Chapter 9

1„Revue des deux mondes” 15juillet, 1868 pag. 379.↑2N. G. van Kampen, „Beknopte geschiedenis der Letteren en Wetenschappen in de Nederlanden”, 2de deel, blz. 58.↑320ste Sendbrief van 13 Maart 1716, blz. 189.↑4De naam van Leeuwenhoek wordt verschillend geschreven. Uit een achttal eigenhandig door hem geschreven brieven aan Constantijn en Christiaan Huygens, en aan N. Oldenburg, Secretaris der „Royal Society” te Londen, van de jaren 1674, 1676, 1677 en 1679, berustende in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool, waarvan ik door de zorg van Dr. du Rieu, „conservator der manuscripten” bij genoemde Bibliotheek, nauwkeurige afschriften bekomen heb, alsmede uit een eigenhandigen brief van Leeuwenhoek aan den Heer L. van Velthuysen, van het jaar 1679, in het bezit van wijlen den Wel-Ed. Geb. Heer Van Dam van Noordeloos te Rotterdam, van welke ik zelf een afschrift mocht nemen, teekent hij zich Antoni (lange i) Leeuwenhoe(c)k, terwijl een andere brief van hem, in het jaar 1701 aan „Burgemeesteren en Regeerders der stad Delft” geschreven, betrekking hebbende op zeker verschil in de steenkolenmaten te Delft en te Rotterdam, welke brief berust in het Archief van Delft, en waarvan mij door den Heer Mr. Soutendam, Secretaris en oud-Archivaris van Delft, welwillend afschrift verleend werd, de onderteekening draagt van Antoni, (lange i) van Leeuwenhoek (zonder c), terwijl in zijne gedrukte brieven decvóór dekaan het einde van zijn naam nu eens gebezigd, dan weggelaten is. Ook moet nog opgemerkt worden, dat hij steeds een langeibezigde bij het „schrijven” van zijn voornaam Antoni, waardoor deze dan ook in zijn gedrukte brieven met eenywordt gespeld. Overigens was het schrijven van decvóór dek, in vroegeren tijd, algemeen en komt in „ick, melck, dick, volmaecktenz.” steeds voor in zijne brieven, terwijl men in het schrijven van den naam in oude tijden geenszins de juistheid en gelijkheid van spelling, of het gebruiken of weglaten van het voorzetsel „van” in acht nam, zoo als in onzen tijd, waar dit verzuim in rechten de belangrijkste gevolgen kan hebben. Voegt men nu hierbij dat Leeuwenhoek’s dochter, die na zijn dood een gedenknaald ter zijner eere in de Oude Kerk te Delft liet oprichten, daarop en op de zerk, die zijn graf dekte, zijn naam aldus liet stellen: „Antony van Leeuwenhoek,” dan acht ik mij hierdoor genoegzaam verantwoord zijn naam ook aldus te schrijven.↑5Margaretha Bel van den Bergh was de dochter van Jacob Sebastiaanzn.[7]Bel van den Bergh, van een oud en aanzienlijk Delftsch geslacht. Deze laatste was in 1608 lid der 40en van de Stedelijke Regeering, en in 1610 en 1612 Schepen van Delft, terwijl reeds in 1579 bij Boitet gewag gemaakt wordt van zijn vader Bastiaan Corneliszn., als lid der 40en, Kerkmeester, en andere waardigheden bekleedende.↑6In een oud familie-register in mijn bezit vindt men aangeteekend, dat zijn oudste zuster Margaretha, uit haar huwelijk met Jan du Molyn, vijf kinderen geboren werden, namelijk Philippus, Maria, Margaretha, Geertruida en Antony, waarvan Maria huwde met Cornelis Haaxman, terwijl Philippus en Geertruida ongehuwd overleden, Margaretha met Arnoldus van den Heuvel en Antony met .… Poelgeest huwde, welke laatste zich aan de geneeskunde wijdde. Van dezen Antony Molyn (of du Molyn), die zich tot voortzetting zijner studiën naar Parijs begaf, maakt Leeuwenhoek gewag in zijn brief aan Christiaan Huygens, d.d. 15 Mei 1679, aanwezig in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool en waarvan eene kopie in mijn bezit is.↑7Boitet, „Beschrijving der stad Delft, 1729, in fol., blz. 765.” Isaac van Haastert, „Antony van Leeuwenhoek vereerend herdacht, 1823, pag. 10” D. Hoogstraten, „Algemeen Woordenboek voor Kunsten en Wetenschappen 1729, blz. 138.”↑822ste Sendbrief, blz. 206.↑9Dat de brouwers veelal onder de aanzienlijke en rijke burgers gerekend werden, kan blijken uit hetgeen bij Boitet, bl. 646, gemeld wordt.„Yder weet ook, dat de brouwers in dese stad altijt boven andere koopluiden verheven wierden;mannen die doorgaans op het kussen der stad zaten.” En dat dit bedrijf goede winsten afwierp blijkt uit het volgend slot van een gedicht van Jacob van der Does:„Wat dunkt u leser? heeft dat volck niet wel gebrout?Dat ’t hare kassen sien voor mout gepropt met gout?”1035ste Brief, blz. 24.↑1128ste Brief, blz. 14. De in dezen brief uitvoerig uitgewerkte berekening is ook van zijn eigen hand aanwezig in de verzameling manuscripten van Leeuwenhoek in de Leidsche Bibliotheek (Cat. VIII. Huygens no. 30).↑124de Sendbrief, blz. 43. Brief aan den Heer Jan Meermans, Burgemeester van Delft.↑13Zie ook den 67sten Brief (2de vervolg) van 1 April 1689, blz. 335, waarin hij berekent, hoe snel het bloed in het lichaam moet loopen, eer het tot de uiterste deelen van de voeten en van daar weder naar het hart komt, en door welke kracht; waarbij hij onder anderen zegt: „Dese myne demonstratiën syn seer licht te verstaan, voor diegeene, die de begintselen van de waterwicht van Mr. Simon van Stevin, sal doorlesen hebben.”Dit blijkt ook nog uit zijn 111de Brief (zevende vervolg) van 9 Mei, 1698, blz. 46, waar hij, onder anderen, sprekende over het oog van den scharrebijter, in eene noot zegt: „Ik spreek hier tegen degeenen, die een weynig in de Gesigt-kunde geoefent syn” en verder: „Wij weten dus, wanneer wij eenig ligchaam voor een vergrootglas stellen, het nog verder, nog digter bij het vergrootglas moet staan, als het brantpunt van het vergrootglas is, en wat verder of te nader bij is, vertoonen de lighamen niet scharp, maar verwart,” enz.↑14Boitet, t. a. p., blz. 795 verhaalt, „dat hij, niet meer dan 16 jaren oud zijnde, als boekhouder en kassier aldaar ageerde; en alhoewel hij door de bezigheid van deze tweevoudige bediening werk genoeg had om dezelve in orde waar te nemen, wist zijne buitengewone naarstigheid gedurig noch[10]zooveel tijd tot de lakenwerkerij uit te koopen, dat hij binnen den tijd van zes weken als meester zijn proef deed, om zich in der tijd tot deze koophandel, waartoe hij zich echter nooit heeft afgezondert, te zetten.”↑15Nieuwenhuis’s „woordenboek van kunsten en wetenschappen enz. 1859 deel V Letter L”.↑16T. a. p., blz. 365.↑17Vergelijk daaromtrent (5de vervolg) de 85ste Brief, blz. 13; de 10de Sendbrief, blz. 96 enPhilos. Transact.Vol. XXXV, pag. 433.↑18Dat Leeuwenhoek inderdaad microscopen voor zijn eigen gebruik er op nahield die sterker vergrootten, dan die hij aan anderen liet zien, blijkt uit hetgeen hij zelf betuigt, in een brief aan Henry Oldenburg, Secretaris der „Royal Society” (no. 96, blz. 170). „Te meer doen ik zeyde, dat nog in datzelfde water, twee à drie soorten van veel kleynder dierkens waren,die voor syn oogen verborgen waren, en die ik door andere glasen en methoden,die ik alleen voor myn zelve houde, kome te sien;” terwijl ook de Hoogleeraar Harting mededeelt, dat op het physisch kabinet te Utrecht een microscoop aanwezig is van Leeuwenhoek, waarvan hij betuigt, dat de lens zeer goed is en bewijst, dat hij het in de kunst van zeer kleine lenzen te slijpen, inderdaad reeds op eene groote hoogte gebracht had. Deze lens, namelijk, was biconvex en vergrootte 270 maal, en alzoo „merkelijk meerder dan de sterkste lens van de microscopen, door Leeuwenhoek aan de „Royal Society” vermaakt, en waarvan de grootste vergrooting door Baker wordt opgegeven als te zijn 160 maal. (P. Harting, „Het microscoop, deszelfs gebruik, geschiedenis en tegenwoordigen toestand,” enz., 3de deel, 1850, blz. 44.↑19Birch, „the History of the Royal Society of London,” 1757, Vol. IV, pag. 365.↑20Het huis, waarin Leeuwenhoek gewoond heeft, is nog aanwezig en te vinden op den hoek der „Botersteeg en het Oude Delft,” wijk 4, no.455, doch het is aan de vóórzijde kennelijk gemoderniseerd, terwijl het aan den kant der Botersteeg en van achteren nog het aanzien van oudheid behouden[16]heeft. Aan de zijde der Botersteeg (Oud-Delft) vindt men nog als eene bijzonderheid aan het ijzeren hek, dat het vóórgedeelte afsluit, eenastrolabiumaangebracht.↑21Familie-register.↑22Ibidem en Boitet, t. a. p., blz. 765.↑23De familie Swalmius behoorde tot een aanzienlijk en deftig geslacht. Bij Boitet, t. a. p., blz. 440, komt in de naamlijst van Predikanten, die sedert de reformatie in Delft gestaan hebben, in het jaar 1617 Henricus Swalmius voor, terwijl in de 40ste Sendbrief, blz. 390, een brief voorkomt aan zijn neef Mr. Adriaan Swalmius, Advocaat voor den Hove van Holland.↑24Er bestaat van Leeuwenhoek een fraai „in olieverw geschilderd” portret, in het bezit van Dr. van Kaathoven, te Leiden. Deze schilderij stelt hem voor in de deftige kleedij van den aanzienlijken stand van dien tijd. Dr. van Kaathoven heeft mij de zeer gewaardeerde toestemming verleend, van deze schilderij eene afbeelding te laten maken, waardoor de waarde dezer uitgave belangrijk verhoogt wordt. Van deze schilderij zijn mij de volgende bijzonderheden door den geachten bezitter medegedeeld: Aan de rechter zijde(links van den toeschouwer) ziet men vóór hem op eene tafel het ontrolde diploma met het aanhangend zegel in rood zegellak (in doos) van het lidmaatschap der Koninklijke Sociëteit te Londen, en vóór zich heeft hij een blad papier waarop onduidelijke figuren zijn getrokken, terwijl hij in de rechter hand een passer houdt. Vóór den donkeren achtergrond is een hemelglobe aangebracht en men bespeurt op dien achtergrond een landschap, waarin men zonder andere voorwerpen, alléén de kronkelingen eener rivier ziet, waarmede waarschijnlijk die der Theems zijn voorgesteld. De naam van den schilder wordt echter niet op de schilderij aangetroffen. Dit geschilderd portret nu komt in gelaatstrekken, houding en kleeding, geheel en al overeen met een ander portret van Leeuwenhoek in zwarte kunst in fol. (eveneens in het bezit van Dr. van Kaathoven), doch hetgeen in het „geschilderd” portret links van den aanschouwer is, ziet men in de prent ter rechter zijde; de donkere achtergrond achter de hemelglobe, stelt op de prent duidelijker een gordijn voor. In de plaats van een passer in de hand staat er op de prent een microscoop van de eerste uitvinding van Leeuwenhoek op de tafel, in plaats van het diploma enz., een eikenblad met galnoten en het vergrootglas, terwijl hij ook, evenals op de[18]schilderij, vóór zich een blad papier heeft, waarop dezelfde, maar nog onduidelijker figuren dan op de schilderij zijn getrokken. Verder ziet men op de prent op den donkeren achtergrond niet het landschap met de kronkelingen der rivier. Onder dit portret in „zwarte kunst” leest men: J. Verkolje pinx., fec. et exc. 1685.Nu is de vraag of dit „geschilderd” portret het „echte” door Verkolje geschilderde is, dat later, hetzij door hem zelven, hetzij door een andere hand in sommige attributen enz.is veranderd? of dat er een ander „geschilderd” portret van Leeuwenhoek bestaat waaronder, even als onder dat van zw. kunst den naam van Verkolje gelezen wordt?(Johannes Verkolje, geb. te Amsterdam 1650, was sedert1672te Delft woonachtig en wordt onder de vermaarde schilders gerekend. Hij overleed te Delft in 1693.) (Zie over zijn leven en schilderijen onder anderen Houbraken, III, blz. 282), doch noch bij dezen schrijver, noch in andere levensbeschrijvingen van Nederlandsche schilders, vond Dr. van Kaathoven onder de werken van J. Verkolje van een ander dan van de prent inzwarte kunstgewag gemaakt.Behalve deze beide beschreven portretten van Leeuwenhoek zijn er nog een zestal andere drukken in het bezit van denzelfden verzamelaar, die onderling eenigermate verschillen, als:„Antonius a Leeuwenhoek, J. Verkolje pinx., A. de Blois fec.” 4o.