Bij de vermelding van de hoogst belangrijke ontdekkingen en waarnemingen van Leeuwenhoek, die onze aandacht hebben bezig gehouden, zou ik zijne verdiensten te kort doen, indien ik niet te dezer plaatse opzettelijk stilstond bij zijne ontdekkingen op het gebied der planten-anatomie, waarvan de Hoogleeraar H. C. van Hall getuigt164, „dat deze inzonderheid, wanneer wij den tijd nagaan, waarin Leeuwenhoek leefde, van veel gewicht zijn en talrijke microscopische ontdekkingen bevatten, welke velen gewoon zijn als uit lateren tijd afkomstig aan te merken.”Zijn eerste belangrijke onderzoeking op het gebied der plantenkunde, die wij van hem beschreven vinden, is vervat in een brief aan Robert Hooke, d.d. 12 Januari 1680165en betreft de inwendige vorming van het hout. Hij beschrijft daarin de groote opgaande vaten van het eikenhout en toont aan dat deze ieder voorjaar het eerst in het hout gevormd worden166, waardoor de afscheiding der verschillende jaarkringen duidelijk wordt. Hij[98]wees aan, hoe deze vaten van binnen gevuld zijn met blaasjes, die uit zeer dunne vliesjes bestaan en beeldde deze ook af.Deze groote opgaande vaten zijn de Holz-zellen van Schultz167. Leeuwenhoek spreekt ook nog van kleiner opgaande vaten en wijst duidelijk aan, dat de vliesjes, waaruit deze bestaan, gestippeld zijn met deeltjes, die hem „als globulen” voorkwamen168. Daar nu Leeuwenhoek (volgens van Hall) reeds in 1680 het aanzijn der stippen aanwees, wordt hij te recht gehouden voor den ontdekker der, door de nieuwere plantkundigen aldus genoemde gestippelde vaten (vasa spiralia punctata). De derde soort van opgaande vaten, die Leeuwenhoek waarnam, beschrijft hij als „zeer klein en in groote menigte aanwezig, bestaande mede uit zeer dunne vliesjes”169. Dit zijn volgens van Hall de verlengde cellen van Kieser of de vasa fibrosa van Link. Verder wees Leeuwenhoek de schuins loopende streepen op de gestippelde vaten aan en beeldt deze zeer duidelijk af170.Van de mergstralen (radii medullares) onderscheidt Leeuwenhoek de groote mergstralen van de kleinere, die tusschen de opgaande vaten (verlengde cellen of vasa fibrosa) zijn samengedrongen171. De afbeelding, die hij van deze mergstralen tusschen de verlengde cellen in het olmenhout geeft, is zeer fraai en duidelijk.Leeuwenhoek heeft veel bijgedragen tot de kennis der eenvoudige spiraalvaten en ontdekte deze het eerst in den wortel van den muscaatnootboom. Hij leverde daarvan reeds in 1695 eene zeer duidelijke afbeelding en beschrijft172zulk een spiraalvat, dat ten deele uit zoodanige kringsgewijze deelen is samengesteld, even als of, zegt hij „wy ons inbeelden te hebben eene seer dikke spelt ende dat wy om soodanige spelt digt omwonden hadden een seer dun koperdraatje, en dat wy, na de omwindinge, de spelt uyt het koperdraat hadden getrokken, als wanneer het[99]dunne koperdraat de omwindinge voor het meerendeel hadde behouden.” De bladen der boomen, zegt hij173bestaan uit deze eenvoudige spiraalvaten, als ook de zaadstrengen van den amandel, hazelnoot enz.Leeuwenhoek moet ook gehouden worden voor den ontdekker van de niet ontrolbare spiraalvaten (Treppengange), die hij in 1692 in het lindenhout beschreef174.Als bovenal merkwaardig wijst Prof. van Hall op de nasporingen die Leeuwenhoek nog na zijn 80ste levensjaar in het werk gesteld heeft omtrent de inwendige samenstelling van het hout van den kokosboom. Hij beschrijft namelijk in een brief aan Boerhaave, d.d. 28 Sept. 1716175, de van die onzer gewone boomen geheel verschillende vorming van dit hout en wijst aan176hoe deze soort van palmboom geen eigenlijk gezegde schors bezit; geen horizontale vaten of mergstralen177; hoe de bundels spiraalvaten in dit hout niet in een jaarkring vereenigd, maar verspreid staan178. Eindelijk geeft Leeuwenhoek eene beschrijving van de „witachtige stoffe, die van binnen tegen de harde schors van de noot aanligt en mede uit spiraalvaten schijnt samengevoegt te syn;” de daarbij door hem gevoegde afbeelding geeft, volgens van Hall, een zeer klaar denkbeeld der zoogenaamde vasa vermiformia.Zijne verdere waarnemingen over de poreuse cellen179; de eigene bewegende bolletjes in het eigen sap (succus proprius)180; de verklaring van de eerste wording der cellen181; de vorming van nieuwe cellen uit de oudere182; de beschrijving der samengestelde[100]cellen in de mattebies183—dit alles doet hem kennen als een nauwkeurig waarnemer, en bevat veel dat door de nieuwere natuuronderzoekers op gelijke wijze geleerd wordt184.Minder gelukkig, zegt Prof. van Hall, is Leeuwenhoek geweest ten aanzien van de vorming der vrucht en van het zaad. Hij verviel namelijk door zijne vergelijking van de voortteeling der dieren met die der planten wel eens in verkeerde begrippen. Leeuwenhoek’s beschrijving en afbeelding echter van de wijze, waarop de zaadlappen (cotyledones) in het zaad van de boekweit zijn omgeplooid en opgevouwen in het midden van het meel (albumen)185, waaruit dit zaad hoofdzakelijk bestaat, noemt van Hall „opmerkenswaardig”. Leeuwenhoek vestigt de aandacht op het nut van deze meelachtige stof tot voeding der kiemende plant en leert ons, hoe die stof niet aanwezig is in vele andere zaden, waarin dan de geheele holte van het zaad door de kiem zelve wordt aangevuld.Verder heeft Leeuwenhoek het een en ander opgeteekend over de ontkieming der planten en heeft het eerst de kieming van het fijne pluizige zaad der wilgen, in 36 uren tijds, beschreven en afgebeeld186enz. enz.Uit deze opgaven ziet men, dat Leeuwenhoek niet minder dan in het dierenrijk, ook in het plantenrijk hoogst belangrijke ontdekkingen en onderzoekingen heeft bewerkstelligd, die recht geven hem ook in dezen tak der natuurwetenschap onder de beste onderzoekers te tellen.De getuigenis die G. R. Treviranus187van Leeuwenhoek geeft: „dat hij, niettegenstaande de mindere volkomenheid zijner werktuigen, toch vele zaken beter dan latere waarnemers met veel sterker vergrootende microscopen, gezien heeft,” is wel verdient, en Kieser zegt188van de vier voornaamste grondleggers van de ontleding der planten het volgende:[101]„Hooke geeftslechtsenkele, doch bruikbare microscopische afbeeldingen, Grew is het bevalligste, Malpighi het uitvoerigste, maar Leeuwenhoek het getrouwste. Malpighi en Grew hebben zich dikwijls door vooraf opgevatte meeningen laten wegslepen, doch hunne werken zijn systematisch. Leeuwenhoek geeft slechts alleen staande, doch rijke en tot nu toe vaak miskende bijdragen tot de hoogere planten-anatomie.” En het mag dan ook eene welverdiende hulde genoemd worden aan den onvermoeiden natuuronderzoeker, dat de beroemde Engelsche plantkundige R. Brown een nieuw planten-geslacht uit Nieuw-Holland ter zijner eere naar zijn naam, Leeuwenhoekia, genoemd heeft.„In memoriam,” zegt hij, „Antonii van Leeuwenhoek, micrographi celeberrimi, in cujus operibus plures et perpulchrae observationes de plantarum structura exstant”189.Het is niet doenlijk al den arbeid door Leeuwenhoek behalve het reeds opgenoemde verricht, in al de bijzonderheden te vermelden; wij zouden anders nog stil moeten staan bij de ontdekking der „aalachtige diertjes” in den azijn, de bacteriën in het vuil en slijm der tanden, de kristalvorm die hij van een groot aantal verschillende zouten beschreef, de pissteenen en mineralen die hij analyseerde, de koraalgewassen die hij onderzocht; in een woord, schier geen voorwerp was er dat zijn aandacht ontsnapte en waaraan hij niet zijne krachten beproefde, ten einde zijn weetlust te voldoen en den waren aard, de eigenschappen en samenstelling er van te leeren kennen.Die lust tot werken bleef hem onafgebroken gedurende zijn geheele leven bij, en verflauwde niet bij het klimmen zijner jaren en „zelfs nog 36 uren vóór zijn dood, toen hij bijna 91 jaren oud was, en zijn leden al begonnen te verkleumen (zoo verhaalt ons Boitet, „Beschrijving van Delft, pag. 768”), gloeide het vuur van yver noch soodanig, dat hy met zyn byna versteve en stamelende lippen zyn gedachten noch op het papier liet stellen, over eene soort van zant, ’t geen hem door zeker aanzienlyk Heer en Bewinthebber der Oost-Indische Compagnie[102]behandigt wiert, om te zien of ’er ook eenig gout onder verborgen was”190.Zeer veel van de belangrijkste voorwerpen, welke Leeuwenhoek gedurende zijn lang leven onderzocht, bewaarde hij, ieder met het daarbij behoorend microscoop-stelletje, ten einde die van tijd tot tijd aan eene nadere beschouwing te kunnen onderwerpen, of ze aan zijne vrienden of belangstellenden, die hem van heinde en ver kwamen bezoeken, te vertoonen. Volgens den Hoogleeraar Harting191was Leeuwenhoek de eerste, die gezegd kan worden eene verzameling van microscopisch anatomische praeparaten te hebben aangelegd. En dat hij in de vervaardiging daarvan bijzonder uitmuntte, blijkt zoowel uit de door hem zelven gegeven beschrijvingen als uit de getuigenis zijner tijdgenooten, die in de gelegenheid waren zijne praeparaten te zien. Folkes, een tijdgenoot en president der „Royal Society” te Londen, deelt daaromtrent het volgende mede192:„Bovendien moeten wij niet vergeten, dat hij door eene bijzondere bekwaamheid uitmuntte in het praepareeren zijner voorwerpen, ten einde die op degeschiktstewijze door het microscoop te beschouwen en ik ben overtuigd, dat iedereen dit met mij eens zal zijn, die eenige van deze voorwerpen zelf zal willen onderzoeken, zoo als die nog goed geconserveerd door zijne lenzen te zien zijn. Wat mij aangaat, zoo heb ik zoo veel moeilijkheid ondervonden in deze toebereiding der voorwerpen, dat er bij voorbeeld een zeer groot verschil bestond in het voorkomen van een en hetzelfde voorwerp, en dat, zoo als het door Mr.[103]Leeuwenhoek gepraepareerd was, toen het door mij zelf werd onderzocht. Ik heb nu deze opmerking gemaakt, opdat men zich wel wachten zou voorbarig een der observaties van dezen Heer te veroordeelen, wanneer het niet gelukt die door zijn eigen glazen te verifieeren. Wij voor ons zijn in dit opzicht in veel ongunstiger voorwaarden geplaatst, doordien Leeuwenhoek veel meer ondervinding heeft dan wij, en hij zelf heeft ons gewaarschuwd, dat zelfs zij, die het meest geoefend zijn in het gebruik van zijne lenzen, zich nog kunnen bedriegen, indien zij hun oordeel gronden op hetgeen zich aan hun oog voordoet, voordat zij zich door herhaalde proefnemingen er van verzekerd hebben. Maar wij hebben zulk een groot aantal zijner verrassendste ontdekkingen gezien, die door de meest oordeelkundige waarnemers zijn bevestigd geworden, dat wij zeker geen de minste reden hebben zijn getrouwheid te wantrouwen in al de andere waarnemingen, die niet zoo herhaaldelijk en met zulk een groote zorg zijn onderzocht geworden als deze.”Dat Leeuwenhoek zijne praeparaten een aantal jaren in goed geconserveerden staat wist te bewaren, kan ook blijken uit zijn eigen bewoordingen in een brief, d.d. 17 November 1716, aan Leibnitz geschreven193. „Ik hebbe sedert eenige weynige weeken aan twee Heeren Professoren van grooten naam de doode (zaad) diertjes, soo als ik deselve wel twaalf jaren geleden op een seer dun glaasje hadde geplaatst, laten sien, waaraan men seer bescheydelyk het lighaam en de staart konde bekennen.”Men kan aannemen, dat de praeparaten die door Leeuwenhoek bewaard werden geen andere bewerking ondergaan hebben, dan dat zij gedroogd werden; eene handelwijze, zoo als de Hoogleeraar Harting zegt, die tot voor korten tijd schier de eenige was, die men tot dit oogmerk bezigde.De verzameling microscopische praeparaten, die Leeuwenhoek heeft nagelaten en die met de daarbij behoorende microscoopstellen voorkomen in den Catalogus der verkooping, die daarvan na zijn dood te Delft gehouden werd (zie bl. 38), bestond uit de volgende voorwerpen:[104]DIERLIJKE VOORWERPEN.Spiervezelen vaneenwalvisch.Spiervezelen,,van,,een,,kabeljauw.Spiervezelen,,van,,het hart van een eendvogel.Dwarse doorsnede der spieren van eene visch.Huidschubben van een mensch.Kristal-lens van een os.Bloedbolletjes van een mensch.Lever van een varken.Dwarse doorsnede der blaas.Blaas van een os.Papillae der tong van een os.Haarvan eenschaap.Haar,,van,,een,,bever.Haar,,van,,een,,eland.Haar,,van,,een,,beer.Haar,,uit de neus.Schub van eenbaars.Schub,,van,,een,,tong.Spinwerktuigvan eene spinnekop.Dradenvan,,eene,,spinnekop,,Angelvan,,eene,,spinnekop,,Tandenvan,,eene,,spinnekop,,Oogenvan,,eene,,spinnekop,,Spinwerktuig van een zijdeworm.Hersenen van eene vlieg.Gezichtszenuwen van eene vlieg.Uiteinde der pooten.Angel en kokervan eene vloo.Pootenvan,,eene,,vloo,,Oogen van eenrombout.Oogen,,van,,een,,kever.Angelvan,,een,,luis.Huidvan,,een,,luis,,Legangelvan,,een,,luis,,Bloedkoraal.[105]Doorsnede van een oesterschelp.Ongeboren oesters in een buisje.PLANTAARDIGE VOORWERPEN.Dwarse en overlangsche doorsnede vanijpenhout.Dwarse,,en,,overlangsche,,doorsnede,,van,,greenenhout.Dwarse,,en,,overlangsche,,doorsnede,,van,,ebbenhout.Dwarse,,en,,overlangsche,,doorsnede,,van,,lindenhout.Dwarse,,en,,overlangsche,,doorsnede,,van,,eikenhout.Dwarse,,en,,overlangsche,,doorsnede,,van,,kaneel.Dwarse,,en,,overlangsche,,doorsnede,,van,,kurk.Dwarse,,en,,overlangsche,,doorsnede,,van,,bies.Doorsnede van uitgedolven hout.Kiem uit het zaad der rogge.Vaatbundels uit de muscaatnoot.MINERALE VOORWERPEN.Stukjeswit marmer.Stukjes,,bergkristal.Stukjes,,diamant.Stukjes,,bladgoud.Stukjes,,stofgoud.Stukjes,,zilvererts.Salpeter-kristallen enz.Het volgende moge tot bewijs strekken dat Leeuwenhoek niet enkel door zijne microscopische waarnemingen uitmuntte, maar ook op ander gebied met goed gevolg de natuurwetenschappen beoefende:Hij verhaalt in een brief aan den Heer Nicolaas Witsen, Burgemeester van Amsterdam, d.d. 10 Juli 1696, hoe hij eenige jaren geleden met den Heer Christiaan Huygens over de dagelijksche omwenteling der aarde sprekende, hem een door hem uitgevonden toestel, voor eene aanschouwelijke verklaring van deze beweging liet zien, welke geleerde daarin zoo veel genoegen had, dat hij Leeuwenhoek verzocht ook voor hem zulk een toestel te maken. Het bestond in eene flesch of glazen bol met korten wijden hals, welke hij met water vulde en er eenige stukjes fijngeslagen rood lak in deed; daarna hing hij er een looden kogel in, waarin een klein gaatje geboord was, waardoor een[106]touwtje was gestoken waaraan de kogel hing. Hij sloot vervolgens de glazen bol met eene kurk, welke eveneens met eene opening voorzien was waardoor het touwtje ging. Hij liet nu de kogel door middel van dit in de kurk gestoken touw zoo ver in den bol zakken, dat deze maar even van den bodem van het glas verwijderd was, waarna hij den bol omgaf met een netsgewijs gevlochten touw of lint, welks einden zoo lang waren, dat deze een voet boven den hals van den glazen bol uitkwamen; deze einden nam hij te samen en draaide ze, terwijl de bol op een kussen op de tafel stond, vele malen met de vingers, even als een koord, om.Nu lichte hij den geheelen aldus ingerichten toestel aan deze ineengedraaide uiteinden even van het kussen op, waardoor dus de bol in eene snelle ronddraaiende beweging geraakte. De loden kogel nu in de glazen bol stelde den aardbol voor, het water in den bol de waterachtige lucht waarin wij leven, en de stukjes lak de wolken. Wanneer nu de bol in de beschreven ronddraaiende beweging was, bleef de kogel alleen, ofschoon langzaam ronddraaiende, als stil hangen, terwijl de lakdeeltjes, die, toen de bol nog in rust was, zich om den kogel gelegerd hadden, in het omdraaien zich tegen de wanden van den bol plaatsten en zich dus zoo ver van den kogel verwijderden, als de holte van den bol zulks toeliet. Plaatste hij nu het toestel weder op het kussen, zoo zag hij, dat de lakdeeltjes verward op den kogel nedervielen. Nu gaf hij aan dit experiment de volgende verklaring: dat, gelijk door de beweging van het glas de lakdeeltjes van den kogel werden weggestooten, hij zich voorstelde, dat de wolken door de dagelijksche omwenteling ofdraaiingvan den aardbol in de lucht werden opgehouden, en dat, even als met het stil houden van het glas al de lakdeeltjes zich rondom den kogel plaatsen en deze bedekken, hij zich voorstelde dat het toe zou gaan, wanneer de aardbol stil stond en het heelal om de aarde werd bewogen, namelijk; dat al de wolken en ook de waterdeelen en andere zware stoffen, waarin wij leven, niet in de lucht zouden kunnen blijven zweven, maar nederstorten op den aardbol. Verder toonde hij aan, door de kurk met het touwtje, waaraan de kogel in den bol hing, uit den[107]hals op te trekken, doch zoo, dat hij hettouwtjemet den kogel zoo laag liet zakken, dat deze nabij den bodem van den glazen bol aan kwam leggen, en hij dan dezen kogel door zachtjes aan het touw, waaraan hij hing te draaien, in eene rondgaande beweging bracht, dat de lakdeeltjes van den kogel werden afgestooten, waaruit hij de beweging van de aarde om haren as aanschouwelijk voorstelde en waardoor eveneens de vochtige dampen werden weggestooten.Deze aanschouwelijke voorstelling van de ronddraaiende beweging der aarde schijnt aan Huygens stof tot nadenken te hebben gegeven, hij beschrijft eene verbeterde inrichting van den glazen bol, door die te vervangen door een cilindrisch vat, en wel in een brief aan Leeuwenhoek, van 6 Maart 1690, waarvan zich het manuscript in de bibliotheek der Leidsche Hoogeschool bevindt.Het was geen wonder dat landgenoot en vreemdeling begeerte gevoelden een man persoonlijk te leeren kennen van wien zoo grooten naam uitging, wiens waarnemingen algemeen eene buitengewone belangstelling hadden opgewekt en wiens ontdekkingen op de gewichtigste vraagstukken der physiologie van menschen, dieren en planten betrekking hadden.Het ontbrak dan ook niet aan een tal van personen, die hem gingen opzoeken; velen voorzeker werden alleen gedreven door de begeerte om hunne nieuwsgierigheid te bevredigen en het wonderbare, waarvan het gerucht tot hen gekomen was, met eigen oogen te aanschouwen, maar ook niet weinigen, die door edeler drijfveeren werden aangespoord en vooral zijne microscopen wenschten te zien waarmede hij zulke ontdekkingen deed, ten einde zoo mogelijk het geheim zijner bewerking van hem te leeren. Voorts kwamen zij om hunne bewondering over zijne waarnemingen te betuigen, wetenschappelijke quaesties, die hij ter sprake gebracht had, te overwegen en hulde te brengen aan zijn onvermoeide vlijt en volhardenden ijver. Herhaalde malen kwamen hem dan ook leden der beroemde Royal Society bezoeken en brachten hem de groeten over van de grootste Engelsche geleerden, zoo als Robert Hooke, François Aston, Christopher[108]Wren, Hans Sloane, Nehemiah Grew, Richard Waller, Thomas Gale enz. enz., die hem dikwijls, als bewijs hunner belangstelling, afdrukken der „Philosophical Transactions” toezonden, waarin zijne ontdekkingen waren opgenomen en andere wetenschappelijke onderwerpen, die daarmede in verband stonden, werden behandeld.Beroemde landgenooten, zoo alsConstantijnen Christiaan Huygens, Reinier de Graaf, Swammerdam, Heinsius, Boerhaave,Ruysch, enz. bezochten hem herhaaldelijk en bespraken met hem de onderwerpen, die hunne belangstelling hadden opgewekt. Genees- en Heelmeesters kwamen niet zelden zijn gevoelen vragen over onderwerpen van geneeskundigen aard, terwijl zijn briefwisseling met de meesten hunner, alsmede met Leibnitz, Cink, Narrez, Rega, Gerard van Loon, Poot, Rabus en anderen, de stof leverden voor de belangrijke verzameling, die onder den naam van „de brieven van Leeuwenhoek” niet minder dan een 190tal bedragen, behalve nog een aanzienlijk aantal aan bijzondere personen, die niet in zijne verzameling gevonden worden en het meer dan honderdtal, waarvan ik boven melding maakte als na zijn dood ter verkoop aangeboden, en waarvan er zeker hier en daar in bijzondere verzamelingen nog zullen te vinden zijn.Onder de geleerde vreemdelingen, die niet verzuimden bij het bezoeken van ons land ook een uitstap naar Delft te doen, ten einde den beroemden Leeuwenhoek te zien en het een en ander merkwaardigs van hem te beschouwen, behoort ook een geleerde Duitscher Zacharias Conrad von Uffenbach. Deze verhaalt, in zijn in 1754 in het licht gegeven „Merkwürdige Reisen durch Nieder-Sachsen, Holland und Engelland 3er Th.”, dat hij met zijn broeder op den 4den December 1710 een bezoek bracht „bij den beroemden „Observatore microscopicoLeeuwenhoek”,”doch dat hij daartoe eene bijzondereaanbevelingnoodig had194, daar Leeuwenhoek, die toen reeds 78 à 79 jaren oud was, den toegang tot hem niet meer zoo gereedelijk toestond, dewijl hij gedurig door allerhande nieuwsgierige bezoekers[109]bleek lastig gevallen te zijn; zoo als blijkt uit het verzoek dat zoowel Leeuwenhoek, als zijne dochter Maria, aan de reizigers bij hun vertrek op het hart drukten, om aan niemand te zeggen dat zij bij haar vader waren toegelaten geworden. „Als wir gehen wolten” verhaalt Uffenbach „bate sowohl der wunderliche Mann, als auch seine Tochter instäntlich, dasz wir doch niemand sagen solten, dasz wir bey ihne gewesen und etwas gesehe; denn es seye alt, und des vieles Ueberlaufens, sonderlich von Leuten, die keine rechte Liefhaber seyen, ganz mühe.”Uffenbach en zijn broeder werden bij dit bezoek door de dochter van Leeuwenhoek vriendelijk ontvangen en vooraf in eene zijkamer gelaten, waar zij hun verhaalde „dat haar vader sedert eenige jaren veel nieuwe zaken met zijne microscopen ontdekt had, doch dat hij bij zijn leven niets meer van zijne waarnemingen wilde uitgeven, dewijl men hem in geschriften smadelijk bejegend om zijne meeningen over sommige onderwerpen bespot had en hem beschuldigde dat hij meer door zijne verbeelding dan door zijne glazen had gezien.”De geleerde reizigers werden door Leeuwenhoek „gar höflich” ontvangen. Het eerste dat hij hun zeer duidelijk en schoon liet zien, was de omloop van het bloed in den staart van eene kleine bot. Verder vertoonde Leeuwenhoek in eene mossel de ontwikkeling der jongen, ook sneed hij een darm der mossel open en toonde door zijn microscoop eene groote hoeveelheid zand aan, dat de mossels met het slijm, waarin zij leven tot zich nemen. Hij meende daarbij dat dit zand diende tot vorming der schalen voor de jongen, even als de hoenders behoefte hebben aan zand en kalk voor de vorming der eierschaal.Voorts toonde Leeuwenhoek in een haarbuisje meer dan dertig uiterst kleine jonge oesters inspiritus vinibewaard, welke zeer duidelijk te onderkennen waren.Op hun vraag, hoe hij deze kleine oesters in zulke haarbuisjes had gekregen, antwoordde hij, dat hij den darm eener oester opensneed en met een pennemes een weinig van de daarin vervatte materie nam, hetwelk hij dan op den nagel van zijn duim afstreek, waarop hij vervolgens een droppel brandewijn goot en het haarbuisje in dit mengsel stak, waardoor het vocht[110]dan van zelf door het capillair vermogen werd opgezogen, en daarmede ook de jonge oesters in het buisje kwamen.Behalve nog andere merkwaardige zaken vertoonde Leeuwenhoek een zandkorreltje, dat even als het schoonste kristal met facetten voorzien was.Verder vertoonde hij nog de schub van eene visch en liet hen de verschillende laminae zien, waaruit zij bestond die allen over elkander lagen.Ook wilde Leeuwenhoek hen toonen, dat de mensch, zoo als hij meende, ook schubben zou bezitten en schraapte met een pennemes langs zijn arm, van welk afschraapsel hij een weinig op een glaasje bracht. Nog vertoonde hij het oog eener vlieg, bestaande uit talrijke zeszijdige halve bolletjes, „welchen Herr Leeuwenhoek vor lauter Augen hielte, und also dieVliegenzu mehr als Argus machte.” Ook liet hij de vleugel eener vlieg met hare talrijke vertakkingen van zenuwen en aderen zien; alsmede de angel eener mug. Deze vertoonde zich door zijn microscoop wel twee duimen lang te zijn; en eindelijk liet hijhenzijn cabinet zien, waarin hij, zegt Uffenbach, wel een driehonderdtal van de genoemde microscopen, met voorwerpen voorzien, bewaarde.Betreffende het gesprek dat de gebroeders vervolgens met Leeuwenhoek hielden over de wijze waarop hij zijne glazen sleep, en of hij er geene uit gesmolten glasbolletjes vervaardigde, en over andere bijzonderheden, de vervaardiging zijner microscopen betreffende, heb ik reeds het noodige op blz. 25 vermeld.De gebroeders Uffenbach maakten het echter met al hun vragen en uithooren onzen Leeuwenhoek vrij lastig, daar zij zeer goed bemerkten, dat hij op zijn hoede was, om zich niet meer dan hij dienstig oordeelde over enkele bijzonderheden uit te laten. „Doch lockten wir ihm” zoo verhaalt Uffenbach met zekere genoegdoening over zijn listig uithooren, „durch allerhande Frage eines und des andere aus.”Onze reizigers verlieten hem zeer voldaan en verheugd, dat zij zoo veel merkwaardigs bij dezen „wunderlichen Alten,” gezien hadden.Onder de vorstelijke personen, die van den beroemden micrograaph[111]gehoord hadden en hem in Delft opzochten, vinden wij het bezoek aangeteekend van Anton Ulrich, Hertog van Brunswijk; Karel II en George I, koningen van Engeland; de Landgraaf van Hessen Cassel; Augustus koning van Polen; Frederik I, koning van Pruissen; de Keurvorst van den Palts en zijn zoon en broeder; Prins Lichtensteyn, die hem namens Karel III, koning van Spanje kwam uitnoodigen om met zijne microscopen in den Haag te komen, ten einde hem die te laten zien; Anna Maria, koningin van Engeland, en eindelijk Czaar Peter I van Rusland.Omtrent het bezoek van deze twee laatstgenoemde vorstelijke personen vond ik de volgende bijzonderheden:Toen in het jaar 1691 of 1692 de koningin van Engeland ons land bezocht, begaf zij zich ook naar Delft om den beroemden Leeuwenhoek te zien en zijne microscopische merkwaardigheden te beschouwen, doch vond hem niet in de stad. Geen wonder dat Leeuwenhoek, toen hij bij zijne terugkomst vernam, welk een hooge personage hem bezocht had en welk eene groote onderscheiding hem daardoor beschoren was geweest, zich over die teleurstelling zeer beklaagde. Hij wenschte echter zijne erkentelijkheid voor dit bezoek op eene wijze te betoonen, die hem toedacht de Hooggeplaatste bezoekster het meest welgevallig te zijn en droeg in eene sierlijke voorrede een gedeelte, namelijk, het derde vervolg zijner brieven, die hij voor de pers had gereed gemaakt, aan haar op.Gelukkiger was hij echter eenige jaren later bij gelegenheid van een bezoek hier te lande van Czaar Peter I, in 1697–1698.Mr. Gerard van Loon195beschrijft dit bezoek aan Leeuwenhoek op de volgende wijze:„Zijn (Czaar Peter I) vertrek uit ’s Gravenhage geschiedde met een binnenjagt over Delft, alwaar hij de deftige wapenhuizen der Staten van Holland met zeer veel oplettendheid bezigtigde en het jacht voor het kruithuis der Algemeene Staten, nabij Delft, deed stil houden, en door twee Heeren zijns gevolgs[112]den vermaarden Antoni van Leeuwenhoek deed verzoeken van zich in een der volgende vrachtschepen met zijn weergalooze vergrootglazen bij hem te vervoegen, dewijl hij zelf bij het doorvaren aan zijn huis wel zou gekomen zijn, bijaldien hij dit om den toevloed der menigte te ontvlieden met verdagt niet had achtergelaten. Hij vervoegde zich derwaarts en had de eer van onder andere zeldzame ontdekkingen den wonderlijken omloop des bloeds in een aale-staart, door middel zijner zonderlinge vergrootglazen tot zoo groot genoegen des Vorsts te doen beschouwen, dat zoo in deze als in andere bespiegelingen bij de twee uren werd gesleten en de Czaar vóór zijn vertrek den gemelden Leeuwenhoek, wegens te laten zien van zoo overkleyne voorwerpen bij handtasting ook van zijne zonderlinge dankbaarheid verzekerde.”Het is inderdaad niet te verwonderen, dat bij het ondervinden van zoo veel onderscheiding en belangstelling in zijn persoon en werkzaamheden, het hart van den eenvoudigen Kamerbewaarder van H.H. Schepenen van Delft zich wel eens een weinig zal verheven hebben, of dat eenig gevoel van trots hem bezielde. De uitingen van bewondering van hetgeen men bij hem zag, vervulden dan ook zijn hart met groote vreugde.„Ik heb” zoo schreef hij aan den Secretaris der „Royal Society”, toen hij, nu de bekendmaking van zijne ontdekking der bloed lichaampjes en zijne waarnemingen van den bloedsomloop daarover een zeer vleienden brief ontvangen had,„met een levendig genoegen gezien, dat mijne microscopische waarnemingen niet onaangenaam zijn geweest aan u, noch aan uwe vrienden de philosophen en dit heeft mij krachtig aangespoord om mijne nasporingen voort te zetten;” of waar hij, van wege de „Royal Society” een brief ontving196waarin de Secretaris Richard Waller hem schrijft: „Wij hebben de uwe van enz.… ontvangen en in eene vergadering van de R. S. vertoont, alwaar ze gelesen wierden tot genoegen van alle de tegenwoordige leden; en daar werd bevolen, dat men U.E. bedanken soude over U.E. vriendelijke communicatiën, U.E. alle voorspoet[113]die U.E. selfs begeeren kunt toewenschende en u ook aanmoedigende om voort te varen en nieuwe ontdekkingen van dees selve natuere te maken, nademaal niemant beter versien is met gereetschap, of beter gebruyk daarvan in microscopische observatien heeft gemaakt, als U.E. zelfs.”Behalve de belangstelling, die Leeuwenhoek door de vereerende bezoeken die hij ontving, mocht ondervinden, werden zijne verdiensten op vele andere wijzen erkend en werd hij door vele aanzienlijken met groote hartelijkheid en onderscheiding bejegend. Zoo bleek de hartelijke wijze, waarop hij in het huisgezin van een der aanzienlijkste landgenooten steeds ontvangen werd, uit de opdracht van het vijfde vervolg zijner brieven aan den Heer Frederik Adriaan, Baron van Reede, Heer van Renswoude enz. enz.Verschillende dichters, waaronder ook Arnold Hoogvliet en de beroemde Poot, voelden zich geïnspireerd om de brieven, die door den toen reeds 86jarigen grijsaard geschreven waren en onder den naam van „Sendbrieven” het 5de deel van de brieven van Leeuwenhoek uitmaken, in te leiden.In den aanhef schildert de dichter Hoogvliet, hoe de bloemen, het gras en de klaver, die in de Mei-maand hun geuren verspreiden, in het najaar en in den winter verdwenen zijn, en alles gestorven is; wijst op een wonder, namelijk een hof, die altijd bloeit en waarin bloemen en vruchten te garen zijn, die de groote Leeuwenhoek in den winter van zijn leven geplant heeft en zelfs deed rijpen: En nu vervolgt hij:
