XV.Besluit.Het was nog geen avond, toen de drie vroolijke menschen Villeneuve bereikten en daar hun middagmaal hielden. De molenaar zette zich in den leuningstoel neer, rookte zijn pijp en deedeenkort dutje. Het jonge bruidspaar liep gearmd de stad uit en ging den straatweg langs onder de met struiken begroeide rotsen langs het blauwachtig groene, diepe meer; het sombere Chillon spiegelde zijn grauwe muren en zijn logge torens in den helderen vloed af; het kleine eiland met de drie acacia’s lag nog dichter bij: het zag er uit als een bloemruiker op het meer.«Het moet daarboven verrukkelijk schoon zijn!» zei Babette. Zij had weer heel veel lust om daar naar toe te gaan, en deze wensch kon terstond in vervulling komen; aan den oever lag een schuitje; het touw, waarmee het was vastgebonden, was gemakkelijk los te maken. Men zag niemand, dien men vergunning kon vragen om het te gebruiken, en zoo stapten zij dan zonder verder beraad in het schuitje. Rudy had er wel verstand van, de roeiriemen te gebruiken.De roeiriemen grepen als vinnen van een visch in het water, dat zoo buigzaam en toch zoo sterk is, dat een rug tot dragen en een mond tot verslinden heeft, dat vriendelijk glimlacht, de zachtzinnigheid zelve is, en toch schrik inboezemt en sterk tot verbrijzelen is. Een schuimend zog vertoonde zich achter het schuitje, dat beiden in weinige minuten naar het eilandje overbracht, waar zij aan land stapten. Hier was niet meer plaats dan voor een dans voor twee personen.Rudy draaide met Babette een paar malen in de rondte; daaropgingen zij hand in hand op de kleine bank onder de neerhangende acacia’s zitten, keken elkaar in de oogen, en alles in het rond straalde in den glans der ondergaande zon. De dennenbosschen der bergen kleurden zich paarsachtig rood als bloeiend heidekruid, en waar de boomen ophielden en de steenen te voorschijn kwamen, daar gloeiden deze, alsof de rots doorzichtig was; de wolken aan den hemel fonkelden als rood vuur, het geheele meer was als het frissche, gloeiende rozeblad. Langzamerhand rezen de schaduwen langs de met sneeuw bedekte bergen van Savoye naar boven en kleurden ze zwartachtig blauw; maar de bovenste toppen fonkelden als gloeiende lava, zij vertoonden een oogenblik uit de vormingsgeschiedenis der bergen, toen deze massa’s zich gloeiend uit den schoot der aarde verhieven en nog niet afgekoeld waren. Rudy en Babette meenden, zulk een Alpengloed nog nooit gezien te hebben. De met sneeuw bedekte Dent du midi had een glans als de schijf der volle maan, wanneer zij aan den horizon oprijst.«Zooveel schoonheid! Zooveel geluk!» zeiden beiden.—«De aarde heeft mij niets meer te geven!» zei Rudy. «Een avond als deze is toch een geheel leven! Hoe dikwijls gevoelde ik mijn geluk, zooals ik het nu gevoel, en dacht, hoe gelukkig ik zou geleefd hebben, al kwam er nu ook aan alles een einde! Hoe heerlijk is deze wereld! En de dag liep ten einde, maar een nieuwe begon, en het kwam mij voor, alsofdezenog schooner was! Hoe oneindig goed is God, Babette!»«Ik gevoel mij zoo van heeler harte gelukkig!» zeide zij.«Meer heeft de aarde mij niet te geven!» riep Rudy uit.En de avondklokken klonken van de bergen van Savoye, van de Zwitsersche bergen; in het Westen verhief zich in den gouden glans het zwartachtig blauwe Juragebergte.«God geve je het heerlijkste en het beste!» zei Babette.«Dat zal Hij doen!» zei Rudy. «Morgen zal ik het hebben! Morgen ben je geheel de mijne, mijn eigen, lief vrouwtje!»«Het schuitje!» riep Babette plotseling uit.Het schuitje, dat hen moest terugbrengen, was losgeraakt en dreef van het eilandje weg.«Ik zal het wel terughalen!» zei Rudy, trok zijn jas en zijn laarzen uit, sprong in het meer en zwom het schuitje met krachtige slagen achterna.Koud en diep was het heldere, blauwachtig groene ijswater van den gletscher van het gebergte. Rudy keek in het water neer; slechts een enkele blik, en het was hem, alsof hij een gouden ring zag rollen, glinsteren, fonkelen,—zijn verlovingsring kwam hem in de gedachten, en de ring werd grooter, breidde zich in een fonkelenden kring uit, en hierin schitterde de heldere gletscher; diepe kloven gaapten er in het rond, en het was, alsof het water geluid gaf als een klokkenspel en van witachtig blauwe vlammetjes fonkelde; in een oogenblik zag hij, wat wij met vele woorden moeten zeggen. Jonge jagers en jonge meisjes, mannen en vrouwen, die eenmaal in de kloven der gletschers neergezonken waren, stonden hier levend met een open en glimlachenden mond, en diep beneden klonken de kerkklokken van weggezonken steden; de gemeente knielde onder de gewelven der kerk, stukken ijs vormden de orgelpijpen, de rotsstroom speelde op het orgel; de ijsjonkvrouw zat op den helderen, doorzichtigen grond, zij hief zich naar Rudy op, kuste zijn voeten, en een ijskoude huivering ging hem door de leden, een electrieke schok—ijs en vuur! Men kan tusschen deze bij de kortstondige aanraking geen onderscheid merken.«Gij zijt de mijne!» klonk het om hem en in hem. «Ik kuste u, toen ge nog klein waart, op uw mond!