat hij stellig prettiger vond, dan thuis te blijven, waar hij zich verveelde, daar ik mij niet altijd met hem kon bezighouden—en dit vond hij toch nog altijd het prettigste van alles.
Wij hadden allen onze beste kleeren aan; de menschen bleven zelfs stilstaan, om ons na te kijken. Ik weet niet hoe ik zelf er uitzag, maar Lize met haar stroohoedje, haar blauw jurkje en grijs linnen laarzen, was het mooiste kind, dat men zich denken kon; zij was levendig en bevallig; haar geheele voorkomen, al haar gebaren en bewegingen, spraken van het genot, dat deze wandeling haar verschafte.
De tijd ging voorbij, zonder dat ik eraan dacht; alles wat ik er mij van kan herinneren is, dat, toen ons middagmaal bijna was afgeloopen, wij donkere wolken aan den hemel zich zagen samenpakken, daar onze tafel in de open lucht onder een vlierboom gedekt was, konden wij gemakkelijk het onweder zien opkomen.
—Kinderen, zeide Acquin, wij moeten ons haasten om tehuis te komen.
Bij deze woorden riepen wij van alle kanten:
—Nu reeds!
Lize zeide niets, maar zij gaf door gebaren duidelijk haar tegenzin te kennen.
—Als de wind opsteekt, ging Acquin voort, dan kan hij de pannen van de broeikasten afwerpen: dus vooruit!
Hier viel niets tegen te zeggen, want wij wisten allen, dat de glazenpannen het fortuin van den tuinman uitmaken, en wanneer de wind ze breekt, dit zijn ondergang is.
—Ik ga alvast vooruit, zeide vader Acquin; Benjamin en Alexis zullen met mij medegaan. Rémi, Martha en Lize volgen ons dan wel.
En zonder meer te zeggen, vertrok hij in allerijl, met niet minder haastigen tred door ons gevolgd.
Nu was het geen tijd meer voor scherts; wij speelden geen krijgertje, noch verscholen ons achter boom of struik.
De lucht betrok hoe langer hoe meer en het onweder kwam steeds dichterbij, door een hevige windvlaag voorafgegaan, die de stof van alle kanten opjoeg. Als wij ons midden in zulk een wervelwind bevonden, moesten we blijven stilstaan, ons omkeeren en onze handen voor de oogen houden, want al het zand woei ons in het gelaat. Als wij niet voorzichtig ademhaalden, kwam onze mond vol stof.
De donder rolde reeds in de verte en naderde langzaam, vergezeld van een oogverblindend licht.
Martha en ik hadden Lize bij de hand genomen en trokken haar bijkans voort, maar zij had moeite om ons te volgen en wij konden dus niet zoo hard loopen als we wel gewenscht hadden.
Zouden wij nog vóór het onweder tehuis zijn?
Zouden Acquin en zijn zoons hun woning nog bijtijds bereiken?
Voor hen was dit van nog meer gewicht dan voor ons, daar wij alleen door-en-door nat konden worden, terwijl zij hun broeikasten voor geheele verwoesting moesten behoeden.
Telkens volgden de donderslagen elkander met kortere tusschenpoozen op, terwijl de wolken steeds zwaarder geworden waren, zoodat het bijna nacht was. Als ze door den wind uiteengedreven werden, zag men hare donkere scherpe omtrekken. Waarschijnlijk zouden die wolken op een gegeven oogenblik plotseling losbarsten.
Zonderling, temidden van die donderslagen, hoorden wij een oorverdoovend geraas naderkomen; het scheen wel of een troep ruiters het onweder haastig ontvluchtte; maar dat was onmogelijk; hoe zouden in deze streek ruiters komen?
Eensklaps begon het te hagelen; eerst troffen enkele hagelsteenen ons gelaat, maar oogenblikkelijk daarop volgde een dichte bui, zoodat wij onder een afdak moesten schuilen.
Wij zagen toen zulk een geduchte hagelbui, als we er ons moeilijk een konden voorstellen; in een oogenblik lag er een witte laag over de straat alsof we midden in den winter waren; de hagelsteenen waren zoo groot als duiveneieren en terwijl zij vielen, maakten zij een dof geraas, dat van tijd tot tijd door het rinkelen van glazen afgewisseld werd.
—Hoe jammer van onze pannen, zeide Martha.
Hetzelfde had ik gedacht.
—Misschien zijn ze nog bijtijds gekomen.
—Al zijn ze nog vóór deze hagelbui thuis geweest, dan hebben zij toch geen tijd gehad om het stroo over de kasten te leggen; alles zal verloren zijn.
—Men zegt wel eens, dat hagel maar op enkele plaatsen valt.
—Wij zijn te dicht bij huis, dan dat onze tuin gespaard zou zijn gebleven; als de bui daar evenzoo nedervalt als hier, dan zijn we geruïneerd. Arme, beste vader! Wat had hij niet op een voordeeligen oogst gerekend; vooral daar hij zooveel geld noodig heeft!
Ik wist niet juist hoeveel deze pannen kostten, maar toch had ik dikwijls gehoord, dat glazen pannen zeer kostbaar zijn en ik begreep dus, dat, zoo er vijf- of zeshonderd braken, wij een aanzienlijke som verliezen zouden, zonder nog de verwoesting te rekenen, die het onweder in de serres en onder de bloemen had aangebracht.
Ik had gaarne aan Martha willen vragen hoe zij er over dacht, maar wij konden elkander nauwelijks verstaan en Martha scheen ook geen lust te gevoelen om met mij te praten; ik keek met zulk een wanhopend gelaat naar deze hagelsteenen, als menschen naar hun woning zien wanneer die afbrandt.
