De ijsjonkvrouw.

De ijsjonkvrouw.I.De kleine Rudy.Laat ons een bezoek aan Zwitserland brengen, laat ons een reis doen door het bergland, waar de bosschen tegen de steile rotswanden aangroeien; laat ons opklimmen naar de verblindend witte sneeuwvelden en weer neerdalen in de groene weiden, waardoor rivieren en beken voortbruisen met een vaart, alsof zij de zee niet snel genoeg konden bereiken en verdwijnen. Verzengend staat de zon boven het diepe dal, en ook in de hoogte, op de zware sneeuwmassa’s brandt zij, zoodat deze met de jaren tot glinsterende ijsblokken samensmelten en zich tot rollende lawinen, tot opeengestapelde gletschers vormen. Twee zulke gletschers liggen er in de breede rotskloven onder den Schreckhorn en den Wetterhorn, bijhet bergstadje Grindelwald; zij zijn merkwaardig om bezichtigd te worden, en daarom komen er in den zomer vele vreemdelingen uit de geheele wereld hier naar toe; zij komen over de hooge, met sneeuw bedekte bergen, zij komen ook uit de diepe dalen, en dan moeten zij verscheidene uren klimmen, en terwijl zij klimmen, daalt het dal al dieper; zij zien daarop neer, alsof zij het uit een luchtbol zagen. Boven hen hangen de wolken dikwijls als dikke, zware sluiers om de bergtoppen, terwijl beneden in het dal, waar de vele bruine, houten huizen verstrooid staan, nog een zonnestraal fonkelt en een plekje in het groen te voorschijn doet komen, alsof het doorzichtig was. Daar beneden gonst en suist en bruist het water, daarboven stroomt en babbelt het; het ziet er uit, alsof er zilveren linten over de rotsen naar beneden fladderden.Aan beide kanten van den weg, die bergopwaarts loopt, staan houten huizen; ieder huis heeft zijn aardappeltuin, en deze is onmisbaar: want vele monden zijn er in die hutten, kinderen zijn hier in menigte, die altijd grage magen hebben; overal komen zij te voorschijn en scharen zich om de reizigers, onverschillig of dezen te voet zijn of in rijtuigen zitten; de geheele kinderschaar drijft hier handel, de kleinen bieden mooi gesneden huisjes te koop aan in den vorm van die, welke men hier in het gebergte bouwt. Al moge het regen of zonneschijn wezen, de kinderen zijn er altijd met hun koopwaren.Voor omstreeks twintig jaren stond hier dikwijls, maar altijd op eenigen afstand van de andere kinderen, een kleine jongen, die ook handel wilde drijven; hij stond daar, zette een heel ernstig gezicht en hield zijn mars zoo stevig met zijn beide handen vast, alsof hij niet geneigd was, er iets uit te verkoopen; maar juist deze ernst en dat het jongentje zoo klein was, maakte, dat hij de aandacht trok, dikwijls door de vreemdelingen geroepen werd en vaak den meesten aftrek van zijn koopwaren had; de knaap wist zelf niet waarom. Een uur hooger, ook in het gebergte, woonde zijn grootvader, die de fijne, mooie huisjes sneed, en bij den grijsaard in de kamer stond een groote kast met dergelijke gesneden voorwerpen in menigte: notenkrakers, messen en vorken, doozen met boomen en springende gemzen, juist zoo iets aantrekkelijks voor kinderoogen; maar de knaap—Rudy heette hij—keek met meer plezier en verlangen naar de oude buks, die onder den balk aan de zoldering hing; zijn grootvader had hem beloofd, dat hij deze later zou krijgen; maar hij moest eerst groot en sterk worden, om haar te kunnen hanteeren.Hoe klein de knaap ook was, toch moest hij reeds de geiten hoeden, en als hij een goede geitenhoeder mag heeten, die met de dieren weet te klimmen, dan was Rudy er zeker een; hij klom zelfs een weinig hooger dan de geiten, hij hield er veel van, de vogelnestjes hoog boven in de boomen uit te halen; hij was stoutmoedig en driest, maar glimlachen zag men hem slechts, als hij bij den bruisenden waterval stond of het neerrollen van een lawinehoorde. Hij speelde nooit met de andere kinderen; hij kwam slechts dan met dezen in aanraking, als zijn grootvader hem den berg afzond, om handel te drijven, en van den handel hield Rudy juist niet bijzonder; hij klom liever alleen op de bergen rond, of zat bij zijn grootvader en hoorde dezen van den ouden tijd en van de menschen in het naburige Meiringen, zijn geboorteplaats, vertellen. De menschen daar, zei de grijsaard, hadden er niet van oudsher gewoond; zij waren uit het hooge Noorden gekomen, waar hun stamvaders woonden en Zweden heetten. Rudy beroemde er zich nog al wat op, dat hij dit wist; maar hij leerde ook nog wat van anderen, en deze anderen waren zijn huisgenooten, die tot het dierengeslacht behoorden. Er was een groote hond, die Ajola heette en aan Rudy’s vader toebehoord had, en ook was er een kater; deze kater stond bij Rudy vooral hoog aangeschreven; die had hem het klimmen geleerd.«Kom maar eens met mij op het dak!» had de kater gezegd, en wel duidelijk en verstaanbaar, want als men een kind is en nog niet kan spreken, dan verstaat men de kippen en de eenden heel goed; de katten en de honden spreken ons dan even verstaanbaar toe als vader en moeder, alleen moet men daarvoor nog heel klein zijn; zelfs grootvaders stok kan dan hinniken, en een geheel paard worden met kop, pooten en staart. Bij eenige kinderen houdt dit verstaan later dan bij andere op, en van dezulken zegt men dan, dat zij achterlijk en heel lang kinderen gebleven zijn. Wat zegt men al niet!«Kom maar eens met mij op het dak, Rudy!» was zeker wel het eerste, wat de kater gezegd en Rudy verstaan had. «Wat de menschen van het naar beneden vallen zeggen, is louter verbeelding: men valt niet, als men er niet bang voor is. Komaan, zet uw eenen poot zoo en uw anderen zoo! Voel eerst met uw voorpooten! Ge moet oogen in uw kop en lenige ledematen hebben! Komt er ergens een kloof, spring dan maar en houd u vast. Zoo doe ik het!»En zoo deed Rudy het dan ook; daarom zat hij zoo dikwijls op de dakvorst bij den kater, zat met hem in de toppen van de boomen, ja, hoog op den rand van de rots, waar de kater niet kon komen.«Hooger op!» zeiden boom en struik. «Ziet ge wel, hoe hoog wij kunnen reiken, hoe wij ons vasthouden, zelfs aan den uitersten smallen kant van de rots!»Rudy bereikte de bergtoppen, dikwijls nog voordat de zon daar kwam, en daar dronk hij zijn morgendrank, de frissche, versterkende berglucht, dien drank, dien slechts de goede God weet klaar te maken en waarvan de menschen alleen maar het recept kunnen lezen, waarin geschreven staat: de frissche geur van de kruiden van den berg, van de kroezemunt en den tijm van het dal.—Alles, wat zwaar is, zuigen de hangende wolken in, en de wind slijpt en wrijft ze over de toppen der dennen heen, de geest van den geurgaat in de lucht over, om haar lichter en frisscher, gedurig frisscher te maken. En dat was Rudy’s morgendrank.De zonnestralen, die zegenbrengende dochters der zon, kusten zijn wangen, en de duizeligheid stond op de loer, maar waagde het niet, hem te naderen, en de zwaluwen van het huis van zijn grootvader, waarop niet minder dan zeven nesten waren, vlogen naar hem en de geiten op en zongen: «Wij en gij! Gij en wij!» Zij brachten groeten van huis, van zijn grootvader, ja, zelfs van de beide kippen, die eenige vogels in huis, waarmee Rudy zich echter nooit inliet.Hoe klein hij ook was, had hij toch een reis gedaan, en voor zoo’n klein jongetje juist geen kleine reis; hij was in het kanton Walliserland geboren en over de bergen hierheen gedragen; nog kort geleden had hij te voet den naburigen Staubbach bezocht, die als een zilveren lint voor den met sneeuw bedekten, verblindend witten berg, de Jungfrau, in de lucht fladderde. Ook te Grindelwald bij den grooten gletscher was hij geweest; maar dat was een treurige geschiedenis: daar vond zijn moeder den dood, daar was de kleine Rudy zijn kinderlijke vroolijkheid kwijtgeraakt, zei zijn grootvader. «Toen de jongen nog geen jaar oud was, lachte hij meer dan dat hij huilde,» had zijn moeder geschreven; «van dien tijd af, waarop hij in de ijskloof gezeten had, was er een andere geest in hem gevaren.» Zijn grootvader sprak hierover maar zelden; doch men wist het toch overal in het gebergte.De vader van Rudy was postiljon geweest; de groote hond, die in de kamer van zijn grootvader lag, had hem altijd op zijn tocht over den Simplon naar het meer van Genève vergezeld. In het Rhônedal, in het kanton Walliserland, woonden nog bloedverwanten van vaderszijde van Rudy; zijn oom was een onverschrokken gemzenjager en een welbekende gids.—Rudy was nog maar een jaar oud, toen hij zijn vader verloor, en zijn moeder verlangde nu met haar kind naar haar bloedverwanten in het Berner Oberland terug; haar vader woonde eenige uren van Grindelwald af; hij sneed allerlei houten voorwerpen en verdiende daarmee zoo veel, dat hij kon leven. In de maand Juni ging zij met haar kind, in gezelschap van twee gemzenjagers, over den Gemmi naar Grindelwald toe. Reeds hadden zij het grootste eind afgelegd en waren over den hoogen bergrug tot in het sneeuwveld gekomen, reeds zagen zij het dal met de welbekende houten huizen voor zich liggen en hadden nog slechts een grooten gletscher over te loopen. De sneeuw was versch gevallen en verborg een kloof, die wel is waar niet tot op den diepen grond reikte, waar het water bruiste, maar toch altijd dieper dan een manslengte; de jonge vrouw, die haar kind droeg, gleed uit, viel naar beneden en was verdwenen; men hoorde geen gil, geen zucht, maar men vernam het huilen van een klein kind. Meer dan een uur verliep er, voordat haar beide metgezellen uit de naast bijgelegene huisjes touwen en stokken gehaald hadden, om zoo mogelijk nog hulp te bieden, en na veel inspanning haalde menuit de ijskloof twee lijken te voorschijn, naar het scheen. Allerlei middelen werden er aangewend; het gelukte, het kind in het leven terug te roepen, maar de moeder niet, en zoo kreeg de oude grootvader slechts een kleinzoon in huis, een wees, denzelfden knaap, die meer lachte dan huilde; het scheen echter, alsof hij nu het lachen geheel verleerd had, en die verandering moest zeker in de gletscherkloof plaats gegrepen hebben, in de koude, zonderlinge ijswereld, waar de zielen der verdoemden tot aan den jongsten dag ingekerkerd zijn,—zooals de Zwitsersche boer gelooft.Als een bruisend water, tot ijs gestold en samengeperst als tot groene brokken glas, ligt de gletscher, het eene groote ijsblok op het andere gestapeld; beneden in de diepte bruist de snelvlietende stroom van gesmolten sneeuw en vloeibaar geworden ijs; diepe holen, groote kloven strekken zich daar beneden uit, het is een zonderling glazen paleis, en hierin woont de ijsjonkvrouw, de gletscherkoningin. Zij, de doodende, de verpletterende, is half een kind der lucht, half de machtige gebiedster der rivier; daarom is zij ook bij machte, zich met de snelheid der gems op den bovensten top van den sneeuwberg te verheffen, waar de stoutmoedige bergbeklimmers eerst trappen in het ijs moeten hakken, om hun voeten neer te zetten; zij zeilt op het dunne dennenrijs den snellen stroom langs, en springt daar van het eene rotsblok op het andere, omfladderd door haar lange, sneeuwwitte lokken en haar blauwachtig groen gewaad, dat als het water in de diepe meren van Zwitserland schittert.«Verpletteren! Vasthouden! Aan mij behoort de macht!» spreekt zij. «Een schoonen knaap heeft men mij ontstolen, een knaap, dien ik gekust, maar niet doodgekust heb. Hij is weer onder de menschen, hij hoedt de geiten op het gebergte, klimt opwaarts, gedurig hooger, ver van de anderen weg, maar niet van mij! Hij behoort mij toe, ik zal hem halen!»Zij gaf de duizeligheid bevel, voor haar te handelen; want het was de ijsjonkvrouw in den zomertijd in het groen, waar de kroezemunt groeit, te warm; en de duizeligheid klom op en neer; er verhief zich een, er verhieven zich drie. De duizeligheid heeft vele zusters, een geheele schaar, en de ijsjonkvrouw koos de sterkste van die velen, die buiten en binnen haar taak vervullen. Zij zitten op de balustrades van trappen en torens, zij loopen als katten langs de kanten der rotsen, zij springen over de balustrades heen, slaan in de lucht, als de zwemmer in het water, en lokken haar slachtoffer in den afgrond. De duizeligheid en de ijsjonkvrouw, zij grijpen beiden naar den mensch, evenals de poliep naar alles grijpt, wat er in haar nabijheid komt. De duizeligheid moest Rudy grijpen.«Ja, dien grijpen!» zei de duizeligheid. «Daartoe ben ik niet in staat! De kat, dat ondier, heeft hem haar kunsten geleerd. Dit menschenkind bezit een eigenaardige macht, die mij van zich stoot, ik vermag hem niet te grijpen, dezen knaap, als hij op de takken boven den afgrond zit, en hoe graag zou ik hem op de voetzolenkittelen of hem een buiteling in de lucht doen maken! Maar ik ben hiertoe niet in staat!»«Wij zullen het wel gedaan krijgen,» zei de ijsjonkvrouw. «Gij of ik! Ik, ik!»«Neen, neen,» klonk het om haar heen, alsof het een echo van het gelui der kerkklokken in de bergen was; maar het was gezang, het was een samensmeltend koor van andere natuurgeesten, goede, beminlijke geesten,—het waren de dochters der zonnestralen. Deze legeren zich iederen avond in een kring rondom den bergtop; daar spreiden zij haar rooskleurige vleugelen uit, die met het dalen der zon gedurig schitterender worden en een gloed over de hooge Alpen verspreiden; de menschen noemen dat «Alpengloed.» Als de zon dan gezonken is, verbergen zij zich op de bergtoppen in de witte sneeuw en slapen daar, totdat de zon weer opgaat; dan komen zij op nieuw te voorschijn. Vooral hebben zij de bloemen, de kapellen en de menschen lief, en onder deze laatsten hadden zij zich inzonderheid Rudy uitverkoren.«Ge vangt hem niet! Ge krijgt hem niet!» zeiden zij.«Grooter en sterker heb ik er wel gevangen!» zei de ijsjonkvrouw.Nu zongen de dochteren der zon een lied van den reiziger, wiens mantel de stroom wegvoerde,—de wind nam het hulsel, maar den man niet; «ge kunt hem wel grijpen, maar niet vasthouden, gij kinderen der kracht! Hij is sterker dan wij zelfs zijn! Hij klimt hooger dan de zon, onze moeder, hij bezit het tooverwoord, dat wind en water aan banden legt, zoodat zij hem moeten dienen en gehoorzamen. Gij maakt het zware, drukkende gewicht los, en hij verheft zich hooger!»Heerlijk klonk het koor, als het gelui eener klok.Iederen morgen drongen de zonnestralen door het eenige raampje het huis van den grootvader binnen en beschenen het stille kind. De dochters der zonnestralen kusten het; zij wilden den ijskus ontdooien, doen smelten en uitwisschen, dien de koninklijke maagd der gletschers hem gegeven had, toen hij op den schoot van zijn doode moeder in de diepe ijskloof lag en daaruit als door een wonder gered werd.II.De reis naar de nieuwe woning.Rudy was nu acht jaar oud; zijn oom, die aan gene zijde der bergen in het Rhônedal woonde, wilde den knaap tot zich nemen, opdat hij iets zou leeren en beter in de wereld vooruitkomen; dit vond ook zijn grootvader goed en deze liet hem vertrekken.Rudy nam alzoo afscheid. Behalve zijn grootvader waren er echter nog anderen, wien hij vaarwel moest zeggen, en wel in de eerste plaats Ajola, den ouden hond.«Uw vader was postiljon en ik was posthond,» zei Ajola. «Wij zijn ontelbare malen heen en weer gereden, ik ken de honden en ook de menschen aan gene zijde der bergen. Veel spreken is nooit mijn zaak geweest; maar thans, nu wij niet lang meer met elkaar te spreken zullen hebben, wil ik iets meer dan anders zeggen; ik wil u een geschiedenis vertellen, die ik al lang geweten heb; ik begrijp haar echter niet, en gij zult haar ook niet begrijpen, maar dat doet er niet toe; zooveel heb ik er althans uit opgemaakt, dat het in de wereld niet heel billijk verdeeld is, noch voor honden, noch voor menschen! Niet allen zijn geschapen om op den schoot te liggen of melk te drinken; ik ben daaraan niet gewoon; maar ik heb zoo’n hondje wel eens in den postwagen zienmeerijden en daarin de plaats van een mensch innemen; de dame, wie het beestje toebehoorde, had een fleschje met melk bij zich, waaruit zij het hondje liet drinken; en koekjes kreeg het, maar het snuffelde er op zijn hoogst eens even aan en wilde er niet eens van eten, en daarom at zij de koekjes zelf maar op. Ik liep in de modder naast het rijtuig mee, zoo hongerig als een hond maar wezen kan; ik kauwde op mijn eigen gedachten, en dat was niet zooals het behoort;—maar er moet zooveel anders zijn, dat niet is, zooals het behoort. Zoudt gij op den schoot willen zitten en in het rijtuig rijden? Ik gun het u van harte; Maar zelf kan iemand dit niet gedaan krijgen; ik heb het niet kunnen doen, noch door blaffen, noch door huilen!»Dat waren de woorden van Ajola, en Rudy omhelsde hem en kuste hem hartelijk op zijn natten snoet; daarop nam hij den kater op zijn arm, maar deze verzette zich hiertegen.«Ge wordt mij te sterk, en tegen u wil ik mijn klauwen niet gebruiken! Klim maar over de bergen, ik heb u het klimmen immers geleerd! Verbeeld u maar niet, dat ge naar beneden zult vallen, dan blijft ge wel hangen!»Dit zeggende sprong de kater weg; want hij wilde niet, dat Rudy zou merken, hoe de treurigheid hem in de oogen te lezen stond.De kippen liepen trotsch in de kamer rond; een had haar staart verloren; een reiziger, die jager wilde zijn, had haar dien afgeschoten; de kerel had de kip voor een roofvogel aangezien.«Rudy wil over de bergen trekken!» zei de eene kip.«Hij heeft altijd zoo’n haast!» zei de andere, «ik neem niet graag afscheid!» En nu trippelden zij beiden weg.Ook de geiten zei hij vaarwel, en deze deden een «Mê, mê!» hooren en wilden meegaan: dat was zeer treurig.Twee flinke gidsen uit de omstreken, die over de bergen naar den anderen kant van den Gemmi wilden, namen Rudy mee; hij volgde hen te voet. Het was een stevige marsch voor zulk een knaap, maar hij had goede krachten, en zijn moed begaf hem niet.De zwaluwen vlogen een eind mee. «Wij en gij! Gij en wij!» zongen zij. De weg liep over den snelvlietenden Lutschine, die uit vele kleine stroomen uit de zwarte kloof van den Grindelwaldgletscher ontstaat. Als bruggen dienen hier losliggende boomstammen en rotsblokken. Toen zij bij het Ellernwald aangekomen waren, begonnen zij den berg te beklimmen, waar de gletscher zich van den bergrug losgerukt had, en liepen nu over en om ijsblokken heen naar den gletscher toe. Rudy moest nu eens een eindje kruipen, dan weer een eindje loopen; zijn oogen straalden van louter vreugde, en hij trapte zoo vast met zijn met ijzer beslagen bergschoenen, alsof hij bij iederen stap een spoor moest achterlaten. De zwarte aarde, die de bergstroom op den gletscher achtergelaten had, gaf dezen het aanzien, alsof hij beschimmeld was, maar het blauwachtig groene, glasachtige ijs keek er toch doorheen; men moest de kleine meren omloopen, die zich, door blokken ijs ingedamd, gevormdhadden, en op zulk een reis kwam men in de nabijheid van een groot rotsblok, dat waggelend op den rand eener kloof in het ijs lag; dit rotsblok verloor zijn evenwicht, rolde naar beneden en liet de echo’s uit de diepe, holle kloven der gletschers naar boven klinken.Het ging maar steeds bergopwaarts; de gletscher zelf liep in de hoogte als een stroom van woest opeengestapelde ijsmassa’s, die tusschen steile rotsen vastgeklemd zaten. Rudy dacht er een oogenblik aan, dat hij, zooals men hem verteld had, met zijn moeder diep beneden in een van deze kille kloven gelegen had, maar al spoedig werden deze gedachten verbannen, en kwam dit hem voor als de andere geschiedenissen, waarvan hij er zoo vele had hooren vertellen. Nu en dan, als de mannen dachten, dat de weg toch wel wat al te bezwaarlijk voor het knaapje was, staken zij hem een hand toe, maar hij werd niet moede, en op het gladde ijs stond hij vast als een gems. Zij betraden nu den rotsgrond en liepen nu eens tusschen naakte rotsen, dan weer tusschen dennen en over groene weiden, telkens door afwisselende nieuwe landschappen; in de rondte verhieven zich de sneeuwbergen, wier namen de «Jungfrau,» de «Mönch» en de «Eiger,» aan ieder kind in die streken en ook aan Rudy bekend waren. Rudy was vroeger nog nooit zoo hoog op het gebergte geweest en had nog nooit de uitgestrekte sneeuwzee betreden; hier lag deze nu met haar onbeweeglijke sneeuwgolven, waarvan de wind nu en dan een vlok wegblies, evenals hij het schuim van de golven der zee wegblaast. De gletschers staan hier, om zoo te spreken, hand aan hand; elke is een glazen paleis voor de ijsjonkvrouw, wier macht en wil het is, te grijpen en te begraven. De zon scheen warm, de sneeuw was verblindend en als met blauwachtig witte, fonkelende diamanten bezaaid. Ontelbare insecten, inzonderheid kapellen en bijen, lagen bij hoopen dood op de sneeuw neer; zij hadden zich te hoog gewaagd, of de wind had ze zoo hoog gedragen, totdat zij van de koude stierven. Om den Wetterhorn hing een dreigende zwarte wolk; zij daalde naar beneden, opgezwollen van hetgeen zij in zich verborg: een orkaan, vernielend, wanneer hij losbarst. De indruk van deze geheele reis, het nachtverblijf hier boven, de latere weg, de diepe rotskloven, waar het water gedurende een tijdruimte, waarbij de gedachten duizelden, de rotsblokken doorgezaagd heeft, prentten zich onuitwischbaar in het geheugen van Rudy.Een verlaten steenen gebouw aan gene zijde van de sneeuwzee verleende hun gedurende den nacht beschutting; hier vonden zij houtskolen en rijshout; al spoedig was er een vuur aangelegd en het nachtleger gereedgemaakt, zoo goed als het ging; de mannen schaarden zich om het vuur, rookten hun pijpen en dronken den warmen, geurigen drank, dien zij zelf toebereid hadden; ook Rudy kreeg zijn aandeel van den drank, en er werd van het geheimzinnige karakter van het Alpenland, van de zonderlinge, reusachtige slangen in de diepe meren, van het heirleger van nachtspoken verteld,dat den slapende door de lucht naar de wonderbare, drijvende stad Venetië overbracht, van den wilden herder, die zijn zwarte schapen over de weide dreef; al had men deze ook niet gezien, in allen gevalle had men toch het geklingel van hun belletjes gehoord, het schorre geblaat der kudde vernomen. Rudy luisterde nieuwsgierig, maar zonder eenige vrees; deze kende hij niet; en terwijl hij luisterde, kwam het hem voor, alsof hij het spookachtige holle gebrul hoorde; ja, het werd gedurig duidelijker, ook de mannen hoorden het, hielden met hun gesprekken op, luisterden en zeiden tegen Rudy, dat hij niet mocht gaan slapen.Het was een «föhn,» die geweldige stormwind, die zich van de bergen af in het dal werpt en in zijn woede de boomen knakt, alsof het rietjes waren, die de houten huizen van den eenen oever naar den anderen slingert, evenals wij een stuk op het schaakbord verzetten.Na verloop van omstreeks een uur zeiden zij tegen Rudy, dat het gevaar nu geweken was en dat hij kon gaan slapen, en vermoeid van de reis, viel hij als op kommando in slaap.Den volgenden morgen zetten zij hun tocht weer voort. De zon bescheen op dezen dag voor Rudy nieuwe bergen, gletschers en sneeuwvelden; zij waren in het kanton Walliserland gekomen en bevonden zich aan gene zijde van den bergrug, dien men van uit Grindelwald ziet, maar zij waren nog ver van Rudy’s nieuwe woning verwijderd. Er vertoonden zich andere kloven, andere weiden, bosschen en rotspaden; ook andere huizen en andere menschen kwamen te voorschijn, maar wat voor menschen? Het waren wangedrochten: zij hadden akelige, bolle, geelachtige gezichten, hun halzen waren zware, leelijke klompen vet, die als zakken naar beneden hingen; het waren kroplijders; zij sleepten zich met moeite voort en keken de vreemdelingen met wezenlooze blikken aan; de vrouwen zagen er vooral afschuwelijk uit. Waren dat de menschen in zijn nieuwe woonplaats?III.De oom.In het huis van den oom, waar Rudy nu woonde, zagen de menschen er, Goddank! uit, zooals hij ze gewoon was te zien; hier was slechts een enkele kroplijder, een arme idioot, een van die beklagenswaardige schepselen, die in hun verlatenheid in het kanton Walliserland altijd van huis tot huis gaan en in iedere familie een paar maanden blijven; de arme Saperli was juist hier, toen Rudy aankwam.De oom van Rudy was nog een krachtig jager en verstond bovendien het kuipersambacht; zijn echtgenoote was een kleine, levendige vrouw met een vogelgezicht, oogen als een adelaar en een langen, met haar begroeiden hals.Alles was hier voor Rudy nieuw, kleederdracht, zeden en gebruiken, zelfs de taal; maar deze zou het oor van den knaap wel spoedig leeren verstaan. Het zag er hier welvarend uit, in vergelijking met zijn vroeger verblijf bij zijn grootvader. De kamer was grooter, de muren prijkten met horens van gemzen en blank gepolijste jachtroeren; boven de deur hing een beeld van de Heilige Maagd, en daarvoor stonden frissche Alpenrozen en een brandende lamp.Zijn oom was, zooals gezegd is, een der onverschrokkenste gemzenjagers uit den geheelen omtrek en ook een der beste gidsen. In dit huis zou Rudy nu de lieveling worden; wel is waar was er al een, namelijk een oude, blinde en doove jachthond, die nu echter niet meer op de jacht meeging, maar het toch vroeger gedaan had. Men had zijn goede eigenschappen uit vroegere tijden niet vergeten, en daarom werd het beest nu tot de familie gerekend en goed verpleegd. Rudy streelde den hond; maar deze liet zich niet meer met vreemden in, en dat was Rudy immers voor hem; lang bleef hij dit echter niet, hij schoot al spoedig wortelen in het huis en in het hart.