Gelukkig was ik bestand tegen dergelijke vermoeienissen door mijn levenswijze en vooral door de laatste reis; ik beklaagde mij dus niet en oom Gaspard verklaarde, dat ik een flinke jongen was en later ongetwijfeld een goed mijnwerker worden zou.
Maar had ik grooten lust gevoeld om in de mijn af te dalen, ik had weinig zin om er in te blijven; mijn nieuwsgierigheid had mij er toe doen besluiten, maar toch gevoelde ik voor het mijnwerken niet de minste roeping.
Om onder den grond te leven moet men bijzondere hoedanigheden bezitten, die ik miste; men moet van stilte en eenzaamheid en een in-zich-zelf gekeerd leven houden. Men moet urenlang, geheele dagen, verdiept in eigen mijmeringen, zonder ooit met iemand een woord te kunnen wisselen, noch zich eenige afleiding te kunnen verschaffen, in de mijn doorbrengen. En tot zulk een bestaan was ik ten eenemale ongeschikt, daar ik te veel gewend was aan een zwervend leven, waarbij ik zingen en loopen kon zooveel ik wilde; ik gevoelde mij al dien tijd, dat ik het wagentje door die donkere gangen voortrolde, treurig en droefgeestig gestemd; het flauwe licht, dat uit mijn lampje straalde, het geluid van het rollen der andere wagens in de verte, het kletteren van het water in de beek en nu en dan de kruitontploffingen in de mijn, die in deze doodelijke stilte nog akeliger en zwaarder klonken—dat alles viel niet in mijn geest.
Daar het reeds een zwaar werk is, om de mijn binnen te gaan of ze te verlaten, blijft men den ganschen dag, die twaalf uren duurt, er in en men komt niet boven om te eten; men gebruikt het middagmaal onder den grond.
In de mijn van oom Gaspard was een opperman werkzaam, die inplaats van een kind te zijn, zooals ik en de anderen, integendeel een oud man was met een witten baard. Als ik zeg met een witten baard, moet men daarbij wel in aanmerking nemen, dat die slechts des Zondags wit was, wanneer de man zich goed had gewasschen, want in de week begon hij des Maandags met grijs te zijn, om des Zaterdags geheel zwart te wezen. De man was ongeveer zestig jaar oud. In zijn jeugd was hij tuinman geweest; daarna moest hij zorgen voor het onderhoud van het hout, dat in de gangen aangebracht was; maar bij een instorting waren drie zijner vingers verbrijzeld, zoodat hij zijn taak niet langer had kunnen volhouden. De maatschappij in wier dienst hij was, had hem een klein jaargeld verstrekt, want deze ramp had hem getroffen, terwijl hij drie zijner makkers redde. Gedurende eenige jaren had hij van dit jaargeld geleefd. De maatschappij was toen failliet gegaan, en hij verloor daarbij zijn pensioen en was wel genoodzaakt om als opperman in de mijn van Truyère te gaan werken. Men noemde hemde schoolmeester, omdat hij veel wist, dat de andere mijnwerkers niet wisten, en omdat hij gaarne daarvan vertelde en trotsch was op zijn wetenschap.
In de schofturen maakte ik kennis met hem en spoedig had hij een groote genegenheid voor mij opgevat; ik was een onvermoeid vrager en hij een onvermoeid prater. Wij werden zelfs onafscheidelijk. In de mijn spreekt men gewoonlijk weinig en men noemde ons dan ook de babbelaars.
Alexis had mij niet alles verteld wat ik weten wilde, en evenmin hadden de antwoorden, die oom Gaspard mij gaf, mij kunnen voldoen, want als ik hem vroeg: "Wat is steenkool?" gaf hij mij ten antwoord: "Dat zijn kolen, die men onder den grond vindt."
Zulke antwoorden konden mij niet bevredigen, daar Vitalis mij geleerd had om mij niet zoo spoedig tevreden te stellen. Toen ik dezelfde vraag herhaalde aan den schoolmeester, kreeg ik de bekende verklaringen, dat steenkolen gevormd waren door de versteening van geheele levende bosschen.
—Wij hebben thans geen tijd om veel te praten, maar morgen is het Zondag, kom dan maar eens bij mij, dan zal ik u allerlei soort van steenkolen laten zien. Zij noemen mij den schoolmeester, maar gij zult zien, dat die schoolmeester toch tot iets deugt. De mensch heeft zijn leven niet alleen in zijn hand, maar ook in zijn hoofd. Evenals gij, stelde ik op uw leeftijd in veel dingen belang; ik leefde in de mijn en ik wilde alles, wat ik iederen dag in mijn omgeving zag, kennen; ik heb veel van de ingenieurs geleerd, wanneer deze mij iets wilden mededeelen en ik heb veel gelezen. Na mijn ongeluk heb ik veel vrijen tijd gehad en dien heb ik nuttig besteed; als men oogen heeft om te zien, en als men op die oogen de bril zet, die de boeken u geven, dan eindigt men met veel op te merken. Nu heb ik niet veel tijd tot lezen, en ik bezit geen geld om boeken te koopen, maar ik heb nog oogen en die houd ik open. Kom morgen bij mij, dan zal ik u een massa dingen laten zien. Men weet niet welk zaad een woord kan doen ontkiemen, dat in een vruchtbaar oor gevallen is. Ik heb naar de mijnen te Bessèges een geleerd man, Brouguiart genaamd, gevolgd en van dezen heb ik gedurende zijn onderzoekingen veel gehoord, wat mij op het denkbeeld bracht zelf te gaan leeren en dat is de oorzaak waarom ik thans wat meer weet dan mijne makkers. Tot morgen.
Den volgenden dag zeide ik aan oom Gaspard, dat ik den schoolmeester een bezoek ging brengen.
—O zoo, zeide hij lachend, hij heeft eindelijk een geduldig oor gevonden; ga, mijn jongen, daar uw hart het u ingeeft; gij zult toch wel gelooven, wat ge zelf wilt. Wanneer gij echter iets van hem leert, wees er dan niet zoo ijdel op; als de schoolmeester niet zoo pedant was, zou hij een beste kerel zijn.
De schoolmeester woonde niet, evenals zijn makkers, in de kom van de gemeente, maar op een kleinen afstand in een zeer onaanzienlijk en armoedig gedeelte. Hij woonde bij een oude vrouw, de weduwe van een mijnwerker, die bij een ontploffing het leven verloren had. Zij verhuurde hem een soort kelder, waarin hij op de droogste plek zijn bed geplaatst had, die echter zoo droog niet was of er groeiden nog paddestoelen onder. Maar voor een mijnwerker, die gewend is met de voeten in het water te staan en den ganschen dag water op zijn lijf voelt druppelen, was dit iets van weinig belang. Hij had deze woning gekozen, omdat hij dan in de nabijheid der kolenlagen zou zijn, en daarin zijn nasporingen kon voortzetten en vooral omdat hij hier naar welbehagen over steenkolen met afdrukken, fossielen enz. voor zijn verzameling kon beschikken.
Hij kwam mij halverwege te gemoet, toen ik binnentrad en op vroolijken toon zeide hij:
—Ik heb ook voor een lekker kostje gezorgd, want evengoed als de jeugd ooren en oogen heeft, heeft zij een maag en die moet ook gevuld worden; men voldoet dan aan alle eischen.
Het lekkere kostje bestond uit gebraden kastanjes, die in witten wijn gedoopt worden, wat men in de Cevennes voor een groote lekkernij houdt.
—Als we dat op hebben, vervolgde de schoolmeester, dan zal ik u mijn verzameling eens laten zien.
Hij sprak het woord "mijn verzameling" op een toon, die het verwijt van zijn makkers volkomen rechtvaardigde en ongetwijfeld kon een conservator van een museum er niet trotscher op zijn. Bovendien scheen mij de collectie zeer rijk toe, tenminste voor zoover ik er over oordeelen kon, en zij nam bijna zijn geheele kamer in beslag, daar de kleine stukken op de stoelen en de tafel waren uitgestald en de grootere op den grond lagen. Twintig jaren lang had hij alles verzameld, wat hij bij zijn werk vond en de moeite waard achtte om te bewaren, en daar de mijnen van Cère en Divonne zeer rijk zijn aan delfstoffen, bezat hij inderdaad zeldzame stukken, die een natuurvorscher of een geoloog gelukkig gemaakt zouden hebben.