Die vreeselijke stortbui duurde niet langer dan een minuut of vijf, zes, en zij hield even plotseling op, als zij gevallen was; de wolken trokken af en spoedig konden wij onze schuilplaats verlaten. In de straten rolden de harde en ronde hagelsteenen onder onze voeten, als de schelpen, die uit de zee worden opgeworpen en vormden weldra zulk een dikke laag, dat wij er tot over de enkels inzonken.
Lize kon met haar linnen schoentjes niet over deze bevroren hagelsteenen loopen en ik nam haar op mijn rug; op haar gezichtje, dat in het gaan zoo vroolijk en opgeruimd was geweest, lag nu een droeve trek, terwijl tranen haar langs de wangen biggelden.
Spoedig bereikten wij ons huis, waarvan de deur open was blijven staan; onmiddellijk begaven we ons naar den tuin.
Welk een tooneel! alles was verbrijzeld en lag in stukken over den grond verspreid: pannen, bloemen, glas en hagelsteenen vormden een verwarde massa, waarin niets meer te herkennen viel; de tuin, welke dien morgen nog zoo fraai was, zoo vol bloemen stond, was thans in een puinhoop veranderd.
Waar was vader?
Wij zochten hem overal, maar zagen hem nergens; toen wij bij de groote broeikast kwamen, waarvan ook geen enkel glas heel was gebleven, vonden wij hem op een bankje zitten, temidden van de treurige overblijfselen, welke den grond bedekten, terwijl Benjamin en Alexis onbeweeglijk naast hem stonden.
—O, mijn arme kinderen! riep hij, het hoofd opheffende, toen hij ons hoorde naderen, doordat wij het glas, dat onder onze voeten kwam, stuk trapten. O, mijn arme kinderen!
Toen hij Lize in de armen drukte, begon hij te weenen, zonder een woord meer te spreken.
Wat zou hij ook gezegd hebben? Het was een ramp, zóó groot dat wij nauwelijks erover durfden nadenken; maar nog vreeselijker waren de gevolgen, welke zij na zich sleepte.
Spoedig vernam ik door Martha en de jongens, dat hun vaders wanhoop zeer te verklaren was. Tien jaar geleden had Acquin dezen tuin gekocht en er zelf het huis naast gebouwd. De persoon, die hem den grond had afgestaan, had hem ook geld geleend, om hem in staat te stellen, zich de noodige gereedschappen aan te schaffen, die hij voor zijn arbeid noodig mocht hebben. Alles zou binnen de vijftien jaar worden betaald door een jaarlijksche aflossing. Tot nogtoe had hij jaarlijks deze aflossing kunnen betalen, door ijverig te werken en zeer zuinig te leven. Die geregelde aflossing was vooral onvermijdelijk, daar zijn schuldeischer de eerste de beste gelegenheid zou aangrijpen, om den grond en het huis terug te nemen en natuurlijk ook de tien aflossingen, die hij reeds ontvangen had, tevens te behouden; het scheen zelfs een speculatie van hem te zijn en daar hij overtuigd was, dat in vijftien jaren wel ééns een dag zou aanbreken, waarop Acquin zijn schuld niet zou kunnen voldoen, had hij deze speculatie durven wagen, zonder bevreesd te zijn, daarbij te verliezen—terwijl zijn schuldenaar daarentegen altijd gebonden bleef.
Eindelijk was dan die dag gekomen, dank zij den hagelslag.
Wat zou er nu gebeuren? Niet lang verkeerden wij hieromtrent in de onzekerheid, want den anderen dag moest de tuinman juist een gedeelte weder aflossen met de opbrengst van zijn planten. Wij zagen toen een in het zwart gekleed heer binnentreden, die er niet heel beleefd uitzag en ons een verzegeld papier overhandigde, waarop hij eenige woorden schreef op een oningevulden regel.
Het was een deurwaarder.
Van dien dag af bezocht hij ons dagelijks en eindelijk leerde hij zelfs onze namen kennen.
—Dag Rémi zeide hij, hoe maakt het Alexis, en hoe gaat het juffrouwMartha?
Hij gaf ons dan lachend het verzegeld papier, alsof wij de beste vrienden met hem waren.
—Tot weerziens, jongens.
—Loop naar den drommel!
Acquin bleef niet meer tehuis, hij ging dagelijks naar de stad. Waar ging hij heen? dat wisten wij geen van allen, want al vertelde hij ons vroeger alles, thans zweeg hij meestal. Hij ging naar advocaten, misschien ook naar de rechtbank.
De gedachte daaraan alleen deed mij huiveren; Vitalis was ook voor de rechtbank verschenen en ik wist nog maar al te goed, wat het gevolg daarvan geweest was.
Bij hem duurde het echter veel langer, eer hij den uitslag vernam; de gansche winter verliep er zelfs mede. Daar wij niet in staat geweest waren om onze serres te herstellen, begonnen we in den tuin groenten en bloemen te planten, die onder den blooten hemel gekweekt konden worden; deze brachten echter niet veel op, maar in elk geval was het toch een kleine verdienste en bezorgde het ons werk.
Op een avond kwam Lize's vader tehuis, treuriger gestemd en meer terneergeslagen dan ooit.
—Kinderen, sprak hij, het is met ons gedaan.
Ik wilde mij verwijderen, want ik begreep, dat iets gewichtigs zou gebeuren, daar hij uitsluitend tot zijn kinderen sprak en ik meende, dat ik onbescheiden handelde, als ik daarbij bleef.
Maar hij wenkte mij te blijven.
—Behoort gij ook niet tot mijn gezin? vroeg hij; hoewel gij nog niet oud genoeg zijt om hetgeen ik u ga mededeelen te begrijpen, zijt gij reeds meermalen door het ongeluk beproefd geworden om mijn bedoelingen te vatten. Kinderen, ik ga u verlaten.
Deze woorden werden door een uitroep en een kreet van smart beantwoord.
Lize wierp zich snikkend in zijn armen.