«Hier in het kanton Walliserland is het nog zoo kwaad niet,» zei de oom, «en gemzen hebben wij; die sterven niet zoo spoedig uit als de steenbok; hier is het nu veel beter dan in vroegeren tijd. Hoeveel er ook ter eere van de vroegere dagen verteld wordt, de onze zijn toch beter: de zak is opengemaakt, er gaat een luchtstroom door ons ingesloten dal. Iets beters komt er altijd te voorschijn, wanneer het afgesletene vervalt!» zeide hij; en als zijn oom eens recht in zijn nopjes was, dan vertelde hij van de jaren zijner jeugd en verder op tot in den krachtigsten tijd van zijn vader, toen Walliserland, zooals hij zich uitdrukte, nog een dichtgemaakte zak was, vol zieke menschen, beklagenswaardige kroplijders; «maar de Fransche soldaten kwamen hier, zij waren de beste geneesheeren, zij sloegen de ziekte terstond dood, en de menschen sloegen zij ook dood. Van het slaan hadden de Franschen verstand, zij wisten op meer dan één manier een slag te slaan, en de meisjes hebben er ook verstand van!» Daarbij knikte de oom zijn vrouw, die een geboren Française was, al lachend toe. «De Franschen hebben in de rotsen gehouwen, dat het een lust was om te zien. Den Simplonweg hebben zij in de rotsen gemaakt, zoodat ik nu tegen een kind van drie jaar kan zeggen: «Ga eens naar Italië toe! Houd den grooten weg maar!» En het kind zal goed en wel in Italië aankomen, als het den grooten weg maar houdt!» Daarop zong zijn oom een Fransch lied en riep «Hoera!» en «Leve Napoleon Bonaparte!»Hier hoorde Rudy voor het eerst van zijn leven vertellen van Frankrijk en van Lyon, de groote stad aan de Rhône; daar was zijn oom geweest.Er zouden niet vele jaren verloopen, of Rudy zou een uitstekend gemzenjager worden; hij had er veel aanleg toe, zei zijn oom, en deze leerde hem de buks hanteeren, leerde hem het mikken enhet schieten; hij nam hem in den jachttijd mee naar de bergen en liet hem van het warme bloed der gemzen drinken, dat den jager de duizeligheid beneemt; hij leerde hem ook, den tijd te onderscheiden, wanneer op de verschillende bergen de lawinen zouden neerstorten, ’s middags of ’s avonds, al naardat de zonnestralen daar werken; hij leerde hem, op de gemzen en op haar springen acht te geven, zoodat men op de voeten te land kwam en vast bleef staan, en als er in de rotskloof geen steun voor den voet was, dan moest men zich met de ellebogen, met de lendenen en met de kuiten vastklampen, zelfs met den nek kon men zich vastklemmen, als het wezen moest. De gemzen waren slim, zij zetten voorposten uit; maar de jager moest nog slimmer zijn, ze van het rechte spoor afbrengen en op een dwaalweg voeren. Op zekeren dag, toen Rudy met zijn oom op de jacht was, hing deze zijn jas en zijn hoed op den Alpenstok, en de gemzen zagen de jas voor den man aan.Het rotspad was smal, ja, het was bijna geen pad, maar slechts een smalle uitstek langs den gapenden afgrond. De sneeuw, die hier lag, was half ontdooid, de steenen brokkelden af, als men er op trapte, zijn oom ging daarom plat op zijn buik liggen en kroop zoo voorwaarts. Ieder stukje, dat er van de rots afbrokkelde, viel en stuitte terug, sprong en rolde van den eenen rotswand naar den anderen, totdat het in de diepte tot staan kwam. Omstreeks honderd schreden achter zijn oom stond Rudy op een vooruitspringende vaste rotspunt; van hier zag hij een grooten lammergier door de lucht vliegen en zwevend boven zijn oom blijven staan, dien hij met zijn vleugelslag in den afgrond wilde werpen, om hem tot zijn prooi te maken. Zijn oom had slechts oogen voor de gems, die met haar jongen aan gene zijde van de rotskloof te zien was; Rudy hield zijn blik onafgewend op den vogel gevestigd, hij begreep al, wat deze wilde; daarom stond hij gereed om zijn buks af te schieten. Daar sprong de gems plotseling op, zijn oom schoot, en het dier was getroffen door den doodenden kogel, maar het jong sprong weg, alsof het zijn leven lang aan vluchten en gevaren gewoon geweest was. De groote vogel sloeg, door den knal van het schot verschrikt, een andere richting in; zijn oom wist niets van het gevaar, waarin hij verkeerd had; eerst van Rudy vernam hij dit.Terwijl zij zich nu in de beste luim op de terugreis bevonden en de oom een lied uit zijn jeugd floot, hoorden zij eensklaps een eigenaardig geluid in de nabijheid; zij keken om zich heen, en nu verhief zich in de hoogte op de helling der rots het sneeuwdek, het bewoog zich in golven als een stuk linnen, wanneer de wind daaronder speelt. De sneeuwgolven braken en losten zich, terwijl zij een oogenblik geleden nog glad en vast als marmeren platen waren, in schuimende, verbolgen wateren op, die als een doffe donderslag dreunden; het was een lawine, die naar beneden stortte, niet over Rudy en zijn oom heen, maar in hun nabijheid, vlak in hun nabijheid.«Houd je vast, Rudy!» zei de oom, «houd je met alle macht vast!»En Rudy hield den naasten boomstam omklemd; zijn oom klauterde boven hem tegen den boom op en hield zich daar vast, terwijl de lawine vele voeten van hen af voortrolde; maar de luchtdrukking, de stormvleugelen der lawine, brak boomen en struiken in den omtrek, alsof het slechts dunne rietjes waren, en wierp ze her- en derwaarts heen. Rudy zat op zijn hurken; de boomstam, waaraan hij zich vasthield, was als doormidden gezaagd en de kroon was ver weggeslingerd; daar, tusschen de geknakte takken, lag zijn oom met een verpletterd hoofd, zijn hand was nog warm, maar zijn gezicht niet te herkennen. Rudy stond daar bleek en sidderend; het was de eerste schrik zijns levens, de eerste huivering, die hem over de leden ging.Laat op den avond kwam hij met de doodstijding in het huis terug, dat nu een huis van rouw werd. Zijn tante vond geen woorden, geen tranen; eerst toen men het lijk thuis bracht, kwam de smart tot uitbarsting. De arme kroplijder kroop in zijn bed; men zag hem den geheelen volgenden dag niet; eerst tegen den avond kwam hij naar Rudy toe.«Schrijf een brief voor mij!» zeide hij. «Saperli kan niet schrijven! Saperli kan den brief op de post brengen!»«Een brief van jou?» vroeg Rudy. «En aan wien?»«Aan den Heer Christus.»«Aan wien, zeg je?»En nu keek de idioot Rudy met een geroerden blik aan, vouwde de handen en zeide op een plechtigen en vromen toon:«Aan Jezus Christus! Saperli zal hem een brief zenden, hem vragen, of Saperli dood mag liggen en niet de man hier in huis.»Rudy drukte hem de hand en zei: «De brief komt daar niet aan en geeft ons hem niet terug!»Het viel Rudy niet gemakkelijk, hem de onmogelijkheid daarvan te doen inzien.«Nu ben je de steun des huizes!» zei zijn tante en pleegmoeder, en Rudy werd dit ook.IV.Babette.Wie is de beste schutter in het kanton Walliserland? Dat wisten de gemzen wel. «Wacht je voor Rudy!» konden zij zeggen. Wie is de knapste schutter? «Dat is Rudy!» zeiden de meisjes, maar zij zeiden niet: «Wacht je voor Rudy!» Dat zeiden de bedaagde moedertjes niet eens, want hij knikte ze even vriendelijk toe als de jonge meisjes. Wat was hij stoutmoedig en vroolijk! Zijn wangen waren door de zon verbrand, zijn tanden frisch en wit, zijn oogen gitzwart; hij was een knappe jongen en twintig jaar oud. Het ijskoude water hinderde hem niet, als hij zwom; als een visch konhij zich in het water wenden en keeren, en klauteren kon hij als een aap, zich aan den rotswand vastklemmen als een slak; goede spieren en zenuwen had hij, en dat toonde hij ook door den sprong, dien hij eerst van den kater en later van de gems geleerd had. Rudy was de beste gids, waaraan men zich kon toevertrouwen; hij zou zich een geheel vermogen als gids kunnen verwerven; het kuipersambacht, dat zijn oom hem ook geleerd had, beviel hem echter niet; zijn lust was de gemzenjacht, en deze bracht hem ook geld op. Rudy was een goede partij, zooals men zeide, als hij maar niet met een meisje boven zijn stand wilde trouwen. Hij was een danser, van wien de meisjes droomden, en dien deze en gene zelfs wakend in haar gedachten omdroegen.«Mij heeft hij onder het dansen een kus gegeven!» zei Annette van den schoolmeester tegen haar beste vriendin; maar dat had zij niet moeten zeggen, zelfs niet tegen haar beste vriendin. Het gaat niet gemakkelijk, zulke dingen geheim te houden; het is als zand in een zeef, het loopt er doorheen; en spoedig was het bekend, dat Rudy, hoe braaf en goed hij ook was, onder het dansen kuste, en toch had hij niet eens diegene gekust, die hij het liefst had willen kussen.«Ja!» zei een oude jager, «hij heeft Annette gekust; hij is met A begonnen en zal het heele ABC wel doorkussen!»Een kus onder het dansen was alles, wat de roerige tongen tot dusverre tegen hem wisten in te brengen; hij had Annette wel is waar gekust, en toch was zij niet de bloem van zijn hart.Beneden in het dal bij Bex, tusschen de hooge walnoteboomen, bij een kleinen, snelvlietenden bergstroom, woonde de rijke molenaar; het woonhuis was een groot gebouw en had drie verdiepingen met kleine torentjes, die met hout bedekt en met zinken platen belegd waren, welke in den zonne- en maneschijn glinsterden. Op het grootste der torentjes stond een windwijzer, een pijl, die een appel doorboord had: dat moest aan het schot van Tell herinneren. De molen zag er netjes en welvarend uit; deze liet zich ook uitteekenen en beschrijven, maar de dochter van den molenaar liet zich niet uitteekenen en beschrijven: zoo zou Rudy ten minste gezegd hebben, en toch stond zij in zijn hart uitgeteekend; haar oogen fonkelden daar, zoo, dat er een waar vuur in was; dat was plotseling zoo gekomen, evenals een andere brand ook plotseling uitbarst, en het zonderlingste van de zaak was, dat de molenaarsdochter, de aardige Babette, er zelf geen vermoeden van had: zij en Rudy hadden nooit een enkel woord met elkaar gesproken.De molenaar was rijk, en deze rijkdom maakte, dat Babette zeer hoog zat en moeilijk te grijpen was; maar niets zit zoo hoog, of men kan het wel bereiken; men moet maar klauteren; vallen zal men niet, als men het zich maar niet verbeeldt. Deze les was hem reeds in zijn kindsheid ingeprent.Het trof toevallig eens juist zoo, dat Rudy iets te Bex te doen had; het was daarheen een heele reis; want de spoorweg was destijdsnog niet tot stand gekomen. Van de Rhône gletscher langs den voet van den Simplon, tusschen vele afwisselende berghoogten, strekt zich het breede Wallisdal uit met zijn trotsche rivier, de Rhône, die dikwijls buiten haar oevers treedt en over velden en wegen voortstroomt, terwijl zij alles in haar vaart meesleept. Tusschen de stadjes Sion en Saint-Maurice maakt het dal een kromming, buigt zich als een elleboog, en wordt achter Saint-Maurice zoo smal, dat er slechts plaats voor de rivier en voor den smallen weg is. Een oude toren staat hier als schildwacht voor het kanton Walliserland, dat hier eindigt, en ziet over de gemetselde brug naar het tolhuis aan den anderen kant; daar begint het kanton Waadland, en de naaste, niet ver verwijderde stad is Bex. Hier nu ziet men bij iederen stap, dien men doet, overal weelde en overvloed, men bevindt zich als in een tuin van kastanje- en walnoteboomen; hier en daar komen cipressen en granaatbloesems te voorschijn: er heerscht hier eene zuidelijke warmte, alsof men zich in Italië bevond.Rudy kwam te Bex aan, deed, wat hij daar te verrichten had, en keek eens in de stad rond; maar geen molenaarsknecht, laat staan dan Babette, kreeg hij te zien.Het werd avond, de lucht was vervuld met den geur van den wilden tijm en de bloeiende linde; om de met boomen begroeide bergen lag als het ware een schemerende, blauwe sluier verspreid; er heerschte wijd en zijd een stilte, niet die van den slaap of den dood, neen, het was, alsof de gansche natuur den adem inhield, alsof zij gevoelde, dat zij zich stil moest houden, opdat haar beeld op den blauwen grond van den hemel zou gephotographeerd worden. Hier en daar, tusschen de boomen op het groene veld, stonden palen, waarop een telegraafdraad, die door het stille dal gelegd is, rustte; tegen een dier palen leunde een voorwerp, zoo onbeweeglijk, dat men het best voor een boomstam had kunnen houden; het was Rudy, die hier even stil stond, als op dit oogenblik de geheele omgeving; hij sliep niet, nog minder was hij dood, maar evenals er dikwijls groote wereldgebeurtenissen langs den telegraafdraad vliegen,—levensmomenten van gewicht voor den enkele, zonder dat de draad dit door sidderen of door een geluid verraadt,—zoo doortrilden Rudy machtige, overweldigende gedachten: het geluk zijns levens, van nu af zijn bestendige gedachte. Zijn oogen vestigden zich op een punt, een licht, dat tusschen het loof in de woonkamer van den molenaar, waar Babette woonde, te voorschijn kwam. Zoo stil als Rudy hier stond, zou men hebben kunnen denken, dat hij op een gems mikte; maar hij zelf was op dit oogenblik als de gems, die minuten lang, als uit de rots gehouwen, stil kan staan, totdat zij plotseling, wanneer er een steen naar beneden rolt, opspringt en wegsnelt; en zoo ging het met Rudy ook; er rolde een gedachte in hem.«Nooit versagen!» riep hij uit. «Een bezoek in den molen! Goeden avond, molenaar! Goeden avond, Babette! Men valt niet naar beneden, als men het zich maar niet verbeeldt! Babette moet mij toch eenmaal zien, als ik haar man zal worden!»Rudy lachte, hij was goedsmoeds en liep naar den molen toe; hij wist, wat hij wilde: hij wilde Babette hebben.De rivier met den witachtig gelen grond bruiste voort, wilgen en linden hingen over de snelvlietende wateren heen; Rudy liep het pad op naar het huis van den molenaar toe.—Maar, zooals, de kinderen zingen:«Niemand was er thuis,Dan ’t katjen en de muis!»De huiskat stond op de trap, kromde den rug en zeide: «Miauw!» maar Rudy had geen ooren naar deze taal; hij klopte aan, niemand hoorde hem, niemand deed de deur voor hem open. «Miauw!» zei de kat. Als Rudy nog een kind geweest was, dan zou hij die taal wel verstaan en begrepen hebben, dat de kat zeide: «Hier is niemand thuis!» Maar nu moest hij naar den molen toe, om te vragen,en daar kreeg hij het bericht, dat de molenaar op reis gegaan was, ver weg naar Interlaken, en dat Babette met hem meegegaan was; daar was een groot schuttersfeest, dat den volgenden morgen begon en acht dagen lang duurde. Menschen uit alle Duitsche kantons zouden daar zijn.Die arme Rudy, kon men zeggen; hij had geen gelukkigen dag voor zijn bezoek te Bex gekozen, hij kon nu weer terugkeeren; en dat deed hij dan ook en begaf zich over Saint-Maurice en Sion naar zijn dal, naar zijn bergen toe, maar wanhopen deed hij niet. Toen de zon den volgenden morgen opging, was zijn goede luim al lang opgegaan, deze was nog nooit verdwenen.«Babette is te Interlaken, vele dagreizen van hier,» zeide hij bij zich zelf. «Het is een verre tocht daarheen, als men den breeden straatweg langs gaat, maar het is niet zoo ver, als men over de bergen klimt, en dat is juist een weg voor een gemzenjager! Dien weg ben ik vroeger ook al eens gegaan, daarboven is mijn vaderland, waar ik als kind bij mijn grootvader gewoond heb; en te Interlaken is een schuttersfeest! Ik wil daarbij zijn, ik wil de eerste zijn, en bij Babette wil ik ook zijn, als ik eerst kennis met haar gemaakt heb!»Met zijn lichten ransel, waarin zijn Zondagspak zat, op den rug, met geweer en weitasch om den schouder, klom Rudy den berg op, den korten weg, die toch vrij lang was, maar het schuttersfeest was eerst op dezen dag begonnen en zou de geheele week en nog langer duren; gedurende dezen geheelen tijd bleven de molenaar en Babette bij hun bloedverwanten te Interlaken, had men hem gezegd. Rudy liep over den Gemmi heen, hij wilde bij Grindelwald naar beneden klimmen.Frisch en vroolijk klauterde hij tegen de bergen op en genoot de frissche, lichte, versterkende berglucht. Het dal daalde al dieper en dieper, zijn gezichtskring verruimde zich; hier een sneeuwtop, daar weer eer, en al spoedig de schemerend witte Alpenketen. Rudy kende iederen berg, hij ging op den Schreckhorn af, die zijn witgepoederde vingers hoog in de blauwe lucht steekt.Eindelijk was hij op den hoogen bergrug; de grazige weiden strekten zich uit naar het dal van zijn vroegere woonplaats; de lucht was licht, zijn hart was licht; berg en dal waren vol bloemen en groen, zijn hart was vol jeugdig gevoel, waarbij geen ouderdom en geen dood te pas komen: leven, heerschen, genieten! Vrij als een vogel, luchtig als een vogel was hij. En de zwaluwen vlogen hem voorbij en zongen, evenals zij in zijn kindsheid gezongen hadden: «Wij en gij! Gij en wij!» Alles was vreugde en blijdschap.Daar beneden strekte zich de fluweelachtig groene weide uit, bezaaid met bruine houten huizen, de Lütschine gonsde en bruiste. Hij zag den gletscher met zijn glasgroene randen en de smerige sneeuw, zag in de diepe kloven, zag den bovensten en ook den ondersten gletscher. De kerkklokken klonken hem in de ooren, als wilden zij hem een welkom in het land, waar hij zijn jeugd doorgebrachthad, toeroepen; zijn hart klopte heviger en breidde zich dermate uit, dat Babette daarin voor een oogenblik geheel verdween, zoo ruim werd zijn hart, zoo vervuld van herinneringen.Hij liep weer langs den weg voort, waar hij als een kleine jongen met de andere kinderen gestaan en gesneden huisjes verkocht had. Daar boven, achter de dennen, stond het huis van zijn grootvader van moederszijde nog, vreemde menschen woonden nu daarin. Kinderen kwamen hem op den weg te gemoet loopen, zij wilden handel drijven, een bood hem een Alpenroos aan. Rudy nam deze roos als een gunstig voorteeken aan en dacht aan Babette. Al spoedig was hij over de brug, waar de beide Lütschines zich vereenigen; het geboomte wordt hier al dichter, de walnoteboomen geven schaduw. Nu zag hij de wapperende vlaggen, het witte kruis op het roode veld, zooals de Zwitser en de Deen het hebben; en voor hem lag Interlaken.Dat was een prachtige stad, zooals er geen andere bestond, dacht Rudy, een Zwitsersch stadje in Zondagsgewaad. Dat zag er niet uit als de andere steden, log, een troep zware steenhoopen, vreemd en voornaam; neen, hier zag het er uit, alsof de houten huizen van de bergen in het groene dal geloopen waren en zich langs den helderen, snelvlietenden stroom in het gelid geschaard hadden, wel een weinig ongeregeld, maar toch altijd zoo, dat zij een mooie straat vormden. De prachtigste van alle straten was als het ware uit den grond opgerezen, sedert Rudy hier als knaap geweest was; het scheen hem toe, alsof zij ontstaan was uit al de lieve huisjes, die zijn grootvader gesneden had en waarmee de kast te huis opgevuld was, alsof deze zich daar neergezet hadden en krachtig opgegroeid waren, evenals de oude kastanjeboomen. Ieder huis was een hotel, zooals het genoemd werd, met uitgesneden houtwerk om de ramen en den gevel, met een vooruitspringend dak, keurig en sierlijk, en voor ieder huis was een bloemtuin aan den kant van de met steenen geplaveide straat; langs deze stonden de huizen, maar slechts aan den eenen kant; zij zouden anders de frissche, groene weiden aan het gezicht onttrokken hebben, waarin de koeien rondliepen met klokjes om den hals, die als op de hooge Alpen klonken. De weiden waren door hooge bergen omgeven, die in het midden als het ware op zijde traden, zoodat men zeer duidelijk den schitterenden, met sneeuw bedekten berg, de Jungfrau, de schoonst gevormde van alle Zwitsersche bergen, kon zien.Welk een menigte opgepronkte heeren en dames uit vreemde landen, welk een gewemel van landlieden uit de verschillende kantons! Ieder schutter droeg zijn schietnummer in een krans op den hoed. Hier was muziek en gezang, lieren, trompetten, geschreeuw en rumoer. Huizen en bruggen waren met zinnebeelden en verzen versierd; er wapperden vaandels en vlaggen, de buksen deden haar geknal onafgebroken hooren, en de schoten waren in Rudy’s ooren de mooiste muziek. Hij vergat in deze bonte verwarring Babette geheel, ofschoon hij toch om harentwil hier naar toe gegaan was.De schutters begonnen nu met het schijfschieten. Rudy stond al spoedig onder hen en was de behendigste, de gelukkigste van allen; altijd was zijn schot raak.«Wie zou toch die vreemde jonge jager zijn?» vroeg men. «Hij spreekt het Fransch, dat zij in het kanton Walliserland spreken.»—«Hij weet zich ook heel goed in ons Duitsch te doen verstaan,» zeiden enkelen.—«Als kind moet hij hier in de omstreken te Grindelwald gewoond hebben,» wist een der jagers te vertellen.En vol leven was deze vreemde jongeling: zijn oogen fonkelden, zijn blik en zijn arm waren zeker, daarom raakte hij ook. Het geluk geeft moed, en moed had Rudy immers altijd. Al spoedig had hij hier een kring van vrienden om zich verzameld, men eerde hem, ja, men bewees hem hulde,—Babette was hem heelemaal uit de gedachten gegaan. Daar klopte een hand hem op den schouder, en een zware stem sprak hem in de Fransche taal aan.«Zijt ge uit het kanton Walliserland?»Rudy keerde zich om en zag een rood, vergenoegd gezicht, een dik man: het was de rijke molenaar uit Bex; met zijn gezet lichaam verborg hij de teedere, lieve Babette, die echter al spoedig te voorschijn kwam kijken met haar fonkelende, donkere oogen. Het had den rijken molenaar gestreeld, dat het een jager uit zijn kanton was, die de beste schoten deed en door al de anderen geëerd werd. Nu, Rudy was wel een gelukskind: datgene, waarom hij hierheen vertrokken was, maar nu zelf bijna vergeten had, dat zocht hem op.Als landslieden elkaar ver van hun vaderland ontmoeten, dan knoopen zij een gesprek aan en maken kennis met elkander. Rudy was door zijn schoten de eerste van het schuttersfeest, gelijk de molenaar te Bex de eerste door zijn geld en zijn goeden molen was. Zoo drukten de beide mannen elkaar de hand, hetgeen zij vroeger nooit gedaan hadden; ook Babette stak Rudy onbeschroomd de hand toe, en hij drukte haar hand en keek haar met een onafgewenden blik aan, zoodat zij daardoor hevig bloosde.De molenaar vertelde van den langen weg, dien zij hierheen gereisd hadden, en van de vele groote steden, die zij hadden gezien; zij hadden naar zijn meening een verre reis gedaan en waren met de stoomboot, met den spoortrein en ook met de diligence gereisd.«Ik ben den kortsten weg gegaan,» zeide Rudy. «Ik ben over de bergen gekomen; geen weg is zoo hoog, of men kan dien wel langs.»«Maar ook den nek breken!» zei de molenaar. «En gij ziet er mij juist naar uit, alsof ge den nek nog eens zoudt breken, zoo stoutmoedig als ge zijt!»«O, men valt niet naar beneden, als men het zich maar niet verbeeldt!» zei Rudy.De bloedverwanten van den molenaar te Interlaken, waarbij de molenaar en Babette te logeeren waren, noodigden Rudy uit, een bezoek bij hen af te leggen: hij was immers uit hetzelfde kanton als de molenaar. Dat was voor Rudy een gewenscht aanbod, hetgeluk was hem gunstig, gelijk het altijd dengene gunstig is, die op zich zelf bouwt en bedenkt, dat «God ons de noten geeft, maar ze niet voor ons kraakt.»Rudy zat daar bij de bloedverwanten van den molenaar, alsof hij ook tot de familie behoorde, en een glas werd er leeggedronken op het welzijn van den besten schutter; Babette klonk ook mee, en Rudy bedankte voor den toost.Tegen den avond wandelden allen langs de prachtige huizen onder de oude walnoteboomen, en er waren daar zoo vele menschen en zulk een gedrang, dat Rudy Babette zijn arm moest aanbieden. Hij verheugde er zich zoozeer over, dat hij menschen uit Waadland aangetroffen had, zei hij. Waadland en Walliserland waren naburige kantons, die met elkaar op een goeden voet stonden. Hij sprak deze blijdschap zoo hartelijk uit, dat Babette zich niet kon weerhouden, hem daarvoor de hand te drukken. Zij liepen naast elkaar, als waren zij oude kennissen; zij sprak en vertelde, en het ging haar heel goed af, meende Rudy, zooals zij het belachelijke en overdrevene in de kleeding en den gang der vreemde dames deed uitkomen; zij deed dit volstrekt niet om te spotten, want er konden rechtschapen, ja, lieve, goede menschen onder zijn, dat wist Babette wel, zij had immers zelf een petemoei, die zulk een deftige Engelsche dame was. Voor achttien jaren, toen Babette gedoopt werd, was deze petemoei te Bex geweest; zij had Babette de kostbare doekspeld gegeven, die zij op haar borst droeg. Tweemaal had de petemoei geschreven, en dit jaar had Babette gedacht haar en haar dochters hier te Interlaken te ontmoeten; deze dochters, waren ongetrouwd en al oud, dicht bij de dertig, zei Babette,—zij telde immers nog maar achttien jaren.Haar kleine mond stond geen oogenblik stil, en alles, wat Babette zei, klonk Rudy in de ooren als dingen van het uiterste gewicht, en hij vertelde weer, wat hij te vertellen had, hoe dikwijls hij te Bex geweest was, hoe goed hij den molen kende en hoe dikwijls hij Babette gezien had, terwijl zij hem waarschijnlijk nooit had opgemerkt; en onlangs, toen hij in den molen geweest was en wel met vele gedachten, die hij niet kon uitspreken, waren zij en haar vader afwezig, ver weg, maar toch niet zoover, dat men niet over den muur zou hebben kunnen klimmen, die den weg lang maakte.Ja, dat zei hij, en hij zei veel meer; hij zei, hoe graag hij haar mocht lijden,—en dat hij ter wille van haar en niet ter wille van het schuttersfeest gekomen was.Babette zweeg bij dit alles; het was haar, alsof hij haar te hoog ophemelde.Terwijl zij daar voortliepen, daalde de zon achter den hoogen rotswand neer. De Jungfrau stond daar in pracht en glans, omgeven door den boschrijken krans der naburige bergen. Alle menschen bleven staan en sloegen de schoonheid der natuur gade; ook Rudy en Babette vermeiden zich daarin.«Nergens is het schooner dan hier!» zei Babette.«Nergens!» zei Rudy en keek Babette aan.«Morgen moet ik naar huis terug!» zei hij eenige oogenblikken later.«Kom ons te Bex eens opzoeken!» fluisterde Babette. «Het zal vader zeker genoegen doen.»

