—Voorwaarts!
Ik wierp een laatsten blik, een laatst vaarwel naar de gevangenis, achter wier muren de ongelukkige Acquin zat opgesloten, terwijl ik vrij was en gaan kon, waarheen ik wilde. Wij vertrokken.
Wat mij op mijn reizen het meest van pas kon komen, was een kaart van Frankrijk; ik wist waar ik die koopen kon en begaf mij in de eerste plaats daarheen.
Toen ik een plein overstak, viel mijn oog op de wijzerplaat van den toren der Tuileriën en gevoelde ik lust om te zien of de klok en mijn horloge gelijk gingen. Mijn horloge stond op halfeen en de klok wees één uur. Wie van beide liep dus te langzaam of te snel? Ik gevoelde grooten lust om mijn horloge wat vooruit te zetten, maar na een oogenblik nadenken zag ik hiervan af: het was volstrekt niet zeker, dat mijn horloge verkeerd liep; het kon zeer wel zijn, dat de klok slecht ging. Ik borg mijn horloge dus weer in mijn zak en zeide tot mezelf, dat voor hetgeen ik te doen had, dit juist de geschiktste tijd was.
Het duurde lang eer ik een kaart had, tenminste zoo'n kaart als ik wenschte te hebben, namelijk een, die op linnen geplakt was en dichtgevouwen kon worden, en niet duurder dan twee francs, wat voor mij al zeer veel was. Gelukkig vond ik er een, die geel was geworden en die ik voor een prijsje kon koopen.
Nu kon ik Parijs verlaten, wat ik dan ook besloot zoo spoedig mogelijk te doen.
Tusschen twee wegen kon ik kiezen, dien van Fontainebleau naar de grenzen van Italië of dien van Orléans over Montrouge; de een was mij even onverschillig als de ander en het toeval wilde, dat ik dien van Fontainebleau koos.
Toen ik op een bordje den naam van de straat Mouffetard las, kwamen tal van herinneringen bij mij op: Garofoli, Mattia, Riccardo, de knaap met zijn marmotjes, de zweep en Vitalis, mijn goede meester, die gestorven was, omdat hij mij niet verhuurd had aan denpadronein de straat Lourcine; ik meende zelfs bij den ingang van de naburige kerk in een knaap Mattia te herkennen: hij had hetzelfde groote hoofd, dezelfde starende oogen en sprekende trekken, kortom, zijn gansche voorkomen deed mij aan hem denken; maar zonderling, hij was in dien tusschentijd niet gegroeid.
Ik naderde hem om mezelf te overtuigen; er viel niet meer te twijfelen; hij was het. Ook hij herkende mij, want op zijn bleek gelaat kwam een glimlach.
—Gij zijt immers met dien ouden man bij Garofoli geweest, juist toen ik op het punt stond om naar het hospitaal te gaan? O wat had ik toen een hoofdpijn!
—En is Garofoli nog altijd uw meester?
Hij wierp eerst een blik om zich heen, vóór dat hij mij antwoordde.
—Garofoli is in de gevangenis; men heeft hem in hechtenis genomen, omdat hij Orlando doodgeslagen heeft.
Het deed mij genoegen, dat Garofoli in de gevangenis zat en voor de eerste maal in mijn leven kwam de gedachte bij mij op, dat de gevangenissen, die mij gewoonlijk zooveel afschuw inboezemden, toch ook haar nut hadden.
—En de jongens? vroeg ik.
—O, dat weet ik niet; ik was niet bij Garofoli's inhechtenisneming tegenwoordig. Toen ik het gasthuis verliet, zag Garofoli in, dat ik niet geschikt was om geslagen te worden, daar ik er altijd ziek van werd; hij besloot toen om mij weg te zenden en verhuurde mij voor twee jaar, met vooruitbetaling, aan het paardenspel van Gassot. Kent gij het paardenspel van Gassot niet? Het is niet heel groot, maar het is er toch een. Zij hadden daar een knaap noodig om bij den ingang te staan en Garofoli verhuurde mij aan Gassot. Bij dezen ben ik tot verleden Maandag gebleven; toen heeft hij mij weggezonden, omdat mijn hoofd te groot is om achter het loketje te zitten. Ik heb Gisors, waar het cirque was opgeslagen, verlaten om weder bij Garofoli te komen, maar deze was nergens te vinden; het huis was gesloten en een buurman heeft mij verteld, dat Garofoli in de gevangenis zat. Ik ben toen daarheen gegaan, daar ik niet wist wat te doen of waarheen mij te begeven.
—Waarom zijt ge niet naar Gisors teruggekeerd?
—Omdat dienzelfden dag, toen ik het paardenspel verliet, dit naar Rouaan vertrok, en hoe zou ik te Rouaan komen? Het is veel te ver en ik heb geen geld; sedert gisterenmiddag heb ik niets gegeten.
Ik was niet rijk, maar ik had toch geld genoeg om dit ongelukkige kind niet van honger te laten omkomen; hoe dankbaar zou ik niet geweest zijn als men mij op weg naar Toulouse, toen ik even hongerig was als Mattia op dit oogenblik, een stukje brood gegeven had.
—Wacht hier op mij, zeide ik.
Ik liep zoo gauw ik kon naar een bakker, die op den hoek van de straat woonde en keerde met een stuk brood terug, dat ik hem aanbood; hij brak het klein en begon er met gulzigheid van te eten.
—En wat wilt gij nu gaan doen? vroeg ik.
—Dat weet ik niet.
—Gij moet toch iets gaan beginnen.
—Ik wilde juist mijn viool gaan verkoopen, toen gij mij aanspraakt en zeker zou ik ze reeds verkocht hebben, als het mij niet zooveel kostte om ervan te scheiden. Het is mijn eenig genot en troost. Als ik mij erg treurig gevoel, dan zonder ik mij af en speel voor mezelf eenigen tijd en dan zie ik allerlei mooie dingen in den hemel, veel mooier nog dan in mijn droomen; dat spreekt.
—Waarom speelt gij dan niet op straat op uw viool?
—Ik heb erop gespeeld, maar niemand heeft mij er iets voor gegeven.
Ik wist hoe onaangenaam het was, als niemand eraan dacht om zijn hand in den zak te steken.
—En gij? vroeg Mattia, wat gaat gij thans doen?
Ik weet niet waarom, maar door een gevoel van ijdelheid gedreven, zeide ik:
—Wel, ik ben het hoofd van een troep.
Het was de waarheid, dat ik een troep bezat, want Capi maakte er een deel van uit, maar toch grensden mijn woorden zeer nauw aan een leugen.
—O, als gij dan wilt…. begon Mattia.
—Wàt?
—Mij bij uw troep opnemen.
Toen werd ik weder oprecht.
—Hier hebt gij mijn heelen troep, zeide ik, op Capi wijzende.
—Welnu, wat doet er dat toe, dan zijn we met ons drieën. Ik bid u, laat mij niet aan mijn lot over; wat zou er van mij worden? waarschijnlijk zou ik van honger sterven.
Van honger sterven! Allen, die dezen kreet hooren, zullen er niet denzelfden zin aan hechten en menigeen zal hem zelfs niet begrijpen. Mij sneed hij door de ziel: ik wist wat het zeggen wilde van honger te sterven.
—Ik kan werken, vervolgde Mattia; ik speelde viool, ik kan koorddansen, door een hoepel springen en zingen; gij zult zien, ik zal alles doen wat gij wilt; ik zal uw knecht zijn, ik zal u gehoorzamen; ik behoef geen geld, maar slechts voedsel, als ik iets verkeerd doe, dan kunt gij mij slaan; maar gij moet mij niet op mijn hoofd slaan, dat moet gij mij beloven, want mijn hoofd is zeer gevoelig, daar Garofoli mij zoo dikwijls erop geslagen heeft.
Toen ik dien armen Mattia zoo hoorde spreken, voelde ik dat er tranen in mijn oogen welden. Het zou mij onmogelijk zijn geweest hem zijn verzoek niet in te willigen. Van honger sterven! Maar had hij met mij daar niet evenveel kans op als wanneer hij alleen bleef? Ik maakte hem daarop opmerkzaam, maar hij wilde er niets van hooren.
—Neen, antwoordde hij, met zijn beiden sterft men niet van honger; men steunt en helpt elkander; hij die iets heeft, geeft aan den ander een deel van het zijne.
Deze woorden maakten een eind aan mijn aarzeling: daar ik iets had, moest ik hem dus helpen.
—Nu, sla dan toe, zeide ik.
Hij vatte mijn hand en kuste die, en dit trof mij zoo, dat ik niet langer mijn tranen bedwingen kon.
Ga met mij mede, zeide ik, maar niet als mijn knecht, als mijn makker.
Ik hing toen mijn harp weder over den schouder.
—Voorwaarts! sprak ik.
Een kwartier later hadden wij Parijs verlaten.
De voorjaarszon had de wegen gedroogd en de grond was zelfs hard, zoodat wij gemakkelijk konden voortloopen.
Het was zoel in de lucht en de aprilzon stond aan den blauwen, onbewolkten hemel.
Welk een verschil met dien dag, toen ik voor de eerste maal Parijs binnentrad, die stad waarnaar ik zoo vurig had verlangd, alsof Parijs het beloofde land was.
Langs de slooten zag men hier en daar reeds eenige grassprieten en een meizoentje of krokus kwam van afstand tot afstand uit de aarde te voorschijn.
Als wij voorbij tuinen kwamen, zagen wij de takjes der seringen tusschen het groen, dat door een zacht koeltje bewogen werd en soms viel de bloesem van een vroeg bloeienden boom ons op 't hoofd.
In de tuinen, in het kreupelhout langs den weg, in de hooge boomen, overal hoorden wij het tjilpen der vogels en voor ons uit scheerden van tijd tot tijd de zwaluwen langs den weg, om het een of ander onzichtbaar mugje te vervolgen.
Onze reis begon goed en vol vertrouwen stapte ik voort; Capi, die nu van zijn touw bevrijd was, sprong om ons heen en blafte alle rijtuigen en steenhoopen aan, blafte tegen alles en niets, uit louter pleizier om te blaffen, wat voor de honden waarschijnlijk een even groot genot moet zijn als voor de menschen om te zingen.
Mattia liep zwijgend naast mij voort; ongetwijfeld dacht hij over alles na en ik zeide ook niets, daar ik hem niet wilde storen en ik zelf ook tot nadenken wilde komen.
Waarheen gingen wij met zulk een vastberaden tred?
Eerlijk gezegd wist ik het zelf niet goed, of liever in het geheel niet.
Voorwaarts!
Maar dan?
Ik had aan Lize beloofd, dat ik eerst Martha en haar broeders zou gaan zien, vóór ik haar bezoeken zou; maar verder had ik geen afspraak gemaakt; het was dus hetzelfde met wien ik begon, of ik eerst naar Cevennes, naar Charente of naar Picardië ging.
Daar ik Parijs in een zuidelijke richting verlaten had, sprak het vanzelf, dat Benjamin niet in de termen van een bezoek viel, maar dat ik tusschen Alexis en Martha kiezen moest.
Niet zonder reden had ik Parijs aan die zijde verlaten, want ik had een onbestemd verlangen om vrouw Barberin terug te zien.
Al heb ik in lang niet over haar gesproken, men moet daaruit niet opmaken, dat ik haar als een ondankbare vergeten had.
Evenmin moet men mij voor ondankbaar houden, omdat ik haar nooit had geschreven in al den tijd, dat ik van haar gescheiden was geweest.
Hoe dikwijls kwam de gedachte niet bij mij op om aan haar te schrijven en haar te zeggen: "Ik denk aan u en ik houd altijd nog veel van u"; maar daar ik bang was voor Barberin, zag ik telkens van dit plan af.
Als Barberin mij eens door middel van mijn brief terugvond, en mij dan weder bij zich nam; als hij mij nogmaals aan een anderen Vitalis verkocht, die niet als mijn oude Vitalis zou zijn? Ongetwijfeld had hij daartoe het recht. En deze gedachte deed mij telkens besluiten, liever van ondankbaarheid beschuldigd te worden, dan gevaar te loopen weder in Barberins macht te vallen, hetzij hij daarvan gebruik maakte om mij te verkoopen, hetzij hij mij onder zijn opzicht zou laten werken. Liever zou ik sterven—desnoods van honger sterven—dan aan een dergelijk gevaar te worden blootgesteld, waarvan het denkbeeld alleen mij reeds schrik aanjoeg.
Maar zoo ik niet aan vrouw Barberin had durven schrijven, scheen het mij toch toe, dat ik vrij was om te gaan waar ik wilde, en ik kon tenminste beproeven haar te zien. Zelfs sedert ik Mattia bij mijn troep had opgenomen, zeide ik tot mezelf, dat het zeer gemakkelijk gaan zou. Ik zou Mattia vooruitzenden, terwijl ik uit voorzichtigheid achter zou blijven; hij zou bij vrouw Barberin binnengaan en haar onder het een of ander voorwendsel laten praten; als zij alleen was, zou hij haar de waarheid kunnen zeggen, mij komen waarschuwen en ik zou den drempel van het huis weder betreden, waar ik als kind gewoond had en mij in de armen werpen van haar, die mij in mijn eerste jeugd had verzorgd; maar als Barberin tehuis was, dan zou Mattia vrouw Barberin verzoeken op een bepaalde plaats te komen, en daar zou ik haar dan komen omhelzen.
Terwijl ik voortliep, bouwde ik deze luchtkasteelen en dit maakte mij stil, want ik had al mijn gedachten en al mijn overleg wel noodig om zulk een belangrijk punt vast te stellen.
Ik moest niet alleen de gelegenheid vinden om vrouw Barberin op te zoeken, maar ik moest ook mezelf overtuigen, dat wij door steden en dorpen zouden trekken, die ons een voldoende opbrengst zouden geven.
Daarvoor moest ik eerst mijn kaart raadplegen.
Wij waren nu geheel buiten en wij konden zeer goed een oogenblik uitrusten, zonder dat we bevreesd behoefden te zijn om gestoord te worden.
—Als gij het goedvindt, zeide ik tot Mattia, dan zullen we hier wat uitrusten. Vindt ge het goed, dat we nu eens praten?
—Hebt gij mij iets te zeggen?
—Ja.
Ik haalde uit mijn reiszak de kaart te voorschijn en spreidde die op het gras uit. Het duurde lang eer ik mij goed op de hoogte gesteld had, maar eindelijk gelukte het mij toch mijn weg af te bakenen: Corbeil, Fontainebleau, Montargis, Gien, Bourges, Saint-Amand, Montlucour. Wij konden dus zeer goed naar Chavanon gaan en als het ons nu wat medeliep, dan zouden we op weg geen honger behoeven te lijden.
—Wat is dat? vroeg Mattia, op de kaart wijzende.
Ik legde hem toen uit wat het was en waartoe het diende, met ongeveer dezelfde woorden, als Vitalis gebruikt had, toen hij mij de eerste les in de aardrijkskunde gaf.
Hij luisterde aandachtig, terwijl hij mij strak aanzag.
—Maar dan moet men kunnen lezen.
—Zeker; kunt gij dan niet lezen?
—Neen.
—Wilt gij het leeren?
—Kan men dan op de kaart den weg van Gisors naar Parijs vinden.
—Zeker, zeer gemakkelijk zelfs.
En ik wees hem dien op de kaart.
In het eerst wilde hij niet gelooven wat ik hem vertelde, terwijl ik met mijn vinger den weg op de kaart volgde.
Ik legde hem toen zoo goed mogelijk, hoewel niet zeer duidelijk, uit, op welke wijze de afstanden op de kaart worden aangewezen; hij luisterde wel naar mij, maar scheen niet zeer veel vertrouwen in mijn wetenschap te stellen.
Toen ik mijn zak geopend had, kwam ik op de gedachte om hem eens nader te onderzoeken en ik was ook blijde, dat ik al mijn schatten aan Mattia kon laten zien. Ik legde ze allen op het gras.
Ik bezat drie linnen hemden, drie paar kousen, vijf zakdoeken; alles was zeer goed in orde, behalve een paar halfversleten schoenen.
Mattia stond als verstomd.
—En wat hebt gij? vroeg ik.
—Ik heb mijn viool en die draag ik altijd bij mij.
—Welnu, zeide ik, wij zullen alles deelen, zooals dat onder makkers behoort: gij krijgt twee hemden, twee paar kousen en drie zakdoeken; daar wij alles eerlijk moeten deelen, zullen wij beurtelings elk een uur lang de reistasch dragen.
Mattia weigerde eerst dit aanbod aan te nemen, maar ik was reeds gewend om bevelen te geven, wat ik zeer prettig vond—dat moet ik bekennen—en ik verbood hem dus zich hiertegen langer te verzetten.
Op mijn hemden had ik het werktaschje van Martha uitgestald en het doosje van Lize daarnaast gelegd; hij wilde dit openen, maar dat stond ik hem niet toe; ik legde het daarom weder in de tasch zonder het zelf te openen.
—Zoo ge mij plezier wilt doen, zeide ik, dan zult ge nooit aan dit doosje komen; dat is een geschenk.
—Goed, hernam hij, ik beloof het u.
Sedert ik weder mijn schapevacht en mijn harp had omgehangen, had ik toch iets, dat mij hinderde:—het was mijn broek. Ik meende dat een kunstenaar geen lange broek moest dragen; als men in het publiek optrad, moest men korte broeken dragen met kousen, waarover gekleurde schoenlinten kruiselings gebonden waren. Een lange broek was goed voor een tuinman, maar niet voor mij, die nu kunstenaar was!…
Als men zich eenmaal iets in het hoofd gesteld heeft en meester over zijn eigen daden is, dan wacht men niet lang om zijn wil ten uitvoer te brengen. Ik opende Martha's werktaschje en haalde de schaar eruit te voorschijn.
—Terwijl ik mijn broek in orde maak, zeide ik tot Mattia, moet gij mij in dien tijd eens laten hooren, hoe gij op de viool speelt.
—O, dat is goed.
Hij nam daarop de viool en begon te spelen.
In dien tusschentijd zette ik dapper de punt der schaar in de stof van mijn broek, even boven de knie en begon er de beenen af te knippen.
Het was een goede broek van grijs laken, evenals mijn jas en vest, en toen vader Acquin haar mij gegeven had, was ik er erg mede in mijn schik geweest; maar het kwam niet bij mij op, dat ik haar geheel vernielde door er een stuk af te knippen; integendeel.
In het eerst had ik onder het knippen naar Mattia geluisterd, maar al spoedig had ik de schaar opzijde gelegd en was ik geheel gehoor; Mattia speelde bijna even mooi als Vitalis.
—En wie heeft u viool leeren spelen? vroeg ik, in de handen klappend.
—Niemand, of liever iedereen, en vooral mezelf, door mij veel te oefenen.
—En wie heeft u muziek geleerd?
—Dat weet ik niet; ik speel wat ik heb hooren spelen.
—Kent gij de noten?
—Neen.
—Ik zal ze u leeren.
—Gij kent dus alles?
—Dat moet wel, daar ik directeur van een tooneelgezelschap ben.
Men is geen kunstenaar zonder eigenwaan; ik wilde aan Mattia toonen, dat ik ook musicus was.
Ik nam mijn harp, en zonder eenige inleiding begon ik mijn beroemd lied.
"Fenesta vascia epadrona crudele".
En zooals het onder artisten behoort, betaalde Mattia mijn spel met dezelfde loftuitingen als ik het zijne; hij had veel talent, maar ook ik had talent en wij waren elkander waardig.
Maar toch konden wij daar niet blijven zitten en elkaar tal van complimenten maken; wij moesten, na voor ons zelven en ons eigen genot muziek te hebben gemaakt, muziek maken voor een avondmaal en een slaapplaats.
Ik sloot mijn reiszak weder, dien Mattia thans over zijn schouder hing.
En nu voorwaarts over den bestoven weg; nu moesten wij in het eerste dorp, waar wij aankwamen, blijven en daar een voorstelling geven; "eerste optreden van het gezelschap Rémi."
—Leer mij uw lied, zeide Mattia, wij zullen het dan samen zingen en ik denk, dat ik het wel spoedig met de viool zal kunnen begeleiden; dat moet zeer mooi zijn.
Dat zou zeker zeer mooi zijn en het "geëerde publiek" zou wel een hart van steen moeten hebben om ons niet ruimschoots daarvoor te beloonen.
Die studie werd ons echter bespaard. Toen wij een dorp bereikten en wij bezig waren een geschikte plaats voor onze voorstelling uit te zoeken, kwamen wij voorbij een boerderij, waar tal van menschen, gedost in hun zondagsche kleeren met bloemen en linten versierd, bij elkander waren; men behoefde niet heel slim te zijn om te raden, dat dit een bruiloft was.
Plotseling viel het mij in, dat deze menschen het misschien wel prettig zouden vinden, als wij muziek maakten om hen te laten dansen; ik liep de plaats dus op, gevolgd door Mattia en Capi, en met mijn hoed in de hand en eene diepe buiging—de deftige buiging van Vitalis—deed ik aan den eersten persoon, dien ik tegenkwam, dit voorstel.
Het was een groote jonge man, wiens rood gelaat door een paar stijve hooge boorden, die tot aan de ooren reikten, was ingesloten; hij zag er goedhartig en bedaard uit.
Hij gaf mij geen antwoord; maar zich geheel omkeerende tot eenige bruiloftsgasten—want zijn fonkelnieuwe jas scheen hem in zijn bewegingen te hinderen—stak hij twee vingers in den mond, en liet daarop een schel gefluit hooren, waarvan zelfs Capi schrikte.
—Heilo, ho! vrienden! riep hij; wat dunkt u van een stukje muziek? Hier komen juist eenige muzikanten.
—O ja, ja! muziek, muziek! riepen allen als uit één mond.
—Ruimte voor een quadrille.
En binnen weinige minuten hadden de dansers een kring gevormd en waren alle kippen en vogels die rondliepen op de vlucht geslagen.
—Hebt gij wel eens een quadrille gespeeld? vroeg ik Mattia fluisterend in het italiaansch, want ik gevoelde mij in het geheel niet gerust.
—Ja.
En hij begon er een op zijn viool te spelen, toevallig kende ik de wijs. Wij waren dus gered.
Er werd een karretje uit den stal gehaald en de boomen op den grond gelegd, zoodat wij er konden instijgen.
Hoewel we nooit samen gespeeld hadden, bleef onze quadrille toch goed in de maat. Het is waar, ons publiek was niet zeer fijn noch aan veel gewend.
—Kan een van u op den waldhoren blazen? vroeg de groote man.
—Ja, ik, antwoordde Mattia, maar ik bezit er geen.
—Ik zal er een gaan halen, want ik vind een viool wel heel mooi, maar ijselijk pieperig.
—Speelt gij dan ook op den waldhoren? vroeg ik in het italiaansch aan Mattia.
—Ook op de schuiftrompet en de fluit.
Mattia was ongetwijfeld een groote aanwinst voor mij.
De waldhoren was spoedig gehaald en weder begonnen wij quadrilles, polka's en walsen te spelen.
Wij speelden, zonder een oogenblik op te houden, tot aan den nacht toe door; dat was voor mij niet heel erg, maar wel voor Mattia, want hij had de zwaarste partij, daar hij bovendien vermoeid was van de reis en de ontberingen.
Van tijd tot tijd zag ik hem bleek worden, maar hij speelde toch door, en blies zoo hard hij kon door den horen.
Gelukkig was ik niet de eenige, die zijn bleekheid opmerkte; de bruid zag het eveneens.
—Nu is het genoeg, sprak zij, de kleine jongen kan het niet langer volhouden; nu moet ieder zijn beurs openen voor de muzikanten.
—Als gij het goedvindt, zeide ik, terwijl ik uit den wagen sprong, dan zal onze kassier met het bakje rondgaan.
Ik wierp Capi mijn hoed toe, dien hij in zijn bek opving.
Allen bewonderden om strijd de bevallige buiging, die hij maakte, als men hem iets gegeven had, maar wat voor ons nog wel het meeste waard was, hij haalde zeer veel op; daar ik hem met de oogen volgde, kon ik telkens een stuk zilver zien glinsteren; bij de bruid kwam hij het laatst en deze legde er een vijf francs stuk in.
Welk een schat! En daarmede was het nog niet gedaan. Men noodigde ons in de keuken en zorgde in een schuur voor een slaapplaats. Als wij den anderen morgen deze gastvrije woning verlieten, zouden wij minstens dertig francs bezitten.
—Dat hebben we aan u te danken, Mattia, zeide ik tot mijn makker; alleen zou ik nooit zoo'n orkest hebben kunnen samenstellen.
Toen ik dit zeide, schoten mij plotseling de woorden van vader Acquin te binnen, toen ik begonnen was met Lize les te geven. Weder had ik een bewijs, dat men beloond wordt voor het goede, dat men doet.
—Ik had een dwazer streek kunnen begaan dan u in mijn troep op te nemen.
Met dertig francs in onzen zak waren wij rijk, en toen wij te Corbeil kwamen, durfde ik, zonder al te onvoorzichtig te zijn, eenige noodzakelijke inkoopen doen; in de eerste plaats een waldhoren, die ons bij een oudroest drie francs kostte; hij was wel niet nieuw, maar toch tamelijk onderhouden en zeker zou hij ons goed te stade komen; voorts kocht ik rood lint voor onze kousen en een versleten ransel voor Mattia, want het was minder vermoeiend om altijd een lichten zak, dan nu en dan een zwaren op den rug te dragen. Wij zouden alles wat wij dragen moesten eerlijk verdeelen en op die wijze veel vlugger kunnen loopen.
Toen we Corbeil verlieten, waren wij werkelijk goed ingespannen, al onze inkoopen waren betaald, en wij hadden nog acht en twintig francs over, daar onze voorstellingen zeer veel hadden opgebracht. Ons répertoire hadden we zóó samengesteld, dat we verscheidene dagen achtereen in dezelfde streek konden blijven, zonder dat we te veel in herhalingen behoefden te vervallen; gelukkig konden Mattia en ik het uitmuntend met elkaar vinden en waren wij als broeders voor elkander.
—Gij begrijpt toch wel, dat het al te mooi is, dat de chef van een troep nooit slaat, zeide hij dikwijls, lachende.
—Gij zijt dus tevreden?
—Of ik tevreden ben! Voor het eerst van mijn leven, sedert ik mijn land verlaten heb, verlang ik niet naar het ziekenhuis.
Deze gunstige toestand prikkelde mijne eerzucht.
Toen wij Corbeil verlaten hadden, begaven we ons naar Montargis, welke stad in dezelfde richting ligt als het dorp van vrouw Barberin.
Als ik moeder Barberin ging opzoeken, kweet ik mij tevens van mijn schuld; toch kon ik haar maar zeer weinig en lang niet voldoende mijn dank bewijzen.
Als ik eens iets voor haar medebracht….
Nu ik rijk was, mocht ik haar ook wel een geschenk aanbieden.
Wat zou ik haar geven?
Lang zou ik niet behoeven te zoeken.
Eén ding zou haar overgelukkig maken, niet alleen voor het oogenblik, maar zelfs op haar ouden dag,—een koe, die de plaats van de armeRoussettezou kunnen innemen.
Hoe blijde zou vrouw Barberin zijn als ik haar een koe gaf, maar welk een genot zou dit ook voor mij zijn!
Vóór dat wij te Chavanon kwamen, zou ik een koe koopen en Mattia zou haar dan aan een touw het hek van vrouw Barberin binnenleiden. Tenminste als Barberin er niet was.—Vrouw Barberin, zou Mattia zeggen, hier breng ik u een koe.—Een koe! gij zijt verkeerd, mijn jongen.—En zij zou zuchten.—Neen vrouwtje, ik ben niet verkeerd, want gij zijt immers vrouw Barberin uit Chavanon? Welnu, bij vrouw Barberin heeft de prins (evenals in de sprookjes) gezegd, dat ik deze koe brengen moest.—Welke prins? Ik zou dan te voorschijn komen en mij in de armen van mijn pleegmoeder werpen, en als we elkaar dan alles verteld hadden, zouden we wafels gaan bakken, die wij drieën en niet Barberin zouden eten, zooals op dien Woensdag, toen hij teruggekomen was en onze pan omgeworpen en de boter voor zijn uiensoep gebruikt had.
Welk een heerlijke droom! Maar om dien te verwezenlijken moest ik een koe kunnen koopen.
Wat zou een koe wel kosten? Daar had ik volstrekt geen begrip van; zeker zeer duur; maar hoe duur dan wel?
Ik wilde geen heel groote en geen heel zware koe. Want in de eerste plaats, hoe zwaarder ze weegt, hoe duurder zij is en bovendien, hoe vetter een koe is, hoe meer zij eet, en ik wilde niet dat mijn geschenk vrouw Barberin in verlegenheid zou brengen.
Voor het oogenblik moest ik dus slechts den prijs der koeien weten, of liever van een koe, zooals ik er een verlangde.
Gelukkig was dit niet zeer moeielijk voor mij en onderweg of 's avonds in de herberg kwamen wij dikwijls in aanraking met koeiendrijvers of verkoopers. Niets was dus eenvoudiger dan hun naar den prijs te vragen.
De eerste maal, dat ik deze vraag aan een ossendrijver deed, wiens eerlijk gelaat mij had aangetrokken, lachte hij mij in mijn gezicht uit.
De man sloeg met zijn vuist op de tafel, terwijl hij zijn rug in zijn stoel wierp; daarop riep hij de waardin.
—Weet ge, wat mij die kleine muzikant vraagt? Wat een koe kost, geen groote en geen zware, maar toch een goede koe. Moet zij misschien kunstjes leeren?
En wederom begon hij te lachen, maar ik liet mij niet van mijn stuk brengen.
—Zij moet veel melk geven en niet velen eten.
—Moet zij misschien evenals uw hond aan een touw langs den weg loopen?
Toen hij eindelijk uitgelachen had en zijn spotternijen ophielden, was hij wel geneigd mij een ernstig antwoord te geven en begon hij zelfs een gesprek met mij.
Hij had juist wat ik verlangde, een goede koe, die veel melk gaf, melk zoo dik als room, en bijna niets at; als ik hem tweehonderd francs gaf, dan kreeg ik de koe.
Hoeveel moeite het mij gekost had om hem tot spreken te krijgen, het viel mij nog zwaarder om hem te doen zwijgen, toen hij eenmaal begonnen was.
Eindelijk konden wij naar bed gaan en ik had alle gelegenheid om over zijn woorden na te denken.
Tweehonderd francs, zoo'n som zou ik nog in langen tijd niet bij elkander hebben.
Zou ik die kunnen verdienen? Het scheen mij onmogelijk toe en toch, als het ons nu evenzoo bleef medeloopen als in de eerste dagen het geval was, dan zou ik er misschien kunnen komen. Maar ik moest er den tijd voor hebben.
Ik kwam toen op een andere gedachte; als wij inplaats van naar Chavanon te gaan, eerst Varses bezochten, daarmede zouden wij dan tevens tijd winnen, daar het een omweg was.
We moesten dus eerst naar Varses trekken en vrouw Barberin op onzen terugweg bezoeken; ik zou dan zeker mijn honderd gulden hebben en wij konden ons tooneelstuk: "De koe van den Prins" vertoonen.
Den anderen dag maakte ik Mattia met mijn plan bekend, en deze verzette er zich volstrekt niet tegen.
—Laten wij naar Varses gaan, zeide hij; de mijnen zijn zeer belangrijk, vooral daar ik er nooit een gezien heb.
Het is een lange weg van Montargis naar Varses, dat in het midden van de Cevennes ligt op de helling van den berg, die zich naar de Middellandsche Zee buigt; vijf- of zeshonderd mijl recht toe recht aan. Voor ons was hij zelfs wel duizend mijl, daar wij genoodzaakt waren verscheidene omwegen te maken, om onze levenswijs te kunnen voortzetten. Wij moesten heelwat steden en dorpen bezoeken om eene goede som te maken.
Bijna drie maanden hadden wij noodig om den weg af te leggen, maar toen wij in de nabijheid van Varses kwamen, mocht ik dan ook, nadat ik mijn geld had nageteld, de voldoening smaken, mijn tijd goed besteed te hebben; in mijn leeren beurs had ik honderd zeventig francs, die ik bespaard had op mijn uitgaven; ik kwam dus nog dertig francs te kort voor de koe, die ik voor vrouw Barberin koopen wilde.
Mattia was hierover bijna even blij als ik en hij was er niet weinig trotsch op, dat hij er van zijn kant ook veel toe bijgebracht had om zulk een aanzienlijke som bijeen te garen. Zijn aandeel was dan ook werkelijk groot, want zonder hem, en vooral zonder zijn waldhoren, zouden Capi en ik nooit honderd zeventig francs bijeengezameld hebben.
Van Varses naar Chavanon zou het ons stellig wel gelukken om de dertig francs, die ons nog ontbraken, te verdienen.
Varses, waar wij het eerst aankwamen, was honderd jaar geleden een arm dorp, dat als in de bergen verloren lag en slechts bekend was doorde kinderen van God, die onder de leiding stonden van Jean Cavalier. Zijn ligging, midden in de bergen, was vooral zeer belangrijk wegens de vervolging der Camisards, maar die ligging was tevens juist oorzaak van de armoede, welke er heerschte. Omstreeks 1750 ontdekte een bejaard edelman, die een manie voor opgravingen had, verscheidene kolenmijnen te Varses en sedert dien tijd voorzag deze stad met Alais en Saint-Gervais het zuiden van Frankrijk van steenkolen en wel in zulk een hoeveelheid, dat ze aan de Engelschen het kolendebiet in de Middellandsche Zee betwistten. Toen de edelman met zijn nasporingen begonnen was, werd hij van alle zijden bespot, en toen hij tot op een diepte van honderd vijftig meter had gegraven, zonder nog iets gevonden te hebben, nam men zelfs maatregelen om hem als krankzinnige in een gesticht op te sluiten, daar zijn gansche fortuin met deze opgravingen geheel te gronde zou gaan. Varses bezat, naar men vroeger beweerd had, ijzermijnen; men vond ze niet; men zou er ook nooit steenkolen vinden. Zonder hierop te antwoorden en om zich aan de spotternijen te onttrekken, sloot hij zich in zijn groeve op en verliet deze niet meer; hij at en sliep daar en niemand dan zijn werklieden konden zijn beweren in twijfel trekken; bij elken slag, dien zij met het houweel deden, haalden zij de schouders op, maar aangespoord door de overtuiging van hun meester, volhardden zij bij hun arbeid en de groeven werden dieper. Toen zij tweehonderd meter diep gegraven hadden, vonden zij een steenkolenlaag: de bejaarde edelman was niet langer een krankzinnige; hij was toen een geniaal man; in één dag was de verandering volkomen.
Tegenwoordig telt Varses 12,000 inwoners, en gaat het een groote toekomst voor zijn nijverheid tegemoet, daar 't op het oogenblik met Alais en Bességes de hoop van het Zuiden is.
Wat Varses' fortuin maakt en maken zal is juist hetgeen zich onder en niet boven den grond bevindt. Het levert een treurig en verlaten tafereel op; alles is even onvruchtbaar; men ziet er geen boomen dan hier en daar een kastanje, een moerbeziënboom of eenige kwijnende olijfboomen; maar de grond voedt de planten niet: alom aanschouwt men grijze of witte steenen; slechts daar waar de aarde eenige diepte heeft en de regen erin wordt opgenomen, ontwikkelt zich een weelderige plantenwereld, die een lieflijk verschil oplevert met de naakte bergen.
Uit de onvruchtbaarheid ontstonden zware overstroomingen, want als het regent, loopt het water langs de steile hellingen, als over een geplaveide straat en de beken, die gewoonlijk droog zijn, zwellen dan weder in die mate, dat de rivieren, welke zij voeden, buiten hare oevers treden en de dalen overstroomen. In weinige minuten stijgt het peil van de bedding, drie, vier, vijf el en soms meer.
Varses ligt op de beide oevers van eene der rivieren, de Divonne, die in de stad zelve twee kleine, maar krachtige stroompjes in zich opneemt: de Truyère en de Saint-Andéol. Het is geene fraaie stad, niet zeer zindelijk en zeer onregelmatig. De wagens met ijzererts of met steenkolen beladen, die van 's morgens vroeg tot 's avonds laat over de rails loopen, welke dwars door de straten zijn aangelegd, laten daar onophoudelijk eene roode en zwarte stof achter, die op regenachtige dagen eene dikke slijklaag vormt, en den grond in een moeras herschept. Als daarentegen de zon schijnt en de wind waait, stijgen en dwarrelen wolken op, die tot boven de huizen zich verheffen. Van boven tot onder zijn de huizen zwart, zwart door slijk en stof, die tot aan de daken oprijst; zwart door den rook der ovens en fornuizen, welke uit de schoorsteenen neerslaat tot op de straat; alles is zwart, de grond, de lucht, tot zelfs het water in de Divonne. Nochtans zijn de menschen op straat nog zwarter dan hunne omgeving: de zwarte paarden, de zwarte wagens, de bladeren der zwarte boomen; nu en dan verkrijgt men den indruk, dat een wolk van roet op de stad is neergedaald of dat eene overstrooming van modderig water de huizen tot aan den nok heeft omspoeld.
De straten zijn niet aangelegd voor wagens en ook niet voor voetgangers, maar voor spoortreinen en karren uit de mijnen; de bodem is geheel bedekt met rails, door wissels met elkander verbonden; boven de hoofden zijn hangende bruggen gemaakt, ziet men drijfriemen loopen of kettingen, die met een oorverdoovend gedruisch lasten ophijschen of aflaten; de uitgestrekte gebouwen, die men voorbijgaat, dreunen tot op hunne grondvesten en wanneer men door de deuren of vensters naar binnen ziet, ontwaart men smeltende massa's, die als reusachtige dieren over den grond voortkruipen; stoomhamers, die een vuur van vonken om zich verspreiden en overal en altijd de zuigers der stoomwerktuigen, die regelmatig rijzen en dalen. Geen monumenten, geen tuinen, geen beelden op de pleinen; alles gelijkt elkander en is naar hetzelfde model gebouwd: log en vierkant. De kerk en het gerechtshof en de school, allen zijn kubieke blokken met meer of minder ramen, naarmate hunne bestemming medebrengt.
Toen wij in de nabijheid van Varses kwamen, was het ongeveer drie uren in den namiddag en de zon schitterde aan den effen hemel; maar naarmate wij dichterbij kwamen, werd de lucht somberder; tusschen hemel en aarde hing een dichte wolk van rook, die langzaam zich voortbewoog en bij de hooge schoorsteenen zich verdeelde. Sedert een uur hoorden wij een dreunend zuchten, een zwaar geruisch als dat eener onstuimige zee met zware slagen vermengd. Dit dreunen werd veroorzaakt door de wentelende assen, de slagen door de hamers en zuigers.
Ik wist dat de oom van Alexis in de mijnen van Varses werkte en wel in die van Truyère, maar meer ook niet. Of hij in Varses zelf woonde of in den omtrek, was mij onbekend.
Toen ik in de stad kwam, vroeg ik, waar ik de mijn van Truyère kon vinden en men wees mij een weg in de richting van den linkeroever der Divonne, eene kleine vallei door een beek doorsneden, welke haar naam aan de mijn gegeven heeft.
Zoo het uiterlijk der stad weinig bekoorlijk is, de vallei zelve ziet er akelig en somber uit: een kring van naakte rotsen, waarop boom noch plant groeit, is bedekt met eene laag grijsachtige puin, waardoor hier en daar de roode bodem zichtbaar is. Aan den ingang der vallei zijn de gebouwen die voor de exploitatie der mijn dienen, bergplaatsen van karren, stallen, magazijnen, kantoren en de schoorsteenen der stoommachines. Daaromheen lagen hooge stapels steenkolen en steenen.
Toen wij de gebouwen genaderd waren, trad een jonge vrouw met een verwilderd voorkomen en loshangende haren ons tegemoet; zij sleepte een klein kind met zich voort; zij hield ons staande en vroeg mij:
—Weet gij een koelen weg?
Ik zag haar verwonderd aan.
—Ja, een weg waarop boomen staan, waar het lommerrijk is en waarlangs een beekje kabbelt en waar de vogels tjilpen.
En zij begon zachtkens te fluiten.
—Zijt gij niet langs dien weg gekomen? vervolgde zij, toen ik haar geen antwoord gaf, maar zonder, naar het scheen, mijn verbazing op te merken; dat spijt mij. Hij is dus zeker nog ver. Is hij rechts of links? Wees zoo vriendelijk het mij te zeggen, mijn jongen, want ik zoek hem en kan hem niet vinden.
Zij sprak zeer snel, terwijl zij onophoudelijk met haar eene hand wuifde en met de andere over het hoofd van het kind streek.
—Ik vraag u naar dien weg, want ik weet zeker, dat ik Marius daar vinden zal. Hebt gij Marius gekend? Niet? Welnu, hij is de vader van mijn kind. Toen het mijngas zich ontwikkelde, vluchtte hij naar dien koelen weg; hij wandelt nu slechts op de koele wegen, daar die goed zijn voor zijn brandwonden. Hij weet ze te vinden, maar ik niet: daarom heb ik hem al in geen halfjaar gezien. Een halfjaar is lang, wanneer men elkaar liefheeft. Een halfjaar, zes maanden!
Zij keerde zich naar de gebouwen der mijn en wees toen met eene onstuimige beweging naar de schoorsteenen van de machine, waaruit dikke rookkolommen omhoog stegen.
—Werken der duisternis zijn duivelswerken! riep zij uit. Hel, geef mij mijn vader en mijn broeder en Marius terug; vervloekt zijt gij!
Daarop keerde zij zich weder tot mij.
—Gij zijt hier niet vandaan, niet waar? Uw schapevacht en uw hoed zeggen mij, dat gij van verre komt: ga naar het kerkhof: tel een, twee, drie, een, twee, drie, allen zijn ze in de mijn omgekomen.
Daarop greep zij haar kind en drukte het in haar armen.
—Gij krijgt mijn kleinen Pierre niet, nooit!…. het water is zoet, het water is frisch. Waar is de weg? Daar gij het niet weet, zijt ge dus even dom als de anderen, die mij uitlachen. Waarom houdt gij mij dan staande? Marius wacht mij.
Zij keerde mij den rug toe en snelde voort, terwijl zij weder begon te fluiten.
Ik begreep, dat zij krankzinnig was en haar echtgenoot had verloren door een mijnontploffing, en dit gevaar en de ontmoeting met deze ongelukkige vrouw, die van smart krankzinnig was geworden, bij den ingang van de mijn, in dit verlaten land, onder dien somberen hemel, stemde ons zeer treurig.
Men wees ons het huis van oom Gaspard; hij woonde op een kleinen afstand van de mijn, in een nauwe en steile straat, die naar den heuvel bij de rivier voerde.
Toen ik naar hem vroeg, gaf een vrouw, die tegen de deur geleund stond en met een harer buurvrouwen in gesprek was, mij ten antwoord, dat hij eerst tegen zes uur van zijn werk terugkeerde.
—Wat wilt gij van hem hebben? vroeg zij.
—Ik wilde Alexis bezoeken.
Zij nam mij toen van het hoofd tot de voeten op en wierp vervolgens een blik op Capi.
—Zijt gij dan Rémi? Alexis heeft ons veel van u verteld; hij wachtte u. Maar wie is hij?
Zij wees op Mattia.
—Dat is mijn makker.
Het was de tante van Alexis. Ik dacht, dat zij ons zou uitnoodigen binnen te treden en wat uit te rusten, want wij waren doodmoe en verlangden erg naar rust; maar daar kwam niets van in; zij herhaalde slechts, dat ik, tegen zes uur terugkomende, Alexis zou vinden, die nu in de mijn werkte.
Ik durfde niet vragen, wat men mij niet aanbood; ik bedankte haar en wij begaven ons weder op weg om een bakker te zoeken, want wij hadden ergen honger, daar wij den geheelen dag nog niets gehad hadden dan een korstje brood, dat wij van den vorigen avond hadden overgehouden. Ik schaamde mij zelfs over deze ontvangst, want ik gevoelde, dat Mattia bij zichzelven vroeg, wat dit beteekende.
Hadden wij daarom zooveel mijlen geloopen?
Ik meende, dat Mattia al een zeer slechte gedachte van mijn vrienden zou krijgen en dat, als ik hem weer over Lize sprak, hij niet met dezelfde aandacht naar mij luisteren zou. En ik was er bijzonder op gesteld, dat hij vooruit reeds van haar zou houden.
De wijze, waarop wij ontvangen waren, spoorde mij niet aan om weer naar die woning terug te keeren en wij besloten Alexis bij den uitgang van de mijn op te wachten.
Men haalt de kolen uit de mijn Truyère door drie schachten: de Saint-Julien, Saint-Alphonsine en Saint-Pancrace; wij vatten post bij een van deze schachten om Alexis op te wachten. Eenige minuten vóór zessen, zag ik in de diepte van die duistere gangen lichtjes flikkeren, die al spoedig grooter werden. Het waren de mijnwerkers, die, met hun lampje in de hand, weder in het daglicht terugkeerden, nadat hun arbeid volbracht was.
Zij naderden langzaam met zwaren tred, alsof zij pijn in de knieën hadden, wat ik mij later zeer goed begrijpen kon, toen ik zelf verscheidene trappen en ladders, die tot de onderste gangen leiden, was afgedaald; hun gelaat was even zwart als dat van de schoorsteenvegers en hun kleederen en hoeden waren met een laag stof en moddervlekken bedekt.
Toen zij voorbij de plaats kwamen, waar de lampen bewaard werden, hing elk zijn lamp aan een spijker.
Hoewel ik zeer oplettend toekeek, zag ik Alexis er toch niet uitkomen, en als hij mij niet om den hals gevallen was, zou ik hem zeker voorbij hebben laten gaan, zonder hem te herkennen, zoo weinig geleek hij thans, nu hij met stof en roet bedekt was, op mijn makker, die in den tuin met ons speelde in zijn hagelwit hemd en zijn lagen kraag, waaruit zijn blanke borst te voorschijn kwam.
—Dat is Rémi, zeide hij tot een man van omstreeks veertig jaar, die naast hem liep en een open, goedhartig gelaat had, evenals vader Acquin, wat ook niet te verwonderen was, daar zij broeders waren.
Ik begreep dat het oom Gaspard moest zijn.
—Wij wachtten u reeds lang, zeide hij vriendelijk.
—Het is een lange weg van Parijs naar Varses.
—En uw beenen zijn kort, hernam hij lachend.
Capi, die blijde was, dat hij Alexis terugzag, sprong aanhoudend tegen hem op en beet nu eens in zijn mouw, dan weder in zijn broek.
Intusschen vertelde ik aan oom Gaspard, dat Mattia mijn vriend en mijn metgezel was, een goede jongen, dien ik reeds vroeger had gekend en dien ik thans weergevonden had en die mooier dan iemand anders op den waldhoren blazen kon.
—En dat is Capi? vroeg oom Gaspard. Morgen is het Zondag en als gij dan uitgerust zijt, kunt ge ons dus een voorstelling geven. Alexis zegt, dat deze hond verstandiger is dan een schoolmeester of een tooneelspeler.
Zoo weinig als ik mij in tegenwoordigheid van tante Gaspard op mijn gemak gevoeld had, zoo weinig verlegen was ik in het bijzijn van haar echtgenoot: hij was werkelijk de waardige broeder van vader Acquin.
—Ga nu maar met elkander vooruit, want gij zult elkaar wel veel te vertellen hebben; ik zal mij bezighouden met dit jonge mensch, dat zoo mooi op den waldhoren blaast.
Wij zouden stof voor een gansche week gehad hebben, en dan zelfs zouden wij nog niet uitgepraat zijn. Alexis wilde alles van mijn reis weten en ik, van mijn kant, wenschte te vernemen, hoe hem dit nieuwe leven aanstond; op die wijze deden we elkaar zooveel vragen, dat we geen van beiden aan antwoorden dachten.
Wij liepen langzaam en alle werklieden, die zich naar huis begaven, haalden ons in; het was een lange rij, die bijna de geheele straat besloeg en allen waren even zwart en met dezelfde stof overdekt, die op den grond in een dikke laag lag gespreid.
Toen wij het huis genaderd waren, voegde oom Gaspard zich bij ons.
—Jongens, gij blijft bij ons eten.
Nooit heeft een uitnoodiging mij meer genoegen gedaan, want terwijl wij voortliepen, had ik mezelf reeds afgevraagd, of wij, wanneer we de deur bereikt hadden, van elkander zouden moeten scheiden, daar de wijze waarop de tante ons ontvangen had, niet veel goeds beloofde.
—Daar is Rémi, zeide hij het huis binnentredende, en zijn vriend.
—Ik heb ze daar straks reeds gezien.
—Des te beter, dan is de kennis al gemaakt; zij blijven bij ons eten.
Ik vond het heerlijk om met Alexis te eten, dat is te zeggen, om den geheelen avond bij hem te kunnen zijn, maar eerlijk gezegd, vond ik het ook prettig, dat ik een middagmaal kreeg. Sedert wij Parijs verlaten hadden, was onze maaltijd er steeds bij ingeschoten, nu en dan een korstje brood of een stukje spek, maar nooit een wezenlijk middagmaal, aan een tafel, met een bord en vork. Onze verdiensten stelden ons wel instaat een beter leven te leiden, maar wij moesten zooveel mogelijk bezuinigen om de koe te koopen en Mattia was zoo goedhartig, dat hij het bijna even gaarne deed als ik, bij de gedachte aan die koe.
Dien avond echter zouden wij niet het genot van een maaltijd smaken; ik zette mij aan tafel op een stoel, maar wij kregen geen soep. Tante had den geheelen dag verpraat, eerst op het laatste oogenblik had zij aan het eten voor haar man gedacht, met dit gevolg, dat wij koffie en varkensvleesch kregen. Oom Gaspard was spoedig tevreden, want hij hield veel van rust; hij at dus zijn spek en beklaagde zich niet, of, zoo hij zich al een opmerking veroorloofde, dan deed hij dit zeer kalm en bescheiden.
—Zoo ik geen drinker word, zeide hij, zijn glas met water vullende, dan is het omdat ik er te braaf voor ben; tracht ons morgen dus soep te geven.
—Als er tijd voor is.
—Gaat de tijd dan boven de aarde sneller voorbij dan daaronder?
—En wie zal uw goed verstellen? gij verslijt alles. Hij wierp toen een blik op zijn gescheurde kleederen.
—Wij zijn werkelijk gekleed als prinsen. Onze maaltijd duurde niet lang.
—Gij kunt bij Alexis slapen, mijn jongen. Daarop keerde hij zich tot Mattia.
—En voor u zal ik een bed van stroo maken.
De avond en een groot gedeelte van den nacht werden door Alexis en mij wakend doorgebracht.
Oom Gaspard moest de steenkolen met het houweel losmaken, terwijl zijn neef tot taak had de blokken op het wagentje, dat op de rails liep, weg te rijden naar de plaats, waar het werd opgehaald.
Hoewel hij nog sedert kort mijnwerker was, hield Alexis toch reeds veel van zijn mijn en was hij trotsch op haar; zij was de mooiste en de belangrijkste uit het land; hij sprak er over zooals een reiziger, die uit een onbekende streek komt en nieuwsgierige ooren gevonden heeft.
Eerst volgt men een gang, die in de rots is uitgehouwen en als men tien minuten daarin geloopen heeft, komt men aan een rechte en steile trap; onder aan die trap bevindt zich een houten ladder, daarna nog een ladder en weer een ladder; dan heeft men de eerste laag bereikt, die tot een diepte van vijftig meter gegraven is. Om tot de tweede laag te komen, die op negentig meter en de derde, welke op tweehonderd meter zich bevindt, is hetzelfde laddersysteem aangebracht. In die derde laag werkte Alexis en om tot zijn werkplaats door te dringen, had hij een driemaal langer weg af te leggen dan zij, die de torens van de kerkNotre-Damete Parijs beklimmen.