—O, gij begrijpt, dat ik niet vrijwillig besluit om zulke goede kinderen als gij zijt te verlaten en mijn lieve kleine Lize niet meer te zien.
Hij drukte Lize met kracht tegen de borst.
—Maar men heeft mij tot betalen veroordeeld, en daar ik geen geld heb, gaat men hier alles verkoopen en waarschijnlijk zal dit zelfs niet toereikend zijn en zal ik naar de gevangenis moeten gaan, waarin ik dan vijf jaren blijven moet; daar ik het niet met mijn geld doen kan, zal ik mijn schuld met mijn lichaam, met mijn vrijheid moeten aflossen.
Wij begonnen allen te weenen.
—Ja, dat is heel treurig, maar er valt tegen de wet niets te doen en het is de wet; vroeger was deze nog strenger, zeide mij een advocaat; als toen een schuldenaar zijn schuldeischers niet betalen kon, dan hadden dezen het recht zijn lichaam in stukken te snijden en het tusschen elkander in zooveel deelen te verdeelen, als zij maar wilden; mij zet men eenvoudig in de gevangenis, binnen weinige dagen zal dat waarschijnlijk gebeuren. Wat zal er in die vijf jaren van u worden? Dat is het ergste.
Hij zweeg toen; ik weet niet welke gedachten deze stilte bij de anderen teweegbracht, maar voor mij was zij een van de vreeselijkste uit mijn leven.
—Gij kunt wel nagaan, dat ik hierover veel nagedacht heb en ik zal u mijn besluit mededeelen, waardoor gij dan niet, nadat ik u verlaten heb, alleen zult behoeven achter te blijven.
Ik kreeg weder eenige hoop.
—Rémi zal aan mijn zuster Katherina Suriot schrijven; zij is een zeer verstandige vrouw en zal ons, wanneer zij hier is, stellig ten beste raden.
Het was voor de eerste maal, dat ik een brief schreef: het was een moeilijke en zware taak, die mij werd opgelegd.
Hoewel, na alles wat Acquin ons had medegedeeld, voor ons niet veel overschoot waarop wij konden rekenen, behielden we toch altijd nog eenige hoop en in den toestand, waarin wij verkeerden, was deze hoop van veel waarde voor ons.
Wat hoopten wij?
Dat wisten we zelf niet; maar wij hoopten; Katherina zou bij ons komen en zij was een vrouw, die verstand van zaken had; dat was voor onwetende en eenvoudige kinderen, zooals wij waren, reeds voldoende.
Zij kwam echter niet zoo spoedig als wij ons hadden voorgesteld en de deurwaarder en de justitie verschenen eerder dan zij.
Vader Acquin wilde zich juist naar een zijner vrienden begeven, toen hij, zijn huis verlatende, plotseling tegenover hen stond; ik vergezelde hem en in een oogwenk waren we allen om hem heen. Maar hij wilde niet vluchten. Ik zag hem verbleeken en met een zwakke stem vroeg hij de agenten verlof, zijn kinderen vaarwel te mogen zeggen.
—Gij moet er niet zoo wanhopend onder zijn, vriendlief; wanneer men voor schulden in de gevangenis gaat, is het nog zoo erg niet.
Wij keerden in huis terug, door de agenten gevolgd.
Ik ging de jongens uit den tuin roepen.
Toen wij weer bij hun vader kwamen, hield deze Lize in zijn armen, die luid weende.
Een van de agenten fluisterde hem toen iets in, wat ik niet verstaan kon.
—Ja, gij hebt gelijk; het moet, antwoordde Acquin.
Hij richtte zich eensklaps op, zette Lize op den grond, die zich echter aan hem vastklemde en zijn hand niet wilde loslaten.
Hij drukte toen Martha, Alexis en Benjamin een kus op het voorhoofd.
Ik had mij in een hoekje teruggetrokken om ongestoord mijn tranen te kunnen laten vloeien, hij riep mij:
—En gij Rémi? komt gij mij niet goedendag zeggen? zijt gij ook geen kind van mij?
Wij waren buiten ons zelf van smart.
—Blijf, beval Acquin, ik beveel het u.
En haastig vertrok hij, nadat hij Lize's hand in die van Martha gelegd had.
Ik wilde hem volgen en begaf mij reeds naar de deur, toen Martha mij terughield.
Waar zou ik zijn heengegaan en wat zou ik gedaan hebben?
Wij bleven allen geheel verbijsterd en terneergeslagen in de keuken staan; wij weenden allen en geen van ons kon een woord spreken.
Wat zouden wij ook gezegd hebben?
Wij wisten allen dat eenmaal de dag zou aanbreken, waarop hij gevangen zou genomen worden, maar wij hadden gedacht dat Katherina er dan geweest zou zijn en Katherina, meenden wij, zou ons weten te verdedigen.
Maar Katherina was er niet.
Zij verscheen echter ongeveer een uur nadat vader Acquin in hechtenis was genomen en vond ons allen zwijgend bij elkaar in de keuken. Zij, die ons tot nogtoe altijd tot steun en raad was geweest, stond nu op hare beurt sprakeloos; Martha, die zoo krachtig was, alles altijd moedig had gedragen, was thans even zwak als wij; zij sprak ons geen moed in, en al haar wilskracht scheen verdwenen; ternauwernood was zij instaat zich een oogenblik te beheerschen om Lize te troosten. De loods was in zee gevallen en de kinderen waren zonder stuurman, zonder baak om hun den weg te wijzen, zonder eenig hulpmiddel, dat hen veilig de haven kon binnenvoeren, zonder zelfs te weten of er een haven voor hen bestond, bleven zij als versteend, midden in dien levensoceaan staan, aan de willekeur van den wind overgelaten, onbekwaam om iets te doen of te denken, radeloos van schrik en met de wanhoop in het hart.
