Toen keek ze mij aan, terwijl haar hoofd nog erger begon te trillen en vroeg:
—Zijt gij dan dat jongetje?
—Welk jongetje?
—Dat hij zocht.
Dat hij zocht! Toen ik dat hoorde, begon mijn hart hevig te bonzen.
—Barberin! riep ik uit.
—Wijlen Barberin, moet ge zeggen. Wijlen Barberin.
Ik hield mij aan mijn harp vast.
—Is hij dan dood? riep ik, hard genoeg om verstaan te worden, en met een stem, heesch van aandoening.
—Acht dagen geleden gestorven in het gasthuis van Saint-Antoine.
Ik stond verplet. Barberin dood! I Hoe zou ik thans mijn familie zoeken en vinden?
—Dus zijt gij het jongske, ging de oude vrouw voort, dat hij zocht om aan zijn rijke familie terug te geven.
Ik kreeg weder hoop en klampte mij aan die woorden vast.
—Wist gij dan….? begon ik.
—Ik wist wat hij vertelde, die arme man: hij had een kind gevonden en grootgebracht, dat nu de familie wilde terughebben en dat hij te Parijs zocht.
—Maar de familie? vroeg ik met hijgende stem, mijn familie?
—Dus zijt gij het jongske? Gij, gij! Zijt gij 't wezenlijk? En met haar trillend hoofd zag zij mij strak aan.
Maar ik maakte spoedig een einde aan haar onderzoek.
—Vertel mij toch spoedig wat gij weet.
—Maar ik weet niets meer dan ik u nu verteld heb, beste jongen…. ik wil zeggen, jongenheer.
—Wat heeft Barberin u omtrent mijn familie verteld? O! zie dan toch hoe ontroerd ik ben; ik sterf van verlangen iets te weten.
Zonder mij te antwoorden hief zij weder de handen in de hoogte en zeide:
—Dat is me een geschiedenis!
Op dat oogenblik kwam eene vrouw binnen, die al het voorkomen had van eene dienstbode. De eigenares van het logement van Cantal wendde zich tot deze:
—Dat is me een geschiedenis! Dat jongetje, die jongenheer, dien je daar ziet, is de knaap van wien Barberin altijd sprak; en nu komt hij en Barberin is er niet meer! Dat is me een geschiedenis!
—Heeft Barberin u dan nooit over mijn familie gesproken?
—Wel twintig keer! wel honderd keer! 't Is een rijke familie.
—En waar woont ze? Hoe heet ze?
—Ja, zie je, dat heeft Barberin mij nooit verteld. Ge begrijpt, dat hij dit vóór zich hield. Hij wilde de belooning alleen hebben; en dat is billijk ook. Hij was slim genoeg om die niet te verspelen.
Ik begreep het en ik begreep maar al te goed de beteekenis van 'tgeen die vrouw mij vertelde: Barberin had zijn geheim, het geheim mijner geboorte, met zich in 't graf genomen.
Ik was dus slechts zóó ver mijn doel genaderd om voor altijd de kans te verliezen, om het te bereiken. Verijdeld waren mijne schoone droomen en mijne wenschen.
—En kent gij niemand, aan wien Barberin misschien iets meer kan hebben verteld dan aan u?
—Zoo dom was Barberin niet, dat hij aan iemand zijn vertrouwen schonk. Hij wantrouwde iedereen.
—En hebt gij nooit iemand van mijn familie gezien, die mij zocht?
—Nooit.
—Had hij misschien vrienden, met wie hij over mijn familie kan hebben gesproken.
—Hij had geen vrienden.
Ik drukte beide handen tegen het hoofd; maar of ik al dacht en nog eens dacht, niets was er, dat mij den weg kon wijzen. Bovendien was ik zoo ontroerd, zoo onthutst, dat ik onmogelijk mijne gedachten kon verzamelen.
—Eens heeft hij een brief gekregen, zeide de oude vrouw, na lang te hebben nagedacht; een aangeteekenden brief.
—Waar kwam die vandaan?
—Dat weet ik niet; de brievenbesteller gaf den brief aan hem zelf en ik heb het poststempel niet gezien.
—Dien brief kan men toch wel terugvinden?
—Toen hij gestorven was, hebben wij alles doorzocht wat hij had nagelaten. Niet uit nieuwsgierigheid, dat verzeker ik u, maar om zijn vrouw bericht te zenden. Maar wij hebben niets gevonden. En in 't hospitaal evenmin. In geen van zijn kleeren vond men een letter schrift, en als hij niet gezegd had, dat hij uit Chavanon was, zou men nooit zijn vrouw de tijding van zijn dood hebben kunnen zenden.
—Dus weet vrouw Barberin, dat hij dood is?
—Wis en zeker.
Geruimen tijd bleef ik sprakeloos tegenover de vrouw staan. Wat zou ik zeggen? Wat zou ik vragen? De menschen hadden mij alles verteld wat zij wisten; en zij wisten niets. En zeer zeker hadden zij alles beproefd om van Barberin te weten te komen, wat hij voor hen verborgen wilde houden.
Ik bedankte dus voor hetgeen zij gezegd hadden en ging naar de deur.
—Waar ga je nu naartoe? vroeg de oude vrouw.
—Ik ga mijn kameraad opzoeken.
—Zoo; hebt ge een kameraad?
—Ja zeker.
—Woont die te Parijs?
—Wij zijn van morgen eerst samen te Parijs gekomen.
—Welnu, hoor eens, als je geen onderkomen hebt, kunt ge hier uw intrek nemen. Ge zult hier goed zijn, dat durf ik gerust zeggen en in een fatsoenlijk huis. Vergeet ook niet, dat als je familie je zoekt, wanneer zij niets meer van Barberin hoort, zij het eerst hier zal komen en niet ergens anders. Dan zijt ge er zelf om haar te helpen. Dat is al één voordeel. Waar zouden ze je vinden, als je niet hier waart? Ik zeg het alleen maar in je eigen belang. Hoe oud is je kameraad?
—Hij is iets jonger dan ik.
—Denk eens aan! Zoo'n paar kleine jongens in dat groote Parijs! Je zoudt slechte kennissen kunnen treffen; er zijn huizen, waar kwaad volk komt. 't Is niet zooals hier, waar men rustig en kalm leeft. Maar dat brengt deze wijk ook mede.
Ik was niet zoo bepaald overtuigd dat deze wijk zoo rustig en kalm was, en bovendien was dit logement Cantal een van de vuilste en ellendigste huizen, dat men zich denken kon en op al mijne omzwervingen had ik nooit zoo'n jammerlijk logement ontmoet. Maar wat die vrouw zeide, verdiende toch wel overweging. In elk geval was het nu geen zaak om al te kieskeurig te zijn, en ik had mijn familie niet, mijne rijke familie, om met deze een van die mooie hotels aan de boulevards te betrekken, of in haar eigen huis, als zij te Parijs woonde. In het logement Cantal zouden wij niet duur zijn, en thans kwam het erop aan om zoo zuinig mogelijk te leven. Mattia had wel gelijk gehad toen hij erop aandrong, dat wij op onzen tocht van Dreuze naar Parijs geld zouden verdienen. Wat zouden wij beginnen, als wij nu geen acht gulden op zak hadden!
—Voor hoeveel verhuurt ge aan mij en mijn vriend een kamertje? vroeg ik.
—Een halven franc daags. Is dat te duur?
—Dan kom ik van avond met mijn kameraad hier.
—Kom niet te laat; in Parijs is het 's avonds niet veilig.
Vóór ik hier mijn intrek nam, moest ik Mattia gaan opzoeken en er moesten nog vele uren voorbijgaan eer de tijd daar was, waarop wij elkander zouden vinden. Daar ik niet wist wat ik in dien tijd moest doen, ging ik in treurige stemming naar den Plantentuin en zette mij daar op een eenzame plek op een bank. Mijne beenen konden niet meer voort en mijn hart was gebroken.
De slag was zoo fel, zoo onverwacht, zoo verpletterend. Moest ik dan alle ongelukken ondervinden, het een na het ander? Zoo dikwijls ik de hand uitstak om vast te grijpen, brak de tak dien ik vatte in mijn handen en viel ik weer neder! Zoo ging het altijd.
Was het niet het noodlot zelf, dat Barberin juist moest sterven op het oogenblik, dat ik behoefte aan hem had, en dat hij uit winzucht den naam en de woonplaats had verborgen van den persoon—zeker mijn vader—die hem opgedragen had om mij op te sporen?
