Fig. 1.Fig. 1.Fig. 2 A.Fig. 2 A.Ook op het physisch kabinet te Utrecht komt een dergelijk microscoop voor als bij van Haastert is afgebeeld. Onlangs ben[35]ik bekend geworden met een microscoop van Leeuwenhoek op het physisch kabinet der Leidsche Academie, een paar jaren geleden ten geschenke gegeven door een officier van gezondheid, met een paar andere kleinigheden, onder anderen een rood marokijnen étui, waarop de naam Leeuwenhoek duidelijk te lezen is. Ook op het Anatomisch kabinet te Leiden is een microscoop van Leeuwenhoek afkomstig.Omtrent deze microscopen en den waarschijnlijken gever kan ik mededeelen, dat ik in het jaar 1872 van den officier van gezondheid 1ste klasse Hallegraeff, sedert overleden, een schrijven heb ontvangen, mij meldende, dat hij in het bezit was van:1o. Een microscoop van L. overeenkomende met fig. 1, p. 34 dezer brochure;2o. Een microscooptoestel tot onderzoeking van den bloedsomloop (fig. 3, pag. 36);3o. Een loupe van Leeuwenhoek;4o. Een rood marokijn lederen étui met vijf in koper gevatte lenzen en eene lens nog niet in koper gevat, dus in het geheel zes.Een en ander was uit Rusland weder naar Nederland terug gebracht door den Hoogleeraar de Gorter, door wiens betrekkingen het aan den vader van den briefschrijver en later aan hem was present gedaan. Als eene bijzonderheid meldde hij mij nog dat op het étui met eigenaardige krulletters geschreven staat „Anth. van Leeuwenhoek”. Tevens berichtte mij ZEd., dat hij van plan was een en ander aan de Leidsche Hoogeschool ten[36]geschenke aan te bieden; derhalve zijn de op de Academie berustende voorwerpen kennelijk de bovenbeschrevene.Ook is mij bekend geworden, dat er op het stedelijk museum te Gouda een microscoop aanwezig is.Fig. 2 B.Fig. 2 B.De beschrijving volgens Baker is de volgende. De voorzijde is fig. 2 B. Het platte gedeelte A is samengesteld uit twee koperen of zilveren plaatjes, aan elkander vastgemaakt met kleine klinknageltjes,b b b b b b. Tusschen deze plaatjes is eene zeer kleine biconvexe lens, in een holligheid geplaatst, recht tusschen twee gaatjes, tegenover elkander in de plaatjes gedrild bijc. Aan de eene zijde van de plaatjes is een koperen of zilveren strookjedmet een schroefegehecht, welk schroefje door beiden gaat. Een ander gedeelte van dit strookje winkelhaaks omgebogen schiet onder de plaatjes door en komt aan de andere zijde uit. Door dit omgebogen einde loopt, recht opwaarts, eene lange fijndradige schroef, welke in- en uitgeschroefd wordende, de plaat, waarop het voorwerp gehecht wordt, hooger of lager brengt. Hierop staat een grof ruw gemaakt pennetjei, waaraan het voorwerp moet worden vastgehecht en dat door een handvatselkwordt omgedraaid. Men kan de vertoonplaat met het pennetje er op, verder van de vergrootende lens doen afwijken, of nader daarbij laten komen door middel eener kleine schroefl, diehorizontaaldoor de plaatbloopende en tegen de achterzijde van het werktuig dragende, als het noodig is deze plaat verder afdringt. Het eind van de lange schroefgkomt door de vertoonplaat heen bijm, alwaar zij rond draait, maar niet als een schroef werkt, dewijl haar draad zoo hoog niet reikt. Leeuwenhoek maakte zijne voorwerpen aan de punt van het pennetje[37]met de eene of andere klevende stof vast en bewaarde zulk een stel zorgvuldig, zoodat hij voor ieder voorwerp weder een ander microscoop noodig had en er ten slotte eenige honderden bij elkander had, zoo als hij zelf zegt in een brief aan Hans Sloane, Secretaris der „Royal Society” d.d.,24 December 170047. „Ick hebbe hondert en hondert geslepene vergrootglasen, daar van de meeste zoo scherp sien, selfs by duystere dagen, en dat by geen ander als dag ligtenz.” Wanneer het voorwerp alleen kongezienworden als het uitgespreid was, deed hij een weinig op een plaatje van zeer dun glas, dat hij op dezelfde wijze met de klevende stof op de punt vasthechtte48. Voor sommige waarnemingen met vloeistoffen, zoo als onder anderen, om den bloedsomloop te bezichtigen, wijzigde hij dien toestel. Hij beschrijft die inrichting zeer uitvoerig in een brief aan de „Royal Society” van 12 Januari 168949(Fig. 3). Zij bestond uit eene aan beide uiteinden rechthoekig omgebogen koperen of zilveren plaat,a, in welker omgebogen gedeeltenbencde ronde openingeneeniwaren aangebracht, bestemd ter opneming eener glazen buis, die dan door de veerenrendwerd vastgeklemd. In zulk een glazen buis bracht hij dan water en een klein vischje of aaltje met de vinnen of den staart zoodanig er buiten geplaatst, dat men den bloedsomloop er in kon waarnemen. De lens, die even als bij alle microscopen van Leeuwenhoek, tusschen 2 plaatjes besloten was, werd dan vóór de buis gesteld door middel van de rechtopstaande plaatg, die door de beide schroevenh hop een gedeelte[38]vancbevestigd was, en waaraan de lensplaat door de schroeffwerd vastgemaakt50. Leeuwenhoek heeft verscheidene van deze toestellen vervaardigd, want op den Catalogus zijner microscopen, die na zijn dood verkocht zijn, worden niet minder dan 8 zilveren en 4 koperen vermeld.Fig. 3.Fig. 3.Deze Catalogus, in het bezit van Prof. Harting, voert den volgenden titel:„Catalogus van het vermaarde Cabinet van vergrootglasen, met zeer veel moeyte en kosten in veele jaren geïnventeert, gemaakt en nagelaten door wijlen den Heer Antony van Leeuwenhoek. In zijn Ed. leven Lid van de Koninklijke societeit der Wetenschappen te Londen, welke verkogt zullen worden op Maandag den 29 Mey 1747 binnen de stad Delft, op St. Lucas Gildekamer, des voormiddags van 10 tot 12 uren, en des namiddags van half drie tot 5 uren. Te Delft gedrukt bij Reinier Boitet, Stadsdrukker 1747.” Hij is op zwaar schrijfpapier gedrukt, met Hollandschen en Latijnschen tekst. Voorin bevindt zich eene fraaie op koper gegraveerde zinnebeeldige plaat, voorstellende een kabinet met laden waarin microscopen en een paar kinderen deze beschouwende; een hunner heeft een dito microscoop als in fig. 2 is afgebeeld in de hand, maar dit is met „drie” openingen voorzien. Eene andere plaat stelt het portret van Leeuwenhoek voor. De Catalogus, 43 bladz. groot, is geheel doorschoten met wit papier, waarop de namen van al de koopers en de prijzen die voor de microscopen besteed zijn, nauwkeurig staan aangeteekend; het getal nommers is 196, terwijl bijna ieder nommer twee microscoopstellen aangeeft, de laatste 15 nommers bestaan ieder uit een aantal van 12 koperen plaatjes met vergrootglazen. Daarenboven zijn er nog op vermeld zeven Japansch verlakte Cabinetjes, benevens een verlakte vierkante doos en een doos, waarin eenige glazenbuizen met olie, plantgewassen, drogerijen enz.Het gezamenlijk aantal der microscoopstellen, met inbegrip der bovengenoemde plaatjes met vergrootglazen, de meesten met[39]een voorwerp voorzien waarvan de namen in den Catalogus vermeld zijn, bedraagt niet minder dan 527. Hiervan zijn er 3 van goud, 147 van zilver, waarvan 1 met drie, 6 met twee, 140 met één en ook zonder objecten. Voorts 5 met zilver gemonteerde koperen stellen en koperen met drie objecten en 375 koperen met 1 object en zonder.Als eene bijzonderheid staat bij no. 126 een koperen stel vermeld, dat „het vergrootglas geslepen is van een sandje en het object is een sandje.” Bij drie der microscopen staat opzettelijk dat het vergrootglas is geslepen van Amersfoortsche diamant. Van de gouden wogen er twee 10 Engels 17 azen, de derde 10 Engels 14 azen. Een der eerste van deze gouden werd verkocht voor 23 gulden 15 stuivers, terwijl de beide anderen opgehouden werden. De overige microscopen golden: de koperen van 15 stuivers tot 3 gulden het paar; de zilveren 2 tot 7 gulden, 1 koperen stel, waarvan het object was „ongeboren oesters” (!) in een glazen buisje 8 gulden. Een enkel der zilveren gold 10 gulden.De geheele verkooping bracht de voor dien tijd zeer aanzienlijke som van 737 gulden en 3 stuivers op.Al deze microscopen schijnen in ons land gebleven te zijn; ten minste onder de namen der koopers in den Catalogus heb ik geen buitenlandsche gevonden. De naam Dirk Haaxman komt op de lijst der koopers herhaalde malen voor en het is daarom te verwonderen dat er niet meer van deze microscoopjes in mijne familie, waarvan echter weinig leden der andere takken mij bekend zijn, gevonden werden.Daar nu al de lenzen van deze groote verzameling door Leeuwenhoek „met eigen hand” geslepen zijn en de metalen stellen eveneens door hem zelven vervaardigd werden, waarbij nog gevoegd moet worden de verzameling van 26 microscopen, aan de „Royal Society” vermaakt, en nog een groot aantal, die hij bij zijn leven ten geschenke zal gegeven hebben, zoo staat men verbaasd, dat Leeuwenhoek, bij den tijd aan zulk een arbeid besteed, nog genoegzame gelegenheid kon overhouden tot het nemen zijner proeven, als men weet hoe verbazend tijdroovend het praepareeren alleen der voorwerpen is om ze geschikt voor de observatie te maken, terwijl bovendien vele proeven door[40]hem talrijke malen werden herhaald, eer hij een bevredigend resultaat verkreeg.51Hij betuigt zelf52dienaangaande van een door hem ingesteld onderzoek: „Aan dese geseyde waarnemingen hebbe ik meer tyd besteed als vele zullen gelooven: dog ik heb ze met genoegen gedaan, en geen agt gegeven op die geenen die mij zeggen, waarom zoo veel moeyte gedaan, en wat nut doet het; dog ik schrijf niet voor sulke en alleen voor de wysgeerige.”Leeuwenhoek was er steeds op bedacht zijne glazen meer en meer te volmaken. „Wat mijne vergrootglasen aangaan,” zegt hij in een brief aan de „Royal Society,” d.d. 9 Juni 169953„daarvan wil ik mij niet beroemen; ik maak deselve soo goet, als in mijn vermogen is, en moet seggen, dat wij sedert veel jaren deselve niet alleen beter en beter hebben gesleepen, maar ook deselve van tijd tot tijd beter gemonteert hebben, waaraan ook veel is gelegen, en ik hebbe wel behaamt die vergrootglazen maken, en haar daarover beroemen, die selfs geen bequaamheit hadden om te oordeelen, of een glas scharp ontdekt; en gelijk yder een niet bequaam is om van een vergrootglas wel te oordeelen, veel min kan men bequaam syn, om ontdekkingen voort te brengen, en dus doende, moet ymant die nieuwe ontdekkingen tragt in ’t ligt te brengen, niet van één gesigt oordeelen, maar men moet deselve veel malen sien: want my komt te meer malen voor, dat luyden, siende door een vergroot-glas seggen, nu sie ik dat, en dan weder dat, en wanneer men haar onderrigt, sien sy dat ze in haar meyninge bedrogen syn, en dat meer is, soo kan self die geene die gewoon is door vergroot-glasen te zien, in syn meyninge verleyt werden.” Men ziet het, Leeuwenhoek nam niet alles dadelijk voor waar en zeker aan, wat hij op het eerste gezicht waarnam en logenstrafte daardoor zijne benijders[41]en bedillers, die hem verweten, dat hij zich veelal maar verbeeldde te sien, wat niet in werkelijkheid bestond.De groote lof die overal, vooral in Engeland, van Leeuwenhoek’s ontdekkingen uitging, had ten gevolge dat velen trachtten zich door eigen aanschouwing van de waarheid te overtuigen, te meer daar zijne waarnemingen in vele opzichten geheel nieuw waren en onderwerpen betroffen, van het hoogste gewicht voor de physiologische wetenschap van die dagen; want nauwelijks waren er drie jaren verloopen sedert het begin zijner betrekking met de „Royal Society,” of reeds had hij het meerendeel der weefsels en vloeistoffen van het organismus in meerdere of mindere mate onderzocht. Aangespoord door de gelukkige ontdekkingen die hij deed en geprikkeld door de belangstelling, die men aan zijne waarnemingen schonk, wijdde hij dan ook zich met zijn geheele ziel aan zijne geliefkoosde nasporingen.Doch weldra werd hem eene buitengewone verrassing bereid. Eene geheel nieuwe wereld van wezens in het water levende en die tot nu toe voor iedereen verborgen waren gebleven, ontdekte zich aan zijn navorschend oog. In een enkelen droppel water ontdekte hij vol verbazing eene ontelbare menigte van de kleinste wezens van den meest verschillenden vorm, die zich met eene ongeloofelijke snelheid enlevendigheidheen en weder bewogen. Men was tot nog toe gewoon een kaas- of andere myt al voor het kleinste diertje der schepping te houden, maar met de diertjes vergeleken, die Leeuwenhoek in water ontdekte, was zulk eene myt als een reus te beschouwen. Een nieuw veld van beschouwing ontwikkelde zich door deze ontdekking aan den denkenden geest. Overal in de natuur is het leven verbreid en dat in zulk eene verkwistende mate als men dit nimmer zou hebben kunnen vermoeden. Zulks werd door Leeuwenhoek in een brief aan de „Royal Society,” d.d. 9 October 1676 duidelijk uiteengezet, welke mededeeling ten gevolge had, dat de „Royal Society” zich gedurende onderscheidene zittingen van het jaar 1677 met den belangrijken inhoud dezer missive bezig hield.Men besloot aan hem te schrijven en hem uit te noodigen om zijne methode van onderzoek mede te deelen, ten einde de[42]resultaten zijner nasporingen te kunnen nagaan en waardeeren, terwijl in den boezem der vergadering zelve de meest geanimeerde besprekingen over dit ongeloofelijk feit werden gehouden. Wij lezen54,dat ten gevolge van de ontvangen mededeelingen van Leeuwenhoek omtrent de ontdekking van met het bloote oog onzichtbare, uiterst kleine diertjes in regen-, sneeuw-, wel- en andere wateren, alsmede in water, waarin peper, gember en andere kruiderijen gedurende eenigen tijd hadden geweekt, dat in de vergaderingen van 5 April 1677 Dr. Nehemiah Grew werd opgedragen te beproeven, wat hij in dezelfde wateren kon ontdekken, terwijl in de vergadering van 15 October aan Robert Hooke dit zelfde verzoek gericht en deze tevens uitgenoodigd werd een microscoop te maken, dat zoo veel mogelijk, zoo niet geheel, gelijk was in kracht met dat van Leeuwenhoek, omdat men te vergeefs had getracht met de hun ten dienste staande instrumenten deze diertjes te zien.In de vergadering van 1 November 167755bracht men verslag uit omtrent een menigte dunne glazen buisjes van verschillende grootte, eenige tienmaal dikker dan een hoofdhaar van een mensch, en andere veel dunner, welke men gemaakt had, om eene bewering van Hooke te constateeren, ter bestrijding van de waarneming van Leeuwenhoek, dat men de kleine diertjes in een waterig vocht, in zulke buisjes beschouwd zijnde, door elkander zou zien wriemelen. Hooke deelde mede, dat deze alzoo gevulde buisjes zelven als het ware vergrootglazen werden, waardoor de omvang van zoodanige lichaampjes in het vocht schijnbaar zeer vermenigvuldigd zich zou moeten vertoonen, vooral aan de zijde van de buisjes die het verst van het oogglas verwijderd waren. Maar niettegenstaande dit hulpmiddel, waardoor de sterkte van het microscoop nog vermeerderd werd, verklaarde men „niets” van dergelijke diertjes te kunnen waarnemen.Er werd daarom bevolen, dat tegen de volgende vergadering peperwater zou worden gereed gemaakt en er ook voor een[43]beter microscoop moest gezorgd worden, opdat de waarheid of onwaarheid van „Leeuwenhoek’s bewering” duidelijk mocht blijken.Vóór dat deze discussiën in de vergadering plaats hadden, schijnt men reeds aan Leeuwenhoek den twijfel der vergadering over de juistheid zijner waarneming te hebben kenbaar gemaakt, ten gevolge waarvan hij het noodig geacht had getuigenissen van geloofwaardige personen over te leggen, die zijne ontdekkingen konden bevestigen, want zoo voegde men er bij: „opdat de verzekeringen van Leeuwenhoek zoo mogelijk proefondervindelijk zouden kunnen onderzocht worden, daar hij zoo vele getuigenissen had geleverd van hen die ooggetuigen van deze waarneming geweest waren.” Daarop werden de namen dezer getuigen in de vergadering gelezen, waaronder er waren van twee predikanten, één notaris en acht andere geloofwaardige personen, tot staving van de waarheid van zijne vroegere verzekeringen omtrent het ongeloofelijke aantal kleine diertjes dat hij in zulk peperwater zich had zien bewegen en waarvan enkelen het getal op tienduizend, anderen op dertigduizend en nog anderen op vijfenveertig duizend in een enkelen droppel, ter groote van een gierstkorrel schatteden. In de vergadering van 8 November 167756werd daarop het verslag door Hooke uitgebracht, omtrent het onderzoek van peperwater, dat aan hem was opgedragen. Hij vertoonde daarop eene verbeterde inrichting van zijn microscoop, waarin de buisjes doelmatiger konden bevestigd worden en waarmede ook eene betere verlichting kon worden aangebracht.… „Maar,” zoo betuigt Hooke, „hoewel hij het peperwater zeer sterk had gemaakt door weeking van heele zwarte peper, gedurende 2 of 3 dagen lang met regenwater, zoo kon er, niettegenstaande zijn microscoop nu veel beter was ingericht dan in de vorige vergadering, „toch niets van Leeuwenhoek’s diertjes bespeurd worden.” De vice-president Mr. Henshaw, die toch zijn geloof aan de waarnemingen van Leeuwenhoek niet wilde opgeven, dewijl hij een te goed vertrouwen had in de deugdelijkheid zijner observatiën, maakte de opmerking, dat het wellicht nu in den winter geen geschikte[44]tijd voor de voortteling van dergelijke diertjes zou zijn, en hij voegde er bij, dat hij een lid der vergadering gesproken had, die den vorigen zomer met het microscoop van Leeuwenhoek zelven, deze diertjes in Holland gezien had, doch ze nu, veertien dagen geleden, niet kon vinden in peperwater dat hier (in Londen) gemaakt was.”Niettegenstaande deze gegronde opmerking beweerde Dr. Wistler, dat deze „denkbeeldige schepsels” inderdaad niets anders waren dan „kleine in het water drijvende peperdeeltjes” en geen diertjes. Doch deze bewering werd krachtig tegengesproken door Dr. Mapletoft. Hij repliceerde, dat Leeuwenhoek stellig verzekerd had dat hij die diertjes, zoowel levend, als dood had aangetoond, en in den laatsten toestand, zoodra hij azijn bij het peperaftreksel gevoegd had. Hooke was echter niet gemakkelijk tot overtuiging te brengen; hij onderzocht nu andermaal het peperwater met zijn microscoop en verklaarde dat hij de opmerking van Dr. Wistler als gegrond moest erkennen, want dat hij er thans eene groote hoeveelheid fijn peperstof in op- en nederdalende beweging in gezien had. Ten slotte werd het uitzicht geopend, dat hij in de volgende vergadering een microscoop zou ter tafel brengen, dat nog veel meer vergrooten zou en dat alsdan de quaestie uitgemaakt zou worden.Het beslissende oogenblik was aangebroken. De vergadering van den 15den November 1677 werd geopend, en wat rapporteerde nu dezelfde Hooke? „Dat hij nieuw peperwater bereid had met zuiver regenwater en eene kleine hoeveelheid gewone zwarte peperkorrels en dit mengsel gedurende negen à tien dagen met elkander in aanraking gelaten had,”en „dat hij gedurende de geheele week lang, een groot aantal buitengewoon kleine diertjes heen en weder had zien zwemmen,” welke hem, door zijn glas gezien, toeschenen de grootte van eene myt te bezitten, welk glas volgens zijne berekening honderdduizendmalen in omtrek vergrootte (waarschijnlijk een glasbollelje) en dat mitsdien kon worden opgemaakt dat deze diertjes honderdduizendmaal kleiner waren dan eene myt. Hun vorm zegt Hooke„kwam overeen met een zeer klein helder blaasje, ovaal of eivormig van gedaante.”Men kan zich lichtelijk de verrassing der vergadering voorstellen, toen de leden ieder om strijd zich rondom het microscoop[45]van Hooke verdrongen om zich van het ongeloofelijke feit te overtuigen.Al de aanwezige leden, zegt de verslaggever dezer belangrijke vergadering, overtuigden zich nu van de waarheid van Leeuwenhoek’s ontdekking. Zij bevestigden allen, dat zij nu de diertjes zagen en ze op allerlei wijzen door het water heen en weder zagen bewegen; men verklaarde ze voor wezenlijke diertjes en erkende dat er geenerlei optische misleiding kon plaats hebben.Schitterenderkon de reputatie van den Delftschen burger wel niet gevestigd worden, dan in de erkenning van de waarheid van hetgeen hij had waargenomen, nu zelfs de meest ongeloovige zich moest gewonnen geven. De leden der vergadering waren dan ook dadelijk bereid om hun vorig mistrouwen en ongeloof openlijk te erkennen. Wij lezen namelijk in de notulen dezer vergadering: „dat er besloten werd nota te nemen van deze thans zoo goed geconstateerde feiten, en tevens dat er aanteekening zou gehouden worden van de namen van hen die deze diertjes met hun eigen oogen hadden gezien. Zulks waren: Mr. Henshaw, Sir Christopher Wren, Sir John Hoskyns, Sir Jonas Mone, Dr. Mapletoft, Mr. Hill, Dr. Croune, Dr. Nehemiah Grew, Mr. Aubrey en nog verschillende anderen, zoodat er niet langer aan Mr. Leeuwenhoek’s ontdekking te twijfelen viel.”Omtrent de ontdekking van den eigenaardigen vorm, de soorten en bijzondere eigenschappen die Leeuwenhoek aan deze kleine diertjes kon waarnemen, heeft hij zich zeer uitvoerig uitgelaten in een schrijven aanConstantijnHuygens d.d. 7 November 167657. Hij zegt daarin, „dat hij omstreeks half September van het jaar 1675 in regenwater, dat eenige weinige dagen in een ton gestaan had, kleine diertjes, in zijn oog meer dan tienduizendmaal kleiner dan het diertje dat Dr. Swammerdam heeft afgebeeld en met den naam van watervloo of waterluis bestempelde,” gevonden heeft. De „eerste soort,” die hij in dit water ontdekte, bestond uit 5, 6, 7 à 8 zeer heldere „globulen”; zij staken somtijds twee hoorntjes uit het voorste gedeelte van hun lichaam[46]en dezen waren in voortdurende beweging. Hun lichaam was rondachtig en aan het achterlijf een weinig spits, waar zij een staart hadden, die driemaal langer dan het lichaam was. Eene „tweede soort” beschrijft hij als een eirond lichaam, van boven gezien uit 8, 10 à 12 globulen bestaande, zij waren zeer helder en konden hun lichaam in een volkomen ronde gedaante veranderen; iedere globule, zegt hij,verbeelddezich als verheven met een puntje uit te steken en voorzien met verscheideneongeloofelijkedunne pootjes, die zich snel bewogen; deze soort was een weinig grooter dan de eerste. Eene „derde soort” was eenmaal zoo lang als breed en naar schatting wel achtmaal kleiner dan de eerste soort, hij „imagineerde zich”, dat hij daaraan „vinnetjes of pootjes” kon waarnemen; zij bewogen zich zeer snel, zoowel in het rond als in een rechte lijn. De „vierde soort,” die hij waarnam, was zoo klein dat hij er geen figuur aan kon bekennen; deze waren in zijn oog meer dan duizend maal kleiner dan het oog van een luis; zij gingen in snelheid van beweging de bovenvermelde diertjes nog te boven. Verder zegt Leeuwenhoek, dat hij, behalve deze vier soorten nog verscheidene andere soorten van diertjes waarnam, waarvan eenigen zeer groot waren, zoo als een „kleine myter”, anderen wederom waren „zeer monstereus.” Hij beschrijft deze niet nader, maar zegt er alleen van, dat zij doorgaans uit zulke zachte deelen bestonden, dat, wanneer het water, waarin zij lagen, was opgedroogd of weggeloopen, zij uiteen barstten.Leeuwenhoek zegt in dienzelfden brief, dat op de open plaats achter zijn huis zich een put bevindt, welke omtrent 15 voeten diep is, en waarvan het water in het midden van den zomer zoo koud was, dat men er de hand niet lang in kon houden. Ook in dit water ontdekte hij eene groote menigte zeer kleine diertjes en wel, wat de grootte betreft, overeenkomende met de vierde der beschrevene soorten, maar nadat dit water eenige dagen gestaan had, ontdekte hij er vele andere diertjes in van verschillenden vorm en grootte. Ook in zeewater nam hij dergelijke diertjes waar. Verder beschrijft hij de ontwikkeling van diertjes door peper in sneeuwwater te laten weeken, waarvan ik de bijzonderheden reeds vermeld heb.[47]Men kan zich gemakkelijk voorstellen welk eene uitwerking deze belangrijke ontdekking van het bestaan eener geheele wereld van schepselen, die tot nog toe geheel en al onbekend waren gebleven, moest teweegbrengen in een tijd, waarin talrijke ontdekkingen in onderscheidene gedeelten der natuurwetenschappen, zulk eene groote en levendige belangstelling niet slechts onder de geleerden, maar zelfs bij alle menschen van beschaving en verstand hadden opgewekt.„In onzen tijd,” zoo zegt E. Blanchard, in zijn genoemd artikel in de „Revue des deux mondes” deze ontdekking van Leeuwenhoek besprekende, „is het bestaan van myriaden diertjes van de laagste organisatie in bijna alle wateren aan niemand onbekend, en men stelt ze op openbare soirees door het hydro-oxygeen-microscoop ten toon, maar nog steeds, hoe bekend zij zijn, nog steeds schijnen deze diertjes de denkers tot de ernstigste overpeinzingen uit te noodigen en hen tot de erkenning te brengen, dat nergens de natuur zoo groot is dan in het oneindig kleine.”En van welk eene beteekenis de ontdekking van Leeuwenhoek omtrent kleine organismen in het water en in de lucht, vooral in onzen tijd gerekend wordt, kan men afleiden uit het verband dat men in de geneeskunde heeft gemeend te vinden, tusschen het ontstaan en de verspreiding van besmettelijke ziekten en het optreden van bacteriën enaanverwanteorganismen; een vraagstuk van hethoogstegewicht, voor de volledige oplossing waarvan echter de tijd nog niet gekomen schijnt. Vooral verdient daarbij de belangrijke studie de aandacht, die Dr. Ferdinand Cohn, hoogleeraar te Breslau, in 1872 over bacteriën heeft nedergelegd in zijn „Untersuchungen über Bacteriën”58en zijne beschouwing over de betrekking waarin deze kleine wezens gebracht worden tot de belangrijkste probleemen der algemeene natuurwetenschap, zoodat zij, zoo als Cohn zich uitdrukt, „door eene onzichtbare, maar tegelijkonweêrstaanbaremacht, de gewichtigste gebeurtenissen der levende en levenlooze natuur beheerschen en zelfs in het bestaan der menschen tegelijk geheimzinnig en diep ingrijpen.”