Tante Katherina was een flinke vrouw, die gewend was te handelen en haar wil door te drijven; zij had te Parijs tien jaar lang als kindermeid gediend; zij was met de moeilijkheden des levens bekend geworden en, zooals zij zelve zeide, zij wist ermede om te springen.
Het was een groote uitkomst voor ons, toen wij haar eenige bevelen hoorden geven en wij die moesten opvolgen; wij hadden nu weer een wegwijzer gevonden en gevoelden ons in staat om op onze beenen te staan.
Voor een boerin zonder opvoeding en zonder geld, zou zulk een gebeurtenis een zeer groote verantwoordelijkheid hebben medegebracht, waardoor de moedigsten zelfs in verlegenheid zouden zijn geraakt: te zorgen voor eenige weezen, waarvan de oudste zestien jaar telde en de jongste stom was. Wat zou zij met die kinderen aanvangen? Hoe zich er mede te belasten, wanneer men zelve moeite heeft om aan den kost te komen?
Zij had bij een notaris gediend en deze ging zij raadplegen wat zij met ons zou beginnen. Diens raadgevingen beslisten over ons lot. Zij begaf zich daarop naar de gevangenis, waar zij een onderhoud met den tuinman had en acht dagen na haar komst te Parijs, zonder ons ooit haar plannen en overwegingen te hebben medegedeeld, maakte zij ons haar besluit bekend.
Daar wij te jong waren om alleen te werken, zou ieder kind in huis komen bij een oom of tante, die het wilde opnemen.
Lize zou bij tante Katherina blijven in Bretagne.
Alexis naar een oom gaan, die mijnwerker te Varses was in de Cevennes.
Benjamin naar een anderen oom, die tuinman was te Saint-Quentin.
En Martha bij een tante, die gehuwd was te Charente, aan den oever van de zee, te Esnandes.
Ik luisterde naar al deze schikkingen, terwijl ik wachtte totdat de beurt aan mij kwam. Maar daar tante Katherina zweeg, vroeg ik:
—En ik?
—Gij? wel gij behoort niet tot dit gezin.
—Ik zal voor u werken.
—Gij behoort niet tot dit gezin.
—Vraag het aan Alexis, aan Benjamin, of ik niet vlijtig werk.
—Ja, en ook goed soep eet, niet waar?
—Ja, ja, hij hoort wel tot ons gezin! riepen allen uit één mond.
Lize trad naar haar tante toe en vouwde smeekend de handjes, hetgeen meer zeggen wilde dan een vloed van woorden.
—Arme kleine, zeide tante Katherina, ik begrijp u; gij zoudt willen, dat hij met u medeging; maar, weet gij, in het leven doet men niet, wat men gaarne wil. Gij zijt mijn nichtje en als wij thuis komen en mijn man zich er tegen verklaart of bevreesd is, dat wij niet zullen uitkomen, dan kan ik altijd antwoorden: zij behoort tot onze familie en wie anders kan zich haar lot aantrekken, dan wij? En zoo gaat het ook met de anderen. Men neemt zijn bloedverwanten op, maar geen vreemdelingen; het stukje brood kan wel een familie voeden, maar niet de geheele wereld.
Ik gevoelde wel, dat ik hiertegen niets kon inbrengen, niets kon antwoorden. Hetgeen zij zeide was maar al te waar: "ik behoorde niet tot de familie." Ik kon niets eischen; als ik iets vroeg, dan bedelde ik. En toch zou ik niet meer van hen hebben kunnen houden, dan wanneer ik tot hun gezin behoord had. Waren zij niet mijn broeders? Waren Martha en Lize geen zusters voor mij? Hield ik dan niet genoeg van hen? En hield Lize niet evenveel van mij als van Alexis en Benjamin?
Tante Katherina stelde het nooit lang uit om een eenmaal genomen besluit ten uitvoer te brengen; zij deelde ons mede, dat wij den anderen dag van elkaar zouden scheiden en zond ons daarop naar bed.
Zoodra wij in onze kamer waren, kwamen zij allemaal naar mij toe en viel Lize mij weenend om den hals. Ik begreep toen, dat ondanks het smartelijke van deze scheiding, zij meer aan mij dachten en mij beklaagden en ik gevoelde, dat ik inderdaad een broeder van hen was. Plotseling schoot mij toen een gedachte te binnen, of liever—want ik moet zoowel het goede als het kwade zeggen—een stem des harten drong tot mijn geest door.
—Luister, zeide ik tot hen; ik zie wel, dat uw bloedverwanten niets van mij willen weten, maar gij neemt mij toch tot uw familie aan?
—Ja, zeiden zij alle drie; gij zult altijd een broeder van ons zijn.
Lize, die niet kon spreken, drukte mij de hand, terwijl zij mij met tranen in de oogen aanzag.
—Welnu, ja, ik zal het zijn en zal het u bewijzen.
—Waar zult gij een betrekking zoeken? vroeg Benjamin.
—Bij Pernuit is de dienst open; zal ik morgen voor u daarheengaan? vroeg Martha.
—Ik wil niet in een betrekking gaan; wanneer ik dat deed, dan zou ik u niet meer zien, want dan zou ik te Parijs moeten blijven. Ik hang mijn schapevacht weder om de schouders, neem mijn harp en bezoek u dan beurtelings, en zoo zult gij voor mij dan altijd te zamen zijn. Ik heb mijn liedjes en wijsjes niet vergeten en zal mijn kost wel verdienen.
Op ieders gelaat kwam terstond een trek van voldoening en ik zag, dat dit plan geheel met hun bedoelingen overeenkwam; in al mijn verdriet gevoelde ik mij toch gelukkig. Nog geruimen tijd spraken wij over ons plan, over de scheiding en wanneer wij elkander zouden terugzien, over ons verleden en over de toekomst. Martha zeide toen, dat wij naar bed moesten gaan, maar geen van allen deden we dien nacht een oog dicht.
