XXXI.

—Wees maar niet bang; ik heb geen plan om dezelfde domheid nog eens te doen; maar dat is toch zeker, als die vrouw veel van muziek houdt, zou eene fanfare hier recht op zijn pas wezen.

Toen wij aan eene bocht van den weg kwamen, juist boven het huis van vrouw Barberin, zagen wij een witte muts in den tuin te voorschijn komen: dat was vrouw Barberin; zij opende het hek en ging den weg op naar den kant van het dorp.

Ik vertelde aan Mattia dat dit vrouw Barberin was en wij bleven een oogenblik stilstaan.

—Zij gaat uit. Hoe doen wij dan met onze verrassing?

—Wij zullen eene andere verzinnen.

—Welke?

—Dat weet ik nog niet.

—Zoudt gij ze niet roepen?

De verleiding was groot, maar ik weerstond haar toch; maanden lang had ik er mij een feest van gemaakt, dat ik vrouw Barberin verrassen zou en daarvan kon ik nu niet zoo opeens afstand doen.

Spoedig stonden wij aan het hek voor mijn voormalig huis en ik trad binnen zooals voorheen.

Ik kende de gewoonte van vrouw Barberin en ik wist, dat de deur slechts op de klink stond en wij dus gemakkelijk in huis konden komen; maar eerst moest ik onze koe op stal brengen. Ik ging dus eens zien in welken toestand die stal verkeerde en ik zag, dat hij nog precies was als voorheen, behalve dat er eenige takkenbossen in lagen. Ik riep Mattia en nadat wij de koe hadden vastgemaakt, begonnen wij met ijver de takkenbossen opzijde te leggen, en daarmede waren wij spoedig gereed, want heel veel hout had vrouw Barberin niet opgedaan.

—En nu, zei ik tot Mattia, gaan wij naar binnen; ik ga in 't hoekje bij den haard zitten, waar vrouw Barberin mij dan kan vinden. Daar het hek op de hengsels knarst, als het geopend wordt, hebt gij al den tijd, als zij terugkomt, om met Capi u achter het ledekant te verschuilen. Dan zal ze mij alleen zien… wat zal ze opkijken!

Toen wij dit afgesproken hadden, gingen wij in huis en zette ik mij bij den haard neder op het plaatsje, waar ik zoo menigen winteravond had doorgebracht. Daar ik mijn lange haren niet kon afknippen, verborg ik ze onder den kraag van mijn jas en ik kroop zooveel mogelijk in elkander, om nog meer te gelijken op den "kleinen Rémi", die vrouw Barberin moeder noemde.

Van de plek, waar ik zat, kon ik het hek zien en wij behoefden dus niet bang te wezen, dat vrouw Barberin ons plotseling overvallen zou.

Ik keek eens rond, en het scheen mij toe, dat ik eerst gisteren het huis had verlaten. Niets was veranderd; alles stond nog op zijne zelfde plaats; ja zelfs het papier, waarmede de ruit was beplakt, die ik eens gebroken had, was nog altijd hetzelfde; het was alleen maar erg geel en berookt geworden.

Als ik mijne plaats had durven verlaten, zou ik graag elk voorwerp eens van nabij hebben bekeken; maar ieder oogenblik kon vrouw Barberin terugkomen en ik moest dus op den uitkijk blijven.

Opeens zag ik eene witte muts en tegelijk knarste het hengsel van het hek.

—Gauw, kruip weg! riep ik tot Mattia.

Ik maakte mij nu nog kleiner.

De deur ging open: op den drempel reeds ontdekte mij vrouw Barberin.

—Wie is daar? vroeg zij.

Ik zag haar aan zonder antwoord te geven en ook zij zag mij aan.

Eensklaps begon zij over haar geheele lichaam te beven; sidderend stak zij hare handen uit.

—Groote God! prevelde zij…. Goede God! is het mogelijk!… Rémi!

Ik stond op en vloog in hare armen.

—Moeder!

—Mijn jongen! 't Is mijn jongen!

Het duurde eenige minuten, eer wij tot ons zelven kwamen en onze tranen hadden bedwongen.

—Dat is zeker, zeide zij, als ik niet altijd aan je gedacht had, zou ik je nu ook niet herkend hebben. Wat ben je veranderd! En zoo groot geworden! En zoo breed!

Een onderdrukt kuchje herinnerde mij, dat Mattia achter het ledekant verborgen was. Ik riep hem en hij kwam te voorschijn.

—Dat is Mattia, mijn broer.

—O, hebt ge dan uw ouders gevonden? riep vrouw Barberin uit.

—Neen; hij is mijn makker, mijn vriend; en daar is Capi, ook een makker en een vriend van mij. Maak je kompliment eens voor de moeder van je baas, Capi.

Capi ging op zijne achterpooten staan en legde zijn eenen poot op zijn hart, terwijl hij eene diepe buiging maakte. Vrouw Barberin moest er hartelijk om lachen en wischte hare tranen af.

Mattia, die niet, zooals ik, door aandoening overstelpt was, gaf mij een wenk, dat ik aan onze verrassing zou denken.

—Als ge 't goedvindt, gaan wij nu eens naar den tuin om den krommen pereboom te zien, waarvan ik Mattia zooveel verteld heb.

—Uw tuin kunnen wij dan ook gaan zien, want dien heb ik gelaten, zooals gij hem hebt aangelegd, opdat je hem terug zoudt vinden als gij weer hier kwaamt; want dat je terug zoudt komen heb ik altijd en tegen ieder volgehouden.

—En de peerappelen, die ik geplant heb, waren ze lekker?

—Dus heb jij me die verrassing bezorgd? Ik heb het wel gedacht; je woudt me altijd verrassen.

Nu was het oogenblik gekomen.

—En de koestal, vroeg ik, is die veel veranderd sedert Roussette heenging? die arme Roussette; die wilde ook niet gaan, evenmin als ik.

—De stal is ook dezelfde gebleven, behalve dat ik er nu mijn brandhout in berg.

Daar wij juist voor den stal waren gekomen, deed vrouw Barberin de deur open en op hetzelfde oogenblik begon onze koe, die honger had, en zeker dacht dat men haar eten kwam brengen, luid te loeien.

—Een koe! een koe op stal! riep vrouw Barberin.

Toen konden we ons niet meer inhouden en Mattia en ik begonnen hartelijk te lachen.

Vrouw Barberin zag ons verbaasd aan, maar het was zoo iets onmogelijks dat er een koe bij haar op stal stond, dat zij, in weerwil van ons lachen, niets ervan begreep.

—'t Is een verrassing, zeide ik, een verrassing, die wij u bezorgen en die zeker wel opweegt tegen die van de peerappels.

—Eene verrassing, herhaalde zij, eene verrassing!

—Ik wou niet met leege handen bij moeder Barberin komen, die altijd zoo goed was voor haar kleinen Rémi, het verlaten kind; toen heb ik eens nagedacht wat u van 't meeste nut zou kunnen zijn, en ik meende dat eene koe, die de plaats innam van Roussette, u het liefst zou wezen. Op de beestenmarkt te Ussel hebben wij toen de koe gekocht voor het geld, dat Mattia en ik verdiend hebben.

—Och, die goeie jongen! Die lieve jongen! riep vrouw Barberin uit, terwijl ze mij opnieuw in de armen drukte.

Toen gingen wij den stal binnen, opdat vrouw Barberin onze koe eens zou bekijken, die nuhaarkoe was. Bij alles wat zij aan de koe voor goeds ontdekte, uitte zij opnieuw kreten van tevredenheid en bewondering.

—Wat een mooie koe.

Eensklaps stond zij stil en vroeg, terwijl zij mij aanzag:

—Maar dan ben je rijk geworden?

—Dat zou ik ook denken, antwoordde Mattia lachend; wij hebben nog drie francs.

En vrouw Barberin herhaalde alweder, maar nu eenigszins gewijzigd:

—Die goede jongens!

Het deed me goed, dat zij ook aan Mattia dacht en ons in haar hart vereenigde.

Onze koe bleef intusschen maar voortloeien.

—Zij wil gemolken worden, zeide Mattia.

Oogenblikkelijk liep ik naar huis om den netgeschuurden blikken emmer te halen, waarin vroeger Roussette werd gemolken en dien ik op zijne gewone plaats had zien hangen, hoewel het al heel lang geleden was, sedert vrouw Barberin een koe op stal had. In het teruggaan vulde ik den emmer met water, zoodat vrouw Barberin de uiers kon wassen, die vol stof waren.

Welk een genot voor de goede vrouw, toen zij haar emmer voor driekwart gevuld zag met prachtige schuimende melk.

—Ik geloof, dat zij meer melk geeft dan Roussette, zeide zij.

—En wat lekkere melk, zeide Mattia; ze riekt naar oranjebloesem.

Vrouw Barberin zag Mattia vragend aan; zeker wilde zij te weten komen wat oranjebloesem was.

—Dat is iets heel lekkers, dat men in het hospitaal krijgt, als men ziek is, zeide Mattia, die graag vertelde wat hij wist.

Toen de koe gemolken was, brachten wij haar op 't grasveld om daar te grazen, en wij gingen in huis, waar ik, toen ik den emmer haalde, onze boter en bloem midden op tafel had gezet.

Toen vrouw Barberin die nieuwe verrassing zag, slaakte zij opnieuw allerlei kreten van verbazing, maar toen meende ik dat het maar beter was openhartig te zijn en ik viel haar in de rede:

—Dat is eigenlijk evengoed voor ons als voor u; wij hebben allebei een geweldigen honger en wij zouden zoo graag pannekoeken eten. Weet ge nog wel hoe, den voorlaatsten avond toen ik hier was, onze wafels niet klaar kwamen en de boter, die u ervoor geleend had, diende om uien in de pan te bakken: dezen keer zullen wij niet gestoord worden.

—Weet-je dan, dat Barberin te Parijs is? vroeg zij.

—Ja.

—En weet je ook wat hij te Parijs is gaan doen?

—Neen.

—Het heeft betrekking op jou.

—Op mij? vroeg ik verschrikt.

Voor zij verder ging, zag vrouw Barberin Mattia aan, als vreesde zij, dat ze in zijn bijzijn te veel zou zeggen.

—O, u kunt gerust spreken waar Mattia bij is, zeide ik: ik heb u verteld, dat hij een broer voor mij is; al wat mij betreft, gaat ook hem ter harte.

—'t Is nogal lang om te vertellen, zeide zij.

Ik bespeurde, dat zij ertegen opzag, om te spreken, en nu wilde ik in het bijzijn van Mattia er niet langer op aandringen, omdat, zoo zij weigerde, dit hem leed zou doen. Ik besloot dus maar liever te wachten tot een geschikter oogenblik, om te vernemen wat Barberin te Parijs was gaan doen.

—Zou Barberin spoedig terugkomen? vroeg ik.

—O, zeker niet.

—Dan hebben wij geen haast; laten wij dan maar over de pannekoeken praten; later hoor ik dan wel eens van u wat er voor mij aan die Parijsche reis is gelegen; daar hij vanavond zijne uien niet in onze koekepan zal komen fruiten, hebben wij al den tijd aan ons. Hebt ge eieren?

—Neen, ik houd geen kippen meer.

—Wij hebben geen eieren meegebracht, omdat wij bang waren dat zij onderweg zouden breken. Kunt gij ze ergens leenen?

Die vraag bracht haar in verlegenheid en ik begreep, dat zij bij niemand meer durfde aankloppen.

—Dan is het beste maar, dat ik ze zelf ga koopen, zeide ik, en in dien tusschentijd maakt u het beslag klaar met de melk. Soquet is er immers nog? Dan loop ik er gauw heen. Zeg aan Mattia dat hij het hout klooft, dat kan hij best.

Bij Soquet kocht ik niet alleen eieren, maar ook een stukje spek.

Toen ik terugkwam, was de bloem al met de melk aangemaakt en alleen de eieren behoefden nog maar in het beslag te worden geroerd. 't Is waar, er was geen tijd om het deeg te doen rijzen, maar wij hadden te veel honger om daarop te wachten. Mochten de pannekoeken al wat zwaar uitvallen, onze magen waren stevig genoeg om het te kunnen dragen.

—Maar vertel me nu eens, zei vrouw Barberin, terwijl zij het deeg besloeg, hoe komt het toch, dat zoo'n goede jongen als jij me nooit iets van zich heeft doen hooren? Weet je wel, dat ik dikwijls dacht, dat je dood waart, want, zei ik bij mezelf, als Rémi nog leefde, zou hij zeker wel aan zijn moeder Barberin iets hebben doen weten.

—Die moeder Barberin was niet alleen; bij haar woonde een vader Barberin, die heer des huizes was en die dat ook getoond heeft te zijn, door mij voor twintig gulden aan een ouden muzikant te verkoopen.

—Daar moet ge niet meer van spreken, beste Rémi.

—Ik beklaag er mij niet over, maar ik zeg het alleen om u te doen begrijpen, waarom ik u niet schreef. Ik was bang, dat hij mij weder zou verkoopen, als hij ontdekte waar ik was, en ik wilde niet verkocht worden. Daarom heb ik u ook niet geschreven, toen ik mijn armen ouden meester verloor, die een goed man was.

—Ach, is hij dood, die oude muzikant?

—Ja, en ik heb hem oprecht betreurd, want als ik iets ben op 't oogenblik en instaat ben mijn eigen kost te verdienen, dan heb ik het aan hem te danken. Na zijn dood heb ik goede menschen gevonden, die mij in hun huis opnamen en voor wie ik gewerkt heb. Maar als ik geschreven had: ik ben tuinman bij de Glacière, dan zou men mij komen halen, of men zou aan die goede menschen geld gevraagd hebben. Ik wilde het een zoomin als het ander.

—Ja, ja, dat kan ik wel begrijpen.

—Maar dit heeft niet belet, dat ik altijd aan u dacht, en als ik heel ongelukkig was, is 't mij wel gebeurd, dat ik moeder Barberin riep om mij te helpen. Zoodra ik vrij was om te doen wat ik wilde, ben ik naar haar toe gekomen, maar niet zoo dadelijk, dat is waar: men kan niet altijd doen wat men wil, en ik had een plan, dat niet zoo gemakkelijk ten uitvoer was te brengen. Wij moesten onze koe verdienen vóór dat we u die konden thuis bezorgen, en het geld kwam niet bij rijksdaalders in. Wij hebben heel wat stukjes moeten spelen, dag aan dag, overal, vroolijke en treurige; wij moesten maar loopen, ons inspannen in 't zweet van ons aangezicht, en ons allerlei ontbering getroosten. Maar hoe moeilijker het viel, zooveel te meer genot hadden wij, niet waar Mattia?

—Elken avond telden wij ons geld, niet enkel wat wij dien dag verdiend hadden, maar ook hetgeen wij al hadden, om te zien of het niet verdubbeld was.

—Die goede jongens! Die beste jongens!

Al pratende bleef vrouw Barberin het deeg voor onze koeken beslaan en Mattia zorgde voor het hout, en ik zette de borden gereed en de vorken en de glazen, waarna ik een kruik versch water aan de fontein ging halen.

Toen ik terugkwam stond er eene volle terrine met geelachtig beslag, en vrouw Barberin schuurde met een bosje stroo de koekepan schoon en onder den schoorsteen vlamde een hoog vuur, dat Mattia onderhield door er voortdurend stukken hout op te werpen.

In een hoek naast den haard gezeten, sloeg Capi al die voorbereidende werkzaamheden gade, en daar hij half verschroeide, lichtte hij nu den eenen en dan weder den anderen poot op, even jankend. De heldere vlam verlichtte tot de uiterste hoeken van het vertrek en ik zag de figuren op de katoenen gordijnen van het ledekant dansen, gelijk voorheen, toen zij mij zoo dikwijls angst aanjoegen als ik bij maneschijn wakker werd.

Vrouw Barberin zette de pan op het vuur, nam toen een stukje boter met de punt van het mes en liet dit in de pan glijden, waar het dadelijk smolt.

—Dat riekt heerlijk! riep Mattia, die zijn neus boven het vuur hield zonder vrees, dat hij zich branden zou.

De boter begon te sissen.

—Zij zingt, riep Mattia; ik zal ze accompagneeren.

Voor Mattia loste zich alles op in muziek. Hij nam zijne viool en begon zachtjes te spelen en volgde op de snaren het sissen van de boter, en vrouw Barberin lachte, dat de tranen haar over de wangen liepen.

Maar het oogenblik was te gewichtig om zich aan luidruchtige vroolijkheid over te geven; met haar potlepel had vrouw Barberin in de terrine geroerd en schepte er het beslag uit, dat in dikke stralen neerviel; toen goot zij het in de pan en de boter, die terugvloeide bij den stroom van deeg, vormde er een rossen kring om.

Op mijne beurt boog ik mij voorover; vrouw Barberin gaf een tik op den steel van de pan en deed toen den pannekoek omdraaien tot grooten schrik van Mattia; maar het kon geen kwaad; na een eind in de hoogte in den schoorsteen te zijn gevlogen, viel de pannekoek weder omgekeerd in de pan en met zijn gebakken zijde boven.

Ik nam spoedig een bord en de pannekoek gleed erin.

Hij was voor Mattia, die zijn vingers, zijn lippen, zijn tong en zijn keel brandde, maar dat kwam er niet op aan; hij dacht er niet aan dat hij zich brandde.

—Hè! hoe lekker! riep hij met vollen mond.

Toen was het mijn beurt om mij te branden, en evenmin als Mattia voelde ik iets van de pijn.

De derde pannekoek was gaar en Mattia stak de hand uit, maar nu begon Capi geducht te blaffen: het was zijne beurt, hij had er recht op en Mattia gaf hem dan ook den pannekoek tot groote verontwaardiging van vrouw Barberin, die voor beesten het gevoel had, dat de boeren er algemeen voor koesteren: zij begreep niet, dat men aan een hond "het eten van een christenmensch" gaf. Om haar tevreden te stellen, zeide ik, dat Capi een geleerde hond was en dat hij bovendien een deel van de koe had verdiend; bovendien was hij onze kameraad en had hij recht om te eten wat wij kregen, en te gelijk met ons, daar zij gezegd had zelve niet te zullen eten vóór onze ergste honger was gestild.

Het duurde lang eer het zoover was en toen wij geen honger meer hadden, lustten wij ze toch nog even graag. Maar eindelijk kwam er toch een oogenblik, dat wij beiden verklaarden geen pannekoeken meer te zullen eten vóór dat vrouw Barberin zelve er een paar genuttigd had.

Toen wilden wij zelf pannekoeken bakken. Eerst mocht ik het probeeren en daarna Mattia; boter in de pan te leggen en dan het beslag erop te gieten was vrij gemakkelijk, maar niet om den pannekoek te keeren; de mijne kwam in de asch terecht; die van Mattia viel op zijne handen.

Eindelijk was de pot leeg, en daar Mattia zeer goed bemerkt had, dat vrouw Barberin zoolang hij erbij was niet wilde spreken over hetgeen mij betrof, zeide hij, dat hij nog eens naar de koe wilde gaan kijken en liet vrouw Barberin en mij alleen.

Ik had tot nu toe gewacht op hetgeen zij mij te vertellen had, maar ik kon niet zeggen, dat ik met bijzonder groot ongeduld gewacht had, want het bakken van de pannekoeken had mijne aandacht zoo geheel-en-al beziggehouden, dat ik aan andere dingen niet had gedacht.

Barberin was, meende ik, alleen naar Parijs gegaan om Vitalis op te zoeken en het jaargeld te krijgen, waarvoor hij mij had verhuurd. Daarmede had ik niets te maken. Vitalis was dood en hij kon dus niet betalen, en van mij zou men het geld toch wel in de laatste plaats kunnen vragen. Maar zoo Barberin al geen geld van mij krijgen kon, zou hij misschien beslag kunnen leggen op mijzelven, en dan zou hij mij kunnen plaatsen waar hij wilde, als men maar voor mij betaalde. En dat boezemde mij belang in, want ik had vast besloten het uiterste te beproeven voor ik mij onderwierp aan het gezag van dien naren Barberin. Als het moest, zou ik uit Frankrijk vluchten en met Mattia naar Italië of Amerika gaan, of naar het einde der wereld.

Met die gedachte vervuld, had ik mij voorgenomen, zeer voorzichtig te zijn in mijne woorden als ik met vrouw Barberin sprak; voor die goede vrouw zelve behoefde ik mij niet inacht te nemen, want ik wist, dat zij veel van mij hield en alles voor mij overhad; maar zij was bang voor haar man, dat had ik gezien; en als ik te veel zeide, zou zij het wel eens aan haar man kunnen oververtellen en op die wijze aan Barberin het middel in de hand geven, om mij op te sporen en zich weder meester van mij te maken. Als dit gebeuren mocht, moest het tenminste niet aan mijzelven worden toegeschreven, en daarom was ik op mijn hoede.

Toen Mattia de deur uit was, zeide ik tot vrouw Barberin:

—Nu zijn wij alleen; kunt gij mij nu zeggen wat Barberin voor mij te Parijs is gaan doen?

—Welzeker, mijn jongen, en met veel genoegen.

Met veel genoegen! Ik stond verstomd.

Vóór zij verder ging, wierp vrouw Barberin een blik naar de deur. Opdat niemand ons hooren zou, kwam zij dichter bij me en met een glimlach op 't gelaat sprak ze:

—Het schijnt dat uw familie u zoekt.

—Mijn familie?

—Ja, uw familie, Rémi.

—Heb ik dan familie? Ik? Ik, het kind dat te vondeling werd gelegd?

—Het schijnt, dat men u niet opzettelijk heeft verlaten, want thans zoekt men u.

—Wie zoekt mij? O spreek, vrouw Barberin, spreek, ik bid u.

Opeens scheen het me, dat ik krankzinnig zou worden en ik riep uit:

—Maar dat is niet mogelijk! Neen, Barberin zoekt mij.

—Dat doet hij ook, maar voor uw familie.

—Neen, voor hem zelven, om mij weer te kunnen verkoopen, maar hij zal mij niet hebben.

—Och, Rémi, hoe kunt gij denken, dat ik tot zoo iets de hand zou willen leenen!

—Hij wil ook u bedriegen, moeder Barberin.

—Maar jongenlief, wees toch verstandig, luister naar hetgeen ik u zeggen zal, dan zult ge mij wel gelooven. Aanstaanden Maandag is het juist een maand geleden, dat ik op de deel aan 't werk was, toen een man, of liever een heer, het huis binnentrad, waar Barberin op dat oogenblik zich bevond. "Heet gij Barberin?" vroeg de heer, die met een eenigszins vreemden tongval sprak.—"Ja, zeide Jérôme, zoo heet ik."—"Zijt gij het, die een kind gevonden hebt in de avenue de Breteuil en de taak op u nam om het groot te brengen?"—"Ja."—"Mag ik u dan vragen waar dat kind nu is?"—"Mag ik u vragen wat u dat aangaat?" antwoordde Jérôme met een wedervraag.

Mocht ik al getwijfeld kunnen hebben aan de oprechtheid van vrouw Barberin, aan dat brutale antwoord van haar man bemerkte ik dadelijk, dat zij goed geluisterd had.

—Gij weet, ging zij voort, dat men op de deel alles kan hooren wat hier gezegd wordt en bovendien, nu er sprake was van u, had ik een onweerstaanbaren lust om te luisteren. Ik deed dus een paar stappen nader, maar daarbij trad ik op een tak die kraakte.—"Zijn wij niet alleen?" vroeg de heer.—"Dat is mijn vrouw," antwoordde Jérôme.—"Het is hier erg warm," ging de heer voort, "laat ons liever buiten gaan om daar te praten." Zij gingen toen samen naar buiten en eerst drie of vier uur later kwam Jérôme alleen terug. Gij kunt begrijpen hoe nieuwsgierig ik was om te weten, wat er was behandeld tusschen mijn man en dien heer, die misschien uw vader was, maar op al mijn vragen gaf Jérôme geen antwoord. Hij zeide mij alleen, dat die heer niet uw vader was, maar dat hij op verzoek van de familie onderzoek naar u deed.

—En waar is mijn familie? Wie is ze? Heb ik een vader? een moeder?

—Dat heb ik, evenals gij nu, ook aan Jérôme gevraagd. Hij zeide, dat hij er niets van wist. Toen vertelde hij, dat hij naar Parijs ging om den muzikant op te zoeken, aan wien hij u verhuurd had en die hem zijn adres had gegeven in de rue Lourcine bij een anderen muzikant, Garofoli. Die beide namen heb ik onthouden; onthoud ze ook.

—Ik ken die namen al, wees gerust. En heeft Barberin na zijn vertrek niets meer van zich doen hooren?

—Neen; zeker zoekt hij u nog altijd; de heer heeft hem vijftig gulden in goud gegeven en na dien tijd heeft hij hem zeker nog meer geld gezonden. Dat alles en ook de mooie luiers, waarin gij gewikkeld waart, toen men u vond, is het bewijs, dat uwe ouders vermogende menschen zijn. Toen ik u daar in den hoek van den haard zag zitten, dacht ik, dat gij ze teruggevonden hadt en daarom meende ik, dat uw makker uw broeder was.

Op dit oogenblik ging Mattia juist voorbij; ik riep hem.

—Mattia, mijne ouders zoeken mij; ik heb eene familie, eene wezenlijke familie!

Vreemd genoeg scheen Mattia mijne vreugde en opgewondenheid niet te deelen.

Toen vertelde ik hem, wat vrouw Barberin mij had medegedeeld.

Ik sliep dien nacht weinig; en hoe dikwijls had ik in den laatsten tijd verlangd naar het genot dat ik smaken zou, als ik weder in het bed zou slapen, waarin ik zoo menigen nacht als kind gelegen had, zonder ooit wakker te worden, in een hoekje gedoken met de dekens tot aan mijn kin; hoe dikwijls ook, als ik onder den blooten hemel lag, had ik met weemoed aan dat warme dek gedacht, als ik half-bevroren door de nachtvorst of door-en-door nat van den ochtenddauw ontwaakte uit een bangen droom.

Zoodra ik in mijn bed lag, was ik ingeslapen, want ik was dien dag zeer vermoeid geweest en ook verlangde ik, na dien nacht in de gevangenis, naar rust; maar zoodra ik even was ingedommeld, werd ik met schrik weder wakker en toen was het mij onmogelijk den slaap weder te vatten; ik was daartoe veel te zenuwachtig en koortsig.

Mijn familie!

Toen ik weder insliep, dacht ik aan die familie, en gedurende den korten tijd dien ik slapende doorbracht, droomde ik van haar, van mijn vader, mijn moeder, mijn broeders en zusters; die korte oogenblikken had ik met hen geleefd die ik nog niet kende, en die ik slechts voor het eerst zag; zonderling, Mattia, Lize, vrouw Barberin, mevrouw Milligan en Arthur behoorden allen tot mijn familie en Vitalis was mijn vader; hij was weder levend geworden en thans zeer rijk; terwijl wij van elkaar gescheiden waren geweest, had hij Zerbino en Dolce teruggevonden, die niet door de wolven opgegeten waren, zooals wij gemeend hadden.

Iedereen heeft, geloof ik, zulke visioenen gehad, waarin hij in den kortst mogelijken tijd een aantal jaren doorleeft of wel de onoverkomelijkste bezwaren overwint; iedereen weet ook, dat men bij zijn ontwaken zich alles nog levendig voorstelt, wat men ondervonden heeft.

Toen ik ontwaakte, zag ik allen voor mij, van wie ik gedroomd had, alsof ik den avond met hen had doorgebracht, en natuurlijk was het mij onmogelijk den slaap weder te vatten. Langzamerhand echter werden deze beelden minder duidelijk, maar de werkelijkheid drong zich met zooveel kracht aan mijn geest op dat mij dit nog meer den slaap benam.

Mijn familie zocht mij, maar om ze weer te vinden, moest ik mij totBarberin wenden.

Deze gedachte alleen was voldoende om mijn vreugde aanmerkelijk te matigen. Het kwelde mij, dat Barberin bij mijn geluk betrokken was. Ik had niet vergeten wat hij tot Vitalis gezegd had, toen hij mij aan dezen verkocht, en dikwijls had ik het bij mezelf herhaald: "zij, die dit kind hebben opgevoed, zullen er voordeel van genieten; als ik daarop niet gerekend had, dan zou ik mij nooit met die zorg belast hebben." Deze woorden waren van dat oogenblik af oorzaak geweest, dat ik weinig hart voor Barberin gevoelde.

Barberin had mij niet uit medelijden van de straat opgeraapt, en evenmin had hij uit medelijden zich met de zorg voor mij belast; het was alleen, omdat ik in fraaie kleederen gewikkeld was, en omdat hij vroeg of laat voordeel van mij halen zou, als hij mij aan mijn ouders teruggaf. Die tijd was echter niet zoo spoedig aangebroken, als hij wel had gewenscht; hij had mij daarom aan Vitalis verkocht; nu zou hij mij aan mijn vader verkoopen.

Welk een onderscheid tusschen die vrouw en haar man; zij had mij niet om mijn geld bemind, die goede moeder Barberin! O, wat zou ik gaarne een middel gevonden hebben om haar dat voordeel te bezorgen en niet Barberin!

Maar hoe ik ook peinsde en mij in mijn bed keerde en wendde, ik kon er geen bedenken en altijd kwam die wanhopende gedachte mij weer voor den geest, dat Barberin mij bij mijn ouders terugbrengen zou en dat hij bedankt en beloond zou worden.

Ik moest mij dit in elk geval laten welgevallen, daar het onmogelijk anders kon, en mij voorloopig troosten met de gedachte, later, als ik rijk was geworden, te toonen welk onderscheid ik tusschen den man en de vrouw maakte, als ik in de gelegenheid was haar te bedanken en te beloonen.

Voor het oogenblik moest ik mij slechts met Barberin bezighouden, of liever ik moest hem zoeken en vinden, want hij behoorde niet tot die echtgenooten, die geen stap doen zonder hun vrouwen daarvan vooraf kennis te geven en haar te zeggen waar zij te vinden zijn, indien zij hem noodig hebben. Alles wat moeder Barberin wist, was dat haar echtgenoot zich te Parijs bevond. Sedert zijn vertrek had hij haar niet geschreven, evenmin had hij iets van zich laten hooren door tusschenkomst van een buurman of landgenoot; het was zijn gewoonte niet om zich aan dergelijke vriendschapsbetuigingen schuldig te maken.

Waar was hij! waar vertoefde hij op het oogenblik? Zij wist het niet juist genoeg om hem een brief te zenden; men kon nergens anders zoeken dan bij twee of drie logementhouders, wier namen zij kende en bij wie men hem zonder twijfel vinden zou.

Ik moest dus maar naar Parijs gaan en hem zelf opzoeken.

Mijn blijdschap was zeer groot, dat ik mijn familie zou terugzien, maar toch ging zij met een gevoel van weerzin, zelfs van verdriet gepaard.

Ik had gehoopt, dat ik eenige rustige, gelukkige dagen bij moeder Barberin zou doorbrengen, mijn kinderspeelgoed met Mattia voor den dag zou halen en zie, nu moesten wij ons den anderen dag weder op weg begeven.

Als wij vrouw Barberin verlieten, was ons plan geweest den zeekant langs te reizen om Martha te bezoeken—wij moesten van deze reis dus afzien en ik zou die goede Martha, die altijd zoo lief voor mij geweest was, vooreerst niet wederzien.

Van daar zouden wij naar Lize gegaan zijn, om haar de groeten van haar broeder en zuster over te brengen—ook dit genoegen moest ik mij ontzeggen.

Terwijl deze gedachten mijn geest doorkruisten, was de nacht voorbijgegaan, zonder dat ik voor mezelf had kunnen beslissen of ik Lize en Martha niet eerst moest gaan bezoeken, of dat het verstandiger zou wezen mij zonder oponthoud naar Parijs te begeven.

Ik sliep eindelijk in zonder een besluit genomen te hebben en die nacht, dien ik mij voorgesteld had dat de heerlijkste uit mijn leven zou zijn, was de woeligste en onrustigste, dien ik mij herinneren kan.

Toen wij den anderen morgen weder alle drie bij elkander waren, en bij de kachel zaten, waarop de melk van onze koe kookte, bespraken wij wat ons te doen stond.

Wat moest ik doen?

Ik vertelde hun wat mij dien nacht zoo gekweld had en hoe besluiteloos ik was geweest.

—Gij moet terstond naar Parijs gaan, antwoordde moeder Barberin; uw ouders zoeken u, en gij moet zoo spoedig mogelijk hun verlangen naar u trachten te bevredigen.

Zij voegde hierbij nog tal van redenen, waarom een onmiddellijk vertrek wenschelijk was en ik was eindelijk volkomen overtuigd, dat zij groot gelijk had.

—Laten wij naar Parijs gaan, zeide ik; dit is dus afgesproken.

Maar Mattia stemde dit volstrekt niet toe, integendeel.

—Gij vindt dat wij niet naar Parijs moeten gaan, gaf ik hem ten antwoord. Waarom geeft gij dan geen betere reden op dan moeder Barberin?

Hij schudde het hoofd.

—Waarom helpt gij mij niet, als ge ziet hoe moeilijk het mij valt een besluit te nemen?

—Ik vind, begon hij, dat de nieuwe de oude niet mogen doen vergeten: tot nu toe behoorden Lize, Martha, Alexis en Benjamin tot uw familie; zij zijn als broeders en zusters voor u geweest en hielden veel van u; maar nu een nieuwe familie voor u opdaagt, die gij niet kent, die niets anders voor u gedaan heeft dan u op straat te leggen, nu verlaat gij hen, die goed voor u geweest zijn, terwille van anderen, die u slechts kwaad berokkend hebben; ik vind dat dit niet billijk is.

—Gij moet niet zeggen, dat zijn ouders Rémi verlaten hebben, viel moeder Barberin hem in de rede; misschien hebben ze hun het kind ontstolen en betreuren zij het verlies nog altijd en zoeken zij hem voortdurend.

—Ik weet het niet, maar wel weet ik, dat de tuinman Acquin Rémi halfdood heeft opgenomen en hem als zijn eigen kind heeft verzorgd en zijn kinderen als broers en zusters van hem hielden; en ik meen, dat zij, die zich zoo jegens hem gedragen hebben, evenveel recht op zijn vriendschap hebben, als zij, die willens of onwillens, hem aan zijn lot hebben overgelaten. Bij vader Acquin hebben zij hem uit eigen beweging zooveel vriendschap betoond; zij waren dit volstrekt niet verplicht.

Mattia zeide dit op een toon, alsof hij boos op mij was, want hij verwaardigde mij noch vrouw Barberin met een blik. Dit deed mij leed, maar het pijnlijke van het verwijt belette niet, dat ik toch de juistheid ervan geheel gevoelde. Bovendien verkeerde ik in dien toestand, waarin besluitelooze menschen zich dikwijls aan de zijde scharen van hen, die het laatst gesproken hebben.

