De herderin en de schoorsteenveger.Hebt ge wel eens een oude houten kast gezien, die heelemaal zwart van ouderdom geworden en met uitgesneden krullen en lofwerk versierd was? Zulk een stond er in zekere huiskamer: zij was van een overgrootmoeder geërfd en van boven tot beneden met uitgesneden rozen en tulpen bedekt. Daaraan had men de zonderlingste krullen, en uit deze kwamen kleine hertekoppen met horens te voorschijn. Midden op de kast stond een man uitgesneden; hij was belachelijk om aan te zien, en hij grijnsde ook, want lachen kon men het niet noemen; hij had bokspooten, kleine horens op het hoofd en een langen baard. De kinderen in de kamer noemden hem altijd den bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber; dat was een lang woord, dat moeilijk uit te spreken was; en er zijn er niet velen, die dezen titel krijgen, maar hem uit te snijden, dat beteekende ook nog al wat. Doch nu was hij er immers! Altijd keek hij naar het tafeltje onder den spiegel, want daar stond een bekoorlijke, kleine herderin van porselein op. Haar schoenen waren verguld, haar japon was met een roode roos versierd, en verder had zij een gouden hoed en een herderstaf, zij was verwonderlijk schoon. Vlak bij haar stond een kleine schoorsteenveger, zoo zwart als roet, maar overigens ook van porselein; hij was zoo rein en fijn, als hij maar wezen kon; dat hij een schoorsteenveger was, was immers maar iets, dat hij voorstelde; de porseleinwerker had even goed een prins van hem kunnen maken, als hij dit gewild had!Daar stond hij heel aardig met zijn ladder en met een gezicht, zoo wit en rood als dat van een meisje; dat was eigenlijk een fout, want het had toch wel wat zwart moeten zijn. Hij stond vlak bij de herderin; zij waren er beiden neergezet; en daar zij nu zoo dicht bij elkaar stonden, hadden zij zich met elkaar geëngageerd. Zij pasten immers juist bij elkander; het waren jongelieden, beiden van hetzelfde porselein en beiden even breekbaar.Dicht bij hen stond nog een figuur; deze was driemaal zoo groot. Het was een oude Chinees, die kon knikken. Hij was ook vanporselein en zeide, dat hij de grootvader der kleine herderin was; maar dat kon hij niet bewijzen. Hij beweerde, dat hij macht over haar had, en daarom had hij den bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber, die de kleine herderin tot vrouw wilde hebben, toegeknikt.«Dan krijg je een man,» zei de oude Chinees, «een man, die zooals ik bijna geloof, van mahoniehout is. Hij kan je tot bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebbersvrouw maken; hij heeft de heele kast vol zilvergoed, dat hij in geheime laden bewaart.»«Ik wil de donkere kast niet in!» zei de kleine herderin. «Ik heb hooren zeggen, dat hij daarin wel elf porseleinen vrouwen heeft zitten.»«Dan kan jij de twaalfde worden!» zei de Chinees. «In dezen nacht, zoodra het in de oude kast kraakt, moet je bruiloft houden, zoo waar als ik een Chinees ben!» En daarop knikte hij met het hoofd en viel in slaap.Maar de kleine herderin weende en keek haar minnaar, den porseleinen schoorsteenveger, aan.«Ik zou je wel willen verzoeken,» zeide zij, «de wijde wereld met mij in te gaan; want hier kunnen wij niet blijven!»«Ik wil alles, wat jij wilt!» zei de kleine schoorsteenveger. «Laat ons dadelijk gaan! Ik denk wel, dat ik je door middel van mijn ambacht zal kunnen onderhouden.»«Als wij eerst maar goed en wel van het tafeltje af waren!» antwoordde zij. «Ik word niet vroolijk, voordat wij de wijde wereld ingegaan zijn.»En hij troostte haar en wees haar, hoe zij haar kleinen voet op de uitgesneden hoeken en het vergulde lofwerk aan den poot van het tafeltje moest neerzetten; zijn ladder nam hij ook te baat, en nu waren zij op den vloer. Maar toen zij naar de oude kast keken, heerschte daarin heel wat beweging; al de uitgesneden herten kwamen met hun koppen te voorschijn, richtten hun horens op en draaiden hun halzen om: de oude bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber sprong hoog in de lucht en riep den ouden Chinees toe: «Daar loopen zij weg! Daar loopen zij weg!»Nu verschrikten zij eenigszins en sprongen ijlings in het kastje van de vensterbank.Hier lagen drie à vier spellen kaarten, die niet voltallig waren, en een klein poppentooneel, dat, zoo goed als het zich liet doen, opgebouwd was. Daarop werd komedie gespeeld, en al de dames, ruiten zoowel als harten, klaveren zoowel als schoppen, zaten op de eerste rij en verkoelden zich met haar tulpen; en achter haar stonden al de boeren en toonden, dat zij een hoofd hadden, zoowel boven als beneden, gelijk de speelkaarten dit hebben. De komedie handelde over twee personen, die elkaar niet mochten hebben, en de herderin stortte daarover tranen; want het was als haar eigen geschiedenis.«Dat kan ik onmogelijk uithouden!» zeide zij. «Ik moet het kastje uit!»Maar toen zij weer op den vloer kwamen en naar het tafeltje keken, was de oude Chinees wakker geworden en schudde met zijn geheele lichaam.«Nu komt de oude Chinees!» schreeuwde de kleine herderin en viel op haar porseleinen knieën neer: zoo bedroefd was zij.«Daar valt mij iets in!» zei de schoorsteenveger. «Willen wij in die groote vaas, die daar in den hoek staat, kruipen? Daar kunnen wij op rozen en lavendel liggen en hem zand in de oogen strooien, als hij komt.»«Dat kan nergens toe dienen!» zeide zij. «Bovendien weet ik, dat de oude Chinees en de vaas met elkaar geëngageerd geweest zijn, en er blijft toch altijd nog eenige genegenheid bestaan, als men in zulk een betrekking tot elkaar gestaan heeft. Neen, er blijft niets anders over, dan de wijde wereld in te gaan.»«Heb je waarlijk moed om de wijde wereld met mij in te gaan?»vroeg de schoorsteenveger. «Heb je wel bedacht, hoe groot deze is, en dat wij hier nimmer meer terug kunnen komen?»«Dat heb ik!» zeide zij.En de schoorsteenveger keek haar strak aan, en toen zeide hij: «Mijn weg gaat door den schoorsteen heen! Heb je werkelijk moed, met mij door de kachel, zoowel door de ijzeren kolom als door de pijp te kruipen? Dan komen wij in den schoorsteen, en daarin weet ik mij wel te bewegen! Wij klimmen zoo hoog, dat zij ons niet kunnen bereiken, en heel bovenaan komt men door een gat in de wijde wereld.»En hij bracht haar naar het kacheldeurtje toe.«Wat ziet het daar zwart uit!» zeide zij; maar ze ging toch met hem mee, zoowel door de kolom als door de pijp, waarin een stikdonkere nacht heerschte.«Nu zijn wij in den schoorsteen!» zeide hij. «En zie! daarboven fonkelt de heerlijkste ster!»En het was een werkelijke ster aan den hemel, die vlak op hen neer scheen, alsof zij hun den weg wilde wijzen. En zij klauterden en kropen; een ellendige weg was het, oneindig hoog; maar hij tilde haar op en hielp haar; hij hield haar vast en wees haar de beste plaatsen, waar zij haar kleine porseleinen voeten kon neerzetten; en zoo bereikten zij den schoorsteenrand, en daarop zetten zij zich neer; want zij waren geducht vermoeid; en dat was niet anders dan natuurlijk.De hemel met al zijn sterren was hoog boven en al de daken der stad diep beneden hen. Zij zagen ver in de rondte, ver de wijde wereld in. De arme herderin had het zich nooit zoo voorgesteld; zij leunde met haar hoofd tegen haar schoorsteenveger aan, en toen weende zij zoo geducht, dat het goud van haar gordel afsprong.«Dat is te veel!» zeide zij. «Dat kan ik niet verdragen! De wereld is al te groot! Was ik maar weer op het tafeltje onder den spiegel! Ik word nooit vroolijk, voordat ik daar weer ben! Nu ben ik je in de wereld gevolgd, nu kan je mij ook weer terugbrengen, als je mij werkelijk liefhebt.»En de schoorsteenveger sprak verstandig met haar, sprak over den ouden Chinees en over den bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber; maar zij snikte geweldig en kuste haar kleinen schoorsteenveger, zoodat hij wel niet anders kon, dan zich naar haar te schikken, ofschoon het dwaas was.En zoo klauterden zij met vele bezwaren door den schoorsteen weer naar beneden en kropen door de pijp en de kolom. Toen stonden zij in de donkere kachel. Nu luisterden zij achter het deurtje, om te weten te komen, hoe het in de kamer gesteld was. Daar was het stil; zij keken naar binnen,—ach! daar lag de oude Chinees midden op den vloer. Hij was van het tafeltje naar beneden gevallen, toen hij hen achterna wilde, en lag nu in drie stukken op den grond: zijn geheele rug was er in één stuk afgegaan enzijn hoofd was in een hoek gerold. De bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber stond, waar hij gestaan had, en dacht na.«Dat is verschrikkelijk!» zei de kleine herderin. «Mijn oude grootvader is aan stukken gesprongen, en dat is onze schuld! Dat zal ik niet overleven!» En daarop wrong zij haar kleine handen.«Hij kan nog wel gemaakt worden!» zei de schoorsteenveger; «hij kan nog wel gemaakt worden!—Maak maar niet zoo’n geweld! Als ze hem in den rug lijmen en hem een goeden spijker in den hals geven, dan zal hij zoo goed als nieuw zijn en kan ons nog heel wat onaangenaams zeggen.»«Zou je dat denken?» zeide zij. En toen kropen zij weer op het tafeltje, waarop zij vroeger gestaan hadden.«Zie, nu zijn wij zoo ver geweest!» zei de schoorsteenveger. «Wij hadden ons al die moeite wel kunnen besparen.»«Als wij mijn ouden grootvader eerst maar weer heel hadden!» zei de herderin. «Zou dat erg duur zijn?»En gemaakt werd hij. De familie liet hem in den rug lijmen; hij kreeg een goeden spijker door zijn hals; hij was zoo goed als nieuw; maar knikken kon hij niet meer.«Je bent zeker hoogmoedig geworden, sedert je in stukken gesprongen bent,» zei de bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber. «Mij dunkt, dat je volstrekt geen reden hadt, om zulk een gevaarlijken sprong te doen. Mag ik haar hebben of mag ik haar niet hebben?»En de schoorsteenveger en de kleine herderin keken den ouden Chinees in angstige spanning aan; zij vreesden, dat hij zou knikken. Maar dat kon hij niet; en het kwam hem verschrikkelijk voor, aan een vreemde te vertellen, dat hij een spijker in zijn hals had zitten. En zoo bleven de porseleinen schoorsteenveger en de porseleinen herderin bij elkaar, en zij zegenden den spijker in den hals van den grootvader en hadden elkander lief, totdat zij in stukken braken.De flesschehals.In de nauwe, kromme straat tusschen andere huizen der armoede stond een bijzonder smal en hoog houten huis, waaraan de tijd zulke parten gespeeld had, dat bijna al de planken uit de voegen geweken waren. Het huis werd door arme lieden bewoond, en het armoedigst zag het er wel op het zolderkamertje uit, waar voor het eenige kleine raampje een oude vogelkooi in den zonneschijn hing, waarin niet eens een waterglaasje zat, maar slechts een omgekeerde, met water gevulde flesschehals met een kurk er op. Een oude juffrouw stond voor het raampje; zij had groene murik in de kooi gedaan, en een kleine vlasvink huppelde van het eene stokje op het andere heen en weer en zong en kwinkeleerde, dat het een lust was om te hooren.«Ja, jij hebt goed zingen!» zei de flesschehals,—hij sprak ditwel niet op de wijze uit, zooals wij het kunnen doen; want spreken kan een flesschehals niet, maar hij dacht het zoo bij zich zelf, zonder zijn gedachten onder woorden te brengen, evenals wij menschen dit ook wel eens doen; «ja, jij hebt goed zingen, jij, die al je ledematen nog hebt. Je moest eens ondervinden, wat het zeggen wil, zijn ondergedeelte verloren, slechts een hals en een mond en bovendien een kurk daarin te hebben, zooals met mij het geval is, dan zou je zeker niet zoo zingen. Maar het is goed, dat er tochnogiemand is, die vergenoegd kan zijn! Ik heb geen reden om te zingen, en ik kan ook niet meer zingen. Ja, toen ik nog een heele flesch was, deed ik dit wel, als men mij met de kurk wreef: men noemde mij destijds de echte leeuwerik, de groote leeuwerik!—toen ik met de familie van den bontwerker op een buitenpartij was, en de dochter haar verlovingsfeest vierde,—ja, dat weet ik nog zoo goed, alsof het gisteren eerst gebeurd was! Ik heb veel beleefd, als ik dat zoo eens naga! Ik ben in het vuur en in het water, ik ben diep in de zwarte aarde en hooger in de lucht geweest, dan de meeste anderen, en nu zweef ik hier aan den buitenkant der vogelkooi in lucht en zonneschijn. O, het zou de moeite wel waard zijn, mijn geschiedenis te hooren; maar ik spreek daarover niet overluid, omdat ik het niet kan!»En nu vertelde de flesschehals zijn geschiedenis, die merkwaardig genoeg was; hij vertelde haar zoo in zich zelf of dacht er over na; en de vogel zong vergenoegd zijn lied, en beneden op de straat was een gerij en geloop; iedereen dacht aan het zijne of dacht aan niets,—maar de flesschehals dacht. Hij dacht aan den vlammenden smeltoven in de fabriek, waar hij in het leven geblazen was; hij herinnerde zich nog, dat hij warm geweest was, dat hij in den blakerenden oven, waaruit hij zijn oorsprong had genomen, gekeken had en wel lust zou gehad hebben, om er dadelijk weer in te springen, maar dat hij zich daar van lieverlede, toen hij gedurig koeler werd, heel goed op zijn gemak gevoeld had, waar hij gekomen was. Hij had in het gelid gestaan met een geheel regiment broeders en zusters, die alle uit denzelfden oven gekomen waren, waarvan enkele als Champagneflesschen en andere als bierflesschen geblazen waren, en dat maakt een onderscheid! Later, buiten in de wereld, kan het wel eens gebeuren, dat een bierflesch de kostelijksteLacrymae Christibevat en een Champagneflesch met schoensmeer gevuld wordt, maar aan het model is het toch altijd te zien, waartoe men geboren is,—adel blijft adel, al heeft men ook schoensmeer in zijn lijf.Al de flesschen werden ingepakt en onze flesch ook. Toen ter tijd dacht zij er niet aan, dat zij haar loopbaan als flesschehals zou eindigen en zich tot den rang van vogelglaasje verheffen, hetgeen toch altijd een eervolle taak is,—omdat men alsdan toch iets is! De flesch zag het daglicht eerst weer, toen zij met haar overige kameraden in den kelder van den wijnkooper uitgepakt en voor de eerste maal uitgespoeld werd,—dat was een wonderlijk gevoel. Daar lag zij nu ledig en zonder kurk! Het was haar zonderling temoede, er ontbrak haar iets, maar zij wist zelfs niet, wat dit was.—Eindelijk werd zij met goeden, heerlijken wijn gevuld, kreeg ook een kurk en werd dichtgeplakt: «Prima Qualiteit» werd er op haar geplakt; het was haar, alsof zij den eersten prijs bij het examen behaald had, maar de wijn was dan ook goed, en de flesch was goed. Als men jong is, is men dichter! Het zong en klonk in haar van dingen, die zij volstrekt niet kende: van de groene, zonnige bergen, waar de wijn groeit, waar vroolijke wijngaardeniers en wijngaardeniersters zingen en koozen en elkander kussen;—wel is het leven schoon! Van dit alles zong en klonk het in de flesch, evenals in de jonge dichters, die ook wel eens niet begrijpen, waarvan het in hen klinkt.Op zekeren morgen werd zij gekocht;—de bontwerkersleerling moest een flesch van den besten wijn gaan halen. En nu werd zij in de etensmand naast ham, kaas en worst gestoken; de fijnste boter, het fijnste brood werd ook er in gedaan; de bontwerkersdochter pakte de mand zelf in, haar bruine oogen fonkelden daarbij, en om haar lippen speelde een glimlachje. Zij had fijne, blanke handen, en toch waren haar hals en haar boezem nog veel blanker, men kon het haar dadelijk wel aanzien, dat zij een der mooiste meisjes uit de stad was—en toch nog niet geëngageerd!De etensmand stond op den schoot van het meisje, toen de familie naar het bosch reed; de flesschehals kwam tusschen de slippen van het witte servet te voorschijn kijken; op de kurk zat rood lak; de flesch keek het meisje vlak in ’t gezicht; zij keek den jongen zeeman aan, die naast het meisje zat; deze was een vriend uit haar jeugd, de zoon van een portretschilder. Nog maar kort geleden had hij het examen als stuurman met goeden uitslag afgelegd, en den volgenden dag zou hij met een schip vertrekken, ver weg naar verre landen. Hierover was onder het inpakken der mand veel gesproken, en toen sprak juist de vroolijkheid niet uit de oogen en van de lippen der schoone bontwerkersdochter.De jongelieden deden een wandeling in het groene bosch, zij spraken met elkander. En wat spraken zij? Ja, dat hoorde de flesch niet; want zij stond immers in de etensmand. Het duurde een geruimen tijd, voordat zij er uitgehaald werd, maar toen dit eindelijk gebeurde, waren er ook vroolijke dingen voorgevallen; allen lachten, ook de dochter van den bontwerker lachte, maar zij sprak minder dan te voren, en haar wangen gloeiden als twee roode rozen.De vader van het meisje nam de volle flesch en den kurketrekker in handen.—O, het is zonderling, zoo voor de eerste maalopengetrokkente worden! De flesschehals had dit plechtige oogenblik later nooit kunnen vergeten; het had immers «flap!» in zijn binnenste gezegd, toen de kurk er afvloog, en hoe klokte het, toen de wijn in de glazen geschonken werd!«Op de gezondheid van het jonge paar!» zei de oude vader, en ieder glas werd tot op den bodem leeggedronken, en de jonge zeeman kuste zijn aanstaande.«Geluk en zegen!» zeiden de beide oudelui, vader en moeder, en de jonkman schonk de glazen nog eens vol. «Op je gelukkige thuiskomst en op de bruiloft vandaag over een jaar!» voegde de vader er bij, en toen de glazen leeggedronken waren, nam de jonge zeeman de flesch, hief haar omhoog en zei: «Je bent er op den schoonsten dag van mijn leven bij geweest, je zult nimmer meer een ander dienen!»En hij slingerde haar hoog in de lucht. De bontwerkersdochter dacht er destijds niet aan, dat zij de flesch nog meermalen weer zou zien vliegen, en toch zou dit het geval zijn.—Zij viel juist in het dichte riet aan den oever van een klein meertje in het bosch neer,—de flesschehals herinnerde zich nog levendig, hoe hij daar een tijdlang gelegen had. «Ik gaf hun wijn en ze gaven mij water,—maar zoo is het ook goed!» Hij zag de verloofden en de vergenoegde ouders niet meer; maar hij hoorde nog lang, hoe zij juichten en zongen. Toen kwamen er eindelijk twee boerenjongens; zij keken tusschen het riet, zagen de flesch en namen haar mee; nu was zij goed bezorgd.In het huis van den boschwachter was den vorigen dag de oudste broeder van deze jongens, een zeeman, gekomen, om afscheid te nemen. Hij zou een verre reis doen; zijn moeder was juist bezig, het een en ander in te pakken, dat hij op reis moest meenemen, en dat zijn vader ’s avonds naar de stad zou brengen, om zijn zoonnog eenmaal te zien en hem den laatsten groet van zijn moeder over te brengen. Een fleschje met maagbitter was reeds ingepakt, en er was een pakje bijgelegd, toen de beide jongens met een grooter, steviger flesch, die zij gevonden hadden, de kamer binnentraden. In deze ging meer dan in het kleine fleschje, en het bitter was zoo goed, als de maag van streek was. Men schonk nu niet evenals vroeger, rooden wijn in de flesch; het waren bittere droppels, maar ook die zijn goed—voor de maag. De nieuwe groote en niet de kleine flesch zou mee; en zoo ging de flesch weer op reis. Zij kwam aan boord bij Peter Jensen, en wel aan boord van hetzelfde schip, waarmee de jonge stuurman zou vertrekken. Maar hij zag de flesch niet, en hij zou haar ook niet herkend of zelfs gedacht hebben: dat is dezelfde, waarmee wij onze verloving gevierd en al een dronk op de behouden terugkomst uitgebracht hebben.Wel leverde zij nu geen wijn meer, maar zij bevatte toch iets in haar binnenste, dat even goed was; zij werd ook altijd, wanneer Peter Jensen haar te voorschijn kreeg, door zijn kameraden «de apotheker» genoemd; zij leverde de beste medicijn, daar zij de maag weer in orde bracht, en zij verleende haar hulp trouw, zoolang zij een droppel in zich had. Dat was een prettige tijd, en de flesch zong, als men er met de kurk overheen streek, zij heette de groote leeuwerik, «Peter Jensens leeuwerik.»Verscheidene dagen en maanden verliepen er, zij stond reeds ledig in een hoek; nu gebeurde het,—of het op de heenreis dan wel op de terugreis was, wist de flesch niet precies op te geven, want zij was in ’t geheel niet aan land geweest,—dat er een hevige storm opstak; hooge golven slingerden het schip her- en derwaarts. De groote mast brak; een golf sloeg een der planken in; de pompen brachten geen hulp meer, het was een stikdonkere nacht; het schip zonk,—maar op het laatste oogenblik schreef de jonge stuurman nog op een stukje papier: «In Christus’ naam! Wij vergaan!» Hij schreef er den naam van zijn meisje, van zich zelf en van het schip op, stopte het papiertje in een leege flesch, die hem maar ’t eerst in handen kwam, deed er de kurk stevig op en wierp de flesch in de onstuimige zee. Hij wist niet, dat het dezelfde flesch was, waaruit hem en haar eenmaal de beker der vreugde en der hoop gevuld was;—zij wiegelt zich nu op de golven met een groet en een doodstijding.Het schip zonk, de bemanning verging; de flesch vloog voort als een vogel,—zij droeg immers een hart, een minnebrief in zich! En de zon ging op en zij ging onder,—het was aan de flesch te moede als ten tijde van haar ontstaan in den rooden gloeienden oven; zij gevoelde een verlangen, er weder in te vliegen.Zij doorleefde een windstilte en ook nieuwe stormen; zij stiet echter tegen geen klip aan, werd door geen haai verzwolgen en dreef jaren en dagen rond, nu eens naar het Noorden, dan weer naar het Zuiden, al naar gelang de golven haar voortstuwden. Zij was overigens haar eigen heer en meester, maar daar kan men toch ook eindelijk wel eens genoeg van krijgen.Het beschreven papiertje, het laatst vaarwel van den minnaar aan de geliefde, zou slechts rouw aanbrengen, wanneer het eenmaal in de rechte handen kwam; maar waar waren die handen, zoo blank en zacht, die indertijd op den dag der verloving den zakdoek op het frissche gras in het groene bosch uitspreidden?—Waar was de dochter van den bontwerker? Ja, waar was het land, waarin zij woonde, en welk land was wel het dichtst in de nabijheid? De flesch wist het niet; zij dreef en dreef en werd eindelijk ook het ronddrijven moede, omdat dit toch haar roeping niet was; maar zij dreef toch rond, totdat zij eindelijk land, vreemd land bereikte. Zij verstond geen woord van datgene, wat er hier gesproken werd; het was de taal niet, die zij vroeger had hooren spreken, en men mist veel, als men de taal niet verstaat.De flesch werd opgevischt en van alle kanten bekeken; het papiertje, dat er in zat, werd gezien, er uitgenomen, gedraaid en gekeerd, maar de menschen verstonden niet, wat daar geschreven stond. Wel begrepen zij, dat de flesch over boord geworpen moest zijn, en dat er hiervan iets op het papiertje moest staan; maar wat stond er op geschreven? Dat was het wonderbare! En het briefje werd weer in de flesch gestoken en deze in een groote kast, in een groote kamer, in een groot huis neergezet.Telkens als er vreemdelingen kwamen, werd het briefje er uit genomen, gewend en gedraaid, zoodat de letters, die slechts met potlood geschreven waren, allengs minder leesbaar werden; eindelijk kon niemand meer zien, dat het letters waren.—En nog een geheel jaar bleef de flesch in de kast staan, toen zette men haar op den grond neer, en stof en spinnewebben bedekten haar nu. Hoe dacht zij nu terug aan betere dagen, aan de tijden, toen zij in het frissche, groene bosch den rooden wijn verschaft had, toen zij op de golven der zee heen en weer schommelde, en een geheim, een brief, een afscheidszucht in zich had bevat.Wel twintig jaren stond zij op den grond; zij zou daar nog langer hebben kunnen staan, als het huis niet verbouwd had moeten worden. Het dak werd er afgenomen, men zag de flesch staan en sprak over haar, maar zij verstond de taal niet; die leert men niet daardoor, dat men op den grond staat, zelfs in geen twintig jaren. «Als ik maar in de kamer gebleven was,» dacht zij, «dan zou ik haar toch wel geleerd hebben.»Zij werd nu afgewasschen en uitgespoeld; dat was niet onnoodig; zij gevoelde zich helder en doorzichtig, zij was weer verjongd op haar ouden dag; maar het briefje, dat zij trouw in zich gedragen had,—dat was met het spoelen weggeraakt.Men vulde de flesch met zaden, zij wist niet, wat dat eigenlijk was; men deed er een kurk op en pakte haar goed in; zij kreeg noch lamp noch lantaarn, laat staan dan zon en maan te zien, en iets moet men toch zien, als men op reis gaat, meende zij; maar zij zag niets, doch het gewichtigste deed zij,—zij reisde en kwam op de plaats harer bestemming aan en werd daar uitgepakt.«Wat hebben ze zich daar in het buitenland een moeite met die flesch gegeven!» hoorde zij zeggen. «Zij zal toch wel gebroken zijn!»—Maar zij was niet gebroken. De flesch verstond ieder woord, dat er gesproken werd; het was de taal, die zij bij den smeltoven en bij den wijnkooper en in het bosch en op het schip gehoord had, de eenige, goede, oude taal, die zij kon verstaan; zij was in haar vaderlandteruggekomen, en de taal was haar een welkomstgroet. Van blijdschap zou zij den menschen uit de handen gesprongen zijn; zij merkte het nauwelijks, dat men de kurk van haar aftrok, dat zij uitgestort en in den kelder gebracht werd, om daar neergezet en vergeten te worden. In het vaderland is het toch maar het beste, zij het ook in den kelder! Het kwam niet bij haar op, er over na te denken, hoe lang zij daar wel lag; zij lag er goed en zij lag er jaren lang; eindelijk kwamen er menschen die al de flesschen uit den kelder en ook de onze weghaalden.Buiten in den tuin was een groot feest; brandende lampions en papieren lantarens hingen daar als bloemslingers. Het was een prachtige avond, het weer stil en helder; de sterren fonkelden, en het was nieuwe maan, eigenlijk zag men, als men goed toekeek, de heele ronde maan als een blauwachtigen bol, wat heel mooi leek.Zelfs tot in de afgelegenste laantjes van den tuin strekte de illuminatie zich uit, althans in zooverre, dat men bij haar schijnsel daar den weg wel kon vinden. In de takken der heggen stonden flesschen, en in elke daarvan een brandende kaars. Hier bevond zich ook de flesch, die wij kennen, die, welke eenmaal als flesschehals, als vogelglaasje aan haar eind zou komen; het kwam haar hier alles prachtig voor, zij was immers weer in het groen, weer te midden van vreugde en feestelijkheden, zij hoorde gezang en muziek en krioelen van al die menschen door elkaar, vooral uit dat gedeelte van den tuin, waar de lampions hingen en de papieren lantarens haar kleurenpracht ten toon spreidden. Zoo stond zij wel is waar in een afgelegen laantje, maar juist dat had iets aangenaams; zij droeg haar licht en stond hier tot nut en genoegen, en zoo moet het wezen; in zulk een uur vergeet men twintig jaren, die men in een vergeten hoek heeft doorgebracht,—en het is goed, deze te vergeten.Dicht langs haar heen liep een enkel paar, evenals indertijd het minnende paar in het bosch, evenals de stuurman en de bontwerkersdochter; het was de flesch te moede, alsof zij dat alles nog eens doorleefde! In den tuin liepen niet alleen de gasten maar ook menschen, die eens naar de illuminatie mochten kijken, en onder de laatstgenoemden bevond zich een oude juffrouw, die alleen op de wereld stond en geen bloedverwanten had. Zij dacht hetzelfde als de flesch, en dacht aan het groene bosch en aan een minnend paar, dat haar zeer na aan het hart lag, waaraan zij deel had, ja, waarvan zij een gedeelte was,—indertijd in het gelukkigste uur van haar leven, en dat uur vergeet men nimmer, al wordt men nog zoo oud.