XXIX.

Eindelijk gelukte het mij hem tot spreken te krijgen.

—Gij zijt ongetwijfeld een goed onderwijzer en ik ben ervan overtuigd, dat niemand mij alles wat ik geleerd heb zoo goed zou hebben kunnen doen begrijpen, toch….

Hij zweeg.

—Wat toch?

—Toch zijn er misschien dingen, die gij niet weet; dat overkomt den wijsten misschien wel, niet waar? Als gij mij dan antwoordt: "dat is, omdat het zoo is," dan zijn er misschien wel andere redenen, die gij niet zegt, omdat gij ze zelf niet weet. Wanneer gij dan zoo redeneert, heb ik altijd tot mezelf gezegd, dat, als gij wildet, wij misschien wel heel goedkoop ons een boekje konden aanschaffen, waarin de regelen voor de muziek staan.

—Daar hebt gij gelijk in.

—Niet waar? Ik meende ook, dat dit goed zou zijn, want gij kunt toch niet alles, wat er in de boeken staat, weten, daar gij niet uit boeken geleerd hebt.

—Een goed meester is meer waard dan het beste boek.

—Wat gij daar zegt, brengt mij nog iets anders in de gedachte: als gij het goedvindt, zou ik aan een echten meester een les vragen, één les ook maar, en dan kon hij alles vertellen, wat ik niet weet.

—Waarom hebt ge zoo'n les bij een echten meester niet genomen, toen gij alleen waart?

—Omdat echte meesters duur betaald worden en ik wilde die som niet van uw geld afnemen.

Ik nam het Mattia kwalijk, dat hij zoo over een wezenlijken meester dacht, maar mijn dwaze ijdelheid was tegen zijn laatste woorden niet bestand.

—Gij zijt een veel te goede jongen, gaf ik hem ten antwoord; mijn geld is uw geld, daar gij het, evenals ik, verdient, meer en beter zelfs dan ik; gij kunt zooveel lessen nemen als gij wilt en ik zal het ook doen.

Ik voegde er toen bij, hem moedig mijn onwetendheid bekennende:

—Dan kan ik ook leeren wat ik niet weet.

De meester, de ware meester, dien wij voor ons wenschten, was geen ketellapper uit het een of ander dorp, maar een artist, een groot kunstenaar, zooals men die in voorname steden vindt. Op de kaart zag ik, dat, vóór wij Clermont bereikten, de grootste stad, die op onzen weg lag, Mende heette.

Maar was Mende inderdaad een aanzienlijke stad? dat wist ik niet, maar, daar de letters, waarmede de naam van de stad geschreven was, op de kaart vrij groot waren, moest ik mijn kaart wel gelooven.

Wij besloten daarom in Mende de groote uitgave van een muziekles te bekostigen, want hoewel onze verdiensten zeer weinig beteekenden, wilde ik toch het genoegen, dat Mattia wachtte, niet langer uitstellen.

Nadat wij in zijn gansche uitgestrektheid de vlakte van Méjean doorgetrokken waren, die ongetwijfeld de ellendigste en onvruchtbaarste streek ter wereld is, waar water noch bosch is te zien, en handel noch landbouw wordt uitgeoefend, waar men dorpen noch bewoners vindt, kortom, waar men niet aan het leven wordt herinnerd en voortdurend omringd is door verlaten en eenzame oorden, die slechts bekoorlijkheid bezitten voor hen, welke ze in een rijtuig voorbijsnellen, bereikten wij eindelijk Mende.

Daar de avond reeds eenigen tijd was gevallen, konden wij dien dag aan ons voornemen geen gevolg geven om nog een les te nemen; bovendien waren wij uitgeput van vermoeienis.

Mattia was echter zoo verlangend om te weten of Mende, dat hem volstrekt niet zulk een belangrijke stad toescheen als ik hem gezegd had, een muziekonderwijzer bezat, dat ik onder ons avondeten aan de waardin vroeg of zij niet een goed onderwijzer kende, die muziekles gaf.

Zij antwoordde, dat onze vraag haar ten hoogste verwonderde; kenden wij dan den heer Espinassous niet.

—Wij komen uit een zeer ver verwijderde stad, zeide ik.

—Heel ver dus?

—Uit Italië, antwoordde Mattia.

Haar verbazing week, toen zij dit hoorde en zij begreep, dat, als we van zóóver kwamen, wij den heer Espinassous niet kenden, maar, zoo wij uit Lyon of Marseille afkomstig waren, zou zij ons stellig niet langer geantwoord hebben, daar wij al een zeer slechte opvoeding moesten hebben genoten om nooit van dezen beroemden man te hebben gehoord.

—Ik hoop, dat wij in goede handen zijn gevallen, zeide Mattia in het italiaansch.

En de oogen van mijn reisgezel schitterden van blijdschap. Ongetwijfeld zou de heer Espinassous onmiddellijk al onze vragen beantwoorden: hij zou niet verlegen staan om ons alle redenen op te sommen, waarom de mollen de tonen verlagen en de kruizen die verhoogen.

Één vrees bekroop mij echter: zou zulk een beroemd kunstenaar er ooit in toestemmen om ons, arme drommels, les te geven.

—Heeft mijnheer Espinassous veel lessen? vroeg ik.

—O ja, ik geloof dat hij er heel veel heeft; waarom zou hij niet?

—Denkt gij, dat hij ons morgenochtend zou willen ontvangen?

—Zeker; hij ontvangt iedereen, als men maar geld op zak heeft; dat spreekt vanzelf.

Daar wij dit ook begrepen, waren wij gerustgesteld en vóór dat wij insliepen, bespraken wij nog lang en breed, ondanks onze vermoeienis, alle vragen, die door ons den anderen dag onderworpen konden worden aan dezen beroemden onderwijzer.

Nadat wij ons met de uiterste zorg gekleed hadden, of liever schoon goed hadden aangetrokken, de eenige weelde, die wij ons konden veroorloven, daar wij geen andere kleederen bezaten dan die, welke wij op onzen rug droegen, namen wij ons muziekinstrument, Mattia zijn viool en ik mijn harp, en we begaven ons op weg naar den heer Espinassous.

Capi had, zooals gewoonlijk, met ons mede willen gaan, maar wij hadden hem in den stal van de herberg vastgelegd, daar wij het niet passend achtten om met een hond dien beroemden musicus uit Mende op te zoeken.

Toen wij de woning bereikt hadden, welke men ons als die van den onderwijzer had aangewezen, meenden wij, dat men zich vergist had, want aan de deur van dit huis bengelden twee koperen bekkens, wat nooit het uithangbord van een muziekonderwijzer zijn kon.

Terwijl wij dit uithangbord gadesloegen, dat gewoonlijk door een barbier gebruikt wordt, trad ons juist een man voorbij, aan wien wij de woning van den heer Espinassous vroegen.

—Daar binnen, gaf hij ten antwoord, op den barbierswinkel wijzend.

Waarom zou een muziekonderwijzer ook niet in dezelfde woning als een barbier gehuisvest zijn?

Wij traden binnen; de winkel was in twee gelijke deelen verdeeld; aan de rechterzijde lagen op eenige planken borstels, kammen, potjes pomade en zeep; aan de linkerzijde hingen tegen den muur verscheidene muziekinstrumenten.

—Is mijnheer Espinassous tehuis? vroeg Mattia.

Een klein levendig mannetje, die luchtig heen-en-weer zweefde, was bezig een boer te scheren en antwoordde met een zware basstem:

—Die ben ik.

Ik wierp Mattia een blik toe om hem aan het verstand te brengen, dat deze muzikant-barbier niet de geschiktste persoon was, om les te geven en dat het geld in 't water gegooid zou zijn, om ons tot hem te richten; maar inplaats van mij te begrijpen en te gehoorzamen, ging Mattia op een stoel zitten en zeide hij op vastbesloten toon:

—Wilt gij mijn haar knippen als gij dezen heer geschoren hebt?

—Zeker, jongmensch, en ik zal u ook scheren, indien gij dat verlangt.

—Dank u, zeide Mattia, vandaag niet; als ik terugkom.

Ik was verbaasd over deze kalme vastberadenheid, welke Mattia aan den dag legde; hij gaf mij in het voorbijgaan een knipoogje, om mij te waarschuwen, dat ik mij nog niet boos moest maken.

Espinassous was spoedig gereed met het scheren van den boer en met het servet in de hand, maakte hij zich gereed om Mattia's haar te knippen.