Terwijl ik in zwaarmoedig gepeins verzonken zat en de tranen mij over de wangen biggelden, kwamen een heer en dame, door een kind gevolgd, den lommerrijken boom voorbij, in wiens schaduw ik mij had neergezet. Het kind trok een wagentje achter zich voort en bleef bij mij stilstaan. De heer en dame zetten zich op een bank en riepen den kleine bij zich, die toen zijn wagentje liet staan en met open armen naar hen toeliep. Zijn vader nam hem op, kuste zijn blonden krullebol en gaf hem toen aan zijne moeder, die hem ook met kussen overdekte op dezelfde plaats en op dezelfde wijze, terwijl de knaap schaterde van 't lachen en de wangen van zijne ouders met zijne kleine, dikke, mollige handjes bedekte.
Toen ik dit zag, dat geluk en die vroolijkheid van het kind, begon ik, ondanks mij zelven, bitter te weenen. Zóó was ik nog nooit geliefkoosd. Mocht ik thans nog hopen, dat dit geluk ook eenmaal mijn deel zou zijn?
Daar kwam ik op de gedachte, om voor het kind wat te spelen. Ik nam mijn harp en tokkelde langzaam een wals, terwijl de knaap de maat trappelde met zijn voetjes. De heer kwam naar mij toe en gaf mij een stuk zilvergeld, maar ik weigerde beleefd.
—Och neen, mijnheer, zei ik, gun mij het genoegen, dat ik voor uw kind speel. 't Is zoo'n lief kind!
Hij zag mij aandachtig aan, maar op dat oogenblik verscheen er een agent van politie, die, ondanks de tegenkanting van den heer, mij gelastte me zoo spoedig mogelijk uit de voeten te maken, als ik niet opgepakt wilde worden, omdat ik in den tuin muziek had gemaakt.
Ik sloeg den band van mijn harp weder over den schouder en ging heen, maar nog dikwijls zag ik om naar den heer en dame, die mij met een weemoedigen blik nastaarden.
Daar het nog geen tijd was om naar de brug de l'Archevêché te gaan en Mattia op te zoeken, doolde ik langs de kade en zag naar de stroomende rivier.
De avond begon te vallen; men stak de gaslichten aan. Toen richtte ik mij naar de kerk Nôtre-Dame, waarvan de twee torens als donkere massa's afstaken tegen den purperen hemel. Niet ver van de kerk vond ik eene bank, waarop ik mij kon neerzetten en dat deed mij goed, want mijne beenen waren als lood, alsof ik uren lang geloopen had, en daar gaf ik mij weder aan mijne treurige overpeinzingen over. Nooit had ik mij zoo afgemat en moe gevoeld. In mij en om mij was alles even somber; in dat groote Parijs, zoo vol licht en leven en beweging, voelde ik mij eenzamer dan temidden van de velden en bosschen.
De menschen, die voorbijgingen, keerden zich somtijds om en zagen mij aan; maar wat raakte mij hunne nieuwsgierigheid of hun medelijden; op de belangstelling van vreemde menschen was mijne hoop niet gebouwd.
De eenige afleiding die ik had, was de uren te tellen, die de torenklok aangaf. Ik berekende dan hoeveel tijd ik nog wachten moest, om weder kracht en moed te putten uit de vriendschap van Mattia. Welk een troost gaf mij dat vooruitzicht, weder die trouwhartige, vroolijke oogen te zien!
Kort vóór zeven uren hoorde ik een luidruchtig geblaf, en bijna terstond daarop zag ik in de duisternis eene witte gedaante mij naderen. Vóór ik het zelf wist, was Capi op mijn knieën gesprongen en likte mijne handen; ik drukte hem in de armen en kuste hem op zijn snuit.
Mattia was ook weldra bij me.
—Hoe is het? riep hij mij reeds van verre toe.
—Barberin is dood.
Hij liep nog harder, om spoedig bij mij te zijn. In weinige woorden had ik hem in hoofdzaak mijn wedervaren verteld en wat ik vernomen had.
Ook hij was bedroefd over mijne teleurstelling en dat deed mij goed. Ik voelde, dat, zoo hij voor zichzelven alles van mijne familie vreesde, hij niettemin, om mijnentwil, oprecht verlangde, dat ik ze terug mocht vinden.
Door zijne goede, hartelijke woorden trachtte hij mij te troosten en vooral de hoop in mij op te wekken, dat niet alles verloren was.
—Uw ouders, zeide hij, hebben Barberin wel weten te vinden, en wanneer zij niets meer van hem hooren, zullen zij zeker onderzoeken wat er van hem geworden is. Natuurlijk zullen zij dan in het logement van Cantal komen. Laten we dus naar dat logement gaan; het is maar een uitstel van een paar dagen; meer niet.
Dat had die oude vrouw met haar schuddend hoofd mij ook gezegd, maar in den mond van Mattia kregen die woorden voor mij eene geheel andere beteekenis; ontegenzeggelijk was het maar een uitstel van een paar dagen. Hoe dom en onnoozel van mij, dadelijk alle hoop en moed op te geven.
Toen ik weer wat kalmer was geworden, vertelde ik aan Mattia wat ik omtrent Garofoli had vernomen.
—Dus nog drie maanden! riep hij uit.
En hij begon middenop straat te dansen en te zingen.
Plotseling stond hij stil en kwam naar mij toe.
—De familie van den een is toch heel anders dan de familie van den ander, zeide hij. Gij waart wanhopend omdat ge uw familie niet hadt gevonden, en ik ben dol blij dat ik de mijne verloren heb.
—Een oom, dat is geen familie; tenminste een oom als Garofoli: als je je zuster Christina verloren hadt, zou-je dan ook dansen?
—O, zeg dat niet!
—Zie-je-wel!
Wij volgden de kade en kwamen zoo aan de passage d'Austerlitz, en daar mijn oogen nu niet met tranen waren gevuld, kon ik zien hoe prachtig de Seine des avonds was, wanneer zij verlicht wordt door de vollemaan, die hier en daar een zilveren gloed werpt op de golven, welke een onmetelijken golvenden spiegel vormen.
Het logement van Cantal mocht een fatsoenlijk huis zijn, mooi was het volstrekt niet, en toen wij eene kleine berookte kamer hadden betrokken onder de dakpannen, en zoo eng, dat de een op het bed moest gaan zitten als de ander overeind wilde staan, kon ik niet nalaten bij mij zelven te denken, dat het een geheel andere kamer was, waarin ik gehoopt had te slapen. En de lakens van ongebleekt katoen geleken in het geheel niet op het prachtige lijnwaad, waarvan vrouw Barberin mij had verteld.
Het stuk brood met schapekaas besmeerd, dat wij voor ons avondeten kregen, had ook niets van het feestmaal, dat ik mij voorgesteld had aan Mattia te kunnen aanbieden.
Maar alles was toch nog niet verloren; het was maar een uitstel.
Met die gedachte viel ik in slaap.
Den anderen morgen was mijn eerste werk, aan vrouw Barberin te schrijven om haar mede te deelen wat ik had vernomen, en dat was een heel werk voor me.
Hoe kon ik haar zoo maar botweg vertellen, dat haar man dood was? Zij hield van haar Jérôme; zij hadden jarenlang samen geleefd, en het zou haar leed doen als ik niet in hare droefheid deelde.
Zoo goed als het ging en met herhaalde betuigingen van genegenheid, was ik ten slotte aan het einde van mijn papier. Natuurlijk sprak ik haar over mijne teleurstelling en de verijdeling van mijne vurigste hoop. Eigenlijk was dit wel het voornaamste waarover ik schreef. Ingeval mijne familie zich tot haar wendde, teneinde iets omtrent Barberin te vernemen, verzocht ik haar mij onmiddellijk te waarschuwen en vooral om mij het adres te zenden, dat men haar mocht aangeven; mij kon men altijd in het logement van Cantal vinden.
Toen ik die taak had volbracht, rustte er nog eene andere op me tegenover den vader van Lize, en ook die taak was zwaar, althans tot op zekere hoogte. Toen ik aan Lize te Dreuze beloofd had, om de eerste maal, dat ik in Parijs zou uitgaan, aan haar vader een bezoek te brengen, had ik haar gezegd, dat, als mijne ouders rijk waren, gelijk ik hoopte, ik van hen de som zou vragen, die haar vader schuldig was, zoodat ik slechts naar de gevangenis zou gaan om hem in vrijheid te doen stellen. Dat was een van de nommers van mijn programma van de goede dingen, die ik genieten zou. Eerst vader Acquin, dan moeder Barberin, vervolgens Lize, na haar Martha en Alexis en eindelijk Benjamin. Wat Mattia betreft, men zou voor hem hetzelfde doen als voor mij en hij was gelukkig, als ik gelukkig was.
Welk eene teleurstelling dus voor me, om met leege handen naar de gevangenis te gaan en vader Acquin te bezoeken, voor wien ik thans even weinig doen kon als bij mijn vertrek, om hem de schuld mijner dankbaarheid te betalen.
Gelukkig kon ik hem goede tijding brengen en de groeten van Lize en Alexis, en zijn blijdschap over hetgeen hij omtrent zijne kinderen vernam, zou tenminste eenigermate vergoeden, dat ik zijne vrijheid niet medebracht. Ik had dus altijd het bewustzijn, iets goeds voor hem te kunnen doen, al was dit dan ook nog het voornaamste niet.
Mattia, die erg verlangde om eens eene gevangenis te zien, ging met mij mede; bovendien stelde ik er prijs op, dat hij den man zou leeren kennen, die twee jaar lang zulk een goed vader voor mij geweest was.
Ik kende thans het middel om in de gevangenis van Clichy te worden toegelaten en wij bleven nu niet zoolang voor de groote poort wachten, als toen ik de eerste maal Acquin wilde bezoeken.
Men liet ons in een spreekvertrek en weldra verscheen vaderAcquin. Reeds op den drempel opende hij zijn armen voor me.
—O, wat een goede jongen ben je toch, Rémi, je bent een beste jongen! riep hij uit.
Ik vertelde hem dadelijk alles wat ik wist van Lize en Alexis en toen ik hem wilde uitleggen, waarom ik niet bij Martha was geweest, viel hij mij in de rede met de vraag:
—En je ouders?
—Weet ge dan, dat die mij zoeken?
Toen deelde hij mij mede, dat veertien dagen geleden Barberin bij hem was geweest.
—Die is dood, zeide ik.
—Dat is eerst een ongeluk!
Toen verhaalde hij mij hoe Barberin bij hem geweest was om te vernemen wat er van mij was geworden. Toen hij te Parijs was geweest, had Barberin zich naar Garofoli begeven, maar dien had hij natuurlijk niet gevonden; toen was hij hem gaan opzoeken in de provincie, heel ver van Parijs, waar Garofoli zijn straftijd doorbracht, en deze had hem verteld, dat ik na den dood van Vitalis opgenomen was bij zekeren tuinman Acquin. Barberin was toen teruggekeerd en had zich aan de Glacière vervoegd en daar vernomen, dat die tuinman in Clichy gevangen zat. Hij was daarop naar de gevangenis gegaan en Acquin had hem meegedeeld, dat ik rondzwierf in Frankrijk, zoodat het met geene mogelijkheid was te zeggen, waar ik mij op dit oogenblik bevond; maar hij was zeker, dat ik den een of anderen dag bij een van zijne kinderen zou komen. Toen had hij zelf naar Dreuze, naar Vares, Esnandes en Saint-Quentin geschreven. Zoo ik den brief niet te Dreuze gevonden had, was het, omdat ik al vertrokken was vóór die daar was aangekomen.
—En wat heeft Barberin u van mijne familie verteld? vroeg ik.
—Niets, of althans heel weinig. Uwe ouders hadden bij den commissaris van politie in de wijk des Invalides vernomen, dat het kind, hetwelk in de Avenue de Breteuil was neergelegd, gevonden was door een metselaar uit Chavanon, zekeren Barberin, en toen zijn zij u bij hem komen opvragen. Toen ze u niet vonden, hadden zij hem verzocht hem behulpzaam te zijn bij hunne nasporingen.
—Heeft hij u hun naam niet gezegd? Heeft hij niet verteld waar zij woonden?
—Toen ik hem die vragen deed, antwoordde hij, dat hij mij dit later wel zeggen zou. Toen heb ik er niet op aangedrongen, daar ik begreep, dat hij den naam van uwe ouders geheim hield, om niet minder geld van hen te trekken dan hij gehoopt had te zullen krijgen. Daar ik een poos lang ook uw vader was geweest, verbeeldde die Barberin zich, dat ik mij daarvoor wilde laten betalen. Toen heb ik me niet meer met hem bemoeid en is hij ook niet teruggekomen; maar dat hij dood was, wist ik niet. Alzoo, jongenlief, hebt ge uwe ouders niet, en weet gij door die inhaligheid van den ouden schraper ook niet wie of waar zij zijn.
Ik vertelde hem wat wij hoopten en hij versterkte die hoop door tal van goede redenen.
—Daar uwe ouders dien Barberin wel te Chavanon hebben weten te vinden en die Barberin Garofoli en zelfs mij heeft weten te ontdekken, zal men u ook wel in het logement van Cantal weten op te sporen. Daar kunt gij zeker van zijn.
Die woorden deden mij bepaald goed en maakten mij weder vroolijk en opgeruimd. Den overigen tijd brachten wij door met over Elize en Alexis te spreken en over mijn ongeluk in de mijn.
—Wat een vreeselijk vak! zeide hij, toen ik aan het slot van mijn verhaal was; en is dat nu het leven van mijn armen Alex? Och, hoeveel gelukkiger was het, toen hij in mijn tuin bloemen kon kweeken.
—Die tijd zal wel weer komen, antwoordde ik.
—God geve, dat dit gebeure, beste Rémi.
Het brandde mij op de lippen om hem te zeggen, dat mijne ouders hem wel spoedig uit de gevangenis zouden halen, maar bijtijds bedacht ik, dat het toch niet paste om te pochen op het genot, dat men later iemand doen zou, en ik bepaalde mij dus tot de verzekering, dat hij wel spoedig weer zijne vrijheid zou herkrijgen en al zijne kinderen bij zich hebben zou.
—En in afwachting van dat gelukkig oogenblik, zeide Mattia, toen wij buiten waren gekomen, moeten wij geen tijd laten voorbijgaan om geld te verdienen.
—Als wij minder tijd hadden besteed om geld te verdienen op den weg van Chavanon naar Dreuze en van Dreuze naar Parijs, zouden wij nog bijtijds gekomen zijn om Barberin in leven te vinden.
—Dat is waar, en ik heb er me zelven ook al een verwijt van gemaakt, dat wij ons zoolang hebben opgehouden; waarlijk, gij kunt er niet knorriger om zijn dan ik.
—O, ik verwijt het je niet, mijn goede Mattia, dat verzeker ik u. Zonder u zou ik aan Lize haar pop niet hebben kunnen geven en zonder u zouden wij thans in Parijs zijn zonder een stuiver op zak, om in ons onderhoud te voorzien.
—Welnu, als ik gelijk had dat ik er op aandrong om geld te verdienen, laten wij dan doen, of ik ook nu gelijk heb. Bovendien schiet ons niet beter over dan te zingen en te spelen; later zullen wij den tijd wel hebben om uit te rusten, als wij in uw rijtuig kunnen zitten. Te Parijs ben ik thuis en ik ken de goede plekjes.
Hij kende die plekjes zoo goed, de groote pleinen, de binnenplaatsen, de koffiehuizen enz., dat wij dien avond, toen wij naar bed gingen, vijftien francs hadden opgehaald.
Toen ik mij te ruste legde, herhaalde ik bij mijzelven een woord, dat ik dikwijls gehoord had van Vitalis: hun slechts die het niet noodig hebben, is de fortuin gunstig. Zeker was die ruime verdienste een zeker bewijs, dat opeens mijne ouders vóór me zouden staan.
Ik was zoo overtuigd van de waarheid van mijn voorgevoel, dat ik den anderen dag gaarne in het logement zou zijn gebleven; maar Mattia dwong me om met hem uit te gaan, en hij dwong mij ook om te spelen en te zingen, en dien dag ontvingen wij wederom tusschen de tien en twaalf francs.
—Als uw ouders ons niet spoedig rijk maken, zeide Mattia lachend, dan zullen wij het wel zonder hen ook worden. Dat zou nog wel zoo aardig zijn.
Drie dagen gingen er op die wijze voorbij, zonder dat er iets nieuws gebeurde en zonder dat de eigenares van het logement op mijne vragen, die altijd dezelfde waren, iets anders antwoordde dan: niemand is naar Barberin komen vragen en ik heb ook geen brief voor u of voor Barberin ontvangen. Den vierden dag echter gaf zij mij een brief.
Het was een antwoord van vrouw Barberin, of liever een antwoord, dat zij mij had laten schrijven, want zelve kon zij evenmin schrijven als lezen.
Zij meldde mij, dat zij de tijding had ontvangen van Barberins dood en dat zij kort te voren een brief van hem had gekregen, dien zij hier bij voegde, in de hoop, dat die mij van dienst kon zijn, daar hij eenige bijzonderheden omtrent mijne familie bevatte.
—Gauw, gauw, riep Mattia uit, laten wij dadelijk den brief vanBarberin lezen.
