XXXIX.

Wij spraken over niets anders meer dan over Arthur, mevrouw Milligan en James Milligan.

Waar waren Arthur en zijne moeder? Waar zouden wij ze zoeken? Waar hen vinden?

Het bezoek van den heer James Milligan had ons op een denkbeeld gebracht en een plan doen vormen, dat, naar wij meenden, zeker moest gelukken: daar de heer Milligan eenmaal in De Roode Leeuw was geweest, konden wij zeker zijn, dat hij er nog wel eene tweede en eene derde maal zou komen. Hij deed immers zaken met mijn vader? Als hij dan weder wegging, zou Mattia, dien hij niet kende, hem volgen; hij zou dan diens woning ontdekken; hij zou zijne bedienden aan 't praten brengen, en misschien zou hij ons bij Arthur brengen.

Waarom niet? Dit scheen ons, in ons idee, volstrekt niet zoo onmogelijk toe.

Dat mooie plan zou ons niet alleen het voordeel verschaffen, dat wij Arthur terugvonden, maar ook een ander, dat reeds dadelijk een einde maakte aan de moeielijkheid, waarin ik mij bevond.

Sedert het gebeurde met Capi en na het antwoord van vrouw Barberin, hield Mattia niet op in allerlei vorm mij toe te voegen: "Laten wij naar Frankrijk terugkeeren." Dat liedje zong hij elken dag op eene nieuwe wijs. Maar ik stelde er altijd een ander tegenover, dat ook steeds hetzelfde was: "Ik mag mijn ouders niet verlaten." Omtrent de vraag wat in dit geval mijn plicht gebood, konden wij het niet eens worden, en hoe lang wij erover praatten, het bracht ons niet verder, want ieder bleef bij zijne meening. "Gij moet heengaan."—"Ik moet blijven."

Toen ik op mijn onveranderlijk antwoord volgen liet: "om Arthur terug te vinden", had Mattia niets meer te zeggen: hij kon geen partij vatten tegen Arthur; en moest ook niet mevrouw Milligan met de plannen van haar schoonbroeder bekend worden gemaakt?

Als wij op den heer James Milligan hadden willen wachten, terwijl wij dagelijks van den morgen tot den avond uitgingen, gelijk wij sedert onze komst te Londen hadden gedaan, zou dit niet heel verstandig zijn geweest, maar de tijd naderde, dat wij, inplaats van overdag op straat muziek te maken, dit 's nachts zouden gaan doen; want 't is midden in den nacht dat de zoogenaamdewaits, de kerstconcerten, plaats hebben. Dan zouden wij overdag thuis blijven, een van ons zou de wacht houden en zeker zouden wij dan den oom van Arthur wel snappen.

—Als gij eens wist hoe ik verlang, dat gij mevrouw Milligan mocht terugvinden, zeide Mattia eens.

—Waarom?

Hij aarzelde geruimen tijd en zeide eindelijk:

—Omdat zij zoo goed voor u is geweest.

Toen voegde hij erbij:

—En omdat zij u misschien behulpzaam zou kunnen zijn om uwe ouders terug te vinden.

—Mattia!

—Ge wilt dat niet van me hooren: ik verzeker u, dat het mijne schuld niet is; maar 't is me onmogelijk een oogenblik aan te nemen, dat gij tot de familie Driscoll behoort.—Zie al de leden van dat gezin eens aan en vergelijk u zelven dan met hen. Ik spreek nu niet eens van hun vlasbollen, maar hebt ge die eigenaardige beweging van de hand en dien glimlach van uw grootvader gezien? Zijt gij ooit op de gedachte gekomen om manufacturen bij lamplicht te bekijken, zooals Driscoll? Is het ooit gebeurd, dat gij met uw armen op tafel in slaap zijt gevallen? En hebt gij ooit, als Allen en Ned, aan Capi de kunst geleerd om wollen kousen te apporteeren, die niet verloren waren? Neen, duizendmaal neen! Men heeft altijd eenige karaktertrekken met zijne familie gemeen; en als gij een Driscoll waart geweest, zoudt gij niet geaarzeld hebben om u op die manier wollen kousen te verschaffen, als gij ze noodig en geen geld in uw zak hadt, wat u meer dan eens overkomen is. Wat hebt gij gedaan, toen Vitalis in de gevangenis zat? Denkt ge, dat een Driscoll toen zonder eten naar bed zou zijn gegaan? En als ik de zoon van mijn vader niet was, zou ik dan op den horen kunnen blazen en op de klarinet of de trombône of op welk instrument men maar wil, zonder dat ik het ooit geleerd heb? Mijn vader was muzikant en ik ben het daarom ook. Dat is heel natuurlijk; even natuurlijk is het, dat gij een heer zijt en dat zult gij ook worden, zoodra gij mevrouw Milligan hebt teruggevonden.

—En hoe dan?

—Ik heb mijn plan.

—Wilt ge mij uw plan zeggen?

—Neen, zeker niet.

—Waarom niet?

—Omdat het te dom is.

—Zeg het toch maar.

—Het zou al te dom zijn, als het niet gelukte; en men moet zich niet verheugen over dingen, die niet gebeuren. Wat wij ondervonden hebben, toen wij meenden dat Bethnal-Green een lommerrijk plekje was, moet ons wijzer hebben gemaakt. Hebben wij toen ook geen groene velden gezien in onze verbeelding en in werkelijkheid slechts modderpoelen gevonden?

Ik drong er niet verder op aan, want ook ik had mijn plan.

Het was wel heel vaag en nevelachtig, veel onnoozeler en veel dommer dan dat van Mattia zijn zou, dacht ik, maar juist daarom durfde ik er niet op aandringen, dat Mattia mij zijn plan zou mededeelen: wat zou ik geantwoord hebben, als dit hetzelfde was als hetgeen mij als een droom voor den geest zweefde? Dan zou ik het in woorden hebben moeten omschrijven en het met hem durven bespreken.

Wij moesten maar wachten en wij wachtten.

Al wachtende doorkruisten wij Londen, want wij behoorden niet tot die bevoorrechte muzikanten, die bezit nemen van een geheele wijk en daar, om zoo te zeggen, hun eigen publiek hebben.

Wij waren nog maar knapen en nog te nieuw in het vak om zooveel aanspraken te maken, en wij moesten het veld ruimen voor hen, die hunne eigendomsrechten konden doen gelden door middelen, waartegen wij niet waren opgewassen.

Hoe dikwijls was het gebeurd, dat wij, op het punt om rond te gaan met het bakje, na onze mooiste stukken te hebben gespeeld, verplicht waren zoo spoedig mogelijk ons uit de voeten te maken voor eenige reusachtige Schotten met bloote beenen en bontgeruite rokken, plaids en mutsen met een veer, die, zoodra wij maar hun doedelzak hoorden, ons de vlucht deden nemen! Met zijn horen had Mattia hunne doedelzakken wel kunnen overstemmen, maar tegen de mannen, die de doedelzakken bliezen, waren wij niet bestand.

Evenmin konden wij het uithouden tegen de benden negers-muzikanten, denigger-melodist, die de straten doorkruisen. Voor die valsche negers, die zich zoo potsierlijk uitdossen met rokken met lange smalle panden en groote witte boorden, waarin hun hoofd omvat is als een ruiker door een stuk papier, waren wij nog banger dan voor de schotsche zangers. Zoodra wij hen zagen aankomen of maar hunbanjohoorden, zwegen wij eerbiedig en gingen wij naar eene andere wijk, waar wij hoopten geen van die benden te ontmoeten; of wel wij schaarden ons onder de omstanders en wachtten tot zij hun kattenmuziek geëindigd hadden.

Eens dat wij weder in den kring stonden, die zich om hen had gevormd, zag ik een van hen, den potsierlijkste van den troep, Mattia toewenken. Eerst dacht ik, dat hij den gek met ons stak en het publiek wilde onthalen op het een of ander dwaas tafereel, waarbij wij de lijdende rol vervullen zouden; maar tot mijne groote verwondering zag ik, dat Mattia hem vriendschappelijk toeknikte.

—Kent gij dien man? vroeg ik.

—'t Is Bob.

—Wie is Bob?

—Mijn vriend Bob uit het paardenspel van Gassot, een van de twee clowns, van wie ik u wel eens gesproken heb; hij is het, van wien ik het beetje engelsch heb geleerd, dat ik ken.

—Hadt ge hem dan niet dadelijk herkend?

—Hoe zou ik hem herkend hebben! Bij Gassot maakte hij zijn hoofd wit met meel; hier smeert hij er schoensmeer op.

Toen de voorstelling van denigger-melodistgeëindigd was, kwam Bob bij ons en uit de wijze, waarop hij Mattia aansprak en de hand drukte, zag ik hoeveel men van mijn vriendje moest hebben gehouden: bij een broer had niet zooveel blijdschap uit de oogen en de stem kunnen spreken als bij dien voormaligen clown, die om de dure tijden, zooals hij zeide, reizend muzikant had moeten worden. Maar wij moesten al spoedig scheiden; hij om met zijn troep mede te gaan, wij om eene buurt op te zoeken waar zij niet waren. De twee vrienden spraken af den volgenden Zondag elkander te zullen vinden, om dan elkaar eens te vertellen wat zij beiden ondervonden hadden, sedert zij van elkander waren gescheiden. Uit vriendschap voor Mattia zeker, was Bob ook voor mij zeer vriendelijk en weldra hadden wij een vriend, die door zijne rijpere ervaring het verblijf in Londen ons veel aangenamer maakte dan het tot nu toe voor ons geweest was. Hij vatte ook een groote genegenheid op voor Capi en dikwijls zeide hij, dat als hij een hond had als deze, zijn fortuin spoedig zou gemaakt zijn. Meer dan eens deed hij ons ook het voorstel om met ons drieën, of liever met ons vieren, bij elkander te blijven: hij, Mattia, Capi en ik; maar zoo ik mijn familie niet verlaten wilde om naar Frankrijk terug te keeren en Lize en mijne vroegere vrienden te zien, nog veel minder wilde ik met Bob Engeland doorkruisen.

Zoo naderde voor ons het Kerstfeest. Inplaats van dan des morgens De Roode Leeuw te verlaten, gingen wij elken avond tegen acht of negen uur op pad en begaven ons naar de buurten, die wij gekozen hadden.

Het eerst begonnen wij op de meer afgelegen pleinen en straten, waar de rijtuigen waren verdwenen: het moest stil zijn, wilde onze muziek door de deuren en ramen doordringen en de kinderen doen ontwaken, om hun de nadering van het Kerstfeest aan te kondigen, welk feest bij de Engelschen in hooge eer wordt gehouden. Naarmate het later in den nacht werd, begaven wij ons in de grootere straten. Als de laatste rijtuigen, waarmede de menschen uit de schouwburgen terugkeerden, voorbij waren, werd het rustiger en zekere kalmte volgde op de woelige drukte van den dag. Dan speelden wij onze zachtste, liefelijkste stukjes, die iets zwaarmoedigs en godsdienstigs hadden: Mattia's viool scheen te weenen en mijne harp zuchtte, en als wij een oogenblik pauze hielden, bracht de wind de tonen tot ons over van de muziek, die andere muzikanten een paar straten verder maakten. Ons concert was uit. "Heeren en dames, goeden nacht en vroolijke Kerstmis."

Dan gingen wij verder, om op eene andere plaats te spelen.

Het moet heerlijk zijn muziek te hooren des nachts, als men in zijn bed ligt onder de warme dekens, en op een zachte peluw. Maar voor ons waren er geen dekens of peluws: wij moesten spelen met stramme, halfbevroren vingers. Nu eens was het een dikke lucht en de natte mist drong door onze kleeren heen; dan weder was de hemel helder en de scherpe noordenwind scheen het merg in onze beenderen te verstijven. Een zachten, zwoelen nacht kent men in Engeland niet, vooral niet tegen Kersttijd. O, die Kerstdagen waren wel hard voor ons! Toch bleven wij gedurende die drie weken geen enkelen nacht in huis.

Hoe dikwijls stonden wij stil, vóór zij nog gesloten waren, voor die winkels, waarin gevogelte, vruchten, taarten en wat dies meer zij, verkocht werd. Welke prachtige ganzen en kalkoenen en kippen zagen wij daar! gansche bergen sinaasappelen en appelen, kastanjes en gedroogde pruimen. Vooral de ingelegde vruchten deden ons watertanden.

Er waren zeker veel blijde kinderen, die al dat lekkers genoten en zich opgetogen in de armen hunner ouders wierpen.

En terwijl wij door de straten doolden, zagen wij, arme zwervende jongens, in onze gedachten de huisgezinnen feestelijk bijeen, zoowel in de aanzienlijkste huizen der rijken als in de stulpen van de armen.

En wij wenschten een vroolijke Kerstmis aan hen, die liefde genoten.

De heer James Milligan kwam niet meer in De Roode Leeuw, of althans wij zagen hem niet, hoe wij ook opletten.

Na Kerstmis moesten wij weder overdag uit en onze kans om hem te ontmoeten werd minder; onze hoop was nu nog op den zondag gevestigd. Wij bleven dan ook dikwijls thuis inplaats van gebruik te maken van den vrijen dag, om voor ons pleizier te gaan wandelen.

Wij wachtten.

Zonder onzen toestand geheel te vertellen, had Mattia toch aan zijn vriend Bob het een en ander medegedeeld en hem gevraagd of er geen mogelijkheid was het adres te ontdekken van eene zekere mevrouw Milligan, die een lam zoontje had, of zelfs maar van den heer James Milligan. Maar Bob zeide dat men dan allereerst weten moest wie die mevrouw Milligan was, of welke betrekking de heer James Milligan bekleedde, daar zeer vele menschen in Londen, en nog meer in Engeland, den naam van Milligan droegen.

Daaraan hadden wij niet gedacht. Voor ons was er maar één mevrouw Milligan, de moeder van Arthur, en een mijnheer James Milligan, die de oom was van Arthur.

Toen begon Mattia alweder met zijn raad om naar Frankrijk terug te keeren, en opnieuw begonnen wij daarover te kibbelen.

—Gij wilt het dus opgeven om mevrouw Milligan te zoeken? vroeg ik.

—Neen, zeker niet; maar 't is niet uitgemaakt, dat mevrouw Milligan nog in Engeland is.

—Evenmin, dat zij in Frankrijk is.

—Dat is toch waarschijnlijk; daar Arthur ziek is geweest, zal zijn moeder hem wel naar een land hebben gebracht, waarvan het klimaat geschikt is voor zijn herstel.

—Frankrijk is het eenige land niet, waar men een klimaat vindt, dat heilzaam is voor eene zwakke gezondheid.

—Arthur is eenmaal in Frankrijk hersteld, daarheen zal zijn moeder hem dus wel voor de tweede maal ook gebracht hebben, en bovendien zou ik ook gaarne zien, dat gij van hier gingt.

Mijn toestand was van dien aard, dat ik aan Mattia niet durfde vragen, waarom hij mij volstrekt hiervandaan wilde hebben; ik was bang, dat hij juist datgene zou zeggen wat ik niet wilde hooren.

—Ik ben bang, ging Mattia voort; laat ons dus heengaan. Gij zult zien, dat ons een ongeluk overkomt; laat ons gaan.

Ofschoon het gedrag van mijn familie tegenover mij niet veranderd was; mijn grootvader nog altijd spuwde als hij mij in zijne nabijheid zag; mijn vader mij slechts enkele woorden op een toon van gezag toevoegde; mijn moeder mij nooit aanzag, en mijn broers en zusters onuitputtelijk waren in het uitdenken van allerlei streken, die mij onaangenaam waren; Annie mij haar afkeer toonde bij elke gelegenheid en Kate slechts lief was, als ik haar lekkers meebracht, kon ik nog maar niet besluiten om den raad van Mattia te volgen, evenmin als ik hem gelooven wilde, dat ik de zoon van Driscoll niet was. Twijfelen kon ik, maar vast gelooven, dat ik geen Driscoll was, viel mij onmogelijk.

De tijd ging langzaam voorbij, zeer langzaam, maar de dagen volgden toch op de dagen en de weken op de weken en het tijdstip naderde, waarop de Driscoll's Londen zouden verlaten om hun zwerftocht door Engeland te ondernemen.

De twee wagens waren opgeschilderd en zij waren gevuld met al de koopwaren, die zij maar bevatten konden en die men in den loop van den zomer zou verkoopen.

Er was een ontzaglijke hoeveelheid van allerlei artikelen en het was bijna niet te begrijpen, dat alles in die twee wagens kon worden gepakt. Het waren manufacturen, gebreid goed, mutsen, omslagdoeken, zakdoeken, kousen, onderbroeken, vesten, knoopen, garen, katoen, naai- en breikatoen, naalden, scharen, scheermessen, oorringen, ringen, zeep, pommade, schoensmeer, slijpsteenen, poeders voor zieke paarden en honden, vlekkenwater, tandwater, middelen om 't haar te doen groeien of om het te verven, enz.

En terwijl wij in de schuur waren, zagen wij uit den kelder de pakken te voorschijn komen, die des nachts in De Roode Leeuw waren gebracht en niet geleverd waren door de magazijnen, waar die voorwerpen doorgaans worden verkocht.

Eindelijk waren de wagens gevuld; er werden paarden gekocht: hoe en waar, dat wist ik niet; maar wij zagen ze thuisbrengen en alles was gereed voor het vertrek.

En wat zouden wij gaan doen? zouden wij te Londen blijven met grootvader, die De Roode Leeuw niet zou verlaten? zouden wij evenals Allen en Ned, de waren moeten te koop bieden; of zouden wij met de wagens medegaan en ons vak van muzikant voortzetten in al de steden en dorpen, waar wij op onze reis doortrokken?

Mijn vader vond, dat wij een goed daggeld maakten met onze viool en onze harp en hij besliste daarom, dat wij muzikanten zouden blijven. Dit deelde hij ons mede den dag vóór ons vertrek.

—Laten wij naar Frankrijk terugkeeren, zeide Mattia, en van de eerste gelegenheid de beste gebruik maken om te vluchten.

—Waarom zouden wij geen reisje door Engeland maken?

—Omdat ons een ongeluk overkomen zal.

—Wij hebben kans mevrouw Milligan in Engeland te ontmoeten.

—Ik geloof, dat wij daarop veel meer kans hebben in Frankrijk.

—Wij kunnen het altijd in Engeland beproeven; daarna kunnen wij zien.

—Weet ge wat gij verdient?

—Neen.

—Dat ik u verlaat en alleen naar Frankrijk ga.

—Gij hebt gelijk; dat raad ik u ook aan; ik weet wel, dat ik het recht niet heb u terug te houden, en ik weet ook wel, dat gij te goed zijt om bij mij te blijven; ga dus heen; gij zult Lize opzoeken en haar zeggen…

—Als ik haar ontmoet, zou ik haar zeggen, dat gij dom en slecht zijt om te gelooven dat ik u ooit zou verlaten, terwijl gij ongelukkig zijt. Want gij zijt ongelukkig, zeer ongelukkig! Wat heb ik u gedaan, dat gij zoo iets van mij zoudt kunnen denken? Zeg, wat heb ik u gedaan? Niets nietwaar? Welnu, vooruit dan!

Alweder waren wij op de groote wegen, maar ditmaal was ik niet vrij om te gaan waar ik wilde en te doen wat ik goedvond. Toch had ik een gevoel van verlichting toen ik Londen verliet. Ik zou De Roode Leeuw niet meer zien en dat luik, dat mij, ondanks mij zelven, aantrok. Hoe dikwijls ben ik des nachts met schrik wakker geworden, terwijl ik in een benauwden droom een rood schijnsel door het raampje zag vallen. Het was een droom, een visioen; maar wat deed dit er toe: eenmaal had ik werkelijk dat licht gezien en dit was genoeg om het altijd als een brandende vlam voor oogen te hebben.

Wij stapten achter de wagens aan en inplaats van de stinkende en ongezonde geuren van Bethnal-Green, ademden wij de zuivere lucht van de schoone landschappen, die wij doortrokken en die misschien het woordgreenniet in hun naam hadden, maar groen waren voor de oogen, terwijl onze ooren vergast werden op het gezang der vogelen.

Op den dag zelf reeds van ons vertrek, zag ik hoe de verkoop plaats had van de waren, die zoo weinig gekost hadden. Wij waren in een groot dorp gekomen en de wagens werden op het plein gebracht. Een der wanden, die uit verschillende paneelen bestond, werd neergeslagen en de geheele voorraad werd uitgestald om de aandacht van het publiek te trekken.

—Koopjes! koopjes! zoo iets heb je nooit gezien! riep mijn vader. Daar ik mijn waar niet betaal, kan ik ze goedkoop leveren. Ik verkoop ze niet; ik geef ze present. Koopjes! Koopjes!

Ik hoorde menschen, die de prijzen hadden gelezen, onder het weggaan tot elkander zeggen:

—'t Zal wel gestolen waar zijn.

—Dat erkent hij zelf.

Als zij mijn kant hadden uitgekeken, zouden zij aan mijn blozen gezien hebben, dat hun vermoeden maar al te gegrond was.

Maar zagen zij dien blos niet, Mattia had hem opgemerkt en des avonds sprak hij er mij over, hoewel hij gewoonlijk vermeed openhartig over dat punt te spreken.

—Zult gij die schande altijd kunnen verduren? vroeg hij.

—Spreek er niet over, als gij niet wilt, dat die schande mij nog meer kwelt.

—Dat wil ik niet; maar ik wil samen naar Frankrijk terugkeeren. Ik heb u altijd gezegd, dat er een ongeluk gebeuren zal, en ik zeg het u nog; en ik voeg er nu bij, dat het niet lang meer zal uitblijven. Begrijp dan toch, dat er een politie is en dat deze den een of anderen dag zal willen weten hoe Driscoll voor zoo lage prijzen zijn waar kan verkoopen. En wat zal er dan gebeuren?

—Mattia, ik bid je….

—Als gij zelf dan niet zien wilt, moet ik het wel voor u doen. Ge zult zien dat men ons allen oppakt, ook u en mij, die niets gedaan hebben. Maar hoe zullen wij dat bewijzen? Hoe zullen wij ons verdedigen? En is het niet waar, dat wij het brood eten voor het geld van die gestolen waar gekocht?

Die gedachte was nog nooit bij mij opgekomen; zij trof me, alsof men met een hamer op mijn hoofd had geslagen.

—Maar wij verdienen ons brood, zeide ik, om mij te verdedigen, niet zoozeer tegen Mattia dan wel tegen die gedachte.

—Dat is waar, hernam Mattia, maar 't is evenzeer waar, dat wij vereenigd zijn met menschen, die het hunne niet verdienen. Dat zal men zien, en overigens niets anders zien; wij zullen veroordeeld worden, evenzeer als zij. Het zou mij diep leed doen, zoo ik veroordeeld werd als dief, maar nog veel meer wanneer gij als dief werdt veroordeeld. Ik ben maar een arme drommel, en ik zal nooit iets anders zijn; maar gij, als gij uw familie hebt weergevonden, uw echte familie, wat zal het dan een smart en een schande voor u zijn, als gij zulk een vonnis hebt gehad! En als wij in de gevangenis zitten, zullen wij allerminst gelegenheid hebben om uwe ouders te ontdekken. En als wij in de gevangenis zitten, kunnen wij mevrouw Milligan ook niet waarschuwen voor hetgeen James Milligan tegen Arthur in 't schild voert. Laten wij ons dus redden, terwijl het nog tijd is.

—Red u zelven.

—Gij zegt altijd dezelfde domheid; wij zullen ons samen redden of wij zullen samen opgepakt worden; en als dat gebeurt, wat niet lang meer duren kan, zult gij de verantwoordelijkheid dragen, dat gij mij met u meegesleept hebt, en wij zullen eens zien of dat besef zoo licht te dragen is. Als gij nuttig waart voor hen, bij wie gij nu zoo hardnekkig wilt blijven, zou ik dat volhouden begrijpen; maar gij zijt volstrekt niet onmisbaar voor hen: zij zullen ook zonder u wel leven. Laat ons dus spoedig heengaan.

—Welnu, laat mij nog een paar dagen, om er over na te denken; dan zullen wij zien.

—Haast u! de wildeman rook menschenvleesch; ik ruik het gevaar.

Nooit hadden de woorden, de redeneering en de beden van Mattia mij zoo sterk getroffen als thans, en als ik eraan dacht, zeide ik tot mij zelven, dat de besluiteloosheid, waaraan ik mij maar niet onttrekken kon, laf was en dat ik beslissen moest en eindelijk moest weten wat ik wilde.

De omstandigheden deden voor mij wat ik zelf niet durfde.

Reeds eenige weken waren voorbijgegaan sinds wij Londen verlaten hadden en wij waren in een stad gekomen, in welker omtrek wedrennen moesten plaats hebben. In Engeland zijn de wedrennen niet wat zij in andere landen zijn, een vermaak alleen voor de rijken, die drie of vier paarden tegen elkander laten loopen en zich zelven eens komen vertoonen om dan met elkander weddenschappen om een gulden of wat aan te gaan. Daar zijn zij volksfeesten voor eene geheele streek en het zijn niet de paarden alleen, die men komt zien; op de vlakte of langs de kust, waar de wedrennen plaats hebben, komen, somtijds reeds dagen te voren, kunstenmakers, muzikanten, reizende kooplieden enz. die daar een soort van kermis aanrichten. Wij hadden ons gehaast om eene plaats daar te krijgen, wij als muzikanten en de Driscoll's als kooplieden.

Maar inplaats van op het terrein van de wedrennen zich te vestigen, had mijn vader eene standplaats ingenomen in de stad zelve, waar hij waarschijnlijk betere zaken dacht te maken.

Wij waren al vroeg aangekomen, en daar wij niet behoefden te helpen aan het uitstallen der koopwaar, gingen Mattia en ik het terrein van de wedrennen eens opnemen, dat op korten afstand van de stad op eene heide was gelegen. Er waren een groot aantal tenten opgeslagen en van verre zag men smalle rookkolommen opstijgen op de punten, die de grenzen vormden van het veld voor de wedrennen. Weldra kwamen wij door een hollen weg op de gewoonlijk dorre, naakte vlakte, maar waar dien avond houten loodsen waren opgeslagen, waarin men nu ververschingen kon bekomen en zelfs nachtverblijf, barakken, tenten en wagens of zelfs legerplaatsen met vuren in de open lucht, waaromheen een groot aantal menschen in allerlei kleederen zich bewogen, die de schilderachtigste groepen vormden.

Toen wij een van die vuren voorbijgingen, waarboven een ketel hing, herkenden wij onzen vriend Bob. Hij was recht blij dat hij ons zag. Met twee zijner kameraden was hij naar de wedrennen gegaan om voorstellingen te geven, maar de muzikanten, op wie zij gerekend hadden, hadden geen woord gehouden, zoodat de andere dag, inplaats van een goede winst af te werpen, zooals zij gehoopt hadden, zeer onvoordeelig zou zijn. Als wij wilden, konden wij hun een grooten dienst bewijzen, door de taak van die muzikanten op ons te nemen. De opbrengst zouden wij met ons vijven deelen, want ook Capi zou zijn aandeel hebben.

Uit een blik van Mattia begreep ik, dat het pleizier zou doen aan mijn vriend als wij het voorstel van Bob aannamen, en daar wij vrij waren om te doen wat wij wilden, onder voorwaarde slechts dat wij eene goede som thuisbrachten, nam ik het aan.

Wij spraken dus af, dat wij den anderen morgen ons ter beschikking van Bob en zijne beide vrienden zouden stellen.

Maar toen wij weder in de stad kwamen, deed zich eene moeilijkheid voor. Ik vertelde aan mijn vader welke afspraak wij hadden gemaakt.

—Den hond heb ik zelf noodig, zeide hij: gij kunt hem dus niet meenemen.

Die woorden maakten mij eenigszins ongerust: wilde hij Capi weder voor de eene of andere slechte streek gebruiken? Maar mijn vader deed terstond alle vrees bij mij verdwijnen.

—Capi heeft een fijn gehoor, zeide hij, en hij is zeer waakzaam; hij kan ons dus van grooten dienst wezen bij de wagens, want bij dien toevloed van menschen zouden er wel eens onder kunnen zijn, die ons wilden bestelen. Gij gaat dus alleen spelen met Bob en als het wat heel laat mocht worden, wat zeer goed mogelijk is, kunt gij ons opzoeken in de herberg De Eikenboom, waar wij onzen intrek nemen, daar het mijn plan is tegen het vallen van den nacht te vertrekken.

Die herberg De Eikenboom, waar wij den vorigen nacht hadden doorgebracht, was een kwartier van de stad gelegen, op het open veld, in eene eenzame, sombere streek. Zij werd door een echtpaar gehouden, dat niet zeer geschikt was om vertrouwen in te boezemen. Die herberg des nachts terug te vinden was niet moeilijk; het was een rechte weg; het eenige onaangename was, dat zij nog al ver af lag, wat vooral na een zwaren dag geen genoegen was.

Maar dat kon ik aan mijn vader niet zeggen, want deze gedoogde geen tegenspraak. Als hij iets gezegd had, moest men gehoorzamen.

Den anderen dag, nadat ik een poos met Capi had geloopen om hem te eten en te drinken te geven, zoodat ik zeker kon zijn, dat hij geen gebrek zou lijden, maakte ik zelf hem vast aan den wagen, dien hij bewaken moest en Mattia en ik gingen naar het terrein van de wedrennen.

Zoodra wij aangekomen waren, begonnen wij muziek te maken en dit duurde voort tot des avonds laat. Mijn vingers deden eindelijk zoo zeer, of zij door duizenden naalden werden gestoken, en Mattia had zooveel op den horen geblazen, dat hij bijna geen adem meer halen kon. Toch moesten wij maar blijven spelen, daar Bob en zijn makkers met hunne kunsten niet ophielden; van onzen kant mochten wij dus ook geen lust nemen. Toen de avond gevallen was, dacht ik dat wij rust zouden gaan nemen; maar wij verwisselden onze plaats in de open lucht met eene groote houten loods en daar begonnen de kunsten en de muziek opnieuw. Dit duurde tot bij middernacht; ik maakte nog altijd geluid op mijn harp, maar ik wist niet meer wat ik speelde en Mattia wist het evenmin als ik. Al twintigmaal had Bob medegedeeld dat het nu de laatste voorstelling zou zijn, en twintigmaal waren wij weder opnieuw begonnen.

Zoo wij moe waren, onze makkers, die veel meer hunne krachten moesten inspannen dan wij, waren afgemat en al meer dan een van hun toeren was mislukt. Bij een van die toeren gebeurde het, dat een staak, die daarbij dienst deed, op den voet van Mattia terecht kwam. De pijn was zoo hevig, dat hij het uitschreeuwde; ik dacht dat zijn voet verpletterd was en wij snelden allen naar hem toe. Gelukkig was de wond niet gevaarlijk; zijn voet was gekneusd en het vleesch opengereten, maar er was niets gebroken. Loopen kon Mattia evenwel niet.

Wat te doen?

Er werd besloten, dat hij in den wagen van Bob zou slapen en dat ik alleen naar de herberg De Eikenboom zou gaan. Ik moest toch weten waarheen de familie Driscoll den anderen dag zou heengaan.

—Ga er niet heen, zeide Mattia bij herhaling, dan gaan wij morgen samen.

—En als wij dan niemand in de herberg De Eikenboom vinden?

—Des te beter; dan zijn wij vrij.

—Als ik de familie Driscoll verlaat, zal het niet op die manier zijn. Bovendien, gelooft gij niet dat zij ons spoedig zou weergevonden hebben? Waar wilt gij dan heengaan met uw voet.

—Welnu, wij zullen morgen erheen gaan, als gij wilt, maar niet vanavond. Ik ben bang.

—Waarvoor?

—Dat weet ik niet, maar ik ben bang voor u.

—Laat me toch gaan; ik beloof u, morgen terug te zullen komen.

—En als men u terughoudt?

—Om dit te beletten, zal ik mijn harp hier laten; dan moet ik wel terugkomen om die te halen.

Ondanks de vrees van Mattia, ging ik op weg, want zelf was ik volstrekt niet bang.

Voor wie, voor wat zou ik bang zijn? Wat zou men kunnen verlangen van een armen drommel als ik?

Maar al voelde ik niet de minste vrees of een zweem van angst, ik was toch zeer ontroerd; 't was voor de eerste maal, dat ik werkelijk alleen was, zonder Capi, zonder Mattia, en dat gevoel van verlatenheid drukte mij, terwijl de geheimzinnige stemmen van den nacht den gewonen indruk op mij maakten. Ook de maan, die mij met haar bleek gelaat aanstaarde, stemde mij zwaarmoedig.

Hoe vermoeid ik ook was, ik stapte stevig door en kwam eindelijk aan de herberg De Eikenboom, maar hoe ik onze wagens ook zocht, ik vond ze niet. Er waren twee of drie ellendige karretjes met huiven, een groote loods van planken en twee overdekte karren waaruit het gebrul van wilde dieren zich deed hooren, toen ik naderde; maar de fraaie wagens met de helle kleuren van de familie Driscoll zag ik nergens.

Toen ik de herberg omliep, zag ik een licht, dat achter een ongesloten raam brandde, en daar ik hieruit opmaakte, dat niet ieder nog sliep, klopte ik op de deur. De herbergier met zijn ongunstig uiterlijk, dien ik den vorigen dag had gezien, deed zelf mij open en hield zijn lantaarn vóór me, zoodat het volle licht op mijn gelaat viel. Ik zag, dat hij mij herkende, maar inplaats van mij door te laten, hield hij de lantaarn achter den rug en een blik om zich werpende, luisterde hij eenige oogenblikken aandachtig.

—Uw wagens zijn al vertrokken, zeide hij; uw vader heeft gezegd, dat gij onmiddellijk, zonder verwijl, naar Lewes zoudt gaan en den ganschen nacht zou doorloopen. Goede reis!

En hij deed de deur voor mijne neus dicht, zonder een woord erbij te voegen.

Sedert mijn komst in Engeland had ik genoeg van de taal geleerd om die weinige woorden te begrijpen; maar er was één woord in, het belangrijkste, dat voor mij onverstaanbaar was.Louis, had de herbergier gezegd; waar lag dat land? Ik wist het volstrekt niet, dat Louis de engelsche uitspraak was van Lewes, een stad, waarvan ik den naam wel eens op de kaart had gelezen.

Maar al had ik ook geweten waar Lewes lag, had ik er toch niet dadelijk kunnen heengaan, Mattia achterlatende. Ik moest dus naar het terrein van de wedrennen terugkeeren, hoe moe ik ook was.

Ik begaf mij dan ook weder op weg en anderhalf uur later lag ik op een bos stroo naast Mattia, in den wagen van Bob, en in weinige woorden vertelde ik hem wat er gebeurd was; daarna viel ik doodvermoeid in slaap.

Eenige uren slaap gaven mij mijn krachten terug, en den anderen morgen werd ik wakker, gereed om naar Lewes op weg te gaan, als tenminste Mattia, die nog sliep, mij kon volgen.

Toen ik uit het rijtuig stapte, ging ik naar mijn vriend Bob, die vóór mij was opgestaan en reeds bezig was het vuur aan te maken. Ik sloeg hem gade, terwijl hij daar op handen en voeten lag en met alle macht in het smeulend hout onder den ketel blies, toen ik meende Capi te herkennen, dien een politieagent aan een touw hield.

Ik was zoo verbaasd, dat ik mij niet verroeren kon en vroeg mij af wat dit kon beteekenen. Maar Capi had mij herkend en een ruk gedaan aan het touw, zoo krachtig, dat het aan de handen van den agent ontsnapte. In een paar sprongen was hij bij mij en in mijn armen.

De agent kwam bij ons.

—Die hond is van u nietwaar? vroeg hij.

—Ja.

—Dan neem ik u in hechtenis.

En hij greep mij krachtig bij den arm.

De woorden en de daad van den agent hadden Bob doen opzien. Hij kwam erbij.

—Waarom neemt gij dien knaap in hechtenis? vroeg hij.

—Zijt gij zijn broer?

—Neen, zijn vriend.

—Een man en een jongen zijn dezen nacht in de kerk Sint-George geklommen door een hoog raam met behulp van een ladder. Zij hadden dezen hond medegenomen, om hen te waarschuwen als men naderde. Zij werden overvallen en zij hebben zich den tijd niet gegeven om den hond mede te nemen, toen zij uit het venster zich redden en het beest heeft hen niet kunnen volgen, daar het in de kerk was opgesloten. Met dien hond was ik zeker de dieven te zullen ontdekken en nu heb ik er een van. Waar is nu de ander?

Ik weet niet of die vraag gedaan werd aan Bob of aan mij; ik antwoordde niet; ik was verpletterd.

Toch begreep ik wat er gebeurd was; ondanks mij zelven raadde ik het: men had Capi niet gevraagd om de rijtuigen te bewaken, maar omdat hij zulk een fijn gehoor had en hen kon waarschuwen als zij in de kerk aan 't stelen waren. Het was dus ook niet alleen om het genot van in De Eikenboom te overnachten, dat bij het vallen van den avond de wagens waren vertrokken; als zij in die herberg geen halt hadden gehouden, was het, omdat de diefstal was ontdekt en men zoo snel mogelijk zich uit de voeten moest maken.

Maar niet aan de schuldigen moest ik thans denken, maar aan mij zelven; wie zij ook waren, ik kon mij verdedigen en, zonder hen te beschuldigen, mijne onschuld bewijzen: ik behoefde slechts te zeggen hoe ik dien nacht mijn tijd had doorgebracht.

Terwijl ik zoo redeneerde, was Mattia, die ook den agent had gehoord en het gedruisch dat zijne komst tengevolge had gehad, opgestaan en uit het rijtuig gekomen en hinkend mij genaderd.

—Maak het hem toch duidelijk, dat ik niet schuldig ben, zeide ik totBob; ik ben tot één uur bij u geweest, toen ben ik naar de herberg DeEikenboom gegaan; daar heb ik den kastelein gesproken en ben terstondhierheen teruggekeerd.

Bob herhaalde die woorden voor den agent, maar deze was daardoor volstrekt niet overtuigd, zooals ik gehoopt had. Integendeel.

—Het was kwart over eenen toen men in de kerk inbrak, zeide hij; die knaap is vanhier vertrokken eenige minuten voor eenen, zooals hij zegt. Hij heeft dus om kwart over eenen in de kerk kunnen zijn met de dieven.

—Men heeft toch meer dan een kwartier noodig om van hier naar de stad te komen, zeide Bob.

—O, als men hard loopt, hernam de agent; bovendien wie bewijst me dat hij te een uur is vertrokken!

—Dat zweer ik, zeide Bob.

—O, gij, antwoordde de agent; het zal altijd moeten blijken wat uw getuigenis waard is.

Bob werd boos.

—Vergeet niet, dat ik Engelsch onderdaan ben, zeide hij met waardigheid.

De agent haalde de schouders op.

—Als gij mij beleedigt, schrijf ik aan deTimes.

—In afwachting daarvan neem ik dien knaap mede. Hij zal zich voor den rechter verantwoorden.

Mattia wierp zich in mijn armen; ik dacht dat hij afscheid van mij wilde nemen, maar Mattia liet zijn verstand spreken vóór hij aan zijn hart toegaf.

—Houd moed, fluisterde hij mij toe; wij zullen u niet verlaten.

Toen eerst nam hij afscheid van me.

—Houd Capi bij u, zeide ik in 't fransch tot Mattia.

Maar de agent begreep het.

—Neen, neen, zeide hij; ik houd den hond; hij heeft mij dezen doen vinden en hij zal mij ook wel op 't spoor van den anderen brengen.

Dit was de tweede maal, dat men mij in hechtenis nam, en toch viel de schande mij veel zwaarder dan de eerste maal, want nu gold het niet zulk eene dwaze beschuldiging als toen men meende, dat ik eene koe had gestolen. Als mijne onschuld was gebleken, zou ik dan niet de smart ondervinden diegenen te zien veroordeelen, wier medeplichtige men mij geloofde?

Ik moest, door den politieagent vastgehouden, langs de rij van nieuwsgierigen gaan, die zich om ons hadden verzameld, maar men jouwde mij niet na en dreigde mij niet, zooals in Frankrijk, want zij, die er getuigen van waren, waren geen boeren, maar menschen die altijd min of meer in oorlog leefden met de politie: kunstenmakers, tappers, vagebonden,tramps, zooals de Engelschen hen noemen.

De gevangenis, waarin men mij opsloot, was geen gevangenis om den spot mede te drijven zooals die eerste, waarin men mij bewaarde; het was eene gevangenis met getraliede vensters, waarvan het gezicht alleen elk denkbeeld aan ontsnappen verdwijnen deed. De meubels bestonden uit een bank om op te zitten en een hangmat om in te slapen.

Ik ging op de bank zitten en bleef daar lang.

Hoe verschrikkelijk was het heden; hoe vreeselijk de toekomst.

"Houd goeden moed", had Mattia mij gezegd: "wij zullen u niet verlaten." Maar wat vermocht een knaap als Mattia? Wat vermocht zelfs een man als Bob, zoo deze Mattia al wilde helpen?

Als men in de gevangenis is, heeft men slechts één enkele gedachte: om eruit te komen.

Hoe zouden Mattia en Bob, als ze mij niet verlieten en alles deden om mij van dienst te zijn, mij kunnen helpen om uit de gevangenis te komen.

Ik ging naar het venster, opende het om de ijzeren staven te betasten, die een kruis ervoor vormden; zij waren in den muur gemetseld. Ik onderzocht den muur: hij was meer dan een el dik. De grond bestond uit een vloer van groote steenen; de deur was met ijzeren platen beslagen.

Ik keerde naar het venster terug; dit gaf het uitzicht op een smal, lang plein, waarvan het uiteinde was gesloten door een grooten muur, die minstens vier el hoog was.

Uit deze gevangenis was het wel niet mogelijk te ontsnappen, zelfs al werd men geholpen door een paar trouwe vrienden. Wat vermag de meest opofferende vriendschap tegen de kracht der dingen? Met vriendschap breekt men niet door de muren heen.

Voor mij loste de geheele zaak zich op in de vraag: hoelang ik in die gevangenis zou blijven, vóór ik voor den rechter zou verschijnen, die over mijn lot beslissen zou?

Zou het mij mogelijk zijn hem van mijn onschuld te overtuigen, niettegenstaande Capi in de kerk was?

En zou het mij mogelijk zijn mij te verdedigen, zonder de schuld te werpen op hen, die ik niet wilde en niet kon beschuldigen?

Daarin was alles voor mij gelegen en daarin alleen konden Mattia en zijn vriend Bob mij van dienst wezen. Hunne taak bestond hierin, dat zij getuigen bijbrachten om te bewijzen, dat ik om kwart over eenen niet in de kerk Sint-George kon wezen; als zij dat bewijzen konden, was ik gered, ondanks het zwijgende getuigenis van mijn armen Capi tegen mij. En die bewijzen waren, naar het mij voorkwam, onmogelijk te geven.

O, als Mattia maar geen gekneusden voet had, zou hij wel wat weten te vinden en zich moeite geven, om mij te redden: maar in den toestand waarin hij nu verkeerde, kon hij misschien niet eens uit den wagen komen! En als hij niet kon, zou Bob dan zijne plaats willen innemen?

Die angst, gevoegd bij al hetgeen er buitendien in mij omging, belette mij te slapen, ondanks de vermoeienis van den vorigen dag; ik kon zelfs het eten niet aanraken, dat men mij bracht. Maar zoo ik al het eten liet staan, met destemeer gretigheid viel ik op het water aan, want ik leed een versmachtenden dorst en die dag ging ik elk kwartier naar mijne kruik en dronk met lange teugen, zonder mijn dorst te lesschen of den bitteren smaak weg te nemen, dien ik den geheelen dag in den mond had.

Toen ik den cipier in de gevangenis zag komen, had ik een gevoel van genot en een zweem van hoop ontwaakte in mij, want sedert het oogenblik dat ik hier was opgesloten, verkeerde ik in eene koortsachtige spanning over de vraag, die ik maar niet kon oplossen.

"Wanneer zou de rechter mij in verhoor nemen? Wanneer zou ik mij kunnen verdedigen?"

Ik had wel eens verhalen gehoord van gevangenen, die men maanden lang had opgesloten gehouden, zonder dat men hunne zaak behandelde of zelfs hen maar in verhoor nam, wat voor mij hetzelfde was, en ik wist niet, dat in Engeland er nooit meer dan een paar dagen verloopen tusschen het in hechtenis nemen en de openbare behandeling van de zaak voor den rechter.

Die vraag, die ik niet kon oplossen, was dus de eerste, welke ik tot den cipier richtte, die er niet kwaad uitzag, en die zoo goed was om mij de verzekering te geven, dat ik zeker den volgenden dag zou voorkomen.

Maar mijn vraag gaf hem aanleiding om op zijne beurt ook mij een paar vragen te doen. Daar hij mij geantwoord had, was het immers niet meer dan billijk, dat ik ook hem antwoordde?

—Hoe ben-je toch in die kerk gekomen? vroeg hij.

Op die woorden antwoordde ik met de vurigste verzekeringen van mijne onschuld. Maar hij zag mij aan en haalde de schouders op; toen ik voortging met te bezweren, dat ik niet in de kerk geweest was, ging hij naar de deur en mompelde, terwijl hij zich nog even naar mij omwendde:

—Wat zijn ze toch verdorven, die Londensche straatjongens.

Daarmede ging hij heen.

Die woorden maakten een pijnlijken indruk op me: hoewel de man mijn rechter niet was, had ik zoo gaarne gewild, dat hij aan mijne onschuld geloofde. Aan mijn toon, aan mijn gelaat moest hij gezien hebben, dat ik geen kwaad had gedaan.

Als ik hem overtuigd had, zou het mij dan mogelijk zijn, den rechter te overtuigen? Gelukkig had ik getuigen die voor mij spreken zouden; en als de rechter mij niet hoorde, dan zou hij toch verplicht zijn om de getuigenissen aan te hooren, die mijne onschuld bewezen.

Maar die getuigenissen had ik noodig.

Zou ik ze hebben?

Onder de geschiedenissen van gevangenen, die men mij verteld had, was er ook een, waarin voorkwam, dat men aan gevangenen briefjes kon doen toekomen in het eten, dat zij kregen.

Misschien zouden Bob en Mattia van dit middel hebben gebruik gemaakt, en toen dat denkbeeld in mij was opgekomen, begon ik mijn brood te kruimelen, maar ik vond er niets in. Behalve dat brood had men mij aardappelen gebracht; ook deze kneedde ik fijn, maar er was geen stuk van een briefje in te vinden.

Zeker hadden Mattia en Bob mij niets te zeggen of, wat waarschijnlijker was, konden zij mij niets zeggen.

Er bleef mij dus niets anders over dan den volgenden dag af te wachten, zonder al te veel aan mijne treurigheid toe te geven, zoo mij dit mogelijk was. Ongelukkigerwijze was mij dit niet mogelijk en hoe oud ik ook word, steeds zal mij de herinnering aan dien nacht voor den geest staan, alsof het gisteren was. Hoe onzinnig was het ook, dat ik niet geloofd had aan het voorgevoel en de vrees van Mattia.

Den anderen morgen kwam de cipier in mijne cel met een kruik en een waschkom. Hij zeide mij dat ik mij wat kon opknappen, als ik er lust in had, want dat ik straks voor den rechter zou verschijnen en hij voegde er bij, dat een net voorkomen somtijds het beste verdedigingsmiddel voor een beschuldigde is.

Toen ik mij zoo netjes mogelijk had gemaakt, wilde ik op mijn bank gaan zitten, maar 't was mij onmogelijk om op mijn plaats te blijven en ik liep in mijne cel heen en weder, als de dieren in hunne kooi.

Ik wilde mijne verdediging en mijne antwoorden vooruit klaarmaken, maar mijn hoofd was te veel in de war; ik kon niet denken aan mijn tegenwoordigen toestand; ik was met allerlei zonderlinge dingen bezig, die in mijn hersens zich verwarden, als de beelden in een tooverlantaren.

De cipier kwam terug en gelastte mij hem te volgen. Ik liep naast hem, en na een aantal gangen te zijn doorgegaan, kwamen wij aan eene kleine deur, die hij opende.

—Ga binnen, zeide hij.

Een warme lucht kwam mij tegen en ik hoorde een verward gedruisch. Ik trad binnen en bevond mij in eene kleine, afgesloten ruimte, de zaal van het gerechtshof.

Hoewel ik aan eene soort van zinsverbijstering ten prooi was en de aderen van mijne slapen voelde kloppen, alsof zij straks barsten zouden, een enkele blik, dien ik om mij heen wierp, deed mij duidelijk zien al wat mij omringde: de geheele zaal en al de menschen, die er zich in bevonden.

Zij was vrij groot die zaal, zeer hoog en met breede ramen; zij was verdeeld in twee deelen: het eene was voor de rechters en de beschuldigden, het andere voor de nieuwsgierigen.

Op eene verhevenheid was de rechter gezeten; iets lager vóór hem zaten drie rechterlijke ambtenaren, zooals ik later vernam, de griffier, een penningmeester voor de boeten en een ander rechterlijk ambtenaar, dien men in Nederland het "openbaar ministerie" noemt. Voor mijn afgesloten bankje zat iemand met een toga en een pruik: dat was mijn advocaat.

Hoe kwam het dat ik een advocaat had? Waar kwam hij vandaan? Wie had hem mij gegeven? Dat waren vragen, die ik op dit oogenblik moeilijk kon oplossen. Maar ik had een advocaat en dat was genoeg.

In eene andere bank zag ik Bob zelf met zijne twee makkers; den herbergier uit De Eikenboom en menschen, die ik niet kende, en in eene bank tegenover hen herkende ik den politie-agent, die mij in hechtenis had genomen. Verscheidene andere personen waren bij hen; ik begreep, dat dit de bank der getuigen moest zijn.

De ruimte voor het publiek was dicht gevuld; boven de balustrade zag ik Mattia; onze oogen ontmoetten elkander en wij lazen er in wat wij dachten. Dadelijk kreeg ik moed. Ik zou verdedigd worden; ik moest dus de hoop niet opgeven om ook mij zelf te verdedigen; ik werd niet langer verpletterd door de oogen, die op mij gericht waren.

De ambtenaar van het openbaar ministerie nam het woord en sprak zeer kort. Hij scheen haast te hebben. Hij stelde de zaak voor: er had een diefstal plaats gehad in de Sint-Georgekerk; de dieven, een man en een knaap, waren er binnengekomen met behulp van een ladder en door het verbreken van een glasraam. Zij hadden een hond met zich genomen, om de wacht te houden en hen te waarschuwen als er gevaar mocht dreigen en er iemand kwam. Een voorbijganger, die laat naar huis terugkeerde—het was kwart over eenen—, had met verwondering licht in de kerk bespeurd en hij had iets hooren kraken. Daarop had hij den koster gewekt; men was met eenige andere mannen naar de kerk gegaan, maar toen had de hond aangeslagen en terwijl men de deur opende, waren de dieven door het venster gevlucht, den hond achterlatende, die de ladder niet kon opklimmen. Die hond, naar het terrein van de wedrennen gebracht door den agent Jerry, wiens doorzicht en ijver niet genoeg konden worden geprezen, had zijn meester herkend, die niemand anders was dan de beschuldigde op gindsche bank gezeten. Wat den anderen dief betrof, dien was men op het spoor.

Na eenige beschouwingen, die mijne schuld moesten bewijzen, zweeg het openbaar ministerie, en eene schelle stem riep: "Stilte."

Toen vroeg de rechter, zonder zich tot mij te wenden, en alsof hij tot zichzelven sprak, hoe ik heette, hoe oud ik was en welk beroep ik uitoefende.

Ik antwoordde in het engelsch, dat ik Francis Driscoll heette en bij mijne ouders te Londen woonde, in De Roode Leeuw, in Bethnal-Green. Daarop verzocht ik verlof om van de fransche taal gebruik te maken, daar ik in Frankrijk was grootgebracht en eerst eenige maanden in Engeland mijn verblijf hield.

—Tracht mij niet te bedriegen, zeide de rechter op strengen toon; ik ken fransch.

Ik deed dus mijn verhaal in het fransch; ik deed uitkomen hoe volkomen onmogelijk het was, dat ik te een uur in de kerk was geweest, daar ik tot op dien tijd op het terrein der wedrennen was, en dat ik te halfdrie bij de herberg De Eikenboom was geweest.

—En waar waart gij te kwart over eenen? vroeg de rechter.

—Onderweg.

—Dat staat te bewijzen. Gij zegt, dat gij opweg waart naar de herberg De Eikenboom en volgens de akte van beschuldiging waart gij in de kerk. Als gij eenige minuten vóór eenen het veld van de wedrennen verlaten hebt, kunt gij bij uw medeplichtige zijn geweest bij den muur der kerk, die u daar met een ladder wachtte, en nadat uw diefstal mislukt was, kunt gij naar de herberg De Eikenboom zijn gegaan.

Ik trachtte aan te toonen, dat het niet mogelijk was, maar ik bemerkte duidelijk, dat ik den rechter niet had overtuigd.

—En hoe verklaart gij de tegenwoordigheid van uw hond in de kerk? vroeg de rechter.

—Die kan ik niet verklaren, die begrijp ik zelf niet; mijn hond was niet bij mij; ik had hem des morgens aan een onzer wagens vastgemaakt.

Het betaamde mij niet er iets meer van te zeggen, want ik wilde geen wapens in de hand geven tegen mijn vader. Ik zag Mattia aan, die mij wenkte, dat ik verder zou gaan, maar ik ging niet verder.

Men riep een getuige en deed hem den eed afleggen op den bijbel en beloven, dat hij de waarheid zou zeggen, zonder haat of nijd.

Het was een dikke man met een dom gelaat, niet groot van gestalte en zeer statig, ondanks zijn vuurrood gezicht en zijn blauwen neus. Vóór hij den eed aflegde, maakte hij eene kniebuiging voor den rechter en richtte zich toen met veel waardigheid op. Het was de koster van de parochie Sint-George.

Hij begon uitvoerig te verhalen, hoe hij gestoord en verontwaardigd was, toen men hem plotseling had gewekt om hem mede te deelen, dat er dieven in de kerk waren. Zijn eerste gedachte was, dat men hem een poets wilde spelen, maar daar men geen poetsen speelt aan personen van zijne qualiteit, had hij begrepen, dat er iets ernstigs gebeurde; hij had zich toen aangekleed, met zooveel haast, dat er twee knoopen van zijn vest waren gesprongen; eindelijk was hij naar beneden gesneld; hij had de kerkdeur geopend; en hij had gevonden…. wie? of liever wat?… Een hond.

Ik had daarop niets te antwoorden; maar mijn advocaat, die tot op dat oogenblik gezwegen had, stond op, schudde zijne pruik, schoof zijne toga op de schouders glad en nam het woord.

—Wie heeft gisteren de deur van de kerk gesloten? vroeg hij.

—Ik, zeide de koster, zooals mijn plicht is.

—Zijt gij daar zeker van?

—Als ik iets doe, ben ik zeker, dat ik het doe.

—En als gij het niet doet?

—Dan ben ik zeker, dat ik het niet doe.

—Zeer goed; dus kunt gij zweren, dat gij den hond, waarvan hier sprake is, niet in de kerk hebt gesloten?

—Als de hond in de kerk was geweest, zou ik hem gezien hebben.

—Hebt gij goede oogen?

—Ik heb oogen als iedereen.

—Zijt gij, zes maanden geleden, niet tegen een kalf geloopen, dat opengesneden voor den winkel van een slachter hing?

—Ik zie het belang niet in van zulk eene vraag aan een man van mijn qualiteit! riep de koster uit, terwijl zijn gezicht blauw werd.

—Wilt gij mij de groote beleefdheid bewijzen om op die vraag te antwoorden, alsof zij werkelijk van belang was?

—Het is waar, dat ik tegen een dier ben aangeloopen, dat zeer onhandig voor een winkel was opgehangen.

—Hadt gij het dan niet gezien?

—Ik was in gedachten verdiept.

—Hadt gij gegeten, toen gij de deur van de kerk sloot?

—Zeker.

—En toen gij tegen dat kalf aanliept, hadt ge toen ook niet gegeten.

—Maar….

—Gij zegt, dat gij niet gegeten hadt?

—Toch wel.

—En drinkt gij licht of zwaar bier?

—Zwaar bier.

—Hoeveel halve kannen?

—Twee.

—Nooit meer?

—Wel eens drie.

—Nooit vier? Nooit zes?

—Dat gebeurt zeer zelden.

—Drinkt gij geen grog na uw middagmaal?

—Soms.

—Houdt ge van sterken of slappen grog?

—Niet te slap.

—Hoeveel glazen drinkt gij dan?

—Dat hangt ervan af.

—Zijt gij bereid te zweren, dat gij soms niet drie of vier glazen drinkt?

Daar de koster, die hoe langer hoe blauwer werd, niet antwoordde, ging de advocaat zitten en zeide onder de hand:

—Die vragen bewijzen genoeg, dat de hond zeer goed in de kerk kon opgesloten zijn door den getuige, die na zijn middagmaal geen kalveren ziet, omdat hij in gedachten verdiept is. Dat is alles wat ik wilde weten.

Als ik gedurfd had, zou ik mijn advocaat om den hals zijn gevlogen. Ik was gered.

Waarom zou Capi niet in de kerk zijn gesloten? Dat was zeer wel mogelijk. En als hij op die wijze opgesloten was, zou ik niet in de kerk zijn ingebroken; ik was dus niet schuldig, daar dit het eenige bewijs was, dat tegen mij was aangevoerd.

Na den koster hoorde men de menschen, die met hem waren medegegaan, toen hij naar de kerk ging, maar zij hadden niets gezien, behalve het open raam, waardoor de dieven waren ontvlucht.

Daarna hoorde men mijne getuigen: Bob, zijne makkers, den herbergier, die allen getuigden omtrent den tijd, waarop zij mij gezien hadden; een enkel punt werd echter niet opgehelderd, en dit was van veel gewicht, omdat het den juisten tijd betrof, waarop ik het terrein van de wedrennen had verlaten.

Toen het getuigenverhoor was afgeloopen, vroeg de rechter mij, of ik niets te zeggen had, er bijvoegende dat ik zwijgen kon, indien ik dit beter achtte.

Ik zeide, dat ik onschuldig was en mijne zaak vertrouwde aan de rechtvaardigheid der rechters.

Toen liet de rechter het procesverbaal voorlezen van de verklaringen, die ik had hooren afleggen en zeide daarop, dat ik overgebracht zou worden naar de gevangenis van het graafschap, om daar te wachten tot de groote rechtbank van gezworenen bijeenkwam, die beslissen zou of ik al dan niet naar het crimineel gerechtshof zou worden verwezen.

Het crimineel gerechtshof!

Ik zonk op mijn bank neder. Helaas! waarom had ik ook niet naar den raad van Mattia geluisterd!

Eerst lang nadat ik weder in mijne gevangenis zat, begon ik de reden te begrijpen, waarom men mij niet in vrijheid had gesteld: de rechter wilde wachten tot de andere personen, welke in de kerk gedrongen waren, in hechtenis waren genomen, om te zien of ik hun medeplichtige was.

Men was hen op het spoor, had het openbaar ministerie gezegd; ik zou dus de smart en de schande hebben om weldra weder op de bank der beschuldigden naast hen te zitten.

Wanneer zou dat gebeuren? Wanneer zou ik overgebracht worden naar de gevangenis van het graafschap? Waar was die? Was die nog akeliger dan de gevangenis waar ik nu opgesloten was?

Die vragen hielden mij zoo bezig, dat de tijd spoediger voorbijging dan den vorigen dag. Ik was niet meer ten prooi aan het ongeduld, waarvan men de koorts krijgt. Ik wist, dat ik moest wachten.

En nu eens heen en weer loopende, dan weder op mijne bank zittende, wachtte ik.

Even voor de nacht viel, hoorde ik op den horen blazen, en ik herkende terstond het spel van Mattia; de goede jongen wilde mij doen weten, dat hij aan mij dacht en waakte. Het geluid kwam van gindsche zijde van den muur, die over mijn venster was. Mattia moest dus aan de andere zijde van den muur zijn, in de straat en wij waren slechts door een korten afstand gescheiden, eenige ellen ternauwernood; ongelukkig konden mijne oogen niet door de steenen heendringen. Maar zoo het oog niet door de muren heendringt, het geluid gaat er overheen. De tonen van Mattia's horen gingen gepaard met het gedruisch van voetstappen en uit het gegons, dat ik daar hoorde, begreep ik dat Mattia en Bob eene voorstelling gaven.

Waarom hadden zij die plaats uitgekozen? Was het omdat zij daar op eene goede ontvangst konden rekenen? of wilden zij mij iets mededeelen?

Opeens hoorde ik eene heldere stem, die van Mattia, in het fransch roepen: "Morgen bij het aanbreken van den dag." Terstond daarop begon hij weder met kracht op zijn horen te blazen.

Men behoefde niet veel doorzicht te hebben om te begrijpen, dat Mattia niet tot het engelsche publiek die woorden "morgen bij het aanbreken van den dag" richtte. Zij waren voor mij bestemd. Maar wat zij beteekenden, was volstrekt zoo gemakkelijk niet te raden, en wederom stelde ik mij een tal van vragen voor, waarop ik onmogelijk een bevredigend antwoord kon vinden.

Een enkele zaak was duidelijk en klaar: den anderen morgen bij het aanbreken van den dag moest ik wakker zijn en opletten. Tot zoolang behoefde ik maar geduld te hebben, als mij dit mogelijk was.

Zoodra het geheel donker geworden was, ging ik in mijn hangmat liggen en trachtte ik in te slapen; ik hoorde achtereenvolgens op de omliggende torenklokken de uren slaan; toen overviel mij de slaap en droeg me op zijne vleugelen mede.

Toen ik wakker werd, was het nog stikdonker nacht; de sterren schitterden aan den donkeren hemel; zeker was de morgen nog ver. Toch ging ik op mijn bank zitten, en ik bleef daar zitten, uit vrees, dat ik de aandacht zou wekken van den cipier, zoo deze misschien eene ronde mocht doen. Weldra sloeg het drie uren op de nabijgelegen torenklok. Ik was dus te vroeg opgestaan; maar ik durfde niet meer gaan slapen, en ik geloof zelfs, als ik het had beproefd, dat het toch niet gelukt zou zijn. Ik was te koortsachtig, te angstig.

Mijne eenige bezigheid was nu de uren te tellen die de klokken aangaven, maar wat duurden die vijftien minuten lang tusschen het eene kwartier en het andere; soms zoolang zelfs, dat ik meende te zijn ingedommeld en een kwartier te hebben overgeslagen of wel, dat de klok van streek was.

Tegen den muur geleund, had ik de oogen onafgebroken op het venster gericht; het scheen mij eindelijk toe, dat de ster, die ik in het oog had, haar glans verloor en dat de lucht witter werd.

Het was de nadering van den dag; in de verte begonnen de hanen te kraaien.

Ik stond op en op de toonen sloop ik naar het venster om het te openen. Dit was eene moeilijke taak, want ik wilde voorkomen dat men het knarsen of piepen zou hooren, maar door het zeer zacht en vooral zeer langzaam te doen, slaagde ik er toch in.

Hoe gelukkig dat mijne cel zich bevond in eene voormalige zaal, die tot gevangenis was ingericht en dat men het op de ijzeren traliën had laten aankomen om de gevangenen te bewaren, want als ik mijn venster niet had kunnen openen, zou ik nooit Mattia hebben kunnen beantwoorden. Maar het raam open te maken was nog niet alles; de ijzeren staven bleven, en ook de dikke muren en de deur met het ijzeren beslag. Het was dus eene dwaasheid aan de vrijheid te denken, en toch hoopte ik.

De sterren verbleekten al meer en meer en de koude morgenlucht deed mij bibberen; toch verliet ik het raam niet; ik bleef daar staan en luisterde en keek, zonder te weten wat ik doen moest of waarnaar ik luisterde.

Een groot wit doek scheen naar de lucht te worden opgetrokken en op den grond werden meer en meer de voorwerpen in duidelijke trekken kenbaar. Het was thans het aanbreken van den dag, waarvan Mattia gesproken had. Ik luisterde met ingehouden adem; maar ik hoorde niets dan het kloppen van mijn eigen hart.

Toen meende ik een licht krabbelen tegen den muur te vernemen, maar daar ik geen voetstappen gehoord had, dacht ik dat ik mij vergissen moest. Ik luisterde nogmaals aandachtig en het krabbelen duurde voort. Eensklaps zag ik een hoofd boven den muur uitkomen en terstond daarop bleek mij, dat het Mattia niet kon zijn; hoewel het nog slechts schemerde, herkende ik Bob.

Hij zag mij tegen mijne tralies gedrukt.

—St! riep hij op gedempten toon.

En met de hand maakte hij een gebaar dat scheen te beteekenen, dat ik mij niet van het venster moest verwijderen. Zonder hem nog te begrijpen, gehoorzaamde ik. In zijne andere hand had hij een langen koker, die mij toescheen van glas te zijn. Hij bracht dien aan den mond. Nu begreep ik dat het een blaaspijp was. Ik hoorde iets suizen en op hetzelfde oogenblik schoot een wit balletje door de lucht en viel voor mijne voeten neer. Onmiddellijk verdween het hoofd van Bob achter den muur en ik hoorde niets meer.

Ik wierp mij op het balletje; het was een dicht ineengefrommeld stuk fijn papier om een hageltje. Het kwam me voor dat er letters op waren geschreven, maar het was nog niet helder genoeg om ze te kunnen lezen. Ik moest dus wachten tot de dag zou zijn doorgebroken.

Met even groote behoedzaamheid, als ik het raam had geopend, sloot ik het nu weer en kroop dadelijk in mijn hangmat, het balletje in mijn hand geklemd houdende.

Langzaam, zeer langzaam voor mijn ongeduld werd de hemel lichter, en eindelijk viel er een rosachtige gloed op mijn muur. Ik wikkelde nu het papier los en las:

"Morgen wordt gij naar de gevangenis van het graafschap overgebracht: gij reist met den spoortrein in een wagen tweede klasse onder geleide van een politieagent; ga aan den kant van het portier zitten, waar gij instijgt. Als gij vijf en veertig minuten gespoord hebt (tel ze goed) zal de trein een weinig langzamer beginnen te loopen bij de nadering van een zijtak; doe dan het portier open en spring moedig uit den wagen. Spring vooruit met de handen uitgestrekt en zóó, dat gij op uwe voeten te land komt. Zoodra gij op den grond zijt, klim dan tegen den linkerspoordijk op; wij zullen daar met een rijtuig en een goed paard zijn om u op te nemen. Vrees niets; twee dagen later zijn wij in Frankrijk. Houd moed en hoop; spring vooral flink vooruit en zorg, dat gij op uw beenen te staan komt."

Gered! Ik zou dus niet voor het gerechtshof verschijnen. Ik zou niet zien wat daar gebeurde!

O, die goede Mattia; die goede Bob! want deze was het, dit weet ik zeker, die zoo belangloos Mattia terzijde stond. "Wij zullen daar zijn met een goed paard." Mattia alleen had nooit zulk een plan kunnen maken.

Ik las het briefje nog eens over: "vijf en veertig minuten na uw vertrek; de linkerspoordijk; op mijn beenen terecht komen!" Zeker zou ik flink springen, al moest het mij 't leven kosten. Het was beter te sterven dan veroordeeld te worden als dief.

Wat was dat heerlijk verzonnen!

Over twee dagen zouden wij in Frankrijk zijn.

Ondanks mijne blijdschap was er toch één ding, dat mij leed deed: wat zou er van Capi worden? Maar die gedachte liet ik spoedig varen. Het was niet mogelijk, dat Mattia Capi in den steek zou laten. Als hij een middel gevonden had om mij te doen ontsnappen, zou hij er ook wel een gevonden hebben voor Capi.

Ik las het briefje nog twee- of driemaal over. Daarna kauwde ik het fijn en slikte het door. Thans kon ik gerust slapen. Daar legde ik mij zoo geheel op toe, dat ik eerst ontwaakte, toen de cipier mij riep voor het ontbijt.

De tijd ging den anderen dag vrij spoedig om. In den namiddag kwam een politieagent, dien ik niet kende, in mijne cel en gelastte mij hem te volgen: ik zag met genoegen, dat het een man was van vijftig jaar ongeveer en die er niet heel vlug uitzag.

De zaken konden dus gebeuren, zooals Mattia had geschreven en toen de trein op gang was, nam ik plaats bij het portier aan den kant waar ik ingestegen was. Ik reed achteruit; de politieagent zat tegenover mij; wij waren de eenigen in een coupé.

—Spreekt gij engelsch? vroeg hij.

—Een beetje.

—Verstaat gij het?

—Zoowat, als men niet te gauw spreekt.

—Welnu, mijn jongen, dan wil ik u een goeden raad geven. Wees niet koppig tegenover de rechters; beken. Dan zal iedereen even welwillend voor je worden. Niets ontstemt de menschen meer dan dat ontkennen tegen alle bewijzen in. Tegenover hen die voor hun schuld uitkomen is men altijd welwillend gezind. Ik zelf, bijvoorbeeld, wil u met pleizier een rijksdaalder geven, als gij me zegt hoe de zaak zich toegedragen heeft. Ge zult eens zien wat gij met dat geld in eene gevangenis doen kunt tot veraangenaming van uw lot.


Back to IndexNext