—Nu kus ik u op uw teenen en op uw hielen, nu behoort ge mij geheel toe!»En hij verdween in het heldere blauwe water.Alles was stil, de kerkklokken verstomden, de laatste tonen verdwenen met den glans aan de roode wolken.«De mijne zijt gij!» klonk het in de diepte; «de mijne zijt gij!» klonk het in de hoogte.Wat is het heerlijk van liefde tot liefde, van de aarde naar den hemel te vliegen.Er sprong een snaar, er klonk een rouwtoon, de ijskus des doods overwon het vergankelijke; het voorspel eindigde, opdat het levensdrama zou kunnen beginnen, de wanklanken losten zich in de schoonste harmonie op.Noemt ge dat een treurige geschiedenis?Die arme Babette! Zij verkeerde in een nameloozen angst. Het schuitje dreef gedurig verder weg. Niemand aan den vasten wal wist, dat het bruidspaar naar het kleine eilandje gevaren was. De wolken daalden, de avond was donker. Alleen, wanhopig, jammerend stond zij daar. Een onweder hing boven haar, de eene bliksemstraal na den anderen fonkelde over het Juragebergte, over Zwitserland en over Savoye heen; van alle kanten schoten er bliksemstralen, van alle kanten deden zich donderslagen hooren, zij rolden in elkaar, minuten lang. De bliksemstralen hadden vaak den glans der zon, men zag iederen wijnstok, evenals op den tijd van den middag, en terstond daarop was alles weer in duisternis gehuld. De bliksemstralen sloegen in het meer in, zij flikkerden van alle kanten, terwijl het gedreun, door de echo’s weerkaatst, nog heviger werd. Op het land trok men de schuitjes op den oever; alles, wat leven had, zocht beschutting! En nu stroomde de regen neer.«Waar zouden Rudy en Babette toch in dit onweer zijn?» zei de molenaar.Babette zat met gevouwen handen, met het hoofd in den schoot, sprakeloos van smart; zij weende, zij jammerde niet meer.«In het diepe water!» sprak zij bij zich zelve. «Diep beneden is hij onder den gletscher!»Het kwam haar in de gedachten, wat Rudy van den dood van zijn moeder en van zijn redding verteld had, toen hij als een lijk uit de kloof van den gletscher gedragen werd. «De ijsjonkvrouw heeft hem weer.»Er kwam een bliksemstraal, even verblindend als zonneschijn op de witte sneeuw. Babette sprong op; het meer verhief zich op dit oogenblik als een vlammende gletscher, de ijsjonkvrouw stond daar vol majesteit, blauwachtig bleek, stralend, en aan haar voeten lag het lijk van Rudy. «Hij behoort mij toe!» zeide zij, en ver in het rond zag zij weer niets anders dan duisternis en voortbruisende wateren.«Hoe wreed!» jammerde Babette. «Waarom moest hij juist sterven, nu de dag van ons geluk aanbrak? God, mijn God! verlicht mijn verstand! Straal in mijn hart! Ik begrijp Uw wegen niet! Ik tast rond in de besluiten van Uw almacht en wijsheid!»En God verhoorde haar bede. Een gedachtebliksem, een genadestraal, haar droom van den afgeloopen nacht, levendig als deze geweest was, kwam haar weer voor den geest; zij herinnerde zich de woorden, den wensch, dien zij uitgesproken had omtrent datgene, wat voor haar en Rudy het beste zou zijn.«Wee mij! Was dat de kiem der zonde in mijn hart? Was mijn droom een leven der toekomst, welks snaar ter mijner redding moest breken? Ik ellendige!»Jammerend zat zij daar in den donkeren nacht. Door de diepe stilte schenen de woorden van Rudy nog te klinken, de laatste, die hij hier sprak: «Meer heeft de aarde mij niet te geven!» Zij klonken in de volheid der vreugde, zij werden herhaald in diepe smart.Jaren zijn er sedert verloopen. Het meer glimlacht, zijn oevers glimlachen; de wijnstok krijgt zwellende druiven; stoombooten met wapperende vlaggen jagen voorbij, plezierbootjes met hun gezwollen zeilen vliegen over den waterspiegel als witte vlinders; de spoorweg over Chillon is geopend en voert diep het Rhônedal in. Aan ieder station stappen vreemdelingen uit; zij houden hun in rood gebondene reisboeken in de hand en lezen daarin, wat zij al zoo merkwaardigs te zien hebben. Zij bezoeken Chillon, zij zien buiten in het meer het kleine eiland met de drie acacia’s, en lezen in het boek van het bruidspaar, dat daar op een avond van het jaar 1856 langs voer, van den dood van den bruidegom en: «eerst den volgenden morgen hoorde men aan den oever het wanhopige jammeren der bruid.»Maar het reishandboek vertelt niets van het stille leven van Babette bij haar vader, niet in den molen,—want daar wonen nu andere menschen,—maar in het mooie huis in de nabijheid van den spoorweg, uit welks ramen zij nog menigen avond over de kastanjeboomen naar de sneeuwbergen kijkt, waarover Rudy zich eenmaal voortspoedde; zij ziet des avonds den Alpengloed, de kinderen der zon legeren zich op de hooge bergen en herhalen het lied van den reiziger, wien de wervelwind den mantel afrukte, het hulsel ontnam, maar niet den man.Hier is rozenglans op de sneeuw van den berg, rozenglans in ieder hart, waarin de gedachte woont: «God laat het beste voor ons geschieden!» Maar het wordt ons niet altijd geopenbaard, zooals het Babette in haar droom geopenbaard werd.