Bij de vermelding van de hoogst belangrijke ontdekkingen en waarnemingen van Leeuwenhoek, die onze aandacht hebben bezig gehouden, zou ik zijne verdiensten te kort doen, indien ik niet te dezer plaatse opzettelijk stilstond bij zijne ontdekkingen op het gebied der planten-anatomie, waarvan de Hoogleeraar H. C. van Hall getuigt164, „dat deze inzonderheid, wanneer wij den tijd nagaan, waarin Leeuwenhoek leefde, van veel gewicht zijn en talrijke microscopische ontdekkingen bevatten, welke velen gewoon zijn als uit lateren tijd afkomstig aan te merken.”Zijn eerste belangrijke onderzoeking op het gebied der plantenkunde, die wij van hem beschreven vinden, is vervat in een brief aan Robert Hooke, d.d. 12 Januari 1680165en betreft de inwendige vorming van het hout. Hij beschrijft daarin de groote opgaande vaten van het eikenhout en toont aan dat deze ieder voorjaar het eerst in het hout gevormd worden166, waardoor de afscheiding der verschillende jaarkringen duidelijk wordt. Hij[98]wees aan, hoe deze vaten van binnen gevuld zijn met blaasjes, die uit zeer dunne vliesjes bestaan en beeldde deze ook af.Deze groote opgaande vaten zijn de Holz-zellen van Schultz167. Leeuwenhoek spreekt ook nog van kleiner opgaande vaten en wijst duidelijk aan, dat de vliesjes, waaruit deze bestaan, gestippeld zijn met deeltjes, die hem „als globulen” voorkwamen168. Daar nu Leeuwenhoek (volgens van Hall) reeds in 1680 het aanzijn der stippen aanwees, wordt hij te recht gehouden voor den ontdekker der, door de nieuwere plantkundigen aldus genoemde gestippelde vaten (vasa spiralia punctata). De derde soort van opgaande vaten, die Leeuwenhoek waarnam, beschrijft hij als „zeer klein en in groote menigte aanwezig, bestaande mede uit zeer dunne vliesjes”169. Dit zijn volgens van Hall de verlengde cellen van Kieser of de vasa fibrosa van Link. Verder wees Leeuwenhoek de schuins loopende streepen op de gestippelde vaten aan en beeldt deze zeer duidelijk af170.Van de mergstralen (radii medullares) onderscheidt Leeuwenhoek de groote mergstralen van de kleinere, die tusschen de opgaande vaten (verlengde cellen of vasa fibrosa) zijn samengedrongen171. De afbeelding, die hij van deze mergstralen tusschen de verlengde cellen in het olmenhout geeft, is zeer fraai en duidelijk.Leeuwenhoek heeft veel bijgedragen tot de kennis der eenvoudige spiraalvaten en ontdekte deze het eerst in den wortel van den muscaatnootboom. Hij leverde daarvan reeds in 1695 eene zeer duidelijke afbeelding en beschrijft172zulk een spiraalvat, dat ten deele uit zoodanige kringsgewijze deelen is samengesteld, even als of, zegt hij „wy ons inbeelden te hebben eene seer dikke spelt ende dat wy om soodanige spelt digt omwonden hadden een seer dun koperdraatje, en dat wy, na de omwindinge, de spelt uyt het koperdraat hadden getrokken, als wanneer het[99]dunne koperdraat de omwindinge voor het meerendeel hadde behouden.” De bladen der boomen, zegt hij173bestaan uit deze eenvoudige spiraalvaten, als ook de zaadstrengen van den amandel, hazelnoot enz.Leeuwenhoek moet ook gehouden worden voor den ontdekker van de niet ontrolbare spiraalvaten (Treppengange), die hij in 1692 in het lindenhout beschreef174.Als bovenal merkwaardig wijst Prof. van Hall op de nasporingen die Leeuwenhoek nog na zijn 80ste levensjaar in het werk gesteld heeft omtrent de inwendige samenstelling van het hout van den kokosboom. Hij beschrijft namelijk in een brief aan Boerhaave, d.d. 28 Sept. 1716175, de van die onzer gewone boomen geheel verschillende vorming van dit hout en wijst aan176hoe deze soort van palmboom geen eigenlijk gezegde schors bezit; geen horizontale vaten of mergstralen177; hoe de bundels spiraalvaten in dit hout niet in een jaarkring vereenigd, maar verspreid staan178. Eindelijk geeft Leeuwenhoek eene beschrijving van de „witachtige stoffe, die van binnen tegen de harde schors van de noot aanligt en mede uit spiraalvaten schijnt samengevoegt te syn;” de daarbij door hem gevoegde afbeelding geeft, volgens van Hall, een zeer klaar denkbeeld der zoogenaamde vasa vermiformia.Zijne verdere waarnemingen over de poreuse cellen179; de eigene bewegende bolletjes in het eigen sap (succus proprius)180; de verklaring van de eerste wording der cellen181; de vorming van nieuwe cellen uit de oudere182; de beschrijving der samengestelde[100]cellen in de mattebies183—dit alles doet hem kennen als een nauwkeurig waarnemer, en bevat veel dat door de nieuwere natuuronderzoekers op gelijke wijze geleerd wordt184.Minder gelukkig, zegt Prof. van Hall, is Leeuwenhoek geweest ten aanzien van de vorming der vrucht en van het zaad. Hij verviel namelijk door zijne vergelijking van de voortteeling der dieren met die der planten wel eens in verkeerde begrippen. Leeuwenhoek’s beschrijving en afbeelding echter van de wijze, waarop de zaadlappen (cotyledones) in het zaad van de boekweit zijn omgeplooid en opgevouwen in het midden van het meel (albumen)185, waaruit dit zaad hoofdzakelijk bestaat, noemt van Hall „opmerkenswaardig”. Leeuwenhoek vestigt de aandacht op het nut van deze meelachtige stof tot voeding der kiemende plant en leert ons, hoe die stof niet aanwezig is in vele andere zaden, waarin dan de geheele holte van het zaad door de kiem zelve wordt aangevuld.Verder heeft Leeuwenhoek het een en ander opgeteekend over de ontkieming der planten en heeft het eerst de kieming van het fijne pluizige zaad der wilgen, in 36 uren tijds, beschreven en afgebeeld186enz. enz.Uit deze opgaven ziet men, dat Leeuwenhoek niet minder dan in het dierenrijk, ook in het plantenrijk hoogst belangrijke ontdekkingen en onderzoekingen heeft bewerkstelligd, die recht geven hem ook in dezen tak der natuurwetenschap onder de beste onderzoekers te tellen.De getuigenis die G. R. Treviranus187van Leeuwenhoek geeft: „dat hij, niettegenstaande de mindere volkomenheid zijner werktuigen, toch vele zaken beter dan latere waarnemers met veel sterker vergrootende microscopen, gezien heeft,” is wel verdient, en Kieser zegt188van de vier voornaamste grondleggers van de ontleding der planten het volgende:[101]„Hooke geeftslechtsenkele, doch bruikbare microscopische afbeeldingen, Grew is het bevalligste, Malpighi het uitvoerigste, maar Leeuwenhoek het getrouwste. Malpighi en Grew hebben zich dikwijls door vooraf opgevatte meeningen laten wegslepen, doch hunne werken zijn systematisch. Leeuwenhoek geeft slechts alleen staande, doch rijke en tot nu toe vaak miskende bijdragen tot de hoogere planten-anatomie.” En het mag dan ook eene welverdiende hulde genoemd worden aan den onvermoeiden natuuronderzoeker, dat de beroemde Engelsche plantkundige R. Brown een nieuw planten-geslacht uit Nieuw-Holland ter zijner eere naar zijn naam, Leeuwenhoekia, genoemd heeft.„In memoriam,” zegt hij, „Antonii van Leeuwenhoek, micrographi celeberrimi, in cujus operibus plures et perpulchrae observationes de plantarum structura exstant”189.Het is niet doenlijk al den arbeid door Leeuwenhoek behalve het reeds opgenoemde verricht, in al de bijzonderheden te vermelden; wij zouden anders nog stil moeten staan bij de ontdekking der „aalachtige diertjes” in den azijn, de bacteriën in het vuil en slijm der tanden, de kristalvorm die hij van een groot aantal verschillende zouten beschreef, de pissteenen en mineralen die hij analyseerde, de koraalgewassen die hij onderzocht; in een woord, schier geen voorwerp was er dat zijn aandacht ontsnapte en waaraan hij niet zijne krachten beproefde, ten einde zijn weetlust te voldoen en den waren aard, de eigenschappen en samenstelling er van te leeren kennen.Die lust tot werken bleef hem onafgebroken gedurende zijn geheele leven bij, en verflauwde niet bij het klimmen zijner jaren en „zelfs nog 36 uren vóór zijn dood, toen hij bijna 91 jaren oud was, en zijn leden al begonnen te verkleumen (zoo verhaalt ons Boitet, „Beschrijving van Delft, pag. 768”), gloeide het vuur van yver noch soodanig, dat hy met zyn byna versteve en stamelende lippen zyn gedachten noch op het papier liet stellen, over eene soort van zant, ’t geen hem door zeker aanzienlyk Heer en Bewinthebber der Oost-Indische Compagnie[102]behandigt wiert, om te zien of ’er ook eenig gout onder verborgen was”190.Zeer veel van de belangrijkste voorwerpen, welke Leeuwenhoek gedurende zijn lang leven onderzocht, bewaarde hij, ieder met het daarbij behoorend microscoop-stelletje, ten einde die van tijd tot tijd aan eene nadere beschouwing te kunnen onderwerpen, of ze aan zijne vrienden of belangstellenden, die hem van heinde en ver kwamen bezoeken, te vertoonen. Volgens den Hoogleeraar Harting191was Leeuwenhoek de eerste, die gezegd kan worden eene verzameling van microscopisch anatomische praeparaten te hebben aangelegd. En dat hij in de vervaardiging daarvan bijzonder uitmuntte, blijkt zoowel uit de door hem zelven gegeven beschrijvingen als uit de getuigenis zijner tijdgenooten, die in de gelegenheid waren zijne praeparaten te zien. Folkes, een tijdgenoot en president der „Royal Society” te Londen, deelt daaromtrent het volgende mede192:„Bovendien moeten wij niet vergeten, dat hij door eene bijzondere bekwaamheid uitmuntte in het praepareeren zijner voorwerpen, ten einde die op degeschiktstewijze door het microscoop te beschouwen en ik ben overtuigd, dat iedereen dit met mij eens zal zijn, die eenige van deze voorwerpen zelf zal willen onderzoeken, zoo als die nog goed geconserveerd door zijne lenzen te zien zijn. Wat mij aangaat, zoo heb ik zoo veel moeilijkheid ondervonden in deze toebereiding der voorwerpen, dat er bij voorbeeld een zeer groot verschil bestond in het voorkomen van een en hetzelfde voorwerp, en dat, zoo als het door Mr.[103]Leeuwenhoek gepraepareerd was, toen het door mij zelf werd onderzocht. Ik heb nu deze opmerking gemaakt, opdat men zich wel wachten zou voorbarig een der observaties van dezen Heer te veroordeelen, wanneer het niet gelukt die door zijn eigen glazen te verifieeren. Wij voor ons zijn in dit opzicht in veel ongunstiger voorwaarden geplaatst, doordien Leeuwenhoek veel meer ondervinding heeft dan wij, en hij zelf heeft ons gewaarschuwd, dat zelfs zij, die het meest geoefend zijn in het gebruik van zijne lenzen, zich nog kunnen bedriegen, indien zij hun oordeel gronden op hetgeen zich aan hun oog voordoet, voordat zij zich door herhaalde proefnemingen er van verzekerd hebben. Maar wij hebben zulk een groot aantal zijner verrassendste ontdekkingen gezien, die door de meest oordeelkundige waarnemers zijn bevestigd geworden, dat wij zeker geen de minste reden hebben zijn getrouwheid te wantrouwen in al de andere waarnemingen, die niet zoo herhaaldelijk en met zulk een groote zorg zijn onderzocht geworden als deze.”Dat Leeuwenhoek zijne praeparaten een aantal jaren in goed geconserveerden staat wist te bewaren, kan ook blijken uit zijn eigen bewoordingen in een brief, d.d. 17 November 1716, aan Leibnitz geschreven193. „Ik hebbe sedert eenige weynige weeken aan twee Heeren Professoren van grooten naam de doode (zaad) diertjes, soo als ik deselve wel twaalf jaren geleden op een seer dun glaasje hadde geplaatst, laten sien, waaraan men seer bescheydelyk het lighaam en de staart konde bekennen.”Men kan aannemen, dat de praeparaten die door Leeuwenhoek bewaard werden geen andere bewerking ondergaan hebben, dan dat zij gedroogd werden; eene handelwijze, zoo als de Hoogleeraar Harting zegt, die tot voor korten tijd schier de eenige was, die men tot dit oogmerk bezigde.De verzameling microscopische praeparaten, die Leeuwenhoek heeft nagelaten en die met de daarbij behoorende microscoopstellen voorkomen in den Catalogus der verkooping, die daarvan na zijn dood te Delft gehouden werd (zie bl. 38), bestond uit de volgende voorwerpen:[104]DIERLIJKE VOORWERPEN.Spiervezelen vaneenwalvisch.Spiervezelen,,van,,een,,kabeljauw.Spiervezelen,,van,,het hart van een eendvogel.Dwarse doorsnede der spieren van eene visch.Huidschubben van een mensch.Kristal-lens van een os.Bloedbolletjes van een mensch.Lever van een varken.Dwarse doorsnede der blaas.Blaas van een os.Papillae der tong van een os.Haarvan eenschaap.Haar,,van,,een,,bever.Haar,,van,,een,,eland.Haar,,van,,een,,beer.Haar,,uit de neus.Schub van eenbaars.Schub,,van,,een,,tong.Spinwerktuigvan eene spinnekop.Dradenvan,,eene,,spinnekop,,Angelvan,,eene,,spinnekop,,Tandenvan,,eene,,spinnekop,,Oogenvan,,eene,,spinnekop,,Spinwerktuig van een zijdeworm.Hersenen van eene vlieg.Gezichtszenuwen van eene vlieg.Uiteinde der pooten.Angel en kokervan eene vloo.Pootenvan,,eene,,vloo,,Oogen van eenrombout.Oogen,,van,,een,,kever.Angelvan,,een,,luis.Huidvan,,een,,luis,,Legangelvan,,een,,luis,,Bloedkoraal.[105]Doorsnede van een oesterschelp.Ongeboren oesters in een buisje.PLANTAARDIGE VOORWERPEN.Dwarse en overlangsche doorsnede vanijpenhout.Dwarse,,en,,overlangsche,,doorsnede,,van,,greenenhout.Dwarse,,en,,overlangsche,,doorsnede,,van,,ebbenhout.Dwarse,,en,,overlangsche,,doorsnede,,van,,lindenhout.Dwarse,,en,,overlangsche,,doorsnede,,van,,eikenhout.Dwarse,,en,,overlangsche,,doorsnede,,van,,kaneel.Dwarse,,en,,overlangsche,,doorsnede,,van,,kurk.Dwarse,,en,,overlangsche,,doorsnede,,van,,bies.Doorsnede van uitgedolven hout.Kiem uit het zaad der rogge.Vaatbundels uit de muscaatnoot.MINERALE VOORWERPEN.Stukjeswit marmer.Stukjes,,bergkristal.Stukjes,,diamant.Stukjes,,bladgoud.Stukjes,,stofgoud.Stukjes,,zilvererts.Salpeter-kristallen enz.Het volgende moge tot bewijs strekken dat Leeuwenhoek niet enkel door zijne microscopische waarnemingen uitmuntte, maar ook op ander gebied met goed gevolg de natuurwetenschappen beoefende:Hij verhaalt in een brief aan den Heer Nicolaas Witsen, Burgemeester van Amsterdam, d.d. 10 Juli 1696, hoe hij eenige jaren geleden met den Heer Christiaan Huygens over de dagelijksche omwenteling der aarde sprekende, hem een door hem uitgevonden toestel, voor eene aanschouwelijke verklaring van deze beweging liet zien, welke geleerde daarin zoo veel genoegen had, dat hij Leeuwenhoek verzocht ook voor hem zulk een toestel te maken. Het bestond in eene flesch of glazen bol met korten wijden hals, welke hij met water vulde en er eenige stukjes fijngeslagen rood lak in deed; daarna hing hij er een looden kogel in, waarin een klein gaatje geboord was, waardoor een[106]touwtje was gestoken waaraan de kogel hing. Hij sloot vervolgens de glazen bol met eene kurk, welke eveneens met eene opening voorzien was waardoor het touwtje ging. Hij liet nu de kogel door middel van dit in de kurk gestoken touw zoo ver in den bol zakken, dat deze maar even van den bodem van het glas verwijderd was, waarna hij den bol omgaf met een netsgewijs gevlochten touw of lint, welks einden zoo lang waren, dat deze een voet boven den hals van den glazen bol uitkwamen; deze einden nam hij te samen en draaide ze, terwijl de bol op een kussen op de tafel stond, vele malen met de vingers, even als een koord, om.Nu lichte hij den geheelen aldus ingerichten toestel aan deze ineengedraaide uiteinden even van het kussen op, waardoor dus de bol in eene snelle ronddraaiende beweging geraakte. De loden kogel nu in de glazen bol stelde den aardbol voor, het water in den bol de waterachtige lucht waarin wij leven, en de stukjes lak de wolken. Wanneer nu de bol in de beschreven ronddraaiende beweging was, bleef de kogel alleen, ofschoon langzaam ronddraaiende, als stil hangen, terwijl de lakdeeltjes, die, toen de bol nog in rust was, zich om den kogel gelegerd hadden, in het omdraaien zich tegen de wanden van den bol plaatsten en zich dus zoo ver van den kogel verwijderden, als de holte van den bol zulks toeliet. Plaatste hij nu het toestel weder op het kussen, zoo zag hij, dat de lakdeeltjes verward op den kogel nedervielen. Nu gaf hij aan dit experiment de volgende verklaring: dat, gelijk door de beweging van het glas de lakdeeltjes van den kogel werden weggestooten, hij zich voorstelde, dat de wolken door de dagelijksche omwenteling ofdraaiingvan den aardbol in de lucht werden opgehouden, en dat, even als met het stil houden van het glas al de lakdeeltjes zich rondom den kogel plaatsen en deze bedekken, hij zich voorstelde dat het toe zou gaan, wanneer de aardbol stil stond en het heelal om de aarde werd bewogen, namelijk; dat al de wolken en ook de waterdeelen en andere zware stoffen, waarin wij leven, niet in de lucht zouden kunnen blijven zweven, maar nederstorten op den aardbol. Verder toonde hij aan, door de kurk met het touwtje, waaraan de kogel in den bol hing, uit den[107]hals op te trekken, doch zoo, dat hij hettouwtjemet den kogel zoo laag liet zakken, dat deze nabij den bodem van den glazen bol aan kwam leggen, en hij dan dezen kogel door zachtjes aan het touw, waaraan hij hing te draaien, in eene rondgaande beweging bracht, dat de lakdeeltjes van den kogel werden afgestooten, waaruit hij de beweging van de aarde om haren as aanschouwelijk voorstelde en waardoor eveneens de vochtige dampen werden weggestooten.Deze aanschouwelijke voorstelling van de ronddraaiende beweging der aarde schijnt aan Huygens stof tot nadenken te hebben gegeven, hij beschrijft eene verbeterde inrichting van den glazen bol, door die te vervangen door een cilindrisch vat, en wel in een brief aan Leeuwenhoek, van 6 Maart 1690, waarvan zich het manuscript in de bibliotheek der Leidsche Hoogeschool bevindt.Het was geen wonder dat landgenoot en vreemdeling begeerte gevoelden een man persoonlijk te leeren kennen van wien zoo grooten naam uitging, wiens waarnemingen algemeen eene buitengewone belangstelling hadden opgewekt en wiens ontdekkingen op de gewichtigste vraagstukken der physiologie van menschen, dieren en planten betrekking hadden.Het ontbrak dan ook niet aan een tal van personen, die hem gingen opzoeken; velen voorzeker werden alleen gedreven door de begeerte om hunne nieuwsgierigheid te bevredigen en het wonderbare, waarvan het gerucht tot hen gekomen was, met eigen oogen te aanschouwen, maar ook niet weinigen, die door edeler drijfveeren werden aangespoord en vooral zijne microscopen wenschten te zien waarmede hij zulke ontdekkingen deed, ten einde zoo mogelijk het geheim zijner bewerking van hem te leeren. Voorts kwamen zij om hunne bewondering over zijne waarnemingen te betuigen, wetenschappelijke quaesties, die hij ter sprake gebracht had, te overwegen en hulde te brengen aan zijn onvermoeide vlijt en volhardenden ijver. Herhaalde malen kwamen hem dan ook leden der beroemde Royal Society bezoeken en brachten hem de groeten over van de grootste Engelsche geleerden, zoo als Robert Hooke, François Aston, Christopher[108]Wren, Hans Sloane, Nehemiah Grew, Richard Waller, Thomas Gale enz. enz., die hem dikwijls, als bewijs hunner belangstelling, afdrukken der „Philosophical Transactions” toezonden, waarin zijne ontdekkingen waren opgenomen en andere wetenschappelijke onderwerpen, die daarmede in verband stonden, werden behandeld.Beroemde landgenooten, zoo alsConstantijnen Christiaan Huygens, Reinier de Graaf, Swammerdam, Heinsius, Boerhaave,Ruysch, enz. bezochten hem herhaaldelijk en bespraken met hem de onderwerpen, die hunne belangstelling hadden opgewekt. Genees- en Heelmeesters kwamen niet zelden zijn gevoelen vragen over onderwerpen van geneeskundigen aard, terwijl zijn briefwisseling met de meesten hunner, alsmede met Leibnitz, Cink, Narrez, Rega, Gerard van Loon, Poot, Rabus en anderen, de stof leverden voor de belangrijke verzameling, die onder den naam van „de brieven van Leeuwenhoek” niet minder dan een 190tal bedragen, behalve nog een aanzienlijk aantal aan bijzondere personen, die niet in zijne verzameling gevonden worden en het meer dan honderdtal, waarvan ik boven melding maakte als na zijn dood ter verkoop aangeboden, en waarvan er zeker hier en daar in bijzondere verzamelingen nog zullen te vinden zijn.Onder de geleerde vreemdelingen, die niet verzuimden bij het bezoeken van ons land ook een uitstap naar Delft te doen, ten einde den beroemden Leeuwenhoek te zien en het een en ander merkwaardigs van hem te beschouwen, behoort ook een geleerde Duitscher Zacharias Conrad von Uffenbach. Deze verhaalt, in zijn in 1754 in het licht gegeven „Merkwürdige Reisen durch Nieder-Sachsen, Holland und Engelland 3er Th.”, dat hij met zijn broeder op den 4den December 1710 een bezoek bracht „bij den beroemden „Observatore microscopicoLeeuwenhoek”,”doch dat hij daartoe eene bijzondereaanbevelingnoodig had194, daar Leeuwenhoek, die toen reeds 78 à 79 jaren oud was, den toegang tot hem niet meer zoo gereedelijk toestond, dewijl hij gedurig door allerhande nieuwsgierige bezoekers[109]bleek lastig gevallen te zijn; zoo als blijkt uit het verzoek dat zoowel Leeuwenhoek, als zijne dochter Maria, aan de reizigers bij hun vertrek op het hart drukten, om aan niemand te zeggen dat zij bij haar vader waren toegelaten geworden. „Als wir gehen wolten” verhaalt Uffenbach „bate sowohl der wunderliche Mann, als auch seine Tochter instäntlich, dasz wir doch niemand sagen solten, dasz wir bey ihne gewesen und etwas gesehe; denn es seye alt, und des vieles Ueberlaufens, sonderlich von Leuten, die keine rechte Liefhaber seyen, ganz mühe.”Uffenbach en zijn broeder werden bij dit bezoek door de dochter van Leeuwenhoek vriendelijk ontvangen en vooraf in eene zijkamer gelaten, waar zij hun verhaalde „dat haar vader sedert eenige jaren veel nieuwe zaken met zijne microscopen ontdekt had, doch dat hij bij zijn leven niets meer van zijne waarnemingen wilde uitgeven, dewijl men hem in geschriften smadelijk bejegend om zijne meeningen over sommige onderwerpen bespot had en hem beschuldigde dat hij meer door zijne verbeelding dan door zijne glazen had gezien.”De geleerde reizigers werden door Leeuwenhoek „gar höflich” ontvangen. Het eerste dat hij hun zeer duidelijk en schoon liet zien, was de omloop van het bloed in den staart van eene kleine bot. Verder vertoonde Leeuwenhoek in eene mossel de ontwikkeling der jongen, ook sneed hij een darm der mossel open en toonde door zijn microscoop eene groote hoeveelheid zand aan, dat de mossels met het slijm, waarin zij leven tot zich nemen. Hij meende daarbij dat dit zand diende tot vorming der schalen voor de jongen, even als de hoenders behoefte hebben aan zand en kalk voor de vorming der eierschaal.Voorts toonde Leeuwenhoek in een haarbuisje meer dan dertig uiterst kleine jonge oesters inspiritus vinibewaard, welke zeer duidelijk te onderkennen waren.Op hun vraag, hoe hij deze kleine oesters in zulke haarbuisjes had gekregen, antwoordde hij, dat hij den darm eener oester opensneed en met een pennemes een weinig van de daarin vervatte materie nam, hetwelk hij dan op den nagel van zijn duim afstreek, waarop hij vervolgens een droppel brandewijn goot en het haarbuisje in dit mengsel stak, waardoor het vocht[110]dan van zelf door het capillair vermogen werd opgezogen, en daarmede ook de jonge oesters in het buisje kwamen.Behalve nog andere merkwaardige zaken vertoonde Leeuwenhoek een zandkorreltje, dat even als het schoonste kristal met facetten voorzien was.Verder vertoonde hij nog de schub van eene visch en liet hen de verschillende laminae zien, waaruit zij bestond die allen over elkander lagen.Ook wilde Leeuwenhoek hen toonen, dat de mensch, zoo als hij meende, ook schubben zou bezitten en schraapte met een pennemes langs zijn arm, van welk afschraapsel hij een weinig op een glaasje bracht. Nog vertoonde hij het oog eener vlieg, bestaande uit talrijke zeszijdige halve bolletjes, „welchen Herr Leeuwenhoek vor lauter Augen hielte, und also dieVliegenzu mehr als Argus machte.” Ook liet hij de vleugel eener vlieg met hare talrijke vertakkingen van zenuwen en aderen zien; alsmede de angel eener mug. Deze vertoonde zich door zijn microscoop wel twee duimen lang te zijn; en eindelijk liet hijhenzijn cabinet zien, waarin hij, zegt Uffenbach, wel een driehonderdtal van de genoemde microscopen, met voorwerpen voorzien, bewaarde.Betreffende het gesprek dat de gebroeders vervolgens met Leeuwenhoek hielden over de wijze waarop hij zijne glazen sleep, en of hij er geene uit gesmolten glasbolletjes vervaardigde, en over andere bijzonderheden, de vervaardiging zijner microscopen betreffende, heb ik reeds het noodige op blz. 25 vermeld.De gebroeders Uffenbach maakten het echter met al hun vragen en uithooren onzen Leeuwenhoek vrij lastig, daar zij zeer goed bemerkten, dat hij op zijn hoede was, om zich niet meer dan hij dienstig oordeelde over enkele bijzonderheden uit te laten. „Doch lockten wir ihm” zoo verhaalt Uffenbach met zekere genoegdoening over zijn listig uithooren, „durch allerhande Frage eines und des andere aus.”Onze reizigers verlieten hem zeer voldaan en verheugd, dat zij zoo veel merkwaardigs bij dezen „wunderlichen Alten,” gezien hadden.Onder de vorstelijke personen, die van den beroemden micrograaph[111]gehoord hadden en hem in Delft opzochten, vinden wij het bezoek aangeteekend van Anton Ulrich, Hertog van Brunswijk; Karel II en George I, koningen van Engeland; de Landgraaf van Hessen Cassel; Augustus koning van Polen; Frederik I, koning van Pruissen; de Keurvorst van den Palts en zijn zoon en broeder; Prins Lichtensteyn, die hem namens Karel III, koning van Spanje kwam uitnoodigen om met zijne microscopen in den Haag te komen, ten einde hem die te laten zien; Anna Maria, koningin van Engeland, en eindelijk Czaar Peter I van Rusland.Omtrent het bezoek van deze twee laatstgenoemde vorstelijke personen vond ik de volgende bijzonderheden:Toen in het jaar 1691 of 1692 de koningin van Engeland ons land bezocht, begaf zij zich ook naar Delft om den beroemden Leeuwenhoek te zien en zijne microscopische merkwaardigheden te beschouwen, doch vond hem niet in de stad. Geen wonder dat Leeuwenhoek, toen hij bij zijne terugkomst vernam, welk een hooge personage hem bezocht had en welk eene groote onderscheiding hem daardoor beschoren was geweest, zich over die teleurstelling zeer beklaagde. Hij wenschte echter zijne erkentelijkheid voor dit bezoek op eene wijze te betoonen, die hem toedacht de Hooggeplaatste bezoekster het meest welgevallig te zijn en droeg in eene sierlijke voorrede een gedeelte, namelijk, het derde vervolg zijner brieven, die hij voor de pers had gereed gemaakt, aan haar op.Gelukkiger was hij echter eenige jaren later bij gelegenheid van een bezoek hier te lande van Czaar Peter I, in 1697–1698.Mr. Gerard van Loon195beschrijft dit bezoek aan Leeuwenhoek op de volgende wijze:„Zijn (Czaar Peter I) vertrek uit ’s Gravenhage geschiedde met een binnenjagt over Delft, alwaar hij de deftige wapenhuizen der Staten van Holland met zeer veel oplettendheid bezigtigde en het jacht voor het kruithuis der Algemeene Staten, nabij Delft, deed stil houden, en door twee Heeren zijns gevolgs[112]den vermaarden Antoni van Leeuwenhoek deed verzoeken van zich in een der volgende vrachtschepen met zijn weergalooze vergrootglazen bij hem te vervoegen, dewijl hij zelf bij het doorvaren aan zijn huis wel zou gekomen zijn, bijaldien hij dit om den toevloed der menigte te ontvlieden met verdagt niet had achtergelaten. Hij vervoegde zich derwaarts en had de eer van onder andere zeldzame ontdekkingen den wonderlijken omloop des bloeds in een aale-staart, door middel zijner zonderlinge vergrootglazen tot zoo groot genoegen des Vorsts te doen beschouwen, dat zoo in deze als in andere bespiegelingen bij de twee uren werd gesleten en de Czaar vóór zijn vertrek den gemelden Leeuwenhoek, wegens te laten zien van zoo overkleyne voorwerpen bij handtasting ook van zijne zonderlinge dankbaarheid verzekerde.”Het is inderdaad niet te verwonderen, dat bij het ondervinden van zoo veel onderscheiding en belangstelling in zijn persoon en werkzaamheden, het hart van den eenvoudigen Kamerbewaarder van H.H. Schepenen van Delft zich wel eens een weinig zal verheven hebben, of dat eenig gevoel van trots hem bezielde. De uitingen van bewondering van hetgeen men bij hem zag, vervulden dan ook zijn hart met groote vreugde.„Ik heb” zoo schreef hij aan den Secretaris der „Royal Society”, toen hij, nu de bekendmaking van zijne ontdekking der bloed lichaampjes en zijne waarnemingen van den bloedsomloop daarover een zeer vleienden brief ontvangen had,„met een levendig genoegen gezien, dat mijne microscopische waarnemingen niet onaangenaam zijn geweest aan u, noch aan uwe vrienden de philosophen en dit heeft mij krachtig aangespoord om mijne nasporingen voort te zetten;” of waar hij, van wege de „Royal Society” een brief ontving196waarin de Secretaris Richard Waller hem schrijft: „Wij hebben de uwe van enz.… ontvangen en in eene vergadering van de R. S. vertoont, alwaar ze gelesen wierden tot genoegen van alle de tegenwoordige leden; en daar werd bevolen, dat men U.E. bedanken soude over U.E. vriendelijke communicatiën, U.E. alle voorspoet[113]die U.E. selfs begeeren kunt toewenschende en u ook aanmoedigende om voort te varen en nieuwe ontdekkingen van dees selve natuere te maken, nademaal niemant beter versien is met gereetschap, of beter gebruyk daarvan in microscopische observatien heeft gemaakt, als U.E. zelfs.”Behalve de belangstelling, die Leeuwenhoek door de vereerende bezoeken die hij ontving, mocht ondervinden, werden zijne verdiensten op vele andere wijzen erkend en werd hij door vele aanzienlijken met groote hartelijkheid en onderscheiding bejegend. Zoo bleek de hartelijke wijze, waarop hij in het huisgezin van een der aanzienlijkste landgenooten steeds ontvangen werd, uit de opdracht van het vijfde vervolg zijner brieven aan den Heer Frederik Adriaan, Baron van Reede, Heer van Renswoude enz. enz.Verschillende dichters, waaronder ook Arnold Hoogvliet en de beroemde Poot, voelden zich geïnspireerd om de brieven, die door den toen reeds 86jarigen grijsaard geschreven waren en onder den naam van „Sendbrieven” het 5de deel van de brieven van Leeuwenhoek uitmaken, in te leiden.In den aanhef schildert de dichter Hoogvliet, hoe de bloemen, het gras en de klaver, die in de Mei-maand hun geuren verspreiden, in het najaar en in den winter verdwenen zijn, en alles gestorven is; wijst op een wonder, namelijk een hof, die altijd bloeit en waarin bloemen en vruchten te garen zijn, die de groote Leeuwenhoek in den winter van zijn leven geplant heeft en zelfs deed rijpen: En nu vervolgt hij:
Bij de vermelding van de hoogst belangrijke ontdekkingen en waarnemingen van Leeuwenhoek, die onze aandacht hebben bezig gehouden, zou ik zijne verdiensten te kort doen, indien ik niet te dezer plaatse opzettelijk stilstond bij zijne ontdekkingen op het gebied der planten-anatomie, waarvan de Hoogleeraar H. C. van Hall getuigt164, „dat deze inzonderheid, wanneer wij den tijd nagaan, waarin Leeuwenhoek leefde, van veel gewicht zijn en talrijke microscopische ontdekkingen bevatten, welke velen gewoon zijn als uit lateren tijd afkomstig aan te merken.”Zijn eerste belangrijke onderzoeking op het gebied der plantenkunde, die wij van hem beschreven vinden, is vervat in een brief aan Robert Hooke, d.d. 12 Januari 1680165en betreft de inwendige vorming van het hout. Hij beschrijft daarin de groote opgaande vaten van het eikenhout en toont aan dat deze ieder voorjaar het eerst in het hout gevormd worden166, waardoor de afscheiding der verschillende jaarkringen duidelijk wordt. Hij[98]wees aan, hoe deze vaten van binnen gevuld zijn met blaasjes, die uit zeer dunne vliesjes bestaan en beeldde deze ook af.Deze groote opgaande vaten zijn de Holz-zellen van Schultz167. Leeuwenhoek spreekt ook nog van kleiner opgaande vaten en wijst duidelijk aan, dat de vliesjes, waaruit deze bestaan, gestippeld zijn met deeltjes, die hem „als globulen” voorkwamen168. Daar nu Leeuwenhoek (volgens van Hall) reeds in 1680 het aanzijn der stippen aanwees, wordt hij te recht gehouden voor den ontdekker der, door de nieuwere plantkundigen aldus genoemde gestippelde vaten (vasa spiralia punctata). De derde soort van opgaande vaten, die Leeuwenhoek waarnam, beschrijft hij als „zeer klein en in groote menigte aanwezig, bestaande mede uit zeer dunne vliesjes”169. Dit zijn volgens van Hall de verlengde cellen van Kieser of de vasa fibrosa van Link. Verder wees Leeuwenhoek de schuins loopende streepen op de gestippelde vaten aan en beeldt deze zeer duidelijk af170.Van de mergstralen (radii medullares) onderscheidt Leeuwenhoek de groote mergstralen van de kleinere, die tusschen de opgaande vaten (verlengde cellen of vasa fibrosa) zijn samengedrongen171. De afbeelding, die hij van deze mergstralen tusschen de verlengde cellen in het olmenhout geeft, is zeer fraai en duidelijk.Leeuwenhoek heeft veel bijgedragen tot de kennis der eenvoudige spiraalvaten en ontdekte deze het eerst in den wortel van den muscaatnootboom. Hij leverde daarvan reeds in 1695 eene zeer duidelijke afbeelding en beschrijft172zulk een spiraalvat, dat ten deele uit zoodanige kringsgewijze deelen is samengesteld, even als of, zegt hij „wy ons inbeelden te hebben eene seer dikke spelt ende dat wy om soodanige spelt digt omwonden hadden een seer dun koperdraatje, en dat wy, na de omwindinge, de spelt uyt het koperdraat hadden getrokken, als wanneer het[99]dunne koperdraat de omwindinge voor het meerendeel hadde behouden.” De bladen der boomen, zegt hij173bestaan uit deze eenvoudige spiraalvaten, als ook de zaadstrengen van den amandel, hazelnoot enz.Leeuwenhoek moet ook gehouden worden voor den ontdekker van de niet ontrolbare spiraalvaten (Treppengange), die hij in 1692 in het lindenhout beschreef174.Als bovenal merkwaardig wijst Prof. van Hall op de nasporingen die Leeuwenhoek nog na zijn 80ste levensjaar in het werk gesteld heeft omtrent de inwendige samenstelling van het hout van den kokosboom. Hij beschrijft namelijk in een brief aan Boerhaave, d.d. 28 Sept. 1716175, de van die onzer gewone boomen geheel verschillende vorming van dit hout en wijst aan176hoe deze soort van palmboom geen eigenlijk gezegde schors bezit; geen horizontale vaten of mergstralen177; hoe de bundels spiraalvaten in dit hout niet in een jaarkring vereenigd, maar verspreid staan178. Eindelijk geeft Leeuwenhoek eene beschrijving van de „witachtige stoffe, die van binnen tegen de harde schors van de noot aanligt en mede uit spiraalvaten schijnt samengevoegt te syn;” de daarbij door hem gevoegde afbeelding geeft, volgens van Hall, een zeer klaar denkbeeld der zoogenaamde vasa vermiformia.Zijne verdere waarnemingen over de poreuse cellen179; de eigene bewegende bolletjes in het eigen sap (succus proprius)180; de verklaring van de eerste wording der cellen181; de vorming van nieuwe cellen uit de oudere182; de beschrijving der samengestelde[100]cellen in de mattebies183—dit alles doet hem kennen als een nauwkeurig waarnemer, en bevat veel dat door de nieuwere natuuronderzoekers op gelijke wijze geleerd wordt184.Minder gelukkig, zegt Prof. van Hall, is Leeuwenhoek geweest ten aanzien van de vorming der vrucht en van het zaad. Hij verviel namelijk door zijne vergelijking van de voortteeling der dieren met die der planten wel eens in verkeerde begrippen. Leeuwenhoek’s beschrijving en afbeelding echter van de wijze, waarop de zaadlappen (cotyledones) in het zaad van de boekweit zijn omgeplooid en opgevouwen in het midden van het meel (albumen)185, waaruit dit zaad hoofdzakelijk bestaat, noemt van Hall „opmerkenswaardig”. Leeuwenhoek vestigt de aandacht op het nut van deze meelachtige stof tot voeding der kiemende plant en leert ons, hoe die stof niet aanwezig is in vele andere zaden, waarin dan de geheele holte van het zaad door de kiem zelve wordt aangevuld.Verder heeft Leeuwenhoek het een en ander opgeteekend over de ontkieming der planten en heeft het eerst de kieming van het fijne pluizige zaad der wilgen, in 36 uren tijds, beschreven en afgebeeld186enz. enz.Uit deze opgaven ziet men, dat Leeuwenhoek niet minder dan in het dierenrijk, ook in het plantenrijk hoogst belangrijke ontdekkingen en onderzoekingen heeft bewerkstelligd, die recht geven hem ook in dezen tak der natuurwetenschap onder de beste onderzoekers te tellen.De getuigenis die G. R. Treviranus187van Leeuwenhoek geeft: „dat hij, niettegenstaande de mindere volkomenheid zijner werktuigen, toch vele zaken beter dan latere waarnemers met veel sterker vergrootende microscopen, gezien heeft,” is wel verdient, en Kieser zegt188van de vier voornaamste grondleggers van de ontleding der planten het volgende:[101]„Hooke geeftslechtsenkele, doch bruikbare microscopische afbeeldingen, Grew is het bevalligste, Malpighi het uitvoerigste, maar Leeuwenhoek het getrouwste. Malpighi en Grew hebben zich dikwijls door vooraf opgevatte meeningen laten wegslepen, doch hunne werken zijn systematisch. Leeuwenhoek geeft slechts alleen staande, doch rijke en tot nu toe vaak miskende bijdragen tot de hoogere planten-anatomie.” En het mag dan ook eene welverdiende hulde genoemd worden aan den onvermoeiden natuuronderzoeker, dat de beroemde Engelsche plantkundige R. Brown een nieuw planten-geslacht uit Nieuw-Holland ter zijner eere naar zijn naam, Leeuwenhoekia, genoemd heeft.„In memoriam,” zegt hij, „Antonii van Leeuwenhoek, micrographi celeberrimi, in cujus operibus plures et perpulchrae observationes de plantarum structura exstant”189.Het is niet doenlijk al den arbeid door Leeuwenhoek behalve het reeds opgenoemde verricht, in al de bijzonderheden te vermelden; wij zouden anders nog stil moeten staan bij de ontdekking der „aalachtige diertjes” in den azijn, de bacteriën in het vuil en slijm der tanden, de kristalvorm die hij van een groot aantal verschillende zouten beschreef, de pissteenen en mineralen die hij analyseerde, de koraalgewassen die hij onderzocht; in een woord, schier geen voorwerp was er dat zijn aandacht ontsnapte en waaraan hij niet zijne krachten beproefde, ten einde zijn weetlust te voldoen en den waren aard, de eigenschappen en samenstelling er van te leeren kennen.Die lust tot werken bleef hem onafgebroken gedurende zijn geheele leven bij, en verflauwde niet bij het klimmen zijner jaren en „zelfs nog 36 uren vóór zijn dood, toen hij bijna 91 jaren oud was, en zijn leden al begonnen te verkleumen (zoo verhaalt ons Boitet, „Beschrijving van Delft, pag. 768”), gloeide het vuur van yver noch soodanig, dat hy met zyn byna versteve en stamelende lippen zyn gedachten noch op het papier liet stellen, over eene soort van zant, ’t geen hem door zeker aanzienlyk Heer en Bewinthebber der Oost-Indische Compagnie[102]behandigt wiert, om te zien of ’er ook eenig gout onder verborgen was”190.Zeer veel van de belangrijkste voorwerpen, welke Leeuwenhoek gedurende zijn lang leven onderzocht, bewaarde hij, ieder met het daarbij behoorend microscoop-stelletje, ten einde die van tijd tot tijd aan eene nadere beschouwing te kunnen onderwerpen, of ze aan zijne vrienden of belangstellenden, die hem van heinde en ver kwamen bezoeken, te vertoonen. Volgens den Hoogleeraar Harting191was Leeuwenhoek de eerste, die gezegd kan worden eene verzameling van microscopisch anatomische praeparaten te hebben aangelegd. En dat hij in de vervaardiging daarvan bijzonder uitmuntte, blijkt zoowel uit de door hem zelven gegeven beschrijvingen als uit de getuigenis zijner tijdgenooten, die in de gelegenheid waren zijne praeparaten te zien. Folkes, een tijdgenoot en president der „Royal Society” te Londen, deelt daaromtrent het volgende mede192:„Bovendien moeten wij niet vergeten, dat hij door eene bijzondere bekwaamheid uitmuntte in het praepareeren zijner voorwerpen, ten einde die op degeschiktstewijze door het microscoop te beschouwen en ik ben overtuigd, dat iedereen dit met mij eens zal zijn, die eenige van deze voorwerpen zelf zal willen onderzoeken, zoo als die nog goed geconserveerd door zijne lenzen te zien zijn. Wat mij aangaat, zoo heb ik zoo veel moeilijkheid ondervonden in deze toebereiding der voorwerpen, dat er bij voorbeeld een zeer groot verschil bestond in het voorkomen van een en hetzelfde voorwerp, en dat, zoo als het door Mr.[103]Leeuwenhoek gepraepareerd was, toen het door mij zelf werd onderzocht. Ik heb nu deze opmerking gemaakt, opdat men zich wel wachten zou voorbarig een der observaties van dezen Heer te veroordeelen, wanneer het niet gelukt die door zijn eigen glazen te verifieeren. Wij voor ons zijn in dit opzicht in veel ongunstiger voorwaarden geplaatst, doordien Leeuwenhoek veel meer ondervinding heeft dan wij, en hij zelf heeft ons gewaarschuwd, dat zelfs zij, die het meest geoefend zijn in het gebruik van zijne lenzen, zich nog kunnen bedriegen, indien zij hun oordeel gronden op hetgeen zich aan hun oog voordoet, voordat zij zich door herhaalde proefnemingen er van verzekerd hebben. Maar wij hebben zulk een groot aantal zijner verrassendste ontdekkingen gezien, die door de meest oordeelkundige waarnemers zijn bevestigd geworden, dat wij zeker geen de minste reden hebben zijn getrouwheid te wantrouwen in al de andere waarnemingen, die niet zoo herhaaldelijk en met zulk een groote zorg zijn onderzocht geworden als deze.”Dat Leeuwenhoek zijne praeparaten een aantal jaren in goed geconserveerden staat wist te bewaren, kan ook blijken uit zijn eigen bewoordingen in een brief, d.d. 17 November 1716, aan Leibnitz geschreven193. „Ik hebbe sedert eenige weynige weeken aan twee Heeren Professoren van grooten naam de doode (zaad) diertjes, soo als ik deselve wel twaalf jaren geleden op een seer dun glaasje hadde geplaatst, laten sien, waaraan men seer bescheydelyk het lighaam en de staart konde bekennen.”Men kan aannemen, dat de praeparaten die door Leeuwenhoek bewaard werden geen andere bewerking ondergaan hebben, dan dat zij gedroogd werden; eene handelwijze, zoo als de Hoogleeraar Harting zegt, die tot voor korten tijd schier de eenige was, die men tot dit oogmerk bezigde.De verzameling microscopische praeparaten, die Leeuwenhoek heeft nagelaten en die met de daarbij behoorende microscoopstellen voorkomen in den Catalogus der verkooping, die daarvan na zijn dood te Delft gehouden werd (zie bl. 38), bestond uit de volgende voorwerpen:[104]DIERLIJKE VOORWERPEN.Spiervezelen vaneenwalvisch.Spiervezelen,,van,,een,,kabeljauw.Spiervezelen,,van,,het hart van een eendvogel.Dwarse doorsnede der spieren van eene visch.Huidschubben van een mensch.Kristal-lens van een os.Bloedbolletjes van een mensch.Lever van een varken.Dwarse doorsnede der blaas.Blaas van een os.Papillae der tong van een os.Haarvan eenschaap.Haar,,van,,een,,bever.Haar,,van,,een,,eland.Haar,,van,,een,,beer.Haar,,uit de neus.Schub van eenbaars.Schub,,van,,een,,tong.Spinwerktuigvan eene spinnekop.Dradenvan,,eene,,spinnekop,,Angelvan,,eene,,spinnekop,,Tandenvan,,eene,,spinnekop,,Oogenvan,,eene,,spinnekop,,Spinwerktuig van een zijdeworm.Hersenen van eene vlieg.Gezichtszenuwen van eene vlieg.Uiteinde der pooten.Angel en kokervan eene vloo.Pootenvan,,eene,,vloo,,Oogen van eenrombout.Oogen,,van,,een,,kever.Angelvan,,een,,luis.Huidvan,,een,,luis,,Legangelvan,,een,,luis,,Bloedkoraal.[105]Doorsnede van een oesterschelp.Ongeboren oesters in een buisje.PLANTAARDIGE VOORWERPEN.Dwarse en overlangsche doorsnede vanijpenhout.Dwarse,,en,,overlangsche,,doorsnede,,van,,greenenhout.Dwarse,,en,,overlangsche,,doorsnede,,van,,ebbenhout.Dwarse,,en,,overlangsche,,doorsnede,,van,,lindenhout.Dwarse,,en,,overlangsche,,doorsnede,,van,,eikenhout.Dwarse,,en,,overlangsche,,doorsnede,,van,,kaneel.Dwarse,,en,,overlangsche,,doorsnede,,van,,kurk.Dwarse,,en,,overlangsche,,doorsnede,,van,,bies.Doorsnede van uitgedolven hout.Kiem uit het zaad der rogge.Vaatbundels uit de muscaatnoot.MINERALE VOORWERPEN.Stukjeswit marmer.Stukjes,,bergkristal.Stukjes,,diamant.Stukjes,,bladgoud.Stukjes,,stofgoud.Stukjes,,zilvererts.Salpeter-kristallen enz.Het volgende moge tot bewijs strekken dat Leeuwenhoek niet enkel door zijne microscopische waarnemingen uitmuntte, maar ook op ander gebied met goed gevolg de natuurwetenschappen beoefende:Hij verhaalt in een brief aan den Heer Nicolaas Witsen, Burgemeester van Amsterdam, d.d. 10 Juli 1696, hoe hij eenige jaren geleden met den Heer Christiaan Huygens over de dagelijksche omwenteling der aarde sprekende, hem een door hem uitgevonden toestel, voor eene aanschouwelijke verklaring van deze beweging liet zien, welke geleerde daarin zoo veel genoegen had, dat hij Leeuwenhoek verzocht ook voor hem zulk een toestel te maken. Het bestond in eene flesch of glazen bol met korten wijden hals, welke hij met water vulde en er eenige stukjes fijngeslagen rood lak in deed; daarna hing hij er een looden kogel in, waarin een klein gaatje geboord was, waardoor een[106]touwtje was gestoken waaraan de kogel hing. Hij sloot vervolgens de glazen bol met eene kurk, welke eveneens met eene opening voorzien was waardoor het touwtje ging. Hij liet nu de kogel door middel van dit in de kurk gestoken touw zoo ver in den bol zakken, dat deze maar even van den bodem van het glas verwijderd was, waarna hij den bol omgaf met een netsgewijs gevlochten touw of lint, welks einden zoo lang waren, dat deze een voet boven den hals van den glazen bol uitkwamen; deze einden nam hij te samen en draaide ze, terwijl de bol op een kussen op de tafel stond, vele malen met de vingers, even als een koord, om.Nu lichte hij den geheelen aldus ingerichten toestel aan deze ineengedraaide uiteinden even van het kussen op, waardoor dus de bol in eene snelle ronddraaiende beweging geraakte. De loden kogel nu in de glazen bol stelde den aardbol voor, het water in den bol de waterachtige lucht waarin wij leven, en de stukjes lak de wolken. Wanneer nu de bol in de beschreven ronddraaiende beweging was, bleef de kogel alleen, ofschoon langzaam ronddraaiende, als stil hangen, terwijl de lakdeeltjes, die, toen de bol nog in rust was, zich om den kogel gelegerd hadden, in het omdraaien zich tegen de wanden van den bol plaatsten en zich dus zoo ver van den kogel verwijderden, als de holte van den bol zulks toeliet. Plaatste hij nu het toestel weder op het kussen, zoo zag hij, dat de lakdeeltjes verward op den kogel nedervielen. Nu gaf hij aan dit experiment de volgende verklaring: dat, gelijk door de beweging van het glas de lakdeeltjes van den kogel werden weggestooten, hij zich voorstelde, dat de wolken door de dagelijksche omwenteling ofdraaiingvan den aardbol in de lucht werden opgehouden, en dat, even als met het stil houden van het glas al de lakdeeltjes zich rondom den kogel plaatsen en deze bedekken, hij zich voorstelde dat het toe zou gaan, wanneer de aardbol stil stond en het heelal om de aarde werd bewogen, namelijk; dat al de wolken en ook de waterdeelen en andere zware stoffen, waarin wij leven, niet in de lucht zouden kunnen blijven zweven, maar nederstorten op den aardbol. Verder toonde hij aan, door de kurk met het touwtje, waaraan de kogel in den bol hing, uit den[107]hals op te trekken, doch zoo, dat hij hettouwtjemet den kogel zoo laag liet zakken, dat deze nabij den bodem van den glazen bol aan kwam leggen, en hij dan dezen kogel door zachtjes aan het touw, waaraan hij hing te draaien, in eene rondgaande beweging bracht, dat de lakdeeltjes van den kogel werden afgestooten, waaruit hij de beweging van de aarde om haren as aanschouwelijk voorstelde en waardoor eveneens de vochtige dampen werden weggestooten.Deze aanschouwelijke voorstelling van de ronddraaiende beweging der aarde schijnt aan Huygens stof tot nadenken te hebben gegeven, hij beschrijft eene verbeterde inrichting van den glazen bol, door die te vervangen door een cilindrisch vat, en wel in een brief aan Leeuwenhoek, van 6 Maart 1690, waarvan zich het manuscript in de bibliotheek der Leidsche Hoogeschool bevindt.Het was geen wonder dat landgenoot en vreemdeling begeerte gevoelden een man persoonlijk te leeren kennen van wien zoo grooten naam uitging, wiens waarnemingen algemeen eene buitengewone belangstelling hadden opgewekt en wiens ontdekkingen op de gewichtigste vraagstukken der physiologie van menschen, dieren en planten betrekking hadden.Het ontbrak dan ook niet aan een tal van personen, die hem gingen opzoeken; velen voorzeker werden alleen gedreven door de begeerte om hunne nieuwsgierigheid te bevredigen en het wonderbare, waarvan het gerucht tot hen gekomen was, met eigen oogen te aanschouwen, maar ook niet weinigen, die door edeler drijfveeren werden aangespoord en vooral zijne microscopen wenschten te zien waarmede hij zulke ontdekkingen deed, ten einde zoo mogelijk het geheim zijner bewerking van hem te leeren. Voorts kwamen zij om hunne bewondering over zijne waarnemingen te betuigen, wetenschappelijke quaesties, die hij ter sprake gebracht had, te overwegen en hulde te brengen aan zijn onvermoeide vlijt en volhardenden ijver. Herhaalde malen kwamen hem dan ook leden der beroemde Royal Society bezoeken en brachten hem de groeten over van de grootste Engelsche geleerden, zoo als Robert Hooke, François Aston, Christopher[108]Wren, Hans Sloane, Nehemiah Grew, Richard Waller, Thomas Gale enz. enz., die hem dikwijls, als bewijs hunner belangstelling, afdrukken der „Philosophical Transactions” toezonden, waarin zijne ontdekkingen waren opgenomen en andere wetenschappelijke onderwerpen, die daarmede in verband stonden, werden behandeld.Beroemde landgenooten, zoo alsConstantijnen Christiaan Huygens, Reinier de Graaf, Swammerdam, Heinsius, Boerhaave,Ruysch, enz. bezochten hem herhaaldelijk en bespraken met hem de onderwerpen, die hunne belangstelling hadden opgewekt. Genees- en Heelmeesters kwamen niet zelden zijn gevoelen vragen over onderwerpen van geneeskundigen aard, terwijl zijn briefwisseling met de meesten hunner, alsmede met Leibnitz, Cink, Narrez, Rega, Gerard van Loon, Poot, Rabus en anderen, de stof leverden voor de belangrijke verzameling, die onder den naam van „de brieven van Leeuwenhoek” niet minder dan een 190tal bedragen, behalve nog een aanzienlijk aantal aan bijzondere personen, die niet in zijne verzameling gevonden worden en het meer dan honderdtal, waarvan ik boven melding maakte als na zijn dood ter verkoop aangeboden, en waarvan er zeker hier en daar in bijzondere verzamelingen nog zullen te vinden zijn.Onder de geleerde vreemdelingen, die niet verzuimden bij het bezoeken van ons land ook een uitstap naar Delft te doen, ten einde den beroemden Leeuwenhoek te zien en het een en ander merkwaardigs van hem te beschouwen, behoort ook een geleerde Duitscher Zacharias Conrad von Uffenbach. Deze verhaalt, in zijn in 1754 in het licht gegeven „Merkwürdige Reisen durch Nieder-Sachsen, Holland und Engelland 3er Th.”, dat hij met zijn broeder op den 4den December 1710 een bezoek bracht „bij den beroemden „Observatore microscopicoLeeuwenhoek”,”doch dat hij daartoe eene bijzondereaanbevelingnoodig had194, daar Leeuwenhoek, die toen reeds 78 à 79 jaren oud was, den toegang tot hem niet meer zoo gereedelijk toestond, dewijl hij gedurig door allerhande nieuwsgierige bezoekers[109]bleek lastig gevallen te zijn; zoo als blijkt uit het verzoek dat zoowel Leeuwenhoek, als zijne dochter Maria, aan de reizigers bij hun vertrek op het hart drukten, om aan niemand te zeggen dat zij bij haar vader waren toegelaten geworden. „Als wir gehen wolten” verhaalt Uffenbach „bate sowohl der wunderliche Mann, als auch seine Tochter instäntlich, dasz wir doch niemand sagen solten, dasz wir bey ihne gewesen und etwas gesehe; denn es seye alt, und des vieles Ueberlaufens, sonderlich von Leuten, die keine rechte Liefhaber seyen, ganz mühe.”Uffenbach en zijn broeder werden bij dit bezoek door de dochter van Leeuwenhoek vriendelijk ontvangen en vooraf in eene zijkamer gelaten, waar zij hun verhaalde „dat haar vader sedert eenige jaren veel nieuwe zaken met zijne microscopen ontdekt had, doch dat hij bij zijn leven niets meer van zijne waarnemingen wilde uitgeven, dewijl men hem in geschriften smadelijk bejegend om zijne meeningen over sommige onderwerpen bespot had en hem beschuldigde dat hij meer door zijne verbeelding dan door zijne glazen had gezien.”De geleerde reizigers werden door Leeuwenhoek „gar höflich” ontvangen. Het eerste dat hij hun zeer duidelijk en schoon liet zien, was de omloop van het bloed in den staart van eene kleine bot. Verder vertoonde Leeuwenhoek in eene mossel de ontwikkeling der jongen, ook sneed hij een darm der mossel open en toonde door zijn microscoop eene groote hoeveelheid zand aan, dat de mossels met het slijm, waarin zij leven tot zich nemen. Hij meende daarbij dat dit zand diende tot vorming der schalen voor de jongen, even als de hoenders behoefte hebben aan zand en kalk voor de vorming der eierschaal.Voorts toonde Leeuwenhoek in een haarbuisje meer dan dertig uiterst kleine jonge oesters inspiritus vinibewaard, welke zeer duidelijk te onderkennen waren.Op hun vraag, hoe hij deze kleine oesters in zulke haarbuisjes had gekregen, antwoordde hij, dat hij den darm eener oester opensneed en met een pennemes een weinig van de daarin vervatte materie nam, hetwelk hij dan op den nagel van zijn duim afstreek, waarop hij vervolgens een droppel brandewijn goot en het haarbuisje in dit mengsel stak, waardoor het vocht[110]dan van zelf door het capillair vermogen werd opgezogen, en daarmede ook de jonge oesters in het buisje kwamen.Behalve nog andere merkwaardige zaken vertoonde Leeuwenhoek een zandkorreltje, dat even als het schoonste kristal met facetten voorzien was.Verder vertoonde hij nog de schub van eene visch en liet hen de verschillende laminae zien, waaruit zij bestond die allen over elkander lagen.Ook wilde Leeuwenhoek hen toonen, dat de mensch, zoo als hij meende, ook schubben zou bezitten en schraapte met een pennemes langs zijn arm, van welk afschraapsel hij een weinig op een glaasje bracht. Nog vertoonde hij het oog eener vlieg, bestaande uit talrijke zeszijdige halve bolletjes, „welchen Herr Leeuwenhoek vor lauter Augen hielte, und also dieVliegenzu mehr als Argus machte.” Ook liet hij de vleugel eener vlieg met hare talrijke vertakkingen van zenuwen en aderen zien; alsmede de angel eener mug. Deze vertoonde zich door zijn microscoop wel twee duimen lang te zijn; en eindelijk liet hijhenzijn cabinet zien, waarin hij, zegt Uffenbach, wel een driehonderdtal van de genoemde microscopen, met voorwerpen voorzien, bewaarde.Betreffende het gesprek dat de gebroeders vervolgens met Leeuwenhoek hielden over de wijze waarop hij zijne glazen sleep, en of hij er geene uit gesmolten glasbolletjes vervaardigde, en over andere bijzonderheden, de vervaardiging zijner microscopen betreffende, heb ik reeds het noodige op blz. 25 vermeld.De gebroeders Uffenbach maakten het echter met al hun vragen en uithooren onzen Leeuwenhoek vrij lastig, daar zij zeer goed bemerkten, dat hij op zijn hoede was, om zich niet meer dan hij dienstig oordeelde over enkele bijzonderheden uit te laten. „Doch lockten wir ihm” zoo verhaalt Uffenbach met zekere genoegdoening over zijn listig uithooren, „durch allerhande Frage eines und des andere aus.”Onze reizigers verlieten hem zeer voldaan en verheugd, dat zij zoo veel merkwaardigs bij dezen „wunderlichen Alten,” gezien hadden.Onder de vorstelijke personen, die van den beroemden micrograaph[111]gehoord hadden en hem in Delft opzochten, vinden wij het bezoek aangeteekend van Anton Ulrich, Hertog van Brunswijk; Karel II en George I, koningen van Engeland; de Landgraaf van Hessen Cassel; Augustus koning van Polen; Frederik I, koning van Pruissen; de Keurvorst van den Palts en zijn zoon en broeder; Prins Lichtensteyn, die hem namens Karel III, koning van Spanje kwam uitnoodigen om met zijne microscopen in den Haag te komen, ten einde hem die te laten zien; Anna Maria, koningin van Engeland, en eindelijk Czaar Peter I van Rusland.Omtrent het bezoek van deze twee laatstgenoemde vorstelijke personen vond ik de volgende bijzonderheden:Toen in het jaar 1691 of 1692 de koningin van Engeland ons land bezocht, begaf zij zich ook naar Delft om den beroemden Leeuwenhoek te zien en zijne microscopische merkwaardigheden te beschouwen, doch vond hem niet in de stad. Geen wonder dat Leeuwenhoek, toen hij bij zijne terugkomst vernam, welk een hooge personage hem bezocht had en welk eene groote onderscheiding hem daardoor beschoren was geweest, zich over die teleurstelling zeer beklaagde. Hij wenschte echter zijne erkentelijkheid voor dit bezoek op eene wijze te betoonen, die hem toedacht de Hooggeplaatste bezoekster het meest welgevallig te zijn en droeg in eene sierlijke voorrede een gedeelte, namelijk, het derde vervolg zijner brieven, die hij voor de pers had gereed gemaakt, aan haar op.Gelukkiger was hij echter eenige jaren later bij gelegenheid van een bezoek hier te lande van Czaar Peter I, in 1697–1698.Mr. Gerard van Loon195beschrijft dit bezoek aan Leeuwenhoek op de volgende wijze:„Zijn (Czaar Peter I) vertrek uit ’s Gravenhage geschiedde met een binnenjagt over Delft, alwaar hij de deftige wapenhuizen der Staten van Holland met zeer veel oplettendheid bezigtigde en het jacht voor het kruithuis der Algemeene Staten, nabij Delft, deed stil houden, en door twee Heeren zijns gevolgs[112]den vermaarden Antoni van Leeuwenhoek deed verzoeken van zich in een der volgende vrachtschepen met zijn weergalooze vergrootglazen bij hem te vervoegen, dewijl hij zelf bij het doorvaren aan zijn huis wel zou gekomen zijn, bijaldien hij dit om den toevloed der menigte te ontvlieden met verdagt niet had achtergelaten. Hij vervoegde zich derwaarts en had de eer van onder andere zeldzame ontdekkingen den wonderlijken omloop des bloeds in een aale-staart, door middel zijner zonderlinge vergrootglazen tot zoo groot genoegen des Vorsts te doen beschouwen, dat zoo in deze als in andere bespiegelingen bij de twee uren werd gesleten en de Czaar vóór zijn vertrek den gemelden Leeuwenhoek, wegens te laten zien van zoo overkleyne voorwerpen bij handtasting ook van zijne zonderlinge dankbaarheid verzekerde.”Het is inderdaad niet te verwonderen, dat bij het ondervinden van zoo veel onderscheiding en belangstelling in zijn persoon en werkzaamheden, het hart van den eenvoudigen Kamerbewaarder van H.H. Schepenen van Delft zich wel eens een weinig zal verheven hebben, of dat eenig gevoel van trots hem bezielde. De uitingen van bewondering van hetgeen men bij hem zag, vervulden dan ook zijn hart met groote vreugde.„Ik heb” zoo schreef hij aan den Secretaris der „Royal Society”, toen hij, nu de bekendmaking van zijne ontdekking der bloed lichaampjes en zijne waarnemingen van den bloedsomloop daarover een zeer vleienden brief ontvangen had,„met een levendig genoegen gezien, dat mijne microscopische waarnemingen niet onaangenaam zijn geweest aan u, noch aan uwe vrienden de philosophen en dit heeft mij krachtig aangespoord om mijne nasporingen voort te zetten;” of waar hij, van wege de „Royal Society” een brief ontving196waarin de Secretaris Richard Waller hem schrijft: „Wij hebben de uwe van enz.… ontvangen en in eene vergadering van de R. S. vertoont, alwaar ze gelesen wierden tot genoegen van alle de tegenwoordige leden; en daar werd bevolen, dat men U.E. bedanken soude over U.E. vriendelijke communicatiën, U.E. alle voorspoet[113]die U.E. selfs begeeren kunt toewenschende en u ook aanmoedigende om voort te varen en nieuwe ontdekkingen van dees selve natuere te maken, nademaal niemant beter versien is met gereetschap, of beter gebruyk daarvan in microscopische observatien heeft gemaakt, als U.E. zelfs.”Behalve de belangstelling, die Leeuwenhoek door de vereerende bezoeken die hij ontving, mocht ondervinden, werden zijne verdiensten op vele andere wijzen erkend en werd hij door vele aanzienlijken met groote hartelijkheid en onderscheiding bejegend. Zoo bleek de hartelijke wijze, waarop hij in het huisgezin van een der aanzienlijkste landgenooten steeds ontvangen werd, uit de opdracht van het vijfde vervolg zijner brieven aan den Heer Frederik Adriaan, Baron van Reede, Heer van Renswoude enz. enz.Verschillende dichters, waaronder ook Arnold Hoogvliet en de beroemde Poot, voelden zich geïnspireerd om de brieven, die door den toen reeds 86jarigen grijsaard geschreven waren en onder den naam van „Sendbrieven” het 5de deel van de brieven van Leeuwenhoek uitmaken, in te leiden.In den aanhef schildert de dichter Hoogvliet, hoe de bloemen, het gras en de klaver, die in de Mei-maand hun geuren verspreiden, in het najaar en in den winter verdwenen zijn, en alles gestorven is; wijst op een wonder, namelijk een hof, die altijd bloeit en waarin bloemen en vruchten te garen zijn, die de groote Leeuwenhoek in den winter van zijn leven geplant heeft en zelfs deed rijpen: En nu vervolgt hij:
Bij de vermelding van de hoogst belangrijke ontdekkingen en waarnemingen van Leeuwenhoek, die onze aandacht hebben bezig gehouden, zou ik zijne verdiensten te kort doen, indien ik niet te dezer plaatse opzettelijk stilstond bij zijne ontdekkingen op het gebied der planten-anatomie, waarvan de Hoogleeraar H. C. van Hall getuigt164, „dat deze inzonderheid, wanneer wij den tijd nagaan, waarin Leeuwenhoek leefde, van veel gewicht zijn en talrijke microscopische ontdekkingen bevatten, welke velen gewoon zijn als uit lateren tijd afkomstig aan te merken.”
Zijn eerste belangrijke onderzoeking op het gebied der plantenkunde, die wij van hem beschreven vinden, is vervat in een brief aan Robert Hooke, d.d. 12 Januari 1680165en betreft de inwendige vorming van het hout. Hij beschrijft daarin de groote opgaande vaten van het eikenhout en toont aan dat deze ieder voorjaar het eerst in het hout gevormd worden166, waardoor de afscheiding der verschillende jaarkringen duidelijk wordt. Hij[98]wees aan, hoe deze vaten van binnen gevuld zijn met blaasjes, die uit zeer dunne vliesjes bestaan en beeldde deze ook af.
Deze groote opgaande vaten zijn de Holz-zellen van Schultz167. Leeuwenhoek spreekt ook nog van kleiner opgaande vaten en wijst duidelijk aan, dat de vliesjes, waaruit deze bestaan, gestippeld zijn met deeltjes, die hem „als globulen” voorkwamen168. Daar nu Leeuwenhoek (volgens van Hall) reeds in 1680 het aanzijn der stippen aanwees, wordt hij te recht gehouden voor den ontdekker der, door de nieuwere plantkundigen aldus genoemde gestippelde vaten (vasa spiralia punctata). De derde soort van opgaande vaten, die Leeuwenhoek waarnam, beschrijft hij als „zeer klein en in groote menigte aanwezig, bestaande mede uit zeer dunne vliesjes”169. Dit zijn volgens van Hall de verlengde cellen van Kieser of de vasa fibrosa van Link. Verder wees Leeuwenhoek de schuins loopende streepen op de gestippelde vaten aan en beeldt deze zeer duidelijk af170.
Van de mergstralen (radii medullares) onderscheidt Leeuwenhoek de groote mergstralen van de kleinere, die tusschen de opgaande vaten (verlengde cellen of vasa fibrosa) zijn samengedrongen171. De afbeelding, die hij van deze mergstralen tusschen de verlengde cellen in het olmenhout geeft, is zeer fraai en duidelijk.
Leeuwenhoek heeft veel bijgedragen tot de kennis der eenvoudige spiraalvaten en ontdekte deze het eerst in den wortel van den muscaatnootboom. Hij leverde daarvan reeds in 1695 eene zeer duidelijke afbeelding en beschrijft172zulk een spiraalvat, dat ten deele uit zoodanige kringsgewijze deelen is samengesteld, even als of, zegt hij „wy ons inbeelden te hebben eene seer dikke spelt ende dat wy om soodanige spelt digt omwonden hadden een seer dun koperdraatje, en dat wy, na de omwindinge, de spelt uyt het koperdraat hadden getrokken, als wanneer het[99]dunne koperdraat de omwindinge voor het meerendeel hadde behouden.” De bladen der boomen, zegt hij173bestaan uit deze eenvoudige spiraalvaten, als ook de zaadstrengen van den amandel, hazelnoot enz.
Leeuwenhoek moet ook gehouden worden voor den ontdekker van de niet ontrolbare spiraalvaten (Treppengange), die hij in 1692 in het lindenhout beschreef174.
Als bovenal merkwaardig wijst Prof. van Hall op de nasporingen die Leeuwenhoek nog na zijn 80ste levensjaar in het werk gesteld heeft omtrent de inwendige samenstelling van het hout van den kokosboom. Hij beschrijft namelijk in een brief aan Boerhaave, d.d. 28 Sept. 1716175, de van die onzer gewone boomen geheel verschillende vorming van dit hout en wijst aan176hoe deze soort van palmboom geen eigenlijk gezegde schors bezit; geen horizontale vaten of mergstralen177; hoe de bundels spiraalvaten in dit hout niet in een jaarkring vereenigd, maar verspreid staan178. Eindelijk geeft Leeuwenhoek eene beschrijving van de „witachtige stoffe, die van binnen tegen de harde schors van de noot aanligt en mede uit spiraalvaten schijnt samengevoegt te syn;” de daarbij door hem gevoegde afbeelding geeft, volgens van Hall, een zeer klaar denkbeeld der zoogenaamde vasa vermiformia.
Zijne verdere waarnemingen over de poreuse cellen179; de eigene bewegende bolletjes in het eigen sap (succus proprius)180; de verklaring van de eerste wording der cellen181; de vorming van nieuwe cellen uit de oudere182; de beschrijving der samengestelde[100]cellen in de mattebies183—dit alles doet hem kennen als een nauwkeurig waarnemer, en bevat veel dat door de nieuwere natuuronderzoekers op gelijke wijze geleerd wordt184.
Minder gelukkig, zegt Prof. van Hall, is Leeuwenhoek geweest ten aanzien van de vorming der vrucht en van het zaad. Hij verviel namelijk door zijne vergelijking van de voortteeling der dieren met die der planten wel eens in verkeerde begrippen. Leeuwenhoek’s beschrijving en afbeelding echter van de wijze, waarop de zaadlappen (cotyledones) in het zaad van de boekweit zijn omgeplooid en opgevouwen in het midden van het meel (albumen)185, waaruit dit zaad hoofdzakelijk bestaat, noemt van Hall „opmerkenswaardig”. Leeuwenhoek vestigt de aandacht op het nut van deze meelachtige stof tot voeding der kiemende plant en leert ons, hoe die stof niet aanwezig is in vele andere zaden, waarin dan de geheele holte van het zaad door de kiem zelve wordt aangevuld.
Verder heeft Leeuwenhoek het een en ander opgeteekend over de ontkieming der planten en heeft het eerst de kieming van het fijne pluizige zaad der wilgen, in 36 uren tijds, beschreven en afgebeeld186enz. enz.
Uit deze opgaven ziet men, dat Leeuwenhoek niet minder dan in het dierenrijk, ook in het plantenrijk hoogst belangrijke ontdekkingen en onderzoekingen heeft bewerkstelligd, die recht geven hem ook in dezen tak der natuurwetenschap onder de beste onderzoekers te tellen.
De getuigenis die G. R. Treviranus187van Leeuwenhoek geeft: „dat hij, niettegenstaande de mindere volkomenheid zijner werktuigen, toch vele zaken beter dan latere waarnemers met veel sterker vergrootende microscopen, gezien heeft,” is wel verdient, en Kieser zegt188van de vier voornaamste grondleggers van de ontleding der planten het volgende:[101]
„Hooke geeftslechtsenkele, doch bruikbare microscopische afbeeldingen, Grew is het bevalligste, Malpighi het uitvoerigste, maar Leeuwenhoek het getrouwste. Malpighi en Grew hebben zich dikwijls door vooraf opgevatte meeningen laten wegslepen, doch hunne werken zijn systematisch. Leeuwenhoek geeft slechts alleen staande, doch rijke en tot nu toe vaak miskende bijdragen tot de hoogere planten-anatomie.” En het mag dan ook eene welverdiende hulde genoemd worden aan den onvermoeiden natuuronderzoeker, dat de beroemde Engelsche plantkundige R. Brown een nieuw planten-geslacht uit Nieuw-Holland ter zijner eere naar zijn naam, Leeuwenhoekia, genoemd heeft.„In memoriam,” zegt hij, „Antonii van Leeuwenhoek, micrographi celeberrimi, in cujus operibus plures et perpulchrae observationes de plantarum structura exstant”189.
Het is niet doenlijk al den arbeid door Leeuwenhoek behalve het reeds opgenoemde verricht, in al de bijzonderheden te vermelden; wij zouden anders nog stil moeten staan bij de ontdekking der „aalachtige diertjes” in den azijn, de bacteriën in het vuil en slijm der tanden, de kristalvorm die hij van een groot aantal verschillende zouten beschreef, de pissteenen en mineralen die hij analyseerde, de koraalgewassen die hij onderzocht; in een woord, schier geen voorwerp was er dat zijn aandacht ontsnapte en waaraan hij niet zijne krachten beproefde, ten einde zijn weetlust te voldoen en den waren aard, de eigenschappen en samenstelling er van te leeren kennen.
Die lust tot werken bleef hem onafgebroken gedurende zijn geheele leven bij, en verflauwde niet bij het klimmen zijner jaren en „zelfs nog 36 uren vóór zijn dood, toen hij bijna 91 jaren oud was, en zijn leden al begonnen te verkleumen (zoo verhaalt ons Boitet, „Beschrijving van Delft, pag. 768”), gloeide het vuur van yver noch soodanig, dat hy met zyn byna versteve en stamelende lippen zyn gedachten noch op het papier liet stellen, over eene soort van zant, ’t geen hem door zeker aanzienlyk Heer en Bewinthebber der Oost-Indische Compagnie[102]behandigt wiert, om te zien of ’er ook eenig gout onder verborgen was”190.
Zeer veel van de belangrijkste voorwerpen, welke Leeuwenhoek gedurende zijn lang leven onderzocht, bewaarde hij, ieder met het daarbij behoorend microscoop-stelletje, ten einde die van tijd tot tijd aan eene nadere beschouwing te kunnen onderwerpen, of ze aan zijne vrienden of belangstellenden, die hem van heinde en ver kwamen bezoeken, te vertoonen. Volgens den Hoogleeraar Harting191was Leeuwenhoek de eerste, die gezegd kan worden eene verzameling van microscopisch anatomische praeparaten te hebben aangelegd. En dat hij in de vervaardiging daarvan bijzonder uitmuntte, blijkt zoowel uit de door hem zelven gegeven beschrijvingen als uit de getuigenis zijner tijdgenooten, die in de gelegenheid waren zijne praeparaten te zien. Folkes, een tijdgenoot en president der „Royal Society” te Londen, deelt daaromtrent het volgende mede192:
„Bovendien moeten wij niet vergeten, dat hij door eene bijzondere bekwaamheid uitmuntte in het praepareeren zijner voorwerpen, ten einde die op degeschiktstewijze door het microscoop te beschouwen en ik ben overtuigd, dat iedereen dit met mij eens zal zijn, die eenige van deze voorwerpen zelf zal willen onderzoeken, zoo als die nog goed geconserveerd door zijne lenzen te zien zijn. Wat mij aangaat, zoo heb ik zoo veel moeilijkheid ondervonden in deze toebereiding der voorwerpen, dat er bij voorbeeld een zeer groot verschil bestond in het voorkomen van een en hetzelfde voorwerp, en dat, zoo als het door Mr.[103]Leeuwenhoek gepraepareerd was, toen het door mij zelf werd onderzocht. Ik heb nu deze opmerking gemaakt, opdat men zich wel wachten zou voorbarig een der observaties van dezen Heer te veroordeelen, wanneer het niet gelukt die door zijn eigen glazen te verifieeren. Wij voor ons zijn in dit opzicht in veel ongunstiger voorwaarden geplaatst, doordien Leeuwenhoek veel meer ondervinding heeft dan wij, en hij zelf heeft ons gewaarschuwd, dat zelfs zij, die het meest geoefend zijn in het gebruik van zijne lenzen, zich nog kunnen bedriegen, indien zij hun oordeel gronden op hetgeen zich aan hun oog voordoet, voordat zij zich door herhaalde proefnemingen er van verzekerd hebben. Maar wij hebben zulk een groot aantal zijner verrassendste ontdekkingen gezien, die door de meest oordeelkundige waarnemers zijn bevestigd geworden, dat wij zeker geen de minste reden hebben zijn getrouwheid te wantrouwen in al de andere waarnemingen, die niet zoo herhaaldelijk en met zulk een groote zorg zijn onderzocht geworden als deze.”
Dat Leeuwenhoek zijne praeparaten een aantal jaren in goed geconserveerden staat wist te bewaren, kan ook blijken uit zijn eigen bewoordingen in een brief, d.d. 17 November 1716, aan Leibnitz geschreven193. „Ik hebbe sedert eenige weynige weeken aan twee Heeren Professoren van grooten naam de doode (zaad) diertjes, soo als ik deselve wel twaalf jaren geleden op een seer dun glaasje hadde geplaatst, laten sien, waaraan men seer bescheydelyk het lighaam en de staart konde bekennen.”
Men kan aannemen, dat de praeparaten die door Leeuwenhoek bewaard werden geen andere bewerking ondergaan hebben, dan dat zij gedroogd werden; eene handelwijze, zoo als de Hoogleeraar Harting zegt, die tot voor korten tijd schier de eenige was, die men tot dit oogmerk bezigde.
De verzameling microscopische praeparaten, die Leeuwenhoek heeft nagelaten en die met de daarbij behoorende microscoopstellen voorkomen in den Catalogus der verkooping, die daarvan na zijn dood te Delft gehouden werd (zie bl. 38), bestond uit de volgende voorwerpen:[104]
DIERLIJKE VOORWERPEN.
PLANTAARDIGE VOORWERPEN.
MINERALE VOORWERPEN.
Het volgende moge tot bewijs strekken dat Leeuwenhoek niet enkel door zijne microscopische waarnemingen uitmuntte, maar ook op ander gebied met goed gevolg de natuurwetenschappen beoefende:
Hij verhaalt in een brief aan den Heer Nicolaas Witsen, Burgemeester van Amsterdam, d.d. 10 Juli 1696, hoe hij eenige jaren geleden met den Heer Christiaan Huygens over de dagelijksche omwenteling der aarde sprekende, hem een door hem uitgevonden toestel, voor eene aanschouwelijke verklaring van deze beweging liet zien, welke geleerde daarin zoo veel genoegen had, dat hij Leeuwenhoek verzocht ook voor hem zulk een toestel te maken. Het bestond in eene flesch of glazen bol met korten wijden hals, welke hij met water vulde en er eenige stukjes fijngeslagen rood lak in deed; daarna hing hij er een looden kogel in, waarin een klein gaatje geboord was, waardoor een[106]touwtje was gestoken waaraan de kogel hing. Hij sloot vervolgens de glazen bol met eene kurk, welke eveneens met eene opening voorzien was waardoor het touwtje ging. Hij liet nu de kogel door middel van dit in de kurk gestoken touw zoo ver in den bol zakken, dat deze maar even van den bodem van het glas verwijderd was, waarna hij den bol omgaf met een netsgewijs gevlochten touw of lint, welks einden zoo lang waren, dat deze een voet boven den hals van den glazen bol uitkwamen; deze einden nam hij te samen en draaide ze, terwijl de bol op een kussen op de tafel stond, vele malen met de vingers, even als een koord, om.
Nu lichte hij den geheelen aldus ingerichten toestel aan deze ineengedraaide uiteinden even van het kussen op, waardoor dus de bol in eene snelle ronddraaiende beweging geraakte. De loden kogel nu in de glazen bol stelde den aardbol voor, het water in den bol de waterachtige lucht waarin wij leven, en de stukjes lak de wolken. Wanneer nu de bol in de beschreven ronddraaiende beweging was, bleef de kogel alleen, ofschoon langzaam ronddraaiende, als stil hangen, terwijl de lakdeeltjes, die, toen de bol nog in rust was, zich om den kogel gelegerd hadden, in het omdraaien zich tegen de wanden van den bol plaatsten en zich dus zoo ver van den kogel verwijderden, als de holte van den bol zulks toeliet. Plaatste hij nu het toestel weder op het kussen, zoo zag hij, dat de lakdeeltjes verward op den kogel nedervielen. Nu gaf hij aan dit experiment de volgende verklaring: dat, gelijk door de beweging van het glas de lakdeeltjes van den kogel werden weggestooten, hij zich voorstelde, dat de wolken door de dagelijksche omwenteling ofdraaiingvan den aardbol in de lucht werden opgehouden, en dat, even als met het stil houden van het glas al de lakdeeltjes zich rondom den kogel plaatsen en deze bedekken, hij zich voorstelde dat het toe zou gaan, wanneer de aardbol stil stond en het heelal om de aarde werd bewogen, namelijk; dat al de wolken en ook de waterdeelen en andere zware stoffen, waarin wij leven, niet in de lucht zouden kunnen blijven zweven, maar nederstorten op den aardbol. Verder toonde hij aan, door de kurk met het touwtje, waaraan de kogel in den bol hing, uit den[107]hals op te trekken, doch zoo, dat hij hettouwtjemet den kogel zoo laag liet zakken, dat deze nabij den bodem van den glazen bol aan kwam leggen, en hij dan dezen kogel door zachtjes aan het touw, waaraan hij hing te draaien, in eene rondgaande beweging bracht, dat de lakdeeltjes van den kogel werden afgestooten, waaruit hij de beweging van de aarde om haren as aanschouwelijk voorstelde en waardoor eveneens de vochtige dampen werden weggestooten.
Deze aanschouwelijke voorstelling van de ronddraaiende beweging der aarde schijnt aan Huygens stof tot nadenken te hebben gegeven, hij beschrijft eene verbeterde inrichting van den glazen bol, door die te vervangen door een cilindrisch vat, en wel in een brief aan Leeuwenhoek, van 6 Maart 1690, waarvan zich het manuscript in de bibliotheek der Leidsche Hoogeschool bevindt.
Het was geen wonder dat landgenoot en vreemdeling begeerte gevoelden een man persoonlijk te leeren kennen van wien zoo grooten naam uitging, wiens waarnemingen algemeen eene buitengewone belangstelling hadden opgewekt en wiens ontdekkingen op de gewichtigste vraagstukken der physiologie van menschen, dieren en planten betrekking hadden.
Het ontbrak dan ook niet aan een tal van personen, die hem gingen opzoeken; velen voorzeker werden alleen gedreven door de begeerte om hunne nieuwsgierigheid te bevredigen en het wonderbare, waarvan het gerucht tot hen gekomen was, met eigen oogen te aanschouwen, maar ook niet weinigen, die door edeler drijfveeren werden aangespoord en vooral zijne microscopen wenschten te zien waarmede hij zulke ontdekkingen deed, ten einde zoo mogelijk het geheim zijner bewerking van hem te leeren. Voorts kwamen zij om hunne bewondering over zijne waarnemingen te betuigen, wetenschappelijke quaesties, die hij ter sprake gebracht had, te overwegen en hulde te brengen aan zijn onvermoeide vlijt en volhardenden ijver. Herhaalde malen kwamen hem dan ook leden der beroemde Royal Society bezoeken en brachten hem de groeten over van de grootste Engelsche geleerden, zoo als Robert Hooke, François Aston, Christopher[108]Wren, Hans Sloane, Nehemiah Grew, Richard Waller, Thomas Gale enz. enz., die hem dikwijls, als bewijs hunner belangstelling, afdrukken der „Philosophical Transactions” toezonden, waarin zijne ontdekkingen waren opgenomen en andere wetenschappelijke onderwerpen, die daarmede in verband stonden, werden behandeld.
Beroemde landgenooten, zoo alsConstantijnen Christiaan Huygens, Reinier de Graaf, Swammerdam, Heinsius, Boerhaave,Ruysch, enz. bezochten hem herhaaldelijk en bespraken met hem de onderwerpen, die hunne belangstelling hadden opgewekt. Genees- en Heelmeesters kwamen niet zelden zijn gevoelen vragen over onderwerpen van geneeskundigen aard, terwijl zijn briefwisseling met de meesten hunner, alsmede met Leibnitz, Cink, Narrez, Rega, Gerard van Loon, Poot, Rabus en anderen, de stof leverden voor de belangrijke verzameling, die onder den naam van „de brieven van Leeuwenhoek” niet minder dan een 190tal bedragen, behalve nog een aanzienlijk aantal aan bijzondere personen, die niet in zijne verzameling gevonden worden en het meer dan honderdtal, waarvan ik boven melding maakte als na zijn dood ter verkoop aangeboden, en waarvan er zeker hier en daar in bijzondere verzamelingen nog zullen te vinden zijn.
Onder de geleerde vreemdelingen, die niet verzuimden bij het bezoeken van ons land ook een uitstap naar Delft te doen, ten einde den beroemden Leeuwenhoek te zien en het een en ander merkwaardigs van hem te beschouwen, behoort ook een geleerde Duitscher Zacharias Conrad von Uffenbach. Deze verhaalt, in zijn in 1754 in het licht gegeven „Merkwürdige Reisen durch Nieder-Sachsen, Holland und Engelland 3er Th.”, dat hij met zijn broeder op den 4den December 1710 een bezoek bracht „bij den beroemden „Observatore microscopicoLeeuwenhoek”,”doch dat hij daartoe eene bijzondereaanbevelingnoodig had194, daar Leeuwenhoek, die toen reeds 78 à 79 jaren oud was, den toegang tot hem niet meer zoo gereedelijk toestond, dewijl hij gedurig door allerhande nieuwsgierige bezoekers[109]bleek lastig gevallen te zijn; zoo als blijkt uit het verzoek dat zoowel Leeuwenhoek, als zijne dochter Maria, aan de reizigers bij hun vertrek op het hart drukten, om aan niemand te zeggen dat zij bij haar vader waren toegelaten geworden. „Als wir gehen wolten” verhaalt Uffenbach „bate sowohl der wunderliche Mann, als auch seine Tochter instäntlich, dasz wir doch niemand sagen solten, dasz wir bey ihne gewesen und etwas gesehe; denn es seye alt, und des vieles Ueberlaufens, sonderlich von Leuten, die keine rechte Liefhaber seyen, ganz mühe.”
Uffenbach en zijn broeder werden bij dit bezoek door de dochter van Leeuwenhoek vriendelijk ontvangen en vooraf in eene zijkamer gelaten, waar zij hun verhaalde „dat haar vader sedert eenige jaren veel nieuwe zaken met zijne microscopen ontdekt had, doch dat hij bij zijn leven niets meer van zijne waarnemingen wilde uitgeven, dewijl men hem in geschriften smadelijk bejegend om zijne meeningen over sommige onderwerpen bespot had en hem beschuldigde dat hij meer door zijne verbeelding dan door zijne glazen had gezien.”
De geleerde reizigers werden door Leeuwenhoek „gar höflich” ontvangen. Het eerste dat hij hun zeer duidelijk en schoon liet zien, was de omloop van het bloed in den staart van eene kleine bot. Verder vertoonde Leeuwenhoek in eene mossel de ontwikkeling der jongen, ook sneed hij een darm der mossel open en toonde door zijn microscoop eene groote hoeveelheid zand aan, dat de mossels met het slijm, waarin zij leven tot zich nemen. Hij meende daarbij dat dit zand diende tot vorming der schalen voor de jongen, even als de hoenders behoefte hebben aan zand en kalk voor de vorming der eierschaal.
Voorts toonde Leeuwenhoek in een haarbuisje meer dan dertig uiterst kleine jonge oesters inspiritus vinibewaard, welke zeer duidelijk te onderkennen waren.
Op hun vraag, hoe hij deze kleine oesters in zulke haarbuisjes had gekregen, antwoordde hij, dat hij den darm eener oester opensneed en met een pennemes een weinig van de daarin vervatte materie nam, hetwelk hij dan op den nagel van zijn duim afstreek, waarop hij vervolgens een droppel brandewijn goot en het haarbuisje in dit mengsel stak, waardoor het vocht[110]dan van zelf door het capillair vermogen werd opgezogen, en daarmede ook de jonge oesters in het buisje kwamen.
Behalve nog andere merkwaardige zaken vertoonde Leeuwenhoek een zandkorreltje, dat even als het schoonste kristal met facetten voorzien was.
Verder vertoonde hij nog de schub van eene visch en liet hen de verschillende laminae zien, waaruit zij bestond die allen over elkander lagen.
Ook wilde Leeuwenhoek hen toonen, dat de mensch, zoo als hij meende, ook schubben zou bezitten en schraapte met een pennemes langs zijn arm, van welk afschraapsel hij een weinig op een glaasje bracht. Nog vertoonde hij het oog eener vlieg, bestaande uit talrijke zeszijdige halve bolletjes, „welchen Herr Leeuwenhoek vor lauter Augen hielte, und also dieVliegenzu mehr als Argus machte.” Ook liet hij de vleugel eener vlieg met hare talrijke vertakkingen van zenuwen en aderen zien; alsmede de angel eener mug. Deze vertoonde zich door zijn microscoop wel twee duimen lang te zijn; en eindelijk liet hijhenzijn cabinet zien, waarin hij, zegt Uffenbach, wel een driehonderdtal van de genoemde microscopen, met voorwerpen voorzien, bewaarde.
Betreffende het gesprek dat de gebroeders vervolgens met Leeuwenhoek hielden over de wijze waarop hij zijne glazen sleep, en of hij er geene uit gesmolten glasbolletjes vervaardigde, en over andere bijzonderheden, de vervaardiging zijner microscopen betreffende, heb ik reeds het noodige op blz. 25 vermeld.
De gebroeders Uffenbach maakten het echter met al hun vragen en uithooren onzen Leeuwenhoek vrij lastig, daar zij zeer goed bemerkten, dat hij op zijn hoede was, om zich niet meer dan hij dienstig oordeelde over enkele bijzonderheden uit te laten. „Doch lockten wir ihm” zoo verhaalt Uffenbach met zekere genoegdoening over zijn listig uithooren, „durch allerhande Frage eines und des andere aus.”
Onze reizigers verlieten hem zeer voldaan en verheugd, dat zij zoo veel merkwaardigs bij dezen „wunderlichen Alten,” gezien hadden.
Onder de vorstelijke personen, die van den beroemden micrograaph[111]gehoord hadden en hem in Delft opzochten, vinden wij het bezoek aangeteekend van Anton Ulrich, Hertog van Brunswijk; Karel II en George I, koningen van Engeland; de Landgraaf van Hessen Cassel; Augustus koning van Polen; Frederik I, koning van Pruissen; de Keurvorst van den Palts en zijn zoon en broeder; Prins Lichtensteyn, die hem namens Karel III, koning van Spanje kwam uitnoodigen om met zijne microscopen in den Haag te komen, ten einde hem die te laten zien; Anna Maria, koningin van Engeland, en eindelijk Czaar Peter I van Rusland.
Omtrent het bezoek van deze twee laatstgenoemde vorstelijke personen vond ik de volgende bijzonderheden:
Toen in het jaar 1691 of 1692 de koningin van Engeland ons land bezocht, begaf zij zich ook naar Delft om den beroemden Leeuwenhoek te zien en zijne microscopische merkwaardigheden te beschouwen, doch vond hem niet in de stad. Geen wonder dat Leeuwenhoek, toen hij bij zijne terugkomst vernam, welk een hooge personage hem bezocht had en welk eene groote onderscheiding hem daardoor beschoren was geweest, zich over die teleurstelling zeer beklaagde. Hij wenschte echter zijne erkentelijkheid voor dit bezoek op eene wijze te betoonen, die hem toedacht de Hooggeplaatste bezoekster het meest welgevallig te zijn en droeg in eene sierlijke voorrede een gedeelte, namelijk, het derde vervolg zijner brieven, die hij voor de pers had gereed gemaakt, aan haar op.
Gelukkiger was hij echter eenige jaren later bij gelegenheid van een bezoek hier te lande van Czaar Peter I, in 1697–1698.
Mr. Gerard van Loon195beschrijft dit bezoek aan Leeuwenhoek op de volgende wijze:
„Zijn (Czaar Peter I) vertrek uit ’s Gravenhage geschiedde met een binnenjagt over Delft, alwaar hij de deftige wapenhuizen der Staten van Holland met zeer veel oplettendheid bezigtigde en het jacht voor het kruithuis der Algemeene Staten, nabij Delft, deed stil houden, en door twee Heeren zijns gevolgs[112]den vermaarden Antoni van Leeuwenhoek deed verzoeken van zich in een der volgende vrachtschepen met zijn weergalooze vergrootglazen bij hem te vervoegen, dewijl hij zelf bij het doorvaren aan zijn huis wel zou gekomen zijn, bijaldien hij dit om den toevloed der menigte te ontvlieden met verdagt niet had achtergelaten. Hij vervoegde zich derwaarts en had de eer van onder andere zeldzame ontdekkingen den wonderlijken omloop des bloeds in een aale-staart, door middel zijner zonderlinge vergrootglazen tot zoo groot genoegen des Vorsts te doen beschouwen, dat zoo in deze als in andere bespiegelingen bij de twee uren werd gesleten en de Czaar vóór zijn vertrek den gemelden Leeuwenhoek, wegens te laten zien van zoo overkleyne voorwerpen bij handtasting ook van zijne zonderlinge dankbaarheid verzekerde.”
Het is inderdaad niet te verwonderen, dat bij het ondervinden van zoo veel onderscheiding en belangstelling in zijn persoon en werkzaamheden, het hart van den eenvoudigen Kamerbewaarder van H.H. Schepenen van Delft zich wel eens een weinig zal verheven hebben, of dat eenig gevoel van trots hem bezielde. De uitingen van bewondering van hetgeen men bij hem zag, vervulden dan ook zijn hart met groote vreugde.
„Ik heb” zoo schreef hij aan den Secretaris der „Royal Society”, toen hij, nu de bekendmaking van zijne ontdekking der bloed lichaampjes en zijne waarnemingen van den bloedsomloop daarover een zeer vleienden brief ontvangen had,„met een levendig genoegen gezien, dat mijne microscopische waarnemingen niet onaangenaam zijn geweest aan u, noch aan uwe vrienden de philosophen en dit heeft mij krachtig aangespoord om mijne nasporingen voort te zetten;” of waar hij, van wege de „Royal Society” een brief ontving196waarin de Secretaris Richard Waller hem schrijft: „Wij hebben de uwe van enz.… ontvangen en in eene vergadering van de R. S. vertoont, alwaar ze gelesen wierden tot genoegen van alle de tegenwoordige leden; en daar werd bevolen, dat men U.E. bedanken soude over U.E. vriendelijke communicatiën, U.E. alle voorspoet[113]die U.E. selfs begeeren kunt toewenschende en u ook aanmoedigende om voort te varen en nieuwe ontdekkingen van dees selve natuere te maken, nademaal niemant beter versien is met gereetschap, of beter gebruyk daarvan in microscopische observatien heeft gemaakt, als U.E. zelfs.”
Behalve de belangstelling, die Leeuwenhoek door de vereerende bezoeken die hij ontving, mocht ondervinden, werden zijne verdiensten op vele andere wijzen erkend en werd hij door vele aanzienlijken met groote hartelijkheid en onderscheiding bejegend. Zoo bleek de hartelijke wijze, waarop hij in het huisgezin van een der aanzienlijkste landgenooten steeds ontvangen werd, uit de opdracht van het vijfde vervolg zijner brieven aan den Heer Frederik Adriaan, Baron van Reede, Heer van Renswoude enz. enz.
Verschillende dichters, waaronder ook Arnold Hoogvliet en de beroemde Poot, voelden zich geïnspireerd om de brieven, die door den toen reeds 86jarigen grijsaard geschreven waren en onder den naam van „Sendbrieven” het 5de deel van de brieven van Leeuwenhoek uitmaken, in te leiden.
In den aanhef schildert de dichter Hoogvliet, hoe de bloemen, het gras en de klaver, die in de Mei-maand hun geuren verspreiden, in het najaar en in den winter verdwenen zijn, en alles gestorven is; wijst op een wonder, namelijk een hof, die altijd bloeit en waarin bloemen en vruchten te garen zijn, die de groote Leeuwenhoek in den winter van zijn leven geplant heeft en zelfs deed rijpen: En nu vervolgt hij: