XXXV.

Maar toen ik mijne beslijkte en natte voeten bij het vuur uitstrekte, spuwde mijn grootvader in die richting, zonder een woord te spreken, maar als eene oude kat die nijdig wordt. Dit was genoeg om mij te doen begrijpen, dat ik hem hinderde, en ik trok mijne voeten terug.

—Doe maar of gij 't niet merkt, zeide mijn vader; de oude heeft niet graag, dat men zich bij zijn vuur zet, maar als ge 't koud hebt, warm u dan. Met hem behoeft men zooveel omslag niet te maken.

Het trof me hem zoo te hooren spreken over een oud man met grijze haren; ik dacht, dat zoo men voor iemand ontzag moet hebben, dit wel was voor iemand als deze; ik hield dus mijn beenen onder mijn stoel.

—Ge zijt onze oudste zoon, zeide mijn vader, en ge werdt geboren een jaar nadat ik met uwe moeder gehuwd was. Toen ik haar trouwde was er een meisje, die meende dat ik haar ten huwelijk zou vragen en die woedend was, nu ik eene andere nam en een doodelijken haat opvatte jegens haar, die ze als hare mededingster beschouwde. Om zich te wreken stal zij u juist op den dag, dat gij zes maanden oud waart en bracht u naar Frankrijk, naar Parijs, waar zij u te vondeling legde. Wij deden alle mogelijke nasporingen, maar wij gingen niet naar Parijs, want wij konden niet denken, dat zij zoover met u was heengetrokken. Wij vonden u dus niet en meenden, dat gij dood en voor altijd voor ons verloren waart, toen drie maanden geleden die vrouw, door eene doodelijke ziekte aangetast, op haar sterfbed de waarheid mededeelde. Onverwijld begaf ik mij naar Frankrijk, naar den commissaris van politie van de wijk waarin gij te vondeling waart gelegd. Van hem vernam ik, dat gij door een metselaar uit Chavanon waart gevonden en ik reisde naar Chavanon. Barberin deelde mij mede, dat hij u aan een reizenden muzikant, Vitalis, had verhuurd en dat gij met dezen door Frankrijk zwierft. Daar ik niet in Frankrijk kon blijven en Vitalis opzoeken, droeg ik aan Barberin die taak op en gaf hem het geld, dat hij noodig had om naar Parijs te komen. Tevens verzocht ik hem, de rechtsgeleerden, aan wie ik mijne zaken in handen had gegeven, de heeren Greth and Galley, kennis te geven, als hij u gevonden had. Mijn eigen adres gaf ik hem niet, omdat wij alleen 's winters in Londen wonen. Des zomers doorkruisen wij Engeland en Schotland voor onzen handel, want wij zijn reizende kooplui en nemen onze wagens en ons gezin mede. Nu weet ge hoe gij teruggevonden zijt en hoe gij, na dertien jaar, weder uwe plaats in ons gezin inneemt. Ik begrijp best, dat gij er u nog niet geheel thuis gevoelt, want gij kent ons nog niet, en gij verstaat niet wat wij zeggen, evenmin als mijn vrouw en kinderen u kunnen verstaan; maar ik vertrouw, dat dit wel spoedig zal komen en gij u hier weldra gewennen zult.

Zonder twijfel zou ik mij spoedig gewennen. Dat was dan ook natuurlijk, want ik was nu bij mijne familie en zij, met wie ik voortaan leven zou, waren mijn vader, moeder, broers en zusters.

Die mooie luiers waren dus bedrog; voor vrouw Barberin, voor Lize, voor vader Acquin en voor allen, die mij geholpen hadden, was dit recht ongelukkig. Ik kon voor hen niet doen wat ik mij altijd had voorgesteld, want reizende kooplui, vooral zij, die in zulk een stulp woonden, zijn geen rijke menschen; maar voor mij zelven was dit een vrij onverschillige zaak. Ik had een familie en het was een dwaze kinderdroom van mij geweest te meenen, dat ik, mijn ouders vindende, rijk zou worden. Liefde is meer dan rijkdom en aan rijkdom had ik geen behoefte, maar wel aan liefde.

Terwijl ik naar het verhaal van mijn vader luisterde en slechts ooren en oogen had voor hem, had men de tafels gedekt: borden met blauwe bloemen, en op een tinnen schotel een groot stuk gebraden ossenvleesch met aardappelen er omheen.

—Hebt ge honger, jongens? vroeg mijn vader aan Mattia en mij. Mattia zeide niets, maar liet zijne witte tanden zien.

—Laten wij dan aan tafel gaan.

Vóór hij zitten ging, schoof hij den stoel van grootvader aan; toen zette hij zich met den rug naar 't vuur en begon het vleesch te snijden en gaf ons elk een snee met aardappelen.

Hoewel ik niet zoo geheel in de vormen was opgevoed, of liever ofschoon ik in het geheel niet was opgevoed, merkte ik toch op, dat mijn broers en mijne oudste zuster meest met de handen aten, dat ze de vingers in de saus doopten en ze aflikten zonder dat mijn vader en moeder dit schenen op te merken. Wat mijn grootvader betrof, de hand die hij tot zijn dienst had, ging onophoudelijk van zijn bord naar zijn mond. Toen hij een stukje uit de bevende vingers liet vallen, begonnen mijn broers om hem te lachen.

Toen het avondeten was gebruikt, dacht ik dat wij den avond bij het vuur zouden doorbrengen; maar mijn vader zeide, dat hij menschen wachtte en dat wij naar bed moesten gaan. Toen nam hij eene kaars en bracht ons in een stal, die grensde aan het vertrek, waar wij gegeten hadden. Daar stonden twee wagens, zooals gewoonlijk reizende kooplui gebruiken. Hij opende de deur van een dier wagens en wij zagen daarin twee heerlijke bedden.

—Daar kunt ge slapen; rust wel.

Dat was de ontvangst bij mijne familie—de familie Driscoll.

Bij het heengaan had mijn vader de kaars achtergelaten, maar hij had de deur van den wagen gesloten. Er bleef ons dus niets anders over dan te gaan slapen. En dat deden wij ook, maar zoo spoedig mogelijk zonder te blijven praten, gelijk wij 's avonds gewoon waren en zonder elkander den indruk mede te deelen, dien het gebeurde van den dag op ons gemaakt had.

—Rust wel, Rémi, zeide Mattia.

—Rust wel, Mattia.

Mattia had niet meer lust om te spreken dan ik zelf, en het deed mij genoegen dat hij zweeg.

Maar al heeft men geen lust om te praten, dan heeft men nog niet altijd lust om te gaan slapen. Toen het licht was uitgegaan, was het mij onmogelijk de oogen te sluiten; ik begon na te denken over al hetgeen er had plaats gehad, en legde mij nu eens op de eene dan op de andere zijde.

Terwijl ik lag te peinzen, hoorde ik Mattia, die de slaapplaats boven de mijne innam, eveneens zich telkens omkeeren; ook hij sliep dus niet.

—Slaap je? vroeg ik op gedempten toon.

—Nog niet.

—Gij hebt toch niets?

—Neen, niets; ik voel me integendeel heel wel, maar alles draait om me heen; 't is of ik nog op zee ben en de wagen op en neer gaat als de golven.

Zouden het alleen de gevolgen van zeeziekte zijn, die Mattia beletten te slapen? Waren de gedachten, die hem vervulden, niet dezelfde als de mijne? Hij hield genoeg van me en wij waren eens genoeg van geest, zoowel als van hart, om te gevoelen wat ik gevoelde.

De slaap kwam maar niet en naarmate de tijd voorbijging, vermeerderde mijn onbestemde angst. Eerst had ik niet juist den indruk beseft, die alles overheerschte wat er in mijn hoofd verward en nevelachtig omging; maar nu begon ik te gevoelen dat het vrees was. Vrees voor wat? ik wist het niet, maar vrees was het. Maar ik was niet bang, omdat ik in dien wagen lag temidden van die ellendige wijk Bethnal-Green. Hoe menigen nacht had ik in mijn leven reeds doorgebracht, waarin ik niet zoo veilig was als hier. Ik was bewust dat geen gevaar mij dreigde en toch was ik beangst: hoe meer ik er mij tegen verzette, zooveel te minder slaagde ik erin mij gerust te stellen.