—Maar zij kende de flesch niet, en deze bemerkte ook de oude juffrouw niet; zoo loopt men elkaar in deze wereld voorbij,—totdatmen weer met elkaar in aanraking komt, en dat gebeurde met deze twee, want zij waren nu immers beiden weer in dezelfde stad.De flesch kwam uit den tuin nog eens bij den wijnkooper, werd weer met wijn gevuld en aan den luchtreiziger verkocht, die den volgenden Zondag met een luchtballon zou opstijgen.—Een groote menigte menschen had zich verzameld, om dat eens te zien; er was een militair muziekkorps geëngageerd, en er waren vele andere toebereidselen gemaakt. De flesch zag alles van uit een mand, waarin zij naast een levend konijntje lag, dat heelemaal verbluft was, omdat het wel wist, dat het mee naar boven moest, om dan door middel van een valscherm weer naar beneden gelaten te worden; de flesch wist echter niets, noch van het opstijgen, noch van het neerdalen; zij zag slechts, dat de ballon zich geducht opblies, gedurig grooter werd en zich, toen hij niet grooter kon worden, al begon te verheffen; de touwen, waarmee hij werd vastgehouden, werden doorgesneden, en hij zweefde met den luchtreiziger, de mand, de flesch en het konijntje naar boven, terwijl de muziek zich deed hooren en alle menschen hoera riepen.«Dat is een wonderlijke reis, zoo de lucht in!» dacht de flesch,«dat is een nieuwe zeiltocht; maar hier boven zal men toch nergens tegen aan kunnen stooten.»Duizenden menschen keken den ballon na, en de oude juffrouw keek er ook naar; zij stond voor het open raam van haar zolderkamertje, waaronder het kooitje met den kleinen vlasvink hing, dat destijds nog geen drinkglaasje had, maar zich met een theekopje moest vergenoegen. Voor het raam zelf stond een mirt in een pot, en dezen had zij een weinig op zij geschoven, opdat hij niet zou omvallen, want de oude juffrouw ging uit het raam liggen om het ook te zien, zij zag ook duidelijk den luchtreiziger in den ballon, en dat hij het konijntje methetvalscherm naar beneden liet zakken, toen op het welzijn van alle menschen dronk en eindelijk de flesch hoog in de lucht slingerde;—zij dacht er niet aan, dat zij dezelfde flesch, haar en haar minnaar ter eere, op den dag der verloving in het groene bosch had zien vliegen.De flesch had geen tijd om na te denken; want het kwam haar al te onverwacht, zoo plotseling op het toppunt haars levens te zijn. Torens en daken lagen diep, zeer diep beneden haar, en de menschen zagen er heel klein uit.Nu daalde zij echter, maar op een geheel andere wijze dan het konijntje; de flesch maakte buitelingen in de lucht, zij voelde zich zoo jeugdig, zonder eenige band; zij was nog half vol wijn, maar dat bleef zij niet lang. Welk een reis! De zon bescheen de flesch, alle menschen keken haar na, de ballon was reeds ver weg, en al spoedig daarop was ook de flesch weg, zij viel op een der daken neer en daardoor brak zij, maar de stukken hadden nog zulk een vaart, dat zij niet konden blijven liggen; zij sprongen en rolden verder, totdat zij op de plaats neerkwamen en daar in nog kleinere stukken bleven liggen; alleen de flesschehals bleef heel, en deze was als met een diamant van de flesch afgesneden.«Die zou prachtig voor een vogelglaasje zijn!» zeiden de menschen in het benedenhuis, maar zij hadden noch een vogeltje, noch een kooitje, en zich deze aan te schaffen, omdat zij nu den flesschehals hadden, die voor drinkglaasje te gebruiken was, was toch wel wat veel gevergd,—maar de oude juffrouw op het zolderkamertje, ja, die kon er misschien wel gebruik van maken,—en nu kwam de flesschehals bij haar boven, er werd een kurk ingestopt, en wat vroeger boven was, werd nu naar onderen gekeerd, zooals het heel dikwijls bij veranderingen gebeurt; er werd frisch water in gedaan, men hing hem aan het kooitje van het vogeltje op, dat zong en kwinkeleerde, dat het een lust was om te hooren.«Ja, jij hebt goed zingen!» zei de flesschehals, en die was immers merkwaardig genoeg, die was immers in den ballon geweest,—meer wist men van zijn geschiedenis niet af. Nu hing hij daar als drinkglaasje, hoorde de menschen beneden op de straat mompelen, hoorde de woorden van de oude juffrouw binnen in de kamer; zij had bezoek van een oude vriendin gekregen; zij praatten met elkaar,—maar niet over den flesschehals, maar over den mirt, die voor het raam stond.«Neen, je moet waarlijk geen daalder uitgeven voor een bruidskrans voor je dochter,» zei de oude juffrouw. «Je zult van mij een allerliefst ruikertje hebben! Zie je wel, hoe prachtig hetboompjestaat? Ja, dat is nog afkomstig van een stekje van den mirt, dien je mij op den dag na mijn verloving gaaft, waarvan ik mij zelf, als het jaar om was, een bruidskrans had moeten vlechten,—maar die dag kwam nooit! De oogen sloten zich, die mij in dit leven tot vreugde en ten zegen hadden moeten tegenstralen. Op den bodem der zee sluimert hij zacht, die trouwe vriend!—De mirt werd een oude boom, maar ik werd nog ouder, en toen de boom eindelijk begon weg te kwijnen, nam ik het laatste groene takje, stak dit in de aarde, en daarvan is nu een boompje gegroeid, en de mirt komt nu eindelijktoch nog op de bruiloft,—als bruidskrans voor je dochter.»En tranen parelden er in de oogen van de oude juffrouw; zij sprak over den vriend van haar jeugd, over het verlovingsfeest in het bosch; allerlei gedachten kwamen er bij haar op, maar daaraan dacht zij toch niet, dat er zich vlak in haar nabijheid, voor het raam, nog een aandenken aan dien tijd bevond; de hals van de flesch, die een luiden knal gaf, toen de kurk er afvloog. Maar de flesschehals herkende ook haar niet meer, want hij hoorde niet naar datgene, wat zij sprak en vertelde,—omdat hij slechts aan haar dacht.Het minnende paar.Een drijftol en een bal lagen samen in een kast onder meer ander speelgoed. Op zekeren dag zei de drijftol tegen de1bal: «Willen we maar met elkaar trouwen, daar we toch in dezelfde kast bij elkaar liggen?» Doch de bal, die van marokijn gemaakt was en die even veel verbeelding had als een preutsch meisje, wilde daar geen antwoord op geven.Den volgenden dag kwam de kleine jongen, aan wien al het speelgoed toebehoorde. Hij verfde den drijftol rood en geel en sloeg er een koperen spijkertje midden in. Dat stond dan al eens heel prachtig, als de tol in de rondte draaide!«Kijk mij nu eens aan!» zei hij tegen de bal. «Wat zeg je nu wel van me? Willen we nu met elkaar trouwen? We passen net goed bij elkaar: jij springt en ik dans! Een gelukkiger paar dan wij zouden zijn, kan er niet gevonden worden.»«Zou je dat denken?» vroeg de bal. «Dan weet je zeker niet, dat mijn vader en moeder marokijnleeren pantoffels geweest zijn en dat ik een kurk in mijn lijf heb zitten?»«Maar ik ben van mahoniehout,» hernam de tol, «en de burgemeester heeft mij zelf gedraaid. Hij houdt er zelf een draaibank op na en heeft heel wat schik in mij gehad.»«Kan ik daar zeker van zijn?» vroeg de bal.«Nimmer moge de zweep meer op mij neerkomen, als het niet waar is!» antwoordde de drijftol.«Je weet je zaak goed te bepleiten,» zei de bal. «Maar toch valt er niet aan een huwelijk tusschen ons te denken; want ik ben al zoo wat half en half met een spreeuw geëngageerd. Telkens als ik in de lucht vlieg, steekt hij den kop uit zijn nest en vraagt: «Wil je met mij trouwen?» En nu heb ik in mijn hart al «ja» gezegd, en dus is het net zoo goed, alsof ik hem het jawoord gegeven had; maar ik beloof je, dat ik je nooit zal vergeten!»«Nu, dat geeft me ook wat!» zei de drijftol, en na dien tijd spraken zij geen woord meer tegen elkaar.Na verloop van eenigen tijd werd de bal door den jongen uit de kast genomen. De drijftol zag, hoe zij hoog in de lucht vloog, evenals een vogel; eindelijk kon hij haar in ’t geheel niet meer zien; telkens kwam zij weer terug, maar deed iederen keer een hoogen sprong, als zij op den grond neerkwam, en dit deed zij òf uit blijdschap òf omdat zij een kurk in haar lijf had. Maar den negenden keer bleef de bal weg en kwam niet meer terug; en de jongen zocht er overal naar, maar zij was en bleef weg.«Ik weet wel, waar zij is!» zei de drijftol met een zucht. «Zij zit in het spreeuwennest en is met den spreeuw getrouwd.»Hoe meer de drijftol hierover dacht, des te meer raakte hij op de bal verliefd; juist omdat hij haar niet kon krijgen, nam zijn liefde gedurig toe; dat zij een ander tot man genomen had, stak hem wel het meest, en de drijftol danste in de rondte en snorde, maar dacht toch aldoor aan de bal, die in zijn gedachten al mooier en mooier werd.Zoo verliepen er eenige jaren,—en nu was het een oude liefde.De drijftol was al niet jong meer! Maar daar werd hij op zekeren dag heelemaal verguld; nog nooit had hij er zoo prachtig uitgezien; hij was nu een vergulde drijftol en sprong, dat hij weer snorde. Ja, dat was de moeite waard, om te zien.Maar eens sprong hij wat hoog, en—weg was hij!Men zocht en zocht, tot zelfs in den kelder, maar hij was nergens te vinden.Waar was hij dan?Hij was in den vuilnisbak gesprongen, waarin allerlei dingen lagen: koolstronken, aardappelschillen en verrotte bladeren, die uit de goot naar beneden gekomen waren.«’t Is een mooie plaats, voor mij om te liggen! Het verguldsel zal hier wel gauw van mij afgaan. Ach, onder welk gespuis ben ik aangeland!»Dit zeggende, keek hij naar een koolstronk en toen naar een zonderling, rond ding, dat veel van een rotten appel weghad;—doch het was geen appel, maar de oude bal, die vele jaren in de goot gelegen had en geheel met water doortrokken was.«Goddank! Daar komt toch iemand, die in rang en stand met mij gelijkstaat en met wien ik eens een woordje kan wisselen!» zei de bal en keek naar den vergulden drijftol. «Ik ben eigenlijk van marokijnleer, ik ben door dameshanden genaaid en heb een kurk in mijn lijf: maar dat zal niemand mij zeker kunnen aanzien. Ik stond op het punt om met een spreeuw te trouwen, maar toen viel ik in de goot, en daarin heb ik vijf jaren gelegen en ben heelemaal met water doortrokken. Geloof mij, dat is een heele tijd voor een jong meisje!»Maar de drijftol zei niets: hij dacht aan zijn oud lief, en hoe meer hij hoorde, des te duidelijker werd het hem, dat zij het was.Daar kwam de meid om den vuilnisbak te leegen. De jongenstond er naar te kijken. «Hé! Daar ligt een vergulde tol!» riep zij uit.En de drijftol kwam weer tot eer en aanzien, maar van de bal hoorde men niets meer. En de drijftol sprak nooit meer over zijn vroegere liefde; want die vergaat wel, als een minnares vijf jaren lang in een goot gelegen heeft en heelemaal met water doortrokken is; ja, men erkent haar niet meer, als men haar in een vuilnisbak ziet liggen.1Daar een drijftol en een bal hier te lande beide tot het mannelijke geslacht behooren en dus niet met elkaar kunnen trouwen, is de bal in dit sprookje van een heer in een dame gemetamorphoseerd.De prinses op de erwt.Er was eens een prins, die met een prinses wilde trouwen; maar het moest een echte prinses zijn. Nu reisde hij de heele wereld rond, om zoo eene te vinden, maar aan allen, die hij zag, ontbrak wat. Prinsessen waren er genoeg; maar of het echte prinsessen waren, kon hijniet te weten komen. Altijd was er iets, dat niet geheel in den haak was. Zoo kwam hij dan weer thuis en was treurig, want hij wilde toch zoo heel graag een echte prinses hebben.Op zekeren avond kwam er een geducht onweer opzetten; het lichtte en donderde, de regen viel bij stroomen neer, het was een verschrikkelijk weer! Daar werd er op de stadspoort geklopt, en de oude koning ging er heen, om haar open te doen.Het was een prinses, die buiten voor de poort stond. Maar lieve hemel! Wat zag zij er van den regen en van het verschrikkelijke weer uit! Het water droop haar uit het haar en de kleeren; het liep er bij de neuzen van haar schoenen in en bij de hakken weer uit. En toch zeide zij, dat zij een echte prinses was.«Nu, dat zullen we wel eens te weten komen!» dacht de oude koningin. Maar zij zeide niets, ging naar de slaapkamer, lichtte alle bedden op en legde een erwt op de onderlagen van het ledekant neer; daarop nam zij twintig matrassen en legde deze op de erwt, en toen nog twintig donzen bedden op de matrassen.Daar moest de prinses nu den heelen nacht op liggen. Den volgenden morgen vroeg men haar, hoe zij geslapen had.«Verschrikkelijk slecht!» zei de prinses. «Ik heb bijna den heelen nacht geen oog dichtgedaan! De hemel mag weten, wat er in het bed geweest is! Ik heb op iets hards gelegen, zoodat ik er over mijn heele lijf bont en blauw uitzie! ’t Is verschrikkelijk!»Nu merkten zij, dat zij een echte prinses was, omdat zij door de twintig matrassen en de twintig donzen bedden heen de erwt gevoeld had. Zoo fijngevoelig kon niemand anders zijn dan een echte prinses.Nu nam de prins haar tot vrouw; want nu wist hij, dat hij een echte prinses bezat, en de erwt kwam in het kabinet van zeldzaamheden, waarin zij nog te zien is, als niemand haar ten minste gestolen heeft.Zie, dat is een ware geschiedenis!Ole Luk-Oie.Er is niemand op de wereld, die zooveel sprookjes kent, als Ole Luk-Oie.1—Die heeft eerst slag van vertellen!Tegen den avond, als de kinderen nog aan tafel of op hun stoeltje zitten, komt Ole Luk-Oie. Hij klimt zachtjes de trap op, want hij loopt op kousen: hij doet de deur heel zachtjes open en fuut! daar spuit hij de kinderen zoete melk in de oogen, en wel met een heel fijn straaltje, maar toch altijd genoeg, om te maken, dat zij de oogen niet kunnen openhouden en hem dus ook niet zien. Hij sluipt achter hen, blaast hun zachtjes in den nek, en daardoor wordt het hun zwaar in het hoofd. Maar het doet geenpijn, want Ole Luk-Oie meent het goed met de kinderen; hij wil alleen maar, dat zij stil zullen zijn, en dat zijn zij eerst, als men ze naar bed gebracht heeft; zij moeten stil zijn, opdat hij hun sprookjes kan vertellen.Als de kinderen dan slapen, zet Ole Luk-Oie zich op hun bed neer. Hij is goed gekleed, zijn jas is van zijde, maar het valt onmogelijk te zeggen, van welke kleur zij is; want zij heeft een groenen, rooden en blauwen glans, al naardat hij zich draait. Onder iederen arm houdt hij een paraplu; de eene, met allerlei beelden er op, spant hij over de zoete kinderen uit, en dan droomen zij den heelen nacht de heerlijkste sprookjes; maar de andere paraplu, waarop niets hoegenaamd staat, spreidt hij boven de stoute kinderen uit, dan slapen zij en hebben ’s morgens, als zij wakker worden, niet het minste gedroomd.Nu zullen we eens hooren, hoe Ole Luk-Oie op iederen avond van een week bij een kleinen jongen, Hjalmar geheeten, kwam, en wat hij hem vertelde. Het zijn zeven verhaaltjes; want er zijn zeven dagen in de week.Maandag.«Hoor eens!» zei Ole Luk-Oie des avonds, toen hij Hjalmar naar bed gebracht had; «ik zal alles eens oppronken!» En nu werden al de bloemen in de bloempotten tot groote boomen, die hun lange takken onder de zoldering en langs de muren der kamer uitstrekten, zoodat de heele kamer er als een prachtig buitenverblijf uitzag; al de takken zaten vol bloemen, en iedere bloem was nog schooner dan een roos, gaf een liefelijken geur van zich, en als men ze wilde eten, dan smaakten zij overheerlijk. De vruchten fonkelden als goud, en er was koek, die vol rozijnen zat. Het was onvergelijkelijk schoon! Maar tegelijkertijd klonk er een verschrikkelijkgejammer uit de tafellade waarin de schoolboeken van Hjalmar lagen.«Wat is dat toch?» vroeg Ole Luk-Oie en ging naar de tafel toe en schoof de lade open. Het was de rekenlei, waarop gekrast werd, want er was een verkeerd cijfer in de som gekomen, zoodat het niet veel scheelde, of zij viel geheel uit elkaar; de griffel huppelde en sprong tegen de lijst van de lei op, alsof het een kleine hond was, die aan de som wilde helpen; maar hij kon dit niet.—En toen jammerde het ook in het schrijfboek van Hjalmar. O, dat was vreeselijk om aan te hooren! Op iedere bladzijde stonden van boven naar beneden de groote letters, en naast iedere groote letter stond een kleine; dat was het voorbeeld; en naast deze stonden weer eenige letters, die er eveneens dachten uit te zien, en deze had Hjalmar geschreven; maar zij lagen bijna, alsof zij over de potloodlijnen, waarop zij moesten staan, gevallen waren.«Zie, zoo moet je je houden!» zei het voorbeeld. «Kijk eens! Zoo in een schuinsche richting, met een fermen zwaai!»«O, wij zouden het graag willen,» zeiden de letters van Hjalmar; «maar wij kunnen niet; wij zijn te zwak!»«Dan moet je wat innemen!» zei Ole Luk-Oie.«O neen!» riepen zij uit, en nu stonden zij zoo geregeld, dat het een lust was om te zien.«Ja, nu kunnen wij geen sprookjes vertellen!» zei Ole Luk-Oie; «nu moet ik ze laten exerceeren! Een, twee! Een, twee!» en zoo liet hij de letters exerceeren; en zij stonden zoo mooi, als ze maar op een voorbeeld kunnen staan. Maar toen Ole Luk-Oie wegging en Hjalmar ze ’s morgens bekeek, toen waren zij even gebrekkig en jammerlijk als vroeger.Dinsdag.Zoodra Hjalmar te bed gegaan was, raakte Ole Luk-Oie al de meubelen in de kamer met zijn kleinen tooverstaf aan, en nu begonnen zij te gelijk te praten, en spraken allemaal over zich zelf met uitzondering van het kwispedoor, dat daar zwijgend stond en er zich over ergerde, dat zij zoo ijdel konden zijn om slechts over zich zelf te spreken, slechts aan zich zelf te denken, en volstrekt geen notitie te nemen van dengene, die toch zoo bescheiden in den hoek stond en zich liet bespuwen.Boven de latafel hing een groot schilderij in een vergulde lijst; dat was een landschap; men zag daarop hooge, oude boomen, bloemen in het gras en een breede rivier, die om het bosch heen vloeide, voorbij vele kasteelen, en ver weg in de woeste zee.Ole Luk-Oie raakte het schilderij met zijn tooverstaf aan, en nu begonnen de vogels, die daarop afgebeeld stonden, te zingen, de boomtakken bewogen zich, en de wolken trokken weg; men kon haar schaduw over het landschap zien heenglijden.Nu tilde Ole Luk-Oie den kleinen Hjalmar naar de lijst op enzette zijn voeten op het schilderij neer, vlak in het hooge gras; daar stond hij nu. De zon bescheen hem door de takken der boomen. Hij liep naar het water toe en ging in een kleine boot, die daar lag, zitten; deze was rood en wit geverfd, het zeil schitterde als zilver, en zes zwanen, alle met gouden kroontjes en een fonkelende blauwe ster op den kop, trokken de boot voorbij het groene bosch, waar de boomen van roovers en heksen en de bloemen van de liefelijke kleine elfen, en van datgene, wat de kapelletjes haar gezegd hadden, vertelden.De prachtigste visschen, met schubben als zilver en goud, zwommen de boot achterna; nu en dan deden zij een sprong, zoodat het in het water plaste, en vogels, rood en blauw, klein en groot, vlogen in twee lange rijen achteraan; de muggen dansten en de meikevers gonsden. Zij wilden Hjalmar altemaal volgen, en ieder had een sprookje te vertellen.Dat was een plezierig tochtje! Nu eens waren de bosschen dicht en donker, dan weer waren zij als de heerlijkste tuin vol zonneschijn en bloemen; daar stonden groote kasteelen van glas en van marmer: op de balkons stonden prinsessen, en dit waren allemaal kleine meisjes, die Hjalmar goed kende; hij had vroeger met haar gespeeld. Elk van dezen strekte de handen naar hem uit en hield hem het lekkerste hart van suiker voor, dat een koekenbakker ooit verkocht heeft; en Hjalmar, pakte elk suikerhart beet, terwijl hij voorbijvoer, en de prinses hield het goed vast, en zoo kreeg ieder een stuk: zij het kleinste en Hjalmar het grootste. Bij ieder kasteel stonden kleine prinsen op schildwacht; zij droegen gouden sabeltjes en lieten het rozijnen en tinnen soldaten regenen; men kon het hun wel aanzien, dat het echte prinsen waren.Nu eens zeilde Hjalmar door bosschen, dan weer door groote zalen of midden door een stad; hij kwam ook door die, waarin de kindermeid woonde, die hem gedragen had, toen hij nog een heel klein kind was, en die altijd zoo goed voor hem geweest was; zij knikte hem toe en wenkte hem en zong het kleine vers, dat zij zelf gemaakt en aan Hjalmar gezonden had:Uw beeld, mijn Hjalmar, mij zoo lief,Zal nooit mijn hart ontglippen;Ik gaf u kussen zonder talOp voorhoofd, mond en lippen.’k Hoorde uit uw mond het eerste woordMij staamlend tegenklinken.Vaarwel! Gods zegen hoede u steeds,Moog’ immer voor u blinken!En al de vogels zongen mee, de bloemen dansten op de stelen, en de oude boomen knikten, alsof Ole Luk-Oie hun ook sprookjes vertelde.Woensdag.O, wat stroomde de regen daar buiten neer! Hjalmar kon het in zijn slaap hooren; en toen Ole Luk-Oie een raam openschoof, stond het water tot aan het kozijn toe; het was daar buiten een heele zee, maar het prachtigste schip lag dicht bij het huis.«Wil je meezeilen, kleine Hjalmar?» vroeg Ole Luk-Oie. «Dan kun je van nacht naar vreemde landen toe gaan en morgen weer hier zijn!»Daar stond Hjalmar plotseling in zijn Zondagskleeren midden op het prachtige schip; terstond werd het weer mooi, en zij zeilden door de straten, kruisten om de kerk, en nu was alles een groote, woeste zee. Zij zeilden zoo lang, totdat er geen land meer te ontdekken was, en zij zagen een troep ooievaars; deze kwamen ook uit hun vaderland en wilden naar de warme landen toe; de eene ooievaar vloog altijd achter den anderen aan, en zij hadden al ver, heel ver gevlogen! Een hunner was zoo vermoeid, dat zijn vleugels hem tenauwernood meer vermochten te dragen; hij was de laatste in de rij, en al spoedig bleef hij een heel eind achter; eindelijk daalde hij met uitgespreide vleugels al dieper en dieper; hij deed nog een paar slagen met de vleugels, maar het hielp niets; nu raakte hij met zijn pooten het touwwerk van het schip aan, daarop gleed hij van het zeil af, en bom! daar stond hij op het verdek.Nu nam de kajuitsjongen hem en zette hem in het kippenhok bij de kippen, eenden en kalkoensche hanen; de arme ooievaar stond verlegen in hun midden.«Kijk dien eens aan!» zeiden al de kippen.En de kalkoensche haan blies zich zoo dik op, als hij maar kon, en vroeg, wie hij was; de eenden snaterden, en de ooievaar vertelde van het warme Afrika, van de piramiden en van den struisvogel, die, als een wild paard, de woestijn doorliep; maar de eenden verstonden niet, wat hij vertelde, en toen zeiden zij tegen elkander: «Wij zijn het er immers allemaal over eens, dat hij dom is!»«Ja, zeker is hij dom!» zei de kalkoensche haan, en toen klokte hij. Nu zweeg de ooievaar en dacht aan zijn Afrika.«Dat zijn prachtige dunne pooten, die je hebt!» zei de kalkoensche haan. «Wat kost een el daarvan?»«Skrat, skrat, skrat!» grijnsden al de eenden; maar de ooievaar deed, alsof hij het niet hoorde.«Je kunt gerust meelachen,» zei de kalkoensche haan tegen hem; «want het was heel geestig gezegd. Of was het je misschien te hoog? Ach, hij is niet veelzijdig! Wij zullen onze aardigheden maar voor ons zelf houden!» En toen klokte hij, en de eenden snaterden. Het was verschrikkelijk, zoo’n plezier als zij hadden.Maar Hjalmar ging naar het kippenhok toe, deed het deurtje daarvan open, riep den ooievaar, en nu huppelde hij naar hem toe op het verdek. Nu was hij immers uitgerust, en het was, alsof hij Hjalmar toeknikte om hem te bedanken. Daarop ontplooide hij zijnvleugels en vloog naar de warme landen; maar de kippen kakelden, de eenden snaterden, en de kalkoensche haan werd vuurrood aan zijn kop.«Morgen zullen we soep van je koken!» zeide Hjalmar, en dit zeggende, werd hij wakker en lag in zijn bedje. Het was toch een zonderlinge reis, die Ole Luk-Oie hem dezen nacht had laten doen!Donderdag.«Weet je wat?» zei Ole Luk-Oie. «Word maar niet bang! Hier zul je een kleine muis zien!» En toen strekte hij zijn hand, waarin hij het lichte, aardige diertje hield, naar hem uit. «Zij is gekomen om je op de bruiloft te noodigen. Er zijn twee kleine muizen, die van nacht in het huwelijk willen treden. Zij wonen onder den vloer van je moeders provisiekamer: dat moet een mooie woning zijn!»«Maar hoe kan ik door het kleine muizengat in den vloer kruipen?» vroeg Hjalmar.«Laat dat maar aan mij over!» zei Ole Luk-Oie. «Ik zal je wel klein maken!»En nu raakte hij Hjalmar met zijn tooverstaf aan, waarop deze dadelijk al kleiner en kleiner werd. Eindelijk was hij geen vinger lang. «Nu kun je de kleeren van den tinnen soldaat wel leenen; ik denk, dat die je wel zullen passen, en het staat goed, een uniform aan te hebben, als men in gezelschap is.»«Dat is ook zoo!» zei Hjalmar en was in een oogenblik als een tinnen soldaat gekleed.«Wilt ge nu maar zoo goed zijn, in den vingerhoed van uw moeder te gaan zitten?» zei de kleine muis; «dan zal ik de eer hebben, u er naar toe te trekken.»«Wilt gij u daarmee zelf belasten?» zeide Hjalmar, en zoo reden zij naar de muizenbruiloft.Eerst kwamen zij onder den vloer in een lange gang, die echter niet hooger was, dan dat zij er juist met den vingerhoed doorheen konden komen, en de heele gang was met verrot hout geïllumineerd.«Ruikt het hier niet heerlijk?» vroeg de muis, die hem voorttrok. «De heele gang is met zwoorden van spek besmeerd! Er kan niets geurigers zijn!»Nu traden zij de bruiloftszaal binnen. Hier stonden aan de rechterhand al de kleine muizendames; dezen fluisterden en ginnegapten, alsof zij elkaar voor den gek hielden. Aan de linkerhand stonden al de muizenheeren en streken met hun poot langs hun snorbaard; midden in de zaal zag men het bruidspaar; dit stond in een uitgeholde korst kaas en kuste elkaar verschrikkelijk ten aanschouwe van allen, want zij waren immers met elkander verloofd en zouden aanstonds bruiloft houden.Er kwamen gedurig meer vreemden; het scheelde niet veel, of de eene muis trapte de andere dood, en het bruidspaar had zich vlak voor de deur geplaatst, zoodat men er noch uit noch in kon komen. De heele kamer was evenals de gang met zwoorden van spek ingesmeerd; daarin bestond het geheele gastmaal: maar aan het dessert werd er een erwt vertoond, waarin een muis uit de familie den naam van het bruidspaar ingebeten had, namelijk de eerste letters. Dat was iets buitengewoons!Al de muizen zeiden, dat het een vroolijke bruiloft was, en dat de gesprekken zeer onderhoudend waren geweest.Daarop reed Hjalmar weer naar huis; hij was waarlijk in deftig gezelschap geweest; maar hij had zich ook erg moeten inkrimpen, zich klein maken en een tinnen-soldatenuniform aantrekken.Vrijdag.«Het is ongeloofelijk, hoeveel oudere menschen er zijn, die mij zoo heel graag zouden willen hebben,» zeide Ole Luk-Oie. «Dat zijn inzonderheid diegenen, die het een of ander kwaad gedaanhebben. «Goede, kleine Ole!» zeggen zij tegen mij, «wij kunnen de oogen niet dichtdoen, en zoo liggen wij den heelen nacht en zien al onze booze daden, die als kleine leelijke kaboutermannetjes op den rand van het bed zitten en ons met heet water bespuiten; mocht gij maar komen en ze wegjagen, dan zouden wij gerust kunnen slapen.» Daarop slaken zij een diepen zucht. «Wij zouden er waarlijk graag voor betalen. Goeden nacht, Ole! het geld ligt in het kozijn!» Maar ik doe het niet voor geld!» zegt Ole Luk-Oie.«Wat zullen we nu van nacht te zien krijgen?» vroeg Hjalmar.«Ja, ik weet niet, of je van nacht wel weer lust hebt om naar een bruiloft toe te gaan; het is een heel ander soort van bruiloft dan die van gisteren. De groote pop van je zusje, die, welke er als man uitziet en Herman genoemd wordt, wil met pop Bertha in het huwelijk treden. Het is bovendien de verjaardag van de pop, en daarom zullen zij zeer veel geschenken krijgen!»«Ja, daar weet ik alles van!» zeide Hjalmar. «Als de poppen nieuwe kleeren noodig hebben, dan laat mijn zusje ze altijd haar verjaardag vieren of bruiloft houden; dat is zeker al honderdmaal gebeurd!»«Ja, maar van nacht is het de honderd eerste bruiloft, en als honderd een uit is, dan is alles voorbij! Daarom wordt deze ook zoo prachtig. Kijk maar eens!»En Hjalmar keek naar de tafel. Daar stond het kleine bordpapieren huis met licht voor de ramen, en buiten daarvoor presenteerden alle tinnen soldaten het geweer. Het bruidspaar zat in gedachten verdiept, waarvoor het wel reden had, op den grond en leunde tegen den poot der tafel aan. Maar Ole Luk-Oie, die in den zwarten rok der grootmoeder gekleed was, trouwde ze. Toen de trouwplechtigheid afgeloopen was, hieven al de meubelen in de kamer het volgende mooie lied aan, dat door het potlood geschreven was:Hoog klink’ ons lied, gelijk de wind,Voor ’t bruidspaar, dat zich saam verbindt!Zij pralen beiden, stijf en blind,Van leer, dat men niet mooier vindt.Hoera! al zijn ze doof en blind,Wij zijn tot zingen thans gezind!En nu kregen zij geschenken; maar zij hadden verzocht van alle eetwaren verschoond te blijven, want zij hadden genoeg aan hun liefde.«Zullen wij nu een zomerwoning betrekken of op reis gaan?» vroeg de bruidegom. En nu werd de raad van de zwaluw, die veel gereisd had, en van de oude kip, die vijfmaal kuikentjes uitgebroed had, ingeroepen. De zwaluw vertelde van de heerlijke warme landen, waar de druiven zoo groot en zwaar waren, waar de lucht zoo zacht was en de bergen kleuren hadden, zooals men ze hier niet zag.«Maar onze boerenkool hebben ze toch niet!» zei de kip. «Ikben een heelen zomer lang met al mijn kuikentjes op het land geweest; daar was een zandgroeve, waarin wij konden rondloopen en krabbelen; en dan hadden wij den toegang tot een tuin met boerenkool! O, wat was die lekker! Ik kan mij niets schooners voorstellen!»«Maar de eene koolstronk ziet er precies uit als de andere,» zei de zwaluw, «en dan is het hier dikwijls slecht weer.»«Ja, daaraan is men gewend!» zei de kip.«Maar hier is het koud en vriest het!»«Dat is goed voor de kool!» zei de kip. «Overigens kunnen we het hier ook wel warm hebben! Hebben wij niet vier jaren geleden, een zomer gehad, die vijf weken lang duurde? Het was zoo heet, dat men haast geen adem kon halen! En dan hebben wij hier niet al die vergiftige dieren, die ze daar hebben! En wij hebben hier geen last van roovers. Het is een booswicht, die niet vindt, dat ons land het mooiste is. Hij verdient waarlijk niet, hier te zijn!» En toen weende de kip en vervolgde: «Ik heb ook gereisd. Ik heb twaalf mijlen ver in een mand gereden! Ik vind niet veel plezier in het reizen!»«Ja, de kip is een verstandige vrouw!» zei pop Bertha. «Ik houd er niets van, bergen te beklimmen; want dat gaat maar op en dan weer neer. Neen, wij zullen naar de zandgroeve toe gaan en in den kooltuin rondwandelen!»En daarbij bleef het.Zaterdag.«Krijg ik nu sprookjes te hooren?» vroeg de kleine Hjalmar, zoodra Ole Luk-Oie hem in slaap gemaakt had.«Van avond hebben wij er geen tijd voor,» zei Ole Luk-Oie en spreidde zijn mooie paraplu over hem uit. «Bekijk deze Chineezen maar eens!» En de paraplu zag er uit, als een groote Chineesche schaal met blauwe boomen en smalle bruggen en met kleine Chineezen er op, die daar stonden en met het hoofd knikten. «Wij moeten de heele wereld tegen morgen mooi opgepronkt hebben,» zei Ole Luk-Oie, «het is dan immers een feestdag, het is Zondag. Ik wil naar de kerktorens toe om te zien, of de kleine kerkkaboutermannetjes de klokken wel polijsten, opdat zij mooi klinken. Ik wil naar buiten naar het veld en zien, of de winden het stof van gras en bladeren blazen; en wat nog het zwaarste werk is, ik zal al de sterren naar beneden halen, om ze op te poetsen. Ik neem ze in mijn schort; maar eerst moet aan ieder een nommer gegeven worden, en de gaten, waarin zij daarboven zitten, moeten ook genommerd worden, opdat zij weer op de rechte plaats komen, anders zouden zij niet vastzitten, en dan zouden wij te veel vallende sterren krijgen, want dan zou de een na de andere naar beneden rollen.»«Hoor eens! Weet je wat, mijnheer Ole Luk-Oie?» zei een oud portret, dat tegen den muur van het vertrek, waarin Hjalmar sliep, hing.«Ik ben Hjalmars overgrootvader! Ik dank u, dat ge den jongen sprookjes vertelt; maar ge moet zijn begrippen niet verwarren. De sterren kunnen niet naar beneden genomen en opgepoetst worden! De sterren zijn wereldbollen, evenals onze aarde en juist dat is het goede dat er aan is.»«Ik dank u wel, oude overgrootvader!» zei Ole Luk-Oie; «ik dank u wel! Gij zijt immers het hoofd der familie; maar ik ben toch ouder dan gij. Ik ben een oude heiden: Romeinen en Grieken noemden mij droomgod! Ik ben in de deftigste huizen geweest en kom er nog! Ik weet zoowel met geringen als met aanzienlijken om te gaan! Nu kunt gij vertellen.»—En daarop ging Ole Luk-Oie heen en nam zijn paraplu mee.«Nu, nu! Het schijnt, dat men niet eens meer voor zijn gevoelen mag uitkomen!» bromde het oude portret.Op dit oogenblik werd Hjalmar wakker.Zondag.«Goeden avond!» zei Ole Luk-Oie, en Hjalmar knikte hem toe en sprong toen weg en keerde het portret van zijn overgrootvader, dat tegen den muur hing, om, opdat het niet, evenals den vorigen nacht, zou meespreken.«Nu moet ge sprookjes vertellen: van de vijf groene erwten, die in één schil woonden, van den hanepoot, die aan den kippepoot het hof maakte, en van de stopnaald, die zich verbeelde dat zij een naainaald was.»«Men kan ook van het goede te veel krijgen!» zei Ole Luk-Oie. «Je weet immers wel, dat ik je het liefst wat laat zien! Ik zal je daarom mijn broeder eens laten kijken Deze heet ook Ole Luk-Oie, maar hij komt bij niemand meer dan eens, en wien hij bezoekt, dien neemt hij op zijn paard mee en vertelt hem sprookjes. Hij kent er maar twee; het eene is zoo prachtig schoon, als niemand op de wereld het zich kan voorstellen, en het andere is zoo leelijk en afschuwelijk, dat het niet om te beschrijven is!» Daarop tilde Ole Luk-Oie den kleinen Hjalmar naar het raam op en zei: «Daar zal je mijn broeder zien, den anderen Ole Luk-Oie! Ze noemen hem den dood! Zie je wel; hij ziet er volstrekt niet zoo leelijk uit als in de prentenboeken, waar hij maar een geraamte is! Neen, dat is zilveren borduursel, dat hij op zijn gewaad heeft, dat is de mooiste huzarenuniform; een mantel van zwart fluweel vliegt achter over het paard. Zie, hoe hij in galop rijdt!»En Hjalmar zag, hoe deze Ole Luk-Oie wegreed en zoowel jonge als oude lieden op zijn paard nam. Eenigen zette hij voorop, anderen achterop, maar altijd vroeg hij eerst: «Hoe staat het met het aanteekeningboek?»—«Goed!» zeiden zij allemaal.—«Ja, laat mij het zelf eens zien!» zeide hij, en dan moest ieder hem het boek laten zien, en al diegenen, die «Zeer goed» en «Uitmuntend» hadden, zette hij voorop het paard, en dezen kregen het mooie sprookje te hooren, maar die, welke «Tamelijk» en «Middelmatig» hadden,moesten achterop en kregen het leelijke sprookje te hooren, zij sidderden en weenden; zij wilden van het paard springen, maar konden het niet, want zij waren er dadelijk aan vastgegroeid.Maar de dood is immers de prachtigste Ole Luk-Oie!» zei Hjalmar. «Voor hem ben ik niet bang!»«Dat moet je ook niet zijn!» zei Ole Luk-Oie, «pas maar op, dat je een goed getuigenis krijgt.»«Ja, dat is leerrijk!» mompelde het portret van den overgrootvader. «Het helpt toch wel eens, als men zijn meening zegt.»En nu verklaarde hij zich tevreden.Zie, dat is de geschiedenis van Ole Luk-Oie; nu moet hij u zelf van avond maar meer vertellen.1Ole de Oogensluiter.
De herderin en de schoorsteenveger.Hebt ge wel eens een oude houten kast gezien, die heelemaal zwart van ouderdom geworden en met uitgesneden krullen en lofwerk versierd was? Zulk een stond er in zekere huiskamer: zij was van een overgrootmoeder geërfd en van boven tot beneden met uitgesneden rozen en tulpen bedekt. Daaraan had men de zonderlingste krullen, en uit deze kwamen kleine hertekoppen met horens te voorschijn. Midden op de kast stond een man uitgesneden; hij was belachelijk om aan te zien, en hij grijnsde ook, want lachen kon men het niet noemen; hij had bokspooten, kleine horens op het hoofd en een langen baard. De kinderen in de kamer noemden hem altijd den bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber; dat was een lang woord, dat moeilijk uit te spreken was; en er zijn er niet velen, die dezen titel krijgen, maar hem uit te snijden, dat beteekende ook nog al wat. Doch nu was hij er immers! Altijd keek hij naar het tafeltje onder den spiegel, want daar stond een bekoorlijke, kleine herderin van porselein op. Haar schoenen waren verguld, haar japon was met een roode roos versierd, en verder had zij een gouden hoed en een herderstaf, zij was verwonderlijk schoon. Vlak bij haar stond een kleine schoorsteenveger, zoo zwart als roet, maar overigens ook van porselein; hij was zoo rein en fijn, als hij maar wezen kon; dat hij een schoorsteenveger was, was immers maar iets, dat hij voorstelde; de porseleinwerker had even goed een prins van hem kunnen maken, als hij dit gewild had!Daar stond hij heel aardig met zijn ladder en met een gezicht, zoo wit en rood als dat van een meisje; dat was eigenlijk een fout, want het had toch wel wat zwart moeten zijn. Hij stond vlak bij de herderin; zij waren er beiden neergezet; en daar zij nu zoo dicht bij elkaar stonden, hadden zij zich met elkaar geëngageerd. Zij pasten immers juist bij elkander; het waren jongelieden, beiden van hetzelfde porselein en beiden even breekbaar.Dicht bij hen stond nog een figuur; deze was driemaal zoo groot. Het was een oude Chinees, die kon knikken. Hij was ook vanporselein en zeide, dat hij de grootvader der kleine herderin was; maar dat kon hij niet bewijzen. Hij beweerde, dat hij macht over haar had, en daarom had hij den bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber, die de kleine herderin tot vrouw wilde hebben, toegeknikt.«Dan krijg je een man,» zei de oude Chinees, «een man, die zooals ik bijna geloof, van mahoniehout is. Hij kan je tot bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebbersvrouw maken; hij heeft de heele kast vol zilvergoed, dat hij in geheime laden bewaart.»«Ik wil de donkere kast niet in!» zei de kleine herderin. «Ik heb hooren zeggen, dat hij daarin wel elf porseleinen vrouwen heeft zitten.»«Dan kan jij de twaalfde worden!» zei de Chinees. «In dezen nacht, zoodra het in de oude kast kraakt, moet je bruiloft houden, zoo waar als ik een Chinees ben!» En daarop knikte hij met het hoofd en viel in slaap.Maar de kleine herderin weende en keek haar minnaar, den porseleinen schoorsteenveger, aan.«Ik zou je wel willen verzoeken,» zeide zij, «de wijde wereld met mij in te gaan; want hier kunnen wij niet blijven!»«Ik wil alles, wat jij wilt!» zei de kleine schoorsteenveger. «Laat ons dadelijk gaan! Ik denk wel, dat ik je door middel van mijn ambacht zal kunnen onderhouden.»«Als wij eerst maar goed en wel van het tafeltje af waren!» antwoordde zij. «Ik word niet vroolijk, voordat wij de wijde wereld ingegaan zijn.»En hij troostte haar en wees haar, hoe zij haar kleinen voet op de uitgesneden hoeken en het vergulde lofwerk aan den poot van het tafeltje moest neerzetten; zijn ladder nam hij ook te baat, en nu waren zij op den vloer. Maar toen zij naar de oude kast keken, heerschte daarin heel wat beweging; al de uitgesneden herten kwamen met hun koppen te voorschijn, richtten hun horens op en draaiden hun halzen om: de oude bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber sprong hoog in de lucht en riep den ouden Chinees toe: «Daar loopen zij weg! Daar loopen zij weg!»Nu verschrikten zij eenigszins en sprongen ijlings in het kastje van de vensterbank.Hier lagen drie à vier spellen kaarten, die niet voltallig waren, en een klein poppentooneel, dat, zoo goed als het zich liet doen, opgebouwd was. Daarop werd komedie gespeeld, en al de dames, ruiten zoowel als harten, klaveren zoowel als schoppen, zaten op de eerste rij en verkoelden zich met haar tulpen; en achter haar stonden al de boeren en toonden, dat zij een hoofd hadden, zoowel boven als beneden, gelijk de speelkaarten dit hebben. De komedie handelde over twee personen, die elkaar niet mochten hebben, en de herderin stortte daarover tranen; want het was als haar eigen geschiedenis.«Dat kan ik onmogelijk uithouden!» zeide zij. «Ik moet het kastje uit!»Maar toen zij weer op den vloer kwamen en naar het tafeltje keken, was de oude Chinees wakker geworden en schudde met zijn geheele lichaam.«Nu komt de oude Chinees!» schreeuwde de kleine herderin en viel op haar porseleinen knieën neer: zoo bedroefd was zij.«Daar valt mij iets in!» zei de schoorsteenveger. «Willen wij in die groote vaas, die daar in den hoek staat, kruipen? Daar kunnen wij op rozen en lavendel liggen en hem zand in de oogen strooien, als hij komt.»«Dat kan nergens toe dienen!» zeide zij. «Bovendien weet ik, dat de oude Chinees en de vaas met elkaar geëngageerd geweest zijn, en er blijft toch altijd nog eenige genegenheid bestaan, als men in zulk een betrekking tot elkaar gestaan heeft. Neen, er blijft niets anders over, dan de wijde wereld in te gaan.»«Heb je waarlijk moed om de wijde wereld met mij in te gaan?»vroeg de schoorsteenveger. «Heb je wel bedacht, hoe groot deze is, en dat wij hier nimmer meer terug kunnen komen?»«Dat heb ik!» zeide zij.En de schoorsteenveger keek haar strak aan, en toen zeide hij: «Mijn weg gaat door den schoorsteen heen! Heb je werkelijk moed, met mij door de kachel, zoowel door de ijzeren kolom als door de pijp te kruipen? Dan komen wij in den schoorsteen, en daarin weet ik mij wel te bewegen! Wij klimmen zoo hoog, dat zij ons niet kunnen bereiken, en heel bovenaan komt men door een gat in de wijde wereld.»En hij bracht haar naar het kacheldeurtje toe.«Wat ziet het daar zwart uit!» zeide zij; maar ze ging toch met hem mee, zoowel door de kolom als door de pijp, waarin een stikdonkere nacht heerschte.«Nu zijn wij in den schoorsteen!» zeide hij. «En zie! daarboven fonkelt de heerlijkste ster!»En het was een werkelijke ster aan den hemel, die vlak op hen neer scheen, alsof zij hun den weg wilde wijzen. En zij klauterden en kropen; een ellendige weg was het, oneindig hoog; maar hij tilde haar op en hielp haar; hij hield haar vast en wees haar de beste plaatsen, waar zij haar kleine porseleinen voeten kon neerzetten; en zoo bereikten zij den schoorsteenrand, en daarop zetten zij zich neer; want zij waren geducht vermoeid; en dat was niet anders dan natuurlijk.De hemel met al zijn sterren was hoog boven en al de daken der stad diep beneden hen. Zij zagen ver in de rondte, ver de wijde wereld in. De arme herderin had het zich nooit zoo voorgesteld; zij leunde met haar hoofd tegen haar schoorsteenveger aan, en toen weende zij zoo geducht, dat het goud van haar gordel afsprong.«Dat is te veel!» zeide zij. «Dat kan ik niet verdragen! De wereld is al te groot! Was ik maar weer op het tafeltje onder den spiegel! Ik word nooit vroolijk, voordat ik daar weer ben! Nu ben ik je in de wereld gevolgd, nu kan je mij ook weer terugbrengen, als je mij werkelijk liefhebt.»En de schoorsteenveger sprak verstandig met haar, sprak over den ouden Chinees en over den bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber; maar zij snikte geweldig en kuste haar kleinen schoorsteenveger, zoodat hij wel niet anders kon, dan zich naar haar te schikken, ofschoon het dwaas was.En zoo klauterden zij met vele bezwaren door den schoorsteen weer naar beneden en kropen door de pijp en de kolom. Toen stonden zij in de donkere kachel. Nu luisterden zij achter het deurtje, om te weten te komen, hoe het in de kamer gesteld was. Daar was het stil; zij keken naar binnen,—ach! daar lag de oude Chinees midden op den vloer. Hij was van het tafeltje naar beneden gevallen, toen hij hen achterna wilde, en lag nu in drie stukken op den grond: zijn geheele rug was er in één stuk afgegaan enzijn hoofd was in een hoek gerold. De bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber stond, waar hij gestaan had, en dacht na.«Dat is verschrikkelijk!» zei de kleine herderin. «Mijn oude grootvader is aan stukken gesprongen, en dat is onze schuld! Dat zal ik niet overleven!» En daarop wrong zij haar kleine handen.«Hij kan nog wel gemaakt worden!» zei de schoorsteenveger; «hij kan nog wel gemaakt worden!—Maak maar niet zoo’n geweld! Als ze hem in den rug lijmen en hem een goeden spijker in den hals geven, dan zal hij zoo goed als nieuw zijn en kan ons nog heel wat onaangenaams zeggen.»«Zou je dat denken?» zeide zij. En toen kropen zij weer op het tafeltje, waarop zij vroeger gestaan hadden.«Zie, nu zijn wij zoo ver geweest!» zei de schoorsteenveger. «Wij hadden ons al die moeite wel kunnen besparen.»«Als wij mijn ouden grootvader eerst maar weer heel hadden!» zei de herderin. «Zou dat erg duur zijn?»En gemaakt werd hij. De familie liet hem in den rug lijmen; hij kreeg een goeden spijker door zijn hals; hij was zoo goed als nieuw; maar knikken kon hij niet meer.«Je bent zeker hoogmoedig geworden, sedert je in stukken gesprongen bent,» zei de bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber. «Mij dunkt, dat je volstrekt geen reden hadt, om zulk een gevaarlijken sprong te doen. Mag ik haar hebben of mag ik haar niet hebben?»En de schoorsteenveger en de kleine herderin keken den ouden Chinees in angstige spanning aan; zij vreesden, dat hij zou knikken. Maar dat kon hij niet; en het kwam hem verschrikkelijk voor, aan een vreemde te vertellen, dat hij een spijker in zijn hals had zitten. En zoo bleven de porseleinen schoorsteenveger en de porseleinen herderin bij elkaar, en zij zegenden den spijker in den hals van den grootvader en hadden elkander lief, totdat zij in stukken braken.
Hebt ge wel eens een oude houten kast gezien, die heelemaal zwart van ouderdom geworden en met uitgesneden krullen en lofwerk versierd was? Zulk een stond er in zekere huiskamer: zij was van een overgrootmoeder geërfd en van boven tot beneden met uitgesneden rozen en tulpen bedekt. Daaraan had men de zonderlingste krullen, en uit deze kwamen kleine hertekoppen met horens te voorschijn. Midden op de kast stond een man uitgesneden; hij was belachelijk om aan te zien, en hij grijnsde ook, want lachen kon men het niet noemen; hij had bokspooten, kleine horens op het hoofd en een langen baard. De kinderen in de kamer noemden hem altijd den bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber; dat was een lang woord, dat moeilijk uit te spreken was; en er zijn er niet velen, die dezen titel krijgen, maar hem uit te snijden, dat beteekende ook nog al wat. Doch nu was hij er immers! Altijd keek hij naar het tafeltje onder den spiegel, want daar stond een bekoorlijke, kleine herderin van porselein op. Haar schoenen waren verguld, haar japon was met een roode roos versierd, en verder had zij een gouden hoed en een herderstaf, zij was verwonderlijk schoon. Vlak bij haar stond een kleine schoorsteenveger, zoo zwart als roet, maar overigens ook van porselein; hij was zoo rein en fijn, als hij maar wezen kon; dat hij een schoorsteenveger was, was immers maar iets, dat hij voorstelde; de porseleinwerker had even goed een prins van hem kunnen maken, als hij dit gewild had!
Daar stond hij heel aardig met zijn ladder en met een gezicht, zoo wit en rood als dat van een meisje; dat was eigenlijk een fout, want het had toch wel wat zwart moeten zijn. Hij stond vlak bij de herderin; zij waren er beiden neergezet; en daar zij nu zoo dicht bij elkaar stonden, hadden zij zich met elkaar geëngageerd. Zij pasten immers juist bij elkander; het waren jongelieden, beiden van hetzelfde porselein en beiden even breekbaar.
Dicht bij hen stond nog een figuur; deze was driemaal zoo groot. Het was een oude Chinees, die kon knikken. Hij was ook vanporselein en zeide, dat hij de grootvader der kleine herderin was; maar dat kon hij niet bewijzen. Hij beweerde, dat hij macht over haar had, en daarom had hij den bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber, die de kleine herderin tot vrouw wilde hebben, toegeknikt.
«Dan krijg je een man,» zei de oude Chinees, «een man, die zooals ik bijna geloof, van mahoniehout is. Hij kan je tot bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebbersvrouw maken; hij heeft de heele kast vol zilvergoed, dat hij in geheime laden bewaart.»
«Ik wil de donkere kast niet in!» zei de kleine herderin. «Ik heb hooren zeggen, dat hij daarin wel elf porseleinen vrouwen heeft zitten.»
«Dan kan jij de twaalfde worden!» zei de Chinees. «In dezen nacht, zoodra het in de oude kast kraakt, moet je bruiloft houden, zoo waar als ik een Chinees ben!» En daarop knikte hij met het hoofd en viel in slaap.
Maar de kleine herderin weende en keek haar minnaar, den porseleinen schoorsteenveger, aan.
«Ik zou je wel willen verzoeken,» zeide zij, «de wijde wereld met mij in te gaan; want hier kunnen wij niet blijven!»
«Ik wil alles, wat jij wilt!» zei de kleine schoorsteenveger. «Laat ons dadelijk gaan! Ik denk wel, dat ik je door middel van mijn ambacht zal kunnen onderhouden.»
«Als wij eerst maar goed en wel van het tafeltje af waren!» antwoordde zij. «Ik word niet vroolijk, voordat wij de wijde wereld ingegaan zijn.»
En hij troostte haar en wees haar, hoe zij haar kleinen voet op de uitgesneden hoeken en het vergulde lofwerk aan den poot van het tafeltje moest neerzetten; zijn ladder nam hij ook te baat, en nu waren zij op den vloer. Maar toen zij naar de oude kast keken, heerschte daarin heel wat beweging; al de uitgesneden herten kwamen met hun koppen te voorschijn, richtten hun horens op en draaiden hun halzen om: de oude bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber sprong hoog in de lucht en riep den ouden Chinees toe: «Daar loopen zij weg! Daar loopen zij weg!»
Nu verschrikten zij eenigszins en sprongen ijlings in het kastje van de vensterbank.
Hier lagen drie à vier spellen kaarten, die niet voltallig waren, en een klein poppentooneel, dat, zoo goed als het zich liet doen, opgebouwd was. Daarop werd komedie gespeeld, en al de dames, ruiten zoowel als harten, klaveren zoowel als schoppen, zaten op de eerste rij en verkoelden zich met haar tulpen; en achter haar stonden al de boeren en toonden, dat zij een hoofd hadden, zoowel boven als beneden, gelijk de speelkaarten dit hebben. De komedie handelde over twee personen, die elkaar niet mochten hebben, en de herderin stortte daarover tranen; want het was als haar eigen geschiedenis.
«Dat kan ik onmogelijk uithouden!» zeide zij. «Ik moet het kastje uit!»
Maar toen zij weer op den vloer kwamen en naar het tafeltje keken, was de oude Chinees wakker geworden en schudde met zijn geheele lichaam.
«Nu komt de oude Chinees!» schreeuwde de kleine herderin en viel op haar porseleinen knieën neer: zoo bedroefd was zij.
«Daar valt mij iets in!» zei de schoorsteenveger. «Willen wij in die groote vaas, die daar in den hoek staat, kruipen? Daar kunnen wij op rozen en lavendel liggen en hem zand in de oogen strooien, als hij komt.»
«Dat kan nergens toe dienen!» zeide zij. «Bovendien weet ik, dat de oude Chinees en de vaas met elkaar geëngageerd geweest zijn, en er blijft toch altijd nog eenige genegenheid bestaan, als men in zulk een betrekking tot elkaar gestaan heeft. Neen, er blijft niets anders over, dan de wijde wereld in te gaan.»
«Heb je waarlijk moed om de wijde wereld met mij in te gaan?»vroeg de schoorsteenveger. «Heb je wel bedacht, hoe groot deze is, en dat wij hier nimmer meer terug kunnen komen?»
«Dat heb ik!» zeide zij.
En de schoorsteenveger keek haar strak aan, en toen zeide hij: «Mijn weg gaat door den schoorsteen heen! Heb je werkelijk moed, met mij door de kachel, zoowel door de ijzeren kolom als door de pijp te kruipen? Dan komen wij in den schoorsteen, en daarin weet ik mij wel te bewegen! Wij klimmen zoo hoog, dat zij ons niet kunnen bereiken, en heel bovenaan komt men door een gat in de wijde wereld.»
En hij bracht haar naar het kacheldeurtje toe.
«Wat ziet het daar zwart uit!» zeide zij; maar ze ging toch met hem mee, zoowel door de kolom als door de pijp, waarin een stikdonkere nacht heerschte.
«Nu zijn wij in den schoorsteen!» zeide hij. «En zie! daarboven fonkelt de heerlijkste ster!»
En het was een werkelijke ster aan den hemel, die vlak op hen neer scheen, alsof zij hun den weg wilde wijzen. En zij klauterden en kropen; een ellendige weg was het, oneindig hoog; maar hij tilde haar op en hielp haar; hij hield haar vast en wees haar de beste plaatsen, waar zij haar kleine porseleinen voeten kon neerzetten; en zoo bereikten zij den schoorsteenrand, en daarop zetten zij zich neer; want zij waren geducht vermoeid; en dat was niet anders dan natuurlijk.
De hemel met al zijn sterren was hoog boven en al de daken der stad diep beneden hen. Zij zagen ver in de rondte, ver de wijde wereld in. De arme herderin had het zich nooit zoo voorgesteld; zij leunde met haar hoofd tegen haar schoorsteenveger aan, en toen weende zij zoo geducht, dat het goud van haar gordel afsprong.
«Dat is te veel!» zeide zij. «Dat kan ik niet verdragen! De wereld is al te groot! Was ik maar weer op het tafeltje onder den spiegel! Ik word nooit vroolijk, voordat ik daar weer ben! Nu ben ik je in de wereld gevolgd, nu kan je mij ook weer terugbrengen, als je mij werkelijk liefhebt.»
En de schoorsteenveger sprak verstandig met haar, sprak over den ouden Chinees en over den bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber; maar zij snikte geweldig en kuste haar kleinen schoorsteenveger, zoodat hij wel niet anders kon, dan zich naar haar te schikken, ofschoon het dwaas was.
En zoo klauterden zij met vele bezwaren door den schoorsteen weer naar beneden en kropen door de pijp en de kolom. Toen stonden zij in de donkere kachel. Nu luisterden zij achter het deurtje, om te weten te komen, hoe het in de kamer gesteld was. Daar was het stil; zij keken naar binnen,—ach! daar lag de oude Chinees midden op den vloer. Hij was van het tafeltje naar beneden gevallen, toen hij hen achterna wilde, en lag nu in drie stukken op den grond: zijn geheele rug was er in één stuk afgegaan enzijn hoofd was in een hoek gerold. De bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber stond, waar hij gestaan had, en dacht na.
«Dat is verschrikkelijk!» zei de kleine herderin. «Mijn oude grootvader is aan stukken gesprongen, en dat is onze schuld! Dat zal ik niet overleven!» En daarop wrong zij haar kleine handen.
«Hij kan nog wel gemaakt worden!» zei de schoorsteenveger; «hij kan nog wel gemaakt worden!—Maak maar niet zoo’n geweld! Als ze hem in den rug lijmen en hem een goeden spijker in den hals geven, dan zal hij zoo goed als nieuw zijn en kan ons nog heel wat onaangenaams zeggen.»
«Zou je dat denken?» zeide zij. En toen kropen zij weer op het tafeltje, waarop zij vroeger gestaan hadden.
«Zie, nu zijn wij zoo ver geweest!» zei de schoorsteenveger. «Wij hadden ons al die moeite wel kunnen besparen.»
«Als wij mijn ouden grootvader eerst maar weer heel hadden!» zei de herderin. «Zou dat erg duur zijn?»
En gemaakt werd hij. De familie liet hem in den rug lijmen; hij kreeg een goeden spijker door zijn hals; hij was zoo goed als nieuw; maar knikken kon hij niet meer.
«Je bent zeker hoogmoedig geworden, sedert je in stukken gesprongen bent,» zei de bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber. «Mij dunkt, dat je volstrekt geen reden hadt, om zulk een gevaarlijken sprong te doen. Mag ik haar hebben of mag ik haar niet hebben?»
En de schoorsteenveger en de kleine herderin keken den ouden Chinees in angstige spanning aan; zij vreesden, dat hij zou knikken. Maar dat kon hij niet; en het kwam hem verschrikkelijk voor, aan een vreemde te vertellen, dat hij een spijker in zijn hals had zitten. En zoo bleven de porseleinen schoorsteenveger en de porseleinen herderin bij elkaar, en zij zegenden den spijker in den hals van den grootvader en hadden elkander lief, totdat zij in stukken braken.
De flesschehals.In de nauwe, kromme straat tusschen andere huizen der armoede stond een bijzonder smal en hoog houten huis, waaraan de tijd zulke parten gespeeld had, dat bijna al de planken uit de voegen geweken waren. Het huis werd door arme lieden bewoond, en het armoedigst zag het er wel op het zolderkamertje uit, waar voor het eenige kleine raampje een oude vogelkooi in den zonneschijn hing, waarin niet eens een waterglaasje zat, maar slechts een omgekeerde, met water gevulde flesschehals met een kurk er op. Een oude juffrouw stond voor het raampje; zij had groene murik in de kooi gedaan, en een kleine vlasvink huppelde van het eene stokje op het andere heen en weer en zong en kwinkeleerde, dat het een lust was om te hooren.«Ja, jij hebt goed zingen!» zei de flesschehals,—hij sprak ditwel niet op de wijze uit, zooals wij het kunnen doen; want spreken kan een flesschehals niet, maar hij dacht het zoo bij zich zelf, zonder zijn gedachten onder woorden te brengen, evenals wij menschen dit ook wel eens doen; «ja, jij hebt goed zingen, jij, die al je ledematen nog hebt. Je moest eens ondervinden, wat het zeggen wil, zijn ondergedeelte verloren, slechts een hals en een mond en bovendien een kurk daarin te hebben, zooals met mij het geval is, dan zou je zeker niet zoo zingen. Maar het is goed, dat er tochnogiemand is, die vergenoegd kan zijn! Ik heb geen reden om te zingen, en ik kan ook niet meer zingen. Ja, toen ik nog een heele flesch was, deed ik dit wel, als men mij met de kurk wreef: men noemde mij destijds de echte leeuwerik, de groote leeuwerik!—toen ik met de familie van den bontwerker op een buitenpartij was, en de dochter haar verlovingsfeest vierde,—ja, dat weet ik nog zoo goed, alsof het gisteren eerst gebeurd was! Ik heb veel beleefd, als ik dat zoo eens naga! Ik ben in het vuur en in het water, ik ben diep in de zwarte aarde en hooger in de lucht geweest, dan de meeste anderen, en nu zweef ik hier aan den buitenkant der vogelkooi in lucht en zonneschijn. O, het zou de moeite wel waard zijn, mijn geschiedenis te hooren; maar ik spreek daarover niet overluid, omdat ik het niet kan!»En nu vertelde de flesschehals zijn geschiedenis, die merkwaardig genoeg was; hij vertelde haar zoo in zich zelf of dacht er over na; en de vogel zong vergenoegd zijn lied, en beneden op de straat was een gerij en geloop; iedereen dacht aan het zijne of dacht aan niets,—maar de flesschehals dacht. Hij dacht aan den vlammenden smeltoven in de fabriek, waar hij in het leven geblazen was; hij herinnerde zich nog, dat hij warm geweest was, dat hij in den blakerenden oven, waaruit hij zijn oorsprong had genomen, gekeken had en wel lust zou gehad hebben, om er dadelijk weer in te springen, maar dat hij zich daar van lieverlede, toen hij gedurig koeler werd, heel goed op zijn gemak gevoeld had, waar hij gekomen was. Hij had in het gelid gestaan met een geheel regiment broeders en zusters, die alle uit denzelfden oven gekomen waren, waarvan enkele als Champagneflesschen en andere als bierflesschen geblazen waren, en dat maakt een onderscheid! Later, buiten in de wereld, kan het wel eens gebeuren, dat een bierflesch de kostelijksteLacrymae Christibevat en een Champagneflesch met schoensmeer gevuld wordt, maar aan het model is het toch altijd te zien, waartoe men geboren is,—adel blijft adel, al heeft men ook schoensmeer in zijn lijf.Al de flesschen werden ingepakt en onze flesch ook. Toen ter tijd dacht zij er niet aan, dat zij haar loopbaan als flesschehals zou eindigen en zich tot den rang van vogelglaasje verheffen, hetgeen toch altijd een eervolle taak is,—omdat men alsdan toch iets is! De flesch zag het daglicht eerst weer, toen zij met haar overige kameraden in den kelder van den wijnkooper uitgepakt en voor de eerste maal uitgespoeld werd,—dat was een wonderlijk gevoel. Daar lag zij nu ledig en zonder kurk! Het was haar zonderling temoede, er ontbrak haar iets, maar zij wist zelfs niet, wat dit was.—Eindelijk werd zij met goeden, heerlijken wijn gevuld, kreeg ook een kurk en werd dichtgeplakt: «Prima Qualiteit» werd er op haar geplakt; het was haar, alsof zij den eersten prijs bij het examen behaald had, maar de wijn was dan ook goed, en de flesch was goed. Als men jong is, is men dichter! Het zong en klonk in haar van dingen, die zij volstrekt niet kende: van de groene, zonnige bergen, waar de wijn groeit, waar vroolijke wijngaardeniers en wijngaardeniersters zingen en koozen en elkander kussen;—wel is het leven schoon! Van dit alles zong en klonk het in de flesch, evenals in de jonge dichters, die ook wel eens niet begrijpen, waarvan het in hen klinkt.Op zekeren morgen werd zij gekocht;—de bontwerkersleerling moest een flesch van den besten wijn gaan halen. En nu werd zij in de etensmand naast ham, kaas en worst gestoken; de fijnste boter, het fijnste brood werd ook er in gedaan; de bontwerkersdochter pakte de mand zelf in, haar bruine oogen fonkelden daarbij, en om haar lippen speelde een glimlachje. Zij had fijne, blanke handen, en toch waren haar hals en haar boezem nog veel blanker, men kon het haar dadelijk wel aanzien, dat zij een der mooiste meisjes uit de stad was—en toch nog niet geëngageerd!De etensmand stond op den schoot van het meisje, toen de familie naar het bosch reed; de flesschehals kwam tusschen de slippen van het witte servet te voorschijn kijken; op de kurk zat rood lak; de flesch keek het meisje vlak in ’t gezicht; zij keek den jongen zeeman aan, die naast het meisje zat; deze was een vriend uit haar jeugd, de zoon van een portretschilder. Nog maar kort geleden had hij het examen als stuurman met goeden uitslag afgelegd, en den volgenden dag zou hij met een schip vertrekken, ver weg naar verre landen. Hierover was onder het inpakken der mand veel gesproken, en toen sprak juist de vroolijkheid niet uit de oogen en van de lippen der schoone bontwerkersdochter.De jongelieden deden een wandeling in het groene bosch, zij spraken met elkander. En wat spraken zij? Ja, dat hoorde de flesch niet; want zij stond immers in de etensmand. Het duurde een geruimen tijd, voordat zij er uitgehaald werd, maar toen dit eindelijk gebeurde, waren er ook vroolijke dingen voorgevallen; allen lachten, ook de dochter van den bontwerker lachte, maar zij sprak minder dan te voren, en haar wangen gloeiden als twee roode rozen.De vader van het meisje nam de volle flesch en den kurketrekker in handen.—O, het is zonderling, zoo voor de eerste maalopengetrokkente worden! De flesschehals had dit plechtige oogenblik later nooit kunnen vergeten; het had immers «flap!» in zijn binnenste gezegd, toen de kurk er afvloog, en hoe klokte het, toen de wijn in de glazen geschonken werd!«Op de gezondheid van het jonge paar!» zei de oude vader, en ieder glas werd tot op den bodem leeggedronken, en de jonge zeeman kuste zijn aanstaande.«Geluk en zegen!» zeiden de beide oudelui, vader en moeder, en de jonkman schonk de glazen nog eens vol. «Op je gelukkige thuiskomst en op de bruiloft vandaag over een jaar!» voegde de vader er bij, en toen de glazen leeggedronken waren, nam de jonge zeeman de flesch, hief haar omhoog en zei: «Je bent er op den schoonsten dag van mijn leven bij geweest, je zult nimmer meer een ander dienen!»En hij slingerde haar hoog in de lucht. De bontwerkersdochter dacht er destijds niet aan, dat zij de flesch nog meermalen weer zou zien vliegen, en toch zou dit het geval zijn.—Zij viel juist in het dichte riet aan den oever van een klein meertje in het bosch neer,—de flesschehals herinnerde zich nog levendig, hoe hij daar een tijdlang gelegen had. «Ik gaf hun wijn en ze gaven mij water,—maar zoo is het ook goed!» Hij zag de verloofden en de vergenoegde ouders niet meer; maar hij hoorde nog lang, hoe zij juichten en zongen. Toen kwamen er eindelijk twee boerenjongens; zij keken tusschen het riet, zagen de flesch en namen haar mee; nu was zij goed bezorgd.In het huis van den boschwachter was den vorigen dag de oudste broeder van deze jongens, een zeeman, gekomen, om afscheid te nemen. Hij zou een verre reis doen; zijn moeder was juist bezig, het een en ander in te pakken, dat hij op reis moest meenemen, en dat zijn vader ’s avonds naar de stad zou brengen, om zijn zoonnog eenmaal te zien en hem den laatsten groet van zijn moeder over te brengen. Een fleschje met maagbitter was reeds ingepakt, en er was een pakje bijgelegd, toen de beide jongens met een grooter, steviger flesch, die zij gevonden hadden, de kamer binnentraden. In deze ging meer dan in het kleine fleschje, en het bitter was zoo goed, als de maag van streek was. Men schonk nu niet evenals vroeger, rooden wijn in de flesch; het waren bittere droppels, maar ook die zijn goed—voor de maag. De nieuwe groote en niet de kleine flesch zou mee; en zoo ging de flesch weer op reis. Zij kwam aan boord bij Peter Jensen, en wel aan boord van hetzelfde schip, waarmee de jonge stuurman zou vertrekken. Maar hij zag de flesch niet, en hij zou haar ook niet herkend of zelfs gedacht hebben: dat is dezelfde, waarmee wij onze verloving gevierd en al een dronk op de behouden terugkomst uitgebracht hebben.Wel leverde zij nu geen wijn meer, maar zij bevatte toch iets in haar binnenste, dat even goed was; zij werd ook altijd, wanneer Peter Jensen haar te voorschijn kreeg, door zijn kameraden «de apotheker» genoemd; zij leverde de beste medicijn, daar zij de maag weer in orde bracht, en zij verleende haar hulp trouw, zoolang zij een droppel in zich had. Dat was een prettige tijd, en de flesch zong, als men er met de kurk overheen streek, zij heette de groote leeuwerik, «Peter Jensens leeuwerik.»Verscheidene dagen en maanden verliepen er, zij stond reeds ledig in een hoek; nu gebeurde het,—of het op de heenreis dan wel op de terugreis was, wist de flesch niet precies op te geven, want zij was in ’t geheel niet aan land geweest,—dat er een hevige storm opstak; hooge golven slingerden het schip her- en derwaarts. De groote mast brak; een golf sloeg een der planken in; de pompen brachten geen hulp meer, het was een stikdonkere nacht; het schip zonk,—maar op het laatste oogenblik schreef de jonge stuurman nog op een stukje papier: «In Christus’ naam! Wij vergaan!» Hij schreef er den naam van zijn meisje, van zich zelf en van het schip op, stopte het papiertje in een leege flesch, die hem maar ’t eerst in handen kwam, deed er de kurk stevig op en wierp de flesch in de onstuimige zee. Hij wist niet, dat het dezelfde flesch was, waaruit hem en haar eenmaal de beker der vreugde en der hoop gevuld was;—zij wiegelt zich nu op de golven met een groet en een doodstijding.Het schip zonk, de bemanning verging; de flesch vloog voort als een vogel,—zij droeg immers een hart, een minnebrief in zich! En de zon ging op en zij ging onder,—het was aan de flesch te moede als ten tijde van haar ontstaan in den rooden gloeienden oven; zij gevoelde een verlangen, er weder in te vliegen.Zij doorleefde een windstilte en ook nieuwe stormen; zij stiet echter tegen geen klip aan, werd door geen haai verzwolgen en dreef jaren en dagen rond, nu eens naar het Noorden, dan weer naar het Zuiden, al naar gelang de golven haar voortstuwden. Zij was overigens haar eigen heer en meester, maar daar kan men toch ook eindelijk wel eens genoeg van krijgen.Het beschreven papiertje, het laatst vaarwel van den minnaar aan de geliefde, zou slechts rouw aanbrengen, wanneer het eenmaal in de rechte handen kwam; maar waar waren die handen, zoo blank en zacht, die indertijd op den dag der verloving den zakdoek op het frissche gras in het groene bosch uitspreidden?—Waar was de dochter van den bontwerker? Ja, waar was het land, waarin zij woonde, en welk land was wel het dichtst in de nabijheid? De flesch wist het niet; zij dreef en dreef en werd eindelijk ook het ronddrijven moede, omdat dit toch haar roeping niet was; maar zij dreef toch rond, totdat zij eindelijk land, vreemd land bereikte. Zij verstond geen woord van datgene, wat er hier gesproken werd; het was de taal niet, die zij vroeger had hooren spreken, en men mist veel, als men de taal niet verstaat.De flesch werd opgevischt en van alle kanten bekeken; het papiertje, dat er in zat, werd gezien, er uitgenomen, gedraaid en gekeerd, maar de menschen verstonden niet, wat daar geschreven stond. Wel begrepen zij, dat de flesch over boord geworpen moest zijn, en dat er hiervan iets op het papiertje moest staan; maar wat stond er op geschreven? Dat was het wonderbare! En het briefje werd weer in de flesch gestoken en deze in een groote kast, in een groote kamer, in een groot huis neergezet.Telkens als er vreemdelingen kwamen, werd het briefje er uit genomen, gewend en gedraaid, zoodat de letters, die slechts met potlood geschreven waren, allengs minder leesbaar werden; eindelijk kon niemand meer zien, dat het letters waren.—En nog een geheel jaar bleef de flesch in de kast staan, toen zette men haar op den grond neer, en stof en spinnewebben bedekten haar nu. Hoe dacht zij nu terug aan betere dagen, aan de tijden, toen zij in het frissche, groene bosch den rooden wijn verschaft had, toen zij op de golven der zee heen en weer schommelde, en een geheim, een brief, een afscheidszucht in zich had bevat.Wel twintig jaren stond zij op den grond; zij zou daar nog langer hebben kunnen staan, als het huis niet verbouwd had moeten worden. Het dak werd er afgenomen, men zag de flesch staan en sprak over haar, maar zij verstond de taal niet; die leert men niet daardoor, dat men op den grond staat, zelfs in geen twintig jaren. «Als ik maar in de kamer gebleven was,» dacht zij, «dan zou ik haar toch wel geleerd hebben.»Zij werd nu afgewasschen en uitgespoeld; dat was niet onnoodig; zij gevoelde zich helder en doorzichtig, zij was weer verjongd op haar ouden dag; maar het briefje, dat zij trouw in zich gedragen had,—dat was met het spoelen weggeraakt.Men vulde de flesch met zaden, zij wist niet, wat dat eigenlijk was; men deed er een kurk op en pakte haar goed in; zij kreeg noch lamp noch lantaarn, laat staan dan zon en maan te zien, en iets moet men toch zien, als men op reis gaat, meende zij; maar zij zag niets, doch het gewichtigste deed zij,—zij reisde en kwam op de plaats harer bestemming aan en werd daar uitgepakt.«Wat hebben ze zich daar in het buitenland een moeite met die flesch gegeven!» hoorde zij zeggen. «Zij zal toch wel gebroken zijn!»—Maar zij was niet gebroken. De flesch verstond ieder woord, dat er gesproken werd; het was de taal, die zij bij den smeltoven en bij den wijnkooper en in het bosch en op het schip gehoord had, de eenige, goede, oude taal, die zij kon verstaan; zij was in haar vaderlandteruggekomen, en de taal was haar een welkomstgroet. Van blijdschap zou zij den menschen uit de handen gesprongen zijn; zij merkte het nauwelijks, dat men de kurk van haar aftrok, dat zij uitgestort en in den kelder gebracht werd, om daar neergezet en vergeten te worden. In het vaderland is het toch maar het beste, zij het ook in den kelder! Het kwam niet bij haar op, er over na te denken, hoe lang zij daar wel lag; zij lag er goed en zij lag er jaren lang; eindelijk kwamen er menschen die al de flesschen uit den kelder en ook de onze weghaalden.Buiten in den tuin was een groot feest; brandende lampions en papieren lantarens hingen daar als bloemslingers. Het was een prachtige avond, het weer stil en helder; de sterren fonkelden, en het was nieuwe maan, eigenlijk zag men, als men goed toekeek, de heele ronde maan als een blauwachtigen bol, wat heel mooi leek.Zelfs tot in de afgelegenste laantjes van den tuin strekte de illuminatie zich uit, althans in zooverre, dat men bij haar schijnsel daar den weg wel kon vinden. In de takken der heggen stonden flesschen, en in elke daarvan een brandende kaars. Hier bevond zich ook de flesch, die wij kennen, die, welke eenmaal als flesschehals, als vogelglaasje aan haar eind zou komen; het kwam haar hier alles prachtig voor, zij was immers weer in het groen, weer te midden van vreugde en feestelijkheden, zij hoorde gezang en muziek en krioelen van al die menschen door elkaar, vooral uit dat gedeelte van den tuin, waar de lampions hingen en de papieren lantarens haar kleurenpracht ten toon spreidden. Zoo stond zij wel is waar in een afgelegen laantje, maar juist dat had iets aangenaams; zij droeg haar licht en stond hier tot nut en genoegen, en zoo moet het wezen; in zulk een uur vergeet men twintig jaren, die men in een vergeten hoek heeft doorgebracht,—en het is goed, deze te vergeten.Dicht langs haar heen liep een enkel paar, evenals indertijd het minnende paar in het bosch, evenals de stuurman en de bontwerkersdochter; het was de flesch te moede, alsof zij dat alles nog eens doorleefde! In den tuin liepen niet alleen de gasten maar ook menschen, die eens naar de illuminatie mochten kijken, en onder de laatstgenoemden bevond zich een oude juffrouw, die alleen op de wereld stond en geen bloedverwanten had. Zij dacht hetzelfde als de flesch, en dacht aan het groene bosch en aan een minnend paar, dat haar zeer na aan het hart lag, waaraan zij deel had, ja, waarvan zij een gedeelte was,—indertijd in het gelukkigste uur van haar leven, en dat uur vergeet men nimmer, al wordt men nog zoo oud.—Maar zij kende de flesch niet, en deze bemerkte ook de oude juffrouw niet; zoo loopt men elkaar in deze wereld voorbij,—totdatmen weer met elkaar in aanraking komt, en dat gebeurde met deze twee, want zij waren nu immers beiden weer in dezelfde stad.De flesch kwam uit den tuin nog eens bij den wijnkooper, werd weer met wijn gevuld en aan den luchtreiziger verkocht, die den volgenden Zondag met een luchtballon zou opstijgen.—Een groote menigte menschen had zich verzameld, om dat eens te zien; er was een militair muziekkorps geëngageerd, en er waren vele andere toebereidselen gemaakt. De flesch zag alles van uit een mand, waarin zij naast een levend konijntje lag, dat heelemaal verbluft was, omdat het wel wist, dat het mee naar boven moest, om dan door middel van een valscherm weer naar beneden gelaten te worden; de flesch wist echter niets, noch van het opstijgen, noch van het neerdalen; zij zag slechts, dat de ballon zich geducht opblies, gedurig grooter werd en zich, toen hij niet grooter kon worden, al begon te verheffen; de touwen, waarmee hij werd vastgehouden, werden doorgesneden, en hij zweefde met den luchtreiziger, de mand, de flesch en het konijntje naar boven, terwijl de muziek zich deed hooren en alle menschen hoera riepen.«Dat is een wonderlijke reis, zoo de lucht in!» dacht de flesch,«dat is een nieuwe zeiltocht; maar hier boven zal men toch nergens tegen aan kunnen stooten.»Duizenden menschen keken den ballon na, en de oude juffrouw keek er ook naar; zij stond voor het open raam van haar zolderkamertje, waaronder het kooitje met den kleinen vlasvink hing, dat destijds nog geen drinkglaasje had, maar zich met een theekopje moest vergenoegen. Voor het raam zelf stond een mirt in een pot, en dezen had zij een weinig op zij geschoven, opdat hij niet zou omvallen, want de oude juffrouw ging uit het raam liggen om het ook te zien, zij zag ook duidelijk den luchtreiziger in den ballon, en dat hij het konijntje methetvalscherm naar beneden liet zakken, toen op het welzijn van alle menschen dronk en eindelijk de flesch hoog in de lucht slingerde;—zij dacht er niet aan, dat zij dezelfde flesch, haar en haar minnaar ter eere, op den dag der verloving in het groene bosch had zien vliegen.De flesch had geen tijd om na te denken; want het kwam haar al te onverwacht, zoo plotseling op het toppunt haars levens te zijn. Torens en daken lagen diep, zeer diep beneden haar, en de menschen zagen er heel klein uit.Nu daalde zij echter, maar op een geheel andere wijze dan het konijntje; de flesch maakte buitelingen in de lucht, zij voelde zich zoo jeugdig, zonder eenige band; zij was nog half vol wijn, maar dat bleef zij niet lang. Welk een reis! De zon bescheen de flesch, alle menschen keken haar na, de ballon was reeds ver weg, en al spoedig daarop was ook de flesch weg, zij viel op een der daken neer en daardoor brak zij, maar de stukken hadden nog zulk een vaart, dat zij niet konden blijven liggen; zij sprongen en rolden verder, totdat zij op de plaats neerkwamen en daar in nog kleinere stukken bleven liggen; alleen de flesschehals bleef heel, en deze was als met een diamant van de flesch afgesneden.«Die zou prachtig voor een vogelglaasje zijn!» zeiden de menschen in het benedenhuis, maar zij hadden noch een vogeltje, noch een kooitje, en zich deze aan te schaffen, omdat zij nu den flesschehals hadden, die voor drinkglaasje te gebruiken was, was toch wel wat veel gevergd,—maar de oude juffrouw op het zolderkamertje, ja, die kon er misschien wel gebruik van maken,—en nu kwam de flesschehals bij haar boven, er werd een kurk ingestopt, en wat vroeger boven was, werd nu naar onderen gekeerd, zooals het heel dikwijls bij veranderingen gebeurt; er werd frisch water in gedaan, men hing hem aan het kooitje van het vogeltje op, dat zong en kwinkeleerde, dat het een lust was om te hooren.«Ja, jij hebt goed zingen!» zei de flesschehals, en die was immers merkwaardig genoeg, die was immers in den ballon geweest,—meer wist men van zijn geschiedenis niet af. Nu hing hij daar als drinkglaasje, hoorde de menschen beneden op de straat mompelen, hoorde de woorden van de oude juffrouw binnen in de kamer; zij had bezoek van een oude vriendin gekregen; zij praatten met elkaar,—maar niet over den flesschehals, maar over den mirt, die voor het raam stond.«Neen, je moet waarlijk geen daalder uitgeven voor een bruidskrans voor je dochter,» zei de oude juffrouw. «Je zult van mij een allerliefst ruikertje hebben! Zie je wel, hoe prachtig hetboompjestaat? Ja, dat is nog afkomstig van een stekje van den mirt, dien je mij op den dag na mijn verloving gaaft, waarvan ik mij zelf, als het jaar om was, een bruidskrans had moeten vlechten,—maar die dag kwam nooit! De oogen sloten zich, die mij in dit leven tot vreugde en ten zegen hadden moeten tegenstralen. Op den bodem der zee sluimert hij zacht, die trouwe vriend!—De mirt werd een oude boom, maar ik werd nog ouder, en toen de boom eindelijk begon weg te kwijnen, nam ik het laatste groene takje, stak dit in de aarde, en daarvan is nu een boompje gegroeid, en de mirt komt nu eindelijktoch nog op de bruiloft,—als bruidskrans voor je dochter.»En tranen parelden er in de oogen van de oude juffrouw; zij sprak over den vriend van haar jeugd, over het verlovingsfeest in het bosch; allerlei gedachten kwamen er bij haar op, maar daaraan dacht zij toch niet, dat er zich vlak in haar nabijheid, voor het raam, nog een aandenken aan dien tijd bevond; de hals van de flesch, die een luiden knal gaf, toen de kurk er afvloog. Maar de flesschehals herkende ook haar niet meer, want hij hoorde niet naar datgene, wat zij sprak en vertelde,—omdat hij slechts aan haar dacht.
In de nauwe, kromme straat tusschen andere huizen der armoede stond een bijzonder smal en hoog houten huis, waaraan de tijd zulke parten gespeeld had, dat bijna al de planken uit de voegen geweken waren. Het huis werd door arme lieden bewoond, en het armoedigst zag het er wel op het zolderkamertje uit, waar voor het eenige kleine raampje een oude vogelkooi in den zonneschijn hing, waarin niet eens een waterglaasje zat, maar slechts een omgekeerde, met water gevulde flesschehals met een kurk er op. Een oude juffrouw stond voor het raampje; zij had groene murik in de kooi gedaan, en een kleine vlasvink huppelde van het eene stokje op het andere heen en weer en zong en kwinkeleerde, dat het een lust was om te hooren.
«Ja, jij hebt goed zingen!» zei de flesschehals,—hij sprak ditwel niet op de wijze uit, zooals wij het kunnen doen; want spreken kan een flesschehals niet, maar hij dacht het zoo bij zich zelf, zonder zijn gedachten onder woorden te brengen, evenals wij menschen dit ook wel eens doen; «ja, jij hebt goed zingen, jij, die al je ledematen nog hebt. Je moest eens ondervinden, wat het zeggen wil, zijn ondergedeelte verloren, slechts een hals en een mond en bovendien een kurk daarin te hebben, zooals met mij het geval is, dan zou je zeker niet zoo zingen. Maar het is goed, dat er tochnogiemand is, die vergenoegd kan zijn! Ik heb geen reden om te zingen, en ik kan ook niet meer zingen. Ja, toen ik nog een heele flesch was, deed ik dit wel, als men mij met de kurk wreef: men noemde mij destijds de echte leeuwerik, de groote leeuwerik!—toen ik met de familie van den bontwerker op een buitenpartij was, en de dochter haar verlovingsfeest vierde,—ja, dat weet ik nog zoo goed, alsof het gisteren eerst gebeurd was! Ik heb veel beleefd, als ik dat zoo eens naga! Ik ben in het vuur en in het water, ik ben diep in de zwarte aarde en hooger in de lucht geweest, dan de meeste anderen, en nu zweef ik hier aan den buitenkant der vogelkooi in lucht en zonneschijn. O, het zou de moeite wel waard zijn, mijn geschiedenis te hooren; maar ik spreek daarover niet overluid, omdat ik het niet kan!»
En nu vertelde de flesschehals zijn geschiedenis, die merkwaardig genoeg was; hij vertelde haar zoo in zich zelf of dacht er over na; en de vogel zong vergenoegd zijn lied, en beneden op de straat was een gerij en geloop; iedereen dacht aan het zijne of dacht aan niets,—maar de flesschehals dacht. Hij dacht aan den vlammenden smeltoven in de fabriek, waar hij in het leven geblazen was; hij herinnerde zich nog, dat hij warm geweest was, dat hij in den blakerenden oven, waaruit hij zijn oorsprong had genomen, gekeken had en wel lust zou gehad hebben, om er dadelijk weer in te springen, maar dat hij zich daar van lieverlede, toen hij gedurig koeler werd, heel goed op zijn gemak gevoeld had, waar hij gekomen was. Hij had in het gelid gestaan met een geheel regiment broeders en zusters, die alle uit denzelfden oven gekomen waren, waarvan enkele als Champagneflesschen en andere als bierflesschen geblazen waren, en dat maakt een onderscheid! Later, buiten in de wereld, kan het wel eens gebeuren, dat een bierflesch de kostelijksteLacrymae Christibevat en een Champagneflesch met schoensmeer gevuld wordt, maar aan het model is het toch altijd te zien, waartoe men geboren is,—adel blijft adel, al heeft men ook schoensmeer in zijn lijf.
Al de flesschen werden ingepakt en onze flesch ook. Toen ter tijd dacht zij er niet aan, dat zij haar loopbaan als flesschehals zou eindigen en zich tot den rang van vogelglaasje verheffen, hetgeen toch altijd een eervolle taak is,—omdat men alsdan toch iets is! De flesch zag het daglicht eerst weer, toen zij met haar overige kameraden in den kelder van den wijnkooper uitgepakt en voor de eerste maal uitgespoeld werd,—dat was een wonderlijk gevoel. Daar lag zij nu ledig en zonder kurk! Het was haar zonderling temoede, er ontbrak haar iets, maar zij wist zelfs niet, wat dit was.—Eindelijk werd zij met goeden, heerlijken wijn gevuld, kreeg ook een kurk en werd dichtgeplakt: «Prima Qualiteit» werd er op haar geplakt; het was haar, alsof zij den eersten prijs bij het examen behaald had, maar de wijn was dan ook goed, en de flesch was goed. Als men jong is, is men dichter! Het zong en klonk in haar van dingen, die zij volstrekt niet kende: van de groene, zonnige bergen, waar de wijn groeit, waar vroolijke wijngaardeniers en wijngaardeniersters zingen en koozen en elkander kussen;—wel is het leven schoon! Van dit alles zong en klonk het in de flesch, evenals in de jonge dichters, die ook wel eens niet begrijpen, waarvan het in hen klinkt.
Op zekeren morgen werd zij gekocht;—de bontwerkersleerling moest een flesch van den besten wijn gaan halen. En nu werd zij in de etensmand naast ham, kaas en worst gestoken; de fijnste boter, het fijnste brood werd ook er in gedaan; de bontwerkersdochter pakte de mand zelf in, haar bruine oogen fonkelden daarbij, en om haar lippen speelde een glimlachje. Zij had fijne, blanke handen, en toch waren haar hals en haar boezem nog veel blanker, men kon het haar dadelijk wel aanzien, dat zij een der mooiste meisjes uit de stad was—en toch nog niet geëngageerd!
De etensmand stond op den schoot van het meisje, toen de familie naar het bosch reed; de flesschehals kwam tusschen de slippen van het witte servet te voorschijn kijken; op de kurk zat rood lak; de flesch keek het meisje vlak in ’t gezicht; zij keek den jongen zeeman aan, die naast het meisje zat; deze was een vriend uit haar jeugd, de zoon van een portretschilder. Nog maar kort geleden had hij het examen als stuurman met goeden uitslag afgelegd, en den volgenden dag zou hij met een schip vertrekken, ver weg naar verre landen. Hierover was onder het inpakken der mand veel gesproken, en toen sprak juist de vroolijkheid niet uit de oogen en van de lippen der schoone bontwerkersdochter.
De jongelieden deden een wandeling in het groene bosch, zij spraken met elkander. En wat spraken zij? Ja, dat hoorde de flesch niet; want zij stond immers in de etensmand. Het duurde een geruimen tijd, voordat zij er uitgehaald werd, maar toen dit eindelijk gebeurde, waren er ook vroolijke dingen voorgevallen; allen lachten, ook de dochter van den bontwerker lachte, maar zij sprak minder dan te voren, en haar wangen gloeiden als twee roode rozen.
De vader van het meisje nam de volle flesch en den kurketrekker in handen.—O, het is zonderling, zoo voor de eerste maalopengetrokkente worden! De flesschehals had dit plechtige oogenblik later nooit kunnen vergeten; het had immers «flap!» in zijn binnenste gezegd, toen de kurk er afvloog, en hoe klokte het, toen de wijn in de glazen geschonken werd!
«Op de gezondheid van het jonge paar!» zei de oude vader, en ieder glas werd tot op den bodem leeggedronken, en de jonge zeeman kuste zijn aanstaande.
«Geluk en zegen!» zeiden de beide oudelui, vader en moeder, en de jonkman schonk de glazen nog eens vol. «Op je gelukkige thuiskomst en op de bruiloft vandaag over een jaar!» voegde de vader er bij, en toen de glazen leeggedronken waren, nam de jonge zeeman de flesch, hief haar omhoog en zei: «Je bent er op den schoonsten dag van mijn leven bij geweest, je zult nimmer meer een ander dienen!»
En hij slingerde haar hoog in de lucht. De bontwerkersdochter dacht er destijds niet aan, dat zij de flesch nog meermalen weer zou zien vliegen, en toch zou dit het geval zijn.—Zij viel juist in het dichte riet aan den oever van een klein meertje in het bosch neer,—de flesschehals herinnerde zich nog levendig, hoe hij daar een tijdlang gelegen had. «Ik gaf hun wijn en ze gaven mij water,—maar zoo is het ook goed!» Hij zag de verloofden en de vergenoegde ouders niet meer; maar hij hoorde nog lang, hoe zij juichten en zongen. Toen kwamen er eindelijk twee boerenjongens; zij keken tusschen het riet, zagen de flesch en namen haar mee; nu was zij goed bezorgd.
In het huis van den boschwachter was den vorigen dag de oudste broeder van deze jongens, een zeeman, gekomen, om afscheid te nemen. Hij zou een verre reis doen; zijn moeder was juist bezig, het een en ander in te pakken, dat hij op reis moest meenemen, en dat zijn vader ’s avonds naar de stad zou brengen, om zijn zoonnog eenmaal te zien en hem den laatsten groet van zijn moeder over te brengen. Een fleschje met maagbitter was reeds ingepakt, en er was een pakje bijgelegd, toen de beide jongens met een grooter, steviger flesch, die zij gevonden hadden, de kamer binnentraden. In deze ging meer dan in het kleine fleschje, en het bitter was zoo goed, als de maag van streek was. Men schonk nu niet evenals vroeger, rooden wijn in de flesch; het waren bittere droppels, maar ook die zijn goed—voor de maag. De nieuwe groote en niet de kleine flesch zou mee; en zoo ging de flesch weer op reis. Zij kwam aan boord bij Peter Jensen, en wel aan boord van hetzelfde schip, waarmee de jonge stuurman zou vertrekken. Maar hij zag de flesch niet, en hij zou haar ook niet herkend of zelfs gedacht hebben: dat is dezelfde, waarmee wij onze verloving gevierd en al een dronk op de behouden terugkomst uitgebracht hebben.
Wel leverde zij nu geen wijn meer, maar zij bevatte toch iets in haar binnenste, dat even goed was; zij werd ook altijd, wanneer Peter Jensen haar te voorschijn kreeg, door zijn kameraden «de apotheker» genoemd; zij leverde de beste medicijn, daar zij de maag weer in orde bracht, en zij verleende haar hulp trouw, zoolang zij een droppel in zich had. Dat was een prettige tijd, en de flesch zong, als men er met de kurk overheen streek, zij heette de groote leeuwerik, «Peter Jensens leeuwerik.»
Verscheidene dagen en maanden verliepen er, zij stond reeds ledig in een hoek; nu gebeurde het,—of het op de heenreis dan wel op de terugreis was, wist de flesch niet precies op te geven, want zij was in ’t geheel niet aan land geweest,—dat er een hevige storm opstak; hooge golven slingerden het schip her- en derwaarts. De groote mast brak; een golf sloeg een der planken in; de pompen brachten geen hulp meer, het was een stikdonkere nacht; het schip zonk,—maar op het laatste oogenblik schreef de jonge stuurman nog op een stukje papier: «In Christus’ naam! Wij vergaan!» Hij schreef er den naam van zijn meisje, van zich zelf en van het schip op, stopte het papiertje in een leege flesch, die hem maar ’t eerst in handen kwam, deed er de kurk stevig op en wierp de flesch in de onstuimige zee. Hij wist niet, dat het dezelfde flesch was, waaruit hem en haar eenmaal de beker der vreugde en der hoop gevuld was;—zij wiegelt zich nu op de golven met een groet en een doodstijding.
Het schip zonk, de bemanning verging; de flesch vloog voort als een vogel,—zij droeg immers een hart, een minnebrief in zich! En de zon ging op en zij ging onder,—het was aan de flesch te moede als ten tijde van haar ontstaan in den rooden gloeienden oven; zij gevoelde een verlangen, er weder in te vliegen.
Zij doorleefde een windstilte en ook nieuwe stormen; zij stiet echter tegen geen klip aan, werd door geen haai verzwolgen en dreef jaren en dagen rond, nu eens naar het Noorden, dan weer naar het Zuiden, al naar gelang de golven haar voortstuwden. Zij was overigens haar eigen heer en meester, maar daar kan men toch ook eindelijk wel eens genoeg van krijgen.
Het beschreven papiertje, het laatst vaarwel van den minnaar aan de geliefde, zou slechts rouw aanbrengen, wanneer het eenmaal in de rechte handen kwam; maar waar waren die handen, zoo blank en zacht, die indertijd op den dag der verloving den zakdoek op het frissche gras in het groene bosch uitspreidden?—Waar was de dochter van den bontwerker? Ja, waar was het land, waarin zij woonde, en welk land was wel het dichtst in de nabijheid? De flesch wist het niet; zij dreef en dreef en werd eindelijk ook het ronddrijven moede, omdat dit toch haar roeping niet was; maar zij dreef toch rond, totdat zij eindelijk land, vreemd land bereikte. Zij verstond geen woord van datgene, wat er hier gesproken werd; het was de taal niet, die zij vroeger had hooren spreken, en men mist veel, als men de taal niet verstaat.
De flesch werd opgevischt en van alle kanten bekeken; het papiertje, dat er in zat, werd gezien, er uitgenomen, gedraaid en gekeerd, maar de menschen verstonden niet, wat daar geschreven stond. Wel begrepen zij, dat de flesch over boord geworpen moest zijn, en dat er hiervan iets op het papiertje moest staan; maar wat stond er op geschreven? Dat was het wonderbare! En het briefje werd weer in de flesch gestoken en deze in een groote kast, in een groote kamer, in een groot huis neergezet.
Telkens als er vreemdelingen kwamen, werd het briefje er uit genomen, gewend en gedraaid, zoodat de letters, die slechts met potlood geschreven waren, allengs minder leesbaar werden; eindelijk kon niemand meer zien, dat het letters waren.—En nog een geheel jaar bleef de flesch in de kast staan, toen zette men haar op den grond neer, en stof en spinnewebben bedekten haar nu. Hoe dacht zij nu terug aan betere dagen, aan de tijden, toen zij in het frissche, groene bosch den rooden wijn verschaft had, toen zij op de golven der zee heen en weer schommelde, en een geheim, een brief, een afscheidszucht in zich had bevat.
Wel twintig jaren stond zij op den grond; zij zou daar nog langer hebben kunnen staan, als het huis niet verbouwd had moeten worden. Het dak werd er afgenomen, men zag de flesch staan en sprak over haar, maar zij verstond de taal niet; die leert men niet daardoor, dat men op den grond staat, zelfs in geen twintig jaren. «Als ik maar in de kamer gebleven was,» dacht zij, «dan zou ik haar toch wel geleerd hebben.»
Zij werd nu afgewasschen en uitgespoeld; dat was niet onnoodig; zij gevoelde zich helder en doorzichtig, zij was weer verjongd op haar ouden dag; maar het briefje, dat zij trouw in zich gedragen had,—dat was met het spoelen weggeraakt.
Men vulde de flesch met zaden, zij wist niet, wat dat eigenlijk was; men deed er een kurk op en pakte haar goed in; zij kreeg noch lamp noch lantaarn, laat staan dan zon en maan te zien, en iets moet men toch zien, als men op reis gaat, meende zij; maar zij zag niets, doch het gewichtigste deed zij,—zij reisde en kwam op de plaats harer bestemming aan en werd daar uitgepakt.
«Wat hebben ze zich daar in het buitenland een moeite met die flesch gegeven!» hoorde zij zeggen. «Zij zal toch wel gebroken zijn!»—Maar zij was niet gebroken. De flesch verstond ieder woord, dat er gesproken werd; het was de taal, die zij bij den smeltoven en bij den wijnkooper en in het bosch en op het schip gehoord had, de eenige, goede, oude taal, die zij kon verstaan; zij was in haar vaderlandteruggekomen, en de taal was haar een welkomstgroet. Van blijdschap zou zij den menschen uit de handen gesprongen zijn; zij merkte het nauwelijks, dat men de kurk van haar aftrok, dat zij uitgestort en in den kelder gebracht werd, om daar neergezet en vergeten te worden. In het vaderland is het toch maar het beste, zij het ook in den kelder! Het kwam niet bij haar op, er over na te denken, hoe lang zij daar wel lag; zij lag er goed en zij lag er jaren lang; eindelijk kwamen er menschen die al de flesschen uit den kelder en ook de onze weghaalden.
Buiten in den tuin was een groot feest; brandende lampions en papieren lantarens hingen daar als bloemslingers. Het was een prachtige avond, het weer stil en helder; de sterren fonkelden, en het was nieuwe maan, eigenlijk zag men, als men goed toekeek, de heele ronde maan als een blauwachtigen bol, wat heel mooi leek.
Zelfs tot in de afgelegenste laantjes van den tuin strekte de illuminatie zich uit, althans in zooverre, dat men bij haar schijnsel daar den weg wel kon vinden. In de takken der heggen stonden flesschen, en in elke daarvan een brandende kaars. Hier bevond zich ook de flesch, die wij kennen, die, welke eenmaal als flesschehals, als vogelglaasje aan haar eind zou komen; het kwam haar hier alles prachtig voor, zij was immers weer in het groen, weer te midden van vreugde en feestelijkheden, zij hoorde gezang en muziek en krioelen van al die menschen door elkaar, vooral uit dat gedeelte van den tuin, waar de lampions hingen en de papieren lantarens haar kleurenpracht ten toon spreidden. Zoo stond zij wel is waar in een afgelegen laantje, maar juist dat had iets aangenaams; zij droeg haar licht en stond hier tot nut en genoegen, en zoo moet het wezen; in zulk een uur vergeet men twintig jaren, die men in een vergeten hoek heeft doorgebracht,—en het is goed, deze te vergeten.
Dicht langs haar heen liep een enkel paar, evenals indertijd het minnende paar in het bosch, evenals de stuurman en de bontwerkersdochter; het was de flesch te moede, alsof zij dat alles nog eens doorleefde! In den tuin liepen niet alleen de gasten maar ook menschen, die eens naar de illuminatie mochten kijken, en onder de laatstgenoemden bevond zich een oude juffrouw, die alleen op de wereld stond en geen bloedverwanten had. Zij dacht hetzelfde als de flesch, en dacht aan het groene bosch en aan een minnend paar, dat haar zeer na aan het hart lag, waaraan zij deel had, ja, waarvan zij een gedeelte was,—indertijd in het gelukkigste uur van haar leven, en dat uur vergeet men nimmer, al wordt men nog zoo oud.—Maar zij kende de flesch niet, en deze bemerkte ook de oude juffrouw niet; zoo loopt men elkaar in deze wereld voorbij,—totdatmen weer met elkaar in aanraking komt, en dat gebeurde met deze twee, want zij waren nu immers beiden weer in dezelfde stad.
De flesch kwam uit den tuin nog eens bij den wijnkooper, werd weer met wijn gevuld en aan den luchtreiziger verkocht, die den volgenden Zondag met een luchtballon zou opstijgen.—Een groote menigte menschen had zich verzameld, om dat eens te zien; er was een militair muziekkorps geëngageerd, en er waren vele andere toebereidselen gemaakt. De flesch zag alles van uit een mand, waarin zij naast een levend konijntje lag, dat heelemaal verbluft was, omdat het wel wist, dat het mee naar boven moest, om dan door middel van een valscherm weer naar beneden gelaten te worden; de flesch wist echter niets, noch van het opstijgen, noch van het neerdalen; zij zag slechts, dat de ballon zich geducht opblies, gedurig grooter werd en zich, toen hij niet grooter kon worden, al begon te verheffen; de touwen, waarmee hij werd vastgehouden, werden doorgesneden, en hij zweefde met den luchtreiziger, de mand, de flesch en het konijntje naar boven, terwijl de muziek zich deed hooren en alle menschen hoera riepen.
«Dat is een wonderlijke reis, zoo de lucht in!» dacht de flesch,«dat is een nieuwe zeiltocht; maar hier boven zal men toch nergens tegen aan kunnen stooten.»
Duizenden menschen keken den ballon na, en de oude juffrouw keek er ook naar; zij stond voor het open raam van haar zolderkamertje, waaronder het kooitje met den kleinen vlasvink hing, dat destijds nog geen drinkglaasje had, maar zich met een theekopje moest vergenoegen. Voor het raam zelf stond een mirt in een pot, en dezen had zij een weinig op zij geschoven, opdat hij niet zou omvallen, want de oude juffrouw ging uit het raam liggen om het ook te zien, zij zag ook duidelijk den luchtreiziger in den ballon, en dat hij het konijntje methetvalscherm naar beneden liet zakken, toen op het welzijn van alle menschen dronk en eindelijk de flesch hoog in de lucht slingerde;—zij dacht er niet aan, dat zij dezelfde flesch, haar en haar minnaar ter eere, op den dag der verloving in het groene bosch had zien vliegen.
De flesch had geen tijd om na te denken; want het kwam haar al te onverwacht, zoo plotseling op het toppunt haars levens te zijn. Torens en daken lagen diep, zeer diep beneden haar, en de menschen zagen er heel klein uit.
Nu daalde zij echter, maar op een geheel andere wijze dan het konijntje; de flesch maakte buitelingen in de lucht, zij voelde zich zoo jeugdig, zonder eenige band; zij was nog half vol wijn, maar dat bleef zij niet lang. Welk een reis! De zon bescheen de flesch, alle menschen keken haar na, de ballon was reeds ver weg, en al spoedig daarop was ook de flesch weg, zij viel op een der daken neer en daardoor brak zij, maar de stukken hadden nog zulk een vaart, dat zij niet konden blijven liggen; zij sprongen en rolden verder, totdat zij op de plaats neerkwamen en daar in nog kleinere stukken bleven liggen; alleen de flesschehals bleef heel, en deze was als met een diamant van de flesch afgesneden.
«Die zou prachtig voor een vogelglaasje zijn!» zeiden de menschen in het benedenhuis, maar zij hadden noch een vogeltje, noch een kooitje, en zich deze aan te schaffen, omdat zij nu den flesschehals hadden, die voor drinkglaasje te gebruiken was, was toch wel wat veel gevergd,—maar de oude juffrouw op het zolderkamertje, ja, die kon er misschien wel gebruik van maken,—en nu kwam de flesschehals bij haar boven, er werd een kurk ingestopt, en wat vroeger boven was, werd nu naar onderen gekeerd, zooals het heel dikwijls bij veranderingen gebeurt; er werd frisch water in gedaan, men hing hem aan het kooitje van het vogeltje op, dat zong en kwinkeleerde, dat het een lust was om te hooren.
«Ja, jij hebt goed zingen!» zei de flesschehals, en die was immers merkwaardig genoeg, die was immers in den ballon geweest,—meer wist men van zijn geschiedenis niet af. Nu hing hij daar als drinkglaasje, hoorde de menschen beneden op de straat mompelen, hoorde de woorden van de oude juffrouw binnen in de kamer; zij had bezoek van een oude vriendin gekregen; zij praatten met elkaar,—maar niet over den flesschehals, maar over den mirt, die voor het raam stond.
«Neen, je moet waarlijk geen daalder uitgeven voor een bruidskrans voor je dochter,» zei de oude juffrouw. «Je zult van mij een allerliefst ruikertje hebben! Zie je wel, hoe prachtig hetboompjestaat? Ja, dat is nog afkomstig van een stekje van den mirt, dien je mij op den dag na mijn verloving gaaft, waarvan ik mij zelf, als het jaar om was, een bruidskrans had moeten vlechten,—maar die dag kwam nooit! De oogen sloten zich, die mij in dit leven tot vreugde en ten zegen hadden moeten tegenstralen. Op den bodem der zee sluimert hij zacht, die trouwe vriend!—De mirt werd een oude boom, maar ik werd nog ouder, en toen de boom eindelijk begon weg te kwijnen, nam ik het laatste groene takje, stak dit in de aarde, en daarvan is nu een boompje gegroeid, en de mirt komt nu eindelijktoch nog op de bruiloft,—als bruidskrans voor je dochter.»
En tranen parelden er in de oogen van de oude juffrouw; zij sprak over den vriend van haar jeugd, over het verlovingsfeest in het bosch; allerlei gedachten kwamen er bij haar op, maar daaraan dacht zij toch niet, dat er zich vlak in haar nabijheid, voor het raam, nog een aandenken aan dien tijd bevond; de hals van de flesch, die een luiden knal gaf, toen de kurk er afvloog. Maar de flesschehals herkende ook haar niet meer, want hij hoorde niet naar datgene, wat zij sprak en vertelde,—omdat hij slechts aan haar dacht.
Het minnende paar.Een drijftol en een bal lagen samen in een kast onder meer ander speelgoed. Op zekeren dag zei de drijftol tegen de1bal: «Willen we maar met elkaar trouwen, daar we toch in dezelfde kast bij elkaar liggen?» Doch de bal, die van marokijn gemaakt was en die even veel verbeelding had als een preutsch meisje, wilde daar geen antwoord op geven.Den volgenden dag kwam de kleine jongen, aan wien al het speelgoed toebehoorde. Hij verfde den drijftol rood en geel en sloeg er een koperen spijkertje midden in. Dat stond dan al eens heel prachtig, als de tol in de rondte draaide!«Kijk mij nu eens aan!» zei hij tegen de bal. «Wat zeg je nu wel van me? Willen we nu met elkaar trouwen? We passen net goed bij elkaar: jij springt en ik dans! Een gelukkiger paar dan wij zouden zijn, kan er niet gevonden worden.»«Zou je dat denken?» vroeg de bal. «Dan weet je zeker niet, dat mijn vader en moeder marokijnleeren pantoffels geweest zijn en dat ik een kurk in mijn lijf heb zitten?»«Maar ik ben van mahoniehout,» hernam de tol, «en de burgemeester heeft mij zelf gedraaid. Hij houdt er zelf een draaibank op na en heeft heel wat schik in mij gehad.»«Kan ik daar zeker van zijn?» vroeg de bal.«Nimmer moge de zweep meer op mij neerkomen, als het niet waar is!» antwoordde de drijftol.«Je weet je zaak goed te bepleiten,» zei de bal. «Maar toch valt er niet aan een huwelijk tusschen ons te denken; want ik ben al zoo wat half en half met een spreeuw geëngageerd. Telkens als ik in de lucht vlieg, steekt hij den kop uit zijn nest en vraagt: «Wil je met mij trouwen?» En nu heb ik in mijn hart al «ja» gezegd, en dus is het net zoo goed, alsof ik hem het jawoord gegeven had; maar ik beloof je, dat ik je nooit zal vergeten!»«Nu, dat geeft me ook wat!» zei de drijftol, en na dien tijd spraken zij geen woord meer tegen elkaar.Na verloop van eenigen tijd werd de bal door den jongen uit de kast genomen. De drijftol zag, hoe zij hoog in de lucht vloog, evenals een vogel; eindelijk kon hij haar in ’t geheel niet meer zien; telkens kwam zij weer terug, maar deed iederen keer een hoogen sprong, als zij op den grond neerkwam, en dit deed zij òf uit blijdschap òf omdat zij een kurk in haar lijf had. Maar den negenden keer bleef de bal weg en kwam niet meer terug; en de jongen zocht er overal naar, maar zij was en bleef weg.«Ik weet wel, waar zij is!» zei de drijftol met een zucht. «Zij zit in het spreeuwennest en is met den spreeuw getrouwd.»Hoe meer de drijftol hierover dacht, des te meer raakte hij op de bal verliefd; juist omdat hij haar niet kon krijgen, nam zijn liefde gedurig toe; dat zij een ander tot man genomen had, stak hem wel het meest, en de drijftol danste in de rondte en snorde, maar dacht toch aldoor aan de bal, die in zijn gedachten al mooier en mooier werd.Zoo verliepen er eenige jaren,—en nu was het een oude liefde.De drijftol was al niet jong meer! Maar daar werd hij op zekeren dag heelemaal verguld; nog nooit had hij er zoo prachtig uitgezien; hij was nu een vergulde drijftol en sprong, dat hij weer snorde. Ja, dat was de moeite waard, om te zien.Maar eens sprong hij wat hoog, en—weg was hij!Men zocht en zocht, tot zelfs in den kelder, maar hij was nergens te vinden.Waar was hij dan?Hij was in den vuilnisbak gesprongen, waarin allerlei dingen lagen: koolstronken, aardappelschillen en verrotte bladeren, die uit de goot naar beneden gekomen waren.«’t Is een mooie plaats, voor mij om te liggen! Het verguldsel zal hier wel gauw van mij afgaan. Ach, onder welk gespuis ben ik aangeland!»Dit zeggende, keek hij naar een koolstronk en toen naar een zonderling, rond ding, dat veel van een rotten appel weghad;—doch het was geen appel, maar de oude bal, die vele jaren in de goot gelegen had en geheel met water doortrokken was.«Goddank! Daar komt toch iemand, die in rang en stand met mij gelijkstaat en met wien ik eens een woordje kan wisselen!» zei de bal en keek naar den vergulden drijftol. «Ik ben eigenlijk van marokijnleer, ik ben door dameshanden genaaid en heb een kurk in mijn lijf: maar dat zal niemand mij zeker kunnen aanzien. Ik stond op het punt om met een spreeuw te trouwen, maar toen viel ik in de goot, en daarin heb ik vijf jaren gelegen en ben heelemaal met water doortrokken. Geloof mij, dat is een heele tijd voor een jong meisje!»Maar de drijftol zei niets: hij dacht aan zijn oud lief, en hoe meer hij hoorde, des te duidelijker werd het hem, dat zij het was.Daar kwam de meid om den vuilnisbak te leegen. De jongenstond er naar te kijken. «Hé! Daar ligt een vergulde tol!» riep zij uit.En de drijftol kwam weer tot eer en aanzien, maar van de bal hoorde men niets meer. En de drijftol sprak nooit meer over zijn vroegere liefde; want die vergaat wel, als een minnares vijf jaren lang in een goot gelegen heeft en heelemaal met water doortrokken is; ja, men erkent haar niet meer, als men haar in een vuilnisbak ziet liggen.1Daar een drijftol en een bal hier te lande beide tot het mannelijke geslacht behooren en dus niet met elkaar kunnen trouwen, is de bal in dit sprookje van een heer in een dame gemetamorphoseerd.