„Idem, J. Verkolje pinx., A. de Blois fec.”, 4o.„Antoni van Leeuwenhoek, geboren te Delft, Ao. 1632.”„J.Verkoljepinx., Zw. k.” fol.„Antonius a Leeuwenhoek, J. C. Phillips inv. et fec.,” 1747, 8o.„Idem (Antoni). Idem fecit.” 1740, fol.„Antonius Leeuwenhoekius,” J. Gourée sculpt. med.Eindelijk bezit Dr. van Kaathoven nog een op Delftsch aardewerk vervaardigd portret van Leeuwenhoek, dat van boven met een oor voorzien is, bestemd om opgehangen te worden, waarop weder andere attributen dan op de schilderij zijn aangebracht; uit dit portret is Leeuwenhoek bijna niet te herkennen.Ik zelf bezit drie borden van fijn echt Delftsch aardewerk of porcelein, op één waarvan het portret van Leeuwenhoek, dat volkomen in gelaatstrekken en kleeding met het boven beschrevene overeenkomt; links van[19]den aanschouwer ziet men den toren der Oude Kerk te Delft, rechts eene draperie en onderaan „Antoni van Leeuwenhoek, Lit van de Koninglijke Societeyt in Londen, geboren tot Delft 1632”, op een goud veld in zwarte letters gebakken, het geheel met een zware, met kleuren en goud versierden rand omgeven.Het tweede bord stelt voor de „grafnaald,” zooals die zich in de oude Kerk te Delft bevindt, met de buste van Leeuwenhoek en daaronder „P. M: Antoni a Leeuwen. Reg. Anglo. Societ.” omgeven door een zware gouden rand met gekleurde slingers. Op dezen rand leest men in zwarte letters: „Grafnaald van den heer Antoni van Leeuwenhoek in de Oude Kerk te Delft, geboren den 21sten October 1632, overleden den 26sten Augustus 1723.”Op het derde bord is het „familie-wapen” van Leeuwenhoek gebakken, voorstellende een leeuw op een goud veld in schoone kleuren, en boven dien ben ik nog in het bezit van een theeschoteltje, van zeer fijn dun Delftsch porcelein, eveneens met het „familie-wapen” in goud en kleuren, maar in plaats van de kroon, een helm met vederen gedekt door een kroon. Onderaan leest men op een gouden band in zwarte letter „Maria Leeuwenhoek”. De borden zijn op de tentoonstelling van Nederlandsche oudheden, in het jaar 1863 te Delft gehouden, geweest, terwijl zij eveneens, bij gelegenheid der feestelijke herdenking van de ontdekking der microscopische wezens door van Leeuwenhoek, op den 8sten September 1875 te Delft tevieren, op eene tentoonstelling van het geen van Leeuwenhoek’s microscopen en andere bijzonderheden op hem betrekkelijk is kunnen bijeengebracht worden, zullen voorkomen.↑2534ste Brief bl. 11.↑26Zacharias Conrad von Uffenbach, „Merkwürdige Reisen durch Nieder-Sachsen, Holland und Engeland.” Ulm. 1754. 3Th.S. 349.↑2723ste Sendbrief, blz. 31.↑282de vervolg, 66ste brief, blz. 323.↑29Zevende vervolg, 116de Brief, blz. 97.↑305de Vervolg, 93ste Brief, blz. 127.↑31„Merkwürdige Reisen”. etc. t. a. p.↑32Reinier de Graaf te Schoonhoven geboren in het jaar 1641 vestigde zich na voleindigde studiën in zijn geboorteplaats en werd van daar naar Delft beroepen, alwaar hij zich als geneesheer vestigde. Hij schreef behalve zijn werk over het „Succus pancreaticus,” over de voortplanting van den mensch en over de vrouwelijke geslachtsdeelen, waarover zijn grooten strijd met Swammerdam ontstond, waarvan gezegd werd dat hij zoo gevoelig was, wegens de scherpe en onheusche critiek van Swammerdam,[26]dat hij tengevolge daarvan van verdriet stierf. Ook Leeuwenhoek maakt gewag van dezen vinnigen twist en de gevolgen er van. In een brief aan George Garden te Aberdeen van 19 Maart 1694 (2de vervolg 81ste Brief bl. 670)zegt hij:„Wat nu Swammerdam en Reinier de Graaf hare stellingen belangt: Ick hebbe die Heeren speciaal gekend en zij hebben verscheyde malen in myn huys geweest, en met vermaak beschout mijne ontdekkingen en twijfel ook niet, zoo die Heeren nu nog leefden, of zy souden schaamroot werden over hare ingebeelde verdigsels, daar zy tegen malkanderen als yder willende de eer hebben van de nieuwe ontdekking van voorttelinge, door het eyer-nest, door de hevige ontmoetinge, die zy met malkanderen met woorden voerden, de laatste niet alleen siek wierde, maar ook de dood daarop volgde, zoo mij doen ter tijd berigt wierd.”↑33Van dit werk is in 1866 eene Hoogduitsche uitgave in het licht verschenen onder den titel: „P. Harting, Das Mikroskop. Theorie, Gebrauch, Geschichte und gegenwärtiger Zustand der selben. Deutsche Originalausgabe, von Verfasser revidirt und Vervollständigt. Herausgegeben van Dr. Fr. Wilh. Theile. In drei Bänden.”↑34De hoogleeraar Harting zegt onder anderen in zijn bovenvermeld „het Mikroskoop” p. 26, dat de getuigenis van het recht van Hans en Zacharias Janssen op de uitvinding van het microscoop te vinden is in het boekje van Petrus Borellus: „De vero telescopii inventore, cum brevi omnium conspiculiorum historia.… accessit etiam centuria observationum microscopicarum. Hagae comitum 1633,” waarin een brief voorkomt aan den schrijver gericht door Willem Boreel, Middelburger van geboorte en toenmaals gezant bij het Hof van Frankrijk. Uit dezen brief blijkt, dat Boreel den in de buurt van het huis zijns vaders wonenden brillenslijper Hans en diens zoon Zacharias zeer goed gekend heeft, en dikwijls in hun winkel is geweest, en dat door hen, „lang vóór” 1610 microscopen zijn gemaakt, waarvan zij er een aan Prins Maurits gegeven hebben, en naderhand een ander aan den Aartshertog Albert van Oostenrijk, die dit werktuig aan Drebbel schonk, bij wien Boreel het zelf gezien heeft. Vandaar waarom sommigen Drebbel voor den uitvinder hielden, ofschoon het zeer waarschijnlijk is, dat deze eenmaal in het bezit van het microscoop van Hans en Zacharias Janssen zijnde, dit zal hebben nagemaakt.↑35„Het mikroskoop,” enz., Deel III blz. 21.↑3618de Sendbrief, blz. 169.↑37„Het mikroskoop,” enz., Deel III, blz. 34.↑38„Het mikroskoop,” t. a. p., blz. 37.↑39Robert Hooke, een beroemd Engelsch Philosooph en Geneeskundige, was geboren op het eiland Wight, in het jaar 1635 en overleed in 1702. Hij studeerde teOxfordin de medicijnen, werd in 1664 Hoogleeraar in de Wiskunde aan het „Gresham-College” te Londen. Hij muntte ook uit als werktuigkundige en was ten tijde van Leeuwenhoek een der Secretarissen der „Royal Society.”↑40Birch, t. a. p., pag. 393.↑41Nicolaas Hartsoeker was een beroemd Nederlandsch Natuurkundige en werd in 1656 te Gouda geboren. Zijn vader was Remonstrantsch predikant te Rotterdam. Hij was bestemd voor den geestelijken stand, doch wijdde zich, tegen den zin zijns vaders aan de Wis- en Natuurkundige Wetenschappen, zoodat hij, ten einde zijn vader niet zou ontdekken, dat hij des nachts studeerde, de dekens van zijn bed voor de vensters van zijn slaapvertrek spande. Hij betaalde zijn onderwijzer die hem ook optische glazen leerde slijpen, van zijn zakgeld. Het toeval bracht hem tot eene belangrijke ontdekking. Opgemerkt hebbende, dat het einde van een glazen draad, in de vlam eener kaars gehouden, eene bolvormige gedaante kreeg, en dit verschijnsel toepassende op de proeven, die hij Leeuwenhoek had zien doen, vervaardigde hij daarmede microscopen, die hij beweerde die vanLeeuwenhoekte evenaren. Deze was geen vriend van hem, omdat hij voorgaf de ontdekking der zaaddiertjes reeds vóór hem gedaan te hebben. Hoe Leeuwenhoek over hem dacht, blijkt uit een brief d.d. 9 December 1698 (113de Brief, blz. 63) aan Harm. van Zoelen, Oud-Burgemeester van Rotterdam. „Wat voor een persoon desen Hartsoeker is, weet ik niet, omdat er meer zijn, die den naam van Hartsoeker voeren, en ten mynen huyse zijn geweest, en onder anderen veel jaren geleden, een out bedaagt man, die men tot my seyde, dat een prediker van de Remonstrantsche gemeente te Rotterdam was, by sig hebbende een soon, die een jong student was, en welke toen van syn vader veelmaal wierde aangemaant, om nauwkeurig toe te sien, want ik saaken vertoonde, soo als den Prediker seyde, die noyt in de Werelt waren kundig geweest”.…„Dat de HeerHartsoekerde woorden voert, dat hy na syne kennisse, de eerste van allen is, die het saad der dieren met de vergrootglasen heeft beginnen te ondersoeken, komt my vreemt voor” enz. (Hierover later).[32]Hartsoeker hield zich van 1674–1677 te Leiden op, begaf zich daarna naar Parijs en hield zich daar bezig met het vervaardigen van teleskopen. In 1679 keerde hij naar Holland terug, doch ging weder naar Parijs, waar hij tot het jaar 1696 bleef. Hij vestigde zich daarna te Amsterdam, zich bezig houdende met astronomische waarnemingen, en ontving weldra eene uitnoodiging van Czaar Peter den Eerste, om hem als Hoogleeraar in de mathesis naar Petersburg te volgen, welk aanbod hij echter afsloeg. Later nam hij dergelijk beroep naar Dusseldorp aan, keerde later naar Holland terug en overleed te Utrecht in 1725.↑42„Philos. Transactions,” 1677, pag. 226.↑43„Harting’s Mikroskoop,” t. a. p. 3de Deel, blz. 53.↑44Uffenbach’s Reisen enz. t. a. p.↑45„Antoni van Leeuwenhoek, Vereerend herdacht” door Isaac van Haastert enz., 1823.↑46Henry Baker schreef een werk over „Het Nuttig gebruik van het Mikroskoop” en later een ander: „Het Mikroskoop gemakkelijk gemaakt;” beiden door Houttuyn vertaald in 1755 en 1770. Hij verhaalt in het eerstgenoemde werk blz. 453, dat deze 26 microscopen vervat waren in een[35]klein kistje, hetwelk Leeuwenhoek bij zijn overlijden aan de „Royal Society” had nagelaten en dat door Martin Folker aan de Sociëteit werd aangeboden. Men vindt daarvan de mededeeling in „Philos. Transact.” no. 380.Omtrent deze microscopen heb ik dezer dagen, door een mijner betrekkingen te Londen woonachtig, onderzoek laten doen bij den tegenwoordigen secretaris derRoyal SocietyDr. Walter White, die bekend bleek te zijn met de relatiën van dit college met Leeuwenhoek gedurende de jaren 1673–1718. Het was hem bekend dat Leeuwenhoek verschillende voorwerpen aan dat college had ten geschenke gegeven, doch er was daarvan niets meer aanwezig. Er wordt nu nog onderzocht of er soms microscopen van Leeuwenhoek bij het Kings College te vinden zijn, waarvan ik spoedig bericht verwacht, zoodat ik wellicht vóór het afdrukken dezer uitgave daar nog mededeeling van doen kan.↑477de Vervolg, 135ste brief, blz. 305.↑48„Philosophical Transactions” Vol XXXij, pag. 450.↑492de Vervolg, 66ste Brief blz. 308.↑50Deze beschrijving is gevolgd naar „Harting’s mikroskoop,” Deel III blz. 380.↑51Uffenbach geeft over Leeuwenhoek’s werkzaamheid zijn verwondering te kennen („Merkw. Reisen” t. a. p.) in deze bewoordingen: „Es ist zich übrigens nicht genug zu verwundern, über Hern Leeuwenhoek’s grossen Fleisz und Arbeitsamkeit, so woll in Observationen zu machen, als auch Gläser zu schliffen, und die Machienen zu denen Microscopiis zu machen.”↑522de Sendbrief, blz. 22.↑537de Vervolg, 116de Brief, blz. 96.↑54Birch t. a.p., Vol. III, pag. 338 en 346.↑55Birch t. a. p., pag. 346.↑56Birch t. a. p., blz. 349.↑57De eigenhandige brief van Leeuwenhoek aanConstantijnHuygens, waaraan ik deze bijzonderheden ontleend heb, en waarvan een afschrift in mijn bezit is, bevindt zich in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool.↑58„Beiträge zur Biologie der Pflanzen” 2e Heft S. 127.↑59Birch t. a. p., blz. 358.↑60Birch t.a. p., Deel IV pag. 104.↑

