De elfenheuvel.

De elfenheuvel.Eenige groote hagedissen liepen vlug in de spleten van een ouden boom rond; zij konden elkaar goed verstaan, want ze spraken de hagedissentaal.«Wat is er een rumoer en een gebrom in den ouden elfenheuvel!» zei een der hagedissen. «Ik heb van het leven al in twee nachten geen oog dicht kunnen doen: ik kon even goed kiespijn hebben, want dan slaap ik ook niet.»«Daar binnen is iets aan ’t handje!» zei een andere hagedis. «Zij laten den heuvel, totdat ’s morgens de haan kraait, op vier roode palen staan; hij wordt goed gelucht; en de elfenmeisjes hebben nieuwe dansen geleerd. Daar is iets aan ’t handje!»«Ja, ik heb er met een regenworm van mijn kennis over gesproken,» zei een derde hagedis; «de regenworm kwam regelrecht uit den heuvel, waar hij dag en nacht in de aarde gewoeld had; die had veel en velerlei gehoord; zien kan hij wel is waar niet, dat ellendige dier, maar voelen en luisteren kan hij goed. Zij verwachten vreemdelingen in den elfenheuvel, deftige vreemdelingen; maar wie, dat wilde de regenworm niet zeggen, of hij wist het niet. Al de dwaallichten zijn besteld, om een fakkeltocht te houden, zooals men het noemt; het zilver en goud, waarvan genoeg in den heuvel voorhanden is, wordt opgepoetst en in den maneschijn tentoongesteld.»«Wie zouden die vreemdelingen wel zijn?» vroegen al de hagedissen. «Wat zou er toch aan ’t handje zijn? Hoor eens, hoe het gonst! Hoor eens, hoe het bromt!»Op hetzelfde oogenblik ging de elfenheuvel open, en nu kwam er een oude elf uittrippelen; het was de huishoudster van den ouden elfenkoning; zij was een verre bloedverwante van de familie endroeg een hart van barnsteen voor het voorhoofd. Haar beenen bewogen zich zoo vlug: trip, trip! Sakkerloot! Wat kon zij trippelen! Zij ging regelrecht naar het moeras naar den nachtuil toe.1«Ge wordt op den elfenheuvel uitgenoodigd, en wel tegen van avond,» zeide zij, «maar wilt ge ons eerst niet een dienst bewijzen en het doen van uitnoodigingen op u nemen? Gij moet ook iets doen, daar gij zelf geen gasten ontvangt. Wij krijgen eenige deftige vrienden, toovenaars, die iets te beteekenen hebben, en daarom wil de elfenkoning zich vertoonen!»«Wie moeten er uitgenoodigd worden?» vroeg de nachtuil.«Op het groote bal kan iedereen komen, zelfs menschen, wanneer zij slechts in den slaap spreken of iets dergelijks kunnen doen, wat in onzen geest valt. Maar bij het eerste feest moet er een strenge keuze gedaan worden; wij willen alleen de allervoornaamsten hebben. Ik heb er met den elfenkoning woorden over gehad; want ik dacht, dat wij niet eens spoken konden toelaten. De zeegeest en zijn dochters moeten het eerst uitgenoodigd worden. Zij zullen het wel niet plezierig vinden, op het droge te komen; maar zij zullen wel een natten steen om op te zitten of nog iets beters krijgen, en dan, denk ik, zullen zij voor dezen keer wel niet bedanken. Al de oude demonen van de eerste klasse met staarten, den alruin en de kobolden moeten wij hebben, en dan kunnen wij, dunkt mij, het grafzwijn, het doodenpaard,2en den kerkdwerg ook niet weglaten; zij behooren wel is waar tot de geestelijkheid, die niet tot de onzen gerekend wordt; maar dat is slechts hun ambt; zij zijn toch nauw aan ons verwant en leggen druk bezoeken bij ons af.»«Goed!» zei de nachtuil en vloog weg, om de uitnoodigingen te doen.De elfen dansten reeds op den elfenheuvel, en zij dansten met sjaals, die uit nevel en maneschijn geweven waren, en dat staat heel mooi voor hen, die daarvan houden. Midden in den elfenheuvel was de groote zaal prachtig opgesierd; de vloer was met maneschijn geschrobd en de muren waren met heksenvet afgewreven, zoodat zij als tulpebladeren in het licht fonkelden. In de keuken waren volop kikvorschen aan het braadspit, slakkehuiden met kindervingers er in, sla van paddestoelen, vochtige muizesnoeten en dolle kervel, bier van het brouwsel der moerasvrouw, fonkelendesalpeterwijn uit grafkelders, alles overheerlijk; verroeste spijkers en kerkramenglas behoorden tot de lekkernijen.De oude elfenkoning liet zijn gouden kroon met het afschraapsel van tufsteen oppoetsen; het was best tufsteenschraapsel, en het is voor den elfenkoning zeer moeilijk, tufsteenschraapsel te verkrijgen. In de slaapkamer werden de gordijnen opgehangen en met slakkenslijm vastgemaakt. Ja, er heerschte een geducht gegons en gebrom.«Nu moet er hier met paardenharen en zwijnenborstels gerookt worden, dan geloof ik het mijne gedaan te hebben,» zei de huishoudster.«Vaderlief!» zei de jongste der dochters; «mag ik nu ook weten, wie de deftige vreemdelingen zijn?»«Nu ja,» zei hij, «nu moet ik het wel zeggen. Twee van mijn dochters moeten zich op het huwelijk voorbereid houden; twee zullen er zeker trouwen. De oude kobold uit Noorwegen, die in het oude Dovre-gebergte woont en vele klippenkasteelen van veldsteenen en een gouden sieraad bezit, dat beter is dan men wel denkt, komt met zijn beide zonen, die een vrouw moeten uitzoeken, hier naar toe. De oude kobold is een echte, oude, eerlijke Noorweegsche grijsaard, vroolijk en eenvoudig; ik ken hem uit vroegere dagen, toen wij broederschap met elkander dronken; hij was hier om zijn vrouw af te halen; nu is zij dood; zij was een dochter van den koning der krijtrotsen van Möen. Hij nam zijn vrouw op krijt, zooals men pleegt te zeggen. O, wat verlang ik naar den Noorweegschen ouden kobold! Zijn zonen moeten, naar men zegt, nog al ondeugende, neuswijze jongens zijn; maar men kan hun wel ongelijk aandoen, en zij zullen wel beter worden, als zij wat ouder zijn. Ik hoop, dat je hen beleefd zult behandelen!»«En wanneer komen zij?» vroeg een der dochters.«Dat hangt van weer en wind af,» zei de elfenkoning. «Zij komen met scheepsgelegenheid hier naar toe. Ik wilde, dat zij over Zweden zouden gaan; maar de oude man had daar geen ooren naar. Hij gaat niet met zijn tijd mee, en dat kan ik niet velen!»Daar kwamen twee dwaallichtjes aanhuppelen, het eene vlugger dan het andere, en daarom kwam het eene het eerst.«Zij komen, zij komen!» riepen beiden uit.«Geef mij mijn kroon en laat mij in den maneschijn staan!» zei de elfenkoning.Zijn dochters hieven haar sjaals in de hoogte en bogen zich tot op den grond.Daar stond de grijze kobold van Dovre met de kroon van geharde ijsklompen en gepolijste pijnappels; overigens had hij een berenpels en groote warme laarzen aan; zijn zonen daarentegen liepen met blooten hals en met broeken zonder bretels, want het waren krachtige mannen.«Is dat een heuvel?» vroeg de kleinste der jongelingen en wees naar den elfenheuvel. «Dat noemen wij bij ons in Noorwegen een gat.»«Wel, jongen!» zei de grijsaard. «Een gat gaat naar binnen, eneen heuvel gaat naar boven. Heb je dan geen oogen in je hoofd?»Het eenige, wat hun verwondering hier wekte, zeiden zij, was, dat zij de taal konden verstaan.«Men zou haast denken,» zei de grijsaard, «dat je niet goed uitgeslapen waart.»En nu gingen zij den elfenheuvel in, waar het waarlijk deftige gezelschap zich reeds verzameld had, en wel met zulk een haast, dat men zou denken, dat zij samengewaaid waren. Maar voor iedereen was het keurig en netjes ingericht. De zeemeerminnen zaten in groote tobben aan tafel; zij zeiden, dat het precies was, alsof zij thuis waren. Allen namen de tafelwetten in acht, alleen de beide kleine Noorsche kobolden niet; deze legden hun beenen op de tafel; want zij dachten, dat alles hun goed stond.«De voeten van het tafellaken af!» zei de oude kobold, en nu gehoorzaamden zij wel is waar, maar toch niet terstond. De dames, die naast hen aan tafel zaten, kittelden zij met pijnappels, die zij in den zak bij zich droegen, en toen trokken zij hun laarzen uit, om gemakkelijker te zitten. Maar hun vader, de oude kobold van Dovre, was een heel ander man; hij vertelde zoo mooi van de trotsche Noorsche rotsen en van watervallen, die wit schuimend met een gedruisch als donderslagen en orgelgeluid neerstortten; hij vertelde van den zalm, die tegen de neervallende wateren opspringt, als de reus op de gouden harp speelt; hij vertelde van de heldere winternachten, wanneer de bellen der sleden klinken en de jongens met brandende fakkels over het ijs loopen, dat zoo doorzichtig is, dat zij de verschrikte visschen onder hun voeten zien zwemmen. Ja, hij kon zoo vertellen, dat men zag, wat hij beschreef; het was juist zoo, alsof er zaagmolens maalden, alsof er jongens en meisjes liedjes zongen en dansten. En nu gaf de oude kobold aan de oude elf een hartelijken kus. En toch bestonden zij elkaar niet.Nu moesten de elfen dansen, en dat zoowel eenvoudig als met stampen. Dat ging haar goed af, en toen kwam de kunstmatige dans. O, wat konden zij haar beenen ver uitsteken; men wist niet, waar het einde en waar het begin was, wist niet, wat armen en wat beenen waren; dat ging alles zoo wonderlijk door elkaar;entoen draaiden zij zoo hard in de rondte, dat het doodenpaard en het grafzwijn er misselijk van werden en van tafel moesten gaan.«Sakkerloot!» zei de oude kobold, «wat kunnen zij die beenen wonderlijk door elkaar haspelen! Maar wat kunnen zij meer dan dansen, de beenen uitstrekken en wervelwind maken?»«Dat zult ge spoedig te weten komen,» zei de elfenkoning. En toen riep hij de oudste van zijn dochters. Zij was zoo behendig en klaar als maneschijn; zij was de knapste van al de zusters. Zij nam een witten spaander in den mond, en toen was zij geheel verdwenen: dat was haar kunst.Maar de oude kobold zei, dat hij deze kunst bij zijn vrouw niet zou willen dulden, en hij geloofde ook niet, dat zijn jongens daarvan hielden.De andere kon zich zelf ter zijde gaan, alsof zij een schaduw had, en die hebben de kobolden niet.De derde was van een heel andere soort; zij had in de brouwerij der moerasvrouw geleerd, en zij was het, die er verstand van had, elzenhout met glimwormpjes te lardeeren.«Dat zou een goede vrouw zijn,» zei de oude kobold, en daarop knikte hij haar toe.Nu kwam de vierde; die had een groote harp om te spelen;en toen zij de eerste snaar aansloeg, tilden allen het linkerbeen op; want de kobolden zijn linksch, en toen zij de tweede snaar aansloeg, moesten allen doen, wat zij wilde.«Dat is een gevaarlijke vrouw!» zei de oude kobold; maar zijn beide zonen gingen den heuvel uit, want nu hadden zij er genoeg van.«En wat kan uw dochter, die nu volgt?» vroeg de grijze kobold.«Ik heb geleerd, Noorwegen lief te hebben,» zeide zij, «en nimmer zal ik trouwen, als ik niet naar Noorwegen kan gaan.»Maar de jongste der zusters fluisterde den grijsaard toe: «Dat is maar, omdat zij uit een Noorweegsch lied gehoord heeft, dat, als de wereld vergaat, de Noorsche klippen toch als gedenksteenen zullen blijven staan, en daarom wil zij er naar toe, want zij is erg bang voor den dood.»«Wel zoo!» zei de oude kobold, «was het zoo gemeend? Maar wat kan de zevende en laatste?»«De zesde gaat voor de zevende!» zei de elfenkoning, want hij kon goed rekenen; maar de zesde wilde niet recht voor den dag komen.«Ik kan de menschen slechts de waarheid zeggen,» zeidezij.«Om mij bekommert niemand zich, en ik heb er genoeg mee te doen, mijn lijkkleed te naaien.»Nu kwam de zevende en laatste, en wat kon die? Ja, die kon sprookjes vertellen, en wel zooveel, als zij maar wilde.«Hier zijn mijn vijf vingers,» zeide de oude kobold; «vertel mij er nu een van elken vinger!»En zij greep hem om zijn pols vast, en hij lachte, dat hij schudde, en toen zij aan den ringvinger kwam, die een gouden ring om zijn lijf had, alsof hij al wist, dat er een verloving zou plaats hebben, zei de oude kobold: «Houd vast, wat ge hebt; deze hand behoort aan u toe; u wil ik zelf tot vrouw hebben!»En het elfenmeisje zei, dat het sprookje van den ringvinger en van den pink nog ontbraken.«Die zullen wij van den winter wel hooren,» zei de oude kobold, «en van den denneboom zullen wij hooren en van den berk en van de geestengeschenken en van den vorst! Gij moet maar vertellen; want daar heeft niemand bij ons zoo goed den slag van!—En dan zullen wij in de steenen kamer, waarin pijnhout brandt, zitten en mee uit de gouden horens der oude Noorweegsche koningen drinken; de reus heeft mij een paar gegeven; en als wij daar zitten, dan komt de heks een bezoek afleggen; zij zingt voor u al de liedjes der herdersmeisjes in het gebergte. Dat zal vroolijk worden! De zalm zal tegen den waterval opspringen en met zijn staart tegen de steenen muren aanslaan; maar hij komt er toch niet in!—Ja, het is plezierig wonen in het lieve, oude Noorwegen! Maar waar zijn de jongens?»Ja, waar waren die? Zij liepen op het veld rond en bliezen de dwaallichtjes uit, die zoo goedhartig geweest waren om den fakkeltocht te brengen.«Waarom loop je toch zoo rond te dwalen?» vroeg de oude kobold. «Ik heb mij een moeder voor je genomen, nu kun jelui een van de tantes nemen.»Maar de jongens zeiden, dat zij het liefst een redevoering wilden houden en op de verbroedering drinken; in trouwen hadden zij geen lust.—En nu hielden zij redevoeringen, dronken op hun verbroedering en deden de nagelproef, om te bewijzen, dat zij hun glazen leeggedronken hadden. Later trokken zij hun jassen uit en legden zich op de tafel neer, om te slapen, want zij maakten geen omslag. Maar de oude kobold danste met zijn jonge bruid de kamer rond en wisselde laarzen met haar; want dat staat deftiger, dan ringen te wisselen.«Nu kraait de haan!» zei de oude elf, die het huishouden waarnam. «Nu moeten wij de luiken sluiten, opdat de zon ons niet verbrande!»En nu sloot de heuvel zich.Maar buiten liepen de hagedissen in den gebarsten boom op en neer, en de eene zei tegen de andere:«O! wat is die Noorweegsche oude kobold mij uitmuntend bevallen!»«Mij bevallen de jongens beter!» zei de regenworm. Maar hij kon immers niet zien, het ellendige dier!1Als er zich in vroegere tijden een spook vertoonde, dan bande de predikant het in den grond; als dit gebeurd was, heide men op deze plaats een paal in. Te middernacht klonk dan het geschreeuw: «Laat los!» De paal werd uit den grond gehaald, en de gebannen geest vloog in de gedaante van een uil weg, met een gat in den linkervleugel. Deze spookvogel werd nachtuil genoemd.2Het is in Denemarken een volksbijgeloof, dat er onder iedere kerk, die er gebouwd wordt, een levend paard begraven moet worden; het spooksel daarvan is het doodenpaard, dat iederen nacht op drie pooten naar het huis toe hinkt, waar iemand moet sterven. Onder enkele kerken werd ook een levend varken begraven; het spooksel daarvan heette het grafzwijn.De engel.«Zoo dikwijls een goed kind sterft, daalt er een engel uit den hemel op de aarde neer, neemt het doode kind in zijn armen, spreidt zijn groote, witte vleugelen uit, vliegt over alle plaatsen, die het kind heeft liefgehad, en plukt een handvol bloemen, waarmee hij naar God opstijgt, opdat zij daar nog schooner dan op aarde mogen bloeien. De goede God drukt al de bloemen aan Zijn hart, maar de bloem, welke Hem het liefst is, geeft Hij een kus, en dan krijgt zij een stem en kan in het groote hemelkoor meezingen!»Dat alles vertelde een engel Gods, terwijl hij een dood kind naar den hemel droeg, en het kind hoorde hem aan, als ware het in den droom; en zij vlogen voort over die plekjes, waar de kleine gespeeld had, en kwamen door tuinen met heerlijke bloemen.«Welke bloem zullen wij nu meenemen en in den hemel planten?» vroeg de engel.Daar stond een slank, prachtig rozeboompje, maar een moedwillige hand had den stam geknakt, zoodat al de takken vol half ontplooide knopjes er verdord aan hingen.«Dat arme rozeboompje!» zei het kind. «Neem het mede, opdat het daarboven bij God moge bloeien!»En de engel nam het, kuste het kind daarvoor, en de kleine deedzijn oogen half open. Zij plukten van de prachtigste bloemen, maar namen ook het verachte boterbloempje en het wilde vergeet-mij-nietje mee.«Nu hebben wij bloemen!» zei het kind, en de engel knikte; maar hij vloog nog niet naar God op. Het was nacht, het was doodstil; zij bleven in de groote stad en zweefden in een der nauwe straten rond, waar hoopen stroo, asch en vuilnis lagen; het was verhuisdag geweest. Daar lagen scherven van borden, stukken gips, lompen, oude hoeden en alles, wat als nutteloos weggeworpen was.De engel wees te midden van deze verwarring naar eenige scherven van een bloempot en naar een klomp aarde, die er uitgevallen was en door de wortels van eene groote, verdorde veldbloem, die niets waard was en die men daarom op straat geworpen had, bij elkaar gehouden werd.«Die zullen wij nog meenemen!» zei de engel. «Ik zal je vertellen waarom, terwijl wij verder vliegen!»Zij vlogen voort, en de engel vertelde nu:«Daar in die nauwe straat, in dien lagen kelder woonde eens een arme knaap; van zijn kindsheid af was hij altijd bedlegerig geweest; als hij het gezondst was, kon hij het kleine vertrek een paar malen op krukken rondloopen: dat was alles. Op enkele dagen in den zomer drongen de zonnestralen gedurende een half uur tot in den kelder door; en als dan de arme knaap daar zat en zich in de zon koesterde en het roode bloed door zijn dunne vingers zag, wanneer hij deze voor de oogen hield, dan heette het, dat hij dien dag uit geweest was. Hij kende het bosch met zijn heerlijk lentegroen slechts daardoor, dat het zoontje van zijn buurman hem den eersten beuketak bracht; dien hield hij boven zijn hoofd en droomde dan, dat hij onder beuken zat, waar de zon scheen en de vogels zongen. Op zekeren lentedag bracht het zoontje van zijn buurman hem ook eenige veldbloemen; onder deze bevond zich toevallig een met den wortel er aan, en daarom werd zij in een bloempot geplant en dicht bij het bed voor het raam geplaatst. De bloem was door een gelukkige hand geplant: zij groeide, kreeg nieuwe scheuten en droeg ieder jaar bloemen. Zij werd de heerlijkste bloemtuin voor den zieken knaap, zijn kleine schat hier op aarde; hij begoot en verpleegde haar, en zorgde er voor, dat zij iederen zonnestraal tot den laatsten, die door het kleine raampje scheen, kreeg; en de bloem zelf groeide in zijn droom; want voor hem bloeide en geurde zij; tot haar wendde hij zich in den dood, toen de Heer hem riep.—Een jaar is hij nu bij God geweest; een jaar heeft de bloem vergeten voor het raam gestaan en is verdord; zij werd daarom bij het verhuizen op den vuilnishoop op de straat geworpen. En dit is de bloem, de arme, verdorde bloem, die wij in onzen bloemruiker opgenomen hebben, want deze bloem heeft meer vreugde verschaft dan de prachtigste bloem in den tuin eener koningin!»«Maar hoe weet ge dit alles?» vroeg het kind, dat door den engel naar den hemel gedragen werd.«Ik weet het,» zei de engel. «Want ik was zelf die kleine, zieke knaap, die op krukken liep! Mijn bloem ken ik wel!»Het kind deed zijn oogen wijd open en keek den engel in het schoone, vroolijke gelaat; en op hetzelfde oogenblik bevonden zij zich in Gods hemel, waar vreugde en zaligheid heerschten. En God drukte het doode kind aan Zijn hart, en nu kreeg het vleugels, evenals de andere engel, en vloog aan zijn hand mee. En God drukte al de bloemen aan Zijn hart; maar de arme, verwelkte veldbloem kuste Hij; en zij kreeg een stem en zong met al de engelen, die Gods troon omzweefden, enkelen dichtbij, anderen om hen heen in groote kringen, gedurig verder en verder, in het oneindige, maar allen even gelukkig. En allen zongen zij, kleinen en grooten, het goede, gezegende kind en de arme veldbloem, die daar verwelkt gelegen had, weggeworpen in het vuilnis, onder het ontuig van den verhuisdag, in de nauwe donkere straat.De nieuwe kleeren van den keizer.Daar was eens—’t is al vele jaren geleden—een keizer, die zoo ontzaglijk veel van nieuwe kleeren hield, dat hij al zijn geld uitgaf om mooi gekleed te gaan. Hij bekommerde zich niet om zijn soldaten, hij bekommerde zich niet om den schouwburg, en hield er slechts van, uit rijden te gaan, om zijn nieuwe kleeren te laten zien. Hij had voor ieder uur van den dag een afzonderlijken rok, en, evenals men van een koning zegt, dat hij in den raad is, zoo zei men hier altijd: «De keizer is in zijn kleedkamer!»In de groote stad, waar hij woonde, ging het zeer vroolijk toe: iederen dag vertoonden zich daar vele vreemdelingen. Op zekeren dag kwamen er ook twee bedriegers; dezen gaven zich voor wevers uit en zeiden, dat zij de mooiste stoffen, die men zich maar kon voorstellen, konden weven. De kleuren en het fatsoen waren niet alleen allerprachtigst, maar de kleeren, welke van die stoffen vervaardigd werden, bezaten de verwonderlijke eigenschap dat zij voor iedereen, die niet voor zijn ambt deugde of die oliedom was, onzichtbaar waren.«Dat zullen wel prachtige kleeren zijn,» dacht de keizer; «als ik deze had, dan zou ik er achter kunnen komen, welke mannen in mijn rijk voor het ambt, dat zij bekleeden, niet deugen; dan zou ik de verstandigen van de dommen kunnen onderscheiden. Ja, zulke kleeren moeten er terstond voor mij geweven worden!» En hij gaf aan de beide bedriegers veel geld vooruit, opdat zij een begin met hun arbeid konden maken.Zij stelden nu twee weefgetouwen op en deden alsof zij werkten, maar zij hadden volstrekt niets op deze weefgetouwen. Toch verlangden zij de fijnste zijde en het prachtigste goud: dit staken zij in hun eigen zakken en werkten tot laat in den nacht aan de leege weefgetouwen.«Ik zou toch wel eens willen weten, hoe ver zij al met de kleeren zijn!» dacht de keizer. Maar het was hem werkelijk bang te moede, als hij er aan dacht, dat diegene, die dom was of niet voor zijn ambt deugde, ze niet zou kunnen zien. Nu geloofde hij wel is waar, dat hij voor zich zelf niets te vreezen had; doch hij wilde toch eerst maar een ander zenden, om eens te zien, hoe het er mee gesteld was. Alle menschen in de geheele stad wisten, welk een bijzondere kracht die kleeren bezaten, en allen waren verlangend om te zien, hoe slecht of hoe dom hun buurman was.«Ik zal mijn ouden, eerlijken minister naar de wevers toe zenden!» dacht de keizer. «Hij kan het best beoordeelen, hoe de kleeren er uitzien; want hij bezit verstand, en niemand is beter voor zijn ambt geschikt dan hij!»Nu trad de goede, oude minister de zaal binnen, waarin de beide bedriegers zaten en aan de leege weefgetouwen arbeidden.«De Hemel beware mij!» dacht de oude minister en spalkte zijn oogen wijd open; «ik kan er niets van zien!» Maar dat zei hij niet.De beide bedriegers verzochten hem naderbij te komen, en vroegen, of het geen prachtige stof en geen fraaie kleuren waren. Daarop wezen zij naar het leege weefgetouw, en de arme, oude minister spalkte zijn oogen nog wijder op; maar hij kon niets zien, want er was ook niets te zien. «Lieve hemel!» dacht hij, «zou ik nu zoo dom zijn? Dat had ik nooit gedacht, en dat mag niemand weten! Zou ik niet voor mijn ambt deugen? Neen, het gaat niet aan, te vertellen, dat ik de kleeren niet heb kunnen zien!»«Welnu, ge zegt er niets van,» zei een der wevers.«O, ’t is prachtig, ’t is allerkeurigst!» antwoordde de oude minister en keek door zijn bril. «Welk een fijne stof! Welke levendige kleuren!—Ja, ik zal tegen den keizer zeggen, dat het mij best bevalt.»«Nu, dat doet ons genoegen,» zeiden de beide wevers, en daarop noemden zij de kleuren met name en gaven een verklaring van het zonderlinge fatsoen. De oude minister paste goed op, dat hij hetzelfde zou kunnen zeggen, als hij bij den keizer terugkwam, en dat deed hij ook.Nu verlangden de bedriegers meer geld, meer zijde en meer goud, dat zij bij het weven moesten gebruiken. Zij staken alles in hun eigen zakken. Op het weefgetouw kwam geen enkele draad; maar zij gingen voort, evenals tot hiertoe, aan het leege weefgetouw te arbeiden.De keizer zond er al spoedig daarop weer een anderen eerlijken staatsman naar toe, om eens te zien, hoe het met het weven ging en of zijn kleeren haast gereed waren. Het ging met dezen evenals met den eerste: hij keek al en keek al, maar omdat er behalve het leege weefgetouw niets was, kon hij ook niets zien.«Dom ben ik niet!» dacht de man. «Dus deug ik niet voor mijn ambt. Dat is gek genoeg, maar ik moet dit niet laten blijken!» en zoo roemde hij het kleed, dat hij niet zag, en betuigde hun zijn ingenomenheid met de heerlijke kleuren en het sierlijke fatsoen. «O, ’t is allerkeurigst!» zei hij tegen den keizer.Alle menschen in de stad spraken over de prachtige kleeren.Nu wilde de keizer ze zelf zien, terwijl ze nog op het weefgetouw waren. Met een geheele schare van uitgelezen mannen, waaronder zich ook de beide eerlijke staatslieden bevonden, die er reeds vroeger geweest waren, ging hij naar de beide listige bedriegers toe, die uit al hun macht weefden, maar zonder draden.«Is dat niet prachtig?» zeiden de beide oude staatslieden, die er reeds eenmaal geweest waren. «Kijk eens, Uwe Majesteit! welk een keurige stof, welke schitterende kleuren!» En daarbij wezen zij naar het ledige weefgetouw, want zij dachten, dat de anderen de stof wel konden zien.«Hoe nu?» dacht de keizer, «ik zie niets hoegenaamd! Ben ik dan zoo dom? Deug ik dan volstrekt niet voor keizer? Dat zou het verschrikkelijkste zijn, wat mij kon overkomen.»—«O, het is allerprachtigst,» zei hij daarop overluid. «Het heeft mijn allerhoogsten bijval!» En hij knikte tevreden en keek naar het leege weefgetouw;want hij wilde niet zeggen, dat hij niets kon zien. Het geheele gevolg, dat hij bij zich had, keek en keek, en wist evenmin, wat het er aan had, als al de anderen; maar zij zeiden, evenals de keizer: «O, dat is prachtig!» En zij rieden hem deze nieuwe prachtige kleeren bij gelegenheid van den plechtigen optocht, die er zou gehouden worden, voor het eerst aan te trekken. «Het is heerlijk, prachtig, schitterend!» zoo ging het van mond tot mond; men scheen er overal hoog mee ingenomen te zijn, en de keizer verleende de bedriegers den titel van keizerlijke hofwevers.Den geheelen nacht, die vooraf ging aan den morgen, waarop de feestelijke optocht zou gehouden worden, waren de bedriegers op en hadden wel zestien lichten opgestoken. De menschen konden zien, dat zij druk bezig waren, de nieuwe kleeren van den keizer af te werken. Zij deden, alsof zij de stof van het weefgetouw afnamen, zij knipten met groote scharen in de lucht, zij naaiden met naalden zonder draden en zeiden eindelijk: «Nu zijn de kleeren klaar!»De keizer ging er met de voornaamste heeren van zijn hof zelf naar toe, en de beide bedriegers hieven hun eenen arm in de hoogte, alsof zij iets vasthielden en zeiden: «Kijk eens! Hier is de broek! Hier is de rok! Hier is de mantel!» En zoo voort. «Het is zoo licht als spinrag; men zou zeggen, dat men niets aan het lijf had; maar dat maakt er juist het mooie van uit!»«Prachtig!» riepen al de heeren uit; maar zij konden er niets van zien; want er was ook niets te zien.«Gelieft Uwe Majesteit thans uw kleeren uit te trekken,» zeiden de bedriegers, «dan zullen wij ze u aantrekken, hier voor den grooten spiegel.De keizer trok al zijn bovenkleeren uit, en de bedriegers deden, alsof zij hem ieder stuk der nieuwe kleeren, die gereed waren, aantrokken; en de keizer bekeek zich in den grooten spiegel.«O, wat staan zij goed, wat zitten zij prachtig!» zeiden allen. «Welk een keurig fatsoen, welke schitterende kleuren! Dat is een prachtig pak!»«Buiten staan ze met den troonhemel, die bij gelegenheid van den plechtigen optocht boven Uwe Majesteit gedragen zal worden,» meldde de opperceremoniemeester.«Kijk maar eens, ik ben al klaar!» zei de keizer. «Staan ze mij niet goed?» En daarop begaf hij zich nogmaals naar den spiegel want het moest den schijn hebben, alsof hij zijn sierlijke kleeding daarin eens goed bekeek.De kamerheeren, die den sleep moesten dragen, grepen met de handen naar den grond, alsof zij den sleep optilden; zij deden, alsof zij iets in de hoogte hielden; zij waagden het niet, te laten merken, dat zij niets konden zien.Zoo ging de keizer in een plechtigen optocht onder den prachtigen troonhemel, en alle menschen op de straat en voor de ramen zeiden: «O, wat zijn de kleeren van den keizer mooi! Wat staan ze hem goed! Welk een langen sleep heeft hij er aan!» Niemand wilde laten merken, dat hij niets zag, want dan zou hij immers niet voor zijn ambt gedeugd hebben of oliedom geweest zijn. Nooit waren de kleeren van den keizer zoozeer bewonderd als dezen keer.«Maar hij heeft immers niets aan!» zei eindelijk een klein kind. «Hoor de stem der onschuld nu eens aan!» zei zijn vader; en de een fluisterde den ander toe, wat het kind gezegd had.«Maar hij heeft immers niets aan!» riep eindelijk het geheele volk. Dit trof den keizer; want het kwam hem voor, dat men gelijk had; maar hij dacht bij zich zelf: «Nu moet ik mij goed blijven houden!» En de kamerheeren liepen nog deftiger en droegen den sleep, die er niet was.De mestkever.Het lievelingspaard van den keizer kreeg een gouden beslag, een gouden hoefijzer aan iederen poot.Maar waarom dat?Het was een verwonderlijk mooi beest, had fijne pooten, schrandere, heldere oogen en manen, die als een sluier over zijn hals neerhingen. Het had zijn meester door kruitdamp en kogelregen gedragen, had de kogels hooren zingen en fluiten, had gebeten, geslagen en meegestreden, toen de vijanden op hem indrongen, was met zijn keizer over het gevallen paard van den vijand heengesprongen, had de kroon van goud, het leven van zijn keizer gered,—en daarom kreeg het paard van den keizer gouden hoefijzers.Er kwam een mestkever aankruipen. «Eerst de grooten, dan de kleinen,» zeide hij; «maar in de grootte alleen zit het hem niet.» En daarbij strekte hij zijn dunne pooten uit.«Wat moet je hebben?» vroeg de hoefsmid.«Een gouden hoefbeslag,» antwoordde de mestkever.«Och, je bent zeker niet wijs!» riep de smid uit. «Wil je ook een gouden hoefbeslag hebben?»«Een gouden hoefbeslag, jawel!» zei de mestkever. «Ben ik dan niet even goed als dat groote dier daar, dat opgepast en geroskamd wordt en dat men eten en drinken voorzet? Behoor ik ook niet in den keizerlijken stal?»«Maar waarom krijgt het paard een gouden hoefbeslag?» vroeg de smid. «Begrijp je dat niet?»«Begrijpen?—Ik begrijp, dat het een geringschatting van mijn persoon is,» zei de mestkever; «het geschiedt om mij te krenken, en daarom ga ik ook de wijde wereld in.»«Ga je gang maar!» zei de smid.«Gemeene kerel, die je bent!» zei de mestkever, en toen ging hij den stal uit, vloog een klein eindje weg en bevond zich al spoedig daarop in een mooien bloemtuin, waar het van rozen en lavendel geurde.«Is het hier niet allerprachtigst?» vroeg een der kleine insecten, die met hun roode, sterke, met zwarte stipjes bezaaide vlerkjes daarin rondvlogen. «Wat is het hier heerlijk, wat is het hier schoon!»«Ik ben het beter gewend,» zei de mestkever. «Noem je het hier mooi. Er is niet eens een mesthoop?»Daarop ging hij verder onder de schaduw van een groote violier: daar kroop een rups.«Wat is de wereld toch schoon!» zei de rups. «De zon is zoo warm, alles zoo vergenoegd! En als ik eenmaal in slaap val en sterf, zooals zij het noemen, dan ontwaak ik als een kapel.»«Wat verbeeldt je je wel,» zei de mestkever, «als kapel rond te vliegen? Ik kom uit den stal van den keizer; maar niemand daar, zelfs niet het lievelingspaard van den keizer, dat toch mijn afgelegdegouden schoenen draagt, beeldt zich zoo iets in. Vleugels krijgen! Vliegen! Ja, maar nu vliegen wij!» En hierop vloog de mestkever weg. «Ik wil mij niet ergeren, maar erger mij toch!» zei hij onder het wegvliegen.Al spoedig daarop streek hij op een groot grasperk neer; hier lag hij een poos; eindelijk viel hij in slaap.Een stortregen stroomde er eensklaps uit de wolken neer. De mestkever ontwaakte van het rumoer en wilde zich in den grond verschuilen, maar dit gelukte hem niet: hij werd al om en om gekeerd; nu eens dreef hij op den buik, dan weer op den rug, aan vliegen viel niet te denken;—hij twijfelde er aan, of hij wel levend van deze plaats zou wegkomen. Hij lag, waar hij lag, en bleef daar ook liggen.Toen het weer een weinig tot bedaren gekomen was en de mestkever het water uit zijn oogen weggepinkt had, zag hij iets wits schemeren: het was een stuk linnen, dat op de bleek lag; hij ging er heen en kroop tusschen een plooi van het natte linnen. Daar lag hij wel is waar anders dan op den warmen mesthoop in den stal; maar iets beters was hier niet voorhanden, en daarom bleef hij, waar hij was, bleef er een geheelen dag, een geheelen nacht, en ook de regen bleef. Tegen den morgen kroop hij tevoorschijn; hij ergerde zich over de weersgesteldheid.Op het linnen zaten twee kikvorschen; hun heldere, oogen straalden van louter plezier. «Wat is het heerlijk weer!» zei de eene, «hoe verfrisschend! En het linnen houdt het water zoo mooi bij elkander; het krabbelt mij in de achterpooten, alsof ik moest zwemmen.»«Ik zou wel eens willen weten,» zei de andere, «of de zwaluw, die zoo ver rondvliegt, op haar vele reizen in het buitenland een beter klimaat dan het onze gevonden heeft. Zulk een nattigheid! Het is waarlijk, alsof men in een natte sloot lag! Wie zich daarin niet verheugt, heeft zijn vaderland niet lief.»«Ben je dan niet in den stal van den keizer geweest?» vroeg de mestkever. «Daar is de vochtigheid warm en geurig: dat is mijn klimaat; maar dat kan men niet op reis meenemen. Is er hier in den tuin geen mesthoop, waar personen van een aanzienlijken stand zooals ik zich te huis kunnen voelen en logeeren?»De kikvorschen begrepen hem niet of wilden hem niet begrijpen.«Ik vraag nooit tweemaal!» zei de mestkever, nadat hij reeds driemaal gevraagd en geen antwoord gekregen had.Daarop ging hij een eindje verder en stiet nu op een potscherf, die daar wel is waar niet had moeten liggen, maar zooals zij lag, gaf zij een goede beschutting tegen weer en wind. Hier woonden verscheidene familiën van oorwormen; deze hadden geen hooge eischen,—alleen gezelligheid. De vrouwelijke individuen zijn vol van de teederste moederliefde, en daarom prees ook iedere moeder haar kind als het schoonste en verstandigste.«Ons zoontje heeft zich verloofd!» zei een moeder. «Het is eenbeste jongen. Zijn geheele streven is daarheen gericht, eenmaal in het oor van een geestelijke te komen. Zijn verloving bewaart hem voor uitspattingen! Welk een vreugde voor een moeder!»«Onze zoon,» sprak een andere moeder, «was, zoodra hij uit het ei gekropen was, ook dadelijk in de weer; het is alles leven en vuur aan hem! Hij loopt zich de horens af! Welk een vreugde voor een moeder! Niet waar, mijnheer de mestkever?»«Je hebt beiden gelijk!» zei de mestkever; en nu verzocht men hem, de kamer binnen te treden, zoo ver hij namelijk onder de potscherf kon komen.«Nu zie je ook mijn klein oorwurmpje!» zeiden een derde en een vierde van de moeders. «Het zijn lieve kinderen en zij houden veel van een grapje. Zij zijn nooit ondeugend, als zij ten minste geen buikpijn hebben; maar op hun leeftijd krijgt men dat maar al te gemakkelijk!»Op deze wijzesprakiedere moeder over haar kindertjes, en de kindertjes spraken mee en gebruikten hun kleine scharen, die zij aan den staart hebben, om den mestkever aan den baard te trekken.«Ja, zij moeten ook altijd wat doen, die kleine schalkjes!» zeiden de moeders. Maar dat verveelde den mestkever; hij vroeg daarom, of hij nog ver van den mesthoop verwijderd was.«Die is buiten in de wijde wereld, aan gene zijde van de sloot,» antwoordde een oorworm; «zoo ver zal, naar ik hoop, geen mijner kinderen gaan; dat zou mij den dood aandoen!»«Zoo ver zal ik toch trachten te komen,» zei de mestkever en verwijderde zich zonder afscheid te nemen; want dat staat immers deftig.Bij de sloot trof hij verscheidene van zijn soort aan, allemaal mestkevers.«Hier wonen wij!» zeiden zij. «Wij hebben het hier heel gezellig! Mogen wij je ook uitnoodigen, in het vette slijk af te klimmen? De reis is zeker vermoeiend voor je geweest!»«Zeker!» sprak de mestkever. «Ik was aan den regen blootgesteld en heb op linnen moeten liggen. Ook heb ik scheuren in mijn eenen vleugel, omdat ik onder een potscherf in den tocht gestaan heb. Het is inderdaad een waar genot voor mij, weer eens onder mijns gelijken te zijn.»«Kom je misschien van den mesthoop?» vroeg de oudste.«Van heel wat deftiger plaats!» zei de mestkever. «Ik kom uit den stal van den keizer, waar ik met gouden schoenen aan de pooten geboren ben; ik ben op reis ter volbrenging van een geheimen last; doch je moet mij daarover maar niet uithooren, want ik verraad het toch niet.»Daarop klom de mestkever in het vette slijk af. Daar zaten drie jonge mestkeverinnen; zij meesmuilden, omdat zij niet wisten, wat zij zouden zeggen.«Geen van de drie is nog verloofd,» zei de moeder; en de jonge dames meesmuilden op nieuw, ditmaal uit verlegenheid.«Ik heb ze in de keizerlijke stallen niet mooier gezien,» zei de mestkever, terwijl hij uitrustte.«Bederf mijn dochters niet; spreek niet tegen haar, of het moest zijn, dat je werkelijk plan op een van haar hadt!—Maar dat heb je zeker wel, en ik geef er mijn zegen op!»«Hoera!» riepen al de andere mestkevers uit, en onze mestkever was nu verloofd. Op de verloving volgde de bruiloft dadelijk; want er bestond geen reden om deze uit te stellen.De volgende dag verliep zeer aangenaam, de daarop volgende ook nog al; maar den derden dag moest hij reeds op voedsel voor zijn vrouw, misschien zelfs wel voor zijn kinderen bedacht zijn.«Ik heb mij laten misleiden!» dacht de mestkever; «er blijft mij dus niets anders over, dan ze ook te misleiden!»Zoo gezegd, zoo gedaan! Weg was hij, den heelen dag bleef hij uit, den heelen nacht bleef hij uit,—en zijn vrouw zat daar als een weduwe. «O,» zeiden de andere mestkevers, «hij, dien wij in de familie opgenomen hebben, is een echte landlooper: hij is weggegaan en laat zijn vrouw ten onzen laste achter!»«Welnu, dan moet zij maar weer voor een meisje doorgaan,» zei de moeder, «en als mijn kind hier blijven. Schande over den booswicht, die haar verlaten heeft!»De mestkever was ondertusschen gedurig verder gereisd en op een koolblad over de sloot gezeild. Den volgenden morgen kwamen er twee personen bij de sloot; toen zij hem zagen, tilden zij hem op, draaiden hem om en om, stelden zich beiden heel geleerd aan, inzonderheid een van hen,—een jongen. «Allah ziet de zwarte mestkevers in den zwarten steen, in de zwarte rots! Niet waar, zoo staat er in den Koran geschreven?» Daarop vertaalde hij den naam van den mestkever in het Latijn en verdiepte zich in diens geslacht en aard. De tweede persoon, een oudere geleerde, was er voor, hem mee naar huis te nemen; zij hadden daar, zei hij, even goede exemplaren noodig, en dat—zoo kwam het onzen mestkever voor,—was niet beleefd gesproken, en daarom vloog hij hem plotseling uit de hand. Daar hij nu droge vleugels had, vloog hij een vrij groot eindvoort en bereikte den mesthoop, waarop hij plaats nam en zich in den verschen mest begroef.«Hier is het heerlijk!» zei hij.Al spoedig daarop viel hij in slaap, en nu droomde hij, dat het lievelingspaard van den keizer doodgevallen was en hem zijn gouden hoefijzers gegeven en de belofte gedaan had, zijn andere twee pooten ook te laten beslaan.Dat was zeer aangenaam. Toen de mestkever wakker werd, kroop hij te voorschijn en keek eens in het rond. Welk een pracht heerschte er op den mesthoop! Op den achtergrond groote palmen, die zich hoog verhieven; de zon maakte, dat zij doorzichtig schenen, en wat was daaronder een menigte groen en frissche bloemen, rood als vuur, geel als barnsteen, wit als versch gevallen sneeuw!«Dat is een onvergelijkelijke plantenpracht; dat zal smaken, alshet verrot!» zei de mestkever. «Dat is een goede provisiekamer. Hier wonen zeker bloedverwanten; ik zal eens zien, of ik iemand vind, met wien ik omgang kan hebben. Trotsch ben ik; dat is mijn trots!» En nu drentelde hij over den mesthoop rond en dacht aan zijn schoonen droom van het doode paard en de geërfde hoefijzers.Daar pakte een hand den mestkever eensklaps beet, drukte hem en draaide hem om en om.De zoon van den tuinman en een vriendinnetje van dezen waren bij den mesthoop gekomen, hadden den mestkever gezien en wilden nu een grapje met hem hebben. Eerst werd hij in een wingerdblad gewikkeld en toen in een warmen broekzak gestopt; hij kriebelde en krabbelde daar naar zijn beste vermogen; daarvoor echter kreeg hij een druk van de hand van den knaap en werd op deze wijze tot bedaren gebracht. De knaap ging daarop met rassche schreden naar den grooten vijver toe, die zich aan het einde van den tuin bevond. Hier werd de mestkever in een ouden, halfgebrokenklomp gezet, daarop werd er een stokje voor mast ingestoken, en aan dezen mast bond men den mestkever nu met een wollen draadje vast. Nu was hij schipper en moest zeilen.De vijver was zeer groot, den mestkever scheen het een oceaan toe, en hij verwonderde zich daarover zoozeer, dat hij op zijn rug viel en met zijn pooten lag te trappelen.Het scheepje zeilde af; de stroom van het water voerde het mee; maar als deze het te ver van den wal deed afdrijven, dan stroopte een der jongens zijn broek dadelijk op, stapte in het water en haalde het weer aan land terug. Eindelijk echter, juist toen het weer in volle vaart voorwaarts ging, werden de jongens geroepen, dringend geroepen; zij haastten zich om te komen, liepen van het water weg en lieten het scheepje aan zijn lot over. Dit dreef nu gedurig meer van den oever af, gedurig meer naar het midden van den vijver toe; het was verschrikkelijk voor den mestkever, daar hij niet kon vliegen, omdat hij aan den mast vastgebonden was.Daar kreeg hij bezoek van een vlieg. «Wat is het vandaag mooi weer!» zei de vlieg. «Hier wil ik uitrusten en mij in de zon koesteren. Je hebt het hier heel prettig.»«Je spreekt naar je verstand! Zie je dan niet, dat ik vastgebonden ben?»«Ik ben niet vastgebonden,» zei de vlieg en vloog weg.«Ja, nu ken ik de wereld!» sprak de mestkever. «Het is een booze wereld! Ik ben de eenige fatsoenlijke man op de wereld! Eerst weigert men mij gouden schoenen; vervolgens moet ik op nat linnen liggen en in den tocht staan, en eindelijk dringen zij mij nog een vrouw op! Doe ik daarop een schrede in de wereld en verneem, hoe ik het daar kan krijgen en hoe ik het graag wou hebben, dan komt er een menschenjongen, bindt mij vast en geeft mij aan de woeste golven ten prijs, terwijl het lievelingspaard van den keizer met gouden schoenen rondloopt! Dat ergert mij nog het meest! Maar op deelneming mag men in deze wereld niet rekenen! Mijn levensloop is zeer interessant; maar wat baat het, als niemand dien kent? De wereld verdient het niet, dien te leeren kennen; zij zou mij anders wel gouden schoenen in den stal van den keizer gegeven hebben, toen het lievelingspaard beslagen werd en ik mijn pooten daarom uitstak. Als ik gouden schoenen gekregen had, dan zou ik een sieraad van den stal geworden zijn; nu heeft de stal mij verloren, nu heeft de wereld mij verloren. Alles is uit!»Maar alles was nog niet uit. Er kwam een schuitje, waarin eenige meisjes zaten, aanroeien.«Kijk! Daar zeilt een oude klomp!» zei een der meisjes.«Er zit een diertje aan vastgebonden!» riep een ander uit.Het schuitje kwam dicht in de nabijheid van het scheepje van onzen mestkever; de meisjes vischten dit uit het water op; een van haar haalde een schaartje uit haar zak, knipte het wollen draadje doormidden, zonder den mestkever eenig leed te doen, en toen zij aan land kwam, zette zij hem in het gras neer.«Kruip, kruip! Vlieg, vlieg, als je kunt!» zeide zij. «Vrijheid is een heerlijk ding!»De mestkever vloog op en door een openstaand raam van een groot gebouw; daar viel hij mat en moede neer op de fijne, zachte manen van het lievelingspaard van den keizer, dat in den stal stond, waar het te huis was, evenals dit met den mestkever het geval was. De mestkever klampte zich aan de manen vast, zat een korten tijd doodstil en kwam wat tot kalmte.«Hier zit ik op het lievelingspaard van den keizer, zit als keizer op hem! Maar wat wilde ik ook weer zeggen? Ja, nu schiet het mij weer te binnen! Dat is een goede gedachte. Waarom krijgt het paard een gouden hoefbeslag? Zoo vroeg de smid mij immers. Nu wordt deze vraag mij eerst duidelijk. Ter wille van mij kreeg het paard het gouden hoefbeslag.»En nu kwam de mestkever in een goede luim. «Men krijgt een ruimen blik op reis!» zei hij.De zon wierp haar stralen in den stal op hem neer en maakte het daar licht en vriendelijk.«De wereld is, wel bezien, toch zoo boos niet,» zei de mestkever, «men moet haar maar weten te vatten!»Ja, de wereld was schoon, omdat het lievelingspaard van den keizer slechts daarom een gouden hoefbeslag gekregen had, opdat de mestkever zijn ruiter kon zijn.«Nu zal ik naar de andere kevers toe gaan en hun vertellen, hoe veel men voor mij gedaan heeft: ik zal hun al de onaangenaamheden vertellen, die ik op mijn reis in het buitenland doorgestaan heb, en hun zeggen, dat ik nu zoo lang te huis zal blijven, totdat het paard zijn gouden hoefbeslag afgesleten heeft.

De elfenheuvel.Eenige groote hagedissen liepen vlug in de spleten van een ouden boom rond; zij konden elkaar goed verstaan, want ze spraken de hagedissentaal.«Wat is er een rumoer en een gebrom in den ouden elfenheuvel!» zei een der hagedissen. «Ik heb van het leven al in twee nachten geen oog dicht kunnen doen: ik kon even goed kiespijn hebben, want dan slaap ik ook niet.»«Daar binnen is iets aan ’t handje!» zei een andere hagedis. «Zij laten den heuvel, totdat ’s morgens de haan kraait, op vier roode palen staan; hij wordt goed gelucht; en de elfenmeisjes hebben nieuwe dansen geleerd. Daar is iets aan ’t handje!»«Ja, ik heb er met een regenworm van mijn kennis over gesproken,» zei een derde hagedis; «de regenworm kwam regelrecht uit den heuvel, waar hij dag en nacht in de aarde gewoeld had; die had veel en velerlei gehoord; zien kan hij wel is waar niet, dat ellendige dier, maar voelen en luisteren kan hij goed. Zij verwachten vreemdelingen in den elfenheuvel, deftige vreemdelingen; maar wie, dat wilde de regenworm niet zeggen, of hij wist het niet. Al de dwaallichten zijn besteld, om een fakkeltocht te houden, zooals men het noemt; het zilver en goud, waarvan genoeg in den heuvel voorhanden is, wordt opgepoetst en in den maneschijn tentoongesteld.»«Wie zouden die vreemdelingen wel zijn?» vroegen al de hagedissen. «Wat zou er toch aan ’t handje zijn? Hoor eens, hoe het gonst! Hoor eens, hoe het bromt!»Op hetzelfde oogenblik ging de elfenheuvel open, en nu kwam er een oude elf uittrippelen; het was de huishoudster van den ouden elfenkoning; zij was een verre bloedverwante van de familie endroeg een hart van barnsteen voor het voorhoofd. Haar beenen bewogen zich zoo vlug: trip, trip! Sakkerloot! Wat kon zij trippelen! Zij ging regelrecht naar het moeras naar den nachtuil toe.1«Ge wordt op den elfenheuvel uitgenoodigd, en wel tegen van avond,» zeide zij, «maar wilt ge ons eerst niet een dienst bewijzen en het doen van uitnoodigingen op u nemen? Gij moet ook iets doen, daar gij zelf geen gasten ontvangt. Wij krijgen eenige deftige vrienden, toovenaars, die iets te beteekenen hebben, en daarom wil de elfenkoning zich vertoonen!»«Wie moeten er uitgenoodigd worden?» vroeg de nachtuil.«Op het groote bal kan iedereen komen, zelfs menschen, wanneer zij slechts in den slaap spreken of iets dergelijks kunnen doen, wat in onzen geest valt. Maar bij het eerste feest moet er een strenge keuze gedaan worden; wij willen alleen de allervoornaamsten hebben. Ik heb er met den elfenkoning woorden over gehad; want ik dacht, dat wij niet eens spoken konden toelaten. De zeegeest en zijn dochters moeten het eerst uitgenoodigd worden. Zij zullen het wel niet plezierig vinden, op het droge te komen; maar zij zullen wel een natten steen om op te zitten of nog iets beters krijgen, en dan, denk ik, zullen zij voor dezen keer wel niet bedanken. Al de oude demonen van de eerste klasse met staarten, den alruin en de kobolden moeten wij hebben, en dan kunnen wij, dunkt mij, het grafzwijn, het doodenpaard,2en den kerkdwerg ook niet weglaten; zij behooren wel is waar tot de geestelijkheid, die niet tot de onzen gerekend wordt; maar dat is slechts hun ambt; zij zijn toch nauw aan ons verwant en leggen druk bezoeken bij ons af.»«Goed!» zei de nachtuil en vloog weg, om de uitnoodigingen te doen.De elfen dansten reeds op den elfenheuvel, en zij dansten met sjaals, die uit nevel en maneschijn geweven waren, en dat staat heel mooi voor hen, die daarvan houden. Midden in den elfenheuvel was de groote zaal prachtig opgesierd; de vloer was met maneschijn geschrobd en de muren waren met heksenvet afgewreven, zoodat zij als tulpebladeren in het licht fonkelden. In de keuken waren volop kikvorschen aan het braadspit, slakkehuiden met kindervingers er in, sla van paddestoelen, vochtige muizesnoeten en dolle kervel, bier van het brouwsel der moerasvrouw, fonkelendesalpeterwijn uit grafkelders, alles overheerlijk; verroeste spijkers en kerkramenglas behoorden tot de lekkernijen.De oude elfenkoning liet zijn gouden kroon met het afschraapsel van tufsteen oppoetsen; het was best tufsteenschraapsel, en het is voor den elfenkoning zeer moeilijk, tufsteenschraapsel te verkrijgen. In de slaapkamer werden de gordijnen opgehangen en met slakkenslijm vastgemaakt. Ja, er heerschte een geducht gegons en gebrom.«Nu moet er hier met paardenharen en zwijnenborstels gerookt worden, dan geloof ik het mijne gedaan te hebben,» zei de huishoudster.«Vaderlief!» zei de jongste der dochters; «mag ik nu ook weten, wie de deftige vreemdelingen zijn?»«Nu ja,» zei hij, «nu moet ik het wel zeggen. Twee van mijn dochters moeten zich op het huwelijk voorbereid houden; twee zullen er zeker trouwen. De oude kobold uit Noorwegen, die in het oude Dovre-gebergte woont en vele klippenkasteelen van veldsteenen en een gouden sieraad bezit, dat beter is dan men wel denkt, komt met zijn beide zonen, die een vrouw moeten uitzoeken, hier naar toe. De oude kobold is een echte, oude, eerlijke Noorweegsche grijsaard, vroolijk en eenvoudig; ik ken hem uit vroegere dagen, toen wij broederschap met elkander dronken; hij was hier om zijn vrouw af te halen; nu is zij dood; zij was een dochter van den koning der krijtrotsen van Möen. Hij nam zijn vrouw op krijt, zooals men pleegt te zeggen. O, wat verlang ik naar den Noorweegschen ouden kobold! Zijn zonen moeten, naar men zegt, nog al ondeugende, neuswijze jongens zijn; maar men kan hun wel ongelijk aandoen, en zij zullen wel beter worden, als zij wat ouder zijn. Ik hoop, dat je hen beleefd zult behandelen!»«En wanneer komen zij?» vroeg een der dochters.«Dat hangt van weer en wind af,» zei de elfenkoning. «Zij komen met scheepsgelegenheid hier naar toe. Ik wilde, dat zij over Zweden zouden gaan; maar de oude man had daar geen ooren naar. Hij gaat niet met zijn tijd mee, en dat kan ik niet velen!»Daar kwamen twee dwaallichtjes aanhuppelen, het eene vlugger dan het andere, en daarom kwam het eene het eerst.«Zij komen, zij komen!» riepen beiden uit.«Geef mij mijn kroon en laat mij in den maneschijn staan!» zei de elfenkoning.Zijn dochters hieven haar sjaals in de hoogte en bogen zich tot op den grond.Daar stond de grijze kobold van Dovre met de kroon van geharde ijsklompen en gepolijste pijnappels; overigens had hij een berenpels en groote warme laarzen aan; zijn zonen daarentegen liepen met blooten hals en met broeken zonder bretels, want het waren krachtige mannen.«Is dat een heuvel?» vroeg de kleinste der jongelingen en wees naar den elfenheuvel. «Dat noemen wij bij ons in Noorwegen een gat.»«Wel, jongen!» zei de grijsaard. «Een gat gaat naar binnen, eneen heuvel gaat naar boven. Heb je dan geen oogen in je hoofd?»Het eenige, wat hun verwondering hier wekte, zeiden zij, was, dat zij de taal konden verstaan.«Men zou haast denken,» zei de grijsaard, «dat je niet goed uitgeslapen waart.»En nu gingen zij den elfenheuvel in, waar het waarlijk deftige gezelschap zich reeds verzameld had, en wel met zulk een haast, dat men zou denken, dat zij samengewaaid waren. Maar voor iedereen was het keurig en netjes ingericht. De zeemeerminnen zaten in groote tobben aan tafel; zij zeiden, dat het precies was, alsof zij thuis waren. Allen namen de tafelwetten in acht, alleen de beide kleine Noorsche kobolden niet; deze legden hun beenen op de tafel; want zij dachten, dat alles hun goed stond.«De voeten van het tafellaken af!» zei de oude kobold, en nu gehoorzaamden zij wel is waar, maar toch niet terstond. De dames, die naast hen aan tafel zaten, kittelden zij met pijnappels, die zij in den zak bij zich droegen, en toen trokken zij hun laarzen uit, om gemakkelijker te zitten. Maar hun vader, de oude kobold van Dovre, was een heel ander man; hij vertelde zoo mooi van de trotsche Noorsche rotsen en van watervallen, die wit schuimend met een gedruisch als donderslagen en orgelgeluid neerstortten; hij vertelde van den zalm, die tegen de neervallende wateren opspringt, als de reus op de gouden harp speelt; hij vertelde van de heldere winternachten, wanneer de bellen der sleden klinken en de jongens met brandende fakkels over het ijs loopen, dat zoo doorzichtig is, dat zij de verschrikte visschen onder hun voeten zien zwemmen. Ja, hij kon zoo vertellen, dat men zag, wat hij beschreef; het was juist zoo, alsof er zaagmolens maalden, alsof er jongens en meisjes liedjes zongen en dansten. En nu gaf de oude kobold aan de oude elf een hartelijken kus. En toch bestonden zij elkaar niet.Nu moesten de elfen dansen, en dat zoowel eenvoudig als met stampen. Dat ging haar goed af, en toen kwam de kunstmatige dans. O, wat konden zij haar beenen ver uitsteken; men wist niet, waar het einde en waar het begin was, wist niet, wat armen en wat beenen waren; dat ging alles zoo wonderlijk door elkaar;entoen draaiden zij zoo hard in de rondte, dat het doodenpaard en het grafzwijn er misselijk van werden en van tafel moesten gaan.«Sakkerloot!» zei de oude kobold, «wat kunnen zij die beenen wonderlijk door elkaar haspelen! Maar wat kunnen zij meer dan dansen, de beenen uitstrekken en wervelwind maken?»«Dat zult ge spoedig te weten komen,» zei de elfenkoning. En toen riep hij de oudste van zijn dochters. Zij was zoo behendig en klaar als maneschijn; zij was de knapste van al de zusters. Zij nam een witten spaander in den mond, en toen was zij geheel verdwenen: dat was haar kunst.Maar de oude kobold zei, dat hij deze kunst bij zijn vrouw niet zou willen dulden, en hij geloofde ook niet, dat zijn jongens daarvan hielden.De andere kon zich zelf ter zijde gaan, alsof zij een schaduw had, en die hebben de kobolden niet.De derde was van een heel andere soort; zij had in de brouwerij der moerasvrouw geleerd, en zij was het, die er verstand van had, elzenhout met glimwormpjes te lardeeren.«Dat zou een goede vrouw zijn,» zei de oude kobold, en daarop knikte hij haar toe.Nu kwam de vierde; die had een groote harp om te spelen;en toen zij de eerste snaar aansloeg, tilden allen het linkerbeen op; want de kobolden zijn linksch, en toen zij de tweede snaar aansloeg, moesten allen doen, wat zij wilde.«Dat is een gevaarlijke vrouw!» zei de oude kobold; maar zijn beide zonen gingen den heuvel uit, want nu hadden zij er genoeg van.«En wat kan uw dochter, die nu volgt?» vroeg de grijze kobold.«Ik heb geleerd, Noorwegen lief te hebben,» zeide zij, «en nimmer zal ik trouwen, als ik niet naar Noorwegen kan gaan.»Maar de jongste der zusters fluisterde den grijsaard toe: «Dat is maar, omdat zij uit een Noorweegsch lied gehoord heeft, dat, als de wereld vergaat, de Noorsche klippen toch als gedenksteenen zullen blijven staan, en daarom wil zij er naar toe, want zij is erg bang voor den dood.»«Wel zoo!» zei de oude kobold, «was het zoo gemeend? Maar wat kan de zevende en laatste?»«De zesde gaat voor de zevende!» zei de elfenkoning, want hij kon goed rekenen; maar de zesde wilde niet recht voor den dag komen.«Ik kan de menschen slechts de waarheid zeggen,» zeidezij.«Om mij bekommert niemand zich, en ik heb er genoeg mee te doen, mijn lijkkleed te naaien.»Nu kwam de zevende en laatste, en wat kon die? Ja, die kon sprookjes vertellen, en wel zooveel, als zij maar wilde.«Hier zijn mijn vijf vingers,» zeide de oude kobold; «vertel mij er nu een van elken vinger!»En zij greep hem om zijn pols vast, en hij lachte, dat hij schudde, en toen zij aan den ringvinger kwam, die een gouden ring om zijn lijf had, alsof hij al wist, dat er een verloving zou plaats hebben, zei de oude kobold: «Houd vast, wat ge hebt; deze hand behoort aan u toe; u wil ik zelf tot vrouw hebben!»En het elfenmeisje zei, dat het sprookje van den ringvinger en van den pink nog ontbraken.«Die zullen wij van den winter wel hooren,» zei de oude kobold, «en van den denneboom zullen wij hooren en van den berk en van de geestengeschenken en van den vorst! Gij moet maar vertellen; want daar heeft niemand bij ons zoo goed den slag van!—En dan zullen wij in de steenen kamer, waarin pijnhout brandt, zitten en mee uit de gouden horens der oude Noorweegsche koningen drinken; de reus heeft mij een paar gegeven; en als wij daar zitten, dan komt de heks een bezoek afleggen; zij zingt voor u al de liedjes der herdersmeisjes in het gebergte. Dat zal vroolijk worden! De zalm zal tegen den waterval opspringen en met zijn staart tegen de steenen muren aanslaan; maar hij komt er toch niet in!—Ja, het is plezierig wonen in het lieve, oude Noorwegen! Maar waar zijn de jongens?»Ja, waar waren die? Zij liepen op het veld rond en bliezen de dwaallichtjes uit, die zoo goedhartig geweest waren om den fakkeltocht te brengen.«Waarom loop je toch zoo rond te dwalen?» vroeg de oude kobold. «Ik heb mij een moeder voor je genomen, nu kun jelui een van de tantes nemen.»Maar de jongens zeiden, dat zij het liefst een redevoering wilden houden en op de verbroedering drinken; in trouwen hadden zij geen lust.—En nu hielden zij redevoeringen, dronken op hun verbroedering en deden de nagelproef, om te bewijzen, dat zij hun glazen leeggedronken hadden. Later trokken zij hun jassen uit en legden zich op de tafel neer, om te slapen, want zij maakten geen omslag. Maar de oude kobold danste met zijn jonge bruid de kamer rond en wisselde laarzen met haar; want dat staat deftiger, dan ringen te wisselen.«Nu kraait de haan!» zei de oude elf, die het huishouden waarnam. «Nu moeten wij de luiken sluiten, opdat de zon ons niet verbrande!»En nu sloot de heuvel zich.Maar buiten liepen de hagedissen in den gebarsten boom op en neer, en de eene zei tegen de andere:«O! wat is die Noorweegsche oude kobold mij uitmuntend bevallen!»«Mij bevallen de jongens beter!» zei de regenworm. Maar hij kon immers niet zien, het ellendige dier!1Als er zich in vroegere tijden een spook vertoonde, dan bande de predikant het in den grond; als dit gebeurd was, heide men op deze plaats een paal in. Te middernacht klonk dan het geschreeuw: «Laat los!» De paal werd uit den grond gehaald, en de gebannen geest vloog in de gedaante van een uil weg, met een gat in den linkervleugel. Deze spookvogel werd nachtuil genoemd.2Het is in Denemarken een volksbijgeloof, dat er onder iedere kerk, die er gebouwd wordt, een levend paard begraven moet worden; het spooksel daarvan is het doodenpaard, dat iederen nacht op drie pooten naar het huis toe hinkt, waar iemand moet sterven. Onder enkele kerken werd ook een levend varken begraven; het spooksel daarvan heette het grafzwijn.

Eenige groote hagedissen liepen vlug in de spleten van een ouden boom rond; zij konden elkaar goed verstaan, want ze spraken de hagedissentaal.

«Wat is er een rumoer en een gebrom in den ouden elfenheuvel!» zei een der hagedissen. «Ik heb van het leven al in twee nachten geen oog dicht kunnen doen: ik kon even goed kiespijn hebben, want dan slaap ik ook niet.»

«Daar binnen is iets aan ’t handje!» zei een andere hagedis. «Zij laten den heuvel, totdat ’s morgens de haan kraait, op vier roode palen staan; hij wordt goed gelucht; en de elfenmeisjes hebben nieuwe dansen geleerd. Daar is iets aan ’t handje!»

«Ja, ik heb er met een regenworm van mijn kennis over gesproken,» zei een derde hagedis; «de regenworm kwam regelrecht uit den heuvel, waar hij dag en nacht in de aarde gewoeld had; die had veel en velerlei gehoord; zien kan hij wel is waar niet, dat ellendige dier, maar voelen en luisteren kan hij goed. Zij verwachten vreemdelingen in den elfenheuvel, deftige vreemdelingen; maar wie, dat wilde de regenworm niet zeggen, of hij wist het niet. Al de dwaallichten zijn besteld, om een fakkeltocht te houden, zooals men het noemt; het zilver en goud, waarvan genoeg in den heuvel voorhanden is, wordt opgepoetst en in den maneschijn tentoongesteld.»

«Wie zouden die vreemdelingen wel zijn?» vroegen al de hagedissen. «Wat zou er toch aan ’t handje zijn? Hoor eens, hoe het gonst! Hoor eens, hoe het bromt!»

Op hetzelfde oogenblik ging de elfenheuvel open, en nu kwam er een oude elf uittrippelen; het was de huishoudster van den ouden elfenkoning; zij was een verre bloedverwante van de familie endroeg een hart van barnsteen voor het voorhoofd. Haar beenen bewogen zich zoo vlug: trip, trip! Sakkerloot! Wat kon zij trippelen! Zij ging regelrecht naar het moeras naar den nachtuil toe.1

«Ge wordt op den elfenheuvel uitgenoodigd, en wel tegen van avond,» zeide zij, «maar wilt ge ons eerst niet een dienst bewijzen en het doen van uitnoodigingen op u nemen? Gij moet ook iets doen, daar gij zelf geen gasten ontvangt. Wij krijgen eenige deftige vrienden, toovenaars, die iets te beteekenen hebben, en daarom wil de elfenkoning zich vertoonen!»

«Wie moeten er uitgenoodigd worden?» vroeg de nachtuil.

«Op het groote bal kan iedereen komen, zelfs menschen, wanneer zij slechts in den slaap spreken of iets dergelijks kunnen doen, wat in onzen geest valt. Maar bij het eerste feest moet er een strenge keuze gedaan worden; wij willen alleen de allervoornaamsten hebben. Ik heb er met den elfenkoning woorden over gehad; want ik dacht, dat wij niet eens spoken konden toelaten. De zeegeest en zijn dochters moeten het eerst uitgenoodigd worden. Zij zullen het wel niet plezierig vinden, op het droge te komen; maar zij zullen wel een natten steen om op te zitten of nog iets beters krijgen, en dan, denk ik, zullen zij voor dezen keer wel niet bedanken. Al de oude demonen van de eerste klasse met staarten, den alruin en de kobolden moeten wij hebben, en dan kunnen wij, dunkt mij, het grafzwijn, het doodenpaard,2en den kerkdwerg ook niet weglaten; zij behooren wel is waar tot de geestelijkheid, die niet tot de onzen gerekend wordt; maar dat is slechts hun ambt; zij zijn toch nauw aan ons verwant en leggen druk bezoeken bij ons af.»

«Goed!» zei de nachtuil en vloog weg, om de uitnoodigingen te doen.

De elfen dansten reeds op den elfenheuvel, en zij dansten met sjaals, die uit nevel en maneschijn geweven waren, en dat staat heel mooi voor hen, die daarvan houden. Midden in den elfenheuvel was de groote zaal prachtig opgesierd; de vloer was met maneschijn geschrobd en de muren waren met heksenvet afgewreven, zoodat zij als tulpebladeren in het licht fonkelden. In de keuken waren volop kikvorschen aan het braadspit, slakkehuiden met kindervingers er in, sla van paddestoelen, vochtige muizesnoeten en dolle kervel, bier van het brouwsel der moerasvrouw, fonkelendesalpeterwijn uit grafkelders, alles overheerlijk; verroeste spijkers en kerkramenglas behoorden tot de lekkernijen.

De oude elfenkoning liet zijn gouden kroon met het afschraapsel van tufsteen oppoetsen; het was best tufsteenschraapsel, en het is voor den elfenkoning zeer moeilijk, tufsteenschraapsel te verkrijgen. In de slaapkamer werden de gordijnen opgehangen en met slakkenslijm vastgemaakt. Ja, er heerschte een geducht gegons en gebrom.

«Nu moet er hier met paardenharen en zwijnenborstels gerookt worden, dan geloof ik het mijne gedaan te hebben,» zei de huishoudster.

«Vaderlief!» zei de jongste der dochters; «mag ik nu ook weten, wie de deftige vreemdelingen zijn?»

«Nu ja,» zei hij, «nu moet ik het wel zeggen. Twee van mijn dochters moeten zich op het huwelijk voorbereid houden; twee zullen er zeker trouwen. De oude kobold uit Noorwegen, die in het oude Dovre-gebergte woont en vele klippenkasteelen van veldsteenen en een gouden sieraad bezit, dat beter is dan men wel denkt, komt met zijn beide zonen, die een vrouw moeten uitzoeken, hier naar toe. De oude kobold is een echte, oude, eerlijke Noorweegsche grijsaard, vroolijk en eenvoudig; ik ken hem uit vroegere dagen, toen wij broederschap met elkander dronken; hij was hier om zijn vrouw af te halen; nu is zij dood; zij was een dochter van den koning der krijtrotsen van Möen. Hij nam zijn vrouw op krijt, zooals men pleegt te zeggen. O, wat verlang ik naar den Noorweegschen ouden kobold! Zijn zonen moeten, naar men zegt, nog al ondeugende, neuswijze jongens zijn; maar men kan hun wel ongelijk aandoen, en zij zullen wel beter worden, als zij wat ouder zijn. Ik hoop, dat je hen beleefd zult behandelen!»

«En wanneer komen zij?» vroeg een der dochters.

«Dat hangt van weer en wind af,» zei de elfenkoning. «Zij komen met scheepsgelegenheid hier naar toe. Ik wilde, dat zij over Zweden zouden gaan; maar de oude man had daar geen ooren naar. Hij gaat niet met zijn tijd mee, en dat kan ik niet velen!»

Daar kwamen twee dwaallichtjes aanhuppelen, het eene vlugger dan het andere, en daarom kwam het eene het eerst.

«Zij komen, zij komen!» riepen beiden uit.

«Geef mij mijn kroon en laat mij in den maneschijn staan!» zei de elfenkoning.

Zijn dochters hieven haar sjaals in de hoogte en bogen zich tot op den grond.

Daar stond de grijze kobold van Dovre met de kroon van geharde ijsklompen en gepolijste pijnappels; overigens had hij een berenpels en groote warme laarzen aan; zijn zonen daarentegen liepen met blooten hals en met broeken zonder bretels, want het waren krachtige mannen.

«Is dat een heuvel?» vroeg de kleinste der jongelingen en wees naar den elfenheuvel. «Dat noemen wij bij ons in Noorwegen een gat.»

«Wel, jongen!» zei de grijsaard. «Een gat gaat naar binnen, eneen heuvel gaat naar boven. Heb je dan geen oogen in je hoofd?»

Het eenige, wat hun verwondering hier wekte, zeiden zij, was, dat zij de taal konden verstaan.

«Men zou haast denken,» zei de grijsaard, «dat je niet goed uitgeslapen waart.»

En nu gingen zij den elfenheuvel in, waar het waarlijk deftige gezelschap zich reeds verzameld had, en wel met zulk een haast, dat men zou denken, dat zij samengewaaid waren. Maar voor iedereen was het keurig en netjes ingericht. De zeemeerminnen zaten in groote tobben aan tafel; zij zeiden, dat het precies was, alsof zij thuis waren. Allen namen de tafelwetten in acht, alleen de beide kleine Noorsche kobolden niet; deze legden hun beenen op de tafel; want zij dachten, dat alles hun goed stond.

«De voeten van het tafellaken af!» zei de oude kobold, en nu gehoorzaamden zij wel is waar, maar toch niet terstond. De dames, die naast hen aan tafel zaten, kittelden zij met pijnappels, die zij in den zak bij zich droegen, en toen trokken zij hun laarzen uit, om gemakkelijker te zitten. Maar hun vader, de oude kobold van Dovre, was een heel ander man; hij vertelde zoo mooi van de trotsche Noorsche rotsen en van watervallen, die wit schuimend met een gedruisch als donderslagen en orgelgeluid neerstortten; hij vertelde van den zalm, die tegen de neervallende wateren opspringt, als de reus op de gouden harp speelt; hij vertelde van de heldere winternachten, wanneer de bellen der sleden klinken en de jongens met brandende fakkels over het ijs loopen, dat zoo doorzichtig is, dat zij de verschrikte visschen onder hun voeten zien zwemmen. Ja, hij kon zoo vertellen, dat men zag, wat hij beschreef; het was juist zoo, alsof er zaagmolens maalden, alsof er jongens en meisjes liedjes zongen en dansten. En nu gaf de oude kobold aan de oude elf een hartelijken kus. En toch bestonden zij elkaar niet.

Nu moesten de elfen dansen, en dat zoowel eenvoudig als met stampen. Dat ging haar goed af, en toen kwam de kunstmatige dans. O, wat konden zij haar beenen ver uitsteken; men wist niet, waar het einde en waar het begin was, wist niet, wat armen en wat beenen waren; dat ging alles zoo wonderlijk door elkaar;entoen draaiden zij zoo hard in de rondte, dat het doodenpaard en het grafzwijn er misselijk van werden en van tafel moesten gaan.

«Sakkerloot!» zei de oude kobold, «wat kunnen zij die beenen wonderlijk door elkaar haspelen! Maar wat kunnen zij meer dan dansen, de beenen uitstrekken en wervelwind maken?»

«Dat zult ge spoedig te weten komen,» zei de elfenkoning. En toen riep hij de oudste van zijn dochters. Zij was zoo behendig en klaar als maneschijn; zij was de knapste van al de zusters. Zij nam een witten spaander in den mond, en toen was zij geheel verdwenen: dat was haar kunst.

Maar de oude kobold zei, dat hij deze kunst bij zijn vrouw niet zou willen dulden, en hij geloofde ook niet, dat zijn jongens daarvan hielden.

De andere kon zich zelf ter zijde gaan, alsof zij een schaduw had, en die hebben de kobolden niet.

De derde was van een heel andere soort; zij had in de brouwerij der moerasvrouw geleerd, en zij was het, die er verstand van had, elzenhout met glimwormpjes te lardeeren.

«Dat zou een goede vrouw zijn,» zei de oude kobold, en daarop knikte hij haar toe.

Nu kwam de vierde; die had een groote harp om te spelen;en toen zij de eerste snaar aansloeg, tilden allen het linkerbeen op; want de kobolden zijn linksch, en toen zij de tweede snaar aansloeg, moesten allen doen, wat zij wilde.

«Dat is een gevaarlijke vrouw!» zei de oude kobold; maar zijn beide zonen gingen den heuvel uit, want nu hadden zij er genoeg van.

«En wat kan uw dochter, die nu volgt?» vroeg de grijze kobold.

«Ik heb geleerd, Noorwegen lief te hebben,» zeide zij, «en nimmer zal ik trouwen, als ik niet naar Noorwegen kan gaan.»

Maar de jongste der zusters fluisterde den grijsaard toe: «Dat is maar, omdat zij uit een Noorweegsch lied gehoord heeft, dat, als de wereld vergaat, de Noorsche klippen toch als gedenksteenen zullen blijven staan, en daarom wil zij er naar toe, want zij is erg bang voor den dood.»

«Wel zoo!» zei de oude kobold, «was het zoo gemeend? Maar wat kan de zevende en laatste?»

«De zesde gaat voor de zevende!» zei de elfenkoning, want hij kon goed rekenen; maar de zesde wilde niet recht voor den dag komen.

«Ik kan de menschen slechts de waarheid zeggen,» zeidezij.«Om mij bekommert niemand zich, en ik heb er genoeg mee te doen, mijn lijkkleed te naaien.»

Nu kwam de zevende en laatste, en wat kon die? Ja, die kon sprookjes vertellen, en wel zooveel, als zij maar wilde.

«Hier zijn mijn vijf vingers,» zeide de oude kobold; «vertel mij er nu een van elken vinger!»

En zij greep hem om zijn pols vast, en hij lachte, dat hij schudde, en toen zij aan den ringvinger kwam, die een gouden ring om zijn lijf had, alsof hij al wist, dat er een verloving zou plaats hebben, zei de oude kobold: «Houd vast, wat ge hebt; deze hand behoort aan u toe; u wil ik zelf tot vrouw hebben!»

En het elfenmeisje zei, dat het sprookje van den ringvinger en van den pink nog ontbraken.

«Die zullen wij van den winter wel hooren,» zei de oude kobold, «en van den denneboom zullen wij hooren en van den berk en van de geestengeschenken en van den vorst! Gij moet maar vertellen; want daar heeft niemand bij ons zoo goed den slag van!—En dan zullen wij in de steenen kamer, waarin pijnhout brandt, zitten en mee uit de gouden horens der oude Noorweegsche koningen drinken; de reus heeft mij een paar gegeven; en als wij daar zitten, dan komt de heks een bezoek afleggen; zij zingt voor u al de liedjes der herdersmeisjes in het gebergte. Dat zal vroolijk worden! De zalm zal tegen den waterval opspringen en met zijn staart tegen de steenen muren aanslaan; maar hij komt er toch niet in!—Ja, het is plezierig wonen in het lieve, oude Noorwegen! Maar waar zijn de jongens?»

Ja, waar waren die? Zij liepen op het veld rond en bliezen de dwaallichtjes uit, die zoo goedhartig geweest waren om den fakkeltocht te brengen.

«Waarom loop je toch zoo rond te dwalen?» vroeg de oude kobold. «Ik heb mij een moeder voor je genomen, nu kun jelui een van de tantes nemen.»

Maar de jongens zeiden, dat zij het liefst een redevoering wilden houden en op de verbroedering drinken; in trouwen hadden zij geen lust.—En nu hielden zij redevoeringen, dronken op hun verbroedering en deden de nagelproef, om te bewijzen, dat zij hun glazen leeggedronken hadden. Later trokken zij hun jassen uit en legden zich op de tafel neer, om te slapen, want zij maakten geen omslag. Maar de oude kobold danste met zijn jonge bruid de kamer rond en wisselde laarzen met haar; want dat staat deftiger, dan ringen te wisselen.

«Nu kraait de haan!» zei de oude elf, die het huishouden waarnam. «Nu moeten wij de luiken sluiten, opdat de zon ons niet verbrande!»

En nu sloot de heuvel zich.

Maar buiten liepen de hagedissen in den gebarsten boom op en neer, en de eene zei tegen de andere:

«O! wat is die Noorweegsche oude kobold mij uitmuntend bevallen!»

«Mij bevallen de jongens beter!» zei de regenworm. Maar hij kon immers niet zien, het ellendige dier!

1Als er zich in vroegere tijden een spook vertoonde, dan bande de predikant het in den grond; als dit gebeurd was, heide men op deze plaats een paal in. Te middernacht klonk dan het geschreeuw: «Laat los!» De paal werd uit den grond gehaald, en de gebannen geest vloog in de gedaante van een uil weg, met een gat in den linkervleugel. Deze spookvogel werd nachtuil genoemd.2Het is in Denemarken een volksbijgeloof, dat er onder iedere kerk, die er gebouwd wordt, een levend paard begraven moet worden; het spooksel daarvan is het doodenpaard, dat iederen nacht op drie pooten naar het huis toe hinkt, waar iemand moet sterven. Onder enkele kerken werd ook een levend varken begraven; het spooksel daarvan heette het grafzwijn.

1Als er zich in vroegere tijden een spook vertoonde, dan bande de predikant het in den grond; als dit gebeurd was, heide men op deze plaats een paal in. Te middernacht klonk dan het geschreeuw: «Laat los!» De paal werd uit den grond gehaald, en de gebannen geest vloog in de gedaante van een uil weg, met een gat in den linkervleugel. Deze spookvogel werd nachtuil genoemd.

2Het is in Denemarken een volksbijgeloof, dat er onder iedere kerk, die er gebouwd wordt, een levend paard begraven moet worden; het spooksel daarvan is het doodenpaard, dat iederen nacht op drie pooten naar het huis toe hinkt, waar iemand moet sterven. Onder enkele kerken werd ook een levend varken begraven; het spooksel daarvan heette het grafzwijn.

De engel.«Zoo dikwijls een goed kind sterft, daalt er een engel uit den hemel op de aarde neer, neemt het doode kind in zijn armen, spreidt zijn groote, witte vleugelen uit, vliegt over alle plaatsen, die het kind heeft liefgehad, en plukt een handvol bloemen, waarmee hij naar God opstijgt, opdat zij daar nog schooner dan op aarde mogen bloeien. De goede God drukt al de bloemen aan Zijn hart, maar de bloem, welke Hem het liefst is, geeft Hij een kus, en dan krijgt zij een stem en kan in het groote hemelkoor meezingen!»Dat alles vertelde een engel Gods, terwijl hij een dood kind naar den hemel droeg, en het kind hoorde hem aan, als ware het in den droom; en zij vlogen voort over die plekjes, waar de kleine gespeeld had, en kwamen door tuinen met heerlijke bloemen.«Welke bloem zullen wij nu meenemen en in den hemel planten?» vroeg de engel.Daar stond een slank, prachtig rozeboompje, maar een moedwillige hand had den stam geknakt, zoodat al de takken vol half ontplooide knopjes er verdord aan hingen.«Dat arme rozeboompje!» zei het kind. «Neem het mede, opdat het daarboven bij God moge bloeien!»En de engel nam het, kuste het kind daarvoor, en de kleine deedzijn oogen half open. Zij plukten van de prachtigste bloemen, maar namen ook het verachte boterbloempje en het wilde vergeet-mij-nietje mee.«Nu hebben wij bloemen!» zei het kind, en de engel knikte; maar hij vloog nog niet naar God op. Het was nacht, het was doodstil; zij bleven in de groote stad en zweefden in een der nauwe straten rond, waar hoopen stroo, asch en vuilnis lagen; het was verhuisdag geweest. Daar lagen scherven van borden, stukken gips, lompen, oude hoeden en alles, wat als nutteloos weggeworpen was.De engel wees te midden van deze verwarring naar eenige scherven van een bloempot en naar een klomp aarde, die er uitgevallen was en door de wortels van eene groote, verdorde veldbloem, die niets waard was en die men daarom op straat geworpen had, bij elkaar gehouden werd.«Die zullen wij nog meenemen!» zei de engel. «Ik zal je vertellen waarom, terwijl wij verder vliegen!»Zij vlogen voort, en de engel vertelde nu:«Daar in die nauwe straat, in dien lagen kelder woonde eens een arme knaap; van zijn kindsheid af was hij altijd bedlegerig geweest; als hij het gezondst was, kon hij het kleine vertrek een paar malen op krukken rondloopen: dat was alles. Op enkele dagen in den zomer drongen de zonnestralen gedurende een half uur tot in den kelder door; en als dan de arme knaap daar zat en zich in de zon koesterde en het roode bloed door zijn dunne vingers zag, wanneer hij deze voor de oogen hield, dan heette het, dat hij dien dag uit geweest was. Hij kende het bosch met zijn heerlijk lentegroen slechts daardoor, dat het zoontje van zijn buurman hem den eersten beuketak bracht; dien hield hij boven zijn hoofd en droomde dan, dat hij onder beuken zat, waar de zon scheen en de vogels zongen. Op zekeren lentedag bracht het zoontje van zijn buurman hem ook eenige veldbloemen; onder deze bevond zich toevallig een met den wortel er aan, en daarom werd zij in een bloempot geplant en dicht bij het bed voor het raam geplaatst. De bloem was door een gelukkige hand geplant: zij groeide, kreeg nieuwe scheuten en droeg ieder jaar bloemen. Zij werd de heerlijkste bloemtuin voor den zieken knaap, zijn kleine schat hier op aarde; hij begoot en verpleegde haar, en zorgde er voor, dat zij iederen zonnestraal tot den laatsten, die door het kleine raampje scheen, kreeg; en de bloem zelf groeide in zijn droom; want voor hem bloeide en geurde zij; tot haar wendde hij zich in den dood, toen de Heer hem riep.—Een jaar is hij nu bij God geweest; een jaar heeft de bloem vergeten voor het raam gestaan en is verdord; zij werd daarom bij het verhuizen op den vuilnishoop op de straat geworpen. En dit is de bloem, de arme, verdorde bloem, die wij in onzen bloemruiker opgenomen hebben, want deze bloem heeft meer vreugde verschaft dan de prachtigste bloem in den tuin eener koningin!»«Maar hoe weet ge dit alles?» vroeg het kind, dat door den engel naar den hemel gedragen werd.«Ik weet het,» zei de engel. «Want ik was zelf die kleine, zieke knaap, die op krukken liep! Mijn bloem ken ik wel!»Het kind deed zijn oogen wijd open en keek den engel in het schoone, vroolijke gelaat; en op hetzelfde oogenblik bevonden zij zich in Gods hemel, waar vreugde en zaligheid heerschten. En God drukte het doode kind aan Zijn hart, en nu kreeg het vleugels, evenals de andere engel, en vloog aan zijn hand mee. En God drukte al de bloemen aan Zijn hart; maar de arme, verwelkte veldbloem kuste Hij; en zij kreeg een stem en zong met al de engelen, die Gods troon omzweefden, enkelen dichtbij, anderen om hen heen in groote kringen, gedurig verder en verder, in het oneindige, maar allen even gelukkig. En allen zongen zij, kleinen en grooten, het goede, gezegende kind en de arme veldbloem, die daar verwelkt gelegen had, weggeworpen in het vuilnis, onder het ontuig van den verhuisdag, in de nauwe donkere straat.

«Zoo dikwijls een goed kind sterft, daalt er een engel uit den hemel op de aarde neer, neemt het doode kind in zijn armen, spreidt zijn groote, witte vleugelen uit, vliegt over alle plaatsen, die het kind heeft liefgehad, en plukt een handvol bloemen, waarmee hij naar God opstijgt, opdat zij daar nog schooner dan op aarde mogen bloeien. De goede God drukt al de bloemen aan Zijn hart, maar de bloem, welke Hem het liefst is, geeft Hij een kus, en dan krijgt zij een stem en kan in het groote hemelkoor meezingen!»

Dat alles vertelde een engel Gods, terwijl hij een dood kind naar den hemel droeg, en het kind hoorde hem aan, als ware het in den droom; en zij vlogen voort over die plekjes, waar de kleine gespeeld had, en kwamen door tuinen met heerlijke bloemen.

«Welke bloem zullen wij nu meenemen en in den hemel planten?» vroeg de engel.

Daar stond een slank, prachtig rozeboompje, maar een moedwillige hand had den stam geknakt, zoodat al de takken vol half ontplooide knopjes er verdord aan hingen.

«Dat arme rozeboompje!» zei het kind. «Neem het mede, opdat het daarboven bij God moge bloeien!»

En de engel nam het, kuste het kind daarvoor, en de kleine deedzijn oogen half open. Zij plukten van de prachtigste bloemen, maar namen ook het verachte boterbloempje en het wilde vergeet-mij-nietje mee.

«Nu hebben wij bloemen!» zei het kind, en de engel knikte; maar hij vloog nog niet naar God op. Het was nacht, het was doodstil; zij bleven in de groote stad en zweefden in een der nauwe straten rond, waar hoopen stroo, asch en vuilnis lagen; het was verhuisdag geweest. Daar lagen scherven van borden, stukken gips, lompen, oude hoeden en alles, wat als nutteloos weggeworpen was.

De engel wees te midden van deze verwarring naar eenige scherven van een bloempot en naar een klomp aarde, die er uitgevallen was en door de wortels van eene groote, verdorde veldbloem, die niets waard was en die men daarom op straat geworpen had, bij elkaar gehouden werd.

«Die zullen wij nog meenemen!» zei de engel. «Ik zal je vertellen waarom, terwijl wij verder vliegen!»

Zij vlogen voort, en de engel vertelde nu:

«Daar in die nauwe straat, in dien lagen kelder woonde eens een arme knaap; van zijn kindsheid af was hij altijd bedlegerig geweest; als hij het gezondst was, kon hij het kleine vertrek een paar malen op krukken rondloopen: dat was alles. Op enkele dagen in den zomer drongen de zonnestralen gedurende een half uur tot in den kelder door; en als dan de arme knaap daar zat en zich in de zon koesterde en het roode bloed door zijn dunne vingers zag, wanneer hij deze voor de oogen hield, dan heette het, dat hij dien dag uit geweest was. Hij kende het bosch met zijn heerlijk lentegroen slechts daardoor, dat het zoontje van zijn buurman hem den eersten beuketak bracht; dien hield hij boven zijn hoofd en droomde dan, dat hij onder beuken zat, waar de zon scheen en de vogels zongen. Op zekeren lentedag bracht het zoontje van zijn buurman hem ook eenige veldbloemen; onder deze bevond zich toevallig een met den wortel er aan, en daarom werd zij in een bloempot geplant en dicht bij het bed voor het raam geplaatst. De bloem was door een gelukkige hand geplant: zij groeide, kreeg nieuwe scheuten en droeg ieder jaar bloemen. Zij werd de heerlijkste bloemtuin voor den zieken knaap, zijn kleine schat hier op aarde; hij begoot en verpleegde haar, en zorgde er voor, dat zij iederen zonnestraal tot den laatsten, die door het kleine raampje scheen, kreeg; en de bloem zelf groeide in zijn droom; want voor hem bloeide en geurde zij; tot haar wendde hij zich in den dood, toen de Heer hem riep.—Een jaar is hij nu bij God geweest; een jaar heeft de bloem vergeten voor het raam gestaan en is verdord; zij werd daarom bij het verhuizen op den vuilnishoop op de straat geworpen. En dit is de bloem, de arme, verdorde bloem, die wij in onzen bloemruiker opgenomen hebben, want deze bloem heeft meer vreugde verschaft dan de prachtigste bloem in den tuin eener koningin!»

«Maar hoe weet ge dit alles?» vroeg het kind, dat door den engel naar den hemel gedragen werd.

«Ik weet het,» zei de engel. «Want ik was zelf die kleine, zieke knaap, die op krukken liep! Mijn bloem ken ik wel!»

Het kind deed zijn oogen wijd open en keek den engel in het schoone, vroolijke gelaat; en op hetzelfde oogenblik bevonden zij zich in Gods hemel, waar vreugde en zaligheid heerschten. En God drukte het doode kind aan Zijn hart, en nu kreeg het vleugels, evenals de andere engel, en vloog aan zijn hand mee. En God drukte al de bloemen aan Zijn hart; maar de arme, verwelkte veldbloem kuste Hij; en zij kreeg een stem en zong met al de engelen, die Gods troon omzweefden, enkelen dichtbij, anderen om hen heen in groote kringen, gedurig verder en verder, in het oneindige, maar allen even gelukkig. En allen zongen zij, kleinen en grooten, het goede, gezegende kind en de arme veldbloem, die daar verwelkt gelegen had, weggeworpen in het vuilnis, onder het ontuig van den verhuisdag, in de nauwe donkere straat.

De nieuwe kleeren van den keizer.Daar was eens—’t is al vele jaren geleden—een keizer, die zoo ontzaglijk veel van nieuwe kleeren hield, dat hij al zijn geld uitgaf om mooi gekleed te gaan. Hij bekommerde zich niet om zijn soldaten, hij bekommerde zich niet om den schouwburg, en hield er slechts van, uit rijden te gaan, om zijn nieuwe kleeren te laten zien. Hij had voor ieder uur van den dag een afzonderlijken rok, en, evenals men van een koning zegt, dat hij in den raad is, zoo zei men hier altijd: «De keizer is in zijn kleedkamer!»In de groote stad, waar hij woonde, ging het zeer vroolijk toe: iederen dag vertoonden zich daar vele vreemdelingen. Op zekeren dag kwamen er ook twee bedriegers; dezen gaven zich voor wevers uit en zeiden, dat zij de mooiste stoffen, die men zich maar kon voorstellen, konden weven. De kleuren en het fatsoen waren niet alleen allerprachtigst, maar de kleeren, welke van die stoffen vervaardigd werden, bezaten de verwonderlijke eigenschap dat zij voor iedereen, die niet voor zijn ambt deugde of die oliedom was, onzichtbaar waren.«Dat zullen wel prachtige kleeren zijn,» dacht de keizer; «als ik deze had, dan zou ik er achter kunnen komen, welke mannen in mijn rijk voor het ambt, dat zij bekleeden, niet deugen; dan zou ik de verstandigen van de dommen kunnen onderscheiden. Ja, zulke kleeren moeten er terstond voor mij geweven worden!» En hij gaf aan de beide bedriegers veel geld vooruit, opdat zij een begin met hun arbeid konden maken.Zij stelden nu twee weefgetouwen op en deden alsof zij werkten, maar zij hadden volstrekt niets op deze weefgetouwen. Toch verlangden zij de fijnste zijde en het prachtigste goud: dit staken zij in hun eigen zakken en werkten tot laat in den nacht aan de leege weefgetouwen.«Ik zou toch wel eens willen weten, hoe ver zij al met de kleeren zijn!» dacht de keizer. Maar het was hem werkelijk bang te moede, als hij er aan dacht, dat diegene, die dom was of niet voor zijn ambt deugde, ze niet zou kunnen zien. Nu geloofde hij wel is waar, dat hij voor zich zelf niets te vreezen had; doch hij wilde toch eerst maar een ander zenden, om eens te zien, hoe het er mee gesteld was. Alle menschen in de geheele stad wisten, welk een bijzondere kracht die kleeren bezaten, en allen waren verlangend om te zien, hoe slecht of hoe dom hun buurman was.«Ik zal mijn ouden, eerlijken minister naar de wevers toe zenden!» dacht de keizer. «Hij kan het best beoordeelen, hoe de kleeren er uitzien; want hij bezit verstand, en niemand is beter voor zijn ambt geschikt dan hij!»Nu trad de goede, oude minister de zaal binnen, waarin de beide bedriegers zaten en aan de leege weefgetouwen arbeidden.«De Hemel beware mij!» dacht de oude minister en spalkte zijn oogen wijd open; «ik kan er niets van zien!» Maar dat zei hij niet.De beide bedriegers verzochten hem naderbij te komen, en vroegen, of het geen prachtige stof en geen fraaie kleuren waren. Daarop wezen zij naar het leege weefgetouw, en de arme, oude minister spalkte zijn oogen nog wijder op; maar hij kon niets zien, want er was ook niets te zien. «Lieve hemel!» dacht hij, «zou ik nu zoo dom zijn? Dat had ik nooit gedacht, en dat mag niemand weten! Zou ik niet voor mijn ambt deugen? Neen, het gaat niet aan, te vertellen, dat ik de kleeren niet heb kunnen zien!»«Welnu, ge zegt er niets van,» zei een der wevers.«O, ’t is prachtig, ’t is allerkeurigst!» antwoordde de oude minister en keek door zijn bril. «Welk een fijne stof! Welke levendige kleuren!—Ja, ik zal tegen den keizer zeggen, dat het mij best bevalt.»«Nu, dat doet ons genoegen,» zeiden de beide wevers, en daarop noemden zij de kleuren met name en gaven een verklaring van het zonderlinge fatsoen. De oude minister paste goed op, dat hij hetzelfde zou kunnen zeggen, als hij bij den keizer terugkwam, en dat deed hij ook.Nu verlangden de bedriegers meer geld, meer zijde en meer goud, dat zij bij het weven moesten gebruiken. Zij staken alles in hun eigen zakken. Op het weefgetouw kwam geen enkele draad; maar zij gingen voort, evenals tot hiertoe, aan het leege weefgetouw te arbeiden.De keizer zond er al spoedig daarop weer een anderen eerlijken staatsman naar toe, om eens te zien, hoe het met het weven ging en of zijn kleeren haast gereed waren. Het ging met dezen evenals met den eerste: hij keek al en keek al, maar omdat er behalve het leege weefgetouw niets was, kon hij ook niets zien.«Dom ben ik niet!» dacht de man. «Dus deug ik niet voor mijn ambt. Dat is gek genoeg, maar ik moet dit niet laten blijken!» en zoo roemde hij het kleed, dat hij niet zag, en betuigde hun zijn ingenomenheid met de heerlijke kleuren en het sierlijke fatsoen. «O, ’t is allerkeurigst!» zei hij tegen den keizer.Alle menschen in de stad spraken over de prachtige kleeren.Nu wilde de keizer ze zelf zien, terwijl ze nog op het weefgetouw waren. Met een geheele schare van uitgelezen mannen, waaronder zich ook de beide eerlijke staatslieden bevonden, die er reeds vroeger geweest waren, ging hij naar de beide listige bedriegers toe, die uit al hun macht weefden, maar zonder draden.«Is dat niet prachtig?» zeiden de beide oude staatslieden, die er reeds eenmaal geweest waren. «Kijk eens, Uwe Majesteit! welk een keurige stof, welke schitterende kleuren!» En daarbij wezen zij naar het ledige weefgetouw, want zij dachten, dat de anderen de stof wel konden zien.«Hoe nu?» dacht de keizer, «ik zie niets hoegenaamd! Ben ik dan zoo dom? Deug ik dan volstrekt niet voor keizer? Dat zou het verschrikkelijkste zijn, wat mij kon overkomen.»—«O, het is allerprachtigst,» zei hij daarop overluid. «Het heeft mijn allerhoogsten bijval!» En hij knikte tevreden en keek naar het leege weefgetouw;want hij wilde niet zeggen, dat hij niets kon zien. Het geheele gevolg, dat hij bij zich had, keek en keek, en wist evenmin, wat het er aan had, als al de anderen; maar zij zeiden, evenals de keizer: «O, dat is prachtig!» En zij rieden hem deze nieuwe prachtige kleeren bij gelegenheid van den plechtigen optocht, die er zou gehouden worden, voor het eerst aan te trekken. «Het is heerlijk, prachtig, schitterend!» zoo ging het van mond tot mond; men scheen er overal hoog mee ingenomen te zijn, en de keizer verleende de bedriegers den titel van keizerlijke hofwevers.Den geheelen nacht, die vooraf ging aan den morgen, waarop de feestelijke optocht zou gehouden worden, waren de bedriegers op en hadden wel zestien lichten opgestoken. De menschen konden zien, dat zij druk bezig waren, de nieuwe kleeren van den keizer af te werken. Zij deden, alsof zij de stof van het weefgetouw afnamen, zij knipten met groote scharen in de lucht, zij naaiden met naalden zonder draden en zeiden eindelijk: «Nu zijn de kleeren klaar!»De keizer ging er met de voornaamste heeren van zijn hof zelf naar toe, en de beide bedriegers hieven hun eenen arm in de hoogte, alsof zij iets vasthielden en zeiden: «Kijk eens! Hier is de broek! Hier is de rok! Hier is de mantel!» En zoo voort. «Het is zoo licht als spinrag; men zou zeggen, dat men niets aan het lijf had; maar dat maakt er juist het mooie van uit!»«Prachtig!» riepen al de heeren uit; maar zij konden er niets van zien; want er was ook niets te zien.«Gelieft Uwe Majesteit thans uw kleeren uit te trekken,» zeiden de bedriegers, «dan zullen wij ze u aantrekken, hier voor den grooten spiegel.De keizer trok al zijn bovenkleeren uit, en de bedriegers deden, alsof zij hem ieder stuk der nieuwe kleeren, die gereed waren, aantrokken; en de keizer bekeek zich in den grooten spiegel.«O, wat staan zij goed, wat zitten zij prachtig!» zeiden allen. «Welk een keurig fatsoen, welke schitterende kleuren! Dat is een prachtig pak!»«Buiten staan ze met den troonhemel, die bij gelegenheid van den plechtigen optocht boven Uwe Majesteit gedragen zal worden,» meldde de opperceremoniemeester.«Kijk maar eens, ik ben al klaar!» zei de keizer. «Staan ze mij niet goed?» En daarop begaf hij zich nogmaals naar den spiegel want het moest den schijn hebben, alsof hij zijn sierlijke kleeding daarin eens goed bekeek.De kamerheeren, die den sleep moesten dragen, grepen met de handen naar den grond, alsof zij den sleep optilden; zij deden, alsof zij iets in de hoogte hielden; zij waagden het niet, te laten merken, dat zij niets konden zien.Zoo ging de keizer in een plechtigen optocht onder den prachtigen troonhemel, en alle menschen op de straat en voor de ramen zeiden: «O, wat zijn de kleeren van den keizer mooi! Wat staan ze hem goed! Welk een langen sleep heeft hij er aan!» Niemand wilde laten merken, dat hij niets zag, want dan zou hij immers niet voor zijn ambt gedeugd hebben of oliedom geweest zijn. Nooit waren de kleeren van den keizer zoozeer bewonderd als dezen keer.«Maar hij heeft immers niets aan!» zei eindelijk een klein kind. «Hoor de stem der onschuld nu eens aan!» zei zijn vader; en de een fluisterde den ander toe, wat het kind gezegd had.«Maar hij heeft immers niets aan!» riep eindelijk het geheele volk. Dit trof den keizer; want het kwam hem voor, dat men gelijk had; maar hij dacht bij zich zelf: «Nu moet ik mij goed blijven houden!» En de kamerheeren liepen nog deftiger en droegen den sleep, die er niet was.

Daar was eens—’t is al vele jaren geleden—een keizer, die zoo ontzaglijk veel van nieuwe kleeren hield, dat hij al zijn geld uitgaf om mooi gekleed te gaan. Hij bekommerde zich niet om zijn soldaten, hij bekommerde zich niet om den schouwburg, en hield er slechts van, uit rijden te gaan, om zijn nieuwe kleeren te laten zien. Hij had voor ieder uur van den dag een afzonderlijken rok, en, evenals men van een koning zegt, dat hij in den raad is, zoo zei men hier altijd: «De keizer is in zijn kleedkamer!»

In de groote stad, waar hij woonde, ging het zeer vroolijk toe: iederen dag vertoonden zich daar vele vreemdelingen. Op zekeren dag kwamen er ook twee bedriegers; dezen gaven zich voor wevers uit en zeiden, dat zij de mooiste stoffen, die men zich maar kon voorstellen, konden weven. De kleuren en het fatsoen waren niet alleen allerprachtigst, maar de kleeren, welke van die stoffen vervaardigd werden, bezaten de verwonderlijke eigenschap dat zij voor iedereen, die niet voor zijn ambt deugde of die oliedom was, onzichtbaar waren.

«Dat zullen wel prachtige kleeren zijn,» dacht de keizer; «als ik deze had, dan zou ik er achter kunnen komen, welke mannen in mijn rijk voor het ambt, dat zij bekleeden, niet deugen; dan zou ik de verstandigen van de dommen kunnen onderscheiden. Ja, zulke kleeren moeten er terstond voor mij geweven worden!» En hij gaf aan de beide bedriegers veel geld vooruit, opdat zij een begin met hun arbeid konden maken.

Zij stelden nu twee weefgetouwen op en deden alsof zij werkten, maar zij hadden volstrekt niets op deze weefgetouwen. Toch verlangden zij de fijnste zijde en het prachtigste goud: dit staken zij in hun eigen zakken en werkten tot laat in den nacht aan de leege weefgetouwen.

«Ik zou toch wel eens willen weten, hoe ver zij al met de kleeren zijn!» dacht de keizer. Maar het was hem werkelijk bang te moede, als hij er aan dacht, dat diegene, die dom was of niet voor zijn ambt deugde, ze niet zou kunnen zien. Nu geloofde hij wel is waar, dat hij voor zich zelf niets te vreezen had; doch hij wilde toch eerst maar een ander zenden, om eens te zien, hoe het er mee gesteld was. Alle menschen in de geheele stad wisten, welk een bijzondere kracht die kleeren bezaten, en allen waren verlangend om te zien, hoe slecht of hoe dom hun buurman was.

«Ik zal mijn ouden, eerlijken minister naar de wevers toe zenden!» dacht de keizer. «Hij kan het best beoordeelen, hoe de kleeren er uitzien; want hij bezit verstand, en niemand is beter voor zijn ambt geschikt dan hij!»

Nu trad de goede, oude minister de zaal binnen, waarin de beide bedriegers zaten en aan de leege weefgetouwen arbeidden.

«De Hemel beware mij!» dacht de oude minister en spalkte zijn oogen wijd open; «ik kan er niets van zien!» Maar dat zei hij niet.

De beide bedriegers verzochten hem naderbij te komen, en vroegen, of het geen prachtige stof en geen fraaie kleuren waren. Daarop wezen zij naar het leege weefgetouw, en de arme, oude minister spalkte zijn oogen nog wijder op; maar hij kon niets zien, want er was ook niets te zien. «Lieve hemel!» dacht hij, «zou ik nu zoo dom zijn? Dat had ik nooit gedacht, en dat mag niemand weten! Zou ik niet voor mijn ambt deugen? Neen, het gaat niet aan, te vertellen, dat ik de kleeren niet heb kunnen zien!»

«Welnu, ge zegt er niets van,» zei een der wevers.

«O, ’t is prachtig, ’t is allerkeurigst!» antwoordde de oude minister en keek door zijn bril. «Welk een fijne stof! Welke levendige kleuren!—Ja, ik zal tegen den keizer zeggen, dat het mij best bevalt.»

«Nu, dat doet ons genoegen,» zeiden de beide wevers, en daarop noemden zij de kleuren met name en gaven een verklaring van het zonderlinge fatsoen. De oude minister paste goed op, dat hij hetzelfde zou kunnen zeggen, als hij bij den keizer terugkwam, en dat deed hij ook.

Nu verlangden de bedriegers meer geld, meer zijde en meer goud, dat zij bij het weven moesten gebruiken. Zij staken alles in hun eigen zakken. Op het weefgetouw kwam geen enkele draad; maar zij gingen voort, evenals tot hiertoe, aan het leege weefgetouw te arbeiden.

De keizer zond er al spoedig daarop weer een anderen eerlijken staatsman naar toe, om eens te zien, hoe het met het weven ging en of zijn kleeren haast gereed waren. Het ging met dezen evenals met den eerste: hij keek al en keek al, maar omdat er behalve het leege weefgetouw niets was, kon hij ook niets zien.

«Dom ben ik niet!» dacht de man. «Dus deug ik niet voor mijn ambt. Dat is gek genoeg, maar ik moet dit niet laten blijken!» en zoo roemde hij het kleed, dat hij niet zag, en betuigde hun zijn ingenomenheid met de heerlijke kleuren en het sierlijke fatsoen. «O, ’t is allerkeurigst!» zei hij tegen den keizer.

Alle menschen in de stad spraken over de prachtige kleeren.

Nu wilde de keizer ze zelf zien, terwijl ze nog op het weefgetouw waren. Met een geheele schare van uitgelezen mannen, waaronder zich ook de beide eerlijke staatslieden bevonden, die er reeds vroeger geweest waren, ging hij naar de beide listige bedriegers toe, die uit al hun macht weefden, maar zonder draden.

«Is dat niet prachtig?» zeiden de beide oude staatslieden, die er reeds eenmaal geweest waren. «Kijk eens, Uwe Majesteit! welk een keurige stof, welke schitterende kleuren!» En daarbij wezen zij naar het ledige weefgetouw, want zij dachten, dat de anderen de stof wel konden zien.

«Hoe nu?» dacht de keizer, «ik zie niets hoegenaamd! Ben ik dan zoo dom? Deug ik dan volstrekt niet voor keizer? Dat zou het verschrikkelijkste zijn, wat mij kon overkomen.»—«O, het is allerprachtigst,» zei hij daarop overluid. «Het heeft mijn allerhoogsten bijval!» En hij knikte tevreden en keek naar het leege weefgetouw;want hij wilde niet zeggen, dat hij niets kon zien. Het geheele gevolg, dat hij bij zich had, keek en keek, en wist evenmin, wat het er aan had, als al de anderen; maar zij zeiden, evenals de keizer: «O, dat is prachtig!» En zij rieden hem deze nieuwe prachtige kleeren bij gelegenheid van den plechtigen optocht, die er zou gehouden worden, voor het eerst aan te trekken. «Het is heerlijk, prachtig, schitterend!» zoo ging het van mond tot mond; men scheen er overal hoog mee ingenomen te zijn, en de keizer verleende de bedriegers den titel van keizerlijke hofwevers.

Den geheelen nacht, die vooraf ging aan den morgen, waarop de feestelijke optocht zou gehouden worden, waren de bedriegers op en hadden wel zestien lichten opgestoken. De menschen konden zien, dat zij druk bezig waren, de nieuwe kleeren van den keizer af te werken. Zij deden, alsof zij de stof van het weefgetouw afnamen, zij knipten met groote scharen in de lucht, zij naaiden met naalden zonder draden en zeiden eindelijk: «Nu zijn de kleeren klaar!»

De keizer ging er met de voornaamste heeren van zijn hof zelf naar toe, en de beide bedriegers hieven hun eenen arm in de hoogte, alsof zij iets vasthielden en zeiden: «Kijk eens! Hier is de broek! Hier is de rok! Hier is de mantel!» En zoo voort. «Het is zoo licht als spinrag; men zou zeggen, dat men niets aan het lijf had; maar dat maakt er juist het mooie van uit!»

«Prachtig!» riepen al de heeren uit; maar zij konden er niets van zien; want er was ook niets te zien.

«Gelieft Uwe Majesteit thans uw kleeren uit te trekken,» zeiden de bedriegers, «dan zullen wij ze u aantrekken, hier voor den grooten spiegel.

De keizer trok al zijn bovenkleeren uit, en de bedriegers deden, alsof zij hem ieder stuk der nieuwe kleeren, die gereed waren, aantrokken; en de keizer bekeek zich in den grooten spiegel.

«O, wat staan zij goed, wat zitten zij prachtig!» zeiden allen. «Welk een keurig fatsoen, welke schitterende kleuren! Dat is een prachtig pak!»

«Buiten staan ze met den troonhemel, die bij gelegenheid van den plechtigen optocht boven Uwe Majesteit gedragen zal worden,» meldde de opperceremoniemeester.

«Kijk maar eens, ik ben al klaar!» zei de keizer. «Staan ze mij niet goed?» En daarop begaf hij zich nogmaals naar den spiegel want het moest den schijn hebben, alsof hij zijn sierlijke kleeding daarin eens goed bekeek.

De kamerheeren, die den sleep moesten dragen, grepen met de handen naar den grond, alsof zij den sleep optilden; zij deden, alsof zij iets in de hoogte hielden; zij waagden het niet, te laten merken, dat zij niets konden zien.

Zoo ging de keizer in een plechtigen optocht onder den prachtigen troonhemel, en alle menschen op de straat en voor de ramen zeiden: «O, wat zijn de kleeren van den keizer mooi! Wat staan ze hem goed! Welk een langen sleep heeft hij er aan!» Niemand wilde laten merken, dat hij niets zag, want dan zou hij immers niet voor zijn ambt gedeugd hebben of oliedom geweest zijn. Nooit waren de kleeren van den keizer zoozeer bewonderd als dezen keer.

«Maar hij heeft immers niets aan!» zei eindelijk een klein kind. «Hoor de stem der onschuld nu eens aan!» zei zijn vader; en de een fluisterde den ander toe, wat het kind gezegd had.

«Maar hij heeft immers niets aan!» riep eindelijk het geheele volk. Dit trof den keizer; want het kwam hem voor, dat men gelijk had; maar hij dacht bij zich zelf: «Nu moet ik mij goed blijven houden!» En de kamerheeren liepen nog deftiger en droegen den sleep, die er niet was.

De mestkever.Het lievelingspaard van den keizer kreeg een gouden beslag, een gouden hoefijzer aan iederen poot.Maar waarom dat?Het was een verwonderlijk mooi beest, had fijne pooten, schrandere, heldere oogen en manen, die als een sluier over zijn hals neerhingen. Het had zijn meester door kruitdamp en kogelregen gedragen, had de kogels hooren zingen en fluiten, had gebeten, geslagen en meegestreden, toen de vijanden op hem indrongen, was met zijn keizer over het gevallen paard van den vijand heengesprongen, had de kroon van goud, het leven van zijn keizer gered,—en daarom kreeg het paard van den keizer gouden hoefijzers.Er kwam een mestkever aankruipen. «Eerst de grooten, dan de kleinen,» zeide hij; «maar in de grootte alleen zit het hem niet.» En daarbij strekte hij zijn dunne pooten uit.«Wat moet je hebben?» vroeg de hoefsmid.«Een gouden hoefbeslag,» antwoordde de mestkever.«Och, je bent zeker niet wijs!» riep de smid uit. «Wil je ook een gouden hoefbeslag hebben?»«Een gouden hoefbeslag, jawel!» zei de mestkever. «Ben ik dan niet even goed als dat groote dier daar, dat opgepast en geroskamd wordt en dat men eten en drinken voorzet? Behoor ik ook niet in den keizerlijken stal?»«Maar waarom krijgt het paard een gouden hoefbeslag?» vroeg de smid. «Begrijp je dat niet?»«Begrijpen?—Ik begrijp, dat het een geringschatting van mijn persoon is,» zei de mestkever; «het geschiedt om mij te krenken, en daarom ga ik ook de wijde wereld in.»«Ga je gang maar!» zei de smid.«Gemeene kerel, die je bent!» zei de mestkever, en toen ging hij den stal uit, vloog een klein eindje weg en bevond zich al spoedig daarop in een mooien bloemtuin, waar het van rozen en lavendel geurde.«Is het hier niet allerprachtigst?» vroeg een der kleine insecten, die met hun roode, sterke, met zwarte stipjes bezaaide vlerkjes daarin rondvlogen. «Wat is het hier heerlijk, wat is het hier schoon!»«Ik ben het beter gewend,» zei de mestkever. «Noem je het hier mooi. Er is niet eens een mesthoop?»Daarop ging hij verder onder de schaduw van een groote violier: daar kroop een rups.«Wat is de wereld toch schoon!» zei de rups. «De zon is zoo warm, alles zoo vergenoegd! En als ik eenmaal in slaap val en sterf, zooals zij het noemen, dan ontwaak ik als een kapel.»«Wat verbeeldt je je wel,» zei de mestkever, «als kapel rond te vliegen? Ik kom uit den stal van den keizer; maar niemand daar, zelfs niet het lievelingspaard van den keizer, dat toch mijn afgelegdegouden schoenen draagt, beeldt zich zoo iets in. Vleugels krijgen! Vliegen! Ja, maar nu vliegen wij!» En hierop vloog de mestkever weg. «Ik wil mij niet ergeren, maar erger mij toch!» zei hij onder het wegvliegen.Al spoedig daarop streek hij op een groot grasperk neer; hier lag hij een poos; eindelijk viel hij in slaap.Een stortregen stroomde er eensklaps uit de wolken neer. De mestkever ontwaakte van het rumoer en wilde zich in den grond verschuilen, maar dit gelukte hem niet: hij werd al om en om gekeerd; nu eens dreef hij op den buik, dan weer op den rug, aan vliegen viel niet te denken;—hij twijfelde er aan, of hij wel levend van deze plaats zou wegkomen. Hij lag, waar hij lag, en bleef daar ook liggen.Toen het weer een weinig tot bedaren gekomen was en de mestkever het water uit zijn oogen weggepinkt had, zag hij iets wits schemeren: het was een stuk linnen, dat op de bleek lag; hij ging er heen en kroop tusschen een plooi van het natte linnen. Daar lag hij wel is waar anders dan op den warmen mesthoop in den stal; maar iets beters was hier niet voorhanden, en daarom bleef hij, waar hij was, bleef er een geheelen dag, een geheelen nacht, en ook de regen bleef. Tegen den morgen kroop hij tevoorschijn; hij ergerde zich over de weersgesteldheid.Op het linnen zaten twee kikvorschen; hun heldere, oogen straalden van louter plezier. «Wat is het heerlijk weer!» zei de eene, «hoe verfrisschend! En het linnen houdt het water zoo mooi bij elkander; het krabbelt mij in de achterpooten, alsof ik moest zwemmen.»«Ik zou wel eens willen weten,» zei de andere, «of de zwaluw, die zoo ver rondvliegt, op haar vele reizen in het buitenland een beter klimaat dan het onze gevonden heeft. Zulk een nattigheid! Het is waarlijk, alsof men in een natte sloot lag! Wie zich daarin niet verheugt, heeft zijn vaderland niet lief.»«Ben je dan niet in den stal van den keizer geweest?» vroeg de mestkever. «Daar is de vochtigheid warm en geurig: dat is mijn klimaat; maar dat kan men niet op reis meenemen. Is er hier in den tuin geen mesthoop, waar personen van een aanzienlijken stand zooals ik zich te huis kunnen voelen en logeeren?»De kikvorschen begrepen hem niet of wilden hem niet begrijpen.«Ik vraag nooit tweemaal!» zei de mestkever, nadat hij reeds driemaal gevraagd en geen antwoord gekregen had.Daarop ging hij een eindje verder en stiet nu op een potscherf, die daar wel is waar niet had moeten liggen, maar zooals zij lag, gaf zij een goede beschutting tegen weer en wind. Hier woonden verscheidene familiën van oorwormen; deze hadden geen hooge eischen,—alleen gezelligheid. De vrouwelijke individuen zijn vol van de teederste moederliefde, en daarom prees ook iedere moeder haar kind als het schoonste en verstandigste.«Ons zoontje heeft zich verloofd!» zei een moeder. «Het is eenbeste jongen. Zijn geheele streven is daarheen gericht, eenmaal in het oor van een geestelijke te komen. Zijn verloving bewaart hem voor uitspattingen! Welk een vreugde voor een moeder!»«Onze zoon,» sprak een andere moeder, «was, zoodra hij uit het ei gekropen was, ook dadelijk in de weer; het is alles leven en vuur aan hem! Hij loopt zich de horens af! Welk een vreugde voor een moeder! Niet waar, mijnheer de mestkever?»«Je hebt beiden gelijk!» zei de mestkever; en nu verzocht men hem, de kamer binnen te treden, zoo ver hij namelijk onder de potscherf kon komen.«Nu zie je ook mijn klein oorwurmpje!» zeiden een derde en een vierde van de moeders. «Het zijn lieve kinderen en zij houden veel van een grapje. Zij zijn nooit ondeugend, als zij ten minste geen buikpijn hebben; maar op hun leeftijd krijgt men dat maar al te gemakkelijk!»Op deze wijzesprakiedere moeder over haar kindertjes, en de kindertjes spraken mee en gebruikten hun kleine scharen, die zij aan den staart hebben, om den mestkever aan den baard te trekken.«Ja, zij moeten ook altijd wat doen, die kleine schalkjes!» zeiden de moeders. Maar dat verveelde den mestkever; hij vroeg daarom, of hij nog ver van den mesthoop verwijderd was.«Die is buiten in de wijde wereld, aan gene zijde van de sloot,» antwoordde een oorworm; «zoo ver zal, naar ik hoop, geen mijner kinderen gaan; dat zou mij den dood aandoen!»«Zoo ver zal ik toch trachten te komen,» zei de mestkever en verwijderde zich zonder afscheid te nemen; want dat staat immers deftig.Bij de sloot trof hij verscheidene van zijn soort aan, allemaal mestkevers.«Hier wonen wij!» zeiden zij. «Wij hebben het hier heel gezellig! Mogen wij je ook uitnoodigen, in het vette slijk af te klimmen? De reis is zeker vermoeiend voor je geweest!»«Zeker!» sprak de mestkever. «Ik was aan den regen blootgesteld en heb op linnen moeten liggen. Ook heb ik scheuren in mijn eenen vleugel, omdat ik onder een potscherf in den tocht gestaan heb. Het is inderdaad een waar genot voor mij, weer eens onder mijns gelijken te zijn.»«Kom je misschien van den mesthoop?» vroeg de oudste.«Van heel wat deftiger plaats!» zei de mestkever. «Ik kom uit den stal van den keizer, waar ik met gouden schoenen aan de pooten geboren ben; ik ben op reis ter volbrenging van een geheimen last; doch je moet mij daarover maar niet uithooren, want ik verraad het toch niet.»Daarop klom de mestkever in het vette slijk af. Daar zaten drie jonge mestkeverinnen; zij meesmuilden, omdat zij niet wisten, wat zij zouden zeggen.«Geen van de drie is nog verloofd,» zei de moeder; en de jonge dames meesmuilden op nieuw, ditmaal uit verlegenheid.«Ik heb ze in de keizerlijke stallen niet mooier gezien,» zei de mestkever, terwijl hij uitrustte.«Bederf mijn dochters niet; spreek niet tegen haar, of het moest zijn, dat je werkelijk plan op een van haar hadt!—Maar dat heb je zeker wel, en ik geef er mijn zegen op!»«Hoera!» riepen al de andere mestkevers uit, en onze mestkever was nu verloofd. Op de verloving volgde de bruiloft dadelijk; want er bestond geen reden om deze uit te stellen.De volgende dag verliep zeer aangenaam, de daarop volgende ook nog al; maar den derden dag moest hij reeds op voedsel voor zijn vrouw, misschien zelfs wel voor zijn kinderen bedacht zijn.«Ik heb mij laten misleiden!» dacht de mestkever; «er blijft mij dus niets anders over, dan ze ook te misleiden!»Zoo gezegd, zoo gedaan! Weg was hij, den heelen dag bleef hij uit, den heelen nacht bleef hij uit,—en zijn vrouw zat daar als een weduwe. «O,» zeiden de andere mestkevers, «hij, dien wij in de familie opgenomen hebben, is een echte landlooper: hij is weggegaan en laat zijn vrouw ten onzen laste achter!»«Welnu, dan moet zij maar weer voor een meisje doorgaan,» zei de moeder, «en als mijn kind hier blijven. Schande over den booswicht, die haar verlaten heeft!»De mestkever was ondertusschen gedurig verder gereisd en op een koolblad over de sloot gezeild. Den volgenden morgen kwamen er twee personen bij de sloot; toen zij hem zagen, tilden zij hem op, draaiden hem om en om, stelden zich beiden heel geleerd aan, inzonderheid een van hen,—een jongen. «Allah ziet de zwarte mestkevers in den zwarten steen, in de zwarte rots! Niet waar, zoo staat er in den Koran geschreven?» Daarop vertaalde hij den naam van den mestkever in het Latijn en verdiepte zich in diens geslacht en aard. De tweede persoon, een oudere geleerde, was er voor, hem mee naar huis te nemen; zij hadden daar, zei hij, even goede exemplaren noodig, en dat—zoo kwam het onzen mestkever voor,—was niet beleefd gesproken, en daarom vloog hij hem plotseling uit de hand. Daar hij nu droge vleugels had, vloog hij een vrij groot eindvoort en bereikte den mesthoop, waarop hij plaats nam en zich in den verschen mest begroef.«Hier is het heerlijk!» zei hij.Al spoedig daarop viel hij in slaap, en nu droomde hij, dat het lievelingspaard van den keizer doodgevallen was en hem zijn gouden hoefijzers gegeven en de belofte gedaan had, zijn andere twee pooten ook te laten beslaan.Dat was zeer aangenaam. Toen de mestkever wakker werd, kroop hij te voorschijn en keek eens in het rond. Welk een pracht heerschte er op den mesthoop! Op den achtergrond groote palmen, die zich hoog verhieven; de zon maakte, dat zij doorzichtig schenen, en wat was daaronder een menigte groen en frissche bloemen, rood als vuur, geel als barnsteen, wit als versch gevallen sneeuw!«Dat is een onvergelijkelijke plantenpracht; dat zal smaken, alshet verrot!» zei de mestkever. «Dat is een goede provisiekamer. Hier wonen zeker bloedverwanten; ik zal eens zien, of ik iemand vind, met wien ik omgang kan hebben. Trotsch ben ik; dat is mijn trots!» En nu drentelde hij over den mesthoop rond en dacht aan zijn schoonen droom van het doode paard en de geërfde hoefijzers.Daar pakte een hand den mestkever eensklaps beet, drukte hem en draaide hem om en om.De zoon van den tuinman en een vriendinnetje van dezen waren bij den mesthoop gekomen, hadden den mestkever gezien en wilden nu een grapje met hem hebben. Eerst werd hij in een wingerdblad gewikkeld en toen in een warmen broekzak gestopt; hij kriebelde en krabbelde daar naar zijn beste vermogen; daarvoor echter kreeg hij een druk van de hand van den knaap en werd op deze wijze tot bedaren gebracht. De knaap ging daarop met rassche schreden naar den grooten vijver toe, die zich aan het einde van den tuin bevond. Hier werd de mestkever in een ouden, halfgebrokenklomp gezet, daarop werd er een stokje voor mast ingestoken, en aan dezen mast bond men den mestkever nu met een wollen draadje vast. Nu was hij schipper en moest zeilen.De vijver was zeer groot, den mestkever scheen het een oceaan toe, en hij verwonderde zich daarover zoozeer, dat hij op zijn rug viel en met zijn pooten lag te trappelen.Het scheepje zeilde af; de stroom van het water voerde het mee; maar als deze het te ver van den wal deed afdrijven, dan stroopte een der jongens zijn broek dadelijk op, stapte in het water en haalde het weer aan land terug. Eindelijk echter, juist toen het weer in volle vaart voorwaarts ging, werden de jongens geroepen, dringend geroepen; zij haastten zich om te komen, liepen van het water weg en lieten het scheepje aan zijn lot over. Dit dreef nu gedurig meer van den oever af, gedurig meer naar het midden van den vijver toe; het was verschrikkelijk voor den mestkever, daar hij niet kon vliegen, omdat hij aan den mast vastgebonden was.Daar kreeg hij bezoek van een vlieg. «Wat is het vandaag mooi weer!» zei de vlieg. «Hier wil ik uitrusten en mij in de zon koesteren. Je hebt het hier heel prettig.»«Je spreekt naar je verstand! Zie je dan niet, dat ik vastgebonden ben?»«Ik ben niet vastgebonden,» zei de vlieg en vloog weg.«Ja, nu ken ik de wereld!» sprak de mestkever. «Het is een booze wereld! Ik ben de eenige fatsoenlijke man op de wereld! Eerst weigert men mij gouden schoenen; vervolgens moet ik op nat linnen liggen en in den tocht staan, en eindelijk dringen zij mij nog een vrouw op! Doe ik daarop een schrede in de wereld en verneem, hoe ik het daar kan krijgen en hoe ik het graag wou hebben, dan komt er een menschenjongen, bindt mij vast en geeft mij aan de woeste golven ten prijs, terwijl het lievelingspaard van den keizer met gouden schoenen rondloopt! Dat ergert mij nog het meest! Maar op deelneming mag men in deze wereld niet rekenen! Mijn levensloop is zeer interessant; maar wat baat het, als niemand dien kent? De wereld verdient het niet, dien te leeren kennen; zij zou mij anders wel gouden schoenen in den stal van den keizer gegeven hebben, toen het lievelingspaard beslagen werd en ik mijn pooten daarom uitstak. Als ik gouden schoenen gekregen had, dan zou ik een sieraad van den stal geworden zijn; nu heeft de stal mij verloren, nu heeft de wereld mij verloren. Alles is uit!»Maar alles was nog niet uit. Er kwam een schuitje, waarin eenige meisjes zaten, aanroeien.«Kijk! Daar zeilt een oude klomp!» zei een der meisjes.«Er zit een diertje aan vastgebonden!» riep een ander uit.Het schuitje kwam dicht in de nabijheid van het scheepje van onzen mestkever; de meisjes vischten dit uit het water op; een van haar haalde een schaartje uit haar zak, knipte het wollen draadje doormidden, zonder den mestkever eenig leed te doen, en toen zij aan land kwam, zette zij hem in het gras neer.«Kruip, kruip! Vlieg, vlieg, als je kunt!» zeide zij. «Vrijheid is een heerlijk ding!»De mestkever vloog op en door een openstaand raam van een groot gebouw; daar viel hij mat en moede neer op de fijne, zachte manen van het lievelingspaard van den keizer, dat in den stal stond, waar het te huis was, evenals dit met den mestkever het geval was. De mestkever klampte zich aan de manen vast, zat een korten tijd doodstil en kwam wat tot kalmte.«Hier zit ik op het lievelingspaard van den keizer, zit als keizer op hem! Maar wat wilde ik ook weer zeggen? Ja, nu schiet het mij weer te binnen! Dat is een goede gedachte. Waarom krijgt het paard een gouden hoefbeslag? Zoo vroeg de smid mij immers. Nu wordt deze vraag mij eerst duidelijk. Ter wille van mij kreeg het paard het gouden hoefbeslag.»En nu kwam de mestkever in een goede luim. «Men krijgt een ruimen blik op reis!» zei hij.De zon wierp haar stralen in den stal op hem neer en maakte het daar licht en vriendelijk.«De wereld is, wel bezien, toch zoo boos niet,» zei de mestkever, «men moet haar maar weten te vatten!»Ja, de wereld was schoon, omdat het lievelingspaard van den keizer slechts daarom een gouden hoefbeslag gekregen had, opdat de mestkever zijn ruiter kon zijn.«Nu zal ik naar de andere kevers toe gaan en hun vertellen, hoe veel men voor mij gedaan heeft: ik zal hun al de onaangenaamheden vertellen, die ik op mijn reis in het buitenland doorgestaan heb, en hun zeggen, dat ik nu zoo lang te huis zal blijven, totdat het paard zijn gouden hoefbeslag afgesleten heeft.

Het lievelingspaard van den keizer kreeg een gouden beslag, een gouden hoefijzer aan iederen poot.

Maar waarom dat?

Het was een verwonderlijk mooi beest, had fijne pooten, schrandere, heldere oogen en manen, die als een sluier over zijn hals neerhingen. Het had zijn meester door kruitdamp en kogelregen gedragen, had de kogels hooren zingen en fluiten, had gebeten, geslagen en meegestreden, toen de vijanden op hem indrongen, was met zijn keizer over het gevallen paard van den vijand heengesprongen, had de kroon van goud, het leven van zijn keizer gered,—en daarom kreeg het paard van den keizer gouden hoefijzers.

Er kwam een mestkever aankruipen. «Eerst de grooten, dan de kleinen,» zeide hij; «maar in de grootte alleen zit het hem niet.» En daarbij strekte hij zijn dunne pooten uit.

«Wat moet je hebben?» vroeg de hoefsmid.

«Een gouden hoefbeslag,» antwoordde de mestkever.

«Och, je bent zeker niet wijs!» riep de smid uit. «Wil je ook een gouden hoefbeslag hebben?»

«Een gouden hoefbeslag, jawel!» zei de mestkever. «Ben ik dan niet even goed als dat groote dier daar, dat opgepast en geroskamd wordt en dat men eten en drinken voorzet? Behoor ik ook niet in den keizerlijken stal?»

«Maar waarom krijgt het paard een gouden hoefbeslag?» vroeg de smid. «Begrijp je dat niet?»

«Begrijpen?—Ik begrijp, dat het een geringschatting van mijn persoon is,» zei de mestkever; «het geschiedt om mij te krenken, en daarom ga ik ook de wijde wereld in.»

«Ga je gang maar!» zei de smid.

«Gemeene kerel, die je bent!» zei de mestkever, en toen ging hij den stal uit, vloog een klein eindje weg en bevond zich al spoedig daarop in een mooien bloemtuin, waar het van rozen en lavendel geurde.

«Is het hier niet allerprachtigst?» vroeg een der kleine insecten, die met hun roode, sterke, met zwarte stipjes bezaaide vlerkjes daarin rondvlogen. «Wat is het hier heerlijk, wat is het hier schoon!»

«Ik ben het beter gewend,» zei de mestkever. «Noem je het hier mooi. Er is niet eens een mesthoop?»

Daarop ging hij verder onder de schaduw van een groote violier: daar kroop een rups.

«Wat is de wereld toch schoon!» zei de rups. «De zon is zoo warm, alles zoo vergenoegd! En als ik eenmaal in slaap val en sterf, zooals zij het noemen, dan ontwaak ik als een kapel.»

«Wat verbeeldt je je wel,» zei de mestkever, «als kapel rond te vliegen? Ik kom uit den stal van den keizer; maar niemand daar, zelfs niet het lievelingspaard van den keizer, dat toch mijn afgelegdegouden schoenen draagt, beeldt zich zoo iets in. Vleugels krijgen! Vliegen! Ja, maar nu vliegen wij!» En hierop vloog de mestkever weg. «Ik wil mij niet ergeren, maar erger mij toch!» zei hij onder het wegvliegen.

Al spoedig daarop streek hij op een groot grasperk neer; hier lag hij een poos; eindelijk viel hij in slaap.

Een stortregen stroomde er eensklaps uit de wolken neer. De mestkever ontwaakte van het rumoer en wilde zich in den grond verschuilen, maar dit gelukte hem niet: hij werd al om en om gekeerd; nu eens dreef hij op den buik, dan weer op den rug, aan vliegen viel niet te denken;—hij twijfelde er aan, of hij wel levend van deze plaats zou wegkomen. Hij lag, waar hij lag, en bleef daar ook liggen.

Toen het weer een weinig tot bedaren gekomen was en de mestkever het water uit zijn oogen weggepinkt had, zag hij iets wits schemeren: het was een stuk linnen, dat op de bleek lag; hij ging er heen en kroop tusschen een plooi van het natte linnen. Daar lag hij wel is waar anders dan op den warmen mesthoop in den stal; maar iets beters was hier niet voorhanden, en daarom bleef hij, waar hij was, bleef er een geheelen dag, een geheelen nacht, en ook de regen bleef. Tegen den morgen kroop hij tevoorschijn; hij ergerde zich over de weersgesteldheid.

Op het linnen zaten twee kikvorschen; hun heldere, oogen straalden van louter plezier. «Wat is het heerlijk weer!» zei de eene, «hoe verfrisschend! En het linnen houdt het water zoo mooi bij elkander; het krabbelt mij in de achterpooten, alsof ik moest zwemmen.»

«Ik zou wel eens willen weten,» zei de andere, «of de zwaluw, die zoo ver rondvliegt, op haar vele reizen in het buitenland een beter klimaat dan het onze gevonden heeft. Zulk een nattigheid! Het is waarlijk, alsof men in een natte sloot lag! Wie zich daarin niet verheugt, heeft zijn vaderland niet lief.»

«Ben je dan niet in den stal van den keizer geweest?» vroeg de mestkever. «Daar is de vochtigheid warm en geurig: dat is mijn klimaat; maar dat kan men niet op reis meenemen. Is er hier in den tuin geen mesthoop, waar personen van een aanzienlijken stand zooals ik zich te huis kunnen voelen en logeeren?»

De kikvorschen begrepen hem niet of wilden hem niet begrijpen.

«Ik vraag nooit tweemaal!» zei de mestkever, nadat hij reeds driemaal gevraagd en geen antwoord gekregen had.

Daarop ging hij een eindje verder en stiet nu op een potscherf, die daar wel is waar niet had moeten liggen, maar zooals zij lag, gaf zij een goede beschutting tegen weer en wind. Hier woonden verscheidene familiën van oorwormen; deze hadden geen hooge eischen,—alleen gezelligheid. De vrouwelijke individuen zijn vol van de teederste moederliefde, en daarom prees ook iedere moeder haar kind als het schoonste en verstandigste.

«Ons zoontje heeft zich verloofd!» zei een moeder. «Het is eenbeste jongen. Zijn geheele streven is daarheen gericht, eenmaal in het oor van een geestelijke te komen. Zijn verloving bewaart hem voor uitspattingen! Welk een vreugde voor een moeder!»

«Onze zoon,» sprak een andere moeder, «was, zoodra hij uit het ei gekropen was, ook dadelijk in de weer; het is alles leven en vuur aan hem! Hij loopt zich de horens af! Welk een vreugde voor een moeder! Niet waar, mijnheer de mestkever?»

«Je hebt beiden gelijk!» zei de mestkever; en nu verzocht men hem, de kamer binnen te treden, zoo ver hij namelijk onder de potscherf kon komen.

«Nu zie je ook mijn klein oorwurmpje!» zeiden een derde en een vierde van de moeders. «Het zijn lieve kinderen en zij houden veel van een grapje. Zij zijn nooit ondeugend, als zij ten minste geen buikpijn hebben; maar op hun leeftijd krijgt men dat maar al te gemakkelijk!»

Op deze wijzesprakiedere moeder over haar kindertjes, en de kindertjes spraken mee en gebruikten hun kleine scharen, die zij aan den staart hebben, om den mestkever aan den baard te trekken.

«Ja, zij moeten ook altijd wat doen, die kleine schalkjes!» zeiden de moeders. Maar dat verveelde den mestkever; hij vroeg daarom, of hij nog ver van den mesthoop verwijderd was.

«Die is buiten in de wijde wereld, aan gene zijde van de sloot,» antwoordde een oorworm; «zoo ver zal, naar ik hoop, geen mijner kinderen gaan; dat zou mij den dood aandoen!»

«Zoo ver zal ik toch trachten te komen,» zei de mestkever en verwijderde zich zonder afscheid te nemen; want dat staat immers deftig.

Bij de sloot trof hij verscheidene van zijn soort aan, allemaal mestkevers.

«Hier wonen wij!» zeiden zij. «Wij hebben het hier heel gezellig! Mogen wij je ook uitnoodigen, in het vette slijk af te klimmen? De reis is zeker vermoeiend voor je geweest!»

«Zeker!» sprak de mestkever. «Ik was aan den regen blootgesteld en heb op linnen moeten liggen. Ook heb ik scheuren in mijn eenen vleugel, omdat ik onder een potscherf in den tocht gestaan heb. Het is inderdaad een waar genot voor mij, weer eens onder mijns gelijken te zijn.»

«Kom je misschien van den mesthoop?» vroeg de oudste.

«Van heel wat deftiger plaats!» zei de mestkever. «Ik kom uit den stal van den keizer, waar ik met gouden schoenen aan de pooten geboren ben; ik ben op reis ter volbrenging van een geheimen last; doch je moet mij daarover maar niet uithooren, want ik verraad het toch niet.»

Daarop klom de mestkever in het vette slijk af. Daar zaten drie jonge mestkeverinnen; zij meesmuilden, omdat zij niet wisten, wat zij zouden zeggen.

«Geen van de drie is nog verloofd,» zei de moeder; en de jonge dames meesmuilden op nieuw, ditmaal uit verlegenheid.

«Ik heb ze in de keizerlijke stallen niet mooier gezien,» zei de mestkever, terwijl hij uitrustte.

«Bederf mijn dochters niet; spreek niet tegen haar, of het moest zijn, dat je werkelijk plan op een van haar hadt!—Maar dat heb je zeker wel, en ik geef er mijn zegen op!»

«Hoera!» riepen al de andere mestkevers uit, en onze mestkever was nu verloofd. Op de verloving volgde de bruiloft dadelijk; want er bestond geen reden om deze uit te stellen.

De volgende dag verliep zeer aangenaam, de daarop volgende ook nog al; maar den derden dag moest hij reeds op voedsel voor zijn vrouw, misschien zelfs wel voor zijn kinderen bedacht zijn.

«Ik heb mij laten misleiden!» dacht de mestkever; «er blijft mij dus niets anders over, dan ze ook te misleiden!»

Zoo gezegd, zoo gedaan! Weg was hij, den heelen dag bleef hij uit, den heelen nacht bleef hij uit,—en zijn vrouw zat daar als een weduwe. «O,» zeiden de andere mestkevers, «hij, dien wij in de familie opgenomen hebben, is een echte landlooper: hij is weggegaan en laat zijn vrouw ten onzen laste achter!»

«Welnu, dan moet zij maar weer voor een meisje doorgaan,» zei de moeder, «en als mijn kind hier blijven. Schande over den booswicht, die haar verlaten heeft!»

De mestkever was ondertusschen gedurig verder gereisd en op een koolblad over de sloot gezeild. Den volgenden morgen kwamen er twee personen bij de sloot; toen zij hem zagen, tilden zij hem op, draaiden hem om en om, stelden zich beiden heel geleerd aan, inzonderheid een van hen,—een jongen. «Allah ziet de zwarte mestkevers in den zwarten steen, in de zwarte rots! Niet waar, zoo staat er in den Koran geschreven?» Daarop vertaalde hij den naam van den mestkever in het Latijn en verdiepte zich in diens geslacht en aard. De tweede persoon, een oudere geleerde, was er voor, hem mee naar huis te nemen; zij hadden daar, zei hij, even goede exemplaren noodig, en dat—zoo kwam het onzen mestkever voor,—was niet beleefd gesproken, en daarom vloog hij hem plotseling uit de hand. Daar hij nu droge vleugels had, vloog hij een vrij groot eindvoort en bereikte den mesthoop, waarop hij plaats nam en zich in den verschen mest begroef.

«Hier is het heerlijk!» zei hij.

Al spoedig daarop viel hij in slaap, en nu droomde hij, dat het lievelingspaard van den keizer doodgevallen was en hem zijn gouden hoefijzers gegeven en de belofte gedaan had, zijn andere twee pooten ook te laten beslaan.

Dat was zeer aangenaam. Toen de mestkever wakker werd, kroop hij te voorschijn en keek eens in het rond. Welk een pracht heerschte er op den mesthoop! Op den achtergrond groote palmen, die zich hoog verhieven; de zon maakte, dat zij doorzichtig schenen, en wat was daaronder een menigte groen en frissche bloemen, rood als vuur, geel als barnsteen, wit als versch gevallen sneeuw!

«Dat is een onvergelijkelijke plantenpracht; dat zal smaken, alshet verrot!» zei de mestkever. «Dat is een goede provisiekamer. Hier wonen zeker bloedverwanten; ik zal eens zien, of ik iemand vind, met wien ik omgang kan hebben. Trotsch ben ik; dat is mijn trots!» En nu drentelde hij over den mesthoop rond en dacht aan zijn schoonen droom van het doode paard en de geërfde hoefijzers.

Daar pakte een hand den mestkever eensklaps beet, drukte hem en draaide hem om en om.

De zoon van den tuinman en een vriendinnetje van dezen waren bij den mesthoop gekomen, hadden den mestkever gezien en wilden nu een grapje met hem hebben. Eerst werd hij in een wingerdblad gewikkeld en toen in een warmen broekzak gestopt; hij kriebelde en krabbelde daar naar zijn beste vermogen; daarvoor echter kreeg hij een druk van de hand van den knaap en werd op deze wijze tot bedaren gebracht. De knaap ging daarop met rassche schreden naar den grooten vijver toe, die zich aan het einde van den tuin bevond. Hier werd de mestkever in een ouden, halfgebrokenklomp gezet, daarop werd er een stokje voor mast ingestoken, en aan dezen mast bond men den mestkever nu met een wollen draadje vast. Nu was hij schipper en moest zeilen.

De vijver was zeer groot, den mestkever scheen het een oceaan toe, en hij verwonderde zich daarover zoozeer, dat hij op zijn rug viel en met zijn pooten lag te trappelen.

Het scheepje zeilde af; de stroom van het water voerde het mee; maar als deze het te ver van den wal deed afdrijven, dan stroopte een der jongens zijn broek dadelijk op, stapte in het water en haalde het weer aan land terug. Eindelijk echter, juist toen het weer in volle vaart voorwaarts ging, werden de jongens geroepen, dringend geroepen; zij haastten zich om te komen, liepen van het water weg en lieten het scheepje aan zijn lot over. Dit dreef nu gedurig meer van den oever af, gedurig meer naar het midden van den vijver toe; het was verschrikkelijk voor den mestkever, daar hij niet kon vliegen, omdat hij aan den mast vastgebonden was.

Daar kreeg hij bezoek van een vlieg. «Wat is het vandaag mooi weer!» zei de vlieg. «Hier wil ik uitrusten en mij in de zon koesteren. Je hebt het hier heel prettig.»

«Je spreekt naar je verstand! Zie je dan niet, dat ik vastgebonden ben?»

«Ik ben niet vastgebonden,» zei de vlieg en vloog weg.

«Ja, nu ken ik de wereld!» sprak de mestkever. «Het is een booze wereld! Ik ben de eenige fatsoenlijke man op de wereld! Eerst weigert men mij gouden schoenen; vervolgens moet ik op nat linnen liggen en in den tocht staan, en eindelijk dringen zij mij nog een vrouw op! Doe ik daarop een schrede in de wereld en verneem, hoe ik het daar kan krijgen en hoe ik het graag wou hebben, dan komt er een menschenjongen, bindt mij vast en geeft mij aan de woeste golven ten prijs, terwijl het lievelingspaard van den keizer met gouden schoenen rondloopt! Dat ergert mij nog het meest! Maar op deelneming mag men in deze wereld niet rekenen! Mijn levensloop is zeer interessant; maar wat baat het, als niemand dien kent? De wereld verdient het niet, dien te leeren kennen; zij zou mij anders wel gouden schoenen in den stal van den keizer gegeven hebben, toen het lievelingspaard beslagen werd en ik mijn pooten daarom uitstak. Als ik gouden schoenen gekregen had, dan zou ik een sieraad van den stal geworden zijn; nu heeft de stal mij verloren, nu heeft de wereld mij verloren. Alles is uit!»

Maar alles was nog niet uit. Er kwam een schuitje, waarin eenige meisjes zaten, aanroeien.

«Kijk! Daar zeilt een oude klomp!» zei een der meisjes.

«Er zit een diertje aan vastgebonden!» riep een ander uit.

Het schuitje kwam dicht in de nabijheid van het scheepje van onzen mestkever; de meisjes vischten dit uit het water op; een van haar haalde een schaartje uit haar zak, knipte het wollen draadje doormidden, zonder den mestkever eenig leed te doen, en toen zij aan land kwam, zette zij hem in het gras neer.

«Kruip, kruip! Vlieg, vlieg, als je kunt!» zeide zij. «Vrijheid is een heerlijk ding!»

De mestkever vloog op en door een openstaand raam van een groot gebouw; daar viel hij mat en moede neer op de fijne, zachte manen van het lievelingspaard van den keizer, dat in den stal stond, waar het te huis was, evenals dit met den mestkever het geval was. De mestkever klampte zich aan de manen vast, zat een korten tijd doodstil en kwam wat tot kalmte.

«Hier zit ik op het lievelingspaard van den keizer, zit als keizer op hem! Maar wat wilde ik ook weer zeggen? Ja, nu schiet het mij weer te binnen! Dat is een goede gedachte. Waarom krijgt het paard een gouden hoefbeslag? Zoo vroeg de smid mij immers. Nu wordt deze vraag mij eerst duidelijk. Ter wille van mij kreeg het paard het gouden hoefbeslag.»

En nu kwam de mestkever in een goede luim. «Men krijgt een ruimen blik op reis!» zei hij.

De zon wierp haar stralen in den stal op hem neer en maakte het daar licht en vriendelijk.

«De wereld is, wel bezien, toch zoo boos niet,» zei de mestkever, «men moet haar maar weten te vatten!»

Ja, de wereld was schoon, omdat het lievelingspaard van den keizer slechts daarom een gouden hoefbeslag gekregen had, opdat de mestkever zijn ruiter kon zijn.

«Nu zal ik naar de andere kevers toe gaan en hun vertellen, hoe veel men voor mij gedaan heeft: ik zal hun al de onaangenaamheden vertellen, die ik op mijn reis in het buitenland doorgestaan heb, en hun zeggen, dat ik nu zoo lang te huis zal blijven, totdat het paard zijn gouden hoefbeslag afgesleten heeft.


Back to IndexNext