Bij het aanbreken van den morgen nam Lize mij mede naar den tuin en ik begreep toen, dat zij mij iets te zeggen had.
—Hebt gij mij iets te zeggen?
Zij knikte toestemmend.
—Het spijt u, dat wij van elkander moeten scheiden; gij behoeft mij dat niet te zeggen, ik lees het in uw oogen en mijn hart zegt het mij.
Zij gaf mij te kennen, dat hiervan geen sprake was.
—Over veertien dagen kom ik te Dreuzy.
Zij schudde het hoofd.
—Wilt gij niet, dat ik naar Dreuzy ga?
Om elkander te begrijpen, deed ik gewoonlijk verscheidene vragen die zij door een knikje met het hoofd beantwoordde.
Zij zeide mij, dat zij gaarne wilde, dat ik te Dreuzy zou komen; maar—zij wees met haar hand in drie verschillende richtingen—waarmede zij bedoelde, dat ik eerst haar broeders en zusters moest bezoeken.
—Gij wilt dat ik eerst naar Varses, Esnandes en Saint-Quentin ga?
Zij glimlachte en scheen blijde, dat ik haar begrepen had.
—Waarom? Ik wilde juist u het eerst zien.
Zij beduidde mij toen, waarom zij dit wenschte. Ik zal het u mededeelen.
—Daar ik gaarne eenige tijding van Martha, Alexis en Benjamin zou willen hebben, zoo moet gij met hen beginnen; daarop bezoekt gij mij te Dreuzy en gij kunt mij dan alles van hen vertellen.
Lieve, goede Lize!
Zij moesten dien dag om acht uur vertrekken en tante Katherina had een groot rijtuig besteld, waarmede zij eerst naar hun vader zou rijden en daarop elk, met hun eigen pakje kleeren, naar den trein zou brengen, die hen naar de plaats hunner bestemming zou voeren.
Tegen zeven uur nam Martha mij mede naar den tuin.
—Wij zullen over een uur elkaar verlaten, zeide zij; ik wilde u gaarne eene herinnering geven; neem dit: het is een naaitaschje, gij zult daarin eenig garen, naalden en ook een schaar vinden, die mijn peet mij gegeven heeft; op uw reizen zult gij dat alles noodig hebben, want ik ben er dan niet om uw kleeren te verstellen of een knoop voor u aan te zetten. Wanneer gij dit gebruikt, dan kunt gij aan ons denken.
Gedurende dit gesprek was Alexis ook in den tuin gekomen en zoodraMartha in huis teruggekeerd was, naderde hij mij.
—Ik heb twee gulden, zeide hij, en gij zoudt mij veel genoegen doen, een daarvan aan te nemen.
Van ons vijven was Alexis de eenige, die iets voor geld gevoelde en wij plaagden hem steeds met zijn gierigheid; hij bespaarde altijd elke cent en hij was niet weinig in zijn schik, wanneer hij er zooveel bij elkander had, dat hij ze voor zilvergeld kon inwisselen.
Zijn aanbod trof mij daarom des te dieper; ik wilde weigeren, maar hij drong er zoo op aan, en eindelijk liet hij er een van in mijn hand glijden. Ik besefte toen, hoe sterk de genegenheid was, die hij voor mij gevoelde, daar deze hem afstand van zijn schat deed doen.
Benjamin vergat mij evenmin; hij wilde mij ook een geschenk geven, maar eischte in ruil daarvan een stuiver, "daar een mes de vriendschap afsnijdt."
Het uur ging snel voorbij; nog een kwartier en vijf minuten, en dan zouden wij van elkaar moeten scheiden; zou Lize niet aan mij denken?
Toen wij het rijtuig over den weg hoorden rollen, kwam zij uit de kamer van tante Katherina en wees mij, haar in den tuin te volgen.
—Lize! riep tante Katherina.
Maar Lize gaf geen antwoord en liep snel voort.
Bloemisten en moezeniers gebruiken altijd elk plekje van hun tuin zoo nuttig mogelijk; toch groeide in onzen tuin een prachtige bengaalsche stamroos, die in een verloren hoekje was blijven staan.
Lize begaf zich daarheen en sneed een tak van deze roos af; zij keerde zich daarop tot mij, verdeelde het takje, waaraan twee knoppen zaten, die bijna uitliepen en gaf mij er een van.
O, hoe welsprekend waren hare stomme lippen en wat lag er niet in haar blik te lezen! Hoe koud en onverschillig zijn woorden, vergeleken bij dien blik!
—Lize! Lize! riep tante.
Alle pakjes waren reeds in het rijtuig gezet.
Ik nam mijn harp en riep Capi, die, toen hij mijn instrument en mijn vroegere kleederdracht weder zag, die niets vreeselijks voor hem hadden, vroolijk om mij heen sprong, daar hij begreep, dat wij weder op reis zouden gaan en hij zijn vrijheid daarmede herkreeg, wat voor hem wel zoo verkieslijk was.
Het oogenblik van scheiding was aangebroken. Tante Katherina zorgde, dat het van korten duur zou wezen; zij liet Martha, Alexis en Benjamin instijgen en beval mij, Lize op haar schoot te zetten.
Toen ik geheel terneergeslagen bleef staan, duwde zij mij een weinig weg en sloot het portier.
—Vooruit! zeide zij.
En het rijtuig reed weg.
Door mijn tranen heen zag ik Lize's gezichtje nog even uit het rijtuig steken en wuifde zij met de hand. Een oogenblik later sloeg het rijtuig een hoek om en zag ik niets dan een grijze stofwolk.
Alles was voorbij.
Op mijn harp geleund, met Capi aan mijn voeten, bleef ik gedachteloos voor mij uitstaren en het stof gadeslaan, dat op straat neerviel.
Een buurman zou ons huis sluiten en de sleutels voor den eigenaar bewaren; hij stoorde mij in mijn overpeinzing en bracht mij in de werkelijkheid terug.