Het eene uur ging voorbij na het andere, zonder dat ik mij rekenschap kon geven van den tijd, want er waren in den omtrek geen klokken die sloegen. Op eens hoorde ik een groot gedruisch aan de staldeur, die in een andere straat uitkwam als De Roode Leeuw, en na een herhaald geroep met gelijkmatige tusschenpoozen, drong het schijnsel van een licht in onzen wagen door.

Verrast zag ik om mij, terwijl Capi, die tegen mijn legerstede lag te slapen, oprees en begon te knorren. Ik zag toen dat het schijnsel tot ons doordrong door een raampje in den wand van onzen wagen, waartegen onze slaapplaatsen waren gemaakt en dat ik bij het naar bed gaan niet gezien had, omdat er een gordijn voor hing. Een gedeelte van het raampje kwam uit in de slaapstede van Mattia; het andere gedeelte in de mijne. Daar ik niet wilde dat Capi het geheele huis in opschudding zou brengen, legde ik de hand op zijn bek en keek naar buiten.

Mijn vader was het, die in den stal was gekomen en met kracht, maar zonder gedruis, de straatdeur had geopend en vervolgens op dezelfde wijze gesloten, nadat hij twee mannen had ingelaten die elk een grooten zwaren zak droegen.

Hij legde een vinger op zijn mond en wees met de andere hand waarin hij een dievenlantaarn hield, naar den wagen, waarin wij lagen. Dit beteekende waarschijnlijk, dat men geen gedruisch moest maken, daar wij anders wakker zouden worden.

Die bezorgdheid voor ons deed mij goed en ik was op het punt hem toe te roepen, dat men zich niet behoefde te ontzien, want dat ik niet sliep, maar daar dan ook Mattia wakker zou worden, die naar ik meende in diepen slaap was gedompeld, hield ik mij stil.

Mijn vader hielp de mannen hun zakken afleggen en ging toen een oogenblik heen om met mijne moeder terug te komen. Terwijl hij weg was, hadden de mannen hunne zakken geopend; de een was vol manufacturen; in den anderen was bontwerk, gebreid goed, onderbroeken, kousen, handschoenen enz.

Toen begreep ik wat mij eerst had verwonderd; die mannen waren kooplui, die hunne waar aan mijne ouders kwamen brengen.

Mijn vader nam alles stuk voor stuk in handen en bekeek het bij zijn lantaarn, terwijl mijne moeder met eene schaar de aangehechte papiertjes er afknipte en die in haar zak stak.

Dit kwam mij vreemd voor, evenals het uur, waarop die verkoop plaats had, mij verwonderde.

Gedurende het onderzoek zeide mijn vader nu en dan op fluisterenden toon een paar woorden tot de mannen, die de zakken hadden gebracht. Als ik engelsch had gekend, zou ik die woorden misschien verstaan hebben, maar men verstaat slecht wat men niet begrijpt. Alleen het woordpoliceman, dat bij herhaling werd gebruikt, trof mijn oor.

Nadat de inhoud van de zakken zorgvuldig was bekeken, verlieten mijne ouders en de twee mannen den stal en gingen in huis; zeker om af te rekenen. Toen was alles weder donker om ons heen.

Ik wilde mij diets maken, dat al wat ik gezien had heel natuurlijk was, maar hoe ik ook mijn best deed, ik kon me zelven maar niet overtuigen. Waarom waren die menschen niet door de deur van De Roode Leeuw binnengekomen? Waarom had men op zoo fluisterenden toon over de politie gesproken, alsof men bang was buiten te worden gehoord? Waarom had mijne moeder de briefjes afgeknipt van de stukken goed, die zij gekocht had?

Die vragen waren niet geschikt om mij spoedig te doen inslapen en daar ik er geen antwoord op vond, trachtte ik ze uit mijn geest te verdrijven, maar tevergeefs. Na verloop van eenigen tijd zag ik weder het schijnsel van een licht in onzen wagen vallen en wederom keek ik door eene reet van het gordijn; maar ditmaal was het ondanks mijzelven en tegen mijn wil, terwijl ik de eerste maal meer natuurlijk met opzet had gekeken. Thans zeide ik tot mezelven dat ik niet kijken mocht, en toch keek ik. Ik was zeker dat het beter was niet te zien en toch wilde ik zien.

Mijn vader en moeder waren alleen; terwijl mijne moeder snel twee pakken maakte van de artikelen, die men had neergelegd, veegde mijn vader een hoek van den stal schoon; onder het droge zand, dat hij met krachtige vegen met den bezem opzijde schoof, werd weldra een luik zichtbaar; hij lichtte het op; mijne moeder was intusschen gereed gekomen met het vullen en toebinden der twee zakken en hij daalde er mede in een kelder, waarvan ik de diepte niet zien kon, terwijl mijne moeder hem bijlichtte met de lantaarn. Toen de twee pakken geborgen waren, kwam mijn vader weder te voorschijn, sloot het luik en veegde weder het zand er overheen. Toen hij dit gedaan had, was het onmogelijk den ingang van den kelder te bespeuren. Over het zand strooiden zij weder eenig hooi, waarmede de vloer van den stal bedekt was.

Toen gingen zij heen.

Op het oogenblik dat zij zonder gedruisch de deur sloten, kwam het mij voor dat ik Mattia zich hoorde bewegen: het was alsof hij zijn hoofd op zijn kussen legde.

Had hij ook gezien wat er gebeurd was? Ik durfde het hem niet vragen; het was geene onbestemde vrees meer, die mij vervulde; ik wist thans, waarom ik zoo angstig te moede was: van het hoofd tot de voeten brak mij het koude zweet uit.

Zoo bleef ik den ganschen nacht liggen; een haan in de buurt kondigde het aanbreken van den dag aan; eerst toen viel ik in slaap maar het was eene zware, koortsachtige slaap, vol akelige droombeelden, die mij met schrik en angst vervulden.

Het piepen van scharnieren deed mij ontwaken en de deur van onzen wagen werd geopend; maar daar ik mij verbeeldde dat het mijn vader was, die ons kwam zeggen dat het tijd was om op te staan, sloot ik de oogen om hem niet te zien.

—'t Is uw broer, zeide Mattia, die ons bevrijden kwam, hij is al weg ook.

Wij stonden op; Mattia vroeg mij niet of ik goed geslapen had en ook ik vroeg hem niets. Toen hij mij op zeker oogenblik aanzag, wendde ik de oogen af.

Wij moesten naar de keuken, maar mijn vader en moeder waren er niet; mijn grootvader zat in zijn leunstoel, alsof hij er niet uit was geweest sedert den vorigen dag en mijn oudste zuster, die Annie heette, maakte de tafel schoon, terwijl mijn oudste broer, Allen, het vertrek aanveegde.

Ik ging naar hen toe om hun een hand te geven, maar zij gingen voort met hun arbeid zonder mij te antwoorden.

Ik ging toen naar mijn grootvader, maar deze liet mij niet bij zich komen en evenals den vorigen dag spuwde hij naar mijn kant, wat mij terug deed keeren.

—Vraag eens hoe laat ik mijn vader en moeder zal zien, zeide ik tot Mattia.

Mattia deed wat ik hem verzocht, en toen mijn grootvader engelsch hoorde spreken, scheen hij wat vriendelijker te worden; zijn gezicht verloor iets van die akelige strakheid en hij antwoordde.

—Wat zegt hij? vroeg ik.

—Dat uw vader den ganschen dag uit is, dat uw moeder slaapt en dat wij kunnen gaan wandelen.

—Heeft hij niets meer gezegd? vroeg ik, daar mij dit veel korter toescheen dan hetgeen de grijsaard gesproken had.

Mattia scheen een weinig verlegen.

—Ik weet niet of ik het andere wel goed heb begrepen.

—Zeg mij maar wat ge begrepen hebt.

—Het kwam me voor, dat hij zeide, dat, als wij onze kans konden waarnemen in de stad, wij die niet moesten voorbij laten gaan en toen voegde hij er bij—en dit weet ik zeker—"onthoud dit: men moet leven ten koste van de onnoozelen."

Zeker giste mijn grootvader wat Mattia mij uitlegde, want bij die laatste woorden maakte hij met de hand, die niet lam was, eene beweging, alsof hij iets in zijn zak stak en hij knipte daarbij met de oogen.

—Laat ons heengaan, zeide ik tot Mattia.

Twee of drie uren lang zwierven wij in den omtrek van De Roode Leeuw; wij durfden ons niet ver verwijderen, uit vrees, dat wij den weg niet meer zouden vinden. Bij daglicht scheen Bethnal-Green mij nog vreeselijker toe dan toen wij het in de schemering hadden gezien: de huizen, zoowel als de menschen hadden een allerellendigst voorkomen.

Wij keken, Mattia zoowel als ik, maar wij zeiden niets tegen elkander.

Telkens langs denzelfden weg terugkeerende, kwamen wij eindelijk weder op het pleintje voor De Roode Leeuw, en traden in huis.

Mijne moeder had hare kamer verlaten; op den drempel zag ik haar reeds met het hoofd rustend op de tafel. Ik verbeeldde mij, dat zij ziek was, en ik ging naar haar toe om haar een kus te geven, want met haar praten kon ik niet.

Ik sloeg mijn armen om haar hals; zij richtte het hoofd op, dat op haar schouders bengelde en zag mij aan, maar blijkbaar zonder mij te zien; toen rook ik de lucht van jenever, die haar adem mij in 't gezicht blies. Ik deinsde terug en zij liet het hoofd weder zinken op hare armen, die op tafel lagen uitgestrekt.

—Gin, zeide mijn grootvader.

En hij zag mij grinnikend aan, terwijl hij eenige woorden sprake die ik niet verstond.

Eerst bleef ik onbeweeglijk, als versteend staan; toen wierp ik een blik op Mattia, wien eveneens de tranen in de oogen stonden.

Ik gaf een wenk en weder gingen wij heen.

Langen tijd liepen wij naast elkander voort, elkanders hand vasthoudende, maar zonder een woord te spreken en zonder te weten, waar wij heengingen.

—Waar wilt ge naar toe? vroeg Mattia met zekere onrust.

—Ik weet het niet, naar de eene of andere plek, waar wij samen kunnen praten. Ik heb u iets te zeggen en hier, onder al die menschen, kan ik dat niet doen.

Toen ik nog over velden en door bosschen zwierf had ik dan ook, op het voorbeeld van Vitalis, mij gewend, om nooit iets van eenig belang te zeggen, wanneer wij ons in eene straat van een stad of dorp bevonden; als ik menschen om mij heen zag, kon ik nooit goed mijne gedachten bij elkander houden; nu wilde ik met Mattia ernstig spreken en wel weten wat ik zeide.

Op het oogenblik dat Mattia mij de vraag deed, waren wij in eene straat gekomen breeder dan de stegen, waar wij tot hiertoe hadden rondgedoold; ik meende aan het einde van die straat boomen te bespeuren. Misschien was daar wel de vrije natuur. Wij volgden die richting. Het was de vrije natuur niet, maar een zeer groot park met uitgestrekte grasvelden en hier en daar groepjes jonge boomen. Hier waren wij waar wij wezen moesten om samen te praten.

Mijn besluit was genomen en ik wist wat ik zeggen wilde.

—Ge weet dat ik veel van u houd, mijn beste Mattia, zeide ik tot mijn makker, zoodra wij op een afgelegen schaduwrijk plekje ons hadden neergezet, en ge weet ook wel, dat ik uit vriendschap u gevraagd heb om met me naar mijn ouders te gaan. Je zult dus niet aan mijne vriendschap twijfelen, wat ik u ook vragen mocht.

—Wat een domme vraag! zeide hij, terwijl hij poogde te glimlachen.

—Je wilt lachen, opdat ik niet bedroefd zou zijn, maar het doet er niet toe of ik bedroefd ben; bij wien kan ik weenen, als het niet bij u is?

En mijn armen om Mattia heenslaande, barstte ik in tranen los; nooit had ik mij zoo ongelukkig gevoeld als ik alleen was, temidden van die groote, woelige wereld.

Toen ik uitgeweend had, trachtte ik weder bedaard te worden; ik had Mattia niet in dit park gebracht om mij door hem te doen beklagen; 't was niet voor mij, maar voor hem dat ik er heengegaan was.

—Mattia, zeide ik, gij moet heengaan; gij moet naar Frankrijk terugkeeren.

—U verlaten? Nooit.

—Ik wist vooruit, dat ik dit antwoord van je krijgen zou en ik ben gelukkig, dit verzeker ik je, dat gij mij nooit wilt verlaten; maar toch moet het; ge moet naar Frankrijk of naar Italië of ergens anders heengaan, maar niet in Engeland blijven.

—En gij dan—waar wilt gij heengaan? Waar zullen wij samen heengaan?

—Ik? Ik moet hier blijven, te Londen, bij mijn familie. Het is immers mijn plicht om bij mijne ouders te blijven? Neem het geld, dat wij overhebben en vertrek.

—Zeg dat niet, Rémi; als er iemand heen moet gaan, dan zijt gij het ongetwijfeld.

—Waarom?

—Omdat….

Hij voltooide den zin niet, maar wendde de oogen af voor mijn vorschenden blik.

—Mattia, zeg eens oprecht, zonder mij te ontzien en zonder vrees: ge hebt vannacht niet geslapen? Hebt ge wat gezien?

Hij hield de oogen neergeslagen en met gedempte stem zeide hij:

—Ik sliep niet.

—Wat hebt gij gezien?

—Alles.

—En wat hebt gij begrepen?

—Dat men goed bracht dat men niet gekocht had. Uw vader heeft die menschen beknord, dat zij aan den stal geklopt hadden inplaats van op zijn huisdeur, en toen zeiden ze, dat zij in 't oog werden gehouden door agenten van politie.

—Ziet ge nu wel, dat gij hier vandaan moet!

—Als ik hier vandaan moet, moet gij ook weg. Het is voor den een evenmin goed als voor den ander.

—Toen ik u vroeg om met mij mede te gaan, meende ik, naar hetgeen vrouw Barberin mij had gezegd en ook naar mijn voorgevoel, dat mijn ouders ons allebei konden doen onderwijzen en dat wij niet van elkander behoefden te scheiden; maar 't is nu geheel anders gesteld. Mijn droom…, was een droom. Wij moeten dus van elkaar.

—Nooit.

—Luister, Mattia, begrijp mij goed, en maak mij niet ongelukkiger dan ik ben. Als wij te Parijs Garofoli hadden ontmoet en deze had u weer bij zich genomen, dan zoudt gij niet gewild hebben, dat ik bij u bleef, nietwaar? en wat ik thans tot u zeg, zoudt gij dan tot mij gezegd hebben.

Hij gaf geen antwoord.

—Is het waar of niet?

Na een oogenblik te hebben nagedacht, zeide hij:

—Luister nu eens op uwe beurt: toen gij mij te Chavanon gesproken hebt van uw familie, deed mij dit veel verdriet; ik had mij gelukkig moeten gevoelen toen ik wist, dat gij uw ouders zoudt terugvinden, en het speet mij integendeel. Inplaats van aan uwe vreugde en uw geluk te denken, heb ik slechts aan mij zelven gedacht; ik dacht bij mij zelven, dat als gij broers en zusters hadt, gij die zoudt liefhebben als mij en meer misschien dan mij; rijke broers en zusters, die goed waren opgevoed, veel wisten, mooie jongeheeren en jongejuffrouwen, en ik was jaloersch van hen. Dit moet gij weten; dat is de waarheid, die ik u beken en waarvoor ik vergiffenis vraag, als gij zulke slechte gedachten vergeven kunt.

—O Mattia!

—Zeg, dat ge mij vergeeft.

—Van ganscher harte: ik heb uw verdriet wel opgemerkt, maar ik neem het u niet kwalijk.

—Omdat ge zoo'n goed hart hebt; ge moet over hen, die slecht zijn, niet zoo goed denken, en ik ben slecht geweest. Maar als ge mij vergeeft, omdat ge goed zijt, ik vergeef niet, omdat ik slecht ben. Gij weet nog niet alles. Ik dacht bij me zelven: ik ga met hem naar Engeland, omdat ik het land wel eens zien wil; maar als hij gelukkig zal zijn, heel gelukkig, dan ga ik heen en zonder ergens op te houden, reis ik naar Lucca, om Christina te omhelzen. Maar inplaats van rijk en gelukkig, zooals we geloofden, dat gij worden zoudt, zijt gij nu niet rijk en…. in ieder geval, gij zijt niet, wat gij gedacht hadt te zullen wezen. Daarom moet ik nu ook niet heengaan en niet mijn zusje moet ik gaan omhelzen, maar mijn goeden makker, mijn Rémi, moet ik gezelschap houden; hij is mijn vriend, mijn broeder.