Hij verlangde evenzeer om te spreken als ik om te luisteren; wij hadden dus in zeer korten tijd onze kastanjes naar binnen gewerkt.
Hij vertelde mij toen alles, wat ik gaarne weten wilde, terwijl hij mij de verschillende namen zijner steenen opnoemde. De avond begon reeds te vallen, eer hij hiermede geëindigd had, maar ik was toen wel gedwongen, om naar de woning van oom Gaspard terug te keeren.
Den anderen morgen begaven wij ons weder naar de mijn.
—Wel, vroeg oom Gaspard aan den schoolmeester, zijt gij gisteren tevreden over den knaap geweest?
—Zeker, hij heeft ooren, en ik hoop, dat hij spoedig ook oogen zal hebben.
—Het voornaamste is dat hij armen heeft, antwoordde oom Gaspard.
Hij gaf mij een houweel, om hem behulpzaam te wezen in het afbeitelen van een stuk steenkool, waarvan hij het benedengedeelte onderhanden had; de opperman moet den arbeider soms in het werk bijstaan.
Toen ik de derde maal het wagentje naar den put Saint-Alphonsine rolde, hoorde ik plotseling een oorverdoovend geraas, een vreeselijk geweld zooals ik nog nooit gehoord had. Was het een verzakking of een instorting? Ik luisterde; het geraas bleef voortduren en drong van alle zijden naar binnen. Wat beteekende dit? Ik schrikte hevig en mijne eerste gedachte was om naar de ladder te snellen en te ontvluchten.
Maar men had reeds dikwijls met mijn bangheid den spot gedreven; uit schaamte besloot ik te blijven. Was het een mijnontploffing of een wagen, die in een put werd geledigd; of waren het slechts aardhoopen, die door de gangen naar beneden stortten?
Eensklaps snelde een bende ratten langs mij heen alsof zij een escadron huzaren waren, die op de vlucht geslagen werden; daarop hoorde ik een zonderling geritsel tegen den grond en de muren, als het kabbelen van doorstroomend water. De plaats waar ik stond, was echter geheel droog en dat geluid was mij dus onverklaarbaar.
Ik nam mijn lampje en nadat ik een blik in het rond geworpen had, bukte ik mij om langs den grond te kijken.
Het was inderdaad het water; het kwam uit de putten en steeg naar de gangen. Dat geweldige leven, dat gedonder werd dus veroorzaakt door een waterloozing die de mijn binnendrong.
Ik liet mijn wagen op de rails staan en ijlde naar de werkplaats.
—Oom Gaspard, het water is in de mijn!
—Wat een onzin!
—Er is een gat door de Divonne geboord, laten wij ons redden.
—Laat mij met rust.
—Luister dan zelf.
Ik zeide dit op zulk een angstigen toon, dat oom Gaspard zijn werk een oogenblik staakte om te luisteren; hetzelfde geluid was het, maar nog veel sterker, veel onheilspellender. Men kon zich niet vergissen: het water stroomde met alle kracht binnen.
—Red u, riep hij, het water is in de mijn!
En al roepende: "het water is in de mijn", greep oom Gaspard zijn lampje, want hiervoor zorgt de mijnwerker altijd in de eerste plaats, en snelde de gang in.
Nog geen tien stappen had ik gedaan, of ik zag den schoolmeester eveneens zich naar de gang begeven, om naar het geluid te onderzoeken.
—Water in de mijn! riep oom Gaspard hem toe.
—De Divonne heeft een gat geboord! voegde ik er bij.
—Zijt ge dwaas!
—Redt u! riep de schoolmeester.
De oppervlakte van het water was spoedig in de gang gestegen, en reikte bijna tot onze knieën, wat ons het voortgaan zeer belemmerde.
De schoolmeester liep met ons mede en alle drie snelden wij voort, terwijl wij bij elke werkplaats riepen:
—Redt u! Het water is in de mijn!
Het water steeg met eene ontzettende snelheid; gelukkig waren wij niet ver van de ladders verwijderd, daar wij deze anders nooit zouden hebben bereikt. De schoolmeester was de eerste, maar hij wachtte.
—Gaat gij maar vooruit, ik ben de oudste en ik heb een gerust geweten.
Het was hier de plaats niet om beleefdheden met elkander te wisselen; oom Gaspard klom het eerst naar boven, ik volgde hem en de schoolmeester achter mij en na dezen, maar een heel eind achter hem, eenige werklieden, die zich bij ons gevoegd hadden.
Nooit waren de veertig meters, welke de eerste van de tweede laag scheidden, met grootere snelheid afgelegd. Maar vóór dat wij de laatste trede bereikt hadden, viel een stroom water ons op het hoofd, waardoor onze lampen uitdoofden. Het was een waterval.
—Houd je goed vast! riep oom Gaspard.
Wij klemden ons alle drie zoo vast mogelijk aan de sporten om het water weerstand te bieden, maar zij, die achter ons kwamen, werden medegesleurd, en ongetwijfeld zouden wij, wanneer we nog een tiental sporten moesten stijgen, evenals zij, in de diepte gestort zijn, want de waterval was een stortvloed geworden.
Toen wij de eerste laag bereikt hadden, waren wij nog niet gered, want nog een vijftig el hadden wij af te leggen, eer we bij den uitgang waren, en ook in de gaanderij bevond zich het water; wij hadden geen licht, nu onze lampen waren uitgedoofd.
—Wij zijn verloren, zeide de schoolmeester bedaard; beveel uw ziel aan God, Rémi.
Maar op hetzelfde oogenblik verschenen in de gang zeven of acht lampen, die ons tegemoet snelden; het water reikte tot aan onze knieën en zonder ons te bukken, raakten wij het met de hand aan. Het was geen kalm stroomend water, het was een vloed, een draaikolk, die alles medevoerde wat hij op zijn weg vond en stukken hout als veertjes draaien deed.
De mannen, die ons te hulp schoten en wier lampen wij bespeurden, wilden de gang volgen en op deze wijze de trappen en de ladders, die zich in de nabijheid bevonden, bereiken; maar tegen zulk een stroom waren zij niet opgewassen; hoe dezen te stuiten, hoe weerstand te bieden aan zijn kracht en aan het hout, dat hij met zich voortsleurde?
Ook hun ontsnapte dezelfde uitroep, dien de schoolmeester zich had laten ontvallen:
—Wij zijn verloren!
Zij waren ons thans genaderd.
—Dien kant! riep de schoolmeester, die de eenige scheen, welke zijn tegenwoordigheid van geest behouden had; ons eenige toevluchtsoord zijn de oude werken.
De oude werken waren een gedeelte van de mijn, waarin sedert langen tijd niet meer gearbeid werd en waar niemand ooit kwam; maar de schoolmeester had ze dikwijls bezocht als hij eenige merkwaardige steenen voor zijn collectie zocht.
—Keert terug! riep hij, en geef mij een uwer lampen, dan zal ik u daarheen brengen.
Gewoonlijk lachte men om hetgeen hij zeide, of keerde men hem schouderophalend den rug toe; maar de sterksten hadden thans zelf hun kracht verloren, waarop zij zoo trotsch plachten te zijn en een ieder volgde het bevel op, dat uit den mond van den man kwam, dien men vijf minuten geleden nog bespotte; werktuigelijk reikte elk hem zijn lampje.
Haastig greep hij er een met de eene hand, en vatte hij mij met de andere vast, terwijl hij zich aan het hoofd van den troep stelde. Daar wij nu dezelfde richting als de stroom volgden, liepen wij veel sneller.
Ik wist niet waarheen wij ons begaven, maar mijn hoop was teruggekeerd.
Nadat wij de gang eenige minuten lang gevolgd hadden—ik weet niet of het minuten, dan wel seconden waren, want wij hadden geen besef meer van tijd—bleef hij stilstaan.
—Wij zullen daartoe geen tijd meer hebben! riep hij, want het water stijgt met te groote snelheid.
Werkelijk rees de spiegel al hooger en hooger; van mijn knieën was het tot aan de heupen gekomen en van de heupen tot aan mijn borst.
