Chapter 5

Omtrent den doortocht van het bloed door de slagaderen in de aderen ontstond reeds in den tijd van Harvey grooten strijd. De tegenstanders van dezen grooten physioloog wierpen hem tegen, dat wanneer het bloed direct uit de slagaderen in de aderen overging, het de deelen, waardoor het heen vloeide niet zou kunnen voeden. Het vraagstuk was nog onbeslist, toen Leeuwenhoek in 1686 aan de „Royal Society” een brief schreef, waarin hij, in strijd met de opinie van Harvey, meende te hebben ontdekt, dat de doortocht van het bloed niet onmiddellijk uit de slagaderen in de aderen plaats had101. Later echter, in 1698, toonde hij, na zorgvuldig microscopisch onderzoek, duidelijk den samenhang van de slagaderen met de aderen aan en wilde zelfs geen haarvaten tusschen de beide genoemde vaten afzonderlijk onderscheiden, omdat het, zooals hij zeide, onmogelijk was te bepalen, noch waar de slagaderen eindigen, noch waar de aderen beginnen102. In dit tijdvak stelde men ook de chemische theorie op den voorgrond en wilde men de fermentatie[66]van het bloed als zeker vaststellen, dewijl men bloedlichaampjes voor luchtbellen aanzag.Deze hypothese werd krachtig door Leeuwenhoek bestreden en door vele microscopische waarnemingen overtuigend wederlegd, welke proeven voldingend aantoonden, dat er volstrekt geen luchtbellen in de bloedvaten aanwezig waren, hetgeen zeker plaats zou hebben als het bloed gistte103.Het is, omtrent deze waarnemingen aangaande de bloedlichaampjes wel der vermelding waardig, dat zij den grondslag legden voor de theorie van onzen beroemden landgenoot Boerhaave over de inflammatie en andere ziekten104, terwijl het overigens opmerkelijk is dat een man als Leeuwenhoek, bij gemis aan fundamenteele wetenschappelijke kundigheden, door eenvoudige beschouwing van den poot van een kikvorsch, het oor van een konijn, den staart van een visch enz., een vraagstuk als de bloedsomloop, dat zoo lang in onzekerheid verkeerd had, voor ieder belangstellende zoo aanschouwelijk maakte. Ook zijne observaties omtrent de structuur der capillaire vaten zijn door latere onderzoekers als nauwkeurig erkend105.Behalve bovengenoemde belangrijke onderzoekingen, verdienen zijne waarnemingen omtrent de „beenderen” en de „tanden”, die eveneens tot de eerste observaties van Leeuwenhoek behooren, die onder de oogen der Engelsche geleerden gebracht waren, vermeld te worden.Hij deelde zijne waarnemingen in 1674 aan de Royal Society mede en vond, dat zij uit bolletjes bestonden106; maar reeds in 1678 kwam hij van dit gevoelen terug, daar hij opgemerkt had dat deze bolletjes de uiteinden of topjes waren van buisjes of pijpjes, waaruit de beenderen bestaan. Hij erkende zijne dwaling in een brief aan de „Royal Society”107, zette toen[67]dit onderzoek onvermoeid voort en vond, dat de vaste deelen der beenderen uit vierderlei pijpjes bestonden, van verschillende wijdte en kringsgewijs geplaatst.De Heer van der Boon108, deze waarnemingen besprekende, merkt daarbij op, dat, wanneer men deze beschrijving vergelijkt met de kennis, die men tegenwoordig van het weefsel der beenderen bezit, men dan te recht zich verwonderen moet over de geringe waarde, die men tot nu toe gehecht heeft aan het onderzoek omtrent het weefsel der beenderen door onzen Leeuwenhoek. Nog meer, vervolgt hij, moeten wij zulks betuigen bij de overweging van de kennis die hij had van het maaksel der „tanden”, hetwelk zoo volkomen door hem is beschreven, dat daardoor de eer, die in onze dagen aan Purkinje ten deel viel, namelijk van de eerste geweest te zijn, die het ware weefsel der tanden leerde kennen, grootendeels vervalt.109In een brief aan de „Royal Society”, d.d. 4 April 1687110zegt Leeuwenhoek gevonden te hebben, dat de tanden bestaan uit saamgevoegde, zeer dunne pijpjes, die alle in het binnenste van den tand aanvangen en aan den omtrek eindigen111.Dat Leeuwenhoek ten gevolge zijner nieuwe ontdekkingen en beschouwingen velerlei tegenspraak moest ondervinden, die hem de vele gelukkige oogenblikken, door hem genoten bij de waarneming van de wonderen der schepping en het ontdekken eener nieuwe wereld van wezens, zeer vergalden, daarvan kan men wel verzekerd zijn; die tegenspraak ondervonden immers zoo velen, die als hoog geleerd erkend en beroemd waren en iets nieuws hadden waargenomen, dat aan anderen ontsnapt was en waarvan de gevolgtrekkingen, geliefkoosde meeningen en theoriën omverstootten. En zou dan Leeuwenhoek, de ongeletterde, zou een Kamerbewaarder van Schepenskamer, die zijne waarnemingen[68]zoo eenvoudig, zoo ongekunsteld en ontdaan van allen uiterlijken glans van geleerde termen, aan de wereld ter overweging gaf en die zulke lang betwiste, hoogstbelangrijke vraagstukken golden, zulke tegenspraak zijn ontgaan? Dat was niet te verwachten en zij werd hem ook geenszins onthouden. In vele brieven beklaagt hij zich over die tegenspraak en het gelukte hem vaak die te beschamen, en als al zijne aangevoerde bewijzen en verklaringen toch bleken niet in staat te zijn om vooroordeelen te overwinnen, troostte hij zich met zijn vaste overtuiging daar tegenover te stellen en zeide: „Maar ik en stoor my sulks niet, ik weet dat ik de waarheyt hebbe”112, en hij haalt de schouders op over de onkunde en het vooroordeel dat hy te bestrijden had, waar hy, onder anderen, over den gewaanden honigdauw sprekende, waaraan men het bederf in de tarwe toeschreef, zegt: „Ik houd my verseekert, dat het vallen van den gewaanden honigdauw alleen maar verdigt-selen syn, die ligtelyk van een out wyfs spinnerokken syn voortgesproten, wy willen het haar niet qualyk afnemen, dat ze aan de oude dwalinge tot nog toe syn blyven hangen en wenschen haar toe dat ze hare misslagen mogen leeren kennen, ende de waarheid omhelsen”113.Die tegenspraak werd vooral uitgelokt door zijne ontdekkingen van de kleine diertjes in regen- en andere wateren en in waterige aftreksels, zoo als ik die boven beschreven heb en aan welke diertjes, om de wijze, waarop zij verkregen werden, eene eeuw later de oneigenlijke naam van „afgietseldiertjes, infusoria”, gegeven werd.En geen wonder! De ontdekking toch van wezens, wier ontsachelijk geringe grootte zoo lang aan het menschelijk oog onttrokken was gebleven, waardoor een nieuw veld van wereldbeschouwing geopend werd en de waarneming van de omstandigheden, waaronder deze kleine levende schepselen te voorschijn traden; de voorstelling die hij er van leverde dat deze, op de eenvoudigste wijze georganiseerde wezens „niet van zelf ontstonden, maar ieder in hun verschillende soort werden voortgebracht[69]uit germen of kiemen, die in de lucht aanwezig waren”, druischte zoo zeer in tegen de algemeen aangenomen begrippen, dat het niet te verwonderen is dat Leeuwenhoek de hevigste tegenspraak te verduren had. En wanneer wij ons herinneren, dat nog in onzen tijd groote strijd gevoerd wordt over het al of niet van zelf ontstaan van levende organismen, dat nog de „generatio spontanea”, niettegenstaande de meest overtuigende proeven en redeneeringen het onhoudbare van die stelling hebben bewezen, nog hare verdedigers vindt onder mannen van naam in de geleerde wereld, dan verwondert ons de tegenspraak, die Leeuwenhoek ondervond in geenen deele, en stijgt onze bewondering in geen geringe mate over het verlichte oordeel van den moedigen en zelfstandigen denker, die zijn tijd ver vooruit was en zich door geen blind geloof of gezag liet leiden of beheerschen, maar datgeene trachtte te doorgronden, waarin door anderen berust werd en die ook moed genoeg had om voor zijne overtuiging uit te komen, al moest hij daardoor gesmaad en verguisd worden.Ook beklaagt hij zich zoo weinig medewerking en hulp bij zijne eigen stadgenooten te ondervinden. In een brief aan den heer L. van Velthuyzen d.d. 11 Mei 1679, in het bezit nu van wijlen den Heer van Dam van Noordeloos te Rotterdam en waarvan ik copie mocht nemen, schrijft hij „Ick heb soo nu en dan wel te kennen gegeven, dat ick het bloet van ongesonde menschen etc. etc, genegen was om te sien, maer ick heb noyt ’t een of ’t ander bekomen en daarom is mijn voornemen geen versoeck na dees tijd meer te doen.” En aan zeker Ciciliaansch edelman die hem kwam bezoeken, beklaagde hij zich eveneens, dat hij binnen Delft geen hulp kon bekomen, waarop deze hem antwoordde „Ick verwonder my niet, want de Hollanders syn niet genegen als om gelt te winnen.”—Leeuwenhoek’s grootste strijd met de geleerden van alle landen ontstond ten gevolge zijner waarnemingen omtrent de zoogenaamde zaaddiertjes en zijne beschouwingen over de voortteeling, die zoo geheel indruischten tegen de toen algemeen aangenomen zienswijze over dit onderwerp.Kort nadat hij de bovenvermelde ontdekking der infusoria gedaan[70]had, werd er eene andere door hem openbaar gemaakt, die van niet minder belang te achten is en de hoofden en pennen der geleerden van dien tijd geruimen tijd heeft bezig gehouden, eene ontdekking, ten gevolge waarvan de mannen der wetenschap zich als het ware in twee gelederen schaarden over de gevolgtrekkingen, die Leeuwenhoek er uit afleidde en zijne theorie over de voortteeling, die hij er op grondvestte. De voor- en tegenstanders bestreden elkander dikwijls met de scherpe wapenen der bespotting en verguizing, totdat men, door de ontwikkeling der wetenschap beter voorgelicht, eene voorstelling aannam, die beter met de resultaten der ontleedkunde overeenkwam. Deze nieuwe ontdekking nu, welke wij zullen zien, dat volgens mededeeling van Leeuwenhoek zelf, niet aan hem, maar aan zekeren Ham moet worden toegeschreven, betrof de waarneming van levende wezens in het voortteelingsvocht der dieren.Omtrent den eigenlijken ontdekker dezer „animalcula spermatica,” ook „spermatozoïden” genoemd, bestond nog veel verschil van gevoelen.De ware toedracht van zaken nu wordt door Leeuwenhoek aan den Heer Harmen van Zoelen, Oud-Burgemeester van Rotterdam, in een brief d.d. 17 December 1698114zeer uitvoerig verhaald. Toen namelijk later Hartsoeker zich de eer der ontdekking wederrechtelijk toeëigende, rekende Leeuwenhoek zich verplicht dezen brief, in uittreksel medetedeelen. Hij zegt daarin o. a., dat hij in November van het jaar 1677 aan de Koninklijke Sociëteit te Londen geschreven had, een brief van den Heer Craanen Hoogleeraar te Leiden ontvangen te hebben, met verzoek om zijn neef, den Heer Ham, student in de medicijnen eenige zijner waarnemingen te laten zien, die hem dan ook in Augustus 1677 een bezoek bracht. Toen deze hem nu voor de tweede maal bezocht, bracht hij een glazen fleschje mede, waarin hij „eenig ontloopen zaad van een man medebragt, die bij een ongesont vrouwspersoon hadde geweest.” Deze Heer Ham had dit vocht door het microscoop bezien en daarin „levende schepsels” zich zien bewegen en meende dat deze uit bederf waren voortgekomen.[71]Hij had er staarten aan opgemerkt en bovendien had hij gezien, dat zij niet meer dan 24 uren in het leven bleven; tevens verhaalde hij, dat, toen hij de patiënt terpentijn had ingegeven, de diertjes daarvan stierven. Leeuwenhoek onderzocht nu op zijn beurt het vocht, door een weinig er van in een haarbuisje te brengen, bezag het in het bijzijn van Ham en vond zijne ontdekking alleszins bewaarheid. Onmiddellijk daarop werd dit onderwerp een punt van nauwgezet onderzoek voor hem. Hij onderzocht herhaalde malen nu ook gezond sperma, vooral ook van verschillende dieren en vond de waarneming bij allen bewaarheid. Somtijds vond hij „meer dan duizend levende schepsels in de quantiteyt materie van een grof sand.” Zij waren kleiner dan de bolletjes van het bloed, de vorm er van was rondachtig, van onder spits toeloopende en met een langen dunnen staart voorzien, die circa 5 à 6maal zoo lang was en omtrent 25maal dunner dan het lichaam. Zij bewogen zich door eene slangsgewijze beweging van den staart.Tot bevestiging van de waarheid, dat zijne medegedeelde ontdekking reeds vóór het jaartal (1678), waarin Hartsoeker beweerde dezelfde waarneming te hebben gedaan, was geschied, voegt hij er nog aan toe: dat die in zijn schrijven gedateerd, Nov. 1677, was opgenomen in de „Philosophical Transactions” no. 142 zijnde van December 1677 en Januari en Februari 1678.Daar er omtrent den persoon van Ham, zijn waren naam en nationaliteit, zeer verkeerde lezingen bestaan, acht ik het niet ongepast te dezer plaatse melding te maken van bijzonderheden, die mij eerst onlangs zijn bekend geworden uit eene mededeeling in 1862 gedaan door Prof. H. I. Halbertsma115waaruit blijkt, dat niet Lodewijk Ham of Hamme, door sommigen voor een Duitscher, een jong geneesheer uit Dantzig gehouden, maar Johan Ham van Arnhem de ontdekker der spermatozoïden is. De belangrijkheid[72]dezer Nederlandsche ontdekking moge mij ter verschooning strekken voor de uitweiding over zijn persoon.Tot de meening dat Ham een Duitscher zou geweest zijn heeft, volgens Prof. Halbertsma, Haller116aanleiding gegeven, als hij zegt: „Inventorem esse credo, Ludovicum Hamme (auctorem libri de herniis et de crocodilo) juvenem germanum”.Kurt Sprengel117neemt echter, in later tijd, deze meening van Haller reeds als eene uitgemaakte zaak aan, waar hij zegt: „Es war in August des Jahrs 1677, als ein junger Arzt aus Dantzig, Ludwig von Hammen, die damals in Leiden studirte, den berühmter Anton von Leeuwenhoek zu Delft besuchte, und diesen zuerst auf die Körperchen im männlichen Saamen aufmircksam machte, auch sie ihm wirklich zeigte.”Deze Ludwig von Hammen nu schijnt zich inderdaad in Leiden te hebben opgehouden, zoo als blijkt uit eene plaats in zijne „Dissertatio de Herniis”, Ed. tertia L. B. 1681, opgedragen aan Prof. Drelincourt,p. 61, waarin hij gewag maakt van eene waarneming, die hij in „Leydensium Nosocomio” heeft gemaakt en ook op pag. 76 van eene andere observatie spreekt, waargenomen „ni fallor, Lugduni ad Rhenam.”Op het gezag nu van Haller en Kurt Sprengel hebben vele der nieuwere schrijvers dezen Ludwig von Hammen uit Dantzig voor den ontdekker der spermatozoïden gehouden, zoo als onder anderen in de „Allgemeine Encyclopædie” van Ersch en Gruber118en Kölliker119en Eckhard120.[73]Ook Ehrenberg, Henle en Frey schijnen, volgens Prof. Halbertsma deze meening aan te kleven, ofschoon zij over Ham niets meer weten te zeggen dan dat hij een Leidsch student was. Prof. Halbertsma nu toont in bovengenoemde mededeeling het ongegronde van deze meening aan en gelooft het bewijs te kunnen leveren, dat deze Ham de voornaam Johan voerde en dat hij een Arnhemmer, dus een Hollander van geboorte was.Uit eene korte levensschets namelijk van dezen Johan Ham, in het werk van Muys121citeert Halbertsma de latijnsche zinsnede, aldaar voorkomende op p. 288, waarin de ontdekking van Ham der spermatozoïden, in 1677 door hem aan Leeuwenhoek medegedeeld, wordt vermeld en waaruit verder blijkt, dat hij doctor in de medicijnen was, de practijk heeft uitgeoefend te Arnhem, dat hij secretaris van Legatie is geweest bij den keurvorst van Brandenburg en later aan het hoofd van hetzelfde gezantschap heeft gestaan; dat hij, teruggekeerd in het vaderland, Burgemeester is geworden van Arnhem en eindelijk Gelderland bij de Staten-Generaal heeft vertegenwoordigd. Het blijkt hieruit dat Haller, daar hij dezen schrijver Muys aanhaalt, bekend was met den levensloop van Johan Ham, hoewel hij desniettemingelooftdat hij een Duitscher was.Prof. Halbertsma heeft allen twijfel die nog mocht hebben blijven bestaan over de juistheid van hetgeen Muys ons aangaande Ham mededeelt, opgeheven, door de nasporingen, welke de heer Bakhuyzen van den Brink in ’s Rijks Archief en de Heer Nyhoff in het provinciaal Archief van Gelderland, op zijn verzoek hebben in het werk gesteld. Uit dit onderzoek blijkt, dat Ham niet Ludwig maar Johan en niet von Hammen, maar kortweg Ham heette.Onder dien naam komt hij voor in zijn briefwisseling met hunne Hoog-Mogenden, te vinden in ’s Rijks Archief en ook in de rekeningen der stad Arnhem. En ten overvloede vindt men dat in den „Catalogus inscriptionum”, voorkomende in het Archief van den Senaat der Hoogeschool te Leiden, zijne inschrijving als student op de volgende wijze staat: „1671[74]Sept. 16. Johannes Ham,Philosophiae studiosus ann. 20, by Anneken Schepsel in de Nieuwstraat”. Het behoeft geen verwondering te baren, dat Ham als student in de philosophie werd ingeschreven en later bij Leeuwenhoek voorkomt als student in de medicijnen, daar de beoefening van verschillende vakken van wetenschap niet zoo gescheiden was als thans. De Hoogleeraar Theodor Craanen, wiens neef onze Ham was, was bijvoorbeeld ook Doctor in de philosophie en medicijnen en doceerde zelfs deze beide vakken. Daar nu verder geen bijzonderheden meer omtrent den levensloop van Ham kunnen medegedeeld worden en hij ook, volgens gedane nasporingen, noch te Leiden, noch te Harderwijk gepromoveerd is, zoo behoort het niet tot de onmogelijkheden, dat hij, na zijne studiën te Leiden te hebben volbracht, den graad van Doctor in het buitenland, bij voorbeeld aan eene Duitsche Hoogeschool verkregen heeft, eene handeling die niet zonder voorbeeld is. Ham is vermoedelijk in 1650 of 1651 geboren, blijkens zijn inschrijving in September 1671 te Leiden als student, toen hij den leeftijd van 20 jaren bereikt had. Met minder juistheid nog is zijn sterfjaar op te geven, hoewel met zekerheid is vast te stellen, dat hij in 1723 nog leefde, daar Ham toen, blijkens de stads rekeningen van Arnhem, voor de derde maal als Burgemeester van Arnhem uit de steden van het kwartier van Veluwe gecommitteerd werd ter vergadering van Hunne Hoog-Mogenden.Na deze uitwijding over Johan Ham, keeren wij tot de zaak zelve terug.Op uitnoodiging der „Royal Society” zette Leeuwenhoek nu zijne waarnemingen over de spermatozoïden met ijver voort, verzekerde zich van de aanwezigheid dezer lichaampjes bij den hond, de kat, het konijn, den haan, en vele andere dieren en vond dat ze allen overeenkwamen met die, welke hij reeds beschreven had. Ook in den walvisch was hij in de gelegenheid die te observeeren en vond daarbij dat zij in dit groote dier geen grootere afmetingen bezaten, dan die hij bij de kleine dieren waarnam. Bij den kikvorsch en in de hom van verschillende visschen, die hij met hetzelfde doel onderzocht, vond hij ze in een verbazend groot aantal.[75]De observatie van Leeuwenhoek was in alle opzichten juist, maar, zoo als later bleek,vergistehij zich in de natuur der waargenomen lichaampjes, daar deze geen diertjes zijn, maar veeleer als celachtige weefseldeeltjes moeten beschouwd worden.Deze waarneming van de spermatozoïden bij de mannelijke dieren deed hem eene theorie der voortteeling bedenken, namelijk, dat van deze diertjes de grootste zich in de baarmoeder voedden, daar tot wasdom geraakten en de vrucht of het foetus vormden. Deze theorie, hoewel zij tegen de toen algemeen aangenomen zienswijze indruischte, werd door velen aangenomen, zoo als onder anderen door Huygens, Boerhaave, Hartsoeker, maar door niet weinigen betwijfeld en ontkend, waaronder Harveus, de Graaf, Kerkringius, Nuck, Swammerdam en anderen.Intusschen was Leeuwenhoek met hart en ziel en uit volle overtuiging zijne theorie der voortteeling toegedaan en verdedigde zijne stellingen met kracht tegen al wie zich met hem daarover in het strijdperk durfde wagen, zoo als blijkt uit hetgeen hij daarover schreef, toen Dr. Martin Lister zijne stellingen omtrent de voortteeling uit een diertje van het mannelijk zaad in de „Philosophical Transactions” had bestreden122. „Ik moet” zegt hij123, „tot UE. Hoog Edele Heeren seggen dat de gemelde tegenwerpingen mijn gevoelen niet een stip om soo te spreeken, doen veranderen.”François Aston schreef hem in Februari van het jaar 1683 over zijne theorie, „dat deze zeer ingenieus was, maar dat zij veel tegenspraak in de wereld zou ondervinden.” Leeuwenhoek antwoordde daarop, dat hij dit ook wel gedacht had: „Want de werelt is met een voor-oordeel omtrent het eyernest ingenomen maar,” voegt hij er bij „ik heb al veel geleerde Heeren in ons land gevonden, die myne stellingen approberen.”124Aan Leibnitz schreef hij125. „Seker seer verstandig Heer in onze stad, seyde tot my, Leeuwenhoek, gij hebt de waarheyt, maar bij u[76]leven sal zy geen ingang vinden. Ende dus komt het my niet vreemt voor, dat ik in myn leven wert tegengesproken.” In zijne missive van 30 Maart 1683 aan dezen geleerde schrijft hij126: „Ik weet wel, dat myne stellinge omtrent de voorttelinge by eenige gants verworpen werden, gelyk dan ook seker Autheur onlangs uitgegeven heeft een boekje, waarin den selven op telt seventig Autheuren, die geschreven hebben dat alle de vruchten soo van menschen als beesten uit een ey voortkomen” .… „Maar laat nu onsen Autheur dit voegen by zyn 70 Autheuren, ja, laat hem (soo hy wil en kan) met andere tot seventig maal seventig voor den dag komen, die alle het ovarium ofte eyernest vast stellen, en seggen dat het mannelyk saat niet in de baarmoeder werd gestort, ik segge dat sy altemaal gedwaalt hebben, en dat zy nog alle dwalen, die seggen, dat menschen en dieren uit eyeren voortkomen ende dat geen mannelyk saad in de baarmoeder komt, ja dat dit al van de onnoselste stellingen syn, die onder de geneesmeesters in swang gaan.” Men ziet het, Leeuwenhoek dorst zijn tegenstanders te woord staan en liet zich niet gemakkelijk uit het veld slaan. Telkens als het pas gaf spreekt hij met groote minachting van de „gewaande eyernesten”, van „dat tuig, dat men eyeren noemt.” Vooral was hij scherp tegen Bontekoe127, die zijne observaties omtrent de zaaddiertjes en de generatie in een belachelijk daglicht had trachten te stellen. In een brief aan de „Royal Society” van 30 Maart 1685128laat hij zich over deze handelwijze van Bontekoe aldus uit:„My is laatst ter hand gekomen een boekje, genaamt „Collectanea medico-physica”, alwaar, Cent. 5 pag. 8, onder ander geseid werd: „Maar het allerverwonderenste is, dat ons den geleerden Heer Cornelis Bontekoe verhaald uit den curieusen Leeuwenhoek, dat ’s menschen sperma vol soude zyn van kleine[77]kinderkens, en soo voorts en andere dingen na yders aard.” Waarna hy laat volgen: „’t Is waar dat de Heer Bontekoe my veel maal met geselschap is wesen besoeken, maar ik heb nooit tegen hem, ofte tegen iemand ter wereld, die redenen gebruikt, dat ’s menschen sperma vol is van kleine kinderkens, maar wel geseid, dat het vol is van levendige dierkens of wormkens die lange staarten hebben”.…Ik moet dan klaagsgewijze zeggen, hoe dat men myne redenen niet alleen verdraait, of die qualijk voort seid, maar zelfs die op het papier met den druk komt gemeen te maken.”Als een staaltje van de wijze waarop de waarnemingen van Leeuwenhoek zoowel van het ontdekken der diertjes in het water, als in het sperma werden gecritiseerd diene het volgende curieus versje, dat ik in een oud geschrift129vond. Daarin wordt op ironische wijze de bewering van Leeuwenhoek van het vinden van levende diertjes in verschillende vochten enz. en dat hij wormen meende te zien, waar anderen niet het minst daarvan konden bespeuren gehekeld, de schrijver is overtuigd dat men over zijne waarnemingen hetzelfde oordeel kan vellen dat Dr. Becker in zijn „Närre Weisheit und weise Narheit”, 1682, no. 38 heeft aangevoerd:„DieWeltstill steht,Und nicht umgeht,Wie recht die Gelehrten meynen;Ein jeder ist Seines Wurms vergewyzt,Copernicus des Seines,Und also Herr Lewenhoeck des Seinen”.Onder de scherpste tegenstanders van Leeuwenhoek, nietalleenbij zijn leven, maar zelfs na zijn dood, moet men zijn land- en tijdgenoot Hartsoeker rekenen. Deze geleerde, wiens[78]scherpe critiek zelfs mannen als Bernard, Leibnitz, Newton en anderen niet spaarde, had zich de moeite gegeven, om na den dood van Leeuwenhoek zijne brieven te onderzoeken. Hartsoeker heeft dit onderzoek geplaatst achter zijn „Cours de Physique, accompagné d’un extrait critique des lettres de Mr. Leeuwenhoek,” welk werk in 1730 bij Jan Swart te ’s Hage, na den dood van Hartsoeker, is in het licht gegeven.Dit critisch onderzoek draagt het karakter van persoonlijken wrok en geringschatting, waarvan de proeven schier op iedere bladzijde te vinden zijn.Een paar voorbeelden van de wijze, waarop Hartsoeker gewoon was in zijn „Extrait critique” de waarnemingen van Leeuwenhoek te critiseeren, zullen voldoende zijn, om zijn scherpen toon te leeren kennen.Van de brieven in het algemeen sprekende, zegt hij daarvan, dat zij geschreven zijn „dans un stile bas et rampant” hoewel hij niet nalaten kon te erkennen, dat zij „contiennent parmi quantité d’observations inutiles etchimériques, quelques unes de très bonnes et qui servent à l’avancement des sciences.”Hij spreekt verder met minachting van zijn persoon, en niet zonder jaloezie, wegens de onderscheiding die hij van anderen ondervond: „Je n’ai jamais été surpris qu’un homme commenôtreauteur, dont le genie étoit assurément au dessous du médiocre, ait parlé comme il a fait des globules du sang, du lait etc.; mais mon étonnement a été bien grand de voir que de célèbres médecins et professeurs en philosophie et en médecine, l’ont cité avecélogesur sa belle découverte des pretenduës boules, et ont adoptésongalimatias.”Dat ook Leeuwenhoek zelf niet vriendschappelijk gezind was ten opzichte van Hartsoeker kan blijken uit de volgende passage uit het genoemde „Extrait critique”. „J’ai été trois fois chez lui. J’y fus la prémière fois avec un bourguemestre de Rotterdam et avec mon père vers la fin de l’année 1672, ou au commencement de l’année 1673, dont il s’est fort bien souvenu comme on le verra dans la suite. J’y fus ladeuxièmefois seul, vers la fin de l’année 1679 à mon retour de Paris. Cette visite, que je lui rendis, moité dans la ruë et moitié a[79]l’entrée de sa maison, m’attira son disgrace et m’en fit un ennemis capital, à cause que je lui fis sur ses ridicules anatomies, quelques objections aux quelles il ne pouvoit me répondre. Comment faites-vous, lui disois je, pour disséquer, par exemple, une puce, et qui plus est, une mite, pour tirer les testicules de leur corps, pour ouvrir ces testicules et en ôter la semence, enfin pour voir que cette semence est remplie de petits animaux en forme de petites anguilles fort longues et fort minces; de quels verres vous servez vous pour faire cette anatomie? Si le verre est petit, vous n’avez pas assés de lumière, parce que vous le cachez à vous même; s’il est grand il ne grossit pas assés. Mais de quels couteaux vous servez vous? Celui qui auroit le tranchant le plus fin et le plus aigu écraseroit le vaisseau plutôt que de l’ouvrir .… et la dessus s’ennuiant sans doute de mes objections, il me congédia assez brusquement, disant qu’il avoit d’autres affaires.”Zijn derde en laatste bezoek bracht hij aan Leeuwenhoek in 1697 of 1698. Hartsoeker was toen in gezelschap van den Burgemeester van Delft, wien hij verzocht had zijn naam niet te noemen.Leeuwenhoek had tot ontvangst zijner gasten alles in gereedheid gebracht, ten einde hen eenige praeparaten te laten zien. De burgemeester niet aan dit verzoek van Hartsoeker denkende, stelde hem aan Leeuwenhoek voor, waarop Leeuwenhoek, zoo zegt H., in zijnExtrait critique: „me regardant avec un air dédaigneux, et d’un oeil d’indignation et de mépris, serra d’abord toute la boutique, sans vouloir nous faire voir la moindre chose, et peu s’en fallut qu’il ne nous mit par les bras hors de sa maison.”Aan het slot van de critiek zijner brieven gekomen, zegt Hartsoeker, in de beoordeeling van zijn laatsten brief, vol van scherpte en persoonlijke antipathie: „Tout ce qu’il y dit a été dit et redit mille fois, de sorte que ce ne sont qu’autant de parôles perduës; et pour ce qui est des figures qu’il a fait graver de ses observations, elles ne signifient rien du tout, et ne representent que des traits confus”.Blijkt nu uit al het aangevoerde, dat Leeuwenhoek, wegens[80]zijne ontdekkingen en vooral zijne „speculatiën” over de voortteeling, veel tegenspraak ondervond en dikwijls aan hevige aanvallen blootstond, aan den anderen kant had hij ook warme voorstanders onder de beroemdste en geleerdste mannen van zijn tijd. Hiervan blijkt ons vooral uit eene correspondentie met Leibnitz, d.d. 28 September 1715130. Deze had hem namelijk geschreven, dat de geleerde Vallisnieri te Padua zijne stellingen ontkende en dat hij (Leibnitz) weldra een werk dacht uit te geven over dit onderwerp, waarin hij hem recht zou laten wedervaren. Leeuwenhoekantwoordde: „Wij hebben in ons lant een spreekwoort, dat ééne bonte kraaij geen koude winter maakt, is de Heer Vallisnieri tegen myne stellinge, daar syn der wel duyzent voor my.”Van deze uitspraak van Leibnitz ten gunste van de stellingen van Leeuwenhoek, alsmede van zijn groote verdiensten, blijkt ons nog nader uit eene verwijzing naar het boven bedoelde geschrift, de „Theodicae” van Leibnitz, waarin hij werkelijk deze theorie van Leeuwenhoek verdedigt.In een door Prof. C. G. Ehrenberg in 1845 gehouden redevoering in de vergadering van de Pruisische Akademie van Wetenschappen, ter herdenking van den geboortedag van Leibnitz131, wordt namelijk door genoemden geleerde met de hoogste achting over Leeuwenhoek gesproken, als van iemand, op wiens oordeel als nauwkeurig, scherp waarnemer, Leibnitz zeer hoogen prijs stelde.Na eene korte vermelding van de tusschen Leeuwenhoek en Leibnitz gevoerde correspondentie in de jaren 1715 en 1716 (toen de laatste 60 en Leeuwenhoek reeds 84 jaren oud was), voornamelijk bevattende de gevoelens van den laatsten, in antwoord op door Leibnitz aan zijn oordeel onderworpen vragen,[81]omtrent de physiologische beteekenis derspermatozoïden, zegt Ehrenberg, dat Leibnitz getuigde: „dat hij de meeningen van Leeuwenhoek over dit vraagstuk voor zeer waarschijnlijk hield en die ook in zijn Theodicae132had uitgesproken.”Ehrenberg zelf noemt in genoemde redevoering Leeuwenhoek’s ontdekkingen der infusoriën in het water en derspermatozoïdenin het mannelijk sperma, „twee der schitterendste en onvergankelijkste ontwikkelingsmomenten der menschelijke kennis.” Ehrenberg zegt aldaar verder van Leeuwenhoek, dat hij niet, zoo als Haller in zijne beroemde physiologie aangeeft, een voormalig brillenslijper te Delft was geweest, „maar een onafhankelijk, zonder strenge school gevormden, maar door Boerhaave en Huygens, zijn hoogstverdienstelijke landslieden, persoonlijk geachten, met vele beroemde mannen van zijn tijd en ook met Leibnitz in schriftelijke verbintenis staanden man, de onafhankelijke zoon van een welvarende brouwersfamilie te Delft, wiens wetenschappelijke trouw, vlijt en geniale ontdekkingen alle erkentenis en eer verdienen.”Leeuwenhoek werd door Leibnitz nog in zijn, na zijn dood uitgekomen „Protogeae”, in het bijzonder met de volgende woorden, welke als antwoord en dankbetuiging moesten strekken voor den laatsten aan hem gezonden brief, herdacht:„Et velim microscopia ad inquisitionem adhiberi, quibus tantum praestitit sagax Leeuwenhoekii Philosophi Delphensis diligentia, ut saepe indigner humanae ignaviae, quae aperire oculos et in paratam scientiae possessionem ingredi non dignatur. Nam si saperemus jam passim ille imitatores haberet”133.Omtrent het gunstig oordeel van Boerhaave over de stellingen van Leeuwenhoek, zegt hij in een zijner brieven: „de Heer Boerhaave in syn oratie, verwerpt onder andere de stellinge[82]van verscheyde Heeren omtrent de voortteelinge, en seyt dat de myne in Italiën, Duytslant, Engelant, ende Vrankryk, werden aangenomen.”Leeuwenhoek achtte het vooral noodig de bedenkingen, die bij de leden der „Royal Society” tegen het groot aantal diertjes door hem in het sperma waargenomen, gerezen waren, te wederleggen. Hij deed dit in een brief aan Nehemiah Grew, d.d. 25 April 1699134en zegt daarin het volgende: „en alhoewel in myn selven versekert dat dese myne verhaalde observatiën by weynige menschen sullen aangenomen worden, nademaal het onmogelyk is, sulken grooten getal van levende schepsels in soo een quantiteit materie te bevatten, soo wil ik alle de geenen die het selvige verwerpen, het haar ten goede afnemen, te meer, omdat wanneer ik van het groot getal van levende schepsels in ’t water schreef, by de Koninglyke Societeyt selfs niet konde aangenomen werden. Maar daar ik myne calculatie en eenigsints myn methode van doen beschreef, soo heeft UEd. confrater de Heer Robert Hooke het getal noch vergroot ende my geschreven, dat zyn Koninglyke Majesteit sulks gehoort hebbende, begeerig was om hetselvige te sien, ende dat hy hem beliefde, en de dierkens siende, met verwondering deselve aanschouwde, ende met groot respect van myn naam sprak. Want soo waaragtig, als ik van de dierkens in het water heb geschreven, soo waaragtig schrijf ik van de dierkens in ’t mannelijk zaad van menschen, beesten, vogelen ende visschen, en het sal my genoeg zyn, soo ik maar credit by UEd. en de geleerde Heeren Philosophen vinde, waaraan ik ook niet en twijffele.”Leeuwenhoek was echter, bij al zijn vasthouden aan hetgeen hij voor waarheid hield, volstrekt niet onvatbaar voor overtuiging, zoo als sommige schrijvers wel eens hebben gezegd. Dit kan, onder meer andere betuigingen van hem in zijne brieven, blijken uit zijne volgende verklaring in een brief aan George Garden135„myn voornemen is niet hartnekkig by myn stellinge[83]te blijven, maar zoo ras, als men my waarschynlyke redenen te gemoet voert, daar van ik een bevattinge kan krygen, dat ik de myne sal verlaten, en tot een ander overgaan, te meer, omdat doorgaans myne tragtingen tot geen ander eynde strekken, als omme waarheyt, soo veel in myn vermogen is, voor de oogen te stellen, die te omhelsen, ende myn kleyn talent, dat ik ontfangen heb, te besteden, om de werelt, van haar Out-Heydens bygeloof af te trekken, ende tot de waarheyt over te gaan, ende die aan te kleven.” En elders136„Ik weet wel, dat in myne stellinge die ik kome te maken, niet alle over een komen, maar tegen den anderen strijdende saaken daar onder gevonden werden, soo sal ik al weder seggen, dat myn doen is, niet langer myn gevoelen staande te houden, tot der tyd en wyle ik beter onderrigt werde of dat myne aanmerkingen my tot andere gedagten doen over gaan en ik sal my noyt schame van dit myn doen af te wyken.” Dat is de taal van een eerlijk, eenvoudig, oprecht gemoed, en onwillekeurig worden wij met eerbied vervuld voor den man, die pal stond tegen onwaardige verguizing en bespotting, maar vatbaar was voor overtuiging. Hoe meer men de brieven van Leeuwenhoek doorleest, hoe meer men versterkt wordt in deze gunstige opinie omtrent hem, die wel niet vrij was van gebreken, gedeeltelijk ook toe te schrijven aan zijne beperkte ontwikkeling, maar die overigens edel van hart en eenvoudig van zin was en daarvan talrijke bewijzen gaf.—Bij het doorlezen zijner brieven treft ons zijn onbevangenheid van oordeel, zijn oorspronkelijkheid in het verklaren en beoordeelen van feiten door hem waargenomen, en zijn helder inzicht in vele zaken, waardoor hij bleek een zelfstandig denker te zijn, die weinig behebt was met de vooroordeelen van zijn tijd, deze, waar hij kon, bestreed en zich alzoo in de eeuw waarin hij leefde, als een man van vooruitgang deed kennen.Vooral werd de lichtgeloovigheid der groote menigte scherp door hem bestreden; dit bleeko. a.als hij in de gelegenheid[84]was te waarschuwen tegen vreemde geneesheeren en het gelooven in hunne hoogdravende aankondigingen van zoogenaamde onfeilbare middelen tegen allerlei kwalen. Hij doet dit met ernst en overtuiging en wij zien daarin het bewijs, dat Leeuwenhoek reeds twee eeuwen geleden wijzer was dan zoo velen van onzen tijd. „Het is te beklagen” zegthij137„dat veele menschen in ons lant soo ligt-geloovig zyn, want laat maar een vreemde geneesheer in ons lant komen, die sig selven beroemt van groote cure gedaan te hebben, gelyk ze gemeenlyk doen, en haar roemen met veel leugens weten op te pronken. Dit pochen en snorken vint veeltyds niet alleen ingang by den gemeenen man, maar het gaat ook over tot luyden, waarvan men een beter oordeel verwagte; en als men deze vreemde opsnuyvers omtrent saken, die ze behoorde te weten, komt aan te spreken, bevind men haar slegte knegten te zijn. Eenigen tijd geleden en is in ons land gekomen, een grooten, botten opgever en leugenaar, zynde een Hoogduytser, die sig beroemde, door syn poeder „Sympatie”, alle gebreken die men hem kwam te noemen, te sullen genesen. Dezen pofhans die bragt men uyt een nabygelegen stad, met een karos aan myn huis, opdat ik soo een wonderlyke geneeser soude aanschouwen; dese syne geneesinge bestond alleen door syn poeder Sympatie te gebruyken op de urine van de lyder. Nadat ik de opsnorkinge van geneesinge in ’t breede soo lang hadde aangehoort, dat het my verveelde, versogt ik de vryheid te mogen hebben, om myne gedagten soo als ze by my lagen, te uytten, dat my wierd toegestaan, waarop ik, sonder veel omwegen, op het eerste seyde, dat wy Hollanders sulks niet en sullen gelooven, enz. en op het tweede dat ik het agte een onmogelijkheid, en dat alle, die sulke taal voeren, door my voor desen was geseyt, en nog staande gehouden wierd, dat het maar bedriegers syn; in ’t kort, hy verhaalde soo vele geneesinge en door sulke wegen, die geen de minste schyn van waarheden konnen hebben, en die by alle verstandige verworpelyk syn. Ja soodanig, dat ik my schaamde over syn onnoselheid, en gelyk ik voorseyd hadde, dat ze alle sullen[85]bedrogen werden, die met hem aanslaan, gelyk gevolg sulks geleerd heeft, want hy is met schande vertrokken”.… „Is ’t niet miserabel”, zegthijiets verder, „dat onse natie haar aan sulke menschen overgeven, daar ze ten genoege konnen gedient werden van oude ervaren geneesmeesters, onze inboorlingen en die door de bank meer begaaftheden bezitten, als de vreemde die we behaamt hebben” .… „Ons leert de ondervindinge hoe onervarender in konsten en wetenschappen, voornamentlijk in de genees- en heelkunde, hoe grooter roemers.” Ten slotte betuigt hy het zyn roeping te achten tegen al dergelyke dwaling te stryden en te waarschuwen: „dese opmerkinge komende van iemant die de waarheden omhelst en de werelt, soo veel als in syn gering vermogen is, van de dwalinge ende het vooroordeel, die niet als te veel nog in swang gaan, af te leyden.”Het blijkt dat Leeuwenhoek’s helder oordeel en zijn kennis van vele zaken door zijne stadgenooten en ook elders langzamerhand algemeen bekend was geworden en men hem over allerlei aangelegenheden kwam raadplegen. Zoo werd hij niet zelden door geneesheeren geraadpleegd over verschillende verrichtingen in het menschelijk lichaam en trachtte hij meermalen hunne in zijn oog verkeerde denkbeelden, door bewijzen te wederleggen, waarbij hij zich niet altijd van zekere bijtende scherpte onthouden kon, want hij was een man, die zonder aanzien des persoons zijn gevoelen rond weg uitsprak en wien, zoo als men zegt, het hart op de tong lag. Niet zelden geraakte hij dan ook met hen aan het discuteeren en veroordeelde met scherpte hunne verkeerde zienswijzen. Men oordeele over de volgende staaltjes138. „Weynige dagen geleden, kome ik by eene vrouwe, die eenige kleyne uytsypelinge van vogtigheden, beneden aan het been hadde”.… „Om nu het verhaalde ongemak te genezen, hadde seker geneesheer alle syne bedenkelyke middelen in ’t werk gestelt dog alles te vergeefs en tusschen beyde verscheyde purgeerende medicamenten ingegeven, onder anderen had ze een dag à twee daar te vooren een kleyn poeyertje ingenomen, waarvan ze wel agt afgangen hadde gehad. De geneesmeester sulks[86]geseyt werdende, bekende dat het te veel ware, en dat drie afgange genoeg hadde geweest”.… „De lydster is van geen starkte en daar by mager en gelijk wel 25 andere geneesmeesters, haar souden aanraden het matelyk theedrinken, soo verbied sulks haar genees-meester. Dese mishandeling van stark purgeren en hoorende dat haar ligchaam met roode puysten was uytgeslagen geweest, dede my uytbarsten met een hevigheid te seggen, soo een swak ligchaam soo een poeyer in te geven, sulken werkinge te veroorsaken is eer een moortmiddel, dan een geneesmiddel. Naderhand versta ik, dat het poeyertje, dat de afgange hadde veroorsaakt, omtrent een aas zwaarte heeft gewogen, dat geen tienduysenste gedeelte van een pont is. Als nu soo een kleyne quantiteit stoffe, sulke beweginge in maag en darmen kan te weeg brengen, mogen wy niet met regt soodanige stoffe een „Moortpoeder” noemen”?Nog verhaalt hij139dat zeker Doctor in de medicynen hem een papiertje vertoonde, waarin eenige kleine deeltjes waren, door zekere jufvrouw in haar urine geloosd, met verzoek die te examineeren. Hij beschouwde deze voorwerpen door zijn microscoop en bemerkte al dadelijk, dat het zaadjes uit de aalbes waren. De geneesheer, die hij dit mededeelde, wist daar geen verklaring van te geven, en scheen niet ongenegen om de zaak voor mogelijk te achten, doch Leeuwenhoek bewees duidelijk, dat zulke zaadjes onmogelijk door de maag en ingewanden in de blaas konden geraken, maar was van gevoelen, dat eerder een der dienstboden die zaden in den waterpot zou geworpen hebben,„om door sulk doen, haar juffrouw te meerder kon beklaagt werden.” „Wij vinden menschen,” vervolgthij, „die de naam wel willen dragen van doorgaans siekelyk te syn, omdat men haar beklagen en medelyden souden hebben.”Van wege de „Royal Society” werd hem het onderzoek van haren opgedragen, die zeker geneesheer uit Pleymouth, Yonge genaamd, aan dat collegie had toegezonden, met mededeeling dat deze haren, volgens zeggen, door eene vrouw in hareurinegeloosd waren. Hij voldeed aan die opdracht en ontdekte dat[87]het niets anders was dan schapenwol, zoodat hier bedrog in het spel was140.Leeuwenhoek verhaalt in dienzelfden brief nog een ander geval, waarin hij verzocht werd een steen te onderzoeken, die door zekere vrouw zou geloost zijn en waarvan hij het bedrog onmiddellijk aantoonde. „Een seker vrouwspersoon,” zoo verhaalt hij, „maakte de onnosele menschen wys, dat zy verscheyde steenen, door ordinaire waterloosinge, met smert quyt wierde. Dit geloofde ook in die tijd seker geneesmeester, en ook eenige kerkelyke personen, soo dat vele medelyden met haar hadde, en groote opschuddinge in de stad maakte. Seker geneesheer (dien hij echter niet noemt waarschynlijk om de lichtgeloovige te sparen) gaf my soodanigen steen in de hand, om die te examineren. Maar ik gaf hem aanstonts over, nadat ik alvooren met myn sleutel op deselvige hadden geslagen, en daardoor met het bloote oog gesien, dat het een stuk van een gebakke vloersteen was. En sulks wierd ook by eenige Hooge-leeraars, die deselvige ten proeve hadden gestelt, bevestigt, en sedert dat deze valsheyt ontdekt was, heb ik niet gehoort, dat sy meer veynsde steenen quyt te worden.”Overigens was zijn oordeel over geneeskundigen en het gebruiken van geneesmiddelen alles behalve gunstig. Hij was te zeer gewoon geraakt om de verrichtingen in het dierlijk lichaam nategaan en zal daar zeker veel over gelezen hebben, zoodat hij zich over de werking der geneesmiddelen een eigen oordeel en verklaring gevormd had, en vooral over de verandering, die het bloed door vermenging met zekere zouten onder het microscoop ondervond. Hij meende dan ook, dat het op gelijke wijze inwendig een dergelijken invloed zou ondervinden; vandaar dat hij vele ongesteldheden toeschreef aan den te dikken toestand van het bloed, zoodat het te traag door de nauwe capillaire buisjes vloeide. Hij meende dat veel drinken deze dikke bloedmassa weder zou verdunnen en paste deze theorie dan ook getrouwelijk op zijn eigen lichaam toe; zoo was zijn gewoonte141[88]als hij des avonds wat overvloedig gesoupeerd had, den anderen morgen meer dan gewoonlijk koffie te gebruiken en wel zoo heet en schielijk mogelijk, ten einde zweeten te bevorderen, „en soo door sulk doen” zegt hij, „mijn lighaam niet kan herstelt worden, een gantschen Apoteecq, beeld ik my in, sal soo veel tot herstelling van myn lighaam niet konnen uytleveren, en dit is ook het eenigste middel, die ik sedert veel jaren hebbe in ’t werk gestelt, als ik een koorts gewaar werd, alleen met dat onderscheyd, dat ik my ook door thé-drinken soo doe sweeten.” Na eene lange redeneering over de gevolgen van het te dik zijn van het bloed, de vertraging der circulatie en het ontstaan hierdoor van allerlei ongesteldheden, besluit hij met de volgende, gansch niet malsche tirade, waarbij ook de Apotheker zijn deel krijgt:.… „Dit soo synde, is het te beklagen, dat de geneeskunde geoeffent werd van soo veele, by de welke geen goet oordeel is, want wat Apoteeker, wat Chirurgyn isser, die sig niet onderwint in geringe voorvallen, purgeerende saaken in te geven, en dit is by veele het eenigste dat sy verrigten konnen, waardoor ze veele haar eynde komen te verhaasten, want de meeste hebben gants geen kennis van het maaksel van ons lighaam, veel min dat ze de bequaamheid hebben, om de sieke wel te ondervragen, en dan te overwegen waaruyt de ongemakken syn voortkomende. Het werd by eenige geoordeelt datter geneesmeesters gevonden worden, die maar om welstaans wille en als niet te vergeefs by de sieken te komen, het eene ofte het andere ordonneeren, en ten anderen, omdat ze de medicamenten souden leveren, of ook wel om de Apoteeker gelt in de beurs te jagen”.… Zelf had hij dan ook weinig vertrouwen in de geneesheeren en was er niet toe te brengen, bij voorkomende ongesteldheid, geneesmiddelen te gebruiken. „Wat my belangt,” zegt hy, „wij sullen wel wagt houden, dat soodanige moort-poeders142uyt ons lighaam blyven, en ook wel wagten voor alle geneesmeesters, die diergelyke lighaam schade[89]toebrengende, sulke saaken in ’t werk stellen. Want soodanigen medicament berooft het lighaam van de dunne stoffe, die de menigvuldige vaatgens, leggende in de holligheden van de darmen, uyt de chyl soude overgenomen, ons bloet en andere sappen verdunt, en voedsel toegebracht hebben. Ook blykt klaar, dat meest alle de geene die heden door purgeren verscheyde afgangen hebben gehad, des anderen daags hardlyvig sullen syn, welke hardlyvigheid alleen veroorsaakt werd, beeld ik my in, omdat het lighaam des daags te vooren, door het ontydig wegstooten van de chyl, gebrek aan genoegsamen vogt geleden heeft, nu alle de vogt uyt hetgeene men genuttigt heeft, soodanig uit het lighaam heeft overgenomen, dat de excrementen hard syn.”Ook had hij dikwijls langdurige gesprekken met geneeskundigen over de voeding en de verteering der spijzen, over de circulatie van het bloed door het ligchaam en over de bestrijding van de toen heerschende meening, dat het bloed, door de lucht die in de longen door het inademen komt, in een gistenden toestand geraakt. Hierover laat hij zich aldus uit143: „Ik heb sedert eenige jaren tegen verscheyde doctoren tragten staande te houden, dat ’er geen fermentatie in het bloed is, en onder anderen ook op wat manier ik my imagineerde, dat het bloed door het lighaam wierd voortgestooten, hoe hert en pols in een koortsige stark slaande, egter de circulatie van het bloet (meest) langsamer is; hoe onse vlees draatjens, schoon er geen bloedvaatjens door loopen, egter van het arteriaal bloed gevoed werden; hoe de spys in de maag en darmen verbryselt werd. Onder de doctoren was er een die my meenigmaal quam besoeken; dese verhaalde in presentie van andere Heeren, dat hy een groot gevallen had gehad in myne stellinge; dat hy laatst van my vertrekkende met nog een doctor, die in ’t geselschap was, den gantschen nagt, over myne redenen, die ik gewisselt had, hadde gephilosopheert; dat hy daarover soude schryven, maar my de eer soude geven, alsoo hy met een ander zyn gedagten niet wilde pronken.”Leeuwenhoek had echter ook zonderlinge denkbeelden over[90]sommige zaken; zoo schreef hij de oorzaak, waarom bij voorbeeld azijn en andere zuren een zuren smaak bezaten, daaraan toe, dat de aan beide zijden scherp toeloopende kristalletjes, die hij onder het microscoop waarnam, als hij azijn op een glaasje van zelf liet verdampen en die hij „het zout van den edik” (azijn) noemde, met deze scherpe of nijpende deelen op den tong prikken en het gevoel veroorzaken, dat wij zuur noemen! Eveneens schrijft hij het gevoel van hitte of branden van de peper op de tong toe, aan de scherpe naaldvormige kristallen, die hij door aftrekken van peper in water onder het microscoop bekwam en die hij de „soutdeelen der peper” noemde; deze deelen nu zouden dan met hun scherpe deelen zoodanig op de tong of in den mond steken, of kwetsen, dat men daardoor de bekende heete of brandende smaak ondervond. Zoo ook schreef hij de vergiftige werking der kwikzouten daaraan toe, dat de puntige scherpe uiteinden der microscopische kristalletjes, de darmwanden en bloedvaten verwondden en daardoor dikwijls de dood veroorzaakt werd!De zoete smaak werd volgens Leeuwenhoek veroorzaakt, doordat de deelen van de suiker, hoewel uit scherpe punten of hoeken bestaande, in het vocht van den mond de scherpte verliezen en eene zoo zachte buigzame gedaante aannemen, dat, wat zij op de tong ontmoeten, daarvoor buigen moet waardoor deze zoo aangenaam daar zijn, dat zij ons den smaak van zoet doen gevoelen144.—Vragen van allerlei aard werden dikwijls aan zijn oordeel onderworpen en men ging zelfs zoo ver, dat men aan hem de kennis over verborgen zaken toeschreef, oordeelende dat de ontdekkingen, die hij bekend maakte, tot de onmogelijkheden behoorden en alleen met behulp van geheime kunsten konden bewerkt worden. „Ik weet wel,” zoo zegt hij in een brief aan zijn neef Dr. Abraham van Bleyswyk145,„dat dit mijn schrijven bij eenigen niet zal aangenomen werden, als oordeelende dat de geseyde ontdekkingen onmogelijk zijn te weeg te brengen;[91]maar ik trek mij zoodanig tegenspreken niet aan. Men seyt tegenwoordig by de onverstandige nog van my, dat ik een tovenaar ben; ende dat ik de menschen vertoon dat ’er niet en is, dog het is haar te vergeven, zy weten niet beter.”Allerlei onderzoekingen werden hem opgedragen, door aanzienlijke stadgenooten, geleerden, corporatiën en handelaars. Ieder stelde prijs op zijn ervaring en doorzicht en hij was er de man niet naar om een onderzoek, dat hem was opgedragen, niet met ernst te ondernemen, of te rusten, voor dat hij een bevredigend resultaat van de hem voorgestelde onderzoekingen kon geven. De Royal Society noodigde hem onder anderen in 1680 uit om zijne proeven, over de werking van sommige scheikundige praeparaten, waarover hij reeds vroeger zijne bevinding had medegedeeld, voort te zetten. Zij voegde er bij „dat zijne speculatiën over dit onderwerp ten hoogste waardig waren om verder te worden vervolgd ter ontdekking der verborgen werking der geneesmiddelen in het menschelijk lichaam.” Zij bevalen hem dit onderzoek aan met hartelijke toewensching van een goed succes146.Leeuwenhoek bleef niet in gebreke aan die vereerende opdracht te voldoen. Dit onderzoek bepaalde zich bij de waarneming met het microscoop van de verandering die de bloedlichaampjes ondervonden, als zij met sommige stoffen, vooral sal volatile oleosum werden vermengd. Hij zag dan bij dit laatste dat het bloed dadelijk eene veel lichter roode kleur verkreeg, terwijl hij waarnam dat de bloedlichaampjes binnen een kwart minuut verdwenen waren. Deze kleursverandering en oplossende werking moet aan de ammonia worden toegeschreven, waaruit dit praeparaat hoofdzakelijk bestaat, zijnde een mengsel vanammonia liquida, met barnsteen-, muscaatnoot-, anijs-, en kaneel-olie.Paulus Hermanus, Hoogleeraar in de Kruidkunde te Leiden, stelde zijn groot cabinet van zaden voor hem open, daar hij Leeuwenhoek’s belangrijke waarnemingen omtrent de structuur van het hout en andere merkwaardige onderzoekingen betrekkelijk de planten-physiologie waardeerde en persoonlijk met hem bekend was. Hij noodigde Leeuwenhoek uit de zaden, die hem behaagden,[92]ter onderzoeking er uit te nemen. Onder meer andere viel zijn aandacht op het „Carpok-zaad”, hetwelk hij beschrijft147als de zaaddragende vrucht vanPanjala sive Arbor lanigera Bontii, in den „Hortus Malab.” T. III pag. 59. Wij maken hier alzoo kennis met dezelfde stof, welke wij als kapok kennen148.In het jaar 1685 werd door Constantijn Huygens zijn oordeel gevraagd over de mogelijkheid, dat boomen, omgekeerd in de aarde geplant, wortelen, en de takken en bladeren in den grond tot wortelen zouden kunnen groeien149. De bewoordingen van dien brief van den beroemden Huygens zijn zoo vleiend voor Leeuwenhoek en getuigen zoo zeer van de hooge achting, die Huygens voor hem koesterde, dat ik mij niet kan onthouden deze hier in te voegen.Hage den 17 December 1685.Monsieur Leeuwenhoek,Ik en werde nooyt moede UE. onvermoeyde neerstigheyt te pryzen, in ’t ondersoek van geheymenissen die weynig van onse voor-ouderen in gedachten syn gekomen, en veele van onse nakomelingen tot een licht en spoor sullen strekken, om dieper en dieper waarheden op te delven. UE. is daartoe tegenwoordig op een fraay pad, daar van niet ligt en behoort te scheyden; soo groot is ’t gevolg van aller dingen eerste begintselen, soo UE. meer en meer staat gewaar te werden.Ik weet niet of gy ooyt kennisse hebt gehadt van het planten van boomen averegtsom, soo dat de wortelen in de lucht tot takken uytgroeyen. Verstaat Lindenboomen. Tot nog toe en hebben ’t myn hovenieren niet te wege konnen brengen. Maar myn autheur is al te aansienlyk om my daer aan te laten twyfelen.[93]Dat was voor eenige jaren den HeerChurfurstvan Brandenburg hier synde met syn tweede Churfurstinne, die my beyde in vollen ernst confirmeerden, menigte van experimenten van sulke wortel-boomen onder haar gebied te hebben, uytstekende in groote wijdte, boven het gewoonlyk gewas. Myn zoon van Zeelhem150sedert met syn Hoogheyt in die landen geweest, verklaart er sig mede getuyge af.UE. discoursen van ’t gewas van de boomen en kruyden hebben my dit weder in gedenken gebragt. UE. kan der op speculeren en bedenken hoe het overeen kan gebragt werden, met hetgeene UE. ondervind in de maximen van de nature u soo verre bekent. Ik blijveUw altoos dienstwillige vriend en dienaar,C. Huygens, V. Z.Leeuwenhoek oordeelde dat dit zeer wel kon, als de klapvliezen (schuinloopende streepen) in de groote vaten zoo ver konden gebracht worden, dat zij door het opgestooten vocht, averechtsom gedrukt werden, en dat hij dit reeds twintig jaar geleden bij een wijngaard had opgemerkt, waarvan hij eene jonge plant in het midden dwars doorsneed en den een onderst boven naast den anderen in den grond plantte, en nadat deze wijngaart twee a drie jaren gestaan had, kon hij geen onderscheid aan beiden zien en droegen beiden goede vruchten. Ook liet hij nu in zijn tuin twee jonge lindeboomen planten, de een op de gewone wijs en de andere met de wortels naar boven, welke laatste, hoewel aanvankelijk trager in het groeien, zich toch later goed ontwikkelde en wortelde.In 1690 onderzocht hij de zoo schadelijke insecten, die hunne eieren in het koren leggen en zoo doen ontstaan wat men gewoonlijk de klander noemt.Het wormpje door de korenkopers en bakkers „wolf” genoemd, beschrijft hij uitvoerig, gaat zijn metamorphose na, totdat het als een vliegend motje uit het omwindsel van de pop te voorschijn komt. Hij had opgemerkt dat eenige dezer motjes, die[94]hij in een glazen buis had gesloten waarin hij de damp van brandende zwavel had laten komen, daardoor stierven. Aanstonds was zijn practische geest gereed dit verschijnsel in het groot toe te passen op het verdrijven van deze plaag van de graanzolders. Uit de grootte van het buisje dat hij gebezigd had en de hoeveelheid zwavel door hem gebruikt, maakte hij eene berekening hoeveel zwavel er noodig zou zijn, om een korenzolder te zuiveren en vond dat daartoe een pond zwavel voldoende was, als men dit in twee a drie potten op den zolder geplaatst liet verbranden, waarbij dan alle openingen goed gesloten moesten worden; deze zwaveling moest men doen zoodra de motten bespeurd worden en vóór dat zij in de gelegenheid waren eieren te leggen, en deze bewerking eenige dagen achter elkander volhouden151.Deze zelfde zuiveringsmethode paste hij ook toe, naar aanleiding van een verzoek van Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie, om maatregelen te beramen tegen den worm in de muscaatnoot. Hij was van oordeel, dat, wanneer de zolders, waar de nooten bewaard werden, alle maanden goed werden gezwaveld, de levende insecten, die uit de wormen kwamen, zouden gedood en dus het verder doorknagen der nooten zou voorkomen worden. Ook achtte hij het zwavelen van het ruim der schepen, waarin men de nooten inlaadde, zeer dienstig, ter verjaging van dit en ander ongedierte152.In 1696 werd hem door Nicolaas Witson, President Burgemeester van Amsterdam, uit naam van Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie, het onderzoek opgedragen van een mineraal uit Tartarije afkomstig. Dit bleek hem bij verhitting in een glazen buis veel lood te bevatten. Later onderzocht hij nog een ander uit Sumatra en vond daarin goud en zilver, benevens zwavel, dat hij in een gesmolten toestand verzamelde153.Hij onderzocht ook het katoenzaad en merkte onder anderen op dat het veel olie bevatte, en dat men, door die af te[95]zonderen, er een groote hoeveelheid van in den handel zou kunnen brengen, ten einde voor velerlei doeleinden gebruikt te worden154. Tarwe, rogge, gerst, boekweit en een menigte andere zaden werden door hem ontleedkundig onderzocht en tevens de zetmeelbolletjes er uit afgezonderd, die hij nauwkeurig beschrijft en afbeeldt; dit deed hij ook van rijst, boonen, erwten, enz. en beschreef de verandering, die zij ondergaan, wanneer zij, na met water verwarmd te zijn, door het microscoop beschouwd worden155. Verder ontdekt hij dat het onderscheid tusschen witte en zwarte peper alleen daarin gelegen is, dat de laatste het onrijpe zaad is, nog bekleed met zijn buitenste omkleedsel terwijl de inwendige rijpe witte korrel de witte peper is, die dan ook krachtiger is dan de onrijpe zwarte peper156.Belangrijk is ook zijn onderzoek naar het ontstaan en den aard der zoogenaamde galnoten, waarvan hij den waren aard goed waarnam en het insect beschreef, waaraan zij hun ontstaan te danken hebben157. Wij hebben boven gezien dat hij op een zijner portretten, in het bezit van Dr. van Kaathoven, met een met galnoten voorzienen eiken tak is afgebeeld, hetwelk op dit onderzoek doelt. Zulk een met galnoten voorzienen eiken tak vindt men ook in den geciteerden 50sten Brief afgebeeld op blz. 44, met doorgesneden galnoten, en het insect dat wij kennen als galwesp, (Cynips Gallae tinctoriae).Nog vond hij dat het branden of steken der brandnetels veroorzaakt wordt door een vocht, dat zich bij de aanraking der fijne haartjes waarmede de stengels en bladen bezet zijn, daaruit ontlast en in de huid dringt158. Ook het steken der mieren en het brandend gevoel en de opzwelling daardoor waargenomen, schrijft hij toe aan een scherp vocht, dat deze insecten bij het steken uit hun angels ontlasten159.[96]Evenzoo bestudeerde hij het vlies, dat het wit der eieren onder de schaal bedekt en vond dat dit uit onderscheidene zeer dunne vliezen bestond, waarvan hij er acht waarnam160.De vorm der gistcellen ontsnapte evenmin aan zijne nasporingen; hij onderzocht biergist en vond dat die uit zeer vele kleine ronde „globulen” bestond, waarvan er dikwijls 2, 3 en 4 samen gevoegd waren; het is niet te verwonderen dat hij omtrent het ontstaan en den waren aard der gist geen juiste voorstelling had, daar men eerst in veel lateren tijd daaromtrent tot klaarheid is gekomen. Hij beschrijft ze als door de hitte van het water „ontdane deeltjes van de tarwe, gerst, enz. die, als het bier koud geworden was, weder stremden en alzoo de zeer kleine deeltjes of globulen in het bier vormden”.Aan Leeuwenhoek komt ook de eer toe het eerst zoetwater-polypen (?) te hebben waargenomen, doch de hier volgende beschrijving toont, dat het door hem waargenomen dier geen zoetwater-polyp kan geweest zijn, maar waarschijnlijk Vaginicola crystallina. Hij deelde deze waarneming mede aan de Royal Society in zijn missive van 4 November 1704161, terwijl hij in een anderen brief, eveneens aan dit collegie, d.d. 28 Juni 1713162het maaksel van dit diertje, dat in een kokertje, onder aan eendekroos vastgehecht, geplaatst was, beschrijft. Hij deelde mede dat dit kokertje aan het uiterste einde iets dikker was dan een hoofdhaar en bestond uit kleine ronde bolletjes. Hij zag dat als het diertje zijn lichaam uit het kokertje bracht en de raderen en tandsgewijze deeltjes in het rond bewoog, er dan zulk een rond deeltje uit eene doorschijnende plaats te voorschijn kwam, welk deeltje, in grootte toenemende, zeer snel om zijn as draaide en onveranderlijk zijn plaats bleef behouden, tot zoo lang het diertje zijn lichaam voor een gedeelte in het kokertje plaatste en dit alzoo met een rond bolletje vergroot werd. Door[97]de groote beweging, die het diertje met zijn raderwerk in het water teweegbracht, werden vele kleine deeltjes naar hetzelve heengevoerd, die het met groote gulzigheid tot zijn voedsel bezigde. Hij beschrijft verder nog eene andere soort, die met een „langen staart”163aan de worteltjes van het eendekroos waren vastgehecht, en die, door het uiterste van hun lichaam snel rond te draaien, het water in groote beweging brachten. Deze konden hun „staart” snel in- en uittrekken, waardoor het water van plaats veranderde, en zij gelegenheid hadden hun voedsel tot zich te trekken. Hij zag er nog andere, die veel grooter waren, met een kort en dik lichaam, die eveneens met een „staartje” aan het kroos vast zaten; deze konden zich verplaatsen en maakten met het voorste gedeelte van hun lichamen eene ronddraaiende beweging.

Omtrent den doortocht van het bloed door de slagaderen in de aderen ontstond reeds in den tijd van Harvey grooten strijd. De tegenstanders van dezen grooten physioloog wierpen hem tegen, dat wanneer het bloed direct uit de slagaderen in de aderen overging, het de deelen, waardoor het heen vloeide niet zou kunnen voeden. Het vraagstuk was nog onbeslist, toen Leeuwenhoek in 1686 aan de „Royal Society” een brief schreef, waarin hij, in strijd met de opinie van Harvey, meende te hebben ontdekt, dat de doortocht van het bloed niet onmiddellijk uit de slagaderen in de aderen plaats had101. Later echter, in 1698, toonde hij, na zorgvuldig microscopisch onderzoek, duidelijk den samenhang van de slagaderen met de aderen aan en wilde zelfs geen haarvaten tusschen de beide genoemde vaten afzonderlijk onderscheiden, omdat het, zooals hij zeide, onmogelijk was te bepalen, noch waar de slagaderen eindigen, noch waar de aderen beginnen102. In dit tijdvak stelde men ook de chemische theorie op den voorgrond en wilde men de fermentatie[66]van het bloed als zeker vaststellen, dewijl men bloedlichaampjes voor luchtbellen aanzag.Deze hypothese werd krachtig door Leeuwenhoek bestreden en door vele microscopische waarnemingen overtuigend wederlegd, welke proeven voldingend aantoonden, dat er volstrekt geen luchtbellen in de bloedvaten aanwezig waren, hetgeen zeker plaats zou hebben als het bloed gistte103.Het is, omtrent deze waarnemingen aangaande de bloedlichaampjes wel der vermelding waardig, dat zij den grondslag legden voor de theorie van onzen beroemden landgenoot Boerhaave over de inflammatie en andere ziekten104, terwijl het overigens opmerkelijk is dat een man als Leeuwenhoek, bij gemis aan fundamenteele wetenschappelijke kundigheden, door eenvoudige beschouwing van den poot van een kikvorsch, het oor van een konijn, den staart van een visch enz., een vraagstuk als de bloedsomloop, dat zoo lang in onzekerheid verkeerd had, voor ieder belangstellende zoo aanschouwelijk maakte. Ook zijne observaties omtrent de structuur der capillaire vaten zijn door latere onderzoekers als nauwkeurig erkend105.Behalve bovengenoemde belangrijke onderzoekingen, verdienen zijne waarnemingen omtrent de „beenderen” en de „tanden”, die eveneens tot de eerste observaties van Leeuwenhoek behooren, die onder de oogen der Engelsche geleerden gebracht waren, vermeld te worden.Hij deelde zijne waarnemingen in 1674 aan de Royal Society mede en vond, dat zij uit bolletjes bestonden106; maar reeds in 1678 kwam hij van dit gevoelen terug, daar hij opgemerkt had dat deze bolletjes de uiteinden of topjes waren van buisjes of pijpjes, waaruit de beenderen bestaan. Hij erkende zijne dwaling in een brief aan de „Royal Society”107, zette toen[67]dit onderzoek onvermoeid voort en vond, dat de vaste deelen der beenderen uit vierderlei pijpjes bestonden, van verschillende wijdte en kringsgewijs geplaatst.De Heer van der Boon108, deze waarnemingen besprekende, merkt daarbij op, dat, wanneer men deze beschrijving vergelijkt met de kennis, die men tegenwoordig van het weefsel der beenderen bezit, men dan te recht zich verwonderen moet over de geringe waarde, die men tot nu toe gehecht heeft aan het onderzoek omtrent het weefsel der beenderen door onzen Leeuwenhoek. Nog meer, vervolgt hij, moeten wij zulks betuigen bij de overweging van de kennis die hij had van het maaksel der „tanden”, hetwelk zoo volkomen door hem is beschreven, dat daardoor de eer, die in onze dagen aan Purkinje ten deel viel, namelijk van de eerste geweest te zijn, die het ware weefsel der tanden leerde kennen, grootendeels vervalt.109In een brief aan de „Royal Society”, d.d. 4 April 1687110zegt Leeuwenhoek gevonden te hebben, dat de tanden bestaan uit saamgevoegde, zeer dunne pijpjes, die alle in het binnenste van den tand aanvangen en aan den omtrek eindigen111.Dat Leeuwenhoek ten gevolge zijner nieuwe ontdekkingen en beschouwingen velerlei tegenspraak moest ondervinden, die hem de vele gelukkige oogenblikken, door hem genoten bij de waarneming van de wonderen der schepping en het ontdekken eener nieuwe wereld van wezens, zeer vergalden, daarvan kan men wel verzekerd zijn; die tegenspraak ondervonden immers zoo velen, die als hoog geleerd erkend en beroemd waren en iets nieuws hadden waargenomen, dat aan anderen ontsnapt was en waarvan de gevolgtrekkingen, geliefkoosde meeningen en theoriën omverstootten. En zou dan Leeuwenhoek, de ongeletterde, zou een Kamerbewaarder van Schepenskamer, die zijne waarnemingen[68]zoo eenvoudig, zoo ongekunsteld en ontdaan van allen uiterlijken glans van geleerde termen, aan de wereld ter overweging gaf en die zulke lang betwiste, hoogstbelangrijke vraagstukken golden, zulke tegenspraak zijn ontgaan? Dat was niet te verwachten en zij werd hem ook geenszins onthouden. In vele brieven beklaagt hij zich over die tegenspraak en het gelukte hem vaak die te beschamen, en als al zijne aangevoerde bewijzen en verklaringen toch bleken niet in staat te zijn om vooroordeelen te overwinnen, troostte hij zich met zijn vaste overtuiging daar tegenover te stellen en zeide: „Maar ik en stoor my sulks niet, ik weet dat ik de waarheyt hebbe”112, en hij haalt de schouders op over de onkunde en het vooroordeel dat hy te bestrijden had, waar hy, onder anderen, over den gewaanden honigdauw sprekende, waaraan men het bederf in de tarwe toeschreef, zegt: „Ik houd my verseekert, dat het vallen van den gewaanden honigdauw alleen maar verdigt-selen syn, die ligtelyk van een out wyfs spinnerokken syn voortgesproten, wy willen het haar niet qualyk afnemen, dat ze aan de oude dwalinge tot nog toe syn blyven hangen en wenschen haar toe dat ze hare misslagen mogen leeren kennen, ende de waarheid omhelsen”113.Die tegenspraak werd vooral uitgelokt door zijne ontdekkingen van de kleine diertjes in regen- en andere wateren en in waterige aftreksels, zoo als ik die boven beschreven heb en aan welke diertjes, om de wijze, waarop zij verkregen werden, eene eeuw later de oneigenlijke naam van „afgietseldiertjes, infusoria”, gegeven werd.En geen wonder! De ontdekking toch van wezens, wier ontsachelijk geringe grootte zoo lang aan het menschelijk oog onttrokken was gebleven, waardoor een nieuw veld van wereldbeschouwing geopend werd en de waarneming van de omstandigheden, waaronder deze kleine levende schepselen te voorschijn traden; de voorstelling die hij er van leverde dat deze, op de eenvoudigste wijze georganiseerde wezens „niet van zelf ontstonden, maar ieder in hun verschillende soort werden voortgebracht[69]uit germen of kiemen, die in de lucht aanwezig waren”, druischte zoo zeer in tegen de algemeen aangenomen begrippen, dat het niet te verwonderen is dat Leeuwenhoek de hevigste tegenspraak te verduren had. En wanneer wij ons herinneren, dat nog in onzen tijd groote strijd gevoerd wordt over het al of niet van zelf ontstaan van levende organismen, dat nog de „generatio spontanea”, niettegenstaande de meest overtuigende proeven en redeneeringen het onhoudbare van die stelling hebben bewezen, nog hare verdedigers vindt onder mannen van naam in de geleerde wereld, dan verwondert ons de tegenspraak, die Leeuwenhoek ondervond in geenen deele, en stijgt onze bewondering in geen geringe mate over het verlichte oordeel van den moedigen en zelfstandigen denker, die zijn tijd ver vooruit was en zich door geen blind geloof of gezag liet leiden of beheerschen, maar datgeene trachtte te doorgronden, waarin door anderen berust werd en die ook moed genoeg had om voor zijne overtuiging uit te komen, al moest hij daardoor gesmaad en verguisd worden.Ook beklaagt hij zich zoo weinig medewerking en hulp bij zijne eigen stadgenooten te ondervinden. In een brief aan den heer L. van Velthuyzen d.d. 11 Mei 1679, in het bezit nu van wijlen den Heer van Dam van Noordeloos te Rotterdam en waarvan ik copie mocht nemen, schrijft hij „Ick heb soo nu en dan wel te kennen gegeven, dat ick het bloet van ongesonde menschen etc. etc, genegen was om te sien, maer ick heb noyt ’t een of ’t ander bekomen en daarom is mijn voornemen geen versoeck na dees tijd meer te doen.” En aan zeker Ciciliaansch edelman die hem kwam bezoeken, beklaagde hij zich eveneens, dat hij binnen Delft geen hulp kon bekomen, waarop deze hem antwoordde „Ick verwonder my niet, want de Hollanders syn niet genegen als om gelt te winnen.”—Leeuwenhoek’s grootste strijd met de geleerden van alle landen ontstond ten gevolge zijner waarnemingen omtrent de zoogenaamde zaaddiertjes en zijne beschouwingen over de voortteeling, die zoo geheel indruischten tegen de toen algemeen aangenomen zienswijze over dit onderwerp.Kort nadat hij de bovenvermelde ontdekking der infusoria gedaan[70]had, werd er eene andere door hem openbaar gemaakt, die van niet minder belang te achten is en de hoofden en pennen der geleerden van dien tijd geruimen tijd heeft bezig gehouden, eene ontdekking, ten gevolge waarvan de mannen der wetenschap zich als het ware in twee gelederen schaarden over de gevolgtrekkingen, die Leeuwenhoek er uit afleidde en zijne theorie over de voortteeling, die hij er op grondvestte. De voor- en tegenstanders bestreden elkander dikwijls met de scherpe wapenen der bespotting en verguizing, totdat men, door de ontwikkeling der wetenschap beter voorgelicht, eene voorstelling aannam, die beter met de resultaten der ontleedkunde overeenkwam. Deze nieuwe ontdekking nu, welke wij zullen zien, dat volgens mededeeling van Leeuwenhoek zelf, niet aan hem, maar aan zekeren Ham moet worden toegeschreven, betrof de waarneming van levende wezens in het voortteelingsvocht der dieren.Omtrent den eigenlijken ontdekker dezer „animalcula spermatica,” ook „spermatozoïden” genoemd, bestond nog veel verschil van gevoelen.De ware toedracht van zaken nu wordt door Leeuwenhoek aan den Heer Harmen van Zoelen, Oud-Burgemeester van Rotterdam, in een brief d.d. 17 December 1698114zeer uitvoerig verhaald. Toen namelijk later Hartsoeker zich de eer der ontdekking wederrechtelijk toeëigende, rekende Leeuwenhoek zich verplicht dezen brief, in uittreksel medetedeelen. Hij zegt daarin o. a., dat hij in November van het jaar 1677 aan de Koninklijke Sociëteit te Londen geschreven had, een brief van den Heer Craanen Hoogleeraar te Leiden ontvangen te hebben, met verzoek om zijn neef, den Heer Ham, student in de medicijnen eenige zijner waarnemingen te laten zien, die hem dan ook in Augustus 1677 een bezoek bracht. Toen deze hem nu voor de tweede maal bezocht, bracht hij een glazen fleschje mede, waarin hij „eenig ontloopen zaad van een man medebragt, die bij een ongesont vrouwspersoon hadde geweest.” Deze Heer Ham had dit vocht door het microscoop bezien en daarin „levende schepsels” zich zien bewegen en meende dat deze uit bederf waren voortgekomen.[71]Hij had er staarten aan opgemerkt en bovendien had hij gezien, dat zij niet meer dan 24 uren in het leven bleven; tevens verhaalde hij, dat, toen hij de patiënt terpentijn had ingegeven, de diertjes daarvan stierven. Leeuwenhoek onderzocht nu op zijn beurt het vocht, door een weinig er van in een haarbuisje te brengen, bezag het in het bijzijn van Ham en vond zijne ontdekking alleszins bewaarheid. Onmiddellijk daarop werd dit onderwerp een punt van nauwgezet onderzoek voor hem. Hij onderzocht herhaalde malen nu ook gezond sperma, vooral ook van verschillende dieren en vond de waarneming bij allen bewaarheid. Somtijds vond hij „meer dan duizend levende schepsels in de quantiteyt materie van een grof sand.” Zij waren kleiner dan de bolletjes van het bloed, de vorm er van was rondachtig, van onder spits toeloopende en met een langen dunnen staart voorzien, die circa 5 à 6maal zoo lang was en omtrent 25maal dunner dan het lichaam. Zij bewogen zich door eene slangsgewijze beweging van den staart.Tot bevestiging van de waarheid, dat zijne medegedeelde ontdekking reeds vóór het jaartal (1678), waarin Hartsoeker beweerde dezelfde waarneming te hebben gedaan, was geschied, voegt hij er nog aan toe: dat die in zijn schrijven gedateerd, Nov. 1677, was opgenomen in de „Philosophical Transactions” no. 142 zijnde van December 1677 en Januari en Februari 1678.Daar er omtrent den persoon van Ham, zijn waren naam en nationaliteit, zeer verkeerde lezingen bestaan, acht ik het niet ongepast te dezer plaatse melding te maken van bijzonderheden, die mij eerst onlangs zijn bekend geworden uit eene mededeeling in 1862 gedaan door Prof. H. I. Halbertsma115waaruit blijkt, dat niet Lodewijk Ham of Hamme, door sommigen voor een Duitscher, een jong geneesheer uit Dantzig gehouden, maar Johan Ham van Arnhem de ontdekker der spermatozoïden is. De belangrijkheid[72]dezer Nederlandsche ontdekking moge mij ter verschooning strekken voor de uitweiding over zijn persoon.Tot de meening dat Ham een Duitscher zou geweest zijn heeft, volgens Prof. Halbertsma, Haller116aanleiding gegeven, als hij zegt: „Inventorem esse credo, Ludovicum Hamme (auctorem libri de herniis et de crocodilo) juvenem germanum”.Kurt Sprengel117neemt echter, in later tijd, deze meening van Haller reeds als eene uitgemaakte zaak aan, waar hij zegt: „Es war in August des Jahrs 1677, als ein junger Arzt aus Dantzig, Ludwig von Hammen, die damals in Leiden studirte, den berühmter Anton von Leeuwenhoek zu Delft besuchte, und diesen zuerst auf die Körperchen im männlichen Saamen aufmircksam machte, auch sie ihm wirklich zeigte.”Deze Ludwig von Hammen nu schijnt zich inderdaad in Leiden te hebben opgehouden, zoo als blijkt uit eene plaats in zijne „Dissertatio de Herniis”, Ed. tertia L. B. 1681, opgedragen aan Prof. Drelincourt,p. 61, waarin hij gewag maakt van eene waarneming, die hij in „Leydensium Nosocomio” heeft gemaakt en ook op pag. 76 van eene andere observatie spreekt, waargenomen „ni fallor, Lugduni ad Rhenam.”Op het gezag nu van Haller en Kurt Sprengel hebben vele der nieuwere schrijvers dezen Ludwig von Hammen uit Dantzig voor den ontdekker der spermatozoïden gehouden, zoo als onder anderen in de „Allgemeine Encyclopædie” van Ersch en Gruber118en Kölliker119en Eckhard120.[73]Ook Ehrenberg, Henle en Frey schijnen, volgens Prof. Halbertsma deze meening aan te kleven, ofschoon zij over Ham niets meer weten te zeggen dan dat hij een Leidsch student was. Prof. Halbertsma nu toont in bovengenoemde mededeeling het ongegronde van deze meening aan en gelooft het bewijs te kunnen leveren, dat deze Ham de voornaam Johan voerde en dat hij een Arnhemmer, dus een Hollander van geboorte was.Uit eene korte levensschets namelijk van dezen Johan Ham, in het werk van Muys121citeert Halbertsma de latijnsche zinsnede, aldaar voorkomende op p. 288, waarin de ontdekking van Ham der spermatozoïden, in 1677 door hem aan Leeuwenhoek medegedeeld, wordt vermeld en waaruit verder blijkt, dat hij doctor in de medicijnen was, de practijk heeft uitgeoefend te Arnhem, dat hij secretaris van Legatie is geweest bij den keurvorst van Brandenburg en later aan het hoofd van hetzelfde gezantschap heeft gestaan; dat hij, teruggekeerd in het vaderland, Burgemeester is geworden van Arnhem en eindelijk Gelderland bij de Staten-Generaal heeft vertegenwoordigd. Het blijkt hieruit dat Haller, daar hij dezen schrijver Muys aanhaalt, bekend was met den levensloop van Johan Ham, hoewel hij desniettemingelooftdat hij een Duitscher was.Prof. Halbertsma heeft allen twijfel die nog mocht hebben blijven bestaan over de juistheid van hetgeen Muys ons aangaande Ham mededeelt, opgeheven, door de nasporingen, welke de heer Bakhuyzen van den Brink in ’s Rijks Archief en de Heer Nyhoff in het provinciaal Archief van Gelderland, op zijn verzoek hebben in het werk gesteld. Uit dit onderzoek blijkt, dat Ham niet Ludwig maar Johan en niet von Hammen, maar kortweg Ham heette.Onder dien naam komt hij voor in zijn briefwisseling met hunne Hoog-Mogenden, te vinden in ’s Rijks Archief en ook in de rekeningen der stad Arnhem. En ten overvloede vindt men dat in den „Catalogus inscriptionum”, voorkomende in het Archief van den Senaat der Hoogeschool te Leiden, zijne inschrijving als student op de volgende wijze staat: „1671[74]Sept. 16. Johannes Ham,Philosophiae studiosus ann. 20, by Anneken Schepsel in de Nieuwstraat”. Het behoeft geen verwondering te baren, dat Ham als student in de philosophie werd ingeschreven en later bij Leeuwenhoek voorkomt als student in de medicijnen, daar de beoefening van verschillende vakken van wetenschap niet zoo gescheiden was als thans. De Hoogleeraar Theodor Craanen, wiens neef onze Ham was, was bijvoorbeeld ook Doctor in de philosophie en medicijnen en doceerde zelfs deze beide vakken. Daar nu verder geen bijzonderheden meer omtrent den levensloop van Ham kunnen medegedeeld worden en hij ook, volgens gedane nasporingen, noch te Leiden, noch te Harderwijk gepromoveerd is, zoo behoort het niet tot de onmogelijkheden, dat hij, na zijne studiën te Leiden te hebben volbracht, den graad van Doctor in het buitenland, bij voorbeeld aan eene Duitsche Hoogeschool verkregen heeft, eene handeling die niet zonder voorbeeld is. Ham is vermoedelijk in 1650 of 1651 geboren, blijkens zijn inschrijving in September 1671 te Leiden als student, toen hij den leeftijd van 20 jaren bereikt had. Met minder juistheid nog is zijn sterfjaar op te geven, hoewel met zekerheid is vast te stellen, dat hij in 1723 nog leefde, daar Ham toen, blijkens de stads rekeningen van Arnhem, voor de derde maal als Burgemeester van Arnhem uit de steden van het kwartier van Veluwe gecommitteerd werd ter vergadering van Hunne Hoog-Mogenden.Na deze uitwijding over Johan Ham, keeren wij tot de zaak zelve terug.Op uitnoodiging der „Royal Society” zette Leeuwenhoek nu zijne waarnemingen over de spermatozoïden met ijver voort, verzekerde zich van de aanwezigheid dezer lichaampjes bij den hond, de kat, het konijn, den haan, en vele andere dieren en vond dat ze allen overeenkwamen met die, welke hij reeds beschreven had. Ook in den walvisch was hij in de gelegenheid die te observeeren en vond daarbij dat zij in dit groote dier geen grootere afmetingen bezaten, dan die hij bij de kleine dieren waarnam. Bij den kikvorsch en in de hom van verschillende visschen, die hij met hetzelfde doel onderzocht, vond hij ze in een verbazend groot aantal.[75]De observatie van Leeuwenhoek was in alle opzichten juist, maar, zoo als later bleek,vergistehij zich in de natuur der waargenomen lichaampjes, daar deze geen diertjes zijn, maar veeleer als celachtige weefseldeeltjes moeten beschouwd worden.Deze waarneming van de spermatozoïden bij de mannelijke dieren deed hem eene theorie der voortteeling bedenken, namelijk, dat van deze diertjes de grootste zich in de baarmoeder voedden, daar tot wasdom geraakten en de vrucht of het foetus vormden. Deze theorie, hoewel zij tegen de toen algemeen aangenomen zienswijze indruischte, werd door velen aangenomen, zoo als onder anderen door Huygens, Boerhaave, Hartsoeker, maar door niet weinigen betwijfeld en ontkend, waaronder Harveus, de Graaf, Kerkringius, Nuck, Swammerdam en anderen.Intusschen was Leeuwenhoek met hart en ziel en uit volle overtuiging zijne theorie der voortteeling toegedaan en verdedigde zijne stellingen met kracht tegen al wie zich met hem daarover in het strijdperk durfde wagen, zoo als blijkt uit hetgeen hij daarover schreef, toen Dr. Martin Lister zijne stellingen omtrent de voortteeling uit een diertje van het mannelijk zaad in de „Philosophical Transactions” had bestreden122. „Ik moet” zegt hij123, „tot UE. Hoog Edele Heeren seggen dat de gemelde tegenwerpingen mijn gevoelen niet een stip om soo te spreeken, doen veranderen.”François Aston schreef hem in Februari van het jaar 1683 over zijne theorie, „dat deze zeer ingenieus was, maar dat zij veel tegenspraak in de wereld zou ondervinden.” Leeuwenhoek antwoordde daarop, dat hij dit ook wel gedacht had: „Want de werelt is met een voor-oordeel omtrent het eyernest ingenomen maar,” voegt hij er bij „ik heb al veel geleerde Heeren in ons land gevonden, die myne stellingen approberen.”124Aan Leibnitz schreef hij125. „Seker seer verstandig Heer in onze stad, seyde tot my, Leeuwenhoek, gij hebt de waarheyt, maar bij u[76]leven sal zy geen ingang vinden. Ende dus komt het my niet vreemt voor, dat ik in myn leven wert tegengesproken.” In zijne missive van 30 Maart 1683 aan dezen geleerde schrijft hij126: „Ik weet wel, dat myne stellinge omtrent de voorttelinge by eenige gants verworpen werden, gelyk dan ook seker Autheur onlangs uitgegeven heeft een boekje, waarin den selven op telt seventig Autheuren, die geschreven hebben dat alle de vruchten soo van menschen als beesten uit een ey voortkomen” .… „Maar laat nu onsen Autheur dit voegen by zyn 70 Autheuren, ja, laat hem (soo hy wil en kan) met andere tot seventig maal seventig voor den dag komen, die alle het ovarium ofte eyernest vast stellen, en seggen dat het mannelyk saat niet in de baarmoeder werd gestort, ik segge dat sy altemaal gedwaalt hebben, en dat zy nog alle dwalen, die seggen, dat menschen en dieren uit eyeren voortkomen ende dat geen mannelyk saad in de baarmoeder komt, ja dat dit al van de onnoselste stellingen syn, die onder de geneesmeesters in swang gaan.” Men ziet het, Leeuwenhoek dorst zijn tegenstanders te woord staan en liet zich niet gemakkelijk uit het veld slaan. Telkens als het pas gaf spreekt hij met groote minachting van de „gewaande eyernesten”, van „dat tuig, dat men eyeren noemt.” Vooral was hij scherp tegen Bontekoe127, die zijne observaties omtrent de zaaddiertjes en de generatie in een belachelijk daglicht had trachten te stellen. In een brief aan de „Royal Society” van 30 Maart 1685128laat hij zich over deze handelwijze van Bontekoe aldus uit:„My is laatst ter hand gekomen een boekje, genaamt „Collectanea medico-physica”, alwaar, Cent. 5 pag. 8, onder ander geseid werd: „Maar het allerverwonderenste is, dat ons den geleerden Heer Cornelis Bontekoe verhaald uit den curieusen Leeuwenhoek, dat ’s menschen sperma vol soude zyn van kleine[77]kinderkens, en soo voorts en andere dingen na yders aard.” Waarna hy laat volgen: „’t Is waar dat de Heer Bontekoe my veel maal met geselschap is wesen besoeken, maar ik heb nooit tegen hem, ofte tegen iemand ter wereld, die redenen gebruikt, dat ’s menschen sperma vol is van kleine kinderkens, maar wel geseid, dat het vol is van levendige dierkens of wormkens die lange staarten hebben”.…Ik moet dan klaagsgewijze zeggen, hoe dat men myne redenen niet alleen verdraait, of die qualijk voort seid, maar zelfs die op het papier met den druk komt gemeen te maken.”Als een staaltje van de wijze waarop de waarnemingen van Leeuwenhoek zoowel van het ontdekken der diertjes in het water, als in het sperma werden gecritiseerd diene het volgende curieus versje, dat ik in een oud geschrift129vond. Daarin wordt op ironische wijze de bewering van Leeuwenhoek van het vinden van levende diertjes in verschillende vochten enz. en dat hij wormen meende te zien, waar anderen niet het minst daarvan konden bespeuren gehekeld, de schrijver is overtuigd dat men over zijne waarnemingen hetzelfde oordeel kan vellen dat Dr. Becker in zijn „Närre Weisheit und weise Narheit”, 1682, no. 38 heeft aangevoerd:„DieWeltstill steht,Und nicht umgeht,Wie recht die Gelehrten meynen;Ein jeder ist Seines Wurms vergewyzt,Copernicus des Seines,Und also Herr Lewenhoeck des Seinen”.Onder de scherpste tegenstanders van Leeuwenhoek, nietalleenbij zijn leven, maar zelfs na zijn dood, moet men zijn land- en tijdgenoot Hartsoeker rekenen. Deze geleerde, wiens[78]scherpe critiek zelfs mannen als Bernard, Leibnitz, Newton en anderen niet spaarde, had zich de moeite gegeven, om na den dood van Leeuwenhoek zijne brieven te onderzoeken. Hartsoeker heeft dit onderzoek geplaatst achter zijn „Cours de Physique, accompagné d’un extrait critique des lettres de Mr. Leeuwenhoek,” welk werk in 1730 bij Jan Swart te ’s Hage, na den dood van Hartsoeker, is in het licht gegeven.Dit critisch onderzoek draagt het karakter van persoonlijken wrok en geringschatting, waarvan de proeven schier op iedere bladzijde te vinden zijn.Een paar voorbeelden van de wijze, waarop Hartsoeker gewoon was in zijn „Extrait critique” de waarnemingen van Leeuwenhoek te critiseeren, zullen voldoende zijn, om zijn scherpen toon te leeren kennen.Van de brieven in het algemeen sprekende, zegt hij daarvan, dat zij geschreven zijn „dans un stile bas et rampant” hoewel hij niet nalaten kon te erkennen, dat zij „contiennent parmi quantité d’observations inutiles etchimériques, quelques unes de très bonnes et qui servent à l’avancement des sciences.”Hij spreekt verder met minachting van zijn persoon, en niet zonder jaloezie, wegens de onderscheiding die hij van anderen ondervond: „Je n’ai jamais été surpris qu’un homme commenôtreauteur, dont le genie étoit assurément au dessous du médiocre, ait parlé comme il a fait des globules du sang, du lait etc.; mais mon étonnement a été bien grand de voir que de célèbres médecins et professeurs en philosophie et en médecine, l’ont cité avecélogesur sa belle découverte des pretenduës boules, et ont adoptésongalimatias.”Dat ook Leeuwenhoek zelf niet vriendschappelijk gezind was ten opzichte van Hartsoeker kan blijken uit de volgende passage uit het genoemde „Extrait critique”. „J’ai été trois fois chez lui. J’y fus la prémière fois avec un bourguemestre de Rotterdam et avec mon père vers la fin de l’année 1672, ou au commencement de l’année 1673, dont il s’est fort bien souvenu comme on le verra dans la suite. J’y fus ladeuxièmefois seul, vers la fin de l’année 1679 à mon retour de Paris. Cette visite, que je lui rendis, moité dans la ruë et moitié a[79]l’entrée de sa maison, m’attira son disgrace et m’en fit un ennemis capital, à cause que je lui fis sur ses ridicules anatomies, quelques objections aux quelles il ne pouvoit me répondre. Comment faites-vous, lui disois je, pour disséquer, par exemple, une puce, et qui plus est, une mite, pour tirer les testicules de leur corps, pour ouvrir ces testicules et en ôter la semence, enfin pour voir que cette semence est remplie de petits animaux en forme de petites anguilles fort longues et fort minces; de quels verres vous servez vous pour faire cette anatomie? Si le verre est petit, vous n’avez pas assés de lumière, parce que vous le cachez à vous même; s’il est grand il ne grossit pas assés. Mais de quels couteaux vous servez vous? Celui qui auroit le tranchant le plus fin et le plus aigu écraseroit le vaisseau plutôt que de l’ouvrir .… et la dessus s’ennuiant sans doute de mes objections, il me congédia assez brusquement, disant qu’il avoit d’autres affaires.”Zijn derde en laatste bezoek bracht hij aan Leeuwenhoek in 1697 of 1698. Hartsoeker was toen in gezelschap van den Burgemeester van Delft, wien hij verzocht had zijn naam niet te noemen.Leeuwenhoek had tot ontvangst zijner gasten alles in gereedheid gebracht, ten einde hen eenige praeparaten te laten zien. De burgemeester niet aan dit verzoek van Hartsoeker denkende, stelde hem aan Leeuwenhoek voor, waarop Leeuwenhoek, zoo zegt H., in zijnExtrait critique: „me regardant avec un air dédaigneux, et d’un oeil d’indignation et de mépris, serra d’abord toute la boutique, sans vouloir nous faire voir la moindre chose, et peu s’en fallut qu’il ne nous mit par les bras hors de sa maison.”Aan het slot van de critiek zijner brieven gekomen, zegt Hartsoeker, in de beoordeeling van zijn laatsten brief, vol van scherpte en persoonlijke antipathie: „Tout ce qu’il y dit a été dit et redit mille fois, de sorte que ce ne sont qu’autant de parôles perduës; et pour ce qui est des figures qu’il a fait graver de ses observations, elles ne signifient rien du tout, et ne representent que des traits confus”.Blijkt nu uit al het aangevoerde, dat Leeuwenhoek, wegens[80]zijne ontdekkingen en vooral zijne „speculatiën” over de voortteeling, veel tegenspraak ondervond en dikwijls aan hevige aanvallen blootstond, aan den anderen kant had hij ook warme voorstanders onder de beroemdste en geleerdste mannen van zijn tijd. Hiervan blijkt ons vooral uit eene correspondentie met Leibnitz, d.d. 28 September 1715130. Deze had hem namelijk geschreven, dat de geleerde Vallisnieri te Padua zijne stellingen ontkende en dat hij (Leibnitz) weldra een werk dacht uit te geven over dit onderwerp, waarin hij hem recht zou laten wedervaren. Leeuwenhoekantwoordde: „Wij hebben in ons lant een spreekwoort, dat ééne bonte kraaij geen koude winter maakt, is de Heer Vallisnieri tegen myne stellinge, daar syn der wel duyzent voor my.”Van deze uitspraak van Leibnitz ten gunste van de stellingen van Leeuwenhoek, alsmede van zijn groote verdiensten, blijkt ons nog nader uit eene verwijzing naar het boven bedoelde geschrift, de „Theodicae” van Leibnitz, waarin hij werkelijk deze theorie van Leeuwenhoek verdedigt.In een door Prof. C. G. Ehrenberg in 1845 gehouden redevoering in de vergadering van de Pruisische Akademie van Wetenschappen, ter herdenking van den geboortedag van Leibnitz131, wordt namelijk door genoemden geleerde met de hoogste achting over Leeuwenhoek gesproken, als van iemand, op wiens oordeel als nauwkeurig, scherp waarnemer, Leibnitz zeer hoogen prijs stelde.Na eene korte vermelding van de tusschen Leeuwenhoek en Leibnitz gevoerde correspondentie in de jaren 1715 en 1716 (toen de laatste 60 en Leeuwenhoek reeds 84 jaren oud was), voornamelijk bevattende de gevoelens van den laatsten, in antwoord op door Leibnitz aan zijn oordeel onderworpen vragen,[81]omtrent de physiologische beteekenis derspermatozoïden, zegt Ehrenberg, dat Leibnitz getuigde: „dat hij de meeningen van Leeuwenhoek over dit vraagstuk voor zeer waarschijnlijk hield en die ook in zijn Theodicae132had uitgesproken.”Ehrenberg zelf noemt in genoemde redevoering Leeuwenhoek’s ontdekkingen der infusoriën in het water en derspermatozoïdenin het mannelijk sperma, „twee der schitterendste en onvergankelijkste ontwikkelingsmomenten der menschelijke kennis.” Ehrenberg zegt aldaar verder van Leeuwenhoek, dat hij niet, zoo als Haller in zijne beroemde physiologie aangeeft, een voormalig brillenslijper te Delft was geweest, „maar een onafhankelijk, zonder strenge school gevormden, maar door Boerhaave en Huygens, zijn hoogstverdienstelijke landslieden, persoonlijk geachten, met vele beroemde mannen van zijn tijd en ook met Leibnitz in schriftelijke verbintenis staanden man, de onafhankelijke zoon van een welvarende brouwersfamilie te Delft, wiens wetenschappelijke trouw, vlijt en geniale ontdekkingen alle erkentenis en eer verdienen.”Leeuwenhoek werd door Leibnitz nog in zijn, na zijn dood uitgekomen „Protogeae”, in het bijzonder met de volgende woorden, welke als antwoord en dankbetuiging moesten strekken voor den laatsten aan hem gezonden brief, herdacht:„Et velim microscopia ad inquisitionem adhiberi, quibus tantum praestitit sagax Leeuwenhoekii Philosophi Delphensis diligentia, ut saepe indigner humanae ignaviae, quae aperire oculos et in paratam scientiae possessionem ingredi non dignatur. Nam si saperemus jam passim ille imitatores haberet”133.Omtrent het gunstig oordeel van Boerhaave over de stellingen van Leeuwenhoek, zegt hij in een zijner brieven: „de Heer Boerhaave in syn oratie, verwerpt onder andere de stellinge[82]van verscheyde Heeren omtrent de voortteelinge, en seyt dat de myne in Italiën, Duytslant, Engelant, ende Vrankryk, werden aangenomen.”Leeuwenhoek achtte het vooral noodig de bedenkingen, die bij de leden der „Royal Society” tegen het groot aantal diertjes door hem in het sperma waargenomen, gerezen waren, te wederleggen. Hij deed dit in een brief aan Nehemiah Grew, d.d. 25 April 1699134en zegt daarin het volgende: „en alhoewel in myn selven versekert dat dese myne verhaalde observatiën by weynige menschen sullen aangenomen worden, nademaal het onmogelyk is, sulken grooten getal van levende schepsels in soo een quantiteit materie te bevatten, soo wil ik alle de geenen die het selvige verwerpen, het haar ten goede afnemen, te meer, omdat wanneer ik van het groot getal van levende schepsels in ’t water schreef, by de Koninglyke Societeyt selfs niet konde aangenomen werden. Maar daar ik myne calculatie en eenigsints myn methode van doen beschreef, soo heeft UEd. confrater de Heer Robert Hooke het getal noch vergroot ende my geschreven, dat zyn Koninglyke Majesteit sulks gehoort hebbende, begeerig was om hetselvige te sien, ende dat hy hem beliefde, en de dierkens siende, met verwondering deselve aanschouwde, ende met groot respect van myn naam sprak. Want soo waaragtig, als ik van de dierkens in het water heb geschreven, soo waaragtig schrijf ik van de dierkens in ’t mannelijk zaad van menschen, beesten, vogelen ende visschen, en het sal my genoeg zyn, soo ik maar credit by UEd. en de geleerde Heeren Philosophen vinde, waaraan ik ook niet en twijffele.”Leeuwenhoek was echter, bij al zijn vasthouden aan hetgeen hij voor waarheid hield, volstrekt niet onvatbaar voor overtuiging, zoo als sommige schrijvers wel eens hebben gezegd. Dit kan, onder meer andere betuigingen van hem in zijne brieven, blijken uit zijne volgende verklaring in een brief aan George Garden135„myn voornemen is niet hartnekkig by myn stellinge[83]te blijven, maar zoo ras, als men my waarschynlyke redenen te gemoet voert, daar van ik een bevattinge kan krygen, dat ik de myne sal verlaten, en tot een ander overgaan, te meer, omdat doorgaans myne tragtingen tot geen ander eynde strekken, als omme waarheyt, soo veel in myn vermogen is, voor de oogen te stellen, die te omhelsen, ende myn kleyn talent, dat ik ontfangen heb, te besteden, om de werelt, van haar Out-Heydens bygeloof af te trekken, ende tot de waarheyt over te gaan, ende die aan te kleven.” En elders136„Ik weet wel, dat in myne stellinge die ik kome te maken, niet alle over een komen, maar tegen den anderen strijdende saaken daar onder gevonden werden, soo sal ik al weder seggen, dat myn doen is, niet langer myn gevoelen staande te houden, tot der tyd en wyle ik beter onderrigt werde of dat myne aanmerkingen my tot andere gedagten doen over gaan en ik sal my noyt schame van dit myn doen af te wyken.” Dat is de taal van een eerlijk, eenvoudig, oprecht gemoed, en onwillekeurig worden wij met eerbied vervuld voor den man, die pal stond tegen onwaardige verguizing en bespotting, maar vatbaar was voor overtuiging. Hoe meer men de brieven van Leeuwenhoek doorleest, hoe meer men versterkt wordt in deze gunstige opinie omtrent hem, die wel niet vrij was van gebreken, gedeeltelijk ook toe te schrijven aan zijne beperkte ontwikkeling, maar die overigens edel van hart en eenvoudig van zin was en daarvan talrijke bewijzen gaf.—Bij het doorlezen zijner brieven treft ons zijn onbevangenheid van oordeel, zijn oorspronkelijkheid in het verklaren en beoordeelen van feiten door hem waargenomen, en zijn helder inzicht in vele zaken, waardoor hij bleek een zelfstandig denker te zijn, die weinig behebt was met de vooroordeelen van zijn tijd, deze, waar hij kon, bestreed en zich alzoo in de eeuw waarin hij leefde, als een man van vooruitgang deed kennen.Vooral werd de lichtgeloovigheid der groote menigte scherp door hem bestreden; dit bleeko. a.als hij in de gelegenheid[84]was te waarschuwen tegen vreemde geneesheeren en het gelooven in hunne hoogdravende aankondigingen van zoogenaamde onfeilbare middelen tegen allerlei kwalen. Hij doet dit met ernst en overtuiging en wij zien daarin het bewijs, dat Leeuwenhoek reeds twee eeuwen geleden wijzer was dan zoo velen van onzen tijd. „Het is te beklagen” zegthij137„dat veele menschen in ons lant soo ligt-geloovig zyn, want laat maar een vreemde geneesheer in ons lant komen, die sig selven beroemt van groote cure gedaan te hebben, gelyk ze gemeenlyk doen, en haar roemen met veel leugens weten op te pronken. Dit pochen en snorken vint veeltyds niet alleen ingang by den gemeenen man, maar het gaat ook over tot luyden, waarvan men een beter oordeel verwagte; en als men deze vreemde opsnuyvers omtrent saken, die ze behoorde te weten, komt aan te spreken, bevind men haar slegte knegten te zijn. Eenigen tijd geleden en is in ons land gekomen, een grooten, botten opgever en leugenaar, zynde een Hoogduytser, die sig beroemde, door syn poeder „Sympatie”, alle gebreken die men hem kwam te noemen, te sullen genesen. Dezen pofhans die bragt men uyt een nabygelegen stad, met een karos aan myn huis, opdat ik soo een wonderlyke geneeser soude aanschouwen; dese syne geneesinge bestond alleen door syn poeder Sympatie te gebruyken op de urine van de lyder. Nadat ik de opsnorkinge van geneesinge in ’t breede soo lang hadde aangehoort, dat het my verveelde, versogt ik de vryheid te mogen hebben, om myne gedagten soo als ze by my lagen, te uytten, dat my wierd toegestaan, waarop ik, sonder veel omwegen, op het eerste seyde, dat wy Hollanders sulks niet en sullen gelooven, enz. en op het tweede dat ik het agte een onmogelijkheid, en dat alle, die sulke taal voeren, door my voor desen was geseyt, en nog staande gehouden wierd, dat het maar bedriegers syn; in ’t kort, hy verhaalde soo vele geneesinge en door sulke wegen, die geen de minste schyn van waarheden konnen hebben, en die by alle verstandige verworpelyk syn. Ja soodanig, dat ik my schaamde over syn onnoselheid, en gelyk ik voorseyd hadde, dat ze alle sullen[85]bedrogen werden, die met hem aanslaan, gelyk gevolg sulks geleerd heeft, want hy is met schande vertrokken”.… „Is ’t niet miserabel”, zegthijiets verder, „dat onse natie haar aan sulke menschen overgeven, daar ze ten genoege konnen gedient werden van oude ervaren geneesmeesters, onze inboorlingen en die door de bank meer begaaftheden bezitten, als de vreemde die we behaamt hebben” .… „Ons leert de ondervindinge hoe onervarender in konsten en wetenschappen, voornamentlijk in de genees- en heelkunde, hoe grooter roemers.” Ten slotte betuigt hy het zyn roeping te achten tegen al dergelyke dwaling te stryden en te waarschuwen: „dese opmerkinge komende van iemant die de waarheden omhelst en de werelt, soo veel als in syn gering vermogen is, van de dwalinge ende het vooroordeel, die niet als te veel nog in swang gaan, af te leyden.”Het blijkt dat Leeuwenhoek’s helder oordeel en zijn kennis van vele zaken door zijne stadgenooten en ook elders langzamerhand algemeen bekend was geworden en men hem over allerlei aangelegenheden kwam raadplegen. Zoo werd hij niet zelden door geneesheeren geraadpleegd over verschillende verrichtingen in het menschelijk lichaam en trachtte hij meermalen hunne in zijn oog verkeerde denkbeelden, door bewijzen te wederleggen, waarbij hij zich niet altijd van zekere bijtende scherpte onthouden kon, want hij was een man, die zonder aanzien des persoons zijn gevoelen rond weg uitsprak en wien, zoo als men zegt, het hart op de tong lag. Niet zelden geraakte hij dan ook met hen aan het discuteeren en veroordeelde met scherpte hunne verkeerde zienswijzen. Men oordeele over de volgende staaltjes138. „Weynige dagen geleden, kome ik by eene vrouwe, die eenige kleyne uytsypelinge van vogtigheden, beneden aan het been hadde”.… „Om nu het verhaalde ongemak te genezen, hadde seker geneesheer alle syne bedenkelyke middelen in ’t werk gestelt dog alles te vergeefs en tusschen beyde verscheyde purgeerende medicamenten ingegeven, onder anderen had ze een dag à twee daar te vooren een kleyn poeyertje ingenomen, waarvan ze wel agt afgangen hadde gehad. De geneesmeester sulks[86]geseyt werdende, bekende dat het te veel ware, en dat drie afgange genoeg hadde geweest”.… „De lydster is van geen starkte en daar by mager en gelijk wel 25 andere geneesmeesters, haar souden aanraden het matelyk theedrinken, soo verbied sulks haar genees-meester. Dese mishandeling van stark purgeren en hoorende dat haar ligchaam met roode puysten was uytgeslagen geweest, dede my uytbarsten met een hevigheid te seggen, soo een swak ligchaam soo een poeyer in te geven, sulken werkinge te veroorsaken is eer een moortmiddel, dan een geneesmiddel. Naderhand versta ik, dat het poeyertje, dat de afgange hadde veroorsaakt, omtrent een aas zwaarte heeft gewogen, dat geen tienduysenste gedeelte van een pont is. Als nu soo een kleyne quantiteit stoffe, sulke beweginge in maag en darmen kan te weeg brengen, mogen wy niet met regt soodanige stoffe een „Moortpoeder” noemen”?Nog verhaalt hij139dat zeker Doctor in de medicynen hem een papiertje vertoonde, waarin eenige kleine deeltjes waren, door zekere jufvrouw in haar urine geloosd, met verzoek die te examineeren. Hij beschouwde deze voorwerpen door zijn microscoop en bemerkte al dadelijk, dat het zaadjes uit de aalbes waren. De geneesheer, die hij dit mededeelde, wist daar geen verklaring van te geven, en scheen niet ongenegen om de zaak voor mogelijk te achten, doch Leeuwenhoek bewees duidelijk, dat zulke zaadjes onmogelijk door de maag en ingewanden in de blaas konden geraken, maar was van gevoelen, dat eerder een der dienstboden die zaden in den waterpot zou geworpen hebben,„om door sulk doen, haar juffrouw te meerder kon beklaagt werden.” „Wij vinden menschen,” vervolgthij, „die de naam wel willen dragen van doorgaans siekelyk te syn, omdat men haar beklagen en medelyden souden hebben.”Van wege de „Royal Society” werd hem het onderzoek van haren opgedragen, die zeker geneesheer uit Pleymouth, Yonge genaamd, aan dat collegie had toegezonden, met mededeeling dat deze haren, volgens zeggen, door eene vrouw in hareurinegeloosd waren. Hij voldeed aan die opdracht en ontdekte dat[87]het niets anders was dan schapenwol, zoodat hier bedrog in het spel was140.Leeuwenhoek verhaalt in dienzelfden brief nog een ander geval, waarin hij verzocht werd een steen te onderzoeken, die door zekere vrouw zou geloost zijn en waarvan hij het bedrog onmiddellijk aantoonde. „Een seker vrouwspersoon,” zoo verhaalt hij, „maakte de onnosele menschen wys, dat zy verscheyde steenen, door ordinaire waterloosinge, met smert quyt wierde. Dit geloofde ook in die tijd seker geneesmeester, en ook eenige kerkelyke personen, soo dat vele medelyden met haar hadde, en groote opschuddinge in de stad maakte. Seker geneesheer (dien hij echter niet noemt waarschynlijk om de lichtgeloovige te sparen) gaf my soodanigen steen in de hand, om die te examineren. Maar ik gaf hem aanstonts over, nadat ik alvooren met myn sleutel op deselvige hadden geslagen, en daardoor met het bloote oog gesien, dat het een stuk van een gebakke vloersteen was. En sulks wierd ook by eenige Hooge-leeraars, die deselvige ten proeve hadden gestelt, bevestigt, en sedert dat deze valsheyt ontdekt was, heb ik niet gehoort, dat sy meer veynsde steenen quyt te worden.”Overigens was zijn oordeel over geneeskundigen en het gebruiken van geneesmiddelen alles behalve gunstig. Hij was te zeer gewoon geraakt om de verrichtingen in het dierlijk lichaam nategaan en zal daar zeker veel over gelezen hebben, zoodat hij zich over de werking der geneesmiddelen een eigen oordeel en verklaring gevormd had, en vooral over de verandering, die het bloed door vermenging met zekere zouten onder het microscoop ondervond. Hij meende dan ook, dat het op gelijke wijze inwendig een dergelijken invloed zou ondervinden; vandaar dat hij vele ongesteldheden toeschreef aan den te dikken toestand van het bloed, zoodat het te traag door de nauwe capillaire buisjes vloeide. Hij meende dat veel drinken deze dikke bloedmassa weder zou verdunnen en paste deze theorie dan ook getrouwelijk op zijn eigen lichaam toe; zoo was zijn gewoonte141[88]als hij des avonds wat overvloedig gesoupeerd had, den anderen morgen meer dan gewoonlijk koffie te gebruiken en wel zoo heet en schielijk mogelijk, ten einde zweeten te bevorderen, „en soo door sulk doen” zegt hij, „mijn lighaam niet kan herstelt worden, een gantschen Apoteecq, beeld ik my in, sal soo veel tot herstelling van myn lighaam niet konnen uytleveren, en dit is ook het eenigste middel, die ik sedert veel jaren hebbe in ’t werk gestelt, als ik een koorts gewaar werd, alleen met dat onderscheyd, dat ik my ook door thé-drinken soo doe sweeten.” Na eene lange redeneering over de gevolgen van het te dik zijn van het bloed, de vertraging der circulatie en het ontstaan hierdoor van allerlei ongesteldheden, besluit hij met de volgende, gansch niet malsche tirade, waarbij ook de Apotheker zijn deel krijgt:.… „Dit soo synde, is het te beklagen, dat de geneeskunde geoeffent werd van soo veele, by de welke geen goet oordeel is, want wat Apoteeker, wat Chirurgyn isser, die sig niet onderwint in geringe voorvallen, purgeerende saaken in te geven, en dit is by veele het eenigste dat sy verrigten konnen, waardoor ze veele haar eynde komen te verhaasten, want de meeste hebben gants geen kennis van het maaksel van ons lighaam, veel min dat ze de bequaamheid hebben, om de sieke wel te ondervragen, en dan te overwegen waaruyt de ongemakken syn voortkomende. Het werd by eenige geoordeelt datter geneesmeesters gevonden worden, die maar om welstaans wille en als niet te vergeefs by de sieken te komen, het eene ofte het andere ordonneeren, en ten anderen, omdat ze de medicamenten souden leveren, of ook wel om de Apoteeker gelt in de beurs te jagen”.… Zelf had hij dan ook weinig vertrouwen in de geneesheeren en was er niet toe te brengen, bij voorkomende ongesteldheid, geneesmiddelen te gebruiken. „Wat my belangt,” zegt hy, „wij sullen wel wagt houden, dat soodanige moort-poeders142uyt ons lighaam blyven, en ook wel wagten voor alle geneesmeesters, die diergelyke lighaam schade[89]toebrengende, sulke saaken in ’t werk stellen. Want soodanigen medicament berooft het lighaam van de dunne stoffe, die de menigvuldige vaatgens, leggende in de holligheden van de darmen, uyt de chyl soude overgenomen, ons bloet en andere sappen verdunt, en voedsel toegebracht hebben. Ook blykt klaar, dat meest alle de geene die heden door purgeren verscheyde afgangen hebben gehad, des anderen daags hardlyvig sullen syn, welke hardlyvigheid alleen veroorsaakt werd, beeld ik my in, omdat het lighaam des daags te vooren, door het ontydig wegstooten van de chyl, gebrek aan genoegsamen vogt geleden heeft, nu alle de vogt uyt hetgeene men genuttigt heeft, soodanig uit het lighaam heeft overgenomen, dat de excrementen hard syn.”Ook had hij dikwijls langdurige gesprekken met geneeskundigen over de voeding en de verteering der spijzen, over de circulatie van het bloed door het ligchaam en over de bestrijding van de toen heerschende meening, dat het bloed, door de lucht die in de longen door het inademen komt, in een gistenden toestand geraakt. Hierover laat hij zich aldus uit143: „Ik heb sedert eenige jaren tegen verscheyde doctoren tragten staande te houden, dat ’er geen fermentatie in het bloed is, en onder anderen ook op wat manier ik my imagineerde, dat het bloed door het lighaam wierd voortgestooten, hoe hert en pols in een koortsige stark slaande, egter de circulatie van het bloet (meest) langsamer is; hoe onse vlees draatjens, schoon er geen bloedvaatjens door loopen, egter van het arteriaal bloed gevoed werden; hoe de spys in de maag en darmen verbryselt werd. Onder de doctoren was er een die my meenigmaal quam besoeken; dese verhaalde in presentie van andere Heeren, dat hy een groot gevallen had gehad in myne stellinge; dat hy laatst van my vertrekkende met nog een doctor, die in ’t geselschap was, den gantschen nagt, over myne redenen, die ik gewisselt had, hadde gephilosopheert; dat hy daarover soude schryven, maar my de eer soude geven, alsoo hy met een ander zyn gedagten niet wilde pronken.”Leeuwenhoek had echter ook zonderlinge denkbeelden over[90]sommige zaken; zoo schreef hij de oorzaak, waarom bij voorbeeld azijn en andere zuren een zuren smaak bezaten, daaraan toe, dat de aan beide zijden scherp toeloopende kristalletjes, die hij onder het microscoop waarnam, als hij azijn op een glaasje van zelf liet verdampen en die hij „het zout van den edik” (azijn) noemde, met deze scherpe of nijpende deelen op den tong prikken en het gevoel veroorzaken, dat wij zuur noemen! Eveneens schrijft hij het gevoel van hitte of branden van de peper op de tong toe, aan de scherpe naaldvormige kristallen, die hij door aftrekken van peper in water onder het microscoop bekwam en die hij de „soutdeelen der peper” noemde; deze deelen nu zouden dan met hun scherpe deelen zoodanig op de tong of in den mond steken, of kwetsen, dat men daardoor de bekende heete of brandende smaak ondervond. Zoo ook schreef hij de vergiftige werking der kwikzouten daaraan toe, dat de puntige scherpe uiteinden der microscopische kristalletjes, de darmwanden en bloedvaten verwondden en daardoor dikwijls de dood veroorzaakt werd!De zoete smaak werd volgens Leeuwenhoek veroorzaakt, doordat de deelen van de suiker, hoewel uit scherpe punten of hoeken bestaande, in het vocht van den mond de scherpte verliezen en eene zoo zachte buigzame gedaante aannemen, dat, wat zij op de tong ontmoeten, daarvoor buigen moet waardoor deze zoo aangenaam daar zijn, dat zij ons den smaak van zoet doen gevoelen144.—Vragen van allerlei aard werden dikwijls aan zijn oordeel onderworpen en men ging zelfs zoo ver, dat men aan hem de kennis over verborgen zaken toeschreef, oordeelende dat de ontdekkingen, die hij bekend maakte, tot de onmogelijkheden behoorden en alleen met behulp van geheime kunsten konden bewerkt worden. „Ik weet wel,” zoo zegt hij in een brief aan zijn neef Dr. Abraham van Bleyswyk145,„dat dit mijn schrijven bij eenigen niet zal aangenomen werden, als oordeelende dat de geseyde ontdekkingen onmogelijk zijn te weeg te brengen;[91]maar ik trek mij zoodanig tegenspreken niet aan. Men seyt tegenwoordig by de onverstandige nog van my, dat ik een tovenaar ben; ende dat ik de menschen vertoon dat ’er niet en is, dog het is haar te vergeven, zy weten niet beter.”Allerlei onderzoekingen werden hem opgedragen, door aanzienlijke stadgenooten, geleerden, corporatiën en handelaars. Ieder stelde prijs op zijn ervaring en doorzicht en hij was er de man niet naar om een onderzoek, dat hem was opgedragen, niet met ernst te ondernemen, of te rusten, voor dat hij een bevredigend resultaat van de hem voorgestelde onderzoekingen kon geven. De Royal Society noodigde hem onder anderen in 1680 uit om zijne proeven, over de werking van sommige scheikundige praeparaten, waarover hij reeds vroeger zijne bevinding had medegedeeld, voort te zetten. Zij voegde er bij „dat zijne speculatiën over dit onderwerp ten hoogste waardig waren om verder te worden vervolgd ter ontdekking der verborgen werking der geneesmiddelen in het menschelijk lichaam.” Zij bevalen hem dit onderzoek aan met hartelijke toewensching van een goed succes146.Leeuwenhoek bleef niet in gebreke aan die vereerende opdracht te voldoen. Dit onderzoek bepaalde zich bij de waarneming met het microscoop van de verandering die de bloedlichaampjes ondervonden, als zij met sommige stoffen, vooral sal volatile oleosum werden vermengd. Hij zag dan bij dit laatste dat het bloed dadelijk eene veel lichter roode kleur verkreeg, terwijl hij waarnam dat de bloedlichaampjes binnen een kwart minuut verdwenen waren. Deze kleursverandering en oplossende werking moet aan de ammonia worden toegeschreven, waaruit dit praeparaat hoofdzakelijk bestaat, zijnde een mengsel vanammonia liquida, met barnsteen-, muscaatnoot-, anijs-, en kaneel-olie.Paulus Hermanus, Hoogleeraar in de Kruidkunde te Leiden, stelde zijn groot cabinet van zaden voor hem open, daar hij Leeuwenhoek’s belangrijke waarnemingen omtrent de structuur van het hout en andere merkwaardige onderzoekingen betrekkelijk de planten-physiologie waardeerde en persoonlijk met hem bekend was. Hij noodigde Leeuwenhoek uit de zaden, die hem behaagden,[92]ter onderzoeking er uit te nemen. Onder meer andere viel zijn aandacht op het „Carpok-zaad”, hetwelk hij beschrijft147als de zaaddragende vrucht vanPanjala sive Arbor lanigera Bontii, in den „Hortus Malab.” T. III pag. 59. Wij maken hier alzoo kennis met dezelfde stof, welke wij als kapok kennen148.In het jaar 1685 werd door Constantijn Huygens zijn oordeel gevraagd over de mogelijkheid, dat boomen, omgekeerd in de aarde geplant, wortelen, en de takken en bladeren in den grond tot wortelen zouden kunnen groeien149. De bewoordingen van dien brief van den beroemden Huygens zijn zoo vleiend voor Leeuwenhoek en getuigen zoo zeer van de hooge achting, die Huygens voor hem koesterde, dat ik mij niet kan onthouden deze hier in te voegen.Hage den 17 December 1685.Monsieur Leeuwenhoek,Ik en werde nooyt moede UE. onvermoeyde neerstigheyt te pryzen, in ’t ondersoek van geheymenissen die weynig van onse voor-ouderen in gedachten syn gekomen, en veele van onse nakomelingen tot een licht en spoor sullen strekken, om dieper en dieper waarheden op te delven. UE. is daartoe tegenwoordig op een fraay pad, daar van niet ligt en behoort te scheyden; soo groot is ’t gevolg van aller dingen eerste begintselen, soo UE. meer en meer staat gewaar te werden.Ik weet niet of gy ooyt kennisse hebt gehadt van het planten van boomen averegtsom, soo dat de wortelen in de lucht tot takken uytgroeyen. Verstaat Lindenboomen. Tot nog toe en hebben ’t myn hovenieren niet te wege konnen brengen. Maar myn autheur is al te aansienlyk om my daer aan te laten twyfelen.[93]Dat was voor eenige jaren den HeerChurfurstvan Brandenburg hier synde met syn tweede Churfurstinne, die my beyde in vollen ernst confirmeerden, menigte van experimenten van sulke wortel-boomen onder haar gebied te hebben, uytstekende in groote wijdte, boven het gewoonlyk gewas. Myn zoon van Zeelhem150sedert met syn Hoogheyt in die landen geweest, verklaart er sig mede getuyge af.UE. discoursen van ’t gewas van de boomen en kruyden hebben my dit weder in gedenken gebragt. UE. kan der op speculeren en bedenken hoe het overeen kan gebragt werden, met hetgeene UE. ondervind in de maximen van de nature u soo verre bekent. Ik blijveUw altoos dienstwillige vriend en dienaar,C. Huygens, V. Z.Leeuwenhoek oordeelde dat dit zeer wel kon, als de klapvliezen (schuinloopende streepen) in de groote vaten zoo ver konden gebracht worden, dat zij door het opgestooten vocht, averechtsom gedrukt werden, en dat hij dit reeds twintig jaar geleden bij een wijngaard had opgemerkt, waarvan hij eene jonge plant in het midden dwars doorsneed en den een onderst boven naast den anderen in den grond plantte, en nadat deze wijngaart twee a drie jaren gestaan had, kon hij geen onderscheid aan beiden zien en droegen beiden goede vruchten. Ook liet hij nu in zijn tuin twee jonge lindeboomen planten, de een op de gewone wijs en de andere met de wortels naar boven, welke laatste, hoewel aanvankelijk trager in het groeien, zich toch later goed ontwikkelde en wortelde.In 1690 onderzocht hij de zoo schadelijke insecten, die hunne eieren in het koren leggen en zoo doen ontstaan wat men gewoonlijk de klander noemt.Het wormpje door de korenkopers en bakkers „wolf” genoemd, beschrijft hij uitvoerig, gaat zijn metamorphose na, totdat het als een vliegend motje uit het omwindsel van de pop te voorschijn komt. Hij had opgemerkt dat eenige dezer motjes, die[94]hij in een glazen buis had gesloten waarin hij de damp van brandende zwavel had laten komen, daardoor stierven. Aanstonds was zijn practische geest gereed dit verschijnsel in het groot toe te passen op het verdrijven van deze plaag van de graanzolders. Uit de grootte van het buisje dat hij gebezigd had en de hoeveelheid zwavel door hem gebruikt, maakte hij eene berekening hoeveel zwavel er noodig zou zijn, om een korenzolder te zuiveren en vond dat daartoe een pond zwavel voldoende was, als men dit in twee a drie potten op den zolder geplaatst liet verbranden, waarbij dan alle openingen goed gesloten moesten worden; deze zwaveling moest men doen zoodra de motten bespeurd worden en vóór dat zij in de gelegenheid waren eieren te leggen, en deze bewerking eenige dagen achter elkander volhouden151.Deze zelfde zuiveringsmethode paste hij ook toe, naar aanleiding van een verzoek van Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie, om maatregelen te beramen tegen den worm in de muscaatnoot. Hij was van oordeel, dat, wanneer de zolders, waar de nooten bewaard werden, alle maanden goed werden gezwaveld, de levende insecten, die uit de wormen kwamen, zouden gedood en dus het verder doorknagen der nooten zou voorkomen worden. Ook achtte hij het zwavelen van het ruim der schepen, waarin men de nooten inlaadde, zeer dienstig, ter verjaging van dit en ander ongedierte152.In 1696 werd hem door Nicolaas Witson, President Burgemeester van Amsterdam, uit naam van Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie, het onderzoek opgedragen van een mineraal uit Tartarije afkomstig. Dit bleek hem bij verhitting in een glazen buis veel lood te bevatten. Later onderzocht hij nog een ander uit Sumatra en vond daarin goud en zilver, benevens zwavel, dat hij in een gesmolten toestand verzamelde153.Hij onderzocht ook het katoenzaad en merkte onder anderen op dat het veel olie bevatte, en dat men, door die af te[95]zonderen, er een groote hoeveelheid van in den handel zou kunnen brengen, ten einde voor velerlei doeleinden gebruikt te worden154. Tarwe, rogge, gerst, boekweit en een menigte andere zaden werden door hem ontleedkundig onderzocht en tevens de zetmeelbolletjes er uit afgezonderd, die hij nauwkeurig beschrijft en afbeeldt; dit deed hij ook van rijst, boonen, erwten, enz. en beschreef de verandering, die zij ondergaan, wanneer zij, na met water verwarmd te zijn, door het microscoop beschouwd worden155. Verder ontdekt hij dat het onderscheid tusschen witte en zwarte peper alleen daarin gelegen is, dat de laatste het onrijpe zaad is, nog bekleed met zijn buitenste omkleedsel terwijl de inwendige rijpe witte korrel de witte peper is, die dan ook krachtiger is dan de onrijpe zwarte peper156.Belangrijk is ook zijn onderzoek naar het ontstaan en den aard der zoogenaamde galnoten, waarvan hij den waren aard goed waarnam en het insect beschreef, waaraan zij hun ontstaan te danken hebben157. Wij hebben boven gezien dat hij op een zijner portretten, in het bezit van Dr. van Kaathoven, met een met galnoten voorzienen eiken tak is afgebeeld, hetwelk op dit onderzoek doelt. Zulk een met galnoten voorzienen eiken tak vindt men ook in den geciteerden 50sten Brief afgebeeld op blz. 44, met doorgesneden galnoten, en het insect dat wij kennen als galwesp, (Cynips Gallae tinctoriae).Nog vond hij dat het branden of steken der brandnetels veroorzaakt wordt door een vocht, dat zich bij de aanraking der fijne haartjes waarmede de stengels en bladen bezet zijn, daaruit ontlast en in de huid dringt158. Ook het steken der mieren en het brandend gevoel en de opzwelling daardoor waargenomen, schrijft hij toe aan een scherp vocht, dat deze insecten bij het steken uit hun angels ontlasten159.[96]Evenzoo bestudeerde hij het vlies, dat het wit der eieren onder de schaal bedekt en vond dat dit uit onderscheidene zeer dunne vliezen bestond, waarvan hij er acht waarnam160.De vorm der gistcellen ontsnapte evenmin aan zijne nasporingen; hij onderzocht biergist en vond dat die uit zeer vele kleine ronde „globulen” bestond, waarvan er dikwijls 2, 3 en 4 samen gevoegd waren; het is niet te verwonderen dat hij omtrent het ontstaan en den waren aard der gist geen juiste voorstelling had, daar men eerst in veel lateren tijd daaromtrent tot klaarheid is gekomen. Hij beschrijft ze als door de hitte van het water „ontdane deeltjes van de tarwe, gerst, enz. die, als het bier koud geworden was, weder stremden en alzoo de zeer kleine deeltjes of globulen in het bier vormden”.Aan Leeuwenhoek komt ook de eer toe het eerst zoetwater-polypen (?) te hebben waargenomen, doch de hier volgende beschrijving toont, dat het door hem waargenomen dier geen zoetwater-polyp kan geweest zijn, maar waarschijnlijk Vaginicola crystallina. Hij deelde deze waarneming mede aan de Royal Society in zijn missive van 4 November 1704161, terwijl hij in een anderen brief, eveneens aan dit collegie, d.d. 28 Juni 1713162het maaksel van dit diertje, dat in een kokertje, onder aan eendekroos vastgehecht, geplaatst was, beschrijft. Hij deelde mede dat dit kokertje aan het uiterste einde iets dikker was dan een hoofdhaar en bestond uit kleine ronde bolletjes. Hij zag dat als het diertje zijn lichaam uit het kokertje bracht en de raderen en tandsgewijze deeltjes in het rond bewoog, er dan zulk een rond deeltje uit eene doorschijnende plaats te voorschijn kwam, welk deeltje, in grootte toenemende, zeer snel om zijn as draaide en onveranderlijk zijn plaats bleef behouden, tot zoo lang het diertje zijn lichaam voor een gedeelte in het kokertje plaatste en dit alzoo met een rond bolletje vergroot werd. Door[97]de groote beweging, die het diertje met zijn raderwerk in het water teweegbracht, werden vele kleine deeltjes naar hetzelve heengevoerd, die het met groote gulzigheid tot zijn voedsel bezigde. Hij beschrijft verder nog eene andere soort, die met een „langen staart”163aan de worteltjes van het eendekroos waren vastgehecht, en die, door het uiterste van hun lichaam snel rond te draaien, het water in groote beweging brachten. Deze konden hun „staart” snel in- en uittrekken, waardoor het water van plaats veranderde, en zij gelegenheid hadden hun voedsel tot zich te trekken. Hij zag er nog andere, die veel grooter waren, met een kort en dik lichaam, die eveneens met een „staartje” aan het kroos vast zaten; deze konden zich verplaatsen en maakten met het voorste gedeelte van hun lichamen eene ronddraaiende beweging.

Omtrent den doortocht van het bloed door de slagaderen in de aderen ontstond reeds in den tijd van Harvey grooten strijd. De tegenstanders van dezen grooten physioloog wierpen hem tegen, dat wanneer het bloed direct uit de slagaderen in de aderen overging, het de deelen, waardoor het heen vloeide niet zou kunnen voeden. Het vraagstuk was nog onbeslist, toen Leeuwenhoek in 1686 aan de „Royal Society” een brief schreef, waarin hij, in strijd met de opinie van Harvey, meende te hebben ontdekt, dat de doortocht van het bloed niet onmiddellijk uit de slagaderen in de aderen plaats had101. Later echter, in 1698, toonde hij, na zorgvuldig microscopisch onderzoek, duidelijk den samenhang van de slagaderen met de aderen aan en wilde zelfs geen haarvaten tusschen de beide genoemde vaten afzonderlijk onderscheiden, omdat het, zooals hij zeide, onmogelijk was te bepalen, noch waar de slagaderen eindigen, noch waar de aderen beginnen102. In dit tijdvak stelde men ook de chemische theorie op den voorgrond en wilde men de fermentatie[66]van het bloed als zeker vaststellen, dewijl men bloedlichaampjes voor luchtbellen aanzag.Deze hypothese werd krachtig door Leeuwenhoek bestreden en door vele microscopische waarnemingen overtuigend wederlegd, welke proeven voldingend aantoonden, dat er volstrekt geen luchtbellen in de bloedvaten aanwezig waren, hetgeen zeker plaats zou hebben als het bloed gistte103.Het is, omtrent deze waarnemingen aangaande de bloedlichaampjes wel der vermelding waardig, dat zij den grondslag legden voor de theorie van onzen beroemden landgenoot Boerhaave over de inflammatie en andere ziekten104, terwijl het overigens opmerkelijk is dat een man als Leeuwenhoek, bij gemis aan fundamenteele wetenschappelijke kundigheden, door eenvoudige beschouwing van den poot van een kikvorsch, het oor van een konijn, den staart van een visch enz., een vraagstuk als de bloedsomloop, dat zoo lang in onzekerheid verkeerd had, voor ieder belangstellende zoo aanschouwelijk maakte. Ook zijne observaties omtrent de structuur der capillaire vaten zijn door latere onderzoekers als nauwkeurig erkend105.Behalve bovengenoemde belangrijke onderzoekingen, verdienen zijne waarnemingen omtrent de „beenderen” en de „tanden”, die eveneens tot de eerste observaties van Leeuwenhoek behooren, die onder de oogen der Engelsche geleerden gebracht waren, vermeld te worden.Hij deelde zijne waarnemingen in 1674 aan de Royal Society mede en vond, dat zij uit bolletjes bestonden106; maar reeds in 1678 kwam hij van dit gevoelen terug, daar hij opgemerkt had dat deze bolletjes de uiteinden of topjes waren van buisjes of pijpjes, waaruit de beenderen bestaan. Hij erkende zijne dwaling in een brief aan de „Royal Society”107, zette toen[67]dit onderzoek onvermoeid voort en vond, dat de vaste deelen der beenderen uit vierderlei pijpjes bestonden, van verschillende wijdte en kringsgewijs geplaatst.De Heer van der Boon108, deze waarnemingen besprekende, merkt daarbij op, dat, wanneer men deze beschrijving vergelijkt met de kennis, die men tegenwoordig van het weefsel der beenderen bezit, men dan te recht zich verwonderen moet over de geringe waarde, die men tot nu toe gehecht heeft aan het onderzoek omtrent het weefsel der beenderen door onzen Leeuwenhoek. Nog meer, vervolgt hij, moeten wij zulks betuigen bij de overweging van de kennis die hij had van het maaksel der „tanden”, hetwelk zoo volkomen door hem is beschreven, dat daardoor de eer, die in onze dagen aan Purkinje ten deel viel, namelijk van de eerste geweest te zijn, die het ware weefsel der tanden leerde kennen, grootendeels vervalt.109In een brief aan de „Royal Society”, d.d. 4 April 1687110zegt Leeuwenhoek gevonden te hebben, dat de tanden bestaan uit saamgevoegde, zeer dunne pijpjes, die alle in het binnenste van den tand aanvangen en aan den omtrek eindigen111.Dat Leeuwenhoek ten gevolge zijner nieuwe ontdekkingen en beschouwingen velerlei tegenspraak moest ondervinden, die hem de vele gelukkige oogenblikken, door hem genoten bij de waarneming van de wonderen der schepping en het ontdekken eener nieuwe wereld van wezens, zeer vergalden, daarvan kan men wel verzekerd zijn; die tegenspraak ondervonden immers zoo velen, die als hoog geleerd erkend en beroemd waren en iets nieuws hadden waargenomen, dat aan anderen ontsnapt was en waarvan de gevolgtrekkingen, geliefkoosde meeningen en theoriën omverstootten. En zou dan Leeuwenhoek, de ongeletterde, zou een Kamerbewaarder van Schepenskamer, die zijne waarnemingen[68]zoo eenvoudig, zoo ongekunsteld en ontdaan van allen uiterlijken glans van geleerde termen, aan de wereld ter overweging gaf en die zulke lang betwiste, hoogstbelangrijke vraagstukken golden, zulke tegenspraak zijn ontgaan? Dat was niet te verwachten en zij werd hem ook geenszins onthouden. In vele brieven beklaagt hij zich over die tegenspraak en het gelukte hem vaak die te beschamen, en als al zijne aangevoerde bewijzen en verklaringen toch bleken niet in staat te zijn om vooroordeelen te overwinnen, troostte hij zich met zijn vaste overtuiging daar tegenover te stellen en zeide: „Maar ik en stoor my sulks niet, ik weet dat ik de waarheyt hebbe”112, en hij haalt de schouders op over de onkunde en het vooroordeel dat hy te bestrijden had, waar hy, onder anderen, over den gewaanden honigdauw sprekende, waaraan men het bederf in de tarwe toeschreef, zegt: „Ik houd my verseekert, dat het vallen van den gewaanden honigdauw alleen maar verdigt-selen syn, die ligtelyk van een out wyfs spinnerokken syn voortgesproten, wy willen het haar niet qualyk afnemen, dat ze aan de oude dwalinge tot nog toe syn blyven hangen en wenschen haar toe dat ze hare misslagen mogen leeren kennen, ende de waarheid omhelsen”113.Die tegenspraak werd vooral uitgelokt door zijne ontdekkingen van de kleine diertjes in regen- en andere wateren en in waterige aftreksels, zoo als ik die boven beschreven heb en aan welke diertjes, om de wijze, waarop zij verkregen werden, eene eeuw later de oneigenlijke naam van „afgietseldiertjes, infusoria”, gegeven werd.En geen wonder! De ontdekking toch van wezens, wier ontsachelijk geringe grootte zoo lang aan het menschelijk oog onttrokken was gebleven, waardoor een nieuw veld van wereldbeschouwing geopend werd en de waarneming van de omstandigheden, waaronder deze kleine levende schepselen te voorschijn traden; de voorstelling die hij er van leverde dat deze, op de eenvoudigste wijze georganiseerde wezens „niet van zelf ontstonden, maar ieder in hun verschillende soort werden voortgebracht[69]uit germen of kiemen, die in de lucht aanwezig waren”, druischte zoo zeer in tegen de algemeen aangenomen begrippen, dat het niet te verwonderen is dat Leeuwenhoek de hevigste tegenspraak te verduren had. En wanneer wij ons herinneren, dat nog in onzen tijd groote strijd gevoerd wordt over het al of niet van zelf ontstaan van levende organismen, dat nog de „generatio spontanea”, niettegenstaande de meest overtuigende proeven en redeneeringen het onhoudbare van die stelling hebben bewezen, nog hare verdedigers vindt onder mannen van naam in de geleerde wereld, dan verwondert ons de tegenspraak, die Leeuwenhoek ondervond in geenen deele, en stijgt onze bewondering in geen geringe mate over het verlichte oordeel van den moedigen en zelfstandigen denker, die zijn tijd ver vooruit was en zich door geen blind geloof of gezag liet leiden of beheerschen, maar datgeene trachtte te doorgronden, waarin door anderen berust werd en die ook moed genoeg had om voor zijne overtuiging uit te komen, al moest hij daardoor gesmaad en verguisd worden.Ook beklaagt hij zich zoo weinig medewerking en hulp bij zijne eigen stadgenooten te ondervinden. In een brief aan den heer L. van Velthuyzen d.d. 11 Mei 1679, in het bezit nu van wijlen den Heer van Dam van Noordeloos te Rotterdam en waarvan ik copie mocht nemen, schrijft hij „Ick heb soo nu en dan wel te kennen gegeven, dat ick het bloet van ongesonde menschen etc. etc, genegen was om te sien, maer ick heb noyt ’t een of ’t ander bekomen en daarom is mijn voornemen geen versoeck na dees tijd meer te doen.” En aan zeker Ciciliaansch edelman die hem kwam bezoeken, beklaagde hij zich eveneens, dat hij binnen Delft geen hulp kon bekomen, waarop deze hem antwoordde „Ick verwonder my niet, want de Hollanders syn niet genegen als om gelt te winnen.”—Leeuwenhoek’s grootste strijd met de geleerden van alle landen ontstond ten gevolge zijner waarnemingen omtrent de zoogenaamde zaaddiertjes en zijne beschouwingen over de voortteeling, die zoo geheel indruischten tegen de toen algemeen aangenomen zienswijze over dit onderwerp.Kort nadat hij de bovenvermelde ontdekking der infusoria gedaan[70]had, werd er eene andere door hem openbaar gemaakt, die van niet minder belang te achten is en de hoofden en pennen der geleerden van dien tijd geruimen tijd heeft bezig gehouden, eene ontdekking, ten gevolge waarvan de mannen der wetenschap zich als het ware in twee gelederen schaarden over de gevolgtrekkingen, die Leeuwenhoek er uit afleidde en zijne theorie over de voortteeling, die hij er op grondvestte. De voor- en tegenstanders bestreden elkander dikwijls met de scherpe wapenen der bespotting en verguizing, totdat men, door de ontwikkeling der wetenschap beter voorgelicht, eene voorstelling aannam, die beter met de resultaten der ontleedkunde overeenkwam. Deze nieuwe ontdekking nu, welke wij zullen zien, dat volgens mededeeling van Leeuwenhoek zelf, niet aan hem, maar aan zekeren Ham moet worden toegeschreven, betrof de waarneming van levende wezens in het voortteelingsvocht der dieren.Omtrent den eigenlijken ontdekker dezer „animalcula spermatica,” ook „spermatozoïden” genoemd, bestond nog veel verschil van gevoelen.De ware toedracht van zaken nu wordt door Leeuwenhoek aan den Heer Harmen van Zoelen, Oud-Burgemeester van Rotterdam, in een brief d.d. 17 December 1698114zeer uitvoerig verhaald. Toen namelijk later Hartsoeker zich de eer der ontdekking wederrechtelijk toeëigende, rekende Leeuwenhoek zich verplicht dezen brief, in uittreksel medetedeelen. Hij zegt daarin o. a., dat hij in November van het jaar 1677 aan de Koninklijke Sociëteit te Londen geschreven had, een brief van den Heer Craanen Hoogleeraar te Leiden ontvangen te hebben, met verzoek om zijn neef, den Heer Ham, student in de medicijnen eenige zijner waarnemingen te laten zien, die hem dan ook in Augustus 1677 een bezoek bracht. Toen deze hem nu voor de tweede maal bezocht, bracht hij een glazen fleschje mede, waarin hij „eenig ontloopen zaad van een man medebragt, die bij een ongesont vrouwspersoon hadde geweest.” Deze Heer Ham had dit vocht door het microscoop bezien en daarin „levende schepsels” zich zien bewegen en meende dat deze uit bederf waren voortgekomen.[71]Hij had er staarten aan opgemerkt en bovendien had hij gezien, dat zij niet meer dan 24 uren in het leven bleven; tevens verhaalde hij, dat, toen hij de patiënt terpentijn had ingegeven, de diertjes daarvan stierven. Leeuwenhoek onderzocht nu op zijn beurt het vocht, door een weinig er van in een haarbuisje te brengen, bezag het in het bijzijn van Ham en vond zijne ontdekking alleszins bewaarheid. Onmiddellijk daarop werd dit onderwerp een punt van nauwgezet onderzoek voor hem. Hij onderzocht herhaalde malen nu ook gezond sperma, vooral ook van verschillende dieren en vond de waarneming bij allen bewaarheid. Somtijds vond hij „meer dan duizend levende schepsels in de quantiteyt materie van een grof sand.” Zij waren kleiner dan de bolletjes van het bloed, de vorm er van was rondachtig, van onder spits toeloopende en met een langen dunnen staart voorzien, die circa 5 à 6maal zoo lang was en omtrent 25maal dunner dan het lichaam. Zij bewogen zich door eene slangsgewijze beweging van den staart.Tot bevestiging van de waarheid, dat zijne medegedeelde ontdekking reeds vóór het jaartal (1678), waarin Hartsoeker beweerde dezelfde waarneming te hebben gedaan, was geschied, voegt hij er nog aan toe: dat die in zijn schrijven gedateerd, Nov. 1677, was opgenomen in de „Philosophical Transactions” no. 142 zijnde van December 1677 en Januari en Februari 1678.Daar er omtrent den persoon van Ham, zijn waren naam en nationaliteit, zeer verkeerde lezingen bestaan, acht ik het niet ongepast te dezer plaatse melding te maken van bijzonderheden, die mij eerst onlangs zijn bekend geworden uit eene mededeeling in 1862 gedaan door Prof. H. I. Halbertsma115waaruit blijkt, dat niet Lodewijk Ham of Hamme, door sommigen voor een Duitscher, een jong geneesheer uit Dantzig gehouden, maar Johan Ham van Arnhem de ontdekker der spermatozoïden is. De belangrijkheid[72]dezer Nederlandsche ontdekking moge mij ter verschooning strekken voor de uitweiding over zijn persoon.Tot de meening dat Ham een Duitscher zou geweest zijn heeft, volgens Prof. Halbertsma, Haller116aanleiding gegeven, als hij zegt: „Inventorem esse credo, Ludovicum Hamme (auctorem libri de herniis et de crocodilo) juvenem germanum”.Kurt Sprengel117neemt echter, in later tijd, deze meening van Haller reeds als eene uitgemaakte zaak aan, waar hij zegt: „Es war in August des Jahrs 1677, als ein junger Arzt aus Dantzig, Ludwig von Hammen, die damals in Leiden studirte, den berühmter Anton von Leeuwenhoek zu Delft besuchte, und diesen zuerst auf die Körperchen im männlichen Saamen aufmircksam machte, auch sie ihm wirklich zeigte.”Deze Ludwig von Hammen nu schijnt zich inderdaad in Leiden te hebben opgehouden, zoo als blijkt uit eene plaats in zijne „Dissertatio de Herniis”, Ed. tertia L. B. 1681, opgedragen aan Prof. Drelincourt,p. 61, waarin hij gewag maakt van eene waarneming, die hij in „Leydensium Nosocomio” heeft gemaakt en ook op pag. 76 van eene andere observatie spreekt, waargenomen „ni fallor, Lugduni ad Rhenam.”Op het gezag nu van Haller en Kurt Sprengel hebben vele der nieuwere schrijvers dezen Ludwig von Hammen uit Dantzig voor den ontdekker der spermatozoïden gehouden, zoo als onder anderen in de „Allgemeine Encyclopædie” van Ersch en Gruber118en Kölliker119en Eckhard120.[73]Ook Ehrenberg, Henle en Frey schijnen, volgens Prof. Halbertsma deze meening aan te kleven, ofschoon zij over Ham niets meer weten te zeggen dan dat hij een Leidsch student was. Prof. Halbertsma nu toont in bovengenoemde mededeeling het ongegronde van deze meening aan en gelooft het bewijs te kunnen leveren, dat deze Ham de voornaam Johan voerde en dat hij een Arnhemmer, dus een Hollander van geboorte was.Uit eene korte levensschets namelijk van dezen Johan Ham, in het werk van Muys121citeert Halbertsma de latijnsche zinsnede, aldaar voorkomende op p. 288, waarin de ontdekking van Ham der spermatozoïden, in 1677 door hem aan Leeuwenhoek medegedeeld, wordt vermeld en waaruit verder blijkt, dat hij doctor in de medicijnen was, de practijk heeft uitgeoefend te Arnhem, dat hij secretaris van Legatie is geweest bij den keurvorst van Brandenburg en later aan het hoofd van hetzelfde gezantschap heeft gestaan; dat hij, teruggekeerd in het vaderland, Burgemeester is geworden van Arnhem en eindelijk Gelderland bij de Staten-Generaal heeft vertegenwoordigd. Het blijkt hieruit dat Haller, daar hij dezen schrijver Muys aanhaalt, bekend was met den levensloop van Johan Ham, hoewel hij desniettemingelooftdat hij een Duitscher was.Prof. Halbertsma heeft allen twijfel die nog mocht hebben blijven bestaan over de juistheid van hetgeen Muys ons aangaande Ham mededeelt, opgeheven, door de nasporingen, welke de heer Bakhuyzen van den Brink in ’s Rijks Archief en de Heer Nyhoff in het provinciaal Archief van Gelderland, op zijn verzoek hebben in het werk gesteld. Uit dit onderzoek blijkt, dat Ham niet Ludwig maar Johan en niet von Hammen, maar kortweg Ham heette.Onder dien naam komt hij voor in zijn briefwisseling met hunne Hoog-Mogenden, te vinden in ’s Rijks Archief en ook in de rekeningen der stad Arnhem. En ten overvloede vindt men dat in den „Catalogus inscriptionum”, voorkomende in het Archief van den Senaat der Hoogeschool te Leiden, zijne inschrijving als student op de volgende wijze staat: „1671[74]Sept. 16. Johannes Ham,Philosophiae studiosus ann. 20, by Anneken Schepsel in de Nieuwstraat”. Het behoeft geen verwondering te baren, dat Ham als student in de philosophie werd ingeschreven en later bij Leeuwenhoek voorkomt als student in de medicijnen, daar de beoefening van verschillende vakken van wetenschap niet zoo gescheiden was als thans. De Hoogleeraar Theodor Craanen, wiens neef onze Ham was, was bijvoorbeeld ook Doctor in de philosophie en medicijnen en doceerde zelfs deze beide vakken. Daar nu verder geen bijzonderheden meer omtrent den levensloop van Ham kunnen medegedeeld worden en hij ook, volgens gedane nasporingen, noch te Leiden, noch te Harderwijk gepromoveerd is, zoo behoort het niet tot de onmogelijkheden, dat hij, na zijne studiën te Leiden te hebben volbracht, den graad van Doctor in het buitenland, bij voorbeeld aan eene Duitsche Hoogeschool verkregen heeft, eene handeling die niet zonder voorbeeld is. Ham is vermoedelijk in 1650 of 1651 geboren, blijkens zijn inschrijving in September 1671 te Leiden als student, toen hij den leeftijd van 20 jaren bereikt had. Met minder juistheid nog is zijn sterfjaar op te geven, hoewel met zekerheid is vast te stellen, dat hij in 1723 nog leefde, daar Ham toen, blijkens de stads rekeningen van Arnhem, voor de derde maal als Burgemeester van Arnhem uit de steden van het kwartier van Veluwe gecommitteerd werd ter vergadering van Hunne Hoog-Mogenden.Na deze uitwijding over Johan Ham, keeren wij tot de zaak zelve terug.Op uitnoodiging der „Royal Society” zette Leeuwenhoek nu zijne waarnemingen over de spermatozoïden met ijver voort, verzekerde zich van de aanwezigheid dezer lichaampjes bij den hond, de kat, het konijn, den haan, en vele andere dieren en vond dat ze allen overeenkwamen met die, welke hij reeds beschreven had. Ook in den walvisch was hij in de gelegenheid die te observeeren en vond daarbij dat zij in dit groote dier geen grootere afmetingen bezaten, dan die hij bij de kleine dieren waarnam. Bij den kikvorsch en in de hom van verschillende visschen, die hij met hetzelfde doel onderzocht, vond hij ze in een verbazend groot aantal.[75]De observatie van Leeuwenhoek was in alle opzichten juist, maar, zoo als later bleek,vergistehij zich in de natuur der waargenomen lichaampjes, daar deze geen diertjes zijn, maar veeleer als celachtige weefseldeeltjes moeten beschouwd worden.Deze waarneming van de spermatozoïden bij de mannelijke dieren deed hem eene theorie der voortteeling bedenken, namelijk, dat van deze diertjes de grootste zich in de baarmoeder voedden, daar tot wasdom geraakten en de vrucht of het foetus vormden. Deze theorie, hoewel zij tegen de toen algemeen aangenomen zienswijze indruischte, werd door velen aangenomen, zoo als onder anderen door Huygens, Boerhaave, Hartsoeker, maar door niet weinigen betwijfeld en ontkend, waaronder Harveus, de Graaf, Kerkringius, Nuck, Swammerdam en anderen.Intusschen was Leeuwenhoek met hart en ziel en uit volle overtuiging zijne theorie der voortteeling toegedaan en verdedigde zijne stellingen met kracht tegen al wie zich met hem daarover in het strijdperk durfde wagen, zoo als blijkt uit hetgeen hij daarover schreef, toen Dr. Martin Lister zijne stellingen omtrent de voortteeling uit een diertje van het mannelijk zaad in de „Philosophical Transactions” had bestreden122. „Ik moet” zegt hij123, „tot UE. Hoog Edele Heeren seggen dat de gemelde tegenwerpingen mijn gevoelen niet een stip om soo te spreeken, doen veranderen.”François Aston schreef hem in Februari van het jaar 1683 over zijne theorie, „dat deze zeer ingenieus was, maar dat zij veel tegenspraak in de wereld zou ondervinden.” Leeuwenhoek antwoordde daarop, dat hij dit ook wel gedacht had: „Want de werelt is met een voor-oordeel omtrent het eyernest ingenomen maar,” voegt hij er bij „ik heb al veel geleerde Heeren in ons land gevonden, die myne stellingen approberen.”124Aan Leibnitz schreef hij125. „Seker seer verstandig Heer in onze stad, seyde tot my, Leeuwenhoek, gij hebt de waarheyt, maar bij u[76]leven sal zy geen ingang vinden. Ende dus komt het my niet vreemt voor, dat ik in myn leven wert tegengesproken.” In zijne missive van 30 Maart 1683 aan dezen geleerde schrijft hij126: „Ik weet wel, dat myne stellinge omtrent de voorttelinge by eenige gants verworpen werden, gelyk dan ook seker Autheur onlangs uitgegeven heeft een boekje, waarin den selven op telt seventig Autheuren, die geschreven hebben dat alle de vruchten soo van menschen als beesten uit een ey voortkomen” .… „Maar laat nu onsen Autheur dit voegen by zyn 70 Autheuren, ja, laat hem (soo hy wil en kan) met andere tot seventig maal seventig voor den dag komen, die alle het ovarium ofte eyernest vast stellen, en seggen dat het mannelyk saat niet in de baarmoeder werd gestort, ik segge dat sy altemaal gedwaalt hebben, en dat zy nog alle dwalen, die seggen, dat menschen en dieren uit eyeren voortkomen ende dat geen mannelyk saad in de baarmoeder komt, ja dat dit al van de onnoselste stellingen syn, die onder de geneesmeesters in swang gaan.” Men ziet het, Leeuwenhoek dorst zijn tegenstanders te woord staan en liet zich niet gemakkelijk uit het veld slaan. Telkens als het pas gaf spreekt hij met groote minachting van de „gewaande eyernesten”, van „dat tuig, dat men eyeren noemt.” Vooral was hij scherp tegen Bontekoe127, die zijne observaties omtrent de zaaddiertjes en de generatie in een belachelijk daglicht had trachten te stellen. In een brief aan de „Royal Society” van 30 Maart 1685128laat hij zich over deze handelwijze van Bontekoe aldus uit:„My is laatst ter hand gekomen een boekje, genaamt „Collectanea medico-physica”, alwaar, Cent. 5 pag. 8, onder ander geseid werd: „Maar het allerverwonderenste is, dat ons den geleerden Heer Cornelis Bontekoe verhaald uit den curieusen Leeuwenhoek, dat ’s menschen sperma vol soude zyn van kleine[77]kinderkens, en soo voorts en andere dingen na yders aard.” Waarna hy laat volgen: „’t Is waar dat de Heer Bontekoe my veel maal met geselschap is wesen besoeken, maar ik heb nooit tegen hem, ofte tegen iemand ter wereld, die redenen gebruikt, dat ’s menschen sperma vol is van kleine kinderkens, maar wel geseid, dat het vol is van levendige dierkens of wormkens die lange staarten hebben”.…Ik moet dan klaagsgewijze zeggen, hoe dat men myne redenen niet alleen verdraait, of die qualijk voort seid, maar zelfs die op het papier met den druk komt gemeen te maken.”Als een staaltje van de wijze waarop de waarnemingen van Leeuwenhoek zoowel van het ontdekken der diertjes in het water, als in het sperma werden gecritiseerd diene het volgende curieus versje, dat ik in een oud geschrift129vond. Daarin wordt op ironische wijze de bewering van Leeuwenhoek van het vinden van levende diertjes in verschillende vochten enz. en dat hij wormen meende te zien, waar anderen niet het minst daarvan konden bespeuren gehekeld, de schrijver is overtuigd dat men over zijne waarnemingen hetzelfde oordeel kan vellen dat Dr. Becker in zijn „Närre Weisheit und weise Narheit”, 1682, no. 38 heeft aangevoerd:„DieWeltstill steht,Und nicht umgeht,Wie recht die Gelehrten meynen;Ein jeder ist Seines Wurms vergewyzt,Copernicus des Seines,Und also Herr Lewenhoeck des Seinen”.Onder de scherpste tegenstanders van Leeuwenhoek, nietalleenbij zijn leven, maar zelfs na zijn dood, moet men zijn land- en tijdgenoot Hartsoeker rekenen. Deze geleerde, wiens[78]scherpe critiek zelfs mannen als Bernard, Leibnitz, Newton en anderen niet spaarde, had zich de moeite gegeven, om na den dood van Leeuwenhoek zijne brieven te onderzoeken. Hartsoeker heeft dit onderzoek geplaatst achter zijn „Cours de Physique, accompagné d’un extrait critique des lettres de Mr. Leeuwenhoek,” welk werk in 1730 bij Jan Swart te ’s Hage, na den dood van Hartsoeker, is in het licht gegeven.Dit critisch onderzoek draagt het karakter van persoonlijken wrok en geringschatting, waarvan de proeven schier op iedere bladzijde te vinden zijn.Een paar voorbeelden van de wijze, waarop Hartsoeker gewoon was in zijn „Extrait critique” de waarnemingen van Leeuwenhoek te critiseeren, zullen voldoende zijn, om zijn scherpen toon te leeren kennen.Van de brieven in het algemeen sprekende, zegt hij daarvan, dat zij geschreven zijn „dans un stile bas et rampant” hoewel hij niet nalaten kon te erkennen, dat zij „contiennent parmi quantité d’observations inutiles etchimériques, quelques unes de très bonnes et qui servent à l’avancement des sciences.”Hij spreekt verder met minachting van zijn persoon, en niet zonder jaloezie, wegens de onderscheiding die hij van anderen ondervond: „Je n’ai jamais été surpris qu’un homme commenôtreauteur, dont le genie étoit assurément au dessous du médiocre, ait parlé comme il a fait des globules du sang, du lait etc.; mais mon étonnement a été bien grand de voir que de célèbres médecins et professeurs en philosophie et en médecine, l’ont cité avecélogesur sa belle découverte des pretenduës boules, et ont adoptésongalimatias.”Dat ook Leeuwenhoek zelf niet vriendschappelijk gezind was ten opzichte van Hartsoeker kan blijken uit de volgende passage uit het genoemde „Extrait critique”. „J’ai été trois fois chez lui. J’y fus la prémière fois avec un bourguemestre de Rotterdam et avec mon père vers la fin de l’année 1672, ou au commencement de l’année 1673, dont il s’est fort bien souvenu comme on le verra dans la suite. J’y fus ladeuxièmefois seul, vers la fin de l’année 1679 à mon retour de Paris. Cette visite, que je lui rendis, moité dans la ruë et moitié a[79]l’entrée de sa maison, m’attira son disgrace et m’en fit un ennemis capital, à cause que je lui fis sur ses ridicules anatomies, quelques objections aux quelles il ne pouvoit me répondre. Comment faites-vous, lui disois je, pour disséquer, par exemple, une puce, et qui plus est, une mite, pour tirer les testicules de leur corps, pour ouvrir ces testicules et en ôter la semence, enfin pour voir que cette semence est remplie de petits animaux en forme de petites anguilles fort longues et fort minces; de quels verres vous servez vous pour faire cette anatomie? Si le verre est petit, vous n’avez pas assés de lumière, parce que vous le cachez à vous même; s’il est grand il ne grossit pas assés. Mais de quels couteaux vous servez vous? Celui qui auroit le tranchant le plus fin et le plus aigu écraseroit le vaisseau plutôt que de l’ouvrir .… et la dessus s’ennuiant sans doute de mes objections, il me congédia assez brusquement, disant qu’il avoit d’autres affaires.”Zijn derde en laatste bezoek bracht hij aan Leeuwenhoek in 1697 of 1698. Hartsoeker was toen in gezelschap van den Burgemeester van Delft, wien hij verzocht had zijn naam niet te noemen.Leeuwenhoek had tot ontvangst zijner gasten alles in gereedheid gebracht, ten einde hen eenige praeparaten te laten zien. De burgemeester niet aan dit verzoek van Hartsoeker denkende, stelde hem aan Leeuwenhoek voor, waarop Leeuwenhoek, zoo zegt H., in zijnExtrait critique: „me regardant avec un air dédaigneux, et d’un oeil d’indignation et de mépris, serra d’abord toute la boutique, sans vouloir nous faire voir la moindre chose, et peu s’en fallut qu’il ne nous mit par les bras hors de sa maison.”Aan het slot van de critiek zijner brieven gekomen, zegt Hartsoeker, in de beoordeeling van zijn laatsten brief, vol van scherpte en persoonlijke antipathie: „Tout ce qu’il y dit a été dit et redit mille fois, de sorte que ce ne sont qu’autant de parôles perduës; et pour ce qui est des figures qu’il a fait graver de ses observations, elles ne signifient rien du tout, et ne representent que des traits confus”.Blijkt nu uit al het aangevoerde, dat Leeuwenhoek, wegens[80]zijne ontdekkingen en vooral zijne „speculatiën” over de voortteeling, veel tegenspraak ondervond en dikwijls aan hevige aanvallen blootstond, aan den anderen kant had hij ook warme voorstanders onder de beroemdste en geleerdste mannen van zijn tijd. Hiervan blijkt ons vooral uit eene correspondentie met Leibnitz, d.d. 28 September 1715130. Deze had hem namelijk geschreven, dat de geleerde Vallisnieri te Padua zijne stellingen ontkende en dat hij (Leibnitz) weldra een werk dacht uit te geven over dit onderwerp, waarin hij hem recht zou laten wedervaren. Leeuwenhoekantwoordde: „Wij hebben in ons lant een spreekwoort, dat ééne bonte kraaij geen koude winter maakt, is de Heer Vallisnieri tegen myne stellinge, daar syn der wel duyzent voor my.”Van deze uitspraak van Leibnitz ten gunste van de stellingen van Leeuwenhoek, alsmede van zijn groote verdiensten, blijkt ons nog nader uit eene verwijzing naar het boven bedoelde geschrift, de „Theodicae” van Leibnitz, waarin hij werkelijk deze theorie van Leeuwenhoek verdedigt.In een door Prof. C. G. Ehrenberg in 1845 gehouden redevoering in de vergadering van de Pruisische Akademie van Wetenschappen, ter herdenking van den geboortedag van Leibnitz131, wordt namelijk door genoemden geleerde met de hoogste achting over Leeuwenhoek gesproken, als van iemand, op wiens oordeel als nauwkeurig, scherp waarnemer, Leibnitz zeer hoogen prijs stelde.Na eene korte vermelding van de tusschen Leeuwenhoek en Leibnitz gevoerde correspondentie in de jaren 1715 en 1716 (toen de laatste 60 en Leeuwenhoek reeds 84 jaren oud was), voornamelijk bevattende de gevoelens van den laatsten, in antwoord op door Leibnitz aan zijn oordeel onderworpen vragen,[81]omtrent de physiologische beteekenis derspermatozoïden, zegt Ehrenberg, dat Leibnitz getuigde: „dat hij de meeningen van Leeuwenhoek over dit vraagstuk voor zeer waarschijnlijk hield en die ook in zijn Theodicae132had uitgesproken.”Ehrenberg zelf noemt in genoemde redevoering Leeuwenhoek’s ontdekkingen der infusoriën in het water en derspermatozoïdenin het mannelijk sperma, „twee der schitterendste en onvergankelijkste ontwikkelingsmomenten der menschelijke kennis.” Ehrenberg zegt aldaar verder van Leeuwenhoek, dat hij niet, zoo als Haller in zijne beroemde physiologie aangeeft, een voormalig brillenslijper te Delft was geweest, „maar een onafhankelijk, zonder strenge school gevormden, maar door Boerhaave en Huygens, zijn hoogstverdienstelijke landslieden, persoonlijk geachten, met vele beroemde mannen van zijn tijd en ook met Leibnitz in schriftelijke verbintenis staanden man, de onafhankelijke zoon van een welvarende brouwersfamilie te Delft, wiens wetenschappelijke trouw, vlijt en geniale ontdekkingen alle erkentenis en eer verdienen.”Leeuwenhoek werd door Leibnitz nog in zijn, na zijn dood uitgekomen „Protogeae”, in het bijzonder met de volgende woorden, welke als antwoord en dankbetuiging moesten strekken voor den laatsten aan hem gezonden brief, herdacht:„Et velim microscopia ad inquisitionem adhiberi, quibus tantum praestitit sagax Leeuwenhoekii Philosophi Delphensis diligentia, ut saepe indigner humanae ignaviae, quae aperire oculos et in paratam scientiae possessionem ingredi non dignatur. Nam si saperemus jam passim ille imitatores haberet”133.Omtrent het gunstig oordeel van Boerhaave over de stellingen van Leeuwenhoek, zegt hij in een zijner brieven: „de Heer Boerhaave in syn oratie, verwerpt onder andere de stellinge[82]van verscheyde Heeren omtrent de voortteelinge, en seyt dat de myne in Italiën, Duytslant, Engelant, ende Vrankryk, werden aangenomen.”Leeuwenhoek achtte het vooral noodig de bedenkingen, die bij de leden der „Royal Society” tegen het groot aantal diertjes door hem in het sperma waargenomen, gerezen waren, te wederleggen. Hij deed dit in een brief aan Nehemiah Grew, d.d. 25 April 1699134en zegt daarin het volgende: „en alhoewel in myn selven versekert dat dese myne verhaalde observatiën by weynige menschen sullen aangenomen worden, nademaal het onmogelyk is, sulken grooten getal van levende schepsels in soo een quantiteit materie te bevatten, soo wil ik alle de geenen die het selvige verwerpen, het haar ten goede afnemen, te meer, omdat wanneer ik van het groot getal van levende schepsels in ’t water schreef, by de Koninglyke Societeyt selfs niet konde aangenomen werden. Maar daar ik myne calculatie en eenigsints myn methode van doen beschreef, soo heeft UEd. confrater de Heer Robert Hooke het getal noch vergroot ende my geschreven, dat zyn Koninglyke Majesteit sulks gehoort hebbende, begeerig was om hetselvige te sien, ende dat hy hem beliefde, en de dierkens siende, met verwondering deselve aanschouwde, ende met groot respect van myn naam sprak. Want soo waaragtig, als ik van de dierkens in het water heb geschreven, soo waaragtig schrijf ik van de dierkens in ’t mannelijk zaad van menschen, beesten, vogelen ende visschen, en het sal my genoeg zyn, soo ik maar credit by UEd. en de geleerde Heeren Philosophen vinde, waaraan ik ook niet en twijffele.”Leeuwenhoek was echter, bij al zijn vasthouden aan hetgeen hij voor waarheid hield, volstrekt niet onvatbaar voor overtuiging, zoo als sommige schrijvers wel eens hebben gezegd. Dit kan, onder meer andere betuigingen van hem in zijne brieven, blijken uit zijne volgende verklaring in een brief aan George Garden135„myn voornemen is niet hartnekkig by myn stellinge[83]te blijven, maar zoo ras, als men my waarschynlyke redenen te gemoet voert, daar van ik een bevattinge kan krygen, dat ik de myne sal verlaten, en tot een ander overgaan, te meer, omdat doorgaans myne tragtingen tot geen ander eynde strekken, als omme waarheyt, soo veel in myn vermogen is, voor de oogen te stellen, die te omhelsen, ende myn kleyn talent, dat ik ontfangen heb, te besteden, om de werelt, van haar Out-Heydens bygeloof af te trekken, ende tot de waarheyt over te gaan, ende die aan te kleven.” En elders136„Ik weet wel, dat in myne stellinge die ik kome te maken, niet alle over een komen, maar tegen den anderen strijdende saaken daar onder gevonden werden, soo sal ik al weder seggen, dat myn doen is, niet langer myn gevoelen staande te houden, tot der tyd en wyle ik beter onderrigt werde of dat myne aanmerkingen my tot andere gedagten doen over gaan en ik sal my noyt schame van dit myn doen af te wyken.” Dat is de taal van een eerlijk, eenvoudig, oprecht gemoed, en onwillekeurig worden wij met eerbied vervuld voor den man, die pal stond tegen onwaardige verguizing en bespotting, maar vatbaar was voor overtuiging. Hoe meer men de brieven van Leeuwenhoek doorleest, hoe meer men versterkt wordt in deze gunstige opinie omtrent hem, die wel niet vrij was van gebreken, gedeeltelijk ook toe te schrijven aan zijne beperkte ontwikkeling, maar die overigens edel van hart en eenvoudig van zin was en daarvan talrijke bewijzen gaf.—Bij het doorlezen zijner brieven treft ons zijn onbevangenheid van oordeel, zijn oorspronkelijkheid in het verklaren en beoordeelen van feiten door hem waargenomen, en zijn helder inzicht in vele zaken, waardoor hij bleek een zelfstandig denker te zijn, die weinig behebt was met de vooroordeelen van zijn tijd, deze, waar hij kon, bestreed en zich alzoo in de eeuw waarin hij leefde, als een man van vooruitgang deed kennen.Vooral werd de lichtgeloovigheid der groote menigte scherp door hem bestreden; dit bleeko. a.als hij in de gelegenheid[84]was te waarschuwen tegen vreemde geneesheeren en het gelooven in hunne hoogdravende aankondigingen van zoogenaamde onfeilbare middelen tegen allerlei kwalen. Hij doet dit met ernst en overtuiging en wij zien daarin het bewijs, dat Leeuwenhoek reeds twee eeuwen geleden wijzer was dan zoo velen van onzen tijd. „Het is te beklagen” zegthij137„dat veele menschen in ons lant soo ligt-geloovig zyn, want laat maar een vreemde geneesheer in ons lant komen, die sig selven beroemt van groote cure gedaan te hebben, gelyk ze gemeenlyk doen, en haar roemen met veel leugens weten op te pronken. Dit pochen en snorken vint veeltyds niet alleen ingang by den gemeenen man, maar het gaat ook over tot luyden, waarvan men een beter oordeel verwagte; en als men deze vreemde opsnuyvers omtrent saken, die ze behoorde te weten, komt aan te spreken, bevind men haar slegte knegten te zijn. Eenigen tijd geleden en is in ons land gekomen, een grooten, botten opgever en leugenaar, zynde een Hoogduytser, die sig beroemde, door syn poeder „Sympatie”, alle gebreken die men hem kwam te noemen, te sullen genesen. Dezen pofhans die bragt men uyt een nabygelegen stad, met een karos aan myn huis, opdat ik soo een wonderlyke geneeser soude aanschouwen; dese syne geneesinge bestond alleen door syn poeder Sympatie te gebruyken op de urine van de lyder. Nadat ik de opsnorkinge van geneesinge in ’t breede soo lang hadde aangehoort, dat het my verveelde, versogt ik de vryheid te mogen hebben, om myne gedagten soo als ze by my lagen, te uytten, dat my wierd toegestaan, waarop ik, sonder veel omwegen, op het eerste seyde, dat wy Hollanders sulks niet en sullen gelooven, enz. en op het tweede dat ik het agte een onmogelijkheid, en dat alle, die sulke taal voeren, door my voor desen was geseyt, en nog staande gehouden wierd, dat het maar bedriegers syn; in ’t kort, hy verhaalde soo vele geneesinge en door sulke wegen, die geen de minste schyn van waarheden konnen hebben, en die by alle verstandige verworpelyk syn. Ja soodanig, dat ik my schaamde over syn onnoselheid, en gelyk ik voorseyd hadde, dat ze alle sullen[85]bedrogen werden, die met hem aanslaan, gelyk gevolg sulks geleerd heeft, want hy is met schande vertrokken”.… „Is ’t niet miserabel”, zegthijiets verder, „dat onse natie haar aan sulke menschen overgeven, daar ze ten genoege konnen gedient werden van oude ervaren geneesmeesters, onze inboorlingen en die door de bank meer begaaftheden bezitten, als de vreemde die we behaamt hebben” .… „Ons leert de ondervindinge hoe onervarender in konsten en wetenschappen, voornamentlijk in de genees- en heelkunde, hoe grooter roemers.” Ten slotte betuigt hy het zyn roeping te achten tegen al dergelyke dwaling te stryden en te waarschuwen: „dese opmerkinge komende van iemant die de waarheden omhelst en de werelt, soo veel als in syn gering vermogen is, van de dwalinge ende het vooroordeel, die niet als te veel nog in swang gaan, af te leyden.”Het blijkt dat Leeuwenhoek’s helder oordeel en zijn kennis van vele zaken door zijne stadgenooten en ook elders langzamerhand algemeen bekend was geworden en men hem over allerlei aangelegenheden kwam raadplegen. Zoo werd hij niet zelden door geneesheeren geraadpleegd over verschillende verrichtingen in het menschelijk lichaam en trachtte hij meermalen hunne in zijn oog verkeerde denkbeelden, door bewijzen te wederleggen, waarbij hij zich niet altijd van zekere bijtende scherpte onthouden kon, want hij was een man, die zonder aanzien des persoons zijn gevoelen rond weg uitsprak en wien, zoo als men zegt, het hart op de tong lag. Niet zelden geraakte hij dan ook met hen aan het discuteeren en veroordeelde met scherpte hunne verkeerde zienswijzen. Men oordeele over de volgende staaltjes138. „Weynige dagen geleden, kome ik by eene vrouwe, die eenige kleyne uytsypelinge van vogtigheden, beneden aan het been hadde”.… „Om nu het verhaalde ongemak te genezen, hadde seker geneesheer alle syne bedenkelyke middelen in ’t werk gestelt dog alles te vergeefs en tusschen beyde verscheyde purgeerende medicamenten ingegeven, onder anderen had ze een dag à twee daar te vooren een kleyn poeyertje ingenomen, waarvan ze wel agt afgangen hadde gehad. De geneesmeester sulks[86]geseyt werdende, bekende dat het te veel ware, en dat drie afgange genoeg hadde geweest”.… „De lydster is van geen starkte en daar by mager en gelijk wel 25 andere geneesmeesters, haar souden aanraden het matelyk theedrinken, soo verbied sulks haar genees-meester. Dese mishandeling van stark purgeren en hoorende dat haar ligchaam met roode puysten was uytgeslagen geweest, dede my uytbarsten met een hevigheid te seggen, soo een swak ligchaam soo een poeyer in te geven, sulken werkinge te veroorsaken is eer een moortmiddel, dan een geneesmiddel. Naderhand versta ik, dat het poeyertje, dat de afgange hadde veroorsaakt, omtrent een aas zwaarte heeft gewogen, dat geen tienduysenste gedeelte van een pont is. Als nu soo een kleyne quantiteit stoffe, sulke beweginge in maag en darmen kan te weeg brengen, mogen wy niet met regt soodanige stoffe een „Moortpoeder” noemen”?Nog verhaalt hij139dat zeker Doctor in de medicynen hem een papiertje vertoonde, waarin eenige kleine deeltjes waren, door zekere jufvrouw in haar urine geloosd, met verzoek die te examineeren. Hij beschouwde deze voorwerpen door zijn microscoop en bemerkte al dadelijk, dat het zaadjes uit de aalbes waren. De geneesheer, die hij dit mededeelde, wist daar geen verklaring van te geven, en scheen niet ongenegen om de zaak voor mogelijk te achten, doch Leeuwenhoek bewees duidelijk, dat zulke zaadjes onmogelijk door de maag en ingewanden in de blaas konden geraken, maar was van gevoelen, dat eerder een der dienstboden die zaden in den waterpot zou geworpen hebben,„om door sulk doen, haar juffrouw te meerder kon beklaagt werden.” „Wij vinden menschen,” vervolgthij, „die de naam wel willen dragen van doorgaans siekelyk te syn, omdat men haar beklagen en medelyden souden hebben.”Van wege de „Royal Society” werd hem het onderzoek van haren opgedragen, die zeker geneesheer uit Pleymouth, Yonge genaamd, aan dat collegie had toegezonden, met mededeeling dat deze haren, volgens zeggen, door eene vrouw in hareurinegeloosd waren. Hij voldeed aan die opdracht en ontdekte dat[87]het niets anders was dan schapenwol, zoodat hier bedrog in het spel was140.Leeuwenhoek verhaalt in dienzelfden brief nog een ander geval, waarin hij verzocht werd een steen te onderzoeken, die door zekere vrouw zou geloost zijn en waarvan hij het bedrog onmiddellijk aantoonde. „Een seker vrouwspersoon,” zoo verhaalt hij, „maakte de onnosele menschen wys, dat zy verscheyde steenen, door ordinaire waterloosinge, met smert quyt wierde. Dit geloofde ook in die tijd seker geneesmeester, en ook eenige kerkelyke personen, soo dat vele medelyden met haar hadde, en groote opschuddinge in de stad maakte. Seker geneesheer (dien hij echter niet noemt waarschynlijk om de lichtgeloovige te sparen) gaf my soodanigen steen in de hand, om die te examineren. Maar ik gaf hem aanstonts over, nadat ik alvooren met myn sleutel op deselvige hadden geslagen, en daardoor met het bloote oog gesien, dat het een stuk van een gebakke vloersteen was. En sulks wierd ook by eenige Hooge-leeraars, die deselvige ten proeve hadden gestelt, bevestigt, en sedert dat deze valsheyt ontdekt was, heb ik niet gehoort, dat sy meer veynsde steenen quyt te worden.”Overigens was zijn oordeel over geneeskundigen en het gebruiken van geneesmiddelen alles behalve gunstig. Hij was te zeer gewoon geraakt om de verrichtingen in het dierlijk lichaam nategaan en zal daar zeker veel over gelezen hebben, zoodat hij zich over de werking der geneesmiddelen een eigen oordeel en verklaring gevormd had, en vooral over de verandering, die het bloed door vermenging met zekere zouten onder het microscoop ondervond. Hij meende dan ook, dat het op gelijke wijze inwendig een dergelijken invloed zou ondervinden; vandaar dat hij vele ongesteldheden toeschreef aan den te dikken toestand van het bloed, zoodat het te traag door de nauwe capillaire buisjes vloeide. Hij meende dat veel drinken deze dikke bloedmassa weder zou verdunnen en paste deze theorie dan ook getrouwelijk op zijn eigen lichaam toe; zoo was zijn gewoonte141[88]als hij des avonds wat overvloedig gesoupeerd had, den anderen morgen meer dan gewoonlijk koffie te gebruiken en wel zoo heet en schielijk mogelijk, ten einde zweeten te bevorderen, „en soo door sulk doen” zegt hij, „mijn lighaam niet kan herstelt worden, een gantschen Apoteecq, beeld ik my in, sal soo veel tot herstelling van myn lighaam niet konnen uytleveren, en dit is ook het eenigste middel, die ik sedert veel jaren hebbe in ’t werk gestelt, als ik een koorts gewaar werd, alleen met dat onderscheyd, dat ik my ook door thé-drinken soo doe sweeten.” Na eene lange redeneering over de gevolgen van het te dik zijn van het bloed, de vertraging der circulatie en het ontstaan hierdoor van allerlei ongesteldheden, besluit hij met de volgende, gansch niet malsche tirade, waarbij ook de Apotheker zijn deel krijgt:.… „Dit soo synde, is het te beklagen, dat de geneeskunde geoeffent werd van soo veele, by de welke geen goet oordeel is, want wat Apoteeker, wat Chirurgyn isser, die sig niet onderwint in geringe voorvallen, purgeerende saaken in te geven, en dit is by veele het eenigste dat sy verrigten konnen, waardoor ze veele haar eynde komen te verhaasten, want de meeste hebben gants geen kennis van het maaksel van ons lighaam, veel min dat ze de bequaamheid hebben, om de sieke wel te ondervragen, en dan te overwegen waaruyt de ongemakken syn voortkomende. Het werd by eenige geoordeelt datter geneesmeesters gevonden worden, die maar om welstaans wille en als niet te vergeefs by de sieken te komen, het eene ofte het andere ordonneeren, en ten anderen, omdat ze de medicamenten souden leveren, of ook wel om de Apoteeker gelt in de beurs te jagen”.… Zelf had hij dan ook weinig vertrouwen in de geneesheeren en was er niet toe te brengen, bij voorkomende ongesteldheid, geneesmiddelen te gebruiken. „Wat my belangt,” zegt hy, „wij sullen wel wagt houden, dat soodanige moort-poeders142uyt ons lighaam blyven, en ook wel wagten voor alle geneesmeesters, die diergelyke lighaam schade[89]toebrengende, sulke saaken in ’t werk stellen. Want soodanigen medicament berooft het lighaam van de dunne stoffe, die de menigvuldige vaatgens, leggende in de holligheden van de darmen, uyt de chyl soude overgenomen, ons bloet en andere sappen verdunt, en voedsel toegebracht hebben. Ook blykt klaar, dat meest alle de geene die heden door purgeren verscheyde afgangen hebben gehad, des anderen daags hardlyvig sullen syn, welke hardlyvigheid alleen veroorsaakt werd, beeld ik my in, omdat het lighaam des daags te vooren, door het ontydig wegstooten van de chyl, gebrek aan genoegsamen vogt geleden heeft, nu alle de vogt uyt hetgeene men genuttigt heeft, soodanig uit het lighaam heeft overgenomen, dat de excrementen hard syn.”Ook had hij dikwijls langdurige gesprekken met geneeskundigen over de voeding en de verteering der spijzen, over de circulatie van het bloed door het ligchaam en over de bestrijding van de toen heerschende meening, dat het bloed, door de lucht die in de longen door het inademen komt, in een gistenden toestand geraakt. Hierover laat hij zich aldus uit143: „Ik heb sedert eenige jaren tegen verscheyde doctoren tragten staande te houden, dat ’er geen fermentatie in het bloed is, en onder anderen ook op wat manier ik my imagineerde, dat het bloed door het lighaam wierd voortgestooten, hoe hert en pols in een koortsige stark slaande, egter de circulatie van het bloet (meest) langsamer is; hoe onse vlees draatjens, schoon er geen bloedvaatjens door loopen, egter van het arteriaal bloed gevoed werden; hoe de spys in de maag en darmen verbryselt werd. Onder de doctoren was er een die my meenigmaal quam besoeken; dese verhaalde in presentie van andere Heeren, dat hy een groot gevallen had gehad in myne stellinge; dat hy laatst van my vertrekkende met nog een doctor, die in ’t geselschap was, den gantschen nagt, over myne redenen, die ik gewisselt had, hadde gephilosopheert; dat hy daarover soude schryven, maar my de eer soude geven, alsoo hy met een ander zyn gedagten niet wilde pronken.”Leeuwenhoek had echter ook zonderlinge denkbeelden over[90]sommige zaken; zoo schreef hij de oorzaak, waarom bij voorbeeld azijn en andere zuren een zuren smaak bezaten, daaraan toe, dat de aan beide zijden scherp toeloopende kristalletjes, die hij onder het microscoop waarnam, als hij azijn op een glaasje van zelf liet verdampen en die hij „het zout van den edik” (azijn) noemde, met deze scherpe of nijpende deelen op den tong prikken en het gevoel veroorzaken, dat wij zuur noemen! Eveneens schrijft hij het gevoel van hitte of branden van de peper op de tong toe, aan de scherpe naaldvormige kristallen, die hij door aftrekken van peper in water onder het microscoop bekwam en die hij de „soutdeelen der peper” noemde; deze deelen nu zouden dan met hun scherpe deelen zoodanig op de tong of in den mond steken, of kwetsen, dat men daardoor de bekende heete of brandende smaak ondervond. Zoo ook schreef hij de vergiftige werking der kwikzouten daaraan toe, dat de puntige scherpe uiteinden der microscopische kristalletjes, de darmwanden en bloedvaten verwondden en daardoor dikwijls de dood veroorzaakt werd!De zoete smaak werd volgens Leeuwenhoek veroorzaakt, doordat de deelen van de suiker, hoewel uit scherpe punten of hoeken bestaande, in het vocht van den mond de scherpte verliezen en eene zoo zachte buigzame gedaante aannemen, dat, wat zij op de tong ontmoeten, daarvoor buigen moet waardoor deze zoo aangenaam daar zijn, dat zij ons den smaak van zoet doen gevoelen144.—Vragen van allerlei aard werden dikwijls aan zijn oordeel onderworpen en men ging zelfs zoo ver, dat men aan hem de kennis over verborgen zaken toeschreef, oordeelende dat de ontdekkingen, die hij bekend maakte, tot de onmogelijkheden behoorden en alleen met behulp van geheime kunsten konden bewerkt worden. „Ik weet wel,” zoo zegt hij in een brief aan zijn neef Dr. Abraham van Bleyswyk145,„dat dit mijn schrijven bij eenigen niet zal aangenomen werden, als oordeelende dat de geseyde ontdekkingen onmogelijk zijn te weeg te brengen;[91]maar ik trek mij zoodanig tegenspreken niet aan. Men seyt tegenwoordig by de onverstandige nog van my, dat ik een tovenaar ben; ende dat ik de menschen vertoon dat ’er niet en is, dog het is haar te vergeven, zy weten niet beter.”Allerlei onderzoekingen werden hem opgedragen, door aanzienlijke stadgenooten, geleerden, corporatiën en handelaars. Ieder stelde prijs op zijn ervaring en doorzicht en hij was er de man niet naar om een onderzoek, dat hem was opgedragen, niet met ernst te ondernemen, of te rusten, voor dat hij een bevredigend resultaat van de hem voorgestelde onderzoekingen kon geven. De Royal Society noodigde hem onder anderen in 1680 uit om zijne proeven, over de werking van sommige scheikundige praeparaten, waarover hij reeds vroeger zijne bevinding had medegedeeld, voort te zetten. Zij voegde er bij „dat zijne speculatiën over dit onderwerp ten hoogste waardig waren om verder te worden vervolgd ter ontdekking der verborgen werking der geneesmiddelen in het menschelijk lichaam.” Zij bevalen hem dit onderzoek aan met hartelijke toewensching van een goed succes146.Leeuwenhoek bleef niet in gebreke aan die vereerende opdracht te voldoen. Dit onderzoek bepaalde zich bij de waarneming met het microscoop van de verandering die de bloedlichaampjes ondervonden, als zij met sommige stoffen, vooral sal volatile oleosum werden vermengd. Hij zag dan bij dit laatste dat het bloed dadelijk eene veel lichter roode kleur verkreeg, terwijl hij waarnam dat de bloedlichaampjes binnen een kwart minuut verdwenen waren. Deze kleursverandering en oplossende werking moet aan de ammonia worden toegeschreven, waaruit dit praeparaat hoofdzakelijk bestaat, zijnde een mengsel vanammonia liquida, met barnsteen-, muscaatnoot-, anijs-, en kaneel-olie.Paulus Hermanus, Hoogleeraar in de Kruidkunde te Leiden, stelde zijn groot cabinet van zaden voor hem open, daar hij Leeuwenhoek’s belangrijke waarnemingen omtrent de structuur van het hout en andere merkwaardige onderzoekingen betrekkelijk de planten-physiologie waardeerde en persoonlijk met hem bekend was. Hij noodigde Leeuwenhoek uit de zaden, die hem behaagden,[92]ter onderzoeking er uit te nemen. Onder meer andere viel zijn aandacht op het „Carpok-zaad”, hetwelk hij beschrijft147als de zaaddragende vrucht vanPanjala sive Arbor lanigera Bontii, in den „Hortus Malab.” T. III pag. 59. Wij maken hier alzoo kennis met dezelfde stof, welke wij als kapok kennen148.In het jaar 1685 werd door Constantijn Huygens zijn oordeel gevraagd over de mogelijkheid, dat boomen, omgekeerd in de aarde geplant, wortelen, en de takken en bladeren in den grond tot wortelen zouden kunnen groeien149. De bewoordingen van dien brief van den beroemden Huygens zijn zoo vleiend voor Leeuwenhoek en getuigen zoo zeer van de hooge achting, die Huygens voor hem koesterde, dat ik mij niet kan onthouden deze hier in te voegen.Hage den 17 December 1685.Monsieur Leeuwenhoek,Ik en werde nooyt moede UE. onvermoeyde neerstigheyt te pryzen, in ’t ondersoek van geheymenissen die weynig van onse voor-ouderen in gedachten syn gekomen, en veele van onse nakomelingen tot een licht en spoor sullen strekken, om dieper en dieper waarheden op te delven. UE. is daartoe tegenwoordig op een fraay pad, daar van niet ligt en behoort te scheyden; soo groot is ’t gevolg van aller dingen eerste begintselen, soo UE. meer en meer staat gewaar te werden.Ik weet niet of gy ooyt kennisse hebt gehadt van het planten van boomen averegtsom, soo dat de wortelen in de lucht tot takken uytgroeyen. Verstaat Lindenboomen. Tot nog toe en hebben ’t myn hovenieren niet te wege konnen brengen. Maar myn autheur is al te aansienlyk om my daer aan te laten twyfelen.[93]Dat was voor eenige jaren den HeerChurfurstvan Brandenburg hier synde met syn tweede Churfurstinne, die my beyde in vollen ernst confirmeerden, menigte van experimenten van sulke wortel-boomen onder haar gebied te hebben, uytstekende in groote wijdte, boven het gewoonlyk gewas. Myn zoon van Zeelhem150sedert met syn Hoogheyt in die landen geweest, verklaart er sig mede getuyge af.UE. discoursen van ’t gewas van de boomen en kruyden hebben my dit weder in gedenken gebragt. UE. kan der op speculeren en bedenken hoe het overeen kan gebragt werden, met hetgeene UE. ondervind in de maximen van de nature u soo verre bekent. Ik blijveUw altoos dienstwillige vriend en dienaar,C. Huygens, V. Z.Leeuwenhoek oordeelde dat dit zeer wel kon, als de klapvliezen (schuinloopende streepen) in de groote vaten zoo ver konden gebracht worden, dat zij door het opgestooten vocht, averechtsom gedrukt werden, en dat hij dit reeds twintig jaar geleden bij een wijngaard had opgemerkt, waarvan hij eene jonge plant in het midden dwars doorsneed en den een onderst boven naast den anderen in den grond plantte, en nadat deze wijngaart twee a drie jaren gestaan had, kon hij geen onderscheid aan beiden zien en droegen beiden goede vruchten. Ook liet hij nu in zijn tuin twee jonge lindeboomen planten, de een op de gewone wijs en de andere met de wortels naar boven, welke laatste, hoewel aanvankelijk trager in het groeien, zich toch later goed ontwikkelde en wortelde.In 1690 onderzocht hij de zoo schadelijke insecten, die hunne eieren in het koren leggen en zoo doen ontstaan wat men gewoonlijk de klander noemt.Het wormpje door de korenkopers en bakkers „wolf” genoemd, beschrijft hij uitvoerig, gaat zijn metamorphose na, totdat het als een vliegend motje uit het omwindsel van de pop te voorschijn komt. Hij had opgemerkt dat eenige dezer motjes, die[94]hij in een glazen buis had gesloten waarin hij de damp van brandende zwavel had laten komen, daardoor stierven. Aanstonds was zijn practische geest gereed dit verschijnsel in het groot toe te passen op het verdrijven van deze plaag van de graanzolders. Uit de grootte van het buisje dat hij gebezigd had en de hoeveelheid zwavel door hem gebruikt, maakte hij eene berekening hoeveel zwavel er noodig zou zijn, om een korenzolder te zuiveren en vond dat daartoe een pond zwavel voldoende was, als men dit in twee a drie potten op den zolder geplaatst liet verbranden, waarbij dan alle openingen goed gesloten moesten worden; deze zwaveling moest men doen zoodra de motten bespeurd worden en vóór dat zij in de gelegenheid waren eieren te leggen, en deze bewerking eenige dagen achter elkander volhouden151.Deze zelfde zuiveringsmethode paste hij ook toe, naar aanleiding van een verzoek van Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie, om maatregelen te beramen tegen den worm in de muscaatnoot. Hij was van oordeel, dat, wanneer de zolders, waar de nooten bewaard werden, alle maanden goed werden gezwaveld, de levende insecten, die uit de wormen kwamen, zouden gedood en dus het verder doorknagen der nooten zou voorkomen worden. Ook achtte hij het zwavelen van het ruim der schepen, waarin men de nooten inlaadde, zeer dienstig, ter verjaging van dit en ander ongedierte152.In 1696 werd hem door Nicolaas Witson, President Burgemeester van Amsterdam, uit naam van Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie, het onderzoek opgedragen van een mineraal uit Tartarije afkomstig. Dit bleek hem bij verhitting in een glazen buis veel lood te bevatten. Later onderzocht hij nog een ander uit Sumatra en vond daarin goud en zilver, benevens zwavel, dat hij in een gesmolten toestand verzamelde153.Hij onderzocht ook het katoenzaad en merkte onder anderen op dat het veel olie bevatte, en dat men, door die af te[95]zonderen, er een groote hoeveelheid van in den handel zou kunnen brengen, ten einde voor velerlei doeleinden gebruikt te worden154. Tarwe, rogge, gerst, boekweit en een menigte andere zaden werden door hem ontleedkundig onderzocht en tevens de zetmeelbolletjes er uit afgezonderd, die hij nauwkeurig beschrijft en afbeeldt; dit deed hij ook van rijst, boonen, erwten, enz. en beschreef de verandering, die zij ondergaan, wanneer zij, na met water verwarmd te zijn, door het microscoop beschouwd worden155. Verder ontdekt hij dat het onderscheid tusschen witte en zwarte peper alleen daarin gelegen is, dat de laatste het onrijpe zaad is, nog bekleed met zijn buitenste omkleedsel terwijl de inwendige rijpe witte korrel de witte peper is, die dan ook krachtiger is dan de onrijpe zwarte peper156.Belangrijk is ook zijn onderzoek naar het ontstaan en den aard der zoogenaamde galnoten, waarvan hij den waren aard goed waarnam en het insect beschreef, waaraan zij hun ontstaan te danken hebben157. Wij hebben boven gezien dat hij op een zijner portretten, in het bezit van Dr. van Kaathoven, met een met galnoten voorzienen eiken tak is afgebeeld, hetwelk op dit onderzoek doelt. Zulk een met galnoten voorzienen eiken tak vindt men ook in den geciteerden 50sten Brief afgebeeld op blz. 44, met doorgesneden galnoten, en het insect dat wij kennen als galwesp, (Cynips Gallae tinctoriae).Nog vond hij dat het branden of steken der brandnetels veroorzaakt wordt door een vocht, dat zich bij de aanraking der fijne haartjes waarmede de stengels en bladen bezet zijn, daaruit ontlast en in de huid dringt158. Ook het steken der mieren en het brandend gevoel en de opzwelling daardoor waargenomen, schrijft hij toe aan een scherp vocht, dat deze insecten bij het steken uit hun angels ontlasten159.[96]Evenzoo bestudeerde hij het vlies, dat het wit der eieren onder de schaal bedekt en vond dat dit uit onderscheidene zeer dunne vliezen bestond, waarvan hij er acht waarnam160.De vorm der gistcellen ontsnapte evenmin aan zijne nasporingen; hij onderzocht biergist en vond dat die uit zeer vele kleine ronde „globulen” bestond, waarvan er dikwijls 2, 3 en 4 samen gevoegd waren; het is niet te verwonderen dat hij omtrent het ontstaan en den waren aard der gist geen juiste voorstelling had, daar men eerst in veel lateren tijd daaromtrent tot klaarheid is gekomen. Hij beschrijft ze als door de hitte van het water „ontdane deeltjes van de tarwe, gerst, enz. die, als het bier koud geworden was, weder stremden en alzoo de zeer kleine deeltjes of globulen in het bier vormden”.Aan Leeuwenhoek komt ook de eer toe het eerst zoetwater-polypen (?) te hebben waargenomen, doch de hier volgende beschrijving toont, dat het door hem waargenomen dier geen zoetwater-polyp kan geweest zijn, maar waarschijnlijk Vaginicola crystallina. Hij deelde deze waarneming mede aan de Royal Society in zijn missive van 4 November 1704161, terwijl hij in een anderen brief, eveneens aan dit collegie, d.d. 28 Juni 1713162het maaksel van dit diertje, dat in een kokertje, onder aan eendekroos vastgehecht, geplaatst was, beschrijft. Hij deelde mede dat dit kokertje aan het uiterste einde iets dikker was dan een hoofdhaar en bestond uit kleine ronde bolletjes. Hij zag dat als het diertje zijn lichaam uit het kokertje bracht en de raderen en tandsgewijze deeltjes in het rond bewoog, er dan zulk een rond deeltje uit eene doorschijnende plaats te voorschijn kwam, welk deeltje, in grootte toenemende, zeer snel om zijn as draaide en onveranderlijk zijn plaats bleef behouden, tot zoo lang het diertje zijn lichaam voor een gedeelte in het kokertje plaatste en dit alzoo met een rond bolletje vergroot werd. Door[97]de groote beweging, die het diertje met zijn raderwerk in het water teweegbracht, werden vele kleine deeltjes naar hetzelve heengevoerd, die het met groote gulzigheid tot zijn voedsel bezigde. Hij beschrijft verder nog eene andere soort, die met een „langen staart”163aan de worteltjes van het eendekroos waren vastgehecht, en die, door het uiterste van hun lichaam snel rond te draaien, het water in groote beweging brachten. Deze konden hun „staart” snel in- en uittrekken, waardoor het water van plaats veranderde, en zij gelegenheid hadden hun voedsel tot zich te trekken. Hij zag er nog andere, die veel grooter waren, met een kort en dik lichaam, die eveneens met een „staartje” aan het kroos vast zaten; deze konden zich verplaatsen en maakten met het voorste gedeelte van hun lichamen eene ronddraaiende beweging.

Omtrent den doortocht van het bloed door de slagaderen in de aderen ontstond reeds in den tijd van Harvey grooten strijd. De tegenstanders van dezen grooten physioloog wierpen hem tegen, dat wanneer het bloed direct uit de slagaderen in de aderen overging, het de deelen, waardoor het heen vloeide niet zou kunnen voeden. Het vraagstuk was nog onbeslist, toen Leeuwenhoek in 1686 aan de „Royal Society” een brief schreef, waarin hij, in strijd met de opinie van Harvey, meende te hebben ontdekt, dat de doortocht van het bloed niet onmiddellijk uit de slagaderen in de aderen plaats had101. Later echter, in 1698, toonde hij, na zorgvuldig microscopisch onderzoek, duidelijk den samenhang van de slagaderen met de aderen aan en wilde zelfs geen haarvaten tusschen de beide genoemde vaten afzonderlijk onderscheiden, omdat het, zooals hij zeide, onmogelijk was te bepalen, noch waar de slagaderen eindigen, noch waar de aderen beginnen102. In dit tijdvak stelde men ook de chemische theorie op den voorgrond en wilde men de fermentatie[66]van het bloed als zeker vaststellen, dewijl men bloedlichaampjes voor luchtbellen aanzag.

Deze hypothese werd krachtig door Leeuwenhoek bestreden en door vele microscopische waarnemingen overtuigend wederlegd, welke proeven voldingend aantoonden, dat er volstrekt geen luchtbellen in de bloedvaten aanwezig waren, hetgeen zeker plaats zou hebben als het bloed gistte103.

Het is, omtrent deze waarnemingen aangaande de bloedlichaampjes wel der vermelding waardig, dat zij den grondslag legden voor de theorie van onzen beroemden landgenoot Boerhaave over de inflammatie en andere ziekten104, terwijl het overigens opmerkelijk is dat een man als Leeuwenhoek, bij gemis aan fundamenteele wetenschappelijke kundigheden, door eenvoudige beschouwing van den poot van een kikvorsch, het oor van een konijn, den staart van een visch enz., een vraagstuk als de bloedsomloop, dat zoo lang in onzekerheid verkeerd had, voor ieder belangstellende zoo aanschouwelijk maakte. Ook zijne observaties omtrent de structuur der capillaire vaten zijn door latere onderzoekers als nauwkeurig erkend105.

Behalve bovengenoemde belangrijke onderzoekingen, verdienen zijne waarnemingen omtrent de „beenderen” en de „tanden”, die eveneens tot de eerste observaties van Leeuwenhoek behooren, die onder de oogen der Engelsche geleerden gebracht waren, vermeld te worden.

Hij deelde zijne waarnemingen in 1674 aan de Royal Society mede en vond, dat zij uit bolletjes bestonden106; maar reeds in 1678 kwam hij van dit gevoelen terug, daar hij opgemerkt had dat deze bolletjes de uiteinden of topjes waren van buisjes of pijpjes, waaruit de beenderen bestaan. Hij erkende zijne dwaling in een brief aan de „Royal Society”107, zette toen[67]dit onderzoek onvermoeid voort en vond, dat de vaste deelen der beenderen uit vierderlei pijpjes bestonden, van verschillende wijdte en kringsgewijs geplaatst.

De Heer van der Boon108, deze waarnemingen besprekende, merkt daarbij op, dat, wanneer men deze beschrijving vergelijkt met de kennis, die men tegenwoordig van het weefsel der beenderen bezit, men dan te recht zich verwonderen moet over de geringe waarde, die men tot nu toe gehecht heeft aan het onderzoek omtrent het weefsel der beenderen door onzen Leeuwenhoek. Nog meer, vervolgt hij, moeten wij zulks betuigen bij de overweging van de kennis die hij had van het maaksel der „tanden”, hetwelk zoo volkomen door hem is beschreven, dat daardoor de eer, die in onze dagen aan Purkinje ten deel viel, namelijk van de eerste geweest te zijn, die het ware weefsel der tanden leerde kennen, grootendeels vervalt.109In een brief aan de „Royal Society”, d.d. 4 April 1687110zegt Leeuwenhoek gevonden te hebben, dat de tanden bestaan uit saamgevoegde, zeer dunne pijpjes, die alle in het binnenste van den tand aanvangen en aan den omtrek eindigen111.

Dat Leeuwenhoek ten gevolge zijner nieuwe ontdekkingen en beschouwingen velerlei tegenspraak moest ondervinden, die hem de vele gelukkige oogenblikken, door hem genoten bij de waarneming van de wonderen der schepping en het ontdekken eener nieuwe wereld van wezens, zeer vergalden, daarvan kan men wel verzekerd zijn; die tegenspraak ondervonden immers zoo velen, die als hoog geleerd erkend en beroemd waren en iets nieuws hadden waargenomen, dat aan anderen ontsnapt was en waarvan de gevolgtrekkingen, geliefkoosde meeningen en theoriën omverstootten. En zou dan Leeuwenhoek, de ongeletterde, zou een Kamerbewaarder van Schepenskamer, die zijne waarnemingen[68]zoo eenvoudig, zoo ongekunsteld en ontdaan van allen uiterlijken glans van geleerde termen, aan de wereld ter overweging gaf en die zulke lang betwiste, hoogstbelangrijke vraagstukken golden, zulke tegenspraak zijn ontgaan? Dat was niet te verwachten en zij werd hem ook geenszins onthouden. In vele brieven beklaagt hij zich over die tegenspraak en het gelukte hem vaak die te beschamen, en als al zijne aangevoerde bewijzen en verklaringen toch bleken niet in staat te zijn om vooroordeelen te overwinnen, troostte hij zich met zijn vaste overtuiging daar tegenover te stellen en zeide: „Maar ik en stoor my sulks niet, ik weet dat ik de waarheyt hebbe”112, en hij haalt de schouders op over de onkunde en het vooroordeel dat hy te bestrijden had, waar hy, onder anderen, over den gewaanden honigdauw sprekende, waaraan men het bederf in de tarwe toeschreef, zegt: „Ik houd my verseekert, dat het vallen van den gewaanden honigdauw alleen maar verdigt-selen syn, die ligtelyk van een out wyfs spinnerokken syn voortgesproten, wy willen het haar niet qualyk afnemen, dat ze aan de oude dwalinge tot nog toe syn blyven hangen en wenschen haar toe dat ze hare misslagen mogen leeren kennen, ende de waarheid omhelsen”113.

Die tegenspraak werd vooral uitgelokt door zijne ontdekkingen van de kleine diertjes in regen- en andere wateren en in waterige aftreksels, zoo als ik die boven beschreven heb en aan welke diertjes, om de wijze, waarop zij verkregen werden, eene eeuw later de oneigenlijke naam van „afgietseldiertjes, infusoria”, gegeven werd.

En geen wonder! De ontdekking toch van wezens, wier ontsachelijk geringe grootte zoo lang aan het menschelijk oog onttrokken was gebleven, waardoor een nieuw veld van wereldbeschouwing geopend werd en de waarneming van de omstandigheden, waaronder deze kleine levende schepselen te voorschijn traden; de voorstelling die hij er van leverde dat deze, op de eenvoudigste wijze georganiseerde wezens „niet van zelf ontstonden, maar ieder in hun verschillende soort werden voortgebracht[69]uit germen of kiemen, die in de lucht aanwezig waren”, druischte zoo zeer in tegen de algemeen aangenomen begrippen, dat het niet te verwonderen is dat Leeuwenhoek de hevigste tegenspraak te verduren had. En wanneer wij ons herinneren, dat nog in onzen tijd groote strijd gevoerd wordt over het al of niet van zelf ontstaan van levende organismen, dat nog de „generatio spontanea”, niettegenstaande de meest overtuigende proeven en redeneeringen het onhoudbare van die stelling hebben bewezen, nog hare verdedigers vindt onder mannen van naam in de geleerde wereld, dan verwondert ons de tegenspraak, die Leeuwenhoek ondervond in geenen deele, en stijgt onze bewondering in geen geringe mate over het verlichte oordeel van den moedigen en zelfstandigen denker, die zijn tijd ver vooruit was en zich door geen blind geloof of gezag liet leiden of beheerschen, maar datgeene trachtte te doorgronden, waarin door anderen berust werd en die ook moed genoeg had om voor zijne overtuiging uit te komen, al moest hij daardoor gesmaad en verguisd worden.

Ook beklaagt hij zich zoo weinig medewerking en hulp bij zijne eigen stadgenooten te ondervinden. In een brief aan den heer L. van Velthuyzen d.d. 11 Mei 1679, in het bezit nu van wijlen den Heer van Dam van Noordeloos te Rotterdam en waarvan ik copie mocht nemen, schrijft hij „Ick heb soo nu en dan wel te kennen gegeven, dat ick het bloet van ongesonde menschen etc. etc, genegen was om te sien, maer ick heb noyt ’t een of ’t ander bekomen en daarom is mijn voornemen geen versoeck na dees tijd meer te doen.” En aan zeker Ciciliaansch edelman die hem kwam bezoeken, beklaagde hij zich eveneens, dat hij binnen Delft geen hulp kon bekomen, waarop deze hem antwoordde „Ick verwonder my niet, want de Hollanders syn niet genegen als om gelt te winnen.”—

Leeuwenhoek’s grootste strijd met de geleerden van alle landen ontstond ten gevolge zijner waarnemingen omtrent de zoogenaamde zaaddiertjes en zijne beschouwingen over de voortteeling, die zoo geheel indruischten tegen de toen algemeen aangenomen zienswijze over dit onderwerp.

Kort nadat hij de bovenvermelde ontdekking der infusoria gedaan[70]had, werd er eene andere door hem openbaar gemaakt, die van niet minder belang te achten is en de hoofden en pennen der geleerden van dien tijd geruimen tijd heeft bezig gehouden, eene ontdekking, ten gevolge waarvan de mannen der wetenschap zich als het ware in twee gelederen schaarden over de gevolgtrekkingen, die Leeuwenhoek er uit afleidde en zijne theorie over de voortteeling, die hij er op grondvestte. De voor- en tegenstanders bestreden elkander dikwijls met de scherpe wapenen der bespotting en verguizing, totdat men, door de ontwikkeling der wetenschap beter voorgelicht, eene voorstelling aannam, die beter met de resultaten der ontleedkunde overeenkwam. Deze nieuwe ontdekking nu, welke wij zullen zien, dat volgens mededeeling van Leeuwenhoek zelf, niet aan hem, maar aan zekeren Ham moet worden toegeschreven, betrof de waarneming van levende wezens in het voortteelingsvocht der dieren.

Omtrent den eigenlijken ontdekker dezer „animalcula spermatica,” ook „spermatozoïden” genoemd, bestond nog veel verschil van gevoelen.

De ware toedracht van zaken nu wordt door Leeuwenhoek aan den Heer Harmen van Zoelen, Oud-Burgemeester van Rotterdam, in een brief d.d. 17 December 1698114zeer uitvoerig verhaald. Toen namelijk later Hartsoeker zich de eer der ontdekking wederrechtelijk toeëigende, rekende Leeuwenhoek zich verplicht dezen brief, in uittreksel medetedeelen. Hij zegt daarin o. a., dat hij in November van het jaar 1677 aan de Koninklijke Sociëteit te Londen geschreven had, een brief van den Heer Craanen Hoogleeraar te Leiden ontvangen te hebben, met verzoek om zijn neef, den Heer Ham, student in de medicijnen eenige zijner waarnemingen te laten zien, die hem dan ook in Augustus 1677 een bezoek bracht. Toen deze hem nu voor de tweede maal bezocht, bracht hij een glazen fleschje mede, waarin hij „eenig ontloopen zaad van een man medebragt, die bij een ongesont vrouwspersoon hadde geweest.” Deze Heer Ham had dit vocht door het microscoop bezien en daarin „levende schepsels” zich zien bewegen en meende dat deze uit bederf waren voortgekomen.[71]Hij had er staarten aan opgemerkt en bovendien had hij gezien, dat zij niet meer dan 24 uren in het leven bleven; tevens verhaalde hij, dat, toen hij de patiënt terpentijn had ingegeven, de diertjes daarvan stierven. Leeuwenhoek onderzocht nu op zijn beurt het vocht, door een weinig er van in een haarbuisje te brengen, bezag het in het bijzijn van Ham en vond zijne ontdekking alleszins bewaarheid. Onmiddellijk daarop werd dit onderwerp een punt van nauwgezet onderzoek voor hem. Hij onderzocht herhaalde malen nu ook gezond sperma, vooral ook van verschillende dieren en vond de waarneming bij allen bewaarheid. Somtijds vond hij „meer dan duizend levende schepsels in de quantiteyt materie van een grof sand.” Zij waren kleiner dan de bolletjes van het bloed, de vorm er van was rondachtig, van onder spits toeloopende en met een langen dunnen staart voorzien, die circa 5 à 6maal zoo lang was en omtrent 25maal dunner dan het lichaam. Zij bewogen zich door eene slangsgewijze beweging van den staart.

Tot bevestiging van de waarheid, dat zijne medegedeelde ontdekking reeds vóór het jaartal (1678), waarin Hartsoeker beweerde dezelfde waarneming te hebben gedaan, was geschied, voegt hij er nog aan toe: dat die in zijn schrijven gedateerd, Nov. 1677, was opgenomen in de „Philosophical Transactions” no. 142 zijnde van December 1677 en Januari en Februari 1678.

Daar er omtrent den persoon van Ham, zijn waren naam en nationaliteit, zeer verkeerde lezingen bestaan, acht ik het niet ongepast te dezer plaatse melding te maken van bijzonderheden, die mij eerst onlangs zijn bekend geworden uit eene mededeeling in 1862 gedaan door Prof. H. I. Halbertsma115waaruit blijkt, dat niet Lodewijk Ham of Hamme, door sommigen voor een Duitscher, een jong geneesheer uit Dantzig gehouden, maar Johan Ham van Arnhem de ontdekker der spermatozoïden is. De belangrijkheid[72]dezer Nederlandsche ontdekking moge mij ter verschooning strekken voor de uitweiding over zijn persoon.

Tot de meening dat Ham een Duitscher zou geweest zijn heeft, volgens Prof. Halbertsma, Haller116aanleiding gegeven, als hij zegt: „Inventorem esse credo, Ludovicum Hamme (auctorem libri de herniis et de crocodilo) juvenem germanum”.

Kurt Sprengel117neemt echter, in later tijd, deze meening van Haller reeds als eene uitgemaakte zaak aan, waar hij zegt: „Es war in August des Jahrs 1677, als ein junger Arzt aus Dantzig, Ludwig von Hammen, die damals in Leiden studirte, den berühmter Anton von Leeuwenhoek zu Delft besuchte, und diesen zuerst auf die Körperchen im männlichen Saamen aufmircksam machte, auch sie ihm wirklich zeigte.”

Deze Ludwig von Hammen nu schijnt zich inderdaad in Leiden te hebben opgehouden, zoo als blijkt uit eene plaats in zijne „Dissertatio de Herniis”, Ed. tertia L. B. 1681, opgedragen aan Prof. Drelincourt,p. 61, waarin hij gewag maakt van eene waarneming, die hij in „Leydensium Nosocomio” heeft gemaakt en ook op pag. 76 van eene andere observatie spreekt, waargenomen „ni fallor, Lugduni ad Rhenam.”

Op het gezag nu van Haller en Kurt Sprengel hebben vele der nieuwere schrijvers dezen Ludwig von Hammen uit Dantzig voor den ontdekker der spermatozoïden gehouden, zoo als onder anderen in de „Allgemeine Encyclopædie” van Ersch en Gruber118en Kölliker119en Eckhard120.[73]

Ook Ehrenberg, Henle en Frey schijnen, volgens Prof. Halbertsma deze meening aan te kleven, ofschoon zij over Ham niets meer weten te zeggen dan dat hij een Leidsch student was. Prof. Halbertsma nu toont in bovengenoemde mededeeling het ongegronde van deze meening aan en gelooft het bewijs te kunnen leveren, dat deze Ham de voornaam Johan voerde en dat hij een Arnhemmer, dus een Hollander van geboorte was.

Uit eene korte levensschets namelijk van dezen Johan Ham, in het werk van Muys121citeert Halbertsma de latijnsche zinsnede, aldaar voorkomende op p. 288, waarin de ontdekking van Ham der spermatozoïden, in 1677 door hem aan Leeuwenhoek medegedeeld, wordt vermeld en waaruit verder blijkt, dat hij doctor in de medicijnen was, de practijk heeft uitgeoefend te Arnhem, dat hij secretaris van Legatie is geweest bij den keurvorst van Brandenburg en later aan het hoofd van hetzelfde gezantschap heeft gestaan; dat hij, teruggekeerd in het vaderland, Burgemeester is geworden van Arnhem en eindelijk Gelderland bij de Staten-Generaal heeft vertegenwoordigd. Het blijkt hieruit dat Haller, daar hij dezen schrijver Muys aanhaalt, bekend was met den levensloop van Johan Ham, hoewel hij desniettemingelooftdat hij een Duitscher was.

Prof. Halbertsma heeft allen twijfel die nog mocht hebben blijven bestaan over de juistheid van hetgeen Muys ons aangaande Ham mededeelt, opgeheven, door de nasporingen, welke de heer Bakhuyzen van den Brink in ’s Rijks Archief en de Heer Nyhoff in het provinciaal Archief van Gelderland, op zijn verzoek hebben in het werk gesteld. Uit dit onderzoek blijkt, dat Ham niet Ludwig maar Johan en niet von Hammen, maar kortweg Ham heette.

Onder dien naam komt hij voor in zijn briefwisseling met hunne Hoog-Mogenden, te vinden in ’s Rijks Archief en ook in de rekeningen der stad Arnhem. En ten overvloede vindt men dat in den „Catalogus inscriptionum”, voorkomende in het Archief van den Senaat der Hoogeschool te Leiden, zijne inschrijving als student op de volgende wijze staat: „1671[74]Sept. 16. Johannes Ham,Philosophiae studiosus ann. 20, by Anneken Schepsel in de Nieuwstraat”. Het behoeft geen verwondering te baren, dat Ham als student in de philosophie werd ingeschreven en later bij Leeuwenhoek voorkomt als student in de medicijnen, daar de beoefening van verschillende vakken van wetenschap niet zoo gescheiden was als thans. De Hoogleeraar Theodor Craanen, wiens neef onze Ham was, was bijvoorbeeld ook Doctor in de philosophie en medicijnen en doceerde zelfs deze beide vakken. Daar nu verder geen bijzonderheden meer omtrent den levensloop van Ham kunnen medegedeeld worden en hij ook, volgens gedane nasporingen, noch te Leiden, noch te Harderwijk gepromoveerd is, zoo behoort het niet tot de onmogelijkheden, dat hij, na zijne studiën te Leiden te hebben volbracht, den graad van Doctor in het buitenland, bij voorbeeld aan eene Duitsche Hoogeschool verkregen heeft, eene handeling die niet zonder voorbeeld is. Ham is vermoedelijk in 1650 of 1651 geboren, blijkens zijn inschrijving in September 1671 te Leiden als student, toen hij den leeftijd van 20 jaren bereikt had. Met minder juistheid nog is zijn sterfjaar op te geven, hoewel met zekerheid is vast te stellen, dat hij in 1723 nog leefde, daar Ham toen, blijkens de stads rekeningen van Arnhem, voor de derde maal als Burgemeester van Arnhem uit de steden van het kwartier van Veluwe gecommitteerd werd ter vergadering van Hunne Hoog-Mogenden.

Na deze uitwijding over Johan Ham, keeren wij tot de zaak zelve terug.

Op uitnoodiging der „Royal Society” zette Leeuwenhoek nu zijne waarnemingen over de spermatozoïden met ijver voort, verzekerde zich van de aanwezigheid dezer lichaampjes bij den hond, de kat, het konijn, den haan, en vele andere dieren en vond dat ze allen overeenkwamen met die, welke hij reeds beschreven had. Ook in den walvisch was hij in de gelegenheid die te observeeren en vond daarbij dat zij in dit groote dier geen grootere afmetingen bezaten, dan die hij bij de kleine dieren waarnam. Bij den kikvorsch en in de hom van verschillende visschen, die hij met hetzelfde doel onderzocht, vond hij ze in een verbazend groot aantal.[75]

De observatie van Leeuwenhoek was in alle opzichten juist, maar, zoo als later bleek,vergistehij zich in de natuur der waargenomen lichaampjes, daar deze geen diertjes zijn, maar veeleer als celachtige weefseldeeltjes moeten beschouwd worden.

Deze waarneming van de spermatozoïden bij de mannelijke dieren deed hem eene theorie der voortteeling bedenken, namelijk, dat van deze diertjes de grootste zich in de baarmoeder voedden, daar tot wasdom geraakten en de vrucht of het foetus vormden. Deze theorie, hoewel zij tegen de toen algemeen aangenomen zienswijze indruischte, werd door velen aangenomen, zoo als onder anderen door Huygens, Boerhaave, Hartsoeker, maar door niet weinigen betwijfeld en ontkend, waaronder Harveus, de Graaf, Kerkringius, Nuck, Swammerdam en anderen.

Intusschen was Leeuwenhoek met hart en ziel en uit volle overtuiging zijne theorie der voortteeling toegedaan en verdedigde zijne stellingen met kracht tegen al wie zich met hem daarover in het strijdperk durfde wagen, zoo als blijkt uit hetgeen hij daarover schreef, toen Dr. Martin Lister zijne stellingen omtrent de voortteeling uit een diertje van het mannelijk zaad in de „Philosophical Transactions” had bestreden122. „Ik moet” zegt hij123, „tot UE. Hoog Edele Heeren seggen dat de gemelde tegenwerpingen mijn gevoelen niet een stip om soo te spreeken, doen veranderen.”

François Aston schreef hem in Februari van het jaar 1683 over zijne theorie, „dat deze zeer ingenieus was, maar dat zij veel tegenspraak in de wereld zou ondervinden.” Leeuwenhoek antwoordde daarop, dat hij dit ook wel gedacht had: „Want de werelt is met een voor-oordeel omtrent het eyernest ingenomen maar,” voegt hij er bij „ik heb al veel geleerde Heeren in ons land gevonden, die myne stellingen approberen.”124Aan Leibnitz schreef hij125. „Seker seer verstandig Heer in onze stad, seyde tot my, Leeuwenhoek, gij hebt de waarheyt, maar bij u[76]leven sal zy geen ingang vinden. Ende dus komt het my niet vreemt voor, dat ik in myn leven wert tegengesproken.” In zijne missive van 30 Maart 1683 aan dezen geleerde schrijft hij126: „Ik weet wel, dat myne stellinge omtrent de voorttelinge by eenige gants verworpen werden, gelyk dan ook seker Autheur onlangs uitgegeven heeft een boekje, waarin den selven op telt seventig Autheuren, die geschreven hebben dat alle de vruchten soo van menschen als beesten uit een ey voortkomen” .… „Maar laat nu onsen Autheur dit voegen by zyn 70 Autheuren, ja, laat hem (soo hy wil en kan) met andere tot seventig maal seventig voor den dag komen, die alle het ovarium ofte eyernest vast stellen, en seggen dat het mannelyk saat niet in de baarmoeder werd gestort, ik segge dat sy altemaal gedwaalt hebben, en dat zy nog alle dwalen, die seggen, dat menschen en dieren uit eyeren voortkomen ende dat geen mannelyk saad in de baarmoeder komt, ja dat dit al van de onnoselste stellingen syn, die onder de geneesmeesters in swang gaan.” Men ziet het, Leeuwenhoek dorst zijn tegenstanders te woord staan en liet zich niet gemakkelijk uit het veld slaan. Telkens als het pas gaf spreekt hij met groote minachting van de „gewaande eyernesten”, van „dat tuig, dat men eyeren noemt.” Vooral was hij scherp tegen Bontekoe127, die zijne observaties omtrent de zaaddiertjes en de generatie in een belachelijk daglicht had trachten te stellen. In een brief aan de „Royal Society” van 30 Maart 1685128laat hij zich over deze handelwijze van Bontekoe aldus uit:

„My is laatst ter hand gekomen een boekje, genaamt „Collectanea medico-physica”, alwaar, Cent. 5 pag. 8, onder ander geseid werd: „Maar het allerverwonderenste is, dat ons den geleerden Heer Cornelis Bontekoe verhaald uit den curieusen Leeuwenhoek, dat ’s menschen sperma vol soude zyn van kleine[77]kinderkens, en soo voorts en andere dingen na yders aard.” Waarna hy laat volgen: „’t Is waar dat de Heer Bontekoe my veel maal met geselschap is wesen besoeken, maar ik heb nooit tegen hem, ofte tegen iemand ter wereld, die redenen gebruikt, dat ’s menschen sperma vol is van kleine kinderkens, maar wel geseid, dat het vol is van levendige dierkens of wormkens die lange staarten hebben”.…Ik moet dan klaagsgewijze zeggen, hoe dat men myne redenen niet alleen verdraait, of die qualijk voort seid, maar zelfs die op het papier met den druk komt gemeen te maken.”

Als een staaltje van de wijze waarop de waarnemingen van Leeuwenhoek zoowel van het ontdekken der diertjes in het water, als in het sperma werden gecritiseerd diene het volgende curieus versje, dat ik in een oud geschrift129vond. Daarin wordt op ironische wijze de bewering van Leeuwenhoek van het vinden van levende diertjes in verschillende vochten enz. en dat hij wormen meende te zien, waar anderen niet het minst daarvan konden bespeuren gehekeld, de schrijver is overtuigd dat men over zijne waarnemingen hetzelfde oordeel kan vellen dat Dr. Becker in zijn „Närre Weisheit und weise Narheit”, 1682, no. 38 heeft aangevoerd:

„DieWeltstill steht,Und nicht umgeht,Wie recht die Gelehrten meynen;Ein jeder ist Seines Wurms vergewyzt,Copernicus des Seines,Und also Herr Lewenhoeck des Seinen”.

„DieWeltstill steht,

Und nicht umgeht,

Wie recht die Gelehrten meynen;

Ein jeder ist Seines Wurms vergewyzt,

Copernicus des Seines,

Und also Herr Lewenhoeck des Seinen”.

Onder de scherpste tegenstanders van Leeuwenhoek, nietalleenbij zijn leven, maar zelfs na zijn dood, moet men zijn land- en tijdgenoot Hartsoeker rekenen. Deze geleerde, wiens[78]scherpe critiek zelfs mannen als Bernard, Leibnitz, Newton en anderen niet spaarde, had zich de moeite gegeven, om na den dood van Leeuwenhoek zijne brieven te onderzoeken. Hartsoeker heeft dit onderzoek geplaatst achter zijn „Cours de Physique, accompagné d’un extrait critique des lettres de Mr. Leeuwenhoek,” welk werk in 1730 bij Jan Swart te ’s Hage, na den dood van Hartsoeker, is in het licht gegeven.

Dit critisch onderzoek draagt het karakter van persoonlijken wrok en geringschatting, waarvan de proeven schier op iedere bladzijde te vinden zijn.

Een paar voorbeelden van de wijze, waarop Hartsoeker gewoon was in zijn „Extrait critique” de waarnemingen van Leeuwenhoek te critiseeren, zullen voldoende zijn, om zijn scherpen toon te leeren kennen.

Van de brieven in het algemeen sprekende, zegt hij daarvan, dat zij geschreven zijn „dans un stile bas et rampant” hoewel hij niet nalaten kon te erkennen, dat zij „contiennent parmi quantité d’observations inutiles etchimériques, quelques unes de très bonnes et qui servent à l’avancement des sciences.”

Hij spreekt verder met minachting van zijn persoon, en niet zonder jaloezie, wegens de onderscheiding die hij van anderen ondervond: „Je n’ai jamais été surpris qu’un homme commenôtreauteur, dont le genie étoit assurément au dessous du médiocre, ait parlé comme il a fait des globules du sang, du lait etc.; mais mon étonnement a été bien grand de voir que de célèbres médecins et professeurs en philosophie et en médecine, l’ont cité avecélogesur sa belle découverte des pretenduës boules, et ont adoptésongalimatias.”

Dat ook Leeuwenhoek zelf niet vriendschappelijk gezind was ten opzichte van Hartsoeker kan blijken uit de volgende passage uit het genoemde „Extrait critique”. „J’ai été trois fois chez lui. J’y fus la prémière fois avec un bourguemestre de Rotterdam et avec mon père vers la fin de l’année 1672, ou au commencement de l’année 1673, dont il s’est fort bien souvenu comme on le verra dans la suite. J’y fus ladeuxièmefois seul, vers la fin de l’année 1679 à mon retour de Paris. Cette visite, que je lui rendis, moité dans la ruë et moitié a[79]l’entrée de sa maison, m’attira son disgrace et m’en fit un ennemis capital, à cause que je lui fis sur ses ridicules anatomies, quelques objections aux quelles il ne pouvoit me répondre. Comment faites-vous, lui disois je, pour disséquer, par exemple, une puce, et qui plus est, une mite, pour tirer les testicules de leur corps, pour ouvrir ces testicules et en ôter la semence, enfin pour voir que cette semence est remplie de petits animaux en forme de petites anguilles fort longues et fort minces; de quels verres vous servez vous pour faire cette anatomie? Si le verre est petit, vous n’avez pas assés de lumière, parce que vous le cachez à vous même; s’il est grand il ne grossit pas assés. Mais de quels couteaux vous servez vous? Celui qui auroit le tranchant le plus fin et le plus aigu écraseroit le vaisseau plutôt que de l’ouvrir .… et la dessus s’ennuiant sans doute de mes objections, il me congédia assez brusquement, disant qu’il avoit d’autres affaires.”

Zijn derde en laatste bezoek bracht hij aan Leeuwenhoek in 1697 of 1698. Hartsoeker was toen in gezelschap van den Burgemeester van Delft, wien hij verzocht had zijn naam niet te noemen.

Leeuwenhoek had tot ontvangst zijner gasten alles in gereedheid gebracht, ten einde hen eenige praeparaten te laten zien. De burgemeester niet aan dit verzoek van Hartsoeker denkende, stelde hem aan Leeuwenhoek voor, waarop Leeuwenhoek, zoo zegt H., in zijnExtrait critique: „me regardant avec un air dédaigneux, et d’un oeil d’indignation et de mépris, serra d’abord toute la boutique, sans vouloir nous faire voir la moindre chose, et peu s’en fallut qu’il ne nous mit par les bras hors de sa maison.”

Aan het slot van de critiek zijner brieven gekomen, zegt Hartsoeker, in de beoordeeling van zijn laatsten brief, vol van scherpte en persoonlijke antipathie: „Tout ce qu’il y dit a été dit et redit mille fois, de sorte que ce ne sont qu’autant de parôles perduës; et pour ce qui est des figures qu’il a fait graver de ses observations, elles ne signifient rien du tout, et ne representent que des traits confus”.

Blijkt nu uit al het aangevoerde, dat Leeuwenhoek, wegens[80]zijne ontdekkingen en vooral zijne „speculatiën” over de voortteeling, veel tegenspraak ondervond en dikwijls aan hevige aanvallen blootstond, aan den anderen kant had hij ook warme voorstanders onder de beroemdste en geleerdste mannen van zijn tijd. Hiervan blijkt ons vooral uit eene correspondentie met Leibnitz, d.d. 28 September 1715130. Deze had hem namelijk geschreven, dat de geleerde Vallisnieri te Padua zijne stellingen ontkende en dat hij (Leibnitz) weldra een werk dacht uit te geven over dit onderwerp, waarin hij hem recht zou laten wedervaren. Leeuwenhoekantwoordde: „Wij hebben in ons lant een spreekwoort, dat ééne bonte kraaij geen koude winter maakt, is de Heer Vallisnieri tegen myne stellinge, daar syn der wel duyzent voor my.”

Van deze uitspraak van Leibnitz ten gunste van de stellingen van Leeuwenhoek, alsmede van zijn groote verdiensten, blijkt ons nog nader uit eene verwijzing naar het boven bedoelde geschrift, de „Theodicae” van Leibnitz, waarin hij werkelijk deze theorie van Leeuwenhoek verdedigt.

In een door Prof. C. G. Ehrenberg in 1845 gehouden redevoering in de vergadering van de Pruisische Akademie van Wetenschappen, ter herdenking van den geboortedag van Leibnitz131, wordt namelijk door genoemden geleerde met de hoogste achting over Leeuwenhoek gesproken, als van iemand, op wiens oordeel als nauwkeurig, scherp waarnemer, Leibnitz zeer hoogen prijs stelde.

Na eene korte vermelding van de tusschen Leeuwenhoek en Leibnitz gevoerde correspondentie in de jaren 1715 en 1716 (toen de laatste 60 en Leeuwenhoek reeds 84 jaren oud was), voornamelijk bevattende de gevoelens van den laatsten, in antwoord op door Leibnitz aan zijn oordeel onderworpen vragen,[81]omtrent de physiologische beteekenis derspermatozoïden, zegt Ehrenberg, dat Leibnitz getuigde: „dat hij de meeningen van Leeuwenhoek over dit vraagstuk voor zeer waarschijnlijk hield en die ook in zijn Theodicae132had uitgesproken.”

Ehrenberg zelf noemt in genoemde redevoering Leeuwenhoek’s ontdekkingen der infusoriën in het water en derspermatozoïdenin het mannelijk sperma, „twee der schitterendste en onvergankelijkste ontwikkelingsmomenten der menschelijke kennis.” Ehrenberg zegt aldaar verder van Leeuwenhoek, dat hij niet, zoo als Haller in zijne beroemde physiologie aangeeft, een voormalig brillenslijper te Delft was geweest, „maar een onafhankelijk, zonder strenge school gevormden, maar door Boerhaave en Huygens, zijn hoogstverdienstelijke landslieden, persoonlijk geachten, met vele beroemde mannen van zijn tijd en ook met Leibnitz in schriftelijke verbintenis staanden man, de onafhankelijke zoon van een welvarende brouwersfamilie te Delft, wiens wetenschappelijke trouw, vlijt en geniale ontdekkingen alle erkentenis en eer verdienen.”

Leeuwenhoek werd door Leibnitz nog in zijn, na zijn dood uitgekomen „Protogeae”, in het bijzonder met de volgende woorden, welke als antwoord en dankbetuiging moesten strekken voor den laatsten aan hem gezonden brief, herdacht:

„Et velim microscopia ad inquisitionem adhiberi, quibus tantum praestitit sagax Leeuwenhoekii Philosophi Delphensis diligentia, ut saepe indigner humanae ignaviae, quae aperire oculos et in paratam scientiae possessionem ingredi non dignatur. Nam si saperemus jam passim ille imitatores haberet”133.

Omtrent het gunstig oordeel van Boerhaave over de stellingen van Leeuwenhoek, zegt hij in een zijner brieven: „de Heer Boerhaave in syn oratie, verwerpt onder andere de stellinge[82]van verscheyde Heeren omtrent de voortteelinge, en seyt dat de myne in Italiën, Duytslant, Engelant, ende Vrankryk, werden aangenomen.”

Leeuwenhoek achtte het vooral noodig de bedenkingen, die bij de leden der „Royal Society” tegen het groot aantal diertjes door hem in het sperma waargenomen, gerezen waren, te wederleggen. Hij deed dit in een brief aan Nehemiah Grew, d.d. 25 April 1699134en zegt daarin het volgende: „en alhoewel in myn selven versekert dat dese myne verhaalde observatiën by weynige menschen sullen aangenomen worden, nademaal het onmogelyk is, sulken grooten getal van levende schepsels in soo een quantiteit materie te bevatten, soo wil ik alle de geenen die het selvige verwerpen, het haar ten goede afnemen, te meer, omdat wanneer ik van het groot getal van levende schepsels in ’t water schreef, by de Koninglyke Societeyt selfs niet konde aangenomen werden. Maar daar ik myne calculatie en eenigsints myn methode van doen beschreef, soo heeft UEd. confrater de Heer Robert Hooke het getal noch vergroot ende my geschreven, dat zyn Koninglyke Majesteit sulks gehoort hebbende, begeerig was om hetselvige te sien, ende dat hy hem beliefde, en de dierkens siende, met verwondering deselve aanschouwde, ende met groot respect van myn naam sprak. Want soo waaragtig, als ik van de dierkens in het water heb geschreven, soo waaragtig schrijf ik van de dierkens in ’t mannelijk zaad van menschen, beesten, vogelen ende visschen, en het sal my genoeg zyn, soo ik maar credit by UEd. en de geleerde Heeren Philosophen vinde, waaraan ik ook niet en twijffele.”

Leeuwenhoek was echter, bij al zijn vasthouden aan hetgeen hij voor waarheid hield, volstrekt niet onvatbaar voor overtuiging, zoo als sommige schrijvers wel eens hebben gezegd. Dit kan, onder meer andere betuigingen van hem in zijne brieven, blijken uit zijne volgende verklaring in een brief aan George Garden135„myn voornemen is niet hartnekkig by myn stellinge[83]te blijven, maar zoo ras, als men my waarschynlyke redenen te gemoet voert, daar van ik een bevattinge kan krygen, dat ik de myne sal verlaten, en tot een ander overgaan, te meer, omdat doorgaans myne tragtingen tot geen ander eynde strekken, als omme waarheyt, soo veel in myn vermogen is, voor de oogen te stellen, die te omhelsen, ende myn kleyn talent, dat ik ontfangen heb, te besteden, om de werelt, van haar Out-Heydens bygeloof af te trekken, ende tot de waarheyt over te gaan, ende die aan te kleven.” En elders136„Ik weet wel, dat in myne stellinge die ik kome te maken, niet alle over een komen, maar tegen den anderen strijdende saaken daar onder gevonden werden, soo sal ik al weder seggen, dat myn doen is, niet langer myn gevoelen staande te houden, tot der tyd en wyle ik beter onderrigt werde of dat myne aanmerkingen my tot andere gedagten doen over gaan en ik sal my noyt schame van dit myn doen af te wyken.” Dat is de taal van een eerlijk, eenvoudig, oprecht gemoed, en onwillekeurig worden wij met eerbied vervuld voor den man, die pal stond tegen onwaardige verguizing en bespotting, maar vatbaar was voor overtuiging. Hoe meer men de brieven van Leeuwenhoek doorleest, hoe meer men versterkt wordt in deze gunstige opinie omtrent hem, die wel niet vrij was van gebreken, gedeeltelijk ook toe te schrijven aan zijne beperkte ontwikkeling, maar die overigens edel van hart en eenvoudig van zin was en daarvan talrijke bewijzen gaf.—

Bij het doorlezen zijner brieven treft ons zijn onbevangenheid van oordeel, zijn oorspronkelijkheid in het verklaren en beoordeelen van feiten door hem waargenomen, en zijn helder inzicht in vele zaken, waardoor hij bleek een zelfstandig denker te zijn, die weinig behebt was met de vooroordeelen van zijn tijd, deze, waar hij kon, bestreed en zich alzoo in de eeuw waarin hij leefde, als een man van vooruitgang deed kennen.

Vooral werd de lichtgeloovigheid der groote menigte scherp door hem bestreden; dit bleeko. a.als hij in de gelegenheid[84]was te waarschuwen tegen vreemde geneesheeren en het gelooven in hunne hoogdravende aankondigingen van zoogenaamde onfeilbare middelen tegen allerlei kwalen. Hij doet dit met ernst en overtuiging en wij zien daarin het bewijs, dat Leeuwenhoek reeds twee eeuwen geleden wijzer was dan zoo velen van onzen tijd. „Het is te beklagen” zegthij137„dat veele menschen in ons lant soo ligt-geloovig zyn, want laat maar een vreemde geneesheer in ons lant komen, die sig selven beroemt van groote cure gedaan te hebben, gelyk ze gemeenlyk doen, en haar roemen met veel leugens weten op te pronken. Dit pochen en snorken vint veeltyds niet alleen ingang by den gemeenen man, maar het gaat ook over tot luyden, waarvan men een beter oordeel verwagte; en als men deze vreemde opsnuyvers omtrent saken, die ze behoorde te weten, komt aan te spreken, bevind men haar slegte knegten te zijn. Eenigen tijd geleden en is in ons land gekomen, een grooten, botten opgever en leugenaar, zynde een Hoogduytser, die sig beroemde, door syn poeder „Sympatie”, alle gebreken die men hem kwam te noemen, te sullen genesen. Dezen pofhans die bragt men uyt een nabygelegen stad, met een karos aan myn huis, opdat ik soo een wonderlyke geneeser soude aanschouwen; dese syne geneesinge bestond alleen door syn poeder Sympatie te gebruyken op de urine van de lyder. Nadat ik de opsnorkinge van geneesinge in ’t breede soo lang hadde aangehoort, dat het my verveelde, versogt ik de vryheid te mogen hebben, om myne gedagten soo als ze by my lagen, te uytten, dat my wierd toegestaan, waarop ik, sonder veel omwegen, op het eerste seyde, dat wy Hollanders sulks niet en sullen gelooven, enz. en op het tweede dat ik het agte een onmogelijkheid, en dat alle, die sulke taal voeren, door my voor desen was geseyt, en nog staande gehouden wierd, dat het maar bedriegers syn; in ’t kort, hy verhaalde soo vele geneesinge en door sulke wegen, die geen de minste schyn van waarheden konnen hebben, en die by alle verstandige verworpelyk syn. Ja soodanig, dat ik my schaamde over syn onnoselheid, en gelyk ik voorseyd hadde, dat ze alle sullen[85]bedrogen werden, die met hem aanslaan, gelyk gevolg sulks geleerd heeft, want hy is met schande vertrokken”.… „Is ’t niet miserabel”, zegthijiets verder, „dat onse natie haar aan sulke menschen overgeven, daar ze ten genoege konnen gedient werden van oude ervaren geneesmeesters, onze inboorlingen en die door de bank meer begaaftheden bezitten, als de vreemde die we behaamt hebben” .… „Ons leert de ondervindinge hoe onervarender in konsten en wetenschappen, voornamentlijk in de genees- en heelkunde, hoe grooter roemers.” Ten slotte betuigt hy het zyn roeping te achten tegen al dergelyke dwaling te stryden en te waarschuwen: „dese opmerkinge komende van iemant die de waarheden omhelst en de werelt, soo veel als in syn gering vermogen is, van de dwalinge ende het vooroordeel, die niet als te veel nog in swang gaan, af te leyden.”

Het blijkt dat Leeuwenhoek’s helder oordeel en zijn kennis van vele zaken door zijne stadgenooten en ook elders langzamerhand algemeen bekend was geworden en men hem over allerlei aangelegenheden kwam raadplegen. Zoo werd hij niet zelden door geneesheeren geraadpleegd over verschillende verrichtingen in het menschelijk lichaam en trachtte hij meermalen hunne in zijn oog verkeerde denkbeelden, door bewijzen te wederleggen, waarbij hij zich niet altijd van zekere bijtende scherpte onthouden kon, want hij was een man, die zonder aanzien des persoons zijn gevoelen rond weg uitsprak en wien, zoo als men zegt, het hart op de tong lag. Niet zelden geraakte hij dan ook met hen aan het discuteeren en veroordeelde met scherpte hunne verkeerde zienswijzen. Men oordeele over de volgende staaltjes138. „Weynige dagen geleden, kome ik by eene vrouwe, die eenige kleyne uytsypelinge van vogtigheden, beneden aan het been hadde”.… „Om nu het verhaalde ongemak te genezen, hadde seker geneesheer alle syne bedenkelyke middelen in ’t werk gestelt dog alles te vergeefs en tusschen beyde verscheyde purgeerende medicamenten ingegeven, onder anderen had ze een dag à twee daar te vooren een kleyn poeyertje ingenomen, waarvan ze wel agt afgangen hadde gehad. De geneesmeester sulks[86]geseyt werdende, bekende dat het te veel ware, en dat drie afgange genoeg hadde geweest”.… „De lydster is van geen starkte en daar by mager en gelijk wel 25 andere geneesmeesters, haar souden aanraden het matelyk theedrinken, soo verbied sulks haar genees-meester. Dese mishandeling van stark purgeren en hoorende dat haar ligchaam met roode puysten was uytgeslagen geweest, dede my uytbarsten met een hevigheid te seggen, soo een swak ligchaam soo een poeyer in te geven, sulken werkinge te veroorsaken is eer een moortmiddel, dan een geneesmiddel. Naderhand versta ik, dat het poeyertje, dat de afgange hadde veroorsaakt, omtrent een aas zwaarte heeft gewogen, dat geen tienduysenste gedeelte van een pont is. Als nu soo een kleyne quantiteit stoffe, sulke beweginge in maag en darmen kan te weeg brengen, mogen wy niet met regt soodanige stoffe een „Moortpoeder” noemen”?

Nog verhaalt hij139dat zeker Doctor in de medicynen hem een papiertje vertoonde, waarin eenige kleine deeltjes waren, door zekere jufvrouw in haar urine geloosd, met verzoek die te examineeren. Hij beschouwde deze voorwerpen door zijn microscoop en bemerkte al dadelijk, dat het zaadjes uit de aalbes waren. De geneesheer, die hij dit mededeelde, wist daar geen verklaring van te geven, en scheen niet ongenegen om de zaak voor mogelijk te achten, doch Leeuwenhoek bewees duidelijk, dat zulke zaadjes onmogelijk door de maag en ingewanden in de blaas konden geraken, maar was van gevoelen, dat eerder een der dienstboden die zaden in den waterpot zou geworpen hebben,„om door sulk doen, haar juffrouw te meerder kon beklaagt werden.” „Wij vinden menschen,” vervolgthij, „die de naam wel willen dragen van doorgaans siekelyk te syn, omdat men haar beklagen en medelyden souden hebben.”

Van wege de „Royal Society” werd hem het onderzoek van haren opgedragen, die zeker geneesheer uit Pleymouth, Yonge genaamd, aan dat collegie had toegezonden, met mededeeling dat deze haren, volgens zeggen, door eene vrouw in hareurinegeloosd waren. Hij voldeed aan die opdracht en ontdekte dat[87]het niets anders was dan schapenwol, zoodat hier bedrog in het spel was140.

Leeuwenhoek verhaalt in dienzelfden brief nog een ander geval, waarin hij verzocht werd een steen te onderzoeken, die door zekere vrouw zou geloost zijn en waarvan hij het bedrog onmiddellijk aantoonde. „Een seker vrouwspersoon,” zoo verhaalt hij, „maakte de onnosele menschen wys, dat zy verscheyde steenen, door ordinaire waterloosinge, met smert quyt wierde. Dit geloofde ook in die tijd seker geneesmeester, en ook eenige kerkelyke personen, soo dat vele medelyden met haar hadde, en groote opschuddinge in de stad maakte. Seker geneesheer (dien hij echter niet noemt waarschynlijk om de lichtgeloovige te sparen) gaf my soodanigen steen in de hand, om die te examineren. Maar ik gaf hem aanstonts over, nadat ik alvooren met myn sleutel op deselvige hadden geslagen, en daardoor met het bloote oog gesien, dat het een stuk van een gebakke vloersteen was. En sulks wierd ook by eenige Hooge-leeraars, die deselvige ten proeve hadden gestelt, bevestigt, en sedert dat deze valsheyt ontdekt was, heb ik niet gehoort, dat sy meer veynsde steenen quyt te worden.”

Overigens was zijn oordeel over geneeskundigen en het gebruiken van geneesmiddelen alles behalve gunstig. Hij was te zeer gewoon geraakt om de verrichtingen in het dierlijk lichaam nategaan en zal daar zeker veel over gelezen hebben, zoodat hij zich over de werking der geneesmiddelen een eigen oordeel en verklaring gevormd had, en vooral over de verandering, die het bloed door vermenging met zekere zouten onder het microscoop ondervond. Hij meende dan ook, dat het op gelijke wijze inwendig een dergelijken invloed zou ondervinden; vandaar dat hij vele ongesteldheden toeschreef aan den te dikken toestand van het bloed, zoodat het te traag door de nauwe capillaire buisjes vloeide. Hij meende dat veel drinken deze dikke bloedmassa weder zou verdunnen en paste deze theorie dan ook getrouwelijk op zijn eigen lichaam toe; zoo was zijn gewoonte141[88]als hij des avonds wat overvloedig gesoupeerd had, den anderen morgen meer dan gewoonlijk koffie te gebruiken en wel zoo heet en schielijk mogelijk, ten einde zweeten te bevorderen, „en soo door sulk doen” zegt hij, „mijn lighaam niet kan herstelt worden, een gantschen Apoteecq, beeld ik my in, sal soo veel tot herstelling van myn lighaam niet konnen uytleveren, en dit is ook het eenigste middel, die ik sedert veel jaren hebbe in ’t werk gestelt, als ik een koorts gewaar werd, alleen met dat onderscheyd, dat ik my ook door thé-drinken soo doe sweeten.” Na eene lange redeneering over de gevolgen van het te dik zijn van het bloed, de vertraging der circulatie en het ontstaan hierdoor van allerlei ongesteldheden, besluit hij met de volgende, gansch niet malsche tirade, waarbij ook de Apotheker zijn deel krijgt:.… „Dit soo synde, is het te beklagen, dat de geneeskunde geoeffent werd van soo veele, by de welke geen goet oordeel is, want wat Apoteeker, wat Chirurgyn isser, die sig niet onderwint in geringe voorvallen, purgeerende saaken in te geven, en dit is by veele het eenigste dat sy verrigten konnen, waardoor ze veele haar eynde komen te verhaasten, want de meeste hebben gants geen kennis van het maaksel van ons lighaam, veel min dat ze de bequaamheid hebben, om de sieke wel te ondervragen, en dan te overwegen waaruyt de ongemakken syn voortkomende. Het werd by eenige geoordeelt datter geneesmeesters gevonden worden, die maar om welstaans wille en als niet te vergeefs by de sieken te komen, het eene ofte het andere ordonneeren, en ten anderen, omdat ze de medicamenten souden leveren, of ook wel om de Apoteeker gelt in de beurs te jagen”.… Zelf had hij dan ook weinig vertrouwen in de geneesheeren en was er niet toe te brengen, bij voorkomende ongesteldheid, geneesmiddelen te gebruiken. „Wat my belangt,” zegt hy, „wij sullen wel wagt houden, dat soodanige moort-poeders142uyt ons lighaam blyven, en ook wel wagten voor alle geneesmeesters, die diergelyke lighaam schade[89]toebrengende, sulke saaken in ’t werk stellen. Want soodanigen medicament berooft het lighaam van de dunne stoffe, die de menigvuldige vaatgens, leggende in de holligheden van de darmen, uyt de chyl soude overgenomen, ons bloet en andere sappen verdunt, en voedsel toegebracht hebben. Ook blykt klaar, dat meest alle de geene die heden door purgeren verscheyde afgangen hebben gehad, des anderen daags hardlyvig sullen syn, welke hardlyvigheid alleen veroorsaakt werd, beeld ik my in, omdat het lighaam des daags te vooren, door het ontydig wegstooten van de chyl, gebrek aan genoegsamen vogt geleden heeft, nu alle de vogt uyt hetgeene men genuttigt heeft, soodanig uit het lighaam heeft overgenomen, dat de excrementen hard syn.”

Ook had hij dikwijls langdurige gesprekken met geneeskundigen over de voeding en de verteering der spijzen, over de circulatie van het bloed door het ligchaam en over de bestrijding van de toen heerschende meening, dat het bloed, door de lucht die in de longen door het inademen komt, in een gistenden toestand geraakt. Hierover laat hij zich aldus uit143: „Ik heb sedert eenige jaren tegen verscheyde doctoren tragten staande te houden, dat ’er geen fermentatie in het bloed is, en onder anderen ook op wat manier ik my imagineerde, dat het bloed door het lighaam wierd voortgestooten, hoe hert en pols in een koortsige stark slaande, egter de circulatie van het bloet (meest) langsamer is; hoe onse vlees draatjens, schoon er geen bloedvaatjens door loopen, egter van het arteriaal bloed gevoed werden; hoe de spys in de maag en darmen verbryselt werd. Onder de doctoren was er een die my meenigmaal quam besoeken; dese verhaalde in presentie van andere Heeren, dat hy een groot gevallen had gehad in myne stellinge; dat hy laatst van my vertrekkende met nog een doctor, die in ’t geselschap was, den gantschen nagt, over myne redenen, die ik gewisselt had, hadde gephilosopheert; dat hy daarover soude schryven, maar my de eer soude geven, alsoo hy met een ander zyn gedagten niet wilde pronken.”

Leeuwenhoek had echter ook zonderlinge denkbeelden over[90]sommige zaken; zoo schreef hij de oorzaak, waarom bij voorbeeld azijn en andere zuren een zuren smaak bezaten, daaraan toe, dat de aan beide zijden scherp toeloopende kristalletjes, die hij onder het microscoop waarnam, als hij azijn op een glaasje van zelf liet verdampen en die hij „het zout van den edik” (azijn) noemde, met deze scherpe of nijpende deelen op den tong prikken en het gevoel veroorzaken, dat wij zuur noemen! Eveneens schrijft hij het gevoel van hitte of branden van de peper op de tong toe, aan de scherpe naaldvormige kristallen, die hij door aftrekken van peper in water onder het microscoop bekwam en die hij de „soutdeelen der peper” noemde; deze deelen nu zouden dan met hun scherpe deelen zoodanig op de tong of in den mond steken, of kwetsen, dat men daardoor de bekende heete of brandende smaak ondervond. Zoo ook schreef hij de vergiftige werking der kwikzouten daaraan toe, dat de puntige scherpe uiteinden der microscopische kristalletjes, de darmwanden en bloedvaten verwondden en daardoor dikwijls de dood veroorzaakt werd!

De zoete smaak werd volgens Leeuwenhoek veroorzaakt, doordat de deelen van de suiker, hoewel uit scherpe punten of hoeken bestaande, in het vocht van den mond de scherpte verliezen en eene zoo zachte buigzame gedaante aannemen, dat, wat zij op de tong ontmoeten, daarvoor buigen moet waardoor deze zoo aangenaam daar zijn, dat zij ons den smaak van zoet doen gevoelen144.—

Vragen van allerlei aard werden dikwijls aan zijn oordeel onderworpen en men ging zelfs zoo ver, dat men aan hem de kennis over verborgen zaken toeschreef, oordeelende dat de ontdekkingen, die hij bekend maakte, tot de onmogelijkheden behoorden en alleen met behulp van geheime kunsten konden bewerkt worden. „Ik weet wel,” zoo zegt hij in een brief aan zijn neef Dr. Abraham van Bleyswyk145,„dat dit mijn schrijven bij eenigen niet zal aangenomen werden, als oordeelende dat de geseyde ontdekkingen onmogelijk zijn te weeg te brengen;[91]maar ik trek mij zoodanig tegenspreken niet aan. Men seyt tegenwoordig by de onverstandige nog van my, dat ik een tovenaar ben; ende dat ik de menschen vertoon dat ’er niet en is, dog het is haar te vergeven, zy weten niet beter.”

Allerlei onderzoekingen werden hem opgedragen, door aanzienlijke stadgenooten, geleerden, corporatiën en handelaars. Ieder stelde prijs op zijn ervaring en doorzicht en hij was er de man niet naar om een onderzoek, dat hem was opgedragen, niet met ernst te ondernemen, of te rusten, voor dat hij een bevredigend resultaat van de hem voorgestelde onderzoekingen kon geven. De Royal Society noodigde hem onder anderen in 1680 uit om zijne proeven, over de werking van sommige scheikundige praeparaten, waarover hij reeds vroeger zijne bevinding had medegedeeld, voort te zetten. Zij voegde er bij „dat zijne speculatiën over dit onderwerp ten hoogste waardig waren om verder te worden vervolgd ter ontdekking der verborgen werking der geneesmiddelen in het menschelijk lichaam.” Zij bevalen hem dit onderzoek aan met hartelijke toewensching van een goed succes146.

Leeuwenhoek bleef niet in gebreke aan die vereerende opdracht te voldoen. Dit onderzoek bepaalde zich bij de waarneming met het microscoop van de verandering die de bloedlichaampjes ondervonden, als zij met sommige stoffen, vooral sal volatile oleosum werden vermengd. Hij zag dan bij dit laatste dat het bloed dadelijk eene veel lichter roode kleur verkreeg, terwijl hij waarnam dat de bloedlichaampjes binnen een kwart minuut verdwenen waren. Deze kleursverandering en oplossende werking moet aan de ammonia worden toegeschreven, waaruit dit praeparaat hoofdzakelijk bestaat, zijnde een mengsel vanammonia liquida, met barnsteen-, muscaatnoot-, anijs-, en kaneel-olie.

Paulus Hermanus, Hoogleeraar in de Kruidkunde te Leiden, stelde zijn groot cabinet van zaden voor hem open, daar hij Leeuwenhoek’s belangrijke waarnemingen omtrent de structuur van het hout en andere merkwaardige onderzoekingen betrekkelijk de planten-physiologie waardeerde en persoonlijk met hem bekend was. Hij noodigde Leeuwenhoek uit de zaden, die hem behaagden,[92]ter onderzoeking er uit te nemen. Onder meer andere viel zijn aandacht op het „Carpok-zaad”, hetwelk hij beschrijft147als de zaaddragende vrucht vanPanjala sive Arbor lanigera Bontii, in den „Hortus Malab.” T. III pag. 59. Wij maken hier alzoo kennis met dezelfde stof, welke wij als kapok kennen148.

In het jaar 1685 werd door Constantijn Huygens zijn oordeel gevraagd over de mogelijkheid, dat boomen, omgekeerd in de aarde geplant, wortelen, en de takken en bladeren in den grond tot wortelen zouden kunnen groeien149. De bewoordingen van dien brief van den beroemden Huygens zijn zoo vleiend voor Leeuwenhoek en getuigen zoo zeer van de hooge achting, die Huygens voor hem koesterde, dat ik mij niet kan onthouden deze hier in te voegen.

Hage den 17 December 1685.Monsieur Leeuwenhoek,Ik en werde nooyt moede UE. onvermoeyde neerstigheyt te pryzen, in ’t ondersoek van geheymenissen die weynig van onse voor-ouderen in gedachten syn gekomen, en veele van onse nakomelingen tot een licht en spoor sullen strekken, om dieper en dieper waarheden op te delven. UE. is daartoe tegenwoordig op een fraay pad, daar van niet ligt en behoort te scheyden; soo groot is ’t gevolg van aller dingen eerste begintselen, soo UE. meer en meer staat gewaar te werden.Ik weet niet of gy ooyt kennisse hebt gehadt van het planten van boomen averegtsom, soo dat de wortelen in de lucht tot takken uytgroeyen. Verstaat Lindenboomen. Tot nog toe en hebben ’t myn hovenieren niet te wege konnen brengen. Maar myn autheur is al te aansienlyk om my daer aan te laten twyfelen.[93]Dat was voor eenige jaren den HeerChurfurstvan Brandenburg hier synde met syn tweede Churfurstinne, die my beyde in vollen ernst confirmeerden, menigte van experimenten van sulke wortel-boomen onder haar gebied te hebben, uytstekende in groote wijdte, boven het gewoonlyk gewas. Myn zoon van Zeelhem150sedert met syn Hoogheyt in die landen geweest, verklaart er sig mede getuyge af.UE. discoursen van ’t gewas van de boomen en kruyden hebben my dit weder in gedenken gebragt. UE. kan der op speculeren en bedenken hoe het overeen kan gebragt werden, met hetgeene UE. ondervind in de maximen van de nature u soo verre bekent. Ik blijveUw altoos dienstwillige vriend en dienaar,C. Huygens, V. Z.

Hage den 17 December 1685.

Monsieur Leeuwenhoek,

Ik en werde nooyt moede UE. onvermoeyde neerstigheyt te pryzen, in ’t ondersoek van geheymenissen die weynig van onse voor-ouderen in gedachten syn gekomen, en veele van onse nakomelingen tot een licht en spoor sullen strekken, om dieper en dieper waarheden op te delven. UE. is daartoe tegenwoordig op een fraay pad, daar van niet ligt en behoort te scheyden; soo groot is ’t gevolg van aller dingen eerste begintselen, soo UE. meer en meer staat gewaar te werden.

Ik weet niet of gy ooyt kennisse hebt gehadt van het planten van boomen averegtsom, soo dat de wortelen in de lucht tot takken uytgroeyen. Verstaat Lindenboomen. Tot nog toe en hebben ’t myn hovenieren niet te wege konnen brengen. Maar myn autheur is al te aansienlyk om my daer aan te laten twyfelen.[93]Dat was voor eenige jaren den HeerChurfurstvan Brandenburg hier synde met syn tweede Churfurstinne, die my beyde in vollen ernst confirmeerden, menigte van experimenten van sulke wortel-boomen onder haar gebied te hebben, uytstekende in groote wijdte, boven het gewoonlyk gewas. Myn zoon van Zeelhem150sedert met syn Hoogheyt in die landen geweest, verklaart er sig mede getuyge af.

UE. discoursen van ’t gewas van de boomen en kruyden hebben my dit weder in gedenken gebragt. UE. kan der op speculeren en bedenken hoe het overeen kan gebragt werden, met hetgeene UE. ondervind in de maximen van de nature u soo verre bekent. Ik blijve

Uw altoos dienstwillige vriend en dienaar,C. Huygens, V. Z.

Leeuwenhoek oordeelde dat dit zeer wel kon, als de klapvliezen (schuinloopende streepen) in de groote vaten zoo ver konden gebracht worden, dat zij door het opgestooten vocht, averechtsom gedrukt werden, en dat hij dit reeds twintig jaar geleden bij een wijngaard had opgemerkt, waarvan hij eene jonge plant in het midden dwars doorsneed en den een onderst boven naast den anderen in den grond plantte, en nadat deze wijngaart twee a drie jaren gestaan had, kon hij geen onderscheid aan beiden zien en droegen beiden goede vruchten. Ook liet hij nu in zijn tuin twee jonge lindeboomen planten, de een op de gewone wijs en de andere met de wortels naar boven, welke laatste, hoewel aanvankelijk trager in het groeien, zich toch later goed ontwikkelde en wortelde.

In 1690 onderzocht hij de zoo schadelijke insecten, die hunne eieren in het koren leggen en zoo doen ontstaan wat men gewoonlijk de klander noemt.

Het wormpje door de korenkopers en bakkers „wolf” genoemd, beschrijft hij uitvoerig, gaat zijn metamorphose na, totdat het als een vliegend motje uit het omwindsel van de pop te voorschijn komt. Hij had opgemerkt dat eenige dezer motjes, die[94]hij in een glazen buis had gesloten waarin hij de damp van brandende zwavel had laten komen, daardoor stierven. Aanstonds was zijn practische geest gereed dit verschijnsel in het groot toe te passen op het verdrijven van deze plaag van de graanzolders. Uit de grootte van het buisje dat hij gebezigd had en de hoeveelheid zwavel door hem gebruikt, maakte hij eene berekening hoeveel zwavel er noodig zou zijn, om een korenzolder te zuiveren en vond dat daartoe een pond zwavel voldoende was, als men dit in twee a drie potten op den zolder geplaatst liet verbranden, waarbij dan alle openingen goed gesloten moesten worden; deze zwaveling moest men doen zoodra de motten bespeurd worden en vóór dat zij in de gelegenheid waren eieren te leggen, en deze bewerking eenige dagen achter elkander volhouden151.

Deze zelfde zuiveringsmethode paste hij ook toe, naar aanleiding van een verzoek van Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie, om maatregelen te beramen tegen den worm in de muscaatnoot. Hij was van oordeel, dat, wanneer de zolders, waar de nooten bewaard werden, alle maanden goed werden gezwaveld, de levende insecten, die uit de wormen kwamen, zouden gedood en dus het verder doorknagen der nooten zou voorkomen worden. Ook achtte hij het zwavelen van het ruim der schepen, waarin men de nooten inlaadde, zeer dienstig, ter verjaging van dit en ander ongedierte152.

In 1696 werd hem door Nicolaas Witson, President Burgemeester van Amsterdam, uit naam van Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie, het onderzoek opgedragen van een mineraal uit Tartarije afkomstig. Dit bleek hem bij verhitting in een glazen buis veel lood te bevatten. Later onderzocht hij nog een ander uit Sumatra en vond daarin goud en zilver, benevens zwavel, dat hij in een gesmolten toestand verzamelde153.

Hij onderzocht ook het katoenzaad en merkte onder anderen op dat het veel olie bevatte, en dat men, door die af te[95]zonderen, er een groote hoeveelheid van in den handel zou kunnen brengen, ten einde voor velerlei doeleinden gebruikt te worden154. Tarwe, rogge, gerst, boekweit en een menigte andere zaden werden door hem ontleedkundig onderzocht en tevens de zetmeelbolletjes er uit afgezonderd, die hij nauwkeurig beschrijft en afbeeldt; dit deed hij ook van rijst, boonen, erwten, enz. en beschreef de verandering, die zij ondergaan, wanneer zij, na met water verwarmd te zijn, door het microscoop beschouwd worden155. Verder ontdekt hij dat het onderscheid tusschen witte en zwarte peper alleen daarin gelegen is, dat de laatste het onrijpe zaad is, nog bekleed met zijn buitenste omkleedsel terwijl de inwendige rijpe witte korrel de witte peper is, die dan ook krachtiger is dan de onrijpe zwarte peper156.

Belangrijk is ook zijn onderzoek naar het ontstaan en den aard der zoogenaamde galnoten, waarvan hij den waren aard goed waarnam en het insect beschreef, waaraan zij hun ontstaan te danken hebben157. Wij hebben boven gezien dat hij op een zijner portretten, in het bezit van Dr. van Kaathoven, met een met galnoten voorzienen eiken tak is afgebeeld, hetwelk op dit onderzoek doelt. Zulk een met galnoten voorzienen eiken tak vindt men ook in den geciteerden 50sten Brief afgebeeld op blz. 44, met doorgesneden galnoten, en het insect dat wij kennen als galwesp, (Cynips Gallae tinctoriae).

Nog vond hij dat het branden of steken der brandnetels veroorzaakt wordt door een vocht, dat zich bij de aanraking der fijne haartjes waarmede de stengels en bladen bezet zijn, daaruit ontlast en in de huid dringt158. Ook het steken der mieren en het brandend gevoel en de opzwelling daardoor waargenomen, schrijft hij toe aan een scherp vocht, dat deze insecten bij het steken uit hun angels ontlasten159.[96]

Evenzoo bestudeerde hij het vlies, dat het wit der eieren onder de schaal bedekt en vond dat dit uit onderscheidene zeer dunne vliezen bestond, waarvan hij er acht waarnam160.

De vorm der gistcellen ontsnapte evenmin aan zijne nasporingen; hij onderzocht biergist en vond dat die uit zeer vele kleine ronde „globulen” bestond, waarvan er dikwijls 2, 3 en 4 samen gevoegd waren; het is niet te verwonderen dat hij omtrent het ontstaan en den waren aard der gist geen juiste voorstelling had, daar men eerst in veel lateren tijd daaromtrent tot klaarheid is gekomen. Hij beschrijft ze als door de hitte van het water „ontdane deeltjes van de tarwe, gerst, enz. die, als het bier koud geworden was, weder stremden en alzoo de zeer kleine deeltjes of globulen in het bier vormden”.

Aan Leeuwenhoek komt ook de eer toe het eerst zoetwater-polypen (?) te hebben waargenomen, doch de hier volgende beschrijving toont, dat het door hem waargenomen dier geen zoetwater-polyp kan geweest zijn, maar waarschijnlijk Vaginicola crystallina. Hij deelde deze waarneming mede aan de Royal Society in zijn missive van 4 November 1704161, terwijl hij in een anderen brief, eveneens aan dit collegie, d.d. 28 Juni 1713162het maaksel van dit diertje, dat in een kokertje, onder aan eendekroos vastgehecht, geplaatst was, beschrijft. Hij deelde mede dat dit kokertje aan het uiterste einde iets dikker was dan een hoofdhaar en bestond uit kleine ronde bolletjes. Hij zag dat als het diertje zijn lichaam uit het kokertje bracht en de raderen en tandsgewijze deeltjes in het rond bewoog, er dan zulk een rond deeltje uit eene doorschijnende plaats te voorschijn kwam, welk deeltje, in grootte toenemende, zeer snel om zijn as draaide en onveranderlijk zijn plaats bleef behouden, tot zoo lang het diertje zijn lichaam voor een gedeelte in het kokertje plaatste en dit alzoo met een rond bolletje vergroot werd. Door[97]de groote beweging, die het diertje met zijn raderwerk in het water teweegbracht, werden vele kleine deeltjes naar hetzelve heengevoerd, die het met groote gulzigheid tot zijn voedsel bezigde. Hij beschrijft verder nog eene andere soort, die met een „langen staart”163aan de worteltjes van het eendekroos waren vastgehecht, en die, door het uiterste van hun lichaam snel rond te draaien, het water in groote beweging brachten. Deze konden hun „staart” snel in- en uittrekken, waardoor het water van plaats veranderde, en zij gelegenheid hadden hun voedsel tot zich te trekken. Hij zag er nog andere, die veel grooter waren, met een kort en dik lichaam, die eveneens met een „staartje” aan het kroos vast zaten; deze konden zich verplaatsen en maakten met het voorste gedeelte van hun lichamen eene ronddraaiende beweging.


Back to IndexNext