Met die woorden greep hij mijn hand, terwijl tranen in zijn oogen welden, maar zij waren nog heeter en bitterder dan de tranen, die ik gestort had.

Hoe aangedaan ik ook was, mijn besluit liet ik daarom niet varen.

—Gij moet heen; gij moet naar Frankrijk terugkeeren, om daar Lize te bezoeken, vader Acquin en vrouw Barberin, en al mijne vrienden en hun meedeelen, waarom ik niet doe wat ik wilde, wat ik mij voorstelde en wat ik hun beloofd heb. Gij zult hun zeggen, dat mijne ouders niet rijk zijn, zooals wij geloofd hadden en dit zal voldoende zijn voor mijne verontschuldiging. Gij begrijpt het nu nietwaar? Zij zijn niet rijk; dit verklaart alles: het is geen schande niet rijk te zijn.

—Het is niet omdat zij niet rijk zijn, dat gij mij wilt heen doen gaan; daarom ga ik dan ook niet heen.

—Mattia, ik smeek u, vermeerder mijn verdriet niet; gij ziet hoe groot het reeds is.

—O, ik wil u niet dwingen om mij iets te zeggen, waarover gij u schaamt. Ik ben niet slim; ik ben niet verstandig; maar zoo ik al niet begrijp wat tot mijn hersens moest kunnen doordringen, ik gevoel toch wat mij hier treft—hij legde bij die woorden zijn hand op het hart—. 't Is niet, omdat uw ouders arm zijn, dat gij mij wilt doen vertrekken; 't is niet, omdat zij mij niet kunnen voeden, want ik zou hun niet tot last zijn, ik zou voor hen werken, maar 't is omdat—na hetgeen gij vannacht gezien hebt—gij bang voor mij zijt.

—Mattia; zeg dat niet.

—Gij zijt bang dat ook ik de briefjes zal moeten afknippen van de waren, die niet gekocht zijn.

—O, zwijg toch, Mattia; mijn beste Mattia, zwijg toch.

En ik bedekte met beide handen mijn gelaat, dat rood was van schaamte.

—Welnu, zoo gij niet bang voor mij zijt, ging Mattia voort, ik ben bang voor u en daarom zeg ik: laten wij samen heengaan, laat ons naar Frankrijk terugkeeren, om vrouw Barberin en Lize en uwe vrienden op te zoeken.

—Dat is onmogelijk; mijne ouders zijn voor u niets; gij zijt hun niets verschuldigd; maar voor mij zijn zij mijne ouders en ik moet bij hen blijven.

—Uwe ouders! Die oude, lamme man, uw grootvader! Die vrouw, die over de tafel lag, uwe moeder.

Ik sprong op en thans bevende, en niet meer als een verzoek riep ik uit:

—Zwijg, Mattia; spreek zoo niét; ik verbied het u. 't Is mijn grootvader; 't is mijne moeder, van wie gij spreekt. Ik moet eerbied en liefde voor hen hebben.

—Dat moet ge, als zij werkelijk uwe ouders waren; maar als het noch uw grootvader, noch uw vader, noch uw moeder is, dan behoeft gij hen niet te eeren en lief te hebben.

—Hebt gij dan het verhaal van mijn vader niet gehoord?

—Wat bewijst dat verhaal? Zij hebben een kind verloren van uw leeftijd; zij hebben het laten zoeken en zij hebben er een gevonden van denzelfden ouderdom als zij verloren hadden; dat is al.

—Gij vergeet dat het kind, hetwelk men hun ontstolen heeft, te vondeling is gelegd in de avenue de Breteuil en dat ik in dezelfde straat op denzelfden dag gevonden werd, als dat kind werd verloren.

—Waarom zouden niet twee kinderen op denzelfden dag in dezelfde straat te vondeling zijn gelegd? Waarom zou de commissaris van politie zich niet kunnen vergist hebben, toen hij Driscol naar Chavanon zond? Dat is mogelijk.

—Dat is al te dwaas.

—Misschien; wat ik zeg, wat ik tracht te betoogen schijnt misschien onmogelijk, maar alleen, omdat ik het verkeerd zeg en verkeerd uitleg; omdat ik een dom schepsel ben; een ander zou het beter weten uit te leggen en dan zou het zeer verklaarbaar zijn. Ik ben dwaas, maar niet mijn denkbeeld. Dat is al.

—Helaas! neen; dat isnietal.

—Dan moet gij ook in aanmerking nemen, dat gij noch op uw vader, noch op uw moeder gelijkt en dat gij geen blonde haren hebt als uw broers en zusters, die allen, allen zonder uitzondering, dezelfde kleur van haar hebben. Waarom zoudt gij dan ook niet zulk haar hebben? Van de andere zijde is er nog een zeer zonderlinge zaak: hoe hebben menschen, die niet rijk zijn, zooveel geld kunnen uitgeven om hun kind terug te vinden? Om al deze redenen zijt gij, naar mijne overtuiging, geen Driscoll. Ik weet wel dat ik dom ben; dat heeft men altijd gezegd; maar dat is de schuld van mijn hoofd. Gij zijt geen Driscoll en gij moet niet bij de Driscoll's blijven. Als gij nochtans bij hen blijven wilt, dan blijf ik bij u. Maar gij moet aan vrouw Barberin verzoeken ons te schrijven hoe uwe luiers er precies uitzagen; als wij haar brief zullen ontvangen hebben, kunt gij hem, die zich uw vader noemt, ondervragen en dan zullen wij wat meer licht krijgen in deze zaak. Tot zoolang verlaat ik u niet en blijf ik bij u, ondanks u zelven. Als er gewerkt moet worden, zullen wij samen werken.

—Maar als men Mattia weder eens op zijn hoofd sloeg?

Hij lachte treurig.

—Dat zou zooveel pijn niet doen; men voelt de klappen niet, die men ter wille van een vriend bekomt.

Eerst tegen het vallen van den avond keerden wij in De Roode Leeuw terug; den geheelen dag bleven wij in het fraaie park wandelen en praten, nadat wij ontbeten hadden met een stuk brood, dat we hadden gekocht.

Mijn vader was thuis gekomen en mijn moeder stond overeind. Hij noch zij maakte eenige opmerking over onze lange wandeling; eerst na het avondeten zeide mijn vader, dat hij een woord met ons beiden, Mattia en mij, wilde spreken en hij liet ons bij den grooten schoorsteen komen, waarop de oude man begon te brommen, daar hij blijkbaar aan zijne plaats bij den haard gehecht was.

—Vertel me nu eens hoe ge in Frankrijk aan den kost zijt gekomen, sprak mijn vader.

Ik vertelde hem wat hij vroeg.

—Dus zijt gij nooit bang geweest, dat gij van honger zoudt omkomen?

—Nooit; niet alleen hebben wij in ons onderhoud kunnen voorzien, maar wij hebben ook nog zooveel overgehouden, dat wij eene koe konden koopen, zeide Mattia vrijmoedig, en op zijne beurt vertelde hij hoe wij aan onze koe gekomen waren.

—Dus hebt gij wezenlijk talent? vroeg mijn vader. Laat me eens hooren wat gij kunt.

Ik nam mijn harp en speelde een lied, maar niet het napolitaansche.

—Heel goed, heel goed; en wat kan Mattia?

Deze speelde eerst een deuntje op de viool en daarna op den horen.

Dit verwierf vooral den bijval der kinderen die, in een kring om ons heen geschaard, naar ons stonden te luisteren.

—En Capi? vroeg mijn vader, waar speelt die op? Ik denk niet, dat gij alleen voor uw pleizier dien hond met u medeneemt. Hij moet minstens in staat zijn om zijn eigen kost te verdienen.

Ik was trotsch op de talenten van Capi, niet alleen om hem zelven, maar ook om Vitalis; ik liet hem eenige kunstjes doen en als gewoonlijk vonden de kinderen dit weder alleraardigst en werd hij luide toegejuicht.

—Maar die hond is een fortuin, zeide mijn vader.

Ik beantwoordde dat compliment met een lofrede op Capi en verzekerde hem, dat hij in korten tijd alles kon leeren wat men wilde, ook dingen, die men gewoonlijk niet van een hond ziet.

Mijn vader vertaalde die woorden in het engelsch en hij scheen er eenige woorden bij te voegen, die ik niet verstond, maar die allen deden lachen, mijne moeder, zoowel als de kinderen en ook mijn grootvader, die bij herhaling met de oogen knipte en uitriep: "a fine dog," wat beteekende: een mooie hond. Maar Capi was er niet trotsch op.