—Mijnheer, zeide Mattia, terwijl het servet hem om den hals gebonden werd, mijn vriend en ik waren het daareven niet met elkander eens en daar wij weten, dat gij een beroemd musicus zijt, meenden wij, dat gij ons wel met uw raad zoudt willen bijstaan.

—Vertel mij maar, waarover gij het niet eens worden kondt, jongelui.

Ik begreep nu welk doel Mattia had: in de eerste plaats wilde hij weten of deze musicus wel instaat was onze vragen te beantwoorden en dan, zoo zijn antwoorden ons voldeden, of hij ons een muziekles wilde geven voor denzelfden prijs als men haar snijdt; Mattia was slim.

—Waarom, vroeg Mattia, stemt men de viool altijd op dezelfde noten?

Ik dacht dat de kapper, die juist op het punt stond om de kam door het lange haar van Mattia te halen, een soortgelijk antwoord als ik wilde geven en ik lachte reeds in mijn vuistje, toen hij eensklaps het woord nam:

—De tweede snaar aan den linkerkant van het instrument moet delavan den normalen toon aangeven; de andere snaren moeten zóó gestemd worden, dat zij van quint tot quint de noten aangeven, dat is te zeggen, desol, vierde snaar;ré, derde snaar;latweede snaar;mi, eerste snaar.

Ik begon niet te lachen, maar Mattia barstte in een schaterlach los; dreef hij den spot met mijn verbaasd gelaat? of was het slechts blijdschap dat hij vernam, wat hij te weten wilde komen? In elk geval, dit is zeker, dat hij schaterend lachte.

Ik bleef met open mond den haarsnijder gadeslaan, die, terwijl hij zich om Mattia keerde en wendde en met zijn schaar klapte, zooveel wijsheid uitkraamde.

—Welnu, zeide hij, plotseling voor mij stilstaande, ik geloof dat mijn kleine klant geen ongelijk had.

Gedurende het knippen van zijn haar, raakte Mattia niet uitgeput in vragen en overal gaf de barbier een antwoord op met dezelfde gemakkelijkheid en zekerheid.

Maar toen hij zijn antwoord gegeven had, begon hij zelf te vragen en spoedig wist hij met welk doel wij hem hadden opgezocht.

Hij barstte toen zelf in een schaterlach los.

—Je bent een paar flinke jongens, zeide hij, maar hoe dwaas van jelui!

Daarop wilde hij, dat Mattia, die nog wèl zoo dwaas was als ik, hem een stukje zou voorspelen: Mattia nam dapper zijn viool en begon te spelen.

—En gij kent geen noot muziek! riep de kapper, in de handen klappende.

Ik heb reeds verteld, dat er verscheidene instrumenten tegen den muur hingen, waaronder zich ook een klarinet bevond, die Mattia loshaakte en waarop hij toen begon te spelen.

—Ik speel ook op de klarinet en de trompet, zeide hij.

—Speel dan maar voort! riep Espinassous.

En Mattia speelde op elk instrument een stukje.

—Je bent een wonderkind! riep de barbier; als gij bij mij blijven wilt, dan zal ik een groot muzikant van je maken!'s Morgens helpt gij mij in het scheren en den verderen dag moogt gij met mij werken. Meen niet, dat ik u geen goed onderwijs zou geven, omdat ik barbier ben; men moet leven, eten, drinken, slapen en daarvoor zorgt mijn scheermes; al zorg ik voor een ieders baard, daarom ben ik nog geen slecht musicus.

Toen ik dit hoorde, zag ik Mattia bezorgd aan. Wat zou hij antwoorden? Zou ik mijn vriend, mijn makker, mijn broeder verliezen, zooals ik achtervolgens allen die ik liefhad, verloren had? Mijn hart kromp ineen. Toch wilde ik aan mijn gevoel niet toegeven. De toestand waarin wij ons bevonden, geleek zeer veel op dien, waarin ik met Vitalis verkeerd had, toen mevrouw Milligan mij bij zich wilde houden: ik wilde mij niet dezelfde verwijten doen, die Vitalis zich gedaan had.

—Denk slechts aan u zelf, Mattia, zeide ik op ontroerden toon. Maar hij wendde zich eensklaps tot mij, terwijl hij mijn hand vatte.

—Mijn vriend verlaten! dat zou mij niet mogelijk zijn. Ik dank u zeer voor uw aanbod, mijnheer.

Espinassous bleef echter bij hem aandringen en beweerde, dat, als Mattia zijn eerste opvoeding bij hem genoten had, men wel een middel zou vinden, om hem naar Toulouse te zenden en vandaar naar het conservatoire te Parijs; maar Mattia antwoordde onveranderlijk:

—Nooit zal ik Rémi verlaten.

—Welnu, mijn jongen, ik wil toch iets voor u doen, zeide Espinassous; ik zal u een boek geven, waaruit gij alles kunt leeren, wat gij niet weet.

Hij begon toen in zijn laden te zoeken: na geruimen tijd vond hij een boek, dat den titel droeg:Theorie der muziek; het was een oud versleten boek, maar dat deed er niets toe.

Daarop nam hij een pen en schreef op de eerste bladzijde: "Een geschenk aan het kind, dat, als het eenmaal een kunstenaar geworden is, zich den kapper van Mende herinneren zal."

Ik weet niet of zich in dien tijd andere muziekonderwijzers in Mende bevonden dan de barbier Espinassous, maar dezen hebben wij gekend en wij hebben hem nooit vergeten.

Ik hield veel van Mattia toen wij te Mende kwamen; maar toen wij de stad verlieten, hield ik nog veel meer van hem. Niets maakt de vriendschap inniger dan de zekerheid, dat zij wederkeerig is.

Geen grooter bewijs voor zijne genegenheid kon Mattia mij geven dan, zooals hij nu gedaan had, het voorstel van Espinassous te weigeren. Want daarmede deed hij afstand van een rustig, veilig leven met welvaart en rijkdom in het verschiet en van de gelegenheid om onderwijs te genieten, terwijl hij mijn avontuurlijk en onzeker bestaan zou deelen, dat hem geenerlei waarborg opleverde voor de toekomst, ja niet eens voor den dag van morgen.

In tegenwoordigheid van Espinassous kon ik hem niet zeggen, welk een indruk die woorden "mijn vriend verlaten" op mij hadden gemaakt; maar toen wij alleen waren, drukte ik hem met aandoening de hand en zeide:

—Van dit oogenblik af zijn wij tot aan den dood toe aan elkander verbonden.

Hij zag mij met zijne groote oogen glimlachend aan.

—Dat wist ik vroeger ook al, zeide hij.

Mattia, die tot dusverre zich heel weinig met boeken had beziggehouden, maakte zeer groote vorderingen van het oogenblik af, dat hij de theorie der muziek van Kuhn las. Ongelukkig kon ik hem niet zoo laten werken, als ik wel gewild had en als hij zelf zou hebben verlangd, want wij moesten van 's morgens tot 's avonds loopen en legden groote afstanden af om zoo spoedig mogelijk Lozère en Auvergne achter den rug te hebben, daar beiden niet veel opleverden voor reizende zangers en muzikanten. In dit arme land verdient de landbouwer weinig en is hij dus niet zeer bereid om in zijn zak te tasten; doodkalm hoort hij toe, maar als hij bemerkt, dat men hem geld komt vragen, keert hij zich om en sluit zijne deur.

Over Saint-Flour en Issoire kwamen wij eindelijk aan de kleine badplaatsen, die het doel van onze reis waren, en het bleek nu dat de berenleider ons goed had ingelicht: te Bourboule en vooral te Mont-Dore deden wij voordeelige zaken.

Ik moet eerlijk bekennen, dat wij dit vooral aan Mattia te danken hadden, aan zijn slimheid en aan zijn tact. Wat mij betreft, zoodra ik eenige menschen bijeen zag, nam ik mijne harp en begon zoo goed mogelijk te spelen, maar altijd min of meer onverschillig. Mattia kweet zich beter van zijne taak; het was voor hem niet genoeg dat er eenige menschen samen waren om dan terstond te gaan spelen: vóór hij zijn viool of trompet nam, sloeg hij zijn publiek aandachtig gade, en dan wist hij al zeer spoedig of hij al of niet moest spelen en ook wat hij spelen moest.

In de school van Garofoli, die op groote schaal van de publieke weldadigheid partij trok, had hij in alle bijzonderheden de zoo moeilijke kunst geleerd om de mildheid of de sympathie van het publiek op te wekken, en de eerste maal, dat ik hem ontmoette op den zolder in de rue Lourcine, had hij mijne bewondering gaande gemaakt toen hij mij uitlegde hoe men de menschen tot geven bewegen kon; maar ik bewonderde hem nog veel meer, toen ik hem aan het werk zag.

In de badplaatsen vooral gaf hij bewijzen van zijn talent, in de eerste plaats tegenover de Parijzenaars, zijn vroeger publiek, dat hij had leeren kennen en hier terugvond.

—Opgepast, zeide hij, toen wij eene jonge dame in den rouw door de Capucijnerlaan zagen komen; wij moeten iets treurigs spelen; wij moeten trachten haar te doen denken aan den dierbaren afgestorvene, dien zij verloren heeft; als zij weent, is ons fortuin gemaakt.

En dan speelden wij zoo weemoedig en langzaam, dat het hart er van breken zou.

Op de wandelingen in de omstreken van Mont-Dore zijn er plekjes, die men salons noemt; het zijn groepen boomen, kleine boschjes, in wier lommer de badgasten eenige uren in de open lucht doorbrengen; Mattia sloeg het publiek van die salons aandachtig gade en naar gelang van den indruk, dien het op hem maakte, koos hij zijne stukken.

Als wij een zieke zagen, die zwaarmoedig op een stoel was neergezonken, bleek, met glazige oogen en uitgeteerde wangen, dan wachtten wij ons wel in zijne onmiddellijke nabijheid te gaan spelen en hem in zijne treurige overpeinzingen te storen. Wij plaatsten ons op een afstand, alsof wij muziek maakten voor ons zelven, maar wij speelden zoo goed mogelijk; nu en dan wierp hij een schuinschen blik op ons; als hij ons boos aanzag, gingen wij heen; als hij met genoegen naar ons scheen te luisteren, kwamen wij langzamerhand nader en Capi kon dan gerust zijn bakje ophouden; hij behoefde niet bang te zijn, dat hij een schop kreeg.

Maar vooral bij de kinderen maakte Mattia opgang; met zijn strijkstok scheen hij veerkracht aan hunne beenen te geven en wekte hij den lust tot dansen in hen op; als hij glimlachte, begonnen zij ook te lachen, zelfs als ze uit hun humeur waren. Hoe deed hij dat? Ik weet het niet; maar toch was het zoo; men schepte behagen in hem; men hield van hem.

De verdienste op onze reis overtrof verre onze verwachtigen; nadat wij alle verteringen betaald hadden, bezaten wij na korten tijd zeventig francs.

Zeventig francs met de honderd veertig, die wij in kas hadden, maakte tweehonderd tien; nu was de tijd gekomen om zoo spoedig mogelijk naar Chavanon te reizen over Ussel, waar, naar men ons had medegedeeld, in dezen tijd eene groote beestenmarkt werd gehouden, die met een kermis gepaard ging.

Een kermis, dat was juist iets voor ons; en eindelijk zouden wij dan die koe kunnen koopen, waarover wij zoo dikwijls hadden gesproken en waarvoor wij zoolang hadden gespaard.

Tot dusverre hadden wij ons slechts gelukkig gevoeld door dit vooruitzicht en hadden wij die koe zoo mooi gemaakt, als onze verbeelding ze maken kon: het zou eene witte koe zijn; daar stond Mattia bepaald op; zij zou lichtrood zijn; dat was mijn verlangen, ontstaan uit de herinnering aan Roussette van vrouw Barberin. Zij zou heel mak zijn en elken dag emmers melk geven. Het was meer dan heerlijk wat wij ons voorstelden.

Maar nu zouden al die droomen verwezenlijkt worden, en thans begonnen wij min of meer met de zaak verlegen te zijn.

Hoe zouden wij bij de keus van eene koe de zekerheid hebben, dat zij al de eigenschappen bezat, die wij in haar wenschten? Dat was eene zaak van gewicht! Welk eene verantwoordelijkheid rustte op ons! Ik wist niet hoe men eene goede koe kon onderscheiden van eene slechte en Mattia wist er niet veel meer van dan ik.

Wat ons nog ongeruster maakte, waren de zonderlinge verhalen, die wij in de herbergen hadden gehoord, sinds wij ons in het hoofd gesteld hadden om eene koe te koopen. Paardenkoopers en ossenkoopers waren allen bedriegers en schurken. Al die verhalen waren ons bijgebleven en maakten ons bevreesd voor de verwezenlijking van ons plan. Een boer koopt op de markt eene koe, die den mooisten staart heeft, dien ooit een koe heeft bezeten; met zoo'n staart kon zij haar neus zelfs afvegen, wat, zooals men weet, eene gewichtige eigenschap is; hij komt zeer tevreden thuis, want hij heeft niet te veel betaald voor dit merkwaardige dier. Den anderen morgen gaat hij eens naar zijn beestje kijken: het heeft volstrekt geen staart meer; die, welken zij scheen te hebben, was er aangeplakt, 't was een valsche staart. Een ander had een koe gekocht met valsche horens; een derde bespeurde, dat de uiers waren opgeblazen en dat zij niet meer dan een paar glazen melk gaf in de vier-en-twintig uren. Als wij eens op die wijze bedrogen werden!

Voor een valschen staart is Mattia niet bang; hij zal met zijn volle gewicht gaan hangen aan den staart van alle koeien, die hij plan heeft te koopen; en hij zal zoo hard trekken, dat de staart, als hij valsch is, wel in zijn handen zal blijven. Voor de opgeblazene uiers heeft hij ook een goed middel: hij zal er met een lange speld in prikken.

Dit waren middelen, die ontegenzeggelijk doeltreffend zouden wezen, als de staart valsch is of de uiers opgeblazen zijn; maar als de staart echt is, zal dan de koe geen geweldigen trap tegen den buik of het hoofd geven van hem, die eraan trekt, en zou zij hetzelfde niet doen, als men haar met een speld in het lichaam prikt?

De kans op zulk een trap bracht eenige kalmte in de plannen van Mattia en wij bleven aan dezelfde onzekerheid ten prooi: het zou een vreeselijke zaak zijn aan vrouw Barberin eene koe te geven, die geen melk gaf of geen horens had.

Onder de verhalen die men ons had verteld, was er een, waarbij een veearts een strenge rol speelde, althans tegenover een ossenkooper. Als wij een veearts in den arm namen, zou ons dit ongetwijfeld wel wat kosten, maar wij zouden dan zeker zijn van onze zaak.

In onze verlegenheid besloten wij tot het laatste, wat ons, in alle opzichten, nog het verstandigst voorkwam, en wij zetten vroolijk en tevreden onze reis voort.

Mont-Dore en Ussel liggen niet ver van elkander; wij legden dien afstand in twee dagen af en kwamen vrij vroeg in Ussel aan.

Ik was hier in zekeren zin in mijn eigen land; te Ussel was ik voor het eerst in het publiek opgetreden alsde knecht van den heer Joli-Coeur of de domste is niet hij, dien men er voor houdt. Te Ussel was het ook dat Vitalis mij mijn eerste paar schoenen had gekocht, die schoenen met spijkers, die mij zoo gelukkig gemaakt hadden.

Arme Joli-Coeur; hij was er niet meer met zijn mooie roode uniform van engelsch admiraal, en Zerbino en de bevallige Dolce waren er ook niet meer.

Arme Vitalis; ook hem had ik verloren en nooit zou ik hem meer zien, zooals hij met opgeheven hoofd en met zijn breede borst vooruitstapte, terwijl hij met zijn armen en beenen de maat aangaf, een wals spelende op zijn schelle fluit.

Van ons zestal waren er maar twee meer overgebleven: Capi en ik. Geen wonder dat ik treurig te moede was, toen ik te Ussel kwam; onwillekeurig verbeeldde ik mij, dat ik zoo straks den grijzen hoed van Vitalis zou zien, wanneer ik den hoek eener straat omsloeg, en dat ik weer die bekende woorden zou hooren, die mij zoo vaak in de ooren klonken: "voorwaarts!"

De winkel van den oudkleerkoop, waarheen Vitalis mij gebracht had om een kunstenaarsvoorkomen aan me te geven, verdreef gelukkig die sombere gedachten; ik vond dien nog evenzoo als ik hem de eerste maal gezien had, toen ik de drie glibberige trappen afging. Voor de deur hing nog dezelfde rok met galons op de naden, die mij toen met bewondering had vervuld; en in de toonkast zag ik dezelfde oude geweren en dezelfde oude lompen.