Met bevende hand en kloppend hart opende ik den brief. Hij luidde:
"Lieve vrouw!
"Ik lig in het gasthuis, zoo ziek, dat ik niet geloof, dat ik er van op zal komen. Als ik er de kracht toe had, zou ik u vertellen hoe het gekomen is, dat ik zoo ziek ben geworden; maar dat kan tot niets leiden; liever deel ik u mede wat van meer belang is. Als ik er niet van opkom, schrijf dan aan Greth en Galley, Green square, Lincoln's te Londen. Dat zijn rechtsgeleerden, die belast zijn met de taak om Rémi op te sporen. Schrijf hun, dat gij alleen narichten omtrent het kind kunt geven en zorg, dat ge u voor die narichten goed laat betalen. Dat geld moet strekken om u een rustigen ouden dag te bezorgen. Gij zult vernemen wat er van Rémi geworden is, als gij schrijft aan zekeren Acquin, vroeger tuinier, thans in de gevangenis Clichy te Parijs. Laat al de brieven door den pastoor schrijven, want in deze zaak moet gij aan niemand uw vertrouwen schenken. Doe evenwel niets vóór gij zeker weet, dat ik dood ben.
"Wees voor de laatste maal gegroet van
Barberin."
Ik had het laatste woord van den brief nog niet gelezen, toen Mattia opsprong met den kreet:
—Wij gaan naar Londen?
—Ik was zoo verbaasd over hetgeen ik gelezen had, dat ik Mattia aanzag, zonder juist te begrijpen wat hij zeide.
—Daar Barberin schrijft dat het engelsche advocaten zijn, wien de taak is opgedragen om u op te sporen, ging hij voort, ligt daarin opgesloten, dat uw ouders Engelschen zijn.
—Maar…..
—Gij vindt het niet prettig een Engelschman te wezen, niet waar?
—Ik zou van hetzelfde land willen zijn als Lize en de kinderen.
—Ik had liever gehad, dat gij een Italiaan waart.
—Als ik een Engelschman ben, behoor ik tot hetzelfde land als Arthur en mevrouw Milligan.
—Als ge een Engelschman zijt? Maar dat is zeker; als uw ouders Franschen waren, zouden zij toch geen engelsche advocaten belasten om in Frankrijk het kind op te sporen, dat zij verloren hebben. Nu gij een Engelschman zijt, moet gij naar Engeland gaan. Dat is het beste middel om bij uwe ouders te komen.
—Als ik eens aan die advocaten schreef?
—Waarom zoudt ge dat doen? Men kan veel verder komen met praten dan met schrijven. Toen wij te Parijs kwamen, hadden wij zeventien francs; toen hebben wij vijftien francs gemaakt, vervolgens tien en twaalf, daarna tien: dit maakt zoowat te zamen vijftig francs; vier francs hebben wij uitgegeven, dus hebben wij nog ruim veertig francs, en dat is meer dan wij noodig hebben om naar Londen te gaan. Men gaat te Boulogne in de boot naar Londen en dat kost niet veel geld.
—Ben je wel eens te Londen geweest?
—Dat weet ge wel beter; maar wij hadden in het paardenspel van Gassot twee clowns die Engelschen waren, en deze hebben mij dikwijls van Londen gesproken en zij hebben mij een paar engelsche woorden geleerd, om met elkander te kunnen praten zonder dat de vrouw van Gassot, die zoo nieuwsgierig was als een uil, kon verstaan wat wij zeiden. Wat we haar in 't engelsch gekheden in 't gezicht hebben gezegd, zonder dat zij er iets van begreep! Ik zal je naar Londen brengen.
—Ik heb bij Vitalis ook engelsch geleerd.
—Dat wil ik wel gelooven; maar in die drie jaren hebt ge 't wel moeten vergeten, terwijl ik het nog ken: dat zult gij zien. Bovendien, 't is niet alleen omdat ik je in Londen van dienst zal kunnen zijn, dat ik met je naar Engeland wil gaan, maar, om je de waarheid te zeggen, heb ik nog eene andere reden.
—En die is?
—Als je ouders je te Parijs kwamen halen, zouden zij mij misschien niet met je willen meenemen; maar ben ik eens in Engeland, dan zullen zij mij niet terugzenden.
Zulk eene onderstelling scheen mij eene beleediging toe voor mijne ouders, maar zoo volstrekt onmogelijk was het echter niet en 't was dus eene geldige reden. Al was er maar ééne kans dat mijne reis gelukken kon, dan moest ik die eenige kans wagen en aan het idee van Mattia gevolg geven, om dadelijk met hem naar Engeland te gaan.
—Laten wij dan maar gaan, zeide ik.
—Wilt ge?
In twee minuten waren onze reiszakken gepakt en wij gingen naar beneden, geheel gereed om te vertrekken.
Toen zij ons met onze reiszakken zag, riep de logementhoudster vol verbazing uit:
—Gaat de jongenheer—die jongenheer was ik—vertrekken? Wacht hij zijn ouders niet af? Dat zou toch wel zoo verstandig zijn; en dan zouden zijne ouders eens kunnen zien, hoe goed hij het hier heeft.
Maar door zulke mooie woorden liet ik mij niet weerhouden. Nadat ik betaald had wat wij schuldig waren, wilde ik naar buiten gaan, waar Mattia en Capi mij reeds wachtten.
—En uw adres? vroeg de oude vrouw.
Zij had gelijk; het was verstandig haar mijn adres achter te laten. Ik schreef dit dus in haar boek.
—Naar Londen! riep zij uit. Zoo'n paar knapen naar Londen! Zoo'n heele reis, en dan over zee!
Vóór wij ons naar Boulogne begaven, moest ik nog afscheid nemen van vader Acquin. Dat afscheid was niet treurig. Ook hij was zeer blij dat ik mijn ouders zou terugvinden en het was mij een genot hem nogmaals te verzekeren, dat ik spoedig zou terugkomen met mijne ouders, om hem onzen dank te betuigen.
—Tot weerzien dan, beste jongen, en veel geluk. Zoo ge niet zoo spoedig mocht terugkomen als ge u wel voorstelt, schrijf mij dan.
—Ik kom terug.
Dien dag reisden wij, zonder ons ergens op te houden, voort tot Moiselles, waar wij den nacht doorbrachten op eene hoeve, want wij moesten zuinig op ons geld zijn, teneinde onzen overtocht te kunnen betalen. Mattia had wel gezegd, dat hij niet duur was, maar wat noemde hij duur?
Onder het wandelen leerde Mattia mij eenige engelsche woorden, want ik was geheel vervuld met eene zelfde gedachte, die mij al mijn genot benam; zouden mijne ouders fransch of italiaansch spreken? Hoe zouden wij met elkander kunnen praten, als zij niets anders dan engelsch verstonden? Wat zou dit lastig zijn. Hoe zou ik met mijn broers en zusters omgaan, als ik die had? Zou ik geen vreemdeling voor hen blijven, zoolang ik mij niet met hen onderhouden kon? Hoe dikwijls ik mij voorgesteld had bij mij thuis te komen, en zeer dikwijls had ik mij dit, na mijn vertrek uit Chavanon, voorgesteld—nooit had ik kunnen denken dat ik op zulk een bezwaar zou kunnen stuiten. Hoelang toch zou het kunnen duren, eer ik het engelsch meester was, dat mij eene zeer moeilijke taal toescheen.
Acht dagen hadden wij noodig om van Parijs naar Boulogne te komen, want in de groote steden, die wij doortrokken, Beauvais, Abbeville en Montreuil-sur-Mer, hielden wij ons eenigen tijd op om voorstellingen te geven, teneinde ons kapitaal aan te vullen.
Toen wij te Boulogne aankwamen, hadden wij nog drie en dertig francs in onze beurs, dus veel meer dan wij noodig hadden om onzen overtocht te betalen.
Mattia had nooit de zee gezien en onze eerste wandeling was dus naar de kade. Een tijdlang stond hij met wijd opengesperde oogen en staarde naar den horizon, die in nevelen was gehuld; toen klokte hij met zijn tong en zeide, dat het leelijk, somber en vuil was.
Dit gaf aanleiding tot een klein geschil tusschen ons, want wij hadden dikwijls over de zee gesproken en ik had hem altijd gezegd, dat dit het mooiste was dat men ooit kon zien. Ik hield dus ook nu mijn meening vol.
—Misschien hebt ge gelijk, als de zee zoo blauw is, zooals te Cette, gelijk ge me verhaald hebt, zeide Mattia; maar als zij er uitziet als deze zee, zoo geel en groen, met die grijze lucht en die donkere wolken erboven, dan is zij leelijk, heel leelijk, en ik heb volstrekt geen lust in een zeereis.