1„Revue des deux mondes” 15juillet, 1868 pag. 379.↑2N. G. van Kampen, „Beknopte geschiedenis der Letteren en Wetenschappen in de Nederlanden”, 2de deel, blz. 58.↑320ste Sendbrief van 13 Maart 1716, blz. 189.↑4De naam van Leeuwenhoek wordt verschillend geschreven. Uit een achttal eigenhandig door hem geschreven brieven aan Constantijn en Christiaan Huygens, en aan N. Oldenburg, Secretaris der „Royal Society” te Londen, van de jaren 1674, 1676, 1677 en 1679, berustende in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool, waarvan ik door de zorg van Dr. du Rieu, „conservator der manuscripten” bij genoemde Bibliotheek, nauwkeurige afschriften bekomen heb, alsmede uit een eigenhandigen brief van Leeuwenhoek aan den Heer L. van Velthuysen, van het jaar 1679, in het bezit van wijlen den Wel-Ed. Geb. Heer Van Dam van Noordeloos te Rotterdam, van welke ik zelf een afschrift mocht nemen, teekent hij zich Antoni (lange i) Leeuwenhoe(c)k, terwijl een andere brief van hem, in het jaar 1701 aan „Burgemeesteren en Regeerders der stad Delft” geschreven, betrekking hebbende op zeker verschil in de steenkolenmaten te Delft en te Rotterdam, welke brief berust in het Archief van Delft, en waarvan mij door den Heer Mr. Soutendam, Secretaris en oud-Archivaris van Delft, welwillend afschrift verleend werd, de onderteekening draagt van Antoni, (lange i) van Leeuwenhoek (zonder c), terwijl in zijne gedrukte brieven decvóór dekaan het einde van zijn naam nu eens gebezigd, dan weggelaten is. Ook moet nog opgemerkt worden, dat hij steeds een langeibezigde bij het „schrijven” van zijn voornaam Antoni, waardoor deze dan ook in zijn gedrukte brieven met eenywordt gespeld. Overigens was het schrijven van decvóór dek, in vroegeren tijd, algemeen en komt in „ick, melck, dick, volmaecktenz.” steeds voor in zijne brieven, terwijl men in het schrijven van den naam in oude tijden geenszins de juistheid en gelijkheid van spelling, of het gebruiken of weglaten van het voorzetsel „van” in acht nam, zoo als in onzen tijd, waar dit verzuim in rechten de belangrijkste gevolgen kan hebben. Voegt men nu hierbij dat Leeuwenhoek’s dochter, die na zijn dood een gedenknaald ter zijner eere in de Oude Kerk te Delft liet oprichten, daarop en op de zerk, die zijn graf dekte, zijn naam aldus liet stellen: „Antony van Leeuwenhoek,” dan acht ik mij hierdoor genoegzaam verantwoord zijn naam ook aldus te schrijven.↑5Margaretha Bel van den Bergh was de dochter van Jacob Sebastiaanzn.[7]Bel van den Bergh, van een oud en aanzienlijk Delftsch geslacht. Deze laatste was in 1608 lid der 40en van de Stedelijke Regeering, en in 1610 en 1612 Schepen van Delft, terwijl reeds in 1579 bij Boitet gewag gemaakt wordt van zijn vader Bastiaan Corneliszn., als lid der 40en, Kerkmeester, en andere waardigheden bekleedende.↑6In een oud familie-register in mijn bezit vindt men aangeteekend, dat zijn oudste zuster Margaretha, uit haar huwelijk met Jan du Molyn, vijf kinderen geboren werden, namelijk Philippus, Maria, Margaretha, Geertruida en Antony, waarvan Maria huwde met Cornelis Haaxman, terwijl Philippus en Geertruida ongehuwd overleden, Margaretha met Arnoldus van den Heuvel en Antony met .… Poelgeest huwde, welke laatste zich aan de geneeskunde wijdde. Van dezen Antony Molyn (of du Molyn), die zich tot voortzetting zijner studiën naar Parijs begaf, maakt Leeuwenhoek gewag in zijn brief aan Christiaan Huygens, d.d. 15 Mei 1679, aanwezig in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool en waarvan eene kopie in mijn bezit is.↑7Boitet, „Beschrijving der stad Delft, 1729, in fol., blz. 765.” Isaac van Haastert, „Antony van Leeuwenhoek vereerend herdacht, 1823, pag. 10” D. Hoogstraten, „Algemeen Woordenboek voor Kunsten en Wetenschappen 1729, blz. 138.”↑822ste Sendbrief, blz. 206.↑9Dat de brouwers veelal onder de aanzienlijke en rijke burgers gerekend werden, kan blijken uit hetgeen bij Boitet, bl. 646, gemeld wordt.„Yder weet ook, dat de brouwers in dese stad altijt boven andere koopluiden verheven wierden;mannen die doorgaans op het kussen der stad zaten.” En dat dit bedrijf goede winsten afwierp blijkt uit het volgend slot van een gedicht van Jacob van der Does:„Wat dunkt u leser? heeft dat volck niet wel gebrout?Dat ’t hare kassen sien voor mout gepropt met gout?”1035ste Brief, blz. 24.↑1128ste Brief, blz. 14. De in dezen brief uitvoerig uitgewerkte berekening is ook van zijn eigen hand aanwezig in de verzameling manuscripten van Leeuwenhoek in de Leidsche Bibliotheek (Cat. VIII. Huygens no. 30).↑124de Sendbrief, blz. 43. Brief aan den Heer Jan Meermans, Burgemeester van Delft.↑13Zie ook den 67sten Brief (2de vervolg) van 1 April 1689, blz. 335, waarin hij berekent, hoe snel het bloed in het lichaam moet loopen, eer het tot de uiterste deelen van de voeten en van daar weder naar het hart komt, en door welke kracht; waarbij hij onder anderen zegt: „Dese myne demonstratiën syn seer licht te verstaan, voor diegeene, die de begintselen van de waterwicht van Mr. Simon van Stevin, sal doorlesen hebben.”Dit blijkt ook nog uit zijn 111de Brief (zevende vervolg) van 9 Mei, 1698, blz. 46, waar hij, onder anderen, sprekende over het oog van den scharrebijter, in eene noot zegt: „Ik spreek hier tegen degeenen, die een weynig in de Gesigt-kunde geoefent syn” en verder: „Wij weten dus, wanneer wij eenig ligchaam voor een vergrootglas stellen, het nog verder, nog digter bij het vergrootglas moet staan, als het brantpunt van het vergrootglas is, en wat verder of te nader bij is, vertoonen de lighamen niet scharp, maar verwart,” enz.↑14Boitet, t. a. p., blz. 795 verhaalt, „dat hij, niet meer dan 16 jaren oud zijnde, als boekhouder en kassier aldaar ageerde; en alhoewel hij door de bezigheid van deze tweevoudige bediening werk genoeg had om dezelve in orde waar te nemen, wist zijne buitengewone naarstigheid gedurig noch[10]zooveel tijd tot de lakenwerkerij uit te koopen, dat hij binnen den tijd van zes weken als meester zijn proef deed, om zich in der tijd tot deze koophandel, waartoe hij zich echter nooit heeft afgezondert, te zetten.”↑15Nieuwenhuis’s „woordenboek van kunsten en wetenschappen enz. 1859 deel V Letter L”.↑16T. a. p., blz. 365.↑17Vergelijk daaromtrent (5de vervolg) de 85ste Brief, blz. 13; de 10de Sendbrief, blz. 96 enPhilos. Transact.Vol. XXXV, pag. 433.↑18Dat Leeuwenhoek inderdaad microscopen voor zijn eigen gebruik er op nahield die sterker vergrootten, dan die hij aan anderen liet zien, blijkt uit hetgeen hij zelf betuigt, in een brief aan Henry Oldenburg, Secretaris der „Royal Society” (no. 96, blz. 170). „Te meer doen ik zeyde, dat nog in datzelfde water, twee à drie soorten van veel kleynder dierkens waren,die voor syn oogen verborgen waren, en die ik door andere glasen en methoden,die ik alleen voor myn zelve houde, kome te sien;” terwijl ook de Hoogleeraar Harting mededeelt, dat op het physisch kabinet te Utrecht een microscoop aanwezig is van Leeuwenhoek, waarvan hij betuigt, dat de lens zeer goed is en bewijst, dat hij het in de kunst van zeer kleine lenzen te slijpen, inderdaad reeds op eene groote hoogte gebracht had. Deze lens, namelijk, was biconvex en vergrootte 270 maal, en alzoo „merkelijk meerder dan de sterkste lens van de microscopen, door Leeuwenhoek aan de „Royal Society” vermaakt, en waarvan de grootste vergrooting door Baker wordt opgegeven als te zijn 160 maal. (P. Harting, „Het microscoop, deszelfs gebruik, geschiedenis en tegenwoordigen toestand,” enz., 3de deel, 1850, blz. 44.↑19Birch, „the History of the Royal Society of London,” 1757, Vol. IV, pag. 365.↑20Het huis, waarin Leeuwenhoek gewoond heeft, is nog aanwezig en te vinden op den hoek der „Botersteeg en het Oude Delft,” wijk 4, no.455, doch het is aan de vóórzijde kennelijk gemoderniseerd, terwijl het aan den kant der Botersteeg en van achteren nog het aanzien van oudheid behouden[16]heeft. Aan de zijde der Botersteeg (Oud-Delft) vindt men nog als eene bijzonderheid aan het ijzeren hek, dat het vóórgedeelte afsluit, eenastrolabiumaangebracht.↑21Familie-register.↑22Ibidem en Boitet, t. a. p., blz. 765.↑23De familie Swalmius behoorde tot een aanzienlijk en deftig geslacht. Bij Boitet, t. a. p., blz. 440, komt in de naamlijst van Predikanten, die sedert de reformatie in Delft gestaan hebben, in het jaar 1617 Henricus Swalmius voor, terwijl in de 40ste Sendbrief, blz. 390, een brief voorkomt aan zijn neef Mr. Adriaan Swalmius, Advocaat voor den Hove van Holland.↑24Er bestaat van Leeuwenhoek een fraai „in olieverw geschilderd” portret, in het bezit van Dr. van Kaathoven, te Leiden. Deze schilderij stelt hem voor in de deftige kleedij van den aanzienlijken stand van dien tijd. Dr. van Kaathoven heeft mij de zeer gewaardeerde toestemming verleend, van deze schilderij eene afbeelding te laten maken, waardoor de waarde dezer uitgave belangrijk verhoogt wordt. Van deze schilderij zijn mij de volgende bijzonderheden door den geachten bezitter medegedeeld: Aan de rechter zijde(links van den toeschouwer) ziet men vóór hem op eene tafel het ontrolde diploma met het aanhangend zegel in rood zegellak (in doos) van het lidmaatschap der Koninklijke Sociëteit te Londen, en vóór zich heeft hij een blad papier waarop onduidelijke figuren zijn getrokken, terwijl hij in de rechter hand een passer houdt. Vóór den donkeren achtergrond is een hemelglobe aangebracht en men bespeurt op dien achtergrond een landschap, waarin men zonder andere voorwerpen, alléén de kronkelingen eener rivier ziet, waarmede waarschijnlijk die der Theems zijn voorgesteld. De naam van den schilder wordt echter niet op de schilderij aangetroffen. Dit geschilderd portret nu komt in gelaatstrekken, houding en kleeding, geheel en al overeen met een ander portret van Leeuwenhoek in zwarte kunst in fol. (eveneens in het bezit van Dr. van Kaathoven), doch hetgeen in het „geschilderd” portret links van den aanschouwer is, ziet men in de prent ter rechter zijde; de donkere achtergrond achter de hemelglobe, stelt op de prent duidelijker een gordijn voor. In de plaats van een passer in de hand staat er op de prent een microscoop van de eerste uitvinding van Leeuwenhoek op de tafel, in plaats van het diploma enz., een eikenblad met galnoten en het vergrootglas, terwijl hij ook, evenals op de[18]schilderij, vóór zich een blad papier heeft, waarop dezelfde, maar nog onduidelijker figuren dan op de schilderij zijn getrokken. Verder ziet men op de prent op den donkeren achtergrond niet het landschap met de kronkelingen der rivier. Onder dit portret in „zwarte kunst” leest men: J. Verkolje pinx., fec. et exc. 1685.Nu is de vraag of dit „geschilderd” portret het „echte” door Verkolje geschilderde is, dat later, hetzij door hem zelven, hetzij door een andere hand in sommige attributen enz.is veranderd? of dat er een ander „geschilderd” portret van Leeuwenhoek bestaat waaronder, even als onder dat van zw. kunst den naam van Verkolje gelezen wordt?(Johannes Verkolje, geb. te Amsterdam 1650, was sedert1672te Delft woonachtig en wordt onder de vermaarde schilders gerekend. Hij overleed te Delft in 1693.) (Zie over zijn leven en schilderijen onder anderen Houbraken, III, blz. 282), doch noch bij dezen schrijver, noch in andere levensbeschrijvingen van Nederlandsche schilders, vond Dr. van Kaathoven onder de werken van J. Verkolje van een ander dan van de prent inzwarte kunstgewag gemaakt.Behalve deze beide beschreven portretten van Leeuwenhoek zijn er nog een zestal andere drukken in het bezit van denzelfden verzamelaar, die onderling eenigermate verschillen, als:„Antonius a Leeuwenhoek, J. Verkolje pinx., A. de Blois fec.” 4o.„Idem, J. Verkolje pinx., A. de Blois fec.”, 4o.„Antoni van Leeuwenhoek, geboren te Delft, Ao. 1632.”„J.Verkoljepinx., Zw. k.” fol.„Antonius a Leeuwenhoek, J. C. Phillips inv. et fec.,” 1747, 8o.„Idem (Antoni). Idem fecit.” 1740, fol.„Antonius Leeuwenhoekius,” J. Gourée sculpt. med.Eindelijk bezit Dr. van Kaathoven nog een op Delftsch aardewerk vervaardigd portret van Leeuwenhoek, dat van boven met een oor voorzien is, bestemd om opgehangen te worden, waarop weder andere attributen dan op de schilderij zijn aangebracht; uit dit portret is Leeuwenhoek bijna niet te herkennen.Ik zelf bezit drie borden van fijn echt Delftsch aardewerk of porcelein, op één waarvan het portret van Leeuwenhoek, dat volkomen in gelaatstrekken en kleeding met het boven beschrevene overeenkomt; links van[19]den aanschouwer ziet men den toren der Oude Kerk te Delft, rechts eene draperie en onderaan „Antoni van Leeuwenhoek, Lit van de Koninglijke Societeyt in Londen, geboren tot Delft 1632”, op een goud veld in zwarte letters gebakken, het geheel met een zware, met kleuren en goud versierden rand omgeven.Het tweede bord stelt voor de „grafnaald,” zooals die zich in de oude Kerk te Delft bevindt, met de buste van Leeuwenhoek en daaronder „P. M: Antoni a Leeuwen. Reg. Anglo. Societ.” omgeven door een zware gouden rand met gekleurde slingers. Op dezen rand leest men in zwarte letters: „Grafnaald van den heer Antoni van Leeuwenhoek in de Oude Kerk te Delft, geboren den 21sten October 1632, overleden den 26sten Augustus 1723.”Op het derde bord is het „familie-wapen” van Leeuwenhoek gebakken, voorstellende een leeuw op een goud veld in schoone kleuren, en boven dien ben ik nog in het bezit van een theeschoteltje, van zeer fijn dun Delftsch porcelein, eveneens met het „familie-wapen” in goud en kleuren, maar in plaats van de kroon, een helm met vederen gedekt door een kroon. Onderaan leest men op een gouden band in zwarte letter „Maria Leeuwenhoek”. De borden zijn op de tentoonstelling van Nederlandsche oudheden, in het jaar 1863 te Delft gehouden, geweest, terwijl zij eveneens, bij gelegenheid der feestelijke herdenking van de ontdekking der microscopische wezens door van Leeuwenhoek, op den 8sten September 1875 te Delft tevieren, op eene tentoonstelling van het geen van Leeuwenhoek’s microscopen en andere bijzonderheden op hem betrekkelijk is kunnen bijeengebracht worden, zullen voorkomen.↑2534ste Brief bl. 11.↑26Zacharias Conrad von Uffenbach, „Merkwürdige Reisen durch Nieder-Sachsen, Holland und Engeland.” Ulm. 1754. 3Th.S. 349.↑2723ste Sendbrief, blz. 31.↑282de vervolg, 66ste brief, blz. 323.↑29Zevende vervolg, 116de Brief, blz. 97.↑305de Vervolg, 93ste Brief, blz. 127.↑31„Merkwürdige Reisen”. etc. t. a. p.↑32Reinier de Graaf te Schoonhoven geboren in het jaar 1641 vestigde zich na voleindigde studiën in zijn geboorteplaats en werd van daar naar Delft beroepen, alwaar hij zich als geneesheer vestigde. Hij schreef behalve zijn werk over het „Succus pancreaticus,” over de voortplanting van den mensch en over de vrouwelijke geslachtsdeelen, waarover zijn grooten strijd met Swammerdam ontstond, waarvan gezegd werd dat hij zoo gevoelig was, wegens de scherpe en onheusche critiek van Swammerdam,[26]dat hij tengevolge daarvan van verdriet stierf. Ook Leeuwenhoek maakt gewag van dezen vinnigen twist en de gevolgen er van. In een brief aan George Garden te Aberdeen van 19 Maart 1694 (2de vervolg 81ste Brief bl. 670)zegt hij:„Wat nu Swammerdam en Reinier de Graaf hare stellingen belangt: Ick hebbe die Heeren speciaal gekend en zij hebben verscheyde malen in myn huys geweest, en met vermaak beschout mijne ontdekkingen en twijfel ook niet, zoo die Heeren nu nog leefden, of zy souden schaamroot werden over hare ingebeelde verdigsels, daar zy tegen malkanderen als yder willende de eer hebben van de nieuwe ontdekking van voorttelinge, door het eyer-nest, door de hevige ontmoetinge, die zy met malkanderen met woorden voerden, de laatste niet alleen siek wierde, maar ook de dood daarop volgde, zoo mij doen ter tijd berigt wierd.”↑33Van dit werk is in 1866 eene Hoogduitsche uitgave in het licht verschenen onder den titel: „P. Harting, Das Mikroskop. Theorie, Gebrauch, Geschichte und gegenwärtiger Zustand der selben. Deutsche Originalausgabe, von Verfasser revidirt und Vervollständigt. Herausgegeben van Dr. Fr. Wilh. Theile. In drei Bänden.”↑34De hoogleeraar Harting zegt onder anderen in zijn bovenvermeld „het Mikroskoop” p. 26, dat de getuigenis van het recht van Hans en Zacharias Janssen op de uitvinding van het microscoop te vinden is in het boekje van Petrus Borellus: „De vero telescopii inventore, cum brevi omnium conspiculiorum historia.… accessit etiam centuria observationum microscopicarum. Hagae comitum 1633,” waarin een brief voorkomt aan den schrijver gericht door Willem Boreel, Middelburger van geboorte en toenmaals gezant bij het Hof van Frankrijk. Uit dezen brief blijkt, dat Boreel den in de buurt van het huis zijns vaders wonenden brillenslijper Hans en diens zoon Zacharias zeer goed gekend heeft, en dikwijls in hun winkel is geweest, en dat door hen, „lang vóór” 1610 microscopen zijn gemaakt, waarvan zij er een aan Prins Maurits gegeven hebben, en naderhand een ander aan den Aartshertog Albert van Oostenrijk, die dit werktuig aan Drebbel schonk, bij wien Boreel het zelf gezien heeft. Vandaar waarom sommigen Drebbel voor den uitvinder hielden, ofschoon het zeer waarschijnlijk is, dat deze eenmaal in het bezit van het microscoop van Hans en Zacharias Janssen zijnde, dit zal hebben nagemaakt.↑35„Het mikroskoop,” enz., Deel III blz. 21.↑3618de Sendbrief, blz. 169.↑37„Het mikroskoop,” enz., Deel III, blz. 34.↑38„Het mikroskoop,” t. a. p., blz. 37.↑39Robert Hooke, een beroemd Engelsch Philosooph en Geneeskundige, was geboren op het eiland Wight, in het jaar 1635 en overleed in 1702. Hij studeerde teOxfordin de medicijnen, werd in 1664 Hoogleeraar in de Wiskunde aan het „Gresham-College” te Londen. Hij muntte ook uit als werktuigkundige en was ten tijde van Leeuwenhoek een der Secretarissen der „Royal Society.”↑40Birch, t. a. p., pag. 393.↑41Nicolaas Hartsoeker was een beroemd Nederlandsch Natuurkundige en werd in 1656 te Gouda geboren. Zijn vader was Remonstrantsch predikant te Rotterdam. Hij was bestemd voor den geestelijken stand, doch wijdde zich, tegen den zin zijns vaders aan de Wis- en Natuurkundige Wetenschappen, zoodat hij, ten einde zijn vader niet zou ontdekken, dat hij des nachts studeerde, de dekens van zijn bed voor de vensters van zijn slaapvertrek spande. Hij betaalde zijn onderwijzer die hem ook optische glazen leerde slijpen, van zijn zakgeld. Het toeval bracht hem tot eene belangrijke ontdekking. Opgemerkt hebbende, dat het einde van een glazen draad, in de vlam eener kaars gehouden, eene bolvormige gedaante kreeg, en dit verschijnsel toepassende op de proeven, die hij Leeuwenhoek had zien doen, vervaardigde hij daarmede microscopen, die hij beweerde die vanLeeuwenhoekte evenaren. Deze was geen vriend van hem, omdat hij voorgaf de ontdekking der zaaddiertjes reeds vóór hem gedaan te hebben. Hoe Leeuwenhoek over hem dacht, blijkt uit een brief d.d. 9 December 1698 (113de Brief, blz. 63) aan Harm. van Zoelen, Oud-Burgemeester van Rotterdam. „Wat voor een persoon desen Hartsoeker is, weet ik niet, omdat er meer zijn, die den naam van Hartsoeker voeren, en ten mynen huyse zijn geweest, en onder anderen veel jaren geleden, een out bedaagt man, die men tot my seyde, dat een prediker van de Remonstrantsche gemeente te Rotterdam was, by sig hebbende een soon, die een jong student was, en welke toen van syn vader veelmaal wierde aangemaant, om nauwkeurig toe te sien, want ik saaken vertoonde, soo als den Prediker seyde, die noyt in de Werelt waren kundig geweest”.…„Dat de HeerHartsoekerde woorden voert, dat hy na syne kennisse, de eerste van allen is, die het saad der dieren met de vergrootglasen heeft beginnen te ondersoeken, komt my vreemt voor” enz. (Hierover later).[32]Hartsoeker hield zich van 1674–1677 te Leiden op, begaf zich daarna naar Parijs en hield zich daar bezig met het vervaardigen van teleskopen. In 1679 keerde hij naar Holland terug, doch ging weder naar Parijs, waar hij tot het jaar 1696 bleef. Hij vestigde zich daarna te Amsterdam, zich bezig houdende met astronomische waarnemingen, en ontving weldra eene uitnoodiging van Czaar Peter den Eerste, om hem als Hoogleeraar in de mathesis naar Petersburg te volgen, welk aanbod hij echter afsloeg. Later nam hij dergelijk beroep naar Dusseldorp aan, keerde later naar Holland terug en overleed te Utrecht in 1725.↑42„Philos. Transactions,” 1677, pag. 226.↑43„Harting’s Mikroskoop,” t. a. p. 3de Deel, blz. 53.↑44Uffenbach’s Reisen enz. t. a. p.↑45„Antoni van Leeuwenhoek, Vereerend herdacht” door Isaac van Haastert enz., 1823.↑46Henry Baker schreef een werk over „Het Nuttig gebruik van het Mikroskoop” en later een ander: „Het Mikroskoop gemakkelijk gemaakt;” beiden door Houttuyn vertaald in 1755 en 1770. Hij verhaalt in het eerstgenoemde werk blz. 453, dat deze 26 microscopen vervat waren in een[35]klein kistje, hetwelk Leeuwenhoek bij zijn overlijden aan de „Royal Society” had nagelaten en dat door Martin Folker aan de Sociëteit werd aangeboden. Men vindt daarvan de mededeeling in „Philos. Transact.” no. 380.Omtrent deze microscopen heb ik dezer dagen, door een mijner betrekkingen te Londen woonachtig, onderzoek laten doen bij den tegenwoordigen secretaris derRoyal SocietyDr. Walter White, die bekend bleek te zijn met de relatiën van dit college met Leeuwenhoek gedurende de jaren 1673–1718. Het was hem bekend dat Leeuwenhoek verschillende voorwerpen aan dat college had ten geschenke gegeven, doch er was daarvan niets meer aanwezig. Er wordt nu nog onderzocht of er soms microscopen van Leeuwenhoek bij het Kings College te vinden zijn, waarvan ik spoedig bericht verwacht, zoodat ik wellicht vóór het afdrukken dezer uitgave daar nog mededeeling van doen kan.↑477de Vervolg, 135ste brief, blz. 305.↑48„Philosophical Transactions” Vol XXXij, pag. 450.↑492de Vervolg, 66ste Brief blz. 308.↑50Deze beschrijving is gevolgd naar „Harting’s mikroskoop,” Deel III blz. 380.↑51Uffenbach geeft over Leeuwenhoek’s werkzaamheid zijn verwondering te kennen („Merkw. Reisen” t. a. p.) in deze bewoordingen: „Es ist zich übrigens nicht genug zu verwundern, über Hern Leeuwenhoek’s grossen Fleisz und Arbeitsamkeit, so woll in Observationen zu machen, als auch Gläser zu schliffen, und die Machienen zu denen Microscopiis zu machen.”↑522de Sendbrief, blz. 22.↑537de Vervolg, 116de Brief, blz. 96.↑54Birch t. a.p., Vol. III, pag. 338 en 346.↑55Birch t. a. p., pag. 346.↑56Birch t. a. p., blz. 349.↑57De eigenhandige brief van Leeuwenhoek aanConstantijnHuygens, waaraan ik deze bijzonderheden ontleend heb, en waarvan een afschrift in mijn bezit is, bevindt zich in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool.↑58„Beiträge zur Biologie der Pflanzen” 2e Heft S. 127.↑59Birch t. a. p., blz. 358.↑60Birch t.a. p., Deel IV pag. 104.↑

