V.Op den terugweg.O, hoeveel had Rudy te dragen, toen hij den daaropvolgenden dag over de hooge bergen naar huis terugkeerde. Ja, hij had drie zilveren bekers, twee mooie buksen en een zilveren koffiekan; deze kan zou goed te gebruiken zijn, als hij een huishouden opzette; maar dat alles was nog niet het gewichtigste: iets gewichtigers, machtigers droeg hij of droeg hem over de hooge bergen naar huis. Het weder was echter ruw, grauw en regenachtig; de wolken hingen als een rouwfloers op de berghoogten neer en omhulden de stralende toppen. Uit het bosch klonken de laatste bijlslagen, en langs de helling van den berg rolden boomstammen, die er, van de hoogte af gezien, als dunne stokjes uitzagen, maar met dat al de stevigste scheepsmasten waren. De Lütschine bruiste haar eentonige accoorden, de wind suisde, de wolken zeilden. Daar kwam er eensklaps een jong meisje naar Rudy toe; hij had haar niet eer bemerkt, voordat zij vlak in zijn nabijheid was; zij wilde insgelijks over de rotsen klimmen. De oogen van het meisje oefenden een eigenaardige kracht op hem uit; hij was wel gedwongen, haar aan te kijken.«Hebt ge een minnaar?» vroeg Rudy, want al zijn gedachten draaiden om de liefde heen.«Ik heb er geen!» antwoordde het meisje en lachte; maar het was, alsof zij de waarheid niet sprak. «Maken we geen omweg?» zeide zij. «Wij moeten meer links houden, dan is de weg korter.»«Jawel, om in een ijskloof neer te storten!» zei Rudy. «Kent gij dien weg misschien beter en wilt gij gids zijn?»«Ik ken den weg heel goed,» zei het meisje, «en ik heb mijn gedachten bij elkaar. De uwe zijn zeker wel beneden in het dal, hierboven moet men aan de ijsjonkvrouw denken; zij houdt niet van de menschen, zegt men.»«Ik ben niet bang voor haar!» zei Rudy. «Zij heeft mij weer terug moeten geven, toen ik nog een kind was; ik zal mij thans niet aan haar overgeven, nu ik ouder ben!»En de duisternis nam toe, de regen viel neer, en het begon te sneeuwen.«Geef mij uw hand,» zei het meisje, «ik zal u bij het klimmen behulpzaam zijn,» en hij voelde, dat hij door ijskoude vingers aangeraakt werd.«Gij mij bijstaan!» zei Rudy. «Nog heb ik de hulp van een vrouw niet noodig om te klimmen!» En hij liep sneller voort, van haar weg; de sneeuwstorm hulde hem als in een sluier, de wind gierde, en achter zich hoorde hij het meisje lachen en zingen; het klonk heel zonderling. Dat moest een spookgezicht zijn, dat in den dienst der ijsjonkvrouw was; Rudy had daarvan hooren spreken, toen hij, destijds nog een knaap, bij de reis over de bergen hier boven den nacht doorbracht.De sneeuw viel dunner, de wolk lag onder hem, hij keek om, er was niemand meer te zien; maar hij hoorde gelach en gezang, en dit klonk niet, alsof het uit een menschelijke borst voortkwam.Toen Rudy eindelijk de bovenste bergvlakte bereikte, vanwaar het pad naar beneden naar het Rhônedal voerde, zag hij in de richting van Chamouny, in de heldere, blauwe lucht twee heldere sterren staan; deze glinsterden en fonkelden, en hij dacht aan Babette, aan zich zelf en aan zijn geluk, en het werd hem bij deze gedachte warm.VI.Het bezoek in den molen.«Wat zijn dat prachtige dingen, waar je mee thuis komt!» zei de oude pleegmoeder, en haar zonderlinge arendsoogen fonkelden, zij draaide haar mageren hals nog sneller dan gewoonlijk in allerlei zonderlinge bochten. «Je hebt geluk, Rudy! Ik moet je een kus geven, beste jongen!»En Rudy liet zich kussen, maar op zijn gezicht stond te lezen, dat hij zich in het onvermijdelijke, in dit kleine huiselijke lijden schikte.«Wat ben je mooi!» zei de oude vrouw.«Maak mij dat niet wijs!» zei Rudy en lachte,—maar het deed hem toch plezier.«Ik zeg het nogmaals!» sprak de oude vrouw, «het geluk loopt je mee!»«Ja, daarin zoudt ge wel eens gelijk kunnen hebben!» zei hij en dacht aan Babette.Nog nooit had hij zulk een verlangen gehad om naar het diepe dal te gaan.«Zij moeten nu al thuis zijn!» zei Rudy bij zich zelf. «Het is al twee dagen over den tijd, waarop zij terug zouden zijn. Ik moet naar Bex toe.»Rudy ging naar Bex toe, en in den molen waren zij te huis. Hij werd goed ontvangen, en groeten van hun familie te Interlaken hadden zij voor hem meegebracht. Babette sprak niet veel, zij was geducht stil geworden; maar haar oogen spraken, en dat was voor Rudy voldoende. Het scheen, alsof de molenaar, die anders graag het hoogste woord had,—hij was er aan gewoon, dat men altijd om zijn invallen en woordspelingen lachte, hij was immers de rijke molenaar,—toch liever de jachtavonturen van Rudy hoorde vertellen, en deze sprak van de zwarigheden en de gevaren, die de gemzenjagers op de hooge bergtoppen door te staan hadden, hoe zij langs de onzekere sneeuwhellingen, die door weer en wind als het ware aan den kant der rotsen vastgekleefd zijn, en over de gevaarlijke bruggen moesten kruipen, die de sneeuwstorm over diepe kloven geslagen heeft. De oogen van den stoutmoedigen Rudy fonkelden, terwijl hij van het jagersleven vertelde, van de slimheid der gemzen en haar stoute sprongen, van den hevigen orkaan en de rollende lawinen; hij merkte het wel, dat hij bij iedere nieuwe beschrijving den molenaar gedurig meer voor zich innam, en vooral gevoelde deze zich bijzonder aangetrokken door hetgeen hij van den lammergier en den koningsadelaar vertelde.Niet ver weg, in het kanton Walliserland, was een arendsnest, dat zeer kunstig onder een hoogevooruitspringenderots gebouwd was; in dit nest bevond zich een jong, maar dit was er niet uit te krijgen. Een Engelschman had Rudy eenige dagen geleden eenheele hand vol goud aangeboden, als hij hem den jongen arend levend wilde bezorgen, «maar alles heeft zijn grenzen,» zei Rudy, «de arend is niet te krijgen, het zou een dwaasheid zijn dat te beproeven.»De wijn vloeide en de gesprekken vloeiden, maar de avond was veel te kort, kwam het Rudy voor, en toch was het na middernacht, toen hij van dit eerste bezoek terugkeerde.Het licht straalde nog een korten tijd door het raam van den molen door de groene boomtakken heen; uit het geopende luik in het dak kwam de kamerkat naar buiten en langs de dakgoot kwam de keukenkat aanloopen.«Wil ik je eens een nieuwtje vertellen?» zei de kamerkat. «Hier in huis heeft een heimelijke verloving plaats gehad. De oude molenaar weet er nog niets van; Rudy en Babette hebben elkaar den heelen avond op de voeten getrapt; mij trapten zij tweemaal, maar ik mauwde toch niet; want dat zou de aandacht getrokken hebben.»«Ik zou toch gemauwd hebben!» zei de keukenkat.«Wat in de keuken gaat, gaat niet in de kamer!» zei de kamerkat. «Ik ben echter nieuwsgierig, wat de molenaar zal zeggen, als hij de verloving verneemt.»Ja, wat zou de molenaar er wel van zeggen? Dat zou Rudy ook wel graag geweten hebben, maar lang wachten, voordat hij dit vernam, kon hij niet. Toen de omnibus eenige dagen later over de Rhônebrug tusschen Walliserland en Waadland voortratelde, zat Rudy daarin, goedsmoeds evenals altijd, en verdiepte zich in liefelijke gedachten over het jawoord, dat hij dien zelfden avond nog dacht te krijgen.En toen de avond daar was en de omnibus denzelfden weg terugreed, zat Rudy er ook in; maar in den molen liep de kamerkat met nieuwtjes rond.«Weet je het al, jij, die altijd in de keuken zit?—De molenaar weet nu alles. Maar dat heeft een mooien afloop gehad! Rudy kwam hier tegen den avond, en hij en Babette hadden veel met elkaar te fluisteren en heimelijk te spreken, zij stonden in de gang voor de kamer van den molenaar. Ik lag aan hun voeten, maar zij hadden noch oogen noch gedachten voor mij. «Ik ga, zonder mij langer te bedenken, naar je vader toe.»—«Wil ik meegaan?» vroeg Babette; «dat zal je moed geven.»—«Ik heb moed genoeg,» zei Rudy, «maar als jij er bij bent, dan moet hij wel vriendelijk zijn, of hij wil of niet.»—Daarop traden zij binnen. Rudy trapte mij geducht op den staart! Rudy is erg onhandig; ik mauwde, maar noch hij noch Babette hadden ooren om dit te hooren. Zij deden de deur open en traden de kamer samen binnen. Ik liep voorop; ik sprong op een stoel, want ik kon immers niet weten, hoe Rudy zich misschien zou verweren. Maar de molenaar verweerde zich, hij gaf een duchtigen schop en zei: «De deur uit en den berg op naar de gemzen!» Daarop mag Rudy nu mikken en niet op onze Babette!»«Maar wat spraken zij met elkaar? Wat zeiden zij?» vroeg de keukenkat.«Wat zij zeiden?—Alles werd er gezegd, wat de menschen zoo plegen te zeggen, als zij verliefd zijn: «Ik heb haar lief, en zij heeft mij lief! En als er melk voor een in de kan is, dan is er ook melk voor twee!»—«Maar zij zit je te hoog!» zei de molenaar, «zij zit op zand, op goudzand, zooals je weet, je zult haar niet bereiken!»—«Niets zit zoo hoog, of men kan het wel bereiken, als men maar wil!» antwoordde Rudy; want hij is een onverschrokken man.—«Maar het arendsnest kan je toch niet bereiken, zooals je zelf onlangs gezegd hebt: Babette zit nog hooger!»—«Ik neem ze allebei!» zei Rudy.—«Ik zal je Babette geven, als je mij het levende arendsjong geeft!» zei de molenaar en lachte, dat de tranen hem langs de wangen liepen. «Maar nu bedank ik je voor je bezoek, Rudy! Bezoek mij morgen weer, morgen is er niemand thuis. Vaarwel, Rudy!»—En Babette zei hem ook vaarwel, maar zoo klagend als een klein katje, dat zijn moeder nog niet kan zien. «Een man een man, een woord een woord!» zei Rudy. «Ween niet, Babette! ik zal het arendsjong brengen!»—«Je zult den nek breken, hoop ik!» zei de molenaar, «en dan zijn wij van je bezoeken ontslagen!»—Dat noem ik een duchtigen schop! Nu is Rudy weg en Babette zit te huilen; maar de molenaar zingt Duitsch, dat heeft hij laatst op zijn reis geleerd. Ik zal er maar niet treurig over zijn, want dat baat toch niets!»«Maar zoo is er dan toch altijd nog mogelijkheid op!» zei de keukenkat.VII.Het arendsnest.Van het rotspad af klonk het gezang, lustig en krachtig, het wees op een goede luim en een onversaagden moed; het was Rudy; hij ging zijn vriend Vesinand opzoeken.«Je moet mij behulpzaam zijn! Wij nemen Nagli mee, ik moet het arendsjong boven aan den kant van de rots uit het nest halen.»«Zou je dan niet eerst het mannetje uit de maan halen? Dat zal even gemakkelijk gaan!» zei Vesinand. «Je schijnt in een goede luim te zijn!»«Dat ben ik ook! Ik denk er aan te gaan trouwen!—Maar om ernstig te spreken, ik zal je zeggen, hoe het met mij gesteld is.»En al spoedig wisten Vesinand en Nagli, wat Rudy wilde.«Je bent een onverschrokken kerel!» zeiden zij. «Maar dat gaat niet! Je zult den nek breken!»«Men valt niet naar beneden, als men het zich niet verbeeldt!» zei Rudy.Te middernacht rukten zij met stokken, ladders en touwen op;de weg liep tusschen boomen en struiken door, over naakte rotsen, steeds opwaarts, opwaarts in den donkeren nacht. Het water bruiste beneden, het water stroomde boven, vochtige wolken dreven eraan de lucht. De jagers bereikten den steilen kant der rots, hier werd het donkerder, de rotswanden kwamen bijna tegen elkander aan, en slechts hoog in de smalle kloof was de lucht te zien; dicht naast hen, onder hen lag de diepe afgrond met het bruisende water. Het drietal zat op de rotsen, zij wilden het aanbreken van den dag afwachten, als de arend uitvloog; de oude moest eerst doodgeschoten worden, voordat zij er aan konden denken, zich van het jong meester te maken. Rudy zat daar op zijn hurken, zoo stil, alsof het een stuk van de rots was, waarop hij zich bevond, het geweer met den gespannen haan hield hij voor zich om te schieten, zijn blik vestigde zich onafgebroken op de bovenste kloof, waar het adelaarsnest onder de overhellende rotsen verborgen zat. De drie jagers moesten lang wachten.Maar nu kraakte en suisde het hoog boven hen; een groot, zwevend voorwerp verduisterde de lucht om hen heen. Twee buksloopen mikten, terwijl de zware arendsgestalte uit het nest vloog;—er viel een schot, een oogenblik bewogen zich de uitgespreide vleugels, daarop streek de vogel langzaam neer, en het was, alsof hij door zijn grootte en met zijn wijd uitgespreide vleugels de geheele kloof wilde beslaan en de jagers in zijn val met zich meesleepen. De arend viel in de diepte naar beneden, boomtakken en struiken braken door den val van den vogel.Nu kwamen de jagers in beweging; drie van de langste ladders werden aan elkaar vastgebonden,—deze zouden wel lang genoeg zijn; men zette ze op de uiterste vaste punt neer, op den rand van den afgrond, maar zij waren niet lang genoeg, en de rotswand liep hooger op en was daar, waar het nest zich onder den vooruitspringenden top verborg, glad als een muur. Na eenige beraadslagingen werd men het daaromtrent eens, dat twee aan elkaar gebonden ladders van boven in de kloof neergelaten en deze wederom in verbinding met de drie van beneden neergezette gebracht moesten worden. Met groote moeite sleepte men de twee ladders naar boven en maakte boven de touwen vast; de ladders werden over de vooruitspringende rots heengeschoven en hingen daar zwevend boven den afgrond; Rudy zat reeds op de onderste sport. Het was een ijskoude morgen; nevels stegen er uit den donkeren afgrond op. Rudy zat daar, evenals een vlieg op den waggelenden stroohalm zit, dien de een of andere vogel bij het bouwen van zijn nest op den rand van den hoogen fabrieksschoorsteen verloren heeft; maar de vlieg kan meevliegen, als de stroohalm loslaat, doch Rudy kon slechts zijn nek breken. De wind suisde om hem heen, en beneden in den afgrond bruisten de wateren van den ontdooienden gletscher, het paleis der ijsjonkvrouw.Nu bracht hij de ladder in een schommelende beweging, evenals de spin zich schommelt, wanneer zij, aan haar langen, zwevendendraad hangende, iets wil vastgrijpen, en toen Rudy ten vierden male het boveneind der van beneden neergezette, aaneengebonden ladders aanraakte, had hij dit gegrepen; zij werden met een zekere en krachtige hand samengevoegd, maar zij waggelden en klapperden geweldig.De vijf lange ladders, die tot aan het nest reikten en loodrecht tegen den rotswand aanstonden, schenen een waggelend riet te zijn, en nu kwam het gevaarlijkste werk nog aan; er moest geklauterd worden, zooals de kat kan klauteren, maar Rudy had daar juist verstand van, want de kat had het hem geleerd; hij bemerkte niets van de duizeligheid, die in de lucht achter hem zweefde en haar poliepenarmen naar hem uitstrekte. Thans stond hij op de bovenste sport der ladder en bemerkte, dat hij hier nog niet hoog genoeg kon reiken, om in het nest te zien, alleen met de hand kon hij eraan komen; hij probeerde, hoe vast de onderste, dikke, in elkaar gevlochten takken zaten, die het onderste gedeelte van het nest vormden, en nadat hij een dikken en vasten tak beetgepakt had,hiefhij zich van de ladder naar boven, leunde over den tak heen en had nu zijne borst en zijn hoofd over het nest gebogen; hier stroomde hem een verstikkende stank van aas tegen; in het nest lagen lammeren, gemzen en vogels, die tot verrotting overgegaan waren. De duizeligheid, die geen invloed op hem kon oefenen, blies hem de giftige uitwasemingen in het gezicht, opdat hij verward en bedwelmd zou worden, en beneden in de zwarte, gapende diepte op de voortstroomende wateren zat de ijsjonkvrouw zelve met haar lange, witachtig groene haren en staarde hem aan met oogen als twee buksloopen.«Nu vang ik u!»In een hoek van het arendsnest zag hij, groot en forsch, het jong van den arend zitten, dat nog niet kon vliegen. Rudy vestigde zijn oogen daarop, hield zich met alle kracht met één hand vast en wierp met zijn andere den strik om den jongen arend heen; gevangen was hij, levend gevangen; zijn pooten staken in het touw, en Rudy wierp den strik met den vogel over den schouder, zoodat het beest een heel eind beneden hem hing, terwijl hij zich aan een neerhangend touw vasthield, totdat zijn voeten de bovenste sport van de ladder weer aanraakten.«Houd je vast! Denk maar niet, dat je naar beneden kunt vallen, dan val je ook niet!» Dat was de oude les, en deze volgde hij op, klauterde, was overtuigd, dat hij niet zou vallen, en hij viel ook niet.Nu deed zich een krachtig en vroolijk gezang hooren. Rudy stond met zijn arendsjong op de vaste rotsen.VIII.Welke nieuwtjes de kamerkat wist te vertellen.«Hier is het verlangde!» zei Rudy, terwijl hij bij den molenaar te Bex binnentrad, een groote mand op den grond neerzette en den doek, die er overheen lag, oplichtte. Twee gele oogen met zwarte randen kwamen er uitkijken, fonkelend en wild, als wilden zij zich vastbranden en vastbijten, waar zij heenkeken; de korte, krachtige snavel was tot bijten opgesperd, de hals was rood en met stoppels bezet.«Het arendsjong!» riep de molenaar uit. Babette gaf een luiden gil en deinsde terug; maar zij kon toch haar oogen noch van Rudy noch van den arend afhouden.«Je laat je niet licht door iets afschrikken!» zei de molenaar.«En gij houdt altijd woord!» zei Rudy. «Ieder heeft zijn eigenaardigheid!»«Maar waarom heb je den nek niet gebroken?» vroeg de molenaar.«Omdat ik vasthield!» antwoordde Rudy, «en dat doe ik nog! Ik houd Babette vast!»«Maak eerst maar, dat je haar krijgt!» zei de molenaar en lachte; en dat was een goed teeken, dat wist Babette.«We moeten hem uit de mand halen,—het is om razend te worden, zooals hij ons aankijkt! Maar hoe heb je hem weten te krijgen?»Nu moest Rudy vertellen, en de molenaar zette gedurig grooter oogen op.«Met je moed en je geluk kan je wel drie vrouwen onderhouden!» zei de molenaar.«Ik dank u!» riep Rudy uit.«Maar Babette heb je nog niet!» zei de molenaar en klopte den jongen Alpenjager schertsend op den schouder.«Weet je het nieuwste nieuwtje al, dat er in den molen is?» zei de kamerkat tegen de keukenkat. «Rudy heeft ons het arendsjong gebracht en neemt Babette daarvoor in ruil. Zij hebben elkander een kus gegeven en hebben het den ouden molenaar laten zien. Dat is zoo goed als een verloving. De oude man was goed gemutst; hij hield zijn klauwen binnen, deed zijn middagdutje en liet de twee bij elkaar zitten vrijen; zij hebben elkaar zooveel te vertellen, dat zij met Kerstmis nog niet klaar zullen zijn!»Zij kwamen met Kerstmis ook niet klaar. De wind stuwde de bruine bladeren op; de sneeuw stoof in het dal, evenals op de hooge bergen; de ijsjonkvrouw zat in haar trotsch kasteel, dat gedurende den wintertijd in grootte toeneemt; de rotswanden stonden daar met ijzel bedekt, en dikke ijskegels, zwaar als olifanten, hingen daar naar beneden, waar de rotsstroom in den zomer zijn watersluier laat waaien; ijsguirlandes, uit phantastische ijskristallen samengesteld, hingen fonkelend aan de met sneeuw bepoederde dennen. De ijsjonkvrouw reed op den suizenden wind over de diepste dalen heen. Het sneeuwdek strekte zich heelemaal tot aan Bex uit, de ijsjonkvrouw kwam ook daarheen en zag Rudy in den molen zitten, hij zat dezen winter meer in huis, dan anders zijn gewoonte was, hij zat bij Babette. Den volgenden zomer zou er bruiloft gehouden worden; zijn ooren suisden hem vaak, zoo druk spraken zijn vrienden daarover. In den molen was zonneschijn, de schoonste Alpenroos gloeide er, de vroolijke, glimlachende Babette, schoon als de naderende lente, de lente, die alle vogels doet zingen van zomertijd en bruiloft.«Wat zitten die twee toch altijd bij elkander en steken hun hoofden bij elkaar!» zei de kamerkat. «Nu heb ik genoeg van hun gemauw!»IX.De ijsjonkvrouw.De lente had haar sappige, groene guirlandes van walnote- en kastanjeboomen ontplooid; zwellend slingerden zij zich van de brugbij Saint-Maurice tot aan den oever van het meer van Genève langs de Rhône, die met een geweldige vaart voortstroomt van haar bron onder den groenen gletscher, het ijspaleis, waarin de ijsjonkvrouw woont, en vanwaar zij zich door den scherpen wind laat opstuwen tot op het hoogste sneeuwveld, om daar te rusten op haar sneeuwzetel; daar zat zij en staarde met een doordringenden blik in de diepste dalen neer, waar de menschen ijverig in beweging waren, evenals mieren op de steenen, die de zon beschijnt.«Geesteskrachten, zooals de kinderen der zon u noemen!» zei de ijsjonkvrouw. «Wormen zijt gij! Een rollende sneeuwbal,—en gij, uw huizen en uw steden zijn verpletterd en verdwenen!» Hooger verhief zij haar trotsch hoofd en keek wijd en zijd met oogen, die van dood en verderf straalden. Maar uit het dal deed zich een rollen hooren, rotsen liet men springen: dit was menschenwerk! Wegen en tunnels voor spoorwegen werden er aangelegd.«Zij wroeten als mollen in den grond,» zeide zij; «zij graven gangen onder de aarde, van daar dat geknal als van geweerschoten. Als ik mijn kasteelen verzet, dan druischt het sterker dan het geratel van den donder!»Uit het dal steeg een dikke rook op, die zich voorwaarts bewoog als een fladderende sluier, een wuivende pluim der locomotief, die op den nog pas geopenden spoorweg zijn stoet voorttrok, deze kronkelende slang, wier ledematen wagens aan wagens zijn. Pijlsnel vloog zij voorwaarts.«Zij beschouwen zich daar beneden als heeren, die geesteskrachten!» zei de ijsjonkvrouw. «De macht der natuurkrachten is toch grooter dan de hunne!» Zij lachte, en het dreunde in het dal.«Daar rolt een lawine naar beneden!» zeiden de menschen.Maar de kinderen der zon zongen nog luider van de menschengedachte, die de zee aan banden legt, bergen verzet, dalen effent; de menschengedachte, die de beheerscheres der natuurkrachten is. Omstreeks dezen tijd trok over het sneeuwveld, waar de ijsjonkvrouw zat, een gezelschap van reizigers; de menschen hadden zich met touwen aan elkaar vastgebonden, opdat zij als ’t ware een grooter lichaam zouden vormen op de gladde ijsvlakte aan den rand van den diepen afgrond.«Wormen!» zei de ijsmaagd. «Gij, de beheerschers der natuurkrachten!» En zij wendde den blik van het gezelschap af en keek gramstorig in het diepe dal, waar de spoortrein voortbruiste.«Daar zitten zij, degedachten! Zij zitten in de macht der natuurkrachten! Ik zie ze, elk en een ieder!—de een zit trotsch als een koning alleen! Ginds zitten zij op een hoop! Daar slaapt de eene helft! En als de stoomdraak stilhoudt, dan stappen zij er uit en gaan allen huns weegs! Deze gedachten verspreiden zich in de wereld!» En zij lachte.«Daar rolt weer een lawine!» zei men beneden in het dal.«Ons bereikt zij niet!» zeiden er twee, die op den rug van denstoomdraak zaten; «twee harten en één slag,» zooals het heet. Het waren Rudy en Babette; ook de molenaar was er bij.«Als bagage!» zei hij. «Ik ben er bij als het noodige aanhangsel!»«Daar zitten die twee!» zei de ijsjonkvrouw. «Vele gemzen heb ik verpletterd, millioenen Alpenrozen heb ik geknakt en gebroken, zelfs de wortels spaarde ik niet! Ik wisch ze uit, die gedachten, die geesteskrachten!» En zij lachte.