—Wij moeten de wijk nemen naar een der zijgangen, die naar boven loopt, zeide de schoolmeester.
—En dan?
—De zijgang leidt nergens heen.
Een zijgang in te slaan was de laatste kans op redding, want dezen hebben geen uitgang; maar het was hier kiezen of deelen: wij moesten òf de zijgang nemen en daardoor eenige minuten tijd winnen, dat is te zeggen, daarmede de uitkomst op redding vermeerderen, òf de gang volgen met de zekerheid van binnen weinige oogenblikken verzwolgen te worden door de golven.
De schoolmeester voerde ons dus naar de zijgang. Twee onzer makkers wilden de gaanderij doorwaden en hen hebben wij ook nooit teruggezien.
Toen wij de gang hadden bereikt en weder tot bewustzijn kwamen, hoorden wij een donderend geraas, dat alles overstemde. Dat geluid was reeds onstaan vóór dat wij vluchtten, maar wij hadden er niet op gelet. Het werd veroorzaakt door de instortingen, het doorbreken van het water, het neerploffen in de kolken, het uiteenrukken van het houtwerk en de losbarstingen van de saamgeperste lucht. Dit alles deed in de mijn een ontzaggelijk gedruisch ontstaan, waarbij hooren en zien verging.
—Het is de zondvloed.
—Het einde van de wereld.
—Groote God, heb medelijden met ons!
Sedert wij ons in de zijgang bevonden, had de schoolmeester geen woord gesproken, want zijn krachtige geest was verheven boven ijdel klagen.
—Kinderen, zeide hij, wij moeten ons niet vermoeien; wanneer wij onze handen en voeten zoo vastgeklemd houden, dan verliezen wij onze krachten; wij moeten rustpunten uithouwen in de wanden.
Deze raad was van het grootste belang, maar zeer moeilijk om ten uitvoer gebracht te worden, want niemand had zijn houweel medegenomen; wij hadden alleen onze lamp, maar geen van ons zijn gereedschap.
—Met de haken van onze lampen, zeide de schoolmeester.
En wij begonnen allen den grond met de haken van de lampen uit te houwen; het was een zwaar werk, want de zijgang was zeer steil en de wanden zeer glad. Maar wanneer men weet, dat, als men uitglijdt, men den dood in de diepte vindt, dan is men krachtig en behendig.
Binnen weinige minuten hadden wij elk een holte uitgehouwen, waarin wij onzen voet konden doen steunen.
Toen wij dit gedaan hadden, durfden we ademhalen en elkander aanzien. Wij waren met ons zevenen: de schoolmeester, ik, oom Gaspard, drie houwers en een opperman; de andere werklieden waren in de gang verdwenen.
Het gedruisch in de mijn ging steeds met dezelfde hevigheid voort; geen woorden kunnen de kracht ervan uitdrukken en het gebulder van het geschut, dat zich paart aan het ratelen van den donder en het dreunen der instortende bergmassa, zou geen ontzaglijker geweld teweeggebracht hebben.
Verschrikt, buiten ons zelf van angst, staarden wij elkander aan en trachtten in elkanders blik een verklaring te lezen, die het verstand ons niet aangaf.
—Het is de zondvloed, sprak de een.
—De wereld vergaat.
—Een aardbeving.
—De genius der mijn, die vertoornd is en zich wreken wil.
—Een overstrooming, die door een opeenhooping van het water in de oude werken veroorzaakt is.
—Een gat dat de Divonne heeft geboord.
Deze laatste opmerking kwam van mij, want ik hield vol, dat het niets anders zijn kon.
De schoolmeester zeide niets en zag ons beurtelings aan, terwijl hij de schouders ophaalde, alsof op klaarlichten dag deze vraag besproken werd, onder het lommer van een moerbezieboom, bij het genot van de een of andere lekkernij.
—Het is een overstrooming, zeide hij ten laatste, toen ieder zijn meening had uitgesproken.
—Door een aardbeving veroorzaakt.
—Door den boozen geest van de mijn gezonden.
—Zij komt van de oude werken.
—Het is een gat, dat de Divonne in den weg geslagen heeft.
Ieder herhaalde zijn meening.
—Het is een overstrooming, vervolgde de schoolmeester.
—En verder? Waar komt ze vandaan? vroegen verscheidene stemmen, als uit één mond.
—Dat weet ik niet, maar wat den boozen geest van de mijn betreft, dat is onzin; wat de oude werken aangaat, dat is onmogelijk; het zou alleen waar kunnen zijn, wanneer de derde laag slechts overstroomd was, maar de tweede en de eerste is het ook; gij weet wel dat het water niet stijgt, maar altijd zakt.
—Een gat.
—Zulke gaten kunnen niet geboord worden.
—Een aardbeving.
—Dat weet ik niet.
—Als gij het niet weet, zeg het dan ook niet.
—Ik weet wat een overstrooming is, en dat beteekent al iets, een overstrooming die van boven komt.
—Dat zien we allemaal, want ze is ons gevolgd.
Daar we nu droog stonden, keerde meer en meer onze bedaardheid terug en daar het water niet langer steeg, wilde men niet meer naar den schoolmeester luisteren.
—Doe maar niet of gij een geleerde zijt, want gij weet het evenmin als wij.
De overmacht, die hij door zijn moed had verkregen, toen wij in gevaar verkeerden, had hij wederom verloren. Hij zweeg oogenblikkelijk.
Om het geraas te overstemmen, spraken wij zoo luid mogelijk en toch klonk onze stem nog dof.
—Zeg eens wat.
—Wat zal ik zeggen?
—Alles wat ge wilt, zeg maar wat, het eerste wat u invalt.
Ik sprak eenige woorden.
—Goed, nu wat zachter. Juist, goed.
—Hebt ge uw verstand verloren, zeg, schoolmeester? vroeg er een.
—Wordt ge krankzinnig van angst?
—Denkt gij, dat ge dood zijt?
—Ik geloof dat hier het water ons niet zal kunnen bereiken en dat, al mochten wij hier omkomen, wij niet zullen verdrinken.
—Dat beduidt….
—Kijk eens naar uw lamp.
—Wel, zij brandt.
—Zooals altijd?
—Neen, de vlam is sterker, maar kleiner.
—Is hier dan mijngas?
—Neen, antwoordde de schoolmeester, daarvoor behoeven wij ook niet bevreesd te zijn; het mijngas evenmin dreigt ons, als thans het water, dat geen voet meer stijgt.
—Doe maar niet of ge een toovenaar zijt.
—Dat is mijn plan ook niet; wij bevinden ons als onder een stolp, waar de lucht niet in doordringt en juist daardoor wordt het water belet er in op te stijgen; de zijgang, die aan het einde afgesloten is, is thans voor ons, wat een duikerklok voor een duiker is; de lucht die door het water is opgedrongen, is in deze gang samengeperst, biedt nu aan den stroom weerstand en dringt dien terug.
Toen wij den schoolmeester hoorden uitleggen, dat wij ons in een soort van duikerklok bevonden, waarin het water ons niet kon bereiken, daar het door de lucht tegengehouden werd, hoorde men van verschillende zijden halfluide opmerkingen die getuigden, dat niemand er geloof aan sloeg.
—Wat een onzin! Heeft het water dan niet de meeste kracht?
—Ja, wanneer het buiten, geheel in vrijheid stroomt; maar als ge een glas het onderstboven in een emmer dompelt, dan zult gij zien, dat het water niet tot bovenin uw glas doordringt. Een gedeelte blijft ledig. Welnu, in die ledige ruimte bevindt zich de lucht. Hier heeft thans hetzelfde plaats; wij zijn bovenin het glas, het water zal niet tot ons komen.
—Dat begrijp ik, hernam oom Gaspard, en ik zie nu in, dat gij allen ongelijk hebt om den schoolmeester te bespotten; hij weet dingen, die wij niet verstaan.
—Wij zijn dus gered?
—Gered? Dat zeg ik niet. Wij zullen niet verdrinken, dat beloof ik u. Wij zijn gered, doordat de zijgang gesloten was en de lucht niet ontsnappen kon; maar juist wat ons nu redt, kan ons het leven kosten; de lucht kan er niet uit, ze is opgesloten. Maar wij zijn ook opgesloten en wij kunnen de gang niet verlaten.