—Nu dit het geval is, vervolgde mijn vader, wil ik u een voorstel doen. Maar eerst moet ik weten of Mattia in Engeland wil blijven en of hij bij ons zijn intrek wil nemen.

—Ik wensch bij Rémi te blijven, antwoordde Mattia, die veel slimmer was dan hij wel deed schijnen en ook dan hij zelf wel wist. Waar Rémi gaat, daar ga ik ook.

Mijn vader, die niet gissen kon wat er met dat antwoord bedoeld werd, scheen ermede tevreden.

—Als de zaken zoo gesteld zijn, kom ik op mijn voorstel terug. Wij zijn niet rijk en wij werken allen om aan den kost te komen. Des zomers doorkruisen wij Engeland en mijne kinderen gaan onze koopwaar aanbieden aan de menschen, die zich de moeite niet willen geven om tot ons te komen, maar 's winters hebben wij niet veel te doen. Zoolang wij te Londen zijn, zullen Rémi en Mattia muziek maken op straat en ik twijfel er niet aan of zij zullen goed geld verdienen, vooral tegen Kersttijd bij de zoogenaamdewaitsof nachtwaken. Maar daar wij niets moeten verloren laten gaan, zal Capi voorstellingen geven met Allen en Ned.

—Capi kan alleen zijn kunstjes vertoonen met ons, zeide ik levendig, want het beviel me volstrekt niet, dat ik van hem zou moeten scheiden.

—Hij zal 't wel leeren met Allen en Ned, wees maar gerust, hervatte mijn vader, en door ons zoo te verdeelen, verdienen wij veel meer.

—Maar ik verzeker u, dat hij niets goed zal doen, en bovendien zullen Mattia en ik minder verdienen; met Capi bij ons zullen wij veel beter zaken maken.

—'t Is genoeg, zeide mijn vader; als ik eens iets gezegd heb, moet dit terstond gebeuren, dat is zoo de regel van mijn huis, en ik verlang, dat ge u daaraan onderwerpt, evenals al de anderen.

Ik mocht niets meer zeggen en ik zeide ook niets meer, maar ik dacht bij me zelven, dat mijn mooie droomen voor Capi even treurig zouden eindigen als voor mij zelven. Wij zouden dus gescheiden worden! Welk een treurig lot voor hem en voor mij.

Wij gingen nu naar onzen wagen om ons te rust te leggen, maar thans sloot mijn vader de deur niet af.

Toen ik mij te rusten legde, kwam Mattia, die langer bezig was geweest om zich te ontkleeden, bij mij en fluisterde me op gedempten toon toe:

—Ge merkt dat hij, die zich uw vader noemt, niet alleen kinderen wil hebben, die voor hem werken, maar ook honden; kan dat nu uw oogen nog niet openen? Morgen schrijven wij aan vrouw Barberin.

Maar den anderen dag moest ik Capi zijn les leeren; ik nam hem in mijn armen en zachtjes, terwijl ik hem liefkoosde en kuste vooral op zijn snuit, vertelde ik hem wat ik van hem verwachtte. Het arme dier keek mij aan en luisterde aandachtig toe.

Toen ik het touw aan Allen in de hand gaf, herhaalde ik mijne les en Capi was zoo verstandig, zoo leerzaam, dat hij mijn twee broers volgde, wel heel neerslachtig, maar toch zonder zich te verzetten.

Wat Mattia en mij betreft, mijn vader wilde zelf ons in een gedeelte der stad brengen, waar wij kans hadden goede zaken te doen, en wij doorkruisten heel Londen om in eene wijk te komen, waar fraaie huizen stonden met groote deuren, en straten met tuinen voor de gebouwen. In die prachtige straten zag men geen arme menschen meer in lompen gehuld en met hongerige gezichten, maar schoone dames met prachtige toiletten, rijtuigen met beschilderde paneelen, die blonken als spiegels en mooie paarden, die gemend werden door dikke, groote koetsiers met gepoederde pruiken.

Eerst laat keerden wij in De Roode Leeuw terug, want de afstand is groot tusschen Westend en Bethnal-Green, en ik was recht blij Capi weer te zien, wel wat beslijkt, maar gezond en vroolijk.

Ik was zoo in mijn schik, toen ik hem weerzag, dat ik hem terstond met mijn droge hand afwreef en hem in mijn schapevacht wikkelde en in mijn bed legde. Wie de gelukkigste van ons beiden was, hij of ik, zou ik moeilijk kunnen zeggen.

Zoo leefden wij eenige dagen; des morgens vroeg gingen wij uit en des avonds laat keerden we terug, na al onze stukjes te hebben gespeeld, nu eens in de eene buurt dan in de andere, terwijl, van zijn kant, Capi voorstellingen ging geven onder leiding van Allen en Ned; maar op een avond zeide mijn vader, dat ik den volgenden morgen Capi met mij zou kunnen nemen, daar hij Allen en Ned thuis zou houden.

Dat deed ons veel plezier en Mattia en ik namen ons voor, dat wij dien dag zulk eene goede som gelds zouden thuis brengen, dat men hem ons voortaan altijd zou meegeven. Wij moesten Capi weder voor ons winnen en wij zouden dus geen moeite ontzien.

Des morgens maakten wij hem dus zoo mooi mogelijk, en na het ontbijt begaven wij ons op weg naar die buurt, waar wij bij ondervinding wisten, dat het geachte publiek het mildst was. Wij moesten daartoe geheel Londen van het oosten naar het westen doorsteken door Old Street Holborn en Oxford Street.

Ongelukkig voor ons en zeer nadeelig voor onze onderneming, trok de mist, die al twee dagen duurde, maar niet op. De lucht, of wat men in Londen de lucht noemt, bestond uit een oranjeachtigen nevel en in de straten hing eene soort van grijzen damp, die belette, dat men verder dan een paar schreden voor zich uit kon zien. De menschen zouden dus hun huis niet uitkomen, en zoo men ons al kon hooren, men zou Capi niet zien. Er was dus niet veel kans op een goeden dag, en Mattia verwenschte den mist, dien akeligen fog, zonder te gissen welk een dienst hij een oogenblik later aan ons alle drie bewijzen zou.

Wij stapten stevig door, en hielden Capi vlak achter ons; een woord, dat ik hem van tijd tot tijd toevoegde, was daartoe meer voldoende dan de stevigste ketting. Zoo kwamen wij in Holborn, dat, zooals men weet, een der drukste straten van Londen is, waarin men de meeste winkels vindt. Opeens ontdekte ik, dat Capi ons niet meer volgde. Wat was er met hem gebeurd? Dit was iets geheel buitengewoons. Ik stond stil om hem op te wachten, vatte post op den hoek van eene dwarsstraat en floot zachtjes, want ik kon niet ver van mij afzien. Ik was al bang, dat hij gestolen zou zijn, toen hij plotseling bij mij stond met een paar wollen kousen in zijn bek. Hij zette kwispelstaartend de pooten tegen mijne knieën, bood mij de kousen aan en scheen me te verzoeken, dat ik die zou aannemen. Hij scheen er zeer mede in zijn schik, alsof hij een zijner mooiste toeren had vertoond, en nu mijne goedkeuring verwachtte.

Dit had slechts een oogenblik geduurd, toen eensklaps Mattia de kousen met de eene hand greep en met de andere mij voorttrok.

—Laten we gauw voortgaan, maar zonder hard te loopen, fluisterde hij.

Eerst na eenige minuten gaf hij mij de verklaring van die vlucht.

—Evenals gij, zeide hij, vroeg ik me af, waar dat paar kousen vandaan kwam, toen ik een man hoorde uitroepen: "waar is de dief?" De dief, dit vat ge, was Capi. Als er niet zoo'n zware mist hing, zouden wij als dieven zijn gepakt.

Ik begreep het nog niet best: een oogenblik stond ik als verbijsterd; zij hadden een dief gemaakt van mijn goeden, eerlijken Capi!

—Laten wij naar huis gaan, zeide ik tot Mattia, en bond Capi aan een touw.

Mattia zeide geen woord en wij keerden zoo snel mogelijk naar DeRoode Leeuw terug.

Vader, moeder en de kinderen zaten om de tafel en waren bezig om de manufacturen uit te vouwen. Ik wierp het paar kousen op tafel, waarover Allen en Ned hartelijk begonnen te lachen.

—Daar is een paar kousen, zeide ik, dat Capi gestolen heeft, want men heeft een dief van hem gemaakt. Ik hoop dat het maar voor de aardigheid was.

Ik beefde terwijl ik dit zeide, maar nooit had ik me zoo vastberaden gevoeld.

—En als het eens niet voor de aardigheid was, zeide mijn vader, wat zoudt ge dan doen? zeg dat eens.

—Dan zou ik Capi een touw om den hals binden en hem in de Theems verdrinken. Ik wil niet, dat Capi een dief wordt, evenmin als ik zelf een dief worden wil. Als ik dacht, dat dit me overkomen moest, zou ik me tegelijk met hem gaan verdrinken.

Mijn vader zag mij dreigend aan en maakte eene beweging of hij me wilde vermoorden, zijn oogen kwamen bijna uit de kassen; maar ik sloeg de mijne niet neer; langzamerhand nam zijn gelaat weder de gewone uitdrukking aan.

—Ge hebt gelijk, zeide hij; 't was maar voor de aardigheid. Opdat het niet meer gebeure, zal Capi voortaan alleen met u uitgaan.

Wat ik ook gedaan had om goede vrienden met mijn broeders Ned en Allen te worden, zij hadden mij altijd nijdig van zich gestooten, en alles wat ik voor hen had willen doen, hadden zij geweigerd: blijkbaar was ik in hun oog geen broer van hen.

Na het gebeurde met Capi, werd onze verhouding zuiverder aangegeven. Wel niet met woorden, want ik kon mij niet gemakkelijk in het engelsch uitdrukken, maar door eenige duidelijke gebaren, waarbij mijne vuisten eene voorname rol speelden, gaf ik hun te kennen, dat, zoo zij het minste tegen Capi ondernamen, ze met mij te doen zouden hebben om hem te verdedigen of te wreken.

Nu ik geen broers had, wilde ik toch zusters hebben; maar Annie, de oudste, betoonde mij al niet meer genegenheid dan hare broeders; evenals zij, beantwoordde zij elke poging tot toenadering met stuurschheid en geen dag ging er voorbij, zonder dat zij mij eenige streek speelde, waarin zij—dit moet ik erkennen—zeer ver was.

Door Allen en Ned afgestooten en afgestooten ook door Annie, bleef mij niets dan de kleine Kate, die pas drie jaar oud was en dus te jong om met haar broers en zusters samen te spannen. Zij liet zich dan ook door mij liefkoozen, eerst omdat ik Capi kunstjes voor haar liet doen en later, toen ik Capi weder terugkreeg, omdat ik haar koekjes, sinaasappelen en andere lekkernijen gaf, die ik kreeg van de kinderen, als ze met een heel voornaam gezichtje riepen: "voor den hond." Sinaasappelen aan een hond te geven was niet heel verstandig, maar ik nam ze dankbaar aan, want op die wijze kon ik de liefde winnen van Kate.

Dus was er van het geheele gezin, waarvoor ik zooveel liefde gevoelde, toen ik in Engeland aan wal stapte, slechts een enkel lid, de kleine Kate, die ik mocht liefhebben. Mijn grootvader ging nog maar altijd voort met te spuwen naar mijn kant, als ik dicht bij hem kwam; mijn vader bemoeide zich niet met me, behalve des avonds om het geld te ontvangen dat wij hadden verdiend; mijn moeder was in den regel buiten westen. Allen, Ned en Annie hadden een hekel aan mij; Kate alleen, liet zich aanhalen, en nog maar alleen, omdat ik mijn zakken vol lekkers had.

Welk eene teleurstelling!

In mijne droefheid zeide ik dan ook bij mij zelven, niettegenstaande ik de onderstelling van Mattia in het eerst had afgewezen, dat, zoo ik werkelijk het kind was van die familie, men andere gevoelens mij zou toedragen dan mij nu zoo onbewimpeld werden getoond, terwijl ik, van mijn kant, niets gedaan had om die onverschilligheid en die hardheid te verdienen.

Toen Mattia mij onder den indruk zag van die treurige overpeinzing, begreep hij zeer goed, wat er de oorzaak van was, en alsof hij tot zich zelven sprak, zeide hij:

—Ik ben erg nieuwsgierig wat vrouw Barberin zal antwoorden.

Teneinde den brief te bekomen, die mij "poste restante" zou worden toegezonden, waren wij van onzen gewonen tocht afgeweken en inplaats van naar Holborn te gaan, begaven wij ons over West-Smithfield naar het postkantoor. Zeer dikwijls deden wij dien tocht tevergeefs, maar eindelijk werd de brief, dien wij met zooveel ongeduld verwachtten, mij ter hand gesteld.

Het groote gebouw van het postkantoor was geen plaats bijzonder geschikt om brieven te lezen. Wij zochten daarom een gang op in eene naburige straat, wat mij tevens den tijd gaf om mijne ontroering eenigszins meester te worden. Daar kon ik eindelijk den brief van vrouw Barberin, of liever van den pastoor van Chavanon, openmaken. Hij luidde:

Mijn lieve Rémi!

"Ik ben zeer verwonderd en ontstemd over hetgeen in uw brief te lezen staat, want naar hetgeen mijn goede Barberin mij altijd gezegd had, zoowel nadat hij u in de Avenue de Breteuil had gevonden als nadat hij met den persoon gesproken had, die u zocht, moesten uwe ouders bemiddelde, ja zelfs vermogende menschen zijn.

"In die meening werd ik bevestigd door de wijze, waarop gij gekleed waart toen Barberin u te Chavanon bracht en uit de kleeren, die gij toen aanhadt, bleek klaar, dat zij tot de luiermand behoorden van een rijk kind. Gij verzoekt mij u duidelijk te beschrijven hoe de kleertjes er uitzagen, waarin men u had gewikkeld. Ik kan dit des te gemakkelijker doen, omdat ik al die voorwerpen heb bewaard, daar zij eenmaal misschien strekken konden om u te doen herkennen, als men u mocht opvorderen, wat volgens mij zeker moest gebeuren.

"Maar vooraf moet ik u zeggen, dat gij eigenlijk geen luiers hadt; als ik daarvan soms gesproken mocht hebben was dit uit gewoonte en omdat de kinderen bij ons luiers dragen. Gij hadt die niet; integendeel; zie hier hoe gij waart aangekleed en welke dingen ik bij u heb gevonden: een kanten mutsje, dat niets bijzonders had behalve dat het zeer fraai en kostbaar was; een nauwsluitend hemdje van fijn linnen met een kantje aan den hals en aan de armen; een flanellen hemdje; witte wollen kousjes; gebreide witte schoentjes; een manteltje met een kap van wit cachemir met zijde gevoerd en fraai geborduurd.

"Gij hadt een wollen luier aan, die tot dezelfde luiermand behoorde, maar bij den commissaris van politie had men u eene andere aangedaan, een gewonen doek.

"Ik moet er ten slotte nog bijvoegen, dat geen van die kleeren gemerkt waren, maar de wollen luier en het hemdje moeten gemerkt zijn geweest, want de hoeken, waarop gewoonlijk het merk staat, waren afgeknipt, waaruit genoeg blijkt, dat men alle voorzorgen had genomen om nasporingen vruchteloos te maken.

"Ziedaar, lieve Rémi, alles wat ik u vertellen kan. Als gij meent die dingen noodig te hebben, schrijft mij dan maar; dan zal ik ze u zenden.

"Laat het u maar niet spijten, kindlief, dat gij mij de mooie presenten niet geven kunt, die gij mij hebt beloofd: de koe, waarvoor gij het geld uit uw mond gespaard hebt, is voor mij mooier dan het kostbaarste geschenk. Ik kan u tot mijn blijdschap zeggen, dat zij nog altijd gezond is; zij blijft evenveel melk geven en door haar heb ik nu alles wat ik noodig heb en leef ik in overvloed. Zoo dikwijls ik ze zie, denk ik aan u en aan uw vriendje Mattia.

"Gij zult mij genoegen doen als gij weer eens iets van u laat hooren; moge het altijd iets goeds zijn. Gij zijt zoo lief en hartelijk: wat zoudt gij gelukkig zijn met eene familie, een vader, een moeder, broers en zusters, die u liefhadden, zooals gij verdient.

"Vaarwel, mijn lief kind; ik omhels u hartelijk in gedachten.

Uw pleegmoeder,Weduwe Barberin."

Het slot van den brief deed mijn hart kloppen: arme vrouw Barberin! wat was zij goed voor mij. Dat was omdat zij mij liefhad en zij zich verbeeldde dat iedereen mij moest liefhebben zooals zij.

—'t Is eene goede vrouw, zeide Mattia, zij heeft aan mij ook gedacht; maar al had zij mij vergeten, dan zou ik haar toch dankbaar zijn voor haar brief om die uitvoerige beschrijving; die Driscoll moet zich nu niet vergissen als hij de kleeren opnoemt, die gij aanhadt, toen men u stal.

—Hij kan ze vergeten hebben.

—Zeg dat nu niet: zou men de kleeren kunnen vergeten van het kind, dat men verloren heeft,—want die zouden juist het eenige middel zijn om het terug te vinden.

—Zoolang mijn vader mij nog niet geantwoord heeft, moet gij niet zulke onderstellingen maken, als ik je verzoeken mag.

—Welnu, wij zullen zien.

Het was geen gemakkelijke zaak om aan mijn vader te vragen hoe ik gekleed was, toen ik gestolen werd. Als ik hem heel argeloos, zonder bijgedachte, die vraag kon doen, zou niets eenvoudiger zijn geweest; maar dit was zoo niet; en het was juist die bijgedachte, die mij beschroomd en aarzelend maakte.

Eindelijk, toen een ijskoude regen ons eens op een avond vroeger naar huis had gedreven dan gewoonlijk, vatte ik moed en bracht ik het gesprek op het onderwerp, dat mij zoo onophoudelijk kwelde.

Bij het eerste woord zag mijn vader mij strak aan en trachtte met zijn blik mijne gedachte uit te vorschen, zooals hij gewoon was te doen, wanneer hij zich gekrenkt gevoelde door hetgeen ik zeide, maar ik doorstond zijn blik beter dan ik op dat oogenblik gemeend had te kunnen doen.

Ik dacht dat hij woedend boos zou worden en wierp een angstigen blik naar Mattia, die naar ons luisterde, zonder den schijn ervan aan te nemen, om hem getuige te doen zijn van de onhandigheid, die hij mij had doen begaan; maar dit gebeurde niet; toen de eerste aanval van drift voorbij was, begon hij te glimlachen; wel is waar was er iets hards en wreeds in dien glimlach, maar hij glimlachte toch.

—Wat mij het meest geholpen heeft om u terug te vinden, zeide hij, was de beschrijving van de kleeren die gij aanhadt den dag dat men u gestolen heeft: een kanten mutsje, een linnen hemdje met kant geboord, een luier en flanellen jurk, wollen kousjes, gebreide schoentjes, een cachemiren geborduurd manteltje met een kap. Ik had vooral gehoopt, dat de letters, waarmede uw goed gemerkt was, F. D.—Francis Driscoll, want zoo is uw naam,—mij op het spoor zouden brengen; maar dat merk is er afgeknipt door haar, die u gestolen heeft en daardoor meende zij te beletten, dat men u ooit ontdekte; ik moest uw geboorte-akte overleggen, die ik in de parochie gelicht had; deze heeft men mij gegeven en ik moet ze nog hebben.

Toen hij dit zeide, zoo vriendelijk als hij nooit sprak, ging hij zoeken in een lade en weldra kwam hij met een groot stuk papier met verschillende lakken, dat hij mij overreikte.

Ik wendde een laatste poging aan.

—Als gij 't goedvindt, zeide ik, zal Mattia het voor mij vertalen.

—Met genoegen.

Uit die vertaling van Mattia, zoo goed en zoo kwaad als 't kon, bleek, dat ik op Donderdag den 2den Augustus was geboren en de zoon was van Patrick Driscoll en Margaret Grange, zijne vrouw.

Wat behoefde ik nog meer te vragen?

Mattia evenwel was minder voldaan, en toen wij des avonds in onzen wagen hadden plaatsgenomen, boog hij zich naar mij toe met zijn mond aan mijn oor, alsof hij mij een geheim wilde toevertrouwen.

—Dat alles is prachtig, zeide hij, maar dat heldert toch nog volstrekt niet op, hoe Patrick Driscroll, rondreizend koopman, en Margaret Grange, zijne vrouw, zoo rijk waren, dat zij aan hun kind een kanten muts konden geven en een hemd met kant geboord en een geborduurd cachemiren manteltje: reizende kooplieden zijn zoo rijk niet.

—Juist omdat zij kooplui waren, kostten hun die kleeren niet zoo veel geld.

Mattia schudde het hoofd en begon te fluiten; toen fluisterde hij weder en zeide:

—Wil ik u eens zeggen wat mij maar niet uit het hoofd wil: dat gij niet het kind zijt van dien Driscoll, maar het kind dat door Driscoll gestolen werd.

Ik wilde antwoorden, maar Mattia was al in zijn bed geklommen.

Als ik in de plaats van Mattia was geweest, zou ik misschien even zoo gedacht hebben als hij; maar in den toestand, waarin ik verkeerde, waren mij zulke onderstellingen niet geoorloofd.

Het gold toch mijn vader.

Voor Mattia was deze slechts Driscoll en niets anders.

En als ik met mijn geest Mattia wilde volgen, dan hield ik mij zelven terug, maar toch niet zóó, als ik wel zou verlangen.

Mattia kon van Driscoll denken al wat hij goedvond; voor hem was deze een vreemdeling, aan wien hij niets verplicht was.

Ik daarentegen was allen eerbied aan mijn vader verschuldigd.

Zeker waren er zonderlinge dingen in mijn toestand, maar ik was niet vrij om erover na te denken van hetzelfde standpunt als Mattia.

Mattia mocht eraan twijfelen.

Aan mij was dit niet geoorloofd. En toen Mattia mij zijn twijfel wilde mededeelen, was het mijn plicht hem het zwijgen op te leggen.

Dat trachtte ik ook te doen, maar Mattia was koppig en ik kon er niet in slagen om die koppigheid te overwinnen.

—Sla er maar op, als ge lust hebt, zeide hij, word boos maar luister.

En toen moest ik wel luisteren naar zijn vragen.

—Waarom hadden Allen, Ned, Annie en Kate lichtblond haar, terwijl het mijne niet blond was?

—Waarom gedroegen al de leden van de familie Driscoll, behalve Kate, die nog niet wist wat zij deed, zich tegenover mij zoo onaangenaam, alsof ik een schurftige hond was?

—Hoe konden menschen, die niet rijk waren, hun kinderen kleeren met kant geven?

Op al die vragen waarom en hoe, had ik maar één antwoord, dat zelf eene vraag was:

—Waarom zou de familie Driscoll mij gezocht hebben, als ik haar kind niet was? Waarom zou zij geld gegeven hebben aan Barberin en aan Greth and Galley?

Mattia verklaarde, dat hij het niet beantwoorden kon. Maar toch gaf hij zich niet gewonnen.

—Omdat ik geen antwoord kan geven op uwe vraag, zeide hij, bewijst dit niet, dat ik ongelijk heb; want gij kunt geen antwoord geven op een van mijne vragen. Een ander in mijne plaats zou heel goed kunnen ophelderen, waarom Driscoll u heeft laten zoeken en met welk doel hij zooveel geld heeft besteed. Ik kan dat niet, omdat ik niet slim ben en omdat ik nergens verstand van heb.

—Zeg dat toch niet; ge zijt integendeel heel slim.

—Als ik dat was, zou ik u dadelijk weten uit te leggen wat ik nu niet begrijp, maar ge moet het voelen, neen, gij zijt geen kind van de familie Driscoll; gij zijt het niet en gij kunt het niet zijn. Dat zal later wel aan 't licht komen, daar ben ik zeker van; maar het oogenblik, dat alles moet ophelderen, vertraagt gij door uwe oogen maar niet te willen openen. Ik begrijp wel, dat gij u weerhouden laat door eerbied voor uwe ouders; maar dit moet u toch niet stomp maken.

—Maar wat wilt gij dan dat wij doen zullen?

—Naar Frankrijk terugkeeren.

—Onmogelijk.

—Omdat uw plicht u noopt bij uwe familie te blijven; maar als het uwe familie niet is, wat weerhoudt u dan?

Zulke gesprekken konden tot niets leiden dan alleen om mij nog ongelukkiger te maken dan ik reeds was.

Niets toch is erger dan twijfel. En hoewel ik nietwildetwijfelen, twijfelde ik toch.

Was die vader mijn vader? Was die moeder mijne moeder? Waren die kinderen mijn broers en zusters?

Het was vreeselijk dit te moeten erkennen; ik had nog minder smart en gevoelde mij nog minder ongelukkig, toen ik alleen was.

Wie zou ooit gedacht hebben, toen ik in eenzaamheid weende, omdat ik geen familie had, dat ik nog rampzaliger wezen zou, als ik er wèl eene had?

Hoe zou ik licht vinden? Wie zou mij licht schenken? Hoe zou ik ooit de waarheid vernemen?

Voor die vragen stond ik stil, onder het drukkend besef van mijne onmacht en ik zei tot mijzelven, dat ik vruchteloos mijn leven lang met het hoofd zou bonzen op dien muur, die geen uitgang aanbood.

Toch moest ik zingen, deuntjes spelen, waarop men dansen kon, en aardig zijn, terwijl ik in mijn hart zoo diep bedroefd was.

De zondagen waren mijne gelukkigste dagen, omdat er des zondags te Londen geen muziek op straat mag worden gemaakt; dan kon ik mij ongestoord aan mijne droefheid overgeven, als ik wandelde met Mattia en Capi. Hoe weinig was er in mij nog over van den knaap, die ik eenige maanden geleden was!

Op een van die zondagen, toen ik mij gereed maakte om met Mattia uit te gaan, hield mijn vader mij thuis en zeide, dat ik hem dien dag behulpzaam moest wezen. Hij liet Mattia alleen uitgaan. Mijn grootvader was nog niet beneden; mijne moeder was uitgegaan met Kate en Annie en mijne broers liepen op straat; mijn vader en ik waren dus alleen thuis.

Een uur lang waren wij alleen geweest, toen men aan de deur klopte; mijn vader ging openen en keerde terug met een heer, die niets geleek op de vrienden, welke hij gewoonlijk ontving; dit was inderdaad een heer, iemand dien men in Engeland eengentlemannoemt. Hij was zeer netjes gekleed en hij had een voornaam voorkomen en een trotsch gelaat, met eenigszins vermoeide trekken. Hij moest ongeveer vijftig jaar zijn. Wat mij het meest in hem trof was zijn glimlach: dan openden zich zijne lippen en vertoonden zich twee rijen witte puntige tanden als van een jongen hond. Dit maakte een eigenaardigen indruk en ik vroeg mij af, of het eigenlijk wel een glimlach was dan wel een beweging om te bijten.

Terwijl hij met mijn vader Engelsch sprak, wierp hij telkens een blik naar mij; maar als hij den mijnen ontmoette, wendde hij de oogen terstond af.

Nadat hij een poos lang met mijn vader gesproken had, wisselde hij het Engelsch met het Fransch, dat hij vloeiend en bijna zuiver sprak.

—Is dat de knaap, waarvan gij me gesproken hebt? zeide hij tot mijn vader, met den vinger naar mij wijzend. Hij schijnt een gezonde jongen te zijn.

—Antwoord mijnheer, zeide mijn vader.

—Ben je gezond? vroeg de voorname heer.

—Ja, mijnheer.

—Ben je nooit ziek geweest.

—Ik heb eens eene bloedspuwing gehad.

—Zoo, zoo; hoe kwam dat?

—Ik had 's nachts in de sneeuw geslapen, toen het vinnig koud was; mijn meester is dien nacht van koude gestorven; ik heb er maar eene bloedspuwing van gekregen.

—Is dat lang geleden?

—Drie jaar.

—En heb je later nooit gevolgen van die ziekte ondervonden?

—Neen.

—Geen vermoeidheid, geen afgemat gevoel? Zweette je 's nachts erg?

—Neen nooit; als ik mij moe gevoelde, was het omdat ik lang geloopen had; maar ziek was ik er niet van.

—En kunt ge goed tegen vermoeienis?

—Dat moet ik wel.

Hij stond op en kwam naar mij toe; hij voelde mijn armen, legde toen zijn hand op mijn hart en vervolgens zijn hoofd tegen mijn rug en vervolgens tegen mijn borst en beval mij diep adem te halen, alsof ik hard had geloopen; toen liet hij mij ook hoesten.

Toen dit afgeloopen was, zag hij mij zeer aandachtig een poos aan en toen vooral kwam de gedachte bij mij op, dat hij bijten wilde; zoo dreigend was zijn glimlach.

Zonder verder iets te zeggen, zette hij in het Engelsch het gesprek met mijn vader voort; daarop gingen zij samen heen, niet naar de straatdeur, maar naar den stal.

Toen ik alleen was, vroeg ik mijzelven af, wat al die vragen van den voornamen heer beteekenden? Wilde hij mij in zijn dienst nemen? Maar dan moest ik scheiden van Mattia en Capi! Bovendien had ik het vaste besluit genomen om nooit meer bij iemand in dienst te zijn, zoomin van dien gentleman, aan wien ik nu al een hekel had, als van een ander, wien ik misschien genegen zou zijn.

Na verloop van eenigen tijd kwam mijn vader terug. Hij zei, dat hij uit moest, en dat hij mij dus niet noodig had, zooals hij eerst gedacht had; ik kon dus ook uitgaan als ik wilde, zeide hij.

Ik had er volstrekt geen lust in; maar wat moest ik in dit treurige huis beginnen? Ik kon evengoed gaan wandelen als hier blijven en mij vervelen.

Daar het regende, ging ik naar onzen wagen om mijn schapevacht te halen: hoe verwonderd was ik daar Mattia te vinden; ik wilde iets tegen hem zeggen, maar hij legde de hand op mijn mond en sprak op fluisterenden toon:

—Maak de staldeur open, ik zal stil achter u komen; men mag niet weten, dat ik in den wagen was.

Eerst toen wij op straat waren, besloot Mattia te spreken.

—Weet gij wie die heer is, die straks bij uw vader was? vroeg hij. De heer James Milligan, de oom van uw vriend Arthur.

Daar ik onbeweeglijk middenop straat bleef staan, nam hij mij bij den arm, en voortloopende, vervolgde hij:

—Daar het mij verveelde alleen door die sombere straten te loopen, op zoo'n triestigen zondag, ben ik maar naar huis gegaan om te gaan slapen en ben toen in mijn bed gaan liggen; maar ik heb niet geslapen. Uw vader kwam met een heer in den stal en ik hoorde wat zij zeiden, zonder bepaald te luisteren. "Zoo stevig als ijzer en staal," zeide de heer; "tien anderen zouden dood zijn gegaan; hij heeft er maar een bloedspuwing van gekregen." Toen begreep ik, dat men over u sprak en luisterde ik; maar het gesprek nam een andere wending.—"Hoe gaat het met uw neef?" vroeg uw vader.—"Beter; hij zal er nog wel van opkomen; drie maanden geleden hadden alle dokters hem opgegeven; zijne goede moeder heeft hem nog gered door hare oppassing; o,'t is een goede moeder, die mevrouw Milligan." Gij kunt denken hoe ik mijn ooren spitste, toen ik dien naam hoorde. "Dus als uw neefje beter wordt," ging uw vader voort, "zijn al uwe voorzorgen overbodig?"—"Voor het oogenblik misschien," antwoordde de heer, "maar ik kan niet aannemen, dat Arthur in het leven blijft; dat zou een wonder zijn en wonderen zijn er niet meer; maar als hij sterft, moet ik zeker zijn, dat er geen andere opdaagt en moet ik, James Milligan, de eenige erfgenaam zijn."—"Wees gerust," zeide uw vader, "dat zal gebeuren; daar sta ik u voor in."—"Ik reken op u," zeide de gentleman.—En hij voegde er nog iets bij, dat ik niet juist begreep, maar dat mij scheen te beteekenen: "Voor 't oogenblik zullen wij zien wat ons te doen staat." Toen ging hij heen.

Mijne eerste gedachte was naar huis te gaan om aan mijn vader het adres van den heer Milligan te vragen, teneinde iets te vernemen omtrent Arthur en zijne moeder, maar ik zag terstond in, dat dit een dwaasheid zou zijn: een man, die met ongeduld op den dood van zijn neef wachtte, was waarlijk de geschikte persoon niet, om hem narichten omtrent dien neef te vragen. Van den anderen kant ware het ook zeer onvoorzichtig, om aan den heer Milligan te zeggen, dat men had gehoord wat hij zeide.

Arthur leefde; hij was weer beter. Voor het oogenblik gaf die goede tijding mij al genot genoeg.


Back to IndexNext