«Daar rolt weer een lawine!» zei men beneden in het dal.X.De petemoei.Te Montreux, een der naastbijgelegen steden, die met Clarens, Vevay en Crin een krans om het noordoostelijke gedeelte van het meer van Genève vormen, woonde de petemoei van Babette, de Engelsche, deftige dame met haar dochters en een jeugdigen bloedverwant; zij waren daar nog slechts kort geleden aangekomen, maar de molenaar had ze reeds bezocht, hun de verloving van Babette medegedeeld en van Rudy en het arendsjong, van het bezoek te Interlaken, in één woord de geheele geschiedenis verteld, en deze had haar in de hoogste mate verblijd en haar ten zeerste voor Rudy en Babette en ook voor den molenaar ingenomen; alle drie moesten eens overkomen, en daarom gingen zij er dan ook naar toe. Babette zou haar petemoei, de petemoei zou Babette zien.Bij het stadje Villeneuve, aan het einde van het meer van Genève, lag de stoomboot, die, na een vaart van een half uur van daar naar Vevay, ten zuiden van Montreux, aanlegt. De kust alhier is door de dichters bezongen; hier onder de walnoteboomen, aan het diepe, blauwachtig groene meer zat Byron en schreef zijn welluidende verzen van den gevangene in het donkere rotsachtige kasteel Chillon. Daar, waar Clarens zich met zijn treurwilgen in het water afspiegelt, wandelde Rousseau, terwijl hij van Heloïse droomde. De Rhône stroomt onder de hooge, met sneeuw bedekte bergen van Savoye voort; hier, niet ver van haar oorsprong, ligt in het meer een klein eiland; dit is zoo klein, dat het van de kust gezien, een vaartuig op het water schijnt te zijn. Het eiland is een rotsgrond, dien een dame voor omstreeks honderd jaren met steenen liet indammen, met aarde bedekken en met drie acaciaboomen beplanten; deze overschaduwen nu het geheele eiland. Babette was verrukt over deze plek, deze scheen haar de schoonste op den geheelen tocht, daar moest zij naar toe, het moest daar verwonderlijk schoon zijn, dacht zij. Maar de stoomboot voer voorbij en legde aan, waar zij moest aanleggen en wel te Vevay.Het kleine gezelschap wandelde van hier verder tusschen de witte, door de zon bestraalde muren, die de wijngaarden voor het bergstadje Montreux omgeven, waar de vijgeboomen het huis van denboer beschaduwen, laurierboomen en cipressen in de tuinen groeien. Halverwege op den berg stond het huis, waarin de petemoei woonde.De ontvangst was hartelijk. De petemoei was een vriendelijke vrouw met een rond, glimlachend gezicht; als kind was zij zeker een echt engelenkopje van Raphaël geweest. Nu was zij een oud engelenhoofd, met weelderige zilverwitte lokken. Haar dochters waren lieve, mooie, lange en slanke meisjes. De jonge neef, dien zij meegebracht hadden, was van het hoofd tot de voeten in het wit gekleed, had blond haar en zulke lange roode bakkebaarden, dat er wel genoeg was voor drie heeren; hij bewees Babette terstond de grootste opmerkzaamheid.Rijk gebonden boeken, muziek en teekeningen lagen er op de groote tafel verspreid; de deur, die naar het balkon voerde, stond open en gaf het uitzicht op het schoone, uitgestrekte meer, dat zoo blank en stil was, dat de bergen van Savoye met steden, bosschen en sneeuwtoppen zich daarin afspiegelden.Rudy, die anders overmoedig, vroolijk en opgewekt was, gevoelde zich hier volstrekt niet thuis; hij bewoog zich, alsof hij op erwten over een gladden vloer liep. Wat viel de tijd hem lang, wat ging deze langzaam voorbij, als in een tredmolen! En nu werd er een wandeling gedaan!Dat ging even langzaam en vervelend; Rudy had wel twee schreden vooruit en een achteruit kunnen doen, om met de anderen in den stap te blijven. Zij wandelden naar Chillon, het oude, sombere kasteel op het rotsachtige eiland, alleen om de foltertuigen te zien, de gevangenissen, de verroeste kettingen in de rotsachtige muren, de steenen britsen voor de ter dood veroordeelden, de valluiken, waardoor de ongelukkigen naar beneden geworpen en op ijzeren spitse pennen opgevangen werden. Dat alles te zien noemden zij een genoegen. Een gerechtsplaats was het, die door Byrons gezang in de wereld der poëzie opgenomen is. Rudy had slechts gevoel voor de gerechtsplaats; hij stak het hoofd uit een der groote steenen vensterramen en keek neer in het diepe, blauwachtig groene water en naar het kleine eiland met de drie acacia’s; daarheen wenschte hij zich wel verplaatst te zien, vrij van het geheele pratende gezelschap; maar Babette was bijzonder vroolijk gestemd. Zij had zich uitstekend geamuseerd, zeide zij; de neef, vond zij, was een alleraardigst mensch.«Ja, een echte lafbek!» zei Rudy; en dit was de eerste maal, dat Rudy iets zei, wat haar niet beviel. De Engelschman had haar een klein boekje tot aandenken aan Chillon gegeven, het was Byrons gedicht: «De gevangene van Chillon,» in het Fransch vertaald, zoodat Babette het kon lezen.«Het boek kan wel heel mooi zijn,» zei Rudy, «maar de keurig gekleede mijnheer, die het je gegeven heeft, staat mij niet aan.»«Hij zag er net uit als een meelzak zonder meel!» zei de molenaar, en lachte om zijn eigen aardigheid. Ook Rudy lachte en zei, dat hij er juist zoo over dacht.XI.De neef.Toen Rudy eenige dagen later een bezoek in den molen kwam afleggen, vond hij daar den jongen Engelschman; Babette was juist bezig, hem gekookte forellen voor te zetten, die zij zeker zelf met peterselie versierd had, opdat zij er recht smakelijk zouden uitzien. Maar dat was volstrekt niet noodig geweest. Wat wilde deEngelschmanhier? Wat had hij hier te doen? Door Babette getrakteerd en onthaald te worden?—Rudy was jaloersch, en dat deed Babette plezier; het deed haar genoegen, al de zijden van zijn karakter te leeren kennen, de sterke zoowel als de zwakke. De liefde was haar nog een spel, en zij speelde met het hart van Rudy, en toch was hij,—dat moet gezegd worden,—haar geluk, haar geheele leven, haar voortdurende gedachte, het beste en heerlijkste, dat zij op deze wereld bezat; maar hoe meer zijn blik zich verduisterde, des te meer lachten haar oogen, zij had den blonden Engelschman met de roode bakkebaarden wel een kus willen geven, als zij daardoor had kunnen bewerken, dat Rudy razend werd en wegliep; dat zou haar juist een bewijs zijn, hoe lief hij haar had. Maar dat was niet goed van Babette; doch zij was immers nog maar negentien jaar oud. Zij dacht weinig daarover na en dacht er nog minder aan, dat haar gedrag door den jongen Engelschman licht anders zou kunnen opgevat worden, dan het voor de eerbare verloofde dochter van den molenaar paste.Daar, waar de straatweg van Bex onder de met sneeuw bedekte rotsachtige hoogte loopt, die in de landstaal Diablerets heet, stond de molen, niet ver van een snelvlietenden bergstroom, die witachtig grijs was evenals zeepsop. Deze bracht den molen echter niet in beweging, het groote molenrad werd door een kleineren stroom in de rondte gedraaid, die aan den anderen kant der rivier van de rots naar beneden stortte en, door een steenen dam tot nog grootere kracht en vaart gedreven, in een bassin van balken, een breede leiding of goot, over den snelvlietenden stroom gevoerd werd. Deze goot was zoo rijk aan water, dat zij overliep en de houten rand een natten, slijkerigen weg aanbood aan dengene, wien het in de gedachte mocht komen, langs dezen den molen spoediger te bereiken, en dezen inval had een jongmensch, de Engelschman. In het wit gekleed als een molenaarsknecht, klauterde hij des avonds naar den overkant, geleid door het licht, dat er uit de kamer van Babette stroomde. Klauteren echter had hij niet geleerd, en het scheelde dan ook niet veel, of hij was hals over kop in het water gevallen, maar hij kwam er gelukkig nog met doornatte mouwen en een smerige broek af; nat en met slijk bedekt kwam hij onder het raam van Babette; hier klom hij in de oude linde en begon de stem van den uil na te bootsen, want een anderen vogel kon hij niet nazingen. Babette hoorde dit en keek door de dunne gordijnennaar buiten; toen zij den witten man echter zag en wel kon begrijpen, wie dit was, klopte haar hartje van schrik, maar ook van toorn. Zij blies in aller ijl het licht uit, onderzocht of de pennen wel op de ramen zaten, en liet hem nu huilen, zoo veel hij maar wilde.Het zou verschrikkelijk zijn, als Rudy nu hier in den molen was!—Maar Rudy was niet in den molen, neen, wat nog erger was, hij stond vlak onder de linde. Er werd luid gesproken, hetwaren toornige woorden, er kon wel een vechtpartij, misschien zelfs moord en doodslag van komen.Babette deed in haar angst het raam open, riep Rudy en verzocht hem heen te gaan; want zij kon het niet dulden, dat hij daar bleef, zeide zij.«Je duldt niet, dat ik hier blijf!» riep hij haar toe, «het is dus afgesproken werk! Je verwacht goede vrienden, betere dan ik ben! Schaam je, Babette!»«Je bent onuitstaanbaar!» zei Babette. «Ik haat je!» En zij weende. «Ga heen, ga heen!»«Dat heb ik niet verdiend!» zei hij en ging heen; zijn wangen en zijn hart brandden als vuur.Babette wierp zich op haar bed neer en weende.«Ik heb je zoo lief, Rudy! En je kunt zoo iets slechts van mij denken!»Zij barstte in tranen uit, en dat was goed voor haar, want anders zou zij zeer bedroefd geworden zijn; nu kon zij den slaap vatten, den verkwikkenden slaap der jeugd slapen.XII.Booze machten.Rudy verliet Bex, hij sloeg den weg naar huis in, klom op de bergen in de frissche verkoelende lucht, waar de sneeuw lag, waar de ijsjonkvrouw heerscht. De boomen stonden diep onder hem en zagen er uit, alsof zij aardappelenloof waren, de dennen, de struiken werden kleiner hier boven, de Alpenrozen groeiden naast de sneeuw die in afzonderlijke strepen lag, evenals linnen op de bleek. Een blauwe gentiaan, die op zijn weg stond, verbrijzelde hij met zijn geweerkolf.Hoogerop vertoonden zich twee gemzen; de oogen van Rudy fonkelden, zijn gedachten namen een nieuwe vlucht; maar hij was er niet dicht genoeg bij om een zeker schot te kunnen doen; hij klom hooger op waar slechts een enkel grasscheutje tusschen de rotsblokken groeide; de gemzen liepen rustig op het sneeuwveld; hij verhaastte zijn schreden. De wolkennevel daalde diep om hem neer, eensklaps bevond hij zich voor den steilen rotswand: de regen begon neer te stroomen.Hij voelde een brandenden dorst, hitte in zijn hoofd, koude over al zijn leden; hij greep naar zijn veldflesch, maar deze was ledig; hij had er niet aan gedacht, haar te vullen, toen hij tegen de bergen opstormde. Hij was vroeger nooit ziek geweest, maar nu had hij het gevoel van zulk een toestand; hij was moede, hij gevoelde neiging om zich neer te leggen, verlangen om te slapen, maar overal stroomde de regen neer; hij deed een poging om weer tot zich zelven te komen. Zonderling sidderden en dansten de voorwerpenvoor zijn oogen; daar bespeurde hij eensklaps, wat hij hier nog nooit gezien had, een nieuw, allerliefst huisje, dat tegen de rotsen aangebouwd was; voor de deur stond een jong meisje; hij zou haast gezegd hebben, dat het Annette van den schoolmeester was, die hij eenmaal onder het dansen gekust had; maar het was Annette niet; toch had hij het meisje vroeger al eens gezien, misschien wel bij Grindelwald, op dien avond, toen hij van het schuttersfeest te Interlaken terugkeerde.«Hoe komt ge hier zoo verzeild?» vroeg hij.«Ik ben hier te huis. Ik hoed mijn kudde!»«Uw kudde? Waar graast die dan? Hier heeft men immers slechts sneeuw en rotsen.»«Ge weet er ook wat van, wat hier is!» zei het meisje en lachte. «Hier achter ons, beneden, is een heerlijke weide! Daar loopen mijn geiten! Ik bewaak ze zorgvuldig! Geen enkele verlies ik; wat van mij is, blijft van mij!»«Gij zijt stoutmoedig!» zei Rudy.«Gij ook!» antwoordde het meisje.«Hebt ge melk in huis, geef mij dan te drinken; want ik heb een ondraaglijken dorst!»«Ik heb wat beters dan melk!» zei het meisje, «en dat zal ik u geven. Gisteren waren hier reizigers met hun gids; zij vergaten een half fleschje wijn, zooals ge zeker nooit geproefd hebt, zij zullen het wel niet terughalen; ik drink er niet van, drink gij er maar van!»En het meisje haalde den wijn, goot dien in een houten beker en reikte dezen aan Rudy over.«Dat smaakt lekker!» zei hij. «Nog nooit heb ik zulken verwarmenden, vurigen wijn geproefd!» Zijn oogen fonkelden; een leven, een gloed vervulde hem, alsof iedere zorg, iedere druk verdween; de frissche menschennatuur ontwaakte in hem.«Maar het is Annette toch!» riep hij uit. «Geef mij een kus!»«Ja, geef mij den mooien ring, dien ge aan den vinger hebt.»«Mijn verlovingsring?»«Ja, juist dien!» zei het meisje en schonk op nieuw wijn in den beker, dien zij hem aan de lippen zette, en hij dronk. Er stroomde levensvreugde in zijn bloed; de geheele wereld behoorde hem toe, dacht hij, waarom zou hij zich afpijnigen! Alles is geschapen, opdat wij het genieten, opdat het ons gelukkig make! De stroom des levens is de stroom der vreugde; door dezen gedragen te worden, dat is gelukzaligheid. Hij keek het meisje aan, het was Annette wel en toch Annette niet, en nog minder de spookgestalte, zooals hij het noemde, die hem bij Grindelwald tegengekomen was. Het meisje hier op den berg was frisch als de witte sneeuw, bloeiend als de Alpenroos en snelvoetig als een geitje; maar toch uit Adams rib geschapen, evenals Rudy. Hij sloeg zijn armen om de schoone heen en staarde haar in de verwonderlijk heldere oogen; slechts een seconde duurde deze blik, en in deze seconde.... ja, wie verklaart het, wie geeft het in woorden weer?—was het hetleven des geestes of des doods, dat hem vervulde?—werd hij opgeheven of zonk hij in de diepe, doodende ijskloof, gedurig dieper. Hij zag de ijswanden als een blauwachtig groen glas, oneindige kloven gaapten er in de rondte, en het water stroomde naar beneden, helder, vlammend in witachtig blauwe vlammen. De ijsmaagd kuste hem: het was een kus, die hem van het hoofd tot de voeten deed huiveren; een kreet van smart ontsnapte er aan zijn lippen, hij rukte zich los, waggelde,—en het werd nacht voor zijn oogen, maar hij deed ze weer open. Booze machten hadden haar spel met hem gedreven.Verdwenen was het Alpenmeisje, verdwenen de beschermende hut, het water stroomde langs den naakten rotswand neer, sneeuw lag er rondom; Rudy beefde van de koude, hij was tot op zijn hemd doornat, zijn ring was verdwenen, de verlovingsring, dien Babette hem gegeven had. Zijn buks lag in de sneeuw naast hem, hij raapte haar op en wilde haar afschieten; maar zij weigerde. Vochtige wolken legerden zich als vaste sneeuwmassa’s in de kloof, de duizeligheid zat daar en loerde op haar machtelooze prooi, en beneden in de kloof klonk het, alsof er een rotsblok naar beneden stortte, dat alles verbrijzelde en met zich meesleepte, wat het in zijn val wilde ophouden.Maar in den molen zat Babette en weende; Rudy was er in geen zes dagen geweest, hij, die in het ongelijk was, hij, die haar om vergiffenis moest vragen, dien zij van ganscher harte liefhad.XIII.In den molen.«Wat gaat het toch wonderlijk bij de menschen toe!» zei de kamerkat tegen de keukenkat. «Nu zijn zij weer van elkaar af, Babette en Rudy. Zij weent, en hij denkt zeker niet meer aan haar.»«Dat bevalt mij niet!» zei de keukenkat.«Mij ook niet!» zei de kamerkat, «doch ik zal het mij maar niet aantrekken! Babette kan zich immers met dien roodbaard verloven! Maar die is hier ook niet meer geweest, sedert hij op het dak wilde klimmen!»Booze machten drijven haar spel om ons en in ons; dat had Rudy wel eens gehoord en veel daarover nagedacht; wat was er in hem en om hem heen gebeurd daar op den berg? Waren het spoken of koortsachtige droomen? Hij had vroeger noch koorts, noch eenige andere ziekte gekend. Maar toen hij Babette veroordeelde, had hij een blik in zijn eigen binnenste geslagen. Hij had de wilde jacht in zijn hart, den heeten orkaan, die daar huisgehouden had, nagespeurd. Zou hij aan Babette ook alles kunnen biechten, iedere gedachte biechten, die in de ure der verzoeking bij hem tot daad zou kunnen worden? Haar ring had hij verloren,en juist door dit verlies had zij hem teruggekregen. Zou zij hem alles kunnen opbiechten? Het was, alsof zijn hart zou breken, als hij aan haar dacht; hoevele herinneringen rezen er niet bij hem op! Hij zag haar, alsof zij bij levenden lijve voor hem stond, lachend als een moedwillig kind; menig vriendelijk woord, dat zij uit de volheid haars hartengesprokenhad, drong als zonnestralen in zijn borst door, en al spoedig was alles daarin slechts zonneschijn bij de gedachte aan Babette.Ja, zij moest hem alles kunnen biechten, en zij zou dit ook doen.Hij ging naar den molen toe en kwam tot de biecht. Deze begon met een kus en eindigde daarmee, dat Rudy de zondaar bleef; het was afschuwelijk van hem! Zulk een wantrouwen, zulk een heftigheid kon hen beiden in het ongeluk storten. Ja zeker, dat kon! En daarom hield Babette hem een kleine boetpredikatie, waarin zij zelf schik had en die haar zeer goed afging, doch op één punt had Rudy gelijk: de neef der petemoei van Babette was een lafbek; zij wilde het boek verbranden, dat hij haar gegeven had, en zij wilde niet het minste bezitten, dat haar aan hem kon herinneren.«Nu is het gevaar voorbij!» zei de kamerkat. «Rudy is weer hier, zij verstaan elkaar, en dat is toch het grootste geluk, zeggen zij.»«Ik hoorde van nacht van de rotten,» zei de keukenkat, «dat het grootste geluk is, vetkaarsen te eten en volop spek te hebben. Wie moet men nu gelooven, de rotten of het verliefde paar?»«Geen van beiden,» zei de kamerkat, «dat is altijd het veiligste!»Het grootste geluk van Rudy en Babette, de schoonste dag, zooals zij hem noemden, de trouwdag, was ophanden.Maar niet in de kerk te Bex zou de trouwplechtigheid plaats hebben, niet in den molen zou er bruiloft gehouden worden; de petemoei wilde, dat de bruiloft in haar huis zou gevierd worden en dat de trouwplechtigheid in de mooie kleine kerk te Montreux zou plaats vinden. De molenaar stond er op, dat deze wensch zou vervuld worden; hij alleen wist, wat de petemoei voor de jonggehuwden bestemd had; zij zouden van haar een bruidsgeschenk krijgen, dat wel waard was, dat men zich naar haar wil schikte. De dag was bepaald. Reeds den avond te voren zouden zij naar Villeneuve vertrekken, om den daarop volgenden dag tijdig naar Montreux te rijden, opdat de dochters der petemoei de bruid aan haar toilet zouden kunnen helpen.«Hier in huis zal er toch ook wel wat lekkers afvallen,» zei de kamerkat; «als dit niet gebeurt, dan geef ik geen miauw voor de heele geschiedenis!»«Hier zal wel gesmuld worden!» zei de keukenkat. «Er zijn eenden geslacht, duiven geplukt, en een heele reebok hangt er aan den muur. Ik watertand er al van, als ik daaraan denk! Morgen begint de reis!»Ja, morgen!—Op dezen avond zaten Rudy en Babette voor de laatste maal als verloofden in den molen.Buiten gloeiden de Alpen, luidden de avondklokken en zongen de dochteren der zon: «Moge het beste geschieden!»XIV.Nachtelijke droomgezichten.De zon was ondergegaan, de wolken daalden in het Rhônedal tusschen de hooge bergen, de wind blies uit het Zuiden, een wind, die uit Afrika kwam, streek over de hooge Alpen heen, een orkaan, die de wolken scheurde, en toen de wind voorbijgespoed was, werd het een oogenblik doodstil; de gescheurde wolken hingen in phantastische groepen tusschen de met boomen begroeide bergen, over den snelvlietenden Rhônestroom; zij hingen in gestalten als de dieren der voorwereld, als de zwevende adelaar der lucht, als de huppelende kikvorschen der moerassen; zij daalden op den snelvlietenden stroom neer, zij zeilden op dezen en zeilden toch in de lucht. De stroom voerde een ontwortelden boom met zich mee, in het water vertoonden zich wervelende kringen; het was de duizeligheid, meer dan een, die er op den voortbruisenden stroom draaiden; de maan verlichtte de sneeuw op de bergtoppen, de donkere bosschen en de witte wonderbare wolken, de nachtgezichten, de geesten der natuurkrachten; de bergbewoner zag ze door de vensterruiten, zij zeilden daar beneden bij scharen voor de ijsjonkvrouw uit; deze kwam uit haar gletscherkasteel, zij zat op het brooze schip, op den ontwortelden boom; het gletscherwater droeg haar den stroom af tot in het open meer.«De bruiloftsgasten komen!» suisde het in lucht en water.Gezichten buiten, gezichten binnen. Babette droomde een wonderbaren droom.Het kwam haar voor, alsof zij met Rudy getrouwd was, en wel sedert vele jaren. Hij was op de gemzenjacht, en zij was te huis in haar woning, en daar zat de jonge Engelschman met den rooden baard bij haar! Zijn oogen waren zoo welsprekend, zijn woorden een toovermacht, hij stak haar de hand toe, en zij moest hem volgen. Zij verlieten het huis. Het ging gedurig meer naar beneden! Het was Babette te moede, alsof er een last op haar hart drukte, die gedurig zwaarder werd; het was een zonde tegen Rudy, een zonde tegen God; en eensklaps stond zij daar verlaten, haar kleederen waren door de doornen gescheurd, haar lokken waren grijs geworden, zij keek in haar smart naar boven, en op den rotswand zag zij Rudy;—zij strekte haar armen naar hem uit, maar waagde het niet, te roepen of te bidden. Dat zou haar ook niet gebaat hebben, want al spoedig ontdekte zij, dat hij het niet was, maar slechts zijn jas en zijn hoed, die op den Alpenstok hingen, dien de jagers zoo neerzetten, om de gemzen te misleiden. En in grenzenlooze smart jammerde Babette: «O! was ik maar op mijn trouwdag, mijn gelukkigsten dag, gestorven! Mijn God dat zou een genade, een groot geluk geweest zijn! Dan zou het beste geschied zijn, wat mij en Rudy zou hebben kunnen weervaren! Niemand kent zijn toekomst!»En in haar smart stortte zij zich in de diepe rotskloof naar beneden. Er sprong een snaar, er klonk een weemoedige toon...Babette ontwaakte, de droom was voorbij en vergeten,—maar zij wist toch nog, dat zij iets verschrikkelijks en van den jongen Engelschman gedroomd had, die zij in verscheidene maanden niet gezien, aan wien zij niet gedacht had. Zou hij misschien ook te Montreux zijn? Zou zij hem op de bruiloft te zien krijgen? Een lichte schaduw gleed er over haar fijnen mond, haar wenkbrauwen trokken zich te zamen; maar al spoedig daarop speelde er een glimlachje om haar lippen, schoten er vreugdestralen uit haar oogen; buiten scheen de zon zoo heerlijk, en den volgenden dag was het de bruiloft van haar en van Rudy.Rudy was al in de woonkamer, toen zij deze binnentrad, en spoedig daarop ging men naar Villeneuve. Beiden waren zoo overgelukkig, en ook de molenaar; hij lachte en was in de beste luim; hij was een goed vader en een eerlijke ziel.«Nu zijn wij heeren en meesters hier in huis!» zei de kamerkat.