Maar terwijl de trappen van deNotre-Damegemakkelijk op en af zijn te gaan, daar zij recht gebouwd en goed verlicht zijn, is dit in de mijn niet het geval, omdat de treden, in verband met het gehalte van de rots, nu eens verder van elkander verwijderd, dan weer dichter bij elkander zijn. Geen ander licht schijnt hier dan het lampje, dat men in de hand draagt en de grond is bedekt met vette aarde, die aanhoudend door het druppelsgewijs doorsijpelend water vochtig wordt gehouden en dikwijls ijskoud op het gelaat valt.
Tweehonderd el te dalen, dit is veel, maar nog niet alles; men moest dan door gangen naar de verschillende trappen gaan om zich naar de werkplaats te begeven; de gangen in de mijn la Truyère hadden een gezamenlijke lengte van 30 à 40 mijlen.
Natuurlijk behoefde men die 40 mijlen niet af te leggen, maar somtijds was het een vermoeiende tocht, want men liep in het water, dat voortdurend door de rots sijpelde en middenop den weg zich tot een beek vormde en tot aan de groeven stroomde, waar de machines het opzogen om het buiten de mijn te brengen.
Waar deze gangen door harde rotsen loopen, zijn het slechts onderaardsche gewelven, maar als zij in een broze en deels afgebrokkelde steenlaag zich bevinden, worden zij van boven beschoten met een houten dak, dat door dennenhouten palen wordt geschut, omdat door het uitzagen, het hout spoedig tot verrotting overgaat. Hoewel de boomstammen zoo gesteld waren dat zij aan de drukking van het gewelf weerstand konden bieden, is deze soms zoo sterk, dat de palen ombuigen, de gangen smaller worden, of zoo laag, dat men er slechts op handen en voeten door kan kruipen. Op dit hout ontwikkelden zich paddestoelen en witte, wolachtige vlokjes, waarvan de witheid zonderling afstak bij den zwarten grond; de gisting der boomen deed een sterken geur ontstaan, en op de champignons, op de onbekende planten, op het witte mos, zag men vliegen, spinnekoppen en vlinders, die niet op de soorten geleken, welke men boven den grond ziet. Ook ratten kropen door deze holen en vledermuizen hingen aan de palen met de koppen naar beneden.
Deze gangen kruisen elkander op verschillende punten, evenals in Parijs de pleinen en straten; er waren mooie en groote zooals de boulevards, nauwe en lage zooals de onaanzienlijke straten in de achterbuurten; deze onderaardsche stad was echter veel slechter verlicht dan de straten zelfs bij nacht, want hier waren geen lantaarnen of gaspitten, maar slechts de lampjes, welke de mijnwerkers bij zich dragen. Al was het zeer donker, toch hoorde men aan het leven, dat er heerschte, dat men niet onder de dooden toefde; in de werkplaatsen vernam men de ontploffingen van het kruit, waarvan de lucht en de rook tot den arbeider doordrongen; in de gangen hoorde men het rollen van de wagens; in de schachten het wrijven tegen de touwen van de korven, waarmede menschen en kolen opgehaald en neergelaten werden; en daar bovenuit het dreunen der stoommachine, die op de tweede verdieping was gesteld.
Vooral echter was men van een zonderling schouwspel getuige in de gangen, die den loop der helling volgden. Daar zag men de halfnaakte mijnwerkers, op hunne zijde liggende of op hunne knieën de kolen uithouwen, die naar de benedengangen afrolden en vandaar naar de schacht, waaruit zij werden opgeheschen.
Zoo zag de mijn er uit op de dagen, dat er gewerkt werd, maar er waren ook dagen, dat er buitengewone, helaas! altijd treurige gebeurtenissen plaats grepen. Veertien dagen na zijne komst te Varses was Alexis van een dier rampen getuige geweest, en bijna was hij zelf het slachtoffer ervan geworden. Er had eene ontploffing van mijngas plaats gehad. Het mijngas ontwikkelt zich vanzelf in de mijnen en ontploft zoodra het met eene vlam in aanraking komt. Niets is vreeselijker dan zulk eene ontploffing, waardoor alles verbrand en vernield wordt, wat het gas op zijn weg ontmoet. Het is niet beter te vergelijken dan met de ontploffing van een kruitmagazijn. Zoodra de vlam van eene lamp of van een lucifer in aanraking komt met het mijngas, ontploft dit eensklaps in alle gangen en verwoest alles in de mijn: zelfs in de schacht tot toegang of luchtverversching dienende, waarvan zij vaak de houten loods, die er boven gebouwd is, uiteenslaat. De hitte is somtijds zoo groot, dat de steenkolen in de mijn in cokes worden veranderd.
Zulk een mijnontploffing had zes weken geleden aan een tiental arbeiders het leven gekost, en de weduwe van een dier werklieden was tengevolge daarvan krankzinnig geworden; ik begreep dat dit de vrouw met haar kind was, welke ik bij mijne aankomst had ontmoet en die een lommerrijken weg zocht.
Tegen de ontploffingen worden alle voorzorgsmaatregelen genomen. Het was verboden te rooken en dikwijls waren de ingenieurs, wanneer zij de ronde deden, verplicht den adem der mijnwerkers te ruiken, om te ontdekken of zij ook het verbod overtreden hadden. Om die noodlottige ontploffingen te voorkomen, maakte men gebruik van de Davy-lampen, waarvan de vlam met dicht ijzergaas is omgeven, zoodat zij niet in aanraking kan komen met het gas; in dien ontplofbaren dampkring ontbrandt het gas wel in de lamp, maar de vlam deelt zich niet aan de lucht daarbuiten mede.
Alles wat Alexis mij vertelde wekte in hooge mate mijne nieuwsgierigheid op, die toch reeds bij mijne komst te Varses vrij groot was en versterkte mijn lust om in de mijnen te gaan; maar toen ik den anderen morgen oom Gaspard daarvan sprak, gaf hij mij ten antwoord, dat dit onmogelijk was, omdat niemand anders in de mijnen mocht komen dan zij, die er in werkten.
—Als ge mijnwerker wilt worden, voegde hij er lachend bij,—en dat kost niet veel moeite—kunt gij gemakkelijk uw zin krijgen. Trouwens dit vak is niet slechter dan eenig ander, en als ge bang zijt voor regen of onweer is dit juist het baantje, dat u lijken zou. In ieder geval is het beter dan straatzanger. Gij blijft dan bij Alexis. Wat denk ge ervan, jongen? Voor Mattia zal ook wel iets gevonden worden om aan den kost te komen, maar niet door op zijn horen te blazen.
Maar ik was niet te Varses gekomen om daar te blijven; ik had mij eene andere taak gesteld, een ander doel dan den ganschen dag kolenwagens voort te duwen in de onderaardsche gangen der Truyère.
Ik moest dus mijn begeerte om mijne nieuwsgierigheid te voldoen laten varen en dacht, dat ik de stad verlaten zou zonder iets meer van de mijnen te leeren kennen dan hetgeen Alexis er mij van verteld had, of door mij kon opgemaakt worden uit de antwoorden, welke ik oom Gaspard ontlokte, totdat geheel onverwachte, toevallige omstandigheden mij de gevaren, waaraan de mijnwerkers zijn blootgesteld, in al hun vreeselijkheid deden kennen.
Het leven van een mijnwerker is niet ongezond en behalve nu en dan een kleine ongesteldheid, die het gevolg is van gebrek aan licht en lucht, welke bloedarmoede veroorzaakt, is de mijnwerker even gezond als de boer, die op het land woont; hij heeft zelfs nog dit boven dezen voor, dat hij niet blootgesteld is aan de guurheden van het klimaat, aan regen, koude of bovenmatige hitte.
Voor hem echter bestaat het groote gevaar in mijninstortingen, ontploffingen en overstroomingen, en tevens in de ongelukken, die niet zijn arbeid gepaard gaan en het gevolg zijn van onvoorzichtigheid of onhandigheid.
Den avond vóór mijn vertrek keerde Alexis huiswaarts met een gekneusden arm, daar een zwaar blok steenkool op hem was nedergevallen; een van zijn vingers was bijna geheel verbrijzeld en de geheele hand gekwetst.
De geneesheer kwam hem verbinden en deze verklaarde, dat zijn toestand niet gevaarlijk was, dat zijn hand en vinger ongetwijfeld genezen zouden, maar dat rust een eerste vereischte was.
Oom Gaspard had de gewoonte om het leven te nemen, zooals het viel, zonder ooit verdrietig of moedeloos er onder te worden; slechts één ding was instaat hem zijn goed humeur te doen verliezen: een tijdelijke verhindering om te werken.
Toen hij hoorde dat Alexis gedwongen was om verscheidene dagen rust te houden, was hij zeer knorrig: wie zou nu het wagentje voortrollen? hij had niemand, die het werk van Alexis kon waarnemen; wanneer het voor vast was, dan zou hij wel iemand vinden, maar voor enkele dagen slechts was het op dit oogenblik zelfs onmogelijk; er bestond gebrek aan mannen en vooral aan kinderen.