—Blijft gij hier? vroeg hij.
—Neen, ik vertrek.
—Waar gaat gij heen?
—Recht toe recht aan.
Waarschijnlijk gevoelde hij medelijden met mij, want hij reikte mij de hand.
—Als gij hier wilt blijven, kunt gij bij mij komen, maar zonder iets te verdienen; want gij zijt niet sterk genoeg; later misschien wel.
Ik bedankte hem.
—Zooals gij wilt, het was voor uw bestwil, goede reis!
En hij verwijderde zich. Het rijtuig was vertrokken; het huis gesloten.
Ik hing mijn harp over den schouder; dit had ik vroeger zoo menigmaal gedaan en het trok thans Capi's aandacht; hij richtte zich op en keek mij met zijn glinsterende oogen aan.
—Kom Capi!
Hij begreep dit en sprong blaffende tegen mij op. Ik wendde mijn oogen van het huis af, waarin ik twee jaar lang gelukkig had mogen zijn en waarin ik altijd had willen blijven.
Ik zag recht voor mij uit.
De zon stond hoog aan den hemel; het was een heldere lucht en zeer warm; het had niets van dien kouden nacht, waarin ik uitgeput van vermoeienis voor deze deur nederviel.
Die twee jaren waren slechts een oponthoud geweest en thans was ik weder genoodzaakt mijn weg te hervatten.
Maar dit oponthoud had weldadig op mij gewerkt.
Het had mij krachtiger gemaakt. En hetgeen nog dubbel zooveel voor mij was, ik gevoelde, dat ik vrienden had gekregen.
Ik was niet meer alleen op de wereld.
Ik had voortaan een doel in mijn leven: hun die van mij hielden en van wie ik hield, nuttig te zijn en genoegen te geven.
Een nieuw leven opende zich voor mij.
Voorwaarts!
Voorwaarts!
De wijde wereld lag daar voor mij open, het deed er niet toe, naar welken kant ik mijn schreden richtte, het kwam er niet op aan of ik naar het noorden of het zuiden, het oosten of het westen ging; ik was geheel vrij.
Hoewel nog maar een knaap, was ik geheel mijn eigen meester.
Helaas! juist dit was het meest treurige van mijn toestand.
Er zijn kinderen, die dikwijls bij zichzelf zeggen: "O, kon ik maar doen, wat ik gaarne wilde!" en die met verlangen den dag tegemoetzien, waarop zij van hun vrijheid kunnen gebruik maken … om dwaasheden te begaan.
Ik dacht bij mezelf: "Och, had ik toch maar iemand, die mij kon raden en leiden."
Tusschen die kinderen en mij was er dus een treurig onderscheid.
Wanneer zij eene dwaasheid begaan, dan hebben zij altijd iemand in hun nabijheid, die hun de hand reikt, wanneer zij struikelen, of om hen op te beuren als zij gevallen zijn, terwijl ik niemand had. Als ik struikelde, zou ik moeten vallen en beproeven alleen op te staan, zoo ik althans nog in staat was om op te staan.
Ik had genoeg ondervinding om te begrijpen, dat dit mijn toestand wezen kon—wat mij, ik moet het bekennen, wel eenigen angst aanjoeg.
Hoewel nog zeer jong, was ik reeds vaak door het ongeluk getroffen en ik was er dus op bedacht voorzichtiger te zijn dan andere kinderen van mijn leeftijd; maar dat voordeel had ik echter duur moeten koopen.
Vóór ik den weg, die voor mij openlag, betrad, wilde ik eerst hem, die de laatste jaren een vader voor mij geweest was, bezoeken: daar tante Katherina mij niet met de kinderen had medegenomen om hem vaarwel te zeggen, moest ik thans wel alleen afscheid van hem gaan nemen.
Zonder ooit zelf voor schuld in hechtenis te zijn genomen, had ik er toch genoeg over hooren spreken om zeker te zijn, dat ik hem in de gevangenis zou vinden. Ik volgde den weg naar de Madeleine, dien ik zeer goed kende. Daar tante Katherina en de kinderen bij hem waren toegelaten, zou men ook mij niet weigeren. Ik was immers ook zijn kind, of liever ik was zijn kind geweest, want hij had mij liefgehad!
Ik durfde, met Capi op mijne hielen, mij niet in alle straten van Parijs wagen. Wat zou ik den agenten van politie hebben moeten antwoorden, als zij mij aanhielden? Voor hen was ik het meest bevreesd geworden, want ik had niet vergeten wat er te Toulouse gebeurd was. Ik bond Capi dus een touw om den hals, wat hem zeer in zijn eigenliefde scheen te kwetsen, en daarop begaven wij ons naar de gevangenis van Clichy.
Er zijn in de wereld dikwijls zeer treurige dingen, die, als wij ze zien, ons in somber gepeins doen vervallen; ik ken er geen droever en onaangenamer dan de deur van een gevangenis; dit maakt ons koud om het harte, meer nog dan de ingang van een grafkelder; de dooden, waarop een steen rust, gevoelen dien niet; de gevangenen zijn levend begraven.
Ik bleef een oogenblik stilstaan vóór ik de gevangenis van Clichy durfde binnentreden, zoo bekroop mij de angst, dat men mij er zou houden, en dat die deur, die zware deur, zich nooit weder voor mij zou openen.
Ik verbeeldde mij, dat het zeer moeilijk was om een gevangenis te verlaten, maar ik wist niet, dat er ook heelwat zwarigheden te overwinnen waren, eer men ze kon binnentreden. Ik ondervond dit thans.
Eindelijk echter gelukte het mij, daar ik mij niet liet afschrikken of terugzenden, om te worden toegelaten bij hem, dien ik zien wilde.
Men liet mij in een spreekkamer, waar geen tralies voor de vensters waren, zooals ik dacht, dat er zijn zouden, en vader Acquin trad ongeboeid binnen.