XV.Besluit.Het was nog geen avond, toen de drie vroolijke menschen Villeneuve bereikten en daar hun middagmaal hielden. De molenaar zette zich in den leuningstoel neer, rookte zijn pijp en deedeenkort dutje. Het jonge bruidspaar liep gearmd de stad uit en ging den straatweg langs onder de met struiken begroeide rotsen langs het blauwachtig groene, diepe meer; het sombere Chillon spiegelde zijn grauwe muren en zijn logge torens in den helderen vloed af; het kleine eiland met de drie acacia’s lag nog dichter bij: het zag er uit als een bloemruiker op het meer.«Het moet daarboven verrukkelijk schoon zijn!» zei Babette. Zij had weer heel veel lust om daar naar toe te gaan, en deze wensch kon terstond in vervulling komen; aan den oever lag een schuitje; het touw, waarmee het was vastgebonden, was gemakkelijk los te maken. Men zag niemand, dien men vergunning kon vragen om het te gebruiken, en zoo stapten zij dan zonder verder beraad in het schuitje. Rudy had er wel verstand van, de roeiriemen te gebruiken.De roeiriemen grepen als vinnen van een visch in het water, dat zoo buigzaam en toch zoo sterk is, dat een rug tot dragen en een mond tot verslinden heeft, dat vriendelijk glimlacht, de zachtzinnigheid zelve is, en toch schrik inboezemt en sterk tot verbrijzelen is. Een schuimend zog vertoonde zich achter het schuitje, dat beiden in weinige minuten naar het eilandje overbracht, waar zij aan land stapten. Hier was niet meer plaats dan voor een dans voor twee personen.Rudy draaide met Babette een paar malen in de rondte; daaropgingen zij hand in hand op de kleine bank onder de neerhangende acacia’s zitten, keken elkaar in de oogen, en alles in het rond straalde in den glans der ondergaande zon. De dennenbosschen der bergen kleurden zich paarsachtig rood als bloeiend heidekruid, en waar de boomen ophielden en de steenen te voorschijn kwamen, daar gloeiden deze, alsof de rots doorzichtig was; de wolken aan den hemel fonkelden als rood vuur, het geheele meer was als het frissche, gloeiende rozeblad. Langzamerhand rezen de schaduwen langs de met sneeuw bedekte bergen van Savoye naar boven en kleurden ze zwartachtig blauw; maar de bovenste toppen fonkelden als gloeiende lava, zij vertoonden een oogenblik uit de vormingsgeschiedenis der bergen, toen deze massa’s zich gloeiend uit den schoot der aarde verhieven en nog niet afgekoeld waren. Rudy en Babette meenden, zulk een Alpengloed nog nooit gezien te hebben. De met sneeuw bedekte Dent du midi had een glans als de schijf der volle maan, wanneer zij aan den horizon oprijst.«Zooveel schoonheid! Zooveel geluk!» zeiden beiden.—«De aarde heeft mij niets meer te geven!» zei Rudy. «Een avond als deze is toch een geheel leven! Hoe dikwijls gevoelde ik mijn geluk, zooals ik het nu gevoel, en dacht, hoe gelukkig ik zou geleefd hebben, al kwam er nu ook aan alles een einde! Hoe heerlijk is deze wereld! En de dag liep ten einde, maar een nieuwe begon, en het kwam mij voor, alsofdezenog schooner was! Hoe oneindig goed is God, Babette!»«Ik gevoel mij zoo van heeler harte gelukkig!» zeide zij.«Meer heeft de aarde mij niet te geven!» riep Rudy uit.En de avondklokken klonken van de bergen van Savoye, van de Zwitsersche bergen; in het Westen verhief zich in den gouden glans het zwartachtig blauwe Juragebergte.«God geve je het heerlijkste en het beste!» zei Babette.«Dat zal Hij doen!» zei Rudy. «Morgen zal ik het hebben! Morgen ben je geheel de mijne, mijn eigen, lief vrouwtje!»«Het schuitje!» riep Babette plotseling uit.Het schuitje, dat hen moest terugbrengen, was losgeraakt en dreef van het eilandje weg.«Ik zal het wel terughalen!» zei Rudy, trok zijn jas en zijn laarzen uit, sprong in het meer en zwom het schuitje met krachtige slagen achterna.Koud en diep was het heldere, blauwachtig groene ijswater van den gletscher van het gebergte. Rudy keek in het water neer; slechts een enkele blik, en het was hem, alsof hij een gouden ring zag rollen, glinsteren, fonkelen,—zijn verlovingsring kwam hem in de gedachten, en de ring werd grooter, breidde zich in een fonkelenden kring uit, en hierin schitterde de heldere gletscher; diepe kloven gaapten er in het rond, en het was, alsof het water geluid gaf als een klokkenspel en van witachtig blauwe vlammetjes fonkelde; in een oogenblik zag hij, wat wij met vele woorden moeten zeggen. Jonge jagers en jonge meisjes, mannen en vrouwen, die eenmaal in de kloven der gletschers neergezonken waren, stonden hier levend met een open en glimlachenden mond, en diep beneden klonken de kerkklokken van weggezonken steden; de gemeente knielde onder de gewelven der kerk, stukken ijs vormden de orgelpijpen, de rotsstroom speelde op het orgel; de ijsjonkvrouw zat op den helderen, doorzichtigen grond, zij hief zich naar Rudy op, kuste zijn voeten, en een ijskoude huivering ging hem door de leden, een electrieke schok—ijs en vuur! Men kan tusschen deze bij de kortstondige aanraking geen onderscheid merken.«Gij zijt de mijne!» klonk het om hem en in hem. «Ik kuste u, toen ge nog klein waart, op uw mond!—Nu kus ik u op uw teenen en op uw hielen, nu behoort ge mij geheel toe!»En hij verdween in het heldere blauwe water.Alles was stil, de kerkklokken verstomden, de laatste tonen verdwenen met den glans aan de roode wolken.«De mijne zijt gij!» klonk het in de diepte; «de mijne zijt gij!» klonk het in de hoogte.Wat is het heerlijk van liefde tot liefde, van de aarde naar den hemel te vliegen.Er sprong een snaar, er klonk een rouwtoon, de ijskus des doods overwon het vergankelijke; het voorspel eindigde, opdat het levensdrama zou kunnen beginnen, de wanklanken losten zich in de schoonste harmonie op.Noemt ge dat een treurige geschiedenis?Die arme Babette! Zij verkeerde in een nameloozen angst. Het schuitje dreef gedurig verder weg. Niemand aan den vasten wal wist, dat het bruidspaar naar het kleine eilandje gevaren was. De wolken daalden, de avond was donker. Alleen, wanhopig, jammerend stond zij daar. Een onweder hing boven haar, de eene bliksemstraal na den anderen fonkelde over het Juragebergte, over Zwitserland en over Savoye heen; van alle kanten schoten er bliksemstralen, van alle kanten deden zich donderslagen hooren, zij rolden in elkaar, minuten lang. De bliksemstralen hadden vaak den glans der zon, men zag iederen wijnstok, evenals op den tijd van den middag, en terstond daarop was alles weer in duisternis gehuld. De bliksemstralen sloegen in het meer in, zij flikkerden van alle kanten, terwijl het gedreun, door de echo’s weerkaatst, nog heviger werd. Op het land trok men de schuitjes op den oever; alles, wat leven had, zocht beschutting! En nu stroomde de regen neer.«Waar zouden Rudy en Babette toch in dit onweer zijn?» zei de molenaar.Babette zat met gevouwen handen, met het hoofd in den schoot, sprakeloos van smart; zij weende, zij jammerde niet meer.«In het diepe water!» sprak zij bij zich zelve. «Diep beneden is hij onder den gletscher!»Het kwam haar in de gedachten, wat Rudy van den dood van zijn moeder en van zijn redding verteld had, toen hij als een lijk uit de kloof van den gletscher gedragen werd. «De ijsjonkvrouw heeft hem weer.»Er kwam een bliksemstraal, even verblindend als zonneschijn op de witte sneeuw. Babette sprong op; het meer verhief zich op dit oogenblik als een vlammende gletscher, de ijsjonkvrouw stond daar vol majesteit, blauwachtig bleek, stralend, en aan haar voeten lag het lijk van Rudy. «Hij behoort mij toe!» zeide zij, en ver in het rond zag zij weer niets anders dan duisternis en voortbruisende wateren.«Hoe wreed!» jammerde Babette. «Waarom moest hij juist sterven, nu de dag van ons geluk aanbrak? God, mijn God! verlicht mijn verstand! Straal in mijn hart! Ik begrijp Uw wegen niet! Ik tast rond in de besluiten van Uw almacht en wijsheid!»En God verhoorde haar bede. Een gedachtebliksem, een genadestraal, haar droom van den afgeloopen nacht, levendig als deze geweest was, kwam haar weer voor den geest; zij herinnerde zich de woorden, den wensch, dien zij uitgesproken had omtrent datgene, wat voor haar en Rudy het beste zou zijn.«Wee mij! Was dat de kiem der zonde in mijn hart? Was mijn droom een leven der toekomst, welks snaar ter mijner redding moest breken? Ik ellendige!»Jammerend zat zij daar in den donkeren nacht. Door de diepe stilte schenen de woorden van Rudy nog te klinken, de laatste, die hij hier sprak: «Meer heeft de aarde mij niet te geven!» Zij klonken in de volheid der vreugde, zij werden herhaald in diepe smart.Jaren zijn er sedert verloopen. Het meer glimlacht, zijn oevers glimlachen; de wijnstok krijgt zwellende druiven; stoombooten met wapperende vlaggen jagen voorbij, plezierbootjes met hun gezwollen zeilen vliegen over den waterspiegel als witte vlinders; de spoorweg over Chillon is geopend en voert diep het Rhônedal in. Aan ieder station stappen vreemdelingen uit; zij houden hun in rood gebondene reisboeken in de hand en lezen daarin, wat zij al zoo merkwaardigs te zien hebben. Zij bezoeken Chillon, zij zien buiten in het meer het kleine eiland met de drie acacia’s, en lezen in het boek van het bruidspaar, dat daar op een avond van het jaar 1856 langs voer, van den dood van den bruidegom en: «eerst den volgenden morgen hoorde men aan den oever het wanhopige jammeren der bruid.»Maar het reishandboek vertelt niets van het stille leven van Babette bij haar vader, niet in den molen,—want daar wonen nu andere menschen,—maar in het mooie huis in de nabijheid van den spoorweg, uit welks ramen zij nog menigen avond over de kastanjeboomen naar de sneeuwbergen kijkt, waarover Rudy zich eenmaal voortspoedde; zij ziet des avonds den Alpengloed, de kinderen der zon legeren zich op de hooge bergen en herhalen het lied van den reiziger, wien de wervelwind den mantel afrukte, het hulsel ontnam, maar niet den man.Hier is rozenglans op de sneeuw van den berg, rozenglans in ieder hart, waarin de gedachte woont: «God laat het beste voor ons geschieden!» Maar het wordt ons niet altijd geopenbaard, zooals het Babette in haar droom geopenbaard werd.
XV.Besluit.Het was nog geen avond, toen de drie vroolijke menschen Villeneuve bereikten en daar hun middagmaal hielden. De molenaar zette zich in den leuningstoel neer, rookte zijn pijp en deedeenkort dutje. Het jonge bruidspaar liep gearmd de stad uit en ging den straatweg langs onder de met struiken begroeide rotsen langs het blauwachtig groene, diepe meer; het sombere Chillon spiegelde zijn grauwe muren en zijn logge torens in den helderen vloed af; het kleine eiland met de drie acacia’s lag nog dichter bij: het zag er uit als een bloemruiker op het meer.«Het moet daarboven verrukkelijk schoon zijn!» zei Babette. Zij had weer heel veel lust om daar naar toe te gaan, en deze wensch kon terstond in vervulling komen; aan den oever lag een schuitje; het touw, waarmee het was vastgebonden, was gemakkelijk los te maken. Men zag niemand, dien men vergunning kon vragen om het te gebruiken, en zoo stapten zij dan zonder verder beraad in het schuitje. Rudy had er wel verstand van, de roeiriemen te gebruiken.De roeiriemen grepen als vinnen van een visch in het water, dat zoo buigzaam en toch zoo sterk is, dat een rug tot dragen en een mond tot verslinden heeft, dat vriendelijk glimlacht, de zachtzinnigheid zelve is, en toch schrik inboezemt en sterk tot verbrijzelen is. Een schuimend zog vertoonde zich achter het schuitje, dat beiden in weinige minuten naar het eilandje overbracht, waar zij aan land stapten. Hier was niet meer plaats dan voor een dans voor twee personen.Rudy draaide met Babette een paar malen in de rondte; daaropgingen zij hand in hand op de kleine bank onder de neerhangende acacia’s zitten, keken elkaar in de oogen, en alles in het rond straalde in den glans der ondergaande zon. De dennenbosschen der bergen kleurden zich paarsachtig rood als bloeiend heidekruid, en waar de boomen ophielden en de steenen te voorschijn kwamen, daar gloeiden deze, alsof de rots doorzichtig was; de wolken aan den hemel fonkelden als rood vuur, het geheele meer was als het frissche, gloeiende rozeblad. Langzamerhand rezen de schaduwen langs de met sneeuw bedekte bergen van Savoye naar boven en kleurden ze zwartachtig blauw; maar de bovenste toppen fonkelden als gloeiende lava, zij vertoonden een oogenblik uit de vormingsgeschiedenis der bergen, toen deze massa’s zich gloeiend uit den schoot der aarde verhieven en nog niet afgekoeld waren. Rudy en Babette meenden, zulk een Alpengloed nog nooit gezien te hebben. De met sneeuw bedekte Dent du midi had een glans als de schijf der volle maan, wanneer zij aan den horizon oprijst.«Zooveel schoonheid! Zooveel geluk!» zeiden beiden.—«De aarde heeft mij niets meer te geven!» zei Rudy. «Een avond als deze is toch een geheel leven! Hoe dikwijls gevoelde ik mijn geluk, zooals ik het nu gevoel, en dacht, hoe gelukkig ik zou geleefd hebben, al kwam er nu ook aan alles een einde! Hoe heerlijk is deze wereld! En de dag liep ten einde, maar een nieuwe begon, en het kwam mij voor, alsofdezenog schooner was! Hoe oneindig goed is God, Babette!»«Ik gevoel mij zoo van heeler harte gelukkig!» zeide zij.«Meer heeft de aarde mij niet te geven!» riep Rudy uit.En de avondklokken klonken van de bergen van Savoye, van de Zwitsersche bergen; in het Westen verhief zich in den gouden glans het zwartachtig blauwe Juragebergte.«God geve je het heerlijkste en het beste!» zei Babette.«Dat zal Hij doen!» zei Rudy. «Morgen zal ik het hebben! Morgen ben je geheel de mijne, mijn eigen, lief vrouwtje!»«Het schuitje!» riep Babette plotseling uit.Het schuitje, dat hen moest terugbrengen, was losgeraakt en dreef van het eilandje weg.«Ik zal het wel terughalen!» zei Rudy, trok zijn jas en zijn laarzen uit, sprong in het meer en zwom het schuitje met krachtige slagen achterna.Koud en diep was het heldere, blauwachtig groene ijswater van den gletscher van het gebergte. Rudy keek in het water neer; slechts een enkele blik, en het was hem, alsof hij een gouden ring zag rollen, glinsteren, fonkelen,—zijn verlovingsring kwam hem in de gedachten, en de ring werd grooter, breidde zich in een fonkelenden kring uit, en hierin schitterde de heldere gletscher; diepe kloven gaapten er in het rond, en het was, alsof het water geluid gaf als een klokkenspel en van witachtig blauwe vlammetjes fonkelde; in een oogenblik zag hij, wat wij met vele woorden moeten zeggen. Jonge jagers en jonge meisjes, mannen en vrouwen, die eenmaal in de kloven der gletschers neergezonken waren, stonden hier levend met een open en glimlachenden mond, en diep beneden klonken de kerkklokken van weggezonken steden; de gemeente knielde onder de gewelven der kerk, stukken ijs vormden de orgelpijpen, de rotsstroom speelde op het orgel; de ijsjonkvrouw zat op den helderen, doorzichtigen grond, zij hief zich naar Rudy op, kuste zijn voeten, en een ijskoude huivering ging hem door de leden, een electrieke schok—ijs en vuur! Men kan tusschen deze bij de kortstondige aanraking geen onderscheid merken.«Gij zijt de mijne!» klonk het om hem en in hem. «Ik kuste u, toen ge nog klein waart, op uw mond!—Nu kus ik u op uw teenen en op uw hielen, nu behoort ge mij geheel toe!»En hij verdween in het heldere blauwe water.Alles was stil, de kerkklokken verstomden, de laatste tonen verdwenen met den glans aan de roode wolken.«De mijne zijt gij!» klonk het in de diepte; «de mijne zijt gij!» klonk het in de hoogte.Wat is het heerlijk van liefde tot liefde, van de aarde naar den hemel te vliegen.Er sprong een snaar, er klonk een rouwtoon, de ijskus des doods overwon het vergankelijke; het voorspel eindigde, opdat het levensdrama zou kunnen beginnen, de wanklanken losten zich in de schoonste harmonie op.Noemt ge dat een treurige geschiedenis?Die arme Babette! Zij verkeerde in een nameloozen angst. Het schuitje dreef gedurig verder weg. Niemand aan den vasten wal wist, dat het bruidspaar naar het kleine eilandje gevaren was. De wolken daalden, de avond was donker. Alleen, wanhopig, jammerend stond zij daar. Een onweder hing boven haar, de eene bliksemstraal na den anderen fonkelde over het Juragebergte, over Zwitserland en over Savoye heen; van alle kanten schoten er bliksemstralen, van alle kanten deden zich donderslagen hooren, zij rolden in elkaar, minuten lang. De bliksemstralen hadden vaak den glans der zon, men zag iederen wijnstok, evenals op den tijd van den middag, en terstond daarop was alles weer in duisternis gehuld. De bliksemstralen sloegen in het meer in, zij flikkerden van alle kanten, terwijl het gedreun, door de echo’s weerkaatst, nog heviger werd. Op het land trok men de schuitjes op den oever; alles, wat leven had, zocht beschutting! En nu stroomde de regen neer.«Waar zouden Rudy en Babette toch in dit onweer zijn?» zei de molenaar.Babette zat met gevouwen handen, met het hoofd in den schoot, sprakeloos van smart; zij weende, zij jammerde niet meer.«In het diepe water!» sprak zij bij zich zelve. «Diep beneden is hij onder den gletscher!»Het kwam haar in de gedachten, wat Rudy van den dood van zijn moeder en van zijn redding verteld had, toen hij als een lijk uit de kloof van den gletscher gedragen werd. «De ijsjonkvrouw heeft hem weer.»Er kwam een bliksemstraal, even verblindend als zonneschijn op de witte sneeuw. Babette sprong op; het meer verhief zich op dit oogenblik als een vlammende gletscher, de ijsjonkvrouw stond daar vol majesteit, blauwachtig bleek, stralend, en aan haar voeten lag het lijk van Rudy. «Hij behoort mij toe!» zeide zij, en ver in het rond zag zij weer niets anders dan duisternis en voortbruisende wateren.«Hoe wreed!» jammerde Babette. «Waarom moest hij juist sterven, nu de dag van ons geluk aanbrak? God, mijn God! verlicht mijn verstand! Straal in mijn hart! Ik begrijp Uw wegen niet! Ik tast rond in de besluiten van Uw almacht en wijsheid!»En God verhoorde haar bede. Een gedachtebliksem, een genadestraal, haar droom van den afgeloopen nacht, levendig als deze geweest was, kwam haar weer voor den geest; zij herinnerde zich de woorden, den wensch, dien zij uitgesproken had omtrent datgene, wat voor haar en Rudy het beste zou zijn.«Wee mij! Was dat de kiem der zonde in mijn hart? Was mijn droom een leven der toekomst, welks snaar ter mijner redding moest breken? Ik ellendige!»Jammerend zat zij daar in den donkeren nacht. Door de diepe stilte schenen de woorden van Rudy nog te klinken, de laatste, die hij hier sprak: «Meer heeft de aarde mij niet te geven!» Zij klonken in de volheid der vreugde, zij werden herhaald in diepe smart.Jaren zijn er sedert verloopen. Het meer glimlacht, zijn oevers glimlachen; de wijnstok krijgt zwellende druiven; stoombooten met wapperende vlaggen jagen voorbij, plezierbootjes met hun gezwollen zeilen vliegen over den waterspiegel als witte vlinders; de spoorweg over Chillon is geopend en voert diep het Rhônedal in. Aan ieder station stappen vreemdelingen uit; zij houden hun in rood gebondene reisboeken in de hand en lezen daarin, wat zij al zoo merkwaardigs te zien hebben. Zij bezoeken Chillon, zij zien buiten in het meer het kleine eiland met de drie acacia’s, en lezen in het boek van het bruidspaar, dat daar op een avond van het jaar 1856 langs voer, van den dood van den bruidegom en: «eerst den volgenden morgen hoorde men aan den oever het wanhopige jammeren der bruid.»Maar het reishandboek vertelt niets van het stille leven van Babette bij haar vader, niet in den molen,—want daar wonen nu andere menschen,—maar in het mooie huis in de nabijheid van den spoorweg, uit welks ramen zij nog menigen avond over de kastanjeboomen naar de sneeuwbergen kijkt, waarover Rudy zich eenmaal voortspoedde; zij ziet des avonds den Alpengloed, de kinderen der zon legeren zich op de hooge bergen en herhalen het lied van den reiziger, wien de wervelwind den mantel afrukte, het hulsel ontnam, maar niet den man.Hier is rozenglans op de sneeuw van den berg, rozenglans in ieder hart, waarin de gedachte woont: «God laat het beste voor ons geschieden!» Maar het wordt ons niet altijd geopenbaard, zooals het Babette in haar droom geopenbaard werd.
Het was nog geen avond, toen de drie vroolijke menschen Villeneuve bereikten en daar hun middagmaal hielden. De molenaar zette zich in den leuningstoel neer, rookte zijn pijp en deedeenkort dutje. Het jonge bruidspaar liep gearmd de stad uit en ging den straatweg langs onder de met struiken begroeide rotsen langs het blauwachtig groene, diepe meer; het sombere Chillon spiegelde zijn grauwe muren en zijn logge torens in den helderen vloed af; het kleine eiland met de drie acacia’s lag nog dichter bij: het zag er uit als een bloemruiker op het meer.
«Het moet daarboven verrukkelijk schoon zijn!» zei Babette. Zij had weer heel veel lust om daar naar toe te gaan, en deze wensch kon terstond in vervulling komen; aan den oever lag een schuitje; het touw, waarmee het was vastgebonden, was gemakkelijk los te maken. Men zag niemand, dien men vergunning kon vragen om het te gebruiken, en zoo stapten zij dan zonder verder beraad in het schuitje. Rudy had er wel verstand van, de roeiriemen te gebruiken.
De roeiriemen grepen als vinnen van een visch in het water, dat zoo buigzaam en toch zoo sterk is, dat een rug tot dragen en een mond tot verslinden heeft, dat vriendelijk glimlacht, de zachtzinnigheid zelve is, en toch schrik inboezemt en sterk tot verbrijzelen is. Een schuimend zog vertoonde zich achter het schuitje, dat beiden in weinige minuten naar het eilandje overbracht, waar zij aan land stapten. Hier was niet meer plaats dan voor een dans voor twee personen.
Rudy draaide met Babette een paar malen in de rondte; daaropgingen zij hand in hand op de kleine bank onder de neerhangende acacia’s zitten, keken elkaar in de oogen, en alles in het rond straalde in den glans der ondergaande zon. De dennenbosschen der bergen kleurden zich paarsachtig rood als bloeiend heidekruid, en waar de boomen ophielden en de steenen te voorschijn kwamen, daar gloeiden deze, alsof de rots doorzichtig was; de wolken aan den hemel fonkelden als rood vuur, het geheele meer was als het frissche, gloeiende rozeblad. Langzamerhand rezen de schaduwen langs de met sneeuw bedekte bergen van Savoye naar boven en kleurden ze zwartachtig blauw; maar de bovenste toppen fonkelden als gloeiende lava, zij vertoonden een oogenblik uit de vormingsgeschiedenis der bergen, toen deze massa’s zich gloeiend uit den schoot der aarde verhieven en nog niet afgekoeld waren. Rudy en Babette meenden, zulk een Alpengloed nog nooit gezien te hebben. De met sneeuw bedekte Dent du midi had een glans als de schijf der volle maan, wanneer zij aan den horizon oprijst.
«Zooveel schoonheid! Zooveel geluk!» zeiden beiden.—«De aarde heeft mij niets meer te geven!» zei Rudy. «Een avond als deze is toch een geheel leven! Hoe dikwijls gevoelde ik mijn geluk, zooals ik het nu gevoel, en dacht, hoe gelukkig ik zou geleefd hebben, al kwam er nu ook aan alles een einde! Hoe heerlijk is deze wereld! En de dag liep ten einde, maar een nieuwe begon, en het kwam mij voor, alsofdezenog schooner was! Hoe oneindig goed is God, Babette!»
«Ik gevoel mij zoo van heeler harte gelukkig!» zeide zij.
«Meer heeft de aarde mij niet te geven!» riep Rudy uit.
En de avondklokken klonken van de bergen van Savoye, van de Zwitsersche bergen; in het Westen verhief zich in den gouden glans het zwartachtig blauwe Juragebergte.
«God geve je het heerlijkste en het beste!» zei Babette.
«Dat zal Hij doen!» zei Rudy. «Morgen zal ik het hebben! Morgen ben je geheel de mijne, mijn eigen, lief vrouwtje!»
«Het schuitje!» riep Babette plotseling uit.
Het schuitje, dat hen moest terugbrengen, was losgeraakt en dreef van het eilandje weg.
«Ik zal het wel terughalen!» zei Rudy, trok zijn jas en zijn laarzen uit, sprong in het meer en zwom het schuitje met krachtige slagen achterna.
Koud en diep was het heldere, blauwachtig groene ijswater van den gletscher van het gebergte. Rudy keek in het water neer; slechts een enkele blik, en het was hem, alsof hij een gouden ring zag rollen, glinsteren, fonkelen,—zijn verlovingsring kwam hem in de gedachten, en de ring werd grooter, breidde zich in een fonkelenden kring uit, en hierin schitterde de heldere gletscher; diepe kloven gaapten er in het rond, en het was, alsof het water geluid gaf als een klokkenspel en van witachtig blauwe vlammetjes fonkelde; in een oogenblik zag hij, wat wij met vele woorden moeten zeggen. Jonge jagers en jonge meisjes, mannen en vrouwen, die eenmaal in de kloven der gletschers neergezonken waren, stonden hier levend met een open en glimlachenden mond, en diep beneden klonken de kerkklokken van weggezonken steden; de gemeente knielde onder de gewelven der kerk, stukken ijs vormden de orgelpijpen, de rotsstroom speelde op het orgel; de ijsjonkvrouw zat op den helderen, doorzichtigen grond, zij hief zich naar Rudy op, kuste zijn voeten, en een ijskoude huivering ging hem door de leden, een electrieke schok—ijs en vuur! Men kan tusschen deze bij de kortstondige aanraking geen onderscheid merken.
«Gij zijt de mijne!» klonk het om hem en in hem. «Ik kuste u, toen ge nog klein waart, op uw mond!—Nu kus ik u op uw teenen en op uw hielen, nu behoort ge mij geheel toe!»
En hij verdween in het heldere blauwe water.
Alles was stil, de kerkklokken verstomden, de laatste tonen verdwenen met den glans aan de roode wolken.
«De mijne zijt gij!» klonk het in de diepte; «de mijne zijt gij!» klonk het in de hoogte.
Wat is het heerlijk van liefde tot liefde, van de aarde naar den hemel te vliegen.
Er sprong een snaar, er klonk een rouwtoon, de ijskus des doods overwon het vergankelijke; het voorspel eindigde, opdat het levensdrama zou kunnen beginnen, de wanklanken losten zich in de schoonste harmonie op.
Noemt ge dat een treurige geschiedenis?
Die arme Babette! Zij verkeerde in een nameloozen angst. Het schuitje dreef gedurig verder weg. Niemand aan den vasten wal wist, dat het bruidspaar naar het kleine eilandje gevaren was. De wolken daalden, de avond was donker. Alleen, wanhopig, jammerend stond zij daar. Een onweder hing boven haar, de eene bliksemstraal na den anderen fonkelde over het Juragebergte, over Zwitserland en over Savoye heen; van alle kanten schoten er bliksemstralen, van alle kanten deden zich donderslagen hooren, zij rolden in elkaar, minuten lang. De bliksemstralen hadden vaak den glans der zon, men zag iederen wijnstok, evenals op den tijd van den middag, en terstond daarop was alles weer in duisternis gehuld. De bliksemstralen sloegen in het meer in, zij flikkerden van alle kanten, terwijl het gedreun, door de echo’s weerkaatst, nog heviger werd. Op het land trok men de schuitjes op den oever; alles, wat leven had, zocht beschutting! En nu stroomde de regen neer.
«Waar zouden Rudy en Babette toch in dit onweer zijn?» zei de molenaar.
Babette zat met gevouwen handen, met het hoofd in den schoot, sprakeloos van smart; zij weende, zij jammerde niet meer.
«In het diepe water!» sprak zij bij zich zelve. «Diep beneden is hij onder den gletscher!»
Het kwam haar in de gedachten, wat Rudy van den dood van zijn moeder en van zijn redding verteld had, toen hij als een lijk uit de kloof van den gletscher gedragen werd. «De ijsjonkvrouw heeft hem weer.»
Er kwam een bliksemstraal, even verblindend als zonneschijn op de witte sneeuw. Babette sprong op; het meer verhief zich op dit oogenblik als een vlammende gletscher, de ijsjonkvrouw stond daar vol majesteit, blauwachtig bleek, stralend, en aan haar voeten lag het lijk van Rudy. «Hij behoort mij toe!» zeide zij, en ver in het rond zag zij weer niets anders dan duisternis en voortbruisende wateren.
«Hoe wreed!» jammerde Babette. «Waarom moest hij juist sterven, nu de dag van ons geluk aanbrak? God, mijn God! verlicht mijn verstand! Straal in mijn hart! Ik begrijp Uw wegen niet! Ik tast rond in de besluiten van Uw almacht en wijsheid!»
En God verhoorde haar bede. Een gedachtebliksem, een genadestraal, haar droom van den afgeloopen nacht, levendig als deze geweest was, kwam haar weer voor den geest; zij herinnerde zich de woorden, den wensch, dien zij uitgesproken had omtrent datgene, wat voor haar en Rudy het beste zou zijn.
«Wee mij! Was dat de kiem der zonde in mijn hart? Was mijn droom een leven der toekomst, welks snaar ter mijner redding moest breken? Ik ellendige!»
Jammerend zat zij daar in den donkeren nacht. Door de diepe stilte schenen de woorden van Rudy nog te klinken, de laatste, die hij hier sprak: «Meer heeft de aarde mij niet te geven!» Zij klonken in de volheid der vreugde, zij werden herhaald in diepe smart.
Jaren zijn er sedert verloopen. Het meer glimlacht, zijn oevers glimlachen; de wijnstok krijgt zwellende druiven; stoombooten met wapperende vlaggen jagen voorbij, plezierbootjes met hun gezwollen zeilen vliegen over den waterspiegel als witte vlinders; de spoorweg over Chillon is geopend en voert diep het Rhônedal in. Aan ieder station stappen vreemdelingen uit; zij houden hun in rood gebondene reisboeken in de hand en lezen daarin, wat zij al zoo merkwaardigs te zien hebben. Zij bezoeken Chillon, zij zien buiten in het meer het kleine eiland met de drie acacia’s, en lezen in het boek van het bruidspaar, dat daar op een avond van het jaar 1856 langs voer, van den dood van den bruidegom en: «eerst den volgenden morgen hoorde men aan den oever het wanhopige jammeren der bruid.»
Maar het reishandboek vertelt niets van het stille leven van Babette bij haar vader, niet in den molen,—want daar wonen nu andere menschen,—maar in het mooie huis in de nabijheid van den spoorweg, uit welks ramen zij nog menigen avond over de kastanjeboomen naar de sneeuwbergen kijkt, waarover Rudy zich eenmaal voortspoedde; zij ziet des avonds den Alpengloed, de kinderen der zon legeren zich op de hooge bergen en herhalen het lied van den reiziger, wien de wervelwind den mantel afrukte, het hulsel ontnam, maar niet den man.
Hier is rozenglans op de sneeuw van den berg, rozenglans in ieder hart, waarin de gedachte woont: «God laat het beste voor ons geschieden!» Maar het wordt ons niet altijd geopenbaard, zooals het Babette in haar droom geopenbaard werd.