Iets.

Iets.«Ik wil iets zijn!» zei de oudste van vijf broeders. «Ik wil nut in de wereld stichten; al moge het ook nog zulk een nederige betrekking zijn, als datgene, wat ik doe, maar wat goeds is, dan is het inderdaad iets. Ik wil baksteenen maken; die kan men niet missen; en dan heb ik werkelijk iets gedaan!»«Maar iets, dat veel te weinig beteekent!» sprak de tweede broeder. «Datgene, wat je wilt doen, is zoo goed als niets: dat is werktuigelijke arbeid en kan even goed door een machine verricht worden. Neen, dan zou ik liever metselaar zijn, dat is ten minste iets, dat wil ik worden; dat is een stand in de maatschappij. Daardoor wordt men een gildebroeder, een burger, daardoor krijgt men zijn eigen vaandel, zijn eigen herberg, ja, als alles naar wensch gaat, zal ik knechts kunnen houden, word ik baas, en zal mijn vrouw juffrouw genoemd worden; dat is toch iets!»«Dat is toch eigenlijk niets!» zei de derde; «dan behoort men toch niet tot den deftigen stand, en er zijn velen in een stad, die allen ver boven een metselaarsbaas staan. Men kan wel een braaf man zijn; doch men behoort als «baas» toch maar tot diegenen, die men den «gemeenen» man noemt. Neen, dan weet ik wat beters! Ik wil architect worden, mij op het gebied der kunst begeven en tot de hooger geplaatsten in het rijk des geestes behooren. Wel is waar moet ik van meet af aan beginnen, ja, om het maar ronduit te zeggen, moet ik als krullejongen beginnen, moet ik met een pet rondloopen, ofschoon ik er aan gewoon ben, een zijden hoed te dragen, moet ik voor de knechts jenever en bier halen, en dezen zullen jij en jou tegen mij zeggen, en dat is beleedigend; doch ik zal mij maar verbeelden, dat dit alles slechts voor de grap is! Morgen—dat wil zeggen, als ik knecht ben, dan ga ik mijn eigen weg, de anderen gaan mij niets aan! Ik ga op de teekenacademie, krijg onderwijs in het teekenen, heet architect!—Dat is iets, dat is veel!—Ik kan Weledele Heer, ja Weledelgeboren Heer worden, ja zelfs nog een deftiger titel krijgen, en ik bouw en bouw, evenals de anderen vóór mij gebouwd hebben. Dat is altijd iets, waarop men kan bouwen. Het geheel is iets!»«Maar ik vind dat iets eigenlijk niets!» sprak de vierde; «ik wil niet in het zog van anderen varen, geen kopie zijn; ik wil een genie zijn, ik wil meer beteekenen dan jelui allemaal met elkaar. Ik ben de schepper van een nieuwen bouwstijl, ik geef het idee voor een gebouw aan de hand, passend voor het klimaat en de materialen van het land, voor de nationaliteit van het volk, voor de ontwikkeling der eeuw, en geef bovendien nog een verdieping toe voor mijn genie!»«Maar als nu het klimaat en de materialen niet deugen?» zei de vijfde. «Dat zou een onaangename omstandigheid zijn, want zij oefenen hun invloed uit. De nationaliteit kan zich ook zoodanig uitbreiden, dat zij onnatuurlijk en gemaakt wordt; de ontwikkeling dereeuw kan met je op hol gaan, evenals de jeugd dikwijls op hol gaat. Ik zie het al aankomen, dat geen van jelui iets zal worden ofschoon je hetzelf ook denkt! Maar doet, wat je wilt, ik zal je niet gelijk zijn; ik stel mij buiten de zaken, ik wil over datgene redeneeren, wat jelui uitvoert. Aan ieder ding kleeft iets, wat niet juist is, iets verkeerds, dat zal ik opsporen en bespreken; dat is iets!»Dat deed hij dan ook, en de menschen zeiden van den vijfde: «In hem zit bepaald iets! Het is een schrandere kop! Maar hij. doet niets!»—Doch juist daarom was hij iets!Zie, dat is maar een kleine geschiedenis, en toch heeft zij geen einde, zoolang de wereld bestaat.Maar werd er dan verder niets van de vijf broeders?—Dat was immers niets en niet iets!Laat ons verder hooren!De oudste broeder, die baksteenen vervaardigde, merkte al spoedig, dat er van iederen steen, als deze gereed was, een kleine munt, al was het er ook maar een van koper, afviel; maar vele koperen penningen, bij elkaar gelegd, maken een daalder, en waar men met zulk een muntstuk aanklopt, hetzij bij den bakker, of bij den slager, of bij den kleermaker, ja, bij allen, daar vliegt de deur open, en men krijgt, wat men moet hebben; zie, dat werpen de steenen af;—enkele verbrokkelden wel is waar of sprongen in tweeën, maar zulke kon men ook wel gebruiken.Op den hoogen aarden wal, den beschermenden dijk aan de zeekust, wilde een arme vrouw, Margaretha genaamd, een huisje bouwen; zij kreeg al de verbrokkelde steenen en daarbij nog eenige heele, want de oudste broeder bezat een goed hart, al bracht hij het ook niet verder, dan dat hij baksteenen vervaardigde.De arme vrouw bouwde haar huisje zelf; het was wel is waar klein en bekrompen, het eene raam zat scheef, de deur was te laag en het stroodak had beter gelegd kunnen worden; maar beschutting verleende het toch, en ver over de zee, die met geweld tegen den muur aanklotste, kon men van uit het huisje zien; de zilte golven deden haar schuim over het geheele huis spatten, dat er nog stond, toen hij, die de steenen daarvoor vervaardigd had, al lang dood en begraven was.De tweede broeder, die had nu meer verstand van het metselen; hij had dit dan ook geleerd. Toen zijn proefjaren als gezel ten einde waren, deed hij zijn ransel om en hief het lied van den handwerksman aan:«Daar ik jong ben, ga ’k op reis,Buiten wil ik huizen bouwen,Gaan van plaats tot plaats in ’t rond;Jonkheid geeft ons zelfvertrouwen.Keer ik weer in ’t vaderland,’t Meisje wacht mij, dat ik min.’k Word gauw baas! Met vromen zinRoep ik: Leev’ de werkmansstand!»En baas werd hij dan ook. Toen hij teruggekomen en baas geworden was, metselde hij in de stad het eene huis na het andere, een heele straat, en toen de straat voltooid was, er goed uitzag en de stad tot sieraad strekte, bouwden de huisjes hem weer een huis, dat zijn eigendom zou zijn. Maar hoe kunnen de huizen bouwen? Vraag het hun, en zij zullen u het antwoord schuldig blijven; maar de menschen zullen het woord opvatten en zeggen: «Zeker heeft de straat hem een huis gebouwd!» Klein was het, en de vloer was met leem belegd, maar toen hij met zijn bruid over den leemen vloer danste, werd deze blank en glad, en uit iederen steen in den muur schoot een bloem te voorschijn en versierde de kamer als met het kostbaarste tapijt. Het was een lief huis en een gelukkig echtpaar. Het vaandel van het gild wapperde uit het huis, en gezellen en leerjongens riepen: «Hoera!» Ja, dat was iets! En toen stierf hij: dat was ook iets!Nu kwam de architect, de derde broeder, die eerst krullejongen geweest was, met een pet geloopen had en boodschappen had gedaan, maar die op de academie geweest en eindelijk tot bouwmeester opgeklommen was, en nu een «Weledelgeboren Heer» genoemd werd.Hadden de huizen der straat voor zijn broeder, die metselaarsbaas was, een huis gebouwd, naar hem werd de straat genoemd, en het mooiste huis uit de straat werd zijn eigendom; dat was iets, en hij was iets—en dat met een langen titel van voren en van achteren. Zijn kinderen noemde men «jongeheeren en jongejuffrouwen,» en toen hij stierf, was zijn weduwe een «douairière,»—dat is iets! En zijn naam bleef voor immer op den hoek van de straat geschreven staan en leefde in aller mond voort als de naam van een straat,—ja, dat is iets!Daarop kwam het genie, de vierde broeder, die iets nieuws, iets buitengewoons, en nog een verdieping daarenboven wilde uitvinden; maar deze viel naar beneden en brak zijn nek;—maar hij kreeg een mooie begrafenis met gildevaandels en muziek, bloemen in de courant en op de straat over de steenen heen, en men hield voor hem drie lijkredenen, de een al langer dan de andere, en dat zal hem heel veel plezier gedaan hebben; want hij had graag, dat er over hem gesproken werd; ook werd er een monument op zijn graf opgericht, wel is waar slechts één verdieping hoog, maar dat is toch altijd iets!Hij was nu gestorven, evenals dit met zijn drie andere broeders het geval was; maar de laatste, die redeneerde, overleefde ze allemaal, en dat was juist, zooals het wezen moest; want daardoor kreeg hij immers het laatste woord, en het was voor hem van zeer veel gewicht, het laatste woord te hebben. «Hij was toch een schrandere kop!» zeiden de menschen.—Maar eindelijk sloeg ook zijn ure; hij stierf en kwam voor de poort des hemels. Daar traden altijd twee te gelijk binnen; hij stond daar met een andere ziel, die er ook graag in wilde, en dit was juist de oude vrouw Margaretha uit het huis op den dijk.«Dat gebeurt zeker om het contrast, dat ik en deze ellendige ziel hier tegelijkertijd moeten aankomen!» zei de liefhebber van redeneeren. «Wel zoo! Wie ben je; vrouwtje? Wil je er ook in?» vroeg hij.De oude vrouw maakte een buiging, zoo goed als zij dit kon; zij dacht, dat het Petrus zelf was, die tegen haar sprak. «Ik ben een oude arme vrouw zonder eenige familie, ik ben de oude Margaretha uit het huis op den dijk.»«Welnu, wat hebt ge op de wereld uitgevoerd?»«Ik heb waarlijk niets op de wereld uitgevoerd, niets, waarom de poort hier voor mij zou kunnen ontsloten worden. Het zal een waarachtige genade zijn, als men mij vergunt, dat ik door de poort binnentreed!»«Op welke wijze hebt ge de wereld verlaten?» vroeg hij verder, om toch ergens over te spreken, daar het hem verveelde, daar te staan wachten.«Ja, hoe ik haar verlaten heb, dat weet ik niet! Gedurende het laatste jaar ben ik ziek en ellendig geweest, en ik heb het zeker niet kunnen verdragen, uit het bed te komen en in vorst en koude zoo plotseling de deur uit te gaan. Het is een strenge winter, maar nu heb ik het immers doorgestaan. Het was eenige dagen stil weer, maar erg koud, zooals ge zelf wel weet; het ijs lag zoover in de zee, als men zien kon; al de menschen uit de stad wandelden over het ijs; daar was, zooals zij zeiden, schaatsenrijden en dans, geloof ik; groote muziek en traktatie was daar ook; de muziek drong tot het armoedige kamertje, waarin ik lag, door. En toen was het zoo tegen den avond; de maan was prachtig opgekomen, maar nog niet in haar vollen glans; ik keek uit mijn bed over de ruime zee heen, en daar buiten, aan den rand van de lucht en de zee, kwam een zonderlinge witte wolk te voorschijn; ik lag en zag de witte wolk aan, ik zag ook het zwarte puntje in het midden van de wolk, dat al grooter en grooter werd; en nu wist ik, wat dat te beteekenen had; ik ben ervaren, ofschoon men dat teeken niet dikwijls ziet. Ik kende het, en een huivering voer mij door de leden.«Ik heb iets dergelijks al tweemaal van mijn leven gezien, ik wist, dat er een verschrikkelijke storm met een springvloed uit zou voortkomen, die de arme menschen daarbuiten, die nu dronken, rondsprongen en juichten, zou overvallen; jong en oud, de geheele stad was immers buiten; wie zou ze waarschuwen, als niemand daar dit zag en de beteekenis er van wist, hetgeen met mij wel het geval was? Ik kwam mijn bed uit en ging naar het raam; verder kon ik mij van vermoeidheid niet sleepen.«Toch gelukte het mij eindelijk, het raam open te schuiven, ik zag de menschen buiten op het ijs loopen en springen; ik zag ook de mooie vlaggen, die in den wind wapperden; ik hoorde de jongens hoera! roepen, knechts en meiden zingen; het ging vroolijk toe; maar—die witte wolk met dat zwarte stipje!«Ik riep zoo hard, als ik maar kon; doch niemand hoorde mij;ik was te ver van de menschen vandaan. Spoedig moest de storm losbarsten en het ijs breken, en dan zouden allen, die er op waren, reddeloos verloren zijn. Zij konden mij niet hooren, ik kon hun geen wenk geven; o, kon ik ze maar op het land brengen! Nu gaf de goede God mij de gedachte in, mijn bed in brand te steken en liever mijn heele huisje te laten verbranden, dan dat zoo velen jammerlijk zouden omkomen.«Het gelukte mij, voor hen een licht te ontsteken; de roode vlam steeg hoog op,—ja, ik ontkwam gelukkig uit de deur; maar voor deze bleef ik liggen; ik kon niet verder; de vlam kwam naar mij toe; flikkerde uit de ramen, sloeg hoog boven het dak uit; al de menschen buiten op het ijs zagen haar, en allen liepen zoo hard als zij konden, om een arme ter hulp te snellen, die, zooals zij dachten, gevaar liep om levend te verbranden; niet een was er, die niet holde; ik hoorde ze komen, maar ik hoorde ook, hoe het eensklaps in de lucht bruiste, ik hoorde het dreunen als zware kanonschoten; de springvloed hief den ijsvloer op, die in duizend stukken barstte; maar de menschen bereikten den dijk, waar de vonken over mij heenvlogen; ik redde ze allen!—Doch ik heb de koude niet kunnen verdragen en ook niet den schrik, en zoo ben ik hier aan de poort des hemels gekomen; men zegt immers, dat er ook voor zulk een arm mensch als ik ben opengedaan wordt, en nu heb ik immers geen huis beneden op den dijk,—doch dat geeft mij zeker geen toegang!»Daar ging de poort des hemels open, en de engel bracht de oude vrouw binnen, zij verloor een strootje, een van die strootjes, welke er in haar bed gezeten hadden, toen zij dit in brand stak,om velen te redden, en dat had zich in het zuiverste goud veranderd en wel in zulk goud, dat aldoor toenam en de schoonste bloemen en bladeren voortbracht.«Zie eens! Dat heeft die arme vrouw gebracht!» zei de engel. «Wat brengt gij? Ja, ik weet het wel, dat ge niets uitgevoerd hebt: niet eens een baksteen hebt ge gemaakt; als ge maar weer kondt teruggaan en het althans zoo ver brengen; waarschijnlijk zou de steen, als ge dien gemaakt hadt, niet veel waard zijn; maar als hij met een goeden wil gemaakt was, dan zou het toch altijd iets zijn; maar ge kunt niet terug, en ik kan niets voor u doen!»Nu deed de arme ziel, het moedertje uit het huis op den dijk, een goed woord voor hem: «Zijn broeder heeft mij de steenen gegeven, waarvan ik mijn armzalig huis gebouwd heb, en dat was zeer veel voor mij, arme! Zouden nu niet al die halve en heele steenen als één steen voor hem kunnen gelden? Het is een daad van genade! Hij heeft daaraan nu behoefte, en hier is immers de bron van genade!»«Uw broeder, diegene, dien gij den geringste noemdet,» zei de engel, «diegene, wiens eerlijk werk u het nederigst toescheen, schenkt u zijn hemelsche gave. Ge zult niet teruggewezen worden; het zal u vergund zijn, hier buiten te staan en na te denken, maar er in komt ge niet, voordat ge inderdaad—iets uitgevoerd hebt!»«Dat zou ik beter hebben kunnen zeggen!» dacht de liefhebber van redeneeren; maar hij sprak dit niet overluid uit, en dat was ten minste al iets!Het doornenpad der eer.Er bestaat nog een oud sprookje van «het doornenpad der eer,»—van een schutter, die wel is waar tot eer en waardigheden opklom, maar eerst na vele wederwaardigheden en allerlei strijd.—Wie heeft bij dit sprookje niet aan zijn eigen doornenpad en aan zijn vele «wederwaardigheden» gedacht? Het sprookje en de werkelijkheid grenzen zeer na aan elkander: maar het sprookje heeft zijn harmonische oplossing hier op aarde, de werkelijkheid vindt deze dikwijls eerst aan gene zijde van het aardsche leven en wijst op tijd en eeuwigheid.De geschiedenis der wereld is een tooverlantaarn, die ons in lichtbeelden op den donkeren grond van het tegenwoordige aanwijst, hoe de weldoeners der menschheid, de martelaars van het genie, het doornenpad van de eer en den roem bewandelen.Uit alle tijden, uit alle landen stralen deze lichtbeelden ons tegen, elk wel is waar slechts voor eenige oogenblikken, maar toch als een geheel leven, een levenstijd met zijn strijd en zijn zegepraal. Laat ons hier en daar enkelen van deze schare van martelaren beschouwen,—deze schare, waaraan eerst dan een einde komt, wanneer de aarde vergaat.Wij zien een welbezet amphitheater. Uit de «Wolken» van een Aristophanes gieten de spot en de scherts zich in stroomen over de menigte uit; op het tooneel wordt de merkwaardigste man van Athene, hij, die het schild en de steun van het volk tegen de dertig tirannen was, wordt Socrates belachelijk gemaakt, Socrates, die in het strijdgewoel Alcibiades en Xenophon redde en wiens geest zich boven de goden der oudheid verhief. Hij zelf is hier tegenwoordig; hij is van de bank der toeschouwers opgestaan en te voorschijn gekomen, opdat de lachende Atheners zouden zien, hoe het met de gelijkenis tusschen hem en de karikatuur op het tooneel geschapen was; daar staat hij voor hen, hoog boven hen allen verheven.Gij, sappige, groene, vergiftige scheerling, en niet gij, olijfboom, werp hier uw schaduw over Athene!Zeven steden streden om de eer, de geboorteplaats van Homeruste zijn, dat is te zeggen: nadat hij dood was. Beschouwen wij hem gedurende zijn leven!—Hij loopt te voet door de steden en zegt zijn verzen op om te leven; de gedachte aan den dag van morgen doet zijn haar grijs worden!—Hij, de groote ziener, is blind en bewandelt met moeite zijn pad; de scherpe doorn verscheurt den mantel van den dichterkoning!—Zijn gezangen leven nog, en door deze alleen leven de goden en de helden der oudheid.Het eene beeld na het andere rijst voor ons op uit het Oosten, uit het Westen, zeer ver van elkander, wat tijd en plaats aangaat, en toch altijd een gedeelte van het doornenpad der eer, waarop de distel eerst dan een bloem voortbrengt, wanneer het graf versierd moet worden.Onder psalmen trekken de kameelen voort, rijk beladen met indigo en andere kostbare schatten, door den heerscher des lands aan hem gezonden, wiens gezangen de vreugde des volks, de roem des lands zijn; hij, dien leugen en nijd in de ballingschap zonden, hij is gevonden,—de karavaan nadert het stadje, waarin hij een schuilplaats vond: een lijk wordt de stadspoort uitgedragen, en de lijkstoet beveelt de karavaan, halt te houden. De doode is juist degene, dien zij zoekt: Firdusi,—het doornenpad der eer is ten einde gewandeld!De Afrikaan met de plompe gelaatstrekken, de dikke lippen, het zwarte, wollige haar, zit op de marmeren trappen van het paleis in de hoofdstad van Portugal en bedelt; het is de getrouwe slaaf van Camoëns; zonder hem en zonder de koperen munten, die de voorbijgangers hem toewerpen, zou zijn heer, de zanger der Lusiade, van honger sterven.Tegenwoordig verheft zich een kostbaar monument op het graf van Camoëns.Een nieuw beeld!Achter de ijzeren tralies vertoont zich een man, die er doodsbleek uitziet, met een langen, ongekamden baard. «Ik heb een uitvinding gedaan, de grootste sedert eeuwen!» roept hij, «en men heeft mij langer dan twintig jaren hier opgesloten gehouden!»—«Wie is die man?»—«Een krankzinnige!» antwoordt de bewaker der krankzinnigen. «Waar kan een mensch in zijn krankzinnigheid al niet toe komen! Hij verbeeldt zich, dat men zich door stoom kan bewegen!»—Het is Salomo de Caus, de ontdekker der stoomkracht, wiens voorgevoel, in onduidelijke woorden uitgesproken, door een Richelieu niet begrepen werd: hij sterft in het krankzinnigengesticht.Hier staat Columbus, dien de straatjongens eenmaal vervolgden en bespotten, omdat hij een nieuwe wereld wilde ontdekken,—hij heeft haar ontdekt! Het gejubel klinkt hem bij zijn zegevierende terugkomst van menschenlippen en door kerkklokstonen tegen, maar de klokken van den nijd overstemden deze al spoedig. De ontdekker eener nieuwe wereld, hij, die het Amerikaansche goudland uit de zee deed oprijzen en aan zijn koning schonk, hij wordt metijzeren ketenen beloond! Hij wenscht deze ketenen in zijn graf mee te nemen; zij leggen getuigenis af van de wereld en van de wijze, waarop tijdgenooten verdiensten schatten.Het eene beeld na het andere rijst op: het doornenpad van de eer en den roem is overvol.Hier in den donkeren nacht zit hij, die de bergen der maan gemeten heeft, hij, die in de oneindige ruimte tot sterren en planeten doordrong, hij, de machtige, die den geest der natuur hoorde en het gevoelde, dat de aarde zich onder zijn voeten bewoog: Galilei. Blind en doof zit hij daar, de grijsaard, gefolterd door den doorn van het lijden in de kwellingen der verloochening, tenauwernood in staat om zijn voet op te lichten, denzelfden, waarmee hij eens in de smart zijner ziel, toen men de waarheid verduisterde, op den grond stampte en uitriep: «En toch beweegt zij zich!»Hier staat een vrouw met een kinderlijk gemoed in geestdrift en geloof,—voor het strijdende leger draagt zij de banier vooruit, en brengt haar vaderland zegepraal en redding. Het gejuich weerklinkt en de brandstapel vlamt: Jeanne d’Arc, de heks, wordt verbrand!—Ja, een latere eeuw spuwt den zwadder der verachting op de witte lelie uit. Voltaire, de sater van het gezonde menschenverstand, zingt van «La pucelle.»Op den Thing te Wiborg verbrandt de Deensche adel de wetten des konings,—zij vlammen hoog op, verlichten de eeuw en den wetgever, werpen een schijnsel van glorie in den donkeren gevangenistoren, waarin de vroegere heerscher over drie koninkrijken, de populaire koning, de vriend der burgers en der boeren, Christiaan de Tweede, vergrijsd, gebogen, met zijn vinger een reet in het steenen tafelblad makende, zit. Vijanden teekenen zijn geschiedenis op. Aan zijn zeven-en-twintigjarige gevangenschap willen wij gedenken, al kunnen wij zijn bloedschuld ook niet loochenen.Een schip zeilt uit en verlaat het Deensche strand; tegen den mast leunt een man, die voor de laatste maal een blik op het eiland Hveen slaat;—het is Tycho Brahe; hij verhief den naam van Denemarken tot aan de sterren, en men beloonde hem met grieven, met gebrek en verdriet;—hij vertrekt naar een vreemd land. «De hemel welft zich overal boven mij. Wat wil ik meer?» spreekt hij en zeilt weg, de beroemde Deen, geëerd en vrij in een vreemd land!»«Ach, vrij, al ware het slechts van de duldelooze smarten van het lichaam!» luidt de zucht, die door de tijden heen en tot ons oor doordringt. Welk een beeld! Griffenfeld, een Deensche Prometheus, aan het rotsachtige eiland Munkholm gekluisterd!Wij bevinden ons in Amerika aan den oever van een der grootste rivieren; een tallooze menschenmenigte heeft zich verzameld: een schip, zoo heet het, zal tegen weer en wind, de elementen trotseerend, kunnen zeilen; Robert Fulton noemt zich de man, die dit vraagstuk denkt op te lossen. Het schip begint zijn tocht; maar eensklaps blijft het stilliggen,—de menigte lacht, fluit en sist, deeigen vader van den man fluit. «Hoogmoed! Dwaasheid! Nu gebeurt er, wat hij verdiend heeft,» heet het; «achter slot en grendel met den waanzinnige!»—Daar breekt een kleine spijker, die voor een oogenblik de machine belemmerde, de roeiriemen bewegen zich weer, de raderen breken op nieuw de kracht van het water, het schip zet zijn tocht voort! De kracht van den stoom verkort de uren tot minuten tusschen de landen der wereld!Menschengeslacht! begrijpt gij de zaligheid van zulk een minuut van wetenschap, van dit doordrongen zijn des geestes van zijn roeping, dat oogenblik, waarop al de wanhoop, elke wonde, die het doornenpad der eer sloeg,—zelfs die van eigen schuld,—in heil, kracht en klaarheid verandert, de disharmonie zich in harmonie oplost, dat oogenblik, waarop de menschen de openbaring der goddelijke genade gewaar worden!Op machtige vleugelen zweeft de geest der geschiedenis door de tijden en toont,—bemoedigend en vertroostend, milde gedachten opwekkend,—op een nachtelijk donkeren grond in lichtende beelden het doornenpad der eer, dat niet, evenals in het sprookje, in glans en vreugde hier op aarde, maar verder dan deze in tijd en eeuwigheid eindigt!De goddelooze koning.Er was eens een goddelooze koning; al zijn denken en streven was slechts daarop gericht, alle landen der wereld te veroveren en alle menschen vrees in te boezemen; te vuur en te zwaard trok hij rond, en zijn soldaten vertrapten het zaad op de velden en staken het huis van den boer in brand, zoodat de roode vlam de bladeren van den boom verschroeide en de vruchten gebraden aan de verzengde, zwarte boomen hingen. Met een naakten zuigeling op den arm vluchtte menige arme moeder achter de nog rookende muren van haar afgebrande woning; maar hier zochten de soldaten haar ook, en als zij de ongelukkigen vonden, dan gaf dit nieuw voedsel aan hun duivelachtige vreugde; booze geesten hadden niet erger huis kunnen houden dan deze soldaten; maar de koning vond, dat het zoo goed was, dat het zoo moest toegaan. Met den dag groeide zijn macht aan, zijn naam werd door allen gevreesd, en het geluk volgde zijn schreden bij al zijn ondernemingen. Uit de veroverde steden voerde hij onmetelijke schatten weg; in zijn residentiestad werd een rijkdom opgestapeld, die op geen andere plaats zijns gelijke had.Hij liet paleizen, kasteelen en kerken bouwen, en iedereen, die deze prachtige gebouwen en deze schatten zag, riep vol eerbied uit: «Welk een groot koning!» Zij dachten niet aan de ellende, die hij over andere landen en steden gebracht had; zij hoorden de zuchten en de jammerklachten niet, die er uit de in de asch gelegde steden ten hemel opklommen.De koning beschouwde zijn goud en zijn prachtige gebouwen, en dacht daarbij evenals de menigte: «Welk een groot koning!—Maar ik moet veel meer hebben, veel meer! Geen macht mag met de mijne gelijkstaan, of grooter dan de mijne zijn!» Hij verklaarde daarom den oorlog aan de naburige koningen en overwon ze allen. De overwonnen koningen liet hij met gouden ketenen aan zijn wagen vastbinden, en zoo reed hij door de straten van zijn residentie; als hij aan tafel zat, dan moesten die koningen voor hem en zijn hovelingen op de knieën liggen en zich met de brokken, die hun van de tafel toegeworpen werden, verzadigen.Eindelijk liet de koning zijn eigen beeldzuil op de publieke pleinen en in de koninklijke kasteelen oprichten, ja, hij wilde ze zelfs in de kerken voor het altaar des Heeren plaatsen, maar de priesters verzetten zich daartegen en zeiden: «O koning! gij zijt groot, maar God is grooter; wij wagen het niet, uw bevel te gehoorzamen!»«Welaan dan!» riep de koning uit, «ik zal ook God overwinnen!»—En in overmoed en dwazen wrevel liet hij een kostbaar schip bouwen, waarmee hij door de lucht kon zeilen; het was bont en prachtig om aan te zien, als de staart van een pauw, en het was als met duizenden oogen bezet en bezaaid;—maar ieder oog was een geweerloop. De koning zat in het midden van het schip, hij behoefde slechts op een daar aangebrachte veer te drukken, en dan vlogen er duizend kogels naar alle kanten heen, terwijl de vuurwapenen terstond weer op nieuw geladen waren. Honderden arenden werden er voor het schip gespannen, en met pijlsnelheid ging het nu opwaarts naar de zon toe. Wat lag daar de aarde diep beneden! Met haar bergen en bosschen scheen zij slechts een akker te zijn, waarin de ploeg zijn voren getrokken had; al spoediggeleek zij nog slechts op een platte landkaart met onduidelijke lijnen, en eindelijk was zij geheel in wolken en nevelen gehuld. Gedurig hooger vlogen de arenden, opwaarts in de lucht. Nu zond God een enkelen zijner ontelbare engelen uit; de goddelooze koning schoot duizenden kogels op hem af, maar de kogels stuitten op de schitterende vleugels van den engel af en vielen als gewone hagelkorreltjes neer; maar een bloeddroppel, slechts een enkele, droppelde er van een der witte vleugelen neer, en deze droppel viel op het schip, waarop de koning zat; hij brandde in het schip in, woog als duizend centenaars lood en deed het schip met bliksemsnelheid naar beneden naar de aarde neerdalen; de sterke vleugels der arenden braken, de wind gierde om het hoofd van den koning, en wolken in de rondte,—deze waren immers uit den rook der verbrande steden samengesteld,—vormden zich in dreigende gestalten, als mijlenlange zeekrabben, die haar pooten en haar scharen naar hem uitstrekten, stapelden zich op tot ontzaglijke rotsen met neerrollende, verpletterende blokken, vormden zich tot vuurspuwende draken. Halfdood lag de koning op het schip uitgestrekt, en dit bleef eindelijk met een vreeselijken schok in de dikke takken van een bosch hangen.«Ik wil God overwinnen!» zei de koning, «ik heb het gezworen, mijn wilmoetgeschieden!»—En zeven jaren lang liet hij bouwen en werken aan kunstige schepen tot het doorzeilen der lucht, liet bliksemstralen van het hardste staal snijden, want hij wilde den hemelburcht doen springen. Uit al zijn landen verzamelde hij legers, die, als zij man naast man geschaard stonden, een ruimte van verscheidene mijlen besloegen. Het leger ging aan boord van de kunstige schepen, de koning begaf zich naar het zijne;—daar zond God een kleinen zwerm muggen uit. Deze gonsden om den koning heen en staken zijn gezicht en zijn handen; in toorn ontstoken, trok hij zijn zwaard en sloeg om zich heen, maar hij sloeg slechts in de lucht, en de muggen trof hij niet. Nu beval hij, kostbare tapijten te brengen en hem daarin te wikkelen, opdat geen mug hem meer zou kunnen steken, en de dienaren deden, zooals hun bevolen was. Maar een enkele mug had zich op den binnenkant van het tapijt neergezet; van hier kroop zij in het oor des konings en stak hem; het brandde als vuur, het vergif drong in zijn hersenen door; als waanzinnig rukte hij de tapijten van zijn lichaam af en slingerde ze ver van zich weg, verscheurde zijn kleederen en danste naakt in de rondte voor de oogen van zijn ruwe soldaten, welke nu den spot dreven met den krankzinnigen vorst, die God wilde beoorlogen en die door een enkele kleine mug overwonnen was.Twee hanen.Twee hanen waren er, de een op den mesthoop, de ander op het dak; hoovaardig waren zij beide; maar wie van hen voerde wel hetmeeste uit? Zeg ons uw meening daarover eens,—wij behouden toch onze eigen.De plaats, waarop de kippen liepen, was door een plank van een andere plaats gescheiden, waarop een mesthoop was, en op dezen mesthoop lag en groeide een groote augurk, die het bewustzijn had, dat zij een broeibedplant was.«Daartoe wordt men geboren,» sprak het in het binnenste van de augurk. «Niet allen kunnen als augurken geboren worden, er moeten ook andere soorten zijn! De kippen, de eenden en al het gedierte van de naburige plaats zijn ook schepselen. Naar den haan, die op de plank staat, zie ik nu op; deze heeft echter een heel andere roeping dan de weerhaan, die zoo hoog geplaatst is en niet eens kan knarsen, laat staan dan kraaien; hij heeft noch kippen, noch kuikentjes, hij denkt slechts aan zich zelf en zweet kopergroen! Neen, die haan op de plank is eerst een haan! Zijn gang is dans, zijn kraaien is muziek! Waar hij komt, daar wordt het iemand terstond duidelijk, wat een trompetter is. Als hij maar hierheen kwam! En al at hij mij ook met huid en haar op, en al moest ik ook in zijn buik begraven worden,—dat zou een zalige dood zijn!» sprak de augurk.’s Nachts werd het een verschrikkelijk weer; kippen, kuikentjes en zelfs de haan zochten beschutting; de wind rukte de plank tusschen de beide plaatsen weg, dat het kraakte; de dakpannen vielen naar beneden, maar de weerhaan zat vast; hij draaide niet eens in de rondte, hij kon niet in de rondte draaien, en toch was hij nog jong, pas gegoten, maar stil en bedaard; hij was oud geboren, begreep volstrekt niets van de vogels, die in de lucht vlogen, de musschen, de zwaluwen,—neen, die verachtte hij; dat waren piepvogels van geringe grootte, gewone piepvogels! De duiven, vond hij, waren groot en blank, en schitterend als paarlemoer, zij zagen er uit als een soort van weerhanen; maar zij waren dik en dom;al haar denken en streven was er slechts op gericht, haar buik te vullen; ook waren zij vervelend in den omgang.Ook de trekvogels hadden den weerhaan een bezoek gebracht en hem verteld van vreemde landen, van luchtkaravanen en ijselijke rooversgeschiedenissen met de roofvogels; dat was nieuw en interessant, namelijk de eerste maal; maar later, dat wist de weerhaan, herhaalden zij het, vertelden steeds dezelfde geschiedenissen, en dat is vervelend! Zij waren vervelend, en alles was vervelend, met niemand kon men omgang hebben, allen waren laf en bekrompen.«De wereld deugt niets!» zei hij. «Alles is maar dwaasheid!»De weerhaan was opgeblazen, en deze eigenschap zou hem zeker bij de augurk interessant gemaakt hebben, als zij het geweten had; maar zij had slechts oogen voor den anderen haan, en die was nu op de plaats bij haar.De wind had de plank omgeblazen; maar de storm was voorbij.«Wat zegt ge wel van dat gekraai?» vroeg de haan aan de kippen en de kuikentjes. «Het was een weinig ruw, de elegantie ontbrak er aan.»En kippen en kuikentjes betraden den mesthoop, en de haan betrad dien ook met een deftigen stap.«Tuingewas!» zeide hij tegen de augurk, en uit dit eene woord werd haar zijn hooge beschaving duidelijk, en zijvergafhet, dat hij in haar pikte en haar opat.«Een zalige dood!»De kippen en de kuikentjes kwamen, en als de een gaat loopen, dan doet de ander het ook; zij klokten en piepten, en zij zagen den haan aan en waren er trotsch op, dat hij van hun soort was.«Kukelekuku!» kraaide hij, «de kuikentjes worden terstond tot groote kippen, als ik het uitkraai in den kippenren der wereld!»En kippen en kuikentjes klokten en piepten, en de haan verkondigde een groot nieuws.«Een haan kan een ei leggen! En weet je, wat er in het ei zit?—In het ei zit een basilisk. Den aanblik van zulk een beest vermag niemand uit te houden; dat weten de menschen, en nu weet je het ook; nu weet je, dat ik een ferme kerel ben!»Daarop sloeg de haan met zijn vleugels, deed zijn hanekam opzwellen en kraaide weer; en allen huiverden, de kippen en de kleine kuikentjes; maar zij waren er wat trotsch op, dat een hunner zulk een ferme kerel was; zij klokten en piepten, zoodat de weerhaan het wel moest hooren; hij hoorde het dan ook, maar verroerde zich daarbij niet.«Alles is maar dwaasheid!» zei de weerhaan bij zich zelf. «De haan legt geen eieren, en ik ben er te lui toe; als ik wilde, dan kon ik wel een windei leggen, maar de wereld is geen windei waard. Alles is maar dwaasheid!—Nu mag ik hier niet eens lang meer zitten.»Dit zeggende, brak de weerhaan af, maar hij sloeg den anderenhaan niet dood, ofschoon hij er plan op had, zooals de kippen zeiden. En wat zegt de moraal? «Het is altijd nog beter te kraaien, dan opgeblazen te zijn en af te breken.»Er bestaat een onderscheid.Het was in de Meimaand, de wind blies nog koud; maar «de lente is er,» zeiden boomen en planten, bosch en beemd; het wemelde van bloemen, tot zelfs in de boomgaarden, en daar bepleitte de lente zelve haar zaak; zij predikte van een kleinen appelboom: daaraan zat een enkele tak, frisch en bloeiend, met fijne, rozeroode knoppen als bezaaid, die op het punt waren zich te ontsluiten; hij wist zeer goed, hoe schoon dit was, want het zit in het blad zoowel als in het bloed; daarom verwonderde het hem ook niet, toen er een deftig rijtuig voor hem stilhield en de jonge gravin zei, dat een appeltak het prachtigste was, wat men zien kon; het was de lente zelve in haar heerlijkste openbaring. De tak werd afgebroken, zij nam dien in haar fijne hand en beschaduwde hem met haar zijden parasol,—toen reden zij naar het kasteel, waarin zich hooge zalen en prachtige kamers bevonden; heldere, witte gordijnen hingen er voor de ramen, en heerlijke bloemen stonden er in schitterende, doorzichtige vazen, en in een daarvan, die als uit versch gevallen sneeuw gesneden was, werd de appeltak tusschen frissche, lichte beuketakken gestoken; het was een lust om hem te zien.Nu werd de tak trotsch, en dat is immers menschelijk!Er kwamen menschen van verschillende soort in de kamer, en al naardat zij iets golden, durfden zij hun bewondering te kennen geven. Eenigen zeiden niets, anderen weer te veel, en de appeltak begreep, dat er een onderscheid tusschen verschillende planten en gewassen bestaat. «Enkele zijn voor den pronk en andere om te voeden; er zijn er ook zulke, die men geheel zou kunnen missen,» dacht de appeltak, en daar hij vlak voor het open raam stond, waaruit hij in den tuin en op het land kon zien, had hij bloemen en planten genoeg om te bekijken en daarover na te denken; daar stonden rijke en arme, eenige zelfs te armoedige.«Arme, verstooten planten!» zei de appeltak; «er bestaat toch een onderscheid! Hoe ongelukkig moeten zij zich gevoelen, als zij ten minste zoo gevoelen als ik en mijns gelijken.Wel bestaat er een onderscheid; maar dat moet er ook wezen; want anders waren zij immers allemaal gelijk!»En de appeltak zag met een zeker medelijden inzonderheid op een soort van bloemen neer, die in menigte op de velden en aan de slooten stonden. Niemand maakte er een ruiker van; zij waren veel te alledaagsch, ja, men kon ze zelfs tusschen de straatsteenen vinden. Zij schoten als het ergste onkruid te voorschijn en droegen den leelijken naam: paardenbloemen.«Arme, verachte plant!» zei de appeltak, «je kunt er niets tegen doen, dat je dien leelijken naam, dien je draagt, gekregen hebt. Maar met de planten is het evenals met de menschen: er moet onderscheid wezen!»«Onderscheid!» zei de zonnestraal en kuste den bloeienden appeltak, maar kuste ook de gele paardenbloemen buiten op het land; alle broeders van den zonnestraal kusten ze de arme bloemen zoowel als de rijke.De appeltak had nooit over Gods oneindige liefde jegens alles, wat er leeft en zich beweegt, nagedacht, hoe veel schoons en goeds er verborgen, maar niet vergeten kan liggen,—doch ook dat was menschelijk!De zonnestraal, de straal des lichts wist het beter: «Je ziet niet ver, je ziet niet duidelijk!—Wat is de verachte plant, die je vooral beklaagt?»«De paardenbloem!» zei de appeltak. «Nooit wordt daarvan een ruiker gemaakt, zij wordt met voeten getreden; er zijn er te veel van, en als zij in het zaad schieten, dan vliegen zij als klein gesneden wol over den weg en hechten zich aan de kleeren der menschen. Onkruid is het, maar ook dat moet er zijn.—Ik ben er werkelijk zeer dankbaar voor, dat ik niet een van die bloemen geworden ben!En over het land huppelde een troep kinderen. Het jongste daarvanwas nog zoo klein, dat het door een der oudere gedragen moest worden. Toen het tusschen de gele bloemen in het gras neergezet werd, lachte het luid van vreugde, trappelde met zijn voetjes, wentelde zich in de rondte, plukte slechts de gele bloempjes en kuste ze met een bekoorlijke onschuld. De grootere kinderen braken de bloemen van de lange stelen af, bogen deze rond en schakelden ze aan elkaar vast, zoodat daarvan een ketting ontstond; eerst een voor den hals, toen een, om dien over de schouders en om het lijf te hangen, en toen nog een, om dien op de borst en op het hoofd vast te maken; dat was een pracht van groene schakels en kettingen! Maar de grootste kinderen grepen de uitgebloeide bloem voorzichtig bij den steel vast, waarop de gevederde zaadkroon stond: deze losse, luchtige wollen bloem, die een echt kunststuk is, hielden zij voor den mond, om haar in eens geheel uit te blazen, en wie dat kon, kreeg, zooals grootmoeder zei, nieuwe kleeren voordat het jaar ten einde was.De verachte bloem was bij deze gelegenheid een profetes.«Zie je wel?» zei de zonnestraal. «Zie je haar schoonheid, zie je haar macht?»«Ja, voor kinderen!» antwoordde de appeltak.En een oude vrouw kwam op het land en groef met haar stomp, bot mes rondom de wortels der plant en haalde deze uit den grond; van eenige van die wortels wilde zij koffie zetten, de andere wilde zij aan den apotheker verkoopen.«Schoonheid is toch iets hoogers!» zei de appeltak. «Slechts de uitverkorenen komen in het rijk van het schoone! Er bestaat een onderscheid tusschen de verschillende planten, evenals er een onderscheid tusschen de verschillende menschen bestaat!»De zonnestraal sprak van Gods oneindige liefde, die zich in het geschapene openbaart, en van alles, wat leven heeft, en van de gelijke verdeeling van alle dingen in tijd en eeuwigheid.«Ja, dat is nu uw meening!» zei de appeltak.Er kwamen menschen in de kamer, en de jonge schoone gravin kwam ook; zij, die den appeltak in de doorzichtige vaas neergezet had, waar het zonlicht scheen; zij bracht een bloem, of wat het anders wezen mocht, mee, het voorwerp werd door drie of vier groote bladeren verborgen gehouden, die als een zakje daaromheen zaten, opdat geen tocht of windvlaag daaraan schade zou toebrengen, en het werd zoo voorzichtig gedragen, als dit met een appeltak nooit gebeurd was. Voorzichtig werden nu de groote bladeren verwijderd, en men zag de fijne, gevederde zaadkroon van de gele, verachte paardenbloem. Deze was het, die zij zoo voorzichtig afgeplukt had, zoo zorgvuldig droeg, opdat niet een van de vele fijne vezeltjes, waaruit zij bestaat en die los zitten, zou wegwaaien. Ongedeerd droeg zij deze en bewonderde haar schoonen vorm, haar eigenaardig samenstel, haar schoonheid, die zoo in den wind zou verwaaien.«Zie eens, hoe verwonderlijk liefelijk God haar gemaakt heeft!»zeide zij. «Ik wil haar met den appeltak tegelijk uitschilderen; dezen vinden allen zoo onbeschrijfelijk schoon, maar ook deze arme bloem heeft op een andere wijze even veel van den goeden God gekregen; hoe verschillend zij ook wezen mogen, toch zijn zij beiden kinderen in het rijk der schoonheid!»De zonnestraal kuste de verachte bloem en den bloeienden appeltak, welks bladeren daarbij schenen te blozen.Het is stellig waar!«Dat is een ontzettende geschiedenis!» zei een kip, en zij zeide het in een stadswijk, waar de geschiedenis niet voorgevallen was. «Dat is een ontzettende geschiedenis in het kippenhok! Ik kan van nacht niet alleen slapen! Het is goed, dat er velen van ons op den stok bij elkaar zitten!»—En nu vertelde zij zoo iets verschrikkelijks, dat de andere kippen de veeren te berge rezen en de haan zijn kam liet hangen. Het is stellig waar!Maar wij willen met het begin beginnen, en dit is in een kippenhok in een andere stadswijk te zoeken. De zon ging onder, en de kippen vlogen op haar stok; een kip met witte veeren en met korte pooten legde haar eieren zeer geregeld en was in alle opzichten een achtenswaardige kip; terwijl zij op den stok vloog, plukte zij zich met den snavel en viel er haar een veertje uit.«Daar vliegt het weg!» zeide zij, «hoe meer ik mij pluk, des te mooier word ik!» Zij zeide dit op vroolijken toon; want zij was de vroolijkste van al de kippen; overigens was zij, zooals gezegd is, zeer achtenswaardig, en nu viel zij in slaap.Donker was het in het rond; de eene kip zat naast de andere, maar die, welke het dichtst bij de vroolijke zat, sliep niet; zij hoorde en hoorde ook niet, zooals men immers in deze wereld moet doen, om rustig en kalm te leven; maar aan haar andere buurvrouw moest zij het toch eens vertellen: «Heb je wel gehoord, wat er hier gezegd is? Ik wil geen namen noemen, maar er is hier een kip, die zich de veeren wil uitplukken, om er goed uit te zien! Als ik een haan was, dan zou ik haar verachten!»Vlak tegenover de kippen zat de uil met de uilenmoeder en de uilenkinderen; die familie heeft scherpe ooren, zij hoorden allen ieder woord, dat de naburige kip sprak; en zij lieten hun oogen rollen, en de uilenmoeder sloeg met de vleugelen en zeide: «Slaat er maar geen acht op! Maar je hebt toch wel gehoord, wat daar gezegd werd? Ik heb het met mijn eigen ooren gehoord, en men moet veel hooren, voordat zij iemand afvallen! Daar is er een onder de kippen, die zoozeer vergeten heeft, wat voor een kip passend is, dat zij al haar veeren uitplukt en het den haan laat zien!»«Prenez garde aux enfants!» zei de uilenvader, «dat is niet geschikt voor kinderooren!»«Ik zal het toch eens aan den naburigen uil vertellen; dat is een uil, die zeer achtbaar in den omgang is!» antwoordde de uilenmoeder, en daarop vloog zij weg.«Hu, hu, uhu!» krasten zij beiden in de duiventil van den buurman, zoodat de duiven het hoorden. «Heb je het gehoord? Heb je het gehoord? Uhu: Er is een kip, die zich ter wille van den haan al de veeren uitgeplukt heeft, zij zal wel doodvriezen, als zij al niet doodgevroren is. Uhu!»«Waar? waar?» kirden de duiven.«Op de plaats van den buurman! Ik heb het zoo goed als zelf gezien. Het is bijna ongepast, de geschiedenis te vertellen. Het is stellig waar!»«Gelooft, gelooft ieder woord!» zeiden de duiven en zij kirden de kippen toe: «Er is een kip, ja, eenigen zeggen, dat er twee zijn, die zich alle veeren uitgeplukt hebben, om er niet even als de anderen uit te zien, en om de opmerkzaamheid van den haan te trekken. Dat is een gewaagd spel; men kan dan kou vatten en aan de koorts sterven, en zij zijn beiden gestorven!»«Wordt wakker, wordt wakker!» kraaide de haan en vloog op de plank; de slaap zat hem nog in de oogen, maar hij kraaide toch: «Drie kippen zijn door een ongelukkige liefde voor een haan gestorven! Zij hadden al haar veeren uitgeplukt! Dat is een verschrikkelijke geschiedenis; ik wil haar niet voor mij zelf houden; zij mag gerust verspreid worden!»«Laat zij bekend worden!» zeiden de vleermuizen, en de kippen kakelden en de hanen kraaiden: «Laat zij bekend worden! Laat zij bekend worden!» En zoo ging de geschiedenis van kippenhoktot kippenhok, en kwam eindelijk op de plaats terug, vanwaar zij eigenlijk uitgegaan was.«Vijf kippen,» heette het, «hebben zich alle veeren uitgeplukt, om te toonen, wie van haar van liefde voor den haan het magerst geworden is,—en toen vochten zij duchtig met elkaar en vielen dood neer, tot spot en schande voor haar familie, tot groot verlies van den bezitter!»De kip, die het losse veertje verloren had, herkende haar eigen geschiedenis daarin natuurlijk niet meer, en daar zij een fatsoenlijke kip was, zeide zij: «Ik veracht die kippen; maar er zijn er verscheidene van dien aard! Zoo iets moet men niet verzwijgen, en ik zal er het mijne toe bijdragen, dat de geschiedenis in de krant komt, dan worden zij door het geheele land bekend, en dat hebben de kippen wel verdiend en haar familie ook.»Het kwam in de krant, het werd gedrukt, en het is stellig waar; een klein veertje kan wel tot vijf kippen aangroeien!

Iets.«Ik wil iets zijn!» zei de oudste van vijf broeders. «Ik wil nut in de wereld stichten; al moge het ook nog zulk een nederige betrekking zijn, als datgene, wat ik doe, maar wat goeds is, dan is het inderdaad iets. Ik wil baksteenen maken; die kan men niet missen; en dan heb ik werkelijk iets gedaan!»«Maar iets, dat veel te weinig beteekent!» sprak de tweede broeder. «Datgene, wat je wilt doen, is zoo goed als niets: dat is werktuigelijke arbeid en kan even goed door een machine verricht worden. Neen, dan zou ik liever metselaar zijn, dat is ten minste iets, dat wil ik worden; dat is een stand in de maatschappij. Daardoor wordt men een gildebroeder, een burger, daardoor krijgt men zijn eigen vaandel, zijn eigen herberg, ja, als alles naar wensch gaat, zal ik knechts kunnen houden, word ik baas, en zal mijn vrouw juffrouw genoemd worden; dat is toch iets!»«Dat is toch eigenlijk niets!» zei de derde; «dan behoort men toch niet tot den deftigen stand, en er zijn velen in een stad, die allen ver boven een metselaarsbaas staan. Men kan wel een braaf man zijn; doch men behoort als «baas» toch maar tot diegenen, die men den «gemeenen» man noemt. Neen, dan weet ik wat beters! Ik wil architect worden, mij op het gebied der kunst begeven en tot de hooger geplaatsten in het rijk des geestes behooren. Wel is waar moet ik van meet af aan beginnen, ja, om het maar ronduit te zeggen, moet ik als krullejongen beginnen, moet ik met een pet rondloopen, ofschoon ik er aan gewoon ben, een zijden hoed te dragen, moet ik voor de knechts jenever en bier halen, en dezen zullen jij en jou tegen mij zeggen, en dat is beleedigend; doch ik zal mij maar verbeelden, dat dit alles slechts voor de grap is! Morgen—dat wil zeggen, als ik knecht ben, dan ga ik mijn eigen weg, de anderen gaan mij niets aan! Ik ga op de teekenacademie, krijg onderwijs in het teekenen, heet architect!—Dat is iets, dat is veel!—Ik kan Weledele Heer, ja Weledelgeboren Heer worden, ja zelfs nog een deftiger titel krijgen, en ik bouw en bouw, evenals de anderen vóór mij gebouwd hebben. Dat is altijd iets, waarop men kan bouwen. Het geheel is iets!»«Maar ik vind dat iets eigenlijk niets!» sprak de vierde; «ik wil niet in het zog van anderen varen, geen kopie zijn; ik wil een genie zijn, ik wil meer beteekenen dan jelui allemaal met elkaar. Ik ben de schepper van een nieuwen bouwstijl, ik geef het idee voor een gebouw aan de hand, passend voor het klimaat en de materialen van het land, voor de nationaliteit van het volk, voor de ontwikkeling der eeuw, en geef bovendien nog een verdieping toe voor mijn genie!»«Maar als nu het klimaat en de materialen niet deugen?» zei de vijfde. «Dat zou een onaangename omstandigheid zijn, want zij oefenen hun invloed uit. De nationaliteit kan zich ook zoodanig uitbreiden, dat zij onnatuurlijk en gemaakt wordt; de ontwikkeling dereeuw kan met je op hol gaan, evenals de jeugd dikwijls op hol gaat. Ik zie het al aankomen, dat geen van jelui iets zal worden ofschoon je hetzelf ook denkt! Maar doet, wat je wilt, ik zal je niet gelijk zijn; ik stel mij buiten de zaken, ik wil over datgene redeneeren, wat jelui uitvoert. Aan ieder ding kleeft iets, wat niet juist is, iets verkeerds, dat zal ik opsporen en bespreken; dat is iets!»Dat deed hij dan ook, en de menschen zeiden van den vijfde: «In hem zit bepaald iets! Het is een schrandere kop! Maar hij. doet niets!»—Doch juist daarom was hij iets!Zie, dat is maar een kleine geschiedenis, en toch heeft zij geen einde, zoolang de wereld bestaat.Maar werd er dan verder niets van de vijf broeders?—Dat was immers niets en niet iets!Laat ons verder hooren!De oudste broeder, die baksteenen vervaardigde, merkte al spoedig, dat er van iederen steen, als deze gereed was, een kleine munt, al was het er ook maar een van koper, afviel; maar vele koperen penningen, bij elkaar gelegd, maken een daalder, en waar men met zulk een muntstuk aanklopt, hetzij bij den bakker, of bij den slager, of bij den kleermaker, ja, bij allen, daar vliegt de deur open, en men krijgt, wat men moet hebben; zie, dat werpen de steenen af;—enkele verbrokkelden wel is waar of sprongen in tweeën, maar zulke kon men ook wel gebruiken.Op den hoogen aarden wal, den beschermenden dijk aan de zeekust, wilde een arme vrouw, Margaretha genaamd, een huisje bouwen; zij kreeg al de verbrokkelde steenen en daarbij nog eenige heele, want de oudste broeder bezat een goed hart, al bracht hij het ook niet verder, dan dat hij baksteenen vervaardigde.De arme vrouw bouwde haar huisje zelf; het was wel is waar klein en bekrompen, het eene raam zat scheef, de deur was te laag en het stroodak had beter gelegd kunnen worden; maar beschutting verleende het toch, en ver over de zee, die met geweld tegen den muur aanklotste, kon men van uit het huisje zien; de zilte golven deden haar schuim over het geheele huis spatten, dat er nog stond, toen hij, die de steenen daarvoor vervaardigd had, al lang dood en begraven was.De tweede broeder, die had nu meer verstand van het metselen; hij had dit dan ook geleerd. Toen zijn proefjaren als gezel ten einde waren, deed hij zijn ransel om en hief het lied van den handwerksman aan:«Daar ik jong ben, ga ’k op reis,Buiten wil ik huizen bouwen,Gaan van plaats tot plaats in ’t rond;Jonkheid geeft ons zelfvertrouwen.Keer ik weer in ’t vaderland,’t Meisje wacht mij, dat ik min.’k Word gauw baas! Met vromen zinRoep ik: Leev’ de werkmansstand!»En baas werd hij dan ook. Toen hij teruggekomen en baas geworden was, metselde hij in de stad het eene huis na het andere, een heele straat, en toen de straat voltooid was, er goed uitzag en de stad tot sieraad strekte, bouwden de huisjes hem weer een huis, dat zijn eigendom zou zijn. Maar hoe kunnen de huizen bouwen? Vraag het hun, en zij zullen u het antwoord schuldig blijven; maar de menschen zullen het woord opvatten en zeggen: «Zeker heeft de straat hem een huis gebouwd!» Klein was het, en de vloer was met leem belegd, maar toen hij met zijn bruid over den leemen vloer danste, werd deze blank en glad, en uit iederen steen in den muur schoot een bloem te voorschijn en versierde de kamer als met het kostbaarste tapijt. Het was een lief huis en een gelukkig echtpaar. Het vaandel van het gild wapperde uit het huis, en gezellen en leerjongens riepen: «Hoera!» Ja, dat was iets! En toen stierf hij: dat was ook iets!Nu kwam de architect, de derde broeder, die eerst krullejongen geweest was, met een pet geloopen had en boodschappen had gedaan, maar die op de academie geweest en eindelijk tot bouwmeester opgeklommen was, en nu een «Weledelgeboren Heer» genoemd werd.Hadden de huizen der straat voor zijn broeder, die metselaarsbaas was, een huis gebouwd, naar hem werd de straat genoemd, en het mooiste huis uit de straat werd zijn eigendom; dat was iets, en hij was iets—en dat met een langen titel van voren en van achteren. Zijn kinderen noemde men «jongeheeren en jongejuffrouwen,» en toen hij stierf, was zijn weduwe een «douairière,»—dat is iets! En zijn naam bleef voor immer op den hoek van de straat geschreven staan en leefde in aller mond voort als de naam van een straat,—ja, dat is iets!Daarop kwam het genie, de vierde broeder, die iets nieuws, iets buitengewoons, en nog een verdieping daarenboven wilde uitvinden; maar deze viel naar beneden en brak zijn nek;—maar hij kreeg een mooie begrafenis met gildevaandels en muziek, bloemen in de courant en op de straat over de steenen heen, en men hield voor hem drie lijkredenen, de een al langer dan de andere, en dat zal hem heel veel plezier gedaan hebben; want hij had graag, dat er over hem gesproken werd; ook werd er een monument op zijn graf opgericht, wel is waar slechts één verdieping hoog, maar dat is toch altijd iets!Hij was nu gestorven, evenals dit met zijn drie andere broeders het geval was; maar de laatste, die redeneerde, overleefde ze allemaal, en dat was juist, zooals het wezen moest; want daardoor kreeg hij immers het laatste woord, en het was voor hem van zeer veel gewicht, het laatste woord te hebben. «Hij was toch een schrandere kop!» zeiden de menschen.—Maar eindelijk sloeg ook zijn ure; hij stierf en kwam voor de poort des hemels. Daar traden altijd twee te gelijk binnen; hij stond daar met een andere ziel, die er ook graag in wilde, en dit was juist de oude vrouw Margaretha uit het huis op den dijk.«Dat gebeurt zeker om het contrast, dat ik en deze ellendige ziel hier tegelijkertijd moeten aankomen!» zei de liefhebber van redeneeren. «Wel zoo! Wie ben je; vrouwtje? Wil je er ook in?» vroeg hij.De oude vrouw maakte een buiging, zoo goed als zij dit kon; zij dacht, dat het Petrus zelf was, die tegen haar sprak. «Ik ben een oude arme vrouw zonder eenige familie, ik ben de oude Margaretha uit het huis op den dijk.»«Welnu, wat hebt ge op de wereld uitgevoerd?»«Ik heb waarlijk niets op de wereld uitgevoerd, niets, waarom de poort hier voor mij zou kunnen ontsloten worden. Het zal een waarachtige genade zijn, als men mij vergunt, dat ik door de poort binnentreed!»«Op welke wijze hebt ge de wereld verlaten?» vroeg hij verder, om toch ergens over te spreken, daar het hem verveelde, daar te staan wachten.«Ja, hoe ik haar verlaten heb, dat weet ik niet! Gedurende het laatste jaar ben ik ziek en ellendig geweest, en ik heb het zeker niet kunnen verdragen, uit het bed te komen en in vorst en koude zoo plotseling de deur uit te gaan. Het is een strenge winter, maar nu heb ik het immers doorgestaan. Het was eenige dagen stil weer, maar erg koud, zooals ge zelf wel weet; het ijs lag zoover in de zee, als men zien kon; al de menschen uit de stad wandelden over het ijs; daar was, zooals zij zeiden, schaatsenrijden en dans, geloof ik; groote muziek en traktatie was daar ook; de muziek drong tot het armoedige kamertje, waarin ik lag, door. En toen was het zoo tegen den avond; de maan was prachtig opgekomen, maar nog niet in haar vollen glans; ik keek uit mijn bed over de ruime zee heen, en daar buiten, aan den rand van de lucht en de zee, kwam een zonderlinge witte wolk te voorschijn; ik lag en zag de witte wolk aan, ik zag ook het zwarte puntje in het midden van de wolk, dat al grooter en grooter werd; en nu wist ik, wat dat te beteekenen had; ik ben ervaren, ofschoon men dat teeken niet dikwijls ziet. Ik kende het, en een huivering voer mij door de leden.«Ik heb iets dergelijks al tweemaal van mijn leven gezien, ik wist, dat er een verschrikkelijke storm met een springvloed uit zou voortkomen, die de arme menschen daarbuiten, die nu dronken, rondsprongen en juichten, zou overvallen; jong en oud, de geheele stad was immers buiten; wie zou ze waarschuwen, als niemand daar dit zag en de beteekenis er van wist, hetgeen met mij wel het geval was? Ik kwam mijn bed uit en ging naar het raam; verder kon ik mij van vermoeidheid niet sleepen.«Toch gelukte het mij eindelijk, het raam open te schuiven, ik zag de menschen buiten op het ijs loopen en springen; ik zag ook de mooie vlaggen, die in den wind wapperden; ik hoorde de jongens hoera! roepen, knechts en meiden zingen; het ging vroolijk toe; maar—die witte wolk met dat zwarte stipje!«Ik riep zoo hard, als ik maar kon; doch niemand hoorde mij;ik was te ver van de menschen vandaan. Spoedig moest de storm losbarsten en het ijs breken, en dan zouden allen, die er op waren, reddeloos verloren zijn. Zij konden mij niet hooren, ik kon hun geen wenk geven; o, kon ik ze maar op het land brengen! Nu gaf de goede God mij de gedachte in, mijn bed in brand te steken en liever mijn heele huisje te laten verbranden, dan dat zoo velen jammerlijk zouden omkomen.«Het gelukte mij, voor hen een licht te ontsteken; de roode vlam steeg hoog op,—ja, ik ontkwam gelukkig uit de deur; maar voor deze bleef ik liggen; ik kon niet verder; de vlam kwam naar mij toe; flikkerde uit de ramen, sloeg hoog boven het dak uit; al de menschen buiten op het ijs zagen haar, en allen liepen zoo hard als zij konden, om een arme ter hulp te snellen, die, zooals zij dachten, gevaar liep om levend te verbranden; niet een was er, die niet holde; ik hoorde ze komen, maar ik hoorde ook, hoe het eensklaps in de lucht bruiste, ik hoorde het dreunen als zware kanonschoten; de springvloed hief den ijsvloer op, die in duizend stukken barstte; maar de menschen bereikten den dijk, waar de vonken over mij heenvlogen; ik redde ze allen!—Doch ik heb de koude niet kunnen verdragen en ook niet den schrik, en zoo ben ik hier aan de poort des hemels gekomen; men zegt immers, dat er ook voor zulk een arm mensch als ik ben opengedaan wordt, en nu heb ik immers geen huis beneden op den dijk,—doch dat geeft mij zeker geen toegang!»Daar ging de poort des hemels open, en de engel bracht de oude vrouw binnen, zij verloor een strootje, een van die strootjes, welke er in haar bed gezeten hadden, toen zij dit in brand stak,om velen te redden, en dat had zich in het zuiverste goud veranderd en wel in zulk goud, dat aldoor toenam en de schoonste bloemen en bladeren voortbracht.«Zie eens! Dat heeft die arme vrouw gebracht!» zei de engel. «Wat brengt gij? Ja, ik weet het wel, dat ge niets uitgevoerd hebt: niet eens een baksteen hebt ge gemaakt; als ge maar weer kondt teruggaan en het althans zoo ver brengen; waarschijnlijk zou de steen, als ge dien gemaakt hadt, niet veel waard zijn; maar als hij met een goeden wil gemaakt was, dan zou het toch altijd iets zijn; maar ge kunt niet terug, en ik kan niets voor u doen!»Nu deed de arme ziel, het moedertje uit het huis op den dijk, een goed woord voor hem: «Zijn broeder heeft mij de steenen gegeven, waarvan ik mijn armzalig huis gebouwd heb, en dat was zeer veel voor mij, arme! Zouden nu niet al die halve en heele steenen als één steen voor hem kunnen gelden? Het is een daad van genade! Hij heeft daaraan nu behoefte, en hier is immers de bron van genade!»«Uw broeder, diegene, dien gij den geringste noemdet,» zei de engel, «diegene, wiens eerlijk werk u het nederigst toescheen, schenkt u zijn hemelsche gave. Ge zult niet teruggewezen worden; het zal u vergund zijn, hier buiten te staan en na te denken, maar er in komt ge niet, voordat ge inderdaad—iets uitgevoerd hebt!»«Dat zou ik beter hebben kunnen zeggen!» dacht de liefhebber van redeneeren; maar hij sprak dit niet overluid uit, en dat was ten minste al iets!

«Ik wil iets zijn!» zei de oudste van vijf broeders. «Ik wil nut in de wereld stichten; al moge het ook nog zulk een nederige betrekking zijn, als datgene, wat ik doe, maar wat goeds is, dan is het inderdaad iets. Ik wil baksteenen maken; die kan men niet missen; en dan heb ik werkelijk iets gedaan!»

«Maar iets, dat veel te weinig beteekent!» sprak de tweede broeder. «Datgene, wat je wilt doen, is zoo goed als niets: dat is werktuigelijke arbeid en kan even goed door een machine verricht worden. Neen, dan zou ik liever metselaar zijn, dat is ten minste iets, dat wil ik worden; dat is een stand in de maatschappij. Daardoor wordt men een gildebroeder, een burger, daardoor krijgt men zijn eigen vaandel, zijn eigen herberg, ja, als alles naar wensch gaat, zal ik knechts kunnen houden, word ik baas, en zal mijn vrouw juffrouw genoemd worden; dat is toch iets!»

«Dat is toch eigenlijk niets!» zei de derde; «dan behoort men toch niet tot den deftigen stand, en er zijn velen in een stad, die allen ver boven een metselaarsbaas staan. Men kan wel een braaf man zijn; doch men behoort als «baas» toch maar tot diegenen, die men den «gemeenen» man noemt. Neen, dan weet ik wat beters! Ik wil architect worden, mij op het gebied der kunst begeven en tot de hooger geplaatsten in het rijk des geestes behooren. Wel is waar moet ik van meet af aan beginnen, ja, om het maar ronduit te zeggen, moet ik als krullejongen beginnen, moet ik met een pet rondloopen, ofschoon ik er aan gewoon ben, een zijden hoed te dragen, moet ik voor de knechts jenever en bier halen, en dezen zullen jij en jou tegen mij zeggen, en dat is beleedigend; doch ik zal mij maar verbeelden, dat dit alles slechts voor de grap is! Morgen—dat wil zeggen, als ik knecht ben, dan ga ik mijn eigen weg, de anderen gaan mij niets aan! Ik ga op de teekenacademie, krijg onderwijs in het teekenen, heet architect!—Dat is iets, dat is veel!—Ik kan Weledele Heer, ja Weledelgeboren Heer worden, ja zelfs nog een deftiger titel krijgen, en ik bouw en bouw, evenals de anderen vóór mij gebouwd hebben. Dat is altijd iets, waarop men kan bouwen. Het geheel is iets!»

«Maar ik vind dat iets eigenlijk niets!» sprak de vierde; «ik wil niet in het zog van anderen varen, geen kopie zijn; ik wil een genie zijn, ik wil meer beteekenen dan jelui allemaal met elkaar. Ik ben de schepper van een nieuwen bouwstijl, ik geef het idee voor een gebouw aan de hand, passend voor het klimaat en de materialen van het land, voor de nationaliteit van het volk, voor de ontwikkeling der eeuw, en geef bovendien nog een verdieping toe voor mijn genie!»

«Maar als nu het klimaat en de materialen niet deugen?» zei de vijfde. «Dat zou een onaangename omstandigheid zijn, want zij oefenen hun invloed uit. De nationaliteit kan zich ook zoodanig uitbreiden, dat zij onnatuurlijk en gemaakt wordt; de ontwikkeling dereeuw kan met je op hol gaan, evenals de jeugd dikwijls op hol gaat. Ik zie het al aankomen, dat geen van jelui iets zal worden ofschoon je hetzelf ook denkt! Maar doet, wat je wilt, ik zal je niet gelijk zijn; ik stel mij buiten de zaken, ik wil over datgene redeneeren, wat jelui uitvoert. Aan ieder ding kleeft iets, wat niet juist is, iets verkeerds, dat zal ik opsporen en bespreken; dat is iets!»

Dat deed hij dan ook, en de menschen zeiden van den vijfde: «In hem zit bepaald iets! Het is een schrandere kop! Maar hij. doet niets!»—Doch juist daarom was hij iets!

Zie, dat is maar een kleine geschiedenis, en toch heeft zij geen einde, zoolang de wereld bestaat.

Maar werd er dan verder niets van de vijf broeders?—Dat was immers niets en niet iets!

Laat ons verder hooren!

De oudste broeder, die baksteenen vervaardigde, merkte al spoedig, dat er van iederen steen, als deze gereed was, een kleine munt, al was het er ook maar een van koper, afviel; maar vele koperen penningen, bij elkaar gelegd, maken een daalder, en waar men met zulk een muntstuk aanklopt, hetzij bij den bakker, of bij den slager, of bij den kleermaker, ja, bij allen, daar vliegt de deur open, en men krijgt, wat men moet hebben; zie, dat werpen de steenen af;—enkele verbrokkelden wel is waar of sprongen in tweeën, maar zulke kon men ook wel gebruiken.

Op den hoogen aarden wal, den beschermenden dijk aan de zeekust, wilde een arme vrouw, Margaretha genaamd, een huisje bouwen; zij kreeg al de verbrokkelde steenen en daarbij nog eenige heele, want de oudste broeder bezat een goed hart, al bracht hij het ook niet verder, dan dat hij baksteenen vervaardigde.

De arme vrouw bouwde haar huisje zelf; het was wel is waar klein en bekrompen, het eene raam zat scheef, de deur was te laag en het stroodak had beter gelegd kunnen worden; maar beschutting verleende het toch, en ver over de zee, die met geweld tegen den muur aanklotste, kon men van uit het huisje zien; de zilte golven deden haar schuim over het geheele huis spatten, dat er nog stond, toen hij, die de steenen daarvoor vervaardigd had, al lang dood en begraven was.

De tweede broeder, die had nu meer verstand van het metselen; hij had dit dan ook geleerd. Toen zijn proefjaren als gezel ten einde waren, deed hij zijn ransel om en hief het lied van den handwerksman aan:

«Daar ik jong ben, ga ’k op reis,Buiten wil ik huizen bouwen,Gaan van plaats tot plaats in ’t rond;Jonkheid geeft ons zelfvertrouwen.Keer ik weer in ’t vaderland,’t Meisje wacht mij, dat ik min.’k Word gauw baas! Met vromen zinRoep ik: Leev’ de werkmansstand!»

«Daar ik jong ben, ga ’k op reis,

Buiten wil ik huizen bouwen,

Gaan van plaats tot plaats in ’t rond;

Jonkheid geeft ons zelfvertrouwen.

Keer ik weer in ’t vaderland,

’t Meisje wacht mij, dat ik min.

’k Word gauw baas! Met vromen zin

Roep ik: Leev’ de werkmansstand!»

En baas werd hij dan ook. Toen hij teruggekomen en baas geworden was, metselde hij in de stad het eene huis na het andere, een heele straat, en toen de straat voltooid was, er goed uitzag en de stad tot sieraad strekte, bouwden de huisjes hem weer een huis, dat zijn eigendom zou zijn. Maar hoe kunnen de huizen bouwen? Vraag het hun, en zij zullen u het antwoord schuldig blijven; maar de menschen zullen het woord opvatten en zeggen: «Zeker heeft de straat hem een huis gebouwd!» Klein was het, en de vloer was met leem belegd, maar toen hij met zijn bruid over den leemen vloer danste, werd deze blank en glad, en uit iederen steen in den muur schoot een bloem te voorschijn en versierde de kamer als met het kostbaarste tapijt. Het was een lief huis en een gelukkig echtpaar. Het vaandel van het gild wapperde uit het huis, en gezellen en leerjongens riepen: «Hoera!» Ja, dat was iets! En toen stierf hij: dat was ook iets!

Nu kwam de architect, de derde broeder, die eerst krullejongen geweest was, met een pet geloopen had en boodschappen had gedaan, maar die op de academie geweest en eindelijk tot bouwmeester opgeklommen was, en nu een «Weledelgeboren Heer» genoemd werd.

Hadden de huizen der straat voor zijn broeder, die metselaarsbaas was, een huis gebouwd, naar hem werd de straat genoemd, en het mooiste huis uit de straat werd zijn eigendom; dat was iets, en hij was iets—en dat met een langen titel van voren en van achteren. Zijn kinderen noemde men «jongeheeren en jongejuffrouwen,» en toen hij stierf, was zijn weduwe een «douairière,»—dat is iets! En zijn naam bleef voor immer op den hoek van de straat geschreven staan en leefde in aller mond voort als de naam van een straat,—ja, dat is iets!

Daarop kwam het genie, de vierde broeder, die iets nieuws, iets buitengewoons, en nog een verdieping daarenboven wilde uitvinden; maar deze viel naar beneden en brak zijn nek;—maar hij kreeg een mooie begrafenis met gildevaandels en muziek, bloemen in de courant en op de straat over de steenen heen, en men hield voor hem drie lijkredenen, de een al langer dan de andere, en dat zal hem heel veel plezier gedaan hebben; want hij had graag, dat er over hem gesproken werd; ook werd er een monument op zijn graf opgericht, wel is waar slechts één verdieping hoog, maar dat is toch altijd iets!

Hij was nu gestorven, evenals dit met zijn drie andere broeders het geval was; maar de laatste, die redeneerde, overleefde ze allemaal, en dat was juist, zooals het wezen moest; want daardoor kreeg hij immers het laatste woord, en het was voor hem van zeer veel gewicht, het laatste woord te hebben. «Hij was toch een schrandere kop!» zeiden de menschen.—Maar eindelijk sloeg ook zijn ure; hij stierf en kwam voor de poort des hemels. Daar traden altijd twee te gelijk binnen; hij stond daar met een andere ziel, die er ook graag in wilde, en dit was juist de oude vrouw Margaretha uit het huis op den dijk.

«Dat gebeurt zeker om het contrast, dat ik en deze ellendige ziel hier tegelijkertijd moeten aankomen!» zei de liefhebber van redeneeren. «Wel zoo! Wie ben je; vrouwtje? Wil je er ook in?» vroeg hij.

De oude vrouw maakte een buiging, zoo goed als zij dit kon; zij dacht, dat het Petrus zelf was, die tegen haar sprak. «Ik ben een oude arme vrouw zonder eenige familie, ik ben de oude Margaretha uit het huis op den dijk.»

«Welnu, wat hebt ge op de wereld uitgevoerd?»

«Ik heb waarlijk niets op de wereld uitgevoerd, niets, waarom de poort hier voor mij zou kunnen ontsloten worden. Het zal een waarachtige genade zijn, als men mij vergunt, dat ik door de poort binnentreed!»

«Op welke wijze hebt ge de wereld verlaten?» vroeg hij verder, om toch ergens over te spreken, daar het hem verveelde, daar te staan wachten.

«Ja, hoe ik haar verlaten heb, dat weet ik niet! Gedurende het laatste jaar ben ik ziek en ellendig geweest, en ik heb het zeker niet kunnen verdragen, uit het bed te komen en in vorst en koude zoo plotseling de deur uit te gaan. Het is een strenge winter, maar nu heb ik het immers doorgestaan. Het was eenige dagen stil weer, maar erg koud, zooals ge zelf wel weet; het ijs lag zoover in de zee, als men zien kon; al de menschen uit de stad wandelden over het ijs; daar was, zooals zij zeiden, schaatsenrijden en dans, geloof ik; groote muziek en traktatie was daar ook; de muziek drong tot het armoedige kamertje, waarin ik lag, door. En toen was het zoo tegen den avond; de maan was prachtig opgekomen, maar nog niet in haar vollen glans; ik keek uit mijn bed over de ruime zee heen, en daar buiten, aan den rand van de lucht en de zee, kwam een zonderlinge witte wolk te voorschijn; ik lag en zag de witte wolk aan, ik zag ook het zwarte puntje in het midden van de wolk, dat al grooter en grooter werd; en nu wist ik, wat dat te beteekenen had; ik ben ervaren, ofschoon men dat teeken niet dikwijls ziet. Ik kende het, en een huivering voer mij door de leden.

«Ik heb iets dergelijks al tweemaal van mijn leven gezien, ik wist, dat er een verschrikkelijke storm met een springvloed uit zou voortkomen, die de arme menschen daarbuiten, die nu dronken, rondsprongen en juichten, zou overvallen; jong en oud, de geheele stad was immers buiten; wie zou ze waarschuwen, als niemand daar dit zag en de beteekenis er van wist, hetgeen met mij wel het geval was? Ik kwam mijn bed uit en ging naar het raam; verder kon ik mij van vermoeidheid niet sleepen.

«Toch gelukte het mij eindelijk, het raam open te schuiven, ik zag de menschen buiten op het ijs loopen en springen; ik zag ook de mooie vlaggen, die in den wind wapperden; ik hoorde de jongens hoera! roepen, knechts en meiden zingen; het ging vroolijk toe; maar—die witte wolk met dat zwarte stipje!

«Ik riep zoo hard, als ik maar kon; doch niemand hoorde mij;ik was te ver van de menschen vandaan. Spoedig moest de storm losbarsten en het ijs breken, en dan zouden allen, die er op waren, reddeloos verloren zijn. Zij konden mij niet hooren, ik kon hun geen wenk geven; o, kon ik ze maar op het land brengen! Nu gaf de goede God mij de gedachte in, mijn bed in brand te steken en liever mijn heele huisje te laten verbranden, dan dat zoo velen jammerlijk zouden omkomen.

«Het gelukte mij, voor hen een licht te ontsteken; de roode vlam steeg hoog op,—ja, ik ontkwam gelukkig uit de deur; maar voor deze bleef ik liggen; ik kon niet verder; de vlam kwam naar mij toe; flikkerde uit de ramen, sloeg hoog boven het dak uit; al de menschen buiten op het ijs zagen haar, en allen liepen zoo hard als zij konden, om een arme ter hulp te snellen, die, zooals zij dachten, gevaar liep om levend te verbranden; niet een was er, die niet holde; ik hoorde ze komen, maar ik hoorde ook, hoe het eensklaps in de lucht bruiste, ik hoorde het dreunen als zware kanonschoten; de springvloed hief den ijsvloer op, die in duizend stukken barstte; maar de menschen bereikten den dijk, waar de vonken over mij heenvlogen; ik redde ze allen!—Doch ik heb de koude niet kunnen verdragen en ook niet den schrik, en zoo ben ik hier aan de poort des hemels gekomen; men zegt immers, dat er ook voor zulk een arm mensch als ik ben opengedaan wordt, en nu heb ik immers geen huis beneden op den dijk,—doch dat geeft mij zeker geen toegang!»

Daar ging de poort des hemels open, en de engel bracht de oude vrouw binnen, zij verloor een strootje, een van die strootjes, welke er in haar bed gezeten hadden, toen zij dit in brand stak,om velen te redden, en dat had zich in het zuiverste goud veranderd en wel in zulk goud, dat aldoor toenam en de schoonste bloemen en bladeren voortbracht.

«Zie eens! Dat heeft die arme vrouw gebracht!» zei de engel. «Wat brengt gij? Ja, ik weet het wel, dat ge niets uitgevoerd hebt: niet eens een baksteen hebt ge gemaakt; als ge maar weer kondt teruggaan en het althans zoo ver brengen; waarschijnlijk zou de steen, als ge dien gemaakt hadt, niet veel waard zijn; maar als hij met een goeden wil gemaakt was, dan zou het toch altijd iets zijn; maar ge kunt niet terug, en ik kan niets voor u doen!»

Nu deed de arme ziel, het moedertje uit het huis op den dijk, een goed woord voor hem: «Zijn broeder heeft mij de steenen gegeven, waarvan ik mijn armzalig huis gebouwd heb, en dat was zeer veel voor mij, arme! Zouden nu niet al die halve en heele steenen als één steen voor hem kunnen gelden? Het is een daad van genade! Hij heeft daaraan nu behoefte, en hier is immers de bron van genade!»

«Uw broeder, diegene, dien gij den geringste noemdet,» zei de engel, «diegene, wiens eerlijk werk u het nederigst toescheen, schenkt u zijn hemelsche gave. Ge zult niet teruggewezen worden; het zal u vergund zijn, hier buiten te staan en na te denken, maar er in komt ge niet, voordat ge inderdaad—iets uitgevoerd hebt!»

«Dat zou ik beter hebben kunnen zeggen!» dacht de liefhebber van redeneeren; maar hij sprak dit niet overluid uit, en dat was ten minste al iets!

Het doornenpad der eer.Er bestaat nog een oud sprookje van «het doornenpad der eer,»—van een schutter, die wel is waar tot eer en waardigheden opklom, maar eerst na vele wederwaardigheden en allerlei strijd.—Wie heeft bij dit sprookje niet aan zijn eigen doornenpad en aan zijn vele «wederwaardigheden» gedacht? Het sprookje en de werkelijkheid grenzen zeer na aan elkander: maar het sprookje heeft zijn harmonische oplossing hier op aarde, de werkelijkheid vindt deze dikwijls eerst aan gene zijde van het aardsche leven en wijst op tijd en eeuwigheid.De geschiedenis der wereld is een tooverlantaarn, die ons in lichtbeelden op den donkeren grond van het tegenwoordige aanwijst, hoe de weldoeners der menschheid, de martelaars van het genie, het doornenpad van de eer en den roem bewandelen.Uit alle tijden, uit alle landen stralen deze lichtbeelden ons tegen, elk wel is waar slechts voor eenige oogenblikken, maar toch als een geheel leven, een levenstijd met zijn strijd en zijn zegepraal. Laat ons hier en daar enkelen van deze schare van martelaren beschouwen,—deze schare, waaraan eerst dan een einde komt, wanneer de aarde vergaat.Wij zien een welbezet amphitheater. Uit de «Wolken» van een Aristophanes gieten de spot en de scherts zich in stroomen over de menigte uit; op het tooneel wordt de merkwaardigste man van Athene, hij, die het schild en de steun van het volk tegen de dertig tirannen was, wordt Socrates belachelijk gemaakt, Socrates, die in het strijdgewoel Alcibiades en Xenophon redde en wiens geest zich boven de goden der oudheid verhief. Hij zelf is hier tegenwoordig; hij is van de bank der toeschouwers opgestaan en te voorschijn gekomen, opdat de lachende Atheners zouden zien, hoe het met de gelijkenis tusschen hem en de karikatuur op het tooneel geschapen was; daar staat hij voor hen, hoog boven hen allen verheven.Gij, sappige, groene, vergiftige scheerling, en niet gij, olijfboom, werp hier uw schaduw over Athene!Zeven steden streden om de eer, de geboorteplaats van Homeruste zijn, dat is te zeggen: nadat hij dood was. Beschouwen wij hem gedurende zijn leven!—Hij loopt te voet door de steden en zegt zijn verzen op om te leven; de gedachte aan den dag van morgen doet zijn haar grijs worden!—Hij, de groote ziener, is blind en bewandelt met moeite zijn pad; de scherpe doorn verscheurt den mantel van den dichterkoning!—Zijn gezangen leven nog, en door deze alleen leven de goden en de helden der oudheid.Het eene beeld na het andere rijst voor ons op uit het Oosten, uit het Westen, zeer ver van elkander, wat tijd en plaats aangaat, en toch altijd een gedeelte van het doornenpad der eer, waarop de distel eerst dan een bloem voortbrengt, wanneer het graf versierd moet worden.Onder psalmen trekken de kameelen voort, rijk beladen met indigo en andere kostbare schatten, door den heerscher des lands aan hem gezonden, wiens gezangen de vreugde des volks, de roem des lands zijn; hij, dien leugen en nijd in de ballingschap zonden, hij is gevonden,—de karavaan nadert het stadje, waarin hij een schuilplaats vond: een lijk wordt de stadspoort uitgedragen, en de lijkstoet beveelt de karavaan, halt te houden. De doode is juist degene, dien zij zoekt: Firdusi,—het doornenpad der eer is ten einde gewandeld!De Afrikaan met de plompe gelaatstrekken, de dikke lippen, het zwarte, wollige haar, zit op de marmeren trappen van het paleis in de hoofdstad van Portugal en bedelt; het is de getrouwe slaaf van Camoëns; zonder hem en zonder de koperen munten, die de voorbijgangers hem toewerpen, zou zijn heer, de zanger der Lusiade, van honger sterven.Tegenwoordig verheft zich een kostbaar monument op het graf van Camoëns.Een nieuw beeld!Achter de ijzeren tralies vertoont zich een man, die er doodsbleek uitziet, met een langen, ongekamden baard. «Ik heb een uitvinding gedaan, de grootste sedert eeuwen!» roept hij, «en men heeft mij langer dan twintig jaren hier opgesloten gehouden!»—«Wie is die man?»—«Een krankzinnige!» antwoordt de bewaker der krankzinnigen. «Waar kan een mensch in zijn krankzinnigheid al niet toe komen! Hij verbeeldt zich, dat men zich door stoom kan bewegen!»—Het is Salomo de Caus, de ontdekker der stoomkracht, wiens voorgevoel, in onduidelijke woorden uitgesproken, door een Richelieu niet begrepen werd: hij sterft in het krankzinnigengesticht.Hier staat Columbus, dien de straatjongens eenmaal vervolgden en bespotten, omdat hij een nieuwe wereld wilde ontdekken,—hij heeft haar ontdekt! Het gejubel klinkt hem bij zijn zegevierende terugkomst van menschenlippen en door kerkklokstonen tegen, maar de klokken van den nijd overstemden deze al spoedig. De ontdekker eener nieuwe wereld, hij, die het Amerikaansche goudland uit de zee deed oprijzen en aan zijn koning schonk, hij wordt metijzeren ketenen beloond! Hij wenscht deze ketenen in zijn graf mee te nemen; zij leggen getuigenis af van de wereld en van de wijze, waarop tijdgenooten verdiensten schatten.Het eene beeld na het andere rijst op: het doornenpad van de eer en den roem is overvol.Hier in den donkeren nacht zit hij, die de bergen der maan gemeten heeft, hij, die in de oneindige ruimte tot sterren en planeten doordrong, hij, de machtige, die den geest der natuur hoorde en het gevoelde, dat de aarde zich onder zijn voeten bewoog: Galilei. Blind en doof zit hij daar, de grijsaard, gefolterd door den doorn van het lijden in de kwellingen der verloochening, tenauwernood in staat om zijn voet op te lichten, denzelfden, waarmee hij eens in de smart zijner ziel, toen men de waarheid verduisterde, op den grond stampte en uitriep: «En toch beweegt zij zich!»Hier staat een vrouw met een kinderlijk gemoed in geestdrift en geloof,—voor het strijdende leger draagt zij de banier vooruit, en brengt haar vaderland zegepraal en redding. Het gejuich weerklinkt en de brandstapel vlamt: Jeanne d’Arc, de heks, wordt verbrand!—Ja, een latere eeuw spuwt den zwadder der verachting op de witte lelie uit. Voltaire, de sater van het gezonde menschenverstand, zingt van «La pucelle.»Op den Thing te Wiborg verbrandt de Deensche adel de wetten des konings,—zij vlammen hoog op, verlichten de eeuw en den wetgever, werpen een schijnsel van glorie in den donkeren gevangenistoren, waarin de vroegere heerscher over drie koninkrijken, de populaire koning, de vriend der burgers en der boeren, Christiaan de Tweede, vergrijsd, gebogen, met zijn vinger een reet in het steenen tafelblad makende, zit. Vijanden teekenen zijn geschiedenis op. Aan zijn zeven-en-twintigjarige gevangenschap willen wij gedenken, al kunnen wij zijn bloedschuld ook niet loochenen.Een schip zeilt uit en verlaat het Deensche strand; tegen den mast leunt een man, die voor de laatste maal een blik op het eiland Hveen slaat;—het is Tycho Brahe; hij verhief den naam van Denemarken tot aan de sterren, en men beloonde hem met grieven, met gebrek en verdriet;—hij vertrekt naar een vreemd land. «De hemel welft zich overal boven mij. Wat wil ik meer?» spreekt hij en zeilt weg, de beroemde Deen, geëerd en vrij in een vreemd land!»«Ach, vrij, al ware het slechts van de duldelooze smarten van het lichaam!» luidt de zucht, die door de tijden heen en tot ons oor doordringt. Welk een beeld! Griffenfeld, een Deensche Prometheus, aan het rotsachtige eiland Munkholm gekluisterd!Wij bevinden ons in Amerika aan den oever van een der grootste rivieren; een tallooze menschenmenigte heeft zich verzameld: een schip, zoo heet het, zal tegen weer en wind, de elementen trotseerend, kunnen zeilen; Robert Fulton noemt zich de man, die dit vraagstuk denkt op te lossen. Het schip begint zijn tocht; maar eensklaps blijft het stilliggen,—de menigte lacht, fluit en sist, deeigen vader van den man fluit. «Hoogmoed! Dwaasheid! Nu gebeurt er, wat hij verdiend heeft,» heet het; «achter slot en grendel met den waanzinnige!»—Daar breekt een kleine spijker, die voor een oogenblik de machine belemmerde, de roeiriemen bewegen zich weer, de raderen breken op nieuw de kracht van het water, het schip zet zijn tocht voort! De kracht van den stoom verkort de uren tot minuten tusschen de landen der wereld!Menschengeslacht! begrijpt gij de zaligheid van zulk een minuut van wetenschap, van dit doordrongen zijn des geestes van zijn roeping, dat oogenblik, waarop al de wanhoop, elke wonde, die het doornenpad der eer sloeg,—zelfs die van eigen schuld,—in heil, kracht en klaarheid verandert, de disharmonie zich in harmonie oplost, dat oogenblik, waarop de menschen de openbaring der goddelijke genade gewaar worden!Op machtige vleugelen zweeft de geest der geschiedenis door de tijden en toont,—bemoedigend en vertroostend, milde gedachten opwekkend,—op een nachtelijk donkeren grond in lichtende beelden het doornenpad der eer, dat niet, evenals in het sprookje, in glans en vreugde hier op aarde, maar verder dan deze in tijd en eeuwigheid eindigt!

Er bestaat nog een oud sprookje van «het doornenpad der eer,»—van een schutter, die wel is waar tot eer en waardigheden opklom, maar eerst na vele wederwaardigheden en allerlei strijd.—Wie heeft bij dit sprookje niet aan zijn eigen doornenpad en aan zijn vele «wederwaardigheden» gedacht? Het sprookje en de werkelijkheid grenzen zeer na aan elkander: maar het sprookje heeft zijn harmonische oplossing hier op aarde, de werkelijkheid vindt deze dikwijls eerst aan gene zijde van het aardsche leven en wijst op tijd en eeuwigheid.

De geschiedenis der wereld is een tooverlantaarn, die ons in lichtbeelden op den donkeren grond van het tegenwoordige aanwijst, hoe de weldoeners der menschheid, de martelaars van het genie, het doornenpad van de eer en den roem bewandelen.

Uit alle tijden, uit alle landen stralen deze lichtbeelden ons tegen, elk wel is waar slechts voor eenige oogenblikken, maar toch als een geheel leven, een levenstijd met zijn strijd en zijn zegepraal. Laat ons hier en daar enkelen van deze schare van martelaren beschouwen,—deze schare, waaraan eerst dan een einde komt, wanneer de aarde vergaat.

Wij zien een welbezet amphitheater. Uit de «Wolken» van een Aristophanes gieten de spot en de scherts zich in stroomen over de menigte uit; op het tooneel wordt de merkwaardigste man van Athene, hij, die het schild en de steun van het volk tegen de dertig tirannen was, wordt Socrates belachelijk gemaakt, Socrates, die in het strijdgewoel Alcibiades en Xenophon redde en wiens geest zich boven de goden der oudheid verhief. Hij zelf is hier tegenwoordig; hij is van de bank der toeschouwers opgestaan en te voorschijn gekomen, opdat de lachende Atheners zouden zien, hoe het met de gelijkenis tusschen hem en de karikatuur op het tooneel geschapen was; daar staat hij voor hen, hoog boven hen allen verheven.

Gij, sappige, groene, vergiftige scheerling, en niet gij, olijfboom, werp hier uw schaduw over Athene!

Zeven steden streden om de eer, de geboorteplaats van Homeruste zijn, dat is te zeggen: nadat hij dood was. Beschouwen wij hem gedurende zijn leven!—Hij loopt te voet door de steden en zegt zijn verzen op om te leven; de gedachte aan den dag van morgen doet zijn haar grijs worden!—Hij, de groote ziener, is blind en bewandelt met moeite zijn pad; de scherpe doorn verscheurt den mantel van den dichterkoning!—Zijn gezangen leven nog, en door deze alleen leven de goden en de helden der oudheid.

Het eene beeld na het andere rijst voor ons op uit het Oosten, uit het Westen, zeer ver van elkander, wat tijd en plaats aangaat, en toch altijd een gedeelte van het doornenpad der eer, waarop de distel eerst dan een bloem voortbrengt, wanneer het graf versierd moet worden.

Onder psalmen trekken de kameelen voort, rijk beladen met indigo en andere kostbare schatten, door den heerscher des lands aan hem gezonden, wiens gezangen de vreugde des volks, de roem des lands zijn; hij, dien leugen en nijd in de ballingschap zonden, hij is gevonden,—de karavaan nadert het stadje, waarin hij een schuilplaats vond: een lijk wordt de stadspoort uitgedragen, en de lijkstoet beveelt de karavaan, halt te houden. De doode is juist degene, dien zij zoekt: Firdusi,—het doornenpad der eer is ten einde gewandeld!

De Afrikaan met de plompe gelaatstrekken, de dikke lippen, het zwarte, wollige haar, zit op de marmeren trappen van het paleis in de hoofdstad van Portugal en bedelt; het is de getrouwe slaaf van Camoëns; zonder hem en zonder de koperen munten, die de voorbijgangers hem toewerpen, zou zijn heer, de zanger der Lusiade, van honger sterven.

Tegenwoordig verheft zich een kostbaar monument op het graf van Camoëns.

Een nieuw beeld!

Achter de ijzeren tralies vertoont zich een man, die er doodsbleek uitziet, met een langen, ongekamden baard. «Ik heb een uitvinding gedaan, de grootste sedert eeuwen!» roept hij, «en men heeft mij langer dan twintig jaren hier opgesloten gehouden!»—«Wie is die man?»—«Een krankzinnige!» antwoordt de bewaker der krankzinnigen. «Waar kan een mensch in zijn krankzinnigheid al niet toe komen! Hij verbeeldt zich, dat men zich door stoom kan bewegen!»—Het is Salomo de Caus, de ontdekker der stoomkracht, wiens voorgevoel, in onduidelijke woorden uitgesproken, door een Richelieu niet begrepen werd: hij sterft in het krankzinnigengesticht.

Hier staat Columbus, dien de straatjongens eenmaal vervolgden en bespotten, omdat hij een nieuwe wereld wilde ontdekken,—hij heeft haar ontdekt! Het gejubel klinkt hem bij zijn zegevierende terugkomst van menschenlippen en door kerkklokstonen tegen, maar de klokken van den nijd overstemden deze al spoedig. De ontdekker eener nieuwe wereld, hij, die het Amerikaansche goudland uit de zee deed oprijzen en aan zijn koning schonk, hij wordt metijzeren ketenen beloond! Hij wenscht deze ketenen in zijn graf mee te nemen; zij leggen getuigenis af van de wereld en van de wijze, waarop tijdgenooten verdiensten schatten.

Het eene beeld na het andere rijst op: het doornenpad van de eer en den roem is overvol.

Hier in den donkeren nacht zit hij, die de bergen der maan gemeten heeft, hij, die in de oneindige ruimte tot sterren en planeten doordrong, hij, de machtige, die den geest der natuur hoorde en het gevoelde, dat de aarde zich onder zijn voeten bewoog: Galilei. Blind en doof zit hij daar, de grijsaard, gefolterd door den doorn van het lijden in de kwellingen der verloochening, tenauwernood in staat om zijn voet op te lichten, denzelfden, waarmee hij eens in de smart zijner ziel, toen men de waarheid verduisterde, op den grond stampte en uitriep: «En toch beweegt zij zich!»

Hier staat een vrouw met een kinderlijk gemoed in geestdrift en geloof,—voor het strijdende leger draagt zij de banier vooruit, en brengt haar vaderland zegepraal en redding. Het gejuich weerklinkt en de brandstapel vlamt: Jeanne d’Arc, de heks, wordt verbrand!—Ja, een latere eeuw spuwt den zwadder der verachting op de witte lelie uit. Voltaire, de sater van het gezonde menschenverstand, zingt van «La pucelle.»

Op den Thing te Wiborg verbrandt de Deensche adel de wetten des konings,—zij vlammen hoog op, verlichten de eeuw en den wetgever, werpen een schijnsel van glorie in den donkeren gevangenistoren, waarin de vroegere heerscher over drie koninkrijken, de populaire koning, de vriend der burgers en der boeren, Christiaan de Tweede, vergrijsd, gebogen, met zijn vinger een reet in het steenen tafelblad makende, zit. Vijanden teekenen zijn geschiedenis op. Aan zijn zeven-en-twintigjarige gevangenschap willen wij gedenken, al kunnen wij zijn bloedschuld ook niet loochenen.

Een schip zeilt uit en verlaat het Deensche strand; tegen den mast leunt een man, die voor de laatste maal een blik op het eiland Hveen slaat;—het is Tycho Brahe; hij verhief den naam van Denemarken tot aan de sterren, en men beloonde hem met grieven, met gebrek en verdriet;—hij vertrekt naar een vreemd land. «De hemel welft zich overal boven mij. Wat wil ik meer?» spreekt hij en zeilt weg, de beroemde Deen, geëerd en vrij in een vreemd land!»

«Ach, vrij, al ware het slechts van de duldelooze smarten van het lichaam!» luidt de zucht, die door de tijden heen en tot ons oor doordringt. Welk een beeld! Griffenfeld, een Deensche Prometheus, aan het rotsachtige eiland Munkholm gekluisterd!

Wij bevinden ons in Amerika aan den oever van een der grootste rivieren; een tallooze menschenmenigte heeft zich verzameld: een schip, zoo heet het, zal tegen weer en wind, de elementen trotseerend, kunnen zeilen; Robert Fulton noemt zich de man, die dit vraagstuk denkt op te lossen. Het schip begint zijn tocht; maar eensklaps blijft het stilliggen,—de menigte lacht, fluit en sist, deeigen vader van den man fluit. «Hoogmoed! Dwaasheid! Nu gebeurt er, wat hij verdiend heeft,» heet het; «achter slot en grendel met den waanzinnige!»—Daar breekt een kleine spijker, die voor een oogenblik de machine belemmerde, de roeiriemen bewegen zich weer, de raderen breken op nieuw de kracht van het water, het schip zet zijn tocht voort! De kracht van den stoom verkort de uren tot minuten tusschen de landen der wereld!

Menschengeslacht! begrijpt gij de zaligheid van zulk een minuut van wetenschap, van dit doordrongen zijn des geestes van zijn roeping, dat oogenblik, waarop al de wanhoop, elke wonde, die het doornenpad der eer sloeg,—zelfs die van eigen schuld,—in heil, kracht en klaarheid verandert, de disharmonie zich in harmonie oplost, dat oogenblik, waarop de menschen de openbaring der goddelijke genade gewaar worden!

Op machtige vleugelen zweeft de geest der geschiedenis door de tijden en toont,—bemoedigend en vertroostend, milde gedachten opwekkend,—op een nachtelijk donkeren grond in lichtende beelden het doornenpad der eer, dat niet, evenals in het sprookje, in glans en vreugde hier op aarde, maar verder dan deze in tijd en eeuwigheid eindigt!

De goddelooze koning.Er was eens een goddelooze koning; al zijn denken en streven was slechts daarop gericht, alle landen der wereld te veroveren en alle menschen vrees in te boezemen; te vuur en te zwaard trok hij rond, en zijn soldaten vertrapten het zaad op de velden en staken het huis van den boer in brand, zoodat de roode vlam de bladeren van den boom verschroeide en de vruchten gebraden aan de verzengde, zwarte boomen hingen. Met een naakten zuigeling op den arm vluchtte menige arme moeder achter de nog rookende muren van haar afgebrande woning; maar hier zochten de soldaten haar ook, en als zij de ongelukkigen vonden, dan gaf dit nieuw voedsel aan hun duivelachtige vreugde; booze geesten hadden niet erger huis kunnen houden dan deze soldaten; maar de koning vond, dat het zoo goed was, dat het zoo moest toegaan. Met den dag groeide zijn macht aan, zijn naam werd door allen gevreesd, en het geluk volgde zijn schreden bij al zijn ondernemingen. Uit de veroverde steden voerde hij onmetelijke schatten weg; in zijn residentiestad werd een rijkdom opgestapeld, die op geen andere plaats zijns gelijke had.Hij liet paleizen, kasteelen en kerken bouwen, en iedereen, die deze prachtige gebouwen en deze schatten zag, riep vol eerbied uit: «Welk een groot koning!» Zij dachten niet aan de ellende, die hij over andere landen en steden gebracht had; zij hoorden de zuchten en de jammerklachten niet, die er uit de in de asch gelegde steden ten hemel opklommen.De koning beschouwde zijn goud en zijn prachtige gebouwen, en dacht daarbij evenals de menigte: «Welk een groot koning!—Maar ik moet veel meer hebben, veel meer! Geen macht mag met de mijne gelijkstaan, of grooter dan de mijne zijn!» Hij verklaarde daarom den oorlog aan de naburige koningen en overwon ze allen. De overwonnen koningen liet hij met gouden ketenen aan zijn wagen vastbinden, en zoo reed hij door de straten van zijn residentie; als hij aan tafel zat, dan moesten die koningen voor hem en zijn hovelingen op de knieën liggen en zich met de brokken, die hun van de tafel toegeworpen werden, verzadigen.Eindelijk liet de koning zijn eigen beeldzuil op de publieke pleinen en in de koninklijke kasteelen oprichten, ja, hij wilde ze zelfs in de kerken voor het altaar des Heeren plaatsen, maar de priesters verzetten zich daartegen en zeiden: «O koning! gij zijt groot, maar God is grooter; wij wagen het niet, uw bevel te gehoorzamen!»«Welaan dan!» riep de koning uit, «ik zal ook God overwinnen!»—En in overmoed en dwazen wrevel liet hij een kostbaar schip bouwen, waarmee hij door de lucht kon zeilen; het was bont en prachtig om aan te zien, als de staart van een pauw, en het was als met duizenden oogen bezet en bezaaid;—maar ieder oog was een geweerloop. De koning zat in het midden van het schip, hij behoefde slechts op een daar aangebrachte veer te drukken, en dan vlogen er duizend kogels naar alle kanten heen, terwijl de vuurwapenen terstond weer op nieuw geladen waren. Honderden arenden werden er voor het schip gespannen, en met pijlsnelheid ging het nu opwaarts naar de zon toe. Wat lag daar de aarde diep beneden! Met haar bergen en bosschen scheen zij slechts een akker te zijn, waarin de ploeg zijn voren getrokken had; al spoediggeleek zij nog slechts op een platte landkaart met onduidelijke lijnen, en eindelijk was zij geheel in wolken en nevelen gehuld. Gedurig hooger vlogen de arenden, opwaarts in de lucht. Nu zond God een enkelen zijner ontelbare engelen uit; de goddelooze koning schoot duizenden kogels op hem af, maar de kogels stuitten op de schitterende vleugels van den engel af en vielen als gewone hagelkorreltjes neer; maar een bloeddroppel, slechts een enkele, droppelde er van een der witte vleugelen neer, en deze droppel viel op het schip, waarop de koning zat; hij brandde in het schip in, woog als duizend centenaars lood en deed het schip met bliksemsnelheid naar beneden naar de aarde neerdalen; de sterke vleugels der arenden braken, de wind gierde om het hoofd van den koning, en wolken in de rondte,—deze waren immers uit den rook der verbrande steden samengesteld,—vormden zich in dreigende gestalten, als mijlenlange zeekrabben, die haar pooten en haar scharen naar hem uitstrekten, stapelden zich op tot ontzaglijke rotsen met neerrollende, verpletterende blokken, vormden zich tot vuurspuwende draken. Halfdood lag de koning op het schip uitgestrekt, en dit bleef eindelijk met een vreeselijken schok in de dikke takken van een bosch hangen.«Ik wil God overwinnen!» zei de koning, «ik heb het gezworen, mijn wilmoetgeschieden!»—En zeven jaren lang liet hij bouwen en werken aan kunstige schepen tot het doorzeilen der lucht, liet bliksemstralen van het hardste staal snijden, want hij wilde den hemelburcht doen springen. Uit al zijn landen verzamelde hij legers, die, als zij man naast man geschaard stonden, een ruimte van verscheidene mijlen besloegen. Het leger ging aan boord van de kunstige schepen, de koning begaf zich naar het zijne;—daar zond God een kleinen zwerm muggen uit. Deze gonsden om den koning heen en staken zijn gezicht en zijn handen; in toorn ontstoken, trok hij zijn zwaard en sloeg om zich heen, maar hij sloeg slechts in de lucht, en de muggen trof hij niet. Nu beval hij, kostbare tapijten te brengen en hem daarin te wikkelen, opdat geen mug hem meer zou kunnen steken, en de dienaren deden, zooals hun bevolen was. Maar een enkele mug had zich op den binnenkant van het tapijt neergezet; van hier kroop zij in het oor des konings en stak hem; het brandde als vuur, het vergif drong in zijn hersenen door; als waanzinnig rukte hij de tapijten van zijn lichaam af en slingerde ze ver van zich weg, verscheurde zijn kleederen en danste naakt in de rondte voor de oogen van zijn ruwe soldaten, welke nu den spot dreven met den krankzinnigen vorst, die God wilde beoorlogen en die door een enkele kleine mug overwonnen was.

Er was eens een goddelooze koning; al zijn denken en streven was slechts daarop gericht, alle landen der wereld te veroveren en alle menschen vrees in te boezemen; te vuur en te zwaard trok hij rond, en zijn soldaten vertrapten het zaad op de velden en staken het huis van den boer in brand, zoodat de roode vlam de bladeren van den boom verschroeide en de vruchten gebraden aan de verzengde, zwarte boomen hingen. Met een naakten zuigeling op den arm vluchtte menige arme moeder achter de nog rookende muren van haar afgebrande woning; maar hier zochten de soldaten haar ook, en als zij de ongelukkigen vonden, dan gaf dit nieuw voedsel aan hun duivelachtige vreugde; booze geesten hadden niet erger huis kunnen houden dan deze soldaten; maar de koning vond, dat het zoo goed was, dat het zoo moest toegaan. Met den dag groeide zijn macht aan, zijn naam werd door allen gevreesd, en het geluk volgde zijn schreden bij al zijn ondernemingen. Uit de veroverde steden voerde hij onmetelijke schatten weg; in zijn residentiestad werd een rijkdom opgestapeld, die op geen andere plaats zijns gelijke had.Hij liet paleizen, kasteelen en kerken bouwen, en iedereen, die deze prachtige gebouwen en deze schatten zag, riep vol eerbied uit: «Welk een groot koning!» Zij dachten niet aan de ellende, die hij over andere landen en steden gebracht had; zij hoorden de zuchten en de jammerklachten niet, die er uit de in de asch gelegde steden ten hemel opklommen.

De koning beschouwde zijn goud en zijn prachtige gebouwen, en dacht daarbij evenals de menigte: «Welk een groot koning!—Maar ik moet veel meer hebben, veel meer! Geen macht mag met de mijne gelijkstaan, of grooter dan de mijne zijn!» Hij verklaarde daarom den oorlog aan de naburige koningen en overwon ze allen. De overwonnen koningen liet hij met gouden ketenen aan zijn wagen vastbinden, en zoo reed hij door de straten van zijn residentie; als hij aan tafel zat, dan moesten die koningen voor hem en zijn hovelingen op de knieën liggen en zich met de brokken, die hun van de tafel toegeworpen werden, verzadigen.

Eindelijk liet de koning zijn eigen beeldzuil op de publieke pleinen en in de koninklijke kasteelen oprichten, ja, hij wilde ze zelfs in de kerken voor het altaar des Heeren plaatsen, maar de priesters verzetten zich daartegen en zeiden: «O koning! gij zijt groot, maar God is grooter; wij wagen het niet, uw bevel te gehoorzamen!»

«Welaan dan!» riep de koning uit, «ik zal ook God overwinnen!»—En in overmoed en dwazen wrevel liet hij een kostbaar schip bouwen, waarmee hij door de lucht kon zeilen; het was bont en prachtig om aan te zien, als de staart van een pauw, en het was als met duizenden oogen bezet en bezaaid;—maar ieder oog was een geweerloop. De koning zat in het midden van het schip, hij behoefde slechts op een daar aangebrachte veer te drukken, en dan vlogen er duizend kogels naar alle kanten heen, terwijl de vuurwapenen terstond weer op nieuw geladen waren. Honderden arenden werden er voor het schip gespannen, en met pijlsnelheid ging het nu opwaarts naar de zon toe. Wat lag daar de aarde diep beneden! Met haar bergen en bosschen scheen zij slechts een akker te zijn, waarin de ploeg zijn voren getrokken had; al spoediggeleek zij nog slechts op een platte landkaart met onduidelijke lijnen, en eindelijk was zij geheel in wolken en nevelen gehuld. Gedurig hooger vlogen de arenden, opwaarts in de lucht. Nu zond God een enkelen zijner ontelbare engelen uit; de goddelooze koning schoot duizenden kogels op hem af, maar de kogels stuitten op de schitterende vleugels van den engel af en vielen als gewone hagelkorreltjes neer; maar een bloeddroppel, slechts een enkele, droppelde er van een der witte vleugelen neer, en deze droppel viel op het schip, waarop de koning zat; hij brandde in het schip in, woog als duizend centenaars lood en deed het schip met bliksemsnelheid naar beneden naar de aarde neerdalen; de sterke vleugels der arenden braken, de wind gierde om het hoofd van den koning, en wolken in de rondte,—deze waren immers uit den rook der verbrande steden samengesteld,—vormden zich in dreigende gestalten, als mijlenlange zeekrabben, die haar pooten en haar scharen naar hem uitstrekten, stapelden zich op tot ontzaglijke rotsen met neerrollende, verpletterende blokken, vormden zich tot vuurspuwende draken. Halfdood lag de koning op het schip uitgestrekt, en dit bleef eindelijk met een vreeselijken schok in de dikke takken van een bosch hangen.

«Ik wil God overwinnen!» zei de koning, «ik heb het gezworen, mijn wilmoetgeschieden!»—En zeven jaren lang liet hij bouwen en werken aan kunstige schepen tot het doorzeilen der lucht, liet bliksemstralen van het hardste staal snijden, want hij wilde den hemelburcht doen springen. Uit al zijn landen verzamelde hij legers, die, als zij man naast man geschaard stonden, een ruimte van verscheidene mijlen besloegen. Het leger ging aan boord van de kunstige schepen, de koning begaf zich naar het zijne;—daar zond God een kleinen zwerm muggen uit. Deze gonsden om den koning heen en staken zijn gezicht en zijn handen; in toorn ontstoken, trok hij zijn zwaard en sloeg om zich heen, maar hij sloeg slechts in de lucht, en de muggen trof hij niet. Nu beval hij, kostbare tapijten te brengen en hem daarin te wikkelen, opdat geen mug hem meer zou kunnen steken, en de dienaren deden, zooals hun bevolen was. Maar een enkele mug had zich op den binnenkant van het tapijt neergezet; van hier kroop zij in het oor des konings en stak hem; het brandde als vuur, het vergif drong in zijn hersenen door; als waanzinnig rukte hij de tapijten van zijn lichaam af en slingerde ze ver van zich weg, verscheurde zijn kleederen en danste naakt in de rondte voor de oogen van zijn ruwe soldaten, welke nu den spot dreven met den krankzinnigen vorst, die God wilde beoorlogen en die door een enkele kleine mug overwonnen was.

Twee hanen.Twee hanen waren er, de een op den mesthoop, de ander op het dak; hoovaardig waren zij beide; maar wie van hen voerde wel hetmeeste uit? Zeg ons uw meening daarover eens,—wij behouden toch onze eigen.De plaats, waarop de kippen liepen, was door een plank van een andere plaats gescheiden, waarop een mesthoop was, en op dezen mesthoop lag en groeide een groote augurk, die het bewustzijn had, dat zij een broeibedplant was.«Daartoe wordt men geboren,» sprak het in het binnenste van de augurk. «Niet allen kunnen als augurken geboren worden, er moeten ook andere soorten zijn! De kippen, de eenden en al het gedierte van de naburige plaats zijn ook schepselen. Naar den haan, die op de plank staat, zie ik nu op; deze heeft echter een heel andere roeping dan de weerhaan, die zoo hoog geplaatst is en niet eens kan knarsen, laat staan dan kraaien; hij heeft noch kippen, noch kuikentjes, hij denkt slechts aan zich zelf en zweet kopergroen! Neen, die haan op de plank is eerst een haan! Zijn gang is dans, zijn kraaien is muziek! Waar hij komt, daar wordt het iemand terstond duidelijk, wat een trompetter is. Als hij maar hierheen kwam! En al at hij mij ook met huid en haar op, en al moest ik ook in zijn buik begraven worden,—dat zou een zalige dood zijn!» sprak de augurk.’s Nachts werd het een verschrikkelijk weer; kippen, kuikentjes en zelfs de haan zochten beschutting; de wind rukte de plank tusschen de beide plaatsen weg, dat het kraakte; de dakpannen vielen naar beneden, maar de weerhaan zat vast; hij draaide niet eens in de rondte, hij kon niet in de rondte draaien, en toch was hij nog jong, pas gegoten, maar stil en bedaard; hij was oud geboren, begreep volstrekt niets van de vogels, die in de lucht vlogen, de musschen, de zwaluwen,—neen, die verachtte hij; dat waren piepvogels van geringe grootte, gewone piepvogels! De duiven, vond hij, waren groot en blank, en schitterend als paarlemoer, zij zagen er uit als een soort van weerhanen; maar zij waren dik en dom;al haar denken en streven was er slechts op gericht, haar buik te vullen; ook waren zij vervelend in den omgang.Ook de trekvogels hadden den weerhaan een bezoek gebracht en hem verteld van vreemde landen, van luchtkaravanen en ijselijke rooversgeschiedenissen met de roofvogels; dat was nieuw en interessant, namelijk de eerste maal; maar later, dat wist de weerhaan, herhaalden zij het, vertelden steeds dezelfde geschiedenissen, en dat is vervelend! Zij waren vervelend, en alles was vervelend, met niemand kon men omgang hebben, allen waren laf en bekrompen.«De wereld deugt niets!» zei hij. «Alles is maar dwaasheid!»De weerhaan was opgeblazen, en deze eigenschap zou hem zeker bij de augurk interessant gemaakt hebben, als zij het geweten had; maar zij had slechts oogen voor den anderen haan, en die was nu op de plaats bij haar.De wind had de plank omgeblazen; maar de storm was voorbij.«Wat zegt ge wel van dat gekraai?» vroeg de haan aan de kippen en de kuikentjes. «Het was een weinig ruw, de elegantie ontbrak er aan.»En kippen en kuikentjes betraden den mesthoop, en de haan betrad dien ook met een deftigen stap.«Tuingewas!» zeide hij tegen de augurk, en uit dit eene woord werd haar zijn hooge beschaving duidelijk, en zijvergafhet, dat hij in haar pikte en haar opat.«Een zalige dood!»De kippen en de kuikentjes kwamen, en als de een gaat loopen, dan doet de ander het ook; zij klokten en piepten, en zij zagen den haan aan en waren er trotsch op, dat hij van hun soort was.«Kukelekuku!» kraaide hij, «de kuikentjes worden terstond tot groote kippen, als ik het uitkraai in den kippenren der wereld!»En kippen en kuikentjes klokten en piepten, en de haan verkondigde een groot nieuws.«Een haan kan een ei leggen! En weet je, wat er in het ei zit?—In het ei zit een basilisk. Den aanblik van zulk een beest vermag niemand uit te houden; dat weten de menschen, en nu weet je het ook; nu weet je, dat ik een ferme kerel ben!»Daarop sloeg de haan met zijn vleugels, deed zijn hanekam opzwellen en kraaide weer; en allen huiverden, de kippen en de kleine kuikentjes; maar zij waren er wat trotsch op, dat een hunner zulk een ferme kerel was; zij klokten en piepten, zoodat de weerhaan het wel moest hooren; hij hoorde het dan ook, maar verroerde zich daarbij niet.«Alles is maar dwaasheid!» zei de weerhaan bij zich zelf. «De haan legt geen eieren, en ik ben er te lui toe; als ik wilde, dan kon ik wel een windei leggen, maar de wereld is geen windei waard. Alles is maar dwaasheid!—Nu mag ik hier niet eens lang meer zitten.»Dit zeggende, brak de weerhaan af, maar hij sloeg den anderenhaan niet dood, ofschoon hij er plan op had, zooals de kippen zeiden. En wat zegt de moraal? «Het is altijd nog beter te kraaien, dan opgeblazen te zijn en af te breken.»

Twee hanen waren er, de een op den mesthoop, de ander op het dak; hoovaardig waren zij beide; maar wie van hen voerde wel hetmeeste uit? Zeg ons uw meening daarover eens,—wij behouden toch onze eigen.

De plaats, waarop de kippen liepen, was door een plank van een andere plaats gescheiden, waarop een mesthoop was, en op dezen mesthoop lag en groeide een groote augurk, die het bewustzijn had, dat zij een broeibedplant was.

«Daartoe wordt men geboren,» sprak het in het binnenste van de augurk. «Niet allen kunnen als augurken geboren worden, er moeten ook andere soorten zijn! De kippen, de eenden en al het gedierte van de naburige plaats zijn ook schepselen. Naar den haan, die op de plank staat, zie ik nu op; deze heeft echter een heel andere roeping dan de weerhaan, die zoo hoog geplaatst is en niet eens kan knarsen, laat staan dan kraaien; hij heeft noch kippen, noch kuikentjes, hij denkt slechts aan zich zelf en zweet kopergroen! Neen, die haan op de plank is eerst een haan! Zijn gang is dans, zijn kraaien is muziek! Waar hij komt, daar wordt het iemand terstond duidelijk, wat een trompetter is. Als hij maar hierheen kwam! En al at hij mij ook met huid en haar op, en al moest ik ook in zijn buik begraven worden,—dat zou een zalige dood zijn!» sprak de augurk.

’s Nachts werd het een verschrikkelijk weer; kippen, kuikentjes en zelfs de haan zochten beschutting; de wind rukte de plank tusschen de beide plaatsen weg, dat het kraakte; de dakpannen vielen naar beneden, maar de weerhaan zat vast; hij draaide niet eens in de rondte, hij kon niet in de rondte draaien, en toch was hij nog jong, pas gegoten, maar stil en bedaard; hij was oud geboren, begreep volstrekt niets van de vogels, die in de lucht vlogen, de musschen, de zwaluwen,—neen, die verachtte hij; dat waren piepvogels van geringe grootte, gewone piepvogels! De duiven, vond hij, waren groot en blank, en schitterend als paarlemoer, zij zagen er uit als een soort van weerhanen; maar zij waren dik en dom;al haar denken en streven was er slechts op gericht, haar buik te vullen; ook waren zij vervelend in den omgang.

Ook de trekvogels hadden den weerhaan een bezoek gebracht en hem verteld van vreemde landen, van luchtkaravanen en ijselijke rooversgeschiedenissen met de roofvogels; dat was nieuw en interessant, namelijk de eerste maal; maar later, dat wist de weerhaan, herhaalden zij het, vertelden steeds dezelfde geschiedenissen, en dat is vervelend! Zij waren vervelend, en alles was vervelend, met niemand kon men omgang hebben, allen waren laf en bekrompen.

«De wereld deugt niets!» zei hij. «Alles is maar dwaasheid!»

De weerhaan was opgeblazen, en deze eigenschap zou hem zeker bij de augurk interessant gemaakt hebben, als zij het geweten had; maar zij had slechts oogen voor den anderen haan, en die was nu op de plaats bij haar.

De wind had de plank omgeblazen; maar de storm was voorbij.

«Wat zegt ge wel van dat gekraai?» vroeg de haan aan de kippen en de kuikentjes. «Het was een weinig ruw, de elegantie ontbrak er aan.»

En kippen en kuikentjes betraden den mesthoop, en de haan betrad dien ook met een deftigen stap.

«Tuingewas!» zeide hij tegen de augurk, en uit dit eene woord werd haar zijn hooge beschaving duidelijk, en zijvergafhet, dat hij in haar pikte en haar opat.

«Een zalige dood!»

De kippen en de kuikentjes kwamen, en als de een gaat loopen, dan doet de ander het ook; zij klokten en piepten, en zij zagen den haan aan en waren er trotsch op, dat hij van hun soort was.

«Kukelekuku!» kraaide hij, «de kuikentjes worden terstond tot groote kippen, als ik het uitkraai in den kippenren der wereld!»

En kippen en kuikentjes klokten en piepten, en de haan verkondigde een groot nieuws.

«Een haan kan een ei leggen! En weet je, wat er in het ei zit?—In het ei zit een basilisk. Den aanblik van zulk een beest vermag niemand uit te houden; dat weten de menschen, en nu weet je het ook; nu weet je, dat ik een ferme kerel ben!»

Daarop sloeg de haan met zijn vleugels, deed zijn hanekam opzwellen en kraaide weer; en allen huiverden, de kippen en de kleine kuikentjes; maar zij waren er wat trotsch op, dat een hunner zulk een ferme kerel was; zij klokten en piepten, zoodat de weerhaan het wel moest hooren; hij hoorde het dan ook, maar verroerde zich daarbij niet.

«Alles is maar dwaasheid!» zei de weerhaan bij zich zelf. «De haan legt geen eieren, en ik ben er te lui toe; als ik wilde, dan kon ik wel een windei leggen, maar de wereld is geen windei waard. Alles is maar dwaasheid!—Nu mag ik hier niet eens lang meer zitten.»

Dit zeggende, brak de weerhaan af, maar hij sloeg den anderenhaan niet dood, ofschoon hij er plan op had, zooals de kippen zeiden. En wat zegt de moraal? «Het is altijd nog beter te kraaien, dan opgeblazen te zijn en af te breken.»

Er bestaat een onderscheid.Het was in de Meimaand, de wind blies nog koud; maar «de lente is er,» zeiden boomen en planten, bosch en beemd; het wemelde van bloemen, tot zelfs in de boomgaarden, en daar bepleitte de lente zelve haar zaak; zij predikte van een kleinen appelboom: daaraan zat een enkele tak, frisch en bloeiend, met fijne, rozeroode knoppen als bezaaid, die op het punt waren zich te ontsluiten; hij wist zeer goed, hoe schoon dit was, want het zit in het blad zoowel als in het bloed; daarom verwonderde het hem ook niet, toen er een deftig rijtuig voor hem stilhield en de jonge gravin zei, dat een appeltak het prachtigste was, wat men zien kon; het was de lente zelve in haar heerlijkste openbaring. De tak werd afgebroken, zij nam dien in haar fijne hand en beschaduwde hem met haar zijden parasol,—toen reden zij naar het kasteel, waarin zich hooge zalen en prachtige kamers bevonden; heldere, witte gordijnen hingen er voor de ramen, en heerlijke bloemen stonden er in schitterende, doorzichtige vazen, en in een daarvan, die als uit versch gevallen sneeuw gesneden was, werd de appeltak tusschen frissche, lichte beuketakken gestoken; het was een lust om hem te zien.Nu werd de tak trotsch, en dat is immers menschelijk!Er kwamen menschen van verschillende soort in de kamer, en al naardat zij iets golden, durfden zij hun bewondering te kennen geven. Eenigen zeiden niets, anderen weer te veel, en de appeltak begreep, dat er een onderscheid tusschen verschillende planten en gewassen bestaat. «Enkele zijn voor den pronk en andere om te voeden; er zijn er ook zulke, die men geheel zou kunnen missen,» dacht de appeltak, en daar hij vlak voor het open raam stond, waaruit hij in den tuin en op het land kon zien, had hij bloemen en planten genoeg om te bekijken en daarover na te denken; daar stonden rijke en arme, eenige zelfs te armoedige.«Arme, verstooten planten!» zei de appeltak; «er bestaat toch een onderscheid! Hoe ongelukkig moeten zij zich gevoelen, als zij ten minste zoo gevoelen als ik en mijns gelijken.Wel bestaat er een onderscheid; maar dat moet er ook wezen; want anders waren zij immers allemaal gelijk!»En de appeltak zag met een zeker medelijden inzonderheid op een soort van bloemen neer, die in menigte op de velden en aan de slooten stonden. Niemand maakte er een ruiker van; zij waren veel te alledaagsch, ja, men kon ze zelfs tusschen de straatsteenen vinden. Zij schoten als het ergste onkruid te voorschijn en droegen den leelijken naam: paardenbloemen.«Arme, verachte plant!» zei de appeltak, «je kunt er niets tegen doen, dat je dien leelijken naam, dien je draagt, gekregen hebt. Maar met de planten is het evenals met de menschen: er moet onderscheid wezen!»«Onderscheid!» zei de zonnestraal en kuste den bloeienden appeltak, maar kuste ook de gele paardenbloemen buiten op het land; alle broeders van den zonnestraal kusten ze de arme bloemen zoowel als de rijke.De appeltak had nooit over Gods oneindige liefde jegens alles, wat er leeft en zich beweegt, nagedacht, hoe veel schoons en goeds er verborgen, maar niet vergeten kan liggen,—doch ook dat was menschelijk!De zonnestraal, de straal des lichts wist het beter: «Je ziet niet ver, je ziet niet duidelijk!—Wat is de verachte plant, die je vooral beklaagt?»«De paardenbloem!» zei de appeltak. «Nooit wordt daarvan een ruiker gemaakt, zij wordt met voeten getreden; er zijn er te veel van, en als zij in het zaad schieten, dan vliegen zij als klein gesneden wol over den weg en hechten zich aan de kleeren der menschen. Onkruid is het, maar ook dat moet er zijn.—Ik ben er werkelijk zeer dankbaar voor, dat ik niet een van die bloemen geworden ben!En over het land huppelde een troep kinderen. Het jongste daarvanwas nog zoo klein, dat het door een der oudere gedragen moest worden. Toen het tusschen de gele bloemen in het gras neergezet werd, lachte het luid van vreugde, trappelde met zijn voetjes, wentelde zich in de rondte, plukte slechts de gele bloempjes en kuste ze met een bekoorlijke onschuld. De grootere kinderen braken de bloemen van de lange stelen af, bogen deze rond en schakelden ze aan elkaar vast, zoodat daarvan een ketting ontstond; eerst een voor den hals, toen een, om dien over de schouders en om het lijf te hangen, en toen nog een, om dien op de borst en op het hoofd vast te maken; dat was een pracht van groene schakels en kettingen! Maar de grootste kinderen grepen de uitgebloeide bloem voorzichtig bij den steel vast, waarop de gevederde zaadkroon stond: deze losse, luchtige wollen bloem, die een echt kunststuk is, hielden zij voor den mond, om haar in eens geheel uit te blazen, en wie dat kon, kreeg, zooals grootmoeder zei, nieuwe kleeren voordat het jaar ten einde was.De verachte bloem was bij deze gelegenheid een profetes.«Zie je wel?» zei de zonnestraal. «Zie je haar schoonheid, zie je haar macht?»«Ja, voor kinderen!» antwoordde de appeltak.En een oude vrouw kwam op het land en groef met haar stomp, bot mes rondom de wortels der plant en haalde deze uit den grond; van eenige van die wortels wilde zij koffie zetten, de andere wilde zij aan den apotheker verkoopen.«Schoonheid is toch iets hoogers!» zei de appeltak. «Slechts de uitverkorenen komen in het rijk van het schoone! Er bestaat een onderscheid tusschen de verschillende planten, evenals er een onderscheid tusschen de verschillende menschen bestaat!»De zonnestraal sprak van Gods oneindige liefde, die zich in het geschapene openbaart, en van alles, wat leven heeft, en van de gelijke verdeeling van alle dingen in tijd en eeuwigheid.«Ja, dat is nu uw meening!» zei de appeltak.Er kwamen menschen in de kamer, en de jonge schoone gravin kwam ook; zij, die den appeltak in de doorzichtige vaas neergezet had, waar het zonlicht scheen; zij bracht een bloem, of wat het anders wezen mocht, mee, het voorwerp werd door drie of vier groote bladeren verborgen gehouden, die als een zakje daaromheen zaten, opdat geen tocht of windvlaag daaraan schade zou toebrengen, en het werd zoo voorzichtig gedragen, als dit met een appeltak nooit gebeurd was. Voorzichtig werden nu de groote bladeren verwijderd, en men zag de fijne, gevederde zaadkroon van de gele, verachte paardenbloem. Deze was het, die zij zoo voorzichtig afgeplukt had, zoo zorgvuldig droeg, opdat niet een van de vele fijne vezeltjes, waaruit zij bestaat en die los zitten, zou wegwaaien. Ongedeerd droeg zij deze en bewonderde haar schoonen vorm, haar eigenaardig samenstel, haar schoonheid, die zoo in den wind zou verwaaien.«Zie eens, hoe verwonderlijk liefelijk God haar gemaakt heeft!»zeide zij. «Ik wil haar met den appeltak tegelijk uitschilderen; dezen vinden allen zoo onbeschrijfelijk schoon, maar ook deze arme bloem heeft op een andere wijze even veel van den goeden God gekregen; hoe verschillend zij ook wezen mogen, toch zijn zij beiden kinderen in het rijk der schoonheid!»De zonnestraal kuste de verachte bloem en den bloeienden appeltak, welks bladeren daarbij schenen te blozen.

Het was in de Meimaand, de wind blies nog koud; maar «de lente is er,» zeiden boomen en planten, bosch en beemd; het wemelde van bloemen, tot zelfs in de boomgaarden, en daar bepleitte de lente zelve haar zaak; zij predikte van een kleinen appelboom: daaraan zat een enkele tak, frisch en bloeiend, met fijne, rozeroode knoppen als bezaaid, die op het punt waren zich te ontsluiten; hij wist zeer goed, hoe schoon dit was, want het zit in het blad zoowel als in het bloed; daarom verwonderde het hem ook niet, toen er een deftig rijtuig voor hem stilhield en de jonge gravin zei, dat een appeltak het prachtigste was, wat men zien kon; het was de lente zelve in haar heerlijkste openbaring. De tak werd afgebroken, zij nam dien in haar fijne hand en beschaduwde hem met haar zijden parasol,—toen reden zij naar het kasteel, waarin zich hooge zalen en prachtige kamers bevonden; heldere, witte gordijnen hingen er voor de ramen, en heerlijke bloemen stonden er in schitterende, doorzichtige vazen, en in een daarvan, die als uit versch gevallen sneeuw gesneden was, werd de appeltak tusschen frissche, lichte beuketakken gestoken; het was een lust om hem te zien.

Nu werd de tak trotsch, en dat is immers menschelijk!

Er kwamen menschen van verschillende soort in de kamer, en al naardat zij iets golden, durfden zij hun bewondering te kennen geven. Eenigen zeiden niets, anderen weer te veel, en de appeltak begreep, dat er een onderscheid tusschen verschillende planten en gewassen bestaat. «Enkele zijn voor den pronk en andere om te voeden; er zijn er ook zulke, die men geheel zou kunnen missen,» dacht de appeltak, en daar hij vlak voor het open raam stond, waaruit hij in den tuin en op het land kon zien, had hij bloemen en planten genoeg om te bekijken en daarover na te denken; daar stonden rijke en arme, eenige zelfs te armoedige.

«Arme, verstooten planten!» zei de appeltak; «er bestaat toch een onderscheid! Hoe ongelukkig moeten zij zich gevoelen, als zij ten minste zoo gevoelen als ik en mijns gelijken.Wel bestaat er een onderscheid; maar dat moet er ook wezen; want anders waren zij immers allemaal gelijk!»

En de appeltak zag met een zeker medelijden inzonderheid op een soort van bloemen neer, die in menigte op de velden en aan de slooten stonden. Niemand maakte er een ruiker van; zij waren veel te alledaagsch, ja, men kon ze zelfs tusschen de straatsteenen vinden. Zij schoten als het ergste onkruid te voorschijn en droegen den leelijken naam: paardenbloemen.

«Arme, verachte plant!» zei de appeltak, «je kunt er niets tegen doen, dat je dien leelijken naam, dien je draagt, gekregen hebt. Maar met de planten is het evenals met de menschen: er moet onderscheid wezen!»

«Onderscheid!» zei de zonnestraal en kuste den bloeienden appeltak, maar kuste ook de gele paardenbloemen buiten op het land; alle broeders van den zonnestraal kusten ze de arme bloemen zoowel als de rijke.

De appeltak had nooit over Gods oneindige liefde jegens alles, wat er leeft en zich beweegt, nagedacht, hoe veel schoons en goeds er verborgen, maar niet vergeten kan liggen,—doch ook dat was menschelijk!

De zonnestraal, de straal des lichts wist het beter: «Je ziet niet ver, je ziet niet duidelijk!—Wat is de verachte plant, die je vooral beklaagt?»

«De paardenbloem!» zei de appeltak. «Nooit wordt daarvan een ruiker gemaakt, zij wordt met voeten getreden; er zijn er te veel van, en als zij in het zaad schieten, dan vliegen zij als klein gesneden wol over den weg en hechten zich aan de kleeren der menschen. Onkruid is het, maar ook dat moet er zijn.—Ik ben er werkelijk zeer dankbaar voor, dat ik niet een van die bloemen geworden ben!

En over het land huppelde een troep kinderen. Het jongste daarvanwas nog zoo klein, dat het door een der oudere gedragen moest worden. Toen het tusschen de gele bloemen in het gras neergezet werd, lachte het luid van vreugde, trappelde met zijn voetjes, wentelde zich in de rondte, plukte slechts de gele bloempjes en kuste ze met een bekoorlijke onschuld. De grootere kinderen braken de bloemen van de lange stelen af, bogen deze rond en schakelden ze aan elkaar vast, zoodat daarvan een ketting ontstond; eerst een voor den hals, toen een, om dien over de schouders en om het lijf te hangen, en toen nog een, om dien op de borst en op het hoofd vast te maken; dat was een pracht van groene schakels en kettingen! Maar de grootste kinderen grepen de uitgebloeide bloem voorzichtig bij den steel vast, waarop de gevederde zaadkroon stond: deze losse, luchtige wollen bloem, die een echt kunststuk is, hielden zij voor den mond, om haar in eens geheel uit te blazen, en wie dat kon, kreeg, zooals grootmoeder zei, nieuwe kleeren voordat het jaar ten einde was.

De verachte bloem was bij deze gelegenheid een profetes.

«Zie je wel?» zei de zonnestraal. «Zie je haar schoonheid, zie je haar macht?»

«Ja, voor kinderen!» antwoordde de appeltak.

En een oude vrouw kwam op het land en groef met haar stomp, bot mes rondom de wortels der plant en haalde deze uit den grond; van eenige van die wortels wilde zij koffie zetten, de andere wilde zij aan den apotheker verkoopen.

«Schoonheid is toch iets hoogers!» zei de appeltak. «Slechts de uitverkorenen komen in het rijk van het schoone! Er bestaat een onderscheid tusschen de verschillende planten, evenals er een onderscheid tusschen de verschillende menschen bestaat!»

De zonnestraal sprak van Gods oneindige liefde, die zich in het geschapene openbaart, en van alles, wat leven heeft, en van de gelijke verdeeling van alle dingen in tijd en eeuwigheid.

«Ja, dat is nu uw meening!» zei de appeltak.

Er kwamen menschen in de kamer, en de jonge schoone gravin kwam ook; zij, die den appeltak in de doorzichtige vaas neergezet had, waar het zonlicht scheen; zij bracht een bloem, of wat het anders wezen mocht, mee, het voorwerp werd door drie of vier groote bladeren verborgen gehouden, die als een zakje daaromheen zaten, opdat geen tocht of windvlaag daaraan schade zou toebrengen, en het werd zoo voorzichtig gedragen, als dit met een appeltak nooit gebeurd was. Voorzichtig werden nu de groote bladeren verwijderd, en men zag de fijne, gevederde zaadkroon van de gele, verachte paardenbloem. Deze was het, die zij zoo voorzichtig afgeplukt had, zoo zorgvuldig droeg, opdat niet een van de vele fijne vezeltjes, waaruit zij bestaat en die los zitten, zou wegwaaien. Ongedeerd droeg zij deze en bewonderde haar schoonen vorm, haar eigenaardig samenstel, haar schoonheid, die zoo in den wind zou verwaaien.

«Zie eens, hoe verwonderlijk liefelijk God haar gemaakt heeft!»zeide zij. «Ik wil haar met den appeltak tegelijk uitschilderen; dezen vinden allen zoo onbeschrijfelijk schoon, maar ook deze arme bloem heeft op een andere wijze even veel van den goeden God gekregen; hoe verschillend zij ook wezen mogen, toch zijn zij beiden kinderen in het rijk der schoonheid!»

De zonnestraal kuste de verachte bloem en den bloeienden appeltak, welks bladeren daarbij schenen te blozen.

Het is stellig waar!«Dat is een ontzettende geschiedenis!» zei een kip, en zij zeide het in een stadswijk, waar de geschiedenis niet voorgevallen was. «Dat is een ontzettende geschiedenis in het kippenhok! Ik kan van nacht niet alleen slapen! Het is goed, dat er velen van ons op den stok bij elkaar zitten!»—En nu vertelde zij zoo iets verschrikkelijks, dat de andere kippen de veeren te berge rezen en de haan zijn kam liet hangen. Het is stellig waar!Maar wij willen met het begin beginnen, en dit is in een kippenhok in een andere stadswijk te zoeken. De zon ging onder, en de kippen vlogen op haar stok; een kip met witte veeren en met korte pooten legde haar eieren zeer geregeld en was in alle opzichten een achtenswaardige kip; terwijl zij op den stok vloog, plukte zij zich met den snavel en viel er haar een veertje uit.«Daar vliegt het weg!» zeide zij, «hoe meer ik mij pluk, des te mooier word ik!» Zij zeide dit op vroolijken toon; want zij was de vroolijkste van al de kippen; overigens was zij, zooals gezegd is, zeer achtenswaardig, en nu viel zij in slaap.Donker was het in het rond; de eene kip zat naast de andere, maar die, welke het dichtst bij de vroolijke zat, sliep niet; zij hoorde en hoorde ook niet, zooals men immers in deze wereld moet doen, om rustig en kalm te leven; maar aan haar andere buurvrouw moest zij het toch eens vertellen: «Heb je wel gehoord, wat er hier gezegd is? Ik wil geen namen noemen, maar er is hier een kip, die zich de veeren wil uitplukken, om er goed uit te zien! Als ik een haan was, dan zou ik haar verachten!»Vlak tegenover de kippen zat de uil met de uilenmoeder en de uilenkinderen; die familie heeft scherpe ooren, zij hoorden allen ieder woord, dat de naburige kip sprak; en zij lieten hun oogen rollen, en de uilenmoeder sloeg met de vleugelen en zeide: «Slaat er maar geen acht op! Maar je hebt toch wel gehoord, wat daar gezegd werd? Ik heb het met mijn eigen ooren gehoord, en men moet veel hooren, voordat zij iemand afvallen! Daar is er een onder de kippen, die zoozeer vergeten heeft, wat voor een kip passend is, dat zij al haar veeren uitplukt en het den haan laat zien!»«Prenez garde aux enfants!» zei de uilenvader, «dat is niet geschikt voor kinderooren!»«Ik zal het toch eens aan den naburigen uil vertellen; dat is een uil, die zeer achtbaar in den omgang is!» antwoordde de uilenmoeder, en daarop vloog zij weg.«Hu, hu, uhu!» krasten zij beiden in de duiventil van den buurman, zoodat de duiven het hoorden. «Heb je het gehoord? Heb je het gehoord? Uhu: Er is een kip, die zich ter wille van den haan al de veeren uitgeplukt heeft, zij zal wel doodvriezen, als zij al niet doodgevroren is. Uhu!»«Waar? waar?» kirden de duiven.«Op de plaats van den buurman! Ik heb het zoo goed als zelf gezien. Het is bijna ongepast, de geschiedenis te vertellen. Het is stellig waar!»«Gelooft, gelooft ieder woord!» zeiden de duiven en zij kirden de kippen toe: «Er is een kip, ja, eenigen zeggen, dat er twee zijn, die zich alle veeren uitgeplukt hebben, om er niet even als de anderen uit te zien, en om de opmerkzaamheid van den haan te trekken. Dat is een gewaagd spel; men kan dan kou vatten en aan de koorts sterven, en zij zijn beiden gestorven!»«Wordt wakker, wordt wakker!» kraaide de haan en vloog op de plank; de slaap zat hem nog in de oogen, maar hij kraaide toch: «Drie kippen zijn door een ongelukkige liefde voor een haan gestorven! Zij hadden al haar veeren uitgeplukt! Dat is een verschrikkelijke geschiedenis; ik wil haar niet voor mij zelf houden; zij mag gerust verspreid worden!»«Laat zij bekend worden!» zeiden de vleermuizen, en de kippen kakelden en de hanen kraaiden: «Laat zij bekend worden! Laat zij bekend worden!» En zoo ging de geschiedenis van kippenhoktot kippenhok, en kwam eindelijk op de plaats terug, vanwaar zij eigenlijk uitgegaan was.«Vijf kippen,» heette het, «hebben zich alle veeren uitgeplukt, om te toonen, wie van haar van liefde voor den haan het magerst geworden is,—en toen vochten zij duchtig met elkaar en vielen dood neer, tot spot en schande voor haar familie, tot groot verlies van den bezitter!»De kip, die het losse veertje verloren had, herkende haar eigen geschiedenis daarin natuurlijk niet meer, en daar zij een fatsoenlijke kip was, zeide zij: «Ik veracht die kippen; maar er zijn er verscheidene van dien aard! Zoo iets moet men niet verzwijgen, en ik zal er het mijne toe bijdragen, dat de geschiedenis in de krant komt, dan worden zij door het geheele land bekend, en dat hebben de kippen wel verdiend en haar familie ook.»Het kwam in de krant, het werd gedrukt, en het is stellig waar; een klein veertje kan wel tot vijf kippen aangroeien!

«Dat is een ontzettende geschiedenis!» zei een kip, en zij zeide het in een stadswijk, waar de geschiedenis niet voorgevallen was. «Dat is een ontzettende geschiedenis in het kippenhok! Ik kan van nacht niet alleen slapen! Het is goed, dat er velen van ons op den stok bij elkaar zitten!»—En nu vertelde zij zoo iets verschrikkelijks, dat de andere kippen de veeren te berge rezen en de haan zijn kam liet hangen. Het is stellig waar!

Maar wij willen met het begin beginnen, en dit is in een kippenhok in een andere stadswijk te zoeken. De zon ging onder, en de kippen vlogen op haar stok; een kip met witte veeren en met korte pooten legde haar eieren zeer geregeld en was in alle opzichten een achtenswaardige kip; terwijl zij op den stok vloog, plukte zij zich met den snavel en viel er haar een veertje uit.

«Daar vliegt het weg!» zeide zij, «hoe meer ik mij pluk, des te mooier word ik!» Zij zeide dit op vroolijken toon; want zij was de vroolijkste van al de kippen; overigens was zij, zooals gezegd is, zeer achtenswaardig, en nu viel zij in slaap.

Donker was het in het rond; de eene kip zat naast de andere, maar die, welke het dichtst bij de vroolijke zat, sliep niet; zij hoorde en hoorde ook niet, zooals men immers in deze wereld moet doen, om rustig en kalm te leven; maar aan haar andere buurvrouw moest zij het toch eens vertellen: «Heb je wel gehoord, wat er hier gezegd is? Ik wil geen namen noemen, maar er is hier een kip, die zich de veeren wil uitplukken, om er goed uit te zien! Als ik een haan was, dan zou ik haar verachten!»

Vlak tegenover de kippen zat de uil met de uilenmoeder en de uilenkinderen; die familie heeft scherpe ooren, zij hoorden allen ieder woord, dat de naburige kip sprak; en zij lieten hun oogen rollen, en de uilenmoeder sloeg met de vleugelen en zeide: «Slaat er maar geen acht op! Maar je hebt toch wel gehoord, wat daar gezegd werd? Ik heb het met mijn eigen ooren gehoord, en men moet veel hooren, voordat zij iemand afvallen! Daar is er een onder de kippen, die zoozeer vergeten heeft, wat voor een kip passend is, dat zij al haar veeren uitplukt en het den haan laat zien!»

«Prenez garde aux enfants!» zei de uilenvader, «dat is niet geschikt voor kinderooren!»

«Ik zal het toch eens aan den naburigen uil vertellen; dat is een uil, die zeer achtbaar in den omgang is!» antwoordde de uilenmoeder, en daarop vloog zij weg.

«Hu, hu, uhu!» krasten zij beiden in de duiventil van den buurman, zoodat de duiven het hoorden. «Heb je het gehoord? Heb je het gehoord? Uhu: Er is een kip, die zich ter wille van den haan al de veeren uitgeplukt heeft, zij zal wel doodvriezen, als zij al niet doodgevroren is. Uhu!»

«Waar? waar?» kirden de duiven.

«Op de plaats van den buurman! Ik heb het zoo goed als zelf gezien. Het is bijna ongepast, de geschiedenis te vertellen. Het is stellig waar!»

«Gelooft, gelooft ieder woord!» zeiden de duiven en zij kirden de kippen toe: «Er is een kip, ja, eenigen zeggen, dat er twee zijn, die zich alle veeren uitgeplukt hebben, om er niet even als de anderen uit te zien, en om de opmerkzaamheid van den haan te trekken. Dat is een gewaagd spel; men kan dan kou vatten en aan de koorts sterven, en zij zijn beiden gestorven!»

«Wordt wakker, wordt wakker!» kraaide de haan en vloog op de plank; de slaap zat hem nog in de oogen, maar hij kraaide toch: «Drie kippen zijn door een ongelukkige liefde voor een haan gestorven! Zij hadden al haar veeren uitgeplukt! Dat is een verschrikkelijke geschiedenis; ik wil haar niet voor mij zelf houden; zij mag gerust verspreid worden!»

«Laat zij bekend worden!» zeiden de vleermuizen, en de kippen kakelden en de hanen kraaiden: «Laat zij bekend worden! Laat zij bekend worden!» En zoo ging de geschiedenis van kippenhoktot kippenhok, en kwam eindelijk op de plaats terug, vanwaar zij eigenlijk uitgegaan was.

«Vijf kippen,» heette het, «hebben zich alle veeren uitgeplukt, om te toonen, wie van haar van liefde voor den haan het magerst geworden is,—en toen vochten zij duchtig met elkaar en vielen dood neer, tot spot en schande voor haar familie, tot groot verlies van den bezitter!»

De kip, die het losse veertje verloren had, herkende haar eigen geschiedenis daarin natuurlijk niet meer, en daar zij een fatsoenlijke kip was, zeide zij: «Ik veracht die kippen; maar er zijn er verscheidene van dien aard! Zoo iets moet men niet verzwijgen, en ik zal er het mijne toe bijdragen, dat de geschiedenis in de krant komt, dan worden zij door het geheele land bekend, en dat hebben de kippen wel verdiend en haar familie ook.»

Het kwam in de krant, het werd gedrukt, en het is stellig waar; een klein veertje kan wel tot vijf kippen aangroeien!


Back to IndexNext