[48]Het kan wel niet anders of de gelukkige ontdekking van Leeuwenhoek moest de geleerden van dien tijd er op bedacht doen zijn hunne microscopen te verbeteren en zoo mogelijk aan die van Leeuwenhoek te doen evenaren. Hooke was daarin onvermoeid en vertoonde in de vergadering van 6 December 167759een verbeterd samengesteld microscoop, waarmede hij de kleine diertjes in het peperwater veel meer vergroot en duidelijker nog dan vroeger liet zien. Dit had hij vervaardigd door het objectiefglas van een veel kleineren bol te maken. Verder vertoonde hij een nieuw soort van enkelvoudig microscoop, waarmede hij dezelfde diertjes vertoonde, die in eene kleine haarbuis heen en weder zwommen.Allen die daardoor zagen, verklaarden het voorkomen dezer kleine schepsels nu veel helderder en duidelijker dan op de andere wijze met het samengesteld microscoop, hoewel dit een van de beste soorten was.Geen wonder dat men zeer verlangend was de microscopen van Leeuwenhoek zelven te zien en de wijze te kennen, die door hem gevolgd was om zijn glazen zoodanig te slijpen, dat hij er die belangrijke waarnemingen mede kon doen.In de vergadering van den 23sten November 168160sprak Mr. Henshaw ten gevolge van nieuwe observaties, die Leeuwenhoek aan de Sociëteit had toegezonden, als zijn gevoelen uit, dat de glazen, waarmede Leeuwenhoek „deze vreemde ontdekkingen maakte, zeer buitengewoon moesten zijn en op eene andere wijze gemaakt, dan gewoonlijk bekend en gebruikelijk was.” Hooke maakte de opmerking dat het geen andere waren dan die hij zelf vermeld had in de voorrede van zijn „Micrographia,” namelijk zeer kleine doorschijnende gesmolten glasbolletjes in hun geheel of door slijpen tot een lens gevormd of op eene andere wijs gemaakt.Ook merkte hij aan, „dat de ontdekkingen van Leeuwenhoek zeer geholpen zouden worden door de wijze waarop hij het licht op zijne voorwerpen liet vallen en dat hij zeker voor zijne buitengewone[49]onderzoekingen een geschikte kamer moest bezitten.” Dit laatste wordt echter weêrsproken door hetgeen Dr. Molyneux er van getuigt, die sprekende van zijn bezoek aan Leeuwenhoek zegt, „dat hij, tijdens het beschouwen van de microscopen zich in eene vrij donkere kamer bevond met slechts één raam voorzien, waar zelfs de zon toen niet op scheen, en dat zich toch de voorwerpen schooner en duidelijker vertoonden, dan die hij in Engeland of elders gezien had, ofschoon daar de zon op scheen, of door weerkaatsende spiegels meer dan gewoon licht ontvingen.”Ten gevolge dezer discussiën werd door Mr. Henshaw voorgesteld aan Leeuwenhoek te verzoeken, „dat hij zijn uitvinding mocht willen bekend maken, indien het iets nieuws was.” Aan dit verzoek werd dan ook door Leeuwenhoek welwillend voldaan. In de vergadering van 1 April 168561werd een brief van Dr. Molyneux voorgelezen van den 14den Maart, waarin hij mededeelde, dat de glazen, die Leeuwenhoek hem liet zien, de voorwerpen niet meer vergrootten dan verscheidene glazen die hij zelf vroeger zag en daardoor alzoo niets meer kon ontdekt worden dan hetgeen gemakkelijk met behulp van andere microscopen kon gezien worden, zoodat alzoo een verslag van deze microscopen te geven geenszins voldoende zou zijn. Doch, voegt hij er bij: „Het zijn alleenzijn eigeneglazen, die deze meer dan gewone ontdekkingen doen.” Daarbij vermeldt hij gehoord te hebben, „dat hij nooit die glazen van betere soort verkocht.”Niet alleen verkocht Leeuwenhoek niet die glazen van „betere soort,” zooals Molyneux zegt, maar geen zijner microscopen was voor geld te verkrijgen. Uffenbach had daartoe een aanzoek bij hem gedaan, doch zonder gevolg.62[50]Ook uit een brief van Huygens schijnt te blijken, dat Leeuwenhoek de kunst, die hij met inspanning van al zijn krachten tot zulk eene hoogte had gebracht, niet gaarne aan anderen mededeelde.Huygens verhaalt namelijk, dat toen de Landgraaf van Hessen Cassel hem bezocht en zijn microscopen verlangde te zien, hij een kast toonde, waarin deze bewaard waren, doch ze zeer zorgvuldig in de handen hield en, na de nieuwsgierigheid van zijn bezoeker te hebben bevredigd, voorzichtig de kast weder sloot, vreezende naar het schijnt dat zij hem door anderen mochten afhandig gemaakt worden, waardoor men dan in de gelegenheid zou zijn achter zijn geheim te komen63.Dit geheim nu van de wijze waarop Leeuwenhoek zijne lenzen sleep en ze die buitengemeene helderheid gaf, liet hij zich door niemand ontlokken en ontweek steeds zorgvuldig daarvan iemand verklaring te geven, of wel beantwoordde de aanzoeken daartoe met stilzwijgen. Ook had men hem meermalen aangespoord die kunst aan anderen te leeren en er bij voorbeeld aan jongelieden onderricht in te geven. Leibnitz schijnt hem in dien geest daarover geschreven te hebben, waarop Leeuwenhoek hem in de volgende bewoordingen antwoordde64: „Om jonge luyden tot het slypen van glasen aan te voeren, ende als een school op te regten; daar uyt kan ik niet sien dat veel soude voortkomen; want door myne ontdekkingen en slypen van glasen, syn veele studenten tot Leyden aangemoedigt, ende daar syn drie Glasenslypers geweest, bij dewelke de studenten het glasenslypen gingen[51]leeren. Maar watis ’eruyt voort-gekomen? niets, soo veel my bekent is; omdat meest alle de studenten daar op uyt komen, om door de wetenschappen gelt te bekomen, of wel door de geleertheyd geagt te syn; ende dat steekt in het glas te slypen, ende in het ontdekken van de saaken, die voor onse oogen verborgen syn, niet. En het staat ook by mij vast, dat van duyzent menschen geen een bequaam is, om sig over te geven tot soodanige studie, omdat er veel tijds toe vereyst wert, veel gelt gespilt wert, ende men gedurig met syne gedagten moet besig wesen, sal men wat uytvoeren. Ende daarenboven syn de meeste menschen niet weetgierig; ja eenigen, daar men het niet van behoorde te wagtenseggen, wat is ’er aangelegen of wy het weten?”Men ziet dat ook in den tijd van Leeuwenhoek de beoefening der wetenschap om de wetenschap zelve, tot de zeldzaamheden scheen te behooren en dat ook toen reeds de practische geest bij de studeerenden was doorgedrongen, die men thans zoo gaarne uitsluitend aan onze eeuw wil toeschrijven.Nog zegt hij in een anderen brief aan denzelfden geleerde, van 13 Maart 1716:65„Ik hebbe gans geen genegenheyt gehadt om ymant te onderwysen, want als ik het aan een gaf, soude ik aan meer moeten doen, omdat verscheyde souden meenen dat ik het aan haar uyt maagschap en andere om haar gesachlykheyt verschuldigt was; ende dus sou ik my tot een slaafachtigheyt overgeven daar ik een vry man soek te blijven: en tragt ook geen loon daarvoor te trekken.” En elders zegthij: „om wel te slagen moet men veel tyd aan de studie wyden, veel geldt besteden en geheel syn siel toewyden aan de overpeinsinge, hetgeen sekerlyk niet van dien aart is, om een groot aantal jonge lieden aan te trekken.”Behalve aan het slijpen zijner glazen, hechtte Leeuwenhoek bijzonder veel aan de monteering er van. In zijn oordeel over een beweeren van zekeren Dalepatius aan den schrijver van een boekje genaamd:„Nouvelles de la République”, als zou deze een vergrootglas hebben uitgevonden „soo goet dat ’er geen beter[52]kan gemaakt werden, dewijl het een sigtbaar stip, naeuwlyks in groote te boven gaat” enz. repliceert Leeuwenhoek66: „Wat syn vergroot-glas belangt, van soo een ongemeene kleynheit, en soo goet als er kan gemaakt werden, dat sullen wy daar by laten. Maar om soodanige glaasjes wel te monteeren daar vereyst meer oordeel toe, als om deselvige te maken.”Naar het oordeel van Leeuwenhoek is het juist niet de bijzondere kleinheid der lenzen, die de deugdzaamheid aan de microscopen verzekert, want hij zegt daarvan iets verder in denzelfden brief: „Wat mij belangt, al hoewel ze by my al omtrent 40 jaren geleden van een ongemeene kleynigheit zijn gemaakt geweest, soo zyn ze by my weynig in gebruyk, en ze dienen na myn oordeel niet, om eerste ontdekkinge te doen, en daar toe syn bequaam die geene, die uyt een grooter diameter syn geslepen.”Leeuwenhoek maakte ook van een hulpmiddel gebruik om de verlichting zijner voorwerpen met opvallend licht te versterken. Dit bestond in het aanwenden van een metalen hol spiegeltje, in welks midden hij zijn lens plaatste. Dit spiegeltje is verklaard in een brief van 12 Januari 1689 aan de „Royal Society”67.Men vindt dit spiegeltje dat Leeuwenhoek in den genoemden brief „een kommetje” noemt en dat hij aan het microscoop had vastgesoldeerd, zeer nauwkeurig afgebeeld in de bij dien brief gevoegde plaat, alsmede in Harting’s „mikroskoop”, deel 3, pl. 1, fig. 8; dergelijke spiegeltjes zijn geheel op dezelfde wijze later, in 1738, door Lieberkuhn aan zijn microscopen toegevoegd, aan wien men ten onrechte hunne uitvinding toeschrijft.Het blijkt, zoowel uit het kistje met de 26 microscopen, aan de „Royal Society” nagelaten, als uit andere gegevens en verklaringen van Leeuwenhoek zelven in zijne brieven, dat hij microscopen vervaardigde met verschillend vergrootend vermogen.Baker68geeft voor de vergrootingen der bovenvermelde 26[53]microscopen, voor een duidelijkheidsafstand van 8 Engelsche duimen de volgende:éénvan40malige middellijn-vergrootingéénvan,,53malige,,middellijn-vergrooting,,tweevan,,57malige,,middellijn-vergrooting,,drievan,,66malige,,middellijn-vergrooting,,tweevan,,72malige,,middellijn-vergrooting,,achtvan,,80malige,,middellijn-vergrooting,,drievan,,100malige,,middellijn-vergrooting,,éénvan,,114malige,,middellijn-vergrooting,,éénvan,,133malige,,middellijn-vergrooting,,éénvan,,169malige,,middellijn-vergrooting,,En dat Leeuwenhoek ook microscopen vervaardigde die een veel sterker vermogen bezaten, dan het meest vergrootende van de Londensche verzameling, blijkt uit het boven reeds vermelde exemplaar van hem, berustende op het physisch kabinet te Utrecht. Dit is in zilver gemonteerd en vergroot 270 maal, hetwelk dus een aanmerkelijk verschil is; terwijl de lens, volgens verklaring van den Hoogleeraar Harting, biconvex geslepen is.Zonder mij te verdiepen in eene uitvoerige beschrijving op hoedanige wijze de bepaling van de sterkte der microscopen in vroegeren en lateren lijd geschiedde, wil ik echter de wijze van bepaling hier vermelden, waarop deze gewoonlijk geschiedt en met behulp waarvan Prof. Harting het microscoop van Leeuwenhoek heeft onderzocht69. Dit onderzoek, geschiedt door middel van het zoogenaamde Nobert’sche proefplaatje. Dit plaatje is beschreven in „Poggendorff’s Annalen 1846”, no. 2 S. 175. Nobert kwam op het denkbeeld om glazen plaatjes te vervaardigen met een aantal van 10 tot 30 groepen van lijnen; deze lijnen zijn in de eerste groep het verst, in de laatste groep het minst ver van elkander verwijderd. Men kan alzoo de verschillende groepen achter elkander in het midden vrij in het veld brengen en onderzoeken, welke groep door het microscoop nog[54]in afzonderlijke lijnen kan ontleed worden. Bij het onderzoek nu van de lens van Leeuwenhoek bleek het Prof. Harting, dat, bij eene gunstige verlichting, door deze lens, de 3de groep zeer gemakkelijk en de 4de (1⁄704 mill.) nog met moeite kon worden opgelost.Eene niet minder belangrijke zaak bij de beschouwing van Leeuwenhoek’s microscopen is de wijze te leeren kennen, waarop hij de grootte van de voorwerpen bepaalde, die door hem werden waargenomen.Hij koos daartoe nu eens een korrel grof zand, dan weder een gierst- of mosterdzaadje; of hij vergeleek ze bij de dikte van een hoofd- of van een baardhaar, ja zelfs van een haar uit zijn paruik! Later weder gebruikt hij als punt van vergelijking de grootte der bloedbolletjes, die hem een zijner eerste en zeker een zijner belangrijkste ontdekkingen herinnerde.In den aanvang was zijn punt van vergelijking een baardhaar. In een brief aan Robert Hooke d.d. 12 November 168070zegt hij daaromtrent het volgende:„Ik heb dan een verdeelde copere linie, en neem naeukeurig agt, door een goet microscope, hoeveel delen, dat een van de dikste hairen van myn baard, op een verdeelde linie beslaat; als by exempel, een zoodanig hair syn diameter is so lang, door een microscope te zien, als 50 delen, en als dan trek ik met de punct van een naald op de kopere lineaal sodanigen streep, die in myn bloote oog, my so te voren komt, als ik door myn microscope, „de dunste” ader in de vlieg komen te sien, en ik oordeel, dat als 9 sodanige dunne strepen, als ik met de punct van een naalde getrokken heb, nevens den anderen lage, een vijftigste part van de diameter van een hair souden uitmaken. Komen dan 450 diameters van de dunste aderen, die ik in een vlieg seer destinct sie, uyt te maken een diameter van een hair van myn baard, so is dan een hair van myn baard 200,000 maal dikker, dan de dunste bloedvaten van een vlieg.”Een paar jaren later bezigt hij, eveneens in een schrijven aan Hooke d.d. 3 Maart 168271„een klein sandje, waar hij calculeerde,[55]dat de vleesstriemtjes (= „fibrillae”) van een os door hem geoordeeld werden zoo dun te zijndat 50 van deselvige nevens den andere leggende de lengte uitmaken van 1⁄20 van een duym, zoodat dan 1000 vleesstriemtjens in de lengte van een duym, dat is dan 1,000000 vleesstriemtjens met haar membranen omwonden in een quadraet duym komen”, en een paar regels verder: „Op een ander tijd sag ik in een ossetonge, drie kleyne musculen vlees, yder met haar menbraan omwonden, nevens den anderen leggen, dat wanneer als ik deselvige overdwars hadde doorgesneden, soo veel plaets niet en besloegen, als een kleyn sandje, (waarvan 100 sanden nevens den anderen leggende, de lengte van een duim maer uitmaken), zoude die konnen bedekt houden.”Later bepaalt hij, in een brief aan François Aston, d.d. 25 Juli 168472deze grootte wat nauwkeuriger, zoodat men nu een eenigszins beteren maatstaf voor zijn berekening erlangt. Hij zegt, „als ik sedert weinige dagen doende was met een oog van een manspersoon, zag ik in het zwartachtig vlies of menbrane uytnemende dunne striemtjens of vaatgens, en om derzelver dunte my die voor oogen te stellen, nam ik een grof sant, wiens axe dat seer na 1⁄30 van een duym was, dit sant, door een microscope siende, oordeelde ik dat deszelfs axe ten minsten 330 deelen, op seekere verdeelde lineaal uytmaekten, en dat, wanneer 8 van de verhaalde dunne vaatgens nevens den anderen lagen, geen 1⁄330 van de axe van een sant in lengte souden uitmaken.”Leeuwenhoek bezigde echter altijd deze bepaling als eene vergelijking om slechts eene aanschouwelijke voorstelling te geven van de kleinheid der voorwerpen, door hem met het microscoop waargenomen. In veel later tijd schijnt hij de onzekerheid van de vergelijking met zandkorrels, wegens hun groot verschil in grootte, te hebben ingezien, en bedient hij zich nu van een’ „geerst-greijntje of een mostersaetje”, zooals bijv. uit een brief aan Hermanus Boerhaave, d.d. 26 Augustus 171773blijkt. „Ik hebbe voor desen geseyt, dat ik soodanige kleyne dierkens in[56]’t water sag swemmen, dat ze met haar duysent millioenen in groote geen grof sant souden uytmaken. Maar alsoo der tussen de grove sanden een groot onderscheyt in groote is, zoo wil ik liever seggen, de groote van een geerst-greyntje of mostert-saetje, ende seggen dat, by aldien duysent millioenen van die kleyne diertjes nevens den anderen lagen, deselve de lengte niet souden bereyken van een geerst-greyntje of mostert-saetje”. Nog eene curieuse vergelijking in de maatbepaling vindt men in een brief aanConstantijnHuygens, d.d. 21 Mei 167974. Zij betreft de grootte der zeer kleine (vooronderstelde) vaatjes in een diertje in het peperwater. Daartoe bepaalde hij eerst hoeveel haar-breedten de lengte van een duim uitmaken.Dit beschrijft hij aldus: „Hebbende dan een koperen lineaal, daer op de duymen verdeelt waren in dry deelen en yder weder in 10 deelen, is summa een duym in 30 verdeelt. Op dese verdelinge heb ick geleyt het haer van myn paruyck, en dat door een microscope geobserveerd en geoordeelt, dat 20 hair-breeten 1⁄30 van een duym uytmaken, comt dan 600 hair-breeten in de lenghte van een duym”.De Hoogleeraar Harting,deze maatbepalingen van Leeuwenhoek besprekende, zegt daarvan,75dat als men bedenkt hoe uiterst gebrekkig de handelwijze van Leeuwenhoek was, men niet nalaten kan zich te verwonderen over de mate van nauwkeurigheid, die sommige zijner bepalingen werkelijk bezitten, iets dat men alleen verklaren kan, door de juistheid van een oog, dat door een jaren lange oefening eene zekerheid in het bepalen van maten verkregen had, welke een minder goed waarnemer geheel moet missen. Zoo bepaalt hij bijv.76de doormeter van een bloedlichaampje gemiddeld op dien van 1⁄100 van een zandkorrel, dat is, (deze 1⁄30 duim in diameter hebbende) 1⁄300 duim; en werkelijk komt deze bepaling zeer na overeen met de gemiddelde grootte der bloedlichaampjes, zooals deze[57]tegenwoordig met onze nauwkeurige hulpmiddelen gevonden wordt.Deze wijze van maatbepaling bij vergelijking met andere voorwerpen van bekende grootte, was echter niet alleen aan Leeuwenhoek eigen, maar werd door beroemde geleerden van dien tijd eveneens gebruikt. Robert Hooke onder anderen zegt in een brief aan Leeuwenhoek d.d. 18 April 177877„dat de musculen van kreeften, krabben en garnalen bestonden uit eene ontelbare menigte zeer kleine draadjes, bijna honderd malen kleiner dan een haar van zijn hoofd.”Een tijdgenoot van Leeuwenhoek, Dr. James Jurin, bezigde de volgende maatbepaling. Hij wond een zeer fijn zilverdraad zoo vele malen om een speld of eenig ander dun lichaam, dat er geen tusschenruimten meer tusschen de draden gelaten werden, waarvan hij zich met een vergrootglas overtuigde. Hij mat nu met een passertje nauwkeurig een zeker getal dezer omwindingen en door de gevonden maat door het aantal omwindingen te deelen, verkreeg hij de dikte van het gebruikte zilverdraad. Nu knipte hij de draad in kleine stukjes en strooide er eenige vanophet voorwerp dat hij onderzocht, als het ondoorschijnend en eronderals het doorschijnend was en vergeleek dan met het oog de deelen van het voorwerp met de dikte van zulk een stukje draad. Jurin zond eenige stukjes van zulk een draad aan Leeuwenhoek78die daarover, naar het schijnt zeer tevreden was, dewijl deze wijze van maatbepaling door hem bevestigd werd (in dePhilosophical Transactionsno. 377), ofschoon hij toch aan zijn eigen methode de voorkeur is blijven geven.In het praepareeren van de voorwerpen moet Leeuwenhoek eene bijzondere vaardigheid gehad hebben, waarbij hem zijn vaste hand, scherp gezicht en groot geduld uitnemend te stade kwamen.[58]Daarvan zijn talrijke voorbeelden voorhanden in zijne brieven, waarin hij omstandig zijne wijze van behandeling beschrijft. Zoo zegt hij in een brief aan de „Royal Society”79, waarin hij uitvoerig de angel eener mug beschrijft en zegt dat die uit vier bijzondere angels bestaat, die in geschikte orde in elkander leggen: „Soo ymant genegen waar in het observeeren van de angels van de mugge my na te volgen, soo wil ik den soodanigen recommenderen dat hij langmoedig is. Want de gesamenlijke vier werktuigen of angels, die in geschikte orde leggen, uyt de koker te halen, ende de koker te openen, dat heb ik veelmaal achter den anderen teweeggebracht, maar dese werktuigen uyt den anderen te halen, ende die soodanig voor het vergrootglas te stellen, dat men die instinct aan anderen kan laten sien, daartoe vereyst geen kleyne moeite. Ik heb meer dan honderd muggen daarom gedoot, ende mijne observatiën op verscheyden dagen moeten hervattenenz.”In een anderen brief80, waarin hij uitvoerig de gedaante en structuur van de luis, de voortteeling dezer parasiten enz.uiteenzet, beschrijft hij onder anderen, hoe bij den mannelijken parasiet, geen eieren zooals hij vroeger gemeend had voorkwamen, maar testikels en dat er van deze vier in getal waren. „Deze testikels,” zegt hij, „leggen yder twee soo digt by den anderen, ende wel voornamentlijk met derselver twee einden, soodanig als of yder afdragent vat te samen vereenigde, en het veeltijds soo quam te vertoonen, als of deselve maar een afdragend zaatvat hadde, yder van dese testiculen oordeele ik omtrent een vierdedeel van de groote van een volmaakte luiseney te sullen uitmaken.” En iets verder: „Wijders haalde ik veelmaal uit de mannekens luizen, derselver mannelyke leden, als ook bragt ik veelmaal de angels tot myn groot genoege uit het agterlyf van de luis, en ook nam ik die wel uit de luis, doch niet sonder het ontstukken breken van de dunne hoornachtige deelendie al diep in hun lijf vast waren,enz.” Verder[59]maakte hij een calculatie van de dikte van den angel der luis en zegt dat deze wel 700maal dunner was dan een haar van zijn hand.Deze vaardigheid van hand en scherpheid van gezicht komt vooral ook uit in de onderzoeking van de oogen van den Rombout, als ook van die vanbijen, muggen en andere insecten. Deze namelijk hebben twee halve manen, waarin een ongemeen getal kleine halve bolletjes zijn, die met de uiterste regelmatigheid en netheid in elkander overkruisende lijnen geplaatst zijn en naar traliewerk gelijken. Deze zijn een verzameling van facetten (Leeuwenhoek noemt ze gezichten, oogen), die zoo volmaakt glad en gepolijst zijn, dat ze als zoo vele spiegels, de beelden van alle uitwendige voorwerpen terugkaatsen. Robert Hooke telde 14,000 halve oogen of facetten in de twee oogen van een hommel; Leeuwenhoek calculeerde 6236 in de twee oogen van de kapel van den zijdeworm, 7362 in die van den schalbyter, 8000 in die van de gewone vlieg, terwijl hij er in de beide oogen van den Rombout 25,088 berekende. Hij bemerkte ook in het middenpunt van iedere facet een klein doorschijnend vlakje, dat helderder was dan het overige, dat hij voor den oogappel hield, waar de lichtstralen doorgelaten worden tot op het netvlies.Leeuwenhoek sneed zulk een oog van den Rombout (ook puistebyter genoemd) af, reinigde het met een penseel met water van al de aanhangende vaten en onderzocht het door zijn microscoop. Hij plaatste het een weinig verder van de lens, zoodat hij den rechten brandpuntsafstand tusschen dit voorwerp en de lens van zijn microscoop liet, en toen door beiden, als door een verrekijker, naar den toren van de nieuwe kerk, welke 299 voeten hoog en 750 voeten ver van zijn woning verwijderd was, ziende, kon hij duidelijk door ieder facet den geheelen toren omgekeerd zien, hoewel niet grooter dan de punt van eene fijne naald, en toen zijn gezicht naar een huis aan de overzijde richtende, zag hij door een menigte van de kleine halve bolletjes niet alleen den gevel van het huis, maar insgelijks de deuren en vensters en was in staat te onderscheiden, of de vensters open of gesloten waren. Van Haastert81, die van zoodanig onderzoek[60]ook gewag maakt, voegt er nog bij, „dat dit verrassend gezicht Leeuwenhoek zoo opgetogen maakte, dat hij zijne buren tot zich deed roepen om hun dat zonderling gezicht eveneens te doen opmerken.”En niet minder komt deze vaardigheid uit in zijne ontleding van de gezichtszenuwen van een honigbij82. Hij nam het hoornvlies uit het hoofd en beschouwde de stof waarmede dit gevuld was. Terwijl hij vroeger meende te hebben waargenomen dat het uit een draadachtig wezen bestond vond hij nu, bij nauwkeurige beschouwing, dat al die deeltjes ten naasten bij van dezelfde lengte waren, aan het eene einde iets dikker dan aan het andere en daarbij aan het dikkere einde rondachtig, en kwam tot de ontdekking, dat ieder dezer deeltjes een gezichtszenuw was en dat het dikkere of ronde einde geplaatst was in de kleine holte van ieder oog, dat in het hoornvlies is, „kortom” zegt hij, „soo veel gesichten in ’t hoornvlies syn, soo veel gesicht-senuwen.” Hij geeft in genoemden brief eene nauwkeurige afbeelding van een bundel van zoodanige gezichts-zenuwen en eindigt met de betuiging: „Dese verhaalde verwonderenswaardige zaken en volmaaktheid in het oog van een vlieg ontdekt hebbende, moeten wy al weder seggen: Hoe weynig is ’t dat wy weten! en heeft dit plaats in soo een groote vlieg, soo heeft het alle die volmaaktheit in al de vliegjens die der zijn.”Ik kan mij niet onthouden ook nog het slot van denzelfden brief aan te halen, waarin zijn fijnheid van praepareeren zoo duidelijk uitkomt en bezig daartoe liefst weder zijn eigen woorden: „Ik hebbe een kleyne mugge gevangen, die geen angel had om te steken. Dese mugge snede ik het hoofd af, om uit de oogen, ofte gesigten, de gesigt-senuwen te halen, maar ik konde die mijn selven niet klaar genoeg voor de oogen stellen, schoon ik het tot drie à viermalen toe hervatte, in welk ondersoek my veel malen de hersenen uyt het hooft van de mugge, omset met een groote menigte van vaaten, die ik vast stelde bloedvaten te syn, te voorschijn quamen, en gelukte het mij dat ik de hersenen met derselver bloed-vaaten omvangen, vry ongeschonden[61]uit het hooft van de mugge haalde, die ik voorhetvergrootglas gestelt hebbende den teykenaar over gaf, om af te teykenen, te meer, omdat my van een voornaam Heer geseyt was, dat seker persoon, als men van myne ontdekkingen quam te spreken, veel maal quam te seggen, dat het onmogelijk was te doen, hetgeene ik quam te seggen, omdat, seyde denselven, myne instrumenten, die ik daartoe moet gebruyken, hoe kleyn ik die mogte komen te maken, niet bequaam konden syn, om die ontledingen te doen, die ik kome te verhalen; maer ik kreune my aan geen quaatsprekers, het is ligt een van die geenen, die wel wenste mede sulks te kunnen uitwerken.”Het is opmerkelijk dat hij dat scherpe oog, zoo onontbeerlijk in het doen van zulke uiterst fijne onderzoekingen, tot een zeer hoogen ouderdom behield, zoo als blijkt uit een brief aan zijn neef Abraham van Bleiswijk van 2 Maart 171783, toen hij dus reeds 85 jaren oud was.Hij beschrijft daarin met minutieuse nauwkeurigheid, dat hij de fijne zenuwen uit het ruggemerg van eene koe gesneden had en bevond dat deze bestonden uit uiterst dunne vaatjes, waarvan honderden te samen eene zenuw daarstelden en men zelfs in eenigen openingen van eene onbegrijpelijke kleinheid vond. Hij maakte van deze zenuw eene doorsnede ter dikte nauwelijks van een baardhaar, ten einde die door zijn microscoop te beschouwen.Bij die gelegenheid werd hem toegevoegd, dat hij zich om zijn hooge jaren toch niet mocht onthouden om zijne onderzoekingen voort te zetten, waarvan hij de moeielijkheid zelf inzag en deed opmerken zeggende: „ende immers is het seer swaar te ontdekken alle die verdeelingen en men kan bezwaarlijk bekennen, dat soo een dun senutje in soo vele spranken kan verdeelt worden,” maar dat hij daarom toch niet mocht stil staan, want „dat de vrugten, die in den herfst rijp werden, langst konden duren.”Leeuwenhoek was voor niets zoo gevoelig, als dat men zijn waarheidsliefde in twijfel trok of verdacht maakte en beweerde dat hij zich door zijn verbeelding liet misleiden om anderen maar wat wijs[62]te maken, ’t geen hij zelf beter wist niet zoo te zijn. Wanneer hij de zaken, die hij mededeelt, niet „met zekerheid” gezien had, waarschuwt hij er zelf voor „dat het bij hem nog niet tot klaarheid gekomen is.” Ook wijst hij er herhaaldelijk op, wat hij werkelijk „gezien”, en wat hij zich „geïmagineerd” heeft.In een brief aan de „Royal Society”84zegt hij: „En nademaal my veel maal te vooren komt, dat veele myn schryvens niet konnen aannemen, en stoutelyk derven seggen, dat zy my niet en gelooven, daar ik nogtans een groot hater van de loogen, en een groot liefhebber van de waarheid benenz.” en elders85.… „Dog ik ben sulks getroost, ik tragt niet dan waarheden te ontdekken, en soo ik bevinde, dat ik hier of daar in kome te missen, ik sal gaarne belydenis van mijne dwalinge doen”, en in zijn brief aan Leibnitz86zegt hij onder anderen: „Ik sie wel dat ik veele geleerde Heeren in myne ware ontdekkinge en ook in myne stellinge niet sal brengen: ik wil dan liever my selven troosten dan twisten; als ik maar het geluk mag hebben, gelijk ik besit, dat ook veele groote mannen myne ontdekkinge aannemen.”Een der eerste maar zeker belangrijkste ontdekkingen, die Leeuwenhoek gedaan heeft, had betrekking op de physische samenstelling van het bloed, en werd door hem reeds op den 15den Augustus 1673 bewerkstelligd87. Tot op zijn tijd toe geloofde men dat het bloed eene gelijkmatig roode vloeistof was; doch hij erkende, dat deze vloeistof bijna kleurloos was, maar dat daarin kleine lichaampjes gesuspendeerd waren, welke eene roode kleur hadden en deze kleur aan de geheele vloeistof mededeelden. Ofschoon Swammerdam reeds in 1658 in het bloed eener kikvorsch een onnoemlijk aantal „eivormige deeltjes” had waargenomen,[63]zoo werd aan deze observatie echter geen publiciteit gegeven, en daar de geschriften van Swammerdam eerst in het begin der XVIIde eeuw in het licht verschenen, zoo konden deze geen invloed hebben uitgeoefend op de ontdekking van Leeuwenhoek, tenzij hij zulks van Swammerdam zelf of van anderen mocht vernomen hebben.Ook Malpighi had reeds twaalf jaren vóór Leeuwenhoek, bij het beschouwen van het bloed eener egel onder het microscoop, roode lichaampjes onderscheiden, doch hij had deze voor vetbolletjes gehouden en er zich verder niet mede bezig gehouden. De verdienste van Leeuwenhoek in dit opzicht blijft dus in zijn geheel. Zoo is het ook bekend, dat Athanasius Kirscher in 1650 over lichaampjes geschreven heeft, die hij in het bloed van koortslijders als „kleine wurmpjes” zeide gezien te hebben. Leeuwenhoek echter onderzocht nauwkeurig het bloed van den mensch en later ook van verschillende dieren, zoo als van den os, het schaap, het konijn, de vleermuis, vogels, visschen enz. Bij de zoogdieren vond hij den vorm dezer lichaampjes steeds rondachtig, op kleine lenzen gelijkende en noemde ze daarom „globulen”; later zag hij bij de vogels, kikvorschen en eenige soorten van visschen enz., dat deze lichaampjes afgeplat en eivormig van gedaante waren88en noemde deze, in onderscheiding der eersten, „particulen”. Latere onderzoekingen hebben echter geleerd, dat de eersten niet bolrond zijn, maar platgedrukt, op kleine schijfjes gelijkende, waarom zij thans „bloedschijfjes” genoemd worden.Beide deze soorten vond hij drijvende in een helder vocht (serum)89. Zijn oordeel over den betrekkelijken diameter van deze bloedlichaampjes was vrij juist. Zij waren volgens hem zeer klein bij de zoogdieren, grooter bij de vogels, nog grooter bij den kikvorsch en de visschen. De grootte dezer bloedlichaampjes bij den mensch, den os, het schaap en het konijn stelde hij zoo, dat honderd dezer „globulen” naast elkander liggende nauwlijks de[64]ruimte van een zandkorrel beslaan90, de zandkorrel berekend = 1⁄30 van een duim91in diameter, alzoo 1⁄3000 duim, welke maatbepaling zeer nabij komt met de grootte der bloedlichaampjes, zoo als deze later door de juistere maatbepalingen, door micrometers, zijn waargenomen (1⁄125 millimeter). Deze diameter wordt door Rudolf en Hodgein eveneens als 1⁄3000 duim opgegeven; Wagner stelde ze 1⁄4000, Paget tusschen 1⁄3500 en 1⁄400092. Bij de visschen is deze diameter van 1⁄1800–1⁄4000 bevonden en bij de kikvorschen = 1⁄1200–1⁄1920 duim93.Niet minder groot is de verdienste van Leeuwenhoek in de waarnemingen omtrent den omloop des bloeds. De ontdekking van dezen omloop komt evenwel niet aan Leeuwenhoek maar aan Harvey toe. Leeuwenhoek echter bestudeerde den bloedsomloop met zeldzame nauwkeurigheid en volharding. Hij bezigde daartoe bij voorkeur den staart van jonge kikvorschen en het zwemvlies dat de vingers bij deze dieren vereenigt94; deze leverden hem uitmuntende voorwerpen voor zijne waarnemingen, zoowel omdat zij uiterst doorschijnend zijn, als dewijl de bloedlichaampjes bij deze dieren, zoo als wij zagen, grooter zijn dan bij de zoogdieren. Gaarne nam hij hiertoe ook vleermuizen en bespiedde hare dunne vliesachtige vleugels, doorsneden met talrijke vaten95.Ook bezigde hij dikwijls het oor van jonge konijnen, waarvan de huid nog zeer doorschijnend is en onderscheidde daarin den doorgang van het bloed uit de slagaderen in de aderen96. Jonge alen en andere visschen, die hij daartoe in glazen buizen met den staart er buiten, voor zijn microscoop plaatste, deden hem dit verschijnsel eveneens bewonderen97. Hij trachtte zelfs de snelheid te berekenen, waarmede de omloop des bloeds,[65]bij voorbeeld in den staart eener aal, plaats had en berekende, dat, zoo in deze visch het hart 11 duimen van den staart verwijderd is, het bloed in een uur 13malen van het hart lot den staart teruggevoerd wordt; de afstand van den kop tot het hart slechts 1½ duim zijnde, zou zulks tusschen deze deelen in denzelfden tijd 96maal plaats hebben98. Zijne berekening omtrent de snelheid van den omloop van het bloed bij den mensch was, dat in één uur tijds de bloedsomloop 45malen plaats heeft. Volgens Sebastian99schijnt die binnen 1–3 minuten plaats te grijpen, terwijl Leeuwenhoek de grootste snelheid van het hart tot aan de uiterste deelen van de voeten en van daar weder terug tot het hart, bepaalde op 2⅔maal, tot aan de vingers en terug naar het hart 44⁄11maal, in buik en borst 12maal en in het hoofd 8maal in het uur100.
