XXVII.

Hij was weder geheel tot kennis gekomen.

—Kom hier, zeide hij tot mij, ik moet u aan mijn hart drukken; gij hebt mijn leven gered.

—Gij hebt ons aller leven gered.

—Met dat al, hernam Carrory, die zich nooit door zijn gevoel liet medesleepen, heb ik mijn schoen verloren.

—Ik zal uw schoen gaan halen.

Maar men hield mij tegen.

—Ik verbied het u, sprak de meester.

—Geef mij dan een anderen, dan zal ik tenminste wat water om te drinken halen.

—Ik heb geen dorst meer, antwoordde Compayrou.

—Laten wij op de gezondheid van den meester drinken.

En ik liet mij voor de tweede maal naar beneden glijden, maar minder snel en met meer behoedzaamheid dan den eersten keer.

Wel waren wij niet verdronken, maar door-en-door nat. In het eerst hadden wij niet gedacht aan de gevolgen, maar de koude van onze natte kleederen herinnerde er ons spoedig aan.

—Men moet een jas aan Rémi afstaan, zeide de meester.

Maar niemand gaf eenig antwoord op dit verzoek, daar het tot allen tegelijk gericht was, en dus niemand gedwongen werd.

—Niemand spreekt?

—Ik heb het ook koud, antwoordde Carrory.

—Hebben wij het met onze natte kleeren dan warm?

—Gij behoeft niet in het water te vallen.

—Als het zoo gesteld is, hernam de meester, dan zal hier het lot moeten beslissen, wie een gedeelte van zijn kleederen zal afstaan. Ik kan wel zonder jas, maar thans eisch ik gelijkheid.

Daar niemand van ons droge kleederen meer aanhad en de meesten tot aan de heupen in het water hadden gestaan, was het verwisselen van jas niet van zoo heel veel belang; maar de meester wilde deze verandering en, toen het lot beslist had, trok ik de jas aan van Compayrou, en daar de beenen van dezen wel zoo lang waren als mijn geheele lichaam, was zijn jas droog.

Toen ik daarin gewikkeld was, werd ik terstond warm.

Na dit onaangename voorval, dat ons een oogenblik uit onzen dommeligen toestand gewekt had, vervielen wij weder in den staat van halve bedwelming en maakte de gedachte aan den naderenden dood zich opnieuw van ons meester.

Ongetwijfeld drukte die gedachte zwaarder op mijne makkers dan op mij, want terwijl zij wakker bleven in een toestand van doffe wezenloosheid, raakte ik in slaap.

Daarvoor intusschen was mijne plaats niet zeer gunstig en elk oogenblik liep ik gevaar in het water te vallen. De meester zag dit en nam mijn hoofd onder zijn arm. Hij knelde mij wel niet tegen zich aan, maar toch hield hij mij stevig genoeg vast om te voorkomen, dat ik viel. Hij was als een moeder, die haar kind op den schoot houdt. Niet alleen had de meester een krachtigen geest, hij bezat ook een goed hart. Eerst toen ik half ontwaakte, gaf hij een andere houding aan zijn arm, die verstijfd was, maar toen bleef hij weder onbeweeglijk en fluisterde mij toe:

—Slaap maar, mijn jongen, ik heb u goed vast; slaap gerust door.

En ik sliep door zonder vrees, want ik gevoelde wel, dat hij mij niet zou loslaten.

De tijd ging voort en altijd hoorden wij het regelmatig neerploffen en ophalen van de tonnen.

Wij konden het bijna op die nauwe trap niet langer uithouden; wij besloten dus om de treden te verbreeden en ieder toog aan het werk. Met onze messen begonnen wij den muur uit te houwen en de steenkolen, op die wijs verkregen, weg te ruimen.

Daar wij nu een vast steunpunt hadden bekomen, werd onze arbeid ook veel gemakkelijker, en eindelijk gelukte het ons diep genoeg in de aarde door te dringen om onze gevangenis een aanzienlijk stuk te verwijden.

Het gaf een gevoel van rust, toen wij ons in onze volle lengte konden uitstrekken en niet langer met schommelende beenen behoefden te zitten.

Hoewel wij een zeer klein gedeelte van Carrory's brood hadden gekregen, was het toch reeds op. Het laatste stuk had men ons juist bijtijds gegeven om weder tot ons zelf te komen. Want toen de meester het ons gaf, was het licht te begrijpen—te oordeelen naar den blik, dien de houwers er op wierpen—dat zij een tweede verdeeling niet dulden zouden, zonder er ook om te vragen, en zoo men het hun niet gaf, zelf hun deel te nemen.

Het was zelfs zoover tusschen ons gekomen, dat wij niets meer tegen elkander zeiden, en zoo spraakzaam als wij in het begin van onze gevangenschap geweest waren, zoo stil waren wij, toen deze voortduurde.

Ons gesprek kwam altijd op dezelfde onderwerpen terug en wij behandelden steeds dezelfde vraag: welke middelen men zou aanwenden om tot ons door te dringen en hoelang wij opgesloten zouden blijven.

Maar deze gesprekken werden niet met dezelfde belangstelling gevoerd als in het begin; als een van ons iets zeide, dan werd daarop dikwijls geen acht geslagen, of zoo dit al gebeurde, dan was het slechts met een enkel woord; de dag kon in nacht verkeeren, wit in zwart, zonder dat dit een oogenblik onze belangstelling kon opwekken of ons tot eenige gedachtewisseling aanleiding gaf.

—Het is goed; wij zullen zien, was het eenige antwoord.

Waren we twee of zes dagen levend begraven? Men zou zich hiervan eerst kunnen overtuigen, wanneer wij weder bevrijd waren. Maar zou dat oogenblik aanbreken?

Ik voor mij begon hieraan hard te twijfelen.

Ik was niet de eenige en dikwijls lieten ook mijn makkers zich eene opmerking ontvallen, die voldoende bewees, dat zij niet vrij van twijfel waren.

—Eén troost is het, zeide Bergounhoux, dat, als ik hier mocht blijven, de maatschappij aan mijn vrouw en kinderen een jaarlijksch inkomen zal geven; zij zullen tenminste niet aan het armbestuur vervallen.

Ongetwijfeld had de meester, toen hij zijn waardigheid van bevelhebber op zich nam, bij zichzelf besloten, ons niet alleen te beschermen voor de onheilen, welke deze ramp ten gevolge kon hebben, maar ons ook tegen ons zelven te verdedigen, en wanneer een van ons zijn zelfvertrouwen verloor, hem moed in te spreken.

—Gij zult hier evenmin blijven als wij; de tonnen werken, het water daalt.

—Waar daalt het?

—In de putten.

—En in de gang?

—Dat zal wel gebeuren; geduld slechts.

—Zeg, Bergounhoux, viel Carrory hem in de rede, met de tegenwoordigheid van geest en de gevatheid, die alles kenmerkte wat hij deed, als de maatschappij failliet gaat, zooals die van den meester, dan heeft uw vrouw niets.

—Wilt ge wel eens zwijgen, domkop, de maatschappij is rijk.

—Zij was rijk, zoolang ze de mijn bezat; maar nu de mijn onder water staat, niet meer. In elk geval zou ik, als ik boven was, inplaats van hier, wel zoo in mijn schik zijn.

—Omdat….?

—Waarom waren die directeuren en ingenieurs zoo trotsch? Dit zal hun tot een les zijn. Als de ingenieur eens naar beneden gegaan was … dat zou dwaas zijn, niet waar, zulk een heer!

—Als de ingenieur naar beneden gegaan was, dan zoudt gij hier blijven en wij ook.

—O gij, gij weet, dat gij u om niets behoeft te bekommeren, maar ik heb wel iets anders te doen; mijn kastanjes, wie zal ze drogen? Ik verzoek dus den ingenieur om weer naar boven te gaan; het is om te lachen. Goedendag, mijnheer de ingenieur!

Behalve de meester, die zijn gevoel wist te verbergen en Carrory, die niet veel gevoel had, spraken wij niet meer over onze bevrijding, maar slechts de woorden dood en honger kwamen over onze lippen.

—Gij hebt mooi praten, meester, de tonnen kunnen nooit genoeg water ophalen.

—Ik heb het u al wel twintigmaal voorgerekend; een weinig geduld nog.

—Dat rekenen zal er ons niet uitredden.

Deze opmerking werd door Pagès geuit.

—Wie dan?

—De goede God. Deze heeft gedoogd, dat wij hier onze toevlucht zochten. Hij zal ook redding geven.

—Zoo God ons hier gebracht heeft, dan is het zeker geschied omdat er onder ons zijn, die Hij straffen wilde.

Deze opmerking ging gepaard met een zijdelingschen blik op Bergounhoux.

Inplaats van heftig daartegen op te komen, bevestigde deze de woorden van zijn aanklager.

—Ik ben overtuigd, begon hij, dat God mij straffen wil, omdat ik in den laatsten tijd geen goed christen ben geweest; en ik smeek Hem thans uit het diepst mijner ziel vergiffenis.

Hij viel op zijn knieën en sloeg zich verscheidene malen op de borst.

—Ik voor mij durf ook niet beweren, dat ik geheel zonder zonde ben en ik wil ook gaarne de mijne belijden; maar onze lieve Heer weet, dat ik ze niet uit moedwil bedreven heb; ik heb nooit iemand opzettelijk iets misdaan, sprak Pagès.

—Ik weet niet of die donkere gevangenis eenigen invloed op mij uitoefende, of dat het de vrees voor den dood was, of wel dat wij door den honger verzwakt waren en het geheimzinnige schijnsel van de lamp, die nauwlijks eenig licht over ons wierp; maar ook ik gevoelde mij diep ontroerd, terwijl ik naar de belijdenis der zonden van de anderen luisterde en ook ik stond op het punt om, evenals Pagès en Bergounhoux, mij op de knieën te werpen en mijne feilen te biechten.

Plotseling hoorde ik achter mij luid snikken en toen ik mij omwendde, zag ik den grooten Compayrou op den grond liggen.

—De schuldige, riep hij, is noch Pagès noch Bergounhoux, ik ben het. De goede God straft mij, maar ik heb berouw, oprecht berouw. Ik zal u de zuivere waarheid vertellen, als wij gered worden, dan zweer ik, dat ik mijn misdaad zal herstellen. Een jaar geleden werd Rouquette tot vijf jaren tuchthuisstraf veroordeeld, omdat hij een horloge bij vrouw Vidal gestolen had. Hij is onschuldig. Ik heb die misdaad gepleegd. Het horloge ligt onder mijn bed, en als men de derde plank links opbeurt, zal men het vinden.

—Gooi hem in het water! Gooi hem in het water! riepen Pagès enBergounhoux als uit één mond.

Ongetwijfeld zouden zij den misdadiger in den afgrond geworpen hebben, maar vóór dat zij hiertoe nog konden overgaan was de meester reeds tusschenbeiden getreden.

—Wilt gij dan dat hij voor God verschijnen zal met die misdaad op zijn geweten? riep hij; laat hem eerst tot zich zelf inkeeren.

—Ik heb berouw, oprecht berouw, herhaalde Compayrou op zulk een zwakken toon, alsof hij een kind was, inplaats van een forschen kerel.

—Gooi hem in het water, herhaalde men.

—Neen, riep de meester.

Hij begon hen toen op kalmen toon toe te spreken, en bracht hun onder het oog, dat wij rechtvaardig en verstandig handelen moesten. Maar zij wilden niets daarvan hooren en dreigden hem in de diepte te zullen werpen.

—Geef mij uw hand, zeide de meester, terwijl hij Compayrou naderde.

—Verdedig hem niet, meester.

—Ik zal hem verdedigen, en als gij hem in het water wilt werpen, dan moet gij mij er ook inwerpen.

—Welnu, neen dan! zeiden zij eindelijk; wij zullen hem niet in het water gooien; maar op één voorwaarde; gij moet hem in gindschen hoek laten liggen en niemand mag een woord tot hem spreken; niemand moet zich met hem bemoeien.

—Dat is billijk, hernam de meester, dat is zijn verdiende loon.

Toen de meester dit gezegd had, hetgeen voor Compayrou als een vonnis gold, schoven oom Gaspard, de meester en ik dichter naar elkander toe en lieten wij den ongelukkige op den grond aan zijn lot over.

Verscheidene uren achtereen bleef hij daar overstelpt van droefheid liggen, zonder zich te verroeren, en van tijd tot tijd herhalende:

—Ik heb berouw.

Bergounhoux of Pagès riepen hem dan toe:

—Het is te laat, gij hebt berouw, omdat gij bang zijt, lafaard. Al een halfjaar, al een jaar lang, hadt gij berouw kunnen gevoelen.

Hij haalde met moeite adem en zonder hun bepaald te antwoorden, kermde hij:

—Ik heb berouw, oprecht berouw.

Hij had de koorts gekregen, want hij sidderde over zijn geheele lichaam, terwijl hij klappertandde.

—Ik heb dorst, zeide hij, geef mij den schoen.

Er was geen water meer in den schoen; ik stond op om dit voor hem te halen; maar Pagès, die het bemerkte, riep mij toe, dat ik dit niet doen mocht en ook oom Gaspard hield mij ervan terug.

—Men heeft gezworen hem aan zijn lot over te laten.

Eenige oogenblikken lang riep hij nog om water, maar toen hij zag, dat wij hem dit niet wilden geven, richtte hij zich op om het zelf te halen.

—Hij sleept de steenkolendam mede! riep Pagès.

—Laat hem tenminste zijn vrijheid behouden, antwoordde de meester.

Hij had gezien, dat ik mij langs den rug naar beneden had laten glijden en wilde dit ook beproeven; maar ik was licht en hij zeer zwaar; ik vlug en behendig, en hij een log wezen. Nauwlijks lag hij dan ook op zijn rug, of de steenkolen gleden onder hem weg en zonder zich een oogenblik tegen te kunnen houden, verdween hij in den donkeren afgrond. Het water plaste ons in het gelaat, maar kabbelde een minuut later weer rustig voort.

Ik boog mij voorover, maar oom Gaspard en de meester hielden mij elk bij een arm terug.

—Wij zijn gered! riepen Bergounhoux en Pagès; wij zullen hieruit komen.

Bevende van schrik, wierp ik mij achterover; ik was ijskoud, bijna halfdood van angst.

—Hij was geen braaf man, zeide oom Gaspard.

De meester sprak niet, maar mompelde een oogenblik later:

—In elk geval verminderde hij de hoeveelheid zuurstof, die wij hadden.

Dit woord, dat ik voor het eerst hoorde, trof mij en nadat ik een poos had nagedacht, vroeg ik den meester, wat hij zeide.

—Iets onbillijks en egoïstisch, jongenlief, en ik heb er berouw over.

—Wat bedoelt gij?

—Wij leven van brood en lucht. Brood hadden wij niet, ook van lucht waren wij niet ruim voorzien, want de lucht, die wij inademden, kunnen wij niet voor de tweede maal gebruiken; toen ik hem zag verdwijnen, zeide ik, dat hij nu niet meer zijn deel aan de lucht zou eischen, en over die woorden zal ik mijn leven lang berouw hebben.

—Kom, kom, zeide oom Gaspard, hij heeft wat hem toekomt.

—Nu zal alles goedgaan, zeide Pagès, terwijl hij met beide voeten tegen den wand schopte.

Als alles nu niet spoedig goedging, zooals Pagès het hoopte, dan was het niet de schuld van de ingenieurs en de werklieden, die voor onze redding werkten.

Aan den put, dien men begonnen was te graven, werd zonder ophouden gearbeid. Maar het was een moeilijk werk.

De steenkolen, waardoorheen men een gang moest maken, waren zeer hard en daar maar één houwer in die nauwe gang kon werken, was men genoodzaakt hem telkens te vervangen, vooral daar allen om strijd aan de redding wilden arbeiden.

Bovendien was de luchtverversching in deze gang zeer slecht; men had van afstand tot afstand blikken pijpen aangebracht, die met klei aan elkander waren gevoegd; maar ofschoon een krachtige ventilator de lucht door die pijpen joeg, brandden de lampen niet dan in de onmiddellijke nabijheid van de opening.

Dit alles was een belemmering bij het boren en den zevenden dag, nadat wij waren bedolven, was men nog slechts twintig meter gevorderd. Onder gewone omstandigheden zou men meer dan een maand noodig gehad hebben om tot die diepte te komen, maar in verhouding tot de middelen, welke men ter beschikking had en den ijver, waarmede men arbeidde, was dit zeer weinig.

Bovendien moest men de edele volharding bezitten van den ingenieur, om dezen arbeid voort te zetten, want volgens het eenparig gevoelen van de mijnwerkers was hij geheel nutteloos. Allen die in de mijnen waren, moesten omgekomen zijn; men had niets anders meer te doen, dan het water uithoozen door middel van de tonnen en men zou dan later wel de lijken vinden. Welk nut stak er dus in, dat men eenige uren vroeger of later dezen ontdekte?

Dat was de meening, zoowel van de mijnwerkers als van het publiek; de bloedverwanten, de vrouwen, ja zelfs de moeders hadden den rouw reeds aangenomen. Niemand zou meer levend uit de Truyère komen.

Zonder de uithoozing te doen staken, welke onverpoosd voortgezet werd en waarmede men alleen ophield, wanneer aan de toestellen eenige averij was gekomen, werd op last van den ingenieur, trots alle opmerkingen van het publiek, van zijn ambtgenooten en van zijn vrienden, met de boring voortgegaan.

De hardnekkigheid, die aan Columbus eenmaal een nieuwe wereld ontdekken deed, was ook zijn karaktertrek.

—Één dag nog maar, vrienden, zeide hij tot de werklieden, en als wij morgen niets ontdekt hebben, dan zullen wij ervan afzien; ik vraag voor uwe kameraden wat ik vragen zou voor u, indien gij in hunne plaats waart.

Zijn vast geloof deelde zich ook mede aan de harten der mijnwerkers, die uit de stad komende, den twijfel van allen deelden, maar door hem weder tot een andere overtuiging waren gebracht.

En eendrachtig, met elkander wedijverend in vlijt, bleven zij voortwerken.

Van den anderen kant moest de gaanderij, waar de lampen bewaard werden, die op verschillende punten was ineengestort, uitgehoosd worden, en door alle mogelijke middelen trachtte hij aan de mijn hare slachtoffers te ontrukken zoo dezen nog in leven mochten zijn.

Den zevenden dag meende de opperman, die bij een afwisseling van posten de steenkolen moest weghalen, een geluid te hooren, dat veel op een zacht kloppen geleek; inplaats van met zijn houweel te hakken, hield hij dit in de hoogte en luisterde aandachtig of hij het geraas ook kon onderscheiden. Hij meende wel dat hij zich vergiste maar riep toch een van zijn makkers om met hem te luisteren. Beiden bukten zich met ingehouden adem voorover, en een poos later herhaalde zich zeer regelmatig dat kloppen en tikken.

Deze tijding ging spoedig van mond tot mond en zonder dat het door iemand geloofd werd, kwam het den ingenieur ter ooren, die onmiddellijk naar de gang snelde.

Hij had dus eindelijk gelijk! Er bevonden zich in de mijn nog levende wezens, die gered konden worden.

Velen hadden hem gevolgd; hij baande zich een weg door de mijnwerkers en luisterde aandachtig, maar hij was zoo zenuwachtig en beefde zoozeer over zijn gansche lichaam, dat hij niet instaat was te luisteren.

—Ik hoor niets, zeide hij wanhopend.

—Het is de mijngeest, antwoordde een werkman; hij wil ons een trek spelen en hij klopt om ons te misleiden.

Maar de beide houwers, die het eerst het geluid gehoord hadden, hielden vol dat zij zich niet hadden vergist en dat hun kloppen beantwoord was geworden. Het waren mannen van ondervinding, die in de mijnen oud waren geworden, en wier woorden gezag hadden.

De ingenieur verwijderde allen, die hem gevolgd waren, uit de gang, en van de werklieden, die een keten hadden gemaakt om de steenkolen weg te dragen, behield hij er slechts twee.

Daarop liet hij door een herhaaldelijk geregeld kloppen de gevangenen waarschuwen, waarop hij telkens weder met ingehouden adem luisterde, of zij ook eenig sein terugzonden.

Na een oogenblik wachtens hoorden zij zeer in de diepte eenig geluid; een zacht kloppen, waarvan de slagen elkander snel opvolgden en hun tot antwoord dienden.

—Klop nogmaals en met groote tusschenpoozen, om ons te overtuigen, dat het niet de echo van ons kloppen is.

De houwers klopten, en oogenblikkelijk hoorden zij denzelfden klop, die als antwoord der mijnwerkers gelden moest.

Alle twijfel was thans opgeheven: zij leefden nog en men kon hen redden.

Het nieuws verspreidde zich met bliksemsnelheid door de stad en een nog talrijker en nog ontroerder menigte dan den dag van het ongeval, snelde naar de Truyère. Vrouwen, kinderen en moeders, alle bloedverwanten der slachtoffers, kwamen bevende van angst of vol hoop, in diepen rouw gedompeld, naar de plaats des onheils.

Hoeveel leefden nog? Velen misschien. De uwe ongetwijfeld, maar de mijne misschien….

Men had den ingenieur wel om den hals willen vallen.

Maar hij behield onder die uitgelaten vreugde evenzeer zijne bedaardheid als hij kalm gebleven was onder den spot en twijfel; hij dacht slechts aan de redding en, om zoowel de belangstellenden als de bloedverwanten te verwijderen, beval hij den soldaten om de gang af te zetten en te zorgen, dat de arbeiders een voldoende ruimte behielden.

Het kloppen was zoo zwak, dat men onmogelijk de juiste plaats bepalen kon, vanwaar het kwam. Toch was de aanwijzing duidelijk genoeg om zich te overtuigen, dat de arbeiders, die aan de overstrooming ontsnapt waren, zich in een van de drie zijgangen der oude werken bevonden.

Niet één put, maar drie zou men moeten graven, om de gevangenen te kunnen bereiken. Als men meer gevorderd was en men daardoor beter zou kunnen hooren, kon men altijd een der schachten, die niet meer noodig waren, prijsgeven, om alle krachten aan de goede aan te wenden.

Het werk werd met meer ijver nog dan te voren hervat, en de maatschappijen uit den omtrek zonden om strijd hun beste werklieden naar de Truyère.

De hoop, die weder bij een ieder onder het graven levendig was geworden, nam toe, naarmate men de gang naderde en het water in de putten daalde.

Toen wij in onze zijgang het kloppen van den ingenieur hoorden, maakte zich dezelfde gewaarwording van ons meester als toen wij het water hoorden uitpompen.

—Gered!

Het was een vreugdekreet, die ons aller borst ontsnapte en zonder verder na te denken, meenden wij, dat men ons weldra de hand zou reiken.

Daarop maakte weder, evenals na het uithoozen van het water, deze blijdschap voor diepe wanhoop plaats.

Uit het houwen en graven maakten wij spoedig op, dat de arbeiders nog ver verwijderd waren. Misschien nog tien, mogelijk wel twintig meter. Hoeveel tijd was er noodig om die dikke steenlaag te doorboren? Onze berekeningen waren zeer verschillend: een maand, een week, minstens zes dagen. Hoe zouden wij het nog een maand, een week, zes dagen kunnen uithouden? Wie van ons zou er nog zes dagen leven? Hoelang waren wij reeds zonder eten geweest?

De meester was de eenige, die nog eenige blijken van moed gaf, maar op den langen duur begon ook hij in onze neerslachtigheid te deelen en verminderde langzamerhand zijn vertrouwen.

Zooveel wij wilden konden wij drinken, maar eten niet, en de honger kwelde ons zoo vreeselijk, dat we eindelijk besloten waren om vermolmd, in water geweekt hout, te eten.

Carrory, die het meest uitgehongerd van ons allen was, had zijn laars in stukken gesneden en kauwde voortdurend op een stuk leder.

Toen ik zag waartoe mijn makkers, door den honger gedreven, instaat waren, moet ik bekennen, dat zich een gevoel van angst van mij meester maakte, en dit, gevoegd bij de vrees die ik reeds koesterde, mij weinig gerust stelde. Ik had Vitalis dikwijls van een schipbreuk hooren vertellen, want hij had menige zeereis gemaakt, en onder die verhalen was er een, dat, sedert de honger mij pijnigde, mij onophoudelijk voor den geest kwam. Het was de geschiedenis van matrozen, die op een zandbank waren geworpen, waar geen voedsel voor hen te vinden was, en toen den kajuitsjongen gedood hadden om hun honger te stillen. Ik vroeg mezelf af, terwijl ik mijn makkers van honger hoorde kermen, of mij niet een zelfde lot beschoren was en of ik op onze kolenbank niet gedood en opgegeten zou worden. Ik was zeker dat de meester en oom Gaspard mij tot het laatst toe zouden verdedigen; maar Pagès, Bergounhoux en Carrory! Carrory vooral, met zijn groote witte tanden, die aanhoudend op een stuk leder knabbelde, boezemden mij volstrekt geen vertrouwen in.

Ongetwijfeld was mijn vrees zeer dwaas; maar in den toestand, waarin wij verkeerden, werd onze geest noch onze verbeelding door het koele, gezonde verstand geleid.

Onze angst werd vooral vermeerderd, omdat wij geen licht hadden. De lampen waren achtereenvolgens uitgebrand bij gebrek aan olie. En toen wij er niet meer dan twee overhadden, had de meester besloten, dat zij niet eer aangestoken zouden worden, voordat zij noodzakelijk zouden zijn. Wij bleven dus voortdurend in de duisternis gedompeld.

Dit was niet slechts onverdraaglijk, maar bovendien gevaarlijk, want, als wij ons maar even onbedachtzaam bewogen, hadden wij kans in het water te storten.

Sedert den dood van Compayrou, lagen op elke trede drie werklieden, waardoor wij dan ook een weinig meerplaats kregen; oom Gaspard rustte in een hoek, de meester in een anderen en ik lag in het midden.

Op een gegeven oogenblik, terwijl ik half was ingedommeld, hoorde ik tot mijn verbazing den meester op zachten toon, alsof hij hardop droomde, eenige woorden stamelen.

Ik ontwaakte en luisterde.

—Daar zijn wolken, zeide hij, hoe mooi zijn die wolken toch. Er zijn menschen die er niet van houden; ik vind ze wel schoon. O, wij krijgen wind, des te beter, ik houd ook van wind.

Droomde hij? Ik trok hem bij den arm, maar hij vervolgde:

—Wilt ge mij een eierstruif geven van zes en niet van acht eieren; snijd hem maar in twaalven; dan zal ik hem opeten, als ik thuis kom.

—Hoort gij hem, oom Gaspard?

—Ja, hij droomt.

—Welneen, hij is wakker.

—Hij praat onzin.

—Ik verzeker u, dat hij wakker is.

—Heila, meester!

—Wilt gij medeeten, Gaspard? Kom dan, maar ik zeg u, dat wij wind krijgen.

—Hij weet niet wat hij zegt, hernam oom Gaspard; het is de honger en de koorts.

—Neen, hij is dood, zeide Bergounhoux, zijn ziel spreekt; gij ziet wel, dat hij elders vertoeft. Waar is de wind, meester, is hij noordwest?

—Er is geen noordwestenwind in de hel, riep Pagès, en de meester is in de hel; gij wildet mij niet gelooven, toen ik zeide, dat wij daarheen gaan.

Wat bezielde hen? hadden zij allen hun verstand verloren? werden zij krankzinnig? Maar dan zouden zij twist krijgen en gaan vechten en elkaar misschien doodslaan.

Wat zou ik doen?

—Wilt gij drinken, meester?

—Neen dank u, ik zal wel drinken als ik mijn eierstruif eet.

Geruimen tijd spraken zij met hun drieën, zonder elkander te antwoorden, en te midden van hun onsamenhangende woorden, hoorden wij altijd "eten, uitgaan, hemel, wind."

Op eens kwam ik op de gedachte om een lamp aan te steken. Zij stond naast den meester met de lucifers erbij, en ik stak ze aan.

Zoodra er licht was, zwegen allen.

Na een oogenblik stilte vroegen zij elkaar af wat er eigenlijk gebeurde, alsof zij uit een droom ontwaakten.

—Gij hebt geijld, antwoordde oom Gaspard.

—Wie?

—Gij zelf meester, en ook Pagès en Bergounhoux; gij zeidet dat gij buiten waart en dat het waaide.

Van tijd tot tijd klopten wij tegen den muur, om onzen redders te laten weten, dat wij nog leefden, en wij hoorden dan hun houweelen zonder ophouden op de steenen vallen. Maar de slagen werden niet veel harder, wat ons duidelijk te kennen gaf, dat zij nog ver van ons verwijderd waren.

Toen de lamp aangestoken was, liet ik mij afglijden, om water te halen in de schoen, en het scheen mij toe dat het water eenige centimeters gezakt was.

—Het water daalt.

—Groote God!

En een oogenblik keerde in aller harten de hoop terug.

Men wilde de lamp aangestoken laten om te zien, hoever het water gezakt was, maar de meester verzette zich hiertegen.

Ik dacht dat er toen een opstand zou losbreken. Maar de meester had altijd een goede reden voor hetgeen hij verzocht.

—Wij zullen later de lampen veel meer noodig hebben; als wij ze nu voor niets gebruiken, wat zullen we dan later doen als we ze noodig hebben? En denkt gij niet, dat ge van ongeduld zoudt sterven wanneer gij het water bijna onmerkbaar zaagt dalen? Want gij moet niet verwachten, dat het plotseling zakt. Wij zullen gered worden, houdt dus goeden moed. Wij bezitten nog dertien lucifers. Wij zullen die, telkens als gij het verlangt, aansteken.

De lamp werd uitgedoofd. Wij hadden allen naar hartelust gedronken; geen van ons begon nu meer te ijlen. En vele uren, misschien verscheidene dagen lang, bleven wij roerloos liggen, zonder door iets anders aan het leven herinnerd te worden, dan door het tikken der houweelen, die een put groeven en het uithoozen der tonnen.

Geleidelijk werden nu de slagen luider en luider; het water daalde en men naderde ons. Maar zou men ons bijtijds bereiken? vorderden onze redders in hun werk met reuzenschreden? zouden onze krachten, die voortdurend afnamen, dan nog toereikend wezen? Wij waren zwak naar lichaam en geest. Sedert den dag van de overstrooming, hadden mijn makkers geen voedsel gebruikt. Maar wat nog erger was, wij hadden van dat oogenblik af geen versche lucht ingeademd en deze was hoe langer hoe vunziger geworden. Gelukkig was de luchtdrukking verminderd, naarmate het water daalde, want ware de waterstand gebleven, zooals hij in het eerst was, dan zouden wij ongetwijfeld gestikt zijn. Op welke wijze wij ook gered werden, wij hadden dit te danken aan den ijver en de juistheid waarmede de ingenieur den arbeid leidde.

Het geluid der tonnen en der houweelen ging met de grootste gelijkmatigheid, alsof het de slinger van een klok was en bij iedere postafwisseling gevoelden wij een koortsachtige aandoening. Zag men van de redding af, of ondervond men onoverkomelijke bezwaren? Gedurende het uitpompen van het water hoorden wij eensklaps een oorverdoovend geraas, een schel gefluit.

—Het water valt in de mijn, riep Carrory.

—Het is niet het water, hernam de meester.

—Wat is het dan?

—Ik weet het niet; maar het is niet het water.

Hoewel de meester ons verscheidene malen bewijzen gegeven had van zijn doorzicht en gezond verstand, hechtte men geen geloof aan hetgeen hij zeide, dan wanneer hij dit door bewijzen staafde. Hij erkende, dat hij niet wist, waaraan dit geluid was toe te schrijven—later vernamen wij, dat het ontstond door de kettingen van een ventilator, dien men opheesch om versche lucht aan de werklieden te verschaffen—en nu maakte zich een dolle vrees van ons meester, bij de gedachte aan een overstrooming.

—Steek de lamp aan.

—Dat is niet noodig.

—Steek aan, steek aan!

Hij moest wel gehoorzamen, want allen waren het hierover eens. Bij het schijnsel van de lamp konden wij zien dat het water niet gerezen was, maar dat het eer daalde.

—Gij ziet dat ik gelijk heb, sprak de meester.

—Het stijgt en thans zullen wij verdrinken.

—Welnu, hoe eer hoe beter dan maar, want ik kan het niet langer uithouden.

—Geef de lamp, meester, ik wil op een stukje papier aan mijn vrouw en kinderen schrijven.

—Schrijf voor mij ook.

—Voor mij ook.

Bergounhoux had gevraagd om de lamp aan te steken, teneinde, voordat hij stierf, nog aan zijn vrouw en kinderen te schrijven; hij had in zijn zak een stukje papier en een potlood en maakte zich tot schrijven gereed.

—Luister, dit zal ik schrijven:

"Gaspard, Pagès; de schoolmeester, Carrory en Rémi zijn in de zijgang opgesloten en zullen daarin omkomen."

"Ik Bergounhoux, smeek God, om een man voor de weduwe en een vader voor de weezen te zijn; ik geef hun mijn zegen."

—Gij, Gaspard?

"Gaspard geeft wat hij bezit aan zijn neef Alexis."

"Pagès draagt zijn vrouw en kinderen aan God, de Heilige Maagd en de maatschappij op."

—Gij meester.

—Ik heb niemand, antwoordde de meester op droevigen toon, niemand zal mij betreuren.

—Gij Carrory.

—Ik, riep Carrory, ik verlang, dat mijn kastanjes verkocht zullen worden, voordat zij gedroogd zijn.

—Op ons papier schrijven we niet zulken onzin.

—Het is geen onzin.

—Wilt gij niemand vaarwelzeggen. Uw moeder?

—Mijn moeder zal van mij erven.

—En gij Rémi?

"Rémi geeft aan Mattia Capi en zijn harp; hij groet Alexis en verzoekt hem om naar Lize te gaan, en wanneer hij haar zijn groeten overbrengt, haar tevens een gedroogde roos te geven; die hij in zijn jaszak bewaart.

Wij zullen allen onze handteekening eronder zetten."

—Ik zet een kruis, sprak Pagès.

—Nu, zeide Bergounhoux, toen wij allen onzen naam gezet hadden, vraag ik niets meer, dan dat men mij rustig sterven laat, zonder iets meer tegen mij te zeggen. Vaartwel, makkers.

Hij verliet daarop zijn trede en begaf zich naar de onze, om van ons drieën afscheid te nemen. Daarop klom hij weder naar de zijne, omhelsde Pagès en Carrory, en maakte toen van zand en vermolmd hout een hoogte, waarop hij met zijn hoofd kon rusten en strekte zich vervolgens in zijn geheele lengte uit, zonder zich verder meer te verroeren.

De aandoeningen, welke deze brief bij ons teweeggebracht had, en de gelatenheid van Bergounhoux maakten ons niet moediger.

Intusschen was het kloppen veel duidelijker geworden en ongetwijfeld was men ons reeds zoover genaderd, dat men ons spoedig zou kunnen bereiken.

Hiermede troostte ons de meester, teneinde zoodoende een weinig kracht te geven.

—Als men zoo dicht bij ons is, als gij meent, dan zouden wij hen kunnen hooren schreeuwen en wij hooren hen niet, evenmin als men ons hoort.

—Al waren zij slechts weinige meters van ons verwijderd dan zouden wij hen nog niet kunnen hooren; dit hangt geheel af van het gehalte der aardkorst, die zij doorboren moeten.

—Of van den afstand.

Het water daalde echter voortdurend en weldra kregen wij het bewijs, dat het de daken der gangen niet meer bereikte.

Wij hoorden tegen den wand van de zijgang eenig gedruisch en het water klotste alsof er stukjes steenkool invielen.

Men stak een lamp aan en wij zagen verscheidene ratten beneden in de zijgang loopen. Zij hadden, evenals wij, een schuilplaats in een duikerklok gevonden en toen het water gedaald was, hadden zij haar toevluchtsoord verlaten om eenig voedsel te zoeken. Als zij ons hadden kunnen bereiken, dan was dit omdat het water de gangen niet meer geheel vulde.

Deze ratten waren voor onze gevangenis, wat de duif voor de ark vanNoach was: het einde van den zondvloed.

—Bergounhoux, sprak de meester, terwijl hij zich tot aan de bovenste trede oprichtte, vat maar weer moed. En hij bracht hem toen aan het verstand, dat de ratten onze naderende bevrijding aankondigden.

Maar Bergounhoux liet zich niet overtuigen.

—Als de hoop weder voor wanhoop moet plaats maken, dan wil ik liever in het geheel geen hoop meer koesteren; ik wacht den dood; als er redding komt, dan zij God geloofd.

Ik wilde onze trede verlaten, om zelf me te overtuigen of het water inderdaad daalde. Het zakte aanmerkelijk en er was een groote ruimte gekomen tusschen het water en het bovenste gedeelte van de gaanderij.

—Vang eenige ratten, dan kunnen wij ze opeten, riep Carrory.

Maar om de ratten te vangen, moest men vlugger zijn dan ik thans was.

De hoop op redding evenwel had mij weder kracht gegeven en het zien van de ruimte deed mij besluiten een denkbeeld ten uitvoer te brengen, dat mij reeds lang gekweld had. Ik klom weder naar onze trede.

—Meester, ik weet iets; daar de ratten in de gang loopen, bewijst dit, dat men erdoor kan gaan; ik zal zwemmende de ladders bereiken en daar om hulp roepen; men zal ons komen zoeken, dat zal eerder kunnen gebeuren dan door de schacht.

—Ik verbied u dat!

—Maar, meester, ik zwem even goed als gij loopt en als een paling schiet ik door het water.

—En de slechte lucht.

—Als de ratten erdoor komen, dan is de lucht niet slechter voor mij dan voor haar.

—Ga, Rémi! riep Pagès, ik zal u mijn horloge geven.

—Wat zegt gij ervan, Gaspard? vroeg de meester.

—Niets; als hij denkt, dat hij de ladders bereiken kan, laat hij dan gaan, ik heb het recht niet hem dit te beletten.

—En als hij verdrinkt?

—En als hij zich redt, inplaats van hier wachtende om te komen?

Een oogenblik peinsde de meester hierover na; daarop vatte hij mij bij de hand.

—Gij zijt een brave knaap, mijn jongen, doe zooals gij wilt; ik geloof, dat gij het onmogelijke wilt beproeven, maar het zou niet voor de eerste maal zijn, dat gij in het onmogelijke slaagdet. Neem van ons allen afscheid.

Ik zeide allen vaarwel en nadat ik mijn kleederen had uitgetrokken, liet ik mij in het water glijden.

—Gij moet aanhoudend luid spreken, zeide ik, voordat ik begon te zwemmen: uw stem zal mij leiden.

Welke ruimte was er tusschen het dak en de gang? Was ze groot genoeg om mij vrij daarin te kunnen bewegen? Dat was de vraag.

Nadat ik eenige slagen gedaan had, bemerkte ik, dat ik zeer langzaam zwemmen moest, daar ik anders misschien mijn hoofd zou stooten; het waagstuk, dat ik wilde ondernemen, was alzoo mogelijk. Zou het einde de bevrijding of de dood zijn?

Ik wendde mij om en zag het schijnsel van de lampen in den donkeren afgrond weerkaatsen: dit was mijn vuurtoren.

—Gaat het goed? riep de meester.

—Ja.

En met behoedzaamheid ging ik voorwaarts.

De grootste moeilijkheid om van de zijgang naar de ladders te komen, bestond hoofdzakelijk hierin om de goede richting te houden, want ik wist dat op een bepaald punt, waarvan ik niet ver verwijderd was, de gangen in elkander liepen. Ik moest dus niet door de duisternis mij laten misleiden, want dan zou mijn tocht tevergeefs zijn.

Het dak en de wanden van de gaanderij waren dus geen voldoende gidsen voor mij, maar op den grond had ik een veel beter leidsman in de rails. Als ik die volgde, dan was ik zeker, dat ik de trappen bereiken zou.

Van tijd tot tijd raakte ik even met mijn voeten op den grond en als ik dan een rail voelde, liet ik mij weder langzaam bovenkomen. De rails onder mij, de stemmen van mijn makkers achter mij, ik kon dus onmogelijk verdwalen.

Het voortdurend afnemen van het geluid der stemmen en het steeds toenemend geraas, dat het uithoozen van het water veroorzaakte, gaven mij de overtuiging, dat ik vorderde. Eindelijk zou ik dus weder het daglicht aanschouwen en door mij zouden mijn kameraden gered worden. Dat schonk mij kracht.

Ik hield altijd het midden van de gang en behoefde slechts even te duiken om een rail aan te raken, wat ik meestal met de punt van mijn voet deed. Toen ik dit weder beproefde en haar niet met mijn voet vinden kon, dook ik geheel onder om er met mijn hand naar te zoeken, maar dit was tevergeefs; ik zwom van de eene zijde naar de andere, maar vond niets.

Had ik mij bedrogen?

Ik bleef een oogenblik onbeweeglijk liggen om over mijn toestand na te denken; de stemmen van mijn makkers drongen slechts zeer flauw, als een zacht, bijna onhoorbaar gemompel tot mij door. Toen ik weder ademgehaald en een goede hoeveelheid lucht in mij opgenomen had, dook ik geheel onder, maar zonder een gelukkiger uitslag dan de eerste maal. Geen rails.

Ik was de verkeerde gang ingeslagen, zonder het te bemerken, en moest dus weder omkeeren.

Maar hoe? mijn makkers riepen niet langer, of wat hetzelfde is, ik kon ze niet meer hooren.

Een oogenblik gevoelde ik mij als verlamd, en een diepe smart overweldigde mij, toen ik niet wist in welke richting ik zwemmen zou. Ik was dus verdwaald in dien duisteren afgrond; onder dien zwaren steenklomp en in dat ijskoude water.

Maar eensklaps drong weder het geluid van stemmen tot mij door en ik wist daardoor in welke richting ik mij bewegen moest.

Toen ik eenige slagen achterwaarts gedaan had, dook ik opnieuw en reikte met mijn voet een rail. Op dit punt liepen de gangen dus te zamen. Ik zocht naar de metalen plaat op den muur; ik vond die niet; ik zocht naar de openingen en vond ze evenmin; rechts en links tastte ik altijd tegen den muur. Waar lag de rail?

Ik volgde ze tot aan het einde, maar plotseling hield zij op.

Ik begreep toen, dat de spoorbaan weggespoeld was door den stortvloed van water en dat ik mijn gids verloren had.

Door deze omstandigheid werd het mij onmogelijk gemaakt om mijn plan ten uitvoer te brengen en schoot mij niets anders over dan terug te keeren.

Ik had dien weg reeds eenmaal afgelegd en wist, dat ik hier buiten gevaar verkeerde; ik zwom dus met groote snelheid voort om de zijgang te bereiken; de stemmen leidden mij.

Naarmate ik onze schuilplaats naderde, scheen het mij toe, dat de stemmen duidelijker werden, alsof mijn makkers nieuwe krachten verzameld hadden.

Spoedig bevond ik mij aan het begin van de gang en riep ook.

—Kom, kom spoedig, riep de meester.

—Ik heb de schacht niet gevonden.

—Dat doet er niet toe; de opening vordert; zij hooren ons roepen en wij hen; weldra zullen wij met elkander kunnen spreken.

Snel beklom ik de trede en luisterde met ingehouden adem. De slagen waren werkelijk veel harder; en de stemmen van hen, die tot onze bevrijding werkten, waren nog wel zwak, maar toch vrij duidelijk.

Toen de eerste opwelling van vreugde voorbij was, voelde ik dat ik half bevroren was, en daar er geen warme kleederen waren om mij af te drogen, begroef men mij tot aan het hoofd onder de steenkolen, die altijd een zekere warmte behouden en oom Gaspard met den meester drukten zich tegen mij aan. Ik vertelde hun toen mijn onderzoekingstocht en hoe ik een oogenblik verdwaald was geraakt.

—Hebt gij durven duiken?

—Waarom niet? Ongelukkig heb ik niets kunnen vinden.

Maar, zooals de meester ook gezegd had, dat deed er nu weinig toe; want, al waren wij niet door de gang gered, het zou door een schacht gebeuren.

Het geroep werd duidelijker en duidelijker, zoodat wij alle hoop hadden spoedig de stemmen te kunnen onderscheiden.

Eenige minuten later hoorden wij deze woorden langzaam uitspreken:

—Met hoeveel zijt gij?

Oom Gaspard had de sterkste stem van ons allen. Hij zou dus antwoorden.

—Zes!

Er heerschte een poos een diepe stilte. Waarschijnlijk hadden zij boven op een grooter aantal gerekend.

—Haast u, riep oom Gaspard, wij kunnen het hier niet langer uithouden.

—Uw namen.

Hij noemde onze namen:

—Bergounhoux, Pagès, de schoolmeester, Carrory, Rémi en Gaspard.

Gedurende onze redding was dit het vreeselijkste ongeluk voor hen, die boven waren. Toen men vernam, dat men weldra eenige woorden met ons zou kunnen wisselen, waren alle mijnwerkers, alle bloedverwanten en vrienden komen toesnellen en de soldaten hadden groote moeite om hun te beletten de gang binnen te dringen.

Toen de ingenieur mededeelde, dat wij slechts met ons zessen waren, heerschte er algemeene teleurstelling, maar toch bleef een ieder voor zichzelf nog eenige hoop koesteren, daaronder die zes zich juist de persoon bevinden kon, dien men wachtte.

Hij herhaalde onze namen.

Helaas! op honderd en twintig moeders of vrouwen, waren er slechts vier, wier hoop verwezenlijkt zou worden. Welk een groote smart was dat voor de anderen en hoeveel tranen werden er niet gestort!

Ook wij van onzen kant dachten aan hen, die gered hadden kunnen worden.

—Hoeveel zijn er gered? vroeg oom Gaspard.

Men antwoordde niet.

—Vraag waar Marius is, zeide Pagès.

De vraag werd gedaan; maar bleef evenals de eerste, onbeantwoord.

—Zij hebben het niet gehoord.

—Zeg liever, dat zij niet willen antwoorden.

Ik brandde van verlangen, om een vraag te doen.

—Vraag eens hoelang wij hier reeds zijn opgesloten.

—Sedert veertien dagen.

Veertien dagen! Bij onze hoogste berekening waren wij op vijf of zes dagen gekomen.

—Gij behoeft er nu niet langer meer in te blijven. Houdt goeden moed. Laten wij nu zwijgen, anders kunnen wij niet voortwerken. Nog slechts weinige uren.

Deze duurden, geloof ik, het langst van onze geheele gevangenschap, in elk geval, behoorden zij onder de smartelijkste. Bij iederen hamerslag die er viel, dachten wij dat het de laatste was; maar altijd werd hij door een anderen en weder een anderen gevolgd.

Van tijd tot tijd werd er een vraag gedaan.

—Hebt gij honger?

—Ja, zeer veel.

—Kunt gij wachten? als gij te zwak zijt, dan zal men een gat boren en daarin bouillon gieten, maar dat zal uwe bevrijding vertragen; als gij nog wachten kunt, dan zult gij eerder uw vrijheid terugkrijgen.

—Wij zullen wachten, haast u dan ook.

De tonnen waren voortdurend in werking gebleven en het water zakte aanhoudend en geregeld.

—Zeg dat het water zakt, zeide de meester.

—Wij weten het; zoowel door de schacht als door de gang; men zal u spoedig bereiken…. zeer spoedig.

De slagen klonken minder krachtig.

Blijkbaar stond men op het punt om een opening te boren, en daar wij medegedeeld hadden, in welken toestand wij verkeerden, vreesde men een instorting teweeg te brengen, die op ons hoofd zou neerkomen en ons kwetsen of wellicht dooden zou of in het water doen storten.

De meester legde ons toen ook uit, dat het zeer wel mogelijk kon zijn, dat men bevreesd was voor de luchtdrukking, waardoor zoodra er een gat geboord was, de lucht ontsnappen zou als de kogel uit een kanon en alles in puin doen storten.—Wij moeten dus op onze hoede zijn en evenals de opzichters over ons zelf waken.

De schokken aan den bodem toegebracht door de houweelen, waren oorzaak geweest, dat de steenkool in de zijgang had losgelaten en tal van brokstukken in het water vielen.

Zonderling, hoe meer het oogenblik van onze bevrijding naderde, hoe zwakker wij werden; mijn krachten waren uitgeput en onder de steenkolen begraven, was ik zelfs niet instaat mijn arm op te tillen; ik beefde over mijn gansche lichaam, zonder het koud te hebben.

Eindelijk rolden grootere stukken tusschen ons; de opening was boven in de zijgang aangebracht; wij waren als verblind door het licht der lampen.

Maar onmiddellijk was alles om ons weder in het duister gehuld; de tocht, een vreeselijke tocht, een windvlaag, die verscheidene stukken steenkool met zich voerde, vloog ons in het gelaat.

—Dat komt van de tocht, stel u gerust, men zal de lampen spoedig weder aansteken. Hebt slechts even geduld.

Wachten! Alweder wachten!

Maar op hetzelfde oogenblik hoorden wij in de gang een vreeselijk geraas, en toen ik mij omkeerde zag ik dat een helder licht zich over het water verspreidde.

—Moed! Moed! riep men ons toe.

En terwijl men door de opening aan de mannen, die zich op de bovenste trede bevonden, de hand reikte, naderde men ons door de gaanderij.

De ingenieur had zich aan het hoofd gesteld; hij was de eerste die op de trede stapte en ik lag in zijn armen, vóór ik nog een woord had kunnen uiten.

Het was hoog tijd, want mijn hart klopte bijna niet meer.

Toch besefte ik dat men mij wegdroeg, en dat, toen wij buiten de gang waren, men mij in dekens wikkelde.

Ik opende de oogen, maar een oogenblik daarop werd ik als verblind, zoodat ik genoodzaakt was ze weder te sluiten.

Het was dag, wij bevonden ons in de open lucht.

Op hetzelfde oogenblik wierp zich een wit lichaam op mij: het was Capi, die met een sprong op den arm van den ingenieur zat en mijn gelaat lekte. Ook voelde ik, dat men mijn rechterhand vatte en die kuste—Rémi fluisterde een stem,—het was Mattia. Ik wierp een blik om mij heen en ik ontdekte toen een talrijke menigte, die zich in twee rijen geschaard had, zonder den doortocht te belemmeren. Er heerschte een diepe stilte onder de menigte, want men had ieder gewaarschuwd ons door tranen noch klachten nieuwe aandoeningen te bezorgen; maar de houding en de blikken van allen spraken meer dan de stomme lippen.

In de eerste rij zag ik witte, met gouden versierselen bedekte gewaden, die in de zon schitterden. Het was de geestelijkheid van Varses, die zich naar den ingang van de mijn begeven had om daar voor onze bevrijding te bidden.

Toen wij te voorschijn traden, knielden zij in het stof, want gedurende veertien dagen was de bodem, die door stortregens door-en-door nat was geworden, gedroogd.

Twintig armen strekten zich uit om mij aan te nemen, maar de ingenieur wilde mij niet afstaan en, trotsch op zijn overwinning, gelukkig en fier bracht hij mij naar het kantoor, waar men eenige bedden gespreid had om ons daarop neer te leggen.

Twee dagen later wandelde ik door de straten van Varses, gevolgd door Mattia, Alexis en Capi, en ieder, dien wij tegenkwamen, bleef stilstaan om ons na te staren.

Sommigen zelfs kwamen naar mij toe en drukten mij de hand, met tranen in de oogen.

Anderen weer wendden het hoofd van mij af. Deze waren in rouw gedompeld en vroegen zich af, waarom dit kind, dat alleen op de wereld was, gered was geworden, terwijl een huisvader of de zoon zich nog in de mijn bevonden, en nu met verminkte lichamen door het water werden verteerd.

Maar onder hen, die mij staande hielden, waren er velen, die het mij lastig maakten, daar zij volstrekt wilden, dat ik met hen zou eten of naar een koffiehuis gaan.

—Gij moet alles eens aan ons vertellen, zeiden zij.

Ik bedankte altijd voor dergelijke uitnoodigingen, want ik gevoelde in het minst geen lust mijn lotgevallen mede te deelen aan hen, die mij met een middagmaal of een glas bier wilden betalen.

Ik luisterde bovendien ook liever dan dat ik zelf vertelde en ik hoorde met genoegen naar Alexis en Mattia, die mij alles verhaalden wat er gebeurd was, terwijl wij ons onder den grond bevonden.

—Als ik dacht, dat gij door mijn toedoen gestorven waart, zeide Alexis, dan was het of mijn armen en beenen afvielen, want ik geloofde dat gij dood waart.

—Ik heb het nooit gedacht, sprak Mattia; ik wist niet, dat gij levend uit de mijn komen zoudt en of men wel bijtijds zou komen, om u te redden; maar ik geloofde geen oogenblik, dat gij verdronken zoudt zijn, zoodat, als het uithoozen maar snel genoeg gebeurde, men u ergens vinden zou. En terwijl Alexis klaagde en weende, herhaalde ik altijd bij mezelf: hij is nog niet dood, maar misschien zal hij sterven. En een ieder vroeg ik naar zijn meening. Hoelang kan men zonder eten leven? Wanneer zou het water uitgepompt zijn? Wanneer zal met de gang hebben doorboord? Maar niemand gaf mij het gewenschte antwoord. Toen men uw namen gevraagd had en de ingenieur na Carrory, Rémi riep, ben ik weenend op den grond gevallen, en nadat men over mij heengeloopen had, ben ik opgestaan, zonder iets daarvan te hebben bemerkt, zoo gelukkig was ik.

Ik was er recht trotsch op, dat Mattia zooveel vertrouwen in mij stelde, zoo zelfs dat hij niet had willen gelooven dat ik sterven zou.

Ik had mij in de mijn vrienden gemaakt: zulk een leed te zamen gedragen brengt de harten nader tot elkander; men lijdt te zamen, men koestert dezelfde hoop, men maakt een geheel uit.

Zoowel oom Gaspard als de meester waren mij bijzonder genegen geworden; en hoewel de ingenieur onze gevangenschap niet gedeeld had, had hij zich aan mij gehecht, zooals men onwillekeurig doet aan een kind, dat men van een wissen dood gered heeft; hij had mij bij zich genoodigd en ik moest toen aan zijn dochter een uitvoerig verhaal geven van alles wat gedurende onze opsluiting had plaats gevonden.

Iedereen in Varses wilde mij zien.

—Ik zal een plaats als werkman voor u zoeken, zeide oom Gaspard, en dan blijft gij bij ons.

—Als gij op een onzer kantoren werkzaam wilt zijn, zeide de ingenieur, dan zal ik daarvoor zorgen.

Oom Gaspard vond het zeer natuurlijk, dat ik naar de mijn terugkeerde, waarin ook hij spoedig weder zou nederdalen, met die onbezorgdheid van hen, die gewend zijn iederen dag het gevaar te trotseeren; maar ik, die zijn zorgeloosheid noch zijn moed bezat, ik was volstrekt niet geneigd om mijn tijdelijk beroep van mijnwerker weder te aanvaarden. Een mijn was heel mooi en belangrijk en ik was blijde, dat ik er een gezien had, maar ik had er genoeg van gezien en ik gevoelde niet den minsten lust om naar de zijgang terug te keeren.

Die gedachte alleen joeg mij reeds schrik aan. Ik was bepaald niet geschikt voor onderaardschen arbeid; het leven in de open lucht, met de zon boven mijn hoofd, of zelfs een bedekte lucht, stonden mij meer aan. Dit trachtte ik ook oom Gaspard en den meester aan het verstand te brengen, waarover de een zeer verbaasd scheen terwijl de ander zich beklaagde, dat ik zoo weinig lust gevoelde om mijnwerker te worden. Carrory, dien ik ontmoette, noemde mij een domkop.

Den ingenieur kon ik natuurlijk niet antwoorden, dat ik niet onder den grond wilde werken, daar hij mij een plaats in zijn bureau aanbood en mij, indien ik goed oppaste, onderwijs wilde doen geven; ik deelde hem dus liever de geheele waarheid mede.

—Gij stelt dus meer prijs op een zwervend leven en uw vrijheid; ik heb het recht niet u dit te beletten, mijn jongen, volg uw eigen zin.

Het was waar, ik hield van een zwervend leven; ik had dit nooit zoo gevoeld als gedurende mijn gevangenschap in de zijgang: niet voor niets gewent men zich om te gaan waarheen en te doen wat men wil en zijn eigen meester te blijven.

Zoolang men alles in het werk stelde om mij te Varses te houden, was Mattia al dien tijd treurig en afgetrokken geweest. Ik vroeg hem naar de oorzaak hiervan; hij had mij steeds ten antwoord gegeven, dat hij was zooals altijd; eerst toen ik hem vertelde, dat wij binnen drie dagen zouden vertrekken, bekende hij mij de reden van zijn zwaarmoedigheid, terwijl hij mij met tranen in de oogen de hand drukte.

—Gij zult mij dus niet aan mijn lot overlaten! riep hij uit.

Toen hij dit zeide, gaf ik hem een flinken duw om hem te leeren, dat hij niet aan mij twijfelen mocht en ook om voor hem de aandoening te verbergen, die bij mij opwelde, toen ik deze ontboezeming hoorde.

Dien kreet had hij geslaakt uit vriendschap en niet uit eigenbelang. Mattia had mij niet noodig om aan den kost te komen; hij was zeer goed instaat dien alleen te verdienen.

Inderdaad had hij aangeboren talenten, die ik in de verste verte niet bezat. Hij was in de eerste plaats veel bekwamer in het bespelen van verscheidene muziekinstrumenten, in het zingen en dansen en om allerlei rollen te vervullen. Bovendien was hij veel beter geschikt dan ik om het "geëerde gezelschap", zooals Vitalis altijd zeide, de hand in den zak te doen steken. Zijn glimlach alleen, zijn vriendelijke blik, zijn witte tanden en gul gelaat trof zelfs hen, die niet mild van aard waren en zonder te vragen, deed hij bij het publiek de neiging ontwaken om iets te geven; men schepte er behagen in hem genoegen te doen. Dit was zóó waar, dat, gedurende zijn korte uitstapjes met Capi, hij in de gelegenheid was geweest twintig francs bij elkaar te zamelen, wat voor ons een belangrijke som was.

Honderd dertig francs hadden wij in kas en de twintig, welke Mattia erbij verdiend had, maakten een totaal van honderd vijftig francs; dus slechts weinig francs ontbraken ons om de koe te koopen.

Hoewel ik niet in de mijnen wilde werken, speet het mij toch, dat ik Varses verlaten moest, want ik moest dan ook van Alexis, oom Gaspard en den meester scheiden; maar het lag eenmaal in mijn bestemming te moeten scheiden van hen, die ik liefhad en die mij vriendschap bewezen.

Voorwaarts!

Met de harp over den schouder en den ransel op den rug, betraden wij weder den grooten weg, met Capi vroolijk voor ons uitspringende.

Ik moet eerlijk bekennen, dat zich een aangenaam gevoel van mij meester maakte, toen ik Varses achter mij had, en toen ik met mijn voet op den harden weg stapte, deze geheel anders klonk dan de slijkerige grond der mijn, terwijl ik de zon en de boomen boven mij zag.

Vóór ons vertrek hadden Mattia en ik ons reisplan vastgesteld, want ik had hem op de kaart leeren zien en hij verbeeldde zich niet meer, dat de afstanden langer waren voor een paar beenen, die ze moesten afleggen, dan voor een vinger, die van de eene stad naar de andere wijst. Na geruimen tijd het vóór en tegen overwogen te hebben, hadden wij besloten, dat inplaats van ons regelrecht naar Ussel te begeven en van daar naar Chavanon, wij over Clermont zouden gaan, daar dit een niet al te groote omweg was en wij daarbij de gelegenheid hadden om de badplaatsen te bezoeken, waar zich in dezen tijd veel zieken ophielden: Saint Nectaire, Mont-Dore, Royat, Bourboule. Terwijl ik in de mijn arbeidde, had Mattia op zijn tochten met een berenleider kennis gemaakt, die eveneens de badplaatsen ging bezoeken, waar men volgens zijn meening veel geld kon verdienen. En Mattia wilde veel geld verdienen, daar hij honderd vijftig francs niet genoeg vond om een koe te koopen. Hoe meer geld wij hadden, hoe mooier koe wij koopen konden en hoe blijder vrouw Barberin wezen zou. En hoe blijder vrouw Barberin was, des te gelukkiger zouden wij zijn.

Wij moesten de richting van Clermont volgen.

Op onze reis van Parijs naar Varses, was ik begonnen Mattia onderwijs te geven; ik had hem lezen geleerd en ook de beginselen der muziek, en op onze wandeling tusschen Varses en Clemont zette ik mijn lessen voort.

Hetzij mijne manier van onderwijzen niet deugde,—wat zeer wel mogelijk was—of Mattia geen vlugge leerling—wat ook mogelijk was—in het lezen maakte hij weinig vorderingen, zooals ik reeds gezegd heb.

Hoe hij ook in zijn boek staarde en op de letters tuurde, hij las altijd iets anders dan er werkelijk stond, wat zijn verbeelding meer dan zijn oplettendheid eer aandeed.

Dikwijls werd ik dan ongeduldig, en terwijl ik driftig op het boek sloeg, zeide ik in mijn boosheid, dat zijn hersens gesloten waren.

Zonder zich hierover gekrenkt te gevoelen, zag hij mij met zijn vriendelijke oogen lachend aan.

—Het is waar, gaf hij ten antwoord, eerst als men mij slaat, gaan mijn hersens open; Garofoli was zoo dom niet, want hij bemerkte dit terstond.

Hoe zou ik lang boos kunnen blijven na zulk een antwoord? Ik begon te lachen en onze les werd weder voortgezet.

Maar bij de muziek hadden zich niet dezelfde moeilijkheden voorgedaan en sedert zijn eerste optreden had Mattia geduchte vorderingen gemaakt, zoo zelfs, dat hij al spoedig mij door zijn vragen verbaasde. Mijne verwondering veranderde in verlegenheid en eindelijk was het zoo ver gekomen, dat ik hem mijne onwetendheid had moeten bekennen.

Ik moet verklaren, dat mij dit hinderde en ergerde; ik nam mijn rol van onderwijzer zeer ernstig op en vond het vernederend voor mezelf, dat mijn leerling mij vragen deed, waarop ik geen antwoord wist te geven; het scheen mij toe, dat ik hem in zeker opzicht bedroog.

En mijn leerling bespaarde mij geen enkele vraag.

—Waarom zet men voor alle muziek niet denzelfden sleutel?

—Waarom gebruikt men de kruizen als men hooger spelen moet en mollen wanneer het lager is?

—Waarom heeft de eerste en laatste maat van een stuk niet hetzelfde tempo?

—Waarom kan men zijn viool niet op alle noten stemmen?

Op deze laatste vraag kon ik met waardigheid antwoorden, dat een viool mijn instrument niet was en ik nooit de moeite genomen had om te weten hoe zij wèl of hoe zij niet gestemd moest worden, en Mattia had hierop niets weten te antwoorden.

Maar ik had mij niet op dezelfde wijze uit de verlegenheid kunnen redden, toen hij mij vragen deed over de mollen en de maatverdeeling: dat had geheel-en-al betrekking op de muziek in 't algemeen, op de theorie van de muziek; ik was muziekonderwijzer en ik moest dus antwoorden, of ik verloor mijn macht en mijn invloed. Dit besefte ik zeer goed en ik was er bijzonder op gesteld beide te behouden.

Als ik dan niet wist wat erop te antwoorden, redde ik mij uit mijn verlegenheid door het voorbeeld van oom Gaspard te volgen, die, toen ik hem vroeg, wat steenkolen waren, mij op overtuigenden toon antwoordde: "Dat zijn kolen, die men onder de steenen vindt."

Met niet minder zekerheid antwoordde ik aan Mattia, wanneer ik niet wist wat te zeggen:

—Dat is zoo, omdat het zoo zijn moet; het is een wet.

Mattia had geen karakter, dat zich tegen de wet verzetten zou; hij zag mij dan slechts aan met groote oogen en half-ontsloten mond wat niet zeer geschikt was om voldaan over mezelf te zijn.

Drie dagen was het geleden, sedert wij Varses verlaten hadden, toen hij mij een dergelijke vraag stelde en inplaats van op zijn "waarom" te antwoorden: "Ik weet niet," zeide ik toen met zekere waardigheid: "Omdat het zoo is."

Hij werd toen afgetrokken en in zichzelf gekeerd, en den geheelen dag kon ik geen woord meer uit hem krijgen, wat ik niet van hem gewoon was, daar hij altijd bereid was om te babbelen en te lachen.


Back to IndexNext