Een drijftol en een bal lagen samen in een kast onder meer ander speelgoed. Op zekeren dag zei de drijftol tegen de1bal: «Willen we maar met elkaar trouwen, daar we toch in dezelfde kast bij elkaar liggen?» Doch de bal, die van marokijn gemaakt was en die even veel verbeelding had als een preutsch meisje, wilde daar geen antwoord op geven.
Den volgenden dag kwam de kleine jongen, aan wien al het speelgoed toebehoorde. Hij verfde den drijftol rood en geel en sloeg er een koperen spijkertje midden in. Dat stond dan al eens heel prachtig, als de tol in de rondte draaide!
«Kijk mij nu eens aan!» zei hij tegen de bal. «Wat zeg je nu wel van me? Willen we nu met elkaar trouwen? We passen net goed bij elkaar: jij springt en ik dans! Een gelukkiger paar dan wij zouden zijn, kan er niet gevonden worden.»
«Zou je dat denken?» vroeg de bal. «Dan weet je zeker niet, dat mijn vader en moeder marokijnleeren pantoffels geweest zijn en dat ik een kurk in mijn lijf heb zitten?»
«Maar ik ben van mahoniehout,» hernam de tol, «en de burgemeester heeft mij zelf gedraaid. Hij houdt er zelf een draaibank op na en heeft heel wat schik in mij gehad.»
«Kan ik daar zeker van zijn?» vroeg de bal.
«Nimmer moge de zweep meer op mij neerkomen, als het niet waar is!» antwoordde de drijftol.
«Je weet je zaak goed te bepleiten,» zei de bal. «Maar toch valt er niet aan een huwelijk tusschen ons te denken; want ik ben al zoo wat half en half met een spreeuw geëngageerd. Telkens als ik in de lucht vlieg, steekt hij den kop uit zijn nest en vraagt: «Wil je met mij trouwen?» En nu heb ik in mijn hart al «ja» gezegd, en dus is het net zoo goed, alsof ik hem het jawoord gegeven had; maar ik beloof je, dat ik je nooit zal vergeten!»
«Nu, dat geeft me ook wat!» zei de drijftol, en na dien tijd spraken zij geen woord meer tegen elkaar.
Na verloop van eenigen tijd werd de bal door den jongen uit de kast genomen. De drijftol zag, hoe zij hoog in de lucht vloog, evenals een vogel; eindelijk kon hij haar in ’t geheel niet meer zien; telkens kwam zij weer terug, maar deed iederen keer een hoogen sprong, als zij op den grond neerkwam, en dit deed zij òf uit blijdschap òf omdat zij een kurk in haar lijf had. Maar den negenden keer bleef de bal weg en kwam niet meer terug; en de jongen zocht er overal naar, maar zij was en bleef weg.
«Ik weet wel, waar zij is!» zei de drijftol met een zucht. «Zij zit in het spreeuwennest en is met den spreeuw getrouwd.»
Hoe meer de drijftol hierover dacht, des te meer raakte hij op de bal verliefd; juist omdat hij haar niet kon krijgen, nam zijn liefde gedurig toe; dat zij een ander tot man genomen had, stak hem wel het meest, en de drijftol danste in de rondte en snorde, maar dacht toch aldoor aan de bal, die in zijn gedachten al mooier en mooier werd.
Zoo verliepen er eenige jaren,—en nu was het een oude liefde.
De drijftol was al niet jong meer! Maar daar werd hij op zekeren dag heelemaal verguld; nog nooit had hij er zoo prachtig uitgezien; hij was nu een vergulde drijftol en sprong, dat hij weer snorde. Ja, dat was de moeite waard, om te zien.
Maar eens sprong hij wat hoog, en—weg was hij!
Men zocht en zocht, tot zelfs in den kelder, maar hij was nergens te vinden.
Waar was hij dan?
Hij was in den vuilnisbak gesprongen, waarin allerlei dingen lagen: koolstronken, aardappelschillen en verrotte bladeren, die uit de goot naar beneden gekomen waren.
«’t Is een mooie plaats, voor mij om te liggen! Het verguldsel zal hier wel gauw van mij afgaan. Ach, onder welk gespuis ben ik aangeland!»Dit zeggende, keek hij naar een koolstronk en toen naar een zonderling, rond ding, dat veel van een rotten appel weghad;—doch het was geen appel, maar de oude bal, die vele jaren in de goot gelegen had en geheel met water doortrokken was.
«Goddank! Daar komt toch iemand, die in rang en stand met mij gelijkstaat en met wien ik eens een woordje kan wisselen!» zei de bal en keek naar den vergulden drijftol. «Ik ben eigenlijk van marokijnleer, ik ben door dameshanden genaaid en heb een kurk in mijn lijf: maar dat zal niemand mij zeker kunnen aanzien. Ik stond op het punt om met een spreeuw te trouwen, maar toen viel ik in de goot, en daarin heb ik vijf jaren gelegen en ben heelemaal met water doortrokken. Geloof mij, dat is een heele tijd voor een jong meisje!»
Maar de drijftol zei niets: hij dacht aan zijn oud lief, en hoe meer hij hoorde, des te duidelijker werd het hem, dat zij het was.
Daar kwam de meid om den vuilnisbak te leegen. De jongenstond er naar te kijken. «Hé! Daar ligt een vergulde tol!» riep zij uit.
En de drijftol kwam weer tot eer en aanzien, maar van de bal hoorde men niets meer. En de drijftol sprak nooit meer over zijn vroegere liefde; want die vergaat wel, als een minnares vijf jaren lang in een goot gelegen heeft en heelemaal met water doortrokken is; ja, men erkent haar niet meer, als men haar in een vuilnisbak ziet liggen.
1Daar een drijftol en een bal hier te lande beide tot het mannelijke geslacht behooren en dus niet met elkaar kunnen trouwen, is de bal in dit sprookje van een heer in een dame gemetamorphoseerd.
1Daar een drijftol en een bal hier te lande beide tot het mannelijke geslacht behooren en dus niet met elkaar kunnen trouwen, is de bal in dit sprookje van een heer in een dame gemetamorphoseerd.
De prinses op de erwt.Er was eens een prins, die met een prinses wilde trouwen; maar het moest een echte prinses zijn. Nu reisde hij de heele wereld rond, om zoo eene te vinden, maar aan allen, die hij zag, ontbrak wat. Prinsessen waren er genoeg; maar of het echte prinsessen waren, kon hijniet te weten komen. Altijd was er iets, dat niet geheel in den haak was. Zoo kwam hij dan weer thuis en was treurig, want hij wilde toch zoo heel graag een echte prinses hebben.Op zekeren avond kwam er een geducht onweer opzetten; het lichtte en donderde, de regen viel bij stroomen neer, het was een verschrikkelijk weer! Daar werd er op de stadspoort geklopt, en de oude koning ging er heen, om haar open te doen.Het was een prinses, die buiten voor de poort stond. Maar lieve hemel! Wat zag zij er van den regen en van het verschrikkelijke weer uit! Het water droop haar uit het haar en de kleeren; het liep er bij de neuzen van haar schoenen in en bij de hakken weer uit. En toch zeide zij, dat zij een echte prinses was.«Nu, dat zullen we wel eens te weten komen!» dacht de oude koningin. Maar zij zeide niets, ging naar de slaapkamer, lichtte alle bedden op en legde een erwt op de onderlagen van het ledekant neer; daarop nam zij twintig matrassen en legde deze op de erwt, en toen nog twintig donzen bedden op de matrassen.Daar moest de prinses nu den heelen nacht op liggen. Den volgenden morgen vroeg men haar, hoe zij geslapen had.«Verschrikkelijk slecht!» zei de prinses. «Ik heb bijna den heelen nacht geen oog dichtgedaan! De hemel mag weten, wat er in het bed geweest is! Ik heb op iets hards gelegen, zoodat ik er over mijn heele lijf bont en blauw uitzie! ’t Is verschrikkelijk!»Nu merkten zij, dat zij een echte prinses was, omdat zij door de twintig matrassen en de twintig donzen bedden heen de erwt gevoeld had. Zoo fijngevoelig kon niemand anders zijn dan een echte prinses.Nu nam de prins haar tot vrouw; want nu wist hij, dat hij een echte prinses bezat, en de erwt kwam in het kabinet van zeldzaamheden, waarin zij nog te zien is, als niemand haar ten minste gestolen heeft.Zie, dat is een ware geschiedenis!
Er was eens een prins, die met een prinses wilde trouwen; maar het moest een echte prinses zijn. Nu reisde hij de heele wereld rond, om zoo eene te vinden, maar aan allen, die hij zag, ontbrak wat. Prinsessen waren er genoeg; maar of het echte prinsessen waren, kon hijniet te weten komen. Altijd was er iets, dat niet geheel in den haak was. Zoo kwam hij dan weer thuis en was treurig, want hij wilde toch zoo heel graag een echte prinses hebben.
Op zekeren avond kwam er een geducht onweer opzetten; het lichtte en donderde, de regen viel bij stroomen neer, het was een verschrikkelijk weer! Daar werd er op de stadspoort geklopt, en de oude koning ging er heen, om haar open te doen.
Het was een prinses, die buiten voor de poort stond. Maar lieve hemel! Wat zag zij er van den regen en van het verschrikkelijke weer uit! Het water droop haar uit het haar en de kleeren; het liep er bij de neuzen van haar schoenen in en bij de hakken weer uit. En toch zeide zij, dat zij een echte prinses was.
«Nu, dat zullen we wel eens te weten komen!» dacht de oude koningin. Maar zij zeide niets, ging naar de slaapkamer, lichtte alle bedden op en legde een erwt op de onderlagen van het ledekant neer; daarop nam zij twintig matrassen en legde deze op de erwt, en toen nog twintig donzen bedden op de matrassen.
Daar moest de prinses nu den heelen nacht op liggen. Den volgenden morgen vroeg men haar, hoe zij geslapen had.
«Verschrikkelijk slecht!» zei de prinses. «Ik heb bijna den heelen nacht geen oog dichtgedaan! De hemel mag weten, wat er in het bed geweest is! Ik heb op iets hards gelegen, zoodat ik er over mijn heele lijf bont en blauw uitzie! ’t Is verschrikkelijk!»
Nu merkten zij, dat zij een echte prinses was, omdat zij door de twintig matrassen en de twintig donzen bedden heen de erwt gevoeld had. Zoo fijngevoelig kon niemand anders zijn dan een echte prinses.
Nu nam de prins haar tot vrouw; want nu wist hij, dat hij een echte prinses bezat, en de erwt kwam in het kabinet van zeldzaamheden, waarin zij nog te zien is, als niemand haar ten minste gestolen heeft.
Zie, dat is een ware geschiedenis!
Ole Luk-Oie.Er is niemand op de wereld, die zooveel sprookjes kent, als Ole Luk-Oie.1—Die heeft eerst slag van vertellen!Tegen den avond, als de kinderen nog aan tafel of op hun stoeltje zitten, komt Ole Luk-Oie. Hij klimt zachtjes de trap op, want hij loopt op kousen: hij doet de deur heel zachtjes open en fuut! daar spuit hij de kinderen zoete melk in de oogen, en wel met een heel fijn straaltje, maar toch altijd genoeg, om te maken, dat zij de oogen niet kunnen openhouden en hem dus ook niet zien. Hij sluipt achter hen, blaast hun zachtjes in den nek, en daardoor wordt het hun zwaar in het hoofd. Maar het doet geenpijn, want Ole Luk-Oie meent het goed met de kinderen; hij wil alleen maar, dat zij stil zullen zijn, en dat zijn zij eerst, als men ze naar bed gebracht heeft; zij moeten stil zijn, opdat hij hun sprookjes kan vertellen.Als de kinderen dan slapen, zet Ole Luk-Oie zich op hun bed neer. Hij is goed gekleed, zijn jas is van zijde, maar het valt onmogelijk te zeggen, van welke kleur zij is; want zij heeft een groenen, rooden en blauwen glans, al naardat hij zich draait. Onder iederen arm houdt hij een paraplu; de eene, met allerlei beelden er op, spant hij over de zoete kinderen uit, en dan droomen zij den heelen nacht de heerlijkste sprookjes; maar de andere paraplu, waarop niets hoegenaamd staat, spreidt hij boven de stoute kinderen uit, dan slapen zij en hebben ’s morgens, als zij wakker worden, niet het minste gedroomd.Nu zullen we eens hooren, hoe Ole Luk-Oie op iederen avond van een week bij een kleinen jongen, Hjalmar geheeten, kwam, en wat hij hem vertelde. Het zijn zeven verhaaltjes; want er zijn zeven dagen in de week.Maandag.«Hoor eens!» zei Ole Luk-Oie des avonds, toen hij Hjalmar naar bed gebracht had; «ik zal alles eens oppronken!» En nu werden al de bloemen in de bloempotten tot groote boomen, die hun lange takken onder de zoldering en langs de muren der kamer uitstrekten, zoodat de heele kamer er als een prachtig buitenverblijf uitzag; al de takken zaten vol bloemen, en iedere bloem was nog schooner dan een roos, gaf een liefelijken geur van zich, en als men ze wilde eten, dan smaakten zij overheerlijk. De vruchten fonkelden als goud, en er was koek, die vol rozijnen zat. Het was onvergelijkelijk schoon! Maar tegelijkertijd klonk er een verschrikkelijkgejammer uit de tafellade waarin de schoolboeken van Hjalmar lagen.«Wat is dat toch?» vroeg Ole Luk-Oie en ging naar de tafel toe en schoof de lade open. Het was de rekenlei, waarop gekrast werd, want er was een verkeerd cijfer in de som gekomen, zoodat het niet veel scheelde, of zij viel geheel uit elkaar; de griffel huppelde en sprong tegen de lijst van de lei op, alsof het een kleine hond was, die aan de som wilde helpen; maar hij kon dit niet.—En toen jammerde het ook in het schrijfboek van Hjalmar. O, dat was vreeselijk om aan te hooren! Op iedere bladzijde stonden van boven naar beneden de groote letters, en naast iedere groote letter stond een kleine; dat was het voorbeeld; en naast deze stonden weer eenige letters, die er eveneens dachten uit te zien, en deze had Hjalmar geschreven; maar zij lagen bijna, alsof zij over de potloodlijnen, waarop zij moesten staan, gevallen waren.«Zie, zoo moet je je houden!» zei het voorbeeld. «Kijk eens! Zoo in een schuinsche richting, met een fermen zwaai!»«O, wij zouden het graag willen,» zeiden de letters van Hjalmar; «maar wij kunnen niet; wij zijn te zwak!»«Dan moet je wat innemen!» zei Ole Luk-Oie.«O neen!» riepen zij uit, en nu stonden zij zoo geregeld, dat het een lust was om te zien.«Ja, nu kunnen wij geen sprookjes vertellen!» zei Ole Luk-Oie; «nu moet ik ze laten exerceeren! Een, twee! Een, twee!» en zoo liet hij de letters exerceeren; en zij stonden zoo mooi, als ze maar op een voorbeeld kunnen staan. Maar toen Ole Luk-Oie wegging en Hjalmar ze ’s morgens bekeek, toen waren zij even gebrekkig en jammerlijk als vroeger.Dinsdag.Zoodra Hjalmar te bed gegaan was, raakte Ole Luk-Oie al de meubelen in de kamer met zijn kleinen tooverstaf aan, en nu begonnen zij te gelijk te praten, en spraken allemaal over zich zelf met uitzondering van het kwispedoor, dat daar zwijgend stond en er zich over ergerde, dat zij zoo ijdel konden zijn om slechts over zich zelf te spreken, slechts aan zich zelf te denken, en volstrekt geen notitie te nemen van dengene, die toch zoo bescheiden in den hoek stond en zich liet bespuwen.Boven de latafel hing een groot schilderij in een vergulde lijst; dat was een landschap; men zag daarop hooge, oude boomen, bloemen in het gras en een breede rivier, die om het bosch heen vloeide, voorbij vele kasteelen, en ver weg in de woeste zee.Ole Luk-Oie raakte het schilderij met zijn tooverstaf aan, en nu begonnen de vogels, die daarop afgebeeld stonden, te zingen, de boomtakken bewogen zich, en de wolken trokken weg; men kon haar schaduw over het landschap zien heenglijden.Nu tilde Ole Luk-Oie den kleinen Hjalmar naar de lijst op enzette zijn voeten op het schilderij neer, vlak in het hooge gras; daar stond hij nu. De zon bescheen hem door de takken der boomen. Hij liep naar het water toe en ging in een kleine boot, die daar lag, zitten; deze was rood en wit geverfd, het zeil schitterde als zilver, en zes zwanen, alle met gouden kroontjes en een fonkelende blauwe ster op den kop, trokken de boot voorbij het groene bosch, waar de boomen van roovers en heksen en de bloemen van de liefelijke kleine elfen, en van datgene, wat de kapelletjes haar gezegd hadden, vertelden.De prachtigste visschen, met schubben als zilver en goud, zwommen de boot achterna; nu en dan deden zij een sprong, zoodat het in het water plaste, en vogels, rood en blauw, klein en groot, vlogen in twee lange rijen achteraan; de muggen dansten en de meikevers gonsden. Zij wilden Hjalmar altemaal volgen, en ieder had een sprookje te vertellen.Dat was een plezierig tochtje! Nu eens waren de bosschen dicht en donker, dan weer waren zij als de heerlijkste tuin vol zonneschijn en bloemen; daar stonden groote kasteelen van glas en van marmer: op de balkons stonden prinsessen, en dit waren allemaal kleine meisjes, die Hjalmar goed kende; hij had vroeger met haar gespeeld. Elk van dezen strekte de handen naar hem uit en hield hem het lekkerste hart van suiker voor, dat een koekenbakker ooit verkocht heeft; en Hjalmar, pakte elk suikerhart beet, terwijl hij voorbijvoer, en de prinses hield het goed vast, en zoo kreeg ieder een stuk: zij het kleinste en Hjalmar het grootste. Bij ieder kasteel stonden kleine prinsen op schildwacht; zij droegen gouden sabeltjes en lieten het rozijnen en tinnen soldaten regenen; men kon het hun wel aanzien, dat het echte prinsen waren.Nu eens zeilde Hjalmar door bosschen, dan weer door groote zalen of midden door een stad; hij kwam ook door die, waarin de kindermeid woonde, die hem gedragen had, toen hij nog een heel klein kind was, en die altijd zoo goed voor hem geweest was; zij knikte hem toe en wenkte hem en zong het kleine vers, dat zij zelf gemaakt en aan Hjalmar gezonden had:Uw beeld, mijn Hjalmar, mij zoo lief,Zal nooit mijn hart ontglippen;Ik gaf u kussen zonder talOp voorhoofd, mond en lippen.’k Hoorde uit uw mond het eerste woordMij staamlend tegenklinken.Vaarwel! Gods zegen hoede u steeds,Moog’ immer voor u blinken!En al de vogels zongen mee, de bloemen dansten op de stelen, en de oude boomen knikten, alsof Ole Luk-Oie hun ook sprookjes vertelde.Woensdag.O, wat stroomde de regen daar buiten neer! Hjalmar kon het in zijn slaap hooren; en toen Ole Luk-Oie een raam openschoof, stond het water tot aan het kozijn toe; het was daar buiten een heele zee, maar het prachtigste schip lag dicht bij het huis.«Wil je meezeilen, kleine Hjalmar?» vroeg Ole Luk-Oie. «Dan kun je van nacht naar vreemde landen toe gaan en morgen weer hier zijn!»Daar stond Hjalmar plotseling in zijn Zondagskleeren midden op het prachtige schip; terstond werd het weer mooi, en zij zeilden door de straten, kruisten om de kerk, en nu was alles een groote, woeste zee. Zij zeilden zoo lang, totdat er geen land meer te ontdekken was, en zij zagen een troep ooievaars; deze kwamen ook uit hun vaderland en wilden naar de warme landen toe; de eene ooievaar vloog altijd achter den anderen aan, en zij hadden al ver, heel ver gevlogen! Een hunner was zoo vermoeid, dat zijn vleugels hem tenauwernood meer vermochten te dragen; hij was de laatste in de rij, en al spoedig bleef hij een heel eind achter; eindelijk daalde hij met uitgespreide vleugels al dieper en dieper; hij deed nog een paar slagen met de vleugels, maar het hielp niets; nu raakte hij met zijn pooten het touwwerk van het schip aan, daarop gleed hij van het zeil af, en bom! daar stond hij op het verdek.Nu nam de kajuitsjongen hem en zette hem in het kippenhok bij de kippen, eenden en kalkoensche hanen; de arme ooievaar stond verlegen in hun midden.«Kijk dien eens aan!» zeiden al de kippen.En de kalkoensche haan blies zich zoo dik op, als hij maar kon, en vroeg, wie hij was; de eenden snaterden, en de ooievaar vertelde van het warme Afrika, van de piramiden en van den struisvogel, die, als een wild paard, de woestijn doorliep; maar de eenden verstonden niet, wat hij vertelde, en toen zeiden zij tegen elkander: «Wij zijn het er immers allemaal over eens, dat hij dom is!»«Ja, zeker is hij dom!» zei de kalkoensche haan, en toen klokte hij. Nu zweeg de ooievaar en dacht aan zijn Afrika.«Dat zijn prachtige dunne pooten, die je hebt!» zei de kalkoensche haan. «Wat kost een el daarvan?»«Skrat, skrat, skrat!» grijnsden al de eenden; maar de ooievaar deed, alsof hij het niet hoorde.«Je kunt gerust meelachen,» zei de kalkoensche haan tegen hem; «want het was heel geestig gezegd. Of was het je misschien te hoog? Ach, hij is niet veelzijdig! Wij zullen onze aardigheden maar voor ons zelf houden!» En toen klokte hij, en de eenden snaterden. Het was verschrikkelijk, zoo’n plezier als zij hadden.Maar Hjalmar ging naar het kippenhok toe, deed het deurtje daarvan open, riep den ooievaar, en nu huppelde hij naar hem toe op het verdek. Nu was hij immers uitgerust, en het was, alsof hij Hjalmar toeknikte om hem te bedanken. Daarop ontplooide hij zijnvleugels en vloog naar de warme landen; maar de kippen kakelden, de eenden snaterden, en de kalkoensche haan werd vuurrood aan zijn kop.«Morgen zullen we soep van je koken!» zeide Hjalmar, en dit zeggende, werd hij wakker en lag in zijn bedje. Het was toch een zonderlinge reis, die Ole Luk-Oie hem dezen nacht had laten doen!Donderdag.«Weet je wat?» zei Ole Luk-Oie. «Word maar niet bang! Hier zul je een kleine muis zien!» En toen strekte hij zijn hand, waarin hij het lichte, aardige diertje hield, naar hem uit. «Zij is gekomen om je op de bruiloft te noodigen. Er zijn twee kleine muizen, die van nacht in het huwelijk willen treden. Zij wonen onder den vloer van je moeders provisiekamer: dat moet een mooie woning zijn!»«Maar hoe kan ik door het kleine muizengat in den vloer kruipen?» vroeg Hjalmar.«Laat dat maar aan mij over!» zei Ole Luk-Oie. «Ik zal je wel klein maken!»En nu raakte hij Hjalmar met zijn tooverstaf aan, waarop deze dadelijk al kleiner en kleiner werd. Eindelijk was hij geen vinger lang. «Nu kun je de kleeren van den tinnen soldaat wel leenen; ik denk, dat die je wel zullen passen, en het staat goed, een uniform aan te hebben, als men in gezelschap is.»«Dat is ook zoo!» zei Hjalmar en was in een oogenblik als een tinnen soldaat gekleed.«Wilt ge nu maar zoo goed zijn, in den vingerhoed van uw moeder te gaan zitten?» zei de kleine muis; «dan zal ik de eer hebben, u er naar toe te trekken.»«Wilt gij u daarmee zelf belasten?» zeide Hjalmar, en zoo reden zij naar de muizenbruiloft.Eerst kwamen zij onder den vloer in een lange gang, die echter niet hooger was, dan dat zij er juist met den vingerhoed doorheen konden komen, en de heele gang was met verrot hout geïllumineerd.«Ruikt het hier niet heerlijk?» vroeg de muis, die hem voorttrok. «De heele gang is met zwoorden van spek besmeerd! Er kan niets geurigers zijn!»Nu traden zij de bruiloftszaal binnen. Hier stonden aan de rechterhand al de kleine muizendames; dezen fluisterden en ginnegapten, alsof zij elkaar voor den gek hielden. Aan de linkerhand stonden al de muizenheeren en streken met hun poot langs hun snorbaard; midden in de zaal zag men het bruidspaar; dit stond in een uitgeholde korst kaas en kuste elkaar verschrikkelijk ten aanschouwe van allen, want zij waren immers met elkander verloofd en zouden aanstonds bruiloft houden.Er kwamen gedurig meer vreemden; het scheelde niet veel, of de eene muis trapte de andere dood, en het bruidspaar had zich vlak voor de deur geplaatst, zoodat men er noch uit noch in kon komen. De heele kamer was evenals de gang met zwoorden van spek ingesmeerd; daarin bestond het geheele gastmaal: maar aan het dessert werd er een erwt vertoond, waarin een muis uit de familie den naam van het bruidspaar ingebeten had, namelijk de eerste letters. Dat was iets buitengewoons!Al de muizen zeiden, dat het een vroolijke bruiloft was, en dat de gesprekken zeer onderhoudend waren geweest.Daarop reed Hjalmar weer naar huis; hij was waarlijk in deftig gezelschap geweest; maar hij had zich ook erg moeten inkrimpen, zich klein maken en een tinnen-soldatenuniform aantrekken.Vrijdag.«Het is ongeloofelijk, hoeveel oudere menschen er zijn, die mij zoo heel graag zouden willen hebben,» zeide Ole Luk-Oie. «Dat zijn inzonderheid diegenen, die het een of ander kwaad gedaanhebben. «Goede, kleine Ole!» zeggen zij tegen mij, «wij kunnen de oogen niet dichtdoen, en zoo liggen wij den heelen nacht en zien al onze booze daden, die als kleine leelijke kaboutermannetjes op den rand van het bed zitten en ons met heet water bespuiten; mocht gij maar komen en ze wegjagen, dan zouden wij gerust kunnen slapen.» Daarop slaken zij een diepen zucht. «Wij zouden er waarlijk graag voor betalen. Goeden nacht, Ole! het geld ligt in het kozijn!» Maar ik doe het niet voor geld!» zegt Ole Luk-Oie.«Wat zullen we nu van nacht te zien krijgen?» vroeg Hjalmar.«Ja, ik weet niet, of je van nacht wel weer lust hebt om naar een bruiloft toe te gaan; het is een heel ander soort van bruiloft dan die van gisteren. De groote pop van je zusje, die, welke er als man uitziet en Herman genoemd wordt, wil met pop Bertha in het huwelijk treden. Het is bovendien de verjaardag van de pop, en daarom zullen zij zeer veel geschenken krijgen!»«Ja, daar weet ik alles van!» zeide Hjalmar. «Als de poppen nieuwe kleeren noodig hebben, dan laat mijn zusje ze altijd haar verjaardag vieren of bruiloft houden; dat is zeker al honderdmaal gebeurd!»«Ja, maar van nacht is het de honderd eerste bruiloft, en als honderd een uit is, dan is alles voorbij! Daarom wordt deze ook zoo prachtig. Kijk maar eens!»En Hjalmar keek naar de tafel. Daar stond het kleine bordpapieren huis met licht voor de ramen, en buiten daarvoor presenteerden alle tinnen soldaten het geweer. Het bruidspaar zat in gedachten verdiept, waarvoor het wel reden had, op den grond en leunde tegen den poot der tafel aan. Maar Ole Luk-Oie, die in den zwarten rok der grootmoeder gekleed was, trouwde ze. Toen de trouwplechtigheid afgeloopen was, hieven al de meubelen in de kamer het volgende mooie lied aan, dat door het potlood geschreven was:Hoog klink’ ons lied, gelijk de wind,Voor ’t bruidspaar, dat zich saam verbindt!Zij pralen beiden, stijf en blind,Van leer, dat men niet mooier vindt.Hoera! al zijn ze doof en blind,Wij zijn tot zingen thans gezind!En nu kregen zij geschenken; maar zij hadden verzocht van alle eetwaren verschoond te blijven, want zij hadden genoeg aan hun liefde.«Zullen wij nu een zomerwoning betrekken of op reis gaan?» vroeg de bruidegom. En nu werd de raad van de zwaluw, die veel gereisd had, en van de oude kip, die vijfmaal kuikentjes uitgebroed had, ingeroepen. De zwaluw vertelde van de heerlijke warme landen, waar de druiven zoo groot en zwaar waren, waar de lucht zoo zacht was en de bergen kleuren hadden, zooals men ze hier niet zag.«Maar onze boerenkool hebben ze toch niet!» zei de kip. «Ikben een heelen zomer lang met al mijn kuikentjes op het land geweest; daar was een zandgroeve, waarin wij konden rondloopen en krabbelen; en dan hadden wij den toegang tot een tuin met boerenkool! O, wat was die lekker! Ik kan mij niets schooners voorstellen!»«Maar de eene koolstronk ziet er precies uit als de andere,» zei de zwaluw, «en dan is het hier dikwijls slecht weer.»«Ja, daaraan is men gewend!» zei de kip.«Maar hier is het koud en vriest het!»«Dat is goed voor de kool!» zei de kip. «Overigens kunnen we het hier ook wel warm hebben! Hebben wij niet vier jaren geleden, een zomer gehad, die vijf weken lang duurde? Het was zoo heet, dat men haast geen adem kon halen! En dan hebben wij hier niet al die vergiftige dieren, die ze daar hebben! En wij hebben hier geen last van roovers. Het is een booswicht, die niet vindt, dat ons land het mooiste is. Hij verdient waarlijk niet, hier te zijn!» En toen weende de kip en vervolgde: «Ik heb ook gereisd. Ik heb twaalf mijlen ver in een mand gereden! Ik vind niet veel plezier in het reizen!»«Ja, de kip is een verstandige vrouw!» zei pop Bertha. «Ik houd er niets van, bergen te beklimmen; want dat gaat maar op en dan weer neer. Neen, wij zullen naar de zandgroeve toe gaan en in den kooltuin rondwandelen!»En daarbij bleef het.Zaterdag.«Krijg ik nu sprookjes te hooren?» vroeg de kleine Hjalmar, zoodra Ole Luk-Oie hem in slaap gemaakt had.«Van avond hebben wij er geen tijd voor,» zei Ole Luk-Oie en spreidde zijn mooie paraplu over hem uit. «Bekijk deze Chineezen maar eens!» En de paraplu zag er uit, als een groote Chineesche schaal met blauwe boomen en smalle bruggen en met kleine Chineezen er op, die daar stonden en met het hoofd knikten. «Wij moeten de heele wereld tegen morgen mooi opgepronkt hebben,» zei Ole Luk-Oie, «het is dan immers een feestdag, het is Zondag. Ik wil naar de kerktorens toe om te zien, of de kleine kerkkaboutermannetjes de klokken wel polijsten, opdat zij mooi klinken. Ik wil naar buiten naar het veld en zien, of de winden het stof van gras en bladeren blazen; en wat nog het zwaarste werk is, ik zal al de sterren naar beneden halen, om ze op te poetsen. Ik neem ze in mijn schort; maar eerst moet aan ieder een nommer gegeven worden, en de gaten, waarin zij daarboven zitten, moeten ook genommerd worden, opdat zij weer op de rechte plaats komen, anders zouden zij niet vastzitten, en dan zouden wij te veel vallende sterren krijgen, want dan zou de een na de andere naar beneden rollen.»«Hoor eens! Weet je wat, mijnheer Ole Luk-Oie?» zei een oud portret, dat tegen den muur van het vertrek, waarin Hjalmar sliep, hing.«Ik ben Hjalmars overgrootvader! Ik dank u, dat ge den jongen sprookjes vertelt; maar ge moet zijn begrippen niet verwarren. De sterren kunnen niet naar beneden genomen en opgepoetst worden! De sterren zijn wereldbollen, evenals onze aarde en juist dat is het goede dat er aan is.»«Ik dank u wel, oude overgrootvader!» zei Ole Luk-Oie; «ik dank u wel! Gij zijt immers het hoofd der familie; maar ik ben toch ouder dan gij. Ik ben een oude heiden: Romeinen en Grieken noemden mij droomgod! Ik ben in de deftigste huizen geweest en kom er nog! Ik weet zoowel met geringen als met aanzienlijken om te gaan! Nu kunt gij vertellen.»—En daarop ging Ole Luk-Oie heen en nam zijn paraplu mee.«Nu, nu! Het schijnt, dat men niet eens meer voor zijn gevoelen mag uitkomen!» bromde het oude portret.Op dit oogenblik werd Hjalmar wakker.Zondag.«Goeden avond!» zei Ole Luk-Oie, en Hjalmar knikte hem toe en sprong toen weg en keerde het portret van zijn overgrootvader, dat tegen den muur hing, om, opdat het niet, evenals den vorigen nacht, zou meespreken.«Nu moet ge sprookjes vertellen: van de vijf groene erwten, die in één schil woonden, van den hanepoot, die aan den kippepoot het hof maakte, en van de stopnaald, die zich verbeelde dat zij een naainaald was.»«Men kan ook van het goede te veel krijgen!» zei Ole Luk-Oie. «Je weet immers wel, dat ik je het liefst wat laat zien! Ik zal je daarom mijn broeder eens laten kijken Deze heet ook Ole Luk-Oie, maar hij komt bij niemand meer dan eens, en wien hij bezoekt, dien neemt hij op zijn paard mee en vertelt hem sprookjes. Hij kent er maar twee; het eene is zoo prachtig schoon, als niemand op de wereld het zich kan voorstellen, en het andere is zoo leelijk en afschuwelijk, dat het niet om te beschrijven is!» Daarop tilde Ole Luk-Oie den kleinen Hjalmar naar het raam op en zei: «Daar zal je mijn broeder zien, den anderen Ole Luk-Oie! Ze noemen hem den dood! Zie je wel; hij ziet er volstrekt niet zoo leelijk uit als in de prentenboeken, waar hij maar een geraamte is! Neen, dat is zilveren borduursel, dat hij op zijn gewaad heeft, dat is de mooiste huzarenuniform; een mantel van zwart fluweel vliegt achter over het paard. Zie, hoe hij in galop rijdt!»En Hjalmar zag, hoe deze Ole Luk-Oie wegreed en zoowel jonge als oude lieden op zijn paard nam. Eenigen zette hij voorop, anderen achterop, maar altijd vroeg hij eerst: «Hoe staat het met het aanteekeningboek?»—«Goed!» zeiden zij allemaal.—«Ja, laat mij het zelf eens zien!» zeide hij, en dan moest ieder hem het boek laten zien, en al diegenen, die «Zeer goed» en «Uitmuntend» hadden, zette hij voorop het paard, en dezen kregen het mooie sprookje te hooren, maar die, welke «Tamelijk» en «Middelmatig» hadden,moesten achterop en kregen het leelijke sprookje te hooren, zij sidderden en weenden; zij wilden van het paard springen, maar konden het niet, want zij waren er dadelijk aan vastgegroeid.Maar de dood is immers de prachtigste Ole Luk-Oie!» zei Hjalmar. «Voor hem ben ik niet bang!»«Dat moet je ook niet zijn!» zei Ole Luk-Oie, «pas maar op, dat je een goed getuigenis krijgt.»«Ja, dat is leerrijk!» mompelde het portret van den overgrootvader. «Het helpt toch wel eens, als men zijn meening zegt.»En nu verklaarde hij zich tevreden.Zie, dat is de geschiedenis van Ole Luk-Oie; nu moet hij u zelf van avond maar meer vertellen.1Ole de Oogensluiter.
Er is niemand op de wereld, die zooveel sprookjes kent, als Ole Luk-Oie.1—Die heeft eerst slag van vertellen!
Tegen den avond, als de kinderen nog aan tafel of op hun stoeltje zitten, komt Ole Luk-Oie. Hij klimt zachtjes de trap op, want hij loopt op kousen: hij doet de deur heel zachtjes open en fuut! daar spuit hij de kinderen zoete melk in de oogen, en wel met een heel fijn straaltje, maar toch altijd genoeg, om te maken, dat zij de oogen niet kunnen openhouden en hem dus ook niet zien. Hij sluipt achter hen, blaast hun zachtjes in den nek, en daardoor wordt het hun zwaar in het hoofd. Maar het doet geenpijn, want Ole Luk-Oie meent het goed met de kinderen; hij wil alleen maar, dat zij stil zullen zijn, en dat zijn zij eerst, als men ze naar bed gebracht heeft; zij moeten stil zijn, opdat hij hun sprookjes kan vertellen.
Als de kinderen dan slapen, zet Ole Luk-Oie zich op hun bed neer. Hij is goed gekleed, zijn jas is van zijde, maar het valt onmogelijk te zeggen, van welke kleur zij is; want zij heeft een groenen, rooden en blauwen glans, al naardat hij zich draait. Onder iederen arm houdt hij een paraplu; de eene, met allerlei beelden er op, spant hij over de zoete kinderen uit, en dan droomen zij den heelen nacht de heerlijkste sprookjes; maar de andere paraplu, waarop niets hoegenaamd staat, spreidt hij boven de stoute kinderen uit, dan slapen zij en hebben ’s morgens, als zij wakker worden, niet het minste gedroomd.
Nu zullen we eens hooren, hoe Ole Luk-Oie op iederen avond van een week bij een kleinen jongen, Hjalmar geheeten, kwam, en wat hij hem vertelde. Het zijn zeven verhaaltjes; want er zijn zeven dagen in de week.
Maandag.«Hoor eens!» zei Ole Luk-Oie des avonds, toen hij Hjalmar naar bed gebracht had; «ik zal alles eens oppronken!» En nu werden al de bloemen in de bloempotten tot groote boomen, die hun lange takken onder de zoldering en langs de muren der kamer uitstrekten, zoodat de heele kamer er als een prachtig buitenverblijf uitzag; al de takken zaten vol bloemen, en iedere bloem was nog schooner dan een roos, gaf een liefelijken geur van zich, en als men ze wilde eten, dan smaakten zij overheerlijk. De vruchten fonkelden als goud, en er was koek, die vol rozijnen zat. Het was onvergelijkelijk schoon! Maar tegelijkertijd klonk er een verschrikkelijkgejammer uit de tafellade waarin de schoolboeken van Hjalmar lagen.«Wat is dat toch?» vroeg Ole Luk-Oie en ging naar de tafel toe en schoof de lade open. Het was de rekenlei, waarop gekrast werd, want er was een verkeerd cijfer in de som gekomen, zoodat het niet veel scheelde, of zij viel geheel uit elkaar; de griffel huppelde en sprong tegen de lijst van de lei op, alsof het een kleine hond was, die aan de som wilde helpen; maar hij kon dit niet.—En toen jammerde het ook in het schrijfboek van Hjalmar. O, dat was vreeselijk om aan te hooren! Op iedere bladzijde stonden van boven naar beneden de groote letters, en naast iedere groote letter stond een kleine; dat was het voorbeeld; en naast deze stonden weer eenige letters, die er eveneens dachten uit te zien, en deze had Hjalmar geschreven; maar zij lagen bijna, alsof zij over de potloodlijnen, waarop zij moesten staan, gevallen waren.«Zie, zoo moet je je houden!» zei het voorbeeld. «Kijk eens! Zoo in een schuinsche richting, met een fermen zwaai!»«O, wij zouden het graag willen,» zeiden de letters van Hjalmar; «maar wij kunnen niet; wij zijn te zwak!»«Dan moet je wat innemen!» zei Ole Luk-Oie.«O neen!» riepen zij uit, en nu stonden zij zoo geregeld, dat het een lust was om te zien.«Ja, nu kunnen wij geen sprookjes vertellen!» zei Ole Luk-Oie; «nu moet ik ze laten exerceeren! Een, twee! Een, twee!» en zoo liet hij de letters exerceeren; en zij stonden zoo mooi, als ze maar op een voorbeeld kunnen staan. Maar toen Ole Luk-Oie wegging en Hjalmar ze ’s morgens bekeek, toen waren zij even gebrekkig en jammerlijk als vroeger.
«Hoor eens!» zei Ole Luk-Oie des avonds, toen hij Hjalmar naar bed gebracht had; «ik zal alles eens oppronken!» En nu werden al de bloemen in de bloempotten tot groote boomen, die hun lange takken onder de zoldering en langs de muren der kamer uitstrekten, zoodat de heele kamer er als een prachtig buitenverblijf uitzag; al de takken zaten vol bloemen, en iedere bloem was nog schooner dan een roos, gaf een liefelijken geur van zich, en als men ze wilde eten, dan smaakten zij overheerlijk. De vruchten fonkelden als goud, en er was koek, die vol rozijnen zat. Het was onvergelijkelijk schoon! Maar tegelijkertijd klonk er een verschrikkelijkgejammer uit de tafellade waarin de schoolboeken van Hjalmar lagen.
«Wat is dat toch?» vroeg Ole Luk-Oie en ging naar de tafel toe en schoof de lade open. Het was de rekenlei, waarop gekrast werd, want er was een verkeerd cijfer in de som gekomen, zoodat het niet veel scheelde, of zij viel geheel uit elkaar; de griffel huppelde en sprong tegen de lijst van de lei op, alsof het een kleine hond was, die aan de som wilde helpen; maar hij kon dit niet.—En toen jammerde het ook in het schrijfboek van Hjalmar. O, dat was vreeselijk om aan te hooren! Op iedere bladzijde stonden van boven naar beneden de groote letters, en naast iedere groote letter stond een kleine; dat was het voorbeeld; en naast deze stonden weer eenige letters, die er eveneens dachten uit te zien, en deze had Hjalmar geschreven; maar zij lagen bijna, alsof zij over de potloodlijnen, waarop zij moesten staan, gevallen waren.
«Zie, zoo moet je je houden!» zei het voorbeeld. «Kijk eens! Zoo in een schuinsche richting, met een fermen zwaai!»
«O, wij zouden het graag willen,» zeiden de letters van Hjalmar; «maar wij kunnen niet; wij zijn te zwak!»
«Dan moet je wat innemen!» zei Ole Luk-Oie.
«O neen!» riepen zij uit, en nu stonden zij zoo geregeld, dat het een lust was om te zien.
«Ja, nu kunnen wij geen sprookjes vertellen!» zei Ole Luk-Oie; «nu moet ik ze laten exerceeren! Een, twee! Een, twee!» en zoo liet hij de letters exerceeren; en zij stonden zoo mooi, als ze maar op een voorbeeld kunnen staan. Maar toen Ole Luk-Oie wegging en Hjalmar ze ’s morgens bekeek, toen waren zij even gebrekkig en jammerlijk als vroeger.
Dinsdag.Zoodra Hjalmar te bed gegaan was, raakte Ole Luk-Oie al de meubelen in de kamer met zijn kleinen tooverstaf aan, en nu begonnen zij te gelijk te praten, en spraken allemaal over zich zelf met uitzondering van het kwispedoor, dat daar zwijgend stond en er zich over ergerde, dat zij zoo ijdel konden zijn om slechts over zich zelf te spreken, slechts aan zich zelf te denken, en volstrekt geen notitie te nemen van dengene, die toch zoo bescheiden in den hoek stond en zich liet bespuwen.Boven de latafel hing een groot schilderij in een vergulde lijst; dat was een landschap; men zag daarop hooge, oude boomen, bloemen in het gras en een breede rivier, die om het bosch heen vloeide, voorbij vele kasteelen, en ver weg in de woeste zee.Ole Luk-Oie raakte het schilderij met zijn tooverstaf aan, en nu begonnen de vogels, die daarop afgebeeld stonden, te zingen, de boomtakken bewogen zich, en de wolken trokken weg; men kon haar schaduw over het landschap zien heenglijden.Nu tilde Ole Luk-Oie den kleinen Hjalmar naar de lijst op enzette zijn voeten op het schilderij neer, vlak in het hooge gras; daar stond hij nu. De zon bescheen hem door de takken der boomen. Hij liep naar het water toe en ging in een kleine boot, die daar lag, zitten; deze was rood en wit geverfd, het zeil schitterde als zilver, en zes zwanen, alle met gouden kroontjes en een fonkelende blauwe ster op den kop, trokken de boot voorbij het groene bosch, waar de boomen van roovers en heksen en de bloemen van de liefelijke kleine elfen, en van datgene, wat de kapelletjes haar gezegd hadden, vertelden.De prachtigste visschen, met schubben als zilver en goud, zwommen de boot achterna; nu en dan deden zij een sprong, zoodat het in het water plaste, en vogels, rood en blauw, klein en groot, vlogen in twee lange rijen achteraan; de muggen dansten en de meikevers gonsden. Zij wilden Hjalmar altemaal volgen, en ieder had een sprookje te vertellen.Dat was een plezierig tochtje! Nu eens waren de bosschen dicht en donker, dan weer waren zij als de heerlijkste tuin vol zonneschijn en bloemen; daar stonden groote kasteelen van glas en van marmer: op de balkons stonden prinsessen, en dit waren allemaal kleine meisjes, die Hjalmar goed kende; hij had vroeger met haar gespeeld. Elk van dezen strekte de handen naar hem uit en hield hem het lekkerste hart van suiker voor, dat een koekenbakker ooit verkocht heeft; en Hjalmar, pakte elk suikerhart beet, terwijl hij voorbijvoer, en de prinses hield het goed vast, en zoo kreeg ieder een stuk: zij het kleinste en Hjalmar het grootste. Bij ieder kasteel stonden kleine prinsen op schildwacht; zij droegen gouden sabeltjes en lieten het rozijnen en tinnen soldaten regenen; men kon het hun wel aanzien, dat het echte prinsen waren.Nu eens zeilde Hjalmar door bosschen, dan weer door groote zalen of midden door een stad; hij kwam ook door die, waarin de kindermeid woonde, die hem gedragen had, toen hij nog een heel klein kind was, en die altijd zoo goed voor hem geweest was; zij knikte hem toe en wenkte hem en zong het kleine vers, dat zij zelf gemaakt en aan Hjalmar gezonden had:Uw beeld, mijn Hjalmar, mij zoo lief,Zal nooit mijn hart ontglippen;Ik gaf u kussen zonder talOp voorhoofd, mond en lippen.’k Hoorde uit uw mond het eerste woordMij staamlend tegenklinken.Vaarwel! Gods zegen hoede u steeds,Moog’ immer voor u blinken!En al de vogels zongen mee, de bloemen dansten op de stelen, en de oude boomen knikten, alsof Ole Luk-Oie hun ook sprookjes vertelde.
Zoodra Hjalmar te bed gegaan was, raakte Ole Luk-Oie al de meubelen in de kamer met zijn kleinen tooverstaf aan, en nu begonnen zij te gelijk te praten, en spraken allemaal over zich zelf met uitzondering van het kwispedoor, dat daar zwijgend stond en er zich over ergerde, dat zij zoo ijdel konden zijn om slechts over zich zelf te spreken, slechts aan zich zelf te denken, en volstrekt geen notitie te nemen van dengene, die toch zoo bescheiden in den hoek stond en zich liet bespuwen.
Boven de latafel hing een groot schilderij in een vergulde lijst; dat was een landschap; men zag daarop hooge, oude boomen, bloemen in het gras en een breede rivier, die om het bosch heen vloeide, voorbij vele kasteelen, en ver weg in de woeste zee.
Ole Luk-Oie raakte het schilderij met zijn tooverstaf aan, en nu begonnen de vogels, die daarop afgebeeld stonden, te zingen, de boomtakken bewogen zich, en de wolken trokken weg; men kon haar schaduw over het landschap zien heenglijden.
Nu tilde Ole Luk-Oie den kleinen Hjalmar naar de lijst op enzette zijn voeten op het schilderij neer, vlak in het hooge gras; daar stond hij nu. De zon bescheen hem door de takken der boomen. Hij liep naar het water toe en ging in een kleine boot, die daar lag, zitten; deze was rood en wit geverfd, het zeil schitterde als zilver, en zes zwanen, alle met gouden kroontjes en een fonkelende blauwe ster op den kop, trokken de boot voorbij het groene bosch, waar de boomen van roovers en heksen en de bloemen van de liefelijke kleine elfen, en van datgene, wat de kapelletjes haar gezegd hadden, vertelden.
De prachtigste visschen, met schubben als zilver en goud, zwommen de boot achterna; nu en dan deden zij een sprong, zoodat het in het water plaste, en vogels, rood en blauw, klein en groot, vlogen in twee lange rijen achteraan; de muggen dansten en de meikevers gonsden. Zij wilden Hjalmar altemaal volgen, en ieder had een sprookje te vertellen.
Dat was een plezierig tochtje! Nu eens waren de bosschen dicht en donker, dan weer waren zij als de heerlijkste tuin vol zonneschijn en bloemen; daar stonden groote kasteelen van glas en van marmer: op de balkons stonden prinsessen, en dit waren allemaal kleine meisjes, die Hjalmar goed kende; hij had vroeger met haar gespeeld. Elk van dezen strekte de handen naar hem uit en hield hem het lekkerste hart van suiker voor, dat een koekenbakker ooit verkocht heeft; en Hjalmar, pakte elk suikerhart beet, terwijl hij voorbijvoer, en de prinses hield het goed vast, en zoo kreeg ieder een stuk: zij het kleinste en Hjalmar het grootste. Bij ieder kasteel stonden kleine prinsen op schildwacht; zij droegen gouden sabeltjes en lieten het rozijnen en tinnen soldaten regenen; men kon het hun wel aanzien, dat het echte prinsen waren.
Nu eens zeilde Hjalmar door bosschen, dan weer door groote zalen of midden door een stad; hij kwam ook door die, waarin de kindermeid woonde, die hem gedragen had, toen hij nog een heel klein kind was, en die altijd zoo goed voor hem geweest was; zij knikte hem toe en wenkte hem en zong het kleine vers, dat zij zelf gemaakt en aan Hjalmar gezonden had:
Uw beeld, mijn Hjalmar, mij zoo lief,Zal nooit mijn hart ontglippen;Ik gaf u kussen zonder talOp voorhoofd, mond en lippen.
Uw beeld, mijn Hjalmar, mij zoo lief,
Zal nooit mijn hart ontglippen;
Ik gaf u kussen zonder tal
Op voorhoofd, mond en lippen.
’k Hoorde uit uw mond het eerste woordMij staamlend tegenklinken.Vaarwel! Gods zegen hoede u steeds,Moog’ immer voor u blinken!
’k Hoorde uit uw mond het eerste woord
Mij staamlend tegenklinken.
Vaarwel! Gods zegen hoede u steeds,
Moog’ immer voor u blinken!
En al de vogels zongen mee, de bloemen dansten op de stelen, en de oude boomen knikten, alsof Ole Luk-Oie hun ook sprookjes vertelde.
Woensdag.O, wat stroomde de regen daar buiten neer! Hjalmar kon het in zijn slaap hooren; en toen Ole Luk-Oie een raam openschoof, stond het water tot aan het kozijn toe; het was daar buiten een heele zee, maar het prachtigste schip lag dicht bij het huis.«Wil je meezeilen, kleine Hjalmar?» vroeg Ole Luk-Oie. «Dan kun je van nacht naar vreemde landen toe gaan en morgen weer hier zijn!»Daar stond Hjalmar plotseling in zijn Zondagskleeren midden op het prachtige schip; terstond werd het weer mooi, en zij zeilden door de straten, kruisten om de kerk, en nu was alles een groote, woeste zee. Zij zeilden zoo lang, totdat er geen land meer te ontdekken was, en zij zagen een troep ooievaars; deze kwamen ook uit hun vaderland en wilden naar de warme landen toe; de eene ooievaar vloog altijd achter den anderen aan, en zij hadden al ver, heel ver gevlogen! Een hunner was zoo vermoeid, dat zijn vleugels hem tenauwernood meer vermochten te dragen; hij was de laatste in de rij, en al spoedig bleef hij een heel eind achter; eindelijk daalde hij met uitgespreide vleugels al dieper en dieper; hij deed nog een paar slagen met de vleugels, maar het hielp niets; nu raakte hij met zijn pooten het touwwerk van het schip aan, daarop gleed hij van het zeil af, en bom! daar stond hij op het verdek.Nu nam de kajuitsjongen hem en zette hem in het kippenhok bij de kippen, eenden en kalkoensche hanen; de arme ooievaar stond verlegen in hun midden.«Kijk dien eens aan!» zeiden al de kippen.En de kalkoensche haan blies zich zoo dik op, als hij maar kon, en vroeg, wie hij was; de eenden snaterden, en de ooievaar vertelde van het warme Afrika, van de piramiden en van den struisvogel, die, als een wild paard, de woestijn doorliep; maar de eenden verstonden niet, wat hij vertelde, en toen zeiden zij tegen elkander: «Wij zijn het er immers allemaal over eens, dat hij dom is!»«Ja, zeker is hij dom!» zei de kalkoensche haan, en toen klokte hij. Nu zweeg de ooievaar en dacht aan zijn Afrika.«Dat zijn prachtige dunne pooten, die je hebt!» zei de kalkoensche haan. «Wat kost een el daarvan?»«Skrat, skrat, skrat!» grijnsden al de eenden; maar de ooievaar deed, alsof hij het niet hoorde.«Je kunt gerust meelachen,» zei de kalkoensche haan tegen hem; «want het was heel geestig gezegd. Of was het je misschien te hoog? Ach, hij is niet veelzijdig! Wij zullen onze aardigheden maar voor ons zelf houden!» En toen klokte hij, en de eenden snaterden. Het was verschrikkelijk, zoo’n plezier als zij hadden.Maar Hjalmar ging naar het kippenhok toe, deed het deurtje daarvan open, riep den ooievaar, en nu huppelde hij naar hem toe op het verdek. Nu was hij immers uitgerust, en het was, alsof hij Hjalmar toeknikte om hem te bedanken. Daarop ontplooide hij zijnvleugels en vloog naar de warme landen; maar de kippen kakelden, de eenden snaterden, en de kalkoensche haan werd vuurrood aan zijn kop.«Morgen zullen we soep van je koken!» zeide Hjalmar, en dit zeggende, werd hij wakker en lag in zijn bedje. Het was toch een zonderlinge reis, die Ole Luk-Oie hem dezen nacht had laten doen!
O, wat stroomde de regen daar buiten neer! Hjalmar kon het in zijn slaap hooren; en toen Ole Luk-Oie een raam openschoof, stond het water tot aan het kozijn toe; het was daar buiten een heele zee, maar het prachtigste schip lag dicht bij het huis.
«Wil je meezeilen, kleine Hjalmar?» vroeg Ole Luk-Oie. «Dan kun je van nacht naar vreemde landen toe gaan en morgen weer hier zijn!»
Daar stond Hjalmar plotseling in zijn Zondagskleeren midden op het prachtige schip; terstond werd het weer mooi, en zij zeilden door de straten, kruisten om de kerk, en nu was alles een groote, woeste zee. Zij zeilden zoo lang, totdat er geen land meer te ontdekken was, en zij zagen een troep ooievaars; deze kwamen ook uit hun vaderland en wilden naar de warme landen toe; de eene ooievaar vloog altijd achter den anderen aan, en zij hadden al ver, heel ver gevlogen! Een hunner was zoo vermoeid, dat zijn vleugels hem tenauwernood meer vermochten te dragen; hij was de laatste in de rij, en al spoedig bleef hij een heel eind achter; eindelijk daalde hij met uitgespreide vleugels al dieper en dieper; hij deed nog een paar slagen met de vleugels, maar het hielp niets; nu raakte hij met zijn pooten het touwwerk van het schip aan, daarop gleed hij van het zeil af, en bom! daar stond hij op het verdek.
Nu nam de kajuitsjongen hem en zette hem in het kippenhok bij de kippen, eenden en kalkoensche hanen; de arme ooievaar stond verlegen in hun midden.
«Kijk dien eens aan!» zeiden al de kippen.
En de kalkoensche haan blies zich zoo dik op, als hij maar kon, en vroeg, wie hij was; de eenden snaterden, en de ooievaar vertelde van het warme Afrika, van de piramiden en van den struisvogel, die, als een wild paard, de woestijn doorliep; maar de eenden verstonden niet, wat hij vertelde, en toen zeiden zij tegen elkander: «Wij zijn het er immers allemaal over eens, dat hij dom is!»
«Ja, zeker is hij dom!» zei de kalkoensche haan, en toen klokte hij. Nu zweeg de ooievaar en dacht aan zijn Afrika.
«Dat zijn prachtige dunne pooten, die je hebt!» zei de kalkoensche haan. «Wat kost een el daarvan?»
«Skrat, skrat, skrat!» grijnsden al de eenden; maar de ooievaar deed, alsof hij het niet hoorde.
«Je kunt gerust meelachen,» zei de kalkoensche haan tegen hem; «want het was heel geestig gezegd. Of was het je misschien te hoog? Ach, hij is niet veelzijdig! Wij zullen onze aardigheden maar voor ons zelf houden!» En toen klokte hij, en de eenden snaterden. Het was verschrikkelijk, zoo’n plezier als zij hadden.
Maar Hjalmar ging naar het kippenhok toe, deed het deurtje daarvan open, riep den ooievaar, en nu huppelde hij naar hem toe op het verdek. Nu was hij immers uitgerust, en het was, alsof hij Hjalmar toeknikte om hem te bedanken. Daarop ontplooide hij zijnvleugels en vloog naar de warme landen; maar de kippen kakelden, de eenden snaterden, en de kalkoensche haan werd vuurrood aan zijn kop.
«Morgen zullen we soep van je koken!» zeide Hjalmar, en dit zeggende, werd hij wakker en lag in zijn bedje. Het was toch een zonderlinge reis, die Ole Luk-Oie hem dezen nacht had laten doen!
Donderdag.«Weet je wat?» zei Ole Luk-Oie. «Word maar niet bang! Hier zul je een kleine muis zien!» En toen strekte hij zijn hand, waarin hij het lichte, aardige diertje hield, naar hem uit. «Zij is gekomen om je op de bruiloft te noodigen. Er zijn twee kleine muizen, die van nacht in het huwelijk willen treden. Zij wonen onder den vloer van je moeders provisiekamer: dat moet een mooie woning zijn!»«Maar hoe kan ik door het kleine muizengat in den vloer kruipen?» vroeg Hjalmar.«Laat dat maar aan mij over!» zei Ole Luk-Oie. «Ik zal je wel klein maken!»En nu raakte hij Hjalmar met zijn tooverstaf aan, waarop deze dadelijk al kleiner en kleiner werd. Eindelijk was hij geen vinger lang. «Nu kun je de kleeren van den tinnen soldaat wel leenen; ik denk, dat die je wel zullen passen, en het staat goed, een uniform aan te hebben, als men in gezelschap is.»«Dat is ook zoo!» zei Hjalmar en was in een oogenblik als een tinnen soldaat gekleed.«Wilt ge nu maar zoo goed zijn, in den vingerhoed van uw moeder te gaan zitten?» zei de kleine muis; «dan zal ik de eer hebben, u er naar toe te trekken.»«Wilt gij u daarmee zelf belasten?» zeide Hjalmar, en zoo reden zij naar de muizenbruiloft.Eerst kwamen zij onder den vloer in een lange gang, die echter niet hooger was, dan dat zij er juist met den vingerhoed doorheen konden komen, en de heele gang was met verrot hout geïllumineerd.«Ruikt het hier niet heerlijk?» vroeg de muis, die hem voorttrok. «De heele gang is met zwoorden van spek besmeerd! Er kan niets geurigers zijn!»Nu traden zij de bruiloftszaal binnen. Hier stonden aan de rechterhand al de kleine muizendames; dezen fluisterden en ginnegapten, alsof zij elkaar voor den gek hielden. Aan de linkerhand stonden al de muizenheeren en streken met hun poot langs hun snorbaard; midden in de zaal zag men het bruidspaar; dit stond in een uitgeholde korst kaas en kuste elkaar verschrikkelijk ten aanschouwe van allen, want zij waren immers met elkander verloofd en zouden aanstonds bruiloft houden.Er kwamen gedurig meer vreemden; het scheelde niet veel, of de eene muis trapte de andere dood, en het bruidspaar had zich vlak voor de deur geplaatst, zoodat men er noch uit noch in kon komen. De heele kamer was evenals de gang met zwoorden van spek ingesmeerd; daarin bestond het geheele gastmaal: maar aan het dessert werd er een erwt vertoond, waarin een muis uit de familie den naam van het bruidspaar ingebeten had, namelijk de eerste letters. Dat was iets buitengewoons!Al de muizen zeiden, dat het een vroolijke bruiloft was, en dat de gesprekken zeer onderhoudend waren geweest.Daarop reed Hjalmar weer naar huis; hij was waarlijk in deftig gezelschap geweest; maar hij had zich ook erg moeten inkrimpen, zich klein maken en een tinnen-soldatenuniform aantrekken.
«Weet je wat?» zei Ole Luk-Oie. «Word maar niet bang! Hier zul je een kleine muis zien!» En toen strekte hij zijn hand, waarin hij het lichte, aardige diertje hield, naar hem uit. «Zij is gekomen om je op de bruiloft te noodigen. Er zijn twee kleine muizen, die van nacht in het huwelijk willen treden. Zij wonen onder den vloer van je moeders provisiekamer: dat moet een mooie woning zijn!»
«Maar hoe kan ik door het kleine muizengat in den vloer kruipen?» vroeg Hjalmar.
«Laat dat maar aan mij over!» zei Ole Luk-Oie. «Ik zal je wel klein maken!»En nu raakte hij Hjalmar met zijn tooverstaf aan, waarop deze dadelijk al kleiner en kleiner werd. Eindelijk was hij geen vinger lang. «Nu kun je de kleeren van den tinnen soldaat wel leenen; ik denk, dat die je wel zullen passen, en het staat goed, een uniform aan te hebben, als men in gezelschap is.»
«Dat is ook zoo!» zei Hjalmar en was in een oogenblik als een tinnen soldaat gekleed.
«Wilt ge nu maar zoo goed zijn, in den vingerhoed van uw moeder te gaan zitten?» zei de kleine muis; «dan zal ik de eer hebben, u er naar toe te trekken.»
«Wilt gij u daarmee zelf belasten?» zeide Hjalmar, en zoo reden zij naar de muizenbruiloft.
Eerst kwamen zij onder den vloer in een lange gang, die echter niet hooger was, dan dat zij er juist met den vingerhoed doorheen konden komen, en de heele gang was met verrot hout geïllumineerd.
«Ruikt het hier niet heerlijk?» vroeg de muis, die hem voorttrok. «De heele gang is met zwoorden van spek besmeerd! Er kan niets geurigers zijn!»
Nu traden zij de bruiloftszaal binnen. Hier stonden aan de rechterhand al de kleine muizendames; dezen fluisterden en ginnegapten, alsof zij elkaar voor den gek hielden. Aan de linkerhand stonden al de muizenheeren en streken met hun poot langs hun snorbaard; midden in de zaal zag men het bruidspaar; dit stond in een uitgeholde korst kaas en kuste elkaar verschrikkelijk ten aanschouwe van allen, want zij waren immers met elkander verloofd en zouden aanstonds bruiloft houden.
Er kwamen gedurig meer vreemden; het scheelde niet veel, of de eene muis trapte de andere dood, en het bruidspaar had zich vlak voor de deur geplaatst, zoodat men er noch uit noch in kon komen. De heele kamer was evenals de gang met zwoorden van spek ingesmeerd; daarin bestond het geheele gastmaal: maar aan het dessert werd er een erwt vertoond, waarin een muis uit de familie den naam van het bruidspaar ingebeten had, namelijk de eerste letters. Dat was iets buitengewoons!
Al de muizen zeiden, dat het een vroolijke bruiloft was, en dat de gesprekken zeer onderhoudend waren geweest.
Daarop reed Hjalmar weer naar huis; hij was waarlijk in deftig gezelschap geweest; maar hij had zich ook erg moeten inkrimpen, zich klein maken en een tinnen-soldatenuniform aantrekken.
Vrijdag.«Het is ongeloofelijk, hoeveel oudere menschen er zijn, die mij zoo heel graag zouden willen hebben,» zeide Ole Luk-Oie. «Dat zijn inzonderheid diegenen, die het een of ander kwaad gedaanhebben. «Goede, kleine Ole!» zeggen zij tegen mij, «wij kunnen de oogen niet dichtdoen, en zoo liggen wij den heelen nacht en zien al onze booze daden, die als kleine leelijke kaboutermannetjes op den rand van het bed zitten en ons met heet water bespuiten; mocht gij maar komen en ze wegjagen, dan zouden wij gerust kunnen slapen.» Daarop slaken zij een diepen zucht. «Wij zouden er waarlijk graag voor betalen. Goeden nacht, Ole! het geld ligt in het kozijn!» Maar ik doe het niet voor geld!» zegt Ole Luk-Oie.«Wat zullen we nu van nacht te zien krijgen?» vroeg Hjalmar.«Ja, ik weet niet, of je van nacht wel weer lust hebt om naar een bruiloft toe te gaan; het is een heel ander soort van bruiloft dan die van gisteren. De groote pop van je zusje, die, welke er als man uitziet en Herman genoemd wordt, wil met pop Bertha in het huwelijk treden. Het is bovendien de verjaardag van de pop, en daarom zullen zij zeer veel geschenken krijgen!»«Ja, daar weet ik alles van!» zeide Hjalmar. «Als de poppen nieuwe kleeren noodig hebben, dan laat mijn zusje ze altijd haar verjaardag vieren of bruiloft houden; dat is zeker al honderdmaal gebeurd!»«Ja, maar van nacht is het de honderd eerste bruiloft, en als honderd een uit is, dan is alles voorbij! Daarom wordt deze ook zoo prachtig. Kijk maar eens!»En Hjalmar keek naar de tafel. Daar stond het kleine bordpapieren huis met licht voor de ramen, en buiten daarvoor presenteerden alle tinnen soldaten het geweer. Het bruidspaar zat in gedachten verdiept, waarvoor het wel reden had, op den grond en leunde tegen den poot der tafel aan. Maar Ole Luk-Oie, die in den zwarten rok der grootmoeder gekleed was, trouwde ze. Toen de trouwplechtigheid afgeloopen was, hieven al de meubelen in de kamer het volgende mooie lied aan, dat door het potlood geschreven was:Hoog klink’ ons lied, gelijk de wind,Voor ’t bruidspaar, dat zich saam verbindt!Zij pralen beiden, stijf en blind,Van leer, dat men niet mooier vindt.Hoera! al zijn ze doof en blind,Wij zijn tot zingen thans gezind!En nu kregen zij geschenken; maar zij hadden verzocht van alle eetwaren verschoond te blijven, want zij hadden genoeg aan hun liefde.«Zullen wij nu een zomerwoning betrekken of op reis gaan?» vroeg de bruidegom. En nu werd de raad van de zwaluw, die veel gereisd had, en van de oude kip, die vijfmaal kuikentjes uitgebroed had, ingeroepen. De zwaluw vertelde van de heerlijke warme landen, waar de druiven zoo groot en zwaar waren, waar de lucht zoo zacht was en de bergen kleuren hadden, zooals men ze hier niet zag.«Maar onze boerenkool hebben ze toch niet!» zei de kip. «Ikben een heelen zomer lang met al mijn kuikentjes op het land geweest; daar was een zandgroeve, waarin wij konden rondloopen en krabbelen; en dan hadden wij den toegang tot een tuin met boerenkool! O, wat was die lekker! Ik kan mij niets schooners voorstellen!»«Maar de eene koolstronk ziet er precies uit als de andere,» zei de zwaluw, «en dan is het hier dikwijls slecht weer.»«Ja, daaraan is men gewend!» zei de kip.«Maar hier is het koud en vriest het!»«Dat is goed voor de kool!» zei de kip. «Overigens kunnen we het hier ook wel warm hebben! Hebben wij niet vier jaren geleden, een zomer gehad, die vijf weken lang duurde? Het was zoo heet, dat men haast geen adem kon halen! En dan hebben wij hier niet al die vergiftige dieren, die ze daar hebben! En wij hebben hier geen last van roovers. Het is een booswicht, die niet vindt, dat ons land het mooiste is. Hij verdient waarlijk niet, hier te zijn!» En toen weende de kip en vervolgde: «Ik heb ook gereisd. Ik heb twaalf mijlen ver in een mand gereden! Ik vind niet veel plezier in het reizen!»«Ja, de kip is een verstandige vrouw!» zei pop Bertha. «Ik houd er niets van, bergen te beklimmen; want dat gaat maar op en dan weer neer. Neen, wij zullen naar de zandgroeve toe gaan en in den kooltuin rondwandelen!»En daarbij bleef het.
«Het is ongeloofelijk, hoeveel oudere menschen er zijn, die mij zoo heel graag zouden willen hebben,» zeide Ole Luk-Oie. «Dat zijn inzonderheid diegenen, die het een of ander kwaad gedaanhebben. «Goede, kleine Ole!» zeggen zij tegen mij, «wij kunnen de oogen niet dichtdoen, en zoo liggen wij den heelen nacht en zien al onze booze daden, die als kleine leelijke kaboutermannetjes op den rand van het bed zitten en ons met heet water bespuiten; mocht gij maar komen en ze wegjagen, dan zouden wij gerust kunnen slapen.» Daarop slaken zij een diepen zucht. «Wij zouden er waarlijk graag voor betalen. Goeden nacht, Ole! het geld ligt in het kozijn!» Maar ik doe het niet voor geld!» zegt Ole Luk-Oie.
«Wat zullen we nu van nacht te zien krijgen?» vroeg Hjalmar.
«Ja, ik weet niet, of je van nacht wel weer lust hebt om naar een bruiloft toe te gaan; het is een heel ander soort van bruiloft dan die van gisteren. De groote pop van je zusje, die, welke er als man uitziet en Herman genoemd wordt, wil met pop Bertha in het huwelijk treden. Het is bovendien de verjaardag van de pop, en daarom zullen zij zeer veel geschenken krijgen!»
«Ja, daar weet ik alles van!» zeide Hjalmar. «Als de poppen nieuwe kleeren noodig hebben, dan laat mijn zusje ze altijd haar verjaardag vieren of bruiloft houden; dat is zeker al honderdmaal gebeurd!»
«Ja, maar van nacht is het de honderd eerste bruiloft, en als honderd een uit is, dan is alles voorbij! Daarom wordt deze ook zoo prachtig. Kijk maar eens!»
En Hjalmar keek naar de tafel. Daar stond het kleine bordpapieren huis met licht voor de ramen, en buiten daarvoor presenteerden alle tinnen soldaten het geweer. Het bruidspaar zat in gedachten verdiept, waarvoor het wel reden had, op den grond en leunde tegen den poot der tafel aan. Maar Ole Luk-Oie, die in den zwarten rok der grootmoeder gekleed was, trouwde ze. Toen de trouwplechtigheid afgeloopen was, hieven al de meubelen in de kamer het volgende mooie lied aan, dat door het potlood geschreven was:
Hoog klink’ ons lied, gelijk de wind,Voor ’t bruidspaar, dat zich saam verbindt!Zij pralen beiden, stijf en blind,Van leer, dat men niet mooier vindt.Hoera! al zijn ze doof en blind,Wij zijn tot zingen thans gezind!
Hoog klink’ ons lied, gelijk de wind,
Voor ’t bruidspaar, dat zich saam verbindt!
Zij pralen beiden, stijf en blind,
Van leer, dat men niet mooier vindt.
Hoera! al zijn ze doof en blind,
Wij zijn tot zingen thans gezind!
En nu kregen zij geschenken; maar zij hadden verzocht van alle eetwaren verschoond te blijven, want zij hadden genoeg aan hun liefde.
«Zullen wij nu een zomerwoning betrekken of op reis gaan?» vroeg de bruidegom. En nu werd de raad van de zwaluw, die veel gereisd had, en van de oude kip, die vijfmaal kuikentjes uitgebroed had, ingeroepen. De zwaluw vertelde van de heerlijke warme landen, waar de druiven zoo groot en zwaar waren, waar de lucht zoo zacht was en de bergen kleuren hadden, zooals men ze hier niet zag.
«Maar onze boerenkool hebben ze toch niet!» zei de kip. «Ikben een heelen zomer lang met al mijn kuikentjes op het land geweest; daar was een zandgroeve, waarin wij konden rondloopen en krabbelen; en dan hadden wij den toegang tot een tuin met boerenkool! O, wat was die lekker! Ik kan mij niets schooners voorstellen!»
«Maar de eene koolstronk ziet er precies uit als de andere,» zei de zwaluw, «en dan is het hier dikwijls slecht weer.»
«Ja, daaraan is men gewend!» zei de kip.
«Maar hier is het koud en vriest het!»
«Dat is goed voor de kool!» zei de kip. «Overigens kunnen we het hier ook wel warm hebben! Hebben wij niet vier jaren geleden, een zomer gehad, die vijf weken lang duurde? Het was zoo heet, dat men haast geen adem kon halen! En dan hebben wij hier niet al die vergiftige dieren, die ze daar hebben! En wij hebben hier geen last van roovers. Het is een booswicht, die niet vindt, dat ons land het mooiste is. Hij verdient waarlijk niet, hier te zijn!» En toen weende de kip en vervolgde: «Ik heb ook gereisd. Ik heb twaalf mijlen ver in een mand gereden! Ik vind niet veel plezier in het reizen!»
«Ja, de kip is een verstandige vrouw!» zei pop Bertha. «Ik houd er niets van, bergen te beklimmen; want dat gaat maar op en dan weer neer. Neen, wij zullen naar de zandgroeve toe gaan en in den kooltuin rondwandelen!»
En daarbij bleef het.
Zaterdag.«Krijg ik nu sprookjes te hooren?» vroeg de kleine Hjalmar, zoodra Ole Luk-Oie hem in slaap gemaakt had.«Van avond hebben wij er geen tijd voor,» zei Ole Luk-Oie en spreidde zijn mooie paraplu over hem uit. «Bekijk deze Chineezen maar eens!» En de paraplu zag er uit, als een groote Chineesche schaal met blauwe boomen en smalle bruggen en met kleine Chineezen er op, die daar stonden en met het hoofd knikten. «Wij moeten de heele wereld tegen morgen mooi opgepronkt hebben,» zei Ole Luk-Oie, «het is dan immers een feestdag, het is Zondag. Ik wil naar de kerktorens toe om te zien, of de kleine kerkkaboutermannetjes de klokken wel polijsten, opdat zij mooi klinken. Ik wil naar buiten naar het veld en zien, of de winden het stof van gras en bladeren blazen; en wat nog het zwaarste werk is, ik zal al de sterren naar beneden halen, om ze op te poetsen. Ik neem ze in mijn schort; maar eerst moet aan ieder een nommer gegeven worden, en de gaten, waarin zij daarboven zitten, moeten ook genommerd worden, opdat zij weer op de rechte plaats komen, anders zouden zij niet vastzitten, en dan zouden wij te veel vallende sterren krijgen, want dan zou de een na de andere naar beneden rollen.»«Hoor eens! Weet je wat, mijnheer Ole Luk-Oie?» zei een oud portret, dat tegen den muur van het vertrek, waarin Hjalmar sliep, hing.«Ik ben Hjalmars overgrootvader! Ik dank u, dat ge den jongen sprookjes vertelt; maar ge moet zijn begrippen niet verwarren. De sterren kunnen niet naar beneden genomen en opgepoetst worden! De sterren zijn wereldbollen, evenals onze aarde en juist dat is het goede dat er aan is.»«Ik dank u wel, oude overgrootvader!» zei Ole Luk-Oie; «ik dank u wel! Gij zijt immers het hoofd der familie; maar ik ben toch ouder dan gij. Ik ben een oude heiden: Romeinen en Grieken noemden mij droomgod! Ik ben in de deftigste huizen geweest en kom er nog! Ik weet zoowel met geringen als met aanzienlijken om te gaan! Nu kunt gij vertellen.»—En daarop ging Ole Luk-Oie heen en nam zijn paraplu mee.«Nu, nu! Het schijnt, dat men niet eens meer voor zijn gevoelen mag uitkomen!» bromde het oude portret.Op dit oogenblik werd Hjalmar wakker.
«Krijg ik nu sprookjes te hooren?» vroeg de kleine Hjalmar, zoodra Ole Luk-Oie hem in slaap gemaakt had.
«Van avond hebben wij er geen tijd voor,» zei Ole Luk-Oie en spreidde zijn mooie paraplu over hem uit. «Bekijk deze Chineezen maar eens!» En de paraplu zag er uit, als een groote Chineesche schaal met blauwe boomen en smalle bruggen en met kleine Chineezen er op, die daar stonden en met het hoofd knikten. «Wij moeten de heele wereld tegen morgen mooi opgepronkt hebben,» zei Ole Luk-Oie, «het is dan immers een feestdag, het is Zondag. Ik wil naar de kerktorens toe om te zien, of de kleine kerkkaboutermannetjes de klokken wel polijsten, opdat zij mooi klinken. Ik wil naar buiten naar het veld en zien, of de winden het stof van gras en bladeren blazen; en wat nog het zwaarste werk is, ik zal al de sterren naar beneden halen, om ze op te poetsen. Ik neem ze in mijn schort; maar eerst moet aan ieder een nommer gegeven worden, en de gaten, waarin zij daarboven zitten, moeten ook genommerd worden, opdat zij weer op de rechte plaats komen, anders zouden zij niet vastzitten, en dan zouden wij te veel vallende sterren krijgen, want dan zou de een na de andere naar beneden rollen.»
«Hoor eens! Weet je wat, mijnheer Ole Luk-Oie?» zei een oud portret, dat tegen den muur van het vertrek, waarin Hjalmar sliep, hing.
«Ik ben Hjalmars overgrootvader! Ik dank u, dat ge den jongen sprookjes vertelt; maar ge moet zijn begrippen niet verwarren. De sterren kunnen niet naar beneden genomen en opgepoetst worden! De sterren zijn wereldbollen, evenals onze aarde en juist dat is het goede dat er aan is.»
«Ik dank u wel, oude overgrootvader!» zei Ole Luk-Oie; «ik dank u wel! Gij zijt immers het hoofd der familie; maar ik ben toch ouder dan gij. Ik ben een oude heiden: Romeinen en Grieken noemden mij droomgod! Ik ben in de deftigste huizen geweest en kom er nog! Ik weet zoowel met geringen als met aanzienlijken om te gaan! Nu kunt gij vertellen.»—En daarop ging Ole Luk-Oie heen en nam zijn paraplu mee.
«Nu, nu! Het schijnt, dat men niet eens meer voor zijn gevoelen mag uitkomen!» bromde het oude portret.
Op dit oogenblik werd Hjalmar wakker.
Zondag.«Goeden avond!» zei Ole Luk-Oie, en Hjalmar knikte hem toe en sprong toen weg en keerde het portret van zijn overgrootvader, dat tegen den muur hing, om, opdat het niet, evenals den vorigen nacht, zou meespreken.«Nu moet ge sprookjes vertellen: van de vijf groene erwten, die in één schil woonden, van den hanepoot, die aan den kippepoot het hof maakte, en van de stopnaald, die zich verbeelde dat zij een naainaald was.»«Men kan ook van het goede te veel krijgen!» zei Ole Luk-Oie. «Je weet immers wel, dat ik je het liefst wat laat zien! Ik zal je daarom mijn broeder eens laten kijken Deze heet ook Ole Luk-Oie, maar hij komt bij niemand meer dan eens, en wien hij bezoekt, dien neemt hij op zijn paard mee en vertelt hem sprookjes. Hij kent er maar twee; het eene is zoo prachtig schoon, als niemand op de wereld het zich kan voorstellen, en het andere is zoo leelijk en afschuwelijk, dat het niet om te beschrijven is!» Daarop tilde Ole Luk-Oie den kleinen Hjalmar naar het raam op en zei: «Daar zal je mijn broeder zien, den anderen Ole Luk-Oie! Ze noemen hem den dood! Zie je wel; hij ziet er volstrekt niet zoo leelijk uit als in de prentenboeken, waar hij maar een geraamte is! Neen, dat is zilveren borduursel, dat hij op zijn gewaad heeft, dat is de mooiste huzarenuniform; een mantel van zwart fluweel vliegt achter over het paard. Zie, hoe hij in galop rijdt!»En Hjalmar zag, hoe deze Ole Luk-Oie wegreed en zoowel jonge als oude lieden op zijn paard nam. Eenigen zette hij voorop, anderen achterop, maar altijd vroeg hij eerst: «Hoe staat het met het aanteekeningboek?»—«Goed!» zeiden zij allemaal.—«Ja, laat mij het zelf eens zien!» zeide hij, en dan moest ieder hem het boek laten zien, en al diegenen, die «Zeer goed» en «Uitmuntend» hadden, zette hij voorop het paard, en dezen kregen het mooie sprookje te hooren, maar die, welke «Tamelijk» en «Middelmatig» hadden,moesten achterop en kregen het leelijke sprookje te hooren, zij sidderden en weenden; zij wilden van het paard springen, maar konden het niet, want zij waren er dadelijk aan vastgegroeid.Maar de dood is immers de prachtigste Ole Luk-Oie!» zei Hjalmar. «Voor hem ben ik niet bang!»«Dat moet je ook niet zijn!» zei Ole Luk-Oie, «pas maar op, dat je een goed getuigenis krijgt.»«Ja, dat is leerrijk!» mompelde het portret van den overgrootvader. «Het helpt toch wel eens, als men zijn meening zegt.»En nu verklaarde hij zich tevreden.Zie, dat is de geschiedenis van Ole Luk-Oie; nu moet hij u zelf van avond maar meer vertellen.
«Goeden avond!» zei Ole Luk-Oie, en Hjalmar knikte hem toe en sprong toen weg en keerde het portret van zijn overgrootvader, dat tegen den muur hing, om, opdat het niet, evenals den vorigen nacht, zou meespreken.
«Nu moet ge sprookjes vertellen: van de vijf groene erwten, die in één schil woonden, van den hanepoot, die aan den kippepoot het hof maakte, en van de stopnaald, die zich verbeelde dat zij een naainaald was.»
«Men kan ook van het goede te veel krijgen!» zei Ole Luk-Oie. «Je weet immers wel, dat ik je het liefst wat laat zien! Ik zal je daarom mijn broeder eens laten kijken Deze heet ook Ole Luk-Oie, maar hij komt bij niemand meer dan eens, en wien hij bezoekt, dien neemt hij op zijn paard mee en vertelt hem sprookjes. Hij kent er maar twee; het eene is zoo prachtig schoon, als niemand op de wereld het zich kan voorstellen, en het andere is zoo leelijk en afschuwelijk, dat het niet om te beschrijven is!» Daarop tilde Ole Luk-Oie den kleinen Hjalmar naar het raam op en zei: «Daar zal je mijn broeder zien, den anderen Ole Luk-Oie! Ze noemen hem den dood! Zie je wel; hij ziet er volstrekt niet zoo leelijk uit als in de prentenboeken, waar hij maar een geraamte is! Neen, dat is zilveren borduursel, dat hij op zijn gewaad heeft, dat is de mooiste huzarenuniform; een mantel van zwart fluweel vliegt achter over het paard. Zie, hoe hij in galop rijdt!»
En Hjalmar zag, hoe deze Ole Luk-Oie wegreed en zoowel jonge als oude lieden op zijn paard nam. Eenigen zette hij voorop, anderen achterop, maar altijd vroeg hij eerst: «Hoe staat het met het aanteekeningboek?»—«Goed!» zeiden zij allemaal.—«Ja, laat mij het zelf eens zien!» zeide hij, en dan moest ieder hem het boek laten zien, en al diegenen, die «Zeer goed» en «Uitmuntend» hadden, zette hij voorop het paard, en dezen kregen het mooie sprookje te hooren, maar die, welke «Tamelijk» en «Middelmatig» hadden,moesten achterop en kregen het leelijke sprookje te hooren, zij sidderden en weenden; zij wilden van het paard springen, maar konden het niet, want zij waren er dadelijk aan vastgegroeid.
Maar de dood is immers de prachtigste Ole Luk-Oie!» zei Hjalmar. «Voor hem ben ik niet bang!»
«Dat moet je ook niet zijn!» zei Ole Luk-Oie, «pas maar op, dat je een goed getuigenis krijgt.»
«Ja, dat is leerrijk!» mompelde het portret van den overgrootvader. «Het helpt toch wel eens, als men zijn meening zegt.»
En nu verklaarde hij zich tevreden.
Zie, dat is de geschiedenis van Ole Luk-Oie; nu moet hij u zelf van avond maar meer vertellen.
1Ole de Oogensluiter.
1Ole de Oogensluiter.