De onwrikbare tinnen soldaat.

De onwrikbare tinnen soldaat.Er waren eens vijf-en-twintig tinnen soldaten. Dit waren allemaal broers, want ze waren uit één en denzelfden ouden tinnen lepel gemaakt. Zij hielden hun geweer in den arm en hun hoofd recht; en hun uniform was rood en blauw. Het eerste, wat zij in deze wereld hoorden, toen het deksel van de doos, waarin zij lagen, afgenomen werd, waren de woorden: «Tinnen soldaten!» Dat riep een kleine jongen en hij klapte in de handen; hij had ze gekregen, want het was zijn verjaardag, en hij stelde ze nu op de tafel op. De eene soldaat leek precies op den anderen, slechts één zag er een beetje anders uit: hij had maar één been, want hij was het laatst gegoten, en toen was er geen tin genoeg meer; maar toch stond hij even vast op zijn eene been, als de anderen op hun twee, en juist hij is het, wiens levensloop zoo merkwaardig werd.Op de tafel, waarop zij opgesteld werden, stond nog veel meer ander speelgoed, maar dat, wat het meest in ’t oog viel, was een aardig kasteel van bordpapier. Door de kleine ramen kon men in de zalen zien. Voor het kasteel stonden boompjes rondom een kleinen spiegel, die een vijver moest voorstellen. Zwanen van was zwommen daarop en spiegelden er zich in. Dat was alles heel lief, maar het liefste van alles was toch nog een kleine dame, die middenin de open deur van het kasteel stond; zij was ook van karton gesneden, maar zij had een japon van het witste katoen aan en een kleinen, smallen, blauwen band over den schouder, bij wijze van sjerp; in het midden daarvan prijkte een schitterende ster van klatergoud, die net zoo groot was als haar heele gezicht. De kleine dame strekte haar beide armen uit, want zij was een danseres; en dan lichtte zij haar eene been zoo hoog op, dat de tinnen soldaat niet wist waar het was, en dacht, dat zij, evenals hij, maar één been had.«Dat zou een goede vrouw voor mij zijn!» dacht hij: «maar het is zoo’n deftige dame; zij woont op een kasteel; ik heb maar een doos, en daar wonen we met ons vijf-en-twintigen in; dat is geen plaats voor haar! Maar ik moet toch eens kennis met haar maken!»Daarop legde hij zich, zoo lang als hij was, achter een snuifdoos neer, die op tafel stond; nu kon hij de kleine dame eens goed opnemen, die al door maar op één been bleef staan, zonder dat zij haar evenwicht verloor.Toen het avond werd, kwamen al de andere tinnen soldaten in hun doos, en de menschen in huis gingen te bed. Nu begon het speelgoed allerlei spelletjes te doen. De tinnen soldaten rammelden in de doos; want zij zouden er ook wel bij willen zijn, maar zij konden het deksel niet oplichten. De notenkraker maakte allerlei kromme sprongen, en de griffel danste op de tafel; het was zulk een geweldig leven, dat de kanarievogel er wakker van werd en begon mee te spreken, en wel op rijm. De beide eenigen, die zich niet van hun plaats verroerden, waren de tinnen soldaat en de danseres; zij bleef onbeweeglijk op haar teenen staan en hield haar beide armen uitgestrekt; hij stond even onwrikbaar op zijn eene been; maar zijn oogen wendde hij geen oogenblik van haar af.Nu sloeg de klok twaalf uur en flap! daar sprong het deksel van de snuifdoos af; doch er zat geen snuif in, maar een klein zwart kaboutermannetje.«Tinnen soldaat!» zei het kaboutermannetje, «kijk toch niet naar datgene, wat je niets hoegenaamd aangaat!»Maar de tinnen soldaat deed, alsof hij het niet hoorde.«Ja, wacht maar tot morgen!» zei het kaboutermannetje.Toen nu de volgende dag aanbrak en de kinderen opstonden, werd de tinnen soldaat voor het raam neergezet en, of het nu door het kaboutermannetje of door den tocht kwam, zooveel is zeker, dat het raam openvloog en de soldaat hals over kop van de derde verdieping naar beneden viel. Dat was een verschrikkelijke buiteling. Hij stak zijn eene been juist in de hoogte en bleef op zijn schako met de bajonet tusschen de straatsteenen steken.De dienstmeid en de kleine jongen liepen dadelijk naar beneden om hem te zoeken; maar ofschoon zij bijna op hem trapten, toch zagen zij hem niet. Als de tinnen soldaat maar geroepen had: «Hier ben ik!» dan zouden zij hem wel gevonden hebben; maar hij achtte het ongepast, luid te schreeuwen, omdat hij in uniform was.Nu begon het te regenen, al spoedig vielen de droppels dichter neer; eindelijk werd het een stortregen. Toen deze over was, kwamen er twee straatjongens voorbij.«Kijk!» zei de een, «daar ligt een tinnen soldaat! Dien zullen we in het schuitje laten varen!»Nu maakten zij van een stuk krant een schuitje, zetten den soldaat in het midden daarvan neer, en nu zeilde hij de straatgoot door; de beide jongens liepen er naast en klapten in hun handen. Lieve hemel! Wat gingen de golven in de goot hoog, en welk een stroom was daarin! Maar de regen had het water ook doen wassen. Het papieren schuitje schommelde op en neer, en nu en dan draaide het zoo gezwind om, dat de tinnen soldaat beefde; maar hij bleef onwrikbaar staan, vertrok zijn gezicht niet, hield zijn hoofd recht en zijn geweer in den arm. Eensklaps dreef het schuitje onder een lange brug, die over de goot lag, en nu werd het zoo donker, alsof hij in zijn doos was.«Waar zou ik naar toe gaan?» dacht hij. «Ja, ja, daar is het kaboutermannetjede schuld van. Ach! zat die kleine dame maar bij mij in het schuitje, dan mocht het voor mijn part nog eens zoo donker zijn!»Nu kwam er plotseling een groote waterrot, die onder de brug woonde.«Heb je een pas?» vroeg de rot. «Geef je pas op!»Maar de tinnen soldaat zweeg en hield zijn geweer nog vaster omklemd.Het schuitje dreef verder, en de rot achtervolgde het. Hu! wat liet zij haar tanden zien, en hoe riep zij de houten spaanders en het stroo toe:«Houdt hem vast, houdt hem vast! Hij heeft geen tol betaald! Hij heeft geen pas vertoond!»Maar de stroom werd al sterker en sterker; de tinnen soldaat kon reeds daar, waar de brug ophield, het daglicht zien; maar hij hoorde ook een bruisend geluid, dat wel in staat was om een dapper man schrik aan te jagen. Begrijp eens! De goot liep daar, waar de brug eindigde, in een diepe gracht uit: dat was voor hem even gevaarlijk als voor ons, om op een bruisenden waterstroom voort te drijven.Nu was hij er al zoo dicht bij, dat hij niet meer kon blijven staan. Het schuitje voer de goot uit: de arme tinnen soldaat hield zich zoo stijf, als hij maar kon; niemand zou van hem kunnen zeggen, dat hij ook maar met de oogen geknipt had. Het schuitje draaide een stuk of viermaal in de rondte en was tot aan den rand met water gevuld: het moest nu wel zinken! De tinnen soldaat stond tot aan zijn hals in het water, en al dieper en dieper zonk het schuitje, al meer en meer raakte het papier uit elkaar, nu sloeg het water over het hoofd van den soldaat heen. Thans dacht hij aan de kleine, bevallige danseres, die hij nimmer meer zou zien; en het klonk hem in de ooren:«’t Is met u gedaan, soldaat!De dood staat u te wachten!»Nu raakte het papier geheel los, en de tinnen soldaat stortte naar beneden;—maar onmiddellijk werd hij door een grooten visch ingezwolgen.O, wat was het donker in den buik van dien visch! Het was daar nog donkerder dan onder de brug, die over de goot lag; en dan was het daar erg benauwd. Maar de tinnen soldaat bleef onwrikbaar en lag, zoo lang als hij was, met zijn geweer in den arm.De visch zwom heen en weer; hij maakte de verschrikkelijkste bewegingen; eindelijk werd hij doodstil; het werd weer licht, en een stem riep luide: «De tinnen soldaat!» De visch was gevangen, aan de markt gebracht, verkocht en in de keuken te land gekomen, waar de keukenmeid hem met een groot mes opensneed. Zij pakte den soldaat met haar beide vingers midden om zijn lijf beet en droeg hem naar de kamer, waar allen zulk een merkwaardig man wildenzien, die in de maag van een visch gezeten had; maar de tinnen soldaat was volstrekt niet trotsch. Zij zetten hem op de tafel neer en... o, hoe zonderling kan het toch in de wereld toegaan! De tinnen soldaat was in dezelfde kamer, waar hij vroeger geweest was; hij zag dezelfde kinderen, en hetzelfde speelgoed stond op de tafel: het prachtige kasteel met de kleine danseres. Zij stond nog op één been en hield het andere hoog in de lucht; zij was ook onwrikbaar. Dat trof den tinnen soldaat; het scheelde niet veel, of hij begon tin te weenen, maar dat paste niet. Hij keek haar aan, maar zij zeide niets.Nu nam een der kleine jongens den soldaat en wierp hem in het vuur, zonder dat hij er eenige reden voor had; dat was zeker de schuld van het kaboutermannetje in de snuifdoos.De tinnen soldaat stond daar helder verlicht en voelde een hitte, die verschrikkelijk was; maar of deze van het werkelijke vuur of de liefde kwam, dat wist hij niet. De kleuren waren heelemaal van hem afgegaan; of dat op reis gebeurd was, dan of het verdriet de schuld daarvan was, kon niemand zeggen. Hij keek de kleine dame aan, zij keek hem aan, en hij voelde, dat hij smolt; maar nog stond hij onwrikbaar met het geweer in den arm. Daar ging er eensklaps een deur open, de wind pakte de kleine danseres beet, en nu vloog zij als een luchtnimf in het vuur naar den tinnen soldaat toe, ging in de vlammen op, en weg was zij. Nu smolt de tinnen soldaat tot een klomp, en toen de meid den volgenden dag de asch wegnam, vond zij niets anders dan een klein tinnen hart. Van de danseres daarentegen was niets anders overgebleven dan de ster van klatergoud, die heelemaal zwart van de vlam geworden was.De gouden schat.De vrouw van den tamboer ging naar de kerk toe, zij zag daar het nieuwe altaar met geschilderde beelden en uitgesneden engelen; zij waren even mooi, die op het doek in kleuren, als de uit hout gesnedene, en deze waren nog bovendien geschilderd en verguld. Hun haar straalde van goud en zonneschijn, prachtig om aan te zien; maar Gods zonneschijn was toch nog prachtiger; deze scheen helderder, rooder door de donkere boomen, als de zon onderging. Hoe heerlijk is het, in Gods aangezicht te staren! Zij keek in de roode zon, en zij dacht daarover zoo ernstig na, en dacht aan den kleine, dien de ooievaar zou brengen; zij was daarbij zeer vroolijk en keek en keek, en wenschte, dat het kind dien zonneglans zou krijgen, of althans op een dier schitterende engelen op het altaar gelijken mocht.En toen zij werkelijk het kleine kind in haar armen hield en het naar zijn vader ophief, toen zag het er uit als een der engelen inde kerk,—zijn haar was als goud; het schijnsel der ondergaande zon fonkelde daarin.«Mijn gouden schat, mijn rijkdom, mijn zonneschijn!» riep de moeder uit en kuste de schitterende lokken; en het klonk als muziek en gezang in de kamer van den tamboer; er heerschten vreugde en geluk. De tamboer sloeg een roffel, een vroolijken roffel. En de trommel, de alarmtrom, die geslagen werd, als er brand was in de stad, zei: «Rood haar! De kleine heeft rood haar! Geloof het trommelvel en niet wat zijn moeder zegt! Rom, bom, bom! Rom, bom, bom!»En de stad herhaalde wat de alarmtrom verteld had.De knaap kwam in de kerk, hij werd gedoopt. Van zijn naam was niets te vertellen; hij werd Peter genoemd. De heele stad, ook de trommel noemde hem Peter, het tamboerszoontje met het roodehaar; maar zijn moeder kuste zijn rood haar en noemde hem haar Gouden schat.In den hollen weg, in de leemachtige helling, hadden velen hun naam ter herinnering ingekrast.«Beroemdheid,» zei de tamboer, «dat is altijd iets!» en daarom kraste hij er ook zijn naam en dien van zijn zoontje in.De zwaluwen kwamen; zij hadden op haar verre reis duurzamer schrift in de klippen en in de muren van de tempels in Hindostan ingehouwen gezien: groote daden van machtige koningen, onsterfelijke namen, zulke oude, dat niemand ze meer kon lezen of noemen.Merkwaardig! Beroemdheid!In den hollen weg bouwden de zwaluwen; zij boorden gaten in de steile helling, de plasregen en de stofregen brokkelden en spoelden de namen weg,—ook die van den tamboer en zijn zoontje.«Peters naam zal toch wel anderhalf jaar blijven staan!» zei de vader.«Gek!» dacht de alarmtrom; maar zij zei slechts: «Rom, bom, bom! Rom, bom, bom!»Het was een jongen vol levenslust, de tamboerszoon met het roode haar. Hij had een liefelijke stem; hij kon zingen, en hij zong ook als de vogels in het bosch. Er was melodie en toch ook geen melodie in.«Hij moet koorjongen worden,» zei zijn moeder, «in de kerk zingen en daar onder de mooie, vergulde engelen staan, die op hem gelijken!»«Roodkop!» zeiden de menschen in de stad. De trommel hoorde dit van de buurvrouwen.«Ga niet naar huis toe, Peter!» riepen de straatjongens. «Als je in het benedenhuis slaapt, dan is er brand op de bovenverdieping, en dan wordt de alarmtrom geroerd!»«Neem jelui je maar voor de trommelstokken in acht!» zei Peter; en hoe klein hij ook was, toch snelde hij moedig op hen los en sloeg met zijn vuist den eerste den beste voor het lijf, zoodat de plager zijn beenen verloor, en de anderen namen de beenen met zich mee, hun eigen beenen namelijk.De stadsmuziekmeester was heel deftig en voornaam; hij was de zoon van een koninklijken zilverpoetser; hij mocht Peter graag lijden, nam hem van tijd tot tijd met zich mee naar huis, gaf hem een viool en leerde hem daarop spelen; het was, alsof het den knaap in de vingers zat, hij wilde stadsmuziekmeester worden.«Soldaat wil ik ook worden!» zei Peter, want hij was nog een kleine jongen, en het scheen hem het heerlijkste toe, wat er bestond, een geweer te kunnen dragen en zóó te kunnen loopen: «Een, twee! Een, twee!» en uniform en sabel te dragen.«Leer maar naar het trommelvel verlangen, rom, bom, bom! Kom, kom!» zei de trommel.«Ja, als hij tot den rang van generaal kon opklimmen,» zei zijn vader; «maar daarvoor moet het oorlog worden.»«Dat verhoede God!» zei zijn moeder.«Wij hebben niets te verliezen!» zei zijn vader.«Wij kunnen onzen jongen toch wel verliezen!» zeide zij.«Maar als hij nu eens als generaal terugkomt?» zei zijn vader.«Zonder armen of beenen!» zei zijn moeder. «Neen, liever wil ik mijn gouden schat heel houden.»«Rom, bom, bom!» De alarmtrom werd geroerd, alle trommels werden geroerd. Het was oorlog. De soldaten rukten op, en de zoon van den tamboer volgde: «Roodkop! Gouden schat!» Zijn moeder weende; zijn vader zag hem in gedachten «beroemd;» de stadsmuziekmeester beweerde, dat hij niet ten strijde moest trekken, maar zich bij de muziek in zijn vaderstad houden.«Roodkop!» zeiden de soldaten, en Peter lachte; maar ook zei de een na den ander: «Vossekop!» Toen beet hij zich op de lippen en keek een anderen kant uit—de wijde wereld in; hij bekommerde zich om den scheldnaam niet.Flink was de jongen, vroolijk van aard, goed van humeur; «en dat is de beste veldflesch,» zeiden zijn oude kameraden.En menigen nacht moest hij in plasregen en stofregen, tot op zijn hemd doornat, onder den blooten hemel liggen, maar zijn goede luim begaf hem niet, de trommelstokken sloegen: «Rom, bom, bom! Allemaal op!» Ja, hij was zeker voor tamboer in de wieg gelegd.De dag van den veldslag brak aan; de zon was nog niet opgegaan, en de morgen was aangebroken: de lucht was koud, het gevecht heet; er dreven nevelen aan de lucht, maar het was meer de kruitdamp. De kogels en de granaten vlogen over de hoofden en ook in de hoofden, in de borsten en de overige ledematen; maar voorwaarts ging het. De een na den ander zeeg bewusteloos neer met bloedende slapen, met een doodsbleek gezicht. De kleine tamboer had zijn gezonde kleur nog; hij had geen schade geleden; hij keek nog met een even vergenoegd gezicht den regimentshond achterna, die voor hem uitsprong, zóó vergenoegd, alsof alles maar een grap was en alsof de kogels slechts voor hem neervielen, om daarmee te spelen.«Marsch! Voorwaarts! Marsch!» waren de kommandowoorden voor de trommels; en deze woorden beteekenden niet: «Terugwijken!» maar zij konden terugtrekken, en daarin kon veel verstand liggen; en nu werd er gezegd: «Terug!» en daar sloeg de kleine tamboer: «Marsch! Voorwaarts!» hij had het bevel zóó opgevat; de soldaten gehoorzaamden aan het trommelvel. Dat was een goede trommelslag en hij schonk hun, die reeds aan het wijken waren, de overwinning.Lichamen en ledematen gingen er in den slag verloren. Granaten rukten het vleesch in bloedige stukken weg; granaten deden de hoopen stroo, werwaarts de gekwetsten zich voortgesleept hadden, om daar vele uren verlaten te liggen, verlaten misschien voor hun leven, in heldere vlammen opgaan.Het geeft niets, daaraan te denken, en toch denkt men daaraan, zelfs ver van daar, in de vreedzame stad; ook de tamboer en zijn vrouw dachten daaraan; Peter was immers ten strijde getrokken.«Nu ben ik het klagen moede!» zei de alarmtrom.Weer begon er een dag, waarop er een gevecht zou geleverd worden; de zon was nog niet opgegaan, maar het was morgen. De tamboer en zijn vrouw sliepen, zij hadden over hun zoon gesproken; dat deden zij iederen avond; hij was immers op het slagveld—«in Gods hand.» En zijn vader droomde, dat de oorlog geëindigd was, dat de soldaten naar het vaderland teruggekeerd waren en dat Peter een zilveren kruis op de borst droeg; maar zijn moeder droomde, dat zij naar de kerk gegaan was en de geschilderde beelden en de uitgesnedene engelen met het vergulde haar gezien had; en haareigen, teerbeminde zoon, de gouden schat haars harten, had midden onder de engelen gestaan en zoo heerlijk gezongen, als zeker slechts de engelen zingen kunnen, en had zich met hen in den zonneschijn verheven en zijn moeder zoo vol liefde toegeknikt.«Mijn gouden schat!» riep zij uit en werd wakker. «Nu heeft God onze Heer hem tot zich genomen!» Zij vouwde haar handen, legde haar hoofd tegen het katoenen bedgordijn aan en weende.«Waar rust hij nu onder die velen in het graf, dat zij voor de dooden gegraven hebben? Misschien wel in het diepe moeras! Niemand kent zijn graf! Er is geen woord Gods daar boven gelezen!»En het «Onze Vader» kwam nauw hoorbaar over haar lippen; zij boog het hoofd voorover, zij was zoo moede, zij viel in slaap.De dagen gingen voorbij, in het leven zoowel als in de droomen!Het was avond; er stond een regenboog aan de lucht, die het bosch en het diepe moeras aanraakte.Men zegt, en het is in het volksgeloof bewaard gebleven: waar de regenboog de aarde aanraakt, daar ligt een schat begraven, een gouden schat; en hier—lag er een; niemand, behalve zijn moeder, dacht aan den kleinen tamboer, en daarom droomde zij van hem.De dagen gingen voorbij, in het leven zoowel als in de droomen!Geen haar op zijn hoofd was er gekrenkt geworden.«Rom, bom, bom! Rom, bom, bom! Dat is hij! Dat is hij!» zou de trommel gezegd en zijn moeder gezongen hebben, als zij dat gezien of gedroomd had.Met gejuich en gezang, met groene zegekransen versierd, keerde men naar het vaderland terug, daar de oorlog geëindigd en de vrede gesloten was. De regimentshond liep vooruit en maakte allerlei kromme sprongen, om zich den weg als ’t ware driemaal zoolang te maken, als hij was.Weken verliepen er en de dagen tevens, en Peter trad de kamer van zijn ouders binnen; hij was zoo bruin als een wilde, zijn oogen keken fonkelend in de rondte, zijn gezicht straalde als zonneschijn. En zijn moeder klemde hem in haar armen; zij kuste hem op zijnmond, op zijn oogen, op zijn rood haar. Zij had haar jongen nu immers terug; hij droeg wel geen zilveren kruis op de borst, zooals zijn vader gedroomd had, maar hij had heele ledematen, wat zijn moeder niet gedroomd had. En dat was een vreugde; zij lachten en weenden. En Peter omhelsde de oude alarmtrom.«Daar staat de oude trommel nog!» zei hij.En zijn vader sloeg daarop een roffel.«Het is bijna, alsof er hier een hevige brand was,» zei de alarmtrom. «Heldere dag! Vuur in het hart! Gouden schat!»En nu? Ja, wat nu? Vraag het maar aan den stadsmuziekmeester.«Peter groeit de trommel heelemaal boven ’t hoofd,» zei hij; «Peter wordt grooter dan ik!» En hij was toch de zoon van een koninklijken zilverpoetser; maar alles, wat hij in een half menschenleven geleerd had, leerde Peter in een half jaar.Er was iets vroolijks in hem, zoo iets innerlijk goedhartigs. Zijn oogen fonkelden en zijn haar was rood,—dat viel niet te ontkennen.«Hij moet zijn haar laten verven!» zei de buurvrouw. «Dat is de dochter van den politie-commissaris uitstekend gelukt; en—zij raakte verloofd.»«Maar het werd immers al spoedig daarop weer even groen als erwtensoep, en het moet telkens weer geverfd worden!»«Zij weet zich te helpen,» zei de buurvrouw, «en dat kan Peter ook. Hij komt in de voornaamste huizen, zelfs in dat van den burgemeester, waar hij aan juffrouw Lotje les op de piano geeft.»Spelen kon hij, ja, de prachtigste stukken, die nog op geen muziekblad geschreven waren, kon hij uit zijn hoofd spelen.Hij speelde in heldere nachten en ook in donkere. Dat was niet om uit te houden, zei de buurvrouw, en de alarmtrom stemde daarmee in.Hij speelde, zoodat zijn gedachten zich verhieven en er groote plannen voor de toekomst bij hem oprezen:«Beroemdheid!»En Lotje van den burgemeester zat voor de piano; haar fijne vingers dansten over de toetsen heen, zoodat het in Peters hart weerklank vond; het was, alsof hem dat al te veel werd, en dat gebeurde niet eenmaal, maar vele malen, en nu greep hij op zekeren dag de fijne vingers en de fraai gevormde hand en kuste haar, en keek haar in de groote bruine oogen; God weet, wat hij zeide, maar aan ons staat het vrij, er naar te raden. Lotje werd tot achter haar ooren rood en antwoordde geen enkel woord;—nu kwam er een vreemde in de kamer, de zoon van den staatsraad; deze had een hoog, blank voorhoofd en hield het hoofd trotsch omhoog. En Peter zat lang bij haar, en zij keek hem met vriendelijke blikken aan.Toen hij ’s avonds thuis gekomen was, sprak hij over de wijde wereld en over den schat, die er voor hem in zijn viool verborgen lag.Beroemdheid!«Rom, bom, bom! Rom, bom, bom!» zei de alarmtrom. «Nu is het met Peter over het dolle heen! Ik geloof, dat er brand in huis is.»Den volgenden dag ging zijn moeder naar de markt toe.«Wil ik je eens een nieuwtje vertellen, Peter!» zeide zij, toen zij terugkwam, «het is een goed nieuwtje! Lotje van den burgemeester is met den zoon van den staatsraad verloofd; het engagement is er gisteren doorgegaan.»«Neen!» zei Peter en sprong van zijn stoel op. Maar zijn moeder zei: «Ja!» Zij wist het van de barbiersvrouw, wier man het uit den eigen mond van den burgemeester gehoord had.En Peter werd zoo wit als een doek en viel op een stoel neer.«Mijn hemel! Wat scheelt er aan?» vroeg zijn moeder.«Al genoeg, al genoeg! Laat mij maar met rust!» zeide hij, en de tranen liepen hem over de wangen.«Mijn lieve kind, mijn gouden schat!» riep zijn moeder uit en weende; maar de alarmtrom zong, niet uitwendig, maar inwendig:««Lot is dood! Lot is dood!» Ja, nu is het lied uit!»Het lied was niet uit; het had nog vele coupletten, lange coupletten, de allerschoonste, den gouden schat eens levens.«Zij gedraagt zich als een gekkin!» zei de buurvrouw. «De heele wereld moet de brieven, die zij van haar gouden schat krijgt, lezen en ook nog hooren, wat de kranten van hem en van zijn viool zeggen. En geld zendt hij haar ook; dat kan zij heel goed gebruiken, nu zij weduwe is.»«Hij speelt voor keizers en koningen.» zei de stadsmuziekmeester. «Mij is dit geluk nooit te beurt gevallen, maar hij is mijn leerling en vergeet zijn ouden leermeester niet.»«Zijn vader droomde eens,» zei zijn moeder, «dat Peter met het zilveren kruis op de borst uit den oorlog teruggekeerd was; hijkreeg het in den oorlog niet, maar het is nog moeilijker het zoo te krijgen! Nu heeft hij het ridderkruis! Dit moest zijn vader eens beleefd hebben!»«Beroemd!» zei de alarmtrom, en zijn vaderstad zei dit ook: de tamboerszoon, Peter met het roode haar, Peter, dien men als kleinen jongen op klompen had zien loopen, dien men als tamboer gekend had, en die bij het dansen speelde,—beroemd!«Hij speelde bij ons, nog voordat hij voor koningen gespeeld heeft!» zei de vrouw van den burgemeester. «Destijds was hij op Lotje verliefd; hij keek altijd hoog op! Mijn eigen man lachte er over, toen hij van die dwaasheid hoorde! Nu is Lotje de vrouw van den staatsraad!»Er was een gouden schat in het hart en in de ziel van het arme kind gelegd, dat als kleine tamboer: «Marsch! Voorwaarts!» sloeg, den roffel der overwinning voor hen, die op het punt stonden om terug te wijken. Er lag een gouden schat in zijn borst,—de macht der tonen; het bruiste uit de viool, alsof er een geheel orgel in zat; men hoorde den slag van den lijster en de volle heldere stem van den mensch; daarom trok hij met verrukking door de harten en droeg zijn naam door het geheele land. Dat was een groote brand,—de brand der geestdrift.«En dan ziet hij er ook zoo prachtig uit!» zeiden de jonge dames en ook de oude; ja, de alleroudste schafte zich een album voor beroemde haarlokken aan, alleen maar om een lok van dat weelderige, prachtige hoofdhaar, dezen schat, dezen gouden schat te kunnen vragen.De zoon trad de armoedige kamer van den tamboer binnen, keurig gekleed als een prins, gelukkiger dan een koning. Zijn oogen waren zoo helder, zijn gezicht als zonneschijn. Hij hield zijn moeder in de armen; zij drukte hem een kus op den mond en weende zoo gelukkig, als men slechts van blijdschap kan weenen; en hij knikte ieder oud meubel in de kamer toe, de kast met de theekopjes en de bloemvaas; hij knikte de krib toe, waarin hij als kleine jongen geslapen had; maar hij haalde de oude alarmtrom te voorschijn, zette haar midden in de kamer neer en zei tegen zijn moeder:«Vader zou vandaag een roffel geslagen hebben. Dat moet ik nu doen!»En hij sloeg een duchtigen roffel op de trommel, en deze gevoelde zich daardoor zoozeer vereerd, dat zij haar eigen trommelvel scheurde.«Hij heeft een heerlijken vuistslag!» zei de trommel. «Nu heb ik van hem voor altijd een herinnering! Ik denk wel, dat zijn moeder ook van blijdschap over haargouden schatzal barsten.»Dat is de geschiedenis van den gouden schat.De droom van den ouden eik.In het bosch, hoog op den steilen oever, vlak bij de zeekust, stond een heel oude eik. Hij was driehonderd vijf-en-zestig jaren oud; maar die lange tijd was voor den boom niet meer dan even zoo vele dagen voor ons menschen zijn. Wij waken overdag, slapen ’s nachts, en hebben dan onze droomen; met den boom gaat het anders; hij is drie jaargetijden achtereen wakker, eerst tegen den winter komt zijn slaap. De winter is zijn rusttijd, is zijn nacht na den langen dag, die lente, zomer en herfst heet.Op menigen warmen zomerdag had het haft, dat kleine schepseltje, om zijn kroon heengedanst, geleefd, gezweefd en zich gelukkig gevoeld, en rustte een oogenblik in stille gelukzaligheid op een der groote, frissche eikeblaren uit; dan zei de boom altijd: «Arme kleine! Slechts een enkelen dag duurt uw geheele leven! Wat is dat kort! Het is toch treurig!»«Treurig?—Wat bedoelt ge daarmee?» vroeg het haft dan altijd. «Om mij heen is het immers zoo helder, zoo warm en zoo schoon; dat maakt mij vroolijk!»«Maar slechts één dag,—dan is alles uit!»«Uit!» herhaalde het haft. «Wat is uit? Zijt gij ook uit?»«Neen, ik leef misschien duizenden van uw dagen, en mijn dag duurt geheele jaargetijden! Dat is zoo iets langs, dat ge het niet eens kunt uitrekenen!»«Neen, dan begrijp ik u niet! Gij hebt duizenden van mijn dagen; maar ik heb duizenden van oogenblikken, waarin ik vroolijk en gelukkig kan zijn! Houdt dan al de heerlijkheid dezer wereld op, als ge sterft?»«Neen,» zei de boom, «die duurt zeker veel langer, oneindig langer dan ik mij kan voorstellen.»«Maar dan hebben wij immers precies even veel: wij rekenen alleen maar anders!»Het haft danste en zweefde in de lucht, verheugde zich in zijn kunstige vlerkjes, in hun gaas en fluweel, verheugde zich in de warme lucht, die bezwangerd was met den heerlijken geur van het klaverveld en de rozen, van de vlier en de kamperfoelie, van het muskusplantje en de kroezemunt; de geur was zoo sterk, dat het haft er bijna door bedwelmd werd. De dag was lang en schoon, vol vreugde en genot, en als de zon ten ondergang neeg, gevoelde het haft zich altijd vermoeid van dat vroolijke zweven. De vlerkjes wilden het lichaampje niet meer dragen, en zachtjes en langzaam streek het neer op den zachten, golvenden grashalm, knikte met het kopje en sliep zacht en welgemoed in,—het was de dood.«Arm, klein haft!» zei de eik, «dat was toch een al te kort leven.»En op iederen zomerdag werd dezelfde dans, dezelfde toespraak, hetzelfde antwoord en hetzelfde inslapen herhaald; het werd herhaald door geheele geslachten van haften, en allen gevoelden zich gelukkig en even vroolijk.De eik stond daar wakend op zijn lentemorgen, zijn zomermiddag en zijn herfstavond; met rasse schreden naderde zijn rusttijd, zijn nacht. De winter was ophanden.Reeds zongen de stormen hun «Goeden nacht! Goeden nacht!» Hier viel een blad, daar viel een blad. «Wij rukken en schudden! Ga slapen, ga slapen! Wij zingen u in slaap, wij wiegen u in slaap, maar, niet waar, dat doet goed in de oude takken? Zij kraken daarbij van louter plezier! Slaap zacht, slaap zacht! Het is uw driehonderd en vijf-en-zestigste nacht; eigenlijk zijt ge toch maar een kijk-in-de-wereld! Slaap zacht! De wolk strooit sneeuw naar beneden, zij geeft een dek, dat zich warm over uw voet uitspreidt! Slaap zacht,—en aangename droomen!»De eik stond daar, van zijn bladeren beroofd, om ter ruste te gaan gedurende den geheelen langen winter en menigen droom te droomen, altijd iets, wat hij zelf beleefd had, evenals het in de droomen der menschen gaat.De groote boom was ook klein, ja, een eikel was eenmaal zijn wieg geweest; naar menschelijke berekening was hij nu al in zijn vierde eeuw; hij was de grootste en beste boom uit het bosch, met zijn kroon stak hij ver boven al de andere boomen uit, werd uit zee op een verren afstand gezien, en diende den zeelieden tot een baken; hij had er geen vermoeden van, dat zoovele oogen hem zochten. Hoog boven in zijn groene kroon bouwde de boschduif haar nest, en de koekoek deed zijn geroep daaruit hooren, en in den herfst, wanneer de bladeren er uitzagen, alsof zij geplette koperen plaatjes waren, kwamen de trekvogels en rustten daar, voordat zij over de zee wegvlogen; maar thans was het winter, de boom stond daar ontbladerd, en nu kon men goed zien, hoe krom en gebogen de takken van den stam uitliepen. Kraaien en raven kwamen aanvliegen en zetten er zich bij afwisseling op neer en spraken over de slechte tijden, die nu begonnen, en dat het in den winter heel moeilijk viel, voedsel te vinden.Het was omstreeks het heilige Kerstfeest; toen droomde de boom zijn schoonsten droom.De boom had blijkbaar een gevoel van den feestelijken tijd; het was hem, als hoorde hij de klokken van alle kerken in den omtrek luiden, en daarbij scheen het hem tevens een heerlijke zomerdag te zijn, zacht en warm. Frisch en groen spreidde hij zijn forsche kroon uit, de zonnestralen speelden tusschen bladeren en takken, de lucht was vervuld met den geur van kruiden en bloemen; bonte kapellen vlogen elkaar achterna; de haften dansten, alsof alles alleen daarom bestond, opdat zij zouden kunnen dansen en pret maken. Alles, wat de boom jaren achtereen beleefd had en wat er om hem heen gebeurd was, trok voorbij hem heen als in een plechtigen optocht. Hij zag de ridders en de edele vrouwen uit oude tijden te paard, met golvende vederbossen op den hoed en een valk op de hand, door het bosch rijden; de jachthoorn weerklonk en de honden blaften; hij zag vijandelijke krijgslieden in bonte kleerenmet blanke wapenen, met spies en hellebaard, tenten opslaan en weer afbreken; het wachtvuur vlamde, en men zong en sliep onder de takken van den boom; hij zag minnende paren elkaar in stil geluk bij zijn stam in den maneschijn ontmoeten en hun namen, de beginletters, in den grauwachtig groenen bast snijden. Citers en harpen waren eenmaal,—ja, er lagen vele jaren tusschen beide,—door reizende vroolijke klanten aan de takken van den eik opgehangen, nu hingen zij daar weer, nu klonken zij weer met wonderbare tonen. De boschduiven kirden, als wilden zij vertellen, wat de boom daarbij gevoelde, en de koekoek riep hem toe, hoeveel zomerdagen hij nog te leven had.Toen was het hem, als stroomde hem een nieuw leven tot diep in de kleinste wortelen en tot in de hoogste takjes, ja, tot in de bladeren. De boom gevoelde, dat hij zich daarbij uitrekte, ja, hij gevoelde het door middel van den wortel, hoe er ook onder inden grond leven en warmte was; hij voelde zijn kracht toenemen, hij wies al hooger en hooger, de stam schoot omhoog, er was geen stilstand, hij groeide gedurig meer en meer, de kroon werd voller, spreidde zich uit, verhief zich,—en al naardat de boom groeide, steeg zijn geluk, zijn zaligend verlangen om gedurig hooger te reiken, zelfs tot aan de schitterende, warme zon.Reeds was hij hoog boven de wolken opgeschoten, die als donkere scharen van trekvogels of groote, witte zwanen onder hem voorttrokken.Ieder blad van den boom had de gave des gezichts, als had het oogen om te zien; de sterren werden op den helderen dag zichtbaar, groot en fonkelend, elke daarvan fonkelde als een paar oogen, liefelijk en helder. Zij riepen hem bekende, vriendelijke oogen, oogen van kinderen, oogen van minnende paren, als deze elkaar onder den boom ontmoetten, in het geheugen terug.Het was een verwonderlijk zalig oogenblik, zoo vol vreugde en blijdschap! En toch gevoelde de boom te midden van deze vreugde een verlangen, een onweerstaanbaar verlangen, dat alle andere boomen van het bosch daarbeneden, alle struiken, alle kruiden en bloemen zich ook met hem mochten kunnen verheffen, opdat ook zij dezen glans zouden kunnen zien, deze vreugde smaken. De groote majestueuze eik was in zijn heerlijkheid niet volkomen gelukkig, zonder hen allen, groot en klein, bij zich te hebben, en dit gevoel trilde door alle takken, alle bladeren, innig en krachtig als door een menschelijke borst.De kroon van den boom wiegelde zich heen en weer, als zocht zij in dringend verlangen; zij staarde achterwaarts. Nu rook de boom den geur van het muskusplantje en al spoedig den nog sterkeren geur van de kamperfoelie en de viooltjes; het was hem als hoorde hij den koekoek hem antwoord geven.Ja, door de wolken kwamen de groene toppen van het bosch te voorschijn, en onder zich zag de eik de andere boomen, hoe zij groeiden en zich verhieven. Struiken en kruiden schoten hoog op, enkele rukten zich met den wortel los en vlogen nog sneller naar boven. De berk was het vlugst; aan een witten bliksemstraal gelijk, schoot zijn slanke stam al zigzagsgewijze in de hoogte, de takken golfden als groen gaas om hem heen; al de gewassen uit het bosch, zelfs het bruingepluimde riet, groeiden mee, en de vogels volgden en zongen, en op den halm, die als een lang, groen zijden lint in de lucht fladderde, zat de sprinkhaan en speelde met den vleugel langs zijn scheenbeen; de meikevers bromden en gonsden, iedere vogel zong, zooals hij gebekt was; alles was zang en geklank en vreugde tot in den hemel.«Maar dat kleine, blauwe bloempje bij het water, waar blijft dat?» riep de oude eik, «en het roode klokje en het madeliefje?»—Ja, de oude eik wilde ze alle om zich heen hebben.«Wij zijn er! Wij zijn er!» zong en klonk het.«Maar het mooie muskusplantje van den vorigen zomer,—en in hetvorige jaar was hier toch een menigte meibloempjes!—de wilde-appelboom, die zoo mooi bloeide!—en al die pracht van het bosch, jaar in jaar uit!—leefde het nu maar, was het nu maar geboren, dan zou het er ook bij hebben kunnen zijn!»«Wij zijn er bij! Wij zijn er!» zong en klonk het nog hooger; het was, alsof zij vooraangevlogen waren.«O, dat is al te schoon, ongelooflijk schoon!» jubelde de oude eik. «Ik heb ze allemaal! Klein en groot! Niet een is er vergeten! Hoe is toch al die gelukzaligheid denkbaar! Hoe is zij mogelijk!»«In den hemel van den eeuwigen God is zij mogelijk en denkbaar!» klonk het door de lucht.De oude boom, die aldoor voortgroeide, gevoelde het, hoe zijn wortel zich uit den grond losrukte.«Dat gaat goed zoo, dat is het allerbeste!» zei de boom; «nu houden mij geen banden meer terug! Ik kan nu opvliegen naar het allerhoogste licht en den allerhoogsten glans! En al mijn lieven zijn bij mij! Kleinen en grooten! Allen!»Dat was de droomvanden ouden eik; en terwijl hij zoo droomde, bruiste er een geweldige storm over land en zee heen,—op het heilige Kerstfeest. De zee stuwde haar golven tegen de kust aan; het kraakte in den boom,—hij werd met den wortel op den grond geworpen juist op het oogenblik, waarop hij droomde, dat zijn wortelen zich van de aarde losrukten.—Hij viel. Zijn driehonderd vijf-en-zestig jaren waren nu als één dag van het haft.Op den morgen van den eersten Kerstdag, toen de zon opging, was de storm gaan liggen. Van alle kerktorens klonk feestelijk klokgelui, en uit iederen schoorsteen, zelfs uit den kleinste der nederigste hut, steeg de rook in blauwe wolken omhoog, evenals van het altaar de rook van het dankoffer bij het feest der Druïden. De zee kwam allengs tot bedaren, en aan boord van een groot schip, dat gedurende den nacht met het stormachtige weder gekampt en dit gelukkig doorgestaan had, werden nu alle vlaggen, als teeken der Kerstvreugde, geheschen.«De boom is weg, de oude eik, ons baken op de kust!» spraken de zeelieden. «Hij is in dezen stormachtigen nacht gevallen! Wie zal hem kunnen vervangen?—Niemand vermag dit!»Zulk een lijkrede, kort maar welgemeend, kreeg de boom, die op het sneeuwdek aan den oever der zee uitgestrekt lag; en over hem heen klonken de psalmtonen van het schip af, een lied van de Kerstvreugde en van de uiting der menschelijke gedachten bij het aanschouwen van de bestiering van den Albarmhartige:«Zingt luid ten hemel, laat klinken uw tonen!Het is vervuld: uw vorst zal ’t loonen!Juicht vroolijk over Gods genâ,Halleluja, Halleluja!»zoo klonk het oude gezang, en iedereen aan boord van het schip gevoelde zich op zijn wijze opgeheven door het lied en het gebed,evenals de oude eik zich opgeheven gevoelde in zijn laatsten, schoonsten droom in den Kerstnacht.Zij deugde niet.De burgemeester stond voor zijn open raam; hij was in zijn overhemd met manchetten en droeg een keurige doekspeld; hij was zeer glad geschoren, hetgeen hij zelf gedaan had, en toch had hij zich een klein sneetje toegebracht, maar daarop kleefde een stukje krant.«Hoor eens, kleine!» riep hij.En deze kleine was geen ander dan de zoon der arme waschvrouw, die juist het huis voorbijliep en zijn pet eerbiedig afnam; de klep daarvan was in het midden gebroken; de pet was er geheel op ingericht om in elkaar gerold en in den zak gestoken te worden. In zijn armoedige, maar zindelijke kleeren, met zware klompen aan de voeten, stond de knaap daar eerbiedig, alsof hij tegenover den koning zelf stond.«Je bent een beste jongen,» zei de burgemeester. «Je bent een beleefde knaap. Je moeder is zeker in de rivier aan het wasschen; daar moet je stellig heen brengen, wat je in den zak hebt zitten. Wat zit er in?»«Een half pintje,» zei de knaap op een fluisterenden toon.«En van morgen heeft zij evenveel gekregen,» vervolgde de burgemeester.«Neen, dat was gisteren!» antwoordde de knaap.«Twee halve maken één heel!—Zij deugt niet! Het is treurig met zulk soort van menschen!—Zeg tegen je moeder, dat zij zich moest schamen! En word jij maar geen dronkaard; maar dat zal je wel worden! Arm kind! Ga maar heen!»En de knaap ging verder; zijn pet bleef hij in de hand houden, en de wind speelde met zijn blonde lokken. Hij sloeg den hoek der straat om en kwam in het straatje, dat naar de rivier liep, waar zijn moeder druk met wasschen bezig was. Het water stroomde sterk, want de sluizen van den molen waren opengezet; het beddelaken dreef met den stroom mee. De waschvrouw had werk om het vast te houden.«Het had niet veel gescheeld, of ik was zelf met den stroom meegesleept!» zeide zij. «Het is goed, dat je komt, want ik heb wel een hartsterking noodig! Zes uren sta ik hier al. Heb je wat voor mij?»De knaap haalde de flesch te voorschijn, en zijn moeder zette haar aan den mond en nam er een fermen slok uit.«Dat doet goed! Dat verwarmt! Dat is even goed als warm eten, en niet zoo duur! Drink ook eens, beste jongen! Je ziet er geducht bleek uit; je hebt het zeker koud in je dunne kleeren! Het is dan ook herfst. Foei! wat is het water koud! Als ik maar niet ziek word! Maar dat zal ik wel niet! Geef mij nog een slok en drink ook eens, maar slechts een klein slokje, want je moogt er niet aan wennen, mijn arme, goede jongen!»En zij ging naar haar zoontje toe, terwijl het water haar uit de kleeren droop.«Ik sta mij hier af te beulen; maar ik doe het graag, als ik je er maar eerlijk en rechtschapen doorheen breng, mijn beste jongen!»Op dit oogenblik kwam er een oude vrouw aan, die er zeer armoedig uitzag; zij was aan haar eene been lam en droeg een lange, valsche lok over haar eene blinde oog: het oog moest door die lok bedekt worden, maar zij deed eigenlijk het gebrek nog meeruitkomen. Het was een vriendin van de waschvrouw; «de lamme Martha met de lok,» noemden de buren haar.«Wat ben je daar weer in dat koude water aan het wasschen! Je hebt waarlijk wel noodig, dat je je een weinig verwarmt, en toch maken de booze tongen heel wat ophef van de slokjes, die je drinkt!»—En nu duurde het maar weinige oogenblikken, of al de woorden van den burgemeester waren aan de waschvrouw overgebracht; want Martha had alles gehoord, en zij had er zich over geërgerd, dat hij op zulk een wijze tegen het kind over diens eigen moeder en over de weinige droppeltjes sprak, die zij gebruikte, en wel omdat het juist op een dag gebeurde, waarop de burgemeester een groot gastmaal gaf, waarbij de wijn bij stroomen vloeide. «Fijne wijnen en koppige wijnen!» voegde zij er bij. «Maar dat noemt men geen drinken! Zij deugen wel, maar jij deugt niet!»«Wel zoo! Heeft hij met je gesproken?» zei de waschvrouw tot haar jongen, en haar lippen trilden daarbij. «Je hebt een moeder, die niet deugt! Misschien heeft hij wel gelijk! Maar tegen het kind moest hij zoo iets niet zeggen! Uit dat huis is er al veel ellende over mij gekomen!»«Je hebt daar immers gediend, toen de ouders van den burgemeester nog in leven waren en het huis bewoonden; dat is al vele jaren geleden! Sedert zijn er vele schepels zout gebruikt, en men moet dus wel dorst hebben,» en Martha glimlachte. «De burgemeester geeft vandaag een groot gastmaal; eigenlijk had het afgezegd moeten worden, maar het werd te laat, en het eten was ook al klaar. Ik heb het van den huisknecht gehoord. Zoo even is er een brief gekomen, dat zijn jongste broeder te Kopenhagen gestorven is!»«Gestorven!» riep de waschvrouw uit en werd doodsbleek.«Wel,» zeide Martha, «trek je je dat zoo erg aan? ’t Is waar ook, je kendet hem nog van den tijd, toen je daar in huis diendet.»«Is hij dood? Het was zulk een goed man! Er worden er niet veel zooals hij gevonden!» En de tranen biggelden haar langs de wangen. «O mijn God! het draait mij alles voor de oogen,—dat komt, omdat ik de flesch leeggedronken heb,—dat heb ik niet kunnen verdragen! Ik voel mij alles behalve wel!»«Mijn hemel! Je bent werkelijk ziek,» zei de andere vrouw. «Het is te hopen, dat het maar weer gauw over zal zijn. Het zal het beste wezen, dat ik je naar huis breng.»«Maar de wasch dan?»«Ik zal wel voor de wasch zorgen. Komaan! geef mij maar een arm! De jongen kan wel hier blijven en oppassen, totdat ik terugkom, dan zal ik het overige wel wasschen: dat is immers maar een kleinigheid!»En de knieën der waschvrouw knikten.«Ik heb te lang in de koude gestaan; en sedert van morgen heb ik droog noch nat over mijn lippen gehad! De koorts brandt mij door de leden. O, mijn God! help mij om naar huis te gaan!—Mijn arm kind!»—Zij weende. Ook de knaap weende, en al spoedig daarop zat hij alleen aan de rivier bij de natte wasch. De beide vrouwen liepen slechts langzaam voort, de waschvrouw sleepend en waggelend; zij gingen het straatje door en kwamen het huis van den burgemeester voorbij, en vlak daarvoor viel zij op de straatsteenen neer. Er verzamelden zich verscheidene menschen om haar heen: de lamme Martha liep in het huis, om hulp in te roepen. De burgemeester en zijn gasten gingen naar het raam toe.«Dat is de waschvrouw!» zei hij; «die heeft een beetje te diep in het glaasje gekeken; zij deugt niet! ’t Is jammer van den aardigen jongen, dien zij heeft. Ik mag dat kereltje inderdaad graag lijden. Maar zijn moeder deugt niet!»En de waschvrouw kwam weer bij, en men bracht haar in haar armzalige woning, waar zij te bed gelegd werd. De goede Martha maakte wat warm bier met boter en suiker klaar; dit middel, dacht zij, was het beste, en daarop begaf zij zich naar de rivier, waschte heel slecht, maar noemde het goed, en deed eigenlijk niets anders dan de natte wasch in de mand doen.Tegen den avond zat zij in het armoedige kamertje bij de waschvrouw. Eenige gebakken aardappelen en een lekker vet stuk ham had de keukenmeid van den burgemeester haar voor de zieke gegeven; daaraan deden Martha en de knaap zich te goed; de zieke genoot van den heerlijken geur, deze was heel voedzaam, beweerde zij.En de knaap werd te bed gebracht, in dezelfde bedstee, waarin zijn moeder lag; maar hij had zijn plaats aan haar voeten en dekte zich met een oude deken toe.Met de waschvrouw ging het een weinig beter; het warme bier had haar versterkt, en de geur van het heerlijke eten had haar goedgedaan.«Hartelijk dank!» zeide zij tegen Martha. «Ik zal je alles eens vertellen, als de kleine slaapt. Ik geloof, dat hij al in de rust is. Wat ziet hij er lief uit, zooals hij daar met gesloten oogen ligt! Hij weet niet, hoe het met zijn moeder gesteld is. God geve, dat hij dit nimmer te weten kome!—Ik diende bij de ouders van den burgemeester. Eens trof het zoo, dat de jongste der zoons, de student, te huis kwam; destijds was ik nog jong, een jolig meisje, maar eerbaar, dat mag ik voor het aangezicht Gods zeggen!» zei de waschvrouw. «De student was vroolijk en opgeruimd. Iedere droppel bloed aan hem was goed en rechtschapen; een beter mensch is er nooit op aarde geweest. Hij was zoon in huis, ik slechts meid; maar wij hadden elkander lief, doch in alle eer en deugd; een kus is toch geen zonde, als men elkaar waarlijk liefheeft. En hij zei het tegen zijn moeder, wie hij een afgodische liefde toedroeg! En hij was verstandig en liefderijk!—Hij vertrok en stak mij zijn gouden ring aan den vinger; en zoodra hij het huis uit was, riep mijn mevrouw mij binnen. Ernstig en toch liefderijk sprak zij tegen mij, alsof het God zelf was, die tegen mij sprak; zij deed mij den afstand gevoelen, die er tusschen hem en mij bestond.««Nu let hij er slechts op, hoe aardig je er uitziet, maar je schoonheid zal vergaan! Je hebt niet zulk een opvoeding genoten als hij; je staat niet op denzelfden trap van ontwikkeling, en dat is een ongeluk. Ik acht den arme,» zeide zij, «bij God staat hij hooger aangeschreven dan menige rijke, maar hier op aarde moet men er zich voor wachten, in een verkeerd spoor te komen, als men voorwaarts rijdt; anders slaat het rijtuig omver, en je zult beiden omverslaan! Ik weet, dat een braaf man, een handwerksman, om je hand gevraagd heeft; ik bedoel Erich, den handschoenmaker; hij is weduwnaar en heeft geen kinderen, denk daar eens over na!»«Ieder woord, dat zij sprak, sneed mij als een mes door het hart, maar de vrouw had gelijk! En dat drukte loodzwaar op mij!—Ik kuste haar hand en stortte bittere tranen, en weende nog meer, toen ik op mijn kamertje kwam en mij op mijn bed wierp. Het was een pijnlijke nacht, die er nu volgde. God weet, wat ik leed en streed. Op den daaraanvolgenden Zondag ging ik aan de tafel des Heeren, opdat het mij licht zou worden. Het was als een goddelijke beschikking: toen ik de kerk uittrad, kwam Erich mij tegen. En nu bleef er geen twijfel meer in mijn ziel over; wij pasten voor elkaar, wat rang en stand betreft, ja, hij was zelfs een welgesteld man; en ik ging dan ook naar hem toe, greep zijn hand en zei: «Heb je nog zin in mij?»—Ja, eeuwig en altijd!» zei hij.—«Wil je een meisje nemen, dat je acht en eert, maar niet liefheeft,—doch dat kan nog wel komen!»—«Dat zal wel komen!» zei hij, en daarop gaven wij elkaar de hand. Ik ging naar huis naar mijn mevrouw: den gouden ring, dien haar zoon mij gegeven had, droeg ik op mijn hart; ik kon hem overdag niet aan mijn vinger steken, maar deed dit alle avonden, voordat ik te bed ging. Ik kuste den ring, zoodat mijn lippen er van bloedden, en daarop gaf ik dien aan mijn mevrouw en zei tegen haar, dat ik in de volgende week met den handschoenmaker zou gaan trouwen. Toen omhelsde en kuste mijn mevrouw mij;—zij zeide niet, dat ikniet deugde, maar destijds was ik misschien wel beter, ofschoon ik nog niet zooveel ervaring omtrent de ellende, die er in de wereld bestaat, opgedaan had, als nu het geval is. Met Vrouwendag vierden wij de bruiloft; en in het eerste jaar ging het goed, we hadden een knecht en een leerling, en jij, Martha, diendet bij ons.»«O, ge waart een lieve, goede huismoeder!» zei Martha, «nimmer zal ik vergeten, hoe goed gij en uw man voor mij geweest zijt!»«Ja, dat waren destijds de goede jaren, toen je bij ons waart! Kinderen hadden we nog niet!—Den student zag ik niet meer!—Maar ja, ik zag hem toch nog eens, maar hij zag mij niet. Hij was hier bij gelegenheid van de begrafenis zijner moeder. Ik zag hem bij het graf staan; hij zag er doodsbleek uit en was diep bedroefd, maar dat was om zijn moeder; later, toen zijn vader stierf, was hij in vreemde landen en kwam niet weer hier. Hij is nooit getrouwd, dat weet ik; hij werd advocaat, geloof ik!—Mij had hij vergeten, en al had hij mij ook gezien, dan zou hij mij toch zeker niet herkendhebben, zooveel leelijker ben ik geworden. En dat is ook wel goed!»Zij sprak over de dagen der beproeving en vertelde, hoe het ongeluk als ’t ware boven haar losbarstte. «Wij bezaten,» zeide zij, «vijfhonderd daalders, en omdat er destijds in de straat een huis voor tweehonderd te koop was en het de moeite wel zou loonen, dit af te breken en een nieuw te bouwen, werd het gekocht. De metselaar en de timmerman maakten een begrooting, en het nieuwe gebouw zou duizend en twintig daalders kosten. Erich had krediet, het geld leende hij in de hoofdstad,—maar de schipper, die het zou overbrengen, leed schipbreuk, en het geld ging met hem verloren.«Omstreeks dezen tijd bracht ik mijn lieven jongen, die daar slaapt, ter wereld. Mijn man kreeg een hevige langdurige ziekte, drie vierendeel jaars moest ik hem aan- en uitkleeden. Wij gingen gedurig meer achteruit, wij maakten schulden; alles wat wij hadden, ging verloren, en mijn man stierf eindelijk. Ik heb gewerkt, gestreden en geleden, ter wille van mijn kind; ik ben uit schoonmaken gegaan, ik heb voor de menschen gewasschen; maar ik mag het niet beter krijgen; zoo is Gods wil! Maar Hij zal mij wel tot zich nemen en ook mijn zoontje niet verlaten!»Daarop viel zij in slaap.Tegen den morgen voelde zij zich verkwikt en krachtig genoeg, zooals zij meende, om weer aan haar werk te gaan. Zij was weer aan het wasschen gegaan. Daar begon zij eensklaps te beven en viel in onmacht; krampachtig sloeg zij met de handen in de lucht, deed een enkelen stap en viel neer. Haar hoofd lag op het land, maar haar voeten in de rivier; haar klompen, die zij aangehouden had,—in elke daarvan zat een bosje stroo,—dreven met den stroom weg. Zoo vond Martha haar, toen zij haar koffie wilde brengen.Ondertusschen was er iemand van den burgemeester naar haar huis gezonden met de boodschap, «dat zij eens dadelijk bij hem moest komen; want dat hij haar iets te zeggen had.» Het was te laat! Er werd een chirurgijn gehaald, om een aderlating te doen; de waschvrouw was dood.«Zij heeft zich doodgedronken!» zei de burgemeester.In den brief, die hem de tijding van den dood zijns broeders bracht, was de inhoud van het testament meegedeeld, en daarin stond, dat er zeshonderd daalders aan de weduwe van den handschoenmaker waren vermaakt, die vroeger bij zijn ouders gediend had. Zooals men dit het beste vond, moest het geld «bij grootere of kleinere gedeelten aan haar of aan haar kind uitbetaald worden.»«Er heeft zoo wat een vrijage tusschen mijn broeder en haar bestaan,» zei de burgemeester. «Het is goed, dat zij maar dood is; de knaap krijgt nu alles, en ik zal hem bij brave menschen in den kost doen; er kan een flink handwerksman van hem groeien!»—En op deze woorden schonk God zijn zegen.De burgemeester liet den knaap bij zich komen, beloofde, dat hijzich zijner zou aantrekken, en voegde er nog bij, hoe gelukkig het was, dat zijn moeder maar gestorven was: zij deugde niet.Men bracht haar naar het kerkhof, naar het kerkhof der armen; Martha strooide zand op het graf en plantte er een klein rozeboompje op; de knaap stond naast haar.«Mijn lieve moeder!» zei hij, terwijl de tranen hem langs de wangen biggelden. «Is het dan waar? Deugde zij niet?»«Ja, zij deugde wel!» zei de oude meid en sloeg een blik ten hemel. «Ik weet het sedert vele jaren en sedert den laatsten nacht. Ik zeg je, dat zij wel deugde!» En God in den hemel zei het ook,—laat dan de wereld maar zeggen: «Zij deugde niet!»

De onwrikbare tinnen soldaat.Er waren eens vijf-en-twintig tinnen soldaten. Dit waren allemaal broers, want ze waren uit één en denzelfden ouden tinnen lepel gemaakt. Zij hielden hun geweer in den arm en hun hoofd recht; en hun uniform was rood en blauw. Het eerste, wat zij in deze wereld hoorden, toen het deksel van de doos, waarin zij lagen, afgenomen werd, waren de woorden: «Tinnen soldaten!» Dat riep een kleine jongen en hij klapte in de handen; hij had ze gekregen, want het was zijn verjaardag, en hij stelde ze nu op de tafel op. De eene soldaat leek precies op den anderen, slechts één zag er een beetje anders uit: hij had maar één been, want hij was het laatst gegoten, en toen was er geen tin genoeg meer; maar toch stond hij even vast op zijn eene been, als de anderen op hun twee, en juist hij is het, wiens levensloop zoo merkwaardig werd.Op de tafel, waarop zij opgesteld werden, stond nog veel meer ander speelgoed, maar dat, wat het meest in ’t oog viel, was een aardig kasteel van bordpapier. Door de kleine ramen kon men in de zalen zien. Voor het kasteel stonden boompjes rondom een kleinen spiegel, die een vijver moest voorstellen. Zwanen van was zwommen daarop en spiegelden er zich in. Dat was alles heel lief, maar het liefste van alles was toch nog een kleine dame, die middenin de open deur van het kasteel stond; zij was ook van karton gesneden, maar zij had een japon van het witste katoen aan en een kleinen, smallen, blauwen band over den schouder, bij wijze van sjerp; in het midden daarvan prijkte een schitterende ster van klatergoud, die net zoo groot was als haar heele gezicht. De kleine dame strekte haar beide armen uit, want zij was een danseres; en dan lichtte zij haar eene been zoo hoog op, dat de tinnen soldaat niet wist waar het was, en dacht, dat zij, evenals hij, maar één been had.«Dat zou een goede vrouw voor mij zijn!» dacht hij: «maar het is zoo’n deftige dame; zij woont op een kasteel; ik heb maar een doos, en daar wonen we met ons vijf-en-twintigen in; dat is geen plaats voor haar! Maar ik moet toch eens kennis met haar maken!»Daarop legde hij zich, zoo lang als hij was, achter een snuifdoos neer, die op tafel stond; nu kon hij de kleine dame eens goed opnemen, die al door maar op één been bleef staan, zonder dat zij haar evenwicht verloor.Toen het avond werd, kwamen al de andere tinnen soldaten in hun doos, en de menschen in huis gingen te bed. Nu begon het speelgoed allerlei spelletjes te doen. De tinnen soldaten rammelden in de doos; want zij zouden er ook wel bij willen zijn, maar zij konden het deksel niet oplichten. De notenkraker maakte allerlei kromme sprongen, en de griffel danste op de tafel; het was zulk een geweldig leven, dat de kanarievogel er wakker van werd en begon mee te spreken, en wel op rijm. De beide eenigen, die zich niet van hun plaats verroerden, waren de tinnen soldaat en de danseres; zij bleef onbeweeglijk op haar teenen staan en hield haar beide armen uitgestrekt; hij stond even onwrikbaar op zijn eene been; maar zijn oogen wendde hij geen oogenblik van haar af.Nu sloeg de klok twaalf uur en flap! daar sprong het deksel van de snuifdoos af; doch er zat geen snuif in, maar een klein zwart kaboutermannetje.«Tinnen soldaat!» zei het kaboutermannetje, «kijk toch niet naar datgene, wat je niets hoegenaamd aangaat!»Maar de tinnen soldaat deed, alsof hij het niet hoorde.«Ja, wacht maar tot morgen!» zei het kaboutermannetje.Toen nu de volgende dag aanbrak en de kinderen opstonden, werd de tinnen soldaat voor het raam neergezet en, of het nu door het kaboutermannetje of door den tocht kwam, zooveel is zeker, dat het raam openvloog en de soldaat hals over kop van de derde verdieping naar beneden viel. Dat was een verschrikkelijke buiteling. Hij stak zijn eene been juist in de hoogte en bleef op zijn schako met de bajonet tusschen de straatsteenen steken.De dienstmeid en de kleine jongen liepen dadelijk naar beneden om hem te zoeken; maar ofschoon zij bijna op hem trapten, toch zagen zij hem niet. Als de tinnen soldaat maar geroepen had: «Hier ben ik!» dan zouden zij hem wel gevonden hebben; maar hij achtte het ongepast, luid te schreeuwen, omdat hij in uniform was.Nu begon het te regenen, al spoedig vielen de droppels dichter neer; eindelijk werd het een stortregen. Toen deze over was, kwamen er twee straatjongens voorbij.«Kijk!» zei de een, «daar ligt een tinnen soldaat! Dien zullen we in het schuitje laten varen!»Nu maakten zij van een stuk krant een schuitje, zetten den soldaat in het midden daarvan neer, en nu zeilde hij de straatgoot door; de beide jongens liepen er naast en klapten in hun handen. Lieve hemel! Wat gingen de golven in de goot hoog, en welk een stroom was daarin! Maar de regen had het water ook doen wassen. Het papieren schuitje schommelde op en neer, en nu en dan draaide het zoo gezwind om, dat de tinnen soldaat beefde; maar hij bleef onwrikbaar staan, vertrok zijn gezicht niet, hield zijn hoofd recht en zijn geweer in den arm. Eensklaps dreef het schuitje onder een lange brug, die over de goot lag, en nu werd het zoo donker, alsof hij in zijn doos was.«Waar zou ik naar toe gaan?» dacht hij. «Ja, ja, daar is het kaboutermannetjede schuld van. Ach! zat die kleine dame maar bij mij in het schuitje, dan mocht het voor mijn part nog eens zoo donker zijn!»Nu kwam er plotseling een groote waterrot, die onder de brug woonde.«Heb je een pas?» vroeg de rot. «Geef je pas op!»Maar de tinnen soldaat zweeg en hield zijn geweer nog vaster omklemd.Het schuitje dreef verder, en de rot achtervolgde het. Hu! wat liet zij haar tanden zien, en hoe riep zij de houten spaanders en het stroo toe:«Houdt hem vast, houdt hem vast! Hij heeft geen tol betaald! Hij heeft geen pas vertoond!»Maar de stroom werd al sterker en sterker; de tinnen soldaat kon reeds daar, waar de brug ophield, het daglicht zien; maar hij hoorde ook een bruisend geluid, dat wel in staat was om een dapper man schrik aan te jagen. Begrijp eens! De goot liep daar, waar de brug eindigde, in een diepe gracht uit: dat was voor hem even gevaarlijk als voor ons, om op een bruisenden waterstroom voort te drijven.Nu was hij er al zoo dicht bij, dat hij niet meer kon blijven staan. Het schuitje voer de goot uit: de arme tinnen soldaat hield zich zoo stijf, als hij maar kon; niemand zou van hem kunnen zeggen, dat hij ook maar met de oogen geknipt had. Het schuitje draaide een stuk of viermaal in de rondte en was tot aan den rand met water gevuld: het moest nu wel zinken! De tinnen soldaat stond tot aan zijn hals in het water, en al dieper en dieper zonk het schuitje, al meer en meer raakte het papier uit elkaar, nu sloeg het water over het hoofd van den soldaat heen. Thans dacht hij aan de kleine, bevallige danseres, die hij nimmer meer zou zien; en het klonk hem in de ooren:«’t Is met u gedaan, soldaat!De dood staat u te wachten!»Nu raakte het papier geheel los, en de tinnen soldaat stortte naar beneden;—maar onmiddellijk werd hij door een grooten visch ingezwolgen.O, wat was het donker in den buik van dien visch! Het was daar nog donkerder dan onder de brug, die over de goot lag; en dan was het daar erg benauwd. Maar de tinnen soldaat bleef onwrikbaar en lag, zoo lang als hij was, met zijn geweer in den arm.De visch zwom heen en weer; hij maakte de verschrikkelijkste bewegingen; eindelijk werd hij doodstil; het werd weer licht, en een stem riep luide: «De tinnen soldaat!» De visch was gevangen, aan de markt gebracht, verkocht en in de keuken te land gekomen, waar de keukenmeid hem met een groot mes opensneed. Zij pakte den soldaat met haar beide vingers midden om zijn lijf beet en droeg hem naar de kamer, waar allen zulk een merkwaardig man wildenzien, die in de maag van een visch gezeten had; maar de tinnen soldaat was volstrekt niet trotsch. Zij zetten hem op de tafel neer en... o, hoe zonderling kan het toch in de wereld toegaan! De tinnen soldaat was in dezelfde kamer, waar hij vroeger geweest was; hij zag dezelfde kinderen, en hetzelfde speelgoed stond op de tafel: het prachtige kasteel met de kleine danseres. Zij stond nog op één been en hield het andere hoog in de lucht; zij was ook onwrikbaar. Dat trof den tinnen soldaat; het scheelde niet veel, of hij begon tin te weenen, maar dat paste niet. Hij keek haar aan, maar zij zeide niets.Nu nam een der kleine jongens den soldaat en wierp hem in het vuur, zonder dat hij er eenige reden voor had; dat was zeker de schuld van het kaboutermannetje in de snuifdoos.De tinnen soldaat stond daar helder verlicht en voelde een hitte, die verschrikkelijk was; maar of deze van het werkelijke vuur of de liefde kwam, dat wist hij niet. De kleuren waren heelemaal van hem afgegaan; of dat op reis gebeurd was, dan of het verdriet de schuld daarvan was, kon niemand zeggen. Hij keek de kleine dame aan, zij keek hem aan, en hij voelde, dat hij smolt; maar nog stond hij onwrikbaar met het geweer in den arm. Daar ging er eensklaps een deur open, de wind pakte de kleine danseres beet, en nu vloog zij als een luchtnimf in het vuur naar den tinnen soldaat toe, ging in de vlammen op, en weg was zij. Nu smolt de tinnen soldaat tot een klomp, en toen de meid den volgenden dag de asch wegnam, vond zij niets anders dan een klein tinnen hart. Van de danseres daarentegen was niets anders overgebleven dan de ster van klatergoud, die heelemaal zwart van de vlam geworden was.

Er waren eens vijf-en-twintig tinnen soldaten. Dit waren allemaal broers, want ze waren uit één en denzelfden ouden tinnen lepel gemaakt. Zij hielden hun geweer in den arm en hun hoofd recht; en hun uniform was rood en blauw. Het eerste, wat zij in deze wereld hoorden, toen het deksel van de doos, waarin zij lagen, afgenomen werd, waren de woorden: «Tinnen soldaten!» Dat riep een kleine jongen en hij klapte in de handen; hij had ze gekregen, want het was zijn verjaardag, en hij stelde ze nu op de tafel op. De eene soldaat leek precies op den anderen, slechts één zag er een beetje anders uit: hij had maar één been, want hij was het laatst gegoten, en toen was er geen tin genoeg meer; maar toch stond hij even vast op zijn eene been, als de anderen op hun twee, en juist hij is het, wiens levensloop zoo merkwaardig werd.

Op de tafel, waarop zij opgesteld werden, stond nog veel meer ander speelgoed, maar dat, wat het meest in ’t oog viel, was een aardig kasteel van bordpapier. Door de kleine ramen kon men in de zalen zien. Voor het kasteel stonden boompjes rondom een kleinen spiegel, die een vijver moest voorstellen. Zwanen van was zwommen daarop en spiegelden er zich in. Dat was alles heel lief, maar het liefste van alles was toch nog een kleine dame, die middenin de open deur van het kasteel stond; zij was ook van karton gesneden, maar zij had een japon van het witste katoen aan en een kleinen, smallen, blauwen band over den schouder, bij wijze van sjerp; in het midden daarvan prijkte een schitterende ster van klatergoud, die net zoo groot was als haar heele gezicht. De kleine dame strekte haar beide armen uit, want zij was een danseres; en dan lichtte zij haar eene been zoo hoog op, dat de tinnen soldaat niet wist waar het was, en dacht, dat zij, evenals hij, maar één been had.

«Dat zou een goede vrouw voor mij zijn!» dacht hij: «maar het is zoo’n deftige dame; zij woont op een kasteel; ik heb maar een doos, en daar wonen we met ons vijf-en-twintigen in; dat is geen plaats voor haar! Maar ik moet toch eens kennis met haar maken!»

Daarop legde hij zich, zoo lang als hij was, achter een snuifdoos neer, die op tafel stond; nu kon hij de kleine dame eens goed opnemen, die al door maar op één been bleef staan, zonder dat zij haar evenwicht verloor.

Toen het avond werd, kwamen al de andere tinnen soldaten in hun doos, en de menschen in huis gingen te bed. Nu begon het speelgoed allerlei spelletjes te doen. De tinnen soldaten rammelden in de doos; want zij zouden er ook wel bij willen zijn, maar zij konden het deksel niet oplichten. De notenkraker maakte allerlei kromme sprongen, en de griffel danste op de tafel; het was zulk een geweldig leven, dat de kanarievogel er wakker van werd en begon mee te spreken, en wel op rijm. De beide eenigen, die zich niet van hun plaats verroerden, waren de tinnen soldaat en de danseres; zij bleef onbeweeglijk op haar teenen staan en hield haar beide armen uitgestrekt; hij stond even onwrikbaar op zijn eene been; maar zijn oogen wendde hij geen oogenblik van haar af.

Nu sloeg de klok twaalf uur en flap! daar sprong het deksel van de snuifdoos af; doch er zat geen snuif in, maar een klein zwart kaboutermannetje.

«Tinnen soldaat!» zei het kaboutermannetje, «kijk toch niet naar datgene, wat je niets hoegenaamd aangaat!»

Maar de tinnen soldaat deed, alsof hij het niet hoorde.

«Ja, wacht maar tot morgen!» zei het kaboutermannetje.

Toen nu de volgende dag aanbrak en de kinderen opstonden, werd de tinnen soldaat voor het raam neergezet en, of het nu door het kaboutermannetje of door den tocht kwam, zooveel is zeker, dat het raam openvloog en de soldaat hals over kop van de derde verdieping naar beneden viel. Dat was een verschrikkelijke buiteling. Hij stak zijn eene been juist in de hoogte en bleef op zijn schako met de bajonet tusschen de straatsteenen steken.

De dienstmeid en de kleine jongen liepen dadelijk naar beneden om hem te zoeken; maar ofschoon zij bijna op hem trapten, toch zagen zij hem niet. Als de tinnen soldaat maar geroepen had: «Hier ben ik!» dan zouden zij hem wel gevonden hebben; maar hij achtte het ongepast, luid te schreeuwen, omdat hij in uniform was.

Nu begon het te regenen, al spoedig vielen de droppels dichter neer; eindelijk werd het een stortregen. Toen deze over was, kwamen er twee straatjongens voorbij.

«Kijk!» zei de een, «daar ligt een tinnen soldaat! Dien zullen we in het schuitje laten varen!»

Nu maakten zij van een stuk krant een schuitje, zetten den soldaat in het midden daarvan neer, en nu zeilde hij de straatgoot door; de beide jongens liepen er naast en klapten in hun handen. Lieve hemel! Wat gingen de golven in de goot hoog, en welk een stroom was daarin! Maar de regen had het water ook doen wassen. Het papieren schuitje schommelde op en neer, en nu en dan draaide het zoo gezwind om, dat de tinnen soldaat beefde; maar hij bleef onwrikbaar staan, vertrok zijn gezicht niet, hield zijn hoofd recht en zijn geweer in den arm. Eensklaps dreef het schuitje onder een lange brug, die over de goot lag, en nu werd het zoo donker, alsof hij in zijn doos was.

«Waar zou ik naar toe gaan?» dacht hij. «Ja, ja, daar is het kaboutermannetjede schuld van. Ach! zat die kleine dame maar bij mij in het schuitje, dan mocht het voor mijn part nog eens zoo donker zijn!»

Nu kwam er plotseling een groote waterrot, die onder de brug woonde.

«Heb je een pas?» vroeg de rot. «Geef je pas op!»

Maar de tinnen soldaat zweeg en hield zijn geweer nog vaster omklemd.

Het schuitje dreef verder, en de rot achtervolgde het. Hu! wat liet zij haar tanden zien, en hoe riep zij de houten spaanders en het stroo toe:

«Houdt hem vast, houdt hem vast! Hij heeft geen tol betaald! Hij heeft geen pas vertoond!»

Maar de stroom werd al sterker en sterker; de tinnen soldaat kon reeds daar, waar de brug ophield, het daglicht zien; maar hij hoorde ook een bruisend geluid, dat wel in staat was om een dapper man schrik aan te jagen. Begrijp eens! De goot liep daar, waar de brug eindigde, in een diepe gracht uit: dat was voor hem even gevaarlijk als voor ons, om op een bruisenden waterstroom voort te drijven.

Nu was hij er al zoo dicht bij, dat hij niet meer kon blijven staan. Het schuitje voer de goot uit: de arme tinnen soldaat hield zich zoo stijf, als hij maar kon; niemand zou van hem kunnen zeggen, dat hij ook maar met de oogen geknipt had. Het schuitje draaide een stuk of viermaal in de rondte en was tot aan den rand met water gevuld: het moest nu wel zinken! De tinnen soldaat stond tot aan zijn hals in het water, en al dieper en dieper zonk het schuitje, al meer en meer raakte het papier uit elkaar, nu sloeg het water over het hoofd van den soldaat heen. Thans dacht hij aan de kleine, bevallige danseres, die hij nimmer meer zou zien; en het klonk hem in de ooren:

«’t Is met u gedaan, soldaat!De dood staat u te wachten!»

«’t Is met u gedaan, soldaat!

De dood staat u te wachten!»

Nu raakte het papier geheel los, en de tinnen soldaat stortte naar beneden;—maar onmiddellijk werd hij door een grooten visch ingezwolgen.

O, wat was het donker in den buik van dien visch! Het was daar nog donkerder dan onder de brug, die over de goot lag; en dan was het daar erg benauwd. Maar de tinnen soldaat bleef onwrikbaar en lag, zoo lang als hij was, met zijn geweer in den arm.

De visch zwom heen en weer; hij maakte de verschrikkelijkste bewegingen; eindelijk werd hij doodstil; het werd weer licht, en een stem riep luide: «De tinnen soldaat!» De visch was gevangen, aan de markt gebracht, verkocht en in de keuken te land gekomen, waar de keukenmeid hem met een groot mes opensneed. Zij pakte den soldaat met haar beide vingers midden om zijn lijf beet en droeg hem naar de kamer, waar allen zulk een merkwaardig man wildenzien, die in de maag van een visch gezeten had; maar de tinnen soldaat was volstrekt niet trotsch. Zij zetten hem op de tafel neer en... o, hoe zonderling kan het toch in de wereld toegaan! De tinnen soldaat was in dezelfde kamer, waar hij vroeger geweest was; hij zag dezelfde kinderen, en hetzelfde speelgoed stond op de tafel: het prachtige kasteel met de kleine danseres. Zij stond nog op één been en hield het andere hoog in de lucht; zij was ook onwrikbaar. Dat trof den tinnen soldaat; het scheelde niet veel, of hij begon tin te weenen, maar dat paste niet. Hij keek haar aan, maar zij zeide niets.

Nu nam een der kleine jongens den soldaat en wierp hem in het vuur, zonder dat hij er eenige reden voor had; dat was zeker de schuld van het kaboutermannetje in de snuifdoos.

De tinnen soldaat stond daar helder verlicht en voelde een hitte, die verschrikkelijk was; maar of deze van het werkelijke vuur of de liefde kwam, dat wist hij niet. De kleuren waren heelemaal van hem afgegaan; of dat op reis gebeurd was, dan of het verdriet de schuld daarvan was, kon niemand zeggen. Hij keek de kleine dame aan, zij keek hem aan, en hij voelde, dat hij smolt; maar nog stond hij onwrikbaar met het geweer in den arm. Daar ging er eensklaps een deur open, de wind pakte de kleine danseres beet, en nu vloog zij als een luchtnimf in het vuur naar den tinnen soldaat toe, ging in de vlammen op, en weg was zij. Nu smolt de tinnen soldaat tot een klomp, en toen de meid den volgenden dag de asch wegnam, vond zij niets anders dan een klein tinnen hart. Van de danseres daarentegen was niets anders overgebleven dan de ster van klatergoud, die heelemaal zwart van de vlam geworden was.

De gouden schat.De vrouw van den tamboer ging naar de kerk toe, zij zag daar het nieuwe altaar met geschilderde beelden en uitgesneden engelen; zij waren even mooi, die op het doek in kleuren, als de uit hout gesnedene, en deze waren nog bovendien geschilderd en verguld. Hun haar straalde van goud en zonneschijn, prachtig om aan te zien; maar Gods zonneschijn was toch nog prachtiger; deze scheen helderder, rooder door de donkere boomen, als de zon onderging. Hoe heerlijk is het, in Gods aangezicht te staren! Zij keek in de roode zon, en zij dacht daarover zoo ernstig na, en dacht aan den kleine, dien de ooievaar zou brengen; zij was daarbij zeer vroolijk en keek en keek, en wenschte, dat het kind dien zonneglans zou krijgen, of althans op een dier schitterende engelen op het altaar gelijken mocht.En toen zij werkelijk het kleine kind in haar armen hield en het naar zijn vader ophief, toen zag het er uit als een der engelen inde kerk,—zijn haar was als goud; het schijnsel der ondergaande zon fonkelde daarin.«Mijn gouden schat, mijn rijkdom, mijn zonneschijn!» riep de moeder uit en kuste de schitterende lokken; en het klonk als muziek en gezang in de kamer van den tamboer; er heerschten vreugde en geluk. De tamboer sloeg een roffel, een vroolijken roffel. En de trommel, de alarmtrom, die geslagen werd, als er brand was in de stad, zei: «Rood haar! De kleine heeft rood haar! Geloof het trommelvel en niet wat zijn moeder zegt! Rom, bom, bom! Rom, bom, bom!»En de stad herhaalde wat de alarmtrom verteld had.De knaap kwam in de kerk, hij werd gedoopt. Van zijn naam was niets te vertellen; hij werd Peter genoemd. De heele stad, ook de trommel noemde hem Peter, het tamboerszoontje met het roodehaar; maar zijn moeder kuste zijn rood haar en noemde hem haar Gouden schat.In den hollen weg, in de leemachtige helling, hadden velen hun naam ter herinnering ingekrast.«Beroemdheid,» zei de tamboer, «dat is altijd iets!» en daarom kraste hij er ook zijn naam en dien van zijn zoontje in.De zwaluwen kwamen; zij hadden op haar verre reis duurzamer schrift in de klippen en in de muren van de tempels in Hindostan ingehouwen gezien: groote daden van machtige koningen, onsterfelijke namen, zulke oude, dat niemand ze meer kon lezen of noemen.Merkwaardig! Beroemdheid!In den hollen weg bouwden de zwaluwen; zij boorden gaten in de steile helling, de plasregen en de stofregen brokkelden en spoelden de namen weg,—ook die van den tamboer en zijn zoontje.«Peters naam zal toch wel anderhalf jaar blijven staan!» zei de vader.«Gek!» dacht de alarmtrom; maar zij zei slechts: «Rom, bom, bom! Rom, bom, bom!»Het was een jongen vol levenslust, de tamboerszoon met het roode haar. Hij had een liefelijke stem; hij kon zingen, en hij zong ook als de vogels in het bosch. Er was melodie en toch ook geen melodie in.«Hij moet koorjongen worden,» zei zijn moeder, «in de kerk zingen en daar onder de mooie, vergulde engelen staan, die op hem gelijken!»«Roodkop!» zeiden de menschen in de stad. De trommel hoorde dit van de buurvrouwen.«Ga niet naar huis toe, Peter!» riepen de straatjongens. «Als je in het benedenhuis slaapt, dan is er brand op de bovenverdieping, en dan wordt de alarmtrom geroerd!»«Neem jelui je maar voor de trommelstokken in acht!» zei Peter; en hoe klein hij ook was, toch snelde hij moedig op hen los en sloeg met zijn vuist den eerste den beste voor het lijf, zoodat de plager zijn beenen verloor, en de anderen namen de beenen met zich mee, hun eigen beenen namelijk.De stadsmuziekmeester was heel deftig en voornaam; hij was de zoon van een koninklijken zilverpoetser; hij mocht Peter graag lijden, nam hem van tijd tot tijd met zich mee naar huis, gaf hem een viool en leerde hem daarop spelen; het was, alsof het den knaap in de vingers zat, hij wilde stadsmuziekmeester worden.«Soldaat wil ik ook worden!» zei Peter, want hij was nog een kleine jongen, en het scheen hem het heerlijkste toe, wat er bestond, een geweer te kunnen dragen en zóó te kunnen loopen: «Een, twee! Een, twee!» en uniform en sabel te dragen.«Leer maar naar het trommelvel verlangen, rom, bom, bom! Kom, kom!» zei de trommel.«Ja, als hij tot den rang van generaal kon opklimmen,» zei zijn vader; «maar daarvoor moet het oorlog worden.»«Dat verhoede God!» zei zijn moeder.«Wij hebben niets te verliezen!» zei zijn vader.«Wij kunnen onzen jongen toch wel verliezen!» zeide zij.«Maar als hij nu eens als generaal terugkomt?» zei zijn vader.«Zonder armen of beenen!» zei zijn moeder. «Neen, liever wil ik mijn gouden schat heel houden.»«Rom, bom, bom!» De alarmtrom werd geroerd, alle trommels werden geroerd. Het was oorlog. De soldaten rukten op, en de zoon van den tamboer volgde: «Roodkop! Gouden schat!» Zijn moeder weende; zijn vader zag hem in gedachten «beroemd;» de stadsmuziekmeester beweerde, dat hij niet ten strijde moest trekken, maar zich bij de muziek in zijn vaderstad houden.«Roodkop!» zeiden de soldaten, en Peter lachte; maar ook zei de een na den ander: «Vossekop!» Toen beet hij zich op de lippen en keek een anderen kant uit—de wijde wereld in; hij bekommerde zich om den scheldnaam niet.Flink was de jongen, vroolijk van aard, goed van humeur; «en dat is de beste veldflesch,» zeiden zijn oude kameraden.En menigen nacht moest hij in plasregen en stofregen, tot op zijn hemd doornat, onder den blooten hemel liggen, maar zijn goede luim begaf hem niet, de trommelstokken sloegen: «Rom, bom, bom! Allemaal op!» Ja, hij was zeker voor tamboer in de wieg gelegd.De dag van den veldslag brak aan; de zon was nog niet opgegaan, en de morgen was aangebroken: de lucht was koud, het gevecht heet; er dreven nevelen aan de lucht, maar het was meer de kruitdamp. De kogels en de granaten vlogen over de hoofden en ook in de hoofden, in de borsten en de overige ledematen; maar voorwaarts ging het. De een na den ander zeeg bewusteloos neer met bloedende slapen, met een doodsbleek gezicht. De kleine tamboer had zijn gezonde kleur nog; hij had geen schade geleden; hij keek nog met een even vergenoegd gezicht den regimentshond achterna, die voor hem uitsprong, zóó vergenoegd, alsof alles maar een grap was en alsof de kogels slechts voor hem neervielen, om daarmee te spelen.«Marsch! Voorwaarts! Marsch!» waren de kommandowoorden voor de trommels; en deze woorden beteekenden niet: «Terugwijken!» maar zij konden terugtrekken, en daarin kon veel verstand liggen; en nu werd er gezegd: «Terug!» en daar sloeg de kleine tamboer: «Marsch! Voorwaarts!» hij had het bevel zóó opgevat; de soldaten gehoorzaamden aan het trommelvel. Dat was een goede trommelslag en hij schonk hun, die reeds aan het wijken waren, de overwinning.Lichamen en ledematen gingen er in den slag verloren. Granaten rukten het vleesch in bloedige stukken weg; granaten deden de hoopen stroo, werwaarts de gekwetsten zich voortgesleept hadden, om daar vele uren verlaten te liggen, verlaten misschien voor hun leven, in heldere vlammen opgaan.Het geeft niets, daaraan te denken, en toch denkt men daaraan, zelfs ver van daar, in de vreedzame stad; ook de tamboer en zijn vrouw dachten daaraan; Peter was immers ten strijde getrokken.«Nu ben ik het klagen moede!» zei de alarmtrom.Weer begon er een dag, waarop er een gevecht zou geleverd worden; de zon was nog niet opgegaan, maar het was morgen. De tamboer en zijn vrouw sliepen, zij hadden over hun zoon gesproken; dat deden zij iederen avond; hij was immers op het slagveld—«in Gods hand.» En zijn vader droomde, dat de oorlog geëindigd was, dat de soldaten naar het vaderland teruggekeerd waren en dat Peter een zilveren kruis op de borst droeg; maar zijn moeder droomde, dat zij naar de kerk gegaan was en de geschilderde beelden en de uitgesnedene engelen met het vergulde haar gezien had; en haareigen, teerbeminde zoon, de gouden schat haars harten, had midden onder de engelen gestaan en zoo heerlijk gezongen, als zeker slechts de engelen zingen kunnen, en had zich met hen in den zonneschijn verheven en zijn moeder zoo vol liefde toegeknikt.«Mijn gouden schat!» riep zij uit en werd wakker. «Nu heeft God onze Heer hem tot zich genomen!» Zij vouwde haar handen, legde haar hoofd tegen het katoenen bedgordijn aan en weende.«Waar rust hij nu onder die velen in het graf, dat zij voor de dooden gegraven hebben? Misschien wel in het diepe moeras! Niemand kent zijn graf! Er is geen woord Gods daar boven gelezen!»En het «Onze Vader» kwam nauw hoorbaar over haar lippen; zij boog het hoofd voorover, zij was zoo moede, zij viel in slaap.De dagen gingen voorbij, in het leven zoowel als in de droomen!Het was avond; er stond een regenboog aan de lucht, die het bosch en het diepe moeras aanraakte.Men zegt, en het is in het volksgeloof bewaard gebleven: waar de regenboog de aarde aanraakt, daar ligt een schat begraven, een gouden schat; en hier—lag er een; niemand, behalve zijn moeder, dacht aan den kleinen tamboer, en daarom droomde zij van hem.De dagen gingen voorbij, in het leven zoowel als in de droomen!Geen haar op zijn hoofd was er gekrenkt geworden.«Rom, bom, bom! Rom, bom, bom! Dat is hij! Dat is hij!» zou de trommel gezegd en zijn moeder gezongen hebben, als zij dat gezien of gedroomd had.Met gejuich en gezang, met groene zegekransen versierd, keerde men naar het vaderland terug, daar de oorlog geëindigd en de vrede gesloten was. De regimentshond liep vooruit en maakte allerlei kromme sprongen, om zich den weg als ’t ware driemaal zoolang te maken, als hij was.Weken verliepen er en de dagen tevens, en Peter trad de kamer van zijn ouders binnen; hij was zoo bruin als een wilde, zijn oogen keken fonkelend in de rondte, zijn gezicht straalde als zonneschijn. En zijn moeder klemde hem in haar armen; zij kuste hem op zijnmond, op zijn oogen, op zijn rood haar. Zij had haar jongen nu immers terug; hij droeg wel geen zilveren kruis op de borst, zooals zijn vader gedroomd had, maar hij had heele ledematen, wat zijn moeder niet gedroomd had. En dat was een vreugde; zij lachten en weenden. En Peter omhelsde de oude alarmtrom.«Daar staat de oude trommel nog!» zei hij.En zijn vader sloeg daarop een roffel.«Het is bijna, alsof er hier een hevige brand was,» zei de alarmtrom. «Heldere dag! Vuur in het hart! Gouden schat!»En nu? Ja, wat nu? Vraag het maar aan den stadsmuziekmeester.«Peter groeit de trommel heelemaal boven ’t hoofd,» zei hij; «Peter wordt grooter dan ik!» En hij was toch de zoon van een koninklijken zilverpoetser; maar alles, wat hij in een half menschenleven geleerd had, leerde Peter in een half jaar.Er was iets vroolijks in hem, zoo iets innerlijk goedhartigs. Zijn oogen fonkelden en zijn haar was rood,—dat viel niet te ontkennen.«Hij moet zijn haar laten verven!» zei de buurvrouw. «Dat is de dochter van den politie-commissaris uitstekend gelukt; en—zij raakte verloofd.»«Maar het werd immers al spoedig daarop weer even groen als erwtensoep, en het moet telkens weer geverfd worden!»«Zij weet zich te helpen,» zei de buurvrouw, «en dat kan Peter ook. Hij komt in de voornaamste huizen, zelfs in dat van den burgemeester, waar hij aan juffrouw Lotje les op de piano geeft.»Spelen kon hij, ja, de prachtigste stukken, die nog op geen muziekblad geschreven waren, kon hij uit zijn hoofd spelen.Hij speelde in heldere nachten en ook in donkere. Dat was niet om uit te houden, zei de buurvrouw, en de alarmtrom stemde daarmee in.Hij speelde, zoodat zijn gedachten zich verhieven en er groote plannen voor de toekomst bij hem oprezen:«Beroemdheid!»En Lotje van den burgemeester zat voor de piano; haar fijne vingers dansten over de toetsen heen, zoodat het in Peters hart weerklank vond; het was, alsof hem dat al te veel werd, en dat gebeurde niet eenmaal, maar vele malen, en nu greep hij op zekeren dag de fijne vingers en de fraai gevormde hand en kuste haar, en keek haar in de groote bruine oogen; God weet, wat hij zeide, maar aan ons staat het vrij, er naar te raden. Lotje werd tot achter haar ooren rood en antwoordde geen enkel woord;—nu kwam er een vreemde in de kamer, de zoon van den staatsraad; deze had een hoog, blank voorhoofd en hield het hoofd trotsch omhoog. En Peter zat lang bij haar, en zij keek hem met vriendelijke blikken aan.Toen hij ’s avonds thuis gekomen was, sprak hij over de wijde wereld en over den schat, die er voor hem in zijn viool verborgen lag.Beroemdheid!«Rom, bom, bom! Rom, bom, bom!» zei de alarmtrom. «Nu is het met Peter over het dolle heen! Ik geloof, dat er brand in huis is.»Den volgenden dag ging zijn moeder naar de markt toe.«Wil ik je eens een nieuwtje vertellen, Peter!» zeide zij, toen zij terugkwam, «het is een goed nieuwtje! Lotje van den burgemeester is met den zoon van den staatsraad verloofd; het engagement is er gisteren doorgegaan.»«Neen!» zei Peter en sprong van zijn stoel op. Maar zijn moeder zei: «Ja!» Zij wist het van de barbiersvrouw, wier man het uit den eigen mond van den burgemeester gehoord had.En Peter werd zoo wit als een doek en viel op een stoel neer.«Mijn hemel! Wat scheelt er aan?» vroeg zijn moeder.«Al genoeg, al genoeg! Laat mij maar met rust!» zeide hij, en de tranen liepen hem over de wangen.«Mijn lieve kind, mijn gouden schat!» riep zijn moeder uit en weende; maar de alarmtrom zong, niet uitwendig, maar inwendig:««Lot is dood! Lot is dood!» Ja, nu is het lied uit!»Het lied was niet uit; het had nog vele coupletten, lange coupletten, de allerschoonste, den gouden schat eens levens.«Zij gedraagt zich als een gekkin!» zei de buurvrouw. «De heele wereld moet de brieven, die zij van haar gouden schat krijgt, lezen en ook nog hooren, wat de kranten van hem en van zijn viool zeggen. En geld zendt hij haar ook; dat kan zij heel goed gebruiken, nu zij weduwe is.»«Hij speelt voor keizers en koningen.» zei de stadsmuziekmeester. «Mij is dit geluk nooit te beurt gevallen, maar hij is mijn leerling en vergeet zijn ouden leermeester niet.»«Zijn vader droomde eens,» zei zijn moeder, «dat Peter met het zilveren kruis op de borst uit den oorlog teruggekeerd was; hijkreeg het in den oorlog niet, maar het is nog moeilijker het zoo te krijgen! Nu heeft hij het ridderkruis! Dit moest zijn vader eens beleefd hebben!»«Beroemd!» zei de alarmtrom, en zijn vaderstad zei dit ook: de tamboerszoon, Peter met het roode haar, Peter, dien men als kleinen jongen op klompen had zien loopen, dien men als tamboer gekend had, en die bij het dansen speelde,—beroemd!«Hij speelde bij ons, nog voordat hij voor koningen gespeeld heeft!» zei de vrouw van den burgemeester. «Destijds was hij op Lotje verliefd; hij keek altijd hoog op! Mijn eigen man lachte er over, toen hij van die dwaasheid hoorde! Nu is Lotje de vrouw van den staatsraad!»Er was een gouden schat in het hart en in de ziel van het arme kind gelegd, dat als kleine tamboer: «Marsch! Voorwaarts!» sloeg, den roffel der overwinning voor hen, die op het punt stonden om terug te wijken. Er lag een gouden schat in zijn borst,—de macht der tonen; het bruiste uit de viool, alsof er een geheel orgel in zat; men hoorde den slag van den lijster en de volle heldere stem van den mensch; daarom trok hij met verrukking door de harten en droeg zijn naam door het geheele land. Dat was een groote brand,—de brand der geestdrift.«En dan ziet hij er ook zoo prachtig uit!» zeiden de jonge dames en ook de oude; ja, de alleroudste schafte zich een album voor beroemde haarlokken aan, alleen maar om een lok van dat weelderige, prachtige hoofdhaar, dezen schat, dezen gouden schat te kunnen vragen.De zoon trad de armoedige kamer van den tamboer binnen, keurig gekleed als een prins, gelukkiger dan een koning. Zijn oogen waren zoo helder, zijn gezicht als zonneschijn. Hij hield zijn moeder in de armen; zij drukte hem een kus op den mond en weende zoo gelukkig, als men slechts van blijdschap kan weenen; en hij knikte ieder oud meubel in de kamer toe, de kast met de theekopjes en de bloemvaas; hij knikte de krib toe, waarin hij als kleine jongen geslapen had; maar hij haalde de oude alarmtrom te voorschijn, zette haar midden in de kamer neer en zei tegen zijn moeder:«Vader zou vandaag een roffel geslagen hebben. Dat moet ik nu doen!»En hij sloeg een duchtigen roffel op de trommel, en deze gevoelde zich daardoor zoozeer vereerd, dat zij haar eigen trommelvel scheurde.«Hij heeft een heerlijken vuistslag!» zei de trommel. «Nu heb ik van hem voor altijd een herinnering! Ik denk wel, dat zijn moeder ook van blijdschap over haargouden schatzal barsten.»Dat is de geschiedenis van den gouden schat.

De vrouw van den tamboer ging naar de kerk toe, zij zag daar het nieuwe altaar met geschilderde beelden en uitgesneden engelen; zij waren even mooi, die op het doek in kleuren, als de uit hout gesnedene, en deze waren nog bovendien geschilderd en verguld. Hun haar straalde van goud en zonneschijn, prachtig om aan te zien; maar Gods zonneschijn was toch nog prachtiger; deze scheen helderder, rooder door de donkere boomen, als de zon onderging. Hoe heerlijk is het, in Gods aangezicht te staren! Zij keek in de roode zon, en zij dacht daarover zoo ernstig na, en dacht aan den kleine, dien de ooievaar zou brengen; zij was daarbij zeer vroolijk en keek en keek, en wenschte, dat het kind dien zonneglans zou krijgen, of althans op een dier schitterende engelen op het altaar gelijken mocht.

En toen zij werkelijk het kleine kind in haar armen hield en het naar zijn vader ophief, toen zag het er uit als een der engelen inde kerk,—zijn haar was als goud; het schijnsel der ondergaande zon fonkelde daarin.

«Mijn gouden schat, mijn rijkdom, mijn zonneschijn!» riep de moeder uit en kuste de schitterende lokken; en het klonk als muziek en gezang in de kamer van den tamboer; er heerschten vreugde en geluk. De tamboer sloeg een roffel, een vroolijken roffel. En de trommel, de alarmtrom, die geslagen werd, als er brand was in de stad, zei: «Rood haar! De kleine heeft rood haar! Geloof het trommelvel en niet wat zijn moeder zegt! Rom, bom, bom! Rom, bom, bom!»

En de stad herhaalde wat de alarmtrom verteld had.

De knaap kwam in de kerk, hij werd gedoopt. Van zijn naam was niets te vertellen; hij werd Peter genoemd. De heele stad, ook de trommel noemde hem Peter, het tamboerszoontje met het roodehaar; maar zijn moeder kuste zijn rood haar en noemde hem haar Gouden schat.

In den hollen weg, in de leemachtige helling, hadden velen hun naam ter herinnering ingekrast.

«Beroemdheid,» zei de tamboer, «dat is altijd iets!» en daarom kraste hij er ook zijn naam en dien van zijn zoontje in.

De zwaluwen kwamen; zij hadden op haar verre reis duurzamer schrift in de klippen en in de muren van de tempels in Hindostan ingehouwen gezien: groote daden van machtige koningen, onsterfelijke namen, zulke oude, dat niemand ze meer kon lezen of noemen.

Merkwaardig! Beroemdheid!

In den hollen weg bouwden de zwaluwen; zij boorden gaten in de steile helling, de plasregen en de stofregen brokkelden en spoelden de namen weg,—ook die van den tamboer en zijn zoontje.

«Peters naam zal toch wel anderhalf jaar blijven staan!» zei de vader.

«Gek!» dacht de alarmtrom; maar zij zei slechts: «Rom, bom, bom! Rom, bom, bom!»

Het was een jongen vol levenslust, de tamboerszoon met het roode haar. Hij had een liefelijke stem; hij kon zingen, en hij zong ook als de vogels in het bosch. Er was melodie en toch ook geen melodie in.

«Hij moet koorjongen worden,» zei zijn moeder, «in de kerk zingen en daar onder de mooie, vergulde engelen staan, die op hem gelijken!»

«Roodkop!» zeiden de menschen in de stad. De trommel hoorde dit van de buurvrouwen.

«Ga niet naar huis toe, Peter!» riepen de straatjongens. «Als je in het benedenhuis slaapt, dan is er brand op de bovenverdieping, en dan wordt de alarmtrom geroerd!»

«Neem jelui je maar voor de trommelstokken in acht!» zei Peter; en hoe klein hij ook was, toch snelde hij moedig op hen los en sloeg met zijn vuist den eerste den beste voor het lijf, zoodat de plager zijn beenen verloor, en de anderen namen de beenen met zich mee, hun eigen beenen namelijk.

De stadsmuziekmeester was heel deftig en voornaam; hij was de zoon van een koninklijken zilverpoetser; hij mocht Peter graag lijden, nam hem van tijd tot tijd met zich mee naar huis, gaf hem een viool en leerde hem daarop spelen; het was, alsof het den knaap in de vingers zat, hij wilde stadsmuziekmeester worden.

«Soldaat wil ik ook worden!» zei Peter, want hij was nog een kleine jongen, en het scheen hem het heerlijkste toe, wat er bestond, een geweer te kunnen dragen en zóó te kunnen loopen: «Een, twee! Een, twee!» en uniform en sabel te dragen.

«Leer maar naar het trommelvel verlangen, rom, bom, bom! Kom, kom!» zei de trommel.

«Ja, als hij tot den rang van generaal kon opklimmen,» zei zijn vader; «maar daarvoor moet het oorlog worden.»

«Dat verhoede God!» zei zijn moeder.

«Wij hebben niets te verliezen!» zei zijn vader.

«Wij kunnen onzen jongen toch wel verliezen!» zeide zij.

«Maar als hij nu eens als generaal terugkomt?» zei zijn vader.

«Zonder armen of beenen!» zei zijn moeder. «Neen, liever wil ik mijn gouden schat heel houden.»

«Rom, bom, bom!» De alarmtrom werd geroerd, alle trommels werden geroerd. Het was oorlog. De soldaten rukten op, en de zoon van den tamboer volgde: «Roodkop! Gouden schat!» Zijn moeder weende; zijn vader zag hem in gedachten «beroemd;» de stadsmuziekmeester beweerde, dat hij niet ten strijde moest trekken, maar zich bij de muziek in zijn vaderstad houden.

«Roodkop!» zeiden de soldaten, en Peter lachte; maar ook zei de een na den ander: «Vossekop!» Toen beet hij zich op de lippen en keek een anderen kant uit—de wijde wereld in; hij bekommerde zich om den scheldnaam niet.

Flink was de jongen, vroolijk van aard, goed van humeur; «en dat is de beste veldflesch,» zeiden zijn oude kameraden.

En menigen nacht moest hij in plasregen en stofregen, tot op zijn hemd doornat, onder den blooten hemel liggen, maar zijn goede luim begaf hem niet, de trommelstokken sloegen: «Rom, bom, bom! Allemaal op!» Ja, hij was zeker voor tamboer in de wieg gelegd.

De dag van den veldslag brak aan; de zon was nog niet opgegaan, en de morgen was aangebroken: de lucht was koud, het gevecht heet; er dreven nevelen aan de lucht, maar het was meer de kruitdamp. De kogels en de granaten vlogen over de hoofden en ook in de hoofden, in de borsten en de overige ledematen; maar voorwaarts ging het. De een na den ander zeeg bewusteloos neer met bloedende slapen, met een doodsbleek gezicht. De kleine tamboer had zijn gezonde kleur nog; hij had geen schade geleden; hij keek nog met een even vergenoegd gezicht den regimentshond achterna, die voor hem uitsprong, zóó vergenoegd, alsof alles maar een grap was en alsof de kogels slechts voor hem neervielen, om daarmee te spelen.

«Marsch! Voorwaarts! Marsch!» waren de kommandowoorden voor de trommels; en deze woorden beteekenden niet: «Terugwijken!» maar zij konden terugtrekken, en daarin kon veel verstand liggen; en nu werd er gezegd: «Terug!» en daar sloeg de kleine tamboer: «Marsch! Voorwaarts!» hij had het bevel zóó opgevat; de soldaten gehoorzaamden aan het trommelvel. Dat was een goede trommelslag en hij schonk hun, die reeds aan het wijken waren, de overwinning.

Lichamen en ledematen gingen er in den slag verloren. Granaten rukten het vleesch in bloedige stukken weg; granaten deden de hoopen stroo, werwaarts de gekwetsten zich voortgesleept hadden, om daar vele uren verlaten te liggen, verlaten misschien voor hun leven, in heldere vlammen opgaan.

Het geeft niets, daaraan te denken, en toch denkt men daaraan, zelfs ver van daar, in de vreedzame stad; ook de tamboer en zijn vrouw dachten daaraan; Peter was immers ten strijde getrokken.

«Nu ben ik het klagen moede!» zei de alarmtrom.

Weer begon er een dag, waarop er een gevecht zou geleverd worden; de zon was nog niet opgegaan, maar het was morgen. De tamboer en zijn vrouw sliepen, zij hadden over hun zoon gesproken; dat deden zij iederen avond; hij was immers op het slagveld—«in Gods hand.» En zijn vader droomde, dat de oorlog geëindigd was, dat de soldaten naar het vaderland teruggekeerd waren en dat Peter een zilveren kruis op de borst droeg; maar zijn moeder droomde, dat zij naar de kerk gegaan was en de geschilderde beelden en de uitgesnedene engelen met het vergulde haar gezien had; en haareigen, teerbeminde zoon, de gouden schat haars harten, had midden onder de engelen gestaan en zoo heerlijk gezongen, als zeker slechts de engelen zingen kunnen, en had zich met hen in den zonneschijn verheven en zijn moeder zoo vol liefde toegeknikt.

«Mijn gouden schat!» riep zij uit en werd wakker. «Nu heeft God onze Heer hem tot zich genomen!» Zij vouwde haar handen, legde haar hoofd tegen het katoenen bedgordijn aan en weende.

«Waar rust hij nu onder die velen in het graf, dat zij voor de dooden gegraven hebben? Misschien wel in het diepe moeras! Niemand kent zijn graf! Er is geen woord Gods daar boven gelezen!»

En het «Onze Vader» kwam nauw hoorbaar over haar lippen; zij boog het hoofd voorover, zij was zoo moede, zij viel in slaap.

De dagen gingen voorbij, in het leven zoowel als in de droomen!

Het was avond; er stond een regenboog aan de lucht, die het bosch en het diepe moeras aanraakte.

Men zegt, en het is in het volksgeloof bewaard gebleven: waar de regenboog de aarde aanraakt, daar ligt een schat begraven, een gouden schat; en hier—lag er een; niemand, behalve zijn moeder, dacht aan den kleinen tamboer, en daarom droomde zij van hem.

De dagen gingen voorbij, in het leven zoowel als in de droomen!

Geen haar op zijn hoofd was er gekrenkt geworden.

«Rom, bom, bom! Rom, bom, bom! Dat is hij! Dat is hij!» zou de trommel gezegd en zijn moeder gezongen hebben, als zij dat gezien of gedroomd had.

Met gejuich en gezang, met groene zegekransen versierd, keerde men naar het vaderland terug, daar de oorlog geëindigd en de vrede gesloten was. De regimentshond liep vooruit en maakte allerlei kromme sprongen, om zich den weg als ’t ware driemaal zoolang te maken, als hij was.

Weken verliepen er en de dagen tevens, en Peter trad de kamer van zijn ouders binnen; hij was zoo bruin als een wilde, zijn oogen keken fonkelend in de rondte, zijn gezicht straalde als zonneschijn. En zijn moeder klemde hem in haar armen; zij kuste hem op zijnmond, op zijn oogen, op zijn rood haar. Zij had haar jongen nu immers terug; hij droeg wel geen zilveren kruis op de borst, zooals zijn vader gedroomd had, maar hij had heele ledematen, wat zijn moeder niet gedroomd had. En dat was een vreugde; zij lachten en weenden. En Peter omhelsde de oude alarmtrom.

«Daar staat de oude trommel nog!» zei hij.

En zijn vader sloeg daarop een roffel.

«Het is bijna, alsof er hier een hevige brand was,» zei de alarmtrom. «Heldere dag! Vuur in het hart! Gouden schat!»

En nu? Ja, wat nu? Vraag het maar aan den stadsmuziekmeester.

«Peter groeit de trommel heelemaal boven ’t hoofd,» zei hij; «Peter wordt grooter dan ik!» En hij was toch de zoon van een koninklijken zilverpoetser; maar alles, wat hij in een half menschenleven geleerd had, leerde Peter in een half jaar.

Er was iets vroolijks in hem, zoo iets innerlijk goedhartigs. Zijn oogen fonkelden en zijn haar was rood,—dat viel niet te ontkennen.

«Hij moet zijn haar laten verven!» zei de buurvrouw. «Dat is de dochter van den politie-commissaris uitstekend gelukt; en—zij raakte verloofd.»

«Maar het werd immers al spoedig daarop weer even groen als erwtensoep, en het moet telkens weer geverfd worden!»

«Zij weet zich te helpen,» zei de buurvrouw, «en dat kan Peter ook. Hij komt in de voornaamste huizen, zelfs in dat van den burgemeester, waar hij aan juffrouw Lotje les op de piano geeft.»

Spelen kon hij, ja, de prachtigste stukken, die nog op geen muziekblad geschreven waren, kon hij uit zijn hoofd spelen.

Hij speelde in heldere nachten en ook in donkere. Dat was niet om uit te houden, zei de buurvrouw, en de alarmtrom stemde daarmee in.

Hij speelde, zoodat zijn gedachten zich verhieven en er groote plannen voor de toekomst bij hem oprezen:

«Beroemdheid!»

En Lotje van den burgemeester zat voor de piano; haar fijne vingers dansten over de toetsen heen, zoodat het in Peters hart weerklank vond; het was, alsof hem dat al te veel werd, en dat gebeurde niet eenmaal, maar vele malen, en nu greep hij op zekeren dag de fijne vingers en de fraai gevormde hand en kuste haar, en keek haar in de groote bruine oogen; God weet, wat hij zeide, maar aan ons staat het vrij, er naar te raden. Lotje werd tot achter haar ooren rood en antwoordde geen enkel woord;—nu kwam er een vreemde in de kamer, de zoon van den staatsraad; deze had een hoog, blank voorhoofd en hield het hoofd trotsch omhoog. En Peter zat lang bij haar, en zij keek hem met vriendelijke blikken aan.

Toen hij ’s avonds thuis gekomen was, sprak hij over de wijde wereld en over den schat, die er voor hem in zijn viool verborgen lag.

Beroemdheid!

«Rom, bom, bom! Rom, bom, bom!» zei de alarmtrom. «Nu is het met Peter over het dolle heen! Ik geloof, dat er brand in huis is.»

Den volgenden dag ging zijn moeder naar de markt toe.

«Wil ik je eens een nieuwtje vertellen, Peter!» zeide zij, toen zij terugkwam, «het is een goed nieuwtje! Lotje van den burgemeester is met den zoon van den staatsraad verloofd; het engagement is er gisteren doorgegaan.»

«Neen!» zei Peter en sprong van zijn stoel op. Maar zijn moeder zei: «Ja!» Zij wist het van de barbiersvrouw, wier man het uit den eigen mond van den burgemeester gehoord had.

En Peter werd zoo wit als een doek en viel op een stoel neer.

«Mijn hemel! Wat scheelt er aan?» vroeg zijn moeder.

«Al genoeg, al genoeg! Laat mij maar met rust!» zeide hij, en de tranen liepen hem over de wangen.

«Mijn lieve kind, mijn gouden schat!» riep zijn moeder uit en weende; maar de alarmtrom zong, niet uitwendig, maar inwendig:

««Lot is dood! Lot is dood!» Ja, nu is het lied uit!»

Het lied was niet uit; het had nog vele coupletten, lange coupletten, de allerschoonste, den gouden schat eens levens.

«Zij gedraagt zich als een gekkin!» zei de buurvrouw. «De heele wereld moet de brieven, die zij van haar gouden schat krijgt, lezen en ook nog hooren, wat de kranten van hem en van zijn viool zeggen. En geld zendt hij haar ook; dat kan zij heel goed gebruiken, nu zij weduwe is.»

«Hij speelt voor keizers en koningen.» zei de stadsmuziekmeester. «Mij is dit geluk nooit te beurt gevallen, maar hij is mijn leerling en vergeet zijn ouden leermeester niet.»

«Zijn vader droomde eens,» zei zijn moeder, «dat Peter met het zilveren kruis op de borst uit den oorlog teruggekeerd was; hijkreeg het in den oorlog niet, maar het is nog moeilijker het zoo te krijgen! Nu heeft hij het ridderkruis! Dit moest zijn vader eens beleefd hebben!»

«Beroemd!» zei de alarmtrom, en zijn vaderstad zei dit ook: de tamboerszoon, Peter met het roode haar, Peter, dien men als kleinen jongen op klompen had zien loopen, dien men als tamboer gekend had, en die bij het dansen speelde,—beroemd!

«Hij speelde bij ons, nog voordat hij voor koningen gespeeld heeft!» zei de vrouw van den burgemeester. «Destijds was hij op Lotje verliefd; hij keek altijd hoog op! Mijn eigen man lachte er over, toen hij van die dwaasheid hoorde! Nu is Lotje de vrouw van den staatsraad!»

Er was een gouden schat in het hart en in de ziel van het arme kind gelegd, dat als kleine tamboer: «Marsch! Voorwaarts!» sloeg, den roffel der overwinning voor hen, die op het punt stonden om terug te wijken. Er lag een gouden schat in zijn borst,—de macht der tonen; het bruiste uit de viool, alsof er een geheel orgel in zat; men hoorde den slag van den lijster en de volle heldere stem van den mensch; daarom trok hij met verrukking door de harten en droeg zijn naam door het geheele land. Dat was een groote brand,—de brand der geestdrift.

«En dan ziet hij er ook zoo prachtig uit!» zeiden de jonge dames en ook de oude; ja, de alleroudste schafte zich een album voor beroemde haarlokken aan, alleen maar om een lok van dat weelderige, prachtige hoofdhaar, dezen schat, dezen gouden schat te kunnen vragen.

De zoon trad de armoedige kamer van den tamboer binnen, keurig gekleed als een prins, gelukkiger dan een koning. Zijn oogen waren zoo helder, zijn gezicht als zonneschijn. Hij hield zijn moeder in de armen; zij drukte hem een kus op den mond en weende zoo gelukkig, als men slechts van blijdschap kan weenen; en hij knikte ieder oud meubel in de kamer toe, de kast met de theekopjes en de bloemvaas; hij knikte de krib toe, waarin hij als kleine jongen geslapen had; maar hij haalde de oude alarmtrom te voorschijn, zette haar midden in de kamer neer en zei tegen zijn moeder:

«Vader zou vandaag een roffel geslagen hebben. Dat moet ik nu doen!»

En hij sloeg een duchtigen roffel op de trommel, en deze gevoelde zich daardoor zoozeer vereerd, dat zij haar eigen trommelvel scheurde.

«Hij heeft een heerlijken vuistslag!» zei de trommel. «Nu heb ik van hem voor altijd een herinnering! Ik denk wel, dat zijn moeder ook van blijdschap over haargouden schatzal barsten.»Dat is de geschiedenis van den gouden schat.

De droom van den ouden eik.In het bosch, hoog op den steilen oever, vlak bij de zeekust, stond een heel oude eik. Hij was driehonderd vijf-en-zestig jaren oud; maar die lange tijd was voor den boom niet meer dan even zoo vele dagen voor ons menschen zijn. Wij waken overdag, slapen ’s nachts, en hebben dan onze droomen; met den boom gaat het anders; hij is drie jaargetijden achtereen wakker, eerst tegen den winter komt zijn slaap. De winter is zijn rusttijd, is zijn nacht na den langen dag, die lente, zomer en herfst heet.Op menigen warmen zomerdag had het haft, dat kleine schepseltje, om zijn kroon heengedanst, geleefd, gezweefd en zich gelukkig gevoeld, en rustte een oogenblik in stille gelukzaligheid op een der groote, frissche eikeblaren uit; dan zei de boom altijd: «Arme kleine! Slechts een enkelen dag duurt uw geheele leven! Wat is dat kort! Het is toch treurig!»«Treurig?—Wat bedoelt ge daarmee?» vroeg het haft dan altijd. «Om mij heen is het immers zoo helder, zoo warm en zoo schoon; dat maakt mij vroolijk!»«Maar slechts één dag,—dan is alles uit!»«Uit!» herhaalde het haft. «Wat is uit? Zijt gij ook uit?»«Neen, ik leef misschien duizenden van uw dagen, en mijn dag duurt geheele jaargetijden! Dat is zoo iets langs, dat ge het niet eens kunt uitrekenen!»«Neen, dan begrijp ik u niet! Gij hebt duizenden van mijn dagen; maar ik heb duizenden van oogenblikken, waarin ik vroolijk en gelukkig kan zijn! Houdt dan al de heerlijkheid dezer wereld op, als ge sterft?»«Neen,» zei de boom, «die duurt zeker veel langer, oneindig langer dan ik mij kan voorstellen.»«Maar dan hebben wij immers precies even veel: wij rekenen alleen maar anders!»Het haft danste en zweefde in de lucht, verheugde zich in zijn kunstige vlerkjes, in hun gaas en fluweel, verheugde zich in de warme lucht, die bezwangerd was met den heerlijken geur van het klaverveld en de rozen, van de vlier en de kamperfoelie, van het muskusplantje en de kroezemunt; de geur was zoo sterk, dat het haft er bijna door bedwelmd werd. De dag was lang en schoon, vol vreugde en genot, en als de zon ten ondergang neeg, gevoelde het haft zich altijd vermoeid van dat vroolijke zweven. De vlerkjes wilden het lichaampje niet meer dragen, en zachtjes en langzaam streek het neer op den zachten, golvenden grashalm, knikte met het kopje en sliep zacht en welgemoed in,—het was de dood.«Arm, klein haft!» zei de eik, «dat was toch een al te kort leven.»En op iederen zomerdag werd dezelfde dans, dezelfde toespraak, hetzelfde antwoord en hetzelfde inslapen herhaald; het werd herhaald door geheele geslachten van haften, en allen gevoelden zich gelukkig en even vroolijk.De eik stond daar wakend op zijn lentemorgen, zijn zomermiddag en zijn herfstavond; met rasse schreden naderde zijn rusttijd, zijn nacht. De winter was ophanden.Reeds zongen de stormen hun «Goeden nacht! Goeden nacht!» Hier viel een blad, daar viel een blad. «Wij rukken en schudden! Ga slapen, ga slapen! Wij zingen u in slaap, wij wiegen u in slaap, maar, niet waar, dat doet goed in de oude takken? Zij kraken daarbij van louter plezier! Slaap zacht, slaap zacht! Het is uw driehonderd en vijf-en-zestigste nacht; eigenlijk zijt ge toch maar een kijk-in-de-wereld! Slaap zacht! De wolk strooit sneeuw naar beneden, zij geeft een dek, dat zich warm over uw voet uitspreidt! Slaap zacht,—en aangename droomen!»De eik stond daar, van zijn bladeren beroofd, om ter ruste te gaan gedurende den geheelen langen winter en menigen droom te droomen, altijd iets, wat hij zelf beleefd had, evenals het in de droomen der menschen gaat.De groote boom was ook klein, ja, een eikel was eenmaal zijn wieg geweest; naar menschelijke berekening was hij nu al in zijn vierde eeuw; hij was de grootste en beste boom uit het bosch, met zijn kroon stak hij ver boven al de andere boomen uit, werd uit zee op een verren afstand gezien, en diende den zeelieden tot een baken; hij had er geen vermoeden van, dat zoovele oogen hem zochten. Hoog boven in zijn groene kroon bouwde de boschduif haar nest, en de koekoek deed zijn geroep daaruit hooren, en in den herfst, wanneer de bladeren er uitzagen, alsof zij geplette koperen plaatjes waren, kwamen de trekvogels en rustten daar, voordat zij over de zee wegvlogen; maar thans was het winter, de boom stond daar ontbladerd, en nu kon men goed zien, hoe krom en gebogen de takken van den stam uitliepen. Kraaien en raven kwamen aanvliegen en zetten er zich bij afwisseling op neer en spraken over de slechte tijden, die nu begonnen, en dat het in den winter heel moeilijk viel, voedsel te vinden.Het was omstreeks het heilige Kerstfeest; toen droomde de boom zijn schoonsten droom.De boom had blijkbaar een gevoel van den feestelijken tijd; het was hem, als hoorde hij de klokken van alle kerken in den omtrek luiden, en daarbij scheen het hem tevens een heerlijke zomerdag te zijn, zacht en warm. Frisch en groen spreidde hij zijn forsche kroon uit, de zonnestralen speelden tusschen bladeren en takken, de lucht was vervuld met den geur van kruiden en bloemen; bonte kapellen vlogen elkaar achterna; de haften dansten, alsof alles alleen daarom bestond, opdat zij zouden kunnen dansen en pret maken. Alles, wat de boom jaren achtereen beleefd had en wat er om hem heen gebeurd was, trok voorbij hem heen als in een plechtigen optocht. Hij zag de ridders en de edele vrouwen uit oude tijden te paard, met golvende vederbossen op den hoed en een valk op de hand, door het bosch rijden; de jachthoorn weerklonk en de honden blaften; hij zag vijandelijke krijgslieden in bonte kleerenmet blanke wapenen, met spies en hellebaard, tenten opslaan en weer afbreken; het wachtvuur vlamde, en men zong en sliep onder de takken van den boom; hij zag minnende paren elkaar in stil geluk bij zijn stam in den maneschijn ontmoeten en hun namen, de beginletters, in den grauwachtig groenen bast snijden. Citers en harpen waren eenmaal,—ja, er lagen vele jaren tusschen beide,—door reizende vroolijke klanten aan de takken van den eik opgehangen, nu hingen zij daar weer, nu klonken zij weer met wonderbare tonen. De boschduiven kirden, als wilden zij vertellen, wat de boom daarbij gevoelde, en de koekoek riep hem toe, hoeveel zomerdagen hij nog te leven had.Toen was het hem, als stroomde hem een nieuw leven tot diep in de kleinste wortelen en tot in de hoogste takjes, ja, tot in de bladeren. De boom gevoelde, dat hij zich daarbij uitrekte, ja, hij gevoelde het door middel van den wortel, hoe er ook onder inden grond leven en warmte was; hij voelde zijn kracht toenemen, hij wies al hooger en hooger, de stam schoot omhoog, er was geen stilstand, hij groeide gedurig meer en meer, de kroon werd voller, spreidde zich uit, verhief zich,—en al naardat de boom groeide, steeg zijn geluk, zijn zaligend verlangen om gedurig hooger te reiken, zelfs tot aan de schitterende, warme zon.Reeds was hij hoog boven de wolken opgeschoten, die als donkere scharen van trekvogels of groote, witte zwanen onder hem voorttrokken.Ieder blad van den boom had de gave des gezichts, als had het oogen om te zien; de sterren werden op den helderen dag zichtbaar, groot en fonkelend, elke daarvan fonkelde als een paar oogen, liefelijk en helder. Zij riepen hem bekende, vriendelijke oogen, oogen van kinderen, oogen van minnende paren, als deze elkaar onder den boom ontmoetten, in het geheugen terug.Het was een verwonderlijk zalig oogenblik, zoo vol vreugde en blijdschap! En toch gevoelde de boom te midden van deze vreugde een verlangen, een onweerstaanbaar verlangen, dat alle andere boomen van het bosch daarbeneden, alle struiken, alle kruiden en bloemen zich ook met hem mochten kunnen verheffen, opdat ook zij dezen glans zouden kunnen zien, deze vreugde smaken. De groote majestueuze eik was in zijn heerlijkheid niet volkomen gelukkig, zonder hen allen, groot en klein, bij zich te hebben, en dit gevoel trilde door alle takken, alle bladeren, innig en krachtig als door een menschelijke borst.De kroon van den boom wiegelde zich heen en weer, als zocht zij in dringend verlangen; zij staarde achterwaarts. Nu rook de boom den geur van het muskusplantje en al spoedig den nog sterkeren geur van de kamperfoelie en de viooltjes; het was hem als hoorde hij den koekoek hem antwoord geven.Ja, door de wolken kwamen de groene toppen van het bosch te voorschijn, en onder zich zag de eik de andere boomen, hoe zij groeiden en zich verhieven. Struiken en kruiden schoten hoog op, enkele rukten zich met den wortel los en vlogen nog sneller naar boven. De berk was het vlugst; aan een witten bliksemstraal gelijk, schoot zijn slanke stam al zigzagsgewijze in de hoogte, de takken golfden als groen gaas om hem heen; al de gewassen uit het bosch, zelfs het bruingepluimde riet, groeiden mee, en de vogels volgden en zongen, en op den halm, die als een lang, groen zijden lint in de lucht fladderde, zat de sprinkhaan en speelde met den vleugel langs zijn scheenbeen; de meikevers bromden en gonsden, iedere vogel zong, zooals hij gebekt was; alles was zang en geklank en vreugde tot in den hemel.«Maar dat kleine, blauwe bloempje bij het water, waar blijft dat?» riep de oude eik, «en het roode klokje en het madeliefje?»—Ja, de oude eik wilde ze alle om zich heen hebben.«Wij zijn er! Wij zijn er!» zong en klonk het.«Maar het mooie muskusplantje van den vorigen zomer,—en in hetvorige jaar was hier toch een menigte meibloempjes!—de wilde-appelboom, die zoo mooi bloeide!—en al die pracht van het bosch, jaar in jaar uit!—leefde het nu maar, was het nu maar geboren, dan zou het er ook bij hebben kunnen zijn!»«Wij zijn er bij! Wij zijn er!» zong en klonk het nog hooger; het was, alsof zij vooraangevlogen waren.«O, dat is al te schoon, ongelooflijk schoon!» jubelde de oude eik. «Ik heb ze allemaal! Klein en groot! Niet een is er vergeten! Hoe is toch al die gelukzaligheid denkbaar! Hoe is zij mogelijk!»«In den hemel van den eeuwigen God is zij mogelijk en denkbaar!» klonk het door de lucht.De oude boom, die aldoor voortgroeide, gevoelde het, hoe zijn wortel zich uit den grond losrukte.«Dat gaat goed zoo, dat is het allerbeste!» zei de boom; «nu houden mij geen banden meer terug! Ik kan nu opvliegen naar het allerhoogste licht en den allerhoogsten glans! En al mijn lieven zijn bij mij! Kleinen en grooten! Allen!»Dat was de droomvanden ouden eik; en terwijl hij zoo droomde, bruiste er een geweldige storm over land en zee heen,—op het heilige Kerstfeest. De zee stuwde haar golven tegen de kust aan; het kraakte in den boom,—hij werd met den wortel op den grond geworpen juist op het oogenblik, waarop hij droomde, dat zijn wortelen zich van de aarde losrukten.—Hij viel. Zijn driehonderd vijf-en-zestig jaren waren nu als één dag van het haft.Op den morgen van den eersten Kerstdag, toen de zon opging, was de storm gaan liggen. Van alle kerktorens klonk feestelijk klokgelui, en uit iederen schoorsteen, zelfs uit den kleinste der nederigste hut, steeg de rook in blauwe wolken omhoog, evenals van het altaar de rook van het dankoffer bij het feest der Druïden. De zee kwam allengs tot bedaren, en aan boord van een groot schip, dat gedurende den nacht met het stormachtige weder gekampt en dit gelukkig doorgestaan had, werden nu alle vlaggen, als teeken der Kerstvreugde, geheschen.«De boom is weg, de oude eik, ons baken op de kust!» spraken de zeelieden. «Hij is in dezen stormachtigen nacht gevallen! Wie zal hem kunnen vervangen?—Niemand vermag dit!»Zulk een lijkrede, kort maar welgemeend, kreeg de boom, die op het sneeuwdek aan den oever der zee uitgestrekt lag; en over hem heen klonken de psalmtonen van het schip af, een lied van de Kerstvreugde en van de uiting der menschelijke gedachten bij het aanschouwen van de bestiering van den Albarmhartige:«Zingt luid ten hemel, laat klinken uw tonen!Het is vervuld: uw vorst zal ’t loonen!Juicht vroolijk over Gods genâ,Halleluja, Halleluja!»zoo klonk het oude gezang, en iedereen aan boord van het schip gevoelde zich op zijn wijze opgeheven door het lied en het gebed,evenals de oude eik zich opgeheven gevoelde in zijn laatsten, schoonsten droom in den Kerstnacht.

In het bosch, hoog op den steilen oever, vlak bij de zeekust, stond een heel oude eik. Hij was driehonderd vijf-en-zestig jaren oud; maar die lange tijd was voor den boom niet meer dan even zoo vele dagen voor ons menschen zijn. Wij waken overdag, slapen ’s nachts, en hebben dan onze droomen; met den boom gaat het anders; hij is drie jaargetijden achtereen wakker, eerst tegen den winter komt zijn slaap. De winter is zijn rusttijd, is zijn nacht na den langen dag, die lente, zomer en herfst heet.

Op menigen warmen zomerdag had het haft, dat kleine schepseltje, om zijn kroon heengedanst, geleefd, gezweefd en zich gelukkig gevoeld, en rustte een oogenblik in stille gelukzaligheid op een der groote, frissche eikeblaren uit; dan zei de boom altijd: «Arme kleine! Slechts een enkelen dag duurt uw geheele leven! Wat is dat kort! Het is toch treurig!»

«Treurig?—Wat bedoelt ge daarmee?» vroeg het haft dan altijd. «Om mij heen is het immers zoo helder, zoo warm en zoo schoon; dat maakt mij vroolijk!»

«Maar slechts één dag,—dan is alles uit!»

«Uit!» herhaalde het haft. «Wat is uit? Zijt gij ook uit?»

«Neen, ik leef misschien duizenden van uw dagen, en mijn dag duurt geheele jaargetijden! Dat is zoo iets langs, dat ge het niet eens kunt uitrekenen!»

«Neen, dan begrijp ik u niet! Gij hebt duizenden van mijn dagen; maar ik heb duizenden van oogenblikken, waarin ik vroolijk en gelukkig kan zijn! Houdt dan al de heerlijkheid dezer wereld op, als ge sterft?»

«Neen,» zei de boom, «die duurt zeker veel langer, oneindig langer dan ik mij kan voorstellen.»

«Maar dan hebben wij immers precies even veel: wij rekenen alleen maar anders!»

Het haft danste en zweefde in de lucht, verheugde zich in zijn kunstige vlerkjes, in hun gaas en fluweel, verheugde zich in de warme lucht, die bezwangerd was met den heerlijken geur van het klaverveld en de rozen, van de vlier en de kamperfoelie, van het muskusplantje en de kroezemunt; de geur was zoo sterk, dat het haft er bijna door bedwelmd werd. De dag was lang en schoon, vol vreugde en genot, en als de zon ten ondergang neeg, gevoelde het haft zich altijd vermoeid van dat vroolijke zweven. De vlerkjes wilden het lichaampje niet meer dragen, en zachtjes en langzaam streek het neer op den zachten, golvenden grashalm, knikte met het kopje en sliep zacht en welgemoed in,—het was de dood.

«Arm, klein haft!» zei de eik, «dat was toch een al te kort leven.»

En op iederen zomerdag werd dezelfde dans, dezelfde toespraak, hetzelfde antwoord en hetzelfde inslapen herhaald; het werd herhaald door geheele geslachten van haften, en allen gevoelden zich gelukkig en even vroolijk.

De eik stond daar wakend op zijn lentemorgen, zijn zomermiddag en zijn herfstavond; met rasse schreden naderde zijn rusttijd, zijn nacht. De winter was ophanden.

Reeds zongen de stormen hun «Goeden nacht! Goeden nacht!» Hier viel een blad, daar viel een blad. «Wij rukken en schudden! Ga slapen, ga slapen! Wij zingen u in slaap, wij wiegen u in slaap, maar, niet waar, dat doet goed in de oude takken? Zij kraken daarbij van louter plezier! Slaap zacht, slaap zacht! Het is uw driehonderd en vijf-en-zestigste nacht; eigenlijk zijt ge toch maar een kijk-in-de-wereld! Slaap zacht! De wolk strooit sneeuw naar beneden, zij geeft een dek, dat zich warm over uw voet uitspreidt! Slaap zacht,—en aangename droomen!»

De eik stond daar, van zijn bladeren beroofd, om ter ruste te gaan gedurende den geheelen langen winter en menigen droom te droomen, altijd iets, wat hij zelf beleefd had, evenals het in de droomen der menschen gaat.

De groote boom was ook klein, ja, een eikel was eenmaal zijn wieg geweest; naar menschelijke berekening was hij nu al in zijn vierde eeuw; hij was de grootste en beste boom uit het bosch, met zijn kroon stak hij ver boven al de andere boomen uit, werd uit zee op een verren afstand gezien, en diende den zeelieden tot een baken; hij had er geen vermoeden van, dat zoovele oogen hem zochten. Hoog boven in zijn groene kroon bouwde de boschduif haar nest, en de koekoek deed zijn geroep daaruit hooren, en in den herfst, wanneer de bladeren er uitzagen, alsof zij geplette koperen plaatjes waren, kwamen de trekvogels en rustten daar, voordat zij over de zee wegvlogen; maar thans was het winter, de boom stond daar ontbladerd, en nu kon men goed zien, hoe krom en gebogen de takken van den stam uitliepen. Kraaien en raven kwamen aanvliegen en zetten er zich bij afwisseling op neer en spraken over de slechte tijden, die nu begonnen, en dat het in den winter heel moeilijk viel, voedsel te vinden.

Het was omstreeks het heilige Kerstfeest; toen droomde de boom zijn schoonsten droom.

De boom had blijkbaar een gevoel van den feestelijken tijd; het was hem, als hoorde hij de klokken van alle kerken in den omtrek luiden, en daarbij scheen het hem tevens een heerlijke zomerdag te zijn, zacht en warm. Frisch en groen spreidde hij zijn forsche kroon uit, de zonnestralen speelden tusschen bladeren en takken, de lucht was vervuld met den geur van kruiden en bloemen; bonte kapellen vlogen elkaar achterna; de haften dansten, alsof alles alleen daarom bestond, opdat zij zouden kunnen dansen en pret maken. Alles, wat de boom jaren achtereen beleefd had en wat er om hem heen gebeurd was, trok voorbij hem heen als in een plechtigen optocht. Hij zag de ridders en de edele vrouwen uit oude tijden te paard, met golvende vederbossen op den hoed en een valk op de hand, door het bosch rijden; de jachthoorn weerklonk en de honden blaften; hij zag vijandelijke krijgslieden in bonte kleerenmet blanke wapenen, met spies en hellebaard, tenten opslaan en weer afbreken; het wachtvuur vlamde, en men zong en sliep onder de takken van den boom; hij zag minnende paren elkaar in stil geluk bij zijn stam in den maneschijn ontmoeten en hun namen, de beginletters, in den grauwachtig groenen bast snijden. Citers en harpen waren eenmaal,—ja, er lagen vele jaren tusschen beide,—door reizende vroolijke klanten aan de takken van den eik opgehangen, nu hingen zij daar weer, nu klonken zij weer met wonderbare tonen. De boschduiven kirden, als wilden zij vertellen, wat de boom daarbij gevoelde, en de koekoek riep hem toe, hoeveel zomerdagen hij nog te leven had.

Toen was het hem, als stroomde hem een nieuw leven tot diep in de kleinste wortelen en tot in de hoogste takjes, ja, tot in de bladeren. De boom gevoelde, dat hij zich daarbij uitrekte, ja, hij gevoelde het door middel van den wortel, hoe er ook onder inden grond leven en warmte was; hij voelde zijn kracht toenemen, hij wies al hooger en hooger, de stam schoot omhoog, er was geen stilstand, hij groeide gedurig meer en meer, de kroon werd voller, spreidde zich uit, verhief zich,—en al naardat de boom groeide, steeg zijn geluk, zijn zaligend verlangen om gedurig hooger te reiken, zelfs tot aan de schitterende, warme zon.

Reeds was hij hoog boven de wolken opgeschoten, die als donkere scharen van trekvogels of groote, witte zwanen onder hem voorttrokken.

Ieder blad van den boom had de gave des gezichts, als had het oogen om te zien; de sterren werden op den helderen dag zichtbaar, groot en fonkelend, elke daarvan fonkelde als een paar oogen, liefelijk en helder. Zij riepen hem bekende, vriendelijke oogen, oogen van kinderen, oogen van minnende paren, als deze elkaar onder den boom ontmoetten, in het geheugen terug.

Het was een verwonderlijk zalig oogenblik, zoo vol vreugde en blijdschap! En toch gevoelde de boom te midden van deze vreugde een verlangen, een onweerstaanbaar verlangen, dat alle andere boomen van het bosch daarbeneden, alle struiken, alle kruiden en bloemen zich ook met hem mochten kunnen verheffen, opdat ook zij dezen glans zouden kunnen zien, deze vreugde smaken. De groote majestueuze eik was in zijn heerlijkheid niet volkomen gelukkig, zonder hen allen, groot en klein, bij zich te hebben, en dit gevoel trilde door alle takken, alle bladeren, innig en krachtig als door een menschelijke borst.

De kroon van den boom wiegelde zich heen en weer, als zocht zij in dringend verlangen; zij staarde achterwaarts. Nu rook de boom den geur van het muskusplantje en al spoedig den nog sterkeren geur van de kamperfoelie en de viooltjes; het was hem als hoorde hij den koekoek hem antwoord geven.

Ja, door de wolken kwamen de groene toppen van het bosch te voorschijn, en onder zich zag de eik de andere boomen, hoe zij groeiden en zich verhieven. Struiken en kruiden schoten hoog op, enkele rukten zich met den wortel los en vlogen nog sneller naar boven. De berk was het vlugst; aan een witten bliksemstraal gelijk, schoot zijn slanke stam al zigzagsgewijze in de hoogte, de takken golfden als groen gaas om hem heen; al de gewassen uit het bosch, zelfs het bruingepluimde riet, groeiden mee, en de vogels volgden en zongen, en op den halm, die als een lang, groen zijden lint in de lucht fladderde, zat de sprinkhaan en speelde met den vleugel langs zijn scheenbeen; de meikevers bromden en gonsden, iedere vogel zong, zooals hij gebekt was; alles was zang en geklank en vreugde tot in den hemel.

«Maar dat kleine, blauwe bloempje bij het water, waar blijft dat?» riep de oude eik, «en het roode klokje en het madeliefje?»—Ja, de oude eik wilde ze alle om zich heen hebben.

«Wij zijn er! Wij zijn er!» zong en klonk het.

«Maar het mooie muskusplantje van den vorigen zomer,—en in hetvorige jaar was hier toch een menigte meibloempjes!—de wilde-appelboom, die zoo mooi bloeide!—en al die pracht van het bosch, jaar in jaar uit!—leefde het nu maar, was het nu maar geboren, dan zou het er ook bij hebben kunnen zijn!»

«Wij zijn er bij! Wij zijn er!» zong en klonk het nog hooger; het was, alsof zij vooraangevlogen waren.

«O, dat is al te schoon, ongelooflijk schoon!» jubelde de oude eik. «Ik heb ze allemaal! Klein en groot! Niet een is er vergeten! Hoe is toch al die gelukzaligheid denkbaar! Hoe is zij mogelijk!»

«In den hemel van den eeuwigen God is zij mogelijk en denkbaar!» klonk het door de lucht.

De oude boom, die aldoor voortgroeide, gevoelde het, hoe zijn wortel zich uit den grond losrukte.

«Dat gaat goed zoo, dat is het allerbeste!» zei de boom; «nu houden mij geen banden meer terug! Ik kan nu opvliegen naar het allerhoogste licht en den allerhoogsten glans! En al mijn lieven zijn bij mij! Kleinen en grooten! Allen!»

Dat was de droomvanden ouden eik; en terwijl hij zoo droomde, bruiste er een geweldige storm over land en zee heen,—op het heilige Kerstfeest. De zee stuwde haar golven tegen de kust aan; het kraakte in den boom,—hij werd met den wortel op den grond geworpen juist op het oogenblik, waarop hij droomde, dat zijn wortelen zich van de aarde losrukten.—Hij viel. Zijn driehonderd vijf-en-zestig jaren waren nu als één dag van het haft.

Op den morgen van den eersten Kerstdag, toen de zon opging, was de storm gaan liggen. Van alle kerktorens klonk feestelijk klokgelui, en uit iederen schoorsteen, zelfs uit den kleinste der nederigste hut, steeg de rook in blauwe wolken omhoog, evenals van het altaar de rook van het dankoffer bij het feest der Druïden. De zee kwam allengs tot bedaren, en aan boord van een groot schip, dat gedurende den nacht met het stormachtige weder gekampt en dit gelukkig doorgestaan had, werden nu alle vlaggen, als teeken der Kerstvreugde, geheschen.

«De boom is weg, de oude eik, ons baken op de kust!» spraken de zeelieden. «Hij is in dezen stormachtigen nacht gevallen! Wie zal hem kunnen vervangen?—Niemand vermag dit!»

Zulk een lijkrede, kort maar welgemeend, kreeg de boom, die op het sneeuwdek aan den oever der zee uitgestrekt lag; en over hem heen klonken de psalmtonen van het schip af, een lied van de Kerstvreugde en van de uiting der menschelijke gedachten bij het aanschouwen van de bestiering van den Albarmhartige:

«Zingt luid ten hemel, laat klinken uw tonen!Het is vervuld: uw vorst zal ’t loonen!Juicht vroolijk over Gods genâ,Halleluja, Halleluja!»

«Zingt luid ten hemel, laat klinken uw tonen!

Het is vervuld: uw vorst zal ’t loonen!

Juicht vroolijk over Gods genâ,

Halleluja, Halleluja!»

zoo klonk het oude gezang, en iedereen aan boord van het schip gevoelde zich op zijn wijze opgeheven door het lied en het gebed,evenals de oude eik zich opgeheven gevoelde in zijn laatsten, schoonsten droom in den Kerstnacht.

Zij deugde niet.De burgemeester stond voor zijn open raam; hij was in zijn overhemd met manchetten en droeg een keurige doekspeld; hij was zeer glad geschoren, hetgeen hij zelf gedaan had, en toch had hij zich een klein sneetje toegebracht, maar daarop kleefde een stukje krant.«Hoor eens, kleine!» riep hij.En deze kleine was geen ander dan de zoon der arme waschvrouw, die juist het huis voorbijliep en zijn pet eerbiedig afnam; de klep daarvan was in het midden gebroken; de pet was er geheel op ingericht om in elkaar gerold en in den zak gestoken te worden. In zijn armoedige, maar zindelijke kleeren, met zware klompen aan de voeten, stond de knaap daar eerbiedig, alsof hij tegenover den koning zelf stond.«Je bent een beste jongen,» zei de burgemeester. «Je bent een beleefde knaap. Je moeder is zeker in de rivier aan het wasschen; daar moet je stellig heen brengen, wat je in den zak hebt zitten. Wat zit er in?»«Een half pintje,» zei de knaap op een fluisterenden toon.«En van morgen heeft zij evenveel gekregen,» vervolgde de burgemeester.«Neen, dat was gisteren!» antwoordde de knaap.«Twee halve maken één heel!—Zij deugt niet! Het is treurig met zulk soort van menschen!—Zeg tegen je moeder, dat zij zich moest schamen! En word jij maar geen dronkaard; maar dat zal je wel worden! Arm kind! Ga maar heen!»En de knaap ging verder; zijn pet bleef hij in de hand houden, en de wind speelde met zijn blonde lokken. Hij sloeg den hoek der straat om en kwam in het straatje, dat naar de rivier liep, waar zijn moeder druk met wasschen bezig was. Het water stroomde sterk, want de sluizen van den molen waren opengezet; het beddelaken dreef met den stroom mee. De waschvrouw had werk om het vast te houden.«Het had niet veel gescheeld, of ik was zelf met den stroom meegesleept!» zeide zij. «Het is goed, dat je komt, want ik heb wel een hartsterking noodig! Zes uren sta ik hier al. Heb je wat voor mij?»De knaap haalde de flesch te voorschijn, en zijn moeder zette haar aan den mond en nam er een fermen slok uit.«Dat doet goed! Dat verwarmt! Dat is even goed als warm eten, en niet zoo duur! Drink ook eens, beste jongen! Je ziet er geducht bleek uit; je hebt het zeker koud in je dunne kleeren! Het is dan ook herfst. Foei! wat is het water koud! Als ik maar niet ziek word! Maar dat zal ik wel niet! Geef mij nog een slok en drink ook eens, maar slechts een klein slokje, want je moogt er niet aan wennen, mijn arme, goede jongen!»En zij ging naar haar zoontje toe, terwijl het water haar uit de kleeren droop.«Ik sta mij hier af te beulen; maar ik doe het graag, als ik je er maar eerlijk en rechtschapen doorheen breng, mijn beste jongen!»Op dit oogenblik kwam er een oude vrouw aan, die er zeer armoedig uitzag; zij was aan haar eene been lam en droeg een lange, valsche lok over haar eene blinde oog: het oog moest door die lok bedekt worden, maar zij deed eigenlijk het gebrek nog meeruitkomen. Het was een vriendin van de waschvrouw; «de lamme Martha met de lok,» noemden de buren haar.«Wat ben je daar weer in dat koude water aan het wasschen! Je hebt waarlijk wel noodig, dat je je een weinig verwarmt, en toch maken de booze tongen heel wat ophef van de slokjes, die je drinkt!»—En nu duurde het maar weinige oogenblikken, of al de woorden van den burgemeester waren aan de waschvrouw overgebracht; want Martha had alles gehoord, en zij had er zich over geërgerd, dat hij op zulk een wijze tegen het kind over diens eigen moeder en over de weinige droppeltjes sprak, die zij gebruikte, en wel omdat het juist op een dag gebeurde, waarop de burgemeester een groot gastmaal gaf, waarbij de wijn bij stroomen vloeide. «Fijne wijnen en koppige wijnen!» voegde zij er bij. «Maar dat noemt men geen drinken! Zij deugen wel, maar jij deugt niet!»«Wel zoo! Heeft hij met je gesproken?» zei de waschvrouw tot haar jongen, en haar lippen trilden daarbij. «Je hebt een moeder, die niet deugt! Misschien heeft hij wel gelijk! Maar tegen het kind moest hij zoo iets niet zeggen! Uit dat huis is er al veel ellende over mij gekomen!»«Je hebt daar immers gediend, toen de ouders van den burgemeester nog in leven waren en het huis bewoonden; dat is al vele jaren geleden! Sedert zijn er vele schepels zout gebruikt, en men moet dus wel dorst hebben,» en Martha glimlachte. «De burgemeester geeft vandaag een groot gastmaal; eigenlijk had het afgezegd moeten worden, maar het werd te laat, en het eten was ook al klaar. Ik heb het van den huisknecht gehoord. Zoo even is er een brief gekomen, dat zijn jongste broeder te Kopenhagen gestorven is!»«Gestorven!» riep de waschvrouw uit en werd doodsbleek.«Wel,» zeide Martha, «trek je je dat zoo erg aan? ’t Is waar ook, je kendet hem nog van den tijd, toen je daar in huis diendet.»«Is hij dood? Het was zulk een goed man! Er worden er niet veel zooals hij gevonden!» En de tranen biggelden haar langs de wangen. «O mijn God! het draait mij alles voor de oogen,—dat komt, omdat ik de flesch leeggedronken heb,—dat heb ik niet kunnen verdragen! Ik voel mij alles behalve wel!»«Mijn hemel! Je bent werkelijk ziek,» zei de andere vrouw. «Het is te hopen, dat het maar weer gauw over zal zijn. Het zal het beste wezen, dat ik je naar huis breng.»«Maar de wasch dan?»«Ik zal wel voor de wasch zorgen. Komaan! geef mij maar een arm! De jongen kan wel hier blijven en oppassen, totdat ik terugkom, dan zal ik het overige wel wasschen: dat is immers maar een kleinigheid!»En de knieën der waschvrouw knikten.«Ik heb te lang in de koude gestaan; en sedert van morgen heb ik droog noch nat over mijn lippen gehad! De koorts brandt mij door de leden. O, mijn God! help mij om naar huis te gaan!—Mijn arm kind!»—Zij weende. Ook de knaap weende, en al spoedig daarop zat hij alleen aan de rivier bij de natte wasch. De beide vrouwen liepen slechts langzaam voort, de waschvrouw sleepend en waggelend; zij gingen het straatje door en kwamen het huis van den burgemeester voorbij, en vlak daarvoor viel zij op de straatsteenen neer. Er verzamelden zich verscheidene menschen om haar heen: de lamme Martha liep in het huis, om hulp in te roepen. De burgemeester en zijn gasten gingen naar het raam toe.«Dat is de waschvrouw!» zei hij; «die heeft een beetje te diep in het glaasje gekeken; zij deugt niet! ’t Is jammer van den aardigen jongen, dien zij heeft. Ik mag dat kereltje inderdaad graag lijden. Maar zijn moeder deugt niet!»En de waschvrouw kwam weer bij, en men bracht haar in haar armzalige woning, waar zij te bed gelegd werd. De goede Martha maakte wat warm bier met boter en suiker klaar; dit middel, dacht zij, was het beste, en daarop begaf zij zich naar de rivier, waschte heel slecht, maar noemde het goed, en deed eigenlijk niets anders dan de natte wasch in de mand doen.Tegen den avond zat zij in het armoedige kamertje bij de waschvrouw. Eenige gebakken aardappelen en een lekker vet stuk ham had de keukenmeid van den burgemeester haar voor de zieke gegeven; daaraan deden Martha en de knaap zich te goed; de zieke genoot van den heerlijken geur, deze was heel voedzaam, beweerde zij.En de knaap werd te bed gebracht, in dezelfde bedstee, waarin zijn moeder lag; maar hij had zijn plaats aan haar voeten en dekte zich met een oude deken toe.Met de waschvrouw ging het een weinig beter; het warme bier had haar versterkt, en de geur van het heerlijke eten had haar goedgedaan.«Hartelijk dank!» zeide zij tegen Martha. «Ik zal je alles eens vertellen, als de kleine slaapt. Ik geloof, dat hij al in de rust is. Wat ziet hij er lief uit, zooals hij daar met gesloten oogen ligt! Hij weet niet, hoe het met zijn moeder gesteld is. God geve, dat hij dit nimmer te weten kome!—Ik diende bij de ouders van den burgemeester. Eens trof het zoo, dat de jongste der zoons, de student, te huis kwam; destijds was ik nog jong, een jolig meisje, maar eerbaar, dat mag ik voor het aangezicht Gods zeggen!» zei de waschvrouw. «De student was vroolijk en opgeruimd. Iedere droppel bloed aan hem was goed en rechtschapen; een beter mensch is er nooit op aarde geweest. Hij was zoon in huis, ik slechts meid; maar wij hadden elkander lief, doch in alle eer en deugd; een kus is toch geen zonde, als men elkaar waarlijk liefheeft. En hij zei het tegen zijn moeder, wie hij een afgodische liefde toedroeg! En hij was verstandig en liefderijk!—Hij vertrok en stak mij zijn gouden ring aan den vinger; en zoodra hij het huis uit was, riep mijn mevrouw mij binnen. Ernstig en toch liefderijk sprak zij tegen mij, alsof het God zelf was, die tegen mij sprak; zij deed mij den afstand gevoelen, die er tusschen hem en mij bestond.««Nu let hij er slechts op, hoe aardig je er uitziet, maar je schoonheid zal vergaan! Je hebt niet zulk een opvoeding genoten als hij; je staat niet op denzelfden trap van ontwikkeling, en dat is een ongeluk. Ik acht den arme,» zeide zij, «bij God staat hij hooger aangeschreven dan menige rijke, maar hier op aarde moet men er zich voor wachten, in een verkeerd spoor te komen, als men voorwaarts rijdt; anders slaat het rijtuig omver, en je zult beiden omverslaan! Ik weet, dat een braaf man, een handwerksman, om je hand gevraagd heeft; ik bedoel Erich, den handschoenmaker; hij is weduwnaar en heeft geen kinderen, denk daar eens over na!»«Ieder woord, dat zij sprak, sneed mij als een mes door het hart, maar de vrouw had gelijk! En dat drukte loodzwaar op mij!—Ik kuste haar hand en stortte bittere tranen, en weende nog meer, toen ik op mijn kamertje kwam en mij op mijn bed wierp. Het was een pijnlijke nacht, die er nu volgde. God weet, wat ik leed en streed. Op den daaraanvolgenden Zondag ging ik aan de tafel des Heeren, opdat het mij licht zou worden. Het was als een goddelijke beschikking: toen ik de kerk uittrad, kwam Erich mij tegen. En nu bleef er geen twijfel meer in mijn ziel over; wij pasten voor elkaar, wat rang en stand betreft, ja, hij was zelfs een welgesteld man; en ik ging dan ook naar hem toe, greep zijn hand en zei: «Heb je nog zin in mij?»—Ja, eeuwig en altijd!» zei hij.—«Wil je een meisje nemen, dat je acht en eert, maar niet liefheeft,—doch dat kan nog wel komen!»—«Dat zal wel komen!» zei hij, en daarop gaven wij elkaar de hand. Ik ging naar huis naar mijn mevrouw: den gouden ring, dien haar zoon mij gegeven had, droeg ik op mijn hart; ik kon hem overdag niet aan mijn vinger steken, maar deed dit alle avonden, voordat ik te bed ging. Ik kuste den ring, zoodat mijn lippen er van bloedden, en daarop gaf ik dien aan mijn mevrouw en zei tegen haar, dat ik in de volgende week met den handschoenmaker zou gaan trouwen. Toen omhelsde en kuste mijn mevrouw mij;—zij zeide niet, dat ikniet deugde, maar destijds was ik misschien wel beter, ofschoon ik nog niet zooveel ervaring omtrent de ellende, die er in de wereld bestaat, opgedaan had, als nu het geval is. Met Vrouwendag vierden wij de bruiloft; en in het eerste jaar ging het goed, we hadden een knecht en een leerling, en jij, Martha, diendet bij ons.»«O, ge waart een lieve, goede huismoeder!» zei Martha, «nimmer zal ik vergeten, hoe goed gij en uw man voor mij geweest zijt!»«Ja, dat waren destijds de goede jaren, toen je bij ons waart! Kinderen hadden we nog niet!—Den student zag ik niet meer!—Maar ja, ik zag hem toch nog eens, maar hij zag mij niet. Hij was hier bij gelegenheid van de begrafenis zijner moeder. Ik zag hem bij het graf staan; hij zag er doodsbleek uit en was diep bedroefd, maar dat was om zijn moeder; later, toen zijn vader stierf, was hij in vreemde landen en kwam niet weer hier. Hij is nooit getrouwd, dat weet ik; hij werd advocaat, geloof ik!—Mij had hij vergeten, en al had hij mij ook gezien, dan zou hij mij toch zeker niet herkendhebben, zooveel leelijker ben ik geworden. En dat is ook wel goed!»Zij sprak over de dagen der beproeving en vertelde, hoe het ongeluk als ’t ware boven haar losbarstte. «Wij bezaten,» zeide zij, «vijfhonderd daalders, en omdat er destijds in de straat een huis voor tweehonderd te koop was en het de moeite wel zou loonen, dit af te breken en een nieuw te bouwen, werd het gekocht. De metselaar en de timmerman maakten een begrooting, en het nieuwe gebouw zou duizend en twintig daalders kosten. Erich had krediet, het geld leende hij in de hoofdstad,—maar de schipper, die het zou overbrengen, leed schipbreuk, en het geld ging met hem verloren.«Omstreeks dezen tijd bracht ik mijn lieven jongen, die daar slaapt, ter wereld. Mijn man kreeg een hevige langdurige ziekte, drie vierendeel jaars moest ik hem aan- en uitkleeden. Wij gingen gedurig meer achteruit, wij maakten schulden; alles wat wij hadden, ging verloren, en mijn man stierf eindelijk. Ik heb gewerkt, gestreden en geleden, ter wille van mijn kind; ik ben uit schoonmaken gegaan, ik heb voor de menschen gewasschen; maar ik mag het niet beter krijgen; zoo is Gods wil! Maar Hij zal mij wel tot zich nemen en ook mijn zoontje niet verlaten!»Daarop viel zij in slaap.Tegen den morgen voelde zij zich verkwikt en krachtig genoeg, zooals zij meende, om weer aan haar werk te gaan. Zij was weer aan het wasschen gegaan. Daar begon zij eensklaps te beven en viel in onmacht; krampachtig sloeg zij met de handen in de lucht, deed een enkelen stap en viel neer. Haar hoofd lag op het land, maar haar voeten in de rivier; haar klompen, die zij aangehouden had,—in elke daarvan zat een bosje stroo,—dreven met den stroom weg. Zoo vond Martha haar, toen zij haar koffie wilde brengen.Ondertusschen was er iemand van den burgemeester naar haar huis gezonden met de boodschap, «dat zij eens dadelijk bij hem moest komen; want dat hij haar iets te zeggen had.» Het was te laat! Er werd een chirurgijn gehaald, om een aderlating te doen; de waschvrouw was dood.«Zij heeft zich doodgedronken!» zei de burgemeester.In den brief, die hem de tijding van den dood zijns broeders bracht, was de inhoud van het testament meegedeeld, en daarin stond, dat er zeshonderd daalders aan de weduwe van den handschoenmaker waren vermaakt, die vroeger bij zijn ouders gediend had. Zooals men dit het beste vond, moest het geld «bij grootere of kleinere gedeelten aan haar of aan haar kind uitbetaald worden.»«Er heeft zoo wat een vrijage tusschen mijn broeder en haar bestaan,» zei de burgemeester. «Het is goed, dat zij maar dood is; de knaap krijgt nu alles, en ik zal hem bij brave menschen in den kost doen; er kan een flink handwerksman van hem groeien!»—En op deze woorden schonk God zijn zegen.De burgemeester liet den knaap bij zich komen, beloofde, dat hijzich zijner zou aantrekken, en voegde er nog bij, hoe gelukkig het was, dat zijn moeder maar gestorven was: zij deugde niet.Men bracht haar naar het kerkhof, naar het kerkhof der armen; Martha strooide zand op het graf en plantte er een klein rozeboompje op; de knaap stond naast haar.«Mijn lieve moeder!» zei hij, terwijl de tranen hem langs de wangen biggelden. «Is het dan waar? Deugde zij niet?»«Ja, zij deugde wel!» zei de oude meid en sloeg een blik ten hemel. «Ik weet het sedert vele jaren en sedert den laatsten nacht. Ik zeg je, dat zij wel deugde!» En God in den hemel zei het ook,—laat dan de wereld maar zeggen: «Zij deugde niet!»

De burgemeester stond voor zijn open raam; hij was in zijn overhemd met manchetten en droeg een keurige doekspeld; hij was zeer glad geschoren, hetgeen hij zelf gedaan had, en toch had hij zich een klein sneetje toegebracht, maar daarop kleefde een stukje krant.

«Hoor eens, kleine!» riep hij.

En deze kleine was geen ander dan de zoon der arme waschvrouw, die juist het huis voorbijliep en zijn pet eerbiedig afnam; de klep daarvan was in het midden gebroken; de pet was er geheel op ingericht om in elkaar gerold en in den zak gestoken te worden. In zijn armoedige, maar zindelijke kleeren, met zware klompen aan de voeten, stond de knaap daar eerbiedig, alsof hij tegenover den koning zelf stond.

«Je bent een beste jongen,» zei de burgemeester. «Je bent een beleefde knaap. Je moeder is zeker in de rivier aan het wasschen; daar moet je stellig heen brengen, wat je in den zak hebt zitten. Wat zit er in?»

«Een half pintje,» zei de knaap op een fluisterenden toon.

«En van morgen heeft zij evenveel gekregen,» vervolgde de burgemeester.

«Neen, dat was gisteren!» antwoordde de knaap.

«Twee halve maken één heel!—Zij deugt niet! Het is treurig met zulk soort van menschen!—Zeg tegen je moeder, dat zij zich moest schamen! En word jij maar geen dronkaard; maar dat zal je wel worden! Arm kind! Ga maar heen!»

En de knaap ging verder; zijn pet bleef hij in de hand houden, en de wind speelde met zijn blonde lokken. Hij sloeg den hoek der straat om en kwam in het straatje, dat naar de rivier liep, waar zijn moeder druk met wasschen bezig was. Het water stroomde sterk, want de sluizen van den molen waren opengezet; het beddelaken dreef met den stroom mee. De waschvrouw had werk om het vast te houden.

«Het had niet veel gescheeld, of ik was zelf met den stroom meegesleept!» zeide zij. «Het is goed, dat je komt, want ik heb wel een hartsterking noodig! Zes uren sta ik hier al. Heb je wat voor mij?»

De knaap haalde de flesch te voorschijn, en zijn moeder zette haar aan den mond en nam er een fermen slok uit.

«Dat doet goed! Dat verwarmt! Dat is even goed als warm eten, en niet zoo duur! Drink ook eens, beste jongen! Je ziet er geducht bleek uit; je hebt het zeker koud in je dunne kleeren! Het is dan ook herfst. Foei! wat is het water koud! Als ik maar niet ziek word! Maar dat zal ik wel niet! Geef mij nog een slok en drink ook eens, maar slechts een klein slokje, want je moogt er niet aan wennen, mijn arme, goede jongen!»

En zij ging naar haar zoontje toe, terwijl het water haar uit de kleeren droop.

«Ik sta mij hier af te beulen; maar ik doe het graag, als ik je er maar eerlijk en rechtschapen doorheen breng, mijn beste jongen!»

Op dit oogenblik kwam er een oude vrouw aan, die er zeer armoedig uitzag; zij was aan haar eene been lam en droeg een lange, valsche lok over haar eene blinde oog: het oog moest door die lok bedekt worden, maar zij deed eigenlijk het gebrek nog meeruitkomen. Het was een vriendin van de waschvrouw; «de lamme Martha met de lok,» noemden de buren haar.

«Wat ben je daar weer in dat koude water aan het wasschen! Je hebt waarlijk wel noodig, dat je je een weinig verwarmt, en toch maken de booze tongen heel wat ophef van de slokjes, die je drinkt!»—En nu duurde het maar weinige oogenblikken, of al de woorden van den burgemeester waren aan de waschvrouw overgebracht; want Martha had alles gehoord, en zij had er zich over geërgerd, dat hij op zulk een wijze tegen het kind over diens eigen moeder en over de weinige droppeltjes sprak, die zij gebruikte, en wel omdat het juist op een dag gebeurde, waarop de burgemeester een groot gastmaal gaf, waarbij de wijn bij stroomen vloeide. «Fijne wijnen en koppige wijnen!» voegde zij er bij. «Maar dat noemt men geen drinken! Zij deugen wel, maar jij deugt niet!»

«Wel zoo! Heeft hij met je gesproken?» zei de waschvrouw tot haar jongen, en haar lippen trilden daarbij. «Je hebt een moeder, die niet deugt! Misschien heeft hij wel gelijk! Maar tegen het kind moest hij zoo iets niet zeggen! Uit dat huis is er al veel ellende over mij gekomen!»

«Je hebt daar immers gediend, toen de ouders van den burgemeester nog in leven waren en het huis bewoonden; dat is al vele jaren geleden! Sedert zijn er vele schepels zout gebruikt, en men moet dus wel dorst hebben,» en Martha glimlachte. «De burgemeester geeft vandaag een groot gastmaal; eigenlijk had het afgezegd moeten worden, maar het werd te laat, en het eten was ook al klaar. Ik heb het van den huisknecht gehoord. Zoo even is er een brief gekomen, dat zijn jongste broeder te Kopenhagen gestorven is!»

«Gestorven!» riep de waschvrouw uit en werd doodsbleek.

«Wel,» zeide Martha, «trek je je dat zoo erg aan? ’t Is waar ook, je kendet hem nog van den tijd, toen je daar in huis diendet.»

«Is hij dood? Het was zulk een goed man! Er worden er niet veel zooals hij gevonden!» En de tranen biggelden haar langs de wangen. «O mijn God! het draait mij alles voor de oogen,—dat komt, omdat ik de flesch leeggedronken heb,—dat heb ik niet kunnen verdragen! Ik voel mij alles behalve wel!»

«Mijn hemel! Je bent werkelijk ziek,» zei de andere vrouw. «Het is te hopen, dat het maar weer gauw over zal zijn. Het zal het beste wezen, dat ik je naar huis breng.»

«Maar de wasch dan?»

«Ik zal wel voor de wasch zorgen. Komaan! geef mij maar een arm! De jongen kan wel hier blijven en oppassen, totdat ik terugkom, dan zal ik het overige wel wasschen: dat is immers maar een kleinigheid!»

En de knieën der waschvrouw knikten.

«Ik heb te lang in de koude gestaan; en sedert van morgen heb ik droog noch nat over mijn lippen gehad! De koorts brandt mij door de leden. O, mijn God! help mij om naar huis te gaan!—Mijn arm kind!»—Zij weende. Ook de knaap weende, en al spoedig daarop zat hij alleen aan de rivier bij de natte wasch. De beide vrouwen liepen slechts langzaam voort, de waschvrouw sleepend en waggelend; zij gingen het straatje door en kwamen het huis van den burgemeester voorbij, en vlak daarvoor viel zij op de straatsteenen neer. Er verzamelden zich verscheidene menschen om haar heen: de lamme Martha liep in het huis, om hulp in te roepen. De burgemeester en zijn gasten gingen naar het raam toe.

«Dat is de waschvrouw!» zei hij; «die heeft een beetje te diep in het glaasje gekeken; zij deugt niet! ’t Is jammer van den aardigen jongen, dien zij heeft. Ik mag dat kereltje inderdaad graag lijden. Maar zijn moeder deugt niet!»

En de waschvrouw kwam weer bij, en men bracht haar in haar armzalige woning, waar zij te bed gelegd werd. De goede Martha maakte wat warm bier met boter en suiker klaar; dit middel, dacht zij, was het beste, en daarop begaf zij zich naar de rivier, waschte heel slecht, maar noemde het goed, en deed eigenlijk niets anders dan de natte wasch in de mand doen.

Tegen den avond zat zij in het armoedige kamertje bij de waschvrouw. Eenige gebakken aardappelen en een lekker vet stuk ham had de keukenmeid van den burgemeester haar voor de zieke gegeven; daaraan deden Martha en de knaap zich te goed; de zieke genoot van den heerlijken geur, deze was heel voedzaam, beweerde zij.

En de knaap werd te bed gebracht, in dezelfde bedstee, waarin zijn moeder lag; maar hij had zijn plaats aan haar voeten en dekte zich met een oude deken toe.

Met de waschvrouw ging het een weinig beter; het warme bier had haar versterkt, en de geur van het heerlijke eten had haar goedgedaan.

«Hartelijk dank!» zeide zij tegen Martha. «Ik zal je alles eens vertellen, als de kleine slaapt. Ik geloof, dat hij al in de rust is. Wat ziet hij er lief uit, zooals hij daar met gesloten oogen ligt! Hij weet niet, hoe het met zijn moeder gesteld is. God geve, dat hij dit nimmer te weten kome!—Ik diende bij de ouders van den burgemeester. Eens trof het zoo, dat de jongste der zoons, de student, te huis kwam; destijds was ik nog jong, een jolig meisje, maar eerbaar, dat mag ik voor het aangezicht Gods zeggen!» zei de waschvrouw. «De student was vroolijk en opgeruimd. Iedere droppel bloed aan hem was goed en rechtschapen; een beter mensch is er nooit op aarde geweest. Hij was zoon in huis, ik slechts meid; maar wij hadden elkander lief, doch in alle eer en deugd; een kus is toch geen zonde, als men elkaar waarlijk liefheeft. En hij zei het tegen zijn moeder, wie hij een afgodische liefde toedroeg! En hij was verstandig en liefderijk!—Hij vertrok en stak mij zijn gouden ring aan den vinger; en zoodra hij het huis uit was, riep mijn mevrouw mij binnen. Ernstig en toch liefderijk sprak zij tegen mij, alsof het God zelf was, die tegen mij sprak; zij deed mij den afstand gevoelen, die er tusschen hem en mij bestond.

««Nu let hij er slechts op, hoe aardig je er uitziet, maar je schoonheid zal vergaan! Je hebt niet zulk een opvoeding genoten als hij; je staat niet op denzelfden trap van ontwikkeling, en dat is een ongeluk. Ik acht den arme,» zeide zij, «bij God staat hij hooger aangeschreven dan menige rijke, maar hier op aarde moet men er zich voor wachten, in een verkeerd spoor te komen, als men voorwaarts rijdt; anders slaat het rijtuig omver, en je zult beiden omverslaan! Ik weet, dat een braaf man, een handwerksman, om je hand gevraagd heeft; ik bedoel Erich, den handschoenmaker; hij is weduwnaar en heeft geen kinderen, denk daar eens over na!»

«Ieder woord, dat zij sprak, sneed mij als een mes door het hart, maar de vrouw had gelijk! En dat drukte loodzwaar op mij!—Ik kuste haar hand en stortte bittere tranen, en weende nog meer, toen ik op mijn kamertje kwam en mij op mijn bed wierp. Het was een pijnlijke nacht, die er nu volgde. God weet, wat ik leed en streed. Op den daaraanvolgenden Zondag ging ik aan de tafel des Heeren, opdat het mij licht zou worden. Het was als een goddelijke beschikking: toen ik de kerk uittrad, kwam Erich mij tegen. En nu bleef er geen twijfel meer in mijn ziel over; wij pasten voor elkaar, wat rang en stand betreft, ja, hij was zelfs een welgesteld man; en ik ging dan ook naar hem toe, greep zijn hand en zei: «Heb je nog zin in mij?»—Ja, eeuwig en altijd!» zei hij.—«Wil je een meisje nemen, dat je acht en eert, maar niet liefheeft,—doch dat kan nog wel komen!»—«Dat zal wel komen!» zei hij, en daarop gaven wij elkaar de hand. Ik ging naar huis naar mijn mevrouw: den gouden ring, dien haar zoon mij gegeven had, droeg ik op mijn hart; ik kon hem overdag niet aan mijn vinger steken, maar deed dit alle avonden, voordat ik te bed ging. Ik kuste den ring, zoodat mijn lippen er van bloedden, en daarop gaf ik dien aan mijn mevrouw en zei tegen haar, dat ik in de volgende week met den handschoenmaker zou gaan trouwen. Toen omhelsde en kuste mijn mevrouw mij;—zij zeide niet, dat ikniet deugde, maar destijds was ik misschien wel beter, ofschoon ik nog niet zooveel ervaring omtrent de ellende, die er in de wereld bestaat, opgedaan had, als nu het geval is. Met Vrouwendag vierden wij de bruiloft; en in het eerste jaar ging het goed, we hadden een knecht en een leerling, en jij, Martha, diendet bij ons.»

«O, ge waart een lieve, goede huismoeder!» zei Martha, «nimmer zal ik vergeten, hoe goed gij en uw man voor mij geweest zijt!»

«Ja, dat waren destijds de goede jaren, toen je bij ons waart! Kinderen hadden we nog niet!—Den student zag ik niet meer!—Maar ja, ik zag hem toch nog eens, maar hij zag mij niet. Hij was hier bij gelegenheid van de begrafenis zijner moeder. Ik zag hem bij het graf staan; hij zag er doodsbleek uit en was diep bedroefd, maar dat was om zijn moeder; later, toen zijn vader stierf, was hij in vreemde landen en kwam niet weer hier. Hij is nooit getrouwd, dat weet ik; hij werd advocaat, geloof ik!—Mij had hij vergeten, en al had hij mij ook gezien, dan zou hij mij toch zeker niet herkendhebben, zooveel leelijker ben ik geworden. En dat is ook wel goed!»

Zij sprak over de dagen der beproeving en vertelde, hoe het ongeluk als ’t ware boven haar losbarstte. «Wij bezaten,» zeide zij, «vijfhonderd daalders, en omdat er destijds in de straat een huis voor tweehonderd te koop was en het de moeite wel zou loonen, dit af te breken en een nieuw te bouwen, werd het gekocht. De metselaar en de timmerman maakten een begrooting, en het nieuwe gebouw zou duizend en twintig daalders kosten. Erich had krediet, het geld leende hij in de hoofdstad,—maar de schipper, die het zou overbrengen, leed schipbreuk, en het geld ging met hem verloren.

«Omstreeks dezen tijd bracht ik mijn lieven jongen, die daar slaapt, ter wereld. Mijn man kreeg een hevige langdurige ziekte, drie vierendeel jaars moest ik hem aan- en uitkleeden. Wij gingen gedurig meer achteruit, wij maakten schulden; alles wat wij hadden, ging verloren, en mijn man stierf eindelijk. Ik heb gewerkt, gestreden en geleden, ter wille van mijn kind; ik ben uit schoonmaken gegaan, ik heb voor de menschen gewasschen; maar ik mag het niet beter krijgen; zoo is Gods wil! Maar Hij zal mij wel tot zich nemen en ook mijn zoontje niet verlaten!»

Daarop viel zij in slaap.

Tegen den morgen voelde zij zich verkwikt en krachtig genoeg, zooals zij meende, om weer aan haar werk te gaan. Zij was weer aan het wasschen gegaan. Daar begon zij eensklaps te beven en viel in onmacht; krampachtig sloeg zij met de handen in de lucht, deed een enkelen stap en viel neer. Haar hoofd lag op het land, maar haar voeten in de rivier; haar klompen, die zij aangehouden had,—in elke daarvan zat een bosje stroo,—dreven met den stroom weg. Zoo vond Martha haar, toen zij haar koffie wilde brengen.

Ondertusschen was er iemand van den burgemeester naar haar huis gezonden met de boodschap, «dat zij eens dadelijk bij hem moest komen; want dat hij haar iets te zeggen had.» Het was te laat! Er werd een chirurgijn gehaald, om een aderlating te doen; de waschvrouw was dood.

«Zij heeft zich doodgedronken!» zei de burgemeester.

In den brief, die hem de tijding van den dood zijns broeders bracht, was de inhoud van het testament meegedeeld, en daarin stond, dat er zeshonderd daalders aan de weduwe van den handschoenmaker waren vermaakt, die vroeger bij zijn ouders gediend had. Zooals men dit het beste vond, moest het geld «bij grootere of kleinere gedeelten aan haar of aan haar kind uitbetaald worden.»

«Er heeft zoo wat een vrijage tusschen mijn broeder en haar bestaan,» zei de burgemeester. «Het is goed, dat zij maar dood is; de knaap krijgt nu alles, en ik zal hem bij brave menschen in den kost doen; er kan een flink handwerksman van hem groeien!»—En op deze woorden schonk God zijn zegen.

De burgemeester liet den knaap bij zich komen, beloofde, dat hijzich zijner zou aantrekken, en voegde er nog bij, hoe gelukkig het was, dat zijn moeder maar gestorven was: zij deugde niet.

Men bracht haar naar het kerkhof, naar het kerkhof der armen; Martha strooide zand op het graf en plantte er een klein rozeboompje op; de knaap stond naast haar.

«Mijn lieve moeder!» zei hij, terwijl de tranen hem langs de wangen biggelden. «Is het dan waar? Deugde zij niet?»

«Ja, zij deugde wel!» zei de oude meid en sloeg een blik ten hemel. «Ik weet het sedert vele jaren en sedert den laatsten nacht. Ik zeg je, dat zij wel deugde!» En God in den hemel zei het ook,—laat dan de wereld maar zeggen: «Zij deugde niet!»


Back to IndexNext