—Mattia heeft gelijk, hernam ik, en het heeft mij dan ook niet weinig moeite gekost, om tot het besluit te komen, naar Parijs te gaan, vóór dat ik Martha en Lize bezocht had.

—Maar uw ouders! herhaalde moeder Barberin.

Ik moest nu voor mijne meening uitkomen en tevens allen tevredenstellen.

—Wij zullen niet naar Martha gaan, zeide ik, omdat dit een te groote omweg zijn zou; zij kan ook lezen en schrijven; wij kunnen haar dus door een brief van alles op de hoogte stellen; maar vóór wij naar Parijs gaan, kunnen wij ons naar Dreuze begeven, om Lize te bezoeken; al kost dit wat meer tijd, dan maakt dat toch niet zoo'n groot verschil uit, en Lize kan niet schrijven of lezen. Vooral ook om harentwille besloot ik mijn reis op deze wijs te nemen; ik zal haar alles van Alexis vertellen, en aan Martha wil ik verzoeken mij een brief te schrijven, dien ik haar dan zal voorlezen.

—Goed, antwoordde Mattia glimlachend.

Wij kwamen daarop overeen, dat wij den anderen morgen vertrekken zouden, en een gedeelte van den dag gebruikte ik om aan Martha te schrijven en haar mede te deelen, waarom ik haar niet, zooals mijn voornemen was, kwam bezoeken.

En den anderen morgen moest ik andermaal al het smartelijke van een afscheid ondervinden; maar nu tenminste verliet ik Chavanon niet zooals den vorigen keer met Vitalis; ik mocht moeder Barberin thans een afscheidskus geven, en haar beloven, dat ik zoo spoedig mogelijk met mijn ouders bij haar zou terugkomen. Den avond vóór ons vertrek spraken wij nog geruimen tijd over het geschenk dat ik haar geven zou: niets zou te mooi en te goed voor haar zijn; ik zou immers rijk worden?

—Niets heeft voor mij zooveel waarde als de koe, mijn beste Rémi, zeide zij, en met al uw rijkdom kunt gij mij niet gelukkiger maken dan gij gedaan hebt, toen gij arm waart.

Wij moesten ook onze lieve kleine koe verlaten. Mattia drukte herhaaldelijk een kus op haar snuit, dat zij zeer prettig scheen te vinden, want bij elken kus stak zij haar tong uit.

Wij bevonden ons thans weder op den grooten weg, met onzen ransel op den rug en Capi naast ons. Wij liepen met haastigen tred, of liever, van tijd tot tijd zonder te weten wat ik deed, zette ik het op een drafje, zoo groot was mijn verlangen om Parijs te bereiken.

Maar Mattia, die mij een korte poos bijgehouden had, waarschuwde mij, dat, zoo ik op deze wijze bleef loopen, mijn krachten spoedig zouden zijn uitgeput. Ik volgde zijn raad, om een oogenblik daarna weder denzelfden tred te nemen.

—Wat hebt gij een haast! zeide Mattia op verdrietigen toon.

—Dat heb ik ook, en ik vind dat gij die ook wel mocht hebben, want mijn familie zal ook uw familie zijn.

Hij schudde het hoofd.

Deze beweging, die ik reeds meer had opgemerkt als er van mijn familie sprake was, ergerde mij en deed mij leed.

—Wij zijn immers broeders?

—O, dat zijn wij voor elkander, daar twijfel ik niet aan, ik ben heden uw broeder en zal dat morgen ook zijn, dat geloof ik zeer goed, dat voel ik zelfs.

—Welnu dan?

—Welnu? Meent gij dan dat ik een broeder zijn zou van uw broeders en zusters, zoo gij die hebt, de zoon van uw vader en moeder?

—Als wij naar Lucca zouden gegaan zijn, was ik dan niet de broeder geworden van uw zuster Christina?

—O ja, zeer zeker.

—Waarom zoudt gij dan niet de broeder worden van mijn broeders en zusters, zoo ik die heb?

—Omdat dit niet hetzelfde is, volstrekt niet hetzelfde.

—Waarom niet?

—Ik ben niet in zulk fijn linnen gewikkeld geweest, antwoordde Mattia"

—Wat doet er dat toe?

—Dat doet er zeer veel toe; dat doet er alles toe; dat weet gij evengoed als ik. Gij zoudt in Lucca gekomen zijn—en ik zie thans zeer goed dat gij nooit daarheen zult gaan—en daar door arme menschen zijn ontvangen, die mijn ouders waren en die u niets te verwijten hadden, omdat zij veel armer zijn dan gij. Maar als het uitkomt, zooals het fijne linnen voorspelt, zooals moeder Barberin denkt en zooals werkelijk het geval zal zijn, dan zijn uw ouders rijk; misschien behooren zij zelfs tot de aanzienlijkste menschen! Hoe zouden zij dan zulk een kleinen armen knaap, als ik ben, kunnen ontvangen?

—Ben ik dan zelf iets meer?

—Op het oogenblik niet, maar morgen zijt gij hun zoon en ik zal altijd dezelfde arme knaap blijven, die ik heden ben; men zal u naar de akademie zenden; men zal u meesters geven, terwijl ik altijd alleen in de wereld zal blijven en mijn eigen weg zal moeten vinden, om dan aan u te denken, zooals ik hoop, dat gij ook aan mij zult doen.

—O, mijn goede, beste Mattia! hoe kunt gij zoo spreken?

—Ik spreek zooals ik denk,o mio caro, en daarom kan ik mij niet in uw geluk verheugen; daarom, dáárom alleen ook, omdat wij van elkander zullen moeten scheiden; en ik meende, ik verbeeldde mij, dikwijls zelfs heb ik dat gedroomd, dat wij altijd bij elkander zouden blijven, zooals thans. Maar niet geheel-en-al zooals nu, niet als arme straatmuzikanten; wij zouden samen gewerkt hebben, wij zouden groote artisten worden en voor een muzikaal publiek optreden, en elkander nooit verlaten.

—Maar dat zal allemaal gebeuren, mijn goede Mattia; als mijn ouders rijk zijn, dan zullen zij dat evengoed voor u als voor mij zijn; als ik naar de akademie ga, gaat gij met mij mede; wij zullen elkander niet meer verlaten; wij zullen samen werken, samen opgroeien en leven, zooals gij dat verlangt en zooals ik het ook wensch; dat verzeker ik u.

—Ik weet wel, dat gij het wenscht, maar gij zult dan niet meer uw eigen meester zijn, gelijk thans.

—Luister eens: als mijn ouders mij zoeken, dan is dit een bewijs, niet waar, dat zij belang in mij stellen, dat zij mij liefhebben of mij zullen liefhebben. In dat geval zullen ze mij niets weigeren. En ik verlang slechts, dat zij hen gelukkig maken, die goed voor mij geweest zijn, die mij liefgehad hebben toen ik alleen op de wereld was, zooals moeder Barberin, vader Acquin, dien zij zeker uit de gevangenis zullen bevrijden, Mattia, Alexis, Benjamin, Lize en gij; Lize zullen zij bij zich nemen, laten genezen en leeren, en u zullen zij met mij naar de akademie zenden, zoo ik daarheen moet gaan. Geloof mij, zoo zal de zaak zich toedragen, als mijn ouders rijk zijn en gij weet, dat ik het heerlijk zou vinden, als zij het waren.

—En ik zou het prettig vinden, als zij arm waren.

—Hoe dom!

—Misschien.

En zonder meer te spreken, riep Mattia Capi; het was langzamerhand tijd geworden om iets te eten; hij nam den hond in den arm en sprak tegen hem alsof het een mensch was, die hem verstaan en begrijpen kon.

—Niet waar, oude Capi, gij zoudt het ook prettiger vinden als de ouders van Rémi arm waren?

Toen Capi mijn naam hoorde, begon hij, zooals altijd, te blaffen en hij legde den rechterpoot op zijn hart.

—Als zijn ouders arm waren, dan behielden wij dit vrije leven, dan konden wij gaan waarheen wij wilden, en wij behoefden slechts te zorgen, dat het "geëerde gezelschap" tevreden over ons was.

—Ouaf! Ouaf!

—Nu zijn ouders rijk zijn, gebeurt juist het tegenovergestelde; Capi krijgt een groot hok op een plein en wordt aan een blinkenden ijzeren ketting gelegd, in elk geval aan een ketting, omdat de honden niet in de huizen van rijke lui mogen komen.

Eigenlijk was ik boos op Mattia, nu hij wenschte, dat ik arme ouders zou hebben, inplaats van hetzelfde droombeeld als ik te koesteren; maar aan den anderen kant was ik blijde, dat ik de oorzaak van zijn verdriet kende—het sproot voort uit zijn vriendschap, uit zijne vrees van mij gescheiden te worden; ik kon hem hiervan dus geen verwijt maken, daar het een bewijs was van zijn genegenheid en gehechtheid. Hij had mij lief, en daar hij slechts aan onze wederkeerige genegenheid dacht, wilde hij niet, dat men ons van elkander scheidde.

Zoo wij niet verplicht waren geweest te zamen ons dagelijksch brood te verdienen, zou ik, ondanks Mattia, met dezelfde snelheid zijn blijven voortloopen, maar wij moesten in de groote dorpen voorstellingen geven en in afwachting, dat mijne rijke ouders hun rijkdom met ons zouden deelen, moesten wij ons met de weinige stuivers vergenoegen, die wij toevallig en met groote moeite hier en daar ophaalden. Wij waren dus wel genoodzaakt langer onderweg te blijven dan oorspronkelijk ons plan was geweest.

Bovendien was er nog eene andere reden dan het verdienen van ons dagelijksch brood, die ons besluiten deed om zooveel geld mogelijk met onze voorstellingen op te halen. Ik was de woorden van vrouw Barberin niet vergeten, toen zij mij verzekerde, dat met al mijn rijkdom ik haar niet gelukkiger maken kon, dan ik gedaan had toen ik arm was, en ik wilde dat mijn kleine Lize even gelukkig zijn zou als vrouw Barberin. Lize zou natuurlijk mijn rijkdom deelen; dat leed geen twijfel; maar vóórdat ik nog rijk was, wilde ik Lize een geschenk geven, dat ik met eigen verdiend geld voor haar gekocht had—een geschenk van mijn armoede.

Wij kochten te Dreuze een pop voor haar, die gelukkig niet zoo duur was als de koe, en van daar konden wij ons met de meeste haast voortspoeden naar de plaats onzer bestemming; want de dorpen, die wij moesten doortrekken, waren alle even arm en de bewoners zelven konden nauwelijks hun eigen brood verdienen, dus veel minder waren zij instaat mild jegens ons te zijn.

Van Chatillon af volgden wij de oevers van het kanaal en de boschrijke dreven, het zacht kabbelende water en de scheepjes, die langzaam door de paarden werden voortgetrokken, brachten mij de gelukkige dagen weder in herinnering, die ik opDe Zwaanmet mevrouw Milligan en Arthur had mogen doorbrengen, toen ook ik op het water dobberde. Waar bevond zich thansDe Zwaan? Hoe dikwijls had ik, als wij een rivier overstaken of langs een kanaal liepen, mij zelf afgevraagd of men niet het een of ander pleizierbootje had zien voorbijstoomen, dat, door zijn dek, zijn smaakvolle versierselen met geen ander verward kon worden. Mevrouw Milligan was ongetwijfeld weder naar Engeland teruggekeerd en Arthur zou zeker genezen zijn. Dit was het meest waarschijnlijke en het verstandigste om te gelooven en toch, meer dan eens, als wij langs dat kanaal liepen, dacht ik bij mezelf, als ik in de verte een boot zag naderen, of dat nietDe Zwaanwas, die ons tegemoet stevende.

Het was intusschen herfst geworden; de dagen waren minder lang dan in den zomer en wij stelden alles in het werk om tegen den nacht een schuur te bereiken, waar wij een onderkomen zouden kunnen vinden.

Hoe wij onzen pas ook versneld hadden, was het toch reeds middenin den nacht toen wij te Dreuze aankwamen.

Om de woning van Lize's tante te bereiken, hadden wij slechts het kanaal te volgen, daar de man van tante Katharina, die sluiswachter was, in de onmiddellijke nabijheid van de sluis woonde. Dit bespaarde ons veel tijd, en spoedig hadden wij de woning gevonden, die aan het einde van het dorp was gelegen, omringd van hooge boomen, wier takken in den nevel schenen te wiegelen.

Mijn hart klopte onstuimig, toen wij dit huis naderden, waarvan het venster verlicht werd door het schijnsel van een groot vuur, dat onder den schoorsteen brandde en nu en dan een rood licht over onzen weg wierp.

Toen wij zeer dicht bij het huis waren gekomen, zag ik dat de deur en het venster gesloten waren, maar door het venster, dat blinden noch gordijnen had, zag ik Lize voor de tafel zitten, naast hare tante, terwijl een man, ongetwijfeld haar man, naast haar zat, met den rug naar haar toegekeerd.

—Zij zijn aan het avondeten, merkte Mattia op; het is juist het geschiktste oogenblik.

Maar ik hield hem terug en wenkte Capi om stil achter ons te blijven.

Daarop gespte ik de harp los en maakte mij gereed om erop te spelen.

—O, ja, fluisterde Mattia, een serenade, dat is een goede inval.

—Neen, gij niet, ik alleen.

En ik begon de eerste noten te spelen van mijn napolitaansch lied, maar zonder te zingen, zoodat mijn stem mij niet kon verraden.

Terwijl ik speelde, hield ik mijn blik op Lize gericht; zij hief plotseling het hoofd op en uit haar oogen straalde een flikkerend licht.

Ik begon te zingen. Zij sprong toen van haar stoel en snelde naar de deur; ik had slechts den tijd om mijn harp aan Mattia te geven, want Lize hing reeds aan mijn hals.

Men liet ons binnen en toen tante Katherina mij goedendag gezegd had, zette zij twee borden op tafel.

Ik verzocht haar toen om er nog een derde naast te plaatsen.

—Als gij het goedvindt, breng ik nog een derden makker mede.

Ik haalde uit mijn reistasch de pop te voorschijn, die ik op een stoel naast Lize zette.

De blik, dien Lize mij toewierp, zal ik nooit vergeten en dikwijls voel ik hem nog op mij gericht.

Als ik niet zulk een haast gehad had om Parijs te bereiken, dan zou ik ongetwijfeld nog zeer lang bij Lize gebleven zijn; wij hadden elkander zooveel te vertellen, en wij konden elkaar, met de taal, waartoe wij onze toevlucht moesten nemen, zoo weinig zeggen.

Lize moest mij toch hare komst te Dreuze vertellen, hoe lief en goed haar oom en tante voor haar waren, die van de vijf kinderen, welke zij gehad hadden, geen een meer hadden overgehouden; een ramp die vele gezinnen treft, daar de moeders haar eigen kinderen dikwijls verlaten om als voedsters naar Parijs te gaan. Hoe zij haar behandelden alsof zij hun eigen dochter was, wat zij in de huishouding verrichtte en welke bezigheden en genoegens men haar gaf; met visschen, roeien en wandelen bracht zij bijna al haar tijd door, daar zij niet naar school kon gaan.

En ik wilde, van mijn kant, haar ook alles vertellen, wat gebeurd was, sedert wij elkander verlaten hadden en hoe ik bijna omgekomen was in de mijn, waarin Alexis werkte en hoe ik, toen ik bij moeder Barberin kwam, vernam dat mijn familie mij zocht, en daardoor verhinderd was geworden om Martha te bezoeken.

Natuurlijk speelde mijn familie een groote rol in mijn verhalen en vooral mijn rijke familie. Ik herhaalde aan Lize wat ik Mattia reeds gezegd had en sprak vooral over het vooruitzicht op een groot fortuin, en als wij dat hadden, zouden wij allen gelukkig kunnen worden: haar vader, hare zuster, hare broers en zij zelve, ja zij vooral.

Lize, die niet zoo vroeg ontwikkeld was als Mattia en die, gelukkig voor haar, niet de ondervinding had van de school der leerlingen van Garofoli, was zeer geneigd te gelooven, dat zij die rijk waren niet anders dan gelukkig op aarde konden zijn en dat de fortuin een talisman was die, evenals in de sprookjes, onmiddellijk alles verschafte wat men maar verlangen kon. Immers haar vader was alleen in de gevangenis gezet omdat hij arm was en zijn armoede was de oorzaak, dat zijn gezin wijd en zijd was verspreid. Of ik rijk was, of zij, was volkomen hetzelfde; althans hetzelfde wat de gevolgen betrof; wij zouden beiden gelukkig zijn en om het overige bekommerde zij zich niet: wij zouden allen weder vereenigd worden en gelukkig leven.

Wij brachten onzen tijd niet door met bij de sluis te staan praten bij het ruischen van het water, dat door de deuren stroomde, maar wij maakten ook met ons drieën, Lize, Mattia en ik, groote wandelingen. Eigenlijk waren wij met ons vijven, want Capi was altijd van het gezelschap, evenals de pop, die ik voor Lize had medegebracht.

Mijne zwerftochten door Frankrijk met Vitalis gedurende eenige jaren en met Mattia gedurende de laatste maanden hadden mij bekend gemaakt met een groot deel van het land; maar ik had geen merkwaardiger oord gezien dan dat, waarin ik mij thans bevond: onmetelijke bosschen, schoone weilanden, rotsen, heuvels, spelonken, schuimende watervallen, kalme vijvers, enge dalen met stille rotswanden langs den stroom, die zich door de streek kronkelde. Het was prachtig in alle opzichten; men hoorde slechts het ruischen van het water, het gezang der vogels, of het suizen van den wind in de hooge boomen. Ik moet erkennen, dat ik ook eenige jaren geleden de vallei van de Bièvre zeer schoon had gevonden; men behoeft mij dus niet zoo onbepaald op mijn woord te gelooven, maar dit kan ik verzekeren dat overal, waar ik met Lize gewandeld heb en waar wij te zamen speelden, het land mij voorkwam eene schoonheid en bekoorlijkheid te bezitten, die andere streken, welke men beweert dat schooner zijn, in mijn oog niet bezaten: ik heb dat land gezien met Lize en daaraan is mij eene herinnering gebleven, die beschenen wordt door het geluk, dat ik toen genoot.

Des avonds, als het niet te vochtig was, zetten wij ons voor de deur der woning neder, of, was de nevel te zwaar, bij den haard, en ik speelde voor Lize op de harp, waarvan zij zooveel hield. Ook Mattia speelde op de viool of den wandhoren, maar Lize gaf de voorkeur aan de harp, wat mijn eigenliefde niet weinig streelde. Als het oogenblik gekomen was om ons ter rust te begeven, vroeg Lize mij altijd nog eens het napolitaansche lied en dat zong ik dan voor haar.

Maar eindelijk kwam de dag, waarop ik haar verlaten moest en weder op weg moest gaan.

Wat mij betreft, het heengaan viel mij zoo zwaar niet; ik had zoo dikwijls gedacht aan den rijkdom, die mij wachtte, dat ik niet alleen geloofde dat ik eenmaal rijk zou worden, maar dat ik al rijk was, en dat alles wat ik wenschte binnen zeer korten tijd kon verwezenlijkt worden, ja misschien wel dadelijk.

Mijn laatste woord tot Lize, wat ik evenwel niet uitsprak, maar duidelijk te kennen gaf, kan beter dan door uitvoerige bespiegelingen doen begrijpen hoe vast mijne overtuiging was omtrent mijn toekomstigen rijkdom:

—Ik zal u komen afhalen met een rijtuig met vier paarden, zeide ik.

En zij geloofde me en met hare hand wees zij hoe de zweep zou klappen. Ook zij zag zeker het rijtuig met vier paarden, evengoed als ik het zag.

Vóór ik evenwel in een rijtuig met vier paarden den weg van Parijs naar Dreuze aflegde, moest ik te voet van Dreuze naar Parijs. Ware Mattia niet bij mij geweest, dan zou ik steeds zeer groote afstanden afgelegd en mij bepaald hebben om slechts zooveel te verdienen, als wij voor ons onderhoud volstrekt noodig hadden. Waarom zouden wij ons zooveel moeite geven? Wij behoefden geen koe en geen pop meer te koopen; als wij ons dagelijksch brood dus maar hadden, was het voldoende, want aan mijne ouders behoefde ik waarlijk geen geld te brengen.

Maar Mattia liet zich volstrekt niet overtuigen door de redenen, die ik voor de verdediging van mijne meening aangaf.

—Laten wij maar verdienen wat wij krijgen kunnen, zeide hij, terwijl hij mij noodzaakte mijn harp te bespelen. Wie weet of wij Barberin wel zoo spoedig zullen vinden.

—Als wij hem om twaalf uren niet mochten vinden, zullen wij hem zeker om twee uren ontmoeten: de rue Mouffetard is zoo groot niet.

—En als hij nu eens niet in de rue Mouffetard woonde?

—Dan zullen wij gaan daar, waar hij elders woont.

—En als hij naar Chavanon is teruggekeerd, zullen wij hem moeten schrijven en op zijn antwoord moeten wachten. Waar zullen wij in dien tusschentijd van leven, als wij niets in onzen zak hebben? Men zou wezenlijk zeggen, dat gij Parijs niet kent. Hebt gij dan de groeven van Gentilly vergeten?

—Neen.

—Welnu, ik voor mij heb den muur van de kerk Saint-Médard ook niet vergeten, waartegen ik leunde om niet te vallen, toen ik dacht van honger om te komen. Ik wil geen honger meer lijden in Parijs.

—Des te beter zullen wij eten, als we bij onze ouders aankomen.

—Nu ik eet toch, al heb ik goed ontbeten, maar als ik niet ontbeten en niet gegeten heb, dan ben ik volstrekt niet zooals ik wezen moet; en dat bevalt mij volstrekt niet. Laten wij dus maar werken of wij ook voor uwe ouders een koe moesten koopen.

Dat was een zeer verstandige raad; ik moet evenwel bekennen, dat ik niet meer zoo zong als toen wij stuiver voor stuiver moesten verdienen om eene koe voor vrouw Barberin en een pop voor Lize te koopen.

—Wat zult ge lui wezen, als ge rijk zijt, zeide Mattia.

Van Corbeil af volgden wij den weg dien wij zes maanden geleden hadden afgelegd, toen wij Parijs hadden verlaten om naar Chavanon te gaan, en vóór wij te Villejuif kwamen, traden wij dezelfde hoeve binnen, waar wij ons eerste concert hadden gegeven, toen wij voor de eerste maal samen speelden en de bruiloftsgasten lieten dansen. Het jonge echtpaar herkende ons en wij verzochten, dat wij hen nogmaals zouden laten dansen. Men gaf ons een goed avondmaal en liet ons in de schuur slapen.

Van daar vertrokken wij den anderen morgen om onzen intocht in Parijs te houden. Er waren juist zes maanden en veertien dagen verloopen, sinds wij Parijs verlaten hadden.

Maar de dag, waarop wij terugkwamen, verschilde geheel met dien, waarop wij de stad verlieten; het was nevelachtig en koud; de zon scheen niet; bloemen waren er niet meer en ook geen gras langs den weg; de zomerzon had hare taak volbracht; toen was de eerste herfstnevel gekomen: thans vielen geene seringen meer op ons neder van de muren, maar verdorde bladeren, die langzaam zich losmaakten van de droge takken.

Maar wat deerde ons dat treurige weder! ons hart klopte van vreugde en wij behoefden niet meer door onze omgeving tot vroolijkheid te worden gestemd.

Als ik zeg wij, dan druk ik mij niet heel juist uit: eigenlijk was ik het slechts, die zich zoo opgeruimd voelde.

Wat Mattia betrof, naarmate wij Parijs meer naderden, werd hij treuriger gestemd en soms liep hij uren lang zonder een woord te spreken.

Nooit had hij mij de oorzaak van die treurigheid verteld en ik voor mij schreef ze slechts toe aan zijne vrees, dat wij zouden scheiden, en daarom wilde ik niet herhalen, wat ik hem reeds zoo dikwijls had gezegd, dat mijne ouders er volstrekt niet aan zouden denken om ons van elkander te doen gaan.

Eerst toen wij halt hielden om te ontbijten, vóór wij aan de buitenwerken kwamen, vertelde hij mij, terwijl hij op een steen zat, wat hem bezighield.

—Weet ge aan wien ik denk, nu ik weder te Parijs kom?

—Aan wien dan?

—Aan wien? wel, aan Garofoli. Als hij weer eens uit de gevangenis was? Toen men mij vertelde, dat hij in de gevangenis zat, heb ik niet gevraagd voor hoelang? misschien is hij dus weer op vrije voeten en zit hij weder in de rue Lourcine. In de rue Mouffetard moeten wij Barberin zoeken, dus in dezelfde wijk waarin Garofoli woont, in de onmiddellijke nabijheid van zijne woning. Wat zal er gebeuren als hij ons eens toevallig tegenkwam? Hij is mijn meester; hij is mijn oom. Hij kan mij dus weder bij zich nemen en onmogelijk zou ik hem weer kunnen ontsnappen. Gij waart bang nogmaals in de handen te vallen van Barberin; ge begrijpt dus hoe ik te moede ben bij het vooruitzicht, dat ik misschien weer in de handen van Garofoli vallen zal. O! mijn arm hoofd! En och, die klappen beteekenen nog niets, als ik denk aan eene scheiding. Wij zullen niet meer bij elkander zijn en die scheiding, door mijne familie teweeggebracht, zou nog erger zijn dan die, welke uwe familie vorderde. Zeker zou Garofoli ook u wel bij zich willen nemen en u dezelfde opvoeding willen geven als aan zijn andere jongens: de opleiding met de zweep; maar gij zoudt niet bij hem willen zijn en ik zou het ook niet wenschen, dat ge dan bij me bleeft. Gij hebt nooit zooveel slaag gehad.

Ik was zoo geheel met mijn eigen vooruitzichten vervuld, dat ik niet aan Garofoli had gedacht; maar al wat Mattia mij vertelde, was mogelijk en ik had geen nadere toelichting meer noodig om te begrijpen, aan welke gevaren wij waren blootgesteld.

—Wat wilt ge dan? vroeg ik. Willen wij dan maar niet naar Parijs gaan?

—Als ik maar niet naar de rue Mouffetard ga, zou ik de kans niet loopen Garofoli te ontmoeten.

—Welnu, ga dan niet naar de rue Mouffetard; ik zal er alleen heengaan en wij zullen van avond te zeven uren hier of daar elkander vinden.

Mattia en ik spraken toen af, dat wij elkaar aan het einde van de brug de l'Archevêché zouden wachten aan den kant der Notre-Dame, en toen dit bepaald was, ging ik alleen Parijs binnen.

Toen wij op de Place d'Italie kwamen, namen wij van elkander afscheid. Wij waren beiden zoo aangedaan, of wij elkaar nooit meer zouden terugzien en terwijl Mattia en Capi den kant gingen van den Plantentuin, sloeg ik de richting in van de rue Mouffetard, die niet ver verwijderd was.

Dit was voor de eerste maal in de laatste zes maanden, dat ik nu alleen kwam zonder Mattia en Capi bij mij, en nog wel in dat groote Parijs. Dit greep mij nog sterker aan.

Maar ik mocht mij niet aan mijne gewaarwordingen overgeven. Ik zou immers Barberin ontmoeten en door hem mijne familie.

Op een stuk papier had ik namen en woonplaatsen geschreven van de menschen, bij wie ik Barberin zou kunnen vinden; maar dit was een noodelooze voorzorg, want ik had noch de namen noch de adressen vergeten en ik behoefde mijn papier niet in te zien om te weten, dat ik bij Pajot, Barrabaud of Chapinet moest wezen.

Het eerst kwam ik aan het huis van Pajot, toen ik de rue Mouffetard insloeg. Moedig stapte ik dat huis binnen, waarvan Pajot het ondergedeelte bewoonde; toch beefde mijne stem een weinig toen ik naar Barberin vroeg.

—Wat voor een Barberin bedoelt ge?

—Barberin uit Chavanon.

En ik beschreef het voorkomen van Barberin, tenminste zooals ik hem gezien had op dien avond, dat hij uit Parijs kwam: stug gelaat, norsche uitdrukking, met het hoofd eenigszins naar den rechterschouder overhellend.

—Die is hier niet, dien kennen wij niet.

Ik bedankte en ging verder naar Barrabaud. Deze verhuurde gemeubelde kamers en hield een fruitwinkel.

Opnieuw vroeg ik naar Barberin.

Eerst kostte het me moeite om mijn vraag aan den man te brengen, want Barrabaud en zijne vrouw waren samen bezig: de een om een groene klomp door te hakken met eene soort van troffel; het was spinazie zeide hij; de andere was aan 't kijven met een klant over een stuiver, dien deze beweerde dat hij te weinig terugontvangen had. Toen ik tot driemaal toe mijne vraag herhaald had, kreeg ik eindelijk antwoord.

—O, ja Barberin; die woonde indertijd hier, zoowat vier jaar geleden.

—Vijf, zeide de vrouw, en hij is ons nog een week schuldig. Waar zit die kerel nu?

Dat was het juist wat ik wilde weten.

Teleurgesteld en min of meer ongerust ging ik verder. Chapinet alleen bleef mij nog over. Tot wien zou ik mij wenden, als die ook niet wist waar Barberin was? Waar hem dan te zoeken?

Evenals Pajot had ook Chapinet een eethuis, en toen ik het vertrek binnentrad waar hij kookte en tevens zijn bezoekers bediende, zag ik aan de tafeltjes verscheidene menschen.

—Barberin is niet meer hier, antwoordde hij.

—Waar is hij dan? vroeg ik bevend.

—Dat weet ik niet.

Het was of ik eene duizeling kreeg; de potten en pannen dansten mij voor de oogen.

—Waar kan ik hem zoeken?

—Hij heeft zijn adres niet achtergelaten.

Zeker drukte mijn gelaat op welsprekende en treffende wijze mijne teleurstelling uit, want een der mannen, die aan een tafeltje bij het fornuis zat te eten, richtte het woord tot mij.

—Wat wilt ge van Barberin? vroeg hij.

Het viel mij onmogelijk hem openhartig te antwoorden en mijne geschiedenis hem te vertellen.

—Ik kom uit zijn land, uit Chavanon, en ik kom hem tijding brengen van zijne vrouw. Zij had me gezegd, dat ik hem hier zou vinden.

—Als ge weet waar Barberin is, sprak Chapinet, zich tot den man wendende, die tot me gesproken had, kunt gij het wel aan dien jongen vertellen; die wil hem geen kwaad; is 't wel, vriendje?

—O neen, mijnheer.

Ik kreeg weder hoop.

—Barberin moet thans in het logement van Cantal wonen, in de passage d'Austerlitz, daar was hij tenminste drie weken geleden.

Ik betuigde mijn dank, maar vóór ik naar de passage d'Austerlitz ging, die, meende ik, aan het andere einde van de brug van Austerlitz lag, wilde ik iets omtrent Garofoli vernemen, om Mattia op de hoogte te brengen van diens toestand.

Ik was vlak bij de rue de Lourcine en ik had maar weinige schreden te doen om het huis te vinden, waar ik eens met Vitalis geweest was. Evenals de eerste maal toen ik die woning binnentrad, was een oud mannetje, hetzelfde als toen, bezig met behulp van een stok met een haak oude lorren tegen een groenachtigen muur te hangen. Men zou gezegd hebben, dat hij in al dien tijd niets anders had gedaan.

—Is baas Garofoli al terug? vroeg ik.

Het oude mannetje zag mij eens aan en begon te hoesten. Het scheen mij toe, dat ik hem moest doen begrijpen, dat ik wist waar Garofoli was en zonder dit van den voddenraper niets te weten zou komen.

—Zit hij nog altijd? vroeg ik met een blik van verstandhouding. Dan zal hij zich wel vervelen.

—Misschien; maar de tijd gaat toch om.

—Toch niet zoo gauw voor hem als voor u.

Het mannetje lachte om die aardigheid, en begon toen geweldig te hoesten.

—Weet ge ook wanneer hij terug moet komen? vroeg ik, toen zijn hoest wat bedaard was.

—Over drie maanden.

Garofoli moest dus nog drie maanden zitten. Mattia kon alzoo veilig ademhalen; binnen drie maanden zouden mijne ouders wel het middel gevonden hebben, om dien vreeselijkenpadronein de onmogelijkheid te stellen iets tegen zijn neef te ondernemen.

Had ik bij Chapinet mij een oogenblik diep ongelukkig gevoeld, thans was ik weder vol hoop en ik ging Barberin zoeken in het logement van Cantal.

Zonder dralen begaf ik mij naar de passage d'Austerlitz, vol hoop en vreugd, en, bezield met die gewaarwordingen, was ik zeer welwillend jegens Barberin gestemd.

Wel beschouwd, was hij dan ook zoo kwaad niet als hij er uitzag. Zonder hem zou ik hoogstwaarschijnlijk van honger en koude zijn omgekomen in de avenue de Breteuil. Wel had hij mij van vrouw Barberin afgenomen, om mij aan Vitalis te verkoopen, maar hij kende mij niet en hij kon dus geen liefde koesteren voor een kind, dat hij nooit gezien had. Bovendien leed hij armoede en uit armoede doet men zooveel, dat verkeerd is. Thans zocht hij mij en hij was voor mij werkzaam, en als ik mijne ouders terugvond, zou ik dit aan hem te danken hebben. Die gedachten spraken luider in mij dan het gevoel van afkeer, dat ik jegens hem koesterde van het oogenblik af, dat ik Chavanon verlaten had en Vitalis mijn pols in zijn hand omklemde. Ook tegenover hem zou ik mijne dankbaarheid toonen: al was dit niet uit genegenheid en liefde, zooals voor vrouw Barberin, dan was het toch uit plichtbesef.

Als men den Plantentuin doorgaat, is de afstand van de rue de Lourcine tot de passage d'Austerlitz zoo groot niet en weldra was ik dan ook aan het logement van Cantal, dat van een logement niets anders had dan den naam, want in werkelijkheid was het een ellendig huis met gemeubelde kamers. De eigenares was eene oude vrouw, wier hoofd onophoudelijk trilde en die erg hardhoorend was.

Toen ik ook haar dezelfde vraag had gedaan als aan de anderen, bracht zij haar hand achter hare muts aan 't oor en verzocht mij nog eens mijn vraag te herhalen.

—Ik ben een beetje doof, zeide zij.

—Ik wenschte Barberin te spreken, Barberin uit Chavanon. Die woont bij u, niet waar?

Zij gaf geen antwoord, maar hief hare handen omhoog, met zulk eene plotselinge beweging, dat de kat, die op haar schoot lag te slapen, plotseling verschrikt op den grond sprong.

—Och hemel! Och hemel! riep zij.


Back to IndexNext