Ik wilde ook de plaats terugzien, waar ik het eerst was opgetreden, toen ik de rol vervulde van "de knecht van den heer Joli-Coeur," namelijk van den domste der twee. Capi herkende eveneens de plek en kwispelstaartte.

Nadat wij onze reiszakken en instrumenten in de herberg hadden gebracht, waar ik met Vitalis had gelogeerd, gingen wij een veearts zoeken.

Toen deze vernam wat wij van hem vroegen, begon hij ons hartelijk uit te lachen.

—Maar er zijn geen geleerde koeien in dit land, zeide hij.

—Wij willen ook geen koe hebben die kunsten maakt, maar eene die goede melk geeft.

—En die een heuzigen staart heeft, voegde Mattia erbij, wien de gedachte aan een valschen staart bijzonder kwelde.

—In één woord, mijnheer de veearts, wij komen uw hulp en kennis vragen om te voorkomen, dat wij door beestenkoopers worden bedrogen.

Ik zeide dat op een voornamen toon, zooals Vitalis aannam, als hij de menschen wilde overbluffen.

—En wat drommel woudt ge met een koe doen? vroeg de veearts.

In weinige woorden had ik hem uitgelegd wat mijn doel was.

—Je bent een paar goede jongens, sprak hij; morgenochtend zal ik met je naar de beestenmarkt gaan, en ik beloof je, dat de koe die ik koopen zal geen valschen staart zal hebben.

—En ook geen valsche horens? zeide Mattia.

—Ook geen valsche horens.

—En geen opgeblazen uiers?

—Het zal een mooie, goede koe zijn, maar om ze te koopen, moet men geld hebben.

Als eenig antwoord knoopte ik mijn zakdoek los, waarin wij onzen schat bewaarden.

—In orde; kom mij morgenochtend maar afhalen om zeven ure.

—En hoeveel zijn we u schuldig, mijnheer de veearts?

—Niemendal; denkt ge dat ik geld zou aannemen van zulke flinke jongens, als jelui!

Ik wist niet wat ik zeggen zou om hem onzen dank te betuigen; maarMattia had een idée.

—Houdt u van muziek, mijnheer, vroeg hij?

—Heel veel, beste jongen.

—En u gaat vroeg naar bed?

—Met het slaan van negenen.

—Nogmaals dank, mijnheer. Morgen om zeven uren zullen wij bij u zijn.

Ik begreep wat Mattia van plan was.

—Je wilt een concert aan den veearts geven, zeide ik.

—Juist; een serenade als hij naar bed gaat; dat doet men voor menschen, van wie men houdt.

—Dat is een goed idee; laten wij nu naar onze herberg teruggaan en voor ons concert gaan zorgen; voor de menschen, die betalen, doet het er zooveel niet toe, maar als men zich zelven betaalt, dan zorgt men dat het goed is.

Drie minuten voor negenen stonden wij voor 't huis van den veearts; Mattia met zijn viool en ik met mijn harp; de straat was donker, want de maan ging pas te negen uren op en men had goedgevonden om de lantaarnen niet aan te steken, terwijl de winkels al gesloten waren. Men zag bijna geen menschen meer op straat.

Met den eersten slag van negenen begonnen wij. In die enge stille straat klonken onze instrumenten als in de beste zaal; men opende de vensters en wij zagen een aantal hoofden met doeken, petten en mutsen daaruit te voorschijn komen; men riep elkander uit het eene venster naar het andere toe.

Onze vriend de veearts woonde in een huis dat op een zijner hoeken een kleinen bevalligen toren had. Een der vensters van het torentje werd geopend en hij stak zijn hoofd naar buiten om te zien wie er speelde.

Zeker herkende hij ons en hij begreep onze bedoeling, want hij wenkte met de hand, dat wij niet voort zouden gaan.

—Ik zal de deur openen, zeide hij, dan kunt gij in den tuin spelen.

Bijna op hetzelfde oogenblik werd de deur geopend.

—Ge zijt goede jongens, sprak hij, terwijl hij ons beiden hartelijk de hand drukte, maar ge zijt dwaas; hebt ge er dan niet aan gedacht dat een agent van politie u zou kunnen oppakken wegens straatgerucht!

Wij zetten ons concert voort in den tuin, die niet zeer groot was, maar zeer netjes aangelegd, met een priëel dat met slingerplanten was begroeid.

De veearts was gehuwd en had verscheidene kinderen; wij hadden dus spoedig een ganschen kring van toehoorders om ons heen; men stak kaarsen aan in het priëel en wij speelden tot tien ure. Als er een stukje uit was, juichte men ons toe en vroeg men een ander.

Als de veearts ons niet eindelijk schertsend weggejaagd had, zouden wij den halven nacht hebben voortgespeeld.

—Kom jongens, zeide hij, maakt nu dat je wegkomt, want morgenochtend om zeven ure moet ge weer hier zijn.

Maar hij liet ons niet gaan, zonder ons een goed maal voor te zetten, dat ons recht naar den zin was. Om hem onze dankbaarheid te bewijzen, liet ik Capi nog eenige van zijn mooiste kunsten vertoonen, wat vooral bijzonder in den smaak der kinderen viel. 't Was bijna middernacht toen wij heengingen.

In het stadje Ussel, dat des avonds zoo kalm en rustig was, heerschte den anderen morgen groote drukte en getier. Vóór de zon nog aan den hemel was, hoorden wij in onze kamer onophoudelijk het geratel van wagens op de steenen en het hinniken van paarden, het loeien van koeien en het blaten van schapen, vermengd met het praten en schreeuwen van de boeren die ter markt gingen.

Toen wij beneden kwamen, was het plein achter de herberg vol wagens en karren, terwijl uit de rijtuigen, die voor de deur stilhielden, boeren in hun zondagskleeren stegen, die hunne vrouwen in de armen namen om ze op den grond te zetten. Als ze daar stonden, schudden en rekten allen zich uit en streken de vrouwen hare gekreukte rokken glad.

In de straat vormden de menschen een breeden stroom, die naar het marktveld vloeide, en daar het nog geen zes ure was, gingen ook wij er heen om de koeien te zien, die reeds aangevoerd waren en eene keuze te doen.

Welke prachtige koeien waren er bij! Men had er van allerlei kleur en van allerlei grootte; er waren vette en magere; sommige met hare kalveren, andere met zware uiers; op het marktplein waren ook paarden, die hinnikten; merries, die haar veulens lekten; vette varkens, die kuilen in den grond groeven; speenvarkens, die schreeuwden of zij gevild werden; voorts schapen, kippen en ganzen. Maar om die allen bekommerden wij ons niet; wij hadden alleen maar oogen voor de koeien, die ons onderzoek doorstonden, terwijl zij met haar groote oogen knipten en langzaam met haar onderkaak heen-en-weder schoven, haar laatsten maaltijd herkauwend, zonder eraan te denken, dat zij nooit meer het gras zouden eten van de weiden, waar zij werden grootgebracht.

Na een halfuur te hebben rondgedoold, hadden wij er zeventien gevonden, die volkomen aan ons doel beantwoordden, de eene om deze, de andere om gene eigenschap; drie omdat zij rood waren, twee andere omdat zij wit waren, wat natuurlijk een punt van geschil was tusschen Mattia en mij.

Te zeven ure waren wij bij den veearts, die ons wachtte en wij gingen met hem naar de markt terug. Onderweg vertelden wij hem nogmaals, welke eigenschappen wij in onze koe verlangden.

Deze kwamen in hoofdzaak hierop neder, dat zij weinig moest eten en veel melk moest geven.

—Dat moet een goede zijn, zeide Mattia, naar eene witte koe wijzende.

—Ik geloof dat die andere beter is, zeide ik, en wees naar eene roode.

De veearts maakte ons geschil uit door noch de eene noch de andere te kiezen; hij ging naar eene derde; eene kleine koe met magere pooten, rood van haar met bruine ooren en wangen, zwarte kringen om de oogen en een witten kring aan den snuit.

—Dit is eene koe uit Rouergue, zeide hij; juist eene zooals gij hebben moet.

Een boer met een armelijk voorkomen had haar aan een touw.

—Wat moet gij voor die koe hebben? vroeg de veearts.

—Drie honderd francs.

Reeds had die kleine vlugge koe, zoo fijn van vormen en met zoo'n verstandigen kop ons hart gestolen; maar toen hij drie honderd francs vroeg, waren wij nog wanhopend.

Drie honderd francs! dat maakte onze rekening volstrekt niet. Ik wenkte den veearts, dat wij maar naar eene andere koe moesten omzien; hij, van zijn kant, gaf me een wenk, dat wij integendeel moesten volhouden.

Toen volgde er een loven en bieden tusschen den boer en den veearts; hij bood honderd vijftig francs; de boer sloeg tien francs af. De veearts kwam tot honderd tachtig francs, de boer tot twee honderd tachtig.

Maar toen de onderhandeling zóó ver was gevorderd, en onze hoop weder begon te herleven, nam zij opeens eene andere wending. De veearts begon de koe eens nauwkeurig op te nemen; zij had te zwakke pooten; de nek was te kort; de horens waren te lang; zij had geen longen; de uiers waren niet goed gevormd.

De boer zeide, dat, daar wij zooveel verstand van koeien hadden, hij de koe voor twee honderd vijftig francs zou verkoopen, omdat zij in goede handen kwam.

Toen kregen we opeens een heimelijken angst, dat de koe niet deugde.

—Laten wij maar eens naar andere koeien gaan kijken.

Toen hij dit hoorde, sloeg de boer opnieuw tien francs af.

Zoo kwam hij ten slotte op twee honderd francs: maar lager wilde hij niet gaan.

De veearts stootte mij tersluiks aan om mij te doen begrijpen, dat het kwaad, hetwelk hij van de koe gezegd had, niet was gemeend en dat het dier, inplaats van zooveel gebreken te hebben, voortreffelijk was. Maar twee honderd tien francs was eene geduchte som voor ons.

Onderwijl was Mattia achter de koe gaan staan en had ze een haar uit den staart getrokken, waarop het dier met een trap had geantwoord.

Dit gaf den doorslag.

—Welnu, voor twee honderd tien francs neem ik de koe, zeide ik, en meende, dat nu alles in orde was.

Ik stak mijn hand al uit om het touw te vatten, maar de boer liet het niet los.

—En de fooi? zeide hij.

Opnieuw gingen wij aan het onderhandelen; thans over de fooi en wij kwamen overeen, dat we een franc zouden geven. Wij hadden dan nog drie francs over.

Wederom stak ik mijn hand uit; de boer drukte mij die zoo stevig of wij oude vrienden waren.

Omdat ik zijn vriend was, zou ik het drinkgeld niet vergeten.

Dat was weder een halve franc.

Voor de derde maal wilde ik het touw vatten, maar mijn vriend, de boer, hield mij tegen.

—Ge hebt geen halster, zeide hij; ik verkoop wel de koe, maar niet den halster.

Daar ik zijn vriend was, wilde hij mij echter wel den halster overdoen. Met anderhalven franc was hij tevreden; dat was niet duur.

Een halster hadden wij noodig om onze koe te leiden, en ik stemde er dus in toe. Ik hield toch nog altijd een franc over.

—Waar is je touw? vroeg hij. Ik heb u den halster verkocht, maar niet het touw.

Het touw kostte ons een franc; dat was onze laatste.

Toen die betaald was, werd ons de koe afgeleverd met haar halster en touw.

Wij hadden nu eene koe, maar geen stuiver meer om haar te voeden of in ons eigen onderhoud te voorzien.

—Dan gaan we maar weer aan 't werk, zeide Mattia: de herbergen zijn vol menschen en als wij elk onzen weg gaan, kunnen wij overal gaan spelen en van avond zullen wij met eene goede som thuiskomen.

Wij brachten onze koe in den stal van onze herberg, waar wij haar stevig vastmaakten. Daarop gingen wij beiden de stad in en toen wij 's avonds onze rekening opmaakten, bleek het, dat Mattia vier en een halven franc en ik drie francs had ontvangen.

Zeven en een halven franc hadden wij weer: wij waren rijk.

Maar het genot dat wij zeven en een halven franc hadden verdiend, beteekende niets vergeleken met onze vreugde, dat wij er twee honderd veertien hadden uitgegeven.

Wij wisten de keukenmeid over te halen, dat zij onze koe zou melken en wij dronken des avonds haar melk; nooit hadden wij zulke lekkere melk gedronken. Mattia verzekerde, dat er suiker in was en dat zij naar oranjebloesem smaakt. Zij was nog beter dan de melk die hij in het gasthuis had gedronken.

In onze opgetogen blijdschap gingen wij naar den stal en kusten onze koe op haar zwarten snuit; blijkbaar was zij gevoelig voor die liefkoozing, want zij lekte onze wangen met haar ruwe tong.

—Ze zoent me, riep Mattia, buiten zich zelven van opgetogenheid.

Het genot de koe te liefkoozen en door haar geliefkoosd te worden zal men beter begrijpen, als men weet dat Mattia noch ik in dit opzicht verwend was; wij behoorden niet tot die gelukkige kinderen, die door hunne moeders zóó overladen worden, dat zij er zich zelfs tegen verzetten. Beiden gevoelden wij, dat ook wij gaarne dat genot zouden hebben gesmaakt.

Den anderen morgen stonden wij op met het krieken van den dag en begaven ons terstond op weg naar Chavanon.

Daar ik Mattia dankbaar was voor de hulp, die hij mij had verleend—want zonder hem zou ik nooit die som van twee honderd veertien francs bijeen hebben gekregen—gaf ik hem het genoegen onze koe te leiden en hij was recht gelukkig, dat hij het touw mocht vasthouden, terwijl ik er achter liep. Eerst toen wij buiten de stad waren gekomen, ging ik naast hem loopen, om als gewoonlijk met hem te praten, maar vooral om onze koe te zien. Nooit had ik zoo'n mooie koe ontmoet.

Zij zag er dan ook heel goed uit; langzaam stapte zij voort, met haar kop buigende, als een dier, dat volkomen zijne waarde beseft.

Thans behoefde ik niet onophoudelijk mijne kaart te raadplegen zooals ik deed sedert wij Parijs verlaten hadden; ik wist waar ik heenging; en ofschoon er reeds vele jaren verloopen waren sinds ik met Vitalis dien weg had afgelegd, herkende ik toch alle bijzonderheden.

Teneinde onze koe niet te vermoeien en om niet te laat in den avond te Chavanon te komen was mijn plan, te overnachten in het dorp, waar ik den eersten nacht met Vitalis had doorgebracht, op het varen bed waar de goede Capi, toen hij mijn verdriet had bemerkt, zich naast mij uitstrekte en zijn poot in mijne hand legde om mij te kennen te geven, dat hij mijn vriend wilde zijn. Van daar begaven wij ons den anderen morgen op weg, om reeds bijtijds bij moeder Barberin te komen.

Maar het lot, dat ons tot hiertoe zoo gunstig was geweest, werkte ons thans tegen en deed ons van plan veranderen.

Wij hadden bepaald dat wij onzen tocht in tweeën zouden verdeelen en tegen het midden van den dag ons ontbijt zouden gebruiken, vooral ook om onze koe te laten eten van het gras, dat langs den weg groeide.

Tegen tien uur vonden wij een plek waar het gras welig en malsch was; daar legden wij onze zakken neder en lieten onze koe in de greppel afdalen.

Eerst wilde ik haar aan het touw vasthouden, maar zij was zoo rustig en zoo gewoon om te grazen, dat ik haar het touw om de horens wond en bij haar ging zitten om mijn boterham te eten.

Natuurlijk waren wij veel spoediger daarmede gereed dan zij. Toen wij haar een poos lang bewonderd hadden, gingen wij, om den tijd te dooden, met ons beiden knikkeren, want men moet niet gelooven, dat wij een paar brave, ernstige, oude mannetjes waren, die alleen maar dachten aan geld verdienen. Al leidden wij ook een leven, zooals knapen op onze jaren niet gewoon zijn, toch waren wij in ons hart nog jongens van denzelfden aard als anderen en speelden wij gaarne. Geen dag ging er voorbij dat wij niet een uurtje knikkerden, met den bal speelden, of haasje-over sprongen. Dikwijls gebeurde het dat Mattia mij zonder aanleiding opeens vroeg: "willen wij wat spelen?" En dan wierpen wij onmiddellijk onze zakken en onze instrumenten neder en middenop den weg begonnen wij dan ons spel. Als ik geen horloge gehad had, dat mij zeide hoe laat het was, zouden wij tot 's avonds hebben doorgespeeld. Maar dan ontwaakte het besef in mij, dat ik aan het hoofd van den troep stond en dat wij werken moesten om het geld te verdienen, dat wij voor ons onderhoud noodig hadden. Dan legde ik den riem van mijne harp over den schouder en voorwaarts ging het dan weder.

Wij waren klaar met spelen vóórdat de koe klaar was met grazen, en toen zij ons naar zich toe zag komen, begon zij groote plukken gras met haar tong af te rukken, alsof zij ons zeggen wilde, dat zij nog lang niet gereed was.

—Laten wij nog maar een oogenblik wachten, zeide Mattia.

—Weet gij dan niet, dat eene koe den ganschen dag kan eten?

—Een oogenblikje maar.

Al wachtende, namen wij onze zakken en instrumenten weder op.

—Als ik eens een deuntje op mijn horen voor haar speelde? zeide Mattia, die niet werkeloos kon zijn. Wij hadden in het paardenspel van Gassot eene koe, die veel van muziek hield.

Zonder mijn antwoord af te wachten, maakte Mattia een fanfare.

Bij de eerste tonen lichtte onze koe den kop op, maar eensklaps, vóór ik haar nog bij de horens had kunnen grijpen, om het touw te vatten, rende zij in galop voort.

Wij renden haar na en liepen zoo hard wij konden, met alle macht haar terugroepende.

Ik riep Capi toe, dat hij ze zou tegenhouden; maar men kan niet alle talenten te gelijk bezitten. Een hond van een koeherder zou haar tegen den neus zijn gesprongen, maar Capi, die een geleerde hond was, sprong tegen haar pooten op.

Dit hield haar natuurlijk niet tegen; zij rende voort en wij haar achterna.

Onder het loopen riep ik tot Mattia: "Stommerik!" En hij antwoordde, eveneens voortdravende:

—Je moogt me een pak slaag geven; ik heb het verdiend.

Wij hadden ons neergezet om te ontbijten op een halfuur afstand van een groot dorp; daarheen rende nu onze koe en zij kwam er natuurlijk veel eerder aan dan wij. De weg was recht en wij zagen nu, niettegenstaande wij nog op verren afstand waren, dat men haar tegenhield en zich van haar meester maakte.

Toen liepen wij minder snel; wij behoefden haar slechts te vragen van de goede menschen, die haar hadden vastgehouden, en die zouden ze ons wel teruggeven.

Naarmate wij dichterbij kwamen, was het aantal omstanders toegenomen, en toen we eindelijk naast haar stonden, zagen wij ons omringd door een twintigtal mannen, vrouwen en kinderen, die het zeer druk over ons hadden.

Ik had gedacht dat ik mijne koe maar behoefde te vragen, om ze te krijgen, maar inplaats daarvan, deed men ons van alle kanten allerlei vragen: waar wij vandaan kwamen en hoe die koe in ons bezit was gekomen?

Onze antwoorden waren even eenvoudig als gemakkelijk: maar zij overtuigden die menschen volstrekt niet en twee of drie stemmen gingen er op, die ons toeriepen, dat wij de koe, die ons ontloopen was, gestolen hadden; dat wij naar de gevangenis moesten gebracht worden, in afwachting dat de zaak werd opgehelderd.

Dat vreeselijke woord "gevangenis" joeg mij een killen schrik op het lijf; ik raakte verward en dat was ons ongeluk: ik verbleekte, begon te stotteren en daar ik door het harde loopen mijn adem verloren had, was ik buiten staat te antwoorden.

Middelerwijl was er een gendarme gekomen; met een paar woorden vertelde men hem onze geschiedenis, en daar ze hem niet in orde scheen, zeide hij, dat onze koe zou worden opgestald en hij ons naar de gevangenis brengen zou.

Ik wilde er mij tegen verzetten; Mattia wilde ook wat zeggen, maar op strengen toon legde de gendarme ons het stilzwijgen op, en daar ik mij herinnerde wat er met Vitalis te Toulouse was gebeurd, zeide ik tot Mattia, dat wij maar moesten zwijgen en den gendarme volgen.

Het gansche dorp liep ons na tot het stadhuis, waar de gevangenen bewaard werden. Men omringde ons van alle zijden; men duwde ons; men schold ons uit en als de gendarme er niet bij geweest was, zou men ons met steenen hebben geworpen, misschien nog wel erger, alsof wij de grootste misdadigers, moordenaars of brandstichters waren. Toch hadden wij volstrekt geen kwaad gedaan. Maar zoo is nu eenmaal de menigte; zij vindt er genot in ongelukkigen te mishandelen, zonder te weten wat zij gedaan hebben, ja zelfs zonder te weten of zij schuldig zijn of niet.

Aan de gevangenis gekomen, had ik nog een oogenblik hoop: de portier van het stadhuis, die tevens cipier was en veldwachter bovendien, wilde ons eerst niet toelaten. Ik zeide al bij mij zelven, dat dit tenminste een braaf man was. Maar toen de gendarme aanhield, gaf hij eindelijk toe. Voor ons uitgaande, opende hij eene groote deur, die van buiten met een zwaar slot en twee stevige grendels was gesloten. Toen eerst bemerkte ik, waarom hij eerst moeilijkheid had gemaakt om ons te ontvangen: hij had namelijk het vertrek, dat tot gevangenis diende, tot bewaarplaats voor zijn uien ingericht en daarmee lag dan ook de grond bedekt. Terwijl men onze zakken doorzocht, onze messen en lucifers enz. afnam, veegde de cipier zijne uien in een hoek bijeen. Toen sloot men de deur en het gedruisch dat het omdraaien van den sleutel en het dichtschuiven van de grendels maakten, klonk verschrikkelijk akelig.

Wij zaten dus in de gevangenis. Voor hoelang?

Toen ik mezelven die vraag deed, kwam Mattia voor mij staan en zeide, terwijl hij zijn hoofd voor mij boog:

—Geef me maar een geducht pak slaag; sla nu maar goed raak; je kunt me niet zwaar genoeg straffen voor mijn domheid.

—Je hebt een domme streek begaan en ik heb ze toegelaten; ik ben even dom geweest als jij.

—Ik zou liever hebben dat je me een pak slaag gaaft; dan zou ik minder verdriet hebben; onze koe! onze arme koe! de koe van den prins!

Hij begon bitter te schreien.

Toen was het mijn beurt om hem te troosten en hem aan 't verstand te brengen, dat onze toestand zoo erg niet was. Wij hadden geen kwaad gedaan en het zou ons niet moeilijk vallen te bewijzen, dat wij onze koe gekocht hadden; de goede veearts uit Ussel zou onze getuige wezen.

—En als men ons beschuldigt, dat wij het geld gestolen hebben, waarvoor wij de koe hebben gekocht, hoe zullen wij dan bewijzen, dat wij het eerlijk hebben verdiend? Je ziet toch wel dat ongelukkigen van alles worden verdacht en beschuldigd.

Mattia had gelijk; ik wist maar al te goed, dat men hardvochtig is voor ongelukkigen; de kreten waarmede men ons vervolgd had tot voor de deur der gevangenis, bewezen het immers maar al te goed.

—En dan, zeide Mattia, nog altijd weenende, als wij uit de gevangenis ontslagen worden en onze koe terugkrijgen, zullen wij dan vrouw Barberin vinden?

—Waarom zouden wij haar niet vinden?

—Zij is mogelijk gestorven in den tijd, dat gij haar niet gezien hebt.

Die vrees sloeg ook mij om 't hart. Het was inderdaad heel goed mogelijk, dat vrouw Barberin gestorven was; want hoewel ik nog niet op den leeftijd was, waarop men aan den dood denkt, wist ik toch bij ondervinding, dat men verliezen kon wie men liefheeft. Had ik Vitalis niet verloren? Hoe kwam het, dat ik zelf daaraan niet reeds vroeger had gedacht?

—Waarom hebt ge me dat niet eerder gezegd? vroeg ik.

—Heel eenvoudig; als ik gelukkig ben, heb ik slechts prettige dingen in mijn hersens, en als ik ongelukkig ben, alleen treurige. En ik was zoo gelukkig bij de gedachte, een koe thuis te brengen bij vrouw Barberin, dat ik haar alleen maar voor me had, blijde en lachend over haar koe en ook enkel onze blijdschap zag. Dat vervulde me zoo met vroolijke gedachten, dat ik voor niets anders gevoel had.

—Uw hoofd is niet dommer dan het mijne, beste Mattia, want ik heb evenmin als gij aan iets anders gedacht. Evenals gij had ik voor niets gevoel dan voor dat ééne gelukkige oogenblik, waarop wij vrouw Barberin haar koe zouden geven.

—Och, och! die koe van den prins! riep Mattia schreiend uit. 't Is een mooie prins!

Plotseling stond hij op en met heftige gebaren riep hij uit:

—Als vrouw Barberin eens dood was en die ellendeling van een Barberin nog leefde en onze koe ons afnam en misschien u zelven ook nog hield!

Zeker was het de invloed van de gevangenis, die zulke zwaarmoedige gedachten bij ons deed oprijzen; 't was dat geschreeuw van de menigte; 't was de gendarme; 't was het gedruisch van het slot en de grendels, die men achter ons had gesloten.

Maar Mattia dacht niet slechts aan ons, maar ook aan onze koe.

—Wat zal men ze te eten geven? Wie zal haar melken?

Het eene uur na het andere verstreek, terwijl wij ons aan die treurige overpeinzingen overgaven, en hoe langer het duurde, zooveel te zwaarmoediger werden wij.

Ik trachtte Mattia op te beuren door hem te zeggen, dat men ons in ieder geval toch verhooren zou.

—En wat zullen wij dan zeggen?

—De waarheid.

—Maar dan zullen ze ons aan Barberin overgeven, of, als vrouw Barberin alleen thuis, zal men haar ondervragen om te zien of wij niet liegen, en dan zullen we haar niet meer kunnen verrassen.

Eindelijk werd de deur met groot geweld geopend en wij zagen een ouden heer binnenkomen, wiens open gelaat terstond onze hoop herleven deed.

—Alloh! kwajongens, staat op, zeide de cipier, en antwoordt op hetgeen mijnheer de vrederechter je vragen zal.

—'t Is goed, 't is goed, sprak de vrederechter, terwijl hij den cipier een wenk gaf om hem alleen te laten; ik zal eerst dien knaap in verhoor nemen—daarbij wees hij met zijn vinger naar mij—, breng den anderen zoolang weg en bewaar hem goed; ik zal later met hem spreken.

Ik achtte het noodig in de gegeven omstandigheden Mattia te waarschuwen hoe hij antwoorden moest en zeide: "Evenals ik, mijnheer de vrederechter, zal hij u de waarheid en niets meer dan de waarheid zeggen."

—Dat is goed, dat is goed, sprak de vrederechter weder kortaf, alsof hij voorkomen wilde, dat ik nog meer zeide.

Mattia werd weggebracht, maar hij had toch nog gelegenheid om mij door een blik te kennen te geven, dat hij mij had begrepen.

—Men beschuldigt u eene koe te hebben gestolen, zeide de vrederechter, mij strak in de oogen ziende.

Ik antwoordde, dat wij die koe gekocht hadden te Ussel en ik noemde den naam van den veearts, die ons bij het koopen geholpen had.

—Dat zal kunnen blijken.

—Dat hoop ik, want daardoor alleen kan onze onschuld aan het licht komen.

—En met welk doel hebt gij die koe gekocht?

—Om ze naar Chavanon te brengen en ze present te geven aan eene vrouw, die mijne min is geweest en die ik nu mijne dankbaarheid wilde betoonen voor hare zorgen en een bewijs van genegenheid wilde geven.

—Hoe heet die vrouw?

—Barberin.

—Is dat de vrouw van een metselaar, die eenige jaren geleden teParijs een ongeluk kreeg?

—Ja, mijnheer.

—Ook dat zal kunnen blijken.

Op die woorden antwoordde ik niet zooals ik gedaan had, toen het den veearts te Ussel gold.

Toen hij mijne verlegenheid bespeurde, deed de vrederechter mij allerlei vragen en eindelijk bekende ik de reden van mijn zwijgen: als hij bij vrouw Barberin een onderzoek instelde, zou ons plan geheel verijdeld zijn; wij zouden haar dan niet meer kunnen verrassen.

Ondanks mijne verlegenheid, maakte zich toch een gevoel van gerustheid van mij meester; nu de vrederechter vrouw Barberin kende en narichten bij haar wilde inwinnen, om te weten of ik waarheid had gesproken, was dit een bewijs, dat zij nog in leven was.

Maar nog meer genoegen deed het mij, uit hetgeen de vrederechter verder sprak te kunnen opmaken, dat Barberin voor eenigen tijd weder naar Parijs was teruggekeerd.

Dit maakte mij zóó gelukkig, dat ik hem wist over te halen om zich tot het onderzoek bij den veearts te bepalen, daar dit toch voldoende was om te bewijzen, dat wij onze koe niet hadden gestolen.

—En hoe zijt gij aan zooveel geld gekomen, om een koe te kunnen koopen?

Dat was de vraag, waarover Mattia zich zoo ongerust maakte, toen hij voorzag, dat zij ons zou worden gedaan.

—Dat hebben wij verdiend.

—Waar en hoe?

Ik vertelde hem toen hoe wij van Parijs naar Varses en van Varses tot Mont-Dore, stuiver voor stuiver hadden verdiend en bewaard.

—En wat ging-je te Varses doen?

Die vraag noodzaakte mij opnieuw een heel verhaal te geven van mijn lotgevallen. Toen de vrederechter hoorde, dat ik in de mijn van Truyère begraven was geweest, viel hij mij in de rede en op veel zachteren, bijna vriendelijken toon vroeg hij:

—Wie van u beiden is Rémi?

—Die ben ik, mijnheer.

—Hoe bewijst gij dat? Gij hebt geen papieren, zooals de gendarme mij gezegd heeft.

—Neen, die heb ik niet.

—Vertel mij dan eens hoe dat ongeluk te Varses in zijn werk is gegaan. Ik heb het verhaal daarvan in de couranten gelezen, en als gij de wezenlijke Rémi niet zijt, kunt gij mij niet misleiden. Ik luister; pas dus goed op.

De vriendelijke toon van den vrederechter gaf mij moed: ik zag duidelijk, dat hij ons niet vijandig gezind was.

Toen ik mijn verhaal had geëindigd, zag de vrederechter mij een poos lang aan en op zijn gelaat was hartelijkheid en deelneming te lezen. Ik verbeeldde me, dat hij mij nu terstond in vrijheid zou stellen; maar dat gebeurde niet. Zonder een woord verder te spreken, liet hij mij alleen. Zeker ging hij thans Mattia in verhoor nemen, om te zien of onze twee verhalen overeenstemden.

Geruimen tijd bleef ik aan mijne eigene overdenkingen overgelaten; eindelijk kwam de vrederechter terug met Mattia.

—Ik zal narichten inwinnen te Ussel, zeide hij, en als die, zooals ik hoop, bevestigen wat gij mij verteld hebt, dan zal ik u morgen in vrijheid doen stellen.

—En onze koe? vroeg Mattia.

—Die krijgt gij dan terug.

—Dat bedoel ik niet, hernam Mattia, maar wie zal ze te eten geven? en wie zal ze melken?

—Maak je daar maar niet ongerust over, vriendje.

Mattia was door die woorden geheel gerustgesteld.

—Als men onze koe melkt, zeide hij met een glimlach, zou men ons dan de melk niet kunnen bezorgen? Dat zou heerlijk zijn voor ons avondeten.

Zoodra de vrederechter vertrokken was, deelde ik aan Mattia de twee gewichtige tijdingen mede, die me bijna deden vergeten, dat ik in de gevangenis was: vrouw Barberin leefde en Barberin zelf was te Parijs.

—De koe van den prins zal dan een luisterrijken intocht houden, zeide Mattia.

En in zijne vreugde begon hij te dansen en te zingen; ik greep zijne twee handen, door zijne vroolijkheid medegesleept en Capi, die tot hiertoe treurig en onrustig in zijn hoek had gelegen, ging op zijne achterpooten tusschen ons beiden instaan. Toen begonnen wij zoo lustig en levendig te dansen, dat de cipier ongerust werd—waarschijnlijk om zijne uien—en kwam zien wat wij uitvoerden.

Hij verzocht ons wat bedaard te zijn; maar hij sprak nu niet zoo ruw als toen hij de eerste maal met den vrederechter binnenkwam.

Ook daaruit leidden wij af, dat onze toestand zoo erg niet was en spoedig ontvingen we het bewijs, dat we ons hierin niet bedrogen; want weldra kwam hij terug met eene groote terrine vol melk—melk van onze koe! Maar dat was nog niet alles: hij gaf ons ook een groot wittebrood met een stuk koud kalfsvleesch, dat, zooals hij zeide, van den vrederechter kwam.

Nooit werden gevangenen zoo goed behandeld; toen ik mijn kalfsvleesch at en mijn melk erbij dronk, kreeg ik een veel betere meening omtrent gevangenissen; zij waren blijkbaar veel aangenamer dan ik mij ooit had voorgesteld.

Dat was ook het oordeel van Mattia.

—Eten en slapen zonder dat het een cent kost, zeide hij lachend; dat is een buitenkansje.

Ik wilde hem bang maken en zeide:

—Als nu de veearts eens plotseling gestorven was, wie zou dan voor ons getuigen?

—Zulke dingen denkt men alleen maar, als men ongelukkig is, antwoordde hij, zonder boos te worden, en dat zijn wij op dit oogenblik niet.

Onze nacht op een veldbed was niet al te slecht: wij hadden er wel slechter doorgebracht, als wij onder den blooten hemel moesten slapen.

—Ik heb gedroomd dat onze koe haar intocht hield, zeide Mattia toen hij ontwaakte.

—Ik ook.

Te acht uren werd onze deur geopend en wij zagen den vrederechter binnenkomen, gevolgd door onzen vriend den veearts, die ons zelf in vrijheid had willen stellen.

Wat den vrederechter betreft, zijne belangstelling voor twee onschuldige gevangenen bepaalde zich niet tot het eten, dat hij ons den vorigen avond had gezonden; hij gaf mij een groot vel papier met een zegel er op.

—Gij zijt een paar domme jongens, sprak hij minzaam, dat gij zoo maar op weg gaat; hier hebt gij een paspoort, dat ik door den burgemeester in orde heb doen maken, en dat zal u voortaan voor moeilijkheden bewaren. Goede reis, jongens!

Toen gaf hij elk van ons de hand en de veearts drukte die eveneens recht hartelijk.

Op schandelijke wijze waren wij het dorp binnengekomen; zegepralend mochten wij het thans verlaten; wij hadden onze koe aan het touw en stapten voort met opgeheven hoofd, met fiere blikken de dorpelingen aanziende, die zich voor hunne woning vertoonden.

—Eén ding spijt mij maar, zeide Mattia: dat wij den gendarme niet tegenkomen, die ons naar de gevangenis heeft gebracht.

—De gendarme had ongelijk, maar wij hadden ook ongelijk, toen wij geloofden dat zij, die ongelukkig zijn, ook niets goeds hebben te wachten.

—Omdat wij niet heelemaal ongelukkig waren, hebben wij nog wat goeds ondervonden; als men vijf francs op zak heeft, is men nog niet heelemaal ongelukkig.

—Gisteren mocht gij dat nog zeggen, maar vandaag niet meer; je hebt toch gezien, dat er nog brave menschen in de wereld zijn.

Wij hadden eene te goede les gehad om weder het touw van onze koe los te laten; zij was heel goedig, dat is waar, maar zij was ook geducht schichtig.

Weldra hadden wij het dorp bereikt, waar ik den eersten nacht metVitalis doorgebracht had. Van daar hadden wij nog slechts eene vlaktedoor te trekken om aan den heuvel te komen, aan welks voet het dorpjeChavanon ligt.

Toen ik de straat doorging van het dorp, juist vóór het huis, waar Zerbino een korst brood had gestolen, kwam er eene gedachte bij mij op, die ik terstond aan Mattia mededeelde.

—Je weet wel dat ik je beloofd heb, dat wij wafels bij vrouw Barberin zouden eten; daar is boter voor noodig en bloem en eieren.

—Dat zal dan wel lekker smaken.

—Nu, dat zou ik denken! Maar gij zult het zelf proeven; het smelt in je mond. Maar misschien heeft vrouw Barberin geen boter en geen bloem. Wat zoudt ge er van denken, als wij dat eens voor haar meebrachten?

—Dat is een voortreffelijk idee.

—Houd dan de koe eens vast, maar laat ze vooral niet los; ik ga in dien kruidenierswinkel wat bloem en boter koopen. Wat de eieren betreft, als vrouw Barberin ze niet heeft, zal ze die wel leenen; wij zouden ze maar breken onderweg.

Ik trad den winkel binnen, waar Zerbino zijn korst brood gestolen had en kocht een pond boter en twee kop meel. Toen zetten wij de reis voort.

Ik wilde onze koe niet hard laten loopen, maar had onwillekeurig zooveel haast, dat ik mijn pas versnelde.

Nog tien mijlen! nog acht! nog zes! zonderling; de weg naar vrouw Barberin scheen mij veel langer dan toen ik haar verlaten had en toch viel er dien dag een slagregen, welken ik mij thans nog herinnerde.

Maar ik was zoo ontroerd; ik had de koorts van verlangen, en elk oogenblik keek ik op mijn horloge.

—Is dit geen mooi land? vroeg ik aan Mattia.

—Tenminste de boomen beletten het uitzicht niet.

—Als wij de helling van den berg afdalen naar Chavanon, zult gij eene menigte boomen zien en mooie ook: eiken en kastanjeboomen.

—Met kastanjes er aan?

—Dat beloof ik je! En in den tuin van vrouw Barberin is een kromme pereboom, waarin men ruiter te paard kan zitten. Daar groeien groote peren aan en lekkere ook; dat zult gij zien.

En bij al wat ik hem vertelde, eindigde ik met te zeggen: dat zult gij zien. Voor mijzelven geloofde ik inderdaad, dat ik Mattia in het land der wonderen bracht. Maar dat was het dan ook voor mij. Daar hadden mijne oogen het eerste licht gezien; daar had ik het leven leeren kennen; daar was ik zoo gelukkig geweest; daar had men mij liefgehad. En al die lieflijke gewaarwordingen van mijne eerste jeugd werden nog aangenamer door de herinnering aan al het leed, dat ik op mijne zwerftochten had doorstaan, en drongen zich nu alle aan mijn hoofd en mijn hart op, naarmate wij het dorp meer naderden. Het was of die lucht van mijn geboortegrond mij bedwelmde; alles vond ik even mooi.

Het gevoel dat mij beheerschte, was aanstekelijk en ook Mattia keerde—helaas! slechts in zijne verbeelding—terug naar het land waar hij geboren was.

—Als ge eens te Lucca kwaamt, zeide hij, zou ik u ook wat prachtigs vertoonen; dat zoudt gij zien.

—Maar wij zullen naar Lucca gaan als wij Martha, Lize en Benjamin hebben opgezocht.

—Zoudt gij wel eens te Lucca willen zijn?

—Gij zijt met mij naar vrouw Barberin medegegaan, ik ga met u mede naar uw moeder en uw zusje Christina, dat ik op mijn arm zal dragen, als zij er al niet te groot voor is; ze zal mijn zusje ook zijn.

—O Rémi!

Hij kon er geen woord meer bijvoegen, zoo aangedaan was hij.

Terwijl wij zoo praatten, stapten wij altijd stevig door en weldra waren wij op de kruin van den heuvel, waar de weg begon, die met vele kronkelingen naar Chavanon en langs het huis van vrouw Barberin leidde.

Nog eenige stappen en dan waren wij op de plek, waar ik aan Vitalis verlof had gevraagd, op den rand van den weg te gaan zitten om het huis nog eens te zien van vrouw Barberin, waar ik nooit meer dacht terug te komen.

—Houd het touw vast, zeide ik tot Mattia.

En met een sprong was ik op den dijk langs den weg. Niets was er in onze vallei veranderd; zij zag er nog juist uit als voorheen; tusschen de twee groepen boomen ontdekte ik het huis van vrouw Barberin.

—Wat hebt gij toch? vroeg Mattia.

—Daar! daar!

Hij kwam bij mij staan, maar zonder op het dijkje te klimmen, waarvan onze koe het gras at.

—Volg mijn hand eens; daar is het huis van vrouw Barberin; daar staat de pereboom; dat was mijn tuin.

Mattia, wiens oog niet, zooals het mijne, geleid werd door zijne herinneringen, zag er niet veel van; maar hij zei mij dit niet.

Op dat oogenblik steeg een dunne gele rookkolom uit den schoorsteen en daar er geen wind was, rees zij loodrecht op langs de helling van den heuvel.

Toen voelde ik hoe plotseling tranen mijn oogen verduisterden; ik sprong van het dijkje en omhelsde Mattia. Capi sprong tegen mij op en ik nam hem in mijn armen en kuste hem.

—Nu gauw naar beneden.

—Als vrouw Barberin thuis is, hoe zullen we haar dan met de koe verrassen? vroeg Mattia.

—Gij gaat alleen naar binnen en vertelt haar, dat ge een koe brengt van den prins, en als zij vraagt: van welken prins? dan kom ik te voorschijn.

—Hoe jammer dat wij onzen intocht niet kunnen maken met muziek, dat zou eerst aardig zijn!

—Mattia, geen gekheid!


Back to IndexNext