—Ik verwachtte u, mijn beste Rémi, zeide hij, en ik heb Katherina beknord, dat zij u niet met de kinderen medegebracht had.
Dien geheelen morgen was ik zeer neerslachtig geweest; zijn woorden beurden mij eenigszins op.
—Tante Katherina wilde mij niet medenemen.
—Dat was ook onmogelijk, beste jongen; men doet in deze wereld niet alles wat men wil. Ik ben ervan overtuigd dat gij hard zoudt gewerkt hebben om uw kost te verdienen, maar mijn zwager Suriot zou u geen werk hebben kunnen verschaffen. Hij is sluiswachter aan het kanaal van Nivernais en de sluiswachters, dat weet ge, kunnen geen tuinlieden gebruiken. De kinderen hebben mij verteld, dat gij weder wilt gaan zingen. Gij zijt dus vergeten, dat gij bijna van koude en honger zijt omgekomen.
—Neen, dat ben ik niet vergeten.
—Toen waart gij niet alleen, toen hadt gij iemand, die u leiden kon; op uw leeftijd, mijn jongen, is het een gewaagde stap om geheel alleen zulke verre tochten af te leggen.
—Ik heb Capi nog.
Wanneer Capi zijn naam hoorde noemen, begon hij altijd te blaffen, alsof hij daarmede zeggen wilde: "Ik ben er nog, als gij mij noodig hebt, hier sta ik."
—Ja, Capi is een goede hond, maar hij is slechts een hond. Hoe zult gij uw kost verdienen?
—Met zingen en door Capi comedie te laten spelen.
—Capi kan toch alleen geen comedie-spelen.
—Ik zal hem kunstjes leeren, niet waar Capi, gij wilt immers alles leeren, wat ik wil?
Hij legde zijn poot op de borst.
—Geloof mij, mijn jongen, als gij verstandig doet, moet ge een dienst zoeken; gij zijt een goed werkman en daarmede kunt gij verder komen dan met langs den weg te loopen; dat is toch eigenlijk maar goed voor luiaards.
—Ik ben niet lui, dat weet ge wel en ik heb mij ook nooit beklaagd, dat ik te veel werk had. Bij u zou ik zooveel gewerkt hebben als ik kon, en ik zou altijd bij u gebleven zijn, maar ik wil niet bij een ander in dienst gaan.
Ik zeide deze woorden zeker op zonderlingen toon, want vader Acquin zag mij aan zonder te antwoorden.
—Gij hebt ons dikwijls verteld, begon hij eindelijk, dat gij niet wist, wie Vitalis was, en dat gij bij u zelf dikwijls verwonderd waart over de wijze, waarop hij de menschen aanzag, en over zijn voorname manieren, waarmede hij ze behandelde; maar weet gij wel, dat ook gij die manieren hebt en men u, naar uw voorkomen te oordeelen, ook niet voor een armen drommel zou houden? Gij wilt niet bij anderen gaan dienen. Nu, misschien hebt gij gelijk en wat ik u daareven zeide was voor uw bestwil, voor niets anders, geloof dat maar. Ik meende, dat het mijn plicht was, om zoo tot u te spreken. Maar gij zijt uw eigen meester, daar gij geen ouders hebt en ik voortaan uw vader niet meer zijn kan. Een arme ongelukkige, zooals ik ben, heeft geen recht van spreken.
Zijn woorden hadden mij diep getroffen, vooral daar ik dit ongeveer tot mezelf ook reeds gezegd had.
Ja, het was gewaagd om geheel alleen langs de groote wegen te loopen; ik gevoelde dat, ik zag het zelf ook in, en wanneer men, zooals ik, reeds een zwervend leven geleid had, als men nachten had moeten doorbrengen als die, toen onze honden door de wolven verslonden werden, of die als in de steengroeven van Gentilly; wanneer men het eene dorp na het andere wordt uitgejaagd, zonder een stuiver te verdienen, zooals mij overkomen was, toen Vitalis in de gevangenis zat, dan wist men ook aan welke gevaren men zich blootstelde, en welk een ellende zulk een zwervend leven medebrengt, en men nooit zeker kan zijn van den dag die volgen moet, als men zelfs niet zeker is van het oogenblik.
Maar zoo ik dit leven varen liet, dan schoot mij slechts één ding over wat vader Acquin mij ook aan de hand gedaan had—een dienst zoeken, en ik wilde niet in dienst gaan. Misschien was het een zeer verkeerde trots van mij, vooral in mijn toestand; maar ik had een meester gehad, aan wien ik verkocht was geworden, en hoewel deze zeer goed voor mij was geweest, wenschte ik thans toch geen ander, dat stond bij mij vast.
Wat mij nog eer besluiten deed, bij mijn voornemen te blijven om een vrij leven te leiden, was de belofte, die ik aan de kinderen van Acquin had gedaan, want dan zou ik ze aan hun lot moeten overlaten. 't Is waar, zij konden zeer goed buiten mij, want zij zouden elkander kunnen schrijven; maar Lize! Lize niet, want zij kon niet schrijven en tante Katherina evenmin. Lize zou dus voor ons verloren zijn, als ik haar niet bezocht. Wat zou zij van mij denken? Zij kon niet anders gelooven, dan dat ik niet meer van haar hield, van haar, die altijd even lief voor mij geweest was, die mij steeds gelukkig had gemaakt. Dat was niet mogelijk.
—Wilt gij dan niet, dat ik u nu en dan eenige tijding van hen breng? vroeg ik hem.
—Zij hebben mij daar iets van verteld; maar ik dacht ook niet aan ons, toen ik u aanraadde om van uw muzikanten-leven af te zien; men moet niet eerst aan zich zelf denken en dan aan anderen.
—Juist, vader; gij ziet dus dat gij mij zelf aanwijst, wat mij te doen staat; wanneer ik van mijn voornemen afzie, uit vrees voor de gevaren, waarvan gij spreekt, dan zou ik aan mezelf denken en niet aan u en aan Lize.
Hij zag mij weder aan, maar nu nog langer; daarop vatte hij eensklaps mijn beide handen.
—Voor die woorden moet ik je danken, mijn jongen; gij hebt een hart en dat krijgt men niet met de jaren.
Wij waren alleen in de spreekkamer en zaten naast elkander op een bank. Zijn woorden deden mij goed en ik was er trotsch op hem te hooren zeggen, dat ik een hart had.
—Ik zeg niets meer, mijn jongen, hervatte hij, dan: God behoede u.
Een oogenblik zwegen wij beiden; de tijd was bijna verstreken en wij moesten scheiden.
Plotseling stak hij de hand in zijn vestzak en haalde een groot zilveren horloge daaruit te voorschijn, dat met een koord aan een knoop van zijn buis bevestigd was.
—Wij mogen niet van elkander scheiden, zonder dat gij een aandenken van mij hebt. Hier hebt ge mijn horloge. Het heeft niet veel waarde, want ge begrijpt, dat ik het anders verkocht zou hebben. Het loopt evenmin goed en nu en dan moet gij er maar eens een duwtje aan geven. Maar het is al, wat ik op het oogenblik bezit; daarom geef ik het u.
Dit zeggende, legde hij het in mijn hand; toen ik er mij tegen verzette om zulk een geschenk van hem aan te nemen, voegde hij er op treurigen toon bij:
—Gij begrijpt, dat ik hier niet behoef te weten, hoe laat het is; de tijd duurt hier toch maar al te lang; ik zou er van sterven, als ik de uren tellen moest. Vaarwel, goede Rémi, geef mij nog een kus; gij zijt een brave jongen; zorg dat altijd te blijven.
Ik geloof, dat hij mij toen bij de hand nam om mij naar de deur te brengen; maar wat toen tusschen ons voorviel, wat wij toen tot elkander zeiden, dat herinner ik mij niet meer; ik was te aangedaan.
Als ik nog aan deze scheiding denk, als ik ze mij weder in het geheugen terugroep, dan maakt zich weder dezelfde verslagenheid van mij meester.
Ik geloof dat ik geruimen tijd voor de deur van de gevangenis staan bleef, zonder er toe te kunnen komen om rechts of links te gaan en misschien zou ik 's avonds daar nog gestaan hebben, als mijn hand niet toevallig in mijn zak een rond en hard voorwerp gevoeld had.
Werktuiglijk en zonder te weten wat ik deed, stamelde ik: "Mijn horloge!"
Voor het oogenblik vergat ik al mijn verdriet en kommer; ik dacht slechts aan mijn horloge. Ik had een horloge, een eigen horloge in mijn zak, waarop ik zien kon hoe laat het was: het stond op twaalf uur. Dat was voor mij echter volstrekt van geen belang: mij was twaalf, tien of twee uur even onverschillig; maar toch was ik blijde, dat het twaalf uur was. Waarom? ik zou het moeilijk hebben kunnen zeggen; maar het was zoo. O, twaalf uur, gelukkig reeds twaalf uur! Het scheen mij toe, alsof een horloge een vertrouwd vriend was, aan wien men raad vraagt en met wien men een gesprek voert.
—Hoe laat is het, mijn vriend?
—Twaalf uur, beste Rémi.
—O twaalf uur, dan moet ik dit of dat gaan doen.—Zeker.
—Gij hadt gelijk, dat ge mij er aan herinnerdet, want zonder u zou ik het vergeten hebben.—Ik ben er immers om het u te helpen herinneren?
Met Capi en mijn horloge kon ik dus voortaan spreken.
Mijn horloge! Dat waren een paar heerlijke woorden om uit te spreken. Ik had altijd naar een horloge verlangd en ik was er steeds van overtuigd geweest, dat ik er nooit een bezitten zou. En toch had ik er nu een in mijn zak, een dat voortdurend tikte. Het liep niet erg goed, had vader Acquin gezegd. Het liep, en dat was voldoende. Nu en dan moest ik eens aan de wijzers duwen. Dat zou ik van tijd tot tijd doen en als dat niet hielp, zou ik het zelf wel eens nazien. Dat zou eerst prettig zijn; ik zou het van binnen bekijken en zien hoe het liep. Het moest goed loopen, want ik zou het zeer streng behandelen.
Ik had mij zoo geheel door mijn vreugde laten medesleepen, dat ik niet eens de blijdschap van Capi bemerkte; hij sprong tegen mijn beenen op en liet van tijd tot tijd een zacht geblaf hooren. Eindelijk gelukte het hem, om mij in mijn gepeins te storen.
—Wat wilt gij Capi?
Hij keek mij aan en daar ik hem niet terstond begreep, richtte hij zich op en legde zijn poot op mijn zak, waarin ik het horloge bewaarde.
Hij wilde weten hoe laat het was, om het aan het "geëerde publiek" te kunnen zeggen, evenals toen hij nog bij Vitalis was.
Ik liet het hem zien; een poos bleef hij er op staren, alsof hij zich iets wilde herinneren; daarop kwispelde hij met den staart en blafte twaalf maal: hij had het niet vergeten. Wat een geld zouden wij al niet met dit horloge verdienen! Dat was nog een kunstverrichting, waarop ik niet gerekend had.
Dat dit allemaal op straat gebeurde, juist tegenover de deur van de gevangenis, bleven verscheidene menschen stilstaan om ons gade te slaan.
Als ik gedurfd had, zou ik onmiddellijk een voorstelling gegeven hebben, maar uit vrees voor de politie, stelde ik het voorloopig uit.
Het was bovendien twaalf uur en juist een geschikte tijd om opweg te gaan.