Fig. 1.Fig. 1.Fig. 2 A.Fig. 2 A.Ook op het physisch kabinet te Utrecht komt een dergelijk microscoop voor als bij van Haastert is afgebeeld. Onlangs ben[35]ik bekend geworden met een microscoop van Leeuwenhoek op het physisch kabinet der Leidsche Academie, een paar jaren geleden ten geschenke gegeven door een officier van gezondheid, met een paar andere kleinigheden, onder anderen een rood marokijnen étui, waarop de naam Leeuwenhoek duidelijk te lezen is. Ook op het Anatomisch kabinet te Leiden is een microscoop van Leeuwenhoek afkomstig.Omtrent deze microscopen en den waarschijnlijken gever kan ik mededeelen, dat ik in het jaar 1872 van den officier van gezondheid 1ste klasse Hallegraeff, sedert overleden, een schrijven heb ontvangen, mij meldende, dat hij in het bezit was van:1o. Een microscoop van L. overeenkomende met fig. 1, p. 34 dezer brochure;2o. Een microscooptoestel tot onderzoeking van den bloedsomloop (fig. 3, pag. 36);3o. Een loupe van Leeuwenhoek;4o. Een rood marokijn lederen étui met vijf in koper gevatte lenzen en eene lens nog niet in koper gevat, dus in het geheel zes.Een en ander was uit Rusland weder naar Nederland terug gebracht door den Hoogleeraar de Gorter, door wiens betrekkingen het aan den vader van den briefschrijver en later aan hem was present gedaan. Als eene bijzonderheid meldde hij mij nog dat op het étui met eigenaardige krulletters geschreven staat „Anth. van Leeuwenhoek”. Tevens berichtte mij ZEd., dat hij van plan was een en ander aan de Leidsche Hoogeschool ten[36]geschenke aan te bieden; derhalve zijn de op de Academie berustende voorwerpen kennelijk de bovenbeschrevene.Ook is mij bekend geworden, dat er op het stedelijk museum te Gouda een microscoop aanwezig is.Fig. 2 B.Fig. 2 B.De beschrijving volgens Baker is de volgende. De voorzijde is fig. 2 B. Het platte gedeelte A is samengesteld uit twee koperen of zilveren plaatjes, aan elkander vastgemaakt met kleine klinknageltjes,b b b b b b. Tusschen deze plaatjes is eene zeer kleine biconvexe lens, in een holligheid geplaatst, recht tusschen twee gaatjes, tegenover elkander in de plaatjes gedrild bijc. Aan de eene zijde van de plaatjes is een koperen of zilveren strookjedmet een schroefegehecht, welk schroefje door beiden gaat. Een ander gedeelte van dit strookje winkelhaaks omgebogen schiet onder de plaatjes door en komt aan de andere zijde uit. Door dit omgebogen einde loopt, recht opwaarts, eene lange fijndradige schroef, welke in- en uitgeschroefd wordende, de plaat, waarop het voorwerp gehecht wordt, hooger of lager brengt. Hierop staat een grof ruw gemaakt pennetjei, waaraan het voorwerp moet worden vastgehecht en dat door een handvatselkwordt omgedraaid. Men kan de vertoonplaat met het pennetje er op, verder van de vergrootende lens doen afwijken, of nader daarbij laten komen door middel eener kleine schroefl, diehorizontaaldoor de plaatbloopende en tegen de achterzijde van het werktuig dragende, als het noodig is deze plaat verder afdringt. Het eind van de lange schroefgkomt door de vertoonplaat heen bijm, alwaar zij rond draait, maar niet als een schroef werkt, dewijl haar draad zoo hoog niet reikt. Leeuwenhoek maakte zijne voorwerpen aan de punt van het pennetje[37]met de eene of andere klevende stof vast en bewaarde zulk een stel zorgvuldig, zoodat hij voor ieder voorwerp weder een ander microscoop noodig had en er ten slotte eenige honderden bij elkander had, zoo als hij zelf zegt in een brief aan Hans Sloane, Secretaris der „Royal Society” d.d.,24 December 170047. „Ick hebbe hondert en hondert geslepene vergrootglasen, daar van de meeste zoo scherp sien, selfs by duystere dagen, en dat by geen ander als dag ligtenz.” Wanneer het voorwerp alleen kongezienworden als het uitgespreid was, deed hij een weinig op een plaatje van zeer dun glas, dat hij op dezelfde wijze met de klevende stof op de punt vasthechtte48. Voor sommige waarnemingen met vloeistoffen, zoo als onder anderen, om den bloedsomloop te bezichtigen, wijzigde hij dien toestel. Hij beschrijft die inrichting zeer uitvoerig in een brief aan de „Royal Society” van 12 Januari 168949(Fig. 3). Zij bestond uit eene aan beide uiteinden rechthoekig omgebogen koperen of zilveren plaat,a, in welker omgebogen gedeeltenbencde ronde openingeneeniwaren aangebracht, bestemd ter opneming eener glazen buis, die dan door de veerenrendwerd vastgeklemd. In zulk een glazen buis bracht hij dan water en een klein vischje of aaltje met de vinnen of den staart zoodanig er buiten geplaatst, dat men den bloedsomloop er in kon waarnemen. De lens, die even als bij alle microscopen van Leeuwenhoek, tusschen 2 plaatjes besloten was, werd dan vóór de buis gesteld door middel van de rechtopstaande plaatg, die door de beide schroevenh hop een gedeelte[38]vancbevestigd was, en waaraan de lensplaat door de schroeffwerd vastgemaakt50. Leeuwenhoek heeft verscheidene van deze toestellen vervaardigd, want op den Catalogus zijner microscopen, die na zijn dood verkocht zijn, worden niet minder dan 8 zilveren en 4 koperen vermeld.Fig. 3.Fig. 3.Deze Catalogus, in het bezit van Prof. Harting, voert den volgenden titel:„Catalogus van het vermaarde Cabinet van vergrootglasen, met zeer veel moeyte en kosten in veele jaren geïnventeert, gemaakt en nagelaten door wijlen den Heer Antony van Leeuwenhoek. In zijn Ed. leven Lid van de Koninklijke societeit der Wetenschappen te Londen, welke verkogt zullen worden op Maandag den 29 Mey 1747 binnen de stad Delft, op St. Lucas Gildekamer, des voormiddags van 10 tot 12 uren, en des namiddags van half drie tot 5 uren. Te Delft gedrukt bij Reinier Boitet, Stadsdrukker 1747.” Hij is op zwaar schrijfpapier gedrukt, met Hollandschen en Latijnschen tekst. Voorin bevindt zich eene fraaie op koper gegraveerde zinnebeeldige plaat, voorstellende een kabinet met laden waarin microscopen en een paar kinderen deze beschouwende; een hunner heeft een dito microscoop als in fig. 2 is afgebeeld in de hand, maar dit is met „drie” openingen voorzien. Eene andere plaat stelt het portret van Leeuwenhoek voor. De Catalogus, 43 bladz. groot, is geheel doorschoten met wit papier, waarop de namen van al de koopers en de prijzen die voor de microscopen besteed zijn, nauwkeurig staan aangeteekend; het getal nommers is 196, terwijl bijna ieder nommer twee microscoopstellen aangeeft, de laatste 15 nommers bestaan ieder uit een aantal van 12 koperen plaatjes met vergrootglazen. Daarenboven zijn er nog op vermeld zeven Japansch verlakte Cabinetjes, benevens een verlakte vierkante doos en een doos, waarin eenige glazenbuizen met olie, plantgewassen, drogerijen enz.Het gezamenlijk aantal der microscoopstellen, met inbegrip der bovengenoemde plaatjes met vergrootglazen, de meesten met[39]een voorwerp voorzien waarvan de namen in den Catalogus vermeld zijn, bedraagt niet minder dan 527. Hiervan zijn er 3 van goud, 147 van zilver, waarvan 1 met drie, 6 met twee, 140 met één en ook zonder objecten. Voorts 5 met zilver gemonteerde koperen stellen en koperen met drie objecten en 375 koperen met 1 object en zonder.Als eene bijzonderheid staat bij no. 126 een koperen stel vermeld, dat „het vergrootglas geslepen is van een sandje en het object is een sandje.” Bij drie der microscopen staat opzettelijk dat het vergrootglas is geslepen van Amersfoortsche diamant. Van de gouden wogen er twee 10 Engels 17 azen, de derde 10 Engels 14 azen. Een der eerste van deze gouden werd verkocht voor 23 gulden 15 stuivers, terwijl de beide anderen opgehouden werden. De overige microscopen golden: de koperen van 15 stuivers tot 3 gulden het paar; de zilveren 2 tot 7 gulden, 1 koperen stel, waarvan het object was „ongeboren oesters” (!) in een glazen buisje 8 gulden. Een enkel der zilveren gold 10 gulden.De geheele verkooping bracht de voor dien tijd zeer aanzienlijke som van 737 gulden en 3 stuivers op.Al deze microscopen schijnen in ons land gebleven te zijn; ten minste onder de namen der koopers in den Catalogus heb ik geen buitenlandsche gevonden. De naam Dirk Haaxman komt op de lijst der koopers herhaalde malen voor en het is daarom te verwonderen dat er niet meer van deze microscoopjes in mijne familie, waarvan echter weinig leden der andere takken mij bekend zijn, gevonden werden.Daar nu al de lenzen van deze groote verzameling door Leeuwenhoek „met eigen hand” geslepen zijn en de metalen stellen eveneens door hem zelven vervaardigd werden, waarbij nog gevoegd moet worden de verzameling van 26 microscopen, aan de „Royal Society” vermaakt, en nog een groot aantal, die hij bij zijn leven ten geschenke zal gegeven hebben, zoo staat men verbaasd, dat Leeuwenhoek, bij den tijd aan zulk een arbeid besteed, nog genoegzame gelegenheid kon overhouden tot het nemen zijner proeven, als men weet hoe verbazend tijdroovend het praepareeren alleen der voorwerpen is om ze geschikt voor de observatie te maken, terwijl bovendien vele proeven door[40]hem talrijke malen werden herhaald, eer hij een bevredigend resultaat verkreeg.51Hij betuigt zelf52dienaangaande van een door hem ingesteld onderzoek: „Aan dese geseyde waarnemingen hebbe ik meer tyd besteed als vele zullen gelooven: dog ik heb ze met genoegen gedaan, en geen agt gegeven op die geenen die mij zeggen, waarom zoo veel moeyte gedaan, en wat nut doet het; dog ik schrijf niet voor sulke en alleen voor de wysgeerige.”Leeuwenhoek was er steeds op bedacht zijne glazen meer en meer te volmaken. „Wat mijne vergrootglasen aangaan,” zegt hij in een brief aan de „Royal Society,” d.d. 9 Juni 169953„daarvan wil ik mij niet beroemen; ik maak deselve soo goet, als in mijn vermogen is, en moet seggen, dat wij sedert veel jaren deselve niet alleen beter en beter hebben gesleepen, maar ook deselve van tijd tot tijd beter gemonteert hebben, waaraan ook veel is gelegen, en ik hebbe wel behaamt die vergrootglazen maken, en haar daarover beroemen, die selfs geen bequaamheit hadden om te oordeelen, of een glas scharp ontdekt; en gelijk yder een niet bequaam is om van een vergrootglas wel te oordeelen, veel min kan men bequaam syn, om ontdekkingen voort te brengen, en dus doende, moet ymant die nieuwe ontdekkingen tragt in ’t ligt te brengen, niet van één gesigt oordeelen, maar men moet deselve veel malen sien: want my komt te meer malen voor, dat luyden, siende door een vergroot-glas seggen, nu sie ik dat, en dan weder dat, en wanneer men haar onderrigt, sien sy dat ze in haar meyninge bedrogen syn, en dat meer is, soo kan self die geene die gewoon is door vergroot-glasen te zien, in syn meyninge verleyt werden.” Men ziet het, Leeuwenhoek nam niet alles dadelijk voor waar en zeker aan, wat hij op het eerste gezicht waarnam en logenstrafte daardoor zijne benijders[41]en bedillers, die hem verweten, dat hij zich veelal maar verbeeldde te sien, wat niet in werkelijkheid bestond.De groote lof die overal, vooral in Engeland, van Leeuwenhoek’s ontdekkingen uitging, had ten gevolge dat velen trachtten zich door eigen aanschouwing van de waarheid te overtuigen, te meer daar zijne waarnemingen in vele opzichten geheel nieuw waren en onderwerpen betroffen, van het hoogste gewicht voor de physiologische wetenschap van die dagen; want nauwelijks waren er drie jaren verloopen sedert het begin zijner betrekking met de „Royal Society,” of reeds had hij het meerendeel der weefsels en vloeistoffen van het organismus in meerdere of mindere mate onderzocht. Aangespoord door de gelukkige ontdekkingen die hij deed en geprikkeld door de belangstelling, die men aan zijne waarnemingen schonk, wijdde hij dan ook zich met zijn geheele ziel aan zijne geliefkoosde nasporingen.Doch weldra werd hem eene buitengewone verrassing bereid. Eene geheel nieuwe wereld van wezens in het water levende en die tot nu toe voor iedereen verborgen waren gebleven, ontdekte zich aan zijn navorschend oog. In een enkelen droppel water ontdekte hij vol verbazing eene ontelbare menigte van de kleinste wezens van den meest verschillenden vorm, die zich met eene ongeloofelijke snelheid enlevendigheidheen en weder bewogen. Men was tot nog toe gewoon een kaas- of andere myt al voor het kleinste diertje der schepping te houden, maar met de diertjes vergeleken, die Leeuwenhoek in water ontdekte, was zulk eene myt als een reus te beschouwen. Een nieuw veld van beschouwing ontwikkelde zich door deze ontdekking aan den denkenden geest. Overal in de natuur is het leven verbreid en dat in zulk eene verkwistende mate als men dit nimmer zou hebben kunnen vermoeden. Zulks werd door Leeuwenhoek in een brief aan de „Royal Society,” d.d. 9 October 1676 duidelijk uiteengezet, welke mededeeling ten gevolge had, dat de „Royal Society” zich gedurende onderscheidene zittingen van het jaar 1677 met den belangrijken inhoud dezer missive bezig hield.Men besloot aan hem te schrijven en hem uit te noodigen om zijne methode van onderzoek mede te deelen, ten einde de[42]resultaten zijner nasporingen te kunnen nagaan en waardeeren, terwijl in den boezem der vergadering zelve de meest geanimeerde besprekingen over dit ongeloofelijk feit werden gehouden. Wij lezen54,dat ten gevolge van de ontvangen mededeelingen van Leeuwenhoek omtrent de ontdekking van met het bloote oog onzichtbare, uiterst kleine diertjes in regen-, sneeuw-, wel- en andere wateren, alsmede in water, waarin peper, gember en andere kruiderijen gedurende eenigen tijd hadden geweekt, dat in de vergaderingen van 5 April 1677 Dr. Nehemiah Grew werd opgedragen te beproeven, wat hij in dezelfde wateren kon ontdekken, terwijl in de vergadering van 15 October aan Robert Hooke dit zelfde verzoek gericht en deze tevens uitgenoodigd werd een microscoop te maken, dat zoo veel mogelijk, zoo niet geheel, gelijk was in kracht met dat van Leeuwenhoek, omdat men te vergeefs had getracht met de hun ten dienste staande instrumenten deze diertjes te zien.In de vergadering van 1 November 167755bracht men verslag uit omtrent een menigte dunne glazen buisjes van verschillende grootte, eenige tienmaal dikker dan een hoofdhaar van een mensch, en andere veel dunner, welke men gemaakt had, om eene bewering van Hooke te constateeren, ter bestrijding van de waarneming van Leeuwenhoek, dat men de kleine diertjes in een waterig vocht, in zulke buisjes beschouwd zijnde, door elkander zou zien wriemelen. Hooke deelde mede, dat deze alzoo gevulde buisjes zelven als het ware vergrootglazen werden, waardoor de omvang van zoodanige lichaampjes in het vocht schijnbaar zeer vermenigvuldigd zich zou moeten vertoonen, vooral aan de zijde van de buisjes die het verst van het oogglas verwijderd waren. Maar niettegenstaande dit hulpmiddel, waardoor de sterkte van het microscoop nog vermeerderd werd, verklaarde men „niets” van dergelijke diertjes te kunnen waarnemen.Er werd daarom bevolen, dat tegen de volgende vergadering peperwater zou worden gereed gemaakt en er ook voor een[43]beter microscoop moest gezorgd worden, opdat de waarheid of onwaarheid van „Leeuwenhoek’s bewering” duidelijk mocht blijken.Vóór dat deze discussiën in de vergadering plaats hadden, schijnt men reeds aan Leeuwenhoek den twijfel der vergadering over de juistheid zijner waarneming te hebben kenbaar gemaakt, ten gevolge waarvan hij het noodig geacht had getuigenissen van geloofwaardige personen over te leggen, die zijne ontdekkingen konden bevestigen, want zoo voegde men er bij: „opdat de verzekeringen van Leeuwenhoek zoo mogelijk proefondervindelijk zouden kunnen onderzocht worden, daar hij zoo vele getuigenissen had geleverd van hen die ooggetuigen van deze waarneming geweest waren.” Daarop werden de namen dezer getuigen in de vergadering gelezen, waaronder er waren van twee predikanten, één notaris en acht andere geloofwaardige personen, tot staving van de waarheid van zijne vroegere verzekeringen omtrent het ongeloofelijke aantal kleine diertjes dat hij in zulk peperwater zich had zien bewegen en waarvan enkelen het getal op tienduizend, anderen op dertigduizend en nog anderen op vijfenveertig duizend in een enkelen droppel, ter groote van een gierstkorrel schatteden. In de vergadering van 8 November 167756werd daarop het verslag door Hooke uitgebracht, omtrent het onderzoek van peperwater, dat aan hem was opgedragen. Hij vertoonde daarop eene verbeterde inrichting van zijn microscoop, waarin de buisjes doelmatiger konden bevestigd worden en waarmede ook eene betere verlichting kon worden aangebracht.… „Maar,” zoo betuigt Hooke, „hoewel hij het peperwater zeer sterk had gemaakt door weeking van heele zwarte peper, gedurende 2 of 3 dagen lang met regenwater, zoo kon er, niettegenstaande zijn microscoop nu veel beter was ingericht dan in de vorige vergadering, „toch niets van Leeuwenhoek’s diertjes bespeurd worden.” De vice-president Mr. Henshaw, die toch zijn geloof aan de waarnemingen van Leeuwenhoek niet wilde opgeven, dewijl hij een te goed vertrouwen had in de deugdelijkheid zijner observatiën, maakte de opmerking, dat het wellicht nu in den winter geen geschikte[44]tijd voor de voortteling van dergelijke diertjes zou zijn, en hij voegde er bij, dat hij een lid der vergadering gesproken had, die den vorigen zomer met het microscoop van Leeuwenhoek zelven, deze diertjes in Holland gezien had, doch ze nu, veertien dagen geleden, niet kon vinden in peperwater dat hier (in Londen) gemaakt was.”Niettegenstaande deze gegronde opmerking beweerde Dr. Wistler, dat deze „denkbeeldige schepsels” inderdaad niets anders waren dan „kleine in het water drijvende peperdeeltjes” en geen diertjes. Doch deze bewering werd krachtig tegengesproken door Dr. Mapletoft. Hij repliceerde, dat Leeuwenhoek stellig verzekerd had dat hij die diertjes, zoowel levend, als dood had aangetoond, en in den laatsten toestand, zoodra hij azijn bij het peperaftreksel gevoegd had. Hooke was echter niet gemakkelijk tot overtuiging te brengen; hij onderzocht nu andermaal het peperwater met zijn microscoop en verklaarde dat hij de opmerking van Dr. Wistler als gegrond moest erkennen, want dat hij er thans eene groote hoeveelheid fijn peperstof in op- en nederdalende beweging in gezien had. Ten slotte werd het uitzicht geopend, dat hij in de volgende vergadering een microscoop zou ter tafel brengen, dat nog veel meer vergrooten zou en dat alsdan de quaestie uitgemaakt zou worden.Het beslissende oogenblik was aangebroken. De vergadering van den 15den November 1677 werd geopend, en wat rapporteerde nu dezelfde Hooke? „Dat hij nieuw peperwater bereid had met zuiver regenwater en eene kleine hoeveelheid gewone zwarte peperkorrels en dit mengsel gedurende negen à tien dagen met elkander in aanraking gelaten had,”en „dat hij gedurende de geheele week lang, een groot aantal buitengewoon kleine diertjes heen en weder had zien zwemmen,” welke hem, door zijn glas gezien, toeschenen de grootte van eene myt te bezitten, welk glas volgens zijne berekening honderdduizendmalen in omtrek vergrootte (waarschijnlijk een glasbollelje) en dat mitsdien kon worden opgemaakt dat deze diertjes honderdduizendmaal kleiner waren dan eene myt. Hun vorm zegt Hooke„kwam overeen met een zeer klein helder blaasje, ovaal of eivormig van gedaante.”Men kan zich lichtelijk de verrassing der vergadering voorstellen, toen de leden ieder om strijd zich rondom het microscoop[45]van Hooke verdrongen om zich van het ongeloofelijke feit te overtuigen.Al de aanwezige leden, zegt de verslaggever dezer belangrijke vergadering, overtuigden zich nu van de waarheid van Leeuwenhoek’s ontdekking. Zij bevestigden allen, dat zij nu de diertjes zagen en ze op allerlei wijzen door het water heen en weder zagen bewegen; men verklaarde ze voor wezenlijke diertjes en erkende dat er geenerlei optische misleiding kon plaats hebben.Schitterenderkon de reputatie van den Delftschen burger wel niet gevestigd worden, dan in de erkenning van de waarheid van hetgeen hij had waargenomen, nu zelfs de meest ongeloovige zich moest gewonnen geven. De leden der vergadering waren dan ook dadelijk bereid om hun vorig mistrouwen en ongeloof openlijk te erkennen. Wij lezen namelijk in de notulen dezer vergadering: „dat er besloten werd nota te nemen van deze thans zoo goed geconstateerde feiten, en tevens dat er aanteekening zou gehouden worden van de namen van hen die deze diertjes met hun eigen oogen hadden gezien. Zulks waren: Mr. Henshaw, Sir Christopher Wren, Sir John Hoskyns, Sir Jonas Mone, Dr. Mapletoft, Mr. Hill, Dr. Croune, Dr. Nehemiah Grew, Mr. Aubrey en nog verschillende anderen, zoodat er niet langer aan Mr. Leeuwenhoek’s ontdekking te twijfelen viel.”Omtrent de ontdekking van den eigenaardigen vorm, de soorten en bijzondere eigenschappen die Leeuwenhoek aan deze kleine diertjes kon waarnemen, heeft hij zich zeer uitvoerig uitgelaten in een schrijven aanConstantijnHuygens d.d. 7 November 167657. Hij zegt daarin, „dat hij omstreeks half September van het jaar 1675 in regenwater, dat eenige weinige dagen in een ton gestaan had, kleine diertjes, in zijn oog meer dan tienduizendmaal kleiner dan het diertje dat Dr. Swammerdam heeft afgebeeld en met den naam van watervloo of waterluis bestempelde,” gevonden heeft. De „eerste soort,” die hij in dit water ontdekte, bestond uit 5, 6, 7 à 8 zeer heldere „globulen”; zij staken somtijds twee hoorntjes uit het voorste gedeelte van hun lichaam[46]en dezen waren in voortdurende beweging. Hun lichaam was rondachtig en aan het achterlijf een weinig spits, waar zij een staart hadden, die driemaal langer dan het lichaam was. Eene „tweede soort” beschrijft hij als een eirond lichaam, van boven gezien uit 8, 10 à 12 globulen bestaande, zij waren zeer helder en konden hun lichaam in een volkomen ronde gedaante veranderen; iedere globule, zegt hij,verbeelddezich als verheven met een puntje uit te steken en voorzien met verscheideneongeloofelijkedunne pootjes, die zich snel bewogen; deze soort was een weinig grooter dan de eerste. Eene „derde soort” was eenmaal zoo lang als breed en naar schatting wel achtmaal kleiner dan de eerste soort, hij „imagineerde zich”, dat hij daaraan „vinnetjes of pootjes” kon waarnemen; zij bewogen zich zeer snel, zoowel in het rond als in een rechte lijn. De „vierde soort,” die hij waarnam, was zoo klein dat hij er geen figuur aan kon bekennen; deze waren in zijn oog meer dan duizend maal kleiner dan het oog van een luis; zij gingen in snelheid van beweging de bovenvermelde diertjes nog te boven. Verder zegt Leeuwenhoek, dat hij, behalve deze vier soorten nog verscheidene andere soorten van diertjes waarnam, waarvan eenigen zeer groot waren, zoo als een „kleine myter”, anderen wederom waren „zeer monstereus.” Hij beschrijft deze niet nader, maar zegt er alleen van, dat zij doorgaans uit zulke zachte deelen bestonden, dat, wanneer het water, waarin zij lagen, was opgedroogd of weggeloopen, zij uiteen barstten.Leeuwenhoek zegt in dienzelfden brief, dat op de open plaats achter zijn huis zich een put bevindt, welke omtrent 15 voeten diep is, en waarvan het water in het midden van den zomer zoo koud was, dat men er de hand niet lang in kon houden. Ook in dit water ontdekte hij eene groote menigte zeer kleine diertjes en wel, wat de grootte betreft, overeenkomende met de vierde der beschrevene soorten, maar nadat dit water eenige dagen gestaan had, ontdekte hij er vele andere diertjes in van verschillenden vorm en grootte. Ook in zeewater nam hij dergelijke diertjes waar. Verder beschrijft hij de ontwikkeling van diertjes door peper in sneeuwwater te laten weeken, waarvan ik de bijzonderheden reeds vermeld heb.[47]Men kan zich gemakkelijk voorstellen welk eene uitwerking deze belangrijke ontdekking van het bestaan eener geheele wereld van schepselen, die tot nog toe geheel en al onbekend waren gebleven, moest teweegbrengen in een tijd, waarin talrijke ontdekkingen in onderscheidene gedeelten der natuurwetenschappen, zulk eene groote en levendige belangstelling niet slechts onder de geleerden, maar zelfs bij alle menschen van beschaving en verstand hadden opgewekt.„In onzen tijd,” zoo zegt E. Blanchard, in zijn genoemd artikel in de „Revue des deux mondes” deze ontdekking van Leeuwenhoek besprekende, „is het bestaan van myriaden diertjes van de laagste organisatie in bijna alle wateren aan niemand onbekend, en men stelt ze op openbare soirees door het hydro-oxygeen-microscoop ten toon, maar nog steeds, hoe bekend zij zijn, nog steeds schijnen deze diertjes de denkers tot de ernstigste overpeinzingen uit te noodigen en hen tot de erkenning te brengen, dat nergens de natuur zoo groot is dan in het oneindig kleine.”En van welk eene beteekenis de ontdekking van Leeuwenhoek omtrent kleine organismen in het water en in de lucht, vooral in onzen tijd gerekend wordt, kan men afleiden uit het verband dat men in de geneeskunde heeft gemeend te vinden, tusschen het ontstaan en de verspreiding van besmettelijke ziekten en het optreden van bacteriën enaanverwanteorganismen; een vraagstuk van hethoogstegewicht, voor de volledige oplossing waarvan echter de tijd nog niet gekomen schijnt. Vooral verdient daarbij de belangrijke studie de aandacht, die Dr. Ferdinand Cohn, hoogleeraar te Breslau, in 1872 over bacteriën heeft nedergelegd in zijn „Untersuchungen über Bacteriën”58en zijne beschouwing over de betrekking waarin deze kleine wezens gebracht worden tot de belangrijkste probleemen der algemeene natuurwetenschap, zoodat zij, zoo als Cohn zich uitdrukt, „door eene onzichtbare, maar tegelijkonweêrstaanbaremacht, de gewichtigste gebeurtenissen der levende en levenlooze natuur beheerschen en zelfs in het bestaan der menschen tegelijk geheimzinnig en diep ingrijpen.”[48]Het kan wel niet anders of de gelukkige ontdekking van Leeuwenhoek moest de geleerden van dien tijd er op bedacht doen zijn hunne microscopen te verbeteren en zoo mogelijk aan die van Leeuwenhoek te doen evenaren. Hooke was daarin onvermoeid en vertoonde in de vergadering van 6 December 167759een verbeterd samengesteld microscoop, waarmede hij de kleine diertjes in het peperwater veel meer vergroot en duidelijker nog dan vroeger liet zien. Dit had hij vervaardigd door het objectiefglas van een veel kleineren bol te maken. Verder vertoonde hij een nieuw soort van enkelvoudig microscoop, waarmede hij dezelfde diertjes vertoonde, die in eene kleine haarbuis heen en weder zwommen.Allen die daardoor zagen, verklaarden het voorkomen dezer kleine schepsels nu veel helderder en duidelijker dan op de andere wijze met het samengesteld microscoop, hoewel dit een van de beste soorten was.Geen wonder dat men zeer verlangend was de microscopen van Leeuwenhoek zelven te zien en de wijze te kennen, die door hem gevolgd was om zijn glazen zoodanig te slijpen, dat hij er die belangrijke waarnemingen mede kon doen.In de vergadering van den 23sten November 168160sprak Mr. Henshaw ten gevolge van nieuwe observaties, die Leeuwenhoek aan de Sociëteit had toegezonden, als zijn gevoelen uit, dat de glazen, waarmede Leeuwenhoek „deze vreemde ontdekkingen maakte, zeer buitengewoon moesten zijn en op eene andere wijze gemaakt, dan gewoonlijk bekend en gebruikelijk was.” Hooke maakte de opmerking dat het geen andere waren dan die hij zelf vermeld had in de voorrede van zijn „Micrographia,” namelijk zeer kleine doorschijnende gesmolten glasbolletjes in hun geheel of door slijpen tot een lens gevormd of op eene andere wijs gemaakt.Ook merkte hij aan, „dat de ontdekkingen van Leeuwenhoek zeer geholpen zouden worden door de wijze waarop hij het licht op zijne voorwerpen liet vallen en dat hij zeker voor zijne buitengewone[49]onderzoekingen een geschikte kamer moest bezitten.” Dit laatste wordt echter weêrsproken door hetgeen Dr. Molyneux er van getuigt, die sprekende van zijn bezoek aan Leeuwenhoek zegt, „dat hij, tijdens het beschouwen van de microscopen zich in eene vrij donkere kamer bevond met slechts één raam voorzien, waar zelfs de zon toen niet op scheen, en dat zich toch de voorwerpen schooner en duidelijker vertoonden, dan die hij in Engeland of elders gezien had, ofschoon daar de zon op scheen, of door weerkaatsende spiegels meer dan gewoon licht ontvingen.”Ten gevolge dezer discussiën werd door Mr. Henshaw voorgesteld aan Leeuwenhoek te verzoeken, „dat hij zijn uitvinding mocht willen bekend maken, indien het iets nieuws was.” Aan dit verzoek werd dan ook door Leeuwenhoek welwillend voldaan. In de vergadering van 1 April 168561werd een brief van Dr. Molyneux voorgelezen van den 14den Maart, waarin hij mededeelde, dat de glazen, die Leeuwenhoek hem liet zien, de voorwerpen niet meer vergrootten dan verscheidene glazen die hij zelf vroeger zag en daardoor alzoo niets meer kon ontdekt worden dan hetgeen gemakkelijk met behulp van andere microscopen kon gezien worden, zoodat alzoo een verslag van deze microscopen te geven geenszins voldoende zou zijn. Doch, voegt hij er bij: „Het zijn alleenzijn eigeneglazen, die deze meer dan gewone ontdekkingen doen.” Daarbij vermeldt hij gehoord te hebben, „dat hij nooit die glazen van betere soort verkocht.”Niet alleen verkocht Leeuwenhoek niet die glazen van „betere soort,” zooals Molyneux zegt, maar geen zijner microscopen was voor geld te verkrijgen. Uffenbach had daartoe een aanzoek bij hem gedaan, doch zonder gevolg.62[50]Ook uit een brief van Huygens schijnt te blijken, dat Leeuwenhoek de kunst, die hij met inspanning van al zijn krachten tot zulk eene hoogte had gebracht, niet gaarne aan anderen mededeelde.Huygens verhaalt namelijk, dat toen de Landgraaf van Hessen Cassel hem bezocht en zijn microscopen verlangde te zien, hij een kast toonde, waarin deze bewaard waren, doch ze zeer zorgvuldig in de handen hield en, na de nieuwsgierigheid van zijn bezoeker te hebben bevredigd, voorzichtig de kast weder sloot, vreezende naar het schijnt dat zij hem door anderen mochten afhandig gemaakt worden, waardoor men dan in de gelegenheid zou zijn achter zijn geheim te komen63.Dit geheim nu van de wijze waarop Leeuwenhoek zijne lenzen sleep en ze die buitengemeene helderheid gaf, liet hij zich door niemand ontlokken en ontweek steeds zorgvuldig daarvan iemand verklaring te geven, of wel beantwoordde de aanzoeken daartoe met stilzwijgen. Ook had men hem meermalen aangespoord die kunst aan anderen te leeren en er bij voorbeeld aan jongelieden onderricht in te geven. Leibnitz schijnt hem in dien geest daarover geschreven te hebben, waarop Leeuwenhoek hem in de volgende bewoordingen antwoordde64: „Om jonge luyden tot het slypen van glasen aan te voeren, ende als een school op te regten; daar uyt kan ik niet sien dat veel soude voortkomen; want door myne ontdekkingen en slypen van glasen, syn veele studenten tot Leyden aangemoedigt, ende daar syn drie Glasenslypers geweest, bij dewelke de studenten het glasenslypen gingen[51]leeren. Maar watis ’eruyt voort-gekomen? niets, soo veel my bekent is; omdat meest alle de studenten daar op uyt komen, om door de wetenschappen gelt te bekomen, of wel door de geleertheyd geagt te syn; ende dat steekt in het glas te slypen, ende in het ontdekken van de saaken, die voor onse oogen verborgen syn, niet. En het staat ook by mij vast, dat van duyzent menschen geen een bequaam is, om sig over te geven tot soodanige studie, omdat er veel tijds toe vereyst wert, veel gelt gespilt wert, ende men gedurig met syne gedagten moet besig wesen, sal men wat uytvoeren. Ende daarenboven syn de meeste menschen niet weetgierig; ja eenigen, daar men het niet van behoorde te wagtenseggen, wat is ’er aangelegen of wy het weten?”Men ziet dat ook in den tijd van Leeuwenhoek de beoefening der wetenschap om de wetenschap zelve, tot de zeldzaamheden scheen te behooren en dat ook toen reeds de practische geest bij de studeerenden was doorgedrongen, die men thans zoo gaarne uitsluitend aan onze eeuw wil toeschrijven.Nog zegt hij in een anderen brief aan denzelfden geleerde, van 13 Maart 1716:65„Ik hebbe gans geen genegenheyt gehadt om ymant te onderwysen, want als ik het aan een gaf, soude ik aan meer moeten doen, omdat verscheyde souden meenen dat ik het aan haar uyt maagschap en andere om haar gesachlykheyt verschuldigt was; ende dus sou ik my tot een slaafachtigheyt overgeven daar ik een vry man soek te blijven: en tragt ook geen loon daarvoor te trekken.” En elders zegthij: „om wel te slagen moet men veel tyd aan de studie wyden, veel geldt besteden en geheel syn siel toewyden aan de overpeinsinge, hetgeen sekerlyk niet van dien aart is, om een groot aantal jonge lieden aan te trekken.”Behalve aan het slijpen zijner glazen, hechtte Leeuwenhoek bijzonder veel aan de monteering er van. In zijn oordeel over een beweeren van zekeren Dalepatius aan den schrijver van een boekje genaamd:„Nouvelles de la République”, als zou deze een vergrootglas hebben uitgevonden „soo goet dat ’er geen beter[52]kan gemaakt werden, dewijl het een sigtbaar stip, naeuwlyks in groote te boven gaat” enz. repliceert Leeuwenhoek66: „Wat syn vergroot-glas belangt, van soo een ongemeene kleynheit, en soo goet als er kan gemaakt werden, dat sullen wy daar by laten. Maar om soodanige glaasjes wel te monteeren daar vereyst meer oordeel toe, als om deselvige te maken.”Naar het oordeel van Leeuwenhoek is het juist niet de bijzondere kleinheid der lenzen, die de deugdzaamheid aan de microscopen verzekert, want hij zegt daarvan iets verder in denzelfden brief: „Wat mij belangt, al hoewel ze by my al omtrent 40 jaren geleden van een ongemeene kleynigheit zijn gemaakt geweest, soo zyn ze by my weynig in gebruyk, en ze dienen na myn oordeel niet, om eerste ontdekkinge te doen, en daar toe syn bequaam die geene, die uyt een grooter diameter syn geslepen.”Leeuwenhoek maakte ook van een hulpmiddel gebruik om de verlichting zijner voorwerpen met opvallend licht te versterken. Dit bestond in het aanwenden van een metalen hol spiegeltje, in welks midden hij zijn lens plaatste. Dit spiegeltje is verklaard in een brief van 12 Januari 1689 aan de „Royal Society”67.Men vindt dit spiegeltje dat Leeuwenhoek in den genoemden brief „een kommetje” noemt en dat hij aan het microscoop had vastgesoldeerd, zeer nauwkeurig afgebeeld in de bij dien brief gevoegde plaat, alsmede in Harting’s „mikroskoop”, deel 3, pl. 1, fig. 8; dergelijke spiegeltjes zijn geheel op dezelfde wijze later, in 1738, door Lieberkuhn aan zijn microscopen toegevoegd, aan wien men ten onrechte hunne uitvinding toeschrijft.Het blijkt, zoowel uit het kistje met de 26 microscopen, aan de „Royal Society” nagelaten, als uit andere gegevens en verklaringen van Leeuwenhoek zelven in zijne brieven, dat hij microscopen vervaardigde met verschillend vergrootend vermogen.Baker68geeft voor de vergrootingen der bovenvermelde 26[53]microscopen, voor een duidelijkheidsafstand van 8 Engelsche duimen de volgende:éénvan40malige middellijn-vergrootingéénvan,,53malige,,middellijn-vergrooting,,tweevan,,57malige,,middellijn-vergrooting,,drievan,,66malige,,middellijn-vergrooting,,tweevan,,72malige,,middellijn-vergrooting,,achtvan,,80malige,,middellijn-vergrooting,,drievan,,100malige,,middellijn-vergrooting,,éénvan,,114malige,,middellijn-vergrooting,,éénvan,,133malige,,middellijn-vergrooting,,éénvan,,169malige,,middellijn-vergrooting,,En dat Leeuwenhoek ook microscopen vervaardigde die een veel sterker vermogen bezaten, dan het meest vergrootende van de Londensche verzameling, blijkt uit het boven reeds vermelde exemplaar van hem, berustende op het physisch kabinet te Utrecht. Dit is in zilver gemonteerd en vergroot 270 maal, hetwelk dus een aanmerkelijk verschil is; terwijl de lens, volgens verklaring van den Hoogleeraar Harting, biconvex geslepen is.Zonder mij te verdiepen in eene uitvoerige beschrijving op hoedanige wijze de bepaling van de sterkte der microscopen in vroegeren en lateren lijd geschiedde, wil ik echter de wijze van bepaling hier vermelden, waarop deze gewoonlijk geschiedt en met behulp waarvan Prof. Harting het microscoop van Leeuwenhoek heeft onderzocht69. Dit onderzoek, geschiedt door middel van het zoogenaamde Nobert’sche proefplaatje. Dit plaatje is beschreven in „Poggendorff’s Annalen 1846”, no. 2 S. 175. Nobert kwam op het denkbeeld om glazen plaatjes te vervaardigen met een aantal van 10 tot 30 groepen van lijnen; deze lijnen zijn in de eerste groep het verst, in de laatste groep het minst ver van elkander verwijderd. Men kan alzoo de verschillende groepen achter elkander in het midden vrij in het veld brengen en onderzoeken, welke groep door het microscoop nog[54]in afzonderlijke lijnen kan ontleed worden. Bij het onderzoek nu van de lens van Leeuwenhoek bleek het Prof. Harting, dat, bij eene gunstige verlichting, door deze lens, de 3de groep zeer gemakkelijk en de 4de (1⁄704 mill.) nog met moeite kon worden opgelost.Eene niet minder belangrijke zaak bij de beschouwing van Leeuwenhoek’s microscopen is de wijze te leeren kennen, waarop hij de grootte van de voorwerpen bepaalde, die door hem werden waargenomen.Hij koos daartoe nu eens een korrel grof zand, dan weder een gierst- of mosterdzaadje; of hij vergeleek ze bij de dikte van een hoofd- of van een baardhaar, ja zelfs van een haar uit zijn paruik! Later weder gebruikt hij als punt van vergelijking de grootte der bloedbolletjes, die hem een zijner eerste en zeker een zijner belangrijkste ontdekkingen herinnerde.In den aanvang was zijn punt van vergelijking een baardhaar. In een brief aan Robert Hooke d.d. 12 November 168070zegt hij daaromtrent het volgende:„Ik heb dan een verdeelde copere linie, en neem naeukeurig agt, door een goet microscope, hoeveel delen, dat een van de dikste hairen van myn baard, op een verdeelde linie beslaat; als by exempel, een zoodanig hair syn diameter is so lang, door een microscope te zien, als 50 delen, en als dan trek ik met de punct van een naald op de kopere lineaal sodanigen streep, die in myn bloote oog, my so te voren komt, als ik door myn microscope, „de dunste” ader in de vlieg komen te sien, en ik oordeel, dat als 9 sodanige dunne strepen, als ik met de punct van een naalde getrokken heb, nevens den anderen lage, een vijftigste part van de diameter van een hair souden uitmaken. Komen dan 450 diameters van de dunste aderen, die ik in een vlieg seer destinct sie, uyt te maken een diameter van een hair van myn baard, so is dan een hair van myn baard 200,000 maal dikker, dan de dunste bloedvaten van een vlieg.”Een paar jaren later bezigt hij, eveneens in een schrijven aan Hooke d.d. 3 Maart 168271„een klein sandje, waar hij calculeerde,[55]dat de vleesstriemtjes (= „fibrillae”) van een os door hem geoordeeld werden zoo dun te zijndat 50 van deselvige nevens den andere leggende de lengte uitmaken van 1⁄20 van een duym, zoodat dan 1000 vleesstriemtjens in de lengte van een duym, dat is dan 1,000000 vleesstriemtjens met haar membranen omwonden in een quadraet duym komen”, en een paar regels verder: „Op een ander tijd sag ik in een ossetonge, drie kleyne musculen vlees, yder met haar menbraan omwonden, nevens den anderen leggen, dat wanneer als ik deselvige overdwars hadde doorgesneden, soo veel plaets niet en besloegen, als een kleyn sandje, (waarvan 100 sanden nevens den anderen leggende, de lengte van een duim maer uitmaken), zoude die konnen bedekt houden.”Later bepaalt hij, in een brief aan François Aston, d.d. 25 Juli 168472deze grootte wat nauwkeuriger, zoodat men nu een eenigszins beteren maatstaf voor zijn berekening erlangt. Hij zegt, „als ik sedert weinige dagen doende was met een oog van een manspersoon, zag ik in het zwartachtig vlies of menbrane uytnemende dunne striemtjens of vaatgens, en om derzelver dunte my die voor oogen te stellen, nam ik een grof sant, wiens axe dat seer na 1⁄30 van een duym was, dit sant, door een microscope siende, oordeelde ik dat deszelfs axe ten minsten 330 deelen, op seekere verdeelde lineaal uytmaekten, en dat, wanneer 8 van de verhaalde dunne vaatgens nevens den anderen lagen, geen 1⁄330 van de axe van een sant in lengte souden uitmaken.”Leeuwenhoek bezigde echter altijd deze bepaling als eene vergelijking om slechts eene aanschouwelijke voorstelling te geven van de kleinheid der voorwerpen, door hem met het microscoop waargenomen. In veel later tijd schijnt hij de onzekerheid van de vergelijking met zandkorrels, wegens hun groot verschil in grootte, te hebben ingezien, en bedient hij zich nu van een’ „geerst-greijntje of een mostersaetje”, zooals bijv. uit een brief aan Hermanus Boerhaave, d.d. 26 Augustus 171773blijkt. „Ik hebbe voor desen geseyt, dat ik soodanige kleyne dierkens in[56]’t water sag swemmen, dat ze met haar duysent millioenen in groote geen grof sant souden uytmaken. Maar alsoo der tussen de grove sanden een groot onderscheyt in groote is, zoo wil ik liever seggen, de groote van een geerst-greyntje of mostert-saetje, ende seggen dat, by aldien duysent millioenen van die kleyne diertjes nevens den anderen lagen, deselve de lengte niet souden bereyken van een geerst-greyntje of mostert-saetje”. Nog eene curieuse vergelijking in de maatbepaling vindt men in een brief aanConstantijnHuygens, d.d. 21 Mei 167974. Zij betreft de grootte der zeer kleine (vooronderstelde) vaatjes in een diertje in het peperwater. Daartoe bepaalde hij eerst hoeveel haar-breedten de lengte van een duim uitmaken.Dit beschrijft hij aldus: „Hebbende dan een koperen lineaal, daer op de duymen verdeelt waren in dry deelen en yder weder in 10 deelen, is summa een duym in 30 verdeelt. Op dese verdelinge heb ick geleyt het haer van myn paruyck, en dat door een microscope geobserveerd en geoordeelt, dat 20 hair-breeten 1⁄30 van een duym uytmaken, comt dan 600 hair-breeten in de lenghte van een duym”.De Hoogleeraar Harting,deze maatbepalingen van Leeuwenhoek besprekende, zegt daarvan,75dat als men bedenkt hoe uiterst gebrekkig de handelwijze van Leeuwenhoek was, men niet nalaten kan zich te verwonderen over de mate van nauwkeurigheid, die sommige zijner bepalingen werkelijk bezitten, iets dat men alleen verklaren kan, door de juistheid van een oog, dat door een jaren lange oefening eene zekerheid in het bepalen van maten verkregen had, welke een minder goed waarnemer geheel moet missen. Zoo bepaalt hij bijv.76de doormeter van een bloedlichaampje gemiddeld op dien van 1⁄100 van een zandkorrel, dat is, (deze 1⁄30 duim in diameter hebbende) 1⁄300 duim; en werkelijk komt deze bepaling zeer na overeen met de gemiddelde grootte der bloedlichaampjes, zooals deze[57]tegenwoordig met onze nauwkeurige hulpmiddelen gevonden wordt.Deze wijze van maatbepaling bij vergelijking met andere voorwerpen van bekende grootte, was echter niet alleen aan Leeuwenhoek eigen, maar werd door beroemde geleerden van dien tijd eveneens gebruikt. Robert Hooke onder anderen zegt in een brief aan Leeuwenhoek d.d. 18 April 177877„dat de musculen van kreeften, krabben en garnalen bestonden uit eene ontelbare menigte zeer kleine draadjes, bijna honderd malen kleiner dan een haar van zijn hoofd.”Een tijdgenoot van Leeuwenhoek, Dr. James Jurin, bezigde de volgende maatbepaling. Hij wond een zeer fijn zilverdraad zoo vele malen om een speld of eenig ander dun lichaam, dat er geen tusschenruimten meer tusschen de draden gelaten werden, waarvan hij zich met een vergrootglas overtuigde. Hij mat nu met een passertje nauwkeurig een zeker getal dezer omwindingen en door de gevonden maat door het aantal omwindingen te deelen, verkreeg hij de dikte van het gebruikte zilverdraad. Nu knipte hij de draad in kleine stukjes en strooide er eenige vanophet voorwerp dat hij onderzocht, als het ondoorschijnend en eronderals het doorschijnend was en vergeleek dan met het oog de deelen van het voorwerp met de dikte van zulk een stukje draad. Jurin zond eenige stukjes van zulk een draad aan Leeuwenhoek78die daarover, naar het schijnt zeer tevreden was, dewijl deze wijze van maatbepaling door hem bevestigd werd (in dePhilosophical Transactionsno. 377), ofschoon hij toch aan zijn eigen methode de voorkeur is blijven geven.In het praepareeren van de voorwerpen moet Leeuwenhoek eene bijzondere vaardigheid gehad hebben, waarbij hem zijn vaste hand, scherp gezicht en groot geduld uitnemend te stade kwamen.[58]Daarvan zijn talrijke voorbeelden voorhanden in zijne brieven, waarin hij omstandig zijne wijze van behandeling beschrijft. Zoo zegt hij in een brief aan de „Royal Society”79, waarin hij uitvoerig de angel eener mug beschrijft en zegt dat die uit vier bijzondere angels bestaat, die in geschikte orde in elkander leggen: „Soo ymant genegen waar in het observeeren van de angels van de mugge my na te volgen, soo wil ik den soodanigen recommenderen dat hij langmoedig is. Want de gesamenlijke vier werktuigen of angels, die in geschikte orde leggen, uyt de koker te halen, ende de koker te openen, dat heb ik veelmaal achter den anderen teweeggebracht, maar dese werktuigen uyt den anderen te halen, ende die soodanig voor het vergrootglas te stellen, dat men die instinct aan anderen kan laten sien, daartoe vereyst geen kleyne moeite. Ik heb meer dan honderd muggen daarom gedoot, ende mijne observatiën op verscheyden dagen moeten hervattenenz.”In een anderen brief80, waarin hij uitvoerig de gedaante en structuur van de luis, de voortteeling dezer parasiten enz.uiteenzet, beschrijft hij onder anderen, hoe bij den mannelijken parasiet, geen eieren zooals hij vroeger gemeend had voorkwamen, maar testikels en dat er van deze vier in getal waren. „Deze testikels,” zegt hij, „leggen yder twee soo digt by den anderen, ende wel voornamentlijk met derselver twee einden, soodanig als of yder afdragent vat te samen vereenigde, en het veeltijds soo quam te vertoonen, als of deselve maar een afdragend zaatvat hadde, yder van dese testiculen oordeele ik omtrent een vierdedeel van de groote van een volmaakte luiseney te sullen uitmaken.” En iets verder: „Wijders haalde ik veelmaal uit de mannekens luizen, derselver mannelyke leden, als ook bragt ik veelmaal de angels tot myn groot genoege uit het agterlyf van de luis, en ook nam ik die wel uit de luis, doch niet sonder het ontstukken breken van de dunne hoornachtige deelendie al diep in hun lijf vast waren,enz.” Verder[59]maakte hij een calculatie van de dikte van den angel der luis en zegt dat deze wel 700maal dunner was dan een haar van zijn hand.Deze vaardigheid van hand en scherpheid van gezicht komt vooral ook uit in de onderzoeking van de oogen van den Rombout, als ook van die vanbijen, muggen en andere insecten. Deze namelijk hebben twee halve manen, waarin een ongemeen getal kleine halve bolletjes zijn, die met de uiterste regelmatigheid en netheid in elkander overkruisende lijnen geplaatst zijn en naar traliewerk gelijken. Deze zijn een verzameling van facetten (Leeuwenhoek noemt ze gezichten, oogen), die zoo volmaakt glad en gepolijst zijn, dat ze als zoo vele spiegels, de beelden van alle uitwendige voorwerpen terugkaatsen. Robert Hooke telde 14,000 halve oogen of facetten in de twee oogen van een hommel; Leeuwenhoek calculeerde 6236 in de twee oogen van de kapel van den zijdeworm, 7362 in die van den schalbyter, 8000 in die van de gewone vlieg, terwijl hij er in de beide oogen van den Rombout 25,088 berekende. Hij bemerkte ook in het middenpunt van iedere facet een klein doorschijnend vlakje, dat helderder was dan het overige, dat hij voor den oogappel hield, waar de lichtstralen doorgelaten worden tot op het netvlies.Leeuwenhoek sneed zulk een oog van den Rombout (ook puistebyter genoemd) af, reinigde het met een penseel met water van al de aanhangende vaten en onderzocht het door zijn microscoop. Hij plaatste het een weinig verder van de lens, zoodat hij den rechten brandpuntsafstand tusschen dit voorwerp en de lens van zijn microscoop liet, en toen door beiden, als door een verrekijker, naar den toren van de nieuwe kerk, welke 299 voeten hoog en 750 voeten ver van zijn woning verwijderd was, ziende, kon hij duidelijk door ieder facet den geheelen toren omgekeerd zien, hoewel niet grooter dan de punt van eene fijne naald, en toen zijn gezicht naar een huis aan de overzijde richtende, zag hij door een menigte van de kleine halve bolletjes niet alleen den gevel van het huis, maar insgelijks de deuren en vensters en was in staat te onderscheiden, of de vensters open of gesloten waren. Van Haastert81, die van zoodanig onderzoek[60]ook gewag maakt, voegt er nog bij, „dat dit verrassend gezicht Leeuwenhoek zoo opgetogen maakte, dat hij zijne buren tot zich deed roepen om hun dat zonderling gezicht eveneens te doen opmerken.”En niet minder komt deze vaardigheid uit in zijne ontleding van de gezichtszenuwen van een honigbij82. Hij nam het hoornvlies uit het hoofd en beschouwde de stof waarmede dit gevuld was. Terwijl hij vroeger meende te hebben waargenomen dat het uit een draadachtig wezen bestond vond hij nu, bij nauwkeurige beschouwing, dat al die deeltjes ten naasten bij van dezelfde lengte waren, aan het eene einde iets dikker dan aan het andere en daarbij aan het dikkere einde rondachtig, en kwam tot de ontdekking, dat ieder dezer deeltjes een gezichtszenuw was en dat het dikkere of ronde einde geplaatst was in de kleine holte van ieder oog, dat in het hoornvlies is, „kortom” zegt hij, „soo veel gesichten in ’t hoornvlies syn, soo veel gesicht-senuwen.” Hij geeft in genoemden brief eene nauwkeurige afbeelding van een bundel van zoodanige gezichts-zenuwen en eindigt met de betuiging: „Dese verhaalde verwonderenswaardige zaken en volmaaktheid in het oog van een vlieg ontdekt hebbende, moeten wy al weder seggen: Hoe weynig is ’t dat wy weten! en heeft dit plaats in soo een groote vlieg, soo heeft het alle die volmaaktheit in al de vliegjens die der zijn.”Ik kan mij niet onthouden ook nog het slot van denzelfden brief aan te halen, waarin zijn fijnheid van praepareeren zoo duidelijk uitkomt en bezig daartoe liefst weder zijn eigen woorden: „Ik hebbe een kleyne mugge gevangen, die geen angel had om te steken. Dese mugge snede ik het hoofd af, om uit de oogen, ofte gesigten, de gesigt-senuwen te halen, maar ik konde die mijn selven niet klaar genoeg voor de oogen stellen, schoon ik het tot drie à viermalen toe hervatte, in welk ondersoek my veel malen de hersenen uyt het hooft van de mugge, omset met een groote menigte van vaaten, die ik vast stelde bloedvaten te syn, te voorschijn quamen, en gelukte het mij dat ik de hersenen met derselver bloed-vaaten omvangen, vry ongeschonden[61]uit het hooft van de mugge haalde, die ik voorhetvergrootglas gestelt hebbende den teykenaar over gaf, om af te teykenen, te meer, omdat my van een voornaam Heer geseyt was, dat seker persoon, als men van myne ontdekkingen quam te spreken, veel maal quam te seggen, dat het onmogelijk was te doen, hetgeene ik quam te seggen, omdat, seyde denselven, myne instrumenten, die ik daartoe moet gebruyken, hoe kleyn ik die mogte komen te maken, niet bequaam konden syn, om die ontledingen te doen, die ik kome te verhalen; maer ik kreune my aan geen quaatsprekers, het is ligt een van die geenen, die wel wenste mede sulks te kunnen uitwerken.”Het is opmerkelijk dat hij dat scherpe oog, zoo onontbeerlijk in het doen van zulke uiterst fijne onderzoekingen, tot een zeer hoogen ouderdom behield, zoo als blijkt uit een brief aan zijn neef Abraham van Bleiswijk van 2 Maart 171783, toen hij dus reeds 85 jaren oud was.Hij beschrijft daarin met minutieuse nauwkeurigheid, dat hij de fijne zenuwen uit het ruggemerg van eene koe gesneden had en bevond dat deze bestonden uit uiterst dunne vaatjes, waarvan honderden te samen eene zenuw daarstelden en men zelfs in eenigen openingen van eene onbegrijpelijke kleinheid vond. Hij maakte van deze zenuw eene doorsnede ter dikte nauwelijks van een baardhaar, ten einde die door zijn microscoop te beschouwen.Bij die gelegenheid werd hem toegevoegd, dat hij zich om zijn hooge jaren toch niet mocht onthouden om zijne onderzoekingen voort te zetten, waarvan hij de moeielijkheid zelf inzag en deed opmerken zeggende: „ende immers is het seer swaar te ontdekken alle die verdeelingen en men kan bezwaarlijk bekennen, dat soo een dun senutje in soo vele spranken kan verdeelt worden,” maar dat hij daarom toch niet mocht stil staan, want „dat de vrugten, die in den herfst rijp werden, langst konden duren.”Leeuwenhoek was voor niets zoo gevoelig, als dat men zijn waarheidsliefde in twijfel trok of verdacht maakte en beweerde dat hij zich door zijn verbeelding liet misleiden om anderen maar wat wijs[62]te maken, ’t geen hij zelf beter wist niet zoo te zijn. Wanneer hij de zaken, die hij mededeelt, niet „met zekerheid” gezien had, waarschuwt hij er zelf voor „dat het bij hem nog niet tot klaarheid gekomen is.” Ook wijst hij er herhaaldelijk op, wat hij werkelijk „gezien”, en wat hij zich „geïmagineerd” heeft.In een brief aan de „Royal Society”84zegt hij: „En nademaal my veel maal te vooren komt, dat veele myn schryvens niet konnen aannemen, en stoutelyk derven seggen, dat zy my niet en gelooven, daar ik nogtans een groot hater van de loogen, en een groot liefhebber van de waarheid benenz.” en elders85.… „Dog ik ben sulks getroost, ik tragt niet dan waarheden te ontdekken, en soo ik bevinde, dat ik hier of daar in kome te missen, ik sal gaarne belydenis van mijne dwalinge doen”, en in zijn brief aan Leibnitz86zegt hij onder anderen: „Ik sie wel dat ik veele geleerde Heeren in myne ware ontdekkinge en ook in myne stellinge niet sal brengen: ik wil dan liever my selven troosten dan twisten; als ik maar het geluk mag hebben, gelijk ik besit, dat ook veele groote mannen myne ontdekkinge aannemen.”Een der eerste maar zeker belangrijkste ontdekkingen, die Leeuwenhoek gedaan heeft, had betrekking op de physische samenstelling van het bloed, en werd door hem reeds op den 15den Augustus 1673 bewerkstelligd87. Tot op zijn tijd toe geloofde men dat het bloed eene gelijkmatig roode vloeistof was; doch hij erkende, dat deze vloeistof bijna kleurloos was, maar dat daarin kleine lichaampjes gesuspendeerd waren, welke eene roode kleur hadden en deze kleur aan de geheele vloeistof mededeelden. Ofschoon Swammerdam reeds in 1658 in het bloed eener kikvorsch een onnoemlijk aantal „eivormige deeltjes” had waargenomen,[63]zoo werd aan deze observatie echter geen publiciteit gegeven, en daar de geschriften van Swammerdam eerst in het begin der XVIIde eeuw in het licht verschenen, zoo konden deze geen invloed hebben uitgeoefend op de ontdekking van Leeuwenhoek, tenzij hij zulks van Swammerdam zelf of van anderen mocht vernomen hebben.Ook Malpighi had reeds twaalf jaren vóór Leeuwenhoek, bij het beschouwen van het bloed eener egel onder het microscoop, roode lichaampjes onderscheiden, doch hij had deze voor vetbolletjes gehouden en er zich verder niet mede bezig gehouden. De verdienste van Leeuwenhoek in dit opzicht blijft dus in zijn geheel. Zoo is het ook bekend, dat Athanasius Kirscher in 1650 over lichaampjes geschreven heeft, die hij in het bloed van koortslijders als „kleine wurmpjes” zeide gezien te hebben. Leeuwenhoek echter onderzocht nauwkeurig het bloed van den mensch en later ook van verschillende dieren, zoo als van den os, het schaap, het konijn, de vleermuis, vogels, visschen enz. Bij de zoogdieren vond hij den vorm dezer lichaampjes steeds rondachtig, op kleine lenzen gelijkende en noemde ze daarom „globulen”; later zag hij bij de vogels, kikvorschen en eenige soorten van visschen enz., dat deze lichaampjes afgeplat en eivormig van gedaante waren88en noemde deze, in onderscheiding der eersten, „particulen”. Latere onderzoekingen hebben echter geleerd, dat de eersten niet bolrond zijn, maar platgedrukt, op kleine schijfjes gelijkende, waarom zij thans „bloedschijfjes” genoemd worden.Beide deze soorten vond hij drijvende in een helder vocht (serum)89. Zijn oordeel over den betrekkelijken diameter van deze bloedlichaampjes was vrij juist. Zij waren volgens hem zeer klein bij de zoogdieren, grooter bij de vogels, nog grooter bij den kikvorsch en de visschen. De grootte dezer bloedlichaampjes bij den mensch, den os, het schaap en het konijn stelde hij zoo, dat honderd dezer „globulen” naast elkander liggende nauwlijks de[64]ruimte van een zandkorrel beslaan90, de zandkorrel berekend = 1⁄30 van een duim91in diameter, alzoo 1⁄3000 duim, welke maatbepaling zeer nabij komt met de grootte der bloedlichaampjes, zoo als deze later door de juistere maatbepalingen, door micrometers, zijn waargenomen (1⁄125 millimeter). Deze diameter wordt door Rudolf en Hodgein eveneens als 1⁄3000 duim opgegeven; Wagner stelde ze 1⁄4000, Paget tusschen 1⁄3500 en 1⁄400092. Bij de visschen is deze diameter van 1⁄1800–1⁄4000 bevonden en bij de kikvorschen = 1⁄1200–1⁄1920 duim93.Niet minder groot is de verdienste van Leeuwenhoek in de waarnemingen omtrent den omloop des bloeds. De ontdekking van dezen omloop komt evenwel niet aan Leeuwenhoek maar aan Harvey toe. Leeuwenhoek echter bestudeerde den bloedsomloop met zeldzame nauwkeurigheid en volharding. Hij bezigde daartoe bij voorkeur den staart van jonge kikvorschen en het zwemvlies dat de vingers bij deze dieren vereenigt94; deze leverden hem uitmuntende voorwerpen voor zijne waarnemingen, zoowel omdat zij uiterst doorschijnend zijn, als dewijl de bloedlichaampjes bij deze dieren, zoo als wij zagen, grooter zijn dan bij de zoogdieren. Gaarne nam hij hiertoe ook vleermuizen en bespiedde hare dunne vliesachtige vleugels, doorsneden met talrijke vaten95.Ook bezigde hij dikwijls het oor van jonge konijnen, waarvan de huid nog zeer doorschijnend is en onderscheidde daarin den doorgang van het bloed uit de slagaderen in de aderen96. Jonge alen en andere visschen, die hij daartoe in glazen buizen met den staart er buiten, voor zijn microscoop plaatste, deden hem dit verschijnsel eveneens bewonderen97. Hij trachtte zelfs de snelheid te berekenen, waarmede de omloop des bloeds,[65]bij voorbeeld in den staart eener aal, plaats had en berekende, dat, zoo in deze visch het hart 11 duimen van den staart verwijderd is, het bloed in een uur 13malen van het hart lot den staart teruggevoerd wordt; de afstand van den kop tot het hart slechts 1½ duim zijnde, zou zulks tusschen deze deelen in denzelfden tijd 96maal plaats hebben98. Zijne berekening omtrent de snelheid van den omloop van het bloed bij den mensch was, dat in één uur tijds de bloedsomloop 45malen plaats heeft. Volgens Sebastian99schijnt die binnen 1–3 minuten plaats te grijpen, terwijl Leeuwenhoek de grootste snelheid van het hart tot aan de uiterste deelen van de voeten en van daar weder terug tot het hart, bepaalde op 2⅔maal, tot aan de vingers en terug naar het hart 44⁄11maal, in buik en borst 12maal en in het hoofd 8maal in het uur100.
Fig. 1.Fig. 1.Fig. 2 A.Fig. 2 A.Ook op het physisch kabinet te Utrecht komt een dergelijk microscoop voor als bij van Haastert is afgebeeld. Onlangs ben[35]ik bekend geworden met een microscoop van Leeuwenhoek op het physisch kabinet der Leidsche Academie, een paar jaren geleden ten geschenke gegeven door een officier van gezondheid, met een paar andere kleinigheden, onder anderen een rood marokijnen étui, waarop de naam Leeuwenhoek duidelijk te lezen is. Ook op het Anatomisch kabinet te Leiden is een microscoop van Leeuwenhoek afkomstig.Omtrent deze microscopen en den waarschijnlijken gever kan ik mededeelen, dat ik in het jaar 1872 van den officier van gezondheid 1ste klasse Hallegraeff, sedert overleden, een schrijven heb ontvangen, mij meldende, dat hij in het bezit was van:1o. Een microscoop van L. overeenkomende met fig. 1, p. 34 dezer brochure;2o. Een microscooptoestel tot onderzoeking van den bloedsomloop (fig. 3, pag. 36);3o. Een loupe van Leeuwenhoek;4o. Een rood marokijn lederen étui met vijf in koper gevatte lenzen en eene lens nog niet in koper gevat, dus in het geheel zes.Een en ander was uit Rusland weder naar Nederland terug gebracht door den Hoogleeraar de Gorter, door wiens betrekkingen het aan den vader van den briefschrijver en later aan hem was present gedaan. Als eene bijzonderheid meldde hij mij nog dat op het étui met eigenaardige krulletters geschreven staat „Anth. van Leeuwenhoek”. Tevens berichtte mij ZEd., dat hij van plan was een en ander aan de Leidsche Hoogeschool ten[36]geschenke aan te bieden; derhalve zijn de op de Academie berustende voorwerpen kennelijk de bovenbeschrevene.Ook is mij bekend geworden, dat er op het stedelijk museum te Gouda een microscoop aanwezig is.Fig. 2 B.Fig. 2 B.De beschrijving volgens Baker is de volgende. De voorzijde is fig. 2 B. Het platte gedeelte A is samengesteld uit twee koperen of zilveren plaatjes, aan elkander vastgemaakt met kleine klinknageltjes,b b b b b b. Tusschen deze plaatjes is eene zeer kleine biconvexe lens, in een holligheid geplaatst, recht tusschen twee gaatjes, tegenover elkander in de plaatjes gedrild bijc. Aan de eene zijde van de plaatjes is een koperen of zilveren strookjedmet een schroefegehecht, welk schroefje door beiden gaat. Een ander gedeelte van dit strookje winkelhaaks omgebogen schiet onder de plaatjes door en komt aan de andere zijde uit. Door dit omgebogen einde loopt, recht opwaarts, eene lange fijndradige schroef, welke in- en uitgeschroefd wordende, de plaat, waarop het voorwerp gehecht wordt, hooger of lager brengt. Hierop staat een grof ruw gemaakt pennetjei, waaraan het voorwerp moet worden vastgehecht en dat door een handvatselkwordt omgedraaid. Men kan de vertoonplaat met het pennetje er op, verder van de vergrootende lens doen afwijken, of nader daarbij laten komen door middel eener kleine schroefl, diehorizontaaldoor de plaatbloopende en tegen de achterzijde van het werktuig dragende, als het noodig is deze plaat verder afdringt. Het eind van de lange schroefgkomt door de vertoonplaat heen bijm, alwaar zij rond draait, maar niet als een schroef werkt, dewijl haar draad zoo hoog niet reikt. Leeuwenhoek maakte zijne voorwerpen aan de punt van het pennetje[37]met de eene of andere klevende stof vast en bewaarde zulk een stel zorgvuldig, zoodat hij voor ieder voorwerp weder een ander microscoop noodig had en er ten slotte eenige honderden bij elkander had, zoo als hij zelf zegt in een brief aan Hans Sloane, Secretaris der „Royal Society” d.d.,24 December 170047. „Ick hebbe hondert en hondert geslepene vergrootglasen, daar van de meeste zoo scherp sien, selfs by duystere dagen, en dat by geen ander als dag ligtenz.” Wanneer het voorwerp alleen kongezienworden als het uitgespreid was, deed hij een weinig op een plaatje van zeer dun glas, dat hij op dezelfde wijze met de klevende stof op de punt vasthechtte48. Voor sommige waarnemingen met vloeistoffen, zoo als onder anderen, om den bloedsomloop te bezichtigen, wijzigde hij dien toestel. Hij beschrijft die inrichting zeer uitvoerig in een brief aan de „Royal Society” van 12 Januari 168949(Fig. 3). Zij bestond uit eene aan beide uiteinden rechthoekig omgebogen koperen of zilveren plaat,a, in welker omgebogen gedeeltenbencde ronde openingeneeniwaren aangebracht, bestemd ter opneming eener glazen buis, die dan door de veerenrendwerd vastgeklemd. In zulk een glazen buis bracht hij dan water en een klein vischje of aaltje met de vinnen of den staart zoodanig er buiten geplaatst, dat men den bloedsomloop er in kon waarnemen. De lens, die even als bij alle microscopen van Leeuwenhoek, tusschen 2 plaatjes besloten was, werd dan vóór de buis gesteld door middel van de rechtopstaande plaatg, die door de beide schroevenh hop een gedeelte[38]vancbevestigd was, en waaraan de lensplaat door de schroeffwerd vastgemaakt50. Leeuwenhoek heeft verscheidene van deze toestellen vervaardigd, want op den Catalogus zijner microscopen, die na zijn dood verkocht zijn, worden niet minder dan 8 zilveren en 4 koperen vermeld.Fig. 3.Fig. 3.Deze Catalogus, in het bezit van Prof. Harting, voert den volgenden titel:„Catalogus van het vermaarde Cabinet van vergrootglasen, met zeer veel moeyte en kosten in veele jaren geïnventeert, gemaakt en nagelaten door wijlen den Heer Antony van Leeuwenhoek. In zijn Ed. leven Lid van de Koninklijke societeit der Wetenschappen te Londen, welke verkogt zullen worden op Maandag den 29 Mey 1747 binnen de stad Delft, op St. Lucas Gildekamer, des voormiddags van 10 tot 12 uren, en des namiddags van half drie tot 5 uren. Te Delft gedrukt bij Reinier Boitet, Stadsdrukker 1747.” Hij is op zwaar schrijfpapier gedrukt, met Hollandschen en Latijnschen tekst. Voorin bevindt zich eene fraaie op koper gegraveerde zinnebeeldige plaat, voorstellende een kabinet met laden waarin microscopen en een paar kinderen deze beschouwende; een hunner heeft een dito microscoop als in fig. 2 is afgebeeld in de hand, maar dit is met „drie” openingen voorzien. Eene andere plaat stelt het portret van Leeuwenhoek voor. De Catalogus, 43 bladz. groot, is geheel doorschoten met wit papier, waarop de namen van al de koopers en de prijzen die voor de microscopen besteed zijn, nauwkeurig staan aangeteekend; het getal nommers is 196, terwijl bijna ieder nommer twee microscoopstellen aangeeft, de laatste 15 nommers bestaan ieder uit een aantal van 12 koperen plaatjes met vergrootglazen. Daarenboven zijn er nog op vermeld zeven Japansch verlakte Cabinetjes, benevens een verlakte vierkante doos en een doos, waarin eenige glazenbuizen met olie, plantgewassen, drogerijen enz.Het gezamenlijk aantal der microscoopstellen, met inbegrip der bovengenoemde plaatjes met vergrootglazen, de meesten met[39]een voorwerp voorzien waarvan de namen in den Catalogus vermeld zijn, bedraagt niet minder dan 527. Hiervan zijn er 3 van goud, 147 van zilver, waarvan 1 met drie, 6 met twee, 140 met één en ook zonder objecten. Voorts 5 met zilver gemonteerde koperen stellen en koperen met drie objecten en 375 koperen met 1 object en zonder.Als eene bijzonderheid staat bij no. 126 een koperen stel vermeld, dat „het vergrootglas geslepen is van een sandje en het object is een sandje.” Bij drie der microscopen staat opzettelijk dat het vergrootglas is geslepen van Amersfoortsche diamant. Van de gouden wogen er twee 10 Engels 17 azen, de derde 10 Engels 14 azen. Een der eerste van deze gouden werd verkocht voor 23 gulden 15 stuivers, terwijl de beide anderen opgehouden werden. De overige microscopen golden: de koperen van 15 stuivers tot 3 gulden het paar; de zilveren 2 tot 7 gulden, 1 koperen stel, waarvan het object was „ongeboren oesters” (!) in een glazen buisje 8 gulden. Een enkel der zilveren gold 10 gulden.De geheele verkooping bracht de voor dien tijd zeer aanzienlijke som van 737 gulden en 3 stuivers op.Al deze microscopen schijnen in ons land gebleven te zijn; ten minste onder de namen der koopers in den Catalogus heb ik geen buitenlandsche gevonden. De naam Dirk Haaxman komt op de lijst der koopers herhaalde malen voor en het is daarom te verwonderen dat er niet meer van deze microscoopjes in mijne familie, waarvan echter weinig leden der andere takken mij bekend zijn, gevonden werden.Daar nu al de lenzen van deze groote verzameling door Leeuwenhoek „met eigen hand” geslepen zijn en de metalen stellen eveneens door hem zelven vervaardigd werden, waarbij nog gevoegd moet worden de verzameling van 26 microscopen, aan de „Royal Society” vermaakt, en nog een groot aantal, die hij bij zijn leven ten geschenke zal gegeven hebben, zoo staat men verbaasd, dat Leeuwenhoek, bij den tijd aan zulk een arbeid besteed, nog genoegzame gelegenheid kon overhouden tot het nemen zijner proeven, als men weet hoe verbazend tijdroovend het praepareeren alleen der voorwerpen is om ze geschikt voor de observatie te maken, terwijl bovendien vele proeven door[40]hem talrijke malen werden herhaald, eer hij een bevredigend resultaat verkreeg.51Hij betuigt zelf52dienaangaande van een door hem ingesteld onderzoek: „Aan dese geseyde waarnemingen hebbe ik meer tyd besteed als vele zullen gelooven: dog ik heb ze met genoegen gedaan, en geen agt gegeven op die geenen die mij zeggen, waarom zoo veel moeyte gedaan, en wat nut doet het; dog ik schrijf niet voor sulke en alleen voor de wysgeerige.”Leeuwenhoek was er steeds op bedacht zijne glazen meer en meer te volmaken. „Wat mijne vergrootglasen aangaan,” zegt hij in een brief aan de „Royal Society,” d.d. 9 Juni 169953„daarvan wil ik mij niet beroemen; ik maak deselve soo goet, als in mijn vermogen is, en moet seggen, dat wij sedert veel jaren deselve niet alleen beter en beter hebben gesleepen, maar ook deselve van tijd tot tijd beter gemonteert hebben, waaraan ook veel is gelegen, en ik hebbe wel behaamt die vergrootglazen maken, en haar daarover beroemen, die selfs geen bequaamheit hadden om te oordeelen, of een glas scharp ontdekt; en gelijk yder een niet bequaam is om van een vergrootglas wel te oordeelen, veel min kan men bequaam syn, om ontdekkingen voort te brengen, en dus doende, moet ymant die nieuwe ontdekkingen tragt in ’t ligt te brengen, niet van één gesigt oordeelen, maar men moet deselve veel malen sien: want my komt te meer malen voor, dat luyden, siende door een vergroot-glas seggen, nu sie ik dat, en dan weder dat, en wanneer men haar onderrigt, sien sy dat ze in haar meyninge bedrogen syn, en dat meer is, soo kan self die geene die gewoon is door vergroot-glasen te zien, in syn meyninge verleyt werden.” Men ziet het, Leeuwenhoek nam niet alles dadelijk voor waar en zeker aan, wat hij op het eerste gezicht waarnam en logenstrafte daardoor zijne benijders[41]en bedillers, die hem verweten, dat hij zich veelal maar verbeeldde te sien, wat niet in werkelijkheid bestond.De groote lof die overal, vooral in Engeland, van Leeuwenhoek’s ontdekkingen uitging, had ten gevolge dat velen trachtten zich door eigen aanschouwing van de waarheid te overtuigen, te meer daar zijne waarnemingen in vele opzichten geheel nieuw waren en onderwerpen betroffen, van het hoogste gewicht voor de physiologische wetenschap van die dagen; want nauwelijks waren er drie jaren verloopen sedert het begin zijner betrekking met de „Royal Society,” of reeds had hij het meerendeel der weefsels en vloeistoffen van het organismus in meerdere of mindere mate onderzocht. Aangespoord door de gelukkige ontdekkingen die hij deed en geprikkeld door de belangstelling, die men aan zijne waarnemingen schonk, wijdde hij dan ook zich met zijn geheele ziel aan zijne geliefkoosde nasporingen.Doch weldra werd hem eene buitengewone verrassing bereid. Eene geheel nieuwe wereld van wezens in het water levende en die tot nu toe voor iedereen verborgen waren gebleven, ontdekte zich aan zijn navorschend oog. In een enkelen droppel water ontdekte hij vol verbazing eene ontelbare menigte van de kleinste wezens van den meest verschillenden vorm, die zich met eene ongeloofelijke snelheid enlevendigheidheen en weder bewogen. Men was tot nog toe gewoon een kaas- of andere myt al voor het kleinste diertje der schepping te houden, maar met de diertjes vergeleken, die Leeuwenhoek in water ontdekte, was zulk eene myt als een reus te beschouwen. Een nieuw veld van beschouwing ontwikkelde zich door deze ontdekking aan den denkenden geest. Overal in de natuur is het leven verbreid en dat in zulk eene verkwistende mate als men dit nimmer zou hebben kunnen vermoeden. Zulks werd door Leeuwenhoek in een brief aan de „Royal Society,” d.d. 9 October 1676 duidelijk uiteengezet, welke mededeeling ten gevolge had, dat de „Royal Society” zich gedurende onderscheidene zittingen van het jaar 1677 met den belangrijken inhoud dezer missive bezig hield.Men besloot aan hem te schrijven en hem uit te noodigen om zijne methode van onderzoek mede te deelen, ten einde de[42]resultaten zijner nasporingen te kunnen nagaan en waardeeren, terwijl in den boezem der vergadering zelve de meest geanimeerde besprekingen over dit ongeloofelijk feit werden gehouden. Wij lezen54,dat ten gevolge van de ontvangen mededeelingen van Leeuwenhoek omtrent de ontdekking van met het bloote oog onzichtbare, uiterst kleine diertjes in regen-, sneeuw-, wel- en andere wateren, alsmede in water, waarin peper, gember en andere kruiderijen gedurende eenigen tijd hadden geweekt, dat in de vergaderingen van 5 April 1677 Dr. Nehemiah Grew werd opgedragen te beproeven, wat hij in dezelfde wateren kon ontdekken, terwijl in de vergadering van 15 October aan Robert Hooke dit zelfde verzoek gericht en deze tevens uitgenoodigd werd een microscoop te maken, dat zoo veel mogelijk, zoo niet geheel, gelijk was in kracht met dat van Leeuwenhoek, omdat men te vergeefs had getracht met de hun ten dienste staande instrumenten deze diertjes te zien.In de vergadering van 1 November 167755bracht men verslag uit omtrent een menigte dunne glazen buisjes van verschillende grootte, eenige tienmaal dikker dan een hoofdhaar van een mensch, en andere veel dunner, welke men gemaakt had, om eene bewering van Hooke te constateeren, ter bestrijding van de waarneming van Leeuwenhoek, dat men de kleine diertjes in een waterig vocht, in zulke buisjes beschouwd zijnde, door elkander zou zien wriemelen. Hooke deelde mede, dat deze alzoo gevulde buisjes zelven als het ware vergrootglazen werden, waardoor de omvang van zoodanige lichaampjes in het vocht schijnbaar zeer vermenigvuldigd zich zou moeten vertoonen, vooral aan de zijde van de buisjes die het verst van het oogglas verwijderd waren. Maar niettegenstaande dit hulpmiddel, waardoor de sterkte van het microscoop nog vermeerderd werd, verklaarde men „niets” van dergelijke diertjes te kunnen waarnemen.Er werd daarom bevolen, dat tegen de volgende vergadering peperwater zou worden gereed gemaakt en er ook voor een[43]beter microscoop moest gezorgd worden, opdat de waarheid of onwaarheid van „Leeuwenhoek’s bewering” duidelijk mocht blijken.Vóór dat deze discussiën in de vergadering plaats hadden, schijnt men reeds aan Leeuwenhoek den twijfel der vergadering over de juistheid zijner waarneming te hebben kenbaar gemaakt, ten gevolge waarvan hij het noodig geacht had getuigenissen van geloofwaardige personen over te leggen, die zijne ontdekkingen konden bevestigen, want zoo voegde men er bij: „opdat de verzekeringen van Leeuwenhoek zoo mogelijk proefondervindelijk zouden kunnen onderzocht worden, daar hij zoo vele getuigenissen had geleverd van hen die ooggetuigen van deze waarneming geweest waren.” Daarop werden de namen dezer getuigen in de vergadering gelezen, waaronder er waren van twee predikanten, één notaris en acht andere geloofwaardige personen, tot staving van de waarheid van zijne vroegere verzekeringen omtrent het ongeloofelijke aantal kleine diertjes dat hij in zulk peperwater zich had zien bewegen en waarvan enkelen het getal op tienduizend, anderen op dertigduizend en nog anderen op vijfenveertig duizend in een enkelen droppel, ter groote van een gierstkorrel schatteden. In de vergadering van 8 November 167756werd daarop het verslag door Hooke uitgebracht, omtrent het onderzoek van peperwater, dat aan hem was opgedragen. Hij vertoonde daarop eene verbeterde inrichting van zijn microscoop, waarin de buisjes doelmatiger konden bevestigd worden en waarmede ook eene betere verlichting kon worden aangebracht.… „Maar,” zoo betuigt Hooke, „hoewel hij het peperwater zeer sterk had gemaakt door weeking van heele zwarte peper, gedurende 2 of 3 dagen lang met regenwater, zoo kon er, niettegenstaande zijn microscoop nu veel beter was ingericht dan in de vorige vergadering, „toch niets van Leeuwenhoek’s diertjes bespeurd worden.” De vice-president Mr. Henshaw, die toch zijn geloof aan de waarnemingen van Leeuwenhoek niet wilde opgeven, dewijl hij een te goed vertrouwen had in de deugdelijkheid zijner observatiën, maakte de opmerking, dat het wellicht nu in den winter geen geschikte[44]tijd voor de voortteling van dergelijke diertjes zou zijn, en hij voegde er bij, dat hij een lid der vergadering gesproken had, die den vorigen zomer met het microscoop van Leeuwenhoek zelven, deze diertjes in Holland gezien had, doch ze nu, veertien dagen geleden, niet kon vinden in peperwater dat hier (in Londen) gemaakt was.”Niettegenstaande deze gegronde opmerking beweerde Dr. Wistler, dat deze „denkbeeldige schepsels” inderdaad niets anders waren dan „kleine in het water drijvende peperdeeltjes” en geen diertjes. Doch deze bewering werd krachtig tegengesproken door Dr. Mapletoft. Hij repliceerde, dat Leeuwenhoek stellig verzekerd had dat hij die diertjes, zoowel levend, als dood had aangetoond, en in den laatsten toestand, zoodra hij azijn bij het peperaftreksel gevoegd had. Hooke was echter niet gemakkelijk tot overtuiging te brengen; hij onderzocht nu andermaal het peperwater met zijn microscoop en verklaarde dat hij de opmerking van Dr. Wistler als gegrond moest erkennen, want dat hij er thans eene groote hoeveelheid fijn peperstof in op- en nederdalende beweging in gezien had. Ten slotte werd het uitzicht geopend, dat hij in de volgende vergadering een microscoop zou ter tafel brengen, dat nog veel meer vergrooten zou en dat alsdan de quaestie uitgemaakt zou worden.Het beslissende oogenblik was aangebroken. De vergadering van den 15den November 1677 werd geopend, en wat rapporteerde nu dezelfde Hooke? „Dat hij nieuw peperwater bereid had met zuiver regenwater en eene kleine hoeveelheid gewone zwarte peperkorrels en dit mengsel gedurende negen à tien dagen met elkander in aanraking gelaten had,”en „dat hij gedurende de geheele week lang, een groot aantal buitengewoon kleine diertjes heen en weder had zien zwemmen,” welke hem, door zijn glas gezien, toeschenen de grootte van eene myt te bezitten, welk glas volgens zijne berekening honderdduizendmalen in omtrek vergrootte (waarschijnlijk een glasbollelje) en dat mitsdien kon worden opgemaakt dat deze diertjes honderdduizendmaal kleiner waren dan eene myt. Hun vorm zegt Hooke„kwam overeen met een zeer klein helder blaasje, ovaal of eivormig van gedaante.”Men kan zich lichtelijk de verrassing der vergadering voorstellen, toen de leden ieder om strijd zich rondom het microscoop[45]van Hooke verdrongen om zich van het ongeloofelijke feit te overtuigen.Al de aanwezige leden, zegt de verslaggever dezer belangrijke vergadering, overtuigden zich nu van de waarheid van Leeuwenhoek’s ontdekking. Zij bevestigden allen, dat zij nu de diertjes zagen en ze op allerlei wijzen door het water heen en weder zagen bewegen; men verklaarde ze voor wezenlijke diertjes en erkende dat er geenerlei optische misleiding kon plaats hebben.Schitterenderkon de reputatie van den Delftschen burger wel niet gevestigd worden, dan in de erkenning van de waarheid van hetgeen hij had waargenomen, nu zelfs de meest ongeloovige zich moest gewonnen geven. De leden der vergadering waren dan ook dadelijk bereid om hun vorig mistrouwen en ongeloof openlijk te erkennen. Wij lezen namelijk in de notulen dezer vergadering: „dat er besloten werd nota te nemen van deze thans zoo goed geconstateerde feiten, en tevens dat er aanteekening zou gehouden worden van de namen van hen die deze diertjes met hun eigen oogen hadden gezien. Zulks waren: Mr. Henshaw, Sir Christopher Wren, Sir John Hoskyns, Sir Jonas Mone, Dr. Mapletoft, Mr. Hill, Dr. Croune, Dr. Nehemiah Grew, Mr. Aubrey en nog verschillende anderen, zoodat er niet langer aan Mr. Leeuwenhoek’s ontdekking te twijfelen viel.”Omtrent de ontdekking van den eigenaardigen vorm, de soorten en bijzondere eigenschappen die Leeuwenhoek aan deze kleine diertjes kon waarnemen, heeft hij zich zeer uitvoerig uitgelaten in een schrijven aanConstantijnHuygens d.d. 7 November 167657. Hij zegt daarin, „dat hij omstreeks half September van het jaar 1675 in regenwater, dat eenige weinige dagen in een ton gestaan had, kleine diertjes, in zijn oog meer dan tienduizendmaal kleiner dan het diertje dat Dr. Swammerdam heeft afgebeeld en met den naam van watervloo of waterluis bestempelde,” gevonden heeft. De „eerste soort,” die hij in dit water ontdekte, bestond uit 5, 6, 7 à 8 zeer heldere „globulen”; zij staken somtijds twee hoorntjes uit het voorste gedeelte van hun lichaam[46]en dezen waren in voortdurende beweging. Hun lichaam was rondachtig en aan het achterlijf een weinig spits, waar zij een staart hadden, die driemaal langer dan het lichaam was. Eene „tweede soort” beschrijft hij als een eirond lichaam, van boven gezien uit 8, 10 à 12 globulen bestaande, zij waren zeer helder en konden hun lichaam in een volkomen ronde gedaante veranderen; iedere globule, zegt hij,verbeelddezich als verheven met een puntje uit te steken en voorzien met verscheideneongeloofelijkedunne pootjes, die zich snel bewogen; deze soort was een weinig grooter dan de eerste. Eene „derde soort” was eenmaal zoo lang als breed en naar schatting wel achtmaal kleiner dan de eerste soort, hij „imagineerde zich”, dat hij daaraan „vinnetjes of pootjes” kon waarnemen; zij bewogen zich zeer snel, zoowel in het rond als in een rechte lijn. De „vierde soort,” die hij waarnam, was zoo klein dat hij er geen figuur aan kon bekennen; deze waren in zijn oog meer dan duizend maal kleiner dan het oog van een luis; zij gingen in snelheid van beweging de bovenvermelde diertjes nog te boven. Verder zegt Leeuwenhoek, dat hij, behalve deze vier soorten nog verscheidene andere soorten van diertjes waarnam, waarvan eenigen zeer groot waren, zoo als een „kleine myter”, anderen wederom waren „zeer monstereus.” Hij beschrijft deze niet nader, maar zegt er alleen van, dat zij doorgaans uit zulke zachte deelen bestonden, dat, wanneer het water, waarin zij lagen, was opgedroogd of weggeloopen, zij uiteen barstten.Leeuwenhoek zegt in dienzelfden brief, dat op de open plaats achter zijn huis zich een put bevindt, welke omtrent 15 voeten diep is, en waarvan het water in het midden van den zomer zoo koud was, dat men er de hand niet lang in kon houden. Ook in dit water ontdekte hij eene groote menigte zeer kleine diertjes en wel, wat de grootte betreft, overeenkomende met de vierde der beschrevene soorten, maar nadat dit water eenige dagen gestaan had, ontdekte hij er vele andere diertjes in van verschillenden vorm en grootte. Ook in zeewater nam hij dergelijke diertjes waar. Verder beschrijft hij de ontwikkeling van diertjes door peper in sneeuwwater te laten weeken, waarvan ik de bijzonderheden reeds vermeld heb.[47]Men kan zich gemakkelijk voorstellen welk eene uitwerking deze belangrijke ontdekking van het bestaan eener geheele wereld van schepselen, die tot nog toe geheel en al onbekend waren gebleven, moest teweegbrengen in een tijd, waarin talrijke ontdekkingen in onderscheidene gedeelten der natuurwetenschappen, zulk eene groote en levendige belangstelling niet slechts onder de geleerden, maar zelfs bij alle menschen van beschaving en verstand hadden opgewekt.„In onzen tijd,” zoo zegt E. Blanchard, in zijn genoemd artikel in de „Revue des deux mondes” deze ontdekking van Leeuwenhoek besprekende, „is het bestaan van myriaden diertjes van de laagste organisatie in bijna alle wateren aan niemand onbekend, en men stelt ze op openbare soirees door het hydro-oxygeen-microscoop ten toon, maar nog steeds, hoe bekend zij zijn, nog steeds schijnen deze diertjes de denkers tot de ernstigste overpeinzingen uit te noodigen en hen tot de erkenning te brengen, dat nergens de natuur zoo groot is dan in het oneindig kleine.”En van welk eene beteekenis de ontdekking van Leeuwenhoek omtrent kleine organismen in het water en in de lucht, vooral in onzen tijd gerekend wordt, kan men afleiden uit het verband dat men in de geneeskunde heeft gemeend te vinden, tusschen het ontstaan en de verspreiding van besmettelijke ziekten en het optreden van bacteriën enaanverwanteorganismen; een vraagstuk van hethoogstegewicht, voor de volledige oplossing waarvan echter de tijd nog niet gekomen schijnt. Vooral verdient daarbij de belangrijke studie de aandacht, die Dr. Ferdinand Cohn, hoogleeraar te Breslau, in 1872 over bacteriën heeft nedergelegd in zijn „Untersuchungen über Bacteriën”58en zijne beschouwing over de betrekking waarin deze kleine wezens gebracht worden tot de belangrijkste probleemen der algemeene natuurwetenschap, zoodat zij, zoo als Cohn zich uitdrukt, „door eene onzichtbare, maar tegelijkonweêrstaanbaremacht, de gewichtigste gebeurtenissen der levende en levenlooze natuur beheerschen en zelfs in het bestaan der menschen tegelijk geheimzinnig en diep ingrijpen.”[48]Het kan wel niet anders of de gelukkige ontdekking van Leeuwenhoek moest de geleerden van dien tijd er op bedacht doen zijn hunne microscopen te verbeteren en zoo mogelijk aan die van Leeuwenhoek te doen evenaren. Hooke was daarin onvermoeid en vertoonde in de vergadering van 6 December 167759een verbeterd samengesteld microscoop, waarmede hij de kleine diertjes in het peperwater veel meer vergroot en duidelijker nog dan vroeger liet zien. Dit had hij vervaardigd door het objectiefglas van een veel kleineren bol te maken. Verder vertoonde hij een nieuw soort van enkelvoudig microscoop, waarmede hij dezelfde diertjes vertoonde, die in eene kleine haarbuis heen en weder zwommen.Allen die daardoor zagen, verklaarden het voorkomen dezer kleine schepsels nu veel helderder en duidelijker dan op de andere wijze met het samengesteld microscoop, hoewel dit een van de beste soorten was.Geen wonder dat men zeer verlangend was de microscopen van Leeuwenhoek zelven te zien en de wijze te kennen, die door hem gevolgd was om zijn glazen zoodanig te slijpen, dat hij er die belangrijke waarnemingen mede kon doen.In de vergadering van den 23sten November 168160sprak Mr. Henshaw ten gevolge van nieuwe observaties, die Leeuwenhoek aan de Sociëteit had toegezonden, als zijn gevoelen uit, dat de glazen, waarmede Leeuwenhoek „deze vreemde ontdekkingen maakte, zeer buitengewoon moesten zijn en op eene andere wijze gemaakt, dan gewoonlijk bekend en gebruikelijk was.” Hooke maakte de opmerking dat het geen andere waren dan die hij zelf vermeld had in de voorrede van zijn „Micrographia,” namelijk zeer kleine doorschijnende gesmolten glasbolletjes in hun geheel of door slijpen tot een lens gevormd of op eene andere wijs gemaakt.Ook merkte hij aan, „dat de ontdekkingen van Leeuwenhoek zeer geholpen zouden worden door de wijze waarop hij het licht op zijne voorwerpen liet vallen en dat hij zeker voor zijne buitengewone[49]onderzoekingen een geschikte kamer moest bezitten.” Dit laatste wordt echter weêrsproken door hetgeen Dr. Molyneux er van getuigt, die sprekende van zijn bezoek aan Leeuwenhoek zegt, „dat hij, tijdens het beschouwen van de microscopen zich in eene vrij donkere kamer bevond met slechts één raam voorzien, waar zelfs de zon toen niet op scheen, en dat zich toch de voorwerpen schooner en duidelijker vertoonden, dan die hij in Engeland of elders gezien had, ofschoon daar de zon op scheen, of door weerkaatsende spiegels meer dan gewoon licht ontvingen.”Ten gevolge dezer discussiën werd door Mr. Henshaw voorgesteld aan Leeuwenhoek te verzoeken, „dat hij zijn uitvinding mocht willen bekend maken, indien het iets nieuws was.” Aan dit verzoek werd dan ook door Leeuwenhoek welwillend voldaan. In de vergadering van 1 April 168561werd een brief van Dr. Molyneux voorgelezen van den 14den Maart, waarin hij mededeelde, dat de glazen, die Leeuwenhoek hem liet zien, de voorwerpen niet meer vergrootten dan verscheidene glazen die hij zelf vroeger zag en daardoor alzoo niets meer kon ontdekt worden dan hetgeen gemakkelijk met behulp van andere microscopen kon gezien worden, zoodat alzoo een verslag van deze microscopen te geven geenszins voldoende zou zijn. Doch, voegt hij er bij: „Het zijn alleenzijn eigeneglazen, die deze meer dan gewone ontdekkingen doen.” Daarbij vermeldt hij gehoord te hebben, „dat hij nooit die glazen van betere soort verkocht.”Niet alleen verkocht Leeuwenhoek niet die glazen van „betere soort,” zooals Molyneux zegt, maar geen zijner microscopen was voor geld te verkrijgen. Uffenbach had daartoe een aanzoek bij hem gedaan, doch zonder gevolg.62[50]Ook uit een brief van Huygens schijnt te blijken, dat Leeuwenhoek de kunst, die hij met inspanning van al zijn krachten tot zulk eene hoogte had gebracht, niet gaarne aan anderen mededeelde.Huygens verhaalt namelijk, dat toen de Landgraaf van Hessen Cassel hem bezocht en zijn microscopen verlangde te zien, hij een kast toonde, waarin deze bewaard waren, doch ze zeer zorgvuldig in de handen hield en, na de nieuwsgierigheid van zijn bezoeker te hebben bevredigd, voorzichtig de kast weder sloot, vreezende naar het schijnt dat zij hem door anderen mochten afhandig gemaakt worden, waardoor men dan in de gelegenheid zou zijn achter zijn geheim te komen63.Dit geheim nu van de wijze waarop Leeuwenhoek zijne lenzen sleep en ze die buitengemeene helderheid gaf, liet hij zich door niemand ontlokken en ontweek steeds zorgvuldig daarvan iemand verklaring te geven, of wel beantwoordde de aanzoeken daartoe met stilzwijgen. Ook had men hem meermalen aangespoord die kunst aan anderen te leeren en er bij voorbeeld aan jongelieden onderricht in te geven. Leibnitz schijnt hem in dien geest daarover geschreven te hebben, waarop Leeuwenhoek hem in de volgende bewoordingen antwoordde64: „Om jonge luyden tot het slypen van glasen aan te voeren, ende als een school op te regten; daar uyt kan ik niet sien dat veel soude voortkomen; want door myne ontdekkingen en slypen van glasen, syn veele studenten tot Leyden aangemoedigt, ende daar syn drie Glasenslypers geweest, bij dewelke de studenten het glasenslypen gingen[51]leeren. Maar watis ’eruyt voort-gekomen? niets, soo veel my bekent is; omdat meest alle de studenten daar op uyt komen, om door de wetenschappen gelt te bekomen, of wel door de geleertheyd geagt te syn; ende dat steekt in het glas te slypen, ende in het ontdekken van de saaken, die voor onse oogen verborgen syn, niet. En het staat ook by mij vast, dat van duyzent menschen geen een bequaam is, om sig over te geven tot soodanige studie, omdat er veel tijds toe vereyst wert, veel gelt gespilt wert, ende men gedurig met syne gedagten moet besig wesen, sal men wat uytvoeren. Ende daarenboven syn de meeste menschen niet weetgierig; ja eenigen, daar men het niet van behoorde te wagtenseggen, wat is ’er aangelegen of wy het weten?”Men ziet dat ook in den tijd van Leeuwenhoek de beoefening der wetenschap om de wetenschap zelve, tot de zeldzaamheden scheen te behooren en dat ook toen reeds de practische geest bij de studeerenden was doorgedrongen, die men thans zoo gaarne uitsluitend aan onze eeuw wil toeschrijven.Nog zegt hij in een anderen brief aan denzelfden geleerde, van 13 Maart 1716:65„Ik hebbe gans geen genegenheyt gehadt om ymant te onderwysen, want als ik het aan een gaf, soude ik aan meer moeten doen, omdat verscheyde souden meenen dat ik het aan haar uyt maagschap en andere om haar gesachlykheyt verschuldigt was; ende dus sou ik my tot een slaafachtigheyt overgeven daar ik een vry man soek te blijven: en tragt ook geen loon daarvoor te trekken.” En elders zegthij: „om wel te slagen moet men veel tyd aan de studie wyden, veel geldt besteden en geheel syn siel toewyden aan de overpeinsinge, hetgeen sekerlyk niet van dien aart is, om een groot aantal jonge lieden aan te trekken.”Behalve aan het slijpen zijner glazen, hechtte Leeuwenhoek bijzonder veel aan de monteering er van. In zijn oordeel over een beweeren van zekeren Dalepatius aan den schrijver van een boekje genaamd:„Nouvelles de la République”, als zou deze een vergrootglas hebben uitgevonden „soo goet dat ’er geen beter[52]kan gemaakt werden, dewijl het een sigtbaar stip, naeuwlyks in groote te boven gaat” enz. repliceert Leeuwenhoek66: „Wat syn vergroot-glas belangt, van soo een ongemeene kleynheit, en soo goet als er kan gemaakt werden, dat sullen wy daar by laten. Maar om soodanige glaasjes wel te monteeren daar vereyst meer oordeel toe, als om deselvige te maken.”Naar het oordeel van Leeuwenhoek is het juist niet de bijzondere kleinheid der lenzen, die de deugdzaamheid aan de microscopen verzekert, want hij zegt daarvan iets verder in denzelfden brief: „Wat mij belangt, al hoewel ze by my al omtrent 40 jaren geleden van een ongemeene kleynigheit zijn gemaakt geweest, soo zyn ze by my weynig in gebruyk, en ze dienen na myn oordeel niet, om eerste ontdekkinge te doen, en daar toe syn bequaam die geene, die uyt een grooter diameter syn geslepen.”Leeuwenhoek maakte ook van een hulpmiddel gebruik om de verlichting zijner voorwerpen met opvallend licht te versterken. Dit bestond in het aanwenden van een metalen hol spiegeltje, in welks midden hij zijn lens plaatste. Dit spiegeltje is verklaard in een brief van 12 Januari 1689 aan de „Royal Society”67.Men vindt dit spiegeltje dat Leeuwenhoek in den genoemden brief „een kommetje” noemt en dat hij aan het microscoop had vastgesoldeerd, zeer nauwkeurig afgebeeld in de bij dien brief gevoegde plaat, alsmede in Harting’s „mikroskoop”, deel 3, pl. 1, fig. 8; dergelijke spiegeltjes zijn geheel op dezelfde wijze later, in 1738, door Lieberkuhn aan zijn microscopen toegevoegd, aan wien men ten onrechte hunne uitvinding toeschrijft.Het blijkt, zoowel uit het kistje met de 26 microscopen, aan de „Royal Society” nagelaten, als uit andere gegevens en verklaringen van Leeuwenhoek zelven in zijne brieven, dat hij microscopen vervaardigde met verschillend vergrootend vermogen.Baker68geeft voor de vergrootingen der bovenvermelde 26[53]microscopen, voor een duidelijkheidsafstand van 8 Engelsche duimen de volgende:éénvan40malige middellijn-vergrootingéénvan,,53malige,,middellijn-vergrooting,,tweevan,,57malige,,middellijn-vergrooting,,drievan,,66malige,,middellijn-vergrooting,,tweevan,,72malige,,middellijn-vergrooting,,achtvan,,80malige,,middellijn-vergrooting,,drievan,,100malige,,middellijn-vergrooting,,éénvan,,114malige,,middellijn-vergrooting,,éénvan,,133malige,,middellijn-vergrooting,,éénvan,,169malige,,middellijn-vergrooting,,En dat Leeuwenhoek ook microscopen vervaardigde die een veel sterker vermogen bezaten, dan het meest vergrootende van de Londensche verzameling, blijkt uit het boven reeds vermelde exemplaar van hem, berustende op het physisch kabinet te Utrecht. Dit is in zilver gemonteerd en vergroot 270 maal, hetwelk dus een aanmerkelijk verschil is; terwijl de lens, volgens verklaring van den Hoogleeraar Harting, biconvex geslepen is.Zonder mij te verdiepen in eene uitvoerige beschrijving op hoedanige wijze de bepaling van de sterkte der microscopen in vroegeren en lateren lijd geschiedde, wil ik echter de wijze van bepaling hier vermelden, waarop deze gewoonlijk geschiedt en met behulp waarvan Prof. Harting het microscoop van Leeuwenhoek heeft onderzocht69. Dit onderzoek, geschiedt door middel van het zoogenaamde Nobert’sche proefplaatje. Dit plaatje is beschreven in „Poggendorff’s Annalen 1846”, no. 2 S. 175. Nobert kwam op het denkbeeld om glazen plaatjes te vervaardigen met een aantal van 10 tot 30 groepen van lijnen; deze lijnen zijn in de eerste groep het verst, in de laatste groep het minst ver van elkander verwijderd. Men kan alzoo de verschillende groepen achter elkander in het midden vrij in het veld brengen en onderzoeken, welke groep door het microscoop nog[54]in afzonderlijke lijnen kan ontleed worden. Bij het onderzoek nu van de lens van Leeuwenhoek bleek het Prof. Harting, dat, bij eene gunstige verlichting, door deze lens, de 3de groep zeer gemakkelijk en de 4de (1⁄704 mill.) nog met moeite kon worden opgelost.Eene niet minder belangrijke zaak bij de beschouwing van Leeuwenhoek’s microscopen is de wijze te leeren kennen, waarop hij de grootte van de voorwerpen bepaalde, die door hem werden waargenomen.Hij koos daartoe nu eens een korrel grof zand, dan weder een gierst- of mosterdzaadje; of hij vergeleek ze bij de dikte van een hoofd- of van een baardhaar, ja zelfs van een haar uit zijn paruik! Later weder gebruikt hij als punt van vergelijking de grootte der bloedbolletjes, die hem een zijner eerste en zeker een zijner belangrijkste ontdekkingen herinnerde.In den aanvang was zijn punt van vergelijking een baardhaar. In een brief aan Robert Hooke d.d. 12 November 168070zegt hij daaromtrent het volgende:„Ik heb dan een verdeelde copere linie, en neem naeukeurig agt, door een goet microscope, hoeveel delen, dat een van de dikste hairen van myn baard, op een verdeelde linie beslaat; als by exempel, een zoodanig hair syn diameter is so lang, door een microscope te zien, als 50 delen, en als dan trek ik met de punct van een naald op de kopere lineaal sodanigen streep, die in myn bloote oog, my so te voren komt, als ik door myn microscope, „de dunste” ader in de vlieg komen te sien, en ik oordeel, dat als 9 sodanige dunne strepen, als ik met de punct van een naalde getrokken heb, nevens den anderen lage, een vijftigste part van de diameter van een hair souden uitmaken. Komen dan 450 diameters van de dunste aderen, die ik in een vlieg seer destinct sie, uyt te maken een diameter van een hair van myn baard, so is dan een hair van myn baard 200,000 maal dikker, dan de dunste bloedvaten van een vlieg.”Een paar jaren later bezigt hij, eveneens in een schrijven aan Hooke d.d. 3 Maart 168271„een klein sandje, waar hij calculeerde,[55]dat de vleesstriemtjes (= „fibrillae”) van een os door hem geoordeeld werden zoo dun te zijndat 50 van deselvige nevens den andere leggende de lengte uitmaken van 1⁄20 van een duym, zoodat dan 1000 vleesstriemtjens in de lengte van een duym, dat is dan 1,000000 vleesstriemtjens met haar membranen omwonden in een quadraet duym komen”, en een paar regels verder: „Op een ander tijd sag ik in een ossetonge, drie kleyne musculen vlees, yder met haar menbraan omwonden, nevens den anderen leggen, dat wanneer als ik deselvige overdwars hadde doorgesneden, soo veel plaets niet en besloegen, als een kleyn sandje, (waarvan 100 sanden nevens den anderen leggende, de lengte van een duim maer uitmaken), zoude die konnen bedekt houden.”Later bepaalt hij, in een brief aan François Aston, d.d. 25 Juli 168472deze grootte wat nauwkeuriger, zoodat men nu een eenigszins beteren maatstaf voor zijn berekening erlangt. Hij zegt, „als ik sedert weinige dagen doende was met een oog van een manspersoon, zag ik in het zwartachtig vlies of menbrane uytnemende dunne striemtjens of vaatgens, en om derzelver dunte my die voor oogen te stellen, nam ik een grof sant, wiens axe dat seer na 1⁄30 van een duym was, dit sant, door een microscope siende, oordeelde ik dat deszelfs axe ten minsten 330 deelen, op seekere verdeelde lineaal uytmaekten, en dat, wanneer 8 van de verhaalde dunne vaatgens nevens den anderen lagen, geen 1⁄330 van de axe van een sant in lengte souden uitmaken.”Leeuwenhoek bezigde echter altijd deze bepaling als eene vergelijking om slechts eene aanschouwelijke voorstelling te geven van de kleinheid der voorwerpen, door hem met het microscoop waargenomen. In veel later tijd schijnt hij de onzekerheid van de vergelijking met zandkorrels, wegens hun groot verschil in grootte, te hebben ingezien, en bedient hij zich nu van een’ „geerst-greijntje of een mostersaetje”, zooals bijv. uit een brief aan Hermanus Boerhaave, d.d. 26 Augustus 171773blijkt. „Ik hebbe voor desen geseyt, dat ik soodanige kleyne dierkens in[56]’t water sag swemmen, dat ze met haar duysent millioenen in groote geen grof sant souden uytmaken. Maar alsoo der tussen de grove sanden een groot onderscheyt in groote is, zoo wil ik liever seggen, de groote van een geerst-greyntje of mostert-saetje, ende seggen dat, by aldien duysent millioenen van die kleyne diertjes nevens den anderen lagen, deselve de lengte niet souden bereyken van een geerst-greyntje of mostert-saetje”. Nog eene curieuse vergelijking in de maatbepaling vindt men in een brief aanConstantijnHuygens, d.d. 21 Mei 167974. Zij betreft de grootte der zeer kleine (vooronderstelde) vaatjes in een diertje in het peperwater. Daartoe bepaalde hij eerst hoeveel haar-breedten de lengte van een duim uitmaken.Dit beschrijft hij aldus: „Hebbende dan een koperen lineaal, daer op de duymen verdeelt waren in dry deelen en yder weder in 10 deelen, is summa een duym in 30 verdeelt. Op dese verdelinge heb ick geleyt het haer van myn paruyck, en dat door een microscope geobserveerd en geoordeelt, dat 20 hair-breeten 1⁄30 van een duym uytmaken, comt dan 600 hair-breeten in de lenghte van een duym”.De Hoogleeraar Harting,deze maatbepalingen van Leeuwenhoek besprekende, zegt daarvan,75dat als men bedenkt hoe uiterst gebrekkig de handelwijze van Leeuwenhoek was, men niet nalaten kan zich te verwonderen over de mate van nauwkeurigheid, die sommige zijner bepalingen werkelijk bezitten, iets dat men alleen verklaren kan, door de juistheid van een oog, dat door een jaren lange oefening eene zekerheid in het bepalen van maten verkregen had, welke een minder goed waarnemer geheel moet missen. Zoo bepaalt hij bijv.76de doormeter van een bloedlichaampje gemiddeld op dien van 1⁄100 van een zandkorrel, dat is, (deze 1⁄30 duim in diameter hebbende) 1⁄300 duim; en werkelijk komt deze bepaling zeer na overeen met de gemiddelde grootte der bloedlichaampjes, zooals deze[57]tegenwoordig met onze nauwkeurige hulpmiddelen gevonden wordt.Deze wijze van maatbepaling bij vergelijking met andere voorwerpen van bekende grootte, was echter niet alleen aan Leeuwenhoek eigen, maar werd door beroemde geleerden van dien tijd eveneens gebruikt. Robert Hooke onder anderen zegt in een brief aan Leeuwenhoek d.d. 18 April 177877„dat de musculen van kreeften, krabben en garnalen bestonden uit eene ontelbare menigte zeer kleine draadjes, bijna honderd malen kleiner dan een haar van zijn hoofd.”Een tijdgenoot van Leeuwenhoek, Dr. James Jurin, bezigde de volgende maatbepaling. Hij wond een zeer fijn zilverdraad zoo vele malen om een speld of eenig ander dun lichaam, dat er geen tusschenruimten meer tusschen de draden gelaten werden, waarvan hij zich met een vergrootglas overtuigde. Hij mat nu met een passertje nauwkeurig een zeker getal dezer omwindingen en door de gevonden maat door het aantal omwindingen te deelen, verkreeg hij de dikte van het gebruikte zilverdraad. Nu knipte hij de draad in kleine stukjes en strooide er eenige vanophet voorwerp dat hij onderzocht, als het ondoorschijnend en eronderals het doorschijnend was en vergeleek dan met het oog de deelen van het voorwerp met de dikte van zulk een stukje draad. Jurin zond eenige stukjes van zulk een draad aan Leeuwenhoek78die daarover, naar het schijnt zeer tevreden was, dewijl deze wijze van maatbepaling door hem bevestigd werd (in dePhilosophical Transactionsno. 377), ofschoon hij toch aan zijn eigen methode de voorkeur is blijven geven.In het praepareeren van de voorwerpen moet Leeuwenhoek eene bijzondere vaardigheid gehad hebben, waarbij hem zijn vaste hand, scherp gezicht en groot geduld uitnemend te stade kwamen.[58]Daarvan zijn talrijke voorbeelden voorhanden in zijne brieven, waarin hij omstandig zijne wijze van behandeling beschrijft. Zoo zegt hij in een brief aan de „Royal Society”79, waarin hij uitvoerig de angel eener mug beschrijft en zegt dat die uit vier bijzondere angels bestaat, die in geschikte orde in elkander leggen: „Soo ymant genegen waar in het observeeren van de angels van de mugge my na te volgen, soo wil ik den soodanigen recommenderen dat hij langmoedig is. Want de gesamenlijke vier werktuigen of angels, die in geschikte orde leggen, uyt de koker te halen, ende de koker te openen, dat heb ik veelmaal achter den anderen teweeggebracht, maar dese werktuigen uyt den anderen te halen, ende die soodanig voor het vergrootglas te stellen, dat men die instinct aan anderen kan laten sien, daartoe vereyst geen kleyne moeite. Ik heb meer dan honderd muggen daarom gedoot, ende mijne observatiën op verscheyden dagen moeten hervattenenz.”In een anderen brief80, waarin hij uitvoerig de gedaante en structuur van de luis, de voortteeling dezer parasiten enz.uiteenzet, beschrijft hij onder anderen, hoe bij den mannelijken parasiet, geen eieren zooals hij vroeger gemeend had voorkwamen, maar testikels en dat er van deze vier in getal waren. „Deze testikels,” zegt hij, „leggen yder twee soo digt by den anderen, ende wel voornamentlijk met derselver twee einden, soodanig als of yder afdragent vat te samen vereenigde, en het veeltijds soo quam te vertoonen, als of deselve maar een afdragend zaatvat hadde, yder van dese testiculen oordeele ik omtrent een vierdedeel van de groote van een volmaakte luiseney te sullen uitmaken.” En iets verder: „Wijders haalde ik veelmaal uit de mannekens luizen, derselver mannelyke leden, als ook bragt ik veelmaal de angels tot myn groot genoege uit het agterlyf van de luis, en ook nam ik die wel uit de luis, doch niet sonder het ontstukken breken van de dunne hoornachtige deelendie al diep in hun lijf vast waren,enz.” Verder[59]maakte hij een calculatie van de dikte van den angel der luis en zegt dat deze wel 700maal dunner was dan een haar van zijn hand.Deze vaardigheid van hand en scherpheid van gezicht komt vooral ook uit in de onderzoeking van de oogen van den Rombout, als ook van die vanbijen, muggen en andere insecten. Deze namelijk hebben twee halve manen, waarin een ongemeen getal kleine halve bolletjes zijn, die met de uiterste regelmatigheid en netheid in elkander overkruisende lijnen geplaatst zijn en naar traliewerk gelijken. Deze zijn een verzameling van facetten (Leeuwenhoek noemt ze gezichten, oogen), die zoo volmaakt glad en gepolijst zijn, dat ze als zoo vele spiegels, de beelden van alle uitwendige voorwerpen terugkaatsen. Robert Hooke telde 14,000 halve oogen of facetten in de twee oogen van een hommel; Leeuwenhoek calculeerde 6236 in de twee oogen van de kapel van den zijdeworm, 7362 in die van den schalbyter, 8000 in die van de gewone vlieg, terwijl hij er in de beide oogen van den Rombout 25,088 berekende. Hij bemerkte ook in het middenpunt van iedere facet een klein doorschijnend vlakje, dat helderder was dan het overige, dat hij voor den oogappel hield, waar de lichtstralen doorgelaten worden tot op het netvlies.Leeuwenhoek sneed zulk een oog van den Rombout (ook puistebyter genoemd) af, reinigde het met een penseel met water van al de aanhangende vaten en onderzocht het door zijn microscoop. Hij plaatste het een weinig verder van de lens, zoodat hij den rechten brandpuntsafstand tusschen dit voorwerp en de lens van zijn microscoop liet, en toen door beiden, als door een verrekijker, naar den toren van de nieuwe kerk, welke 299 voeten hoog en 750 voeten ver van zijn woning verwijderd was, ziende, kon hij duidelijk door ieder facet den geheelen toren omgekeerd zien, hoewel niet grooter dan de punt van eene fijne naald, en toen zijn gezicht naar een huis aan de overzijde richtende, zag hij door een menigte van de kleine halve bolletjes niet alleen den gevel van het huis, maar insgelijks de deuren en vensters en was in staat te onderscheiden, of de vensters open of gesloten waren. Van Haastert81, die van zoodanig onderzoek[60]ook gewag maakt, voegt er nog bij, „dat dit verrassend gezicht Leeuwenhoek zoo opgetogen maakte, dat hij zijne buren tot zich deed roepen om hun dat zonderling gezicht eveneens te doen opmerken.”En niet minder komt deze vaardigheid uit in zijne ontleding van de gezichtszenuwen van een honigbij82. Hij nam het hoornvlies uit het hoofd en beschouwde de stof waarmede dit gevuld was. Terwijl hij vroeger meende te hebben waargenomen dat het uit een draadachtig wezen bestond vond hij nu, bij nauwkeurige beschouwing, dat al die deeltjes ten naasten bij van dezelfde lengte waren, aan het eene einde iets dikker dan aan het andere en daarbij aan het dikkere einde rondachtig, en kwam tot de ontdekking, dat ieder dezer deeltjes een gezichtszenuw was en dat het dikkere of ronde einde geplaatst was in de kleine holte van ieder oog, dat in het hoornvlies is, „kortom” zegt hij, „soo veel gesichten in ’t hoornvlies syn, soo veel gesicht-senuwen.” Hij geeft in genoemden brief eene nauwkeurige afbeelding van een bundel van zoodanige gezichts-zenuwen en eindigt met de betuiging: „Dese verhaalde verwonderenswaardige zaken en volmaaktheid in het oog van een vlieg ontdekt hebbende, moeten wy al weder seggen: Hoe weynig is ’t dat wy weten! en heeft dit plaats in soo een groote vlieg, soo heeft het alle die volmaaktheit in al de vliegjens die der zijn.”Ik kan mij niet onthouden ook nog het slot van denzelfden brief aan te halen, waarin zijn fijnheid van praepareeren zoo duidelijk uitkomt en bezig daartoe liefst weder zijn eigen woorden: „Ik hebbe een kleyne mugge gevangen, die geen angel had om te steken. Dese mugge snede ik het hoofd af, om uit de oogen, ofte gesigten, de gesigt-senuwen te halen, maar ik konde die mijn selven niet klaar genoeg voor de oogen stellen, schoon ik het tot drie à viermalen toe hervatte, in welk ondersoek my veel malen de hersenen uyt het hooft van de mugge, omset met een groote menigte van vaaten, die ik vast stelde bloedvaten te syn, te voorschijn quamen, en gelukte het mij dat ik de hersenen met derselver bloed-vaaten omvangen, vry ongeschonden[61]uit het hooft van de mugge haalde, die ik voorhetvergrootglas gestelt hebbende den teykenaar over gaf, om af te teykenen, te meer, omdat my van een voornaam Heer geseyt was, dat seker persoon, als men van myne ontdekkingen quam te spreken, veel maal quam te seggen, dat het onmogelijk was te doen, hetgeene ik quam te seggen, omdat, seyde denselven, myne instrumenten, die ik daartoe moet gebruyken, hoe kleyn ik die mogte komen te maken, niet bequaam konden syn, om die ontledingen te doen, die ik kome te verhalen; maer ik kreune my aan geen quaatsprekers, het is ligt een van die geenen, die wel wenste mede sulks te kunnen uitwerken.”Het is opmerkelijk dat hij dat scherpe oog, zoo onontbeerlijk in het doen van zulke uiterst fijne onderzoekingen, tot een zeer hoogen ouderdom behield, zoo als blijkt uit een brief aan zijn neef Abraham van Bleiswijk van 2 Maart 171783, toen hij dus reeds 85 jaren oud was.Hij beschrijft daarin met minutieuse nauwkeurigheid, dat hij de fijne zenuwen uit het ruggemerg van eene koe gesneden had en bevond dat deze bestonden uit uiterst dunne vaatjes, waarvan honderden te samen eene zenuw daarstelden en men zelfs in eenigen openingen van eene onbegrijpelijke kleinheid vond. Hij maakte van deze zenuw eene doorsnede ter dikte nauwelijks van een baardhaar, ten einde die door zijn microscoop te beschouwen.Bij die gelegenheid werd hem toegevoegd, dat hij zich om zijn hooge jaren toch niet mocht onthouden om zijne onderzoekingen voort te zetten, waarvan hij de moeielijkheid zelf inzag en deed opmerken zeggende: „ende immers is het seer swaar te ontdekken alle die verdeelingen en men kan bezwaarlijk bekennen, dat soo een dun senutje in soo vele spranken kan verdeelt worden,” maar dat hij daarom toch niet mocht stil staan, want „dat de vrugten, die in den herfst rijp werden, langst konden duren.”Leeuwenhoek was voor niets zoo gevoelig, als dat men zijn waarheidsliefde in twijfel trok of verdacht maakte en beweerde dat hij zich door zijn verbeelding liet misleiden om anderen maar wat wijs[62]te maken, ’t geen hij zelf beter wist niet zoo te zijn. Wanneer hij de zaken, die hij mededeelt, niet „met zekerheid” gezien had, waarschuwt hij er zelf voor „dat het bij hem nog niet tot klaarheid gekomen is.” Ook wijst hij er herhaaldelijk op, wat hij werkelijk „gezien”, en wat hij zich „geïmagineerd” heeft.In een brief aan de „Royal Society”84zegt hij: „En nademaal my veel maal te vooren komt, dat veele myn schryvens niet konnen aannemen, en stoutelyk derven seggen, dat zy my niet en gelooven, daar ik nogtans een groot hater van de loogen, en een groot liefhebber van de waarheid benenz.” en elders85.… „Dog ik ben sulks getroost, ik tragt niet dan waarheden te ontdekken, en soo ik bevinde, dat ik hier of daar in kome te missen, ik sal gaarne belydenis van mijne dwalinge doen”, en in zijn brief aan Leibnitz86zegt hij onder anderen: „Ik sie wel dat ik veele geleerde Heeren in myne ware ontdekkinge en ook in myne stellinge niet sal brengen: ik wil dan liever my selven troosten dan twisten; als ik maar het geluk mag hebben, gelijk ik besit, dat ook veele groote mannen myne ontdekkinge aannemen.”Een der eerste maar zeker belangrijkste ontdekkingen, die Leeuwenhoek gedaan heeft, had betrekking op de physische samenstelling van het bloed, en werd door hem reeds op den 15den Augustus 1673 bewerkstelligd87. Tot op zijn tijd toe geloofde men dat het bloed eene gelijkmatig roode vloeistof was; doch hij erkende, dat deze vloeistof bijna kleurloos was, maar dat daarin kleine lichaampjes gesuspendeerd waren, welke eene roode kleur hadden en deze kleur aan de geheele vloeistof mededeelden. Ofschoon Swammerdam reeds in 1658 in het bloed eener kikvorsch een onnoemlijk aantal „eivormige deeltjes” had waargenomen,[63]zoo werd aan deze observatie echter geen publiciteit gegeven, en daar de geschriften van Swammerdam eerst in het begin der XVIIde eeuw in het licht verschenen, zoo konden deze geen invloed hebben uitgeoefend op de ontdekking van Leeuwenhoek, tenzij hij zulks van Swammerdam zelf of van anderen mocht vernomen hebben.Ook Malpighi had reeds twaalf jaren vóór Leeuwenhoek, bij het beschouwen van het bloed eener egel onder het microscoop, roode lichaampjes onderscheiden, doch hij had deze voor vetbolletjes gehouden en er zich verder niet mede bezig gehouden. De verdienste van Leeuwenhoek in dit opzicht blijft dus in zijn geheel. Zoo is het ook bekend, dat Athanasius Kirscher in 1650 over lichaampjes geschreven heeft, die hij in het bloed van koortslijders als „kleine wurmpjes” zeide gezien te hebben. Leeuwenhoek echter onderzocht nauwkeurig het bloed van den mensch en later ook van verschillende dieren, zoo als van den os, het schaap, het konijn, de vleermuis, vogels, visschen enz. Bij de zoogdieren vond hij den vorm dezer lichaampjes steeds rondachtig, op kleine lenzen gelijkende en noemde ze daarom „globulen”; later zag hij bij de vogels, kikvorschen en eenige soorten van visschen enz., dat deze lichaampjes afgeplat en eivormig van gedaante waren88en noemde deze, in onderscheiding der eersten, „particulen”. Latere onderzoekingen hebben echter geleerd, dat de eersten niet bolrond zijn, maar platgedrukt, op kleine schijfjes gelijkende, waarom zij thans „bloedschijfjes” genoemd worden.Beide deze soorten vond hij drijvende in een helder vocht (serum)89. Zijn oordeel over den betrekkelijken diameter van deze bloedlichaampjes was vrij juist. Zij waren volgens hem zeer klein bij de zoogdieren, grooter bij de vogels, nog grooter bij den kikvorsch en de visschen. De grootte dezer bloedlichaampjes bij den mensch, den os, het schaap en het konijn stelde hij zoo, dat honderd dezer „globulen” naast elkander liggende nauwlijks de[64]ruimte van een zandkorrel beslaan90, de zandkorrel berekend = 1⁄30 van een duim91in diameter, alzoo 1⁄3000 duim, welke maatbepaling zeer nabij komt met de grootte der bloedlichaampjes, zoo als deze later door de juistere maatbepalingen, door micrometers, zijn waargenomen (1⁄125 millimeter). Deze diameter wordt door Rudolf en Hodgein eveneens als 1⁄3000 duim opgegeven; Wagner stelde ze 1⁄4000, Paget tusschen 1⁄3500 en 1⁄400092. Bij de visschen is deze diameter van 1⁄1800–1⁄4000 bevonden en bij de kikvorschen = 1⁄1200–1⁄1920 duim93.Niet minder groot is de verdienste van Leeuwenhoek in de waarnemingen omtrent den omloop des bloeds. De ontdekking van dezen omloop komt evenwel niet aan Leeuwenhoek maar aan Harvey toe. Leeuwenhoek echter bestudeerde den bloedsomloop met zeldzame nauwkeurigheid en volharding. Hij bezigde daartoe bij voorkeur den staart van jonge kikvorschen en het zwemvlies dat de vingers bij deze dieren vereenigt94; deze leverden hem uitmuntende voorwerpen voor zijne waarnemingen, zoowel omdat zij uiterst doorschijnend zijn, als dewijl de bloedlichaampjes bij deze dieren, zoo als wij zagen, grooter zijn dan bij de zoogdieren. Gaarne nam hij hiertoe ook vleermuizen en bespiedde hare dunne vliesachtige vleugels, doorsneden met talrijke vaten95.Ook bezigde hij dikwijls het oor van jonge konijnen, waarvan de huid nog zeer doorschijnend is en onderscheidde daarin den doorgang van het bloed uit de slagaderen in de aderen96. Jonge alen en andere visschen, die hij daartoe in glazen buizen met den staart er buiten, voor zijn microscoop plaatste, deden hem dit verschijnsel eveneens bewonderen97. Hij trachtte zelfs de snelheid te berekenen, waarmede de omloop des bloeds,[65]bij voorbeeld in den staart eener aal, plaats had en berekende, dat, zoo in deze visch het hart 11 duimen van den staart verwijderd is, het bloed in een uur 13malen van het hart lot den staart teruggevoerd wordt; de afstand van den kop tot het hart slechts 1½ duim zijnde, zou zulks tusschen deze deelen in denzelfden tijd 96maal plaats hebben98. Zijne berekening omtrent de snelheid van den omloop van het bloed bij den mensch was, dat in één uur tijds de bloedsomloop 45malen plaats heeft. Volgens Sebastian99schijnt die binnen 1–3 minuten plaats te grijpen, terwijl Leeuwenhoek de grootste snelheid van het hart tot aan de uiterste deelen van de voeten en van daar weder terug tot het hart, bepaalde op 2⅔maal, tot aan de vingers en terug naar het hart 44⁄11maal, in buik en borst 12maal en in het hoofd 8maal in het uur100.
Fig. 1.Fig. 1.
Fig. 1.
Fig. 2 A.Fig. 2 A.
Fig. 2 A.
Ook op het physisch kabinet te Utrecht komt een dergelijk microscoop voor als bij van Haastert is afgebeeld. Onlangs ben[35]ik bekend geworden met een microscoop van Leeuwenhoek op het physisch kabinet der Leidsche Academie, een paar jaren geleden ten geschenke gegeven door een officier van gezondheid, met een paar andere kleinigheden, onder anderen een rood marokijnen étui, waarop de naam Leeuwenhoek duidelijk te lezen is. Ook op het Anatomisch kabinet te Leiden is een microscoop van Leeuwenhoek afkomstig.
Omtrent deze microscopen en den waarschijnlijken gever kan ik mededeelen, dat ik in het jaar 1872 van den officier van gezondheid 1ste klasse Hallegraeff, sedert overleden, een schrijven heb ontvangen, mij meldende, dat hij in het bezit was van:
1o. Een microscoop van L. overeenkomende met fig. 1, p. 34 dezer brochure;
2o. Een microscooptoestel tot onderzoeking van den bloedsomloop (fig. 3, pag. 36);
3o. Een loupe van Leeuwenhoek;
4o. Een rood marokijn lederen étui met vijf in koper gevatte lenzen en eene lens nog niet in koper gevat, dus in het geheel zes.
Een en ander was uit Rusland weder naar Nederland terug gebracht door den Hoogleeraar de Gorter, door wiens betrekkingen het aan den vader van den briefschrijver en later aan hem was present gedaan. Als eene bijzonderheid meldde hij mij nog dat op het étui met eigenaardige krulletters geschreven staat „Anth. van Leeuwenhoek”. Tevens berichtte mij ZEd., dat hij van plan was een en ander aan de Leidsche Hoogeschool ten[36]geschenke aan te bieden; derhalve zijn de op de Academie berustende voorwerpen kennelijk de bovenbeschrevene.
Ook is mij bekend geworden, dat er op het stedelijk museum te Gouda een microscoop aanwezig is.
Fig. 2 B.Fig. 2 B.
Fig. 2 B.
De beschrijving volgens Baker is de volgende. De voorzijde is fig. 2 B. Het platte gedeelte A is samengesteld uit twee koperen of zilveren plaatjes, aan elkander vastgemaakt met kleine klinknageltjes,b b b b b b. Tusschen deze plaatjes is eene zeer kleine biconvexe lens, in een holligheid geplaatst, recht tusschen twee gaatjes, tegenover elkander in de plaatjes gedrild bijc. Aan de eene zijde van de plaatjes is een koperen of zilveren strookjedmet een schroefegehecht, welk schroefje door beiden gaat. Een ander gedeelte van dit strookje winkelhaaks omgebogen schiet onder de plaatjes door en komt aan de andere zijde uit. Door dit omgebogen einde loopt, recht opwaarts, eene lange fijndradige schroef, welke in- en uitgeschroefd wordende, de plaat, waarop het voorwerp gehecht wordt, hooger of lager brengt. Hierop staat een grof ruw gemaakt pennetjei, waaraan het voorwerp moet worden vastgehecht en dat door een handvatselkwordt omgedraaid. Men kan de vertoonplaat met het pennetje er op, verder van de vergrootende lens doen afwijken, of nader daarbij laten komen door middel eener kleine schroefl, diehorizontaaldoor de plaatbloopende en tegen de achterzijde van het werktuig dragende, als het noodig is deze plaat verder afdringt. Het eind van de lange schroefgkomt door de vertoonplaat heen bijm, alwaar zij rond draait, maar niet als een schroef werkt, dewijl haar draad zoo hoog niet reikt. Leeuwenhoek maakte zijne voorwerpen aan de punt van het pennetje[37]met de eene of andere klevende stof vast en bewaarde zulk een stel zorgvuldig, zoodat hij voor ieder voorwerp weder een ander microscoop noodig had en er ten slotte eenige honderden bij elkander had, zoo als hij zelf zegt in een brief aan Hans Sloane, Secretaris der „Royal Society” d.d.,24 December 170047. „Ick hebbe hondert en hondert geslepene vergrootglasen, daar van de meeste zoo scherp sien, selfs by duystere dagen, en dat by geen ander als dag ligtenz.” Wanneer het voorwerp alleen kongezienworden als het uitgespreid was, deed hij een weinig op een plaatje van zeer dun glas, dat hij op dezelfde wijze met de klevende stof op de punt vasthechtte48. Voor sommige waarnemingen met vloeistoffen, zoo als onder anderen, om den bloedsomloop te bezichtigen, wijzigde hij dien toestel. Hij beschrijft die inrichting zeer uitvoerig in een brief aan de „Royal Society” van 12 Januari 168949(Fig. 3). Zij bestond uit eene aan beide uiteinden rechthoekig omgebogen koperen of zilveren plaat,a, in welker omgebogen gedeeltenbencde ronde openingeneeniwaren aangebracht, bestemd ter opneming eener glazen buis, die dan door de veerenrendwerd vastgeklemd. In zulk een glazen buis bracht hij dan water en een klein vischje of aaltje met de vinnen of den staart zoodanig er buiten geplaatst, dat men den bloedsomloop er in kon waarnemen. De lens, die even als bij alle microscopen van Leeuwenhoek, tusschen 2 plaatjes besloten was, werd dan vóór de buis gesteld door middel van de rechtopstaande plaatg, die door de beide schroevenh hop een gedeelte[38]vancbevestigd was, en waaraan de lensplaat door de schroeffwerd vastgemaakt50. Leeuwenhoek heeft verscheidene van deze toestellen vervaardigd, want op den Catalogus zijner microscopen, die na zijn dood verkocht zijn, worden niet minder dan 8 zilveren en 4 koperen vermeld.
Fig. 3.Fig. 3.
Fig. 3.
Deze Catalogus, in het bezit van Prof. Harting, voert den volgenden titel:
„Catalogus van het vermaarde Cabinet van vergrootglasen, met zeer veel moeyte en kosten in veele jaren geïnventeert, gemaakt en nagelaten door wijlen den Heer Antony van Leeuwenhoek. In zijn Ed. leven Lid van de Koninklijke societeit der Wetenschappen te Londen, welke verkogt zullen worden op Maandag den 29 Mey 1747 binnen de stad Delft, op St. Lucas Gildekamer, des voormiddags van 10 tot 12 uren, en des namiddags van half drie tot 5 uren. Te Delft gedrukt bij Reinier Boitet, Stadsdrukker 1747.” Hij is op zwaar schrijfpapier gedrukt, met Hollandschen en Latijnschen tekst. Voorin bevindt zich eene fraaie op koper gegraveerde zinnebeeldige plaat, voorstellende een kabinet met laden waarin microscopen en een paar kinderen deze beschouwende; een hunner heeft een dito microscoop als in fig. 2 is afgebeeld in de hand, maar dit is met „drie” openingen voorzien. Eene andere plaat stelt het portret van Leeuwenhoek voor. De Catalogus, 43 bladz. groot, is geheel doorschoten met wit papier, waarop de namen van al de koopers en de prijzen die voor de microscopen besteed zijn, nauwkeurig staan aangeteekend; het getal nommers is 196, terwijl bijna ieder nommer twee microscoopstellen aangeeft, de laatste 15 nommers bestaan ieder uit een aantal van 12 koperen plaatjes met vergrootglazen. Daarenboven zijn er nog op vermeld zeven Japansch verlakte Cabinetjes, benevens een verlakte vierkante doos en een doos, waarin eenige glazenbuizen met olie, plantgewassen, drogerijen enz.
Het gezamenlijk aantal der microscoopstellen, met inbegrip der bovengenoemde plaatjes met vergrootglazen, de meesten met[39]een voorwerp voorzien waarvan de namen in den Catalogus vermeld zijn, bedraagt niet minder dan 527. Hiervan zijn er 3 van goud, 147 van zilver, waarvan 1 met drie, 6 met twee, 140 met één en ook zonder objecten. Voorts 5 met zilver gemonteerde koperen stellen en koperen met drie objecten en 375 koperen met 1 object en zonder.
Als eene bijzonderheid staat bij no. 126 een koperen stel vermeld, dat „het vergrootglas geslepen is van een sandje en het object is een sandje.” Bij drie der microscopen staat opzettelijk dat het vergrootglas is geslepen van Amersfoortsche diamant. Van de gouden wogen er twee 10 Engels 17 azen, de derde 10 Engels 14 azen. Een der eerste van deze gouden werd verkocht voor 23 gulden 15 stuivers, terwijl de beide anderen opgehouden werden. De overige microscopen golden: de koperen van 15 stuivers tot 3 gulden het paar; de zilveren 2 tot 7 gulden, 1 koperen stel, waarvan het object was „ongeboren oesters” (!) in een glazen buisje 8 gulden. Een enkel der zilveren gold 10 gulden.
De geheele verkooping bracht de voor dien tijd zeer aanzienlijke som van 737 gulden en 3 stuivers op.
Al deze microscopen schijnen in ons land gebleven te zijn; ten minste onder de namen der koopers in den Catalogus heb ik geen buitenlandsche gevonden. De naam Dirk Haaxman komt op de lijst der koopers herhaalde malen voor en het is daarom te verwonderen dat er niet meer van deze microscoopjes in mijne familie, waarvan echter weinig leden der andere takken mij bekend zijn, gevonden werden.
Daar nu al de lenzen van deze groote verzameling door Leeuwenhoek „met eigen hand” geslepen zijn en de metalen stellen eveneens door hem zelven vervaardigd werden, waarbij nog gevoegd moet worden de verzameling van 26 microscopen, aan de „Royal Society” vermaakt, en nog een groot aantal, die hij bij zijn leven ten geschenke zal gegeven hebben, zoo staat men verbaasd, dat Leeuwenhoek, bij den tijd aan zulk een arbeid besteed, nog genoegzame gelegenheid kon overhouden tot het nemen zijner proeven, als men weet hoe verbazend tijdroovend het praepareeren alleen der voorwerpen is om ze geschikt voor de observatie te maken, terwijl bovendien vele proeven door[40]hem talrijke malen werden herhaald, eer hij een bevredigend resultaat verkreeg.51Hij betuigt zelf52dienaangaande van een door hem ingesteld onderzoek: „Aan dese geseyde waarnemingen hebbe ik meer tyd besteed als vele zullen gelooven: dog ik heb ze met genoegen gedaan, en geen agt gegeven op die geenen die mij zeggen, waarom zoo veel moeyte gedaan, en wat nut doet het; dog ik schrijf niet voor sulke en alleen voor de wysgeerige.”
Leeuwenhoek was er steeds op bedacht zijne glazen meer en meer te volmaken. „Wat mijne vergrootglasen aangaan,” zegt hij in een brief aan de „Royal Society,” d.d. 9 Juni 169953„daarvan wil ik mij niet beroemen; ik maak deselve soo goet, als in mijn vermogen is, en moet seggen, dat wij sedert veel jaren deselve niet alleen beter en beter hebben gesleepen, maar ook deselve van tijd tot tijd beter gemonteert hebben, waaraan ook veel is gelegen, en ik hebbe wel behaamt die vergrootglazen maken, en haar daarover beroemen, die selfs geen bequaamheit hadden om te oordeelen, of een glas scharp ontdekt; en gelijk yder een niet bequaam is om van een vergrootglas wel te oordeelen, veel min kan men bequaam syn, om ontdekkingen voort te brengen, en dus doende, moet ymant die nieuwe ontdekkingen tragt in ’t ligt te brengen, niet van één gesigt oordeelen, maar men moet deselve veel malen sien: want my komt te meer malen voor, dat luyden, siende door een vergroot-glas seggen, nu sie ik dat, en dan weder dat, en wanneer men haar onderrigt, sien sy dat ze in haar meyninge bedrogen syn, en dat meer is, soo kan self die geene die gewoon is door vergroot-glasen te zien, in syn meyninge verleyt werden.” Men ziet het, Leeuwenhoek nam niet alles dadelijk voor waar en zeker aan, wat hij op het eerste gezicht waarnam en logenstrafte daardoor zijne benijders[41]en bedillers, die hem verweten, dat hij zich veelal maar verbeeldde te sien, wat niet in werkelijkheid bestond.
De groote lof die overal, vooral in Engeland, van Leeuwenhoek’s ontdekkingen uitging, had ten gevolge dat velen trachtten zich door eigen aanschouwing van de waarheid te overtuigen, te meer daar zijne waarnemingen in vele opzichten geheel nieuw waren en onderwerpen betroffen, van het hoogste gewicht voor de physiologische wetenschap van die dagen; want nauwelijks waren er drie jaren verloopen sedert het begin zijner betrekking met de „Royal Society,” of reeds had hij het meerendeel der weefsels en vloeistoffen van het organismus in meerdere of mindere mate onderzocht. Aangespoord door de gelukkige ontdekkingen die hij deed en geprikkeld door de belangstelling, die men aan zijne waarnemingen schonk, wijdde hij dan ook zich met zijn geheele ziel aan zijne geliefkoosde nasporingen.
Doch weldra werd hem eene buitengewone verrassing bereid. Eene geheel nieuwe wereld van wezens in het water levende en die tot nu toe voor iedereen verborgen waren gebleven, ontdekte zich aan zijn navorschend oog. In een enkelen droppel water ontdekte hij vol verbazing eene ontelbare menigte van de kleinste wezens van den meest verschillenden vorm, die zich met eene ongeloofelijke snelheid enlevendigheidheen en weder bewogen. Men was tot nog toe gewoon een kaas- of andere myt al voor het kleinste diertje der schepping te houden, maar met de diertjes vergeleken, die Leeuwenhoek in water ontdekte, was zulk eene myt als een reus te beschouwen. Een nieuw veld van beschouwing ontwikkelde zich door deze ontdekking aan den denkenden geest. Overal in de natuur is het leven verbreid en dat in zulk eene verkwistende mate als men dit nimmer zou hebben kunnen vermoeden. Zulks werd door Leeuwenhoek in een brief aan de „Royal Society,” d.d. 9 October 1676 duidelijk uiteengezet, welke mededeeling ten gevolge had, dat de „Royal Society” zich gedurende onderscheidene zittingen van het jaar 1677 met den belangrijken inhoud dezer missive bezig hield.
Men besloot aan hem te schrijven en hem uit te noodigen om zijne methode van onderzoek mede te deelen, ten einde de[42]resultaten zijner nasporingen te kunnen nagaan en waardeeren, terwijl in den boezem der vergadering zelve de meest geanimeerde besprekingen over dit ongeloofelijk feit werden gehouden. Wij lezen54,dat ten gevolge van de ontvangen mededeelingen van Leeuwenhoek omtrent de ontdekking van met het bloote oog onzichtbare, uiterst kleine diertjes in regen-, sneeuw-, wel- en andere wateren, alsmede in water, waarin peper, gember en andere kruiderijen gedurende eenigen tijd hadden geweekt, dat in de vergaderingen van 5 April 1677 Dr. Nehemiah Grew werd opgedragen te beproeven, wat hij in dezelfde wateren kon ontdekken, terwijl in de vergadering van 15 October aan Robert Hooke dit zelfde verzoek gericht en deze tevens uitgenoodigd werd een microscoop te maken, dat zoo veel mogelijk, zoo niet geheel, gelijk was in kracht met dat van Leeuwenhoek, omdat men te vergeefs had getracht met de hun ten dienste staande instrumenten deze diertjes te zien.
In de vergadering van 1 November 167755bracht men verslag uit omtrent een menigte dunne glazen buisjes van verschillende grootte, eenige tienmaal dikker dan een hoofdhaar van een mensch, en andere veel dunner, welke men gemaakt had, om eene bewering van Hooke te constateeren, ter bestrijding van de waarneming van Leeuwenhoek, dat men de kleine diertjes in een waterig vocht, in zulke buisjes beschouwd zijnde, door elkander zou zien wriemelen. Hooke deelde mede, dat deze alzoo gevulde buisjes zelven als het ware vergrootglazen werden, waardoor de omvang van zoodanige lichaampjes in het vocht schijnbaar zeer vermenigvuldigd zich zou moeten vertoonen, vooral aan de zijde van de buisjes die het verst van het oogglas verwijderd waren. Maar niettegenstaande dit hulpmiddel, waardoor de sterkte van het microscoop nog vermeerderd werd, verklaarde men „niets” van dergelijke diertjes te kunnen waarnemen.
Er werd daarom bevolen, dat tegen de volgende vergadering peperwater zou worden gereed gemaakt en er ook voor een[43]beter microscoop moest gezorgd worden, opdat de waarheid of onwaarheid van „Leeuwenhoek’s bewering” duidelijk mocht blijken.
Vóór dat deze discussiën in de vergadering plaats hadden, schijnt men reeds aan Leeuwenhoek den twijfel der vergadering over de juistheid zijner waarneming te hebben kenbaar gemaakt, ten gevolge waarvan hij het noodig geacht had getuigenissen van geloofwaardige personen over te leggen, die zijne ontdekkingen konden bevestigen, want zoo voegde men er bij: „opdat de verzekeringen van Leeuwenhoek zoo mogelijk proefondervindelijk zouden kunnen onderzocht worden, daar hij zoo vele getuigenissen had geleverd van hen die ooggetuigen van deze waarneming geweest waren.” Daarop werden de namen dezer getuigen in de vergadering gelezen, waaronder er waren van twee predikanten, één notaris en acht andere geloofwaardige personen, tot staving van de waarheid van zijne vroegere verzekeringen omtrent het ongeloofelijke aantal kleine diertjes dat hij in zulk peperwater zich had zien bewegen en waarvan enkelen het getal op tienduizend, anderen op dertigduizend en nog anderen op vijfenveertig duizend in een enkelen droppel, ter groote van een gierstkorrel schatteden. In de vergadering van 8 November 167756werd daarop het verslag door Hooke uitgebracht, omtrent het onderzoek van peperwater, dat aan hem was opgedragen. Hij vertoonde daarop eene verbeterde inrichting van zijn microscoop, waarin de buisjes doelmatiger konden bevestigd worden en waarmede ook eene betere verlichting kon worden aangebracht.… „Maar,” zoo betuigt Hooke, „hoewel hij het peperwater zeer sterk had gemaakt door weeking van heele zwarte peper, gedurende 2 of 3 dagen lang met regenwater, zoo kon er, niettegenstaande zijn microscoop nu veel beter was ingericht dan in de vorige vergadering, „toch niets van Leeuwenhoek’s diertjes bespeurd worden.” De vice-president Mr. Henshaw, die toch zijn geloof aan de waarnemingen van Leeuwenhoek niet wilde opgeven, dewijl hij een te goed vertrouwen had in de deugdelijkheid zijner observatiën, maakte de opmerking, dat het wellicht nu in den winter geen geschikte[44]tijd voor de voortteling van dergelijke diertjes zou zijn, en hij voegde er bij, dat hij een lid der vergadering gesproken had, die den vorigen zomer met het microscoop van Leeuwenhoek zelven, deze diertjes in Holland gezien had, doch ze nu, veertien dagen geleden, niet kon vinden in peperwater dat hier (in Londen) gemaakt was.”
Niettegenstaande deze gegronde opmerking beweerde Dr. Wistler, dat deze „denkbeeldige schepsels” inderdaad niets anders waren dan „kleine in het water drijvende peperdeeltjes” en geen diertjes. Doch deze bewering werd krachtig tegengesproken door Dr. Mapletoft. Hij repliceerde, dat Leeuwenhoek stellig verzekerd had dat hij die diertjes, zoowel levend, als dood had aangetoond, en in den laatsten toestand, zoodra hij azijn bij het peperaftreksel gevoegd had. Hooke was echter niet gemakkelijk tot overtuiging te brengen; hij onderzocht nu andermaal het peperwater met zijn microscoop en verklaarde dat hij de opmerking van Dr. Wistler als gegrond moest erkennen, want dat hij er thans eene groote hoeveelheid fijn peperstof in op- en nederdalende beweging in gezien had. Ten slotte werd het uitzicht geopend, dat hij in de volgende vergadering een microscoop zou ter tafel brengen, dat nog veel meer vergrooten zou en dat alsdan de quaestie uitgemaakt zou worden.
Het beslissende oogenblik was aangebroken. De vergadering van den 15den November 1677 werd geopend, en wat rapporteerde nu dezelfde Hooke? „Dat hij nieuw peperwater bereid had met zuiver regenwater en eene kleine hoeveelheid gewone zwarte peperkorrels en dit mengsel gedurende negen à tien dagen met elkander in aanraking gelaten had,”en „dat hij gedurende de geheele week lang, een groot aantal buitengewoon kleine diertjes heen en weder had zien zwemmen,” welke hem, door zijn glas gezien, toeschenen de grootte van eene myt te bezitten, welk glas volgens zijne berekening honderdduizendmalen in omtrek vergrootte (waarschijnlijk een glasbollelje) en dat mitsdien kon worden opgemaakt dat deze diertjes honderdduizendmaal kleiner waren dan eene myt. Hun vorm zegt Hooke„kwam overeen met een zeer klein helder blaasje, ovaal of eivormig van gedaante.”
Men kan zich lichtelijk de verrassing der vergadering voorstellen, toen de leden ieder om strijd zich rondom het microscoop[45]van Hooke verdrongen om zich van het ongeloofelijke feit te overtuigen.Al de aanwezige leden, zegt de verslaggever dezer belangrijke vergadering, overtuigden zich nu van de waarheid van Leeuwenhoek’s ontdekking. Zij bevestigden allen, dat zij nu de diertjes zagen en ze op allerlei wijzen door het water heen en weder zagen bewegen; men verklaarde ze voor wezenlijke diertjes en erkende dat er geenerlei optische misleiding kon plaats hebben.
Schitterenderkon de reputatie van den Delftschen burger wel niet gevestigd worden, dan in de erkenning van de waarheid van hetgeen hij had waargenomen, nu zelfs de meest ongeloovige zich moest gewonnen geven. De leden der vergadering waren dan ook dadelijk bereid om hun vorig mistrouwen en ongeloof openlijk te erkennen. Wij lezen namelijk in de notulen dezer vergadering: „dat er besloten werd nota te nemen van deze thans zoo goed geconstateerde feiten, en tevens dat er aanteekening zou gehouden worden van de namen van hen die deze diertjes met hun eigen oogen hadden gezien. Zulks waren: Mr. Henshaw, Sir Christopher Wren, Sir John Hoskyns, Sir Jonas Mone, Dr. Mapletoft, Mr. Hill, Dr. Croune, Dr. Nehemiah Grew, Mr. Aubrey en nog verschillende anderen, zoodat er niet langer aan Mr. Leeuwenhoek’s ontdekking te twijfelen viel.”
Omtrent de ontdekking van den eigenaardigen vorm, de soorten en bijzondere eigenschappen die Leeuwenhoek aan deze kleine diertjes kon waarnemen, heeft hij zich zeer uitvoerig uitgelaten in een schrijven aanConstantijnHuygens d.d. 7 November 167657. Hij zegt daarin, „dat hij omstreeks half September van het jaar 1675 in regenwater, dat eenige weinige dagen in een ton gestaan had, kleine diertjes, in zijn oog meer dan tienduizendmaal kleiner dan het diertje dat Dr. Swammerdam heeft afgebeeld en met den naam van watervloo of waterluis bestempelde,” gevonden heeft. De „eerste soort,” die hij in dit water ontdekte, bestond uit 5, 6, 7 à 8 zeer heldere „globulen”; zij staken somtijds twee hoorntjes uit het voorste gedeelte van hun lichaam[46]en dezen waren in voortdurende beweging. Hun lichaam was rondachtig en aan het achterlijf een weinig spits, waar zij een staart hadden, die driemaal langer dan het lichaam was. Eene „tweede soort” beschrijft hij als een eirond lichaam, van boven gezien uit 8, 10 à 12 globulen bestaande, zij waren zeer helder en konden hun lichaam in een volkomen ronde gedaante veranderen; iedere globule, zegt hij,verbeelddezich als verheven met een puntje uit te steken en voorzien met verscheideneongeloofelijkedunne pootjes, die zich snel bewogen; deze soort was een weinig grooter dan de eerste. Eene „derde soort” was eenmaal zoo lang als breed en naar schatting wel achtmaal kleiner dan de eerste soort, hij „imagineerde zich”, dat hij daaraan „vinnetjes of pootjes” kon waarnemen; zij bewogen zich zeer snel, zoowel in het rond als in een rechte lijn. De „vierde soort,” die hij waarnam, was zoo klein dat hij er geen figuur aan kon bekennen; deze waren in zijn oog meer dan duizend maal kleiner dan het oog van een luis; zij gingen in snelheid van beweging de bovenvermelde diertjes nog te boven. Verder zegt Leeuwenhoek, dat hij, behalve deze vier soorten nog verscheidene andere soorten van diertjes waarnam, waarvan eenigen zeer groot waren, zoo als een „kleine myter”, anderen wederom waren „zeer monstereus.” Hij beschrijft deze niet nader, maar zegt er alleen van, dat zij doorgaans uit zulke zachte deelen bestonden, dat, wanneer het water, waarin zij lagen, was opgedroogd of weggeloopen, zij uiteen barstten.
Leeuwenhoek zegt in dienzelfden brief, dat op de open plaats achter zijn huis zich een put bevindt, welke omtrent 15 voeten diep is, en waarvan het water in het midden van den zomer zoo koud was, dat men er de hand niet lang in kon houden. Ook in dit water ontdekte hij eene groote menigte zeer kleine diertjes en wel, wat de grootte betreft, overeenkomende met de vierde der beschrevene soorten, maar nadat dit water eenige dagen gestaan had, ontdekte hij er vele andere diertjes in van verschillenden vorm en grootte. Ook in zeewater nam hij dergelijke diertjes waar. Verder beschrijft hij de ontwikkeling van diertjes door peper in sneeuwwater te laten weeken, waarvan ik de bijzonderheden reeds vermeld heb.[47]
Men kan zich gemakkelijk voorstellen welk eene uitwerking deze belangrijke ontdekking van het bestaan eener geheele wereld van schepselen, die tot nog toe geheel en al onbekend waren gebleven, moest teweegbrengen in een tijd, waarin talrijke ontdekkingen in onderscheidene gedeelten der natuurwetenschappen, zulk eene groote en levendige belangstelling niet slechts onder de geleerden, maar zelfs bij alle menschen van beschaving en verstand hadden opgewekt.
„In onzen tijd,” zoo zegt E. Blanchard, in zijn genoemd artikel in de „Revue des deux mondes” deze ontdekking van Leeuwenhoek besprekende, „is het bestaan van myriaden diertjes van de laagste organisatie in bijna alle wateren aan niemand onbekend, en men stelt ze op openbare soirees door het hydro-oxygeen-microscoop ten toon, maar nog steeds, hoe bekend zij zijn, nog steeds schijnen deze diertjes de denkers tot de ernstigste overpeinzingen uit te noodigen en hen tot de erkenning te brengen, dat nergens de natuur zoo groot is dan in het oneindig kleine.”
En van welk eene beteekenis de ontdekking van Leeuwenhoek omtrent kleine organismen in het water en in de lucht, vooral in onzen tijd gerekend wordt, kan men afleiden uit het verband dat men in de geneeskunde heeft gemeend te vinden, tusschen het ontstaan en de verspreiding van besmettelijke ziekten en het optreden van bacteriën enaanverwanteorganismen; een vraagstuk van hethoogstegewicht, voor de volledige oplossing waarvan echter de tijd nog niet gekomen schijnt. Vooral verdient daarbij de belangrijke studie de aandacht, die Dr. Ferdinand Cohn, hoogleeraar te Breslau, in 1872 over bacteriën heeft nedergelegd in zijn „Untersuchungen über Bacteriën”58en zijne beschouwing over de betrekking waarin deze kleine wezens gebracht worden tot de belangrijkste probleemen der algemeene natuurwetenschap, zoodat zij, zoo als Cohn zich uitdrukt, „door eene onzichtbare, maar tegelijkonweêrstaanbaremacht, de gewichtigste gebeurtenissen der levende en levenlooze natuur beheerschen en zelfs in het bestaan der menschen tegelijk geheimzinnig en diep ingrijpen.”[48]
Het kan wel niet anders of de gelukkige ontdekking van Leeuwenhoek moest de geleerden van dien tijd er op bedacht doen zijn hunne microscopen te verbeteren en zoo mogelijk aan die van Leeuwenhoek te doen evenaren. Hooke was daarin onvermoeid en vertoonde in de vergadering van 6 December 167759een verbeterd samengesteld microscoop, waarmede hij de kleine diertjes in het peperwater veel meer vergroot en duidelijker nog dan vroeger liet zien. Dit had hij vervaardigd door het objectiefglas van een veel kleineren bol te maken. Verder vertoonde hij een nieuw soort van enkelvoudig microscoop, waarmede hij dezelfde diertjes vertoonde, die in eene kleine haarbuis heen en weder zwommen.
Allen die daardoor zagen, verklaarden het voorkomen dezer kleine schepsels nu veel helderder en duidelijker dan op de andere wijze met het samengesteld microscoop, hoewel dit een van de beste soorten was.
Geen wonder dat men zeer verlangend was de microscopen van Leeuwenhoek zelven te zien en de wijze te kennen, die door hem gevolgd was om zijn glazen zoodanig te slijpen, dat hij er die belangrijke waarnemingen mede kon doen.
In de vergadering van den 23sten November 168160sprak Mr. Henshaw ten gevolge van nieuwe observaties, die Leeuwenhoek aan de Sociëteit had toegezonden, als zijn gevoelen uit, dat de glazen, waarmede Leeuwenhoek „deze vreemde ontdekkingen maakte, zeer buitengewoon moesten zijn en op eene andere wijze gemaakt, dan gewoonlijk bekend en gebruikelijk was.” Hooke maakte de opmerking dat het geen andere waren dan die hij zelf vermeld had in de voorrede van zijn „Micrographia,” namelijk zeer kleine doorschijnende gesmolten glasbolletjes in hun geheel of door slijpen tot een lens gevormd of op eene andere wijs gemaakt.
Ook merkte hij aan, „dat de ontdekkingen van Leeuwenhoek zeer geholpen zouden worden door de wijze waarop hij het licht op zijne voorwerpen liet vallen en dat hij zeker voor zijne buitengewone[49]onderzoekingen een geschikte kamer moest bezitten.” Dit laatste wordt echter weêrsproken door hetgeen Dr. Molyneux er van getuigt, die sprekende van zijn bezoek aan Leeuwenhoek zegt, „dat hij, tijdens het beschouwen van de microscopen zich in eene vrij donkere kamer bevond met slechts één raam voorzien, waar zelfs de zon toen niet op scheen, en dat zich toch de voorwerpen schooner en duidelijker vertoonden, dan die hij in Engeland of elders gezien had, ofschoon daar de zon op scheen, of door weerkaatsende spiegels meer dan gewoon licht ontvingen.”
Ten gevolge dezer discussiën werd door Mr. Henshaw voorgesteld aan Leeuwenhoek te verzoeken, „dat hij zijn uitvinding mocht willen bekend maken, indien het iets nieuws was.” Aan dit verzoek werd dan ook door Leeuwenhoek welwillend voldaan. In de vergadering van 1 April 168561werd een brief van Dr. Molyneux voorgelezen van den 14den Maart, waarin hij mededeelde, dat de glazen, die Leeuwenhoek hem liet zien, de voorwerpen niet meer vergrootten dan verscheidene glazen die hij zelf vroeger zag en daardoor alzoo niets meer kon ontdekt worden dan hetgeen gemakkelijk met behulp van andere microscopen kon gezien worden, zoodat alzoo een verslag van deze microscopen te geven geenszins voldoende zou zijn. Doch, voegt hij er bij: „Het zijn alleenzijn eigeneglazen, die deze meer dan gewone ontdekkingen doen.” Daarbij vermeldt hij gehoord te hebben, „dat hij nooit die glazen van betere soort verkocht.”
Niet alleen verkocht Leeuwenhoek niet die glazen van „betere soort,” zooals Molyneux zegt, maar geen zijner microscopen was voor geld te verkrijgen. Uffenbach had daartoe een aanzoek bij hem gedaan, doch zonder gevolg.62[50]
Ook uit een brief van Huygens schijnt te blijken, dat Leeuwenhoek de kunst, die hij met inspanning van al zijn krachten tot zulk eene hoogte had gebracht, niet gaarne aan anderen mededeelde.Huygens verhaalt namelijk, dat toen de Landgraaf van Hessen Cassel hem bezocht en zijn microscopen verlangde te zien, hij een kast toonde, waarin deze bewaard waren, doch ze zeer zorgvuldig in de handen hield en, na de nieuwsgierigheid van zijn bezoeker te hebben bevredigd, voorzichtig de kast weder sloot, vreezende naar het schijnt dat zij hem door anderen mochten afhandig gemaakt worden, waardoor men dan in de gelegenheid zou zijn achter zijn geheim te komen63.