—Als het water gaat dalen….
—Zal het dalen? dat weet ik niet; om dat te weten, moeten wij eerst bekend zijn met de oorzaak der stijging, en wie kan dat zeggen?
—En gij zegt dat het een overstrooming is?
—Welnu, wat dan nog? Het is een overstrooming, dat is zeker, maar waar komt ze vandaan? Is de Divonne buiten haar oevers getreden en heeft zij de putten doen volloopen; is het een stortregen, een bron, die den omtrek overstroomd heeft, of is het een aardbeving? Wij zouden boven moeten zijn om dat te kunnen beoordeelen en ongelukkig zijn we beneden.
—Misschien is de stad weggespoeld?
—Misschien….
Een oogenblik heerschte er een diepe stilte en waren we allen hevig ontsteld.
Het gedruisch van het water had opgehouden; van tijd tot tijd hoorde men nog slechts een dof gerommel en nu en dan voelde men een schok.
—De mijn moet vol zijn, sprak de schoolmeester, het water dringt er niet langer in door.
—En Marius! riep een der werklieden, wanhopend.
Marius was zijn zoon en, evenals hij, houwer, die in de derde laag in de mijn werkte. Tot op dit oogenblik had de zorg voor eigen veiligheid, die altijd het krachtigst spreekt, hem belet om aan zijn zoon te denken; maar toen de schoolmeester zeide, dat de mijn gevuld was, begon hij aan zijn kind te denken.
—Marius! Marius! riep hij op hartverscheurenden toon; Marius!
Maar hij kreeg geen antwoord, zelfs de echo weerkaatste de stem niet, die binnen de wanden van de gang besloten bleef.
—Hij zal ook een zijgang hebben opgezocht, hernam de schoolmeester; honderdvijftig menschen zullen toch niet verdrinken; dat zou vreeselijk zijn.
Dit echter sprak hij niet op denzelfden overtuigenden toon. Honderdvijftig menschen minstens waren 's morgens de mijn ingegaan; hoeveel hadden haar door de schacht kunnen verlaten of een schuilplaats kunnen opzoeken, zooals wij? Al onze makkers omgekomen, verdronken, dood! Niemand durfde een woord spreken.
Maar in een toestand als de onze, wordt het hart niet door medelijden of sympathie blijvend beheerscht.
—En wij dan? vroeg een ander, na een poos gezwegen te hebben, wat zullen wij doen?
—Wat wilt gij doen?
—Er schiet ons niets anders over dan geduldig af te wachten, hernam de schoolmeester.
—Wat afwachten?
—Wachten; want zoudt gij dan die veertig of vijftig meters, die ons van het daglicht scheiden, met het haakje van uw lamp willen doorboren?
—Maar wij zullen van honger sterven.
—Dat is niet het grootste gevaar, dat ons bedreigt.
—Kom, meester, zeg ons wat gij ervan denkt, gij maakt ons waarlijk bang; waar schuilt dan het gevaar, het grootste gevaar?
—Aan den honger kan men weerstand bieden; ik heb wel eens gelezen, dat mijnwerkers, die, evenals wij, door het water overvallen waren, vier-en-twintig dagen zonder eten gebleven zijn; het is vele jaren geleden, het gebeurde tijdens de godsdienstoorlogen, maar al was het gisteren gebeurd, dan zou dit hetzelfde wezen. Neen, ik ben voor den hongerdood niet bang.
—Waarvoor zijt ge dan bevreesd, daar ge zelf beweert, dat het water niet meer stijgt?
—Voelt gij u niet zwaar in het hoofd, geen kloppen of bonzen? Haalt gij gemakkelijk adem?
—Ik niet.
—Ik heb hoofdpijn.
—Ik voel mij of ik in zwijm zal vallen.
—Mijn slapen bonzen geducht.
—Ik ben krachteloos.
—Juist, daarin schuilt het gevaar. Hoelang kunnen wij in deze lucht leven? Dat weet ik niet. Als ik een geleerde, inplaats van een domkop was, dan zou ik het u zeggen. Thans weet ik het niet. Wij bevinden ons een veertig el onder den grond; waarschijnlijk hebben wij vijf-en-dertig of veertig meter boven ons: dat beteekent dat de lucht een drukking van vier of vijf atmosferen ondergaat. Hoelang kan men in zulke samengeperste lucht leven? dat moeten wij in de eerste plaats weten en misschien zullen wij het ten koste van ons eigen leven te weten komen.
Ik kon mij in het minst geen denkbeeld vormen wat samengeperste lucht was en dit misschien was de oorzaak, dat de woorden van den schoolmeester mij zoo hevig ontstelden; mijn makkers schenen ook niet minder verschrikt dan ik; zij wisten het evenmin en op hen, evenals op mij, maakte het onbekende een diepen indruk.
De schoolmeester verloor geen oogenblik zijn tegenwoordigheid van geest in dezen wanhopenden toestand, en hoewel hij zelf zeer goed het hachelijke van de zaak inzag, dacht hij slechts aan de middelen, die hij tot ons behoud kon aanwenden.
—Het voornaamste is thans om ons hier zóó in te richten, dat wij niet door het water meegesleept worden.
—Wij hebben holten gemaakt.
—Gelooft gij, dat ge ook niet vermoeid zult worden door voortdurend in dezelfde houding te moeten blijven?
—Denkt gij dan, dat we hier lang moeten blijven?
—Weet ik dat?
—Men zal ons zeker hulp zenden?
—Zeker, maar om ons hulp te verleenen, moet men daartoe instaat zijn. Hoelang zal het duren, eer men in onze redding slaagt? Zij, die boven den grond zijn weten dat alleen. Wij, die er onder zijn, moeten ons zoo goed mogelijk inrichten, want indien een van ons uitglijdt, dan is hij verloren.
—Wij moeten ons aan elkander vastmaken.
—En de touwen?
—Wij moeten elkander een hand geven.
—Ik geloof, dat we het best doen, door treden uit te houwen, en een trap te maken; wij zijn met ons zevenen, op twee treden kunnen we dus allen gemakkelijk staan: vier op de eerste, drie op de tweede.
—Waarmede zullen we ze uithouwen?
—Wij hebben geen houweelen.
—Met onze lampehaken in het zachte gedeelte, met onze messen in het harde.
—Daarin zullen we nooit slagen.
—Zeg dat toch niet, Pagès; in onzen toestand kan men alles als het op zelfbehoud aankomt; als op dit oogenblik een van ons door den slaap overvallen wordt, dan is hij verloren.
Door zijn koelbloedigheid en vastberadenheid had de schoolmeester weder zijn heerschappij over ons verkregen, die hoe langer hoe machtiger werd; wij beseften allen, dat zijn zedelijke moed grooter was dan de onze en allen verwachtten hulp van deze kracht.
Wij begonnen te werken, want blijkbaar was het uithouwen dier treden het eerst wat wij doen moesten; wij moesten trachten ons zoo goed mogelijk in te richten, tenminste zoo, dat wij niet konden uitglijden in de diepte, die zich onder onze voeten uitstrekte. Vier lampen waren aangestoken en deze verspreidden voldoende licht om ons bij het werk te leiden.
—Laten we een plaats uitzoeken, die het best geschikt is voor het uithouwen, hernam de meester.
—Luistert, sprak oom Gaspard, ik heb u een voorstel te doen; als iemand van ons goed zijn verstand heeft, dan is het wel de schoolmeester; toen wij half waanzinnig van angst waren, behield hij zijn kalmte; hij is een man en hij heeft bovendien een goed hart. Hij is evenals wij trouw geweest, en hij weet van heel veel dingen meer dan wij. Laat hij ons thans leiden en het werk verdeelen.
—De schoolmeester! viel een der anderen in, waarom ik niet? Ik ben even goed opperman als hij.
—Hij is geen opperman; hij is een man en nog wel de dapperste van ons allen.
—Gisteren zeidet gij dat ook niet.
—Gisteren was ik even dom als gij, ik dreef evenals gij den spot met hem en wilde zijn meerderheid niet erkennen. Vandaag verzoek ik hem over ons te bevelen. Kom meester, zeg maar wat ik doen moet! Ik heb sterke armen, dat weet gij. En wat zegt gij?
—Kom, meester, wij gehoorzamen u.
—En wij zullen u gehoorzamen.
—Luistert, sprak hij: daar gij wilt, dat ik mij aan het hoofd zal stellen, stem ik daarin toe; maar op die voorwaarde, dat gij alles doet, wat ik u zeg. Wij kunnen hier lang blijven, verscheidene dagen; ik weet niet wat er gebeuren zal; wij zijn hier als schipbreukelingen op een wrak in den meest hachelijken toestand, want op een wrak heeft men lucht en licht, men ademt en kan naar redding uitzien; wat er ook gebeuren moge, als ik uw leidsman ben, moet gij mij gehoorzamen.
—Men zal u gehoorzamen! riepen allen.
—Als gij gelooft, dat alles wat ik verzoek billijk is, ja, dan zult gij gehoorzamen; maar wanneer gij het niet gelooft?
—Wij zullen het gelooven.
—Men weet, dat gij een verstandig man zijt, meester.
—En een moedig man.
—En een man van ondervinding.
—Gij moet ons het spotten vergeven, meester.
Ik bezat toen nog niet de ondervinding, die ik op later leeftijd verkreeg, en ik was verbaasd, hoe zij, die eenige uren geleden nog duchtig den spot met hem dreven, thans al zijne goede hoedanigheden erkenden. Ik wist toen niet hoezeer de omstandigheden de meeningen en gevoelens van sommige menschen kunnen doen veranderen.
—Gij zweert het mij dus? sprak de schoolmeester.
—Wij zweren, antwoordden allen tegelijk.
Wij begonnen toen te werken; wij hadden allen een mes in onzen zak, goede, stevige messen, die veel konden verdragen.
—Drie moeten de zijgang onderhanden nemen; de drie sterksten en de zwaksten, waaronder Rémi en ik behooren, zullen de uitgehouwen steenen wegwerpen.
—Neen, gij moet niet werken, zeide een krachtige kerel, gij zijt niet sterk genoeg; de ingenieurs bevelen, maar werken zelf niet.
Een ieder stemde hierin toe; men gevoelde van hoeveel nut hij ons was in gevaar, zoodat men wel alles had willen aanwenden om hem voor verdere ongelukken of rampen te bewaren: hij was onze loods.
Het werk, dat wij moesten verrichten, was zeer eenvoudig geweest, zoo we ons gereedschap gehad hadden, maar met messen duurde het langer en was het moeilijker. Wij moesten twee treden in den wand uitgraven en opdat wij geen gevaar zouden loopen om in den afgrond te storten, moesten die treden vrij breed zijn en er voor drie of vier personen plaats op wezen. De opzichter sloeg ons werk met de grootste aandacht gade. Terwijl wij groeven, vonden wij onder het zand eenige stukjes hout, die ons van zeer veel nut waren om te beletten, dat de uitgehouwen steenen weggleden.
Toen wij drie uren gewerkt hadden, zonder een oogenblik te rusten, hadden wij een vloer uitgehouwen, waarop wij konden zitten.
—Voor het oogenblik is het genoeg, beval de schoolmeester; later zullen wij den houten vloer verbreeden, zoodat wij erop kunnen liggen; wij moeten onze krachten niet noodeloos verspillen, want we zullen ze nog te veel moeten gebruiken.
Wij namen plaats: vier op de benedenste en drie op de bovenste trede.
—Wij moeten ook zuinig met ons licht zijn, waarschuwde de meester, laten we de lampen dus, op een na, uitdooven.
Deze bevelen werden terstond opgevolgd. De lampen zouden uitgedraaid worden, maar plotseling wenkte hij, dat men hiermede niet moest voortgaan.
—Wacht even, hernam hij, een tocht kan ons licht uitdooven; het is niet waarschijnlijk, maar wij moeten zooveel mogelijk op alles rekenen; wie heeft er lucifers bij zich?
Hoewel het streng verboden was om in de mijn licht aan te steken, hadden bijna alle werklieden lucifers in den zak, en daar de opzichter niet tegenwoordig was om deze inbreuk op de wet te straffen, antwoordden vier stemmen op deze vraag: Ik.
—Ik heb ze ook, vervolgde de meester, maar zij zijn vochtig.
Dit was met de anderen eveneens het geval, want ieder had de lucifers in zijn broekzak en wij waren tot aan de borst of de schouders in het water geweest.
Een der arbeiders, Carrory, sprak toen:
—Ik heb ze ook.
—Vochtig?
—Dat weet ik niet, ze zijn in mijn muts.
—Geef dan uw muts hier.
Inplaats van zijn muts te geven, zooals men hem verzocht, een zwarte bonten muts, reikte hij ons zijn lucifersdoosje; dank zij de goede bewaarplaats, waren deze tenminste niet vochtig geworden.
—Blaast nu de lampen uit, beval de schoolmeester.
Eén lamp bleef nog branden, maar deze verlichtte ternauwernood onze steenen stolp.
Diepe stilte heerschte er in de mijn, geen geluid drong meer tot ons door; het water lag onbeweeglijk aan onze voeten, zonder dat een rimpel het plooide of het minste gekabbel werd gehoord; de mijn was vol, zooals de meester gezegd had, en het water, nadat het alle gangen van boven tot onder had gevuld, sloot ons in onze gevangenis steviger en hermetischer dan een steenen muur dit had kunnen doen. Die loodzware, ondoordringbare stilte, die doodsche kalmte was vreeselijker en kwellender, dan het helsche leven, dat wij gehoord hadden bij het binnendringen van het water; wij waren in een graf, levend begraven onder dertig of veertig meter aarde.
Het werk hield den geest bezig en gaf ons afleiding; de rust deed ons den toestand, waarin wij verkeerden, beseffen en van allen, zelfs van den meester, maakte zich een soort van bedwelming meester.
Eensklaps voelde ik op mijn hand warme droppels vallen. Een der arbeiders weende in stilte.
Op hetzelfde oogenblik hoorden wij op de bovenste trede een diepen zucht slaken en op klagenden toon roepen:
—Marius! Marius!
De vader dacht aan zijn zoon….
Met moeite slechts ademden wij de lucht in; ik gevoelde mij bedrukt en aanhoudend suisde het in mijn ooren.
Misschien verkeerde de meester in een minder bewusteloozen toestand dan wij, of wilde bij daartegen strijden en ons beletten om er ons aan over te geven; althans hij was de eerste, die de stilte verbrak:
—Nu, zeide hij, moeten wij eens zien hoe groot onze voorraad eetwaren is.
—Gelooft gij dan, dat wij lang zullen opgesloten blijven? vielGaspard hem in de rede.
—Neen, maar wij moeten onze voorzorgen nemen; wie heeft er brood bij zich?
Niemand gaf antwoord.
—Ik, zeide ik, ik heb een korstje brood in mijn zak.
—In welken zak?
—In mijn broekzak.
—Dan zal het wel doorweekt zijn; maar laat het ons toch eens zien.
Ik stak mijn hand in den zak, waarin ik dien morgen een snede versch brood bewaard had; ik haalde een stuk deeg te voorschijn, dat ik op het punt was om teleurgesteld weg te werpen, toen de meester mij weerhield.
—Bewaar het nog, hoe slecht het ook is, gij zult het spoedig genoeg lekker vinden.
Dat was geen geruststellende waarschuwing, maar wij sloegen er geen acht op; later eerst kwamen die woorden mij weder in het geheugen en bewezen mij toen, dat de meester van het eerste oogenblik af het volle bewustzijn van onzen toestand had, en al zag hij nu niet juist in, welk een gebrek aan voedsel ons te wachten zou staan, en hoe vreeselijk wij daaronder zouden lijden, hij begreep toch ten volle met welke moeilijkheden onze redding zou gepaard gaan.
—Heeft nog iemand van u brood? vroeg hij.
Men gaf geen antwoord.
—Dat is jammer, vervolgde hij.
—Hebt ge dan honger? vroeg er een.
—Ik spreek niet voor mezelf, maar voor Rémi en Carrory; het brood zou voor hen zijn.
—En waarom zouden wij het niet onder elkander verdeelen? vroeg Bergounhoux; dat zou onbillijk zijn, de honger is voor ons allen hetzelfde.
—Dus als er brood was, dan zouden we twist gekregen hebben. Gij hebt beloofd, mij te zullen gehoorzamen; maar ik zie, dat gij mij niet gehoorzaamt, dan na uw misnoegen te kennen gegeven en na met elkander uitgemaakt te hebben of ik rechtvaardig handelde.
—Bergounhoux zou gehoorzamen.
—Er zou misschien een twist uit ontstaan, en twisten mogen wij niet; ik zal u dus zeggen, waarom Rémi en Carrory het brood zouden gehad hebben. Niet ik heb dat zoo bepaald, maar de wet; "De wet heeft gezegd, dat wanneer bij eene algemeene ramp verscheidene personen omkomen, de oudste beneden de zestig jaren geacht zal worden, de anderen te hebben overleefd," waarin opgesloten ligt, dat Rémi en Carrory, uithoofde van hun jeugd, minder weerstand aan den dood zullen bieden dan Pagès en Compayrou.
—Gij zijt toch ook ouder dan zestig jaar.
—O, ik tel niet mede; bovendien ben ik gewoon mij zeer matig te voeden.
—Dus zou het brood, als ik het gehad had, toch voor mij wezen? vroegCarrory.
—Voor u en Rémi.
—Als ik het niet had willen geven?
—Dan zou men het u hebben afgenomen; gij hebt immers gezworen te zullen gehoorzamen?
Hij bleef geruimen tijd zwijgen; eensklaps haalde hij een snede uit zijn muts te voorschijn.
—Daar hebt gij een stuk.
Die muts van Carrory was dus onuitputtelijk.
Carrory spande alle krachten in om zijn muts te behouden, maar hij moest voor de overmacht zwichten en de muts werd aan den meester overhandigd.
Deze verzocht om de lamp en wierp toen een blik tusschen de voering van het hoofddeksel. Hoewel wij niet in een zeer vroolijken toestand waren, werd dit onderzoek met vreugdegejuich begroet.
Die muts bevatte: een pijp, tabak, een sleutel, een stukje worst, een perzikpit waarvan een fluitje was gemaakt, afgekloven schapecoteletten, drie versche noten en een ui. Zij was dus provisiekast en kleedingstuk tevens.
—Het brood en de worst zullen we tusschen Rémi en u verdeelen.
—Maar ik heb honger, hernam Carrory op smeekenden toon; ik heb nu reeds honger.
—Van avond zult gij nog meer honger hebben.
—Hoe jammer dat hij geen horloge ook in zijn pet heeft! Wij zouden nu weten hoe laat het was; het mijne staat stil.
—Het mijne ook.
De gedachte aan een horloge bracht ons tot de werkelijkheid terug. Hoe laat was het? Hoelang bevonden wij ons in de gang? Wij wisselden daarover van gedachten, maar konden het niet eens worden. De een meende, dat het twaalf uur in den morgen was; de ander weder, dat het zes uur 's avonds was. Hiermede bedoelde deze, dat wij reeds tien uren en de anderen, dat wij pas vijf uren waren opgesloten.
Dit was het eerste verschil van gevoelen, dat zich openbaarde, een verschil, dat ook later bij herhaling bleek en een groote verwijdering teweegbracht. Wij waren niet in een stemming om te spreken, alleen om iets te zeggen. Toen de gedachtewisseling over den tijd geëindigd was, zwegen allen en ieder scheen zich aan eigen mijmeringen over te geven.
Waarover liepen de mijmeringen van mijn kameraden? Ik weet het niet; maar als ik ze beoordeel naar de mijne, dan waren ze verre van opbeurend. Ondanks den beslissenden invloed van den meester, was ik nog volstrekt zoo zeker niet, dat we gered zouden worden. Ik was bang voor het water, bang voor de duisternis, bang voor den dood. Die stilte drukte mij loodzwaar; die donkere wanden van de gang schenen mij toe met al hun zwaarte op mijn lichaam te rusten. Zou ik dan nooit Lize terugzien, noch Martha, noch Alexis, noch Benjamin? Wie zou ze bij elkander houden, wanneer ik er niet meer wezen zou? Zou ik dan Arthur niet meer weerzien, noch mevrouw Milligan, noch Mattia? Zou men ooit aan Lize kunnen doen begrijpen, dat ik dood voor haar was? En moeder Barberin, arme moeder Barberin! Mijn gedachten werden hoe langer hoe treuriger; en wanneer ik tot eenige afleiding een blik wierp op mijn makkers, zag ik, dat zij even droevig gestemd waren als ik, en gaf ik mij weder aan mijn zwaarmoedig gepeins over. Zij echter waren aan het leven in de mijn gewend en daardoor gevoelden zij minder behoefte aan versche lucht, licht en zonneschijn; de aarde woog hun niet zoo zwaar.
Plotseling maakte de stem van oom Gaspard een einde aan deze stilte.
—Ik denk, dat men niets voor onze redding beproeft.
—Waarom denkt gij dat?
—Wij hooren niets.
—De stad is verwoest, het was een aardbeving.
—Of men meent in de stad, dat wij allen verloren zijn en dat er niets voor ons te doen is.
—Men heeft ons dus vergeten?
—Waarom denkt gij dat van uw makkers? viel de meester in de rede; het is niet billijk van u om ze zoo te beoordeelen. Gij weet wel, dat als een ramp de mijnwerkers treft, zij elkander altijd bijstaan; en dat twintig, ja honderd mannen zich eer zullen laten dooden, dan dat zij één makker niet te hulp zouden snellen. Dat weet gij immers wel?
—Dat is waar.
—Als dat waar is, waarom meent gij dan dat men ons zou vergeten?
—Wij hooren niets.
—Het is waar, wij hooren niets. Maar kunnen wij hier hooren? Wie weet dat? ik niet. En zoo wij al konden hooren en daardoor een blijk kregen, dat men niet werkte, is dat dan nog een bewijs, dat men ons aan ons lot overlaat? Weten wij de oorzaak van deze ramp? Als het een aardbeving is, dan moeten zij, die daaraan ontsnapt zijn, de stad eerst helpen. Als het slechts een overstrooming is, zooals ik onderstel, moet men eerst weten in welk een toestand de schachten zich bevinden. Misschien zijn zij ineengezakt. De plaats waar de lampen bewaard worden, is misschien ingestort. Het kan dus lang duren eer men iets tot onze redding kan aanbrengen. Ik zeg niet, dat wij gered zullen worden, maar ik ben ervan verzekerd, dat men iets tot onze redding in het werk stelt.
Hij zeide dit met zulk een nadruk, dat het de meest ongeloovigen wel moest overtuigen.
Bergounhoux echter hernam:
—En als men meent, dat wij allen dood zijn?
—Dan werkt men toch; maar als gij daarvoor bang zijt, laat ons hun dan een bewijs geven, dat we nog leven; laten we zoo hard mogelijk tegen den wand slaan; gij weet hoe het geluid zich voortplant door de aarde; als men ons hoort, dan weet men, dat men zich haasten moet, en onze geluiden zullen hen op het spoor kunnen brengen bij welk punt zij hun onderzoek moeten aanvangen.
Zonder verder iets te zeggen, begon Bergounhoux, die zware schoenen aanhad, met alle kracht tegen den wand te schoppen om de mijnwerkers aan ons te herinneren en dit geraas, vooral de gedachte die het bij ons opwekte, deed ons uit den toestand van verdooving ontwaken. Zou men ons hooren? Zou men ons antwoorden?
—Wat zou men doen, meester, vroeg Gaspard, als men ons hoort: zal men ons dan te hulp komen?
—Er zijn twee middelen, en ik ben zeker, dat de ingenieurs ze beide gebruiken zullen: zij zullen zoolang boren, tot zij ons bereikt hebben en dan het water uitpompen.
—O, een schacht boren!
—Het water uitpompen!
Deze opmerkingen brachten den meester niet van zijn meening terug.
—Wij bevinden ons veertig meter onder den grond, niet waar? Als men zes of acht meter elken dag boort, dan zal men binnen zeven of acht dagen ons bereikt hebben.
—Men kan geen acht meter daags boren.
—Als men gewoon werkt niet, maar als men zijn makkers moet redden, kan men zoo veel.
—Wij kunnen hier geen acht dagen leven: denk eens meester, acht heele dagen!
—En dan het water? Hoe moet dat uitgepompt worden?
—Het water, dat weet ik niet; eerst zou ik moeten weten, hoeveel water er in de mijn is: 200,000 kubieke meter of 300,000 misschien; dat kan ik niet beslissen. Maar om tot ons door te dringen, behoeft men niet alles eerst uit te pompen; wij bevinden ons in de bovenste laag en daar men de drie putten tegelijk met twee tonnen zal uitloozen, zullen zes tonnen elk 25 hectoliter water putten: dus 150 hectoliter zullen tegelijk worden uitgepompt. Gij ziet dus, dat het vrij snel in zijn werk kan gaan.
Men begon toen te overleggen, welke maatregelen het best waren; ik voor mij begreep uit dit gesprek alleen dat, alles van de gunstigste zijde gezien, wij minstens acht dagen lang levend begraven zouden blijven.
Acht dagen! De meester had wel gesproken van werklieden, die vier en twintig dagen opgesloten waren gebleven, maar dat was een verhaal en wij verkeerden in de werkelijkheid. Toen deze gedachte bij mij had post gevat, luisterde ik niet meer naar het gesprek.
Ik weet niet sedert hoe lang deze gedachte mij overstelpte, toen zij allen zwegen.
—Luister, sprak Carrory, in wien, juist omdat hij zoo weinig beschaafd was, de dierlijke eigenschappen meer ontwikkeld waren dan bij ons.
—Waarnaar?
—Ik hoor iets in het water.
—Gij zult een steen hebben laten vallen.
—Neen, het is een dof geluid.
Wij luisterden.
Ik had een zeer fijn gehoor, maar slechts voor die geluiden, welke men in het leven op de wereld waarneemt; hier hoorde ik niets. Mijn makkers, die gewoon waren aan de geluiden in de mijn, waren gelukkiger dan ik.
—Ja, antwoordde de meester, er gebeurt iets in het water.
—Wat, meester?
—Dat weet ik niet.
—Het water valt.
—Neen, het geluid is niet aanhoudend; het is telkens een geregelde schok.
—Geregelde schokken! dan zijn wij gered, kinderen! het is het uitpompen van het water met de tonnen.
—Het uitpompen van het water….
Allen tegelijk en op denzelfden toon herhaalden wij deze woorden en als door een electrische vonk getroffen, richtten wij ons op.
Wij waren slechts veertig el onder den grond; de lucht was niet meer drukkend; de wanden van de gang wogen niet loodzwaar meer op ons hoofd; het gesuis in onze ooren had opgehouden; wij haalden vrij adem en ons hart klopte weder in onze borst.
Carrory greep mijn hand en drukte deze krachtig:
—Ge zijt een beste jongen, zeide hij.
—Wel neen, gij zijt het.
—Ik zeg, dat gij het zijt.
—Gij hebt het eerst de tonnen gehoord.
Maar hij wilde met alle geweld, dat ik een beste jongen was; hij deed denken aan de vriendschapsbetuigingen van een dronken man en inderdaad, wij waren dan ook dronken: dronken van hoop.
Helaas! deze hoop zou niet zoo spoedig verwezenlijkt worden; voor geen van ons.
Vóór wij het warme zonlicht zouden terugzien, vóór wij het ruischen van den wind door de bladeren zouden hooren, zouden wij nog vele lange en treurige dagen hier moeten doorbrengen, allerlei leed en kwellingen moeten doorstaan, ons zelf en elkander telkens afvragende of wij wel ooit het daglicht zouden terugzien en of wij wel ooit dat geruisch in de boomen weer zouden hooren.
Maar om die vreeselijke ramp, welke de mijnen van Truyère getroffen heeft, te verhalen, zooals zij gebeurd is, moet ik thans de oorzaak ervan mededeelen en welke middelen de ingenieurs tot onze redding hadden aangewend.
Toen wij dien maandagmorgen in de mijn waren nedergedaald, was de hemel bedekt en gevoelde men het naderen van een onweder. Tegen zeven uur was dit onweder losgebarsten en ging het met een waren zondvloed gepaard; de wolken, die zeer laag hingen, hadden zich in de kronkelende vallei der Divonne ontlast en toen zij eenmaal tusschen dien heuvelring besloten waren, hadden zij zich er niet boven kunnen verheffen; zij hadden den ganschen voorraad water in het dal uitgestort; het was geen overstrooming, geen waterval, het was een wolkbreuk, een zondvloed geweest. In een oogenblik was de Divonne en haar zijtakken boordevol geloopen, wat zeer natuurlijk was, daar de steenen bodem het water niet in zich opneemt, maar dit de helling van het terrein volgt om zich in de rivier te storten. Onmiddellijk was de steile bedding der rivier gevuld geraakt en de Saint-Andéol en de Truyère waren buiten hare oevers getreden. Door den was der Divonne teruggehouden, had het water uit de bedding der Truyère geen uitloozing kunnen krijgen en zich verspreid over het terrein, waaronder de mijnen gelegen zijn. Die overstrooming was plotseling geweest, maar de werklieden, die buiten arbeidden en op dat oogenblik bezig waren met het wasschen der erts en genoodzaakt om een schuilplaats op te zoeken, hadden geen gevaar geleden. Het was de eerste maal niet, dat de Truyère eene overstrooming ontstaan deed, en daar de openingen der drie schachten zoo hoog boven den grond waren, dat het water er zich niet kon instorten, had men geene andere maatregelen genomen, dan het hout weg te halen, hetwelk gereed lag om tot wanden in de mijngangen gebruikt te worden.
Het was met dezen arbeid, dat de ingenieur der mijnen bezig was, toen hij eensklaps ontdekte, dat het water eene draaikolk vormde, en zich in een spleet stortte, die het zelf had uitgehold. Die spleet mondde uit in eene opening van de mijn.
Men behoeft niet diep na te denken om te begrijpen, wat er plaats gegrepen had: het water stortte zich in de mijn door de gangen. Daar buiten daalde het peil, maar de mijn werd overstroomd en zou weldra geheel met water gevuld zijn, zoodat de arbeiders moesten verdrinken.
De ingenieur snelde naar de schacht Saint-Julien en gaf bevel, dat men hem in de ton zou neerlaten; maar toen hij zijn voet daarin zette, gaf hij een teeken, dat men wachten zou. Daaronder hoorde men een onzaglijk gedruisch; het was de heftige stroom van het water.
—Ga er niet in, riepen de arbeiders en wilden hem terughouden; maar hij rukte zich los en zijn horloge uit den zak nemend gaf hij dit aan een van hen met de woorden:
—Dat is voor mijne dochter, als ik niet terugkom.
Daarop wendde hij zich tot de mannen, die het windas hanteerden en gaf toen bevel, hem te laten zakken.
De ton daalde; toen hief hij het hoofd op en riep den arbeider toe wien hij zijn horloge gegeven had:
—Zeg haar, dat haar vader haar in gedachten omhelst.
De ton is beneden. De ingenieur roept; vijf mijnwerkers komen tot hem; hij laat hen plaats nemen in de ton. Terwijl zij opgeheschen worden, roept hij opnieuw, maar tevergeefs; zijne stem wordt niet gehoord door het gedruisch van het water en het instorten der gangen van den grond.
Intusschen dringt het water door in de gaanderij en op dat oogenblik ontwaart de ingenieur eenige lampen.
Hij begeeft zich in die richting, tot over de knieën door het water wadende en brengt nog drie man bij de ton, die middelerwijl weder is neergelaten. Hij doet hen daarin plaats nemen en wil zich naar de andere lampen begeven, die hij gezien heeft. Maar de mannen, die hij heeft gered, houden hem met geweld tegen en trekken hem in de ton, terwijl zij het signaal tot ophijschen geven. Het was tijd, het water had alles overstroomd. Dit redmiddel was dus verder onmogelijk. Men moest een ander zoeken, maar welk? Hij stond bijna geheel alleen; honderd-vijftig arbeiders waren in de mijn neergedaald, want honderd-vijftig lampen waren dien morgen uitgereikt. Slechts dertig lampen waren teruggebracht: alzoo moesten er honderd-twintig man in de mijn wezen. Waren zij omgekomen? Leefden zij nog? Hadden zij een schuilplaats weten te vinden? Die vragen rezen bij hem op en vervulden hem met vrees en angst.
Op het oogenblik dat de ingenieur zich overtuigde, dat er honderd twintig man in de mijn opgesloten waren, hadden er buiten verschillende ontploffingen plaats; reusachtige steenblokken werden in de hoogte geworpen; de huizen sidderden alsof zij door een aardbeving heen en weer geschud werden. Dit verschijnsel verklaarde de ingenieur aldus: het gas en de lucht, die door het water teruggedrongen werden, hebben zich in de zijgangen, die geen uitgangen hebben, saamgehoopt en daar, waar de aardlaag te zwak is boven de spleten, hebben zij de aardkorst doen barsten als de wanden van een ketel. De mijn is vol; de ramp is geschied.
In dien tusschentijd was het gebeurde in Varses bekend geworden; van alle kanten daagde de menigte op, werklieden, nieuwsgierigen, vrouwen en kinderen der bedolven arbeiders kwamen toesnellen. Deze vroegen, andere zochten. En daar men hun niets kon antwoorden, verkeerde hun smart in toorn. Men hield de waarheid geheim. Dat was de schuld van den ingenieur! En men maakte zich gereed om de bureau's binnen te dringen, waar de ingenieur over zijn plan gebogen zat, niets van de eischers hoorde, de plaatsen berekenende, waar de arbeiders een schuilplaats hadden kunnen zoeken en waar de redding het eerst moest begonnen worden.
Gelukkig waren de ingenieurs van de naburige mijnen met hun arbeiders toegesneld en met hen de werklieden uit de stad. Men kon de menigte tegenhouden, tot haar spreken. Maar wat kon men tot haar zeggen? Honderd-twintig man ontbreken nog. Waar zijn zij?
—Mijn vader?
—Waar is mijn man?
—Geef mij mijn zoon terug! De stemmen hebben geen klank, de vragen worden door snikken afgebroken. Wat dien kinderen, die vrouwen en moeders te antwoorden?
Één woord slechts: de ingenieurs zijn met elkander in overleg.—Wij zullen zoeken, wij zullen het onmogelijke beproeven. Vooruit!
De middelen welke tot redding moesten aangewend worden, waren die, welke de meester ook voorzien had. De tonnen, die het water moesten uitpompen, waren reeds in de drie putten gebracht, en zij zouden dag noch nacht met werken eindigen, totdat het oogenblik gekomen was, waarop de laatste droppel water in de Divonne geloosd zou zijn.
Gelijktijdig zou men met het uithouwen der gangen een aanvang maken. Waarom boorde men in die en niet in eene andere richting? dat wist men zelf niet. Voor een gedeelte moest men 't aan het toeval overlaten; maar men werkte. De ingenieurs konden het niet eens worden welk nut het had om de gangen, zonder eenige zekerheid in welken toestand de nog levende mijnwerkers verkeerden, te onderzoeken; maar de mijningenieur hoopte dat de arbeiders in de oude werken een schuilplaats zouden gevonden hebben, waar de overstrooming hen niet had kunnen bereiken, en hij wilde, dat men beginnen zou met die plaats te doorboren, al zou men niemand redden.
De opening, welke voor deze doorboring noodig was, zou men zoo klein mogelijk maken, om alles in den kortst mogelijken tijd te laten geschieden.
Zonder zich dag noch nacht een oogenblik rust te gunnen, zou men met dezen arbeid voortgaan; aanhoudend zou men pompen en boren tegelijk.
Al duurde het lang voor hen, die buiten de mijn tot onze bevrijding werkten, hoeveel langzamer moest de tijd omgaan voor ons, die machteloos en gevangen waren, die verplicht waren te wachten, zonder eenige zekerheid of men nog tijds genoeg zou komen om ons te redden.
Het pompen deed ons niet lang in dienzelfden opgewonden toestand blijven, waarin het ons eerst gebracht had. Door nadenken geraakten wij in een andere stemming. Wij waren niet vergeten; men had alles tot onze redding in het werk gesteld; onze hoop zou dus niet ijdel zijn; maar zou het uitpompen spoedig genoeg voortgaan? dit maakte ons angstig.
Bij het lijden van den geest voegden zich thans de kwellingen van het lichaam. De moeilijke houding, waarin wij verplicht waren op den uitgehouwen bodem te blijven staan, werd hoe langer hoe afmattender; wij konden ons niet bewegen om onzen strammen leden weder lenigheid te geven en onze hoofdpijn werd erger en hinderlijker.
Carrory was het minst aangedaan.
De schoolmeester gaf ons brood.
—Het is niet genoeg, zeide Carrory.
—Het stukje brood moet langer duren.
De anderen zouden gaarne deelgenomen hebben aan onzen maaltijd, maar zij hadden gezworen te gehoorzamen en zij hielden hun eed.
—Al is ons het eten verboden, drinken mogen wij zooveel wij lusten, sprak Compayrou.
—Zooveel ge wilt; wij hebben water in overvloed.
—Drink de gang maar leeg.
Pagès wilde naar beneden gaan, maar de meester veroorloofde dit niet.
—Gij zult een wand doen instorten; Rémi is lichter en vlugger, hij zal naar beneden gaan en ons het water aanreiken.
—Waarin?
—In mijn schoen.
Men gaf mij een schoen en ik maakte mij gereed om mij naar beneden te laten glijden.
—Wacht even, sprak de meester, laat ik u een hand geven.
—Wees maar niet bang: als ik val, dan is het nog niets, want ik kan zwemmen.
—Ik wil u een hand geven.
Op het oogenblik, dat de meester zich vooroverboog, gleed hij vooruit en, hetzij hij zijn beweging slecht had berekend, of wel zijn lichaam stijf was geworden door den langen tijd van rust, of het hout hem niet meer kon torsen, hij gleed langs de helling van den zijgang en verdween met het hoofd voorover in den duisteren afgrond. De lamp, die hij vasthield, om mij bij te lichten, viel eveneens. Er heerschte thans volslagen duisternis en uit aller borst ontsnapte een angstkreet.
Gelukkig was ik op het punt om neer te dalen en ik liet mij langs mijn rug afglijden, zoodat ik een seconde na den meester mij in het water bevond.
Gedurende mijn reizen met Vitalis had ik genoeg zwemmen geleerd, om mij even zoo op mijn gemak te gevoelen in het water als op den vasten grond; maar hoe zou ik mij in dat donkere hol bewegen?
Daaraan had ik niet gedacht, toen ik mij naar beneden liet vallen; ik had slechts aan den meester gedacht, die zou verdrinken, en met het instinct van een nieuwfoundlander had ik mij in het water geworpen.
Waar te zoeken? In welke richting zou ik mijn arm uitstrekken? Hoe zou ik duiken?
Dit overlegde ik bij mezelf, toen ik mij krampachtig bij den schouder voelde grijpen en in het water getrokken werd. Een flinke stoot met mijn voet deed mij weder boven komen; de hand had mij niet losgelaten.
—Houd mij goed vast, meester, en steun op mij, terwijl gij uw hoofd omhoog houdt; dan zijt gij gered.
Gered! wij waren het geen van beiden, want ik wist niet in welke richting ik zwemmen moest; plotseling viel mij iets in.
—Zeg eens iets, riep ik mijn makkers toe.
—Waar zijt gij, Rémi?
Het was de stem van oom Gaspard; zij duidde mij de richting aan; ik moest naar de linkerzijde zwemmen.
—Steek een lamp aan.
Oogenblikkelijk zag ik eenig licht; ik behoefde mijn arm slechts uit te strekken om den oever te bereiken en klemde mij aan een stuk steen vast, terwijl ik den meester naar mij toe trok.
Het werd hoog tijd, want hij had reeds veel water ingeslikt en hij begon bijna te stikken; ik trachtte zijn hoofd boven water te houden en hij kwam spoedig weder tot zich zelf.
Oom Gaspard en Carrory bogen zich voorover en reikten ons de hand, terwijl Pagès op onze trede was komen staan en ons met zijn lamp bijlichtte. Oom Gaspard vatte den meester bij de eene hand en Carrory bij de andere, waarop beiden hem toen omhoog heschen, terwijl ik hem van achter steunde. Toen hij boven was, klom ik ook de trap op.