V.Op den terugweg.O, hoeveel had Rudy te dragen, toen hij den daaropvolgenden dag over de hooge bergen naar huis terugkeerde. Ja, hij had drie zilveren bekers, twee mooie buksen en een zilveren koffiekan; deze kan zou goed te gebruiken zijn, als hij een huishouden opzette; maar dat alles was nog niet het gewichtigste: iets gewichtigers, machtigers droeg hij of droeg hem over de hooge bergen naar huis. Het weder was echter ruw, grauw en regenachtig; de wolken hingen als een rouwfloers op de berghoogten neer en omhulden de stralende toppen. Uit het bosch klonken de laatste bijlslagen, en langs de helling van den berg rolden boomstammen, die er, van de hoogte af gezien, als dunne stokjes uitzagen, maar met dat al de stevigste scheepsmasten waren. De Lütschine bruiste haar eentonige accoorden, de wind suisde, de wolken zeilden. Daar kwam er eensklaps een jong meisje naar Rudy toe; hij had haar niet eer bemerkt, voordat zij vlak in zijn nabijheid was; zij wilde insgelijks over de rotsen klimmen. De oogen van het meisje oefenden een eigenaardige kracht op hem uit; hij was wel gedwongen, haar aan te kijken.«Hebt ge een minnaar?» vroeg Rudy, want al zijn gedachten draaiden om de liefde heen.«Ik heb er geen!» antwoordde het meisje en lachte; maar het was, alsof zij de waarheid niet sprak. «Maken we geen omweg?» zeide zij. «Wij moeten meer links houden, dan is de weg korter.»«Jawel, om in een ijskloof neer te storten!» zei Rudy. «Kent gij dien weg misschien beter en wilt gij gids zijn?»«Ik ken den weg heel goed,» zei het meisje, «en ik heb mijn gedachten bij elkaar. De uwe zijn zeker wel beneden in het dal, hierboven moet men aan de ijsjonkvrouw denken; zij houdt niet van de menschen, zegt men.»«Ik ben niet bang voor haar!» zei Rudy. «Zij heeft mij weer terug moeten geven, toen ik nog een kind was; ik zal mij thans niet aan haar overgeven, nu ik ouder ben!»En de duisternis nam toe, de regen viel neer, en het begon te sneeuwen.«Geef mij uw hand,» zei het meisje, «ik zal u bij het klimmen behulpzaam zijn,» en hij voelde, dat hij door ijskoude vingers aangeraakt werd.«Gij mij bijstaan!» zei Rudy. «Nog heb ik de hulp van een vrouw niet noodig om te klimmen!» En hij liep sneller voort, van haar weg; de sneeuwstorm hulde hem als in een sluier, de wind gierde, en achter zich hoorde hij het meisje lachen en zingen; het klonk heel zonderling. Dat moest een spookgezicht zijn, dat in den dienst der ijsjonkvrouw was; Rudy had daarvan hooren spreken, toen hij, destijds nog een knaap, bij de reis over de bergen hier boven den nacht doorbracht.De sneeuw viel dunner, de wolk lag onder hem, hij keek om, er was niemand meer te zien; maar hij hoorde gelach en gezang, en dit klonk niet, alsof het uit een menschelijke borst voortkwam.Toen Rudy eindelijk de bovenste bergvlakte bereikte, vanwaar het pad naar beneden naar het Rhônedal voerde, zag hij in de richting van Chamouny, in de heldere, blauwe lucht twee heldere sterren staan; deze glinsterden en fonkelden, en hij dacht aan Babette, aan zich zelf en aan zijn geluk, en het werd hem bij deze gedachte warm.VI.Het bezoek in den molen.«Wat zijn dat prachtige dingen, waar je mee thuis komt!» zei de oude pleegmoeder, en haar zonderlinge arendsoogen fonkelden, zij draaide haar mageren hals nog sneller dan gewoonlijk in allerlei zonderlinge bochten. «Je hebt geluk, Rudy! Ik moet je een kus geven, beste jongen!»En Rudy liet zich kussen, maar op zijn gezicht stond te lezen, dat hij zich in het onvermijdelijke, in dit kleine huiselijke lijden schikte.«Wat ben je mooi!» zei de oude vrouw.«Maak mij dat niet wijs!» zei Rudy en lachte,—maar het deed hem toch plezier.«Ik zeg het nogmaals!» sprak de oude vrouw, «het geluk loopt je mee!»«Ja, daarin zoudt ge wel eens gelijk kunnen hebben!» zei hij en dacht aan Babette.Nog nooit had hij zulk een verlangen gehad om naar het diepe dal te gaan.«Zij moeten nu al thuis zijn!» zei Rudy bij zich zelf. «Het is al twee dagen over den tijd, waarop zij terug zouden zijn. Ik moet naar Bex toe.»Rudy ging naar Bex toe, en in den molen waren zij te huis. Hij werd goed ontvangen, en groeten van hun familie te Interlaken hadden zij voor hem meegebracht. Babette sprak niet veel, zij was geducht stil geworden; maar haar oogen spraken, en dat was voor Rudy voldoende. Het scheen, alsof de molenaar, die anders graag het hoogste woord had,—hij was er aan gewoon, dat men altijd om zijn invallen en woordspelingen lachte, hij was immers de rijke molenaar,—toch liever de jachtavonturen van Rudy hoorde vertellen, en deze sprak van de zwarigheden en de gevaren, die de gemzenjagers op de hooge bergtoppen door te staan hadden, hoe zij langs de onzekere sneeuwhellingen, die door weer en wind als het ware aan den kant der rotsen vastgekleefd zijn, en over de gevaarlijke bruggen moesten kruipen, die de sneeuwstorm over diepe kloven geslagen heeft. De oogen van den stoutmoedigen Rudy fonkelden, terwijl hij van het jagersleven vertelde, van de slimheid der gemzen en haar stoute sprongen, van den hevigen orkaan en de rollende lawinen; hij merkte het wel, dat hij bij iedere nieuwe beschrijving den molenaar gedurig meer voor zich innam, en vooral gevoelde deze zich bijzonder aangetrokken door hetgeen hij van den lammergier en den koningsadelaar vertelde.Niet ver weg, in het kanton Walliserland, was een arendsnest, dat zeer kunstig onder een hoogevooruitspringenderots gebouwd was; in dit nest bevond zich een jong, maar dit was er niet uit te krijgen. Een Engelschman had Rudy eenige dagen geleden eenheele hand vol goud aangeboden, als hij hem den jongen arend levend wilde bezorgen, «maar alles heeft zijn grenzen,» zei Rudy, «de arend is niet te krijgen, het zou een dwaasheid zijn dat te beproeven.»De wijn vloeide en de gesprekken vloeiden, maar de avond was veel te kort, kwam het Rudy voor, en toch was het na middernacht, toen hij van dit eerste bezoek terugkeerde.Het licht straalde nog een korten tijd door het raam van den molen door de groene boomtakken heen; uit het geopende luik in het dak kwam de kamerkat naar buiten en langs de dakgoot kwam de keukenkat aanloopen.«Wil ik je eens een nieuwtje vertellen?» zei de kamerkat. «Hier in huis heeft een heimelijke verloving plaats gehad. De oude molenaar weet er nog niets van; Rudy en Babette hebben elkaar den heelen avond op de voeten getrapt; mij trapten zij tweemaal, maar ik mauwde toch niet; want dat zou de aandacht getrokken hebben.»«Ik zou toch gemauwd hebben!» zei de keukenkat.«Wat in de keuken gaat, gaat niet in de kamer!» zei de kamerkat. «Ik ben echter nieuwsgierig, wat de molenaar zal zeggen, als hij de verloving verneemt.»Ja, wat zou de molenaar er wel van zeggen? Dat zou Rudy ook wel graag geweten hebben, maar lang wachten, voordat hij dit vernam, kon hij niet. Toen de omnibus eenige dagen later over de Rhônebrug tusschen Walliserland en Waadland voortratelde, zat Rudy daarin, goedsmoeds evenals altijd, en verdiepte zich in liefelijke gedachten over het jawoord, dat hij dien zelfden avond nog dacht te krijgen.En toen de avond daar was en de omnibus denzelfden weg terugreed, zat Rudy er ook in; maar in den molen liep de kamerkat met nieuwtjes rond.«Weet je het al, jij, die altijd in de keuken zit?—De molenaar weet nu alles. Maar dat heeft een mooien afloop gehad! Rudy kwam hier tegen den avond, en hij en Babette hadden veel met elkaar te fluisteren en heimelijk te spreken, zij stonden in de gang voor de kamer van den molenaar. Ik lag aan hun voeten, maar zij hadden noch oogen noch gedachten voor mij. «Ik ga, zonder mij langer te bedenken, naar je vader toe.»—«Wil ik meegaan?» vroeg Babette; «dat zal je moed geven.»—«Ik heb moed genoeg,» zei Rudy, «maar als jij er bij bent, dan moet hij wel vriendelijk zijn, of hij wil of niet.»—Daarop traden zij binnen. Rudy trapte mij geducht op den staart! Rudy is erg onhandig; ik mauwde, maar noch hij noch Babette hadden ooren om dit te hooren. Zij deden de deur open en traden de kamer samen binnen. Ik liep voorop; ik sprong op een stoel, want ik kon immers niet weten, hoe Rudy zich misschien zou verweren. Maar de molenaar verweerde zich, hij gaf een duchtigen schop en zei: «De deur uit en den berg op naar de gemzen!» Daarop mag Rudy nu mikken en niet op onze Babette!»«Maar wat spraken zij met elkaar? Wat zeiden zij?» vroeg de keukenkat.«Wat zij zeiden?—Alles werd er gezegd, wat de menschen zoo plegen te zeggen, als zij verliefd zijn: «Ik heb haar lief, en zij heeft mij lief! En als er melk voor een in de kan is, dan is er ook melk voor twee!»—«Maar zij zit je te hoog!» zei de molenaar, «zij zit op zand, op goudzand, zooals je weet, je zult haar niet bereiken!»—«Niets zit zoo hoog, of men kan het wel bereiken, als men maar wil!» antwoordde Rudy; want hij is een onverschrokken man.—«Maar het arendsnest kan je toch niet bereiken, zooals je zelf onlangs gezegd hebt: Babette zit nog hooger!»—«Ik neem ze allebei!» zei Rudy.—«Ik zal je Babette geven, als je mij het levende arendsjong geeft!» zei de molenaar en lachte, dat de tranen hem langs de wangen liepen. «Maar nu bedank ik je voor je bezoek, Rudy! Bezoek mij morgen weer, morgen is er niemand thuis. Vaarwel, Rudy!»—En Babette zei hem ook vaarwel, maar zoo klagend als een klein katje, dat zijn moeder nog niet kan zien. «Een man een man, een woord een woord!» zei Rudy. «Ween niet, Babette! ik zal het arendsjong brengen!»—«Je zult den nek breken, hoop ik!» zei de molenaar, «en dan zijn wij van je bezoeken ontslagen!»—Dat noem ik een duchtigen schop! Nu is Rudy weg en Babette zit te huilen; maar de molenaar zingt Duitsch, dat heeft hij laatst op zijn reis geleerd. Ik zal er maar niet treurig over zijn, want dat baat toch niets!»«Maar zoo is er dan toch altijd nog mogelijkheid op!» zei de keukenkat.VII.Het arendsnest.Van het rotspad af klonk het gezang, lustig en krachtig, het wees op een goede luim en een onversaagden moed; het was Rudy; hij ging zijn vriend Vesinand opzoeken.«Je moet mij behulpzaam zijn! Wij nemen Nagli mee, ik moet het arendsjong boven aan den kant van de rots uit het nest halen.»«Zou je dan niet eerst het mannetje uit de maan halen? Dat zal even gemakkelijk gaan!» zei Vesinand. «Je schijnt in een goede luim te zijn!»«Dat ben ik ook! Ik denk er aan te gaan trouwen!—Maar om ernstig te spreken, ik zal je zeggen, hoe het met mij gesteld is.»En al spoedig wisten Vesinand en Nagli, wat Rudy wilde.«Je bent een onverschrokken kerel!» zeiden zij. «Maar dat gaat niet! Je zult den nek breken!»«Men valt niet naar beneden, als men het zich niet verbeeldt!» zei Rudy.Te middernacht rukten zij met stokken, ladders en touwen op;de weg liep tusschen boomen en struiken door, over naakte rotsen, steeds opwaarts, opwaarts in den donkeren nacht. Het water bruiste beneden, het water stroomde boven, vochtige wolken dreven eraan de lucht. De jagers bereikten den steilen kant der rots, hier werd het donkerder, de rotswanden kwamen bijna tegen elkander aan, en slechts hoog in de smalle kloof was de lucht te zien; dicht naast hen, onder hen lag de diepe afgrond met het bruisende water. Het drietal zat op de rotsen, zij wilden het aanbreken van den dag afwachten, als de arend uitvloog; de oude moest eerst doodgeschoten worden, voordat zij er aan konden denken, zich van het jong meester te maken. Rudy zat daar op zijn hurken, zoo stil, alsof het een stuk van de rots was, waarop hij zich bevond, het geweer met den gespannen haan hield hij voor zich om te schieten, zijn blik vestigde zich onafgebroken op de bovenste kloof, waar het adelaarsnest onder de overhellende rotsen verborgen zat. De drie jagers moesten lang wachten.Maar nu kraakte en suisde het hoog boven hen; een groot, zwevend voorwerp verduisterde de lucht om hen heen. Twee buksloopen mikten, terwijl de zware arendsgestalte uit het nest vloog;—er viel een schot, een oogenblik bewogen zich de uitgespreide vleugels, daarop streek de vogel langzaam neer, en het was, alsof hij door zijn grootte en met zijn wijd uitgespreide vleugels de geheele kloof wilde beslaan en de jagers in zijn val met zich meesleepen. De arend viel in de diepte naar beneden, boomtakken en struiken braken door den val van den vogel.Nu kwamen de jagers in beweging; drie van de langste ladders werden aan elkaar vastgebonden,—deze zouden wel lang genoeg zijn; men zette ze op de uiterste vaste punt neer, op den rand van den afgrond, maar zij waren niet lang genoeg, en de rotswand liep hooger op en was daar, waar het nest zich onder den vooruitspringenden top verborg, glad als een muur. Na eenige beraadslagingen werd men het daaromtrent eens, dat twee aan elkaar gebonden ladders van boven in de kloof neergelaten en deze wederom in verbinding met de drie van beneden neergezette gebracht moesten worden. Met groote moeite sleepte men de twee ladders naar boven en maakte boven de touwen vast; de ladders werden over de vooruitspringende rots heengeschoven en hingen daar zwevend boven den afgrond; Rudy zat reeds op de onderste sport. Het was een ijskoude morgen; nevels stegen er uit den donkeren afgrond op. Rudy zat daar, evenals een vlieg op den waggelenden stroohalm zit, dien de een of andere vogel bij het bouwen van zijn nest op den rand van den hoogen fabrieksschoorsteen verloren heeft; maar de vlieg kan meevliegen, als de stroohalm loslaat, doch Rudy kon slechts zijn nek breken. De wind suisde om hem heen, en beneden in den afgrond bruisten de wateren van den ontdooienden gletscher, het paleis der ijsjonkvrouw.Nu bracht hij de ladder in een schommelende beweging, evenals de spin zich schommelt, wanneer zij, aan haar langen, zwevendendraad hangende, iets wil vastgrijpen, en toen Rudy ten vierden male het boveneind der van beneden neergezette, aaneengebonden ladders aanraakte, had hij dit gegrepen; zij werden met een zekere en krachtige hand samengevoegd, maar zij waggelden en klapperden geweldig.De vijf lange ladders, die tot aan het nest reikten en loodrecht tegen den rotswand aanstonden, schenen een waggelend riet te zijn, en nu kwam het gevaarlijkste werk nog aan; er moest geklauterd worden, zooals de kat kan klauteren, maar Rudy had daar juist verstand van, want de kat had het hem geleerd; hij bemerkte niets van de duizeligheid, die in de lucht achter hem zweefde en haar poliepenarmen naar hem uitstrekte. Thans stond hij op de bovenste sport der ladder en bemerkte, dat hij hier nog niet hoog genoeg kon reiken, om in het nest te zien, alleen met de hand kon hij eraan komen; hij probeerde, hoe vast de onderste, dikke, in elkaar gevlochten takken zaten, die het onderste gedeelte van het nest vormden, en nadat hij een dikken en vasten tak beetgepakt had,hiefhij zich van de ladder naar boven, leunde over den tak heen en had nu zijne borst en zijn hoofd over het nest gebogen; hier stroomde hem een verstikkende stank van aas tegen; in het nest lagen lammeren, gemzen en vogels, die tot verrotting overgegaan waren. De duizeligheid, die geen invloed op hem kon oefenen, blies hem de giftige uitwasemingen in het gezicht, opdat hij verward en bedwelmd zou worden, en beneden in de zwarte, gapende diepte op de voortstroomende wateren zat de ijsjonkvrouw zelve met haar lange, witachtig groene haren en staarde hem aan met oogen als twee buksloopen.«Nu vang ik u!»In een hoek van het arendsnest zag hij, groot en forsch, het jong van den arend zitten, dat nog niet kon vliegen. Rudy vestigde zijn oogen daarop, hield zich met alle kracht met één hand vast en wierp met zijn andere den strik om den jongen arend heen; gevangen was hij, levend gevangen; zijn pooten staken in het touw, en Rudy wierp den strik met den vogel over den schouder, zoodat het beest een heel eind beneden hem hing, terwijl hij zich aan een neerhangend touw vasthield, totdat zijn voeten de bovenste sport van de ladder weer aanraakten.«Houd je vast! Denk maar niet, dat je naar beneden kunt vallen, dan val je ook niet!» Dat was de oude les, en deze volgde hij op, klauterde, was overtuigd, dat hij niet zou vallen, en hij viel ook niet.Nu deed zich een krachtig en vroolijk gezang hooren. Rudy stond met zijn arendsjong op de vaste rotsen.VIII.Welke nieuwtjes de kamerkat wist te vertellen.«Hier is het verlangde!» zei Rudy, terwijl hij bij den molenaar te Bex binnentrad, een groote mand op den grond neerzette en den doek, die er overheen lag, oplichtte. Twee gele oogen met zwarte randen kwamen er uitkijken, fonkelend en wild, als wilden zij zich vastbranden en vastbijten, waar zij heenkeken; de korte, krachtige snavel was tot bijten opgesperd, de hals was rood en met stoppels bezet.«Het arendsjong!» riep de molenaar uit. Babette gaf een luiden gil en deinsde terug; maar zij kon toch haar oogen noch van Rudy noch van den arend afhouden.«Je laat je niet licht door iets afschrikken!» zei de molenaar.«En gij houdt altijd woord!» zei Rudy. «Ieder heeft zijn eigenaardigheid!»«Maar waarom heb je den nek niet gebroken?» vroeg de molenaar.«Omdat ik vasthield!» antwoordde Rudy, «en dat doe ik nog! Ik houd Babette vast!»«Maak eerst maar, dat je haar krijgt!» zei de molenaar en lachte; en dat was een goed teeken, dat wist Babette.«We moeten hem uit de mand halen,—het is om razend te worden, zooals hij ons aankijkt! Maar hoe heb je hem weten te krijgen?»Nu moest Rudy vertellen, en de molenaar zette gedurig grooter oogen op.«Met je moed en je geluk kan je wel drie vrouwen onderhouden!» zei de molenaar.«Ik dank u!» riep Rudy uit.«Maar Babette heb je nog niet!» zei de molenaar en klopte den jongen Alpenjager schertsend op den schouder.«Weet je het nieuwste nieuwtje al, dat er in den molen is?» zei de kamerkat tegen de keukenkat. «Rudy heeft ons het arendsjong gebracht en neemt Babette daarvoor in ruil. Zij hebben elkander een kus gegeven en hebben het den ouden molenaar laten zien. Dat is zoo goed als een verloving. De oude man was goed gemutst; hij hield zijn klauwen binnen, deed zijn middagdutje en liet de twee bij elkaar zitten vrijen; zij hebben elkaar zooveel te vertellen, dat zij met Kerstmis nog niet klaar zullen zijn!»Zij kwamen met Kerstmis ook niet klaar. De wind stuwde de bruine bladeren op; de sneeuw stoof in het dal, evenals op de hooge bergen; de ijsjonkvrouw zat in haar trotsch kasteel, dat gedurende den wintertijd in grootte toeneemt; de rotswanden stonden daar met ijzel bedekt, en dikke ijskegels, zwaar als olifanten, hingen daar naar beneden, waar de rotsstroom in den zomer zijn watersluier laat waaien; ijsguirlandes, uit phantastische ijskristallen samengesteld, hingen fonkelend aan de met sneeuw bepoederde dennen. De ijsjonkvrouw reed op den suizenden wind over de diepste dalen heen. Het sneeuwdek strekte zich heelemaal tot aan Bex uit, de ijsjonkvrouw kwam ook daarheen en zag Rudy in den molen zitten, hij zat dezen winter meer in huis, dan anders zijn gewoonte was, hij zat bij Babette. Den volgenden zomer zou er bruiloft gehouden worden; zijn ooren suisden hem vaak, zoo druk spraken zijn vrienden daarover. In den molen was zonneschijn, de schoonste Alpenroos gloeide er, de vroolijke, glimlachende Babette, schoon als de naderende lente, de lente, die alle vogels doet zingen van zomertijd en bruiloft.«Wat zitten die twee toch altijd bij elkander en steken hun hoofden bij elkaar!» zei de kamerkat. «Nu heb ik genoeg van hun gemauw!»IX.De ijsjonkvrouw.De lente had haar sappige, groene guirlandes van walnote- en kastanjeboomen ontplooid; zwellend slingerden zij zich van de brugbij Saint-Maurice tot aan den oever van het meer van Genève langs de Rhône, die met een geweldige vaart voortstroomt van haar bron onder den groenen gletscher, het ijspaleis, waarin de ijsjonkvrouw woont, en vanwaar zij zich door den scherpen wind laat opstuwen tot op het hoogste sneeuwveld, om daar te rusten op haar sneeuwzetel; daar zat zij en staarde met een doordringenden blik in de diepste dalen neer, waar de menschen ijverig in beweging waren, evenals mieren op de steenen, die de zon beschijnt.«Geesteskrachten, zooals de kinderen der zon u noemen!» zei de ijsjonkvrouw. «Wormen zijt gij! Een rollende sneeuwbal,—en gij, uw huizen en uw steden zijn verpletterd en verdwenen!» Hooger verhief zij haar trotsch hoofd en keek wijd en zijd met oogen, die van dood en verderf straalden. Maar uit het dal deed zich een rollen hooren, rotsen liet men springen: dit was menschenwerk! Wegen en tunnels voor spoorwegen werden er aangelegd.«Zij wroeten als mollen in den grond,» zeide zij; «zij graven gangen onder de aarde, van daar dat geknal als van geweerschoten. Als ik mijn kasteelen verzet, dan druischt het sterker dan het geratel van den donder!»Uit het dal steeg een dikke rook op, die zich voorwaarts bewoog als een fladderende sluier, een wuivende pluim der locomotief, die op den nog pas geopenden spoorweg zijn stoet voorttrok, deze kronkelende slang, wier ledematen wagens aan wagens zijn. Pijlsnel vloog zij voorwaarts.«Zij beschouwen zich daar beneden als heeren, die geesteskrachten!» zei de ijsjonkvrouw. «De macht der natuurkrachten is toch grooter dan de hunne!» Zij lachte, en het dreunde in het dal.«Daar rolt een lawine naar beneden!» zeiden de menschen.Maar de kinderen der zon zongen nog luider van de menschengedachte, die de zee aan banden legt, bergen verzet, dalen effent; de menschengedachte, die de beheerscheres der natuurkrachten is. Omstreeks dezen tijd trok over het sneeuwveld, waar de ijsjonkvrouw zat, een gezelschap van reizigers; de menschen hadden zich met touwen aan elkaar vastgebonden, opdat zij als ’t ware een grooter lichaam zouden vormen op de gladde ijsvlakte aan den rand van den diepen afgrond.«Wormen!» zei de ijsmaagd. «Gij, de beheerschers der natuurkrachten!» En zij wendde den blik van het gezelschap af en keek gramstorig in het diepe dal, waar de spoortrein voortbruiste.«Daar zitten zij, degedachten! Zij zitten in de macht der natuurkrachten! Ik zie ze, elk en een ieder!—de een zit trotsch als een koning alleen! Ginds zitten zij op een hoop! Daar slaapt de eene helft! En als de stoomdraak stilhoudt, dan stappen zij er uit en gaan allen huns weegs! Deze gedachten verspreiden zich in de wereld!» En zij lachte.«Daar rolt weer een lawine!» zei men beneden in het dal.«Ons bereikt zij niet!» zeiden er twee, die op den rug van denstoomdraak zaten; «twee harten en één slag,» zooals het heet. Het waren Rudy en Babette; ook de molenaar was er bij.«Als bagage!» zei hij. «Ik ben er bij als het noodige aanhangsel!»«Daar zitten die twee!» zei de ijsjonkvrouw. «Vele gemzen heb ik verpletterd, millioenen Alpenrozen heb ik geknakt en gebroken, zelfs de wortels spaarde ik niet! Ik wisch ze uit, die gedachten, die geesteskrachten!» En zij lachte.«Daar rolt weer een lawine!» zei men beneden in het dal.X.De petemoei.Te Montreux, een der naastbijgelegen steden, die met Clarens, Vevay en Crin een krans om het noordoostelijke gedeelte van het meer van Genève vormen, woonde de petemoei van Babette, de Engelsche, deftige dame met haar dochters en een jeugdigen bloedverwant; zij waren daar nog slechts kort geleden aangekomen, maar de molenaar had ze reeds bezocht, hun de verloving van Babette medegedeeld en van Rudy en het arendsjong, van het bezoek te Interlaken, in één woord de geheele geschiedenis verteld, en deze had haar in de hoogste mate verblijd en haar ten zeerste voor Rudy en Babette en ook voor den molenaar ingenomen; alle drie moesten eens overkomen, en daarom gingen zij er dan ook naar toe. Babette zou haar petemoei, de petemoei zou Babette zien.Bij het stadje Villeneuve, aan het einde van het meer van Genève, lag de stoomboot, die, na een vaart van een half uur van daar naar Vevay, ten zuiden van Montreux, aanlegt. De kust alhier is door de dichters bezongen; hier onder de walnoteboomen, aan het diepe, blauwachtig groene meer zat Byron en schreef zijn welluidende verzen van den gevangene in het donkere rotsachtige kasteel Chillon. Daar, waar Clarens zich met zijn treurwilgen in het water afspiegelt, wandelde Rousseau, terwijl hij van Heloïse droomde. De Rhône stroomt onder de hooge, met sneeuw bedekte bergen van Savoye voort; hier, niet ver van haar oorsprong, ligt in het meer een klein eiland; dit is zoo klein, dat het van de kust gezien, een vaartuig op het water schijnt te zijn. Het eiland is een rotsgrond, dien een dame voor omstreeks honderd jaren met steenen liet indammen, met aarde bedekken en met drie acaciaboomen beplanten; deze overschaduwen nu het geheele eiland. Babette was verrukt over deze plek, deze scheen haar de schoonste op den geheelen tocht, daar moest zij naar toe, het moest daar verwonderlijk schoon zijn, dacht zij. Maar de stoomboot voer voorbij en legde aan, waar zij moest aanleggen en wel te Vevay.Het kleine gezelschap wandelde van hier verder tusschen de witte, door de zon bestraalde muren, die de wijngaarden voor het bergstadje Montreux omgeven, waar de vijgeboomen het huis van denboer beschaduwen, laurierboomen en cipressen in de tuinen groeien. Halverwege op den berg stond het huis, waarin de petemoei woonde.De ontvangst was hartelijk. De petemoei was een vriendelijke vrouw met een rond, glimlachend gezicht; als kind was zij zeker een echt engelenkopje van Raphaël geweest. Nu was zij een oud engelenhoofd, met weelderige zilverwitte lokken. Haar dochters waren lieve, mooie, lange en slanke meisjes. De jonge neef, dien zij meegebracht hadden, was van het hoofd tot de voeten in het wit gekleed, had blond haar en zulke lange roode bakkebaarden, dat er wel genoeg was voor drie heeren; hij bewees Babette terstond de grootste opmerkzaamheid.Rijk gebonden boeken, muziek en teekeningen lagen er op de groote tafel verspreid; de deur, die naar het balkon voerde, stond open en gaf het uitzicht op het schoone, uitgestrekte meer, dat zoo blank en stil was, dat de bergen van Savoye met steden, bosschen en sneeuwtoppen zich daarin afspiegelden.Rudy, die anders overmoedig, vroolijk en opgewekt was, gevoelde zich hier volstrekt niet thuis; hij bewoog zich, alsof hij op erwten over een gladden vloer liep. Wat viel de tijd hem lang, wat ging deze langzaam voorbij, als in een tredmolen! En nu werd er een wandeling gedaan!Dat ging even langzaam en vervelend; Rudy had wel twee schreden vooruit en een achteruit kunnen doen, om met de anderen in den stap te blijven. Zij wandelden naar Chillon, het oude, sombere kasteel op het rotsachtige eiland, alleen om de foltertuigen te zien, de gevangenissen, de verroeste kettingen in de rotsachtige muren, de steenen britsen voor de ter dood veroordeelden, de valluiken, waardoor de ongelukkigen naar beneden geworpen en op ijzeren spitse pennen opgevangen werden. Dat alles te zien noemden zij een genoegen. Een gerechtsplaats was het, die door Byrons gezang in de wereld der poëzie opgenomen is. Rudy had slechts gevoel voor de gerechtsplaats; hij stak het hoofd uit een der groote steenen vensterramen en keek neer in het diepe, blauwachtig groene water en naar het kleine eiland met de drie acacia’s; daarheen wenschte hij zich wel verplaatst te zien, vrij van het geheele pratende gezelschap; maar Babette was bijzonder vroolijk gestemd. Zij had zich uitstekend geamuseerd, zeide zij; de neef, vond zij, was een alleraardigst mensch.«Ja, een echte lafbek!» zei Rudy; en dit was de eerste maal, dat Rudy iets zei, wat haar niet beviel. De Engelschman had haar een klein boekje tot aandenken aan Chillon gegeven, het was Byrons gedicht: «De gevangene van Chillon,» in het Fransch vertaald, zoodat Babette het kon lezen.«Het boek kan wel heel mooi zijn,» zei Rudy, «maar de keurig gekleede mijnheer, die het je gegeven heeft, staat mij niet aan.»«Hij zag er net uit als een meelzak zonder meel!» zei de molenaar, en lachte om zijn eigen aardigheid. Ook Rudy lachte en zei, dat hij er juist zoo over dacht.XI.De neef.Toen Rudy eenige dagen later een bezoek in den molen kwam afleggen, vond hij daar den jongen Engelschman; Babette was juist bezig, hem gekookte forellen voor te zetten, die zij zeker zelf met peterselie versierd had, opdat zij er recht smakelijk zouden uitzien. Maar dat was volstrekt niet noodig geweest. Wat wilde deEngelschmanhier? Wat had hij hier te doen? Door Babette getrakteerd en onthaald te worden?—Rudy was jaloersch, en dat deed Babette plezier; het deed haar genoegen, al de zijden van zijn karakter te leeren kennen, de sterke zoowel als de zwakke. De liefde was haar nog een spel, en zij speelde met het hart van Rudy, en toch was hij,—dat moet gezegd worden,—haar geluk, haar geheele leven, haar voortdurende gedachte, het beste en heerlijkste, dat zij op deze wereld bezat; maar hoe meer zijn blik zich verduisterde, des te meer lachten haar oogen, zij had den blonden Engelschman met de roode bakkebaarden wel een kus willen geven, als zij daardoor had kunnen bewerken, dat Rudy razend werd en wegliep; dat zou haar juist een bewijs zijn, hoe lief hij haar had. Maar dat was niet goed van Babette; doch zij was immers nog maar negentien jaar oud. Zij dacht weinig daarover na en dacht er nog minder aan, dat haar gedrag door den jongen Engelschman licht anders zou kunnen opgevat worden, dan het voor de eerbare verloofde dochter van den molenaar paste.Daar, waar de straatweg van Bex onder de met sneeuw bedekte rotsachtige hoogte loopt, die in de landstaal Diablerets heet, stond de molen, niet ver van een snelvlietenden bergstroom, die witachtig grijs was evenals zeepsop. Deze bracht den molen echter niet in beweging, het groote molenrad werd door een kleineren stroom in de rondte gedraaid, die aan den anderen kant der rivier van de rots naar beneden stortte en, door een steenen dam tot nog grootere kracht en vaart gedreven, in een bassin van balken, een breede leiding of goot, over den snelvlietenden stroom gevoerd werd. Deze goot was zoo rijk aan water, dat zij overliep en de houten rand een natten, slijkerigen weg aanbood aan dengene, wien het in de gedachte mocht komen, langs dezen den molen spoediger te bereiken, en dezen inval had een jongmensch, de Engelschman. In het wit gekleed als een molenaarsknecht, klauterde hij des avonds naar den overkant, geleid door het licht, dat er uit de kamer van Babette stroomde. Klauteren echter had hij niet geleerd, en het scheelde dan ook niet veel, of hij was hals over kop in het water gevallen, maar hij kwam er gelukkig nog met doornatte mouwen en een smerige broek af; nat en met slijk bedekt kwam hij onder het raam van Babette; hier klom hij in de oude linde en begon de stem van den uil na te bootsen, want een anderen vogel kon hij niet nazingen. Babette hoorde dit en keek door de dunne gordijnennaar buiten; toen zij den witten man echter zag en wel kon begrijpen, wie dit was, klopte haar hartje van schrik, maar ook van toorn. Zij blies in aller ijl het licht uit, onderzocht of de pennen wel op de ramen zaten, en liet hem nu huilen, zoo veel hij maar wilde.Het zou verschrikkelijk zijn, als Rudy nu hier in den molen was!—Maar Rudy was niet in den molen, neen, wat nog erger was, hij stond vlak onder de linde. Er werd luid gesproken, hetwaren toornige woorden, er kon wel een vechtpartij, misschien zelfs moord en doodslag van komen.Babette deed in haar angst het raam open, riep Rudy en verzocht hem heen te gaan; want zij kon het niet dulden, dat hij daar bleef, zeide zij.«Je duldt niet, dat ik hier blijf!» riep hij haar toe, «het is dus afgesproken werk! Je verwacht goede vrienden, betere dan ik ben! Schaam je, Babette!»«Je bent onuitstaanbaar!» zei Babette. «Ik haat je!» En zij weende. «Ga heen, ga heen!»«Dat heb ik niet verdiend!» zei hij en ging heen; zijn wangen en zijn hart brandden als vuur.Babette wierp zich op haar bed neer en weende.«Ik heb je zoo lief, Rudy! En je kunt zoo iets slechts van mij denken!»Zij barstte in tranen uit, en dat was goed voor haar, want anders zou zij zeer bedroefd geworden zijn; nu kon zij den slaap vatten, den verkwikkenden slaap der jeugd slapen.XII.Booze machten.Rudy verliet Bex, hij sloeg den weg naar huis in, klom op de bergen in de frissche verkoelende lucht, waar de sneeuw lag, waar de ijsjonkvrouw heerscht. De boomen stonden diep onder hem en zagen er uit, alsof zij aardappelenloof waren, de dennen, de struiken werden kleiner hier boven, de Alpenrozen groeiden naast de sneeuw die in afzonderlijke strepen lag, evenals linnen op de bleek. Een blauwe gentiaan, die op zijn weg stond, verbrijzelde hij met zijn geweerkolf.Hoogerop vertoonden zich twee gemzen; de oogen van Rudy fonkelden, zijn gedachten namen een nieuwe vlucht; maar hij was er niet dicht genoeg bij om een zeker schot te kunnen doen; hij klom hooger op waar slechts een enkel grasscheutje tusschen de rotsblokken groeide; de gemzen liepen rustig op het sneeuwveld; hij verhaastte zijn schreden. De wolkennevel daalde diep om hem neer, eensklaps bevond hij zich voor den steilen rotswand: de regen begon neer te stroomen.Hij voelde een brandenden dorst, hitte in zijn hoofd, koude over al zijn leden; hij greep naar zijn veldflesch, maar deze was ledig; hij had er niet aan gedacht, haar te vullen, toen hij tegen de bergen opstormde. Hij was vroeger nooit ziek geweest, maar nu had hij het gevoel van zulk een toestand; hij was moede, hij gevoelde neiging om zich neer te leggen, verlangen om te slapen, maar overal stroomde de regen neer; hij deed een poging om weer tot zich zelven te komen. Zonderling sidderden en dansten de voorwerpenvoor zijn oogen; daar bespeurde hij eensklaps, wat hij hier nog nooit gezien had, een nieuw, allerliefst huisje, dat tegen de rotsen aangebouwd was; voor de deur stond een jong meisje; hij zou haast gezegd hebben, dat het Annette van den schoolmeester was, die hij eenmaal onder het dansen gekust had; maar het was Annette niet; toch had hij het meisje vroeger al eens gezien, misschien wel bij Grindelwald, op dien avond, toen hij van het schuttersfeest te Interlaken terugkeerde.«Hoe komt ge hier zoo verzeild?» vroeg hij.«Ik ben hier te huis. Ik hoed mijn kudde!»«Uw kudde? Waar graast die dan? Hier heeft men immers slechts sneeuw en rotsen.»«Ge weet er ook wat van, wat hier is!» zei het meisje en lachte. «Hier achter ons, beneden, is een heerlijke weide! Daar loopen mijn geiten! Ik bewaak ze zorgvuldig! Geen enkele verlies ik; wat van mij is, blijft van mij!»«Gij zijt stoutmoedig!» zei Rudy.«Gij ook!» antwoordde het meisje.«Hebt ge melk in huis, geef mij dan te drinken; want ik heb een ondraaglijken dorst!»«Ik heb wat beters dan melk!» zei het meisje, «en dat zal ik u geven. Gisteren waren hier reizigers met hun gids; zij vergaten een half fleschje wijn, zooals ge zeker nooit geproefd hebt, zij zullen het wel niet terughalen; ik drink er niet van, drink gij er maar van!»En het meisje haalde den wijn, goot dien in een houten beker en reikte dezen aan Rudy over.«Dat smaakt lekker!» zei hij. «Nog nooit heb ik zulken verwarmenden, vurigen wijn geproefd!» Zijn oogen fonkelden; een leven, een gloed vervulde hem, alsof iedere zorg, iedere druk verdween; de frissche menschennatuur ontwaakte in hem.«Maar het is Annette toch!» riep hij uit. «Geef mij een kus!»«Ja, geef mij den mooien ring, dien ge aan den vinger hebt.»«Mijn verlovingsring?»«Ja, juist dien!» zei het meisje en schonk op nieuw wijn in den beker, dien zij hem aan de lippen zette, en hij dronk. Er stroomde levensvreugde in zijn bloed; de geheele wereld behoorde hem toe, dacht hij, waarom zou hij zich afpijnigen! Alles is geschapen, opdat wij het genieten, opdat het ons gelukkig make! De stroom des levens is de stroom der vreugde; door dezen gedragen te worden, dat is gelukzaligheid. Hij keek het meisje aan, het was Annette wel en toch Annette niet, en nog minder de spookgestalte, zooals hij het noemde, die hem bij Grindelwald tegengekomen was. Het meisje hier op den berg was frisch als de witte sneeuw, bloeiend als de Alpenroos en snelvoetig als een geitje; maar toch uit Adams rib geschapen, evenals Rudy. Hij sloeg zijn armen om de schoone heen en staarde haar in de verwonderlijk heldere oogen; slechts een seconde duurde deze blik, en in deze seconde.... ja, wie verklaart het, wie geeft het in woorden weer?—was het hetleven des geestes of des doods, dat hem vervulde?—werd hij opgeheven of zonk hij in de diepe, doodende ijskloof, gedurig dieper. Hij zag de ijswanden als een blauwachtig groen glas, oneindige kloven gaapten er in de rondte, en het water stroomde naar beneden, helder, vlammend in witachtig blauwe vlammen. De ijsmaagd kuste hem: het was een kus, die hem van het hoofd tot de voeten deed huiveren; een kreet van smart ontsnapte er aan zijn lippen, hij rukte zich los, waggelde,—en het werd nacht voor zijn oogen, maar hij deed ze weer open. Booze machten hadden haar spel met hem gedreven.Verdwenen was het Alpenmeisje, verdwenen de beschermende hut, het water stroomde langs den naakten rotswand neer, sneeuw lag er rondom; Rudy beefde van de koude, hij was tot op zijn hemd doornat, zijn ring was verdwenen, de verlovingsring, dien Babette hem gegeven had. Zijn buks lag in de sneeuw naast hem, hij raapte haar op en wilde haar afschieten; maar zij weigerde. Vochtige wolken legerden zich als vaste sneeuwmassa’s in de kloof, de duizeligheid zat daar en loerde op haar machtelooze prooi, en beneden in de kloof klonk het, alsof er een rotsblok naar beneden stortte, dat alles verbrijzelde en met zich meesleepte, wat het in zijn val wilde ophouden.Maar in den molen zat Babette en weende; Rudy was er in geen zes dagen geweest, hij, die in het ongelijk was, hij, die haar om vergiffenis moest vragen, dien zij van ganscher harte liefhad.XIII.In den molen.«Wat gaat het toch wonderlijk bij de menschen toe!» zei de kamerkat tegen de keukenkat. «Nu zijn zij weer van elkaar af, Babette en Rudy. Zij weent, en hij denkt zeker niet meer aan haar.»«Dat bevalt mij niet!» zei de keukenkat.«Mij ook niet!» zei de kamerkat, «doch ik zal het mij maar niet aantrekken! Babette kan zich immers met dien roodbaard verloven! Maar die is hier ook niet meer geweest, sedert hij op het dak wilde klimmen!»Booze machten drijven haar spel om ons en in ons; dat had Rudy wel eens gehoord en veel daarover nagedacht; wat was er in hem en om hem heen gebeurd daar op den berg? Waren het spoken of koortsachtige droomen? Hij had vroeger noch koorts, noch eenige andere ziekte gekend. Maar toen hij Babette veroordeelde, had hij een blik in zijn eigen binnenste geslagen. Hij had de wilde jacht in zijn hart, den heeten orkaan, die daar huisgehouden had, nagespeurd. Zou hij aan Babette ook alles kunnen biechten, iedere gedachte biechten, die in de ure der verzoeking bij hem tot daad zou kunnen worden? Haar ring had hij verloren,en juist door dit verlies had zij hem teruggekregen. Zou zij hem alles kunnen opbiechten? Het was, alsof zijn hart zou breken, als hij aan haar dacht; hoevele herinneringen rezen er niet bij hem op! Hij zag haar, alsof zij bij levenden lijve voor hem stond, lachend als een moedwillig kind; menig vriendelijk woord, dat zij uit de volheid haars hartengesprokenhad, drong als zonnestralen in zijn borst door, en al spoedig was alles daarin slechts zonneschijn bij de gedachte aan Babette.Ja, zij moest hem alles kunnen biechten, en zij zou dit ook doen.Hij ging naar den molen toe en kwam tot de biecht. Deze begon met een kus en eindigde daarmee, dat Rudy de zondaar bleef; het was afschuwelijk van hem! Zulk een wantrouwen, zulk een heftigheid kon hen beiden in het ongeluk storten. Ja zeker, dat kon! En daarom hield Babette hem een kleine boetpredikatie, waarin zij zelf schik had en die haar zeer goed afging, doch op één punt had Rudy gelijk: de neef der petemoei van Babette was een lafbek; zij wilde het boek verbranden, dat hij haar gegeven had, en zij wilde niet het minste bezitten, dat haar aan hem kon herinneren.«Nu is het gevaar voorbij!» zei de kamerkat. «Rudy is weer hier, zij verstaan elkaar, en dat is toch het grootste geluk, zeggen zij.»«Ik hoorde van nacht van de rotten,» zei de keukenkat, «dat het grootste geluk is, vetkaarsen te eten en volop spek te hebben. Wie moet men nu gelooven, de rotten of het verliefde paar?»«Geen van beiden,» zei de kamerkat, «dat is altijd het veiligste!»Het grootste geluk van Rudy en Babette, de schoonste dag, zooals zij hem noemden, de trouwdag, was ophanden.Maar niet in de kerk te Bex zou de trouwplechtigheid plaats hebben, niet in den molen zou er bruiloft gehouden worden; de petemoei wilde, dat de bruiloft in haar huis zou gevierd worden en dat de trouwplechtigheid in de mooie kleine kerk te Montreux zou plaats vinden. De molenaar stond er op, dat deze wensch zou vervuld worden; hij alleen wist, wat de petemoei voor de jonggehuwden bestemd had; zij zouden van haar een bruidsgeschenk krijgen, dat wel waard was, dat men zich naar haar wil schikte. De dag was bepaald. Reeds den avond te voren zouden zij naar Villeneuve vertrekken, om den daarop volgenden dag tijdig naar Montreux te rijden, opdat de dochters der petemoei de bruid aan haar toilet zouden kunnen helpen.«Hier in huis zal er toch ook wel wat lekkers afvallen,» zei de kamerkat; «als dit niet gebeurt, dan geef ik geen miauw voor de heele geschiedenis!»«Hier zal wel gesmuld worden!» zei de keukenkat. «Er zijn eenden geslacht, duiven geplukt, en een heele reebok hangt er aan den muur. Ik watertand er al van, als ik daaraan denk! Morgen begint de reis!»Ja, morgen!—Op dezen avond zaten Rudy en Babette voor de laatste maal als verloofden in den molen.Buiten gloeiden de Alpen, luidden de avondklokken en zongen de dochteren der zon: «Moge het beste geschieden!»XIV.Nachtelijke droomgezichten.De zon was ondergegaan, de wolken daalden in het Rhônedal tusschen de hooge bergen, de wind blies uit het Zuiden, een wind, die uit Afrika kwam, streek over de hooge Alpen heen, een orkaan, die de wolken scheurde, en toen de wind voorbijgespoed was, werd het een oogenblik doodstil; de gescheurde wolken hingen in phantastische groepen tusschen de met boomen begroeide bergen, over den snelvlietenden Rhônestroom; zij hingen in gestalten als de dieren der voorwereld, als de zwevende adelaar der lucht, als de huppelende kikvorschen der moerassen; zij daalden op den snelvlietenden stroom neer, zij zeilden op dezen en zeilden toch in de lucht. De stroom voerde een ontwortelden boom met zich mee, in het water vertoonden zich wervelende kringen; het was de duizeligheid, meer dan een, die er op den voortbruisenden stroom draaiden; de maan verlichtte de sneeuw op de bergtoppen, de donkere bosschen en de witte wonderbare wolken, de nachtgezichten, de geesten der natuurkrachten; de bergbewoner zag ze door de vensterruiten, zij zeilden daar beneden bij scharen voor de ijsjonkvrouw uit; deze kwam uit haar gletscherkasteel, zij zat op het brooze schip, op den ontwortelden boom; het gletscherwater droeg haar den stroom af tot in het open meer.«De bruiloftsgasten komen!» suisde het in lucht en water.Gezichten buiten, gezichten binnen. Babette droomde een wonderbaren droom.Het kwam haar voor, alsof zij met Rudy getrouwd was, en wel sedert vele jaren. Hij was op de gemzenjacht, en zij was te huis in haar woning, en daar zat de jonge Engelschman met den rooden baard bij haar! Zijn oogen waren zoo welsprekend, zijn woorden een toovermacht, hij stak haar de hand toe, en zij moest hem volgen. Zij verlieten het huis. Het ging gedurig meer naar beneden! Het was Babette te moede, alsof er een last op haar hart drukte, die gedurig zwaarder werd; het was een zonde tegen Rudy, een zonde tegen God; en eensklaps stond zij daar verlaten, haar kleederen waren door de doornen gescheurd, haar lokken waren grijs geworden, zij keek in haar smart naar boven, en op den rotswand zag zij Rudy;—zij strekte haar armen naar hem uit, maar waagde het niet, te roepen of te bidden. Dat zou haar ook niet gebaat hebben, want al spoedig ontdekte zij, dat hij het niet was, maar slechts zijn jas en zijn hoed, die op den Alpenstok hingen, dien de jagers zoo neerzetten, om de gemzen te misleiden. En in grenzenlooze smart jammerde Babette: «O! was ik maar op mijn trouwdag, mijn gelukkigsten dag, gestorven! Mijn God dat zou een genade, een groot geluk geweest zijn! Dan zou het beste geschied zijn, wat mij en Rudy zou hebben kunnen weervaren! Niemand kent zijn toekomst!»En in haar smart stortte zij zich in de diepe rotskloof naar beneden. Er sprong een snaar, er klonk een weemoedige toon...Babette ontwaakte, de droom was voorbij en vergeten,—maar zij wist toch nog, dat zij iets verschrikkelijks en van den jongen Engelschman gedroomd had, die zij in verscheidene maanden niet gezien, aan wien zij niet gedacht had. Zou hij misschien ook te Montreux zijn? Zou zij hem op de bruiloft te zien krijgen? Een lichte schaduw gleed er over haar fijnen mond, haar wenkbrauwen trokken zich te zamen; maar al spoedig daarop speelde er een glimlachje om haar lippen, schoten er vreugdestralen uit haar oogen; buiten scheen de zon zoo heerlijk, en den volgenden dag was het de bruiloft van haar en van Rudy.Rudy was al in de woonkamer, toen zij deze binnentrad, en spoedig daarop ging men naar Villeneuve. Beiden waren zoo overgelukkig, en ook de molenaar; hij lachte en was in de beste luim; hij was een goed vader en een eerlijke ziel.«Nu zijn wij heeren en meesters hier in huis!» zei de kamerkat.
V.Op den terugweg.O, hoeveel had Rudy te dragen, toen hij den daaropvolgenden dag over de hooge bergen naar huis terugkeerde. Ja, hij had drie zilveren bekers, twee mooie buksen en een zilveren koffiekan; deze kan zou goed te gebruiken zijn, als hij een huishouden opzette; maar dat alles was nog niet het gewichtigste: iets gewichtigers, machtigers droeg hij of droeg hem over de hooge bergen naar huis. Het weder was echter ruw, grauw en regenachtig; de wolken hingen als een rouwfloers op de berghoogten neer en omhulden de stralende toppen. Uit het bosch klonken de laatste bijlslagen, en langs de helling van den berg rolden boomstammen, die er, van de hoogte af gezien, als dunne stokjes uitzagen, maar met dat al de stevigste scheepsmasten waren. De Lütschine bruiste haar eentonige accoorden, de wind suisde, de wolken zeilden. Daar kwam er eensklaps een jong meisje naar Rudy toe; hij had haar niet eer bemerkt, voordat zij vlak in zijn nabijheid was; zij wilde insgelijks over de rotsen klimmen. De oogen van het meisje oefenden een eigenaardige kracht op hem uit; hij was wel gedwongen, haar aan te kijken.«Hebt ge een minnaar?» vroeg Rudy, want al zijn gedachten draaiden om de liefde heen.«Ik heb er geen!» antwoordde het meisje en lachte; maar het was, alsof zij de waarheid niet sprak. «Maken we geen omweg?» zeide zij. «Wij moeten meer links houden, dan is de weg korter.»«Jawel, om in een ijskloof neer te storten!» zei Rudy. «Kent gij dien weg misschien beter en wilt gij gids zijn?»«Ik ken den weg heel goed,» zei het meisje, «en ik heb mijn gedachten bij elkaar. De uwe zijn zeker wel beneden in het dal, hierboven moet men aan de ijsjonkvrouw denken; zij houdt niet van de menschen, zegt men.»«Ik ben niet bang voor haar!» zei Rudy. «Zij heeft mij weer terug moeten geven, toen ik nog een kind was; ik zal mij thans niet aan haar overgeven, nu ik ouder ben!»En de duisternis nam toe, de regen viel neer, en het begon te sneeuwen.«Geef mij uw hand,» zei het meisje, «ik zal u bij het klimmen behulpzaam zijn,» en hij voelde, dat hij door ijskoude vingers aangeraakt werd.«Gij mij bijstaan!» zei Rudy. «Nog heb ik de hulp van een vrouw niet noodig om te klimmen!» En hij liep sneller voort, van haar weg; de sneeuwstorm hulde hem als in een sluier, de wind gierde, en achter zich hoorde hij het meisje lachen en zingen; het klonk heel zonderling. Dat moest een spookgezicht zijn, dat in den dienst der ijsjonkvrouw was; Rudy had daarvan hooren spreken, toen hij, destijds nog een knaap, bij de reis over de bergen hier boven den nacht doorbracht.De sneeuw viel dunner, de wolk lag onder hem, hij keek om, er was niemand meer te zien; maar hij hoorde gelach en gezang, en dit klonk niet, alsof het uit een menschelijke borst voortkwam.Toen Rudy eindelijk de bovenste bergvlakte bereikte, vanwaar het pad naar beneden naar het Rhônedal voerde, zag hij in de richting van Chamouny, in de heldere, blauwe lucht twee heldere sterren staan; deze glinsterden en fonkelden, en hij dacht aan Babette, aan zich zelf en aan zijn geluk, en het werd hem bij deze gedachte warm.
O, hoeveel had Rudy te dragen, toen hij den daaropvolgenden dag over de hooge bergen naar huis terugkeerde. Ja, hij had drie zilveren bekers, twee mooie buksen en een zilveren koffiekan; deze kan zou goed te gebruiken zijn, als hij een huishouden opzette; maar dat alles was nog niet het gewichtigste: iets gewichtigers, machtigers droeg hij of droeg hem over de hooge bergen naar huis. Het weder was echter ruw, grauw en regenachtig; de wolken hingen als een rouwfloers op de berghoogten neer en omhulden de stralende toppen. Uit het bosch klonken de laatste bijlslagen, en langs de helling van den berg rolden boomstammen, die er, van de hoogte af gezien, als dunne stokjes uitzagen, maar met dat al de stevigste scheepsmasten waren. De Lütschine bruiste haar eentonige accoorden, de wind suisde, de wolken zeilden. Daar kwam er eensklaps een jong meisje naar Rudy toe; hij had haar niet eer bemerkt, voordat zij vlak in zijn nabijheid was; zij wilde insgelijks over de rotsen klimmen. De oogen van het meisje oefenden een eigenaardige kracht op hem uit; hij was wel gedwongen, haar aan te kijken.
«Hebt ge een minnaar?» vroeg Rudy, want al zijn gedachten draaiden om de liefde heen.
«Ik heb er geen!» antwoordde het meisje en lachte; maar het was, alsof zij de waarheid niet sprak. «Maken we geen omweg?» zeide zij. «Wij moeten meer links houden, dan is de weg korter.»
«Jawel, om in een ijskloof neer te storten!» zei Rudy. «Kent gij dien weg misschien beter en wilt gij gids zijn?»
«Ik ken den weg heel goed,» zei het meisje, «en ik heb mijn gedachten bij elkaar. De uwe zijn zeker wel beneden in het dal, hierboven moet men aan de ijsjonkvrouw denken; zij houdt niet van de menschen, zegt men.»
«Ik ben niet bang voor haar!» zei Rudy. «Zij heeft mij weer terug moeten geven, toen ik nog een kind was; ik zal mij thans niet aan haar overgeven, nu ik ouder ben!»
En de duisternis nam toe, de regen viel neer, en het begon te sneeuwen.
«Geef mij uw hand,» zei het meisje, «ik zal u bij het klimmen behulpzaam zijn,» en hij voelde, dat hij door ijskoude vingers aangeraakt werd.
«Gij mij bijstaan!» zei Rudy. «Nog heb ik de hulp van een vrouw niet noodig om te klimmen!» En hij liep sneller voort, van haar weg; de sneeuwstorm hulde hem als in een sluier, de wind gierde, en achter zich hoorde hij het meisje lachen en zingen; het klonk heel zonderling. Dat moest een spookgezicht zijn, dat in den dienst der ijsjonkvrouw was; Rudy had daarvan hooren spreken, toen hij, destijds nog een knaap, bij de reis over de bergen hier boven den nacht doorbracht.
De sneeuw viel dunner, de wolk lag onder hem, hij keek om, er was niemand meer te zien; maar hij hoorde gelach en gezang, en dit klonk niet, alsof het uit een menschelijke borst voortkwam.
Toen Rudy eindelijk de bovenste bergvlakte bereikte, vanwaar het pad naar beneden naar het Rhônedal voerde, zag hij in de richting van Chamouny, in de heldere, blauwe lucht twee heldere sterren staan; deze glinsterden en fonkelden, en hij dacht aan Babette, aan zich zelf en aan zijn geluk, en het werd hem bij deze gedachte warm.
VI.Het bezoek in den molen.«Wat zijn dat prachtige dingen, waar je mee thuis komt!» zei de oude pleegmoeder, en haar zonderlinge arendsoogen fonkelden, zij draaide haar mageren hals nog sneller dan gewoonlijk in allerlei zonderlinge bochten. «Je hebt geluk, Rudy! Ik moet je een kus geven, beste jongen!»En Rudy liet zich kussen, maar op zijn gezicht stond te lezen, dat hij zich in het onvermijdelijke, in dit kleine huiselijke lijden schikte.«Wat ben je mooi!» zei de oude vrouw.«Maak mij dat niet wijs!» zei Rudy en lachte,—maar het deed hem toch plezier.«Ik zeg het nogmaals!» sprak de oude vrouw, «het geluk loopt je mee!»«Ja, daarin zoudt ge wel eens gelijk kunnen hebben!» zei hij en dacht aan Babette.Nog nooit had hij zulk een verlangen gehad om naar het diepe dal te gaan.«Zij moeten nu al thuis zijn!» zei Rudy bij zich zelf. «Het is al twee dagen over den tijd, waarop zij terug zouden zijn. Ik moet naar Bex toe.»Rudy ging naar Bex toe, en in den molen waren zij te huis. Hij werd goed ontvangen, en groeten van hun familie te Interlaken hadden zij voor hem meegebracht. Babette sprak niet veel, zij was geducht stil geworden; maar haar oogen spraken, en dat was voor Rudy voldoende. Het scheen, alsof de molenaar, die anders graag het hoogste woord had,—hij was er aan gewoon, dat men altijd om zijn invallen en woordspelingen lachte, hij was immers de rijke molenaar,—toch liever de jachtavonturen van Rudy hoorde vertellen, en deze sprak van de zwarigheden en de gevaren, die de gemzenjagers op de hooge bergtoppen door te staan hadden, hoe zij langs de onzekere sneeuwhellingen, die door weer en wind als het ware aan den kant der rotsen vastgekleefd zijn, en over de gevaarlijke bruggen moesten kruipen, die de sneeuwstorm over diepe kloven geslagen heeft. De oogen van den stoutmoedigen Rudy fonkelden, terwijl hij van het jagersleven vertelde, van de slimheid der gemzen en haar stoute sprongen, van den hevigen orkaan en de rollende lawinen; hij merkte het wel, dat hij bij iedere nieuwe beschrijving den molenaar gedurig meer voor zich innam, en vooral gevoelde deze zich bijzonder aangetrokken door hetgeen hij van den lammergier en den koningsadelaar vertelde.Niet ver weg, in het kanton Walliserland, was een arendsnest, dat zeer kunstig onder een hoogevooruitspringenderots gebouwd was; in dit nest bevond zich een jong, maar dit was er niet uit te krijgen. Een Engelschman had Rudy eenige dagen geleden eenheele hand vol goud aangeboden, als hij hem den jongen arend levend wilde bezorgen, «maar alles heeft zijn grenzen,» zei Rudy, «de arend is niet te krijgen, het zou een dwaasheid zijn dat te beproeven.»De wijn vloeide en de gesprekken vloeiden, maar de avond was veel te kort, kwam het Rudy voor, en toch was het na middernacht, toen hij van dit eerste bezoek terugkeerde.Het licht straalde nog een korten tijd door het raam van den molen door de groene boomtakken heen; uit het geopende luik in het dak kwam de kamerkat naar buiten en langs de dakgoot kwam de keukenkat aanloopen.«Wil ik je eens een nieuwtje vertellen?» zei de kamerkat. «Hier in huis heeft een heimelijke verloving plaats gehad. De oude molenaar weet er nog niets van; Rudy en Babette hebben elkaar den heelen avond op de voeten getrapt; mij trapten zij tweemaal, maar ik mauwde toch niet; want dat zou de aandacht getrokken hebben.»«Ik zou toch gemauwd hebben!» zei de keukenkat.«Wat in de keuken gaat, gaat niet in de kamer!» zei de kamerkat. «Ik ben echter nieuwsgierig, wat de molenaar zal zeggen, als hij de verloving verneemt.»Ja, wat zou de molenaar er wel van zeggen? Dat zou Rudy ook wel graag geweten hebben, maar lang wachten, voordat hij dit vernam, kon hij niet. Toen de omnibus eenige dagen later over de Rhônebrug tusschen Walliserland en Waadland voortratelde, zat Rudy daarin, goedsmoeds evenals altijd, en verdiepte zich in liefelijke gedachten over het jawoord, dat hij dien zelfden avond nog dacht te krijgen.En toen de avond daar was en de omnibus denzelfden weg terugreed, zat Rudy er ook in; maar in den molen liep de kamerkat met nieuwtjes rond.«Weet je het al, jij, die altijd in de keuken zit?—De molenaar weet nu alles. Maar dat heeft een mooien afloop gehad! Rudy kwam hier tegen den avond, en hij en Babette hadden veel met elkaar te fluisteren en heimelijk te spreken, zij stonden in de gang voor de kamer van den molenaar. Ik lag aan hun voeten, maar zij hadden noch oogen noch gedachten voor mij. «Ik ga, zonder mij langer te bedenken, naar je vader toe.»—«Wil ik meegaan?» vroeg Babette; «dat zal je moed geven.»—«Ik heb moed genoeg,» zei Rudy, «maar als jij er bij bent, dan moet hij wel vriendelijk zijn, of hij wil of niet.»—Daarop traden zij binnen. Rudy trapte mij geducht op den staart! Rudy is erg onhandig; ik mauwde, maar noch hij noch Babette hadden ooren om dit te hooren. Zij deden de deur open en traden de kamer samen binnen. Ik liep voorop; ik sprong op een stoel, want ik kon immers niet weten, hoe Rudy zich misschien zou verweren. Maar de molenaar verweerde zich, hij gaf een duchtigen schop en zei: «De deur uit en den berg op naar de gemzen!» Daarop mag Rudy nu mikken en niet op onze Babette!»«Maar wat spraken zij met elkaar? Wat zeiden zij?» vroeg de keukenkat.«Wat zij zeiden?—Alles werd er gezegd, wat de menschen zoo plegen te zeggen, als zij verliefd zijn: «Ik heb haar lief, en zij heeft mij lief! En als er melk voor een in de kan is, dan is er ook melk voor twee!»—«Maar zij zit je te hoog!» zei de molenaar, «zij zit op zand, op goudzand, zooals je weet, je zult haar niet bereiken!»—«Niets zit zoo hoog, of men kan het wel bereiken, als men maar wil!» antwoordde Rudy; want hij is een onverschrokken man.—«Maar het arendsnest kan je toch niet bereiken, zooals je zelf onlangs gezegd hebt: Babette zit nog hooger!»—«Ik neem ze allebei!» zei Rudy.—«Ik zal je Babette geven, als je mij het levende arendsjong geeft!» zei de molenaar en lachte, dat de tranen hem langs de wangen liepen. «Maar nu bedank ik je voor je bezoek, Rudy! Bezoek mij morgen weer, morgen is er niemand thuis. Vaarwel, Rudy!»—En Babette zei hem ook vaarwel, maar zoo klagend als een klein katje, dat zijn moeder nog niet kan zien. «Een man een man, een woord een woord!» zei Rudy. «Ween niet, Babette! ik zal het arendsjong brengen!»—«Je zult den nek breken, hoop ik!» zei de molenaar, «en dan zijn wij van je bezoeken ontslagen!»—Dat noem ik een duchtigen schop! Nu is Rudy weg en Babette zit te huilen; maar de molenaar zingt Duitsch, dat heeft hij laatst op zijn reis geleerd. Ik zal er maar niet treurig over zijn, want dat baat toch niets!»«Maar zoo is er dan toch altijd nog mogelijkheid op!» zei de keukenkat.
«Wat zijn dat prachtige dingen, waar je mee thuis komt!» zei de oude pleegmoeder, en haar zonderlinge arendsoogen fonkelden, zij draaide haar mageren hals nog sneller dan gewoonlijk in allerlei zonderlinge bochten. «Je hebt geluk, Rudy! Ik moet je een kus geven, beste jongen!»
En Rudy liet zich kussen, maar op zijn gezicht stond te lezen, dat hij zich in het onvermijdelijke, in dit kleine huiselijke lijden schikte.
«Wat ben je mooi!» zei de oude vrouw.
«Maak mij dat niet wijs!» zei Rudy en lachte,—maar het deed hem toch plezier.
«Ik zeg het nogmaals!» sprak de oude vrouw, «het geluk loopt je mee!»
«Ja, daarin zoudt ge wel eens gelijk kunnen hebben!» zei hij en dacht aan Babette.
Nog nooit had hij zulk een verlangen gehad om naar het diepe dal te gaan.
«Zij moeten nu al thuis zijn!» zei Rudy bij zich zelf. «Het is al twee dagen over den tijd, waarop zij terug zouden zijn. Ik moet naar Bex toe.»
Rudy ging naar Bex toe, en in den molen waren zij te huis. Hij werd goed ontvangen, en groeten van hun familie te Interlaken hadden zij voor hem meegebracht. Babette sprak niet veel, zij was geducht stil geworden; maar haar oogen spraken, en dat was voor Rudy voldoende. Het scheen, alsof de molenaar, die anders graag het hoogste woord had,—hij was er aan gewoon, dat men altijd om zijn invallen en woordspelingen lachte, hij was immers de rijke molenaar,—toch liever de jachtavonturen van Rudy hoorde vertellen, en deze sprak van de zwarigheden en de gevaren, die de gemzenjagers op de hooge bergtoppen door te staan hadden, hoe zij langs de onzekere sneeuwhellingen, die door weer en wind als het ware aan den kant der rotsen vastgekleefd zijn, en over de gevaarlijke bruggen moesten kruipen, die de sneeuwstorm over diepe kloven geslagen heeft. De oogen van den stoutmoedigen Rudy fonkelden, terwijl hij van het jagersleven vertelde, van de slimheid der gemzen en haar stoute sprongen, van den hevigen orkaan en de rollende lawinen; hij merkte het wel, dat hij bij iedere nieuwe beschrijving den molenaar gedurig meer voor zich innam, en vooral gevoelde deze zich bijzonder aangetrokken door hetgeen hij van den lammergier en den koningsadelaar vertelde.
Niet ver weg, in het kanton Walliserland, was een arendsnest, dat zeer kunstig onder een hoogevooruitspringenderots gebouwd was; in dit nest bevond zich een jong, maar dit was er niet uit te krijgen. Een Engelschman had Rudy eenige dagen geleden eenheele hand vol goud aangeboden, als hij hem den jongen arend levend wilde bezorgen, «maar alles heeft zijn grenzen,» zei Rudy, «de arend is niet te krijgen, het zou een dwaasheid zijn dat te beproeven.»
De wijn vloeide en de gesprekken vloeiden, maar de avond was veel te kort, kwam het Rudy voor, en toch was het na middernacht, toen hij van dit eerste bezoek terugkeerde.
Het licht straalde nog een korten tijd door het raam van den molen door de groene boomtakken heen; uit het geopende luik in het dak kwam de kamerkat naar buiten en langs de dakgoot kwam de keukenkat aanloopen.
«Wil ik je eens een nieuwtje vertellen?» zei de kamerkat. «Hier in huis heeft een heimelijke verloving plaats gehad. De oude molenaar weet er nog niets van; Rudy en Babette hebben elkaar den heelen avond op de voeten getrapt; mij trapten zij tweemaal, maar ik mauwde toch niet; want dat zou de aandacht getrokken hebben.»
«Ik zou toch gemauwd hebben!» zei de keukenkat.
«Wat in de keuken gaat, gaat niet in de kamer!» zei de kamerkat. «Ik ben echter nieuwsgierig, wat de molenaar zal zeggen, als hij de verloving verneemt.»
Ja, wat zou de molenaar er wel van zeggen? Dat zou Rudy ook wel graag geweten hebben, maar lang wachten, voordat hij dit vernam, kon hij niet. Toen de omnibus eenige dagen later over de Rhônebrug tusschen Walliserland en Waadland voortratelde, zat Rudy daarin, goedsmoeds evenals altijd, en verdiepte zich in liefelijke gedachten over het jawoord, dat hij dien zelfden avond nog dacht te krijgen.
En toen de avond daar was en de omnibus denzelfden weg terugreed, zat Rudy er ook in; maar in den molen liep de kamerkat met nieuwtjes rond.
«Weet je het al, jij, die altijd in de keuken zit?—De molenaar weet nu alles. Maar dat heeft een mooien afloop gehad! Rudy kwam hier tegen den avond, en hij en Babette hadden veel met elkaar te fluisteren en heimelijk te spreken, zij stonden in de gang voor de kamer van den molenaar. Ik lag aan hun voeten, maar zij hadden noch oogen noch gedachten voor mij. «Ik ga, zonder mij langer te bedenken, naar je vader toe.»—«Wil ik meegaan?» vroeg Babette; «dat zal je moed geven.»—«Ik heb moed genoeg,» zei Rudy, «maar als jij er bij bent, dan moet hij wel vriendelijk zijn, of hij wil of niet.»—Daarop traden zij binnen. Rudy trapte mij geducht op den staart! Rudy is erg onhandig; ik mauwde, maar noch hij noch Babette hadden ooren om dit te hooren. Zij deden de deur open en traden de kamer samen binnen. Ik liep voorop; ik sprong op een stoel, want ik kon immers niet weten, hoe Rudy zich misschien zou verweren. Maar de molenaar verweerde zich, hij gaf een duchtigen schop en zei: «De deur uit en den berg op naar de gemzen!» Daarop mag Rudy nu mikken en niet op onze Babette!»
«Maar wat spraken zij met elkaar? Wat zeiden zij?» vroeg de keukenkat.
«Wat zij zeiden?—Alles werd er gezegd, wat de menschen zoo plegen te zeggen, als zij verliefd zijn: «Ik heb haar lief, en zij heeft mij lief! En als er melk voor een in de kan is, dan is er ook melk voor twee!»—«Maar zij zit je te hoog!» zei de molenaar, «zij zit op zand, op goudzand, zooals je weet, je zult haar niet bereiken!»—«Niets zit zoo hoog, of men kan het wel bereiken, als men maar wil!» antwoordde Rudy; want hij is een onverschrokken man.—«Maar het arendsnest kan je toch niet bereiken, zooals je zelf onlangs gezegd hebt: Babette zit nog hooger!»—«Ik neem ze allebei!» zei Rudy.—«Ik zal je Babette geven, als je mij het levende arendsjong geeft!» zei de molenaar en lachte, dat de tranen hem langs de wangen liepen. «Maar nu bedank ik je voor je bezoek, Rudy! Bezoek mij morgen weer, morgen is er niemand thuis. Vaarwel, Rudy!»—En Babette zei hem ook vaarwel, maar zoo klagend als een klein katje, dat zijn moeder nog niet kan zien. «Een man een man, een woord een woord!» zei Rudy. «Ween niet, Babette! ik zal het arendsjong brengen!»—«Je zult den nek breken, hoop ik!» zei de molenaar, «en dan zijn wij van je bezoeken ontslagen!»—Dat noem ik een duchtigen schop! Nu is Rudy weg en Babette zit te huilen; maar de molenaar zingt Duitsch, dat heeft hij laatst op zijn reis geleerd. Ik zal er maar niet treurig over zijn, want dat baat toch niets!»
«Maar zoo is er dan toch altijd nog mogelijkheid op!» zei de keukenkat.
VII.Het arendsnest.Van het rotspad af klonk het gezang, lustig en krachtig, het wees op een goede luim en een onversaagden moed; het was Rudy; hij ging zijn vriend Vesinand opzoeken.«Je moet mij behulpzaam zijn! Wij nemen Nagli mee, ik moet het arendsjong boven aan den kant van de rots uit het nest halen.»«Zou je dan niet eerst het mannetje uit de maan halen? Dat zal even gemakkelijk gaan!» zei Vesinand. «Je schijnt in een goede luim te zijn!»«Dat ben ik ook! Ik denk er aan te gaan trouwen!—Maar om ernstig te spreken, ik zal je zeggen, hoe het met mij gesteld is.»En al spoedig wisten Vesinand en Nagli, wat Rudy wilde.«Je bent een onverschrokken kerel!» zeiden zij. «Maar dat gaat niet! Je zult den nek breken!»«Men valt niet naar beneden, als men het zich niet verbeeldt!» zei Rudy.Te middernacht rukten zij met stokken, ladders en touwen op;de weg liep tusschen boomen en struiken door, over naakte rotsen, steeds opwaarts, opwaarts in den donkeren nacht. Het water bruiste beneden, het water stroomde boven, vochtige wolken dreven eraan de lucht. De jagers bereikten den steilen kant der rots, hier werd het donkerder, de rotswanden kwamen bijna tegen elkander aan, en slechts hoog in de smalle kloof was de lucht te zien; dicht naast hen, onder hen lag de diepe afgrond met het bruisende water. Het drietal zat op de rotsen, zij wilden het aanbreken van den dag afwachten, als de arend uitvloog; de oude moest eerst doodgeschoten worden, voordat zij er aan konden denken, zich van het jong meester te maken. Rudy zat daar op zijn hurken, zoo stil, alsof het een stuk van de rots was, waarop hij zich bevond, het geweer met den gespannen haan hield hij voor zich om te schieten, zijn blik vestigde zich onafgebroken op de bovenste kloof, waar het adelaarsnest onder de overhellende rotsen verborgen zat. De drie jagers moesten lang wachten.Maar nu kraakte en suisde het hoog boven hen; een groot, zwevend voorwerp verduisterde de lucht om hen heen. Twee buksloopen mikten, terwijl de zware arendsgestalte uit het nest vloog;—er viel een schot, een oogenblik bewogen zich de uitgespreide vleugels, daarop streek de vogel langzaam neer, en het was, alsof hij door zijn grootte en met zijn wijd uitgespreide vleugels de geheele kloof wilde beslaan en de jagers in zijn val met zich meesleepen. De arend viel in de diepte naar beneden, boomtakken en struiken braken door den val van den vogel.Nu kwamen de jagers in beweging; drie van de langste ladders werden aan elkaar vastgebonden,—deze zouden wel lang genoeg zijn; men zette ze op de uiterste vaste punt neer, op den rand van den afgrond, maar zij waren niet lang genoeg, en de rotswand liep hooger op en was daar, waar het nest zich onder den vooruitspringenden top verborg, glad als een muur. Na eenige beraadslagingen werd men het daaromtrent eens, dat twee aan elkaar gebonden ladders van boven in de kloof neergelaten en deze wederom in verbinding met de drie van beneden neergezette gebracht moesten worden. Met groote moeite sleepte men de twee ladders naar boven en maakte boven de touwen vast; de ladders werden over de vooruitspringende rots heengeschoven en hingen daar zwevend boven den afgrond; Rudy zat reeds op de onderste sport. Het was een ijskoude morgen; nevels stegen er uit den donkeren afgrond op. Rudy zat daar, evenals een vlieg op den waggelenden stroohalm zit, dien de een of andere vogel bij het bouwen van zijn nest op den rand van den hoogen fabrieksschoorsteen verloren heeft; maar de vlieg kan meevliegen, als de stroohalm loslaat, doch Rudy kon slechts zijn nek breken. De wind suisde om hem heen, en beneden in den afgrond bruisten de wateren van den ontdooienden gletscher, het paleis der ijsjonkvrouw.Nu bracht hij de ladder in een schommelende beweging, evenals de spin zich schommelt, wanneer zij, aan haar langen, zwevendendraad hangende, iets wil vastgrijpen, en toen Rudy ten vierden male het boveneind der van beneden neergezette, aaneengebonden ladders aanraakte, had hij dit gegrepen; zij werden met een zekere en krachtige hand samengevoegd, maar zij waggelden en klapperden geweldig.De vijf lange ladders, die tot aan het nest reikten en loodrecht tegen den rotswand aanstonden, schenen een waggelend riet te zijn, en nu kwam het gevaarlijkste werk nog aan; er moest geklauterd worden, zooals de kat kan klauteren, maar Rudy had daar juist verstand van, want de kat had het hem geleerd; hij bemerkte niets van de duizeligheid, die in de lucht achter hem zweefde en haar poliepenarmen naar hem uitstrekte. Thans stond hij op de bovenste sport der ladder en bemerkte, dat hij hier nog niet hoog genoeg kon reiken, om in het nest te zien, alleen met de hand kon hij eraan komen; hij probeerde, hoe vast de onderste, dikke, in elkaar gevlochten takken zaten, die het onderste gedeelte van het nest vormden, en nadat hij een dikken en vasten tak beetgepakt had,hiefhij zich van de ladder naar boven, leunde over den tak heen en had nu zijne borst en zijn hoofd over het nest gebogen; hier stroomde hem een verstikkende stank van aas tegen; in het nest lagen lammeren, gemzen en vogels, die tot verrotting overgegaan waren. De duizeligheid, die geen invloed op hem kon oefenen, blies hem de giftige uitwasemingen in het gezicht, opdat hij verward en bedwelmd zou worden, en beneden in de zwarte, gapende diepte op de voortstroomende wateren zat de ijsjonkvrouw zelve met haar lange, witachtig groene haren en staarde hem aan met oogen als twee buksloopen.«Nu vang ik u!»In een hoek van het arendsnest zag hij, groot en forsch, het jong van den arend zitten, dat nog niet kon vliegen. Rudy vestigde zijn oogen daarop, hield zich met alle kracht met één hand vast en wierp met zijn andere den strik om den jongen arend heen; gevangen was hij, levend gevangen; zijn pooten staken in het touw, en Rudy wierp den strik met den vogel over den schouder, zoodat het beest een heel eind beneden hem hing, terwijl hij zich aan een neerhangend touw vasthield, totdat zijn voeten de bovenste sport van de ladder weer aanraakten.«Houd je vast! Denk maar niet, dat je naar beneden kunt vallen, dan val je ook niet!» Dat was de oude les, en deze volgde hij op, klauterde, was overtuigd, dat hij niet zou vallen, en hij viel ook niet.Nu deed zich een krachtig en vroolijk gezang hooren. Rudy stond met zijn arendsjong op de vaste rotsen.
Van het rotspad af klonk het gezang, lustig en krachtig, het wees op een goede luim en een onversaagden moed; het was Rudy; hij ging zijn vriend Vesinand opzoeken.
«Je moet mij behulpzaam zijn! Wij nemen Nagli mee, ik moet het arendsjong boven aan den kant van de rots uit het nest halen.»
«Zou je dan niet eerst het mannetje uit de maan halen? Dat zal even gemakkelijk gaan!» zei Vesinand. «Je schijnt in een goede luim te zijn!»
«Dat ben ik ook! Ik denk er aan te gaan trouwen!—Maar om ernstig te spreken, ik zal je zeggen, hoe het met mij gesteld is.»
En al spoedig wisten Vesinand en Nagli, wat Rudy wilde.
«Je bent een onverschrokken kerel!» zeiden zij. «Maar dat gaat niet! Je zult den nek breken!»
«Men valt niet naar beneden, als men het zich niet verbeeldt!» zei Rudy.
Te middernacht rukten zij met stokken, ladders en touwen op;de weg liep tusschen boomen en struiken door, over naakte rotsen, steeds opwaarts, opwaarts in den donkeren nacht. Het water bruiste beneden, het water stroomde boven, vochtige wolken dreven eraan de lucht. De jagers bereikten den steilen kant der rots, hier werd het donkerder, de rotswanden kwamen bijna tegen elkander aan, en slechts hoog in de smalle kloof was de lucht te zien; dicht naast hen, onder hen lag de diepe afgrond met het bruisende water. Het drietal zat op de rotsen, zij wilden het aanbreken van den dag afwachten, als de arend uitvloog; de oude moest eerst doodgeschoten worden, voordat zij er aan konden denken, zich van het jong meester te maken. Rudy zat daar op zijn hurken, zoo stil, alsof het een stuk van de rots was, waarop hij zich bevond, het geweer met den gespannen haan hield hij voor zich om te schieten, zijn blik vestigde zich onafgebroken op de bovenste kloof, waar het adelaarsnest onder de overhellende rotsen verborgen zat. De drie jagers moesten lang wachten.
Maar nu kraakte en suisde het hoog boven hen; een groot, zwevend voorwerp verduisterde de lucht om hen heen. Twee buksloopen mikten, terwijl de zware arendsgestalte uit het nest vloog;—er viel een schot, een oogenblik bewogen zich de uitgespreide vleugels, daarop streek de vogel langzaam neer, en het was, alsof hij door zijn grootte en met zijn wijd uitgespreide vleugels de geheele kloof wilde beslaan en de jagers in zijn val met zich meesleepen. De arend viel in de diepte naar beneden, boomtakken en struiken braken door den val van den vogel.
Nu kwamen de jagers in beweging; drie van de langste ladders werden aan elkaar vastgebonden,—deze zouden wel lang genoeg zijn; men zette ze op de uiterste vaste punt neer, op den rand van den afgrond, maar zij waren niet lang genoeg, en de rotswand liep hooger op en was daar, waar het nest zich onder den vooruitspringenden top verborg, glad als een muur. Na eenige beraadslagingen werd men het daaromtrent eens, dat twee aan elkaar gebonden ladders van boven in de kloof neergelaten en deze wederom in verbinding met de drie van beneden neergezette gebracht moesten worden. Met groote moeite sleepte men de twee ladders naar boven en maakte boven de touwen vast; de ladders werden over de vooruitspringende rots heengeschoven en hingen daar zwevend boven den afgrond; Rudy zat reeds op de onderste sport. Het was een ijskoude morgen; nevels stegen er uit den donkeren afgrond op. Rudy zat daar, evenals een vlieg op den waggelenden stroohalm zit, dien de een of andere vogel bij het bouwen van zijn nest op den rand van den hoogen fabrieksschoorsteen verloren heeft; maar de vlieg kan meevliegen, als de stroohalm loslaat, doch Rudy kon slechts zijn nek breken. De wind suisde om hem heen, en beneden in den afgrond bruisten de wateren van den ontdooienden gletscher, het paleis der ijsjonkvrouw.
Nu bracht hij de ladder in een schommelende beweging, evenals de spin zich schommelt, wanneer zij, aan haar langen, zwevendendraad hangende, iets wil vastgrijpen, en toen Rudy ten vierden male het boveneind der van beneden neergezette, aaneengebonden ladders aanraakte, had hij dit gegrepen; zij werden met een zekere en krachtige hand samengevoegd, maar zij waggelden en klapperden geweldig.
De vijf lange ladders, die tot aan het nest reikten en loodrecht tegen den rotswand aanstonden, schenen een waggelend riet te zijn, en nu kwam het gevaarlijkste werk nog aan; er moest geklauterd worden, zooals de kat kan klauteren, maar Rudy had daar juist verstand van, want de kat had het hem geleerd; hij bemerkte niets van de duizeligheid, die in de lucht achter hem zweefde en haar poliepenarmen naar hem uitstrekte. Thans stond hij op de bovenste sport der ladder en bemerkte, dat hij hier nog niet hoog genoeg kon reiken, om in het nest te zien, alleen met de hand kon hij eraan komen; hij probeerde, hoe vast de onderste, dikke, in elkaar gevlochten takken zaten, die het onderste gedeelte van het nest vormden, en nadat hij een dikken en vasten tak beetgepakt had,hiefhij zich van de ladder naar boven, leunde over den tak heen en had nu zijne borst en zijn hoofd over het nest gebogen; hier stroomde hem een verstikkende stank van aas tegen; in het nest lagen lammeren, gemzen en vogels, die tot verrotting overgegaan waren. De duizeligheid, die geen invloed op hem kon oefenen, blies hem de giftige uitwasemingen in het gezicht, opdat hij verward en bedwelmd zou worden, en beneden in de zwarte, gapende diepte op de voortstroomende wateren zat de ijsjonkvrouw zelve met haar lange, witachtig groene haren en staarde hem aan met oogen als twee buksloopen.
«Nu vang ik u!»
In een hoek van het arendsnest zag hij, groot en forsch, het jong van den arend zitten, dat nog niet kon vliegen. Rudy vestigde zijn oogen daarop, hield zich met alle kracht met één hand vast en wierp met zijn andere den strik om den jongen arend heen; gevangen was hij, levend gevangen; zijn pooten staken in het touw, en Rudy wierp den strik met den vogel over den schouder, zoodat het beest een heel eind beneden hem hing, terwijl hij zich aan een neerhangend touw vasthield, totdat zijn voeten de bovenste sport van de ladder weer aanraakten.
«Houd je vast! Denk maar niet, dat je naar beneden kunt vallen, dan val je ook niet!» Dat was de oude les, en deze volgde hij op, klauterde, was overtuigd, dat hij niet zou vallen, en hij viel ook niet.
Nu deed zich een krachtig en vroolijk gezang hooren. Rudy stond met zijn arendsjong op de vaste rotsen.
VIII.Welke nieuwtjes de kamerkat wist te vertellen.«Hier is het verlangde!» zei Rudy, terwijl hij bij den molenaar te Bex binnentrad, een groote mand op den grond neerzette en den doek, die er overheen lag, oplichtte. Twee gele oogen met zwarte randen kwamen er uitkijken, fonkelend en wild, als wilden zij zich vastbranden en vastbijten, waar zij heenkeken; de korte, krachtige snavel was tot bijten opgesperd, de hals was rood en met stoppels bezet.«Het arendsjong!» riep de molenaar uit. Babette gaf een luiden gil en deinsde terug; maar zij kon toch haar oogen noch van Rudy noch van den arend afhouden.«Je laat je niet licht door iets afschrikken!» zei de molenaar.«En gij houdt altijd woord!» zei Rudy. «Ieder heeft zijn eigenaardigheid!»«Maar waarom heb je den nek niet gebroken?» vroeg de molenaar.«Omdat ik vasthield!» antwoordde Rudy, «en dat doe ik nog! Ik houd Babette vast!»«Maak eerst maar, dat je haar krijgt!» zei de molenaar en lachte; en dat was een goed teeken, dat wist Babette.«We moeten hem uit de mand halen,—het is om razend te worden, zooals hij ons aankijkt! Maar hoe heb je hem weten te krijgen?»Nu moest Rudy vertellen, en de molenaar zette gedurig grooter oogen op.«Met je moed en je geluk kan je wel drie vrouwen onderhouden!» zei de molenaar.«Ik dank u!» riep Rudy uit.«Maar Babette heb je nog niet!» zei de molenaar en klopte den jongen Alpenjager schertsend op den schouder.«Weet je het nieuwste nieuwtje al, dat er in den molen is?» zei de kamerkat tegen de keukenkat. «Rudy heeft ons het arendsjong gebracht en neemt Babette daarvoor in ruil. Zij hebben elkander een kus gegeven en hebben het den ouden molenaar laten zien. Dat is zoo goed als een verloving. De oude man was goed gemutst; hij hield zijn klauwen binnen, deed zijn middagdutje en liet de twee bij elkaar zitten vrijen; zij hebben elkaar zooveel te vertellen, dat zij met Kerstmis nog niet klaar zullen zijn!»Zij kwamen met Kerstmis ook niet klaar. De wind stuwde de bruine bladeren op; de sneeuw stoof in het dal, evenals op de hooge bergen; de ijsjonkvrouw zat in haar trotsch kasteel, dat gedurende den wintertijd in grootte toeneemt; de rotswanden stonden daar met ijzel bedekt, en dikke ijskegels, zwaar als olifanten, hingen daar naar beneden, waar de rotsstroom in den zomer zijn watersluier laat waaien; ijsguirlandes, uit phantastische ijskristallen samengesteld, hingen fonkelend aan de met sneeuw bepoederde dennen. De ijsjonkvrouw reed op den suizenden wind over de diepste dalen heen. Het sneeuwdek strekte zich heelemaal tot aan Bex uit, de ijsjonkvrouw kwam ook daarheen en zag Rudy in den molen zitten, hij zat dezen winter meer in huis, dan anders zijn gewoonte was, hij zat bij Babette. Den volgenden zomer zou er bruiloft gehouden worden; zijn ooren suisden hem vaak, zoo druk spraken zijn vrienden daarover. In den molen was zonneschijn, de schoonste Alpenroos gloeide er, de vroolijke, glimlachende Babette, schoon als de naderende lente, de lente, die alle vogels doet zingen van zomertijd en bruiloft.«Wat zitten die twee toch altijd bij elkander en steken hun hoofden bij elkaar!» zei de kamerkat. «Nu heb ik genoeg van hun gemauw!»
«Hier is het verlangde!» zei Rudy, terwijl hij bij den molenaar te Bex binnentrad, een groote mand op den grond neerzette en den doek, die er overheen lag, oplichtte. Twee gele oogen met zwarte randen kwamen er uitkijken, fonkelend en wild, als wilden zij zich vastbranden en vastbijten, waar zij heenkeken; de korte, krachtige snavel was tot bijten opgesperd, de hals was rood en met stoppels bezet.
«Het arendsjong!» riep de molenaar uit. Babette gaf een luiden gil en deinsde terug; maar zij kon toch haar oogen noch van Rudy noch van den arend afhouden.
«Je laat je niet licht door iets afschrikken!» zei de molenaar.
«En gij houdt altijd woord!» zei Rudy. «Ieder heeft zijn eigenaardigheid!»
«Maar waarom heb je den nek niet gebroken?» vroeg de molenaar.
«Omdat ik vasthield!» antwoordde Rudy, «en dat doe ik nog! Ik houd Babette vast!»
«Maak eerst maar, dat je haar krijgt!» zei de molenaar en lachte; en dat was een goed teeken, dat wist Babette.
«We moeten hem uit de mand halen,—het is om razend te worden, zooals hij ons aankijkt! Maar hoe heb je hem weten te krijgen?»
Nu moest Rudy vertellen, en de molenaar zette gedurig grooter oogen op.
«Met je moed en je geluk kan je wel drie vrouwen onderhouden!» zei de molenaar.
«Ik dank u!» riep Rudy uit.
«Maar Babette heb je nog niet!» zei de molenaar en klopte den jongen Alpenjager schertsend op den schouder.
«Weet je het nieuwste nieuwtje al, dat er in den molen is?» zei de kamerkat tegen de keukenkat. «Rudy heeft ons het arendsjong gebracht en neemt Babette daarvoor in ruil. Zij hebben elkander een kus gegeven en hebben het den ouden molenaar laten zien. Dat is zoo goed als een verloving. De oude man was goed gemutst; hij hield zijn klauwen binnen, deed zijn middagdutje en liet de twee bij elkaar zitten vrijen; zij hebben elkaar zooveel te vertellen, dat zij met Kerstmis nog niet klaar zullen zijn!»
Zij kwamen met Kerstmis ook niet klaar. De wind stuwde de bruine bladeren op; de sneeuw stoof in het dal, evenals op de hooge bergen; de ijsjonkvrouw zat in haar trotsch kasteel, dat gedurende den wintertijd in grootte toeneemt; de rotswanden stonden daar met ijzel bedekt, en dikke ijskegels, zwaar als olifanten, hingen daar naar beneden, waar de rotsstroom in den zomer zijn watersluier laat waaien; ijsguirlandes, uit phantastische ijskristallen samengesteld, hingen fonkelend aan de met sneeuw bepoederde dennen. De ijsjonkvrouw reed op den suizenden wind over de diepste dalen heen. Het sneeuwdek strekte zich heelemaal tot aan Bex uit, de ijsjonkvrouw kwam ook daarheen en zag Rudy in den molen zitten, hij zat dezen winter meer in huis, dan anders zijn gewoonte was, hij zat bij Babette. Den volgenden zomer zou er bruiloft gehouden worden; zijn ooren suisden hem vaak, zoo druk spraken zijn vrienden daarover. In den molen was zonneschijn, de schoonste Alpenroos gloeide er, de vroolijke, glimlachende Babette, schoon als de naderende lente, de lente, die alle vogels doet zingen van zomertijd en bruiloft.
«Wat zitten die twee toch altijd bij elkander en steken hun hoofden bij elkaar!» zei de kamerkat. «Nu heb ik genoeg van hun gemauw!»
IX.De ijsjonkvrouw.De lente had haar sappige, groene guirlandes van walnote- en kastanjeboomen ontplooid; zwellend slingerden zij zich van de brugbij Saint-Maurice tot aan den oever van het meer van Genève langs de Rhône, die met een geweldige vaart voortstroomt van haar bron onder den groenen gletscher, het ijspaleis, waarin de ijsjonkvrouw woont, en vanwaar zij zich door den scherpen wind laat opstuwen tot op het hoogste sneeuwveld, om daar te rusten op haar sneeuwzetel; daar zat zij en staarde met een doordringenden blik in de diepste dalen neer, waar de menschen ijverig in beweging waren, evenals mieren op de steenen, die de zon beschijnt.«Geesteskrachten, zooals de kinderen der zon u noemen!» zei de ijsjonkvrouw. «Wormen zijt gij! Een rollende sneeuwbal,—en gij, uw huizen en uw steden zijn verpletterd en verdwenen!» Hooger verhief zij haar trotsch hoofd en keek wijd en zijd met oogen, die van dood en verderf straalden. Maar uit het dal deed zich een rollen hooren, rotsen liet men springen: dit was menschenwerk! Wegen en tunnels voor spoorwegen werden er aangelegd.«Zij wroeten als mollen in den grond,» zeide zij; «zij graven gangen onder de aarde, van daar dat geknal als van geweerschoten. Als ik mijn kasteelen verzet, dan druischt het sterker dan het geratel van den donder!»Uit het dal steeg een dikke rook op, die zich voorwaarts bewoog als een fladderende sluier, een wuivende pluim der locomotief, die op den nog pas geopenden spoorweg zijn stoet voorttrok, deze kronkelende slang, wier ledematen wagens aan wagens zijn. Pijlsnel vloog zij voorwaarts.«Zij beschouwen zich daar beneden als heeren, die geesteskrachten!» zei de ijsjonkvrouw. «De macht der natuurkrachten is toch grooter dan de hunne!» Zij lachte, en het dreunde in het dal.«Daar rolt een lawine naar beneden!» zeiden de menschen.Maar de kinderen der zon zongen nog luider van de menschengedachte, die de zee aan banden legt, bergen verzet, dalen effent; de menschengedachte, die de beheerscheres der natuurkrachten is. Omstreeks dezen tijd trok over het sneeuwveld, waar de ijsjonkvrouw zat, een gezelschap van reizigers; de menschen hadden zich met touwen aan elkaar vastgebonden, opdat zij als ’t ware een grooter lichaam zouden vormen op de gladde ijsvlakte aan den rand van den diepen afgrond.«Wormen!» zei de ijsmaagd. «Gij, de beheerschers der natuurkrachten!» En zij wendde den blik van het gezelschap af en keek gramstorig in het diepe dal, waar de spoortrein voortbruiste.«Daar zitten zij, degedachten! Zij zitten in de macht der natuurkrachten! Ik zie ze, elk en een ieder!—de een zit trotsch als een koning alleen! Ginds zitten zij op een hoop! Daar slaapt de eene helft! En als de stoomdraak stilhoudt, dan stappen zij er uit en gaan allen huns weegs! Deze gedachten verspreiden zich in de wereld!» En zij lachte.«Daar rolt weer een lawine!» zei men beneden in het dal.«Ons bereikt zij niet!» zeiden er twee, die op den rug van denstoomdraak zaten; «twee harten en één slag,» zooals het heet. Het waren Rudy en Babette; ook de molenaar was er bij.«Als bagage!» zei hij. «Ik ben er bij als het noodige aanhangsel!»«Daar zitten die twee!» zei de ijsjonkvrouw. «Vele gemzen heb ik verpletterd, millioenen Alpenrozen heb ik geknakt en gebroken, zelfs de wortels spaarde ik niet! Ik wisch ze uit, die gedachten, die geesteskrachten!» En zij lachte.«Daar rolt weer een lawine!» zei men beneden in het dal.
De lente had haar sappige, groene guirlandes van walnote- en kastanjeboomen ontplooid; zwellend slingerden zij zich van de brugbij Saint-Maurice tot aan den oever van het meer van Genève langs de Rhône, die met een geweldige vaart voortstroomt van haar bron onder den groenen gletscher, het ijspaleis, waarin de ijsjonkvrouw woont, en vanwaar zij zich door den scherpen wind laat opstuwen tot op het hoogste sneeuwveld, om daar te rusten op haar sneeuwzetel; daar zat zij en staarde met een doordringenden blik in de diepste dalen neer, waar de menschen ijverig in beweging waren, evenals mieren op de steenen, die de zon beschijnt.
«Geesteskrachten, zooals de kinderen der zon u noemen!» zei de ijsjonkvrouw. «Wormen zijt gij! Een rollende sneeuwbal,—en gij, uw huizen en uw steden zijn verpletterd en verdwenen!» Hooger verhief zij haar trotsch hoofd en keek wijd en zijd met oogen, die van dood en verderf straalden. Maar uit het dal deed zich een rollen hooren, rotsen liet men springen: dit was menschenwerk! Wegen en tunnels voor spoorwegen werden er aangelegd.
«Zij wroeten als mollen in den grond,» zeide zij; «zij graven gangen onder de aarde, van daar dat geknal als van geweerschoten. Als ik mijn kasteelen verzet, dan druischt het sterker dan het geratel van den donder!»
Uit het dal steeg een dikke rook op, die zich voorwaarts bewoog als een fladderende sluier, een wuivende pluim der locomotief, die op den nog pas geopenden spoorweg zijn stoet voorttrok, deze kronkelende slang, wier ledematen wagens aan wagens zijn. Pijlsnel vloog zij voorwaarts.
«Zij beschouwen zich daar beneden als heeren, die geesteskrachten!» zei de ijsjonkvrouw. «De macht der natuurkrachten is toch grooter dan de hunne!» Zij lachte, en het dreunde in het dal.
«Daar rolt een lawine naar beneden!» zeiden de menschen.
Maar de kinderen der zon zongen nog luider van de menschengedachte, die de zee aan banden legt, bergen verzet, dalen effent; de menschengedachte, die de beheerscheres der natuurkrachten is. Omstreeks dezen tijd trok over het sneeuwveld, waar de ijsjonkvrouw zat, een gezelschap van reizigers; de menschen hadden zich met touwen aan elkaar vastgebonden, opdat zij als ’t ware een grooter lichaam zouden vormen op de gladde ijsvlakte aan den rand van den diepen afgrond.
«Wormen!» zei de ijsmaagd. «Gij, de beheerschers der natuurkrachten!» En zij wendde den blik van het gezelschap af en keek gramstorig in het diepe dal, waar de spoortrein voortbruiste.
«Daar zitten zij, degedachten! Zij zitten in de macht der natuurkrachten! Ik zie ze, elk en een ieder!—de een zit trotsch als een koning alleen! Ginds zitten zij op een hoop! Daar slaapt de eene helft! En als de stoomdraak stilhoudt, dan stappen zij er uit en gaan allen huns weegs! Deze gedachten verspreiden zich in de wereld!» En zij lachte.
«Daar rolt weer een lawine!» zei men beneden in het dal.
«Ons bereikt zij niet!» zeiden er twee, die op den rug van denstoomdraak zaten; «twee harten en één slag,» zooals het heet. Het waren Rudy en Babette; ook de molenaar was er bij.
«Als bagage!» zei hij. «Ik ben er bij als het noodige aanhangsel!»
«Daar zitten die twee!» zei de ijsjonkvrouw. «Vele gemzen heb ik verpletterd, millioenen Alpenrozen heb ik geknakt en gebroken, zelfs de wortels spaarde ik niet! Ik wisch ze uit, die gedachten, die geesteskrachten!» En zij lachte.
«Daar rolt weer een lawine!» zei men beneden in het dal.
X.De petemoei.Te Montreux, een der naastbijgelegen steden, die met Clarens, Vevay en Crin een krans om het noordoostelijke gedeelte van het meer van Genève vormen, woonde de petemoei van Babette, de Engelsche, deftige dame met haar dochters en een jeugdigen bloedverwant; zij waren daar nog slechts kort geleden aangekomen, maar de molenaar had ze reeds bezocht, hun de verloving van Babette medegedeeld en van Rudy en het arendsjong, van het bezoek te Interlaken, in één woord de geheele geschiedenis verteld, en deze had haar in de hoogste mate verblijd en haar ten zeerste voor Rudy en Babette en ook voor den molenaar ingenomen; alle drie moesten eens overkomen, en daarom gingen zij er dan ook naar toe. Babette zou haar petemoei, de petemoei zou Babette zien.Bij het stadje Villeneuve, aan het einde van het meer van Genève, lag de stoomboot, die, na een vaart van een half uur van daar naar Vevay, ten zuiden van Montreux, aanlegt. De kust alhier is door de dichters bezongen; hier onder de walnoteboomen, aan het diepe, blauwachtig groene meer zat Byron en schreef zijn welluidende verzen van den gevangene in het donkere rotsachtige kasteel Chillon. Daar, waar Clarens zich met zijn treurwilgen in het water afspiegelt, wandelde Rousseau, terwijl hij van Heloïse droomde. De Rhône stroomt onder de hooge, met sneeuw bedekte bergen van Savoye voort; hier, niet ver van haar oorsprong, ligt in het meer een klein eiland; dit is zoo klein, dat het van de kust gezien, een vaartuig op het water schijnt te zijn. Het eiland is een rotsgrond, dien een dame voor omstreeks honderd jaren met steenen liet indammen, met aarde bedekken en met drie acaciaboomen beplanten; deze overschaduwen nu het geheele eiland. Babette was verrukt over deze plek, deze scheen haar de schoonste op den geheelen tocht, daar moest zij naar toe, het moest daar verwonderlijk schoon zijn, dacht zij. Maar de stoomboot voer voorbij en legde aan, waar zij moest aanleggen en wel te Vevay.Het kleine gezelschap wandelde van hier verder tusschen de witte, door de zon bestraalde muren, die de wijngaarden voor het bergstadje Montreux omgeven, waar de vijgeboomen het huis van denboer beschaduwen, laurierboomen en cipressen in de tuinen groeien. Halverwege op den berg stond het huis, waarin de petemoei woonde.De ontvangst was hartelijk. De petemoei was een vriendelijke vrouw met een rond, glimlachend gezicht; als kind was zij zeker een echt engelenkopje van Raphaël geweest. Nu was zij een oud engelenhoofd, met weelderige zilverwitte lokken. Haar dochters waren lieve, mooie, lange en slanke meisjes. De jonge neef, dien zij meegebracht hadden, was van het hoofd tot de voeten in het wit gekleed, had blond haar en zulke lange roode bakkebaarden, dat er wel genoeg was voor drie heeren; hij bewees Babette terstond de grootste opmerkzaamheid.Rijk gebonden boeken, muziek en teekeningen lagen er op de groote tafel verspreid; de deur, die naar het balkon voerde, stond open en gaf het uitzicht op het schoone, uitgestrekte meer, dat zoo blank en stil was, dat de bergen van Savoye met steden, bosschen en sneeuwtoppen zich daarin afspiegelden.Rudy, die anders overmoedig, vroolijk en opgewekt was, gevoelde zich hier volstrekt niet thuis; hij bewoog zich, alsof hij op erwten over een gladden vloer liep. Wat viel de tijd hem lang, wat ging deze langzaam voorbij, als in een tredmolen! En nu werd er een wandeling gedaan!Dat ging even langzaam en vervelend; Rudy had wel twee schreden vooruit en een achteruit kunnen doen, om met de anderen in den stap te blijven. Zij wandelden naar Chillon, het oude, sombere kasteel op het rotsachtige eiland, alleen om de foltertuigen te zien, de gevangenissen, de verroeste kettingen in de rotsachtige muren, de steenen britsen voor de ter dood veroordeelden, de valluiken, waardoor de ongelukkigen naar beneden geworpen en op ijzeren spitse pennen opgevangen werden. Dat alles te zien noemden zij een genoegen. Een gerechtsplaats was het, die door Byrons gezang in de wereld der poëzie opgenomen is. Rudy had slechts gevoel voor de gerechtsplaats; hij stak het hoofd uit een der groote steenen vensterramen en keek neer in het diepe, blauwachtig groene water en naar het kleine eiland met de drie acacia’s; daarheen wenschte hij zich wel verplaatst te zien, vrij van het geheele pratende gezelschap; maar Babette was bijzonder vroolijk gestemd. Zij had zich uitstekend geamuseerd, zeide zij; de neef, vond zij, was een alleraardigst mensch.«Ja, een echte lafbek!» zei Rudy; en dit was de eerste maal, dat Rudy iets zei, wat haar niet beviel. De Engelschman had haar een klein boekje tot aandenken aan Chillon gegeven, het was Byrons gedicht: «De gevangene van Chillon,» in het Fransch vertaald, zoodat Babette het kon lezen.«Het boek kan wel heel mooi zijn,» zei Rudy, «maar de keurig gekleede mijnheer, die het je gegeven heeft, staat mij niet aan.»«Hij zag er net uit als een meelzak zonder meel!» zei de molenaar, en lachte om zijn eigen aardigheid. Ook Rudy lachte en zei, dat hij er juist zoo over dacht.
Te Montreux, een der naastbijgelegen steden, die met Clarens, Vevay en Crin een krans om het noordoostelijke gedeelte van het meer van Genève vormen, woonde de petemoei van Babette, de Engelsche, deftige dame met haar dochters en een jeugdigen bloedverwant; zij waren daar nog slechts kort geleden aangekomen, maar de molenaar had ze reeds bezocht, hun de verloving van Babette medegedeeld en van Rudy en het arendsjong, van het bezoek te Interlaken, in één woord de geheele geschiedenis verteld, en deze had haar in de hoogste mate verblijd en haar ten zeerste voor Rudy en Babette en ook voor den molenaar ingenomen; alle drie moesten eens overkomen, en daarom gingen zij er dan ook naar toe. Babette zou haar petemoei, de petemoei zou Babette zien.
Bij het stadje Villeneuve, aan het einde van het meer van Genève, lag de stoomboot, die, na een vaart van een half uur van daar naar Vevay, ten zuiden van Montreux, aanlegt. De kust alhier is door de dichters bezongen; hier onder de walnoteboomen, aan het diepe, blauwachtig groene meer zat Byron en schreef zijn welluidende verzen van den gevangene in het donkere rotsachtige kasteel Chillon. Daar, waar Clarens zich met zijn treurwilgen in het water afspiegelt, wandelde Rousseau, terwijl hij van Heloïse droomde. De Rhône stroomt onder de hooge, met sneeuw bedekte bergen van Savoye voort; hier, niet ver van haar oorsprong, ligt in het meer een klein eiland; dit is zoo klein, dat het van de kust gezien, een vaartuig op het water schijnt te zijn. Het eiland is een rotsgrond, dien een dame voor omstreeks honderd jaren met steenen liet indammen, met aarde bedekken en met drie acaciaboomen beplanten; deze overschaduwen nu het geheele eiland. Babette was verrukt over deze plek, deze scheen haar de schoonste op den geheelen tocht, daar moest zij naar toe, het moest daar verwonderlijk schoon zijn, dacht zij. Maar de stoomboot voer voorbij en legde aan, waar zij moest aanleggen en wel te Vevay.
Het kleine gezelschap wandelde van hier verder tusschen de witte, door de zon bestraalde muren, die de wijngaarden voor het bergstadje Montreux omgeven, waar de vijgeboomen het huis van denboer beschaduwen, laurierboomen en cipressen in de tuinen groeien. Halverwege op den berg stond het huis, waarin de petemoei woonde.
De ontvangst was hartelijk. De petemoei was een vriendelijke vrouw met een rond, glimlachend gezicht; als kind was zij zeker een echt engelenkopje van Raphaël geweest. Nu was zij een oud engelenhoofd, met weelderige zilverwitte lokken. Haar dochters waren lieve, mooie, lange en slanke meisjes. De jonge neef, dien zij meegebracht hadden, was van het hoofd tot de voeten in het wit gekleed, had blond haar en zulke lange roode bakkebaarden, dat er wel genoeg was voor drie heeren; hij bewees Babette terstond de grootste opmerkzaamheid.
Rijk gebonden boeken, muziek en teekeningen lagen er op de groote tafel verspreid; de deur, die naar het balkon voerde, stond open en gaf het uitzicht op het schoone, uitgestrekte meer, dat zoo blank en stil was, dat de bergen van Savoye met steden, bosschen en sneeuwtoppen zich daarin afspiegelden.
Rudy, die anders overmoedig, vroolijk en opgewekt was, gevoelde zich hier volstrekt niet thuis; hij bewoog zich, alsof hij op erwten over een gladden vloer liep. Wat viel de tijd hem lang, wat ging deze langzaam voorbij, als in een tredmolen! En nu werd er een wandeling gedaan!Dat ging even langzaam en vervelend; Rudy had wel twee schreden vooruit en een achteruit kunnen doen, om met de anderen in den stap te blijven. Zij wandelden naar Chillon, het oude, sombere kasteel op het rotsachtige eiland, alleen om de foltertuigen te zien, de gevangenissen, de verroeste kettingen in de rotsachtige muren, de steenen britsen voor de ter dood veroordeelden, de valluiken, waardoor de ongelukkigen naar beneden geworpen en op ijzeren spitse pennen opgevangen werden. Dat alles te zien noemden zij een genoegen. Een gerechtsplaats was het, die door Byrons gezang in de wereld der poëzie opgenomen is. Rudy had slechts gevoel voor de gerechtsplaats; hij stak het hoofd uit een der groote steenen vensterramen en keek neer in het diepe, blauwachtig groene water en naar het kleine eiland met de drie acacia’s; daarheen wenschte hij zich wel verplaatst te zien, vrij van het geheele pratende gezelschap; maar Babette was bijzonder vroolijk gestemd. Zij had zich uitstekend geamuseerd, zeide zij; de neef, vond zij, was een alleraardigst mensch.
«Ja, een echte lafbek!» zei Rudy; en dit was de eerste maal, dat Rudy iets zei, wat haar niet beviel. De Engelschman had haar een klein boekje tot aandenken aan Chillon gegeven, het was Byrons gedicht: «De gevangene van Chillon,» in het Fransch vertaald, zoodat Babette het kon lezen.
«Het boek kan wel heel mooi zijn,» zei Rudy, «maar de keurig gekleede mijnheer, die het je gegeven heeft, staat mij niet aan.»
«Hij zag er net uit als een meelzak zonder meel!» zei de molenaar, en lachte om zijn eigen aardigheid. Ook Rudy lachte en zei, dat hij er juist zoo over dacht.
XI.De neef.Toen Rudy eenige dagen later een bezoek in den molen kwam afleggen, vond hij daar den jongen Engelschman; Babette was juist bezig, hem gekookte forellen voor te zetten, die zij zeker zelf met peterselie versierd had, opdat zij er recht smakelijk zouden uitzien. Maar dat was volstrekt niet noodig geweest. Wat wilde deEngelschmanhier? Wat had hij hier te doen? Door Babette getrakteerd en onthaald te worden?—Rudy was jaloersch, en dat deed Babette plezier; het deed haar genoegen, al de zijden van zijn karakter te leeren kennen, de sterke zoowel als de zwakke. De liefde was haar nog een spel, en zij speelde met het hart van Rudy, en toch was hij,—dat moet gezegd worden,—haar geluk, haar geheele leven, haar voortdurende gedachte, het beste en heerlijkste, dat zij op deze wereld bezat; maar hoe meer zijn blik zich verduisterde, des te meer lachten haar oogen, zij had den blonden Engelschman met de roode bakkebaarden wel een kus willen geven, als zij daardoor had kunnen bewerken, dat Rudy razend werd en wegliep; dat zou haar juist een bewijs zijn, hoe lief hij haar had. Maar dat was niet goed van Babette; doch zij was immers nog maar negentien jaar oud. Zij dacht weinig daarover na en dacht er nog minder aan, dat haar gedrag door den jongen Engelschman licht anders zou kunnen opgevat worden, dan het voor de eerbare verloofde dochter van den molenaar paste.Daar, waar de straatweg van Bex onder de met sneeuw bedekte rotsachtige hoogte loopt, die in de landstaal Diablerets heet, stond de molen, niet ver van een snelvlietenden bergstroom, die witachtig grijs was evenals zeepsop. Deze bracht den molen echter niet in beweging, het groote molenrad werd door een kleineren stroom in de rondte gedraaid, die aan den anderen kant der rivier van de rots naar beneden stortte en, door een steenen dam tot nog grootere kracht en vaart gedreven, in een bassin van balken, een breede leiding of goot, over den snelvlietenden stroom gevoerd werd. Deze goot was zoo rijk aan water, dat zij overliep en de houten rand een natten, slijkerigen weg aanbood aan dengene, wien het in de gedachte mocht komen, langs dezen den molen spoediger te bereiken, en dezen inval had een jongmensch, de Engelschman. In het wit gekleed als een molenaarsknecht, klauterde hij des avonds naar den overkant, geleid door het licht, dat er uit de kamer van Babette stroomde. Klauteren echter had hij niet geleerd, en het scheelde dan ook niet veel, of hij was hals over kop in het water gevallen, maar hij kwam er gelukkig nog met doornatte mouwen en een smerige broek af; nat en met slijk bedekt kwam hij onder het raam van Babette; hier klom hij in de oude linde en begon de stem van den uil na te bootsen, want een anderen vogel kon hij niet nazingen. Babette hoorde dit en keek door de dunne gordijnennaar buiten; toen zij den witten man echter zag en wel kon begrijpen, wie dit was, klopte haar hartje van schrik, maar ook van toorn. Zij blies in aller ijl het licht uit, onderzocht of de pennen wel op de ramen zaten, en liet hem nu huilen, zoo veel hij maar wilde.Het zou verschrikkelijk zijn, als Rudy nu hier in den molen was!—Maar Rudy was niet in den molen, neen, wat nog erger was, hij stond vlak onder de linde. Er werd luid gesproken, hetwaren toornige woorden, er kon wel een vechtpartij, misschien zelfs moord en doodslag van komen.Babette deed in haar angst het raam open, riep Rudy en verzocht hem heen te gaan; want zij kon het niet dulden, dat hij daar bleef, zeide zij.«Je duldt niet, dat ik hier blijf!» riep hij haar toe, «het is dus afgesproken werk! Je verwacht goede vrienden, betere dan ik ben! Schaam je, Babette!»«Je bent onuitstaanbaar!» zei Babette. «Ik haat je!» En zij weende. «Ga heen, ga heen!»«Dat heb ik niet verdiend!» zei hij en ging heen; zijn wangen en zijn hart brandden als vuur.Babette wierp zich op haar bed neer en weende.«Ik heb je zoo lief, Rudy! En je kunt zoo iets slechts van mij denken!»Zij barstte in tranen uit, en dat was goed voor haar, want anders zou zij zeer bedroefd geworden zijn; nu kon zij den slaap vatten, den verkwikkenden slaap der jeugd slapen.
Toen Rudy eenige dagen later een bezoek in den molen kwam afleggen, vond hij daar den jongen Engelschman; Babette was juist bezig, hem gekookte forellen voor te zetten, die zij zeker zelf met peterselie versierd had, opdat zij er recht smakelijk zouden uitzien. Maar dat was volstrekt niet noodig geweest. Wat wilde deEngelschmanhier? Wat had hij hier te doen? Door Babette getrakteerd en onthaald te worden?—Rudy was jaloersch, en dat deed Babette plezier; het deed haar genoegen, al de zijden van zijn karakter te leeren kennen, de sterke zoowel als de zwakke. De liefde was haar nog een spel, en zij speelde met het hart van Rudy, en toch was hij,—dat moet gezegd worden,—haar geluk, haar geheele leven, haar voortdurende gedachte, het beste en heerlijkste, dat zij op deze wereld bezat; maar hoe meer zijn blik zich verduisterde, des te meer lachten haar oogen, zij had den blonden Engelschman met de roode bakkebaarden wel een kus willen geven, als zij daardoor had kunnen bewerken, dat Rudy razend werd en wegliep; dat zou haar juist een bewijs zijn, hoe lief hij haar had. Maar dat was niet goed van Babette; doch zij was immers nog maar negentien jaar oud. Zij dacht weinig daarover na en dacht er nog minder aan, dat haar gedrag door den jongen Engelschman licht anders zou kunnen opgevat worden, dan het voor de eerbare verloofde dochter van den molenaar paste.
Daar, waar de straatweg van Bex onder de met sneeuw bedekte rotsachtige hoogte loopt, die in de landstaal Diablerets heet, stond de molen, niet ver van een snelvlietenden bergstroom, die witachtig grijs was evenals zeepsop. Deze bracht den molen echter niet in beweging, het groote molenrad werd door een kleineren stroom in de rondte gedraaid, die aan den anderen kant der rivier van de rots naar beneden stortte en, door een steenen dam tot nog grootere kracht en vaart gedreven, in een bassin van balken, een breede leiding of goot, over den snelvlietenden stroom gevoerd werd. Deze goot was zoo rijk aan water, dat zij overliep en de houten rand een natten, slijkerigen weg aanbood aan dengene, wien het in de gedachte mocht komen, langs dezen den molen spoediger te bereiken, en dezen inval had een jongmensch, de Engelschman. In het wit gekleed als een molenaarsknecht, klauterde hij des avonds naar den overkant, geleid door het licht, dat er uit de kamer van Babette stroomde. Klauteren echter had hij niet geleerd, en het scheelde dan ook niet veel, of hij was hals over kop in het water gevallen, maar hij kwam er gelukkig nog met doornatte mouwen en een smerige broek af; nat en met slijk bedekt kwam hij onder het raam van Babette; hier klom hij in de oude linde en begon de stem van den uil na te bootsen, want een anderen vogel kon hij niet nazingen. Babette hoorde dit en keek door de dunne gordijnennaar buiten; toen zij den witten man echter zag en wel kon begrijpen, wie dit was, klopte haar hartje van schrik, maar ook van toorn. Zij blies in aller ijl het licht uit, onderzocht of de pennen wel op de ramen zaten, en liet hem nu huilen, zoo veel hij maar wilde.
Het zou verschrikkelijk zijn, als Rudy nu hier in den molen was!—Maar Rudy was niet in den molen, neen, wat nog erger was, hij stond vlak onder de linde. Er werd luid gesproken, hetwaren toornige woorden, er kon wel een vechtpartij, misschien zelfs moord en doodslag van komen.
Babette deed in haar angst het raam open, riep Rudy en verzocht hem heen te gaan; want zij kon het niet dulden, dat hij daar bleef, zeide zij.
«Je duldt niet, dat ik hier blijf!» riep hij haar toe, «het is dus afgesproken werk! Je verwacht goede vrienden, betere dan ik ben! Schaam je, Babette!»
«Je bent onuitstaanbaar!» zei Babette. «Ik haat je!» En zij weende. «Ga heen, ga heen!»
«Dat heb ik niet verdiend!» zei hij en ging heen; zijn wangen en zijn hart brandden als vuur.
Babette wierp zich op haar bed neer en weende.
«Ik heb je zoo lief, Rudy! En je kunt zoo iets slechts van mij denken!»
Zij barstte in tranen uit, en dat was goed voor haar, want anders zou zij zeer bedroefd geworden zijn; nu kon zij den slaap vatten, den verkwikkenden slaap der jeugd slapen.
XII.Booze machten.Rudy verliet Bex, hij sloeg den weg naar huis in, klom op de bergen in de frissche verkoelende lucht, waar de sneeuw lag, waar de ijsjonkvrouw heerscht. De boomen stonden diep onder hem en zagen er uit, alsof zij aardappelenloof waren, de dennen, de struiken werden kleiner hier boven, de Alpenrozen groeiden naast de sneeuw die in afzonderlijke strepen lag, evenals linnen op de bleek. Een blauwe gentiaan, die op zijn weg stond, verbrijzelde hij met zijn geweerkolf.Hoogerop vertoonden zich twee gemzen; de oogen van Rudy fonkelden, zijn gedachten namen een nieuwe vlucht; maar hij was er niet dicht genoeg bij om een zeker schot te kunnen doen; hij klom hooger op waar slechts een enkel grasscheutje tusschen de rotsblokken groeide; de gemzen liepen rustig op het sneeuwveld; hij verhaastte zijn schreden. De wolkennevel daalde diep om hem neer, eensklaps bevond hij zich voor den steilen rotswand: de regen begon neer te stroomen.Hij voelde een brandenden dorst, hitte in zijn hoofd, koude over al zijn leden; hij greep naar zijn veldflesch, maar deze was ledig; hij had er niet aan gedacht, haar te vullen, toen hij tegen de bergen opstormde. Hij was vroeger nooit ziek geweest, maar nu had hij het gevoel van zulk een toestand; hij was moede, hij gevoelde neiging om zich neer te leggen, verlangen om te slapen, maar overal stroomde de regen neer; hij deed een poging om weer tot zich zelven te komen. Zonderling sidderden en dansten de voorwerpenvoor zijn oogen; daar bespeurde hij eensklaps, wat hij hier nog nooit gezien had, een nieuw, allerliefst huisje, dat tegen de rotsen aangebouwd was; voor de deur stond een jong meisje; hij zou haast gezegd hebben, dat het Annette van den schoolmeester was, die hij eenmaal onder het dansen gekust had; maar het was Annette niet; toch had hij het meisje vroeger al eens gezien, misschien wel bij Grindelwald, op dien avond, toen hij van het schuttersfeest te Interlaken terugkeerde.«Hoe komt ge hier zoo verzeild?» vroeg hij.«Ik ben hier te huis. Ik hoed mijn kudde!»«Uw kudde? Waar graast die dan? Hier heeft men immers slechts sneeuw en rotsen.»«Ge weet er ook wat van, wat hier is!» zei het meisje en lachte. «Hier achter ons, beneden, is een heerlijke weide! Daar loopen mijn geiten! Ik bewaak ze zorgvuldig! Geen enkele verlies ik; wat van mij is, blijft van mij!»«Gij zijt stoutmoedig!» zei Rudy.«Gij ook!» antwoordde het meisje.«Hebt ge melk in huis, geef mij dan te drinken; want ik heb een ondraaglijken dorst!»«Ik heb wat beters dan melk!» zei het meisje, «en dat zal ik u geven. Gisteren waren hier reizigers met hun gids; zij vergaten een half fleschje wijn, zooals ge zeker nooit geproefd hebt, zij zullen het wel niet terughalen; ik drink er niet van, drink gij er maar van!»En het meisje haalde den wijn, goot dien in een houten beker en reikte dezen aan Rudy over.«Dat smaakt lekker!» zei hij. «Nog nooit heb ik zulken verwarmenden, vurigen wijn geproefd!» Zijn oogen fonkelden; een leven, een gloed vervulde hem, alsof iedere zorg, iedere druk verdween; de frissche menschennatuur ontwaakte in hem.«Maar het is Annette toch!» riep hij uit. «Geef mij een kus!»«Ja, geef mij den mooien ring, dien ge aan den vinger hebt.»«Mijn verlovingsring?»«Ja, juist dien!» zei het meisje en schonk op nieuw wijn in den beker, dien zij hem aan de lippen zette, en hij dronk. Er stroomde levensvreugde in zijn bloed; de geheele wereld behoorde hem toe, dacht hij, waarom zou hij zich afpijnigen! Alles is geschapen, opdat wij het genieten, opdat het ons gelukkig make! De stroom des levens is de stroom der vreugde; door dezen gedragen te worden, dat is gelukzaligheid. Hij keek het meisje aan, het was Annette wel en toch Annette niet, en nog minder de spookgestalte, zooals hij het noemde, die hem bij Grindelwald tegengekomen was. Het meisje hier op den berg was frisch als de witte sneeuw, bloeiend als de Alpenroos en snelvoetig als een geitje; maar toch uit Adams rib geschapen, evenals Rudy. Hij sloeg zijn armen om de schoone heen en staarde haar in de verwonderlijk heldere oogen; slechts een seconde duurde deze blik, en in deze seconde.... ja, wie verklaart het, wie geeft het in woorden weer?—was het hetleven des geestes of des doods, dat hem vervulde?—werd hij opgeheven of zonk hij in de diepe, doodende ijskloof, gedurig dieper. Hij zag de ijswanden als een blauwachtig groen glas, oneindige kloven gaapten er in de rondte, en het water stroomde naar beneden, helder, vlammend in witachtig blauwe vlammen. De ijsmaagd kuste hem: het was een kus, die hem van het hoofd tot de voeten deed huiveren; een kreet van smart ontsnapte er aan zijn lippen, hij rukte zich los, waggelde,—en het werd nacht voor zijn oogen, maar hij deed ze weer open. Booze machten hadden haar spel met hem gedreven.Verdwenen was het Alpenmeisje, verdwenen de beschermende hut, het water stroomde langs den naakten rotswand neer, sneeuw lag er rondom; Rudy beefde van de koude, hij was tot op zijn hemd doornat, zijn ring was verdwenen, de verlovingsring, dien Babette hem gegeven had. Zijn buks lag in de sneeuw naast hem, hij raapte haar op en wilde haar afschieten; maar zij weigerde. Vochtige wolken legerden zich als vaste sneeuwmassa’s in de kloof, de duizeligheid zat daar en loerde op haar machtelooze prooi, en beneden in de kloof klonk het, alsof er een rotsblok naar beneden stortte, dat alles verbrijzelde en met zich meesleepte, wat het in zijn val wilde ophouden.Maar in den molen zat Babette en weende; Rudy was er in geen zes dagen geweest, hij, die in het ongelijk was, hij, die haar om vergiffenis moest vragen, dien zij van ganscher harte liefhad.
Rudy verliet Bex, hij sloeg den weg naar huis in, klom op de bergen in de frissche verkoelende lucht, waar de sneeuw lag, waar de ijsjonkvrouw heerscht. De boomen stonden diep onder hem en zagen er uit, alsof zij aardappelenloof waren, de dennen, de struiken werden kleiner hier boven, de Alpenrozen groeiden naast de sneeuw die in afzonderlijke strepen lag, evenals linnen op de bleek. Een blauwe gentiaan, die op zijn weg stond, verbrijzelde hij met zijn geweerkolf.
Hoogerop vertoonden zich twee gemzen; de oogen van Rudy fonkelden, zijn gedachten namen een nieuwe vlucht; maar hij was er niet dicht genoeg bij om een zeker schot te kunnen doen; hij klom hooger op waar slechts een enkel grasscheutje tusschen de rotsblokken groeide; de gemzen liepen rustig op het sneeuwveld; hij verhaastte zijn schreden. De wolkennevel daalde diep om hem neer, eensklaps bevond hij zich voor den steilen rotswand: de regen begon neer te stroomen.
Hij voelde een brandenden dorst, hitte in zijn hoofd, koude over al zijn leden; hij greep naar zijn veldflesch, maar deze was ledig; hij had er niet aan gedacht, haar te vullen, toen hij tegen de bergen opstormde. Hij was vroeger nooit ziek geweest, maar nu had hij het gevoel van zulk een toestand; hij was moede, hij gevoelde neiging om zich neer te leggen, verlangen om te slapen, maar overal stroomde de regen neer; hij deed een poging om weer tot zich zelven te komen. Zonderling sidderden en dansten de voorwerpenvoor zijn oogen; daar bespeurde hij eensklaps, wat hij hier nog nooit gezien had, een nieuw, allerliefst huisje, dat tegen de rotsen aangebouwd was; voor de deur stond een jong meisje; hij zou haast gezegd hebben, dat het Annette van den schoolmeester was, die hij eenmaal onder het dansen gekust had; maar het was Annette niet; toch had hij het meisje vroeger al eens gezien, misschien wel bij Grindelwald, op dien avond, toen hij van het schuttersfeest te Interlaken terugkeerde.
«Hoe komt ge hier zoo verzeild?» vroeg hij.
«Ik ben hier te huis. Ik hoed mijn kudde!»
«Uw kudde? Waar graast die dan? Hier heeft men immers slechts sneeuw en rotsen.»
«Ge weet er ook wat van, wat hier is!» zei het meisje en lachte. «Hier achter ons, beneden, is een heerlijke weide! Daar loopen mijn geiten! Ik bewaak ze zorgvuldig! Geen enkele verlies ik; wat van mij is, blijft van mij!»
«Gij zijt stoutmoedig!» zei Rudy.
«Gij ook!» antwoordde het meisje.
«Hebt ge melk in huis, geef mij dan te drinken; want ik heb een ondraaglijken dorst!»
«Ik heb wat beters dan melk!» zei het meisje, «en dat zal ik u geven. Gisteren waren hier reizigers met hun gids; zij vergaten een half fleschje wijn, zooals ge zeker nooit geproefd hebt, zij zullen het wel niet terughalen; ik drink er niet van, drink gij er maar van!»
En het meisje haalde den wijn, goot dien in een houten beker en reikte dezen aan Rudy over.
«Dat smaakt lekker!» zei hij. «Nog nooit heb ik zulken verwarmenden, vurigen wijn geproefd!» Zijn oogen fonkelden; een leven, een gloed vervulde hem, alsof iedere zorg, iedere druk verdween; de frissche menschennatuur ontwaakte in hem.
«Maar het is Annette toch!» riep hij uit. «Geef mij een kus!»
«Ja, geef mij den mooien ring, dien ge aan den vinger hebt.»
«Mijn verlovingsring?»
«Ja, juist dien!» zei het meisje en schonk op nieuw wijn in den beker, dien zij hem aan de lippen zette, en hij dronk. Er stroomde levensvreugde in zijn bloed; de geheele wereld behoorde hem toe, dacht hij, waarom zou hij zich afpijnigen! Alles is geschapen, opdat wij het genieten, opdat het ons gelukkig make! De stroom des levens is de stroom der vreugde; door dezen gedragen te worden, dat is gelukzaligheid. Hij keek het meisje aan, het was Annette wel en toch Annette niet, en nog minder de spookgestalte, zooals hij het noemde, die hem bij Grindelwald tegengekomen was. Het meisje hier op den berg was frisch als de witte sneeuw, bloeiend als de Alpenroos en snelvoetig als een geitje; maar toch uit Adams rib geschapen, evenals Rudy. Hij sloeg zijn armen om de schoone heen en staarde haar in de verwonderlijk heldere oogen; slechts een seconde duurde deze blik, en in deze seconde.... ja, wie verklaart het, wie geeft het in woorden weer?—was het hetleven des geestes of des doods, dat hem vervulde?—werd hij opgeheven of zonk hij in de diepe, doodende ijskloof, gedurig dieper. Hij zag de ijswanden als een blauwachtig groen glas, oneindige kloven gaapten er in de rondte, en het water stroomde naar beneden, helder, vlammend in witachtig blauwe vlammen. De ijsmaagd kuste hem: het was een kus, die hem van het hoofd tot de voeten deed huiveren; een kreet van smart ontsnapte er aan zijn lippen, hij rukte zich los, waggelde,—en het werd nacht voor zijn oogen, maar hij deed ze weer open. Booze machten hadden haar spel met hem gedreven.
Verdwenen was het Alpenmeisje, verdwenen de beschermende hut, het water stroomde langs den naakten rotswand neer, sneeuw lag er rondom; Rudy beefde van de koude, hij was tot op zijn hemd doornat, zijn ring was verdwenen, de verlovingsring, dien Babette hem gegeven had. Zijn buks lag in de sneeuw naast hem, hij raapte haar op en wilde haar afschieten; maar zij weigerde. Vochtige wolken legerden zich als vaste sneeuwmassa’s in de kloof, de duizeligheid zat daar en loerde op haar machtelooze prooi, en beneden in de kloof klonk het, alsof er een rotsblok naar beneden stortte, dat alles verbrijzelde en met zich meesleepte, wat het in zijn val wilde ophouden.
Maar in den molen zat Babette en weende; Rudy was er in geen zes dagen geweest, hij, die in het ongelijk was, hij, die haar om vergiffenis moest vragen, dien zij van ganscher harte liefhad.
XIII.In den molen.«Wat gaat het toch wonderlijk bij de menschen toe!» zei de kamerkat tegen de keukenkat. «Nu zijn zij weer van elkaar af, Babette en Rudy. Zij weent, en hij denkt zeker niet meer aan haar.»«Dat bevalt mij niet!» zei de keukenkat.«Mij ook niet!» zei de kamerkat, «doch ik zal het mij maar niet aantrekken! Babette kan zich immers met dien roodbaard verloven! Maar die is hier ook niet meer geweest, sedert hij op het dak wilde klimmen!»Booze machten drijven haar spel om ons en in ons; dat had Rudy wel eens gehoord en veel daarover nagedacht; wat was er in hem en om hem heen gebeurd daar op den berg? Waren het spoken of koortsachtige droomen? Hij had vroeger noch koorts, noch eenige andere ziekte gekend. Maar toen hij Babette veroordeelde, had hij een blik in zijn eigen binnenste geslagen. Hij had de wilde jacht in zijn hart, den heeten orkaan, die daar huisgehouden had, nagespeurd. Zou hij aan Babette ook alles kunnen biechten, iedere gedachte biechten, die in de ure der verzoeking bij hem tot daad zou kunnen worden? Haar ring had hij verloren,en juist door dit verlies had zij hem teruggekregen. Zou zij hem alles kunnen opbiechten? Het was, alsof zijn hart zou breken, als hij aan haar dacht; hoevele herinneringen rezen er niet bij hem op! Hij zag haar, alsof zij bij levenden lijve voor hem stond, lachend als een moedwillig kind; menig vriendelijk woord, dat zij uit de volheid haars hartengesprokenhad, drong als zonnestralen in zijn borst door, en al spoedig was alles daarin slechts zonneschijn bij de gedachte aan Babette.Ja, zij moest hem alles kunnen biechten, en zij zou dit ook doen.Hij ging naar den molen toe en kwam tot de biecht. Deze begon met een kus en eindigde daarmee, dat Rudy de zondaar bleef; het was afschuwelijk van hem! Zulk een wantrouwen, zulk een heftigheid kon hen beiden in het ongeluk storten. Ja zeker, dat kon! En daarom hield Babette hem een kleine boetpredikatie, waarin zij zelf schik had en die haar zeer goed afging, doch op één punt had Rudy gelijk: de neef der petemoei van Babette was een lafbek; zij wilde het boek verbranden, dat hij haar gegeven had, en zij wilde niet het minste bezitten, dat haar aan hem kon herinneren.«Nu is het gevaar voorbij!» zei de kamerkat. «Rudy is weer hier, zij verstaan elkaar, en dat is toch het grootste geluk, zeggen zij.»«Ik hoorde van nacht van de rotten,» zei de keukenkat, «dat het grootste geluk is, vetkaarsen te eten en volop spek te hebben. Wie moet men nu gelooven, de rotten of het verliefde paar?»«Geen van beiden,» zei de kamerkat, «dat is altijd het veiligste!»Het grootste geluk van Rudy en Babette, de schoonste dag, zooals zij hem noemden, de trouwdag, was ophanden.Maar niet in de kerk te Bex zou de trouwplechtigheid plaats hebben, niet in den molen zou er bruiloft gehouden worden; de petemoei wilde, dat de bruiloft in haar huis zou gevierd worden en dat de trouwplechtigheid in de mooie kleine kerk te Montreux zou plaats vinden. De molenaar stond er op, dat deze wensch zou vervuld worden; hij alleen wist, wat de petemoei voor de jonggehuwden bestemd had; zij zouden van haar een bruidsgeschenk krijgen, dat wel waard was, dat men zich naar haar wil schikte. De dag was bepaald. Reeds den avond te voren zouden zij naar Villeneuve vertrekken, om den daarop volgenden dag tijdig naar Montreux te rijden, opdat de dochters der petemoei de bruid aan haar toilet zouden kunnen helpen.«Hier in huis zal er toch ook wel wat lekkers afvallen,» zei de kamerkat; «als dit niet gebeurt, dan geef ik geen miauw voor de heele geschiedenis!»«Hier zal wel gesmuld worden!» zei de keukenkat. «Er zijn eenden geslacht, duiven geplukt, en een heele reebok hangt er aan den muur. Ik watertand er al van, als ik daaraan denk! Morgen begint de reis!»Ja, morgen!—Op dezen avond zaten Rudy en Babette voor de laatste maal als verloofden in den molen.Buiten gloeiden de Alpen, luidden de avondklokken en zongen de dochteren der zon: «Moge het beste geschieden!»
«Wat gaat het toch wonderlijk bij de menschen toe!» zei de kamerkat tegen de keukenkat. «Nu zijn zij weer van elkaar af, Babette en Rudy. Zij weent, en hij denkt zeker niet meer aan haar.»
«Dat bevalt mij niet!» zei de keukenkat.
«Mij ook niet!» zei de kamerkat, «doch ik zal het mij maar niet aantrekken! Babette kan zich immers met dien roodbaard verloven! Maar die is hier ook niet meer geweest, sedert hij op het dak wilde klimmen!»
Booze machten drijven haar spel om ons en in ons; dat had Rudy wel eens gehoord en veel daarover nagedacht; wat was er in hem en om hem heen gebeurd daar op den berg? Waren het spoken of koortsachtige droomen? Hij had vroeger noch koorts, noch eenige andere ziekte gekend. Maar toen hij Babette veroordeelde, had hij een blik in zijn eigen binnenste geslagen. Hij had de wilde jacht in zijn hart, den heeten orkaan, die daar huisgehouden had, nagespeurd. Zou hij aan Babette ook alles kunnen biechten, iedere gedachte biechten, die in de ure der verzoeking bij hem tot daad zou kunnen worden? Haar ring had hij verloren,en juist door dit verlies had zij hem teruggekregen. Zou zij hem alles kunnen opbiechten? Het was, alsof zijn hart zou breken, als hij aan haar dacht; hoevele herinneringen rezen er niet bij hem op! Hij zag haar, alsof zij bij levenden lijve voor hem stond, lachend als een moedwillig kind; menig vriendelijk woord, dat zij uit de volheid haars hartengesprokenhad, drong als zonnestralen in zijn borst door, en al spoedig was alles daarin slechts zonneschijn bij de gedachte aan Babette.
Ja, zij moest hem alles kunnen biechten, en zij zou dit ook doen.
Hij ging naar den molen toe en kwam tot de biecht. Deze begon met een kus en eindigde daarmee, dat Rudy de zondaar bleef; het was afschuwelijk van hem! Zulk een wantrouwen, zulk een heftigheid kon hen beiden in het ongeluk storten. Ja zeker, dat kon! En daarom hield Babette hem een kleine boetpredikatie, waarin zij zelf schik had en die haar zeer goed afging, doch op één punt had Rudy gelijk: de neef der petemoei van Babette was een lafbek; zij wilde het boek verbranden, dat hij haar gegeven had, en zij wilde niet het minste bezitten, dat haar aan hem kon herinneren.
«Nu is het gevaar voorbij!» zei de kamerkat. «Rudy is weer hier, zij verstaan elkaar, en dat is toch het grootste geluk, zeggen zij.»
«Ik hoorde van nacht van de rotten,» zei de keukenkat, «dat het grootste geluk is, vetkaarsen te eten en volop spek te hebben. Wie moet men nu gelooven, de rotten of het verliefde paar?»
«Geen van beiden,» zei de kamerkat, «dat is altijd het veiligste!»
Het grootste geluk van Rudy en Babette, de schoonste dag, zooals zij hem noemden, de trouwdag, was ophanden.
Maar niet in de kerk te Bex zou de trouwplechtigheid plaats hebben, niet in den molen zou er bruiloft gehouden worden; de petemoei wilde, dat de bruiloft in haar huis zou gevierd worden en dat de trouwplechtigheid in de mooie kleine kerk te Montreux zou plaats vinden. De molenaar stond er op, dat deze wensch zou vervuld worden; hij alleen wist, wat de petemoei voor de jonggehuwden bestemd had; zij zouden van haar een bruidsgeschenk krijgen, dat wel waard was, dat men zich naar haar wil schikte. De dag was bepaald. Reeds den avond te voren zouden zij naar Villeneuve vertrekken, om den daarop volgenden dag tijdig naar Montreux te rijden, opdat de dochters der petemoei de bruid aan haar toilet zouden kunnen helpen.
«Hier in huis zal er toch ook wel wat lekkers afvallen,» zei de kamerkat; «als dit niet gebeurt, dan geef ik geen miauw voor de heele geschiedenis!»
«Hier zal wel gesmuld worden!» zei de keukenkat. «Er zijn eenden geslacht, duiven geplukt, en een heele reebok hangt er aan den muur. Ik watertand er al van, als ik daaraan denk! Morgen begint de reis!»
Ja, morgen!—Op dezen avond zaten Rudy en Babette voor de laatste maal als verloofden in den molen.
Buiten gloeiden de Alpen, luidden de avondklokken en zongen de dochteren der zon: «Moge het beste geschieden!»
XIV.Nachtelijke droomgezichten.De zon was ondergegaan, de wolken daalden in het Rhônedal tusschen de hooge bergen, de wind blies uit het Zuiden, een wind, die uit Afrika kwam, streek over de hooge Alpen heen, een orkaan, die de wolken scheurde, en toen de wind voorbijgespoed was, werd het een oogenblik doodstil; de gescheurde wolken hingen in phantastische groepen tusschen de met boomen begroeide bergen, over den snelvlietenden Rhônestroom; zij hingen in gestalten als de dieren der voorwereld, als de zwevende adelaar der lucht, als de huppelende kikvorschen der moerassen; zij daalden op den snelvlietenden stroom neer, zij zeilden op dezen en zeilden toch in de lucht. De stroom voerde een ontwortelden boom met zich mee, in het water vertoonden zich wervelende kringen; het was de duizeligheid, meer dan een, die er op den voortbruisenden stroom draaiden; de maan verlichtte de sneeuw op de bergtoppen, de donkere bosschen en de witte wonderbare wolken, de nachtgezichten, de geesten der natuurkrachten; de bergbewoner zag ze door de vensterruiten, zij zeilden daar beneden bij scharen voor de ijsjonkvrouw uit; deze kwam uit haar gletscherkasteel, zij zat op het brooze schip, op den ontwortelden boom; het gletscherwater droeg haar den stroom af tot in het open meer.«De bruiloftsgasten komen!» suisde het in lucht en water.Gezichten buiten, gezichten binnen. Babette droomde een wonderbaren droom.Het kwam haar voor, alsof zij met Rudy getrouwd was, en wel sedert vele jaren. Hij was op de gemzenjacht, en zij was te huis in haar woning, en daar zat de jonge Engelschman met den rooden baard bij haar! Zijn oogen waren zoo welsprekend, zijn woorden een toovermacht, hij stak haar de hand toe, en zij moest hem volgen. Zij verlieten het huis. Het ging gedurig meer naar beneden! Het was Babette te moede, alsof er een last op haar hart drukte, die gedurig zwaarder werd; het was een zonde tegen Rudy, een zonde tegen God; en eensklaps stond zij daar verlaten, haar kleederen waren door de doornen gescheurd, haar lokken waren grijs geworden, zij keek in haar smart naar boven, en op den rotswand zag zij Rudy;—zij strekte haar armen naar hem uit, maar waagde het niet, te roepen of te bidden. Dat zou haar ook niet gebaat hebben, want al spoedig ontdekte zij, dat hij het niet was, maar slechts zijn jas en zijn hoed, die op den Alpenstok hingen, dien de jagers zoo neerzetten, om de gemzen te misleiden. En in grenzenlooze smart jammerde Babette: «O! was ik maar op mijn trouwdag, mijn gelukkigsten dag, gestorven! Mijn God dat zou een genade, een groot geluk geweest zijn! Dan zou het beste geschied zijn, wat mij en Rudy zou hebben kunnen weervaren! Niemand kent zijn toekomst!»En in haar smart stortte zij zich in de diepe rotskloof naar beneden. Er sprong een snaar, er klonk een weemoedige toon...Babette ontwaakte, de droom was voorbij en vergeten,—maar zij wist toch nog, dat zij iets verschrikkelijks en van den jongen Engelschman gedroomd had, die zij in verscheidene maanden niet gezien, aan wien zij niet gedacht had. Zou hij misschien ook te Montreux zijn? Zou zij hem op de bruiloft te zien krijgen? Een lichte schaduw gleed er over haar fijnen mond, haar wenkbrauwen trokken zich te zamen; maar al spoedig daarop speelde er een glimlachje om haar lippen, schoten er vreugdestralen uit haar oogen; buiten scheen de zon zoo heerlijk, en den volgenden dag was het de bruiloft van haar en van Rudy.Rudy was al in de woonkamer, toen zij deze binnentrad, en spoedig daarop ging men naar Villeneuve. Beiden waren zoo overgelukkig, en ook de molenaar; hij lachte en was in de beste luim; hij was een goed vader en een eerlijke ziel.«Nu zijn wij heeren en meesters hier in huis!» zei de kamerkat.
De zon was ondergegaan, de wolken daalden in het Rhônedal tusschen de hooge bergen, de wind blies uit het Zuiden, een wind, die uit Afrika kwam, streek over de hooge Alpen heen, een orkaan, die de wolken scheurde, en toen de wind voorbijgespoed was, werd het een oogenblik doodstil; de gescheurde wolken hingen in phantastische groepen tusschen de met boomen begroeide bergen, over den snelvlietenden Rhônestroom; zij hingen in gestalten als de dieren der voorwereld, als de zwevende adelaar der lucht, als de huppelende kikvorschen der moerassen; zij daalden op den snelvlietenden stroom neer, zij zeilden op dezen en zeilden toch in de lucht. De stroom voerde een ontwortelden boom met zich mee, in het water vertoonden zich wervelende kringen; het was de duizeligheid, meer dan een, die er op den voortbruisenden stroom draaiden; de maan verlichtte de sneeuw op de bergtoppen, de donkere bosschen en de witte wonderbare wolken, de nachtgezichten, de geesten der natuurkrachten; de bergbewoner zag ze door de vensterruiten, zij zeilden daar beneden bij scharen voor de ijsjonkvrouw uit; deze kwam uit haar gletscherkasteel, zij zat op het brooze schip, op den ontwortelden boom; het gletscherwater droeg haar den stroom af tot in het open meer.
«De bruiloftsgasten komen!» suisde het in lucht en water.
Gezichten buiten, gezichten binnen. Babette droomde een wonderbaren droom.
Het kwam haar voor, alsof zij met Rudy getrouwd was, en wel sedert vele jaren. Hij was op de gemzenjacht, en zij was te huis in haar woning, en daar zat de jonge Engelschman met den rooden baard bij haar! Zijn oogen waren zoo welsprekend, zijn woorden een toovermacht, hij stak haar de hand toe, en zij moest hem volgen. Zij verlieten het huis. Het ging gedurig meer naar beneden! Het was Babette te moede, alsof er een last op haar hart drukte, die gedurig zwaarder werd; het was een zonde tegen Rudy, een zonde tegen God; en eensklaps stond zij daar verlaten, haar kleederen waren door de doornen gescheurd, haar lokken waren grijs geworden, zij keek in haar smart naar boven, en op den rotswand zag zij Rudy;—zij strekte haar armen naar hem uit, maar waagde het niet, te roepen of te bidden. Dat zou haar ook niet gebaat hebben, want al spoedig ontdekte zij, dat hij het niet was, maar slechts zijn jas en zijn hoed, die op den Alpenstok hingen, dien de jagers zoo neerzetten, om de gemzen te misleiden. En in grenzenlooze smart jammerde Babette: «O! was ik maar op mijn trouwdag, mijn gelukkigsten dag, gestorven! Mijn God dat zou een genade, een groot geluk geweest zijn! Dan zou het beste geschied zijn, wat mij en Rudy zou hebben kunnen weervaren! Niemand kent zijn toekomst!»En in haar smart stortte zij zich in de diepe rotskloof naar beneden. Er sprong een snaar, er klonk een weemoedige toon...
Babette ontwaakte, de droom was voorbij en vergeten,—maar zij wist toch nog, dat zij iets verschrikkelijks en van den jongen Engelschman gedroomd had, die zij in verscheidene maanden niet gezien, aan wien zij niet gedacht had. Zou hij misschien ook te Montreux zijn? Zou zij hem op de bruiloft te zien krijgen? Een lichte schaduw gleed er over haar fijnen mond, haar wenkbrauwen trokken zich te zamen; maar al spoedig daarop speelde er een glimlachje om haar lippen, schoten er vreugdestralen uit haar oogen; buiten scheen de zon zoo heerlijk, en den volgenden dag was het de bruiloft van haar en van Rudy.
Rudy was al in de woonkamer, toen zij deze binnentrad, en spoedig daarop ging men naar Villeneuve. Beiden waren zoo overgelukkig, en ook de molenaar; hij lachte en was in de beste luim; hij was een goed vader en een eerlijke ziel.
«Nu zijn wij heeren en meesters hier in huis!» zei de kamerkat.