Dit geheim nu van de wijze waarop Leeuwenhoek zijne lenzen sleep en ze die buitengemeene helderheid gaf, liet hij zich door niemand ontlokken en ontweek steeds zorgvuldig daarvan iemand verklaring te geven, of wel beantwoordde de aanzoeken daartoe met stilzwijgen. Ook had men hem meermalen aangespoord die kunst aan anderen te leeren en er bij voorbeeld aan jongelieden onderricht in te geven. Leibnitz schijnt hem in dien geest daarover geschreven te hebben, waarop Leeuwenhoek hem in de volgende bewoordingen antwoordde64: „Om jonge luyden tot het slypen van glasen aan te voeren, ende als een school op te regten; daar uyt kan ik niet sien dat veel soude voortkomen; want door myne ontdekkingen en slypen van glasen, syn veele studenten tot Leyden aangemoedigt, ende daar syn drie Glasenslypers geweest, bij dewelke de studenten het glasenslypen gingen[51]leeren. Maar watis ’eruyt voort-gekomen? niets, soo veel my bekent is; omdat meest alle de studenten daar op uyt komen, om door de wetenschappen gelt te bekomen, of wel door de geleertheyd geagt te syn; ende dat steekt in het glas te slypen, ende in het ontdekken van de saaken, die voor onse oogen verborgen syn, niet. En het staat ook by mij vast, dat van duyzent menschen geen een bequaam is, om sig over te geven tot soodanige studie, omdat er veel tijds toe vereyst wert, veel gelt gespilt wert, ende men gedurig met syne gedagten moet besig wesen, sal men wat uytvoeren. Ende daarenboven syn de meeste menschen niet weetgierig; ja eenigen, daar men het niet van behoorde te wagtenseggen, wat is ’er aangelegen of wy het weten?”
Men ziet dat ook in den tijd van Leeuwenhoek de beoefening der wetenschap om de wetenschap zelve, tot de zeldzaamheden scheen te behooren en dat ook toen reeds de practische geest bij de studeerenden was doorgedrongen, die men thans zoo gaarne uitsluitend aan onze eeuw wil toeschrijven.
Nog zegt hij in een anderen brief aan denzelfden geleerde, van 13 Maart 1716:65„Ik hebbe gans geen genegenheyt gehadt om ymant te onderwysen, want als ik het aan een gaf, soude ik aan meer moeten doen, omdat verscheyde souden meenen dat ik het aan haar uyt maagschap en andere om haar gesachlykheyt verschuldigt was; ende dus sou ik my tot een slaafachtigheyt overgeven daar ik een vry man soek te blijven: en tragt ook geen loon daarvoor te trekken.” En elders zegthij: „om wel te slagen moet men veel tyd aan de studie wyden, veel geldt besteden en geheel syn siel toewyden aan de overpeinsinge, hetgeen sekerlyk niet van dien aart is, om een groot aantal jonge lieden aan te trekken.”
Behalve aan het slijpen zijner glazen, hechtte Leeuwenhoek bijzonder veel aan de monteering er van. In zijn oordeel over een beweeren van zekeren Dalepatius aan den schrijver van een boekje genaamd:„Nouvelles de la République”, als zou deze een vergrootglas hebben uitgevonden „soo goet dat ’er geen beter[52]kan gemaakt werden, dewijl het een sigtbaar stip, naeuwlyks in groote te boven gaat” enz. repliceert Leeuwenhoek66: „Wat syn vergroot-glas belangt, van soo een ongemeene kleynheit, en soo goet als er kan gemaakt werden, dat sullen wy daar by laten. Maar om soodanige glaasjes wel te monteeren daar vereyst meer oordeel toe, als om deselvige te maken.”
Naar het oordeel van Leeuwenhoek is het juist niet de bijzondere kleinheid der lenzen, die de deugdzaamheid aan de microscopen verzekert, want hij zegt daarvan iets verder in denzelfden brief: „Wat mij belangt, al hoewel ze by my al omtrent 40 jaren geleden van een ongemeene kleynigheit zijn gemaakt geweest, soo zyn ze by my weynig in gebruyk, en ze dienen na myn oordeel niet, om eerste ontdekkinge te doen, en daar toe syn bequaam die geene, die uyt een grooter diameter syn geslepen.”
Leeuwenhoek maakte ook van een hulpmiddel gebruik om de verlichting zijner voorwerpen met opvallend licht te versterken. Dit bestond in het aanwenden van een metalen hol spiegeltje, in welks midden hij zijn lens plaatste. Dit spiegeltje is verklaard in een brief van 12 Januari 1689 aan de „Royal Society”67.
Men vindt dit spiegeltje dat Leeuwenhoek in den genoemden brief „een kommetje” noemt en dat hij aan het microscoop had vastgesoldeerd, zeer nauwkeurig afgebeeld in de bij dien brief gevoegde plaat, alsmede in Harting’s „mikroskoop”, deel 3, pl. 1, fig. 8; dergelijke spiegeltjes zijn geheel op dezelfde wijze later, in 1738, door Lieberkuhn aan zijn microscopen toegevoegd, aan wien men ten onrechte hunne uitvinding toeschrijft.
Het blijkt, zoowel uit het kistje met de 26 microscopen, aan de „Royal Society” nagelaten, als uit andere gegevens en verklaringen van Leeuwenhoek zelven in zijne brieven, dat hij microscopen vervaardigde met verschillend vergrootend vermogen.
Baker68geeft voor de vergrootingen der bovenvermelde 26[53]microscopen, voor een duidelijkheidsafstand van 8 Engelsche duimen de volgende:
éénvan40malige middellijn-vergrootingéénvan,,53malige,,middellijn-vergrooting,,tweevan,,57malige,,middellijn-vergrooting,,drievan,,66malige,,middellijn-vergrooting,,tweevan,,72malige,,middellijn-vergrooting,,achtvan,,80malige,,middellijn-vergrooting,,drievan,,100malige,,middellijn-vergrooting,,éénvan,,114malige,,middellijn-vergrooting,,éénvan,,133malige,,middellijn-vergrooting,,éénvan,,169malige,,middellijn-vergrooting,,
En dat Leeuwenhoek ook microscopen vervaardigde die een veel sterker vermogen bezaten, dan het meest vergrootende van de Londensche verzameling, blijkt uit het boven reeds vermelde exemplaar van hem, berustende op het physisch kabinet te Utrecht. Dit is in zilver gemonteerd en vergroot 270 maal, hetwelk dus een aanmerkelijk verschil is; terwijl de lens, volgens verklaring van den Hoogleeraar Harting, biconvex geslepen is.
Zonder mij te verdiepen in eene uitvoerige beschrijving op hoedanige wijze de bepaling van de sterkte der microscopen in vroegeren en lateren lijd geschiedde, wil ik echter de wijze van bepaling hier vermelden, waarop deze gewoonlijk geschiedt en met behulp waarvan Prof. Harting het microscoop van Leeuwenhoek heeft onderzocht69. Dit onderzoek, geschiedt door middel van het zoogenaamde Nobert’sche proefplaatje. Dit plaatje is beschreven in „Poggendorff’s Annalen 1846”, no. 2 S. 175. Nobert kwam op het denkbeeld om glazen plaatjes te vervaardigen met een aantal van 10 tot 30 groepen van lijnen; deze lijnen zijn in de eerste groep het verst, in de laatste groep het minst ver van elkander verwijderd. Men kan alzoo de verschillende groepen achter elkander in het midden vrij in het veld brengen en onderzoeken, welke groep door het microscoop nog[54]in afzonderlijke lijnen kan ontleed worden. Bij het onderzoek nu van de lens van Leeuwenhoek bleek het Prof. Harting, dat, bij eene gunstige verlichting, door deze lens, de 3de groep zeer gemakkelijk en de 4de (1⁄704 mill.) nog met moeite kon worden opgelost.
Eene niet minder belangrijke zaak bij de beschouwing van Leeuwenhoek’s microscopen is de wijze te leeren kennen, waarop hij de grootte van de voorwerpen bepaalde, die door hem werden waargenomen.
Hij koos daartoe nu eens een korrel grof zand, dan weder een gierst- of mosterdzaadje; of hij vergeleek ze bij de dikte van een hoofd- of van een baardhaar, ja zelfs van een haar uit zijn paruik! Later weder gebruikt hij als punt van vergelijking de grootte der bloedbolletjes, die hem een zijner eerste en zeker een zijner belangrijkste ontdekkingen herinnerde.
In den aanvang was zijn punt van vergelijking een baardhaar. In een brief aan Robert Hooke d.d. 12 November 168070zegt hij daaromtrent het volgende:
„Ik heb dan een verdeelde copere linie, en neem naeukeurig agt, door een goet microscope, hoeveel delen, dat een van de dikste hairen van myn baard, op een verdeelde linie beslaat; als by exempel, een zoodanig hair syn diameter is so lang, door een microscope te zien, als 50 delen, en als dan trek ik met de punct van een naald op de kopere lineaal sodanigen streep, die in myn bloote oog, my so te voren komt, als ik door myn microscope, „de dunste” ader in de vlieg komen te sien, en ik oordeel, dat als 9 sodanige dunne strepen, als ik met de punct van een naalde getrokken heb, nevens den anderen lage, een vijftigste part van de diameter van een hair souden uitmaken. Komen dan 450 diameters van de dunste aderen, die ik in een vlieg seer destinct sie, uyt te maken een diameter van een hair van myn baard, so is dan een hair van myn baard 200,000 maal dikker, dan de dunste bloedvaten van een vlieg.”
Een paar jaren later bezigt hij, eveneens in een schrijven aan Hooke d.d. 3 Maart 168271„een klein sandje, waar hij calculeerde,[55]dat de vleesstriemtjes (= „fibrillae”) van een os door hem geoordeeld werden zoo dun te zijndat 50 van deselvige nevens den andere leggende de lengte uitmaken van 1⁄20 van een duym, zoodat dan 1000 vleesstriemtjens in de lengte van een duym, dat is dan 1,000000 vleesstriemtjens met haar membranen omwonden in een quadraet duym komen”, en een paar regels verder: „Op een ander tijd sag ik in een ossetonge, drie kleyne musculen vlees, yder met haar menbraan omwonden, nevens den anderen leggen, dat wanneer als ik deselvige overdwars hadde doorgesneden, soo veel plaets niet en besloegen, als een kleyn sandje, (waarvan 100 sanden nevens den anderen leggende, de lengte van een duim maer uitmaken), zoude die konnen bedekt houden.”
Later bepaalt hij, in een brief aan François Aston, d.d. 25 Juli 168472deze grootte wat nauwkeuriger, zoodat men nu een eenigszins beteren maatstaf voor zijn berekening erlangt. Hij zegt, „als ik sedert weinige dagen doende was met een oog van een manspersoon, zag ik in het zwartachtig vlies of menbrane uytnemende dunne striemtjens of vaatgens, en om derzelver dunte my die voor oogen te stellen, nam ik een grof sant, wiens axe dat seer na 1⁄30 van een duym was, dit sant, door een microscope siende, oordeelde ik dat deszelfs axe ten minsten 330 deelen, op seekere verdeelde lineaal uytmaekten, en dat, wanneer 8 van de verhaalde dunne vaatgens nevens den anderen lagen, geen 1⁄330 van de axe van een sant in lengte souden uitmaken.”
Leeuwenhoek bezigde echter altijd deze bepaling als eene vergelijking om slechts eene aanschouwelijke voorstelling te geven van de kleinheid der voorwerpen, door hem met het microscoop waargenomen. In veel later tijd schijnt hij de onzekerheid van de vergelijking met zandkorrels, wegens hun groot verschil in grootte, te hebben ingezien, en bedient hij zich nu van een’ „geerst-greijntje of een mostersaetje”, zooals bijv. uit een brief aan Hermanus Boerhaave, d.d. 26 Augustus 171773blijkt. „Ik hebbe voor desen geseyt, dat ik soodanige kleyne dierkens in[56]’t water sag swemmen, dat ze met haar duysent millioenen in groote geen grof sant souden uytmaken. Maar alsoo der tussen de grove sanden een groot onderscheyt in groote is, zoo wil ik liever seggen, de groote van een geerst-greyntje of mostert-saetje, ende seggen dat, by aldien duysent millioenen van die kleyne diertjes nevens den anderen lagen, deselve de lengte niet souden bereyken van een geerst-greyntje of mostert-saetje”. Nog eene curieuse vergelijking in de maatbepaling vindt men in een brief aanConstantijnHuygens, d.d. 21 Mei 167974. Zij betreft de grootte der zeer kleine (vooronderstelde) vaatjes in een diertje in het peperwater. Daartoe bepaalde hij eerst hoeveel haar-breedten de lengte van een duim uitmaken.
Dit beschrijft hij aldus: „Hebbende dan een koperen lineaal, daer op de duymen verdeelt waren in dry deelen en yder weder in 10 deelen, is summa een duym in 30 verdeelt. Op dese verdelinge heb ick geleyt het haer van myn paruyck, en dat door een microscope geobserveerd en geoordeelt, dat 20 hair-breeten 1⁄30 van een duym uytmaken, comt dan 600 hair-breeten in de lenghte van een duym”.
De Hoogleeraar Harting,deze maatbepalingen van Leeuwenhoek besprekende, zegt daarvan,75dat als men bedenkt hoe uiterst gebrekkig de handelwijze van Leeuwenhoek was, men niet nalaten kan zich te verwonderen over de mate van nauwkeurigheid, die sommige zijner bepalingen werkelijk bezitten, iets dat men alleen verklaren kan, door de juistheid van een oog, dat door een jaren lange oefening eene zekerheid in het bepalen van maten verkregen had, welke een minder goed waarnemer geheel moet missen. Zoo bepaalt hij bijv.76de doormeter van een bloedlichaampje gemiddeld op dien van 1⁄100 van een zandkorrel, dat is, (deze 1⁄30 duim in diameter hebbende) 1⁄300 duim; en werkelijk komt deze bepaling zeer na overeen met de gemiddelde grootte der bloedlichaampjes, zooals deze[57]tegenwoordig met onze nauwkeurige hulpmiddelen gevonden wordt.
Deze wijze van maatbepaling bij vergelijking met andere voorwerpen van bekende grootte, was echter niet alleen aan Leeuwenhoek eigen, maar werd door beroemde geleerden van dien tijd eveneens gebruikt. Robert Hooke onder anderen zegt in een brief aan Leeuwenhoek d.d. 18 April 177877„dat de musculen van kreeften, krabben en garnalen bestonden uit eene ontelbare menigte zeer kleine draadjes, bijna honderd malen kleiner dan een haar van zijn hoofd.”
Een tijdgenoot van Leeuwenhoek, Dr. James Jurin, bezigde de volgende maatbepaling. Hij wond een zeer fijn zilverdraad zoo vele malen om een speld of eenig ander dun lichaam, dat er geen tusschenruimten meer tusschen de draden gelaten werden, waarvan hij zich met een vergrootglas overtuigde. Hij mat nu met een passertje nauwkeurig een zeker getal dezer omwindingen en door de gevonden maat door het aantal omwindingen te deelen, verkreeg hij de dikte van het gebruikte zilverdraad. Nu knipte hij de draad in kleine stukjes en strooide er eenige vanophet voorwerp dat hij onderzocht, als het ondoorschijnend en eronderals het doorschijnend was en vergeleek dan met het oog de deelen van het voorwerp met de dikte van zulk een stukje draad. Jurin zond eenige stukjes van zulk een draad aan Leeuwenhoek78die daarover, naar het schijnt zeer tevreden was, dewijl deze wijze van maatbepaling door hem bevestigd werd (in dePhilosophical Transactionsno. 377), ofschoon hij toch aan zijn eigen methode de voorkeur is blijven geven.
In het praepareeren van de voorwerpen moet Leeuwenhoek eene bijzondere vaardigheid gehad hebben, waarbij hem zijn vaste hand, scherp gezicht en groot geduld uitnemend te stade kwamen.[58]
Daarvan zijn talrijke voorbeelden voorhanden in zijne brieven, waarin hij omstandig zijne wijze van behandeling beschrijft. Zoo zegt hij in een brief aan de „Royal Society”79, waarin hij uitvoerig de angel eener mug beschrijft en zegt dat die uit vier bijzondere angels bestaat, die in geschikte orde in elkander leggen: „Soo ymant genegen waar in het observeeren van de angels van de mugge my na te volgen, soo wil ik den soodanigen recommenderen dat hij langmoedig is. Want de gesamenlijke vier werktuigen of angels, die in geschikte orde leggen, uyt de koker te halen, ende de koker te openen, dat heb ik veelmaal achter den anderen teweeggebracht, maar dese werktuigen uyt den anderen te halen, ende die soodanig voor het vergrootglas te stellen, dat men die instinct aan anderen kan laten sien, daartoe vereyst geen kleyne moeite. Ik heb meer dan honderd muggen daarom gedoot, ende mijne observatiën op verscheyden dagen moeten hervattenenz.”
In een anderen brief80, waarin hij uitvoerig de gedaante en structuur van de luis, de voortteeling dezer parasiten enz.uiteenzet, beschrijft hij onder anderen, hoe bij den mannelijken parasiet, geen eieren zooals hij vroeger gemeend had voorkwamen, maar testikels en dat er van deze vier in getal waren. „Deze testikels,” zegt hij, „leggen yder twee soo digt by den anderen, ende wel voornamentlijk met derselver twee einden, soodanig als of yder afdragent vat te samen vereenigde, en het veeltijds soo quam te vertoonen, als of deselve maar een afdragend zaatvat hadde, yder van dese testiculen oordeele ik omtrent een vierdedeel van de groote van een volmaakte luiseney te sullen uitmaken.” En iets verder: „Wijders haalde ik veelmaal uit de mannekens luizen, derselver mannelyke leden, als ook bragt ik veelmaal de angels tot myn groot genoege uit het agterlyf van de luis, en ook nam ik die wel uit de luis, doch niet sonder het ontstukken breken van de dunne hoornachtige deelendie al diep in hun lijf vast waren,enz.” Verder[59]maakte hij een calculatie van de dikte van den angel der luis en zegt dat deze wel 700maal dunner was dan een haar van zijn hand.
Deze vaardigheid van hand en scherpheid van gezicht komt vooral ook uit in de onderzoeking van de oogen van den Rombout, als ook van die vanbijen, muggen en andere insecten. Deze namelijk hebben twee halve manen, waarin een ongemeen getal kleine halve bolletjes zijn, die met de uiterste regelmatigheid en netheid in elkander overkruisende lijnen geplaatst zijn en naar traliewerk gelijken. Deze zijn een verzameling van facetten (Leeuwenhoek noemt ze gezichten, oogen), die zoo volmaakt glad en gepolijst zijn, dat ze als zoo vele spiegels, de beelden van alle uitwendige voorwerpen terugkaatsen. Robert Hooke telde 14,000 halve oogen of facetten in de twee oogen van een hommel; Leeuwenhoek calculeerde 6236 in de twee oogen van de kapel van den zijdeworm, 7362 in die van den schalbyter, 8000 in die van de gewone vlieg, terwijl hij er in de beide oogen van den Rombout 25,088 berekende. Hij bemerkte ook in het middenpunt van iedere facet een klein doorschijnend vlakje, dat helderder was dan het overige, dat hij voor den oogappel hield, waar de lichtstralen doorgelaten worden tot op het netvlies.
Leeuwenhoek sneed zulk een oog van den Rombout (ook puistebyter genoemd) af, reinigde het met een penseel met water van al de aanhangende vaten en onderzocht het door zijn microscoop. Hij plaatste het een weinig verder van de lens, zoodat hij den rechten brandpuntsafstand tusschen dit voorwerp en de lens van zijn microscoop liet, en toen door beiden, als door een verrekijker, naar den toren van de nieuwe kerk, welke 299 voeten hoog en 750 voeten ver van zijn woning verwijderd was, ziende, kon hij duidelijk door ieder facet den geheelen toren omgekeerd zien, hoewel niet grooter dan de punt van eene fijne naald, en toen zijn gezicht naar een huis aan de overzijde richtende, zag hij door een menigte van de kleine halve bolletjes niet alleen den gevel van het huis, maar insgelijks de deuren en vensters en was in staat te onderscheiden, of de vensters open of gesloten waren. Van Haastert81, die van zoodanig onderzoek[60]ook gewag maakt, voegt er nog bij, „dat dit verrassend gezicht Leeuwenhoek zoo opgetogen maakte, dat hij zijne buren tot zich deed roepen om hun dat zonderling gezicht eveneens te doen opmerken.”
En niet minder komt deze vaardigheid uit in zijne ontleding van de gezichtszenuwen van een honigbij82. Hij nam het hoornvlies uit het hoofd en beschouwde de stof waarmede dit gevuld was. Terwijl hij vroeger meende te hebben waargenomen dat het uit een draadachtig wezen bestond vond hij nu, bij nauwkeurige beschouwing, dat al die deeltjes ten naasten bij van dezelfde lengte waren, aan het eene einde iets dikker dan aan het andere en daarbij aan het dikkere einde rondachtig, en kwam tot de ontdekking, dat ieder dezer deeltjes een gezichtszenuw was en dat het dikkere of ronde einde geplaatst was in de kleine holte van ieder oog, dat in het hoornvlies is, „kortom” zegt hij, „soo veel gesichten in ’t hoornvlies syn, soo veel gesicht-senuwen.” Hij geeft in genoemden brief eene nauwkeurige afbeelding van een bundel van zoodanige gezichts-zenuwen en eindigt met de betuiging: „Dese verhaalde verwonderenswaardige zaken en volmaaktheid in het oog van een vlieg ontdekt hebbende, moeten wy al weder seggen: Hoe weynig is ’t dat wy weten! en heeft dit plaats in soo een groote vlieg, soo heeft het alle die volmaaktheit in al de vliegjens die der zijn.”
Ik kan mij niet onthouden ook nog het slot van denzelfden brief aan te halen, waarin zijn fijnheid van praepareeren zoo duidelijk uitkomt en bezig daartoe liefst weder zijn eigen woorden: „Ik hebbe een kleyne mugge gevangen, die geen angel had om te steken. Dese mugge snede ik het hoofd af, om uit de oogen, ofte gesigten, de gesigt-senuwen te halen, maar ik konde die mijn selven niet klaar genoeg voor de oogen stellen, schoon ik het tot drie à viermalen toe hervatte, in welk ondersoek my veel malen de hersenen uyt het hooft van de mugge, omset met een groote menigte van vaaten, die ik vast stelde bloedvaten te syn, te voorschijn quamen, en gelukte het mij dat ik de hersenen met derselver bloed-vaaten omvangen, vry ongeschonden[61]uit het hooft van de mugge haalde, die ik voorhetvergrootglas gestelt hebbende den teykenaar over gaf, om af te teykenen, te meer, omdat my van een voornaam Heer geseyt was, dat seker persoon, als men van myne ontdekkingen quam te spreken, veel maal quam te seggen, dat het onmogelijk was te doen, hetgeene ik quam te seggen, omdat, seyde denselven, myne instrumenten, die ik daartoe moet gebruyken, hoe kleyn ik die mogte komen te maken, niet bequaam konden syn, om die ontledingen te doen, die ik kome te verhalen; maer ik kreune my aan geen quaatsprekers, het is ligt een van die geenen, die wel wenste mede sulks te kunnen uitwerken.”
Het is opmerkelijk dat hij dat scherpe oog, zoo onontbeerlijk in het doen van zulke uiterst fijne onderzoekingen, tot een zeer hoogen ouderdom behield, zoo als blijkt uit een brief aan zijn neef Abraham van Bleiswijk van 2 Maart 171783, toen hij dus reeds 85 jaren oud was.
Hij beschrijft daarin met minutieuse nauwkeurigheid, dat hij de fijne zenuwen uit het ruggemerg van eene koe gesneden had en bevond dat deze bestonden uit uiterst dunne vaatjes, waarvan honderden te samen eene zenuw daarstelden en men zelfs in eenigen openingen van eene onbegrijpelijke kleinheid vond. Hij maakte van deze zenuw eene doorsnede ter dikte nauwelijks van een baardhaar, ten einde die door zijn microscoop te beschouwen.
Bij die gelegenheid werd hem toegevoegd, dat hij zich om zijn hooge jaren toch niet mocht onthouden om zijne onderzoekingen voort te zetten, waarvan hij de moeielijkheid zelf inzag en deed opmerken zeggende: „ende immers is het seer swaar te ontdekken alle die verdeelingen en men kan bezwaarlijk bekennen, dat soo een dun senutje in soo vele spranken kan verdeelt worden,” maar dat hij daarom toch niet mocht stil staan, want „dat de vrugten, die in den herfst rijp werden, langst konden duren.”
Leeuwenhoek was voor niets zoo gevoelig, als dat men zijn waarheidsliefde in twijfel trok of verdacht maakte en beweerde dat hij zich door zijn verbeelding liet misleiden om anderen maar wat wijs[62]te maken, ’t geen hij zelf beter wist niet zoo te zijn. Wanneer hij de zaken, die hij mededeelt, niet „met zekerheid” gezien had, waarschuwt hij er zelf voor „dat het bij hem nog niet tot klaarheid gekomen is.” Ook wijst hij er herhaaldelijk op, wat hij werkelijk „gezien”, en wat hij zich „geïmagineerd” heeft.
In een brief aan de „Royal Society”84zegt hij: „En nademaal my veel maal te vooren komt, dat veele myn schryvens niet konnen aannemen, en stoutelyk derven seggen, dat zy my niet en gelooven, daar ik nogtans een groot hater van de loogen, en een groot liefhebber van de waarheid benenz.” en elders85.… „Dog ik ben sulks getroost, ik tragt niet dan waarheden te ontdekken, en soo ik bevinde, dat ik hier of daar in kome te missen, ik sal gaarne belydenis van mijne dwalinge doen”, en in zijn brief aan Leibnitz86zegt hij onder anderen: „Ik sie wel dat ik veele geleerde Heeren in myne ware ontdekkinge en ook in myne stellinge niet sal brengen: ik wil dan liever my selven troosten dan twisten; als ik maar het geluk mag hebben, gelijk ik besit, dat ook veele groote mannen myne ontdekkinge aannemen.”
Een der eerste maar zeker belangrijkste ontdekkingen, die Leeuwenhoek gedaan heeft, had betrekking op de physische samenstelling van het bloed, en werd door hem reeds op den 15den Augustus 1673 bewerkstelligd87. Tot op zijn tijd toe geloofde men dat het bloed eene gelijkmatig roode vloeistof was; doch hij erkende, dat deze vloeistof bijna kleurloos was, maar dat daarin kleine lichaampjes gesuspendeerd waren, welke eene roode kleur hadden en deze kleur aan de geheele vloeistof mededeelden. Ofschoon Swammerdam reeds in 1658 in het bloed eener kikvorsch een onnoemlijk aantal „eivormige deeltjes” had waargenomen,[63]zoo werd aan deze observatie echter geen publiciteit gegeven, en daar de geschriften van Swammerdam eerst in het begin der XVIIde eeuw in het licht verschenen, zoo konden deze geen invloed hebben uitgeoefend op de ontdekking van Leeuwenhoek, tenzij hij zulks van Swammerdam zelf of van anderen mocht vernomen hebben.
Ook Malpighi had reeds twaalf jaren vóór Leeuwenhoek, bij het beschouwen van het bloed eener egel onder het microscoop, roode lichaampjes onderscheiden, doch hij had deze voor vetbolletjes gehouden en er zich verder niet mede bezig gehouden. De verdienste van Leeuwenhoek in dit opzicht blijft dus in zijn geheel. Zoo is het ook bekend, dat Athanasius Kirscher in 1650 over lichaampjes geschreven heeft, die hij in het bloed van koortslijders als „kleine wurmpjes” zeide gezien te hebben. Leeuwenhoek echter onderzocht nauwkeurig het bloed van den mensch en later ook van verschillende dieren, zoo als van den os, het schaap, het konijn, de vleermuis, vogels, visschen enz. Bij de zoogdieren vond hij den vorm dezer lichaampjes steeds rondachtig, op kleine lenzen gelijkende en noemde ze daarom „globulen”; later zag hij bij de vogels, kikvorschen en eenige soorten van visschen enz., dat deze lichaampjes afgeplat en eivormig van gedaante waren88en noemde deze, in onderscheiding der eersten, „particulen”. Latere onderzoekingen hebben echter geleerd, dat de eersten niet bolrond zijn, maar platgedrukt, op kleine schijfjes gelijkende, waarom zij thans „bloedschijfjes” genoemd worden.
Beide deze soorten vond hij drijvende in een helder vocht (serum)89. Zijn oordeel over den betrekkelijken diameter van deze bloedlichaampjes was vrij juist. Zij waren volgens hem zeer klein bij de zoogdieren, grooter bij de vogels, nog grooter bij den kikvorsch en de visschen. De grootte dezer bloedlichaampjes bij den mensch, den os, het schaap en het konijn stelde hij zoo, dat honderd dezer „globulen” naast elkander liggende nauwlijks de[64]ruimte van een zandkorrel beslaan90, de zandkorrel berekend = 1⁄30 van een duim91in diameter, alzoo 1⁄3000 duim, welke maatbepaling zeer nabij komt met de grootte der bloedlichaampjes, zoo als deze later door de juistere maatbepalingen, door micrometers, zijn waargenomen (1⁄125 millimeter). Deze diameter wordt door Rudolf en Hodgein eveneens als 1⁄3000 duim opgegeven; Wagner stelde ze 1⁄4000, Paget tusschen 1⁄3500 en 1⁄400092. Bij de visschen is deze diameter van 1⁄1800–1⁄4000 bevonden en bij de kikvorschen = 1⁄1200–1⁄1920 duim93.
Niet minder groot is de verdienste van Leeuwenhoek in de waarnemingen omtrent den omloop des bloeds. De ontdekking van dezen omloop komt evenwel niet aan Leeuwenhoek maar aan Harvey toe. Leeuwenhoek echter bestudeerde den bloedsomloop met zeldzame nauwkeurigheid en volharding. Hij bezigde daartoe bij voorkeur den staart van jonge kikvorschen en het zwemvlies dat de vingers bij deze dieren vereenigt94; deze leverden hem uitmuntende voorwerpen voor zijne waarnemingen, zoowel omdat zij uiterst doorschijnend zijn, als dewijl de bloedlichaampjes bij deze dieren, zoo als wij zagen, grooter zijn dan bij de zoogdieren. Gaarne nam hij hiertoe ook vleermuizen en bespiedde hare dunne vliesachtige vleugels, doorsneden met talrijke vaten95.Ook bezigde hij dikwijls het oor van jonge konijnen, waarvan de huid nog zeer doorschijnend is en onderscheidde daarin den doorgang van het bloed uit de slagaderen in de aderen96. Jonge alen en andere visschen, die hij daartoe in glazen buizen met den staart er buiten, voor zijn microscoop plaatste, deden hem dit verschijnsel eveneens bewonderen97. Hij trachtte zelfs de snelheid te berekenen, waarmede de omloop des bloeds,[65]bij voorbeeld in den staart eener aal, plaats had en berekende, dat, zoo in deze visch het hart 11 duimen van den staart verwijderd is, het bloed in een uur 13malen van het hart lot den staart teruggevoerd wordt; de afstand van den kop tot het hart slechts 1½ duim zijnde, zou zulks tusschen deze deelen in denzelfden tijd 96maal plaats hebben98. Zijne berekening omtrent de snelheid van den omloop van het bloed bij den mensch was, dat in één uur tijds de bloedsomloop 45malen plaats heeft. Volgens Sebastian99schijnt die binnen 1–3 minuten plaats te grijpen, terwijl Leeuwenhoek de grootste snelheid van het hart tot aan de uiterste deelen van de voeten en van daar weder terug tot het hart, bepaalde op 2⅔maal, tot aan de vingers en terug naar het hart 44⁄11maal, in buik en borst 12maal en in het hoofd 8maal in het uur100.