Hij stelde wel pogingen in het werk om er een op te sporen, maar keerde onverrichterzake huiswaarts.
Hij begon toen weder te klagen en te jammeren; 't was waarlijk om wanhopend te worden, want hij zou nu ook genoodzaakt worden zijn werk te laten rusten, en hiertoe stelde zijn beurs hem niet instaat.
Toen ik dit zag en de reden van zijn wanhoop begreep, gevoelde ik, dat het bijna mijn plicht was om in zulke omstandigheden hem de mij betoonde gastvrijheid te betalen; ik vroeg hem of het moeilijk was om die betrekking te vervullen.
—Niets is gemakkelijker; men behoeft slechts een wagen voort te duwen, die over rails loopt.
—Is die wagen zwaar?
—Niet erg zwaar, daar Alexis hem kan voortduwen.
—Welnu, als Alexis het kan, dan zou ik het ook wel kunnen.
—Gij?
En hij begon hartelijk te lachen, maar werd spoedig weder ernstig.
—'t Is waar, gij zoudt het kunnen, zoo ge wildet.
—Ik wil het, daar ik u dan van dienst kan zijn.
—Gij zijt een goede jongen en het blijft afgesproken; morgen gaat gij met mij naar de mijn; gij zult mij daar werkelijk van dienst kunnen wezen; misschien is het voor u zelf ook wel nuttig; als ge lust mocht gevoelen mijnwerker te worden, was dat stellig wel zoo goed, dan langs den weg te loopen. In de mijnen behoeft men voor wolven niet bevreesd te zijn.
Wat zou Mattia doen, terwijl ik in de mijn was? Hij kon oom Gaspard toch niet tot overlast zijn?
Ik vroeg hem of hij alleen met Capi voorstellingen in den omtrek wilde geven, waarin hij terstond toestemde.
—Ik ben blij, dat ik nu alleen geld voor de koe kan verdienen, zeide hij lachende.
Sedert de drie maanden, dat wij samen in de open lucht leefden, geleek Mattia volstrekt niet meer op het ziekelijke, bleeke kind dat ik bij de kerk, bijna van honger stervende, gevonden had en nog minder op den mismaakten knaap, dien ik voor het eerst op den zolder van Garofoli ontmoette, bezig diens soep te koken en die van tijd tot tijd zijn gezwollen hoofd in de handen moest laten rusten.
Hij had thans geen hoofdpijn meer; hij had geen verdriet en voelde zich nooit ziek; de straat Lourcine maakte hem zoo treurig; de zon en de lucht schonken hem zijn gezondheid en zijn vroolijkheid terug.
Gedurende onze reis was hij zeer opgewekt geweest en beschouwde hij alles altijd van de goede zijde, schepte in alles behagen, was met een kleinigheid gelukkig en trachtte steeds in het slechte het goede te erkennen. Wat zou er zonder hem van mij geworden zijn? Hoe menigmaal maakten vermoeidheid en zwaarmoedigheid mij niet wanhopend?
Dit verschil tusschen ons kwam ongetwijfeld door ons karakter en onze natuur, maar ook door de verscheidenheid van afkomst en ras.
Hij was Italiaan en bezat eene zorgeloosheid, eene gemakkelijkheid om zich in alle moeilijkheden zonder morren of klagen te schikken, hetgeen mijn landgenooten niet kunnen, daar zij meer tot verzet en strijd geneigd zijn.
—Wat is dan uw land? zult gij vragen, hebt gij dan een land?
Dat zal ik eerst later beantwoorden; voor het oogenblik bedoel ik hiermede slechts, dat Mattia en ik niets op elkander geleken, waaraan juist onze goede verstandhouding moet toegeschreven worden, die zelfs dan niet minder werd, wanneer ik hem de noten en letters leerde. De muziekles leverde volstrekt geen bezwaren op, maar met het lezen was dit niet het geval geweest en licht had er een twist tusschen ons kunnen ontstaan, daar ik niet het geduld en de toegevendheid bezat van hen, die gewoon zijn kinderen te onderwijzen. Gelukkig kwam het nooit tot eene uitbarsting tusschen ons, en zelfs wanneer ik onrechtvaardig handelde, hetgeen meermalen gebeurde, werd Mattia niet boos.
Wij besloten dus, dat, terwijl ik in de mijn werkte, Mattia eenige voorstellingen zou geven, om ons inkomen te vermeerderen en Capi, dien ik met deze schikking bekend maakte, scheen het evenzoo te begrijpen.
Den anderen morgen gaf men mij het werkpak van Alexis.
Nadat ik Mattia en Capi nogmaals op het hart gedrukt had om toch vooral voorzichtig te wezen, volgde ik oom Gaspard.
—Pas op, zeide hij, terwijl hij mij het licht overhandigde, volg mijne schreden en als gij de ladder afdaalt, laat dan nooit de eene trede los, vóór dat gij een andere vasthebt.
Wij verdwenen in de gangen, hij vooruit en ik hem op de hielen volgende.
—Als gij op de ladder uitglijdt, vervolgde hij, laat u dan nooit vallen, maar houd u tegen, want de bodem is diep en hard.
Ik had zijn waarschuwingen niet noodig om ontroerd te wezen; ik was uit mezelven reeds ontroerd genoeg, want niet zonder een zeker gevoel van angst verlaat men het daglicht, om den nacht tegemoet te treden, de oppervlakte van de aarde te verwisselen met haar peillooze diepten. Onwillekeurig keerde ik mij om, maar wij waren reeds te ver in de gang gevorderd en het daglicht in dien langen donkeren koker was niet meer dan een witte schijf, evenals de maan wanneer ze aan een donkeren hemel zonder sterren schijnt. Ik schaamde mij over deze werktuiglijke beweging, die slechts een oogenblik duurde en volgde terstond zijn schreden.
—De trap, zeide hij weldra.
Wij bevonden ons voor een donker gat, in welks voor mij bodemlooze diepte tallooze lichtjes flikkerden, die bij den ingang vrij groot waren, maar slechts puntjes werden, naarmate zij meer van ons verwijderd waren. Het waren de lampen der mijnwerkers, die vóór ons de mijn waren binnengegaan; het geluid hunner stemmen drong als een dof gemurmel tot ons door, voortgedragen door een zwoele lucht, die ons in het gelaat woei; die lucht had een geur, dien ik voor het eerst in mijn leven rook; hij was echter met iets aromatisch vermengd.
Na de trap volgden de ladders en na de ladders een andere trap.
—Nu hebben we de eerste laag bereikt, zeide hij.
Wij waren in een gewelfde gang met rechte wanden, waarvan de muren waren gemetseld. Het gewelf was niet hooger dan een manslengte, maar op enkele plaatsen moest men zich bukken om erdoor te gaan, hetzij omdat het gewelf gezakt was, of omdat de grond hooger was geworden.
—Dat is het gevolg van de verschuiving van het terrein, sprak Gaspard. Daar de berg overal doorgraven is en zich telkens holten vormen, zakt de aarde en wanneer zij te zwaar drukt, dan worden de gangen saamgeperst.
Op den grond lagen spoorwegrails en naast de gang stroomde een beekje.
—Deze beek vereenigt zich met andere, die, evenals zij, het doorgesijpelde water in zich opnemen: zij storten zich allen in een put. Duizend of twaalfhonderd kubiek meter water moet de machine dagelijks in de Divonne werpen. Wanneer zij stilstond, zou er onmiddellijk een overstrooming volgen. Op dit oogenblik bevinden we ons juist onder de Divonne.
Toen ik een onwillekeurige beweging maakte, begon hij hartelijk te lachen.
—Op vijftig meter diepte bestaat er volstrekt geen gevaar, dat zij in uw hals zal vallen.
—Als ze een gat boorde?
—O ja, een gat. Wel tien gangen loopen onder de rivier; er zijn mijnen, waarin men voor overstroomingen bevreesd is, maar dat is bij deze het geval niet; hier hebben we genoeg aan ontploffingen van het mijngas en de instortingen.
Toen wij onze werkplaats genaderd waren, legde Gaspard mij uit, wat ik te verrichten had, en toen onze wagen vol steenkolen geladen was, duwde hij hem voort om mij te wijzen hoe ik hem naar den put moest rollen en wat ik doen moest, als ik een anderen wagen tegenkwam.
Hij had gelijk, toen hij zeide, dat het geen moeilijk werk was, en al was ik binnen weinige uren geen bekwaam arbeider, kon ik hem toch voldoende bijstaan. Wel had ik er nog den slag niet van en was ik ook niet handig, en wanneer men deze beide eigenschappen mist, dan slaagt men zelden in een vak. Ik was dus genoodzaakt om mij meer in te spannen, waarvan langzamer werken en grooter vermoeidheid het gevolg was.