In den regel waren Mattia en ik het volkomen eens; hij vereenigde zich met mijne meening of ik gaf de zijne toe; maar in dit geval hield ik vol, dat ik gelijk had en ik beweerde zelfs, dat die groene zee met hare geheimzinnige diepte en die donkere wolken, welke de wind door elkander joeg, net zoo mooi was als eene blauwe zee onder een blauwen hemel.
—Dat zegt ge maar, omdat ge een Engelschman zijt, antwoordde Mattia, en ge houdt van die leelijke zee, omdat zij aan uw land behoort.
De boot naar Londen vertrok den anderen morgen vroeg, te vier uren; tegen halfvier waren wij aan boord en wij zochten eene plaats achter eenige kisten, waar wij tegen den wind beschermd waren, die uit het noorden woei en koud en vochtig was.
Bij het schijnsel van eenige doffe lantaarnen zagen wij hoe het schip geladen werd; de katrollen piepten, de kisten, die men in het ruim neerliet, kraakten, en de matrozen, die van tijd tot tijd eenige woorden met elkander wisselden, hadden ruwe stemmen; maar boven al het gedruisch hoorden wij het geluid van den stoom, die in kleine witte vlokken door den schoorsteen opsteeg. De bel luidde; de touwen werden losgemaakt; wij waren op reis, op reis naar mijn land.
Dikwijls had ik aan Mattia verteld, dat er niets zoo prettig was als een tocht op eene boot; men gleed zachtkens over het water zonder te bemerken, dat men voortging; het was prachtig—het was als een droom.
Als ik dit vertelde, dacht ik aanDe Zwaan, en aan onze reis op het kanaal in het Zuiden, maar de zee had niets van een kanaal. Nauwlijks waren wij van wal gestoken, of de boot scheen in de zee te willen verzinken, dan rees zij weder op om nog dieper in het water door te dringen, en dit vijf- of zesmaal achtereen met geduchte schokken, alsof wij op een reusachtigen schommel zaten. Bij die schokken kwamen de rookwolken met een snerpend geluid uit den schoorsteen, en dan ontstond er een oogenblik van stilte en men hoorde slechts het klotsen van het water tegen de raderen, nu eens aan de eene dan aan de andere zijde, naarmate het schip rechts of links overhelde.
—Nu, zeide Mattia, dat glijden over het water laat wel wat te wenschen over.
Ik kon hem niet veel daarop antwoorden, want ik wist niet wat een branding was.
Maar niet slechts de branding deed het schip stooten en slingeren, ook de volle zee, die zeer onstuimig was, wierp onophoudelijk het schip van de eene zijde naar de andere.
Mattia, die een geruimen tijd niets had gezegd stond plotseling op.
—Wat deert je? vroeg ik.
—Alles danst in me, en ik voel mij heel onpleizierig.
—Dat zal de zeeziekte zijn.
—Nu, dat voel ik ook wel.
Een oogenblik later leunde Mattia over de verschansing.
Wat was de arme jongen ziek! Of ik hem al in mijne armen nam en zijn hoofd op mijn schouders liet rusten, hij werd niet beter; hij zuchtte en nu en dan snelde hij weer naar de verschansing, en eerst na eenige minuten kwam hij weer bij mij, om opnieuw tegen mij aan te leunen.
Zoo dikwijls hij bij mij kwam, balde hij zijn vuist tegen me en half lachend, half boos, zeide hij:
—O, die Engelschen! ze hebben geen hart en geen ingewanden.
—Gelukkig!
Toen de dag doorbrak, een sombere dag zonder zon, waren wij in het gezicht van de hooge krijtrotsen en hier en daar zag men onbeweeglijke schepen zonder zeilen. Langzamerhand werd het schommelen minder en ons schip gleed over het rustige water even zacht als in het kanaal. Wij waren niet meer in zee en aan beide zijden, geheel in de verte, zag men de begroeide kusten, of liever gezegd begreep men, dat zij daar wezen moesten, want de ochtendnevel belette ze te zien. Wij waren op de Theems.
—Wij zijn in Engeland, zeide ik tot Mattia.
Maar die goede tijding maakte geen aangenamen indruk op hem. Hij strekte zich in zijne volle lengte op het dek uit en zeide:—Laat mij slapen.
Daar ik op reis geen last van zeeziekte gehad had, gevoelde ik geen behoefte aan slaap. Ik legde Mattia zoo gemakkelijk mogelijk, en op een paar kisten klimmende, plaatste ik mij zoo hoog als ik kon met Capi naast mij.
Ik overzag nu de geheele rivier en volgde aan beide zijden en voor en achter mij haar geheelen loop. Rechts strekte zich een groote zandbank uit, waaraan het schuim een breede franje van kantwerk scheen te vlechten; links scheen het, dat men weder in volle zee kwam.
Maar dit was slechts in schijn; de blauwe oevers naderden elkander weldra weder en bleken toen geel en moerassig te zijn.
In het midden van den stroom lag eene geheele vloot van schepen voor anker, in wier midden zich stoomschepen bewogen, die eene lange zwarte rookwolk achter zich lieten.
Welk een menigte schepen; welk een tal van zeilen! Ik had mij nooit kunnen voorstellen, dat eene rivier zoo bevolkt kon wezen, en zoo de Garonne mij verbaasd had, de Theems maakte een overweldigenden indruk op me. Verscheidene schepen maakten zich gereed om te vertrekken en in het tuig zag men de matrozen op en afklimmen langs de touwladders, die op een afstand zoo dun waren als draden van een spinneweb.
Ons schip liet een schuimende voor achter zich in het gele water, waarop allerlei stukken van vaartuigen dreven; planken, blokken hout, dik gezwollen lijken van dieren, kurken en planten; van tijd tot tijd schoot een vogel met breede vleugelen op die krengen neder en vloog dan met een schellen kreet weer op, zijn prooi in den bek houdend.
Waarom wilde Mattia liever slapen? Hij zou beter doen met wakker te worden en ook te komen kijken; want het was een schouwspel, dat wel verdiende gezien te worden.
Naarmate onze boot verder de rivier opstoomde, werd dit schouwspel merkwaardiger en mooier. Het waren geen zeilschepen en stoombooten meer, die men met de oogen kon volgen: de groote driemasters, de reusachtige stoomschepen, die van ver verwijderde landen kwamen, pikzwarte kolenschepen, vaartuigen hoog beladen met hooi of stroo en die hooischelven schenen, welke door den stroom waren medegesleept, groote roode, witte of zwarte tonnen, die de stroom deed ronddraaien; maar ook op de beide oevers kon men duidelijk allerlei dingen zien, ook huizen met levendige kleuren beschilderd, groene weilanden, boomen, die nog nooit waren gesnoeid en hier en daar landingsplaatsen, die in het donkere water uitstaken, seinpalen voor den waterstand en groenachtige, slibberige balken.
Langen tijd bleef ik dit tafereel gadeslaan met wijd geopende oogen en dacht aan niets dan om rond te zien en te bewonderen.
Maar daar begonnen de huizen op beide oevers van de Theems zich al meer en meer samen te pakken in lange roode rijen en de lucht werd al somberder en somberder. Rook en mist vermengden zich, zonder dat men zeggen kon wie de bovenhand had in dikte, de mist of de rook; inplaats van boomen of vee in de weide, zag ik opeens een bosch van masten vóór mij verrijzen; de schepen vulden het weiland.
Ik kon het niet langer meer uithouden; ik klauterde naar beneden om Mattia te halen; hij werd wakker en daar zijne zeeziekte voorbij was, was ook zijn knorrig humeur geweken, zoodat hij er niets tegen had om met mij op mijne kisten te klimmen. Ook hij was verbijsterd door het schouwspel en wreef zijne oogen uit; hier en daar doorsneden de kanalen de weilanden en stortten zich dan in de rivier uit, hunne vracht van schepen met zich voerende.
Ongelukkig werden de rook en de mist nog dikker; men zag slechts nu en dan iets om zich heen en hoe verder men kwam, zooveel te donkerder werd het.
Eindelijk verminderde onze boot hare vaart; de machine stond stil; de touwen werden naar den oever geworpen; wij waren te Londen en stapten aan wal temidden van menschen, die ons aanstaarden, maar zonder een woord tot ons te spreken.
—Nu is het oogenblik gekomen, dat ge van uw engelsch partij kunt trekken, Mattia, zeide ik.
En Mattia, die het volste vertrouwen had in zijne kennis van de taal, gaat recht op een grooten man met een rooden baard af en vraagt hem heel beleefd, met den hoed in de hand, den weg naar Green-Square.
Het kwam me voor, dat het zeer lang duurde eer Mattia den man aan het verstand had gebracht wat hij bedoelde: bij herhaling moest hij hetzelfde vragen, maar ik hield me of ik volstrekt niet twijfelde aan de kennis van mijn vriend.
Eindelijk kwam hij terug.
—'t Is heel gemakkelijk te vinden, zeide hij; wij behoeven maar den loop van de Theems te volgen en de kaden te houden.
Maar er zijn geen kaden te Londen, of liever zij waren er niet in dien tijd; de huizen, staken vooruit tot in de rivier. Wij waren dus genoodzaakt de straten te volgen, die, naar wij meenden, evenwijdig met de rivier liepen.
Het waren donkere straten, slijkerig, onophoudelijk versperd door wagens en kisten en balen en pakken van allerlei aard, en slechts met moeite baanden wij ons een weg door de hinderpalen, die telkens zich vernieuwden. Ik had Capi aan een touw gebonden en hij volgde mij op de hielen; het was pas één uur in den namiddag en toch was in alle winkels het gaslicht aangestoken; het regende roet.
Onder deze omstandigheden gezien, maakte Londen op ons niet denzelfden indruk als de Theems.
Wij gingen maar altijd verder en van tijd tot tijd vroeg Mattia of wij nog ver van Lincoln's Inn waren. Hij vertelde mij toen, dat wij onder een groote poort moesten doorgaan, welke den weg, dien we volgden, versperde. Dit scheen mij zeer vreemd toe, maar ik durfde niet zeggen dat ik vreesde, dat hij zich vergiste.
Hij vergiste zich dan ook niet en wij kwamen aan een geverfde poort, die zich met twee zijpoortjes over een straat uitstrekte: dat was Temple Bar. Opnieuw vroegen wij den weg en men zeide ons, dat wij rechts moesten afslaan.
Toen bevonden wij ons niet langer in die breede straten vol beweging en gedruisch: integendeel, volgden wij smalle, stille straten, die zich in elkander kronkelden en het scheen ons toe, dat wij zelven in een kring rondliepen en in dezen doolhof niet verder kwamen.
Opeens, toen wij ons al verdoold achtten, stonden wij voor een klein kerkhof vol grafteekens, waarvan de steenen zoo zwart zagen of men ze met roet of schoensmeer had gepoetst: dit was Green Square—het groene plein!
Terwijl Mattia den weg vroeg aan eene schim, die wij ontmoetten, stond ik stil om het kloppen van mijn hart te bedwingen; ik haalde bijna geen adem meer, zoo beefde ik.
Daarop volgde ik Mattia weder en wij stonden stil voor eene koperen plaat, waarop men las "Greth and Galley."
Mattia deed een paar schreden voorwaarts om aan de schel te trekken, maar ik hield zijn arm terug.
—Wat hebt ge? vroeg hij. Gij ziet zoo bleek.
—Wacht een oogenblik, tot ik al mijn moed bijeengezameld heb.
Hij schelde en wij traden binnen.
Ik was zoozeer onder den indruk, dat ik niets onderscheiden kon van hetgeen ik om me zag; het scheen me toe, dat wij in een kantoor waren en dat twee of drie personen, over schrijftafels gebogen, schreven bij het schijnsel van verscheidene gaspitten, die een krassend geluid maakten.
Tot een van die heeren richtte Mattia zich, want natuurlijk had ik het aan hem overgelaten het woord te voeren. In hetgeen hij zeide kwamen herhaaldelijk de woorden "boy", "family" en "Barberin" voor; ik begreep dat hij vertelde dat ik de knaap was, dien men door Barberin had doen zoeken. De naam van Barberin maakte indruk: men zag ons aan en de persoon, tot wien Mattia zich had gericht, stond op en opende ons eene deur.
Wij kwamen in eene kamer vol boeken en papieren; een heer, voor eene schrijftafel gezeten, en een ander in een zwarten toga en met een pruik op, die verscheidene blauwe zakken in zijn hand had, was met hem in gesprek.
Met een paar woorden vertelde hij, die ons was voorgegaan, wie wij waren en de beide heeren beschouwden ons toen van het hoofd tot de voeten.
—Wie van u beiden is het kind dat door Barberin is opgevoed? vroeg in het fransch de heer, die voor de schrijftafel gezeten was.
Toen ik fransch hoorde spreken, voelde ik mij weer geruster en ik deed een stap voorwaarts.
—Dat ben ik, mijnheer.
—Waar is Barberin?
—Die is dood, mijnheer.
De beide heeren zagen elkander een oogenblik aan; toen ging hij, die de pruik op had, heen, de zakken met zich nemende.
—Hoe ben je dan hier gekomen? vervolgde de heer, die begonnen was met ons te ondervragen.
—Te voet tot Boulogne en van Boulogne naar Londen met eene stoomboot; wij zijn pas aangekomen.
—Heeft Barberin u geld gegeven?
—Wij hebben Barberin niet gezien.
—Maar hoe wist gij dan, dat gij hier moest wezen?
Ik vertelde hem zoo kort mogelijk wat hij verlangde te weten.
Ik verlangde op mijne beurt eenige vragen te doen, die mij op de lippen brandden, maar ik kreeg er den tijd niet toe.
Ik moest vertellen hoe ik grootgebracht was door Barberin, hoe ik door dezen aan Vitalis was verkocht, hoe ik, na den dood van mijn meester, door de familie Acquin was opgevoed, hoe de vader in de gevangenis was gebracht wegens schuld en hoe ik daarop mijn bedrijf als rondreizend muzikant weder had voortgezet.
Terwijl ik vertelde, maakte de heer eenige aanteekeningen en zag hij mij aan op eene wijze, die mij hinderde; hij had dan ook een stug voorkomen en iets schurkachtigs in zijn glimlach.
—En wie is die jongen? vroeg hij, naar Mattia wijzend met de punt van zijn stalen pen, alsof hij hem die als een spies naar het hoofd wilde werpen.
—Een vriend, een makker, een broeder.
—Heel goed; dus maar een kennis, onderweg opgedaan, niet waar.
—Neen, de beste, de innigste broederlijke vriend.
—O, daar twijfel ik niet aan.
Het oogenblik scheen mij nu gekomen om eindelijk ook de vraag te doen, die mij van het begin van ons gesprek af op de lippen had gelegen.
—Woont mijn familie in Engeland, mijnheer?
—Zeker; ze woont in Londen, tenminste voor het oogenblik.
—Dus zal ik haar zien?
—Over eenige oogenblikken zult gij bij haar zijn. Ik zal er u heen laten brengen.
Hij schelde.
—Nog een enkel woord, als ik mag: heb ik een vader?
Slechts met moeite kon ik dit woord uitspreken.
—Niet alleen een vader, maar een moeder, broers en zusters.
—O, mijnheer….
—Maar de deur ging open en dit maakte dat ik mijn gevoel moest bedwingen; ik kon slechts met betraande oogen Mattia aanzien.
De heer zeide in het engelsch iets tot den binnenkomende en ik meende eruit te begrijpen, dat hij dezen last gaf om ons te begeleiden.
Ik was opgestaan.
—O, ik vergat het u nog te zeggen, sprak de heer; uw naam is Driscoll; zoo heet uw vader.
Ondanks zijn stug voorkomen had ik hem wel om den hals kunnen vallen, als hij er mij de gelegenheid toe gelaten had, maar hij wees met de hand naar de deur en wij gingen heen.
De klerk, die mij bij mijne ouders zou brengen, was een mager mannetje met een perkamentachtig gerimpeld gezicht, in een zwarten herstelden rok gekleed, die blonk van ouderdom, en met een witte das. Toen wij buiten waren gekomen, wreef hij zich zoo hartstochtelijk in de handen, dat zijne vingers en polsen kraakten. Toen zette hij zijne beenen uit of hij zijne gelapte laarzen van zich wilde werpen en den neus in de lucht stekend, ademde hij met kracht en herhaaldelijk de mistige lucht in met het zalig gevoel van iemand, die opgesloten is geweest.
—Hij vindt dat die lucht lekker ruikt, zeide Mattia in het italiaansch.
Het mannetje zag ons aan en zonder een woord te spreken, riep hij: Pst! pst! alsof wij een paar honden waren, en dit beteekende, dat wij hem op de hielen moesten volgen en hem niet uit het oog moesten verliezen.
Weldra waren wij in eene groote straat gekomen, waar het wemelde van wagens en rijtuigen; hij hield er een aan, waarvan de koetsier, inplaats van op den bok vlak achter zijn paard, hoog boven en achter de kap zat. Later vernam ik, dat zulke rijtuigen cabs heeten.
Hij deed ons plaats nemen in het rijtuig, dat van voren open was en door een opening in de kap begon hij een gesprek met den koetsier. Verscheidene malen sprak hij het woordBethnal-Greenuit en ik dacht, dat dit de naam was van de wijk waar mijne ouders woonden. Ik wist datgreenin het engelsch groen beteekende en dit deed me vermoeden, dat die wijk met fraaie boomen was beplant, wat mij recht aangenaam was. Dat zou dus heel iets anders zijn dan die leelijke sombere straten van Londen, die wij bij onze aankomst doorkruist hadden. Het was zeker een mooi huis op een ruim plein, omringd van boomen.
Het gesprek tusschen onzen geleider en den koetsier duurde zeer lang; nu eens richtte de een zich op om door de opening eenige inlichtingen aan den koetsier te geven; dan weder was het deze die van zijn bok scheen te willen klimmen om door de opening te zeggen, dat hij volstrekt niets begreep van hetgeen men hem uitduidde.
Mattia en ik hadden ons in een hoek teruggedrongen met Capi tusschen ons en luisterden naar het gesprek. Het verwonderde me inwendig, dat die koetsier eene plaats, zoo mooi als Bethnal-Green, niet kende; er moesten dus vele van die groene pleinen in Londen zijn. Dat was vreemd, want te oordeelen naar hetgeen wij gezien hadden, zou ik eer gedacht hebben, dat alles met roet was bedekt.
Wij reden vrij snel door breede straten, dan door enge straten, dan weder door breede straten, maar zonder iets om ons heen te onderscheiden, zoo dicht was de nevel, die alles omhulde. Het begon koud te worden en toch voelden wij eene belemmering in de ademhaling, alsof wij stikken zouden. Als ik zeg "wij", bedoel ik Mattia en mij, want onze geleider scheen het weer prettig te vinden; telkens haalde hij diep adem met wijd geopenden mond, als wilde hij een grooten voorraad lucht in zijn longen opdoen en nu en dan deed hij weder zijn vingers kraken en rekte hij zijne beenen uit. Zou hij jarenlang in een toestand hebben doorgebracht, dat hij zich niet bewegen kon en haast geen adem kon halen?
Ondanks de ontroering, die zich van mij had meester gemaakt bij de gedachte, dat ik zoo straks, over een paar minuten misschien, mijne ouders zou omhelzen, mijn vader, mijne moeder, mijne broers en mijne zusters, had ik grooten lust om de stad eens te zien die wij doorreden. Dat was tochmijnstad;mijnvaderland.
Maar hoe ik de oogen ook opende, ik zag niets of bijna niets dan de roode gasvlammen, die in den mist brandden als in eene dichte rookwolk. Ternauwernood onderscheidde men de lichten der rijtuigen, die ons voorbij reden en van tijd tot tijd moest het onze plotseling stilstaan, om niet met andere wielen in aanraking te komen of de menschen niet te overrijden die zich op straat verdrongen.
Wij reden nog maar altijd voort; het was al lang geleden sinds wij Greth and Galley hadden verlaten en dit versterkte mij in de meening, dat mijne ouders buiten woonden; ongetwijfeld zouden wij weldra van de enge straten in de vrije natuur komen.
Daar Mattia en ik elkander bij de hand hielden, deed mij de gedachte dat ik mijne ouders zou vinden, zijne hand drukken; het scheen mij toe dat ik hem moest doen gevoelen, dat ik nog altijd zijn vriend was, op dit oogenblik zelfs meer dan ooit.
Maar inplaats van in de vrije natuur te komen, reden wij nog engere straten in en hoorden wij het fluiten der locomotieven.
Toen verzocht ik Mattia, aan onzen geleider te vragen of wij niet spoedig bij mijn ouders zouden zijn; het antwoord van Mattia was wanhopend. Hij beweerde, dat de klerk van Greth and Galley gezegd had, dat hij nooit in dit dieven-kwartier was geweest. Ongetwijfeld moest Mattia zich bedriegen en begreep hij niet wat deze hem had geantwoord. Maar hij hield vol, datthieves, het engelsche woord, dat de klerk gebruikt had, geen andere beteekenis had en dat hij daar volkomen zeker van was.
Een oogenblik bracht mij dit geheel van mijn stuk, maar ik dacht bij mij zelven, dat, zoo de klerk bang was voor dieven, dit een bewijs was, dat wij buiten de stad zouden komen en dat het woordGreenachter Bethnal evengoed van boomen als van het land kon worden gebezigd. Ik deelde die opvatting aan Mattia mede, en wij moesten lachen om de vrees van den klerk: wat waren die menschen die nooit buiten de stad komen, toch dom!
Maar niets kondigde de nadering van het veld aan: was dan gansch Engeland slechts één stad van steenen en slijk, Londen genaamd? Dat slijk drong zelfs in ons rijtuig door, en viel in zwarte spatten op ons neder. Een walgelijke geur omringde ons al geruimen tijd. Alles duidde aan, dat wij in een zeer armoedige buurt waren; de laatste zeker vóór wij te Bethnal-Green kwamen. Het scheen me toe, dat wij altijd in denzelfden kring rondreden en van tijd tot tijd liet de koetsier zijn paard stappen, als wist hij niet meer waar hij was. Eensklaps hield hij geheel stil en het raampje in de cab ging weder open.
Toen volgde er nogmaals een gesprek of liever een twist tusschen koetsier en klerk. Mattia zeide, dat de koetsier weigerde verder te gaan, omdat hij den weg niet kende; hij vroeg inlichtingen aan den klerk van Greth and Galley en deze antwoordde weder, dat hij nooit in deze dievenwijk was geweest. Ook ik verstond nu duidelijk het woordthieves.
Wij waren blijkbaar hier niet in Bethnal-Green.
Wat zou er gebeuren?
De twist werd door het openingetje voortgezet en de koetsier en de klerk werden al driftiger en driftiger.
Eindelijk gaf de klerk geld aan den koetsier, die het brommend aannam. Hij steeg uit de cab en riep ons weder met zijn "pst! pst!" Dit beduidde, dat ook wij eruit moesten komen.
Daar stonden wij in eene slijkerige straat, temidden van den dichten mist; een der winkels was schitterend verlicht en de gasvlammen werden weerkaatst door spiegels en verguldsel en als kristal geslepen flesschen. Het licht drong door den mist heen tot aan de straatgoot. Het was een tapperij, of, zooals de Engelschen het noemen, eengin-palace, een paleis waar men jenever verkoopt en allerlei soort van sterkendrank, gestookt uit den alcohol van koren of beetwortels.
—Pst! Pst! riep onze geleider opnieuw.
Met hem traden wij hetgin-palacebinnen. Wij bedrogen ons bepaald als wij meenden in eene armenwijk te zijn. Nooit had ik zoo iets prachtigs gezien; overal spiegels en verguldsel; de toonbank scheen wel van zilver. Evenwel, de menschen die voor deze toonbank stonden, of tegen de muren of vaten geleund, waren in lompen gekleed; sommigen hadden niet eens schoenen aan hunne voeten, waarmede zij door het slijk der straten en goten gebaggerd hadden, en zagen zoo zwart of zij met schoensmeer waren bestreken, dat nog den tijd niet gehad had om te drogen.
Op deze zilveren toonbank liet de klerk zich een glas vullen met een wit vocht, dat lekker rook, en na dit in één teug te hebben geledigd met dezelfde begeerigheid als hij vroeger de lucht had ingeademd, begon hij een praatje met den man met bloote armen, die hem bediend had.
Het was niet moeilijk te begrijpen, dat hij den weg vroeg en Mattia behoefde mij dit niet eens te zeggen.
Wederom volgden wij onzen geleider op de hielen; hier was de straat zoo smal, dat wij ondanks den mist de huizen aan beide zijden konden zien; boven ons waren touwen gespannen van het eene huis naar het andere en daarop hingen linnengoed en oude kleeren. Zeker hing het daar niet om te drogen.
Waar gaan wij heen? Ik begon mij ongerust te maken en van tijd tot tijd zag Mattia mij aan. Maar hij deed mij geen enkele vraag.
Uit de straat sloegen wij een steegje in, dat ons op een klein plein bracht en daarop weder een steegje. De huizen zagen er nog ellendiger uit dan in het kleinste dorpje in Frankrijk. Verscheidene bestonden slechts uit planken als schaapskooien of stallen; toch waren het huizen; vrouwen blootshoofds en kinderen in lompen zaten op den drempel.
Als eene flauwe schemering ons in staat stelde iets beter te zien, bespeurde ik dat die vrouwen zeer bleek zagen, haar lichtblonde haren hingen over de schouders; de kinderen waren bijna naakt en de weinige kleeren, die ze aan 't lijf hadden, waren lompen. In een der steegjes zagen wij varkens in het stilstaande water der goot wroeten, waaruit een walgelijke geur oprees.
Onze geleider stond weldra stil; blijkbaar wist ook hij nu den weg niet meer; maar op dat oogenblik naderde ons een man, met een lange blauwe jas aan en een glimmend lederen hoed op en die een half zwart- half witten band om den arm droeg. Een koker hing aan zijn gordel. Het was eenpoliceman.
Onze geleider sprak hem aan en weldra begaven wij ons op weg, voorgegaan door den policeman; wij gingen steegjes en poorten en kronkelende straten door, en het scheen me toe, dat verscheidene huizen op het punt waren van in te storten.
Eindelijk stonden wij stil op een plein, waarvan het middenvak uit een moeras bestond.
—Red Lion court, zeide de agent van politie.
Die woorden, welke ik reeds meermalen gehoord had, beteekenden: de Plaats van den Roode Leeuw, zooals Mattia voor mij vertaalde.
Waarom stonden wij stil? Onmogelijk konden wij reeds te Bethnal-Green zijn; woonden in dit huis mijn ouders? Maar dan!….
Ik had den tijd niet om over die vragen, die in mijn onrustig hart oprezen, na te denken. De agent van politie klopte op de deur van eene soort van houten loods, en onze geleider bedankte hem: wij waren dus waar wij wezen moesten.
Mattia, die mijn hand niet losgelaten had, drukte die en ik drukte wederkeerig de zijne.
Wij begrepen elkander; de angst, die zich van mijn hart had meester gemaakt, deed ook het zijne kloppen.
Ik was zoo ontroerd, dat ik niet weet hoe de deur, waarop de agent van politie geklopt had, geopend werd; maar van het oogenblik af, dat wij binnengetreden waren in het groote vertrek, dat verlicht werd door eene lamp en een groot kolenvuur op een fornuis, heb ik mijne herinnering behouden.
Vóór dat vuur, in een matten stoel, die den vorm had van een nis, waarin ik wel eens heiligbeelden had gezien, zat onbeweeglijk een grijsaard met een witten baard en een zwarte muts op het hoofd; tegenover hem, maar aan de andere zijde van de tafel, waren een man en een vrouw gezeten; de man moest zoowat veertig jaar zijn; hij droeg een grijs fluweelen jas en hij had een schrander, maar stug voorkomen. Zijne vrouw was vijf of zes jaar jonger; zij had lange, blonde haren, die neerhingen op een wit en zwart geruiten doek, die zij omgeknoopt had. Hare oogen hadden geen uitdrukking en onverschilligheid of lusteloosheid lag zoowel op haar gelaat, dat vroeger schoon moest zijn geweest, als in hare houding. Er waren vier kinderen in het vertrek, twee jongens en twee meisjes, allen blond, van hetzelfde vlasblond als hunne moeder. De oudste knaap kon ongeveer elf of twaalf jaar zijn; het jongste der twee meisjes was op zijn best drie jaar; het kroop meer dan het liep.
Ik had dit alles met een enkelen oogopslag overzien vóór dat onze geleider, de klerk van Greth and Galley, nog had uitgesproken.
Wat vertelde hij? Ik hoorde het ternauwernood en ik begreep het volstrekt niet; alleen de naam van Driscoll, mijn naam, trof mijn oor.
Aller oogen waren gericht op Mattia en mij, zelfs die van den onbeweeglijken grijsaard. Het kleinste meisje was de eenige, die hare aandacht schonk aan Capi.
—Wie van u beiden is Rémi? vroeg in het fransch de man in de grijs fluweelen jas.
Ik deed een stap vooruit.
—Ik, zeide ik.
—Omhels dan uw vader, mijn jongen.
Zoo dikwijls ik aan dat oogenblik had gedacht, had ik mij voorgesteld, dat eene hevige ontroering mij zou aangrijpen, en dat ik mijn vader om den hals zou zijn gevlogen; maar niets van die aandoening voelde ik in mij. Toch ging ik naar hem toe en omhelsde hem.
—En nu, ging hij voort, dat is uw grootvader, uwe moeder, uwe broers en uwe zusters.
Eerst ging ik naar mijne moeder en omhelsde haar met beide armen; zij liet dit toe, maar kuste mij niet; zij zeide slechts een paar woorden tot me, die ik niet begreep.
—Geef een hand aan uw grootvader, zeide mijn vader, maar voorzichtig: hij is lam.
Ik gaf ook een hand aan mijn twee broers en mijn oudste zusje; ik wilde de jongste in mijn armen nemen, maar zij was juist bezig om Capi te streelen en wilde niets van mij weten.
Terwijl ik van den een naar den ander ging, was ik inwendig verontwaardigd over mij zelven. Hoe was het mogelijk, dat ik volstrekt niets gevoelde, nu ik eindelijk mijn familie gevonden had! Ik had een vader, eene moeder, broers en zusters en zelfs een grootvader; ik was in hun midden en ik bleef koud en ongevoelig. Met een koortsachtig verlangen had ik dit oogenblik tegemoet gezien; ik was half krankzinnig van blijdschap geweest bij de gedachte, dat ook ik een tehuis zou hebben, ouders, die ik kon liefhebben en die mij zouden liefhebben, en daar stond ik nu verlegen en keek hen allen nieuwsgierig aan, maar in mijn hart voelde ik niets; er rees geen woord op, dat ik hun kon toevoegen. Was ik dan een monster? Was ik dan niet waard ouders en broers en zusters te hebben?
Als ik mijn ouders in een paleis gevonden had, inplaats van in zulk een stulp, zou ik dan niet voor hen die teederheid hebben gevoeld, die vroeger mijn hart vervulde bij de gedachte aan een vader en een moeder, die ik niet kende, eene liefde die ik niet aan den dag kon leggen tegen den vader en de moeder, die ik zag?
Die gedachte deed mij bijna blozen van schaamte. Ik ging weer naar mijne moeder toe, omhelsde haar opnieuw en kuste haar vurig. Zeker begreep zij niet waaraan zij die opwelling moest toeschrijven, want inplaats van mijne kussen te beantwoorden, zag zij mij met haar onverschilligen blik aan en zeide toen iets tot haar man, mijn vader, waarbij ze even de schouders ophaalde. Zij sprak iets dat ik niet verstond, maar dat hem deed lachen. Die onverschilligheid van de eene en dat lachen van den ander deden mijn hart bijna breken; ik meende, dat die teederheid van mijn kant toch niet verdiende zóó beantwoord te worden.
Maar men liet mij geen tijd om lang aan mijn indrukken toe te geven.
—En die daar? vroeg mijn vader, naar Mattia wijzend, wie is dat?
Ik vertelde hem welke banden mij aan Mattia hechtten en ik trachtte in mijne woorden iets in te lasschen van de vriendschap, die ik van hem ondervond en de dankbaarheid, die ik hem verschuldigd was.
—Jawel, zeide mijn vader; hij heeft de wereld eens willen zien.
Ik wilde antwoorden, maar Mattia voorkwam me.
—Juist, dat is het, zeide hij.
—En Barberin? vroeg mijn vader. Waarom is die niet meegekomen?
Ik vertelde hem, dat Barberin dood was en welk eene teleurstelling dit voor mij was, toen wij te Parijs waren gekomen, omdat wij te Chavanon van vrouw Barberin hadden gehoord, dat mijne ouders mij zochten.
Mijn vader vertaalde toen voor mijne moeder wat ik gezegd had en ik meende te verstaan, dat zij zeide, dat dit heel goed en wel was; althans zij gebruikte bij herhaling de woordenwellengood, die ik kende. Waarom was het goed en wel, dat Barberin dood was? Dat vroeg ik me telkens af, zonder dat ik een antwoord op die vraag kon vinden.
—Ge kent geen engelsch? vroeg mijn vader.
—Neen, ik ken alleen fransch en ook italiaansch; dat heb ik geleerd van den patroon, aan wien Barberin mij verhuurd had.
—Vitalis.
—Wist gij dan…
—Barberin heeft me zijn naam meegedeeld, toen ik voor eenigen tijd in Frankrijk was om u te zoeken. Maar ge zult wel nieuwsgierig zijn om te weten, waarom wij dertien jaar lang geen nasporingen naar u gedaan hebben en plotseling op het denkbeeld zijn gekomen om Barberin op te zoeken.
—Ja, heel nieuwsgierig, dat verzeker ik u: erg nieuwsgierig.
—Ga dan bij het vuur zitten, dan zal ik het u vertellen.
Bij het binnenkomen had ik mijn harp tegen den wand gezet; ik legde nu ook mijn reiszak neer en zette mij op de aangewezen plaats.