De ijsjonkvrouw.I.De kleine Rudy.Laat ons een bezoek aan Zwitserland brengen, laat ons een reis doen door het bergland, waar de bosschen tegen de steile rotswanden aangroeien; laat ons opklimmen naar de verblindend witte sneeuwvelden en weer neerdalen in de groene weiden, waardoor rivieren en beken voortbruisen met een vaart, alsof zij de zee niet snel genoeg konden bereiken en verdwijnen. Verzengend staat de zon boven het diepe dal, en ook in de hoogte, op de zware sneeuwmassa’s brandt zij, zoodat deze met de jaren tot glinsterende ijsblokken samensmelten en zich tot rollende lawinen, tot opeengestapelde gletschers vormen. Twee zulke gletschers liggen er in de breede rotskloven onder den Schreckhorn en den Wetterhorn, bijhet bergstadje Grindelwald; zij zijn merkwaardig om bezichtigd te worden, en daarom komen er in den zomer vele vreemdelingen uit de geheele wereld hier naar toe; zij komen over de hooge, met sneeuw bedekte bergen, zij komen ook uit de diepe dalen, en dan moeten zij verscheidene uren klimmen, en terwijl zij klimmen, daalt het dal al dieper; zij zien daarop neer, alsof zij het uit een luchtbol zagen. Boven hen hangen de wolken dikwijls als dikke, zware sluiers om de bergtoppen, terwijl beneden in het dal, waar de vele bruine, houten huizen verstrooid staan, nog een zonnestraal fonkelt en een plekje in het groen te voorschijn doet komen, alsof het doorzichtig was. Daar beneden gonst en suist en bruist het water, daarboven stroomt en babbelt het; het ziet er uit, alsof er zilveren linten over de rotsen naar beneden fladderden.Aan beide kanten van den weg, die bergopwaarts loopt, staan houten huizen; ieder huis heeft zijn aardappeltuin, en deze is onmisbaar: want vele monden zijn er in die hutten, kinderen zijn hier in menigte, die altijd grage magen hebben; overal komen zij te voorschijn en scharen zich om de reizigers, onverschillig of dezen te voet zijn of in rijtuigen zitten; de geheele kinderschaar drijft hier handel, de kleinen bieden mooi gesneden huisjes te koop aan in den vorm van die, welke men hier in het gebergte bouwt. Al moge het regen of zonneschijn wezen, de kinderen zijn er altijd met hun koopwaren.Voor omstreeks twintig jaren stond hier dikwijls, maar altijd op eenigen afstand van de andere kinderen, een kleine jongen, die ook handel wilde drijven; hij stond daar, zette een heel ernstig gezicht en hield zijn mars zoo stevig met zijn beide handen vast, alsof hij niet geneigd was, er iets uit te verkoopen; maar juist deze ernst en dat het jongentje zoo klein was, maakte, dat hij de aandacht trok, dikwijls door de vreemdelingen geroepen werd en vaak den meesten aftrek van zijn koopwaren had; de knaap wist zelf niet waarom. Een uur hooger, ook in het gebergte, woonde zijn grootvader, die de fijne, mooie huisjes sneed, en bij den grijsaard in de kamer stond een groote kast met dergelijke gesneden voorwerpen in menigte: notenkrakers, messen en vorken, doozen met boomen en springende gemzen, juist zoo iets aantrekkelijks voor kinderoogen; maar de knaap—Rudy heette hij—keek met meer plezier en verlangen naar de oude buks, die onder den balk aan de zoldering hing; zijn grootvader had hem beloofd, dat hij deze later zou krijgen; maar hij moest eerst groot en sterk worden, om haar te kunnen hanteeren.Hoe klein de knaap ook was, toch moest hij reeds de geiten hoeden, en als hij een goede geitenhoeder mag heeten, die met de dieren weet te klimmen, dan was Rudy er zeker een; hij klom zelfs een weinig hooger dan de geiten, hij hield er veel van, de vogelnestjes hoog boven in de boomen uit te halen; hij was stoutmoedig en driest, maar glimlachen zag men hem slechts, als hij bij den bruisenden waterval stond of het neerrollen van een lawinehoorde. Hij speelde nooit met de andere kinderen; hij kwam slechts dan met dezen in aanraking, als zijn grootvader hem den berg afzond, om handel te drijven, en van den handel hield Rudy juist niet bijzonder; hij klom liever alleen op de bergen rond, of zat bij zijn grootvader en hoorde dezen van den ouden tijd en van de menschen in het naburige Meiringen, zijn geboorteplaats, vertellen. De menschen daar, zei de grijsaard, hadden er niet van oudsher gewoond; zij waren uit het hooge Noorden gekomen, waar hun stamvaders woonden en Zweden heetten. Rudy beroemde er zich nog al wat op, dat hij dit wist; maar hij leerde ook nog wat van anderen, en deze anderen waren zijn huisgenooten, die tot het dierengeslacht behoorden. Er was een groote hond, die Ajola heette en aan Rudy’s vader toebehoord had, en ook was er een kater; deze kater stond bij Rudy vooral hoog aangeschreven; die had hem het klimmen geleerd.«Kom maar eens met mij op het dak!» had de kater gezegd, en wel duidelijk en verstaanbaar, want als men een kind is en nog niet kan spreken, dan verstaat men de kippen en de eenden heel goed; de katten en de honden spreken ons dan even verstaanbaar toe als vader en moeder, alleen moet men daarvoor nog heel klein zijn; zelfs grootvaders stok kan dan hinniken, en een geheel paard worden met kop, pooten en staart. Bij eenige kinderen houdt dit verstaan later dan bij andere op, en van dezulken zegt men dan, dat zij achterlijk en heel lang kinderen gebleven zijn. Wat zegt men al niet!«Kom maar eens met mij op het dak, Rudy!» was zeker wel het eerste, wat de kater gezegd en Rudy verstaan had. «Wat de menschen van het naar beneden vallen zeggen, is louter verbeelding: men valt niet, als men er niet bang voor is. Komaan, zet uw eenen poot zoo en uw anderen zoo! Voel eerst met uw voorpooten! Ge moet oogen in uw kop en lenige ledematen hebben! Komt er ergens een kloof, spring dan maar en houd u vast. Zoo doe ik het!»En zoo deed Rudy het dan ook; daarom zat hij zoo dikwijls op de dakvorst bij den kater, zat met hem in de toppen van de boomen, ja, hoog op den rand van de rots, waar de kater niet kon komen.«Hooger op!» zeiden boom en struik. «Ziet ge wel, hoe hoog wij kunnen reiken, hoe wij ons vasthouden, zelfs aan den uitersten smallen kant van de rots!»Rudy bereikte de bergtoppen, dikwijls nog voordat de zon daar kwam, en daar dronk hij zijn morgendrank, de frissche, versterkende berglucht, dien drank, dien slechts de goede God weet klaar te maken en waarvan de menschen alleen maar het recept kunnen lezen, waarin geschreven staat: de frissche geur van de kruiden van den berg, van de kroezemunt en den tijm van het dal.—Alles, wat zwaar is, zuigen de hangende wolken in, en de wind slijpt en wrijft ze over de toppen der dennen heen, de geest van den geurgaat in de lucht over, om haar lichter en frisscher, gedurig frisscher te maken. En dat was Rudy’s morgendrank.De zonnestralen, die zegenbrengende dochters der zon, kusten zijn wangen, en de duizeligheid stond op de loer, maar waagde het niet, hem te naderen, en de zwaluwen van het huis van zijn grootvader, waarop niet minder dan zeven nesten waren, vlogen naar hem en de geiten op en zongen: «Wij en gij! Gij en wij!» Zij brachten groeten van huis, van zijn grootvader, ja, zelfs van de beide kippen, die eenige vogels in huis, waarmee Rudy zich echter nooit inliet.Hoe klein hij ook was, had hij toch een reis gedaan, en voor zoo’n klein jongetje juist geen kleine reis; hij was in het kanton Walliserland geboren en over de bergen hierheen gedragen; nog kort geleden had hij te voet den naburigen Staubbach bezocht, die als een zilveren lint voor den met sneeuw bedekten, verblindend witten berg, de Jungfrau, in de lucht fladderde. Ook te Grindelwald bij den grooten gletscher was hij geweest; maar dat was een treurige geschiedenis: daar vond zijn moeder den dood, daar was de kleine Rudy zijn kinderlijke vroolijkheid kwijtgeraakt, zei zijn grootvader. «Toen de jongen nog geen jaar oud was, lachte hij meer dan dat hij huilde,» had zijn moeder geschreven; «van dien tijd af, waarop hij in de ijskloof gezeten had, was er een andere geest in hem gevaren.» Zijn grootvader sprak hierover maar zelden; doch men wist het toch overal in het gebergte.De vader van Rudy was postiljon geweest; de groote hond, die in de kamer van zijn grootvader lag, had hem altijd op zijn tocht over den Simplon naar het meer van Genève vergezeld. In het Rhônedal, in het kanton Walliserland, woonden nog bloedverwanten van vaderszijde van Rudy; zijn oom was een onverschrokken gemzenjager en een welbekende gids.—Rudy was nog maar een jaar oud, toen hij zijn vader verloor, en zijn moeder verlangde nu met haar kind naar haar bloedverwanten in het Berner Oberland terug; haar vader woonde eenige uren van Grindelwald af; hij sneed allerlei houten voorwerpen en verdiende daarmee zoo veel, dat hij kon leven. In de maand Juni ging zij met haar kind, in gezelschap van twee gemzenjagers, over den Gemmi naar Grindelwald toe. Reeds hadden zij het grootste eind afgelegd en waren over den hoogen bergrug tot in het sneeuwveld gekomen, reeds zagen zij het dal met de welbekende houten huizen voor zich liggen en hadden nog slechts een grooten gletscher over te loopen. De sneeuw was versch gevallen en verborg een kloof, die wel is waar niet tot op den diepen grond reikte, waar het water bruiste, maar toch altijd dieper dan een manslengte; de jonge vrouw, die haar kind droeg, gleed uit, viel naar beneden en was verdwenen; men hoorde geen gil, geen zucht, maar men vernam het huilen van een klein kind. Meer dan een uur verliep er, voordat haar beide metgezellen uit de naast bijgelegene huisjes touwen en stokken gehaald hadden, om zoo mogelijk nog hulp te bieden, en na veel inspanning haalde menuit de ijskloof twee lijken te voorschijn, naar het scheen. Allerlei middelen werden er aangewend; het gelukte, het kind in het leven terug te roepen, maar de moeder niet, en zoo kreeg de oude grootvader slechts een kleinzoon in huis, een wees, denzelfden knaap, die meer lachte dan huilde; het scheen echter, alsof hij nu het lachen geheel verleerd had, en die verandering moest zeker in de gletscherkloof plaats gegrepen hebben, in de koude, zonderlinge ijswereld, waar de zielen der verdoemden tot aan den jongsten dag ingekerkerd zijn,—zooals de Zwitsersche boer gelooft.Als een bruisend water, tot ijs gestold en samengeperst als tot groene brokken glas, ligt de gletscher, het eene groote ijsblok op het andere gestapeld; beneden in de diepte bruist de snelvlietende stroom van gesmolten sneeuw en vloeibaar geworden ijs; diepe holen, groote kloven strekken zich daar beneden uit, het is een zonderling glazen paleis, en hierin woont de ijsjonkvrouw, de gletscherkoningin. Zij, de doodende, de verpletterende, is half een kind der lucht, half de machtige gebiedster der rivier; daarom is zij ook bij machte, zich met de snelheid der gems op den bovensten top van den sneeuwberg te verheffen, waar de stoutmoedige bergbeklimmers eerst trappen in het ijs moeten hakken, om hun voeten neer te zetten; zij zeilt op het dunne dennenrijs den snellen stroom langs, en springt daar van het eene rotsblok op het andere, omfladderd door haar lange, sneeuwwitte lokken en haar blauwachtig groen gewaad, dat als het water in de diepe meren van Zwitserland schittert.«Verpletteren! Vasthouden! Aan mij behoort de macht!» spreekt zij. «Een schoonen knaap heeft men mij ontstolen, een knaap, dien ik gekust, maar niet doodgekust heb. Hij is weer onder de menschen, hij hoedt de geiten op het gebergte, klimt opwaarts, gedurig hooger, ver van de anderen weg, maar niet van mij! Hij behoort mij toe, ik zal hem halen!»Zij gaf de duizeligheid bevel, voor haar te handelen; want het was de ijsjonkvrouw in den zomertijd in het groen, waar de kroezemunt groeit, te warm; en de duizeligheid klom op en neer; er verhief zich een, er verhieven zich drie. De duizeligheid heeft vele zusters, een geheele schaar, en de ijsjonkvrouw koos de sterkste van die velen, die buiten en binnen haar taak vervullen. Zij zitten op de balustrades van trappen en torens, zij loopen als katten langs de kanten der rotsen, zij springen over de balustrades heen, slaan in de lucht, als de zwemmer in het water, en lokken haar slachtoffer in den afgrond. De duizeligheid en de ijsjonkvrouw, zij grijpen beiden naar den mensch, evenals de poliep naar alles grijpt, wat er in haar nabijheid komt. De duizeligheid moest Rudy grijpen.«Ja, dien grijpen!» zei de duizeligheid. «Daartoe ben ik niet in staat! De kat, dat ondier, heeft hem haar kunsten geleerd. Dit menschenkind bezit een eigenaardige macht, die mij van zich stoot, ik vermag hem niet te grijpen, dezen knaap, als hij op de takken boven den afgrond zit, en hoe graag zou ik hem op de voetzolenkittelen of hem een buiteling in de lucht doen maken! Maar ik ben hiertoe niet in staat!»«Wij zullen het wel gedaan krijgen,» zei de ijsjonkvrouw. «Gij of ik! Ik, ik!»«Neen, neen,» klonk het om haar heen, alsof het een echo van het gelui der kerkklokken in de bergen was; maar het was gezang, het was een samensmeltend koor van andere natuurgeesten, goede, beminlijke geesten,—het waren de dochters der zonnestralen. Deze legeren zich iederen avond in een kring rondom den bergtop; daar spreiden zij haar rooskleurige vleugelen uit, die met het dalen der zon gedurig schitterender worden en een gloed over de hooge Alpen verspreiden; de menschen noemen dat «Alpengloed.» Als de zon dan gezonken is, verbergen zij zich op de bergtoppen in de witte sneeuw en slapen daar, totdat de zon weer opgaat; dan komen zij op nieuw te voorschijn. Vooral hebben zij de bloemen, de kapellen en de menschen lief, en onder deze laatsten hadden zij zich inzonderheid Rudy uitverkoren.«Ge vangt hem niet! Ge krijgt hem niet!» zeiden zij.«Grooter en sterker heb ik er wel gevangen!» zei de ijsjonkvrouw.Nu zongen de dochteren der zon een lied van den reiziger, wiens mantel de stroom wegvoerde,—de wind nam het hulsel, maar den man niet; «ge kunt hem wel grijpen, maar niet vasthouden, gij kinderen der kracht! Hij is sterker dan wij zelfs zijn! Hij klimt hooger dan de zon, onze moeder, hij bezit het tooverwoord, dat wind en water aan banden legt, zoodat zij hem moeten dienen en gehoorzamen. Gij maakt het zware, drukkende gewicht los, en hij verheft zich hooger!»Heerlijk klonk het koor, als het gelui eener klok.Iederen morgen drongen de zonnestralen door het eenige raampje het huis van den grootvader binnen en beschenen het stille kind. De dochters der zonnestralen kusten het; zij wilden den ijskus ontdooien, doen smelten en uitwisschen, dien de koninklijke maagd der gletschers hem gegeven had, toen hij op den schoot van zijn doode moeder in de diepe ijskloof lag en daaruit als door een wonder gered werd.II.De reis naar de nieuwe woning.Rudy was nu acht jaar oud; zijn oom, die aan gene zijde der bergen in het Rhônedal woonde, wilde den knaap tot zich nemen, opdat hij iets zou leeren en beter in de wereld vooruitkomen; dit vond ook zijn grootvader goed en deze liet hem vertrekken.Rudy nam alzoo afscheid. Behalve zijn grootvader waren er echter nog anderen, wien hij vaarwel moest zeggen, en wel in de eerste plaats Ajola, den ouden hond.«Uw vader was postiljon en ik was posthond,» zei Ajola. «Wij zijn ontelbare malen heen en weer gereden, ik ken de honden en ook de menschen aan gene zijde der bergen. Veel spreken is nooit mijn zaak geweest; maar thans, nu wij niet lang meer met elkaar te spreken zullen hebben, wil ik iets meer dan anders zeggen; ik wil u een geschiedenis vertellen, die ik al lang geweten heb; ik begrijp haar echter niet, en gij zult haar ook niet begrijpen, maar dat doet er niet toe; zooveel heb ik er althans uit opgemaakt, dat het in de wereld niet heel billijk verdeeld is, noch voor honden, noch voor menschen! Niet allen zijn geschapen om op den schoot te liggen of melk te drinken; ik ben daaraan niet gewoon; maar ik heb zoo’n hondje wel eens in den postwagen zienmeerijden en daarin de plaats van een mensch innemen; de dame, wie het beestje toebehoorde, had een fleschje met melk bij zich, waaruit zij het hondje liet drinken; en koekjes kreeg het, maar het snuffelde er op zijn hoogst eens even aan en wilde er niet eens van eten, en daarom at zij de koekjes zelf maar op. Ik liep in de modder naast het rijtuig mee, zoo hongerig als een hond maar wezen kan; ik kauwde op mijn eigen gedachten, en dat was niet zooals het behoort;—maar er moet zooveel anders zijn, dat niet is, zooals het behoort. Zoudt gij op den schoot willen zitten en in het rijtuig rijden? Ik gun het u van harte; Maar zelf kan iemand dit niet gedaan krijgen; ik heb het niet kunnen doen, noch door blaffen, noch door huilen!»Dat waren de woorden van Ajola, en Rudy omhelsde hem en kuste hem hartelijk op zijn natten snoet; daarop nam hij den kater op zijn arm, maar deze verzette zich hiertegen.«Ge wordt mij te sterk, en tegen u wil ik mijn klauwen niet gebruiken! Klim maar over de bergen, ik heb u het klimmen immers geleerd! Verbeeld u maar niet, dat ge naar beneden zult vallen, dan blijft ge wel hangen!»Dit zeggende sprong de kater weg; want hij wilde niet, dat Rudy zou merken, hoe de treurigheid hem in de oogen te lezen stond.De kippen liepen trotsch in de kamer rond; een had haar staart verloren; een reiziger, die jager wilde zijn, had haar dien afgeschoten; de kerel had de kip voor een roofvogel aangezien.«Rudy wil over de bergen trekken!» zei de eene kip.«Hij heeft altijd zoo’n haast!» zei de andere, «ik neem niet graag afscheid!» En nu trippelden zij beiden weg.Ook de geiten zei hij vaarwel, en deze deden een «Mê, mê!» hooren en wilden meegaan: dat was zeer treurig.Twee flinke gidsen uit de omstreken, die over de bergen naar den anderen kant van den Gemmi wilden, namen Rudy mee; hij volgde hen te voet. Het was een stevige marsch voor zulk een knaap, maar hij had goede krachten, en zijn moed begaf hem niet.De zwaluwen vlogen een eind mee. «Wij en gij! Gij en wij!» zongen zij. De weg liep over den snelvlietenden Lutschine, die uit vele kleine stroomen uit de zwarte kloof van den Grindelwaldgletscher ontstaat. Als bruggen dienen hier losliggende boomstammen en rotsblokken. Toen zij bij het Ellernwald aangekomen waren, begonnen zij den berg te beklimmen, waar de gletscher zich van den bergrug losgerukt had, en liepen nu over en om ijsblokken heen naar den gletscher toe. Rudy moest nu eens een eindje kruipen, dan weer een eindje loopen; zijn oogen straalden van louter vreugde, en hij trapte zoo vast met zijn met ijzer beslagen bergschoenen, alsof hij bij iederen stap een spoor moest achterlaten. De zwarte aarde, die de bergstroom op den gletscher achtergelaten had, gaf dezen het aanzien, alsof hij beschimmeld was, maar het blauwachtig groene, glasachtige ijs keek er toch doorheen; men moest de kleine meren omloopen, die zich, door blokken ijs ingedamd, gevormdhadden, en op zulk een reis kwam men in de nabijheid van een groot rotsblok, dat waggelend op den rand eener kloof in het ijs lag; dit rotsblok verloor zijn evenwicht, rolde naar beneden en liet de echo’s uit de diepe, holle kloven der gletschers naar boven klinken.Het ging maar steeds bergopwaarts; de gletscher zelf liep in de hoogte als een stroom van woest opeengestapelde ijsmassa’s, die tusschen steile rotsen vastgeklemd zaten. Rudy dacht er een oogenblik aan, dat hij, zooals men hem verteld had, met zijn moeder diep beneden in een van deze kille kloven gelegen had, maar al spoedig werden deze gedachten verbannen, en kwam dit hem voor als de andere geschiedenissen, waarvan hij er zoo vele had hooren vertellen. Nu en dan, als de mannen dachten, dat de weg toch wel wat al te bezwaarlijk voor het knaapje was, staken zij hem een hand toe, maar hij werd niet moede, en op het gladde ijs stond hij vast als een gems. Zij betraden nu den rotsgrond en liepen nu eens tusschen naakte rotsen, dan weer tusschen dennen en over groene weiden, telkens door afwisselende nieuwe landschappen; in de rondte verhieven zich de sneeuwbergen, wier namen de «Jungfrau,» de «Mönch» en de «Eiger,» aan ieder kind in die streken en ook aan Rudy bekend waren. Rudy was vroeger nog nooit zoo hoog op het gebergte geweest en had nog nooit de uitgestrekte sneeuwzee betreden; hier lag deze nu met haar onbeweeglijke sneeuwgolven, waarvan de wind nu en dan een vlok wegblies, evenals hij het schuim van de golven der zee wegblaast. De gletschers staan hier, om zoo te spreken, hand aan hand; elke is een glazen paleis voor de ijsjonkvrouw, wier macht en wil het is, te grijpen en te begraven. De zon scheen warm, de sneeuw was verblindend en als met blauwachtig witte, fonkelende diamanten bezaaid. Ontelbare insecten, inzonderheid kapellen en bijen, lagen bij hoopen dood op de sneeuw neer; zij hadden zich te hoog gewaagd, of de wind had ze zoo hoog gedragen, totdat zij van de koude stierven. Om den Wetterhorn hing een dreigende zwarte wolk; zij daalde naar beneden, opgezwollen van hetgeen zij in zich verborg: een orkaan, vernielend, wanneer hij losbarst. De indruk van deze geheele reis, het nachtverblijf hier boven, de latere weg, de diepe rotskloven, waar het water gedurende een tijdruimte, waarbij de gedachten duizelden, de rotsblokken doorgezaagd heeft, prentten zich onuitwischbaar in het geheugen van Rudy.Een verlaten steenen gebouw aan gene zijde van de sneeuwzee verleende hun gedurende den nacht beschutting; hier vonden zij houtskolen en rijshout; al spoedig was er een vuur aangelegd en het nachtleger gereedgemaakt, zoo goed als het ging; de mannen schaarden zich om het vuur, rookten hun pijpen en dronken den warmen, geurigen drank, dien zij zelf toebereid hadden; ook Rudy kreeg zijn aandeel van den drank, en er werd van het geheimzinnige karakter van het Alpenland, van de zonderlinge, reusachtige slangen in de diepe meren, van het heirleger van nachtspoken verteld,dat den slapende door de lucht naar de wonderbare, drijvende stad Venetië overbracht, van den wilden herder, die zijn zwarte schapen over de weide dreef; al had men deze ook niet gezien, in allen gevalle had men toch het geklingel van hun belletjes gehoord, het schorre geblaat der kudde vernomen. Rudy luisterde nieuwsgierig, maar zonder eenige vrees; deze kende hij niet; en terwijl hij luisterde, kwam het hem voor, alsof hij het spookachtige holle gebrul hoorde; ja, het werd gedurig duidelijker, ook de mannen hoorden het, hielden met hun gesprekken op, luisterden en zeiden tegen Rudy, dat hij niet mocht gaan slapen.Het was een «föhn,» die geweldige stormwind, die zich van de bergen af in het dal werpt en in zijn woede de boomen knakt, alsof het rietjes waren, die de houten huizen van den eenen oever naar den anderen slingert, evenals wij een stuk op het schaakbord verzetten.Na verloop van omstreeks een uur zeiden zij tegen Rudy, dat het gevaar nu geweken was en dat hij kon gaan slapen, en vermoeid van de reis, viel hij als op kommando in slaap.Den volgenden morgen zetten zij hun tocht weer voort. De zon bescheen op dezen dag voor Rudy nieuwe bergen, gletschers en sneeuwvelden; zij waren in het kanton Walliserland gekomen en bevonden zich aan gene zijde van den bergrug, dien men van uit Grindelwald ziet, maar zij waren nog ver van Rudy’s nieuwe woning verwijderd. Er vertoonden zich andere kloven, andere weiden, bosschen en rotspaden; ook andere huizen en andere menschen kwamen te voorschijn, maar wat voor menschen? Het waren wangedrochten: zij hadden akelige, bolle, geelachtige gezichten, hun halzen waren zware, leelijke klompen vet, die als zakken naar beneden hingen; het waren kroplijders; zij sleepten zich met moeite voort en keken de vreemdelingen met wezenlooze blikken aan; de vrouwen zagen er vooral afschuwelijk uit. Waren dat de menschen in zijn nieuwe woonplaats?III.De oom.In het huis van den oom, waar Rudy nu woonde, zagen de menschen er, Goddank! uit, zooals hij ze gewoon was te zien; hier was slechts een enkele kroplijder, een arme idioot, een van die beklagenswaardige schepselen, die in hun verlatenheid in het kanton Walliserland altijd van huis tot huis gaan en in iedere familie een paar maanden blijven; de arme Saperli was juist hier, toen Rudy aankwam.De oom van Rudy was nog een krachtig jager en verstond bovendien het kuipersambacht; zijn echtgenoote was een kleine, levendige vrouw met een vogelgezicht, oogen als een adelaar en een langen, met haar begroeiden hals.Alles was hier voor Rudy nieuw, kleederdracht, zeden en gebruiken, zelfs de taal; maar deze zou het oor van den knaap wel spoedig leeren verstaan. Het zag er hier welvarend uit, in vergelijking met zijn vroeger verblijf bij zijn grootvader. De kamer was grooter, de muren prijkten met horens van gemzen en blank gepolijste jachtroeren; boven de deur hing een beeld van de Heilige Maagd, en daarvoor stonden frissche Alpenrozen en een brandende lamp.Zijn oom was, zooals gezegd is, een der onverschrokkenste gemzenjagers uit den geheelen omtrek en ook een der beste gidsen. In dit huis zou Rudy nu de lieveling worden; wel is waar was er al een, namelijk een oude, blinde en doove jachthond, die nu echter niet meer op de jacht meeging, maar het toch vroeger gedaan had. Men had zijn goede eigenschappen uit vroegere tijden niet vergeten, en daarom werd het beest nu tot de familie gerekend en goed verpleegd. Rudy streelde den hond; maar deze liet zich niet meer met vreemden in, en dat was Rudy immers voor hem; lang bleef hij dit echter niet, hij schoot al spoedig wortelen in het huis en in het hart.«Hier in het kanton Walliserland is het nog zoo kwaad niet,» zei de oom, «en gemzen hebben wij; die sterven niet zoo spoedig uit als de steenbok; hier is het nu veel beter dan in vroegeren tijd. Hoeveel er ook ter eere van de vroegere dagen verteld wordt, de onze zijn toch beter: de zak is opengemaakt, er gaat een luchtstroom door ons ingesloten dal. Iets beters komt er altijd te voorschijn, wanneer het afgesletene vervalt!» zeide hij; en als zijn oom eens recht in zijn nopjes was, dan vertelde hij van de jaren zijner jeugd en verder op tot in den krachtigsten tijd van zijn vader, toen Walliserland, zooals hij zich uitdrukte, nog een dichtgemaakte zak was, vol zieke menschen, beklagenswaardige kroplijders; «maar de Fransche soldaten kwamen hier, zij waren de beste geneesheeren, zij sloegen de ziekte terstond dood, en de menschen sloegen zij ook dood. Van het slaan hadden de Franschen verstand, zij wisten op meer dan één manier een slag te slaan, en de meisjes hebben er ook verstand van!» Daarbij knikte de oom zijn vrouw, die een geboren Française was, al lachend toe. «De Franschen hebben in de rotsen gehouwen, dat het een lust was om te zien. Den Simplonweg hebben zij in de rotsen gemaakt, zoodat ik nu tegen een kind van drie jaar kan zeggen: «Ga eens naar Italië toe! Houd den grooten weg maar!» En het kind zal goed en wel in Italië aankomen, als het den grooten weg maar houdt!» Daarop zong zijn oom een Fransch lied en riep «Hoera!» en «Leve Napoleon Bonaparte!»Hier hoorde Rudy voor het eerst van zijn leven vertellen van Frankrijk en van Lyon, de groote stad aan de Rhône; daar was zijn oom geweest.Er zouden niet vele jaren verloopen, of Rudy zou een uitstekend gemzenjager worden; hij had er veel aanleg toe, zei zijn oom, en deze leerde hem de buks hanteeren, leerde hem het mikken enhet schieten; hij nam hem in den jachttijd mee naar de bergen en liet hem van het warme bloed der gemzen drinken, dat den jager de duizeligheid beneemt; hij leerde hem ook, den tijd te onderscheiden, wanneer op de verschillende bergen de lawinen zouden neerstorten, ’s middags of ’s avonds, al naardat de zonnestralen daar werken; hij leerde hem, op de gemzen en op haar springen acht te geven, zoodat men op de voeten te land kwam en vast bleef staan, en als er in de rotskloof geen steun voor den voet was, dan moest men zich met de ellebogen, met de lendenen en met de kuiten vastklampen, zelfs met den nek kon men zich vastklemmen, als het wezen moest. De gemzen waren slim, zij zetten voorposten uit; maar de jager moest nog slimmer zijn, ze van het rechte spoor afbrengen en op een dwaalweg voeren. Op zekeren dag, toen Rudy met zijn oom op de jacht was, hing deze zijn jas en zijn hoed op den Alpenstok, en de gemzen zagen de jas voor den man aan.Het rotspad was smal, ja, het was bijna geen pad, maar slechts een smalle uitstek langs den gapenden afgrond. De sneeuw, die hier lag, was half ontdooid, de steenen brokkelden af, als men er op trapte, zijn oom ging daarom plat op zijn buik liggen en kroop zoo voorwaarts. Ieder stukje, dat er van de rots afbrokkelde, viel en stuitte terug, sprong en rolde van den eenen rotswand naar den anderen, totdat het in de diepte tot staan kwam. Omstreeks honderd schreden achter zijn oom stond Rudy op een vooruitspringende vaste rotspunt; van hier zag hij een grooten lammergier door de lucht vliegen en zwevend boven zijn oom blijven staan, dien hij met zijn vleugelslag in den afgrond wilde werpen, om hem tot zijn prooi te maken. Zijn oom had slechts oogen voor de gems, die met haar jongen aan gene zijde van de rotskloof te zien was; Rudy hield zijn blik onafgewend op den vogel gevestigd, hij begreep al, wat deze wilde; daarom stond hij gereed om zijn buks af te schieten. Daar sprong de gems plotseling op, zijn oom schoot, en het dier was getroffen door den doodenden kogel, maar het jong sprong weg, alsof het zijn leven lang aan vluchten en gevaren gewoon geweest was. De groote vogel sloeg, door den knal van het schot verschrikt, een andere richting in; zijn oom wist niets van het gevaar, waarin hij verkeerd had; eerst van Rudy vernam hij dit.Terwijl zij zich nu in de beste luim op de terugreis bevonden en de oom een lied uit zijn jeugd floot, hoorden zij eensklaps een eigenaardig geluid in de nabijheid; zij keken om zich heen, en nu verhief zich in de hoogte op de helling der rots het sneeuwdek, het bewoog zich in golven als een stuk linnen, wanneer de wind daaronder speelt. De sneeuwgolven braken en losten zich, terwijl zij een oogenblik geleden nog glad en vast als marmeren platen waren, in schuimende, verbolgen wateren op, die als een doffe donderslag dreunden; het was een lawine, die naar beneden stortte, niet over Rudy en zijn oom heen, maar in hun nabijheid, vlak in hun nabijheid.«Houd je vast, Rudy!» zei de oom, «houd je met alle macht vast!»En Rudy hield den naasten boomstam omklemd; zijn oom klauterde boven hem tegen den boom op en hield zich daar vast, terwijl de lawine vele voeten van hen af voortrolde; maar de luchtdrukking, de stormvleugelen der lawine, brak boomen en struiken in den omtrek, alsof het slechts dunne rietjes waren, en wierp ze her- en derwaarts heen. Rudy zat op zijn hurken; de boomstam, waaraan hij zich vasthield, was als doormidden gezaagd en de kroon was ver weggeslingerd; daar, tusschen de geknakte takken, lag zijn oom met een verpletterd hoofd, zijn hand was nog warm, maar zijn gezicht niet te herkennen. Rudy stond daar bleek en sidderend; het was de eerste schrik zijns levens, de eerste huivering, die hem over de leden ging.Laat op den avond kwam hij met de doodstijding in het huis terug, dat nu een huis van rouw werd. Zijn tante vond geen woorden, geen tranen; eerst toen men het lijk thuis bracht, kwam de smart tot uitbarsting. De arme kroplijder kroop in zijn bed; men zag hem den geheelen volgenden dag niet; eerst tegen den avond kwam hij naar Rudy toe.«Schrijf een brief voor mij!» zeide hij. «Saperli kan niet schrijven! Saperli kan den brief op de post brengen!»«Een brief van jou?» vroeg Rudy. «En aan wien?»«Aan den Heer Christus.»«Aan wien, zeg je?»En nu keek de idioot Rudy met een geroerden blik aan, vouwde de handen en zeide op een plechtigen en vromen toon:«Aan Jezus Christus! Saperli zal hem een brief zenden, hem vragen, of Saperli dood mag liggen en niet de man hier in huis.»Rudy drukte hem de hand en zei: «De brief komt daar niet aan en geeft ons hem niet terug!»Het viel Rudy niet gemakkelijk, hem de onmogelijkheid daarvan te doen inzien.«Nu ben je de steun des huizes!» zei zijn tante en pleegmoeder, en Rudy werd dit ook.IV.Babette.Wie is de beste schutter in het kanton Walliserland? Dat wisten de gemzen wel. «Wacht je voor Rudy!» konden zij zeggen. Wie is de knapste schutter? «Dat is Rudy!» zeiden de meisjes, maar zij zeiden niet: «Wacht je voor Rudy!» Dat zeiden de bedaagde moedertjes niet eens, want hij knikte ze even vriendelijk toe als de jonge meisjes. Wat was hij stoutmoedig en vroolijk! Zijn wangen waren door de zon verbrand, zijn tanden frisch en wit, zijn oogen gitzwart; hij was een knappe jongen en twintig jaar oud. Het ijskoude water hinderde hem niet, als hij zwom; als een visch konhij zich in het water wenden en keeren, en klauteren kon hij als een aap, zich aan den rotswand vastklemmen als een slak; goede spieren en zenuwen had hij, en dat toonde hij ook door den sprong, dien hij eerst van den kater en later van de gems geleerd had. Rudy was de beste gids, waaraan men zich kon toevertrouwen; hij zou zich een geheel vermogen als gids kunnen verwerven; het kuipersambacht, dat zijn oom hem ook geleerd had, beviel hem echter niet; zijn lust was de gemzenjacht, en deze bracht hem ook geld op. Rudy was een goede partij, zooals men zeide, als hij maar niet met een meisje boven zijn stand wilde trouwen. Hij was een danser, van wien de meisjes droomden, en dien deze en gene zelfs wakend in haar gedachten omdroegen.«Mij heeft hij onder het dansen een kus gegeven!» zei Annette van den schoolmeester tegen haar beste vriendin; maar dat had zij niet moeten zeggen, zelfs niet tegen haar beste vriendin. Het gaat niet gemakkelijk, zulke dingen geheim te houden; het is als zand in een zeef, het loopt er doorheen; en spoedig was het bekend, dat Rudy, hoe braaf en goed hij ook was, onder het dansen kuste, en toch had hij niet eens diegene gekust, die hij het liefst had willen kussen.«Ja!» zei een oude jager, «hij heeft Annette gekust; hij is met A begonnen en zal het heele ABC wel doorkussen!»Een kus onder het dansen was alles, wat de roerige tongen tot dusverre tegen hem wisten in te brengen; hij had Annette wel is waar gekust, en toch was zij niet de bloem van zijn hart.Beneden in het dal bij Bex, tusschen de hooge walnoteboomen, bij een kleinen, snelvlietenden bergstroom, woonde de rijke molenaar; het woonhuis was een groot gebouw en had drie verdiepingen met kleine torentjes, die met hout bedekt en met zinken platen belegd waren, welke in den zonne- en maneschijn glinsterden. Op het grootste der torentjes stond een windwijzer, een pijl, die een appel doorboord had: dat moest aan het schot van Tell herinneren. De molen zag er netjes en welvarend uit; deze liet zich ook uitteekenen en beschrijven, maar de dochter van den molenaar liet zich niet uitteekenen en beschrijven: zoo zou Rudy ten minste gezegd hebben, en toch stond zij in zijn hart uitgeteekend; haar oogen fonkelden daar, zoo, dat er een waar vuur in was; dat was plotseling zoo gekomen, evenals een andere brand ook plotseling uitbarst, en het zonderlingste van de zaak was, dat de molenaarsdochter, de aardige Babette, er zelf geen vermoeden van had: zij en Rudy hadden nooit een enkel woord met elkaar gesproken.De molenaar was rijk, en deze rijkdom maakte, dat Babette zeer hoog zat en moeilijk te grijpen was; maar niets zit zoo hoog, of men kan het wel bereiken; men moet maar klauteren; vallen zal men niet, als men het zich maar niet verbeeldt. Deze les was hem reeds in zijn kindsheid ingeprent.Het trof toevallig eens juist zoo, dat Rudy iets te Bex te doen had; het was daarheen een heele reis; want de spoorweg was destijdsnog niet tot stand gekomen. Van de Rhône gletscher langs den voet van den Simplon, tusschen vele afwisselende berghoogten, strekt zich het breede Wallisdal uit met zijn trotsche rivier, de Rhône, die dikwijls buiten haar oevers treedt en over velden en wegen voortstroomt, terwijl zij alles in haar vaart meesleept. Tusschen de stadjes Sion en Saint-Maurice maakt het dal een kromming, buigt zich als een elleboog, en wordt achter Saint-Maurice zoo smal, dat er slechts plaats voor de rivier en voor den smallen weg is. Een oude toren staat hier als schildwacht voor het kanton Walliserland, dat hier eindigt, en ziet over de gemetselde brug naar het tolhuis aan den anderen kant; daar begint het kanton Waadland, en de naaste, niet ver verwijderde stad is Bex. Hier nu ziet men bij iederen stap, dien men doet, overal weelde en overvloed, men bevindt zich als in een tuin van kastanje- en walnoteboomen; hier en daar komen cipressen en granaatbloesems te voorschijn: er heerscht hier eene zuidelijke warmte, alsof men zich in Italië bevond.Rudy kwam te Bex aan, deed, wat hij daar te verrichten had, en keek eens in de stad rond; maar geen molenaarsknecht, laat staan dan Babette, kreeg hij te zien.Het werd avond, de lucht was vervuld met den geur van den wilden tijm en de bloeiende linde; om de met boomen begroeide bergen lag als het ware een schemerende, blauwe sluier verspreid; er heerschte wijd en zijd een stilte, niet die van den slaap of den dood, neen, het was, alsof de gansche natuur den adem inhield, alsof zij gevoelde, dat zij zich stil moest houden, opdat haar beeld op den blauwen grond van den hemel zou gephotographeerd worden. Hier en daar, tusschen de boomen op het groene veld, stonden palen, waarop een telegraafdraad, die door het stille dal gelegd is, rustte; tegen een dier palen leunde een voorwerp, zoo onbeweeglijk, dat men het best voor een boomstam had kunnen houden; het was Rudy, die hier even stil stond, als op dit oogenblik de geheele omgeving; hij sliep niet, nog minder was hij dood, maar evenals er dikwijls groote wereldgebeurtenissen langs den telegraafdraad vliegen,—levensmomenten van gewicht voor den enkele, zonder dat de draad dit door sidderen of door een geluid verraadt,—zoo doortrilden Rudy machtige, overweldigende gedachten: het geluk zijns levens, van nu af zijn bestendige gedachte. Zijn oogen vestigden zich op een punt, een licht, dat tusschen het loof in de woonkamer van den molenaar, waar Babette woonde, te voorschijn kwam. Zoo stil als Rudy hier stond, zou men hebben kunnen denken, dat hij op een gems mikte; maar hij zelf was op dit oogenblik als de gems, die minuten lang, als uit de rots gehouwen, stil kan staan, totdat zij plotseling, wanneer er een steen naar beneden rolt, opspringt en wegsnelt; en zoo ging het met Rudy ook; er rolde een gedachte in hem.«Nooit versagen!» riep hij uit. «Een bezoek in den molen! Goeden avond, molenaar! Goeden avond, Babette! Men valt niet naar beneden, als men het zich maar niet verbeeldt! Babette moet mij toch eenmaal zien, als ik haar man zal worden!»Rudy lachte, hij was goedsmoeds en liep naar den molen toe; hij wist, wat hij wilde: hij wilde Babette hebben.De rivier met den witachtig gelen grond bruiste voort, wilgen en linden hingen over de snelvlietende wateren heen; Rudy liep het pad op naar het huis van den molenaar toe.—Maar, zooals, de kinderen zingen:«Niemand was er thuis,Dan ’t katjen en de muis!»De huiskat stond op de trap, kromde den rug en zeide: «Miauw!» maar Rudy had geen ooren naar deze taal; hij klopte aan, niemand hoorde hem, niemand deed de deur voor hem open. «Miauw!» zei de kat. Als Rudy nog een kind geweest was, dan zou hij die taal wel verstaan en begrepen hebben, dat de kat zeide: «Hier is niemand thuis!» Maar nu moest hij naar den molen toe, om te vragen,en daar kreeg hij het bericht, dat de molenaar op reis gegaan was, ver weg naar Interlaken, en dat Babette met hem meegegaan was; daar was een groot schuttersfeest, dat den volgenden morgen begon en acht dagen lang duurde. Menschen uit alle Duitsche kantons zouden daar zijn.Die arme Rudy, kon men zeggen; hij had geen gelukkigen dag voor zijn bezoek te Bex gekozen, hij kon nu weer terugkeeren; en dat deed hij dan ook en begaf zich over Saint-Maurice en Sion naar zijn dal, naar zijn bergen toe, maar wanhopen deed hij niet. Toen de zon den volgenden morgen opging, was zijn goede luim al lang opgegaan, deze was nog nooit verdwenen.«Babette is te Interlaken, vele dagreizen van hier,» zeide hij bij zich zelf. «Het is een verre tocht daarheen, als men den breeden straatweg langs gaat, maar het is niet zoo ver, als men over de bergen klimt, en dat is juist een weg voor een gemzenjager! Dien weg ben ik vroeger ook al eens gegaan, daarboven is mijn vaderland, waar ik als kind bij mijn grootvader gewoond heb; en te Interlaken is een schuttersfeest! Ik wil daarbij zijn, ik wil de eerste zijn, en bij Babette wil ik ook zijn, als ik eerst kennis met haar gemaakt heb!»Met zijn lichten ransel, waarin zijn Zondagspak zat, op den rug, met geweer en weitasch om den schouder, klom Rudy den berg op, den korten weg, die toch vrij lang was, maar het schuttersfeest was eerst op dezen dag begonnen en zou de geheele week en nog langer duren; gedurende dezen geheelen tijd bleven de molenaar en Babette bij hun bloedverwanten te Interlaken, had men hem gezegd. Rudy liep over den Gemmi heen, hij wilde bij Grindelwald naar beneden klimmen.Frisch en vroolijk klauterde hij tegen de bergen op en genoot de frissche, lichte, versterkende berglucht. Het dal daalde al dieper en dieper, zijn gezichtskring verruimde zich; hier een sneeuwtop, daar weer eer, en al spoedig de schemerend witte Alpenketen. Rudy kende iederen berg, hij ging op den Schreckhorn af, die zijn witgepoederde vingers hoog in de blauwe lucht steekt.Eindelijk was hij op den hoogen bergrug; de grazige weiden strekten zich uit naar het dal van zijn vroegere woonplaats; de lucht was licht, zijn hart was licht; berg en dal waren vol bloemen en groen, zijn hart was vol jeugdig gevoel, waarbij geen ouderdom en geen dood te pas komen: leven, heerschen, genieten! Vrij als een vogel, luchtig als een vogel was hij. En de zwaluwen vlogen hem voorbij en zongen, evenals zij in zijn kindsheid gezongen hadden: «Wij en gij! Gij en wij!» Alles was vreugde en blijdschap.Daar beneden strekte zich de fluweelachtig groene weide uit, bezaaid met bruine houten huizen, de Lütschine gonsde en bruiste. Hij zag den gletscher met zijn glasgroene randen en de smerige sneeuw, zag in de diepe kloven, zag den bovensten en ook den ondersten gletscher. De kerkklokken klonken hem in de ooren, als wilden zij hem een welkom in het land, waar hij zijn jeugd doorgebrachthad, toeroepen; zijn hart klopte heviger en breidde zich dermate uit, dat Babette daarin voor een oogenblik geheel verdween, zoo ruim werd zijn hart, zoo vervuld van herinneringen.Hij liep weer langs den weg voort, waar hij als een kleine jongen met de andere kinderen gestaan en gesneden huisjes verkocht had. Daar boven, achter de dennen, stond het huis van zijn grootvader van moederszijde nog, vreemde menschen woonden nu daarin. Kinderen kwamen hem op den weg te gemoet loopen, zij wilden handel drijven, een bood hem een Alpenroos aan. Rudy nam deze roos als een gunstig voorteeken aan en dacht aan Babette. Al spoedig was hij over de brug, waar de beide Lütschines zich vereenigen; het geboomte wordt hier al dichter, de walnoteboomen geven schaduw. Nu zag hij de wapperende vlaggen, het witte kruis op het roode veld, zooals de Zwitser en de Deen het hebben; en voor hem lag Interlaken.Dat was een prachtige stad, zooals er geen andere bestond, dacht Rudy, een Zwitsersch stadje in Zondagsgewaad. Dat zag er niet uit als de andere steden, log, een troep zware steenhoopen, vreemd en voornaam; neen, hier zag het er uit, alsof de houten huizen van de bergen in het groene dal geloopen waren en zich langs den helderen, snelvlietenden stroom in het gelid geschaard hadden, wel een weinig ongeregeld, maar toch altijd zoo, dat zij een mooie straat vormden. De prachtigste van alle straten was als het ware uit den grond opgerezen, sedert Rudy hier als knaap geweest was; het scheen hem toe, alsof zij ontstaan was uit al de lieve huisjes, die zijn grootvader gesneden had en waarmee de kast te huis opgevuld was, alsof deze zich daar neergezet hadden en krachtig opgegroeid waren, evenals de oude kastanjeboomen. Ieder huis was een hotel, zooals het genoemd werd, met uitgesneden houtwerk om de ramen en den gevel, met een vooruitspringend dak, keurig en sierlijk, en voor ieder huis was een bloemtuin aan den kant van de met steenen geplaveide straat; langs deze stonden de huizen, maar slechts aan den eenen kant; zij zouden anders de frissche, groene weiden aan het gezicht onttrokken hebben, waarin de koeien rondliepen met klokjes om den hals, die als op de hooge Alpen klonken. De weiden waren door hooge bergen omgeven, die in het midden als het ware op zijde traden, zoodat men zeer duidelijk den schitterenden, met sneeuw bedekten berg, de Jungfrau, de schoonst gevormde van alle Zwitsersche bergen, kon zien.Welk een menigte opgepronkte heeren en dames uit vreemde landen, welk een gewemel van landlieden uit de verschillende kantons! Ieder schutter droeg zijn schietnummer in een krans op den hoed. Hier was muziek en gezang, lieren, trompetten, geschreeuw en rumoer. Huizen en bruggen waren met zinnebeelden en verzen versierd; er wapperden vaandels en vlaggen, de buksen deden haar geknal onafgebroken hooren, en de schoten waren in Rudy’s ooren de mooiste muziek. Hij vergat in deze bonte verwarring Babette geheel, ofschoon hij toch om harentwil hier naar toe gegaan was.De schutters begonnen nu met het schijfschieten. Rudy stond al spoedig onder hen en was de behendigste, de gelukkigste van allen; altijd was zijn schot raak.«Wie zou toch die vreemde jonge jager zijn?» vroeg men. «Hij spreekt het Fransch, dat zij in het kanton Walliserland spreken.»—«Hij weet zich ook heel goed in ons Duitsch te doen verstaan,» zeiden enkelen.—«Als kind moet hij hier in de omstreken te Grindelwald gewoond hebben,» wist een der jagers te vertellen.En vol leven was deze vreemde jongeling: zijn oogen fonkelden, zijn blik en zijn arm waren zeker, daarom raakte hij ook. Het geluk geeft moed, en moed had Rudy immers altijd. Al spoedig had hij hier een kring van vrienden om zich verzameld, men eerde hem, ja, men bewees hem hulde,—Babette was hem heelemaal uit de gedachten gegaan. Daar klopte een hand hem op den schouder, en een zware stem sprak hem in de Fransche taal aan.«Zijt ge uit het kanton Walliserland?»Rudy keerde zich om en zag een rood, vergenoegd gezicht, een dik man: het was de rijke molenaar uit Bex; met zijn gezet lichaam verborg hij de teedere, lieve Babette, die echter al spoedig te voorschijn kwam kijken met haar fonkelende, donkere oogen. Het had den rijken molenaar gestreeld, dat het een jager uit zijn kanton was, die de beste schoten deed en door al de anderen geëerd werd. Nu, Rudy was wel een gelukskind: datgene, waarom hij hierheen vertrokken was, maar nu zelf bijna vergeten had, dat zocht hem op.Als landslieden elkaar ver van hun vaderland ontmoeten, dan knoopen zij een gesprek aan en maken kennis met elkander. Rudy was door zijn schoten de eerste van het schuttersfeest, gelijk de molenaar te Bex de eerste door zijn geld en zijn goeden molen was. Zoo drukten de beide mannen elkaar de hand, hetgeen zij vroeger nooit gedaan hadden; ook Babette stak Rudy onbeschroomd de hand toe, en hij drukte haar hand en keek haar met een onafgewenden blik aan, zoodat zij daardoor hevig bloosde.De molenaar vertelde van den langen weg, dien zij hierheen gereisd hadden, en van de vele groote steden, die zij hadden gezien; zij hadden naar zijn meening een verre reis gedaan en waren met de stoomboot, met den spoortrein en ook met de diligence gereisd.«Ik ben den kortsten weg gegaan,» zeide Rudy. «Ik ben over de bergen gekomen; geen weg is zoo hoog, of men kan dien wel langs.»«Maar ook den nek breken!» zei de molenaar. «En gij ziet er mij juist naar uit, alsof ge den nek nog eens zoudt breken, zoo stoutmoedig als ge zijt!»«O, men valt niet naar beneden, als men het zich maar niet verbeeldt!» zei Rudy.De bloedverwanten van den molenaar te Interlaken, waarbij de molenaar en Babette te logeeren waren, noodigden Rudy uit, een bezoek bij hen af te leggen: hij was immers uit hetzelfde kanton als de molenaar. Dat was voor Rudy een gewenscht aanbod, hetgeluk was hem gunstig, gelijk het altijd dengene gunstig is, die op zich zelf bouwt en bedenkt, dat «God ons de noten geeft, maar ze niet voor ons kraakt.»Rudy zat daar bij de bloedverwanten van den molenaar, alsof hij ook tot de familie behoorde, en een glas werd er leeggedronken op het welzijn van den besten schutter; Babette klonk ook mee, en Rudy bedankte voor den toost.Tegen den avond wandelden allen langs de prachtige huizen onder de oude walnoteboomen, en er waren daar zoo vele menschen en zulk een gedrang, dat Rudy Babette zijn arm moest aanbieden. Hij verheugde er zich zoozeer over, dat hij menschen uit Waadland aangetroffen had, zei hij. Waadland en Walliserland waren naburige kantons, die met elkaar op een goeden voet stonden. Hij sprak deze blijdschap zoo hartelijk uit, dat Babette zich niet kon weerhouden, hem daarvoor de hand te drukken. Zij liepen naast elkaar, als waren zij oude kennissen; zij sprak en vertelde, en het ging haar heel goed af, meende Rudy, zooals zij het belachelijke en overdrevene in de kleeding en den gang der vreemde dames deed uitkomen; zij deed dit volstrekt niet om te spotten, want er konden rechtschapen, ja, lieve, goede menschen onder zijn, dat wist Babette wel, zij had immers zelf een petemoei, die zulk een deftige Engelsche dame was. Voor achttien jaren, toen Babette gedoopt werd, was deze petemoei te Bex geweest; zij had Babette de kostbare doekspeld gegeven, die zij op haar borst droeg. Tweemaal had de petemoei geschreven, en dit jaar had Babette gedacht haar en haar dochters hier te Interlaken te ontmoeten; deze dochters, waren ongetrouwd en al oud, dicht bij de dertig, zei Babette,—zij telde immers nog maar achttien jaren.Haar kleine mond stond geen oogenblik stil, en alles, wat Babette zei, klonk Rudy in de ooren als dingen van het uiterste gewicht, en hij vertelde weer, wat hij te vertellen had, hoe dikwijls hij te Bex geweest was, hoe goed hij den molen kende en hoe dikwijls hij Babette gezien had, terwijl zij hem waarschijnlijk nooit had opgemerkt; en onlangs, toen hij in den molen geweest was en wel met vele gedachten, die hij niet kon uitspreken, waren zij en haar vader afwezig, ver weg, maar toch niet zoover, dat men niet over den muur zou hebben kunnen klimmen, die den weg lang maakte.Ja, dat zei hij, en hij zei veel meer; hij zei, hoe graag hij haar mocht lijden,—en dat hij ter wille van haar en niet ter wille van het schuttersfeest gekomen was.Babette zweeg bij dit alles; het was haar, alsof hij haar te hoog ophemelde.Terwijl zij daar voortliepen, daalde de zon achter den hoogen rotswand neer. De Jungfrau stond daar in pracht en glans, omgeven door den boschrijken krans der naburige bergen. Alle menschen bleven staan en sloegen de schoonheid der natuur gade; ook Rudy en Babette vermeiden zich daarin.«Nergens is het schooner dan hier!» zei Babette.«Nergens!» zei Rudy en keek Babette aan.«Morgen moet ik naar huis terug!» zei hij eenige oogenblikken later.«Kom ons te Bex eens opzoeken!» fluisterde Babette. «Het zal vader zeker genoegen doen.»

I.De kleine Rudy.Laat ons een bezoek aan Zwitserland brengen, laat ons een reis doen door het bergland, waar de bosschen tegen de steile rotswanden aangroeien; laat ons opklimmen naar de verblindend witte sneeuwvelden en weer neerdalen in de groene weiden, waardoor rivieren en beken voortbruisen met een vaart, alsof zij de zee niet snel genoeg konden bereiken en verdwijnen. Verzengend staat de zon boven het diepe dal, en ook in de hoogte, op de zware sneeuwmassa’s brandt zij, zoodat deze met de jaren tot glinsterende ijsblokken samensmelten en zich tot rollende lawinen, tot opeengestapelde gletschers vormen. Twee zulke gletschers liggen er in de breede rotskloven onder den Schreckhorn en den Wetterhorn, bijhet bergstadje Grindelwald; zij zijn merkwaardig om bezichtigd te worden, en daarom komen er in den zomer vele vreemdelingen uit de geheele wereld hier naar toe; zij komen over de hooge, met sneeuw bedekte bergen, zij komen ook uit de diepe dalen, en dan moeten zij verscheidene uren klimmen, en terwijl zij klimmen, daalt het dal al dieper; zij zien daarop neer, alsof zij het uit een luchtbol zagen. Boven hen hangen de wolken dikwijls als dikke, zware sluiers om de bergtoppen, terwijl beneden in het dal, waar de vele bruine, houten huizen verstrooid staan, nog een zonnestraal fonkelt en een plekje in het groen te voorschijn doet komen, alsof het doorzichtig was. Daar beneden gonst en suist en bruist het water, daarboven stroomt en babbelt het; het ziet er uit, alsof er zilveren linten over de rotsen naar beneden fladderden.Aan beide kanten van den weg, die bergopwaarts loopt, staan houten huizen; ieder huis heeft zijn aardappeltuin, en deze is onmisbaar: want vele monden zijn er in die hutten, kinderen zijn hier in menigte, die altijd grage magen hebben; overal komen zij te voorschijn en scharen zich om de reizigers, onverschillig of dezen te voet zijn of in rijtuigen zitten; de geheele kinderschaar drijft hier handel, de kleinen bieden mooi gesneden huisjes te koop aan in den vorm van die, welke men hier in het gebergte bouwt. Al moge het regen of zonneschijn wezen, de kinderen zijn er altijd met hun koopwaren.Voor omstreeks twintig jaren stond hier dikwijls, maar altijd op eenigen afstand van de andere kinderen, een kleine jongen, die ook handel wilde drijven; hij stond daar, zette een heel ernstig gezicht en hield zijn mars zoo stevig met zijn beide handen vast, alsof hij niet geneigd was, er iets uit te verkoopen; maar juist deze ernst en dat het jongentje zoo klein was, maakte, dat hij de aandacht trok, dikwijls door de vreemdelingen geroepen werd en vaak den meesten aftrek van zijn koopwaren had; de knaap wist zelf niet waarom. Een uur hooger, ook in het gebergte, woonde zijn grootvader, die de fijne, mooie huisjes sneed, en bij den grijsaard in de kamer stond een groote kast met dergelijke gesneden voorwerpen in menigte: notenkrakers, messen en vorken, doozen met boomen en springende gemzen, juist zoo iets aantrekkelijks voor kinderoogen; maar de knaap—Rudy heette hij—keek met meer plezier en verlangen naar de oude buks, die onder den balk aan de zoldering hing; zijn grootvader had hem beloofd, dat hij deze later zou krijgen; maar hij moest eerst groot en sterk worden, om haar te kunnen hanteeren.Hoe klein de knaap ook was, toch moest hij reeds de geiten hoeden, en als hij een goede geitenhoeder mag heeten, die met de dieren weet te klimmen, dan was Rudy er zeker een; hij klom zelfs een weinig hooger dan de geiten, hij hield er veel van, de vogelnestjes hoog boven in de boomen uit te halen; hij was stoutmoedig en driest, maar glimlachen zag men hem slechts, als hij bij den bruisenden waterval stond of het neerrollen van een lawinehoorde. Hij speelde nooit met de andere kinderen; hij kwam slechts dan met dezen in aanraking, als zijn grootvader hem den berg afzond, om handel te drijven, en van den handel hield Rudy juist niet bijzonder; hij klom liever alleen op de bergen rond, of zat bij zijn grootvader en hoorde dezen van den ouden tijd en van de menschen in het naburige Meiringen, zijn geboorteplaats, vertellen. De menschen daar, zei de grijsaard, hadden er niet van oudsher gewoond; zij waren uit het hooge Noorden gekomen, waar hun stamvaders woonden en Zweden heetten. Rudy beroemde er zich nog al wat op, dat hij dit wist; maar hij leerde ook nog wat van anderen, en deze anderen waren zijn huisgenooten, die tot het dierengeslacht behoorden. Er was een groote hond, die Ajola heette en aan Rudy’s vader toebehoord had, en ook was er een kater; deze kater stond bij Rudy vooral hoog aangeschreven; die had hem het klimmen geleerd.«Kom maar eens met mij op het dak!» had de kater gezegd, en wel duidelijk en verstaanbaar, want als men een kind is en nog niet kan spreken, dan verstaat men de kippen en de eenden heel goed; de katten en de honden spreken ons dan even verstaanbaar toe als vader en moeder, alleen moet men daarvoor nog heel klein zijn; zelfs grootvaders stok kan dan hinniken, en een geheel paard worden met kop, pooten en staart. Bij eenige kinderen houdt dit verstaan later dan bij andere op, en van dezulken zegt men dan, dat zij achterlijk en heel lang kinderen gebleven zijn. Wat zegt men al niet!«Kom maar eens met mij op het dak, Rudy!» was zeker wel het eerste, wat de kater gezegd en Rudy verstaan had. «Wat de menschen van het naar beneden vallen zeggen, is louter verbeelding: men valt niet, als men er niet bang voor is. Komaan, zet uw eenen poot zoo en uw anderen zoo! Voel eerst met uw voorpooten! Ge moet oogen in uw kop en lenige ledematen hebben! Komt er ergens een kloof, spring dan maar en houd u vast. Zoo doe ik het!»En zoo deed Rudy het dan ook; daarom zat hij zoo dikwijls op de dakvorst bij den kater, zat met hem in de toppen van de boomen, ja, hoog op den rand van de rots, waar de kater niet kon komen.«Hooger op!» zeiden boom en struik. «Ziet ge wel, hoe hoog wij kunnen reiken, hoe wij ons vasthouden, zelfs aan den uitersten smallen kant van de rots!»Rudy bereikte de bergtoppen, dikwijls nog voordat de zon daar kwam, en daar dronk hij zijn morgendrank, de frissche, versterkende berglucht, dien drank, dien slechts de goede God weet klaar te maken en waarvan de menschen alleen maar het recept kunnen lezen, waarin geschreven staat: de frissche geur van de kruiden van den berg, van de kroezemunt en den tijm van het dal.—Alles, wat zwaar is, zuigen de hangende wolken in, en de wind slijpt en wrijft ze over de toppen der dennen heen, de geest van den geurgaat in de lucht over, om haar lichter en frisscher, gedurig frisscher te maken. En dat was Rudy’s morgendrank.De zonnestralen, die zegenbrengende dochters der zon, kusten zijn wangen, en de duizeligheid stond op de loer, maar waagde het niet, hem te naderen, en de zwaluwen van het huis van zijn grootvader, waarop niet minder dan zeven nesten waren, vlogen naar hem en de geiten op en zongen: «Wij en gij! Gij en wij!» Zij brachten groeten van huis, van zijn grootvader, ja, zelfs van de beide kippen, die eenige vogels in huis, waarmee Rudy zich echter nooit inliet.Hoe klein hij ook was, had hij toch een reis gedaan, en voor zoo’n klein jongetje juist geen kleine reis; hij was in het kanton Walliserland geboren en over de bergen hierheen gedragen; nog kort geleden had hij te voet den naburigen Staubbach bezocht, die als een zilveren lint voor den met sneeuw bedekten, verblindend witten berg, de Jungfrau, in de lucht fladderde. Ook te Grindelwald bij den grooten gletscher was hij geweest; maar dat was een treurige geschiedenis: daar vond zijn moeder den dood, daar was de kleine Rudy zijn kinderlijke vroolijkheid kwijtgeraakt, zei zijn grootvader. «Toen de jongen nog geen jaar oud was, lachte hij meer dan dat hij huilde,» had zijn moeder geschreven; «van dien tijd af, waarop hij in de ijskloof gezeten had, was er een andere geest in hem gevaren.» Zijn grootvader sprak hierover maar zelden; doch men wist het toch overal in het gebergte.De vader van Rudy was postiljon geweest; de groote hond, die in de kamer van zijn grootvader lag, had hem altijd op zijn tocht over den Simplon naar het meer van Genève vergezeld. In het Rhônedal, in het kanton Walliserland, woonden nog bloedverwanten van vaderszijde van Rudy; zijn oom was een onverschrokken gemzenjager en een welbekende gids.—Rudy was nog maar een jaar oud, toen hij zijn vader verloor, en zijn moeder verlangde nu met haar kind naar haar bloedverwanten in het Berner Oberland terug; haar vader woonde eenige uren van Grindelwald af; hij sneed allerlei houten voorwerpen en verdiende daarmee zoo veel, dat hij kon leven. In de maand Juni ging zij met haar kind, in gezelschap van twee gemzenjagers, over den Gemmi naar Grindelwald toe. Reeds hadden zij het grootste eind afgelegd en waren over den hoogen bergrug tot in het sneeuwveld gekomen, reeds zagen zij het dal met de welbekende houten huizen voor zich liggen en hadden nog slechts een grooten gletscher over te loopen. De sneeuw was versch gevallen en verborg een kloof, die wel is waar niet tot op den diepen grond reikte, waar het water bruiste, maar toch altijd dieper dan een manslengte; de jonge vrouw, die haar kind droeg, gleed uit, viel naar beneden en was verdwenen; men hoorde geen gil, geen zucht, maar men vernam het huilen van een klein kind. Meer dan een uur verliep er, voordat haar beide metgezellen uit de naast bijgelegene huisjes touwen en stokken gehaald hadden, om zoo mogelijk nog hulp te bieden, en na veel inspanning haalde menuit de ijskloof twee lijken te voorschijn, naar het scheen. Allerlei middelen werden er aangewend; het gelukte, het kind in het leven terug te roepen, maar de moeder niet, en zoo kreeg de oude grootvader slechts een kleinzoon in huis, een wees, denzelfden knaap, die meer lachte dan huilde; het scheen echter, alsof hij nu het lachen geheel verleerd had, en die verandering moest zeker in de gletscherkloof plaats gegrepen hebben, in de koude, zonderlinge ijswereld, waar de zielen der verdoemden tot aan den jongsten dag ingekerkerd zijn,—zooals de Zwitsersche boer gelooft.Als een bruisend water, tot ijs gestold en samengeperst als tot groene brokken glas, ligt de gletscher, het eene groote ijsblok op het andere gestapeld; beneden in de diepte bruist de snelvlietende stroom van gesmolten sneeuw en vloeibaar geworden ijs; diepe holen, groote kloven strekken zich daar beneden uit, het is een zonderling glazen paleis, en hierin woont de ijsjonkvrouw, de gletscherkoningin. Zij, de doodende, de verpletterende, is half een kind der lucht, half de machtige gebiedster der rivier; daarom is zij ook bij machte, zich met de snelheid der gems op den bovensten top van den sneeuwberg te verheffen, waar de stoutmoedige bergbeklimmers eerst trappen in het ijs moeten hakken, om hun voeten neer te zetten; zij zeilt op het dunne dennenrijs den snellen stroom langs, en springt daar van het eene rotsblok op het andere, omfladderd door haar lange, sneeuwwitte lokken en haar blauwachtig groen gewaad, dat als het water in de diepe meren van Zwitserland schittert.«Verpletteren! Vasthouden! Aan mij behoort de macht!» spreekt zij. «Een schoonen knaap heeft men mij ontstolen, een knaap, dien ik gekust, maar niet doodgekust heb. Hij is weer onder de menschen, hij hoedt de geiten op het gebergte, klimt opwaarts, gedurig hooger, ver van de anderen weg, maar niet van mij! Hij behoort mij toe, ik zal hem halen!»Zij gaf de duizeligheid bevel, voor haar te handelen; want het was de ijsjonkvrouw in den zomertijd in het groen, waar de kroezemunt groeit, te warm; en de duizeligheid klom op en neer; er verhief zich een, er verhieven zich drie. De duizeligheid heeft vele zusters, een geheele schaar, en de ijsjonkvrouw koos de sterkste van die velen, die buiten en binnen haar taak vervullen. Zij zitten op de balustrades van trappen en torens, zij loopen als katten langs de kanten der rotsen, zij springen over de balustrades heen, slaan in de lucht, als de zwemmer in het water, en lokken haar slachtoffer in den afgrond. De duizeligheid en de ijsjonkvrouw, zij grijpen beiden naar den mensch, evenals de poliep naar alles grijpt, wat er in haar nabijheid komt. De duizeligheid moest Rudy grijpen.«Ja, dien grijpen!» zei de duizeligheid. «Daartoe ben ik niet in staat! De kat, dat ondier, heeft hem haar kunsten geleerd. Dit menschenkind bezit een eigenaardige macht, die mij van zich stoot, ik vermag hem niet te grijpen, dezen knaap, als hij op de takken boven den afgrond zit, en hoe graag zou ik hem op de voetzolenkittelen of hem een buiteling in de lucht doen maken! Maar ik ben hiertoe niet in staat!»«Wij zullen het wel gedaan krijgen,» zei de ijsjonkvrouw. «Gij of ik! Ik, ik!»«Neen, neen,» klonk het om haar heen, alsof het een echo van het gelui der kerkklokken in de bergen was; maar het was gezang, het was een samensmeltend koor van andere natuurgeesten, goede, beminlijke geesten,—het waren de dochters der zonnestralen. Deze legeren zich iederen avond in een kring rondom den bergtop; daar spreiden zij haar rooskleurige vleugelen uit, die met het dalen der zon gedurig schitterender worden en een gloed over de hooge Alpen verspreiden; de menschen noemen dat «Alpengloed.» Als de zon dan gezonken is, verbergen zij zich op de bergtoppen in de witte sneeuw en slapen daar, totdat de zon weer opgaat; dan komen zij op nieuw te voorschijn. Vooral hebben zij de bloemen, de kapellen en de menschen lief, en onder deze laatsten hadden zij zich inzonderheid Rudy uitverkoren.«Ge vangt hem niet! Ge krijgt hem niet!» zeiden zij.«Grooter en sterker heb ik er wel gevangen!» zei de ijsjonkvrouw.Nu zongen de dochteren der zon een lied van den reiziger, wiens mantel de stroom wegvoerde,—de wind nam het hulsel, maar den man niet; «ge kunt hem wel grijpen, maar niet vasthouden, gij kinderen der kracht! Hij is sterker dan wij zelfs zijn! Hij klimt hooger dan de zon, onze moeder, hij bezit het tooverwoord, dat wind en water aan banden legt, zoodat zij hem moeten dienen en gehoorzamen. Gij maakt het zware, drukkende gewicht los, en hij verheft zich hooger!»Heerlijk klonk het koor, als het gelui eener klok.Iederen morgen drongen de zonnestralen door het eenige raampje het huis van den grootvader binnen en beschenen het stille kind. De dochters der zonnestralen kusten het; zij wilden den ijskus ontdooien, doen smelten en uitwisschen, dien de koninklijke maagd der gletschers hem gegeven had, toen hij op den schoot van zijn doode moeder in de diepe ijskloof lag en daaruit als door een wonder gered werd.

Laat ons een bezoek aan Zwitserland brengen, laat ons een reis doen door het bergland, waar de bosschen tegen de steile rotswanden aangroeien; laat ons opklimmen naar de verblindend witte sneeuwvelden en weer neerdalen in de groene weiden, waardoor rivieren en beken voortbruisen met een vaart, alsof zij de zee niet snel genoeg konden bereiken en verdwijnen. Verzengend staat de zon boven het diepe dal, en ook in de hoogte, op de zware sneeuwmassa’s brandt zij, zoodat deze met de jaren tot glinsterende ijsblokken samensmelten en zich tot rollende lawinen, tot opeengestapelde gletschers vormen. Twee zulke gletschers liggen er in de breede rotskloven onder den Schreckhorn en den Wetterhorn, bijhet bergstadje Grindelwald; zij zijn merkwaardig om bezichtigd te worden, en daarom komen er in den zomer vele vreemdelingen uit de geheele wereld hier naar toe; zij komen over de hooge, met sneeuw bedekte bergen, zij komen ook uit de diepe dalen, en dan moeten zij verscheidene uren klimmen, en terwijl zij klimmen, daalt het dal al dieper; zij zien daarop neer, alsof zij het uit een luchtbol zagen. Boven hen hangen de wolken dikwijls als dikke, zware sluiers om de bergtoppen, terwijl beneden in het dal, waar de vele bruine, houten huizen verstrooid staan, nog een zonnestraal fonkelt en een plekje in het groen te voorschijn doet komen, alsof het doorzichtig was. Daar beneden gonst en suist en bruist het water, daarboven stroomt en babbelt het; het ziet er uit, alsof er zilveren linten over de rotsen naar beneden fladderden.

Aan beide kanten van den weg, die bergopwaarts loopt, staan houten huizen; ieder huis heeft zijn aardappeltuin, en deze is onmisbaar: want vele monden zijn er in die hutten, kinderen zijn hier in menigte, die altijd grage magen hebben; overal komen zij te voorschijn en scharen zich om de reizigers, onverschillig of dezen te voet zijn of in rijtuigen zitten; de geheele kinderschaar drijft hier handel, de kleinen bieden mooi gesneden huisjes te koop aan in den vorm van die, welke men hier in het gebergte bouwt. Al moge het regen of zonneschijn wezen, de kinderen zijn er altijd met hun koopwaren.

Voor omstreeks twintig jaren stond hier dikwijls, maar altijd op eenigen afstand van de andere kinderen, een kleine jongen, die ook handel wilde drijven; hij stond daar, zette een heel ernstig gezicht en hield zijn mars zoo stevig met zijn beide handen vast, alsof hij niet geneigd was, er iets uit te verkoopen; maar juist deze ernst en dat het jongentje zoo klein was, maakte, dat hij de aandacht trok, dikwijls door de vreemdelingen geroepen werd en vaak den meesten aftrek van zijn koopwaren had; de knaap wist zelf niet waarom. Een uur hooger, ook in het gebergte, woonde zijn grootvader, die de fijne, mooie huisjes sneed, en bij den grijsaard in de kamer stond een groote kast met dergelijke gesneden voorwerpen in menigte: notenkrakers, messen en vorken, doozen met boomen en springende gemzen, juist zoo iets aantrekkelijks voor kinderoogen; maar de knaap—Rudy heette hij—keek met meer plezier en verlangen naar de oude buks, die onder den balk aan de zoldering hing; zijn grootvader had hem beloofd, dat hij deze later zou krijgen; maar hij moest eerst groot en sterk worden, om haar te kunnen hanteeren.

Hoe klein de knaap ook was, toch moest hij reeds de geiten hoeden, en als hij een goede geitenhoeder mag heeten, die met de dieren weet te klimmen, dan was Rudy er zeker een; hij klom zelfs een weinig hooger dan de geiten, hij hield er veel van, de vogelnestjes hoog boven in de boomen uit te halen; hij was stoutmoedig en driest, maar glimlachen zag men hem slechts, als hij bij den bruisenden waterval stond of het neerrollen van een lawinehoorde. Hij speelde nooit met de andere kinderen; hij kwam slechts dan met dezen in aanraking, als zijn grootvader hem den berg afzond, om handel te drijven, en van den handel hield Rudy juist niet bijzonder; hij klom liever alleen op de bergen rond, of zat bij zijn grootvader en hoorde dezen van den ouden tijd en van de menschen in het naburige Meiringen, zijn geboorteplaats, vertellen. De menschen daar, zei de grijsaard, hadden er niet van oudsher gewoond; zij waren uit het hooge Noorden gekomen, waar hun stamvaders woonden en Zweden heetten. Rudy beroemde er zich nog al wat op, dat hij dit wist; maar hij leerde ook nog wat van anderen, en deze anderen waren zijn huisgenooten, die tot het dierengeslacht behoorden. Er was een groote hond, die Ajola heette en aan Rudy’s vader toebehoord had, en ook was er een kater; deze kater stond bij Rudy vooral hoog aangeschreven; die had hem het klimmen geleerd.

«Kom maar eens met mij op het dak!» had de kater gezegd, en wel duidelijk en verstaanbaar, want als men een kind is en nog niet kan spreken, dan verstaat men de kippen en de eenden heel goed; de katten en de honden spreken ons dan even verstaanbaar toe als vader en moeder, alleen moet men daarvoor nog heel klein zijn; zelfs grootvaders stok kan dan hinniken, en een geheel paard worden met kop, pooten en staart. Bij eenige kinderen houdt dit verstaan later dan bij andere op, en van dezulken zegt men dan, dat zij achterlijk en heel lang kinderen gebleven zijn. Wat zegt men al niet!

«Kom maar eens met mij op het dak, Rudy!» was zeker wel het eerste, wat de kater gezegd en Rudy verstaan had. «Wat de menschen van het naar beneden vallen zeggen, is louter verbeelding: men valt niet, als men er niet bang voor is. Komaan, zet uw eenen poot zoo en uw anderen zoo! Voel eerst met uw voorpooten! Ge moet oogen in uw kop en lenige ledematen hebben! Komt er ergens een kloof, spring dan maar en houd u vast. Zoo doe ik het!»

En zoo deed Rudy het dan ook; daarom zat hij zoo dikwijls op de dakvorst bij den kater, zat met hem in de toppen van de boomen, ja, hoog op den rand van de rots, waar de kater niet kon komen.

«Hooger op!» zeiden boom en struik. «Ziet ge wel, hoe hoog wij kunnen reiken, hoe wij ons vasthouden, zelfs aan den uitersten smallen kant van de rots!»

Rudy bereikte de bergtoppen, dikwijls nog voordat de zon daar kwam, en daar dronk hij zijn morgendrank, de frissche, versterkende berglucht, dien drank, dien slechts de goede God weet klaar te maken en waarvan de menschen alleen maar het recept kunnen lezen, waarin geschreven staat: de frissche geur van de kruiden van den berg, van de kroezemunt en den tijm van het dal.—Alles, wat zwaar is, zuigen de hangende wolken in, en de wind slijpt en wrijft ze over de toppen der dennen heen, de geest van den geurgaat in de lucht over, om haar lichter en frisscher, gedurig frisscher te maken. En dat was Rudy’s morgendrank.

De zonnestralen, die zegenbrengende dochters der zon, kusten zijn wangen, en de duizeligheid stond op de loer, maar waagde het niet, hem te naderen, en de zwaluwen van het huis van zijn grootvader, waarop niet minder dan zeven nesten waren, vlogen naar hem en de geiten op en zongen: «Wij en gij! Gij en wij!» Zij brachten groeten van huis, van zijn grootvader, ja, zelfs van de beide kippen, die eenige vogels in huis, waarmee Rudy zich echter nooit inliet.

Hoe klein hij ook was, had hij toch een reis gedaan, en voor zoo’n klein jongetje juist geen kleine reis; hij was in het kanton Walliserland geboren en over de bergen hierheen gedragen; nog kort geleden had hij te voet den naburigen Staubbach bezocht, die als een zilveren lint voor den met sneeuw bedekten, verblindend witten berg, de Jungfrau, in de lucht fladderde. Ook te Grindelwald bij den grooten gletscher was hij geweest; maar dat was een treurige geschiedenis: daar vond zijn moeder den dood, daar was de kleine Rudy zijn kinderlijke vroolijkheid kwijtgeraakt, zei zijn grootvader. «Toen de jongen nog geen jaar oud was, lachte hij meer dan dat hij huilde,» had zijn moeder geschreven; «van dien tijd af, waarop hij in de ijskloof gezeten had, was er een andere geest in hem gevaren.» Zijn grootvader sprak hierover maar zelden; doch men wist het toch overal in het gebergte.

De vader van Rudy was postiljon geweest; de groote hond, die in de kamer van zijn grootvader lag, had hem altijd op zijn tocht over den Simplon naar het meer van Genève vergezeld. In het Rhônedal, in het kanton Walliserland, woonden nog bloedverwanten van vaderszijde van Rudy; zijn oom was een onverschrokken gemzenjager en een welbekende gids.—Rudy was nog maar een jaar oud, toen hij zijn vader verloor, en zijn moeder verlangde nu met haar kind naar haar bloedverwanten in het Berner Oberland terug; haar vader woonde eenige uren van Grindelwald af; hij sneed allerlei houten voorwerpen en verdiende daarmee zoo veel, dat hij kon leven. In de maand Juni ging zij met haar kind, in gezelschap van twee gemzenjagers, over den Gemmi naar Grindelwald toe. Reeds hadden zij het grootste eind afgelegd en waren over den hoogen bergrug tot in het sneeuwveld gekomen, reeds zagen zij het dal met de welbekende houten huizen voor zich liggen en hadden nog slechts een grooten gletscher over te loopen. De sneeuw was versch gevallen en verborg een kloof, die wel is waar niet tot op den diepen grond reikte, waar het water bruiste, maar toch altijd dieper dan een manslengte; de jonge vrouw, die haar kind droeg, gleed uit, viel naar beneden en was verdwenen; men hoorde geen gil, geen zucht, maar men vernam het huilen van een klein kind. Meer dan een uur verliep er, voordat haar beide metgezellen uit de naast bijgelegene huisjes touwen en stokken gehaald hadden, om zoo mogelijk nog hulp te bieden, en na veel inspanning haalde menuit de ijskloof twee lijken te voorschijn, naar het scheen. Allerlei middelen werden er aangewend; het gelukte, het kind in het leven terug te roepen, maar de moeder niet, en zoo kreeg de oude grootvader slechts een kleinzoon in huis, een wees, denzelfden knaap, die meer lachte dan huilde; het scheen echter, alsof hij nu het lachen geheel verleerd had, en die verandering moest zeker in de gletscherkloof plaats gegrepen hebben, in de koude, zonderlinge ijswereld, waar de zielen der verdoemden tot aan den jongsten dag ingekerkerd zijn,—zooals de Zwitsersche boer gelooft.

Als een bruisend water, tot ijs gestold en samengeperst als tot groene brokken glas, ligt de gletscher, het eene groote ijsblok op het andere gestapeld; beneden in de diepte bruist de snelvlietende stroom van gesmolten sneeuw en vloeibaar geworden ijs; diepe holen, groote kloven strekken zich daar beneden uit, het is een zonderling glazen paleis, en hierin woont de ijsjonkvrouw, de gletscherkoningin. Zij, de doodende, de verpletterende, is half een kind der lucht, half de machtige gebiedster der rivier; daarom is zij ook bij machte, zich met de snelheid der gems op den bovensten top van den sneeuwberg te verheffen, waar de stoutmoedige bergbeklimmers eerst trappen in het ijs moeten hakken, om hun voeten neer te zetten; zij zeilt op het dunne dennenrijs den snellen stroom langs, en springt daar van het eene rotsblok op het andere, omfladderd door haar lange, sneeuwwitte lokken en haar blauwachtig groen gewaad, dat als het water in de diepe meren van Zwitserland schittert.

«Verpletteren! Vasthouden! Aan mij behoort de macht!» spreekt zij. «Een schoonen knaap heeft men mij ontstolen, een knaap, dien ik gekust, maar niet doodgekust heb. Hij is weer onder de menschen, hij hoedt de geiten op het gebergte, klimt opwaarts, gedurig hooger, ver van de anderen weg, maar niet van mij! Hij behoort mij toe, ik zal hem halen!»

Zij gaf de duizeligheid bevel, voor haar te handelen; want het was de ijsjonkvrouw in den zomertijd in het groen, waar de kroezemunt groeit, te warm; en de duizeligheid klom op en neer; er verhief zich een, er verhieven zich drie. De duizeligheid heeft vele zusters, een geheele schaar, en de ijsjonkvrouw koos de sterkste van die velen, die buiten en binnen haar taak vervullen. Zij zitten op de balustrades van trappen en torens, zij loopen als katten langs de kanten der rotsen, zij springen over de balustrades heen, slaan in de lucht, als de zwemmer in het water, en lokken haar slachtoffer in den afgrond. De duizeligheid en de ijsjonkvrouw, zij grijpen beiden naar den mensch, evenals de poliep naar alles grijpt, wat er in haar nabijheid komt. De duizeligheid moest Rudy grijpen.

«Ja, dien grijpen!» zei de duizeligheid. «Daartoe ben ik niet in staat! De kat, dat ondier, heeft hem haar kunsten geleerd. Dit menschenkind bezit een eigenaardige macht, die mij van zich stoot, ik vermag hem niet te grijpen, dezen knaap, als hij op de takken boven den afgrond zit, en hoe graag zou ik hem op de voetzolenkittelen of hem een buiteling in de lucht doen maken! Maar ik ben hiertoe niet in staat!»

«Wij zullen het wel gedaan krijgen,» zei de ijsjonkvrouw. «Gij of ik! Ik, ik!»

«Neen, neen,» klonk het om haar heen, alsof het een echo van het gelui der kerkklokken in de bergen was; maar het was gezang, het was een samensmeltend koor van andere natuurgeesten, goede, beminlijke geesten,—het waren de dochters der zonnestralen. Deze legeren zich iederen avond in een kring rondom den bergtop; daar spreiden zij haar rooskleurige vleugelen uit, die met het dalen der zon gedurig schitterender worden en een gloed over de hooge Alpen verspreiden; de menschen noemen dat «Alpengloed.» Als de zon dan gezonken is, verbergen zij zich op de bergtoppen in de witte sneeuw en slapen daar, totdat de zon weer opgaat; dan komen zij op nieuw te voorschijn. Vooral hebben zij de bloemen, de kapellen en de menschen lief, en onder deze laatsten hadden zij zich inzonderheid Rudy uitverkoren.

«Ge vangt hem niet! Ge krijgt hem niet!» zeiden zij.

«Grooter en sterker heb ik er wel gevangen!» zei de ijsjonkvrouw.

Nu zongen de dochteren der zon een lied van den reiziger, wiens mantel de stroom wegvoerde,—de wind nam het hulsel, maar den man niet; «ge kunt hem wel grijpen, maar niet vasthouden, gij kinderen der kracht! Hij is sterker dan wij zelfs zijn! Hij klimt hooger dan de zon, onze moeder, hij bezit het tooverwoord, dat wind en water aan banden legt, zoodat zij hem moeten dienen en gehoorzamen. Gij maakt het zware, drukkende gewicht los, en hij verheft zich hooger!»

Heerlijk klonk het koor, als het gelui eener klok.

Iederen morgen drongen de zonnestralen door het eenige raampje het huis van den grootvader binnen en beschenen het stille kind. De dochters der zonnestralen kusten het; zij wilden den ijskus ontdooien, doen smelten en uitwisschen, dien de koninklijke maagd der gletschers hem gegeven had, toen hij op den schoot van zijn doode moeder in de diepe ijskloof lag en daaruit als door een wonder gered werd.

II.De reis naar de nieuwe woning.Rudy was nu acht jaar oud; zijn oom, die aan gene zijde der bergen in het Rhônedal woonde, wilde den knaap tot zich nemen, opdat hij iets zou leeren en beter in de wereld vooruitkomen; dit vond ook zijn grootvader goed en deze liet hem vertrekken.Rudy nam alzoo afscheid. Behalve zijn grootvader waren er echter nog anderen, wien hij vaarwel moest zeggen, en wel in de eerste plaats Ajola, den ouden hond.«Uw vader was postiljon en ik was posthond,» zei Ajola. «Wij zijn ontelbare malen heen en weer gereden, ik ken de honden en ook de menschen aan gene zijde der bergen. Veel spreken is nooit mijn zaak geweest; maar thans, nu wij niet lang meer met elkaar te spreken zullen hebben, wil ik iets meer dan anders zeggen; ik wil u een geschiedenis vertellen, die ik al lang geweten heb; ik begrijp haar echter niet, en gij zult haar ook niet begrijpen, maar dat doet er niet toe; zooveel heb ik er althans uit opgemaakt, dat het in de wereld niet heel billijk verdeeld is, noch voor honden, noch voor menschen! Niet allen zijn geschapen om op den schoot te liggen of melk te drinken; ik ben daaraan niet gewoon; maar ik heb zoo’n hondje wel eens in den postwagen zienmeerijden en daarin de plaats van een mensch innemen; de dame, wie het beestje toebehoorde, had een fleschje met melk bij zich, waaruit zij het hondje liet drinken; en koekjes kreeg het, maar het snuffelde er op zijn hoogst eens even aan en wilde er niet eens van eten, en daarom at zij de koekjes zelf maar op. Ik liep in de modder naast het rijtuig mee, zoo hongerig als een hond maar wezen kan; ik kauwde op mijn eigen gedachten, en dat was niet zooals het behoort;—maar er moet zooveel anders zijn, dat niet is, zooals het behoort. Zoudt gij op den schoot willen zitten en in het rijtuig rijden? Ik gun het u van harte; Maar zelf kan iemand dit niet gedaan krijgen; ik heb het niet kunnen doen, noch door blaffen, noch door huilen!»Dat waren de woorden van Ajola, en Rudy omhelsde hem en kuste hem hartelijk op zijn natten snoet; daarop nam hij den kater op zijn arm, maar deze verzette zich hiertegen.«Ge wordt mij te sterk, en tegen u wil ik mijn klauwen niet gebruiken! Klim maar over de bergen, ik heb u het klimmen immers geleerd! Verbeeld u maar niet, dat ge naar beneden zult vallen, dan blijft ge wel hangen!»Dit zeggende sprong de kater weg; want hij wilde niet, dat Rudy zou merken, hoe de treurigheid hem in de oogen te lezen stond.De kippen liepen trotsch in de kamer rond; een had haar staart verloren; een reiziger, die jager wilde zijn, had haar dien afgeschoten; de kerel had de kip voor een roofvogel aangezien.«Rudy wil over de bergen trekken!» zei de eene kip.«Hij heeft altijd zoo’n haast!» zei de andere, «ik neem niet graag afscheid!» En nu trippelden zij beiden weg.Ook de geiten zei hij vaarwel, en deze deden een «Mê, mê!» hooren en wilden meegaan: dat was zeer treurig.Twee flinke gidsen uit de omstreken, die over de bergen naar den anderen kant van den Gemmi wilden, namen Rudy mee; hij volgde hen te voet. Het was een stevige marsch voor zulk een knaap, maar hij had goede krachten, en zijn moed begaf hem niet.De zwaluwen vlogen een eind mee. «Wij en gij! Gij en wij!» zongen zij. De weg liep over den snelvlietenden Lutschine, die uit vele kleine stroomen uit de zwarte kloof van den Grindelwaldgletscher ontstaat. Als bruggen dienen hier losliggende boomstammen en rotsblokken. Toen zij bij het Ellernwald aangekomen waren, begonnen zij den berg te beklimmen, waar de gletscher zich van den bergrug losgerukt had, en liepen nu over en om ijsblokken heen naar den gletscher toe. Rudy moest nu eens een eindje kruipen, dan weer een eindje loopen; zijn oogen straalden van louter vreugde, en hij trapte zoo vast met zijn met ijzer beslagen bergschoenen, alsof hij bij iederen stap een spoor moest achterlaten. De zwarte aarde, die de bergstroom op den gletscher achtergelaten had, gaf dezen het aanzien, alsof hij beschimmeld was, maar het blauwachtig groene, glasachtige ijs keek er toch doorheen; men moest de kleine meren omloopen, die zich, door blokken ijs ingedamd, gevormdhadden, en op zulk een reis kwam men in de nabijheid van een groot rotsblok, dat waggelend op den rand eener kloof in het ijs lag; dit rotsblok verloor zijn evenwicht, rolde naar beneden en liet de echo’s uit de diepe, holle kloven der gletschers naar boven klinken.Het ging maar steeds bergopwaarts; de gletscher zelf liep in de hoogte als een stroom van woest opeengestapelde ijsmassa’s, die tusschen steile rotsen vastgeklemd zaten. Rudy dacht er een oogenblik aan, dat hij, zooals men hem verteld had, met zijn moeder diep beneden in een van deze kille kloven gelegen had, maar al spoedig werden deze gedachten verbannen, en kwam dit hem voor als de andere geschiedenissen, waarvan hij er zoo vele had hooren vertellen. Nu en dan, als de mannen dachten, dat de weg toch wel wat al te bezwaarlijk voor het knaapje was, staken zij hem een hand toe, maar hij werd niet moede, en op het gladde ijs stond hij vast als een gems. Zij betraden nu den rotsgrond en liepen nu eens tusschen naakte rotsen, dan weer tusschen dennen en over groene weiden, telkens door afwisselende nieuwe landschappen; in de rondte verhieven zich de sneeuwbergen, wier namen de «Jungfrau,» de «Mönch» en de «Eiger,» aan ieder kind in die streken en ook aan Rudy bekend waren. Rudy was vroeger nog nooit zoo hoog op het gebergte geweest en had nog nooit de uitgestrekte sneeuwzee betreden; hier lag deze nu met haar onbeweeglijke sneeuwgolven, waarvan de wind nu en dan een vlok wegblies, evenals hij het schuim van de golven der zee wegblaast. De gletschers staan hier, om zoo te spreken, hand aan hand; elke is een glazen paleis voor de ijsjonkvrouw, wier macht en wil het is, te grijpen en te begraven. De zon scheen warm, de sneeuw was verblindend en als met blauwachtig witte, fonkelende diamanten bezaaid. Ontelbare insecten, inzonderheid kapellen en bijen, lagen bij hoopen dood op de sneeuw neer; zij hadden zich te hoog gewaagd, of de wind had ze zoo hoog gedragen, totdat zij van de koude stierven. Om den Wetterhorn hing een dreigende zwarte wolk; zij daalde naar beneden, opgezwollen van hetgeen zij in zich verborg: een orkaan, vernielend, wanneer hij losbarst. De indruk van deze geheele reis, het nachtverblijf hier boven, de latere weg, de diepe rotskloven, waar het water gedurende een tijdruimte, waarbij de gedachten duizelden, de rotsblokken doorgezaagd heeft, prentten zich onuitwischbaar in het geheugen van Rudy.Een verlaten steenen gebouw aan gene zijde van de sneeuwzee verleende hun gedurende den nacht beschutting; hier vonden zij houtskolen en rijshout; al spoedig was er een vuur aangelegd en het nachtleger gereedgemaakt, zoo goed als het ging; de mannen schaarden zich om het vuur, rookten hun pijpen en dronken den warmen, geurigen drank, dien zij zelf toebereid hadden; ook Rudy kreeg zijn aandeel van den drank, en er werd van het geheimzinnige karakter van het Alpenland, van de zonderlinge, reusachtige slangen in de diepe meren, van het heirleger van nachtspoken verteld,dat den slapende door de lucht naar de wonderbare, drijvende stad Venetië overbracht, van den wilden herder, die zijn zwarte schapen over de weide dreef; al had men deze ook niet gezien, in allen gevalle had men toch het geklingel van hun belletjes gehoord, het schorre geblaat der kudde vernomen. Rudy luisterde nieuwsgierig, maar zonder eenige vrees; deze kende hij niet; en terwijl hij luisterde, kwam het hem voor, alsof hij het spookachtige holle gebrul hoorde; ja, het werd gedurig duidelijker, ook de mannen hoorden het, hielden met hun gesprekken op, luisterden en zeiden tegen Rudy, dat hij niet mocht gaan slapen.Het was een «föhn,» die geweldige stormwind, die zich van de bergen af in het dal werpt en in zijn woede de boomen knakt, alsof het rietjes waren, die de houten huizen van den eenen oever naar den anderen slingert, evenals wij een stuk op het schaakbord verzetten.Na verloop van omstreeks een uur zeiden zij tegen Rudy, dat het gevaar nu geweken was en dat hij kon gaan slapen, en vermoeid van de reis, viel hij als op kommando in slaap.Den volgenden morgen zetten zij hun tocht weer voort. De zon bescheen op dezen dag voor Rudy nieuwe bergen, gletschers en sneeuwvelden; zij waren in het kanton Walliserland gekomen en bevonden zich aan gene zijde van den bergrug, dien men van uit Grindelwald ziet, maar zij waren nog ver van Rudy’s nieuwe woning verwijderd. Er vertoonden zich andere kloven, andere weiden, bosschen en rotspaden; ook andere huizen en andere menschen kwamen te voorschijn, maar wat voor menschen? Het waren wangedrochten: zij hadden akelige, bolle, geelachtige gezichten, hun halzen waren zware, leelijke klompen vet, die als zakken naar beneden hingen; het waren kroplijders; zij sleepten zich met moeite voort en keken de vreemdelingen met wezenlooze blikken aan; de vrouwen zagen er vooral afschuwelijk uit. Waren dat de menschen in zijn nieuwe woonplaats?

Rudy was nu acht jaar oud; zijn oom, die aan gene zijde der bergen in het Rhônedal woonde, wilde den knaap tot zich nemen, opdat hij iets zou leeren en beter in de wereld vooruitkomen; dit vond ook zijn grootvader goed en deze liet hem vertrekken.

Rudy nam alzoo afscheid. Behalve zijn grootvader waren er echter nog anderen, wien hij vaarwel moest zeggen, en wel in de eerste plaats Ajola, den ouden hond.

«Uw vader was postiljon en ik was posthond,» zei Ajola. «Wij zijn ontelbare malen heen en weer gereden, ik ken de honden en ook de menschen aan gene zijde der bergen. Veel spreken is nooit mijn zaak geweest; maar thans, nu wij niet lang meer met elkaar te spreken zullen hebben, wil ik iets meer dan anders zeggen; ik wil u een geschiedenis vertellen, die ik al lang geweten heb; ik begrijp haar echter niet, en gij zult haar ook niet begrijpen, maar dat doet er niet toe; zooveel heb ik er althans uit opgemaakt, dat het in de wereld niet heel billijk verdeeld is, noch voor honden, noch voor menschen! Niet allen zijn geschapen om op den schoot te liggen of melk te drinken; ik ben daaraan niet gewoon; maar ik heb zoo’n hondje wel eens in den postwagen zienmeerijden en daarin de plaats van een mensch innemen; de dame, wie het beestje toebehoorde, had een fleschje met melk bij zich, waaruit zij het hondje liet drinken; en koekjes kreeg het, maar het snuffelde er op zijn hoogst eens even aan en wilde er niet eens van eten, en daarom at zij de koekjes zelf maar op. Ik liep in de modder naast het rijtuig mee, zoo hongerig als een hond maar wezen kan; ik kauwde op mijn eigen gedachten, en dat was niet zooals het behoort;—maar er moet zooveel anders zijn, dat niet is, zooals het behoort. Zoudt gij op den schoot willen zitten en in het rijtuig rijden? Ik gun het u van harte; Maar zelf kan iemand dit niet gedaan krijgen; ik heb het niet kunnen doen, noch door blaffen, noch door huilen!»

Dat waren de woorden van Ajola, en Rudy omhelsde hem en kuste hem hartelijk op zijn natten snoet; daarop nam hij den kater op zijn arm, maar deze verzette zich hiertegen.

«Ge wordt mij te sterk, en tegen u wil ik mijn klauwen niet gebruiken! Klim maar over de bergen, ik heb u het klimmen immers geleerd! Verbeeld u maar niet, dat ge naar beneden zult vallen, dan blijft ge wel hangen!»

Dit zeggende sprong de kater weg; want hij wilde niet, dat Rudy zou merken, hoe de treurigheid hem in de oogen te lezen stond.

De kippen liepen trotsch in de kamer rond; een had haar staart verloren; een reiziger, die jager wilde zijn, had haar dien afgeschoten; de kerel had de kip voor een roofvogel aangezien.

«Rudy wil over de bergen trekken!» zei de eene kip.

«Hij heeft altijd zoo’n haast!» zei de andere, «ik neem niet graag afscheid!» En nu trippelden zij beiden weg.

Ook de geiten zei hij vaarwel, en deze deden een «Mê, mê!» hooren en wilden meegaan: dat was zeer treurig.

Twee flinke gidsen uit de omstreken, die over de bergen naar den anderen kant van den Gemmi wilden, namen Rudy mee; hij volgde hen te voet. Het was een stevige marsch voor zulk een knaap, maar hij had goede krachten, en zijn moed begaf hem niet.

De zwaluwen vlogen een eind mee. «Wij en gij! Gij en wij!» zongen zij. De weg liep over den snelvlietenden Lutschine, die uit vele kleine stroomen uit de zwarte kloof van den Grindelwaldgletscher ontstaat. Als bruggen dienen hier losliggende boomstammen en rotsblokken. Toen zij bij het Ellernwald aangekomen waren, begonnen zij den berg te beklimmen, waar de gletscher zich van den bergrug losgerukt had, en liepen nu over en om ijsblokken heen naar den gletscher toe. Rudy moest nu eens een eindje kruipen, dan weer een eindje loopen; zijn oogen straalden van louter vreugde, en hij trapte zoo vast met zijn met ijzer beslagen bergschoenen, alsof hij bij iederen stap een spoor moest achterlaten. De zwarte aarde, die de bergstroom op den gletscher achtergelaten had, gaf dezen het aanzien, alsof hij beschimmeld was, maar het blauwachtig groene, glasachtige ijs keek er toch doorheen; men moest de kleine meren omloopen, die zich, door blokken ijs ingedamd, gevormdhadden, en op zulk een reis kwam men in de nabijheid van een groot rotsblok, dat waggelend op den rand eener kloof in het ijs lag; dit rotsblok verloor zijn evenwicht, rolde naar beneden en liet de echo’s uit de diepe, holle kloven der gletschers naar boven klinken.

Het ging maar steeds bergopwaarts; de gletscher zelf liep in de hoogte als een stroom van woest opeengestapelde ijsmassa’s, die tusschen steile rotsen vastgeklemd zaten. Rudy dacht er een oogenblik aan, dat hij, zooals men hem verteld had, met zijn moeder diep beneden in een van deze kille kloven gelegen had, maar al spoedig werden deze gedachten verbannen, en kwam dit hem voor als de andere geschiedenissen, waarvan hij er zoo vele had hooren vertellen. Nu en dan, als de mannen dachten, dat de weg toch wel wat al te bezwaarlijk voor het knaapje was, staken zij hem een hand toe, maar hij werd niet moede, en op het gladde ijs stond hij vast als een gems. Zij betraden nu den rotsgrond en liepen nu eens tusschen naakte rotsen, dan weer tusschen dennen en over groene weiden, telkens door afwisselende nieuwe landschappen; in de rondte verhieven zich de sneeuwbergen, wier namen de «Jungfrau,» de «Mönch» en de «Eiger,» aan ieder kind in die streken en ook aan Rudy bekend waren. Rudy was vroeger nog nooit zoo hoog op het gebergte geweest en had nog nooit de uitgestrekte sneeuwzee betreden; hier lag deze nu met haar onbeweeglijke sneeuwgolven, waarvan de wind nu en dan een vlok wegblies, evenals hij het schuim van de golven der zee wegblaast. De gletschers staan hier, om zoo te spreken, hand aan hand; elke is een glazen paleis voor de ijsjonkvrouw, wier macht en wil het is, te grijpen en te begraven. De zon scheen warm, de sneeuw was verblindend en als met blauwachtig witte, fonkelende diamanten bezaaid. Ontelbare insecten, inzonderheid kapellen en bijen, lagen bij hoopen dood op de sneeuw neer; zij hadden zich te hoog gewaagd, of de wind had ze zoo hoog gedragen, totdat zij van de koude stierven. Om den Wetterhorn hing een dreigende zwarte wolk; zij daalde naar beneden, opgezwollen van hetgeen zij in zich verborg: een orkaan, vernielend, wanneer hij losbarst. De indruk van deze geheele reis, het nachtverblijf hier boven, de latere weg, de diepe rotskloven, waar het water gedurende een tijdruimte, waarbij de gedachten duizelden, de rotsblokken doorgezaagd heeft, prentten zich onuitwischbaar in het geheugen van Rudy.

Een verlaten steenen gebouw aan gene zijde van de sneeuwzee verleende hun gedurende den nacht beschutting; hier vonden zij houtskolen en rijshout; al spoedig was er een vuur aangelegd en het nachtleger gereedgemaakt, zoo goed als het ging; de mannen schaarden zich om het vuur, rookten hun pijpen en dronken den warmen, geurigen drank, dien zij zelf toebereid hadden; ook Rudy kreeg zijn aandeel van den drank, en er werd van het geheimzinnige karakter van het Alpenland, van de zonderlinge, reusachtige slangen in de diepe meren, van het heirleger van nachtspoken verteld,dat den slapende door de lucht naar de wonderbare, drijvende stad Venetië overbracht, van den wilden herder, die zijn zwarte schapen over de weide dreef; al had men deze ook niet gezien, in allen gevalle had men toch het geklingel van hun belletjes gehoord, het schorre geblaat der kudde vernomen. Rudy luisterde nieuwsgierig, maar zonder eenige vrees; deze kende hij niet; en terwijl hij luisterde, kwam het hem voor, alsof hij het spookachtige holle gebrul hoorde; ja, het werd gedurig duidelijker, ook de mannen hoorden het, hielden met hun gesprekken op, luisterden en zeiden tegen Rudy, dat hij niet mocht gaan slapen.

Het was een «föhn,» die geweldige stormwind, die zich van de bergen af in het dal werpt en in zijn woede de boomen knakt, alsof het rietjes waren, die de houten huizen van den eenen oever naar den anderen slingert, evenals wij een stuk op het schaakbord verzetten.

Na verloop van omstreeks een uur zeiden zij tegen Rudy, dat het gevaar nu geweken was en dat hij kon gaan slapen, en vermoeid van de reis, viel hij als op kommando in slaap.

Den volgenden morgen zetten zij hun tocht weer voort. De zon bescheen op dezen dag voor Rudy nieuwe bergen, gletschers en sneeuwvelden; zij waren in het kanton Walliserland gekomen en bevonden zich aan gene zijde van den bergrug, dien men van uit Grindelwald ziet, maar zij waren nog ver van Rudy’s nieuwe woning verwijderd. Er vertoonden zich andere kloven, andere weiden, bosschen en rotspaden; ook andere huizen en andere menschen kwamen te voorschijn, maar wat voor menschen? Het waren wangedrochten: zij hadden akelige, bolle, geelachtige gezichten, hun halzen waren zware, leelijke klompen vet, die als zakken naar beneden hingen; het waren kroplijders; zij sleepten zich met moeite voort en keken de vreemdelingen met wezenlooze blikken aan; de vrouwen zagen er vooral afschuwelijk uit. Waren dat de menschen in zijn nieuwe woonplaats?

III.De oom.In het huis van den oom, waar Rudy nu woonde, zagen de menschen er, Goddank! uit, zooals hij ze gewoon was te zien; hier was slechts een enkele kroplijder, een arme idioot, een van die beklagenswaardige schepselen, die in hun verlatenheid in het kanton Walliserland altijd van huis tot huis gaan en in iedere familie een paar maanden blijven; de arme Saperli was juist hier, toen Rudy aankwam.De oom van Rudy was nog een krachtig jager en verstond bovendien het kuipersambacht; zijn echtgenoote was een kleine, levendige vrouw met een vogelgezicht, oogen als een adelaar en een langen, met haar begroeiden hals.Alles was hier voor Rudy nieuw, kleederdracht, zeden en gebruiken, zelfs de taal; maar deze zou het oor van den knaap wel spoedig leeren verstaan. Het zag er hier welvarend uit, in vergelijking met zijn vroeger verblijf bij zijn grootvader. De kamer was grooter, de muren prijkten met horens van gemzen en blank gepolijste jachtroeren; boven de deur hing een beeld van de Heilige Maagd, en daarvoor stonden frissche Alpenrozen en een brandende lamp.Zijn oom was, zooals gezegd is, een der onverschrokkenste gemzenjagers uit den geheelen omtrek en ook een der beste gidsen. In dit huis zou Rudy nu de lieveling worden; wel is waar was er al een, namelijk een oude, blinde en doove jachthond, die nu echter niet meer op de jacht meeging, maar het toch vroeger gedaan had. Men had zijn goede eigenschappen uit vroegere tijden niet vergeten, en daarom werd het beest nu tot de familie gerekend en goed verpleegd. Rudy streelde den hond; maar deze liet zich niet meer met vreemden in, en dat was Rudy immers voor hem; lang bleef hij dit echter niet, hij schoot al spoedig wortelen in het huis en in het hart.«Hier in het kanton Walliserland is het nog zoo kwaad niet,» zei de oom, «en gemzen hebben wij; die sterven niet zoo spoedig uit als de steenbok; hier is het nu veel beter dan in vroegeren tijd. Hoeveel er ook ter eere van de vroegere dagen verteld wordt, de onze zijn toch beter: de zak is opengemaakt, er gaat een luchtstroom door ons ingesloten dal. Iets beters komt er altijd te voorschijn, wanneer het afgesletene vervalt!» zeide hij; en als zijn oom eens recht in zijn nopjes was, dan vertelde hij van de jaren zijner jeugd en verder op tot in den krachtigsten tijd van zijn vader, toen Walliserland, zooals hij zich uitdrukte, nog een dichtgemaakte zak was, vol zieke menschen, beklagenswaardige kroplijders; «maar de Fransche soldaten kwamen hier, zij waren de beste geneesheeren, zij sloegen de ziekte terstond dood, en de menschen sloegen zij ook dood. Van het slaan hadden de Franschen verstand, zij wisten op meer dan één manier een slag te slaan, en de meisjes hebben er ook verstand van!» Daarbij knikte de oom zijn vrouw, die een geboren Française was, al lachend toe. «De Franschen hebben in de rotsen gehouwen, dat het een lust was om te zien. Den Simplonweg hebben zij in de rotsen gemaakt, zoodat ik nu tegen een kind van drie jaar kan zeggen: «Ga eens naar Italië toe! Houd den grooten weg maar!» En het kind zal goed en wel in Italië aankomen, als het den grooten weg maar houdt!» Daarop zong zijn oom een Fransch lied en riep «Hoera!» en «Leve Napoleon Bonaparte!»Hier hoorde Rudy voor het eerst van zijn leven vertellen van Frankrijk en van Lyon, de groote stad aan de Rhône; daar was zijn oom geweest.Er zouden niet vele jaren verloopen, of Rudy zou een uitstekend gemzenjager worden; hij had er veel aanleg toe, zei zijn oom, en deze leerde hem de buks hanteeren, leerde hem het mikken enhet schieten; hij nam hem in den jachttijd mee naar de bergen en liet hem van het warme bloed der gemzen drinken, dat den jager de duizeligheid beneemt; hij leerde hem ook, den tijd te onderscheiden, wanneer op de verschillende bergen de lawinen zouden neerstorten, ’s middags of ’s avonds, al naardat de zonnestralen daar werken; hij leerde hem, op de gemzen en op haar springen acht te geven, zoodat men op de voeten te land kwam en vast bleef staan, en als er in de rotskloof geen steun voor den voet was, dan moest men zich met de ellebogen, met de lendenen en met de kuiten vastklampen, zelfs met den nek kon men zich vastklemmen, als het wezen moest. De gemzen waren slim, zij zetten voorposten uit; maar de jager moest nog slimmer zijn, ze van het rechte spoor afbrengen en op een dwaalweg voeren. Op zekeren dag, toen Rudy met zijn oom op de jacht was, hing deze zijn jas en zijn hoed op den Alpenstok, en de gemzen zagen de jas voor den man aan.Het rotspad was smal, ja, het was bijna geen pad, maar slechts een smalle uitstek langs den gapenden afgrond. De sneeuw, die hier lag, was half ontdooid, de steenen brokkelden af, als men er op trapte, zijn oom ging daarom plat op zijn buik liggen en kroop zoo voorwaarts. Ieder stukje, dat er van de rots afbrokkelde, viel en stuitte terug, sprong en rolde van den eenen rotswand naar den anderen, totdat het in de diepte tot staan kwam. Omstreeks honderd schreden achter zijn oom stond Rudy op een vooruitspringende vaste rotspunt; van hier zag hij een grooten lammergier door de lucht vliegen en zwevend boven zijn oom blijven staan, dien hij met zijn vleugelslag in den afgrond wilde werpen, om hem tot zijn prooi te maken. Zijn oom had slechts oogen voor de gems, die met haar jongen aan gene zijde van de rotskloof te zien was; Rudy hield zijn blik onafgewend op den vogel gevestigd, hij begreep al, wat deze wilde; daarom stond hij gereed om zijn buks af te schieten. Daar sprong de gems plotseling op, zijn oom schoot, en het dier was getroffen door den doodenden kogel, maar het jong sprong weg, alsof het zijn leven lang aan vluchten en gevaren gewoon geweest was. De groote vogel sloeg, door den knal van het schot verschrikt, een andere richting in; zijn oom wist niets van het gevaar, waarin hij verkeerd had; eerst van Rudy vernam hij dit.Terwijl zij zich nu in de beste luim op de terugreis bevonden en de oom een lied uit zijn jeugd floot, hoorden zij eensklaps een eigenaardig geluid in de nabijheid; zij keken om zich heen, en nu verhief zich in de hoogte op de helling der rots het sneeuwdek, het bewoog zich in golven als een stuk linnen, wanneer de wind daaronder speelt. De sneeuwgolven braken en losten zich, terwijl zij een oogenblik geleden nog glad en vast als marmeren platen waren, in schuimende, verbolgen wateren op, die als een doffe donderslag dreunden; het was een lawine, die naar beneden stortte, niet over Rudy en zijn oom heen, maar in hun nabijheid, vlak in hun nabijheid.«Houd je vast, Rudy!» zei de oom, «houd je met alle macht vast!»En Rudy hield den naasten boomstam omklemd; zijn oom klauterde boven hem tegen den boom op en hield zich daar vast, terwijl de lawine vele voeten van hen af voortrolde; maar de luchtdrukking, de stormvleugelen der lawine, brak boomen en struiken in den omtrek, alsof het slechts dunne rietjes waren, en wierp ze her- en derwaarts heen. Rudy zat op zijn hurken; de boomstam, waaraan hij zich vasthield, was als doormidden gezaagd en de kroon was ver weggeslingerd; daar, tusschen de geknakte takken, lag zijn oom met een verpletterd hoofd, zijn hand was nog warm, maar zijn gezicht niet te herkennen. Rudy stond daar bleek en sidderend; het was de eerste schrik zijns levens, de eerste huivering, die hem over de leden ging.Laat op den avond kwam hij met de doodstijding in het huis terug, dat nu een huis van rouw werd. Zijn tante vond geen woorden, geen tranen; eerst toen men het lijk thuis bracht, kwam de smart tot uitbarsting. De arme kroplijder kroop in zijn bed; men zag hem den geheelen volgenden dag niet; eerst tegen den avond kwam hij naar Rudy toe.«Schrijf een brief voor mij!» zeide hij. «Saperli kan niet schrijven! Saperli kan den brief op de post brengen!»«Een brief van jou?» vroeg Rudy. «En aan wien?»«Aan den Heer Christus.»«Aan wien, zeg je?»En nu keek de idioot Rudy met een geroerden blik aan, vouwde de handen en zeide op een plechtigen en vromen toon:«Aan Jezus Christus! Saperli zal hem een brief zenden, hem vragen, of Saperli dood mag liggen en niet de man hier in huis.»Rudy drukte hem de hand en zei: «De brief komt daar niet aan en geeft ons hem niet terug!»Het viel Rudy niet gemakkelijk, hem de onmogelijkheid daarvan te doen inzien.«Nu ben je de steun des huizes!» zei zijn tante en pleegmoeder, en Rudy werd dit ook.

In het huis van den oom, waar Rudy nu woonde, zagen de menschen er, Goddank! uit, zooals hij ze gewoon was te zien; hier was slechts een enkele kroplijder, een arme idioot, een van die beklagenswaardige schepselen, die in hun verlatenheid in het kanton Walliserland altijd van huis tot huis gaan en in iedere familie een paar maanden blijven; de arme Saperli was juist hier, toen Rudy aankwam.

De oom van Rudy was nog een krachtig jager en verstond bovendien het kuipersambacht; zijn echtgenoote was een kleine, levendige vrouw met een vogelgezicht, oogen als een adelaar en een langen, met haar begroeiden hals.

Alles was hier voor Rudy nieuw, kleederdracht, zeden en gebruiken, zelfs de taal; maar deze zou het oor van den knaap wel spoedig leeren verstaan. Het zag er hier welvarend uit, in vergelijking met zijn vroeger verblijf bij zijn grootvader. De kamer was grooter, de muren prijkten met horens van gemzen en blank gepolijste jachtroeren; boven de deur hing een beeld van de Heilige Maagd, en daarvoor stonden frissche Alpenrozen en een brandende lamp.

Zijn oom was, zooals gezegd is, een der onverschrokkenste gemzenjagers uit den geheelen omtrek en ook een der beste gidsen. In dit huis zou Rudy nu de lieveling worden; wel is waar was er al een, namelijk een oude, blinde en doove jachthond, die nu echter niet meer op de jacht meeging, maar het toch vroeger gedaan had. Men had zijn goede eigenschappen uit vroegere tijden niet vergeten, en daarom werd het beest nu tot de familie gerekend en goed verpleegd. Rudy streelde den hond; maar deze liet zich niet meer met vreemden in, en dat was Rudy immers voor hem; lang bleef hij dit echter niet, hij schoot al spoedig wortelen in het huis en in het hart.

«Hier in het kanton Walliserland is het nog zoo kwaad niet,» zei de oom, «en gemzen hebben wij; die sterven niet zoo spoedig uit als de steenbok; hier is het nu veel beter dan in vroegeren tijd. Hoeveel er ook ter eere van de vroegere dagen verteld wordt, de onze zijn toch beter: de zak is opengemaakt, er gaat een luchtstroom door ons ingesloten dal. Iets beters komt er altijd te voorschijn, wanneer het afgesletene vervalt!» zeide hij; en als zijn oom eens recht in zijn nopjes was, dan vertelde hij van de jaren zijner jeugd en verder op tot in den krachtigsten tijd van zijn vader, toen Walliserland, zooals hij zich uitdrukte, nog een dichtgemaakte zak was, vol zieke menschen, beklagenswaardige kroplijders; «maar de Fransche soldaten kwamen hier, zij waren de beste geneesheeren, zij sloegen de ziekte terstond dood, en de menschen sloegen zij ook dood. Van het slaan hadden de Franschen verstand, zij wisten op meer dan één manier een slag te slaan, en de meisjes hebben er ook verstand van!» Daarbij knikte de oom zijn vrouw, die een geboren Française was, al lachend toe. «De Franschen hebben in de rotsen gehouwen, dat het een lust was om te zien. Den Simplonweg hebben zij in de rotsen gemaakt, zoodat ik nu tegen een kind van drie jaar kan zeggen: «Ga eens naar Italië toe! Houd den grooten weg maar!» En het kind zal goed en wel in Italië aankomen, als het den grooten weg maar houdt!» Daarop zong zijn oom een Fransch lied en riep «Hoera!» en «Leve Napoleon Bonaparte!»

Hier hoorde Rudy voor het eerst van zijn leven vertellen van Frankrijk en van Lyon, de groote stad aan de Rhône; daar was zijn oom geweest.

Er zouden niet vele jaren verloopen, of Rudy zou een uitstekend gemzenjager worden; hij had er veel aanleg toe, zei zijn oom, en deze leerde hem de buks hanteeren, leerde hem het mikken enhet schieten; hij nam hem in den jachttijd mee naar de bergen en liet hem van het warme bloed der gemzen drinken, dat den jager de duizeligheid beneemt; hij leerde hem ook, den tijd te onderscheiden, wanneer op de verschillende bergen de lawinen zouden neerstorten, ’s middags of ’s avonds, al naardat de zonnestralen daar werken; hij leerde hem, op de gemzen en op haar springen acht te geven, zoodat men op de voeten te land kwam en vast bleef staan, en als er in de rotskloof geen steun voor den voet was, dan moest men zich met de ellebogen, met de lendenen en met de kuiten vastklampen, zelfs met den nek kon men zich vastklemmen, als het wezen moest. De gemzen waren slim, zij zetten voorposten uit; maar de jager moest nog slimmer zijn, ze van het rechte spoor afbrengen en op een dwaalweg voeren. Op zekeren dag, toen Rudy met zijn oom op de jacht was, hing deze zijn jas en zijn hoed op den Alpenstok, en de gemzen zagen de jas voor den man aan.

Het rotspad was smal, ja, het was bijna geen pad, maar slechts een smalle uitstek langs den gapenden afgrond. De sneeuw, die hier lag, was half ontdooid, de steenen brokkelden af, als men er op trapte, zijn oom ging daarom plat op zijn buik liggen en kroop zoo voorwaarts. Ieder stukje, dat er van de rots afbrokkelde, viel en stuitte terug, sprong en rolde van den eenen rotswand naar den anderen, totdat het in de diepte tot staan kwam. Omstreeks honderd schreden achter zijn oom stond Rudy op een vooruitspringende vaste rotspunt; van hier zag hij een grooten lammergier door de lucht vliegen en zwevend boven zijn oom blijven staan, dien hij met zijn vleugelslag in den afgrond wilde werpen, om hem tot zijn prooi te maken. Zijn oom had slechts oogen voor de gems, die met haar jongen aan gene zijde van de rotskloof te zien was; Rudy hield zijn blik onafgewend op den vogel gevestigd, hij begreep al, wat deze wilde; daarom stond hij gereed om zijn buks af te schieten. Daar sprong de gems plotseling op, zijn oom schoot, en het dier was getroffen door den doodenden kogel, maar het jong sprong weg, alsof het zijn leven lang aan vluchten en gevaren gewoon geweest was. De groote vogel sloeg, door den knal van het schot verschrikt, een andere richting in; zijn oom wist niets van het gevaar, waarin hij verkeerd had; eerst van Rudy vernam hij dit.

Terwijl zij zich nu in de beste luim op de terugreis bevonden en de oom een lied uit zijn jeugd floot, hoorden zij eensklaps een eigenaardig geluid in de nabijheid; zij keken om zich heen, en nu verhief zich in de hoogte op de helling der rots het sneeuwdek, het bewoog zich in golven als een stuk linnen, wanneer de wind daaronder speelt. De sneeuwgolven braken en losten zich, terwijl zij een oogenblik geleden nog glad en vast als marmeren platen waren, in schuimende, verbolgen wateren op, die als een doffe donderslag dreunden; het was een lawine, die naar beneden stortte, niet over Rudy en zijn oom heen, maar in hun nabijheid, vlak in hun nabijheid.

«Houd je vast, Rudy!» zei de oom, «houd je met alle macht vast!»

En Rudy hield den naasten boomstam omklemd; zijn oom klauterde boven hem tegen den boom op en hield zich daar vast, terwijl de lawine vele voeten van hen af voortrolde; maar de luchtdrukking, de stormvleugelen der lawine, brak boomen en struiken in den omtrek, alsof het slechts dunne rietjes waren, en wierp ze her- en derwaarts heen. Rudy zat op zijn hurken; de boomstam, waaraan hij zich vasthield, was als doormidden gezaagd en de kroon was ver weggeslingerd; daar, tusschen de geknakte takken, lag zijn oom met een verpletterd hoofd, zijn hand was nog warm, maar zijn gezicht niet te herkennen. Rudy stond daar bleek en sidderend; het was de eerste schrik zijns levens, de eerste huivering, die hem over de leden ging.

Laat op den avond kwam hij met de doodstijding in het huis terug, dat nu een huis van rouw werd. Zijn tante vond geen woorden, geen tranen; eerst toen men het lijk thuis bracht, kwam de smart tot uitbarsting. De arme kroplijder kroop in zijn bed; men zag hem den geheelen volgenden dag niet; eerst tegen den avond kwam hij naar Rudy toe.

«Schrijf een brief voor mij!» zeide hij. «Saperli kan niet schrijven! Saperli kan den brief op de post brengen!»

«Een brief van jou?» vroeg Rudy. «En aan wien?»

«Aan den Heer Christus.»

«Aan wien, zeg je?»

En nu keek de idioot Rudy met een geroerden blik aan, vouwde de handen en zeide op een plechtigen en vromen toon:

«Aan Jezus Christus! Saperli zal hem een brief zenden, hem vragen, of Saperli dood mag liggen en niet de man hier in huis.»

Rudy drukte hem de hand en zei: «De brief komt daar niet aan en geeft ons hem niet terug!»

Het viel Rudy niet gemakkelijk, hem de onmogelijkheid daarvan te doen inzien.

«Nu ben je de steun des huizes!» zei zijn tante en pleegmoeder, en Rudy werd dit ook.

IV.Babette.Wie is de beste schutter in het kanton Walliserland? Dat wisten de gemzen wel. «Wacht je voor Rudy!» konden zij zeggen. Wie is de knapste schutter? «Dat is Rudy!» zeiden de meisjes, maar zij zeiden niet: «Wacht je voor Rudy!» Dat zeiden de bedaagde moedertjes niet eens, want hij knikte ze even vriendelijk toe als de jonge meisjes. Wat was hij stoutmoedig en vroolijk! Zijn wangen waren door de zon verbrand, zijn tanden frisch en wit, zijn oogen gitzwart; hij was een knappe jongen en twintig jaar oud. Het ijskoude water hinderde hem niet, als hij zwom; als een visch konhij zich in het water wenden en keeren, en klauteren kon hij als een aap, zich aan den rotswand vastklemmen als een slak; goede spieren en zenuwen had hij, en dat toonde hij ook door den sprong, dien hij eerst van den kater en later van de gems geleerd had. Rudy was de beste gids, waaraan men zich kon toevertrouwen; hij zou zich een geheel vermogen als gids kunnen verwerven; het kuipersambacht, dat zijn oom hem ook geleerd had, beviel hem echter niet; zijn lust was de gemzenjacht, en deze bracht hem ook geld op. Rudy was een goede partij, zooals men zeide, als hij maar niet met een meisje boven zijn stand wilde trouwen. Hij was een danser, van wien de meisjes droomden, en dien deze en gene zelfs wakend in haar gedachten omdroegen.«Mij heeft hij onder het dansen een kus gegeven!» zei Annette van den schoolmeester tegen haar beste vriendin; maar dat had zij niet moeten zeggen, zelfs niet tegen haar beste vriendin. Het gaat niet gemakkelijk, zulke dingen geheim te houden; het is als zand in een zeef, het loopt er doorheen; en spoedig was het bekend, dat Rudy, hoe braaf en goed hij ook was, onder het dansen kuste, en toch had hij niet eens diegene gekust, die hij het liefst had willen kussen.«Ja!» zei een oude jager, «hij heeft Annette gekust; hij is met A begonnen en zal het heele ABC wel doorkussen!»Een kus onder het dansen was alles, wat de roerige tongen tot dusverre tegen hem wisten in te brengen; hij had Annette wel is waar gekust, en toch was zij niet de bloem van zijn hart.Beneden in het dal bij Bex, tusschen de hooge walnoteboomen, bij een kleinen, snelvlietenden bergstroom, woonde de rijke molenaar; het woonhuis was een groot gebouw en had drie verdiepingen met kleine torentjes, die met hout bedekt en met zinken platen belegd waren, welke in den zonne- en maneschijn glinsterden. Op het grootste der torentjes stond een windwijzer, een pijl, die een appel doorboord had: dat moest aan het schot van Tell herinneren. De molen zag er netjes en welvarend uit; deze liet zich ook uitteekenen en beschrijven, maar de dochter van den molenaar liet zich niet uitteekenen en beschrijven: zoo zou Rudy ten minste gezegd hebben, en toch stond zij in zijn hart uitgeteekend; haar oogen fonkelden daar, zoo, dat er een waar vuur in was; dat was plotseling zoo gekomen, evenals een andere brand ook plotseling uitbarst, en het zonderlingste van de zaak was, dat de molenaarsdochter, de aardige Babette, er zelf geen vermoeden van had: zij en Rudy hadden nooit een enkel woord met elkaar gesproken.De molenaar was rijk, en deze rijkdom maakte, dat Babette zeer hoog zat en moeilijk te grijpen was; maar niets zit zoo hoog, of men kan het wel bereiken; men moet maar klauteren; vallen zal men niet, als men het zich maar niet verbeeldt. Deze les was hem reeds in zijn kindsheid ingeprent.Het trof toevallig eens juist zoo, dat Rudy iets te Bex te doen had; het was daarheen een heele reis; want de spoorweg was destijdsnog niet tot stand gekomen. Van de Rhône gletscher langs den voet van den Simplon, tusschen vele afwisselende berghoogten, strekt zich het breede Wallisdal uit met zijn trotsche rivier, de Rhône, die dikwijls buiten haar oevers treedt en over velden en wegen voortstroomt, terwijl zij alles in haar vaart meesleept. Tusschen de stadjes Sion en Saint-Maurice maakt het dal een kromming, buigt zich als een elleboog, en wordt achter Saint-Maurice zoo smal, dat er slechts plaats voor de rivier en voor den smallen weg is. Een oude toren staat hier als schildwacht voor het kanton Walliserland, dat hier eindigt, en ziet over de gemetselde brug naar het tolhuis aan den anderen kant; daar begint het kanton Waadland, en de naaste, niet ver verwijderde stad is Bex. Hier nu ziet men bij iederen stap, dien men doet, overal weelde en overvloed, men bevindt zich als in een tuin van kastanje- en walnoteboomen; hier en daar komen cipressen en granaatbloesems te voorschijn: er heerscht hier eene zuidelijke warmte, alsof men zich in Italië bevond.Rudy kwam te Bex aan, deed, wat hij daar te verrichten had, en keek eens in de stad rond; maar geen molenaarsknecht, laat staan dan Babette, kreeg hij te zien.Het werd avond, de lucht was vervuld met den geur van den wilden tijm en de bloeiende linde; om de met boomen begroeide bergen lag als het ware een schemerende, blauwe sluier verspreid; er heerschte wijd en zijd een stilte, niet die van den slaap of den dood, neen, het was, alsof de gansche natuur den adem inhield, alsof zij gevoelde, dat zij zich stil moest houden, opdat haar beeld op den blauwen grond van den hemel zou gephotographeerd worden. Hier en daar, tusschen de boomen op het groene veld, stonden palen, waarop een telegraafdraad, die door het stille dal gelegd is, rustte; tegen een dier palen leunde een voorwerp, zoo onbeweeglijk, dat men het best voor een boomstam had kunnen houden; het was Rudy, die hier even stil stond, als op dit oogenblik de geheele omgeving; hij sliep niet, nog minder was hij dood, maar evenals er dikwijls groote wereldgebeurtenissen langs den telegraafdraad vliegen,—levensmomenten van gewicht voor den enkele, zonder dat de draad dit door sidderen of door een geluid verraadt,—zoo doortrilden Rudy machtige, overweldigende gedachten: het geluk zijns levens, van nu af zijn bestendige gedachte. Zijn oogen vestigden zich op een punt, een licht, dat tusschen het loof in de woonkamer van den molenaar, waar Babette woonde, te voorschijn kwam. Zoo stil als Rudy hier stond, zou men hebben kunnen denken, dat hij op een gems mikte; maar hij zelf was op dit oogenblik als de gems, die minuten lang, als uit de rots gehouwen, stil kan staan, totdat zij plotseling, wanneer er een steen naar beneden rolt, opspringt en wegsnelt; en zoo ging het met Rudy ook; er rolde een gedachte in hem.«Nooit versagen!» riep hij uit. «Een bezoek in den molen! Goeden avond, molenaar! Goeden avond, Babette! Men valt niet naar beneden, als men het zich maar niet verbeeldt! Babette moet mij toch eenmaal zien, als ik haar man zal worden!»Rudy lachte, hij was goedsmoeds en liep naar den molen toe; hij wist, wat hij wilde: hij wilde Babette hebben.De rivier met den witachtig gelen grond bruiste voort, wilgen en linden hingen over de snelvlietende wateren heen; Rudy liep het pad op naar het huis van den molenaar toe.—Maar, zooals, de kinderen zingen:«Niemand was er thuis,Dan ’t katjen en de muis!»De huiskat stond op de trap, kromde den rug en zeide: «Miauw!» maar Rudy had geen ooren naar deze taal; hij klopte aan, niemand hoorde hem, niemand deed de deur voor hem open. «Miauw!» zei de kat. Als Rudy nog een kind geweest was, dan zou hij die taal wel verstaan en begrepen hebben, dat de kat zeide: «Hier is niemand thuis!» Maar nu moest hij naar den molen toe, om te vragen,en daar kreeg hij het bericht, dat de molenaar op reis gegaan was, ver weg naar Interlaken, en dat Babette met hem meegegaan was; daar was een groot schuttersfeest, dat den volgenden morgen begon en acht dagen lang duurde. Menschen uit alle Duitsche kantons zouden daar zijn.Die arme Rudy, kon men zeggen; hij had geen gelukkigen dag voor zijn bezoek te Bex gekozen, hij kon nu weer terugkeeren; en dat deed hij dan ook en begaf zich over Saint-Maurice en Sion naar zijn dal, naar zijn bergen toe, maar wanhopen deed hij niet. Toen de zon den volgenden morgen opging, was zijn goede luim al lang opgegaan, deze was nog nooit verdwenen.«Babette is te Interlaken, vele dagreizen van hier,» zeide hij bij zich zelf. «Het is een verre tocht daarheen, als men den breeden straatweg langs gaat, maar het is niet zoo ver, als men over de bergen klimt, en dat is juist een weg voor een gemzenjager! Dien weg ben ik vroeger ook al eens gegaan, daarboven is mijn vaderland, waar ik als kind bij mijn grootvader gewoond heb; en te Interlaken is een schuttersfeest! Ik wil daarbij zijn, ik wil de eerste zijn, en bij Babette wil ik ook zijn, als ik eerst kennis met haar gemaakt heb!»Met zijn lichten ransel, waarin zijn Zondagspak zat, op den rug, met geweer en weitasch om den schouder, klom Rudy den berg op, den korten weg, die toch vrij lang was, maar het schuttersfeest was eerst op dezen dag begonnen en zou de geheele week en nog langer duren; gedurende dezen geheelen tijd bleven de molenaar en Babette bij hun bloedverwanten te Interlaken, had men hem gezegd. Rudy liep over den Gemmi heen, hij wilde bij Grindelwald naar beneden klimmen.Frisch en vroolijk klauterde hij tegen de bergen op en genoot de frissche, lichte, versterkende berglucht. Het dal daalde al dieper en dieper, zijn gezichtskring verruimde zich; hier een sneeuwtop, daar weer eer, en al spoedig de schemerend witte Alpenketen. Rudy kende iederen berg, hij ging op den Schreckhorn af, die zijn witgepoederde vingers hoog in de blauwe lucht steekt.Eindelijk was hij op den hoogen bergrug; de grazige weiden strekten zich uit naar het dal van zijn vroegere woonplaats; de lucht was licht, zijn hart was licht; berg en dal waren vol bloemen en groen, zijn hart was vol jeugdig gevoel, waarbij geen ouderdom en geen dood te pas komen: leven, heerschen, genieten! Vrij als een vogel, luchtig als een vogel was hij. En de zwaluwen vlogen hem voorbij en zongen, evenals zij in zijn kindsheid gezongen hadden: «Wij en gij! Gij en wij!» Alles was vreugde en blijdschap.Daar beneden strekte zich de fluweelachtig groene weide uit, bezaaid met bruine houten huizen, de Lütschine gonsde en bruiste. Hij zag den gletscher met zijn glasgroene randen en de smerige sneeuw, zag in de diepe kloven, zag den bovensten en ook den ondersten gletscher. De kerkklokken klonken hem in de ooren, als wilden zij hem een welkom in het land, waar hij zijn jeugd doorgebrachthad, toeroepen; zijn hart klopte heviger en breidde zich dermate uit, dat Babette daarin voor een oogenblik geheel verdween, zoo ruim werd zijn hart, zoo vervuld van herinneringen.Hij liep weer langs den weg voort, waar hij als een kleine jongen met de andere kinderen gestaan en gesneden huisjes verkocht had. Daar boven, achter de dennen, stond het huis van zijn grootvader van moederszijde nog, vreemde menschen woonden nu daarin. Kinderen kwamen hem op den weg te gemoet loopen, zij wilden handel drijven, een bood hem een Alpenroos aan. Rudy nam deze roos als een gunstig voorteeken aan en dacht aan Babette. Al spoedig was hij over de brug, waar de beide Lütschines zich vereenigen; het geboomte wordt hier al dichter, de walnoteboomen geven schaduw. Nu zag hij de wapperende vlaggen, het witte kruis op het roode veld, zooals de Zwitser en de Deen het hebben; en voor hem lag Interlaken.Dat was een prachtige stad, zooals er geen andere bestond, dacht Rudy, een Zwitsersch stadje in Zondagsgewaad. Dat zag er niet uit als de andere steden, log, een troep zware steenhoopen, vreemd en voornaam; neen, hier zag het er uit, alsof de houten huizen van de bergen in het groene dal geloopen waren en zich langs den helderen, snelvlietenden stroom in het gelid geschaard hadden, wel een weinig ongeregeld, maar toch altijd zoo, dat zij een mooie straat vormden. De prachtigste van alle straten was als het ware uit den grond opgerezen, sedert Rudy hier als knaap geweest was; het scheen hem toe, alsof zij ontstaan was uit al de lieve huisjes, die zijn grootvader gesneden had en waarmee de kast te huis opgevuld was, alsof deze zich daar neergezet hadden en krachtig opgegroeid waren, evenals de oude kastanjeboomen. Ieder huis was een hotel, zooals het genoemd werd, met uitgesneden houtwerk om de ramen en den gevel, met een vooruitspringend dak, keurig en sierlijk, en voor ieder huis was een bloemtuin aan den kant van de met steenen geplaveide straat; langs deze stonden de huizen, maar slechts aan den eenen kant; zij zouden anders de frissche, groene weiden aan het gezicht onttrokken hebben, waarin de koeien rondliepen met klokjes om den hals, die als op de hooge Alpen klonken. De weiden waren door hooge bergen omgeven, die in het midden als het ware op zijde traden, zoodat men zeer duidelijk den schitterenden, met sneeuw bedekten berg, de Jungfrau, de schoonst gevormde van alle Zwitsersche bergen, kon zien.Welk een menigte opgepronkte heeren en dames uit vreemde landen, welk een gewemel van landlieden uit de verschillende kantons! Ieder schutter droeg zijn schietnummer in een krans op den hoed. Hier was muziek en gezang, lieren, trompetten, geschreeuw en rumoer. Huizen en bruggen waren met zinnebeelden en verzen versierd; er wapperden vaandels en vlaggen, de buksen deden haar geknal onafgebroken hooren, en de schoten waren in Rudy’s ooren de mooiste muziek. Hij vergat in deze bonte verwarring Babette geheel, ofschoon hij toch om harentwil hier naar toe gegaan was.De schutters begonnen nu met het schijfschieten. Rudy stond al spoedig onder hen en was de behendigste, de gelukkigste van allen; altijd was zijn schot raak.«Wie zou toch die vreemde jonge jager zijn?» vroeg men. «Hij spreekt het Fransch, dat zij in het kanton Walliserland spreken.»—«Hij weet zich ook heel goed in ons Duitsch te doen verstaan,» zeiden enkelen.—«Als kind moet hij hier in de omstreken te Grindelwald gewoond hebben,» wist een der jagers te vertellen.En vol leven was deze vreemde jongeling: zijn oogen fonkelden, zijn blik en zijn arm waren zeker, daarom raakte hij ook. Het geluk geeft moed, en moed had Rudy immers altijd. Al spoedig had hij hier een kring van vrienden om zich verzameld, men eerde hem, ja, men bewees hem hulde,—Babette was hem heelemaal uit de gedachten gegaan. Daar klopte een hand hem op den schouder, en een zware stem sprak hem in de Fransche taal aan.«Zijt ge uit het kanton Walliserland?»Rudy keerde zich om en zag een rood, vergenoegd gezicht, een dik man: het was de rijke molenaar uit Bex; met zijn gezet lichaam verborg hij de teedere, lieve Babette, die echter al spoedig te voorschijn kwam kijken met haar fonkelende, donkere oogen. Het had den rijken molenaar gestreeld, dat het een jager uit zijn kanton was, die de beste schoten deed en door al de anderen geëerd werd. Nu, Rudy was wel een gelukskind: datgene, waarom hij hierheen vertrokken was, maar nu zelf bijna vergeten had, dat zocht hem op.Als landslieden elkaar ver van hun vaderland ontmoeten, dan knoopen zij een gesprek aan en maken kennis met elkander. Rudy was door zijn schoten de eerste van het schuttersfeest, gelijk de molenaar te Bex de eerste door zijn geld en zijn goeden molen was. Zoo drukten de beide mannen elkaar de hand, hetgeen zij vroeger nooit gedaan hadden; ook Babette stak Rudy onbeschroomd de hand toe, en hij drukte haar hand en keek haar met een onafgewenden blik aan, zoodat zij daardoor hevig bloosde.De molenaar vertelde van den langen weg, dien zij hierheen gereisd hadden, en van de vele groote steden, die zij hadden gezien; zij hadden naar zijn meening een verre reis gedaan en waren met de stoomboot, met den spoortrein en ook met de diligence gereisd.«Ik ben den kortsten weg gegaan,» zeide Rudy. «Ik ben over de bergen gekomen; geen weg is zoo hoog, of men kan dien wel langs.»«Maar ook den nek breken!» zei de molenaar. «En gij ziet er mij juist naar uit, alsof ge den nek nog eens zoudt breken, zoo stoutmoedig als ge zijt!»«O, men valt niet naar beneden, als men het zich maar niet verbeeldt!» zei Rudy.De bloedverwanten van den molenaar te Interlaken, waarbij de molenaar en Babette te logeeren waren, noodigden Rudy uit, een bezoek bij hen af te leggen: hij was immers uit hetzelfde kanton als de molenaar. Dat was voor Rudy een gewenscht aanbod, hetgeluk was hem gunstig, gelijk het altijd dengene gunstig is, die op zich zelf bouwt en bedenkt, dat «God ons de noten geeft, maar ze niet voor ons kraakt.»Rudy zat daar bij de bloedverwanten van den molenaar, alsof hij ook tot de familie behoorde, en een glas werd er leeggedronken op het welzijn van den besten schutter; Babette klonk ook mee, en Rudy bedankte voor den toost.Tegen den avond wandelden allen langs de prachtige huizen onder de oude walnoteboomen, en er waren daar zoo vele menschen en zulk een gedrang, dat Rudy Babette zijn arm moest aanbieden. Hij verheugde er zich zoozeer over, dat hij menschen uit Waadland aangetroffen had, zei hij. Waadland en Walliserland waren naburige kantons, die met elkaar op een goeden voet stonden. Hij sprak deze blijdschap zoo hartelijk uit, dat Babette zich niet kon weerhouden, hem daarvoor de hand te drukken. Zij liepen naast elkaar, als waren zij oude kennissen; zij sprak en vertelde, en het ging haar heel goed af, meende Rudy, zooals zij het belachelijke en overdrevene in de kleeding en den gang der vreemde dames deed uitkomen; zij deed dit volstrekt niet om te spotten, want er konden rechtschapen, ja, lieve, goede menschen onder zijn, dat wist Babette wel, zij had immers zelf een petemoei, die zulk een deftige Engelsche dame was. Voor achttien jaren, toen Babette gedoopt werd, was deze petemoei te Bex geweest; zij had Babette de kostbare doekspeld gegeven, die zij op haar borst droeg. Tweemaal had de petemoei geschreven, en dit jaar had Babette gedacht haar en haar dochters hier te Interlaken te ontmoeten; deze dochters, waren ongetrouwd en al oud, dicht bij de dertig, zei Babette,—zij telde immers nog maar achttien jaren.Haar kleine mond stond geen oogenblik stil, en alles, wat Babette zei, klonk Rudy in de ooren als dingen van het uiterste gewicht, en hij vertelde weer, wat hij te vertellen had, hoe dikwijls hij te Bex geweest was, hoe goed hij den molen kende en hoe dikwijls hij Babette gezien had, terwijl zij hem waarschijnlijk nooit had opgemerkt; en onlangs, toen hij in den molen geweest was en wel met vele gedachten, die hij niet kon uitspreken, waren zij en haar vader afwezig, ver weg, maar toch niet zoover, dat men niet over den muur zou hebben kunnen klimmen, die den weg lang maakte.Ja, dat zei hij, en hij zei veel meer; hij zei, hoe graag hij haar mocht lijden,—en dat hij ter wille van haar en niet ter wille van het schuttersfeest gekomen was.Babette zweeg bij dit alles; het was haar, alsof hij haar te hoog ophemelde.Terwijl zij daar voortliepen, daalde de zon achter den hoogen rotswand neer. De Jungfrau stond daar in pracht en glans, omgeven door den boschrijken krans der naburige bergen. Alle menschen bleven staan en sloegen de schoonheid der natuur gade; ook Rudy en Babette vermeiden zich daarin.«Nergens is het schooner dan hier!» zei Babette.«Nergens!» zei Rudy en keek Babette aan.«Morgen moet ik naar huis terug!» zei hij eenige oogenblikken later.«Kom ons te Bex eens opzoeken!» fluisterde Babette. «Het zal vader zeker genoegen doen.»

Wie is de beste schutter in het kanton Walliserland? Dat wisten de gemzen wel. «Wacht je voor Rudy!» konden zij zeggen. Wie is de knapste schutter? «Dat is Rudy!» zeiden de meisjes, maar zij zeiden niet: «Wacht je voor Rudy!» Dat zeiden de bedaagde moedertjes niet eens, want hij knikte ze even vriendelijk toe als de jonge meisjes. Wat was hij stoutmoedig en vroolijk! Zijn wangen waren door de zon verbrand, zijn tanden frisch en wit, zijn oogen gitzwart; hij was een knappe jongen en twintig jaar oud. Het ijskoude water hinderde hem niet, als hij zwom; als een visch konhij zich in het water wenden en keeren, en klauteren kon hij als een aap, zich aan den rotswand vastklemmen als een slak; goede spieren en zenuwen had hij, en dat toonde hij ook door den sprong, dien hij eerst van den kater en later van de gems geleerd had. Rudy was de beste gids, waaraan men zich kon toevertrouwen; hij zou zich een geheel vermogen als gids kunnen verwerven; het kuipersambacht, dat zijn oom hem ook geleerd had, beviel hem echter niet; zijn lust was de gemzenjacht, en deze bracht hem ook geld op. Rudy was een goede partij, zooals men zeide, als hij maar niet met een meisje boven zijn stand wilde trouwen. Hij was een danser, van wien de meisjes droomden, en dien deze en gene zelfs wakend in haar gedachten omdroegen.

«Mij heeft hij onder het dansen een kus gegeven!» zei Annette van den schoolmeester tegen haar beste vriendin; maar dat had zij niet moeten zeggen, zelfs niet tegen haar beste vriendin. Het gaat niet gemakkelijk, zulke dingen geheim te houden; het is als zand in een zeef, het loopt er doorheen; en spoedig was het bekend, dat Rudy, hoe braaf en goed hij ook was, onder het dansen kuste, en toch had hij niet eens diegene gekust, die hij het liefst had willen kussen.

«Ja!» zei een oude jager, «hij heeft Annette gekust; hij is met A begonnen en zal het heele ABC wel doorkussen!»

Een kus onder het dansen was alles, wat de roerige tongen tot dusverre tegen hem wisten in te brengen; hij had Annette wel is waar gekust, en toch was zij niet de bloem van zijn hart.

Beneden in het dal bij Bex, tusschen de hooge walnoteboomen, bij een kleinen, snelvlietenden bergstroom, woonde de rijke molenaar; het woonhuis was een groot gebouw en had drie verdiepingen met kleine torentjes, die met hout bedekt en met zinken platen belegd waren, welke in den zonne- en maneschijn glinsterden. Op het grootste der torentjes stond een windwijzer, een pijl, die een appel doorboord had: dat moest aan het schot van Tell herinneren. De molen zag er netjes en welvarend uit; deze liet zich ook uitteekenen en beschrijven, maar de dochter van den molenaar liet zich niet uitteekenen en beschrijven: zoo zou Rudy ten minste gezegd hebben, en toch stond zij in zijn hart uitgeteekend; haar oogen fonkelden daar, zoo, dat er een waar vuur in was; dat was plotseling zoo gekomen, evenals een andere brand ook plotseling uitbarst, en het zonderlingste van de zaak was, dat de molenaarsdochter, de aardige Babette, er zelf geen vermoeden van had: zij en Rudy hadden nooit een enkel woord met elkaar gesproken.

De molenaar was rijk, en deze rijkdom maakte, dat Babette zeer hoog zat en moeilijk te grijpen was; maar niets zit zoo hoog, of men kan het wel bereiken; men moet maar klauteren; vallen zal men niet, als men het zich maar niet verbeeldt. Deze les was hem reeds in zijn kindsheid ingeprent.

Het trof toevallig eens juist zoo, dat Rudy iets te Bex te doen had; het was daarheen een heele reis; want de spoorweg was destijdsnog niet tot stand gekomen. Van de Rhône gletscher langs den voet van den Simplon, tusschen vele afwisselende berghoogten, strekt zich het breede Wallisdal uit met zijn trotsche rivier, de Rhône, die dikwijls buiten haar oevers treedt en over velden en wegen voortstroomt, terwijl zij alles in haar vaart meesleept. Tusschen de stadjes Sion en Saint-Maurice maakt het dal een kromming, buigt zich als een elleboog, en wordt achter Saint-Maurice zoo smal, dat er slechts plaats voor de rivier en voor den smallen weg is. Een oude toren staat hier als schildwacht voor het kanton Walliserland, dat hier eindigt, en ziet over de gemetselde brug naar het tolhuis aan den anderen kant; daar begint het kanton Waadland, en de naaste, niet ver verwijderde stad is Bex. Hier nu ziet men bij iederen stap, dien men doet, overal weelde en overvloed, men bevindt zich als in een tuin van kastanje- en walnoteboomen; hier en daar komen cipressen en granaatbloesems te voorschijn: er heerscht hier eene zuidelijke warmte, alsof men zich in Italië bevond.

Rudy kwam te Bex aan, deed, wat hij daar te verrichten had, en keek eens in de stad rond; maar geen molenaarsknecht, laat staan dan Babette, kreeg hij te zien.

Het werd avond, de lucht was vervuld met den geur van den wilden tijm en de bloeiende linde; om de met boomen begroeide bergen lag als het ware een schemerende, blauwe sluier verspreid; er heerschte wijd en zijd een stilte, niet die van den slaap of den dood, neen, het was, alsof de gansche natuur den adem inhield, alsof zij gevoelde, dat zij zich stil moest houden, opdat haar beeld op den blauwen grond van den hemel zou gephotographeerd worden. Hier en daar, tusschen de boomen op het groene veld, stonden palen, waarop een telegraafdraad, die door het stille dal gelegd is, rustte; tegen een dier palen leunde een voorwerp, zoo onbeweeglijk, dat men het best voor een boomstam had kunnen houden; het was Rudy, die hier even stil stond, als op dit oogenblik de geheele omgeving; hij sliep niet, nog minder was hij dood, maar evenals er dikwijls groote wereldgebeurtenissen langs den telegraafdraad vliegen,—levensmomenten van gewicht voor den enkele, zonder dat de draad dit door sidderen of door een geluid verraadt,—zoo doortrilden Rudy machtige, overweldigende gedachten: het geluk zijns levens, van nu af zijn bestendige gedachte. Zijn oogen vestigden zich op een punt, een licht, dat tusschen het loof in de woonkamer van den molenaar, waar Babette woonde, te voorschijn kwam. Zoo stil als Rudy hier stond, zou men hebben kunnen denken, dat hij op een gems mikte; maar hij zelf was op dit oogenblik als de gems, die minuten lang, als uit de rots gehouwen, stil kan staan, totdat zij plotseling, wanneer er een steen naar beneden rolt, opspringt en wegsnelt; en zoo ging het met Rudy ook; er rolde een gedachte in hem.

«Nooit versagen!» riep hij uit. «Een bezoek in den molen! Goeden avond, molenaar! Goeden avond, Babette! Men valt niet naar beneden, als men het zich maar niet verbeeldt! Babette moet mij toch eenmaal zien, als ik haar man zal worden!»

Rudy lachte, hij was goedsmoeds en liep naar den molen toe; hij wist, wat hij wilde: hij wilde Babette hebben.

De rivier met den witachtig gelen grond bruiste voort, wilgen en linden hingen over de snelvlietende wateren heen; Rudy liep het pad op naar het huis van den molenaar toe.—Maar, zooals, de kinderen zingen:

«Niemand was er thuis,Dan ’t katjen en de muis!»

«Niemand was er thuis,

Dan ’t katjen en de muis!»

De huiskat stond op de trap, kromde den rug en zeide: «Miauw!» maar Rudy had geen ooren naar deze taal; hij klopte aan, niemand hoorde hem, niemand deed de deur voor hem open. «Miauw!» zei de kat. Als Rudy nog een kind geweest was, dan zou hij die taal wel verstaan en begrepen hebben, dat de kat zeide: «Hier is niemand thuis!» Maar nu moest hij naar den molen toe, om te vragen,en daar kreeg hij het bericht, dat de molenaar op reis gegaan was, ver weg naar Interlaken, en dat Babette met hem meegegaan was; daar was een groot schuttersfeest, dat den volgenden morgen begon en acht dagen lang duurde. Menschen uit alle Duitsche kantons zouden daar zijn.

Die arme Rudy, kon men zeggen; hij had geen gelukkigen dag voor zijn bezoek te Bex gekozen, hij kon nu weer terugkeeren; en dat deed hij dan ook en begaf zich over Saint-Maurice en Sion naar zijn dal, naar zijn bergen toe, maar wanhopen deed hij niet. Toen de zon den volgenden morgen opging, was zijn goede luim al lang opgegaan, deze was nog nooit verdwenen.

«Babette is te Interlaken, vele dagreizen van hier,» zeide hij bij zich zelf. «Het is een verre tocht daarheen, als men den breeden straatweg langs gaat, maar het is niet zoo ver, als men over de bergen klimt, en dat is juist een weg voor een gemzenjager! Dien weg ben ik vroeger ook al eens gegaan, daarboven is mijn vaderland, waar ik als kind bij mijn grootvader gewoond heb; en te Interlaken is een schuttersfeest! Ik wil daarbij zijn, ik wil de eerste zijn, en bij Babette wil ik ook zijn, als ik eerst kennis met haar gemaakt heb!»

Met zijn lichten ransel, waarin zijn Zondagspak zat, op den rug, met geweer en weitasch om den schouder, klom Rudy den berg op, den korten weg, die toch vrij lang was, maar het schuttersfeest was eerst op dezen dag begonnen en zou de geheele week en nog langer duren; gedurende dezen geheelen tijd bleven de molenaar en Babette bij hun bloedverwanten te Interlaken, had men hem gezegd. Rudy liep over den Gemmi heen, hij wilde bij Grindelwald naar beneden klimmen.

Frisch en vroolijk klauterde hij tegen de bergen op en genoot de frissche, lichte, versterkende berglucht. Het dal daalde al dieper en dieper, zijn gezichtskring verruimde zich; hier een sneeuwtop, daar weer eer, en al spoedig de schemerend witte Alpenketen. Rudy kende iederen berg, hij ging op den Schreckhorn af, die zijn witgepoederde vingers hoog in de blauwe lucht steekt.

Eindelijk was hij op den hoogen bergrug; de grazige weiden strekten zich uit naar het dal van zijn vroegere woonplaats; de lucht was licht, zijn hart was licht; berg en dal waren vol bloemen en groen, zijn hart was vol jeugdig gevoel, waarbij geen ouderdom en geen dood te pas komen: leven, heerschen, genieten! Vrij als een vogel, luchtig als een vogel was hij. En de zwaluwen vlogen hem voorbij en zongen, evenals zij in zijn kindsheid gezongen hadden: «Wij en gij! Gij en wij!» Alles was vreugde en blijdschap.

Daar beneden strekte zich de fluweelachtig groene weide uit, bezaaid met bruine houten huizen, de Lütschine gonsde en bruiste. Hij zag den gletscher met zijn glasgroene randen en de smerige sneeuw, zag in de diepe kloven, zag den bovensten en ook den ondersten gletscher. De kerkklokken klonken hem in de ooren, als wilden zij hem een welkom in het land, waar hij zijn jeugd doorgebrachthad, toeroepen; zijn hart klopte heviger en breidde zich dermate uit, dat Babette daarin voor een oogenblik geheel verdween, zoo ruim werd zijn hart, zoo vervuld van herinneringen.

Hij liep weer langs den weg voort, waar hij als een kleine jongen met de andere kinderen gestaan en gesneden huisjes verkocht had. Daar boven, achter de dennen, stond het huis van zijn grootvader van moederszijde nog, vreemde menschen woonden nu daarin. Kinderen kwamen hem op den weg te gemoet loopen, zij wilden handel drijven, een bood hem een Alpenroos aan. Rudy nam deze roos als een gunstig voorteeken aan en dacht aan Babette. Al spoedig was hij over de brug, waar de beide Lütschines zich vereenigen; het geboomte wordt hier al dichter, de walnoteboomen geven schaduw. Nu zag hij de wapperende vlaggen, het witte kruis op het roode veld, zooals de Zwitser en de Deen het hebben; en voor hem lag Interlaken.

Dat was een prachtige stad, zooals er geen andere bestond, dacht Rudy, een Zwitsersch stadje in Zondagsgewaad. Dat zag er niet uit als de andere steden, log, een troep zware steenhoopen, vreemd en voornaam; neen, hier zag het er uit, alsof de houten huizen van de bergen in het groene dal geloopen waren en zich langs den helderen, snelvlietenden stroom in het gelid geschaard hadden, wel een weinig ongeregeld, maar toch altijd zoo, dat zij een mooie straat vormden. De prachtigste van alle straten was als het ware uit den grond opgerezen, sedert Rudy hier als knaap geweest was; het scheen hem toe, alsof zij ontstaan was uit al de lieve huisjes, die zijn grootvader gesneden had en waarmee de kast te huis opgevuld was, alsof deze zich daar neergezet hadden en krachtig opgegroeid waren, evenals de oude kastanjeboomen. Ieder huis was een hotel, zooals het genoemd werd, met uitgesneden houtwerk om de ramen en den gevel, met een vooruitspringend dak, keurig en sierlijk, en voor ieder huis was een bloemtuin aan den kant van de met steenen geplaveide straat; langs deze stonden de huizen, maar slechts aan den eenen kant; zij zouden anders de frissche, groene weiden aan het gezicht onttrokken hebben, waarin de koeien rondliepen met klokjes om den hals, die als op de hooge Alpen klonken. De weiden waren door hooge bergen omgeven, die in het midden als het ware op zijde traden, zoodat men zeer duidelijk den schitterenden, met sneeuw bedekten berg, de Jungfrau, de schoonst gevormde van alle Zwitsersche bergen, kon zien.

Welk een menigte opgepronkte heeren en dames uit vreemde landen, welk een gewemel van landlieden uit de verschillende kantons! Ieder schutter droeg zijn schietnummer in een krans op den hoed. Hier was muziek en gezang, lieren, trompetten, geschreeuw en rumoer. Huizen en bruggen waren met zinnebeelden en verzen versierd; er wapperden vaandels en vlaggen, de buksen deden haar geknal onafgebroken hooren, en de schoten waren in Rudy’s ooren de mooiste muziek. Hij vergat in deze bonte verwarring Babette geheel, ofschoon hij toch om harentwil hier naar toe gegaan was.

De schutters begonnen nu met het schijfschieten. Rudy stond al spoedig onder hen en was de behendigste, de gelukkigste van allen; altijd was zijn schot raak.

«Wie zou toch die vreemde jonge jager zijn?» vroeg men. «Hij spreekt het Fransch, dat zij in het kanton Walliserland spreken.»—«Hij weet zich ook heel goed in ons Duitsch te doen verstaan,» zeiden enkelen.—«Als kind moet hij hier in de omstreken te Grindelwald gewoond hebben,» wist een der jagers te vertellen.

En vol leven was deze vreemde jongeling: zijn oogen fonkelden, zijn blik en zijn arm waren zeker, daarom raakte hij ook. Het geluk geeft moed, en moed had Rudy immers altijd. Al spoedig had hij hier een kring van vrienden om zich verzameld, men eerde hem, ja, men bewees hem hulde,—Babette was hem heelemaal uit de gedachten gegaan. Daar klopte een hand hem op den schouder, en een zware stem sprak hem in de Fransche taal aan.

«Zijt ge uit het kanton Walliserland?»

Rudy keerde zich om en zag een rood, vergenoegd gezicht, een dik man: het was de rijke molenaar uit Bex; met zijn gezet lichaam verborg hij de teedere, lieve Babette, die echter al spoedig te voorschijn kwam kijken met haar fonkelende, donkere oogen. Het had den rijken molenaar gestreeld, dat het een jager uit zijn kanton was, die de beste schoten deed en door al de anderen geëerd werd. Nu, Rudy was wel een gelukskind: datgene, waarom hij hierheen vertrokken was, maar nu zelf bijna vergeten had, dat zocht hem op.

Als landslieden elkaar ver van hun vaderland ontmoeten, dan knoopen zij een gesprek aan en maken kennis met elkander. Rudy was door zijn schoten de eerste van het schuttersfeest, gelijk de molenaar te Bex de eerste door zijn geld en zijn goeden molen was. Zoo drukten de beide mannen elkaar de hand, hetgeen zij vroeger nooit gedaan hadden; ook Babette stak Rudy onbeschroomd de hand toe, en hij drukte haar hand en keek haar met een onafgewenden blik aan, zoodat zij daardoor hevig bloosde.

De molenaar vertelde van den langen weg, dien zij hierheen gereisd hadden, en van de vele groote steden, die zij hadden gezien; zij hadden naar zijn meening een verre reis gedaan en waren met de stoomboot, met den spoortrein en ook met de diligence gereisd.

«Ik ben den kortsten weg gegaan,» zeide Rudy. «Ik ben over de bergen gekomen; geen weg is zoo hoog, of men kan dien wel langs.»

«Maar ook den nek breken!» zei de molenaar. «En gij ziet er mij juist naar uit, alsof ge den nek nog eens zoudt breken, zoo stoutmoedig als ge zijt!»

«O, men valt niet naar beneden, als men het zich maar niet verbeeldt!» zei Rudy.

De bloedverwanten van den molenaar te Interlaken, waarbij de molenaar en Babette te logeeren waren, noodigden Rudy uit, een bezoek bij hen af te leggen: hij was immers uit hetzelfde kanton als de molenaar. Dat was voor Rudy een gewenscht aanbod, hetgeluk was hem gunstig, gelijk het altijd dengene gunstig is, die op zich zelf bouwt en bedenkt, dat «God ons de noten geeft, maar ze niet voor ons kraakt.»

Rudy zat daar bij de bloedverwanten van den molenaar, alsof hij ook tot de familie behoorde, en een glas werd er leeggedronken op het welzijn van den besten schutter; Babette klonk ook mee, en Rudy bedankte voor den toost.

Tegen den avond wandelden allen langs de prachtige huizen onder de oude walnoteboomen, en er waren daar zoo vele menschen en zulk een gedrang, dat Rudy Babette zijn arm moest aanbieden. Hij verheugde er zich zoozeer over, dat hij menschen uit Waadland aangetroffen had, zei hij. Waadland en Walliserland waren naburige kantons, die met elkaar op een goeden voet stonden. Hij sprak deze blijdschap zoo hartelijk uit, dat Babette zich niet kon weerhouden, hem daarvoor de hand te drukken. Zij liepen naast elkaar, als waren zij oude kennissen; zij sprak en vertelde, en het ging haar heel goed af, meende Rudy, zooals zij het belachelijke en overdrevene in de kleeding en den gang der vreemde dames deed uitkomen; zij deed dit volstrekt niet om te spotten, want er konden rechtschapen, ja, lieve, goede menschen onder zijn, dat wist Babette wel, zij had immers zelf een petemoei, die zulk een deftige Engelsche dame was. Voor achttien jaren, toen Babette gedoopt werd, was deze petemoei te Bex geweest; zij had Babette de kostbare doekspeld gegeven, die zij op haar borst droeg. Tweemaal had de petemoei geschreven, en dit jaar had Babette gedacht haar en haar dochters hier te Interlaken te ontmoeten; deze dochters, waren ongetrouwd en al oud, dicht bij de dertig, zei Babette,—zij telde immers nog maar achttien jaren.

Haar kleine mond stond geen oogenblik stil, en alles, wat Babette zei, klonk Rudy in de ooren als dingen van het uiterste gewicht, en hij vertelde weer, wat hij te vertellen had, hoe dikwijls hij te Bex geweest was, hoe goed hij den molen kende en hoe dikwijls hij Babette gezien had, terwijl zij hem waarschijnlijk nooit had opgemerkt; en onlangs, toen hij in den molen geweest was en wel met vele gedachten, die hij niet kon uitspreken, waren zij en haar vader afwezig, ver weg, maar toch niet zoover, dat men niet over den muur zou hebben kunnen klimmen, die den weg lang maakte.

Ja, dat zei hij, en hij zei veel meer; hij zei, hoe graag hij haar mocht lijden,—en dat hij ter wille van haar en niet ter wille van het schuttersfeest gekomen was.

Babette zweeg bij dit alles; het was haar, alsof hij haar te hoog ophemelde.

Terwijl zij daar voortliepen, daalde de zon achter den hoogen rotswand neer. De Jungfrau stond daar in pracht en glans, omgeven door den boschrijken krans der naburige bergen. Alle menschen bleven staan en sloegen de schoonheid der natuur gade; ook Rudy en Babette vermeiden zich daarin.

«Nergens is het schooner dan hier!» zei Babette.

«Nergens!» zei Rudy en keek Babette aan.

«Morgen moet ik naar huis terug!» zei hij eenige oogenblikken later.

«Kom ons te Bex eens opzoeken!» fluisterde Babette. «Het zal vader zeker genoegen doen.»


Back to IndexNext