1„Revue des deux mondes” 15juillet, 1868 pag. 379.↑2N. G. van Kampen, „Beknopte geschiedenis der Letteren en Wetenschappen in de Nederlanden”, 2de deel, blz. 58.↑320ste Sendbrief van 13 Maart 1716, blz. 189.↑4De naam van Leeuwenhoek wordt verschillend geschreven. Uit een achttal eigenhandig door hem geschreven brieven aan Constantijn en Christiaan Huygens, en aan N. Oldenburg, Secretaris der „Royal Society” te Londen, van de jaren 1674, 1676, 1677 en 1679, berustende in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool, waarvan ik door de zorg van Dr. du Rieu, „conservator der manuscripten” bij genoemde Bibliotheek, nauwkeurige afschriften bekomen heb, alsmede uit een eigenhandigen brief van Leeuwenhoek aan den Heer L. van Velthuysen, van het jaar 1679, in het bezit van wijlen den Wel-Ed. Geb. Heer Van Dam van Noordeloos te Rotterdam, van welke ik zelf een afschrift mocht nemen, teekent hij zich Antoni (lange i) Leeuwenhoe(c)k, terwijl een andere brief van hem, in het jaar 1701 aan „Burgemeesteren en Regeerders der stad Delft” geschreven, betrekking hebbende op zeker verschil in de steenkolenmaten te Delft en te Rotterdam, welke brief berust in het Archief van Delft, en waarvan mij door den Heer Mr. Soutendam, Secretaris en oud-Archivaris van Delft, welwillend afschrift verleend werd, de onderteekening draagt van Antoni, (lange i) van Leeuwenhoek (zonder c), terwijl in zijne gedrukte brieven decvóór dekaan het einde van zijn naam nu eens gebezigd, dan weggelaten is. Ook moet nog opgemerkt worden, dat hij steeds een langeibezigde bij het „schrijven” van zijn voornaam Antoni, waardoor deze dan ook in zijn gedrukte brieven met eenywordt gespeld. Overigens was het schrijven van decvóór dek, in vroegeren tijd, algemeen en komt in „ick, melck, dick, volmaecktenz.” steeds voor in zijne brieven, terwijl men in het schrijven van den naam in oude tijden geenszins de juistheid en gelijkheid van spelling, of het gebruiken of weglaten van het voorzetsel „van” in acht nam, zoo als in onzen tijd, waar dit verzuim in rechten de belangrijkste gevolgen kan hebben. Voegt men nu hierbij dat Leeuwenhoek’s dochter, die na zijn dood een gedenknaald ter zijner eere in de Oude Kerk te Delft liet oprichten, daarop en op de zerk, die zijn graf dekte, zijn naam aldus liet stellen: „Antony van Leeuwenhoek,” dan acht ik mij hierdoor genoegzaam verantwoord zijn naam ook aldus te schrijven.↑5Margaretha Bel van den Bergh was de dochter van Jacob Sebastiaanzn.[7]Bel van den Bergh, van een oud en aanzienlijk Delftsch geslacht. Deze laatste was in 1608 lid der 40en van de Stedelijke Regeering, en in 1610 en 1612 Schepen van Delft, terwijl reeds in 1579 bij Boitet gewag gemaakt wordt van zijn vader Bastiaan Corneliszn., als lid der 40en, Kerkmeester, en andere waardigheden bekleedende.↑6In een oud familie-register in mijn bezit vindt men aangeteekend, dat zijn oudste zuster Margaretha, uit haar huwelijk met Jan du Molyn, vijf kinderen geboren werden, namelijk Philippus, Maria, Margaretha, Geertruida en Antony, waarvan Maria huwde met Cornelis Haaxman, terwijl Philippus en Geertruida ongehuwd overleden, Margaretha met Arnoldus van den Heuvel en Antony met .… Poelgeest huwde, welke laatste zich aan de geneeskunde wijdde. Van dezen Antony Molyn (of du Molyn), die zich tot voortzetting zijner studiën naar Parijs begaf, maakt Leeuwenhoek gewag in zijn brief aan Christiaan Huygens, d.d. 15 Mei 1679, aanwezig in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool en waarvan eene kopie in mijn bezit is.↑7Boitet, „Beschrijving der stad Delft, 1729, in fol., blz. 765.” Isaac van Haastert, „Antony van Leeuwenhoek vereerend herdacht, 1823, pag. 10” D. Hoogstraten, „Algemeen Woordenboek voor Kunsten en Wetenschappen 1729, blz. 138.”↑822ste Sendbrief, blz. 206.↑9Dat de brouwers veelal onder de aanzienlijke en rijke burgers gerekend werden, kan blijken uit hetgeen bij Boitet, bl. 646, gemeld wordt.„Yder weet ook, dat de brouwers in dese stad altijt boven andere koopluiden verheven wierden;mannen die doorgaans op het kussen der stad zaten.” En dat dit bedrijf goede winsten afwierp blijkt uit het volgend slot van een gedicht van Jacob van der Does:„Wat dunkt u leser? heeft dat volck niet wel gebrout?Dat ’t hare kassen sien voor mout gepropt met gout?”1035ste Brief, blz. 24.↑1128ste Brief, blz. 14. De in dezen brief uitvoerig uitgewerkte berekening is ook van zijn eigen hand aanwezig in de verzameling manuscripten van Leeuwenhoek in de Leidsche Bibliotheek (Cat. VIII. Huygens no. 30).↑124de Sendbrief, blz. 43. Brief aan den Heer Jan Meermans, Burgemeester van Delft.↑13Zie ook den 67sten Brief (2de vervolg) van 1 April 1689, blz. 335, waarin hij berekent, hoe snel het bloed in het lichaam moet loopen, eer het tot de uiterste deelen van de voeten en van daar weder naar het hart komt, en door welke kracht; waarbij hij onder anderen zegt: „Dese myne demonstratiën syn seer licht te verstaan, voor diegeene, die de begintselen van de waterwicht van Mr. Simon van Stevin, sal doorlesen hebben.”Dit blijkt ook nog uit zijn 111de Brief (zevende vervolg) van 9 Mei, 1698, blz. 46, waar hij, onder anderen, sprekende over het oog van den scharrebijter, in eene noot zegt: „Ik spreek hier tegen degeenen, die een weynig in de Gesigt-kunde geoefent syn” en verder: „Wij weten dus, wanneer wij eenig ligchaam voor een vergrootglas stellen, het nog verder, nog digter bij het vergrootglas moet staan, als het brantpunt van het vergrootglas is, en wat verder of te nader bij is, vertoonen de lighamen niet scharp, maar verwart,” enz.↑14Boitet, t. a. p., blz. 795 verhaalt, „dat hij, niet meer dan 16 jaren oud zijnde, als boekhouder en kassier aldaar ageerde; en alhoewel hij door de bezigheid van deze tweevoudige bediening werk genoeg had om dezelve in orde waar te nemen, wist zijne buitengewone naarstigheid gedurig noch[10]zooveel tijd tot de lakenwerkerij uit te koopen, dat hij binnen den tijd van zes weken als meester zijn proef deed, om zich in der tijd tot deze koophandel, waartoe hij zich echter nooit heeft afgezondert, te zetten.”↑15Nieuwenhuis’s „woordenboek van kunsten en wetenschappen enz. 1859 deel V Letter L”.↑16T. a. p., blz. 365.↑17Vergelijk daaromtrent (5de vervolg) de 85ste Brief, blz. 13; de 10de Sendbrief, blz. 96 enPhilos. Transact.Vol. XXXV, pag. 433.↑18Dat Leeuwenhoek inderdaad microscopen voor zijn eigen gebruik er op nahield die sterker vergrootten, dan die hij aan anderen liet zien, blijkt uit hetgeen hij zelf betuigt, in een brief aan Henry Oldenburg, Secretaris der „Royal Society” (no. 96, blz. 170). „Te meer doen ik zeyde, dat nog in datzelfde water, twee à drie soorten van veel kleynder dierkens waren,die voor syn oogen verborgen waren, en die ik door andere glasen en methoden,die ik alleen voor myn zelve houde, kome te sien;” terwijl ook de Hoogleeraar Harting mededeelt, dat op het physisch kabinet te Utrecht een microscoop aanwezig is van Leeuwenhoek, waarvan hij betuigt, dat de lens zeer goed is en bewijst, dat hij het in de kunst van zeer kleine lenzen te slijpen, inderdaad reeds op eene groote hoogte gebracht had. Deze lens, namelijk, was biconvex en vergrootte 270 maal, en alzoo „merkelijk meerder dan de sterkste lens van de microscopen, door Leeuwenhoek aan de „Royal Society” vermaakt, en waarvan de grootste vergrooting door Baker wordt opgegeven als te zijn 160 maal. (P. Harting, „Het microscoop, deszelfs gebruik, geschiedenis en tegenwoordigen toestand,” enz., 3de deel, 1850, blz. 44.↑19Birch, „the History of the Royal Society of London,” 1757, Vol. IV, pag. 365.↑20Het huis, waarin Leeuwenhoek gewoond heeft, is nog aanwezig en te vinden op den hoek der „Botersteeg en het Oude Delft,” wijk 4, no.455, doch het is aan de vóórzijde kennelijk gemoderniseerd, terwijl het aan den kant der Botersteeg en van achteren nog het aanzien van oudheid behouden[16]heeft. Aan de zijde der Botersteeg (Oud-Delft) vindt men nog als eene bijzonderheid aan het ijzeren hek, dat het vóórgedeelte afsluit, eenastrolabiumaangebracht.↑21Familie-register.↑22Ibidem en Boitet, t. a. p., blz. 765.↑23De familie Swalmius behoorde tot een aanzienlijk en deftig geslacht. Bij Boitet, t. a. p., blz. 440, komt in de naamlijst van Predikanten, die sedert de reformatie in Delft gestaan hebben, in het jaar 1617 Henricus Swalmius voor, terwijl in de 40ste Sendbrief, blz. 390, een brief voorkomt aan zijn neef Mr. Adriaan Swalmius, Advocaat voor den Hove van Holland.↑24Er bestaat van Leeuwenhoek een fraai „in olieverw geschilderd” portret, in het bezit van Dr. van Kaathoven, te Leiden. Deze schilderij stelt hem voor in de deftige kleedij van den aanzienlijken stand van dien tijd. Dr. van Kaathoven heeft mij de zeer gewaardeerde toestemming verleend, van deze schilderij eene afbeelding te laten maken, waardoor de waarde dezer uitgave belangrijk verhoogt wordt. Van deze schilderij zijn mij de volgende bijzonderheden door den geachten bezitter medegedeeld: Aan de rechter zijde(links van den toeschouwer) ziet men vóór hem op eene tafel het ontrolde diploma met het aanhangend zegel in rood zegellak (in doos) van het lidmaatschap der Koninklijke Sociëteit te Londen, en vóór zich heeft hij een blad papier waarop onduidelijke figuren zijn getrokken, terwijl hij in de rechter hand een passer houdt. Vóór den donkeren achtergrond is een hemelglobe aangebracht en men bespeurt op dien achtergrond een landschap, waarin men zonder andere voorwerpen, alléén de kronkelingen eener rivier ziet, waarmede waarschijnlijk die der Theems zijn voorgesteld. De naam van den schilder wordt echter niet op de schilderij aangetroffen. Dit geschilderd portret nu komt in gelaatstrekken, houding en kleeding, geheel en al overeen met een ander portret van Leeuwenhoek in zwarte kunst in fol. (eveneens in het bezit van Dr. van Kaathoven), doch hetgeen in het „geschilderd” portret links van den aanschouwer is, ziet men in de prent ter rechter zijde; de donkere achtergrond achter de hemelglobe, stelt op de prent duidelijker een gordijn voor. In de plaats van een passer in de hand staat er op de prent een microscoop van de eerste uitvinding van Leeuwenhoek op de tafel, in plaats van het diploma enz., een eikenblad met galnoten en het vergrootglas, terwijl hij ook, evenals op de[18]schilderij, vóór zich een blad papier heeft, waarop dezelfde, maar nog onduidelijker figuren dan op de schilderij zijn getrokken. Verder ziet men op de prent op den donkeren achtergrond niet het landschap met de kronkelingen der rivier. Onder dit portret in „zwarte kunst” leest men: J. Verkolje pinx., fec. et exc. 1685.Nu is de vraag of dit „geschilderd” portret het „echte” door Verkolje geschilderde is, dat later, hetzij door hem zelven, hetzij door een andere hand in sommige attributen enz.is veranderd? of dat er een ander „geschilderd” portret van Leeuwenhoek bestaat waaronder, even als onder dat van zw. kunst den naam van Verkolje gelezen wordt?(Johannes Verkolje, geb. te Amsterdam 1650, was sedert1672te Delft woonachtig en wordt onder de vermaarde schilders gerekend. Hij overleed te Delft in 1693.) (Zie over zijn leven en schilderijen onder anderen Houbraken, III, blz. 282), doch noch bij dezen schrijver, noch in andere levensbeschrijvingen van Nederlandsche schilders, vond Dr. van Kaathoven onder de werken van J. Verkolje van een ander dan van de prent inzwarte kunstgewag gemaakt.Behalve deze beide beschreven portretten van Leeuwenhoek zijn er nog een zestal andere drukken in het bezit van denzelfden verzamelaar, die onderling eenigermate verschillen, als:„Antonius a Leeuwenhoek, J. Verkolje pinx., A. de Blois fec.” 4o.„Idem, J. Verkolje pinx., A. de Blois fec.”, 4o.„Antoni van Leeuwenhoek, geboren te Delft, Ao. 1632.”„J.Verkoljepinx., Zw. k.” fol.„Antonius a Leeuwenhoek, J. C. Phillips inv. et fec.,” 1747, 8o.„Idem (Antoni). Idem fecit.” 1740, fol.„Antonius Leeuwenhoekius,” J. Gourée sculpt. med.Eindelijk bezit Dr. van Kaathoven nog een op Delftsch aardewerk vervaardigd portret van Leeuwenhoek, dat van boven met een oor voorzien is, bestemd om opgehangen te worden, waarop weder andere attributen dan op de schilderij zijn aangebracht; uit dit portret is Leeuwenhoek bijna niet te herkennen.Ik zelf bezit drie borden van fijn echt Delftsch aardewerk of porcelein, op één waarvan het portret van Leeuwenhoek, dat volkomen in gelaatstrekken en kleeding met het boven beschrevene overeenkomt; links van[19]den aanschouwer ziet men den toren der Oude Kerk te Delft, rechts eene draperie en onderaan „Antoni van Leeuwenhoek, Lit van de Koninglijke Societeyt in Londen, geboren tot Delft 1632”, op een goud veld in zwarte letters gebakken, het geheel met een zware, met kleuren en goud versierden rand omgeven.Het tweede bord stelt voor de „grafnaald,” zooals die zich in de oude Kerk te Delft bevindt, met de buste van Leeuwenhoek en daaronder „P. M: Antoni a Leeuwen. Reg. Anglo. Societ.” omgeven door een zware gouden rand met gekleurde slingers. Op dezen rand leest men in zwarte letters: „Grafnaald van den heer Antoni van Leeuwenhoek in de Oude Kerk te Delft, geboren den 21sten October 1632, overleden den 26sten Augustus 1723.”Op het derde bord is het „familie-wapen” van Leeuwenhoek gebakken, voorstellende een leeuw op een goud veld in schoone kleuren, en boven dien ben ik nog in het bezit van een theeschoteltje, van zeer fijn dun Delftsch porcelein, eveneens met het „familie-wapen” in goud en kleuren, maar in plaats van de kroon, een helm met vederen gedekt door een kroon. Onderaan leest men op een gouden band in zwarte letter „Maria Leeuwenhoek”. De borden zijn op de tentoonstelling van Nederlandsche oudheden, in het jaar 1863 te Delft gehouden, geweest, terwijl zij eveneens, bij gelegenheid der feestelijke herdenking van de ontdekking der microscopische wezens door van Leeuwenhoek, op den 8sten September 1875 te Delft tevieren, op eene tentoonstelling van het geen van Leeuwenhoek’s microscopen en andere bijzonderheden op hem betrekkelijk is kunnen bijeengebracht worden, zullen voorkomen.↑2534ste Brief bl. 11.↑26Zacharias Conrad von Uffenbach, „Merkwürdige Reisen durch Nieder-Sachsen, Holland und Engeland.” Ulm. 1754. 3Th.S. 349.↑2723ste Sendbrief, blz. 31.↑282de vervolg, 66ste brief, blz. 323.↑29Zevende vervolg, 116de Brief, blz. 97.↑305de Vervolg, 93ste Brief, blz. 127.↑31„Merkwürdige Reisen”. etc. t. a. p.↑32Reinier de Graaf te Schoonhoven geboren in het jaar 1641 vestigde zich na voleindigde studiën in zijn geboorteplaats en werd van daar naar Delft beroepen, alwaar hij zich als geneesheer vestigde. Hij schreef behalve zijn werk over het „Succus pancreaticus,” over de voortplanting van den mensch en over de vrouwelijke geslachtsdeelen, waarover zijn grooten strijd met Swammerdam ontstond, waarvan gezegd werd dat hij zoo gevoelig was, wegens de scherpe en onheusche critiek van Swammerdam,[26]dat hij tengevolge daarvan van verdriet stierf. Ook Leeuwenhoek maakt gewag van dezen vinnigen twist en de gevolgen er van. In een brief aan George Garden te Aberdeen van 19 Maart 1694 (2de vervolg 81ste Brief bl. 670)zegt hij:„Wat nu Swammerdam en Reinier de Graaf hare stellingen belangt: Ick hebbe die Heeren speciaal gekend en zij hebben verscheyde malen in myn huys geweest, en met vermaak beschout mijne ontdekkingen en twijfel ook niet, zoo die Heeren nu nog leefden, of zy souden schaamroot werden over hare ingebeelde verdigsels, daar zy tegen malkanderen als yder willende de eer hebben van de nieuwe ontdekking van voorttelinge, door het eyer-nest, door de hevige ontmoetinge, die zy met malkanderen met woorden voerden, de laatste niet alleen siek wierde, maar ook de dood daarop volgde, zoo mij doen ter tijd berigt wierd.”↑33Van dit werk is in 1866 eene Hoogduitsche uitgave in het licht verschenen onder den titel: „P. Harting, Das Mikroskop. Theorie, Gebrauch, Geschichte und gegenwärtiger Zustand der selben. Deutsche Originalausgabe, von Verfasser revidirt und Vervollständigt. Herausgegeben van Dr. Fr. Wilh. Theile. In drei Bänden.”↑34De hoogleeraar Harting zegt onder anderen in zijn bovenvermeld „het Mikroskoop” p. 26, dat de getuigenis van het recht van Hans en Zacharias Janssen op de uitvinding van het microscoop te vinden is in het boekje van Petrus Borellus: „De vero telescopii inventore, cum brevi omnium conspiculiorum historia.… accessit etiam centuria observationum microscopicarum. Hagae comitum 1633,” waarin een brief voorkomt aan den schrijver gericht door Willem Boreel, Middelburger van geboorte en toenmaals gezant bij het Hof van Frankrijk. Uit dezen brief blijkt, dat Boreel den in de buurt van het huis zijns vaders wonenden brillenslijper Hans en diens zoon Zacharias zeer goed gekend heeft, en dikwijls in hun winkel is geweest, en dat door hen, „lang vóór” 1610 microscopen zijn gemaakt, waarvan zij er een aan Prins Maurits gegeven hebben, en naderhand een ander aan den Aartshertog Albert van Oostenrijk, die dit werktuig aan Drebbel schonk, bij wien Boreel het zelf gezien heeft. Vandaar waarom sommigen Drebbel voor den uitvinder hielden, ofschoon het zeer waarschijnlijk is, dat deze eenmaal in het bezit van het microscoop van Hans en Zacharias Janssen zijnde, dit zal hebben nagemaakt.↑35„Het mikroskoop,” enz., Deel III blz. 21.↑3618de Sendbrief, blz. 169.↑37„Het mikroskoop,” enz., Deel III, blz. 34.↑38„Het mikroskoop,” t. a. p., blz. 37.↑39Robert Hooke, een beroemd Engelsch Philosooph en Geneeskundige, was geboren op het eiland Wight, in het jaar 1635 en overleed in 1702. Hij studeerde teOxfordin de medicijnen, werd in 1664 Hoogleeraar in de Wiskunde aan het „Gresham-College” te Londen. Hij muntte ook uit als werktuigkundige en was ten tijde van Leeuwenhoek een der Secretarissen der „Royal Society.”↑40Birch, t. a. p., pag. 393.↑41Nicolaas Hartsoeker was een beroemd Nederlandsch Natuurkundige en werd in 1656 te Gouda geboren. Zijn vader was Remonstrantsch predikant te Rotterdam. Hij was bestemd voor den geestelijken stand, doch wijdde zich, tegen den zin zijns vaders aan de Wis- en Natuurkundige Wetenschappen, zoodat hij, ten einde zijn vader niet zou ontdekken, dat hij des nachts studeerde, de dekens van zijn bed voor de vensters van zijn slaapvertrek spande. Hij betaalde zijn onderwijzer die hem ook optische glazen leerde slijpen, van zijn zakgeld. Het toeval bracht hem tot eene belangrijke ontdekking. Opgemerkt hebbende, dat het einde van een glazen draad, in de vlam eener kaars gehouden, eene bolvormige gedaante kreeg, en dit verschijnsel toepassende op de proeven, die hij Leeuwenhoek had zien doen, vervaardigde hij daarmede microscopen, die hij beweerde die vanLeeuwenhoekte evenaren. Deze was geen vriend van hem, omdat hij voorgaf de ontdekking der zaaddiertjes reeds vóór hem gedaan te hebben. Hoe Leeuwenhoek over hem dacht, blijkt uit een brief d.d. 9 December 1698 (113de Brief, blz. 63) aan Harm. van Zoelen, Oud-Burgemeester van Rotterdam. „Wat voor een persoon desen Hartsoeker is, weet ik niet, omdat er meer zijn, die den naam van Hartsoeker voeren, en ten mynen huyse zijn geweest, en onder anderen veel jaren geleden, een out bedaagt man, die men tot my seyde, dat een prediker van de Remonstrantsche gemeente te Rotterdam was, by sig hebbende een soon, die een jong student was, en welke toen van syn vader veelmaal wierde aangemaant, om nauwkeurig toe te sien, want ik saaken vertoonde, soo als den Prediker seyde, die noyt in de Werelt waren kundig geweest”.…„Dat de HeerHartsoekerde woorden voert, dat hy na syne kennisse, de eerste van allen is, die het saad der dieren met de vergrootglasen heeft beginnen te ondersoeken, komt my vreemt voor” enz. (Hierover later).[32]Hartsoeker hield zich van 1674–1677 te Leiden op, begaf zich daarna naar Parijs en hield zich daar bezig met het vervaardigen van teleskopen. In 1679 keerde hij naar Holland terug, doch ging weder naar Parijs, waar hij tot het jaar 1696 bleef. Hij vestigde zich daarna te Amsterdam, zich bezig houdende met astronomische waarnemingen, en ontving weldra eene uitnoodiging van Czaar Peter den Eerste, om hem als Hoogleeraar in de mathesis naar Petersburg te volgen, welk aanbod hij echter afsloeg. Later nam hij dergelijk beroep naar Dusseldorp aan, keerde later naar Holland terug en overleed te Utrecht in 1725.↑42„Philos. Transactions,” 1677, pag. 226.↑43„Harting’s Mikroskoop,” t. a. p. 3de Deel, blz. 53.↑44Uffenbach’s Reisen enz. t. a. p.↑45„Antoni van Leeuwenhoek, Vereerend herdacht” door Isaac van Haastert enz., 1823.↑46Henry Baker schreef een werk over „Het Nuttig gebruik van het Mikroskoop” en later een ander: „Het Mikroskoop gemakkelijk gemaakt;” beiden door Houttuyn vertaald in 1755 en 1770. Hij verhaalt in het eerstgenoemde werk blz. 453, dat deze 26 microscopen vervat waren in een[35]klein kistje, hetwelk Leeuwenhoek bij zijn overlijden aan de „Royal Society” had nagelaten en dat door Martin Folker aan de Sociëteit werd aangeboden. Men vindt daarvan de mededeeling in „Philos. Transact.” no. 380.Omtrent deze microscopen heb ik dezer dagen, door een mijner betrekkingen te Londen woonachtig, onderzoek laten doen bij den tegenwoordigen secretaris derRoyal SocietyDr. Walter White, die bekend bleek te zijn met de relatiën van dit college met Leeuwenhoek gedurende de jaren 1673–1718. Het was hem bekend dat Leeuwenhoek verschillende voorwerpen aan dat college had ten geschenke gegeven, doch er was daarvan niets meer aanwezig. Er wordt nu nog onderzocht of er soms microscopen van Leeuwenhoek bij het Kings College te vinden zijn, waarvan ik spoedig bericht verwacht, zoodat ik wellicht vóór het afdrukken dezer uitgave daar nog mededeeling van doen kan.↑477de Vervolg, 135ste brief, blz. 305.↑48„Philosophical Transactions” Vol XXXij, pag. 450.↑492de Vervolg, 66ste Brief blz. 308.↑50Deze beschrijving is gevolgd naar „Harting’s mikroskoop,” Deel III blz. 380.↑51Uffenbach geeft over Leeuwenhoek’s werkzaamheid zijn verwondering te kennen („Merkw. Reisen” t. a. p.) in deze bewoordingen: „Es ist zich übrigens nicht genug zu verwundern, über Hern Leeuwenhoek’s grossen Fleisz und Arbeitsamkeit, so woll in Observationen zu machen, als auch Gläser zu schliffen, und die Machienen zu denen Microscopiis zu machen.”↑522de Sendbrief, blz. 22.↑537de Vervolg, 116de Brief, blz. 96.↑54Birch t. a.p., Vol. III, pag. 338 en 346.↑55Birch t. a. p., pag. 346.↑56Birch t. a. p., blz. 349.↑57De eigenhandige brief van Leeuwenhoek aanConstantijnHuygens, waaraan ik deze bijzonderheden ontleend heb, en waarvan een afschrift in mijn bezit is, bevindt zich in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool.↑58„Beiträge zur Biologie der Pflanzen” 2e Heft S. 127.↑59Birch t. a. p., blz. 358.↑60Birch t.a. p., Deel IV pag. 104.↑

1„Revue des deux mondes” 15juillet, 1868 pag. 379.↑2N. G. van Kampen, „Beknopte geschiedenis der Letteren en Wetenschappen in de Nederlanden”, 2de deel, blz. 58.↑320ste Sendbrief van 13 Maart 1716, blz. 189.↑4De naam van Leeuwenhoek wordt verschillend geschreven. Uit een achttal eigenhandig door hem geschreven brieven aan Constantijn en Christiaan Huygens, en aan N. Oldenburg, Secretaris der „Royal Society” te Londen, van de jaren 1674, 1676, 1677 en 1679, berustende in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool, waarvan ik door de zorg van Dr. du Rieu, „conservator der manuscripten” bij genoemde Bibliotheek, nauwkeurige afschriften bekomen heb, alsmede uit een eigenhandigen brief van Leeuwenhoek aan den Heer L. van Velthuysen, van het jaar 1679, in het bezit van wijlen den Wel-Ed. Geb. Heer Van Dam van Noordeloos te Rotterdam, van welke ik zelf een afschrift mocht nemen, teekent hij zich Antoni (lange i) Leeuwenhoe(c)k, terwijl een andere brief van hem, in het jaar 1701 aan „Burgemeesteren en Regeerders der stad Delft” geschreven, betrekking hebbende op zeker verschil in de steenkolenmaten te Delft en te Rotterdam, welke brief berust in het Archief van Delft, en waarvan mij door den Heer Mr. Soutendam, Secretaris en oud-Archivaris van Delft, welwillend afschrift verleend werd, de onderteekening draagt van Antoni, (lange i) van Leeuwenhoek (zonder c), terwijl in zijne gedrukte brieven decvóór dekaan het einde van zijn naam nu eens gebezigd, dan weggelaten is. Ook moet nog opgemerkt worden, dat hij steeds een langeibezigde bij het „schrijven” van zijn voornaam Antoni, waardoor deze dan ook in zijn gedrukte brieven met eenywordt gespeld. Overigens was het schrijven van decvóór dek, in vroegeren tijd, algemeen en komt in „ick, melck, dick, volmaecktenz.” steeds voor in zijne brieven, terwijl men in het schrijven van den naam in oude tijden geenszins de juistheid en gelijkheid van spelling, of het gebruiken of weglaten van het voorzetsel „van” in acht nam, zoo als in onzen tijd, waar dit verzuim in rechten de belangrijkste gevolgen kan hebben. Voegt men nu hierbij dat Leeuwenhoek’s dochter, die na zijn dood een gedenknaald ter zijner eere in de Oude Kerk te Delft liet oprichten, daarop en op de zerk, die zijn graf dekte, zijn naam aldus liet stellen: „Antony van Leeuwenhoek,” dan acht ik mij hierdoor genoegzaam verantwoord zijn naam ook aldus te schrijven.↑5Margaretha Bel van den Bergh was de dochter van Jacob Sebastiaanzn.[7]Bel van den Bergh, van een oud en aanzienlijk Delftsch geslacht. Deze laatste was in 1608 lid der 40en van de Stedelijke Regeering, en in 1610 en 1612 Schepen van Delft, terwijl reeds in 1579 bij Boitet gewag gemaakt wordt van zijn vader Bastiaan Corneliszn., als lid der 40en, Kerkmeester, en andere waardigheden bekleedende.↑6In een oud familie-register in mijn bezit vindt men aangeteekend, dat zijn oudste zuster Margaretha, uit haar huwelijk met Jan du Molyn, vijf kinderen geboren werden, namelijk Philippus, Maria, Margaretha, Geertruida en Antony, waarvan Maria huwde met Cornelis Haaxman, terwijl Philippus en Geertruida ongehuwd overleden, Margaretha met Arnoldus van den Heuvel en Antony met .… Poelgeest huwde, welke laatste zich aan de geneeskunde wijdde. Van dezen Antony Molyn (of du Molyn), die zich tot voortzetting zijner studiën naar Parijs begaf, maakt Leeuwenhoek gewag in zijn brief aan Christiaan Huygens, d.d. 15 Mei 1679, aanwezig in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool en waarvan eene kopie in mijn bezit is.↑7Boitet, „Beschrijving der stad Delft, 1729, in fol., blz. 765.” Isaac van Haastert, „Antony van Leeuwenhoek vereerend herdacht, 1823, pag. 10” D. Hoogstraten, „Algemeen Woordenboek voor Kunsten en Wetenschappen 1729, blz. 138.”↑822ste Sendbrief, blz. 206.↑9Dat de brouwers veelal onder de aanzienlijke en rijke burgers gerekend werden, kan blijken uit hetgeen bij Boitet, bl. 646, gemeld wordt.„Yder weet ook, dat de brouwers in dese stad altijt boven andere koopluiden verheven wierden;mannen die doorgaans op het kussen der stad zaten.” En dat dit bedrijf goede winsten afwierp blijkt uit het volgend slot van een gedicht van Jacob van der Does:„Wat dunkt u leser? heeft dat volck niet wel gebrout?Dat ’t hare kassen sien voor mout gepropt met gout?”1035ste Brief, blz. 24.↑1128ste Brief, blz. 14. De in dezen brief uitvoerig uitgewerkte berekening is ook van zijn eigen hand aanwezig in de verzameling manuscripten van Leeuwenhoek in de Leidsche Bibliotheek (Cat. VIII. Huygens no. 30).↑124de Sendbrief, blz. 43. Brief aan den Heer Jan Meermans, Burgemeester van Delft.↑13Zie ook den 67sten Brief (2de vervolg) van 1 April 1689, blz. 335, waarin hij berekent, hoe snel het bloed in het lichaam moet loopen, eer het tot de uiterste deelen van de voeten en van daar weder naar het hart komt, en door welke kracht; waarbij hij onder anderen zegt: „Dese myne demonstratiën syn seer licht te verstaan, voor diegeene, die de begintselen van de waterwicht van Mr. Simon van Stevin, sal doorlesen hebben.”Dit blijkt ook nog uit zijn 111de Brief (zevende vervolg) van 9 Mei, 1698, blz. 46, waar hij, onder anderen, sprekende over het oog van den scharrebijter, in eene noot zegt: „Ik spreek hier tegen degeenen, die een weynig in de Gesigt-kunde geoefent syn” en verder: „Wij weten dus, wanneer wij eenig ligchaam voor een vergrootglas stellen, het nog verder, nog digter bij het vergrootglas moet staan, als het brantpunt van het vergrootglas is, en wat verder of te nader bij is, vertoonen de lighamen niet scharp, maar verwart,” enz.↑14Boitet, t. a. p., blz. 795 verhaalt, „dat hij, niet meer dan 16 jaren oud zijnde, als boekhouder en kassier aldaar ageerde; en alhoewel hij door de bezigheid van deze tweevoudige bediening werk genoeg had om dezelve in orde waar te nemen, wist zijne buitengewone naarstigheid gedurig noch[10]zooveel tijd tot de lakenwerkerij uit te koopen, dat hij binnen den tijd van zes weken als meester zijn proef deed, om zich in der tijd tot deze koophandel, waartoe hij zich echter nooit heeft afgezondert, te zetten.”↑15Nieuwenhuis’s „woordenboek van kunsten en wetenschappen enz. 1859 deel V Letter L”.↑16T. a. p., blz. 365.↑17Vergelijk daaromtrent (5de vervolg) de 85ste Brief, blz. 13; de 10de Sendbrief, blz. 96 enPhilos. Transact.Vol. XXXV, pag. 433.↑18Dat Leeuwenhoek inderdaad microscopen voor zijn eigen gebruik er op nahield die sterker vergrootten, dan die hij aan anderen liet zien, blijkt uit hetgeen hij zelf betuigt, in een brief aan Henry Oldenburg, Secretaris der „Royal Society” (no. 96, blz. 170). „Te meer doen ik zeyde, dat nog in datzelfde water, twee à drie soorten van veel kleynder dierkens waren,die voor syn oogen verborgen waren, en die ik door andere glasen en methoden,die ik alleen voor myn zelve houde, kome te sien;” terwijl ook de Hoogleeraar Harting mededeelt, dat op het physisch kabinet te Utrecht een microscoop aanwezig is van Leeuwenhoek, waarvan hij betuigt, dat de lens zeer goed is en bewijst, dat hij het in de kunst van zeer kleine lenzen te slijpen, inderdaad reeds op eene groote hoogte gebracht had. Deze lens, namelijk, was biconvex en vergrootte 270 maal, en alzoo „merkelijk meerder dan de sterkste lens van de microscopen, door Leeuwenhoek aan de „Royal Society” vermaakt, en waarvan de grootste vergrooting door Baker wordt opgegeven als te zijn 160 maal. (P. Harting, „Het microscoop, deszelfs gebruik, geschiedenis en tegenwoordigen toestand,” enz., 3de deel, 1850, blz. 44.↑19Birch, „the History of the Royal Society of London,” 1757, Vol. IV, pag. 365.↑20Het huis, waarin Leeuwenhoek gewoond heeft, is nog aanwezig en te vinden op den hoek der „Botersteeg en het Oude Delft,” wijk 4, no.455, doch het is aan de vóórzijde kennelijk gemoderniseerd, terwijl het aan den kant der Botersteeg en van achteren nog het aanzien van oudheid behouden[16]heeft. Aan de zijde der Botersteeg (Oud-Delft) vindt men nog als eene bijzonderheid aan het ijzeren hek, dat het vóórgedeelte afsluit, eenastrolabiumaangebracht.↑21Familie-register.↑22Ibidem en Boitet, t. a. p., blz. 765.↑23De familie Swalmius behoorde tot een aanzienlijk en deftig geslacht. Bij Boitet, t. a. p., blz. 440, komt in de naamlijst van Predikanten, die sedert de reformatie in Delft gestaan hebben, in het jaar 1617 Henricus Swalmius voor, terwijl in de 40ste Sendbrief, blz. 390, een brief voorkomt aan zijn neef Mr. Adriaan Swalmius, Advocaat voor den Hove van Holland.↑24Er bestaat van Leeuwenhoek een fraai „in olieverw geschilderd” portret, in het bezit van Dr. van Kaathoven, te Leiden. Deze schilderij stelt hem voor in de deftige kleedij van den aanzienlijken stand van dien tijd. Dr. van Kaathoven heeft mij de zeer gewaardeerde toestemming verleend, van deze schilderij eene afbeelding te laten maken, waardoor de waarde dezer uitgave belangrijk verhoogt wordt. Van deze schilderij zijn mij de volgende bijzonderheden door den geachten bezitter medegedeeld: Aan de rechter zijde(links van den toeschouwer) ziet men vóór hem op eene tafel het ontrolde diploma met het aanhangend zegel in rood zegellak (in doos) van het lidmaatschap der Koninklijke Sociëteit te Londen, en vóór zich heeft hij een blad papier waarop onduidelijke figuren zijn getrokken, terwijl hij in de rechter hand een passer houdt. Vóór den donkeren achtergrond is een hemelglobe aangebracht en men bespeurt op dien achtergrond een landschap, waarin men zonder andere voorwerpen, alléén de kronkelingen eener rivier ziet, waarmede waarschijnlijk die der Theems zijn voorgesteld. De naam van den schilder wordt echter niet op de schilderij aangetroffen. Dit geschilderd portret nu komt in gelaatstrekken, houding en kleeding, geheel en al overeen met een ander portret van Leeuwenhoek in zwarte kunst in fol. (eveneens in het bezit van Dr. van Kaathoven), doch hetgeen in het „geschilderd” portret links van den aanschouwer is, ziet men in de prent ter rechter zijde; de donkere achtergrond achter de hemelglobe, stelt op de prent duidelijker een gordijn voor. In de plaats van een passer in de hand staat er op de prent een microscoop van de eerste uitvinding van Leeuwenhoek op de tafel, in plaats van het diploma enz., een eikenblad met galnoten en het vergrootglas, terwijl hij ook, evenals op de[18]schilderij, vóór zich een blad papier heeft, waarop dezelfde, maar nog onduidelijker figuren dan op de schilderij zijn getrokken. Verder ziet men op de prent op den donkeren achtergrond niet het landschap met de kronkelingen der rivier. Onder dit portret in „zwarte kunst” leest men: J. Verkolje pinx., fec. et exc. 1685.Nu is de vraag of dit „geschilderd” portret het „echte” door Verkolje geschilderde is, dat later, hetzij door hem zelven, hetzij door een andere hand in sommige attributen enz.is veranderd? of dat er een ander „geschilderd” portret van Leeuwenhoek bestaat waaronder, even als onder dat van zw. kunst den naam van Verkolje gelezen wordt?(Johannes Verkolje, geb. te Amsterdam 1650, was sedert1672te Delft woonachtig en wordt onder de vermaarde schilders gerekend. Hij overleed te Delft in 1693.) (Zie over zijn leven en schilderijen onder anderen Houbraken, III, blz. 282), doch noch bij dezen schrijver, noch in andere levensbeschrijvingen van Nederlandsche schilders, vond Dr. van Kaathoven onder de werken van J. Verkolje van een ander dan van de prent inzwarte kunstgewag gemaakt.Behalve deze beide beschreven portretten van Leeuwenhoek zijn er nog een zestal andere drukken in het bezit van denzelfden verzamelaar, die onderling eenigermate verschillen, als:„Antonius a Leeuwenhoek, J. Verkolje pinx., A. de Blois fec.” 4o.„Idem, J. Verkolje pinx., A. de Blois fec.”, 4o.„Antoni van Leeuwenhoek, geboren te Delft, Ao. 1632.”„J.Verkoljepinx., Zw. k.” fol.„Antonius a Leeuwenhoek, J. C. Phillips inv. et fec.,” 1747, 8o.„Idem (Antoni). Idem fecit.” 1740, fol.„Antonius Leeuwenhoekius,” J. Gourée sculpt. med.Eindelijk bezit Dr. van Kaathoven nog een op Delftsch aardewerk vervaardigd portret van Leeuwenhoek, dat van boven met een oor voorzien is, bestemd om opgehangen te worden, waarop weder andere attributen dan op de schilderij zijn aangebracht; uit dit portret is Leeuwenhoek bijna niet te herkennen.Ik zelf bezit drie borden van fijn echt Delftsch aardewerk of porcelein, op één waarvan het portret van Leeuwenhoek, dat volkomen in gelaatstrekken en kleeding met het boven beschrevene overeenkomt; links van[19]den aanschouwer ziet men den toren der Oude Kerk te Delft, rechts eene draperie en onderaan „Antoni van Leeuwenhoek, Lit van de Koninglijke Societeyt in Londen, geboren tot Delft 1632”, op een goud veld in zwarte letters gebakken, het geheel met een zware, met kleuren en goud versierden rand omgeven.Het tweede bord stelt voor de „grafnaald,” zooals die zich in de oude Kerk te Delft bevindt, met de buste van Leeuwenhoek en daaronder „P. M: Antoni a Leeuwen. Reg. Anglo. Societ.” omgeven door een zware gouden rand met gekleurde slingers. Op dezen rand leest men in zwarte letters: „Grafnaald van den heer Antoni van Leeuwenhoek in de Oude Kerk te Delft, geboren den 21sten October 1632, overleden den 26sten Augustus 1723.”Op het derde bord is het „familie-wapen” van Leeuwenhoek gebakken, voorstellende een leeuw op een goud veld in schoone kleuren, en boven dien ben ik nog in het bezit van een theeschoteltje, van zeer fijn dun Delftsch porcelein, eveneens met het „familie-wapen” in goud en kleuren, maar in plaats van de kroon, een helm met vederen gedekt door een kroon. Onderaan leest men op een gouden band in zwarte letter „Maria Leeuwenhoek”. De borden zijn op de tentoonstelling van Nederlandsche oudheden, in het jaar 1863 te Delft gehouden, geweest, terwijl zij eveneens, bij gelegenheid der feestelijke herdenking van de ontdekking der microscopische wezens door van Leeuwenhoek, op den 8sten September 1875 te Delft tevieren, op eene tentoonstelling van het geen van Leeuwenhoek’s microscopen en andere bijzonderheden op hem betrekkelijk is kunnen bijeengebracht worden, zullen voorkomen.↑2534ste Brief bl. 11.↑26Zacharias Conrad von Uffenbach, „Merkwürdige Reisen durch Nieder-Sachsen, Holland und Engeland.” Ulm. 1754. 3Th.S. 349.↑2723ste Sendbrief, blz. 31.↑282de vervolg, 66ste brief, blz. 323.↑29Zevende vervolg, 116de Brief, blz. 97.↑305de Vervolg, 93ste Brief, blz. 127.↑31„Merkwürdige Reisen”. etc. t. a. p.↑32Reinier de Graaf te Schoonhoven geboren in het jaar 1641 vestigde zich na voleindigde studiën in zijn geboorteplaats en werd van daar naar Delft beroepen, alwaar hij zich als geneesheer vestigde. Hij schreef behalve zijn werk over het „Succus pancreaticus,” over de voortplanting van den mensch en over de vrouwelijke geslachtsdeelen, waarover zijn grooten strijd met Swammerdam ontstond, waarvan gezegd werd dat hij zoo gevoelig was, wegens de scherpe en onheusche critiek van Swammerdam,[26]dat hij tengevolge daarvan van verdriet stierf. Ook Leeuwenhoek maakt gewag van dezen vinnigen twist en de gevolgen er van. In een brief aan George Garden te Aberdeen van 19 Maart 1694 (2de vervolg 81ste Brief bl. 670)zegt hij:„Wat nu Swammerdam en Reinier de Graaf hare stellingen belangt: Ick hebbe die Heeren speciaal gekend en zij hebben verscheyde malen in myn huys geweest, en met vermaak beschout mijne ontdekkingen en twijfel ook niet, zoo die Heeren nu nog leefden, of zy souden schaamroot werden over hare ingebeelde verdigsels, daar zy tegen malkanderen als yder willende de eer hebben van de nieuwe ontdekking van voorttelinge, door het eyer-nest, door de hevige ontmoetinge, die zy met malkanderen met woorden voerden, de laatste niet alleen siek wierde, maar ook de dood daarop volgde, zoo mij doen ter tijd berigt wierd.”↑33Van dit werk is in 1866 eene Hoogduitsche uitgave in het licht verschenen onder den titel: „P. Harting, Das Mikroskop. Theorie, Gebrauch, Geschichte und gegenwärtiger Zustand der selben. Deutsche Originalausgabe, von Verfasser revidirt und Vervollständigt. Herausgegeben van Dr. Fr. Wilh. Theile. In drei Bänden.”↑34De hoogleeraar Harting zegt onder anderen in zijn bovenvermeld „het Mikroskoop” p. 26, dat de getuigenis van het recht van Hans en Zacharias Janssen op de uitvinding van het microscoop te vinden is in het boekje van Petrus Borellus: „De vero telescopii inventore, cum brevi omnium conspiculiorum historia.… accessit etiam centuria observationum microscopicarum. Hagae comitum 1633,” waarin een brief voorkomt aan den schrijver gericht door Willem Boreel, Middelburger van geboorte en toenmaals gezant bij het Hof van Frankrijk. Uit dezen brief blijkt, dat Boreel den in de buurt van het huis zijns vaders wonenden brillenslijper Hans en diens zoon Zacharias zeer goed gekend heeft, en dikwijls in hun winkel is geweest, en dat door hen, „lang vóór” 1610 microscopen zijn gemaakt, waarvan zij er een aan Prins Maurits gegeven hebben, en naderhand een ander aan den Aartshertog Albert van Oostenrijk, die dit werktuig aan Drebbel schonk, bij wien Boreel het zelf gezien heeft. Vandaar waarom sommigen Drebbel voor den uitvinder hielden, ofschoon het zeer waarschijnlijk is, dat deze eenmaal in het bezit van het microscoop van Hans en Zacharias Janssen zijnde, dit zal hebben nagemaakt.↑35„Het mikroskoop,” enz., Deel III blz. 21.↑3618de Sendbrief, blz. 169.↑37„Het mikroskoop,” enz., Deel III, blz. 34.↑38„Het mikroskoop,” t. a. p., blz. 37.↑39Robert Hooke, een beroemd Engelsch Philosooph en Geneeskundige, was geboren op het eiland Wight, in het jaar 1635 en overleed in 1702. Hij studeerde teOxfordin de medicijnen, werd in 1664 Hoogleeraar in de Wiskunde aan het „Gresham-College” te Londen. Hij muntte ook uit als werktuigkundige en was ten tijde van Leeuwenhoek een der Secretarissen der „Royal Society.”↑40Birch, t. a. p., pag. 393.↑41Nicolaas Hartsoeker was een beroemd Nederlandsch Natuurkundige en werd in 1656 te Gouda geboren. Zijn vader was Remonstrantsch predikant te Rotterdam. Hij was bestemd voor den geestelijken stand, doch wijdde zich, tegen den zin zijns vaders aan de Wis- en Natuurkundige Wetenschappen, zoodat hij, ten einde zijn vader niet zou ontdekken, dat hij des nachts studeerde, de dekens van zijn bed voor de vensters van zijn slaapvertrek spande. Hij betaalde zijn onderwijzer die hem ook optische glazen leerde slijpen, van zijn zakgeld. Het toeval bracht hem tot eene belangrijke ontdekking. Opgemerkt hebbende, dat het einde van een glazen draad, in de vlam eener kaars gehouden, eene bolvormige gedaante kreeg, en dit verschijnsel toepassende op de proeven, die hij Leeuwenhoek had zien doen, vervaardigde hij daarmede microscopen, die hij beweerde die vanLeeuwenhoekte evenaren. Deze was geen vriend van hem, omdat hij voorgaf de ontdekking der zaaddiertjes reeds vóór hem gedaan te hebben. Hoe Leeuwenhoek over hem dacht, blijkt uit een brief d.d. 9 December 1698 (113de Brief, blz. 63) aan Harm. van Zoelen, Oud-Burgemeester van Rotterdam. „Wat voor een persoon desen Hartsoeker is, weet ik niet, omdat er meer zijn, die den naam van Hartsoeker voeren, en ten mynen huyse zijn geweest, en onder anderen veel jaren geleden, een out bedaagt man, die men tot my seyde, dat een prediker van de Remonstrantsche gemeente te Rotterdam was, by sig hebbende een soon, die een jong student was, en welke toen van syn vader veelmaal wierde aangemaant, om nauwkeurig toe te sien, want ik saaken vertoonde, soo als den Prediker seyde, die noyt in de Werelt waren kundig geweest”.…„Dat de HeerHartsoekerde woorden voert, dat hy na syne kennisse, de eerste van allen is, die het saad der dieren met de vergrootglasen heeft beginnen te ondersoeken, komt my vreemt voor” enz. (Hierover later).[32]Hartsoeker hield zich van 1674–1677 te Leiden op, begaf zich daarna naar Parijs en hield zich daar bezig met het vervaardigen van teleskopen. In 1679 keerde hij naar Holland terug, doch ging weder naar Parijs, waar hij tot het jaar 1696 bleef. Hij vestigde zich daarna te Amsterdam, zich bezig houdende met astronomische waarnemingen, en ontving weldra eene uitnoodiging van Czaar Peter den Eerste, om hem als Hoogleeraar in de mathesis naar Petersburg te volgen, welk aanbod hij echter afsloeg. Later nam hij dergelijk beroep naar Dusseldorp aan, keerde later naar Holland terug en overleed te Utrecht in 1725.↑42„Philos. Transactions,” 1677, pag. 226.↑43„Harting’s Mikroskoop,” t. a. p. 3de Deel, blz. 53.↑44Uffenbach’s Reisen enz. t. a. p.↑45„Antoni van Leeuwenhoek, Vereerend herdacht” door Isaac van Haastert enz., 1823.↑46Henry Baker schreef een werk over „Het Nuttig gebruik van het Mikroskoop” en later een ander: „Het Mikroskoop gemakkelijk gemaakt;” beiden door Houttuyn vertaald in 1755 en 1770. Hij verhaalt in het eerstgenoemde werk blz. 453, dat deze 26 microscopen vervat waren in een[35]klein kistje, hetwelk Leeuwenhoek bij zijn overlijden aan de „Royal Society” had nagelaten en dat door Martin Folker aan de Sociëteit werd aangeboden. Men vindt daarvan de mededeeling in „Philos. Transact.” no. 380.Omtrent deze microscopen heb ik dezer dagen, door een mijner betrekkingen te Londen woonachtig, onderzoek laten doen bij den tegenwoordigen secretaris derRoyal SocietyDr. Walter White, die bekend bleek te zijn met de relatiën van dit college met Leeuwenhoek gedurende de jaren 1673–1718. Het was hem bekend dat Leeuwenhoek verschillende voorwerpen aan dat college had ten geschenke gegeven, doch er was daarvan niets meer aanwezig. Er wordt nu nog onderzocht of er soms microscopen van Leeuwenhoek bij het Kings College te vinden zijn, waarvan ik spoedig bericht verwacht, zoodat ik wellicht vóór het afdrukken dezer uitgave daar nog mededeeling van doen kan.↑477de Vervolg, 135ste brief, blz. 305.↑48„Philosophical Transactions” Vol XXXij, pag. 450.↑492de Vervolg, 66ste Brief blz. 308.↑50Deze beschrijving is gevolgd naar „Harting’s mikroskoop,” Deel III blz. 380.↑51Uffenbach geeft over Leeuwenhoek’s werkzaamheid zijn verwondering te kennen („Merkw. Reisen” t. a. p.) in deze bewoordingen: „Es ist zich übrigens nicht genug zu verwundern, über Hern Leeuwenhoek’s grossen Fleisz und Arbeitsamkeit, so woll in Observationen zu machen, als auch Gläser zu schliffen, und die Machienen zu denen Microscopiis zu machen.”↑522de Sendbrief, blz. 22.↑537de Vervolg, 116de Brief, blz. 96.↑54Birch t. a.p., Vol. III, pag. 338 en 346.↑55Birch t. a. p., pag. 346.↑56Birch t. a. p., blz. 349.↑57De eigenhandige brief van Leeuwenhoek aanConstantijnHuygens, waaraan ik deze bijzonderheden ontleend heb, en waarvan een afschrift in mijn bezit is, bevindt zich in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool.↑58„Beiträge zur Biologie der Pflanzen” 2e Heft S. 127.↑59Birch t. a. p., blz. 358.↑60Birch t.a. p., Deel IV pag. 104.↑

1„Revue des deux mondes” 15juillet, 1868 pag. 379.↑

1„Revue des deux mondes” 15juillet, 1868 pag. 379.↑

2N. G. van Kampen, „Beknopte geschiedenis der Letteren en Wetenschappen in de Nederlanden”, 2de deel, blz. 58.↑

2N. G. van Kampen, „Beknopte geschiedenis der Letteren en Wetenschappen in de Nederlanden”, 2de deel, blz. 58.↑

320ste Sendbrief van 13 Maart 1716, blz. 189.↑

320ste Sendbrief van 13 Maart 1716, blz. 189.↑

4De naam van Leeuwenhoek wordt verschillend geschreven. Uit een achttal eigenhandig door hem geschreven brieven aan Constantijn en Christiaan Huygens, en aan N. Oldenburg, Secretaris der „Royal Society” te Londen, van de jaren 1674, 1676, 1677 en 1679, berustende in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool, waarvan ik door de zorg van Dr. du Rieu, „conservator der manuscripten” bij genoemde Bibliotheek, nauwkeurige afschriften bekomen heb, alsmede uit een eigenhandigen brief van Leeuwenhoek aan den Heer L. van Velthuysen, van het jaar 1679, in het bezit van wijlen den Wel-Ed. Geb. Heer Van Dam van Noordeloos te Rotterdam, van welke ik zelf een afschrift mocht nemen, teekent hij zich Antoni (lange i) Leeuwenhoe(c)k, terwijl een andere brief van hem, in het jaar 1701 aan „Burgemeesteren en Regeerders der stad Delft” geschreven, betrekking hebbende op zeker verschil in de steenkolenmaten te Delft en te Rotterdam, welke brief berust in het Archief van Delft, en waarvan mij door den Heer Mr. Soutendam, Secretaris en oud-Archivaris van Delft, welwillend afschrift verleend werd, de onderteekening draagt van Antoni, (lange i) van Leeuwenhoek (zonder c), terwijl in zijne gedrukte brieven decvóór dekaan het einde van zijn naam nu eens gebezigd, dan weggelaten is. Ook moet nog opgemerkt worden, dat hij steeds een langeibezigde bij het „schrijven” van zijn voornaam Antoni, waardoor deze dan ook in zijn gedrukte brieven met eenywordt gespeld. Overigens was het schrijven van decvóór dek, in vroegeren tijd, algemeen en komt in „ick, melck, dick, volmaecktenz.” steeds voor in zijne brieven, terwijl men in het schrijven van den naam in oude tijden geenszins de juistheid en gelijkheid van spelling, of het gebruiken of weglaten van het voorzetsel „van” in acht nam, zoo als in onzen tijd, waar dit verzuim in rechten de belangrijkste gevolgen kan hebben. Voegt men nu hierbij dat Leeuwenhoek’s dochter, die na zijn dood een gedenknaald ter zijner eere in de Oude Kerk te Delft liet oprichten, daarop en op de zerk, die zijn graf dekte, zijn naam aldus liet stellen: „Antony van Leeuwenhoek,” dan acht ik mij hierdoor genoegzaam verantwoord zijn naam ook aldus te schrijven.↑

4De naam van Leeuwenhoek wordt verschillend geschreven. Uit een achttal eigenhandig door hem geschreven brieven aan Constantijn en Christiaan Huygens, en aan N. Oldenburg, Secretaris der „Royal Society” te Londen, van de jaren 1674, 1676, 1677 en 1679, berustende in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool, waarvan ik door de zorg van Dr. du Rieu, „conservator der manuscripten” bij genoemde Bibliotheek, nauwkeurige afschriften bekomen heb, alsmede uit een eigenhandigen brief van Leeuwenhoek aan den Heer L. van Velthuysen, van het jaar 1679, in het bezit van wijlen den Wel-Ed. Geb. Heer Van Dam van Noordeloos te Rotterdam, van welke ik zelf een afschrift mocht nemen, teekent hij zich Antoni (lange i) Leeuwenhoe(c)k, terwijl een andere brief van hem, in het jaar 1701 aan „Burgemeesteren en Regeerders der stad Delft” geschreven, betrekking hebbende op zeker verschil in de steenkolenmaten te Delft en te Rotterdam, welke brief berust in het Archief van Delft, en waarvan mij door den Heer Mr. Soutendam, Secretaris en oud-Archivaris van Delft, welwillend afschrift verleend werd, de onderteekening draagt van Antoni, (lange i) van Leeuwenhoek (zonder c), terwijl in zijne gedrukte brieven decvóór dekaan het einde van zijn naam nu eens gebezigd, dan weggelaten is. Ook moet nog opgemerkt worden, dat hij steeds een langeibezigde bij het „schrijven” van zijn voornaam Antoni, waardoor deze dan ook in zijn gedrukte brieven met eenywordt gespeld. Overigens was het schrijven van decvóór dek, in vroegeren tijd, algemeen en komt in „ick, melck, dick, volmaecktenz.” steeds voor in zijne brieven, terwijl men in het schrijven van den naam in oude tijden geenszins de juistheid en gelijkheid van spelling, of het gebruiken of weglaten van het voorzetsel „van” in acht nam, zoo als in onzen tijd, waar dit verzuim in rechten de belangrijkste gevolgen kan hebben. Voegt men nu hierbij dat Leeuwenhoek’s dochter, die na zijn dood een gedenknaald ter zijner eere in de Oude Kerk te Delft liet oprichten, daarop en op de zerk, die zijn graf dekte, zijn naam aldus liet stellen: „Antony van Leeuwenhoek,” dan acht ik mij hierdoor genoegzaam verantwoord zijn naam ook aldus te schrijven.↑

5Margaretha Bel van den Bergh was de dochter van Jacob Sebastiaanzn.[7]Bel van den Bergh, van een oud en aanzienlijk Delftsch geslacht. Deze laatste was in 1608 lid der 40en van de Stedelijke Regeering, en in 1610 en 1612 Schepen van Delft, terwijl reeds in 1579 bij Boitet gewag gemaakt wordt van zijn vader Bastiaan Corneliszn., als lid der 40en, Kerkmeester, en andere waardigheden bekleedende.↑

5Margaretha Bel van den Bergh was de dochter van Jacob Sebastiaanzn.[7]Bel van den Bergh, van een oud en aanzienlijk Delftsch geslacht. Deze laatste was in 1608 lid der 40en van de Stedelijke Regeering, en in 1610 en 1612 Schepen van Delft, terwijl reeds in 1579 bij Boitet gewag gemaakt wordt van zijn vader Bastiaan Corneliszn., als lid der 40en, Kerkmeester, en andere waardigheden bekleedende.↑

6In een oud familie-register in mijn bezit vindt men aangeteekend, dat zijn oudste zuster Margaretha, uit haar huwelijk met Jan du Molyn, vijf kinderen geboren werden, namelijk Philippus, Maria, Margaretha, Geertruida en Antony, waarvan Maria huwde met Cornelis Haaxman, terwijl Philippus en Geertruida ongehuwd overleden, Margaretha met Arnoldus van den Heuvel en Antony met .… Poelgeest huwde, welke laatste zich aan de geneeskunde wijdde. Van dezen Antony Molyn (of du Molyn), die zich tot voortzetting zijner studiën naar Parijs begaf, maakt Leeuwenhoek gewag in zijn brief aan Christiaan Huygens, d.d. 15 Mei 1679, aanwezig in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool en waarvan eene kopie in mijn bezit is.↑

6In een oud familie-register in mijn bezit vindt men aangeteekend, dat zijn oudste zuster Margaretha, uit haar huwelijk met Jan du Molyn, vijf kinderen geboren werden, namelijk Philippus, Maria, Margaretha, Geertruida en Antony, waarvan Maria huwde met Cornelis Haaxman, terwijl Philippus en Geertruida ongehuwd overleden, Margaretha met Arnoldus van den Heuvel en Antony met .… Poelgeest huwde, welke laatste zich aan de geneeskunde wijdde. Van dezen Antony Molyn (of du Molyn), die zich tot voortzetting zijner studiën naar Parijs begaf, maakt Leeuwenhoek gewag in zijn brief aan Christiaan Huygens, d.d. 15 Mei 1679, aanwezig in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool en waarvan eene kopie in mijn bezit is.↑

7Boitet, „Beschrijving der stad Delft, 1729, in fol., blz. 765.” Isaac van Haastert, „Antony van Leeuwenhoek vereerend herdacht, 1823, pag. 10” D. Hoogstraten, „Algemeen Woordenboek voor Kunsten en Wetenschappen 1729, blz. 138.”↑

7Boitet, „Beschrijving der stad Delft, 1729, in fol., blz. 765.” Isaac van Haastert, „Antony van Leeuwenhoek vereerend herdacht, 1823, pag. 10” D. Hoogstraten, „Algemeen Woordenboek voor Kunsten en Wetenschappen 1729, blz. 138.”↑

822ste Sendbrief, blz. 206.↑

822ste Sendbrief, blz. 206.↑

9Dat de brouwers veelal onder de aanzienlijke en rijke burgers gerekend werden, kan blijken uit hetgeen bij Boitet, bl. 646, gemeld wordt.„Yder weet ook, dat de brouwers in dese stad altijt boven andere koopluiden verheven wierden;mannen die doorgaans op het kussen der stad zaten.” En dat dit bedrijf goede winsten afwierp blijkt uit het volgend slot van een gedicht van Jacob van der Does:„Wat dunkt u leser? heeft dat volck niet wel gebrout?Dat ’t hare kassen sien voor mout gepropt met gout?”

9Dat de brouwers veelal onder de aanzienlijke en rijke burgers gerekend werden, kan blijken uit hetgeen bij Boitet, bl. 646, gemeld wordt.

„Yder weet ook, dat de brouwers in dese stad altijt boven andere koopluiden verheven wierden;mannen die doorgaans op het kussen der stad zaten.” En dat dit bedrijf goede winsten afwierp blijkt uit het volgend slot van een gedicht van Jacob van der Does:

„Wat dunkt u leser? heeft dat volck niet wel gebrout?Dat ’t hare kassen sien voor mout gepropt met gout?”

„Wat dunkt u leser? heeft dat volck niet wel gebrout?Dat ’t hare kassen sien voor mout gepropt met gout?”

„Wat dunkt u leser? heeft dat volck niet wel gebrout?Dat ’t hare kassen sien voor mout gepropt met gout?”

„Wat dunkt u leser? heeft dat volck niet wel gebrout?Dat ’t hare kassen sien voor mout gepropt met gout?”

„Wat dunkt u leser? heeft dat volck niet wel gebrout?

Dat ’t hare kassen sien voor mout gepropt met gout?”

1035ste Brief, blz. 24.↑

1035ste Brief, blz. 24.↑

1128ste Brief, blz. 14. De in dezen brief uitvoerig uitgewerkte berekening is ook van zijn eigen hand aanwezig in de verzameling manuscripten van Leeuwenhoek in de Leidsche Bibliotheek (Cat. VIII. Huygens no. 30).↑

1128ste Brief, blz. 14. De in dezen brief uitvoerig uitgewerkte berekening is ook van zijn eigen hand aanwezig in de verzameling manuscripten van Leeuwenhoek in de Leidsche Bibliotheek (Cat. VIII. Huygens no. 30).↑

124de Sendbrief, blz. 43. Brief aan den Heer Jan Meermans, Burgemeester van Delft.↑

124de Sendbrief, blz. 43. Brief aan den Heer Jan Meermans, Burgemeester van Delft.↑

13Zie ook den 67sten Brief (2de vervolg) van 1 April 1689, blz. 335, waarin hij berekent, hoe snel het bloed in het lichaam moet loopen, eer het tot de uiterste deelen van de voeten en van daar weder naar het hart komt, en door welke kracht; waarbij hij onder anderen zegt: „Dese myne demonstratiën syn seer licht te verstaan, voor diegeene, die de begintselen van de waterwicht van Mr. Simon van Stevin, sal doorlesen hebben.”Dit blijkt ook nog uit zijn 111de Brief (zevende vervolg) van 9 Mei, 1698, blz. 46, waar hij, onder anderen, sprekende over het oog van den scharrebijter, in eene noot zegt: „Ik spreek hier tegen degeenen, die een weynig in de Gesigt-kunde geoefent syn” en verder: „Wij weten dus, wanneer wij eenig ligchaam voor een vergrootglas stellen, het nog verder, nog digter bij het vergrootglas moet staan, als het brantpunt van het vergrootglas is, en wat verder of te nader bij is, vertoonen de lighamen niet scharp, maar verwart,” enz.↑

13Zie ook den 67sten Brief (2de vervolg) van 1 April 1689, blz. 335, waarin hij berekent, hoe snel het bloed in het lichaam moet loopen, eer het tot de uiterste deelen van de voeten en van daar weder naar het hart komt, en door welke kracht; waarbij hij onder anderen zegt: „Dese myne demonstratiën syn seer licht te verstaan, voor diegeene, die de begintselen van de waterwicht van Mr. Simon van Stevin, sal doorlesen hebben.”

Dit blijkt ook nog uit zijn 111de Brief (zevende vervolg) van 9 Mei, 1698, blz. 46, waar hij, onder anderen, sprekende over het oog van den scharrebijter, in eene noot zegt: „Ik spreek hier tegen degeenen, die een weynig in de Gesigt-kunde geoefent syn” en verder: „Wij weten dus, wanneer wij eenig ligchaam voor een vergrootglas stellen, het nog verder, nog digter bij het vergrootglas moet staan, als het brantpunt van het vergrootglas is, en wat verder of te nader bij is, vertoonen de lighamen niet scharp, maar verwart,” enz.↑

14Boitet, t. a. p., blz. 795 verhaalt, „dat hij, niet meer dan 16 jaren oud zijnde, als boekhouder en kassier aldaar ageerde; en alhoewel hij door de bezigheid van deze tweevoudige bediening werk genoeg had om dezelve in orde waar te nemen, wist zijne buitengewone naarstigheid gedurig noch[10]zooveel tijd tot de lakenwerkerij uit te koopen, dat hij binnen den tijd van zes weken als meester zijn proef deed, om zich in der tijd tot deze koophandel, waartoe hij zich echter nooit heeft afgezondert, te zetten.”↑

14Boitet, t. a. p., blz. 795 verhaalt, „dat hij, niet meer dan 16 jaren oud zijnde, als boekhouder en kassier aldaar ageerde; en alhoewel hij door de bezigheid van deze tweevoudige bediening werk genoeg had om dezelve in orde waar te nemen, wist zijne buitengewone naarstigheid gedurig noch[10]zooveel tijd tot de lakenwerkerij uit te koopen, dat hij binnen den tijd van zes weken als meester zijn proef deed, om zich in der tijd tot deze koophandel, waartoe hij zich echter nooit heeft afgezondert, te zetten.”↑

15Nieuwenhuis’s „woordenboek van kunsten en wetenschappen enz. 1859 deel V Letter L”.↑

15Nieuwenhuis’s „woordenboek van kunsten en wetenschappen enz. 1859 deel V Letter L”.↑

16T. a. p., blz. 365.↑

16T. a. p., blz. 365.↑

17Vergelijk daaromtrent (5de vervolg) de 85ste Brief, blz. 13; de 10de Sendbrief, blz. 96 enPhilos. Transact.Vol. XXXV, pag. 433.↑

17Vergelijk daaromtrent (5de vervolg) de 85ste Brief, blz. 13; de 10de Sendbrief, blz. 96 enPhilos. Transact.Vol. XXXV, pag. 433.↑

18Dat Leeuwenhoek inderdaad microscopen voor zijn eigen gebruik er op nahield die sterker vergrootten, dan die hij aan anderen liet zien, blijkt uit hetgeen hij zelf betuigt, in een brief aan Henry Oldenburg, Secretaris der „Royal Society” (no. 96, blz. 170). „Te meer doen ik zeyde, dat nog in datzelfde water, twee à drie soorten van veel kleynder dierkens waren,die voor syn oogen verborgen waren, en die ik door andere glasen en methoden,die ik alleen voor myn zelve houde, kome te sien;” terwijl ook de Hoogleeraar Harting mededeelt, dat op het physisch kabinet te Utrecht een microscoop aanwezig is van Leeuwenhoek, waarvan hij betuigt, dat de lens zeer goed is en bewijst, dat hij het in de kunst van zeer kleine lenzen te slijpen, inderdaad reeds op eene groote hoogte gebracht had. Deze lens, namelijk, was biconvex en vergrootte 270 maal, en alzoo „merkelijk meerder dan de sterkste lens van de microscopen, door Leeuwenhoek aan de „Royal Society” vermaakt, en waarvan de grootste vergrooting door Baker wordt opgegeven als te zijn 160 maal. (P. Harting, „Het microscoop, deszelfs gebruik, geschiedenis en tegenwoordigen toestand,” enz., 3de deel, 1850, blz. 44.↑

18Dat Leeuwenhoek inderdaad microscopen voor zijn eigen gebruik er op nahield die sterker vergrootten, dan die hij aan anderen liet zien, blijkt uit hetgeen hij zelf betuigt, in een brief aan Henry Oldenburg, Secretaris der „Royal Society” (no. 96, blz. 170). „Te meer doen ik zeyde, dat nog in datzelfde water, twee à drie soorten van veel kleynder dierkens waren,die voor syn oogen verborgen waren, en die ik door andere glasen en methoden,die ik alleen voor myn zelve houde, kome te sien;” terwijl ook de Hoogleeraar Harting mededeelt, dat op het physisch kabinet te Utrecht een microscoop aanwezig is van Leeuwenhoek, waarvan hij betuigt, dat de lens zeer goed is en bewijst, dat hij het in de kunst van zeer kleine lenzen te slijpen, inderdaad reeds op eene groote hoogte gebracht had. Deze lens, namelijk, was biconvex en vergrootte 270 maal, en alzoo „merkelijk meerder dan de sterkste lens van de microscopen, door Leeuwenhoek aan de „Royal Society” vermaakt, en waarvan de grootste vergrooting door Baker wordt opgegeven als te zijn 160 maal. (P. Harting, „Het microscoop, deszelfs gebruik, geschiedenis en tegenwoordigen toestand,” enz., 3de deel, 1850, blz. 44.↑

19Birch, „the History of the Royal Society of London,” 1757, Vol. IV, pag. 365.↑

19Birch, „the History of the Royal Society of London,” 1757, Vol. IV, pag. 365.↑

20Het huis, waarin Leeuwenhoek gewoond heeft, is nog aanwezig en te vinden op den hoek der „Botersteeg en het Oude Delft,” wijk 4, no.455, doch het is aan de vóórzijde kennelijk gemoderniseerd, terwijl het aan den kant der Botersteeg en van achteren nog het aanzien van oudheid behouden[16]heeft. Aan de zijde der Botersteeg (Oud-Delft) vindt men nog als eene bijzonderheid aan het ijzeren hek, dat het vóórgedeelte afsluit, eenastrolabiumaangebracht.↑

20Het huis, waarin Leeuwenhoek gewoond heeft, is nog aanwezig en te vinden op den hoek der „Botersteeg en het Oude Delft,” wijk 4, no.455, doch het is aan de vóórzijde kennelijk gemoderniseerd, terwijl het aan den kant der Botersteeg en van achteren nog het aanzien van oudheid behouden[16]heeft. Aan de zijde der Botersteeg (Oud-Delft) vindt men nog als eene bijzonderheid aan het ijzeren hek, dat het vóórgedeelte afsluit, eenastrolabiumaangebracht.↑

21Familie-register.↑

21Familie-register.↑

22Ibidem en Boitet, t. a. p., blz. 765.↑

22Ibidem en Boitet, t. a. p., blz. 765.↑

23De familie Swalmius behoorde tot een aanzienlijk en deftig geslacht. Bij Boitet, t. a. p., blz. 440, komt in de naamlijst van Predikanten, die sedert de reformatie in Delft gestaan hebben, in het jaar 1617 Henricus Swalmius voor, terwijl in de 40ste Sendbrief, blz. 390, een brief voorkomt aan zijn neef Mr. Adriaan Swalmius, Advocaat voor den Hove van Holland.↑

23De familie Swalmius behoorde tot een aanzienlijk en deftig geslacht. Bij Boitet, t. a. p., blz. 440, komt in de naamlijst van Predikanten, die sedert de reformatie in Delft gestaan hebben, in het jaar 1617 Henricus Swalmius voor, terwijl in de 40ste Sendbrief, blz. 390, een brief voorkomt aan zijn neef Mr. Adriaan Swalmius, Advocaat voor den Hove van Holland.↑

24Er bestaat van Leeuwenhoek een fraai „in olieverw geschilderd” portret, in het bezit van Dr. van Kaathoven, te Leiden. Deze schilderij stelt hem voor in de deftige kleedij van den aanzienlijken stand van dien tijd. Dr. van Kaathoven heeft mij de zeer gewaardeerde toestemming verleend, van deze schilderij eene afbeelding te laten maken, waardoor de waarde dezer uitgave belangrijk verhoogt wordt. Van deze schilderij zijn mij de volgende bijzonderheden door den geachten bezitter medegedeeld: Aan de rechter zijde(links van den toeschouwer) ziet men vóór hem op eene tafel het ontrolde diploma met het aanhangend zegel in rood zegellak (in doos) van het lidmaatschap der Koninklijke Sociëteit te Londen, en vóór zich heeft hij een blad papier waarop onduidelijke figuren zijn getrokken, terwijl hij in de rechter hand een passer houdt. Vóór den donkeren achtergrond is een hemelglobe aangebracht en men bespeurt op dien achtergrond een landschap, waarin men zonder andere voorwerpen, alléén de kronkelingen eener rivier ziet, waarmede waarschijnlijk die der Theems zijn voorgesteld. De naam van den schilder wordt echter niet op de schilderij aangetroffen. Dit geschilderd portret nu komt in gelaatstrekken, houding en kleeding, geheel en al overeen met een ander portret van Leeuwenhoek in zwarte kunst in fol. (eveneens in het bezit van Dr. van Kaathoven), doch hetgeen in het „geschilderd” portret links van den aanschouwer is, ziet men in de prent ter rechter zijde; de donkere achtergrond achter de hemelglobe, stelt op de prent duidelijker een gordijn voor. In de plaats van een passer in de hand staat er op de prent een microscoop van de eerste uitvinding van Leeuwenhoek op de tafel, in plaats van het diploma enz., een eikenblad met galnoten en het vergrootglas, terwijl hij ook, evenals op de[18]schilderij, vóór zich een blad papier heeft, waarop dezelfde, maar nog onduidelijker figuren dan op de schilderij zijn getrokken. Verder ziet men op de prent op den donkeren achtergrond niet het landschap met de kronkelingen der rivier. Onder dit portret in „zwarte kunst” leest men: J. Verkolje pinx., fec. et exc. 1685.Nu is de vraag of dit „geschilderd” portret het „echte” door Verkolje geschilderde is, dat later, hetzij door hem zelven, hetzij door een andere hand in sommige attributen enz.is veranderd? of dat er een ander „geschilderd” portret van Leeuwenhoek bestaat waaronder, even als onder dat van zw. kunst den naam van Verkolje gelezen wordt?(Johannes Verkolje, geb. te Amsterdam 1650, was sedert1672te Delft woonachtig en wordt onder de vermaarde schilders gerekend. Hij overleed te Delft in 1693.) (Zie over zijn leven en schilderijen onder anderen Houbraken, III, blz. 282), doch noch bij dezen schrijver, noch in andere levensbeschrijvingen van Nederlandsche schilders, vond Dr. van Kaathoven onder de werken van J. Verkolje van een ander dan van de prent inzwarte kunstgewag gemaakt.Behalve deze beide beschreven portretten van Leeuwenhoek zijn er nog een zestal andere drukken in het bezit van denzelfden verzamelaar, die onderling eenigermate verschillen, als:„Antonius a Leeuwenhoek, J. Verkolje pinx., A. de Blois fec.” 4o.„Idem, J. Verkolje pinx., A. de Blois fec.”, 4o.„Antoni van Leeuwenhoek, geboren te Delft, Ao. 1632.”„J.Verkoljepinx., Zw. k.” fol.„Antonius a Leeuwenhoek, J. C. Phillips inv. et fec.,” 1747, 8o.„Idem (Antoni). Idem fecit.” 1740, fol.„Antonius Leeuwenhoekius,” J. Gourée sculpt. med.Eindelijk bezit Dr. van Kaathoven nog een op Delftsch aardewerk vervaardigd portret van Leeuwenhoek, dat van boven met een oor voorzien is, bestemd om opgehangen te worden, waarop weder andere attributen dan op de schilderij zijn aangebracht; uit dit portret is Leeuwenhoek bijna niet te herkennen.Ik zelf bezit drie borden van fijn echt Delftsch aardewerk of porcelein, op één waarvan het portret van Leeuwenhoek, dat volkomen in gelaatstrekken en kleeding met het boven beschrevene overeenkomt; links van[19]den aanschouwer ziet men den toren der Oude Kerk te Delft, rechts eene draperie en onderaan „Antoni van Leeuwenhoek, Lit van de Koninglijke Societeyt in Londen, geboren tot Delft 1632”, op een goud veld in zwarte letters gebakken, het geheel met een zware, met kleuren en goud versierden rand omgeven.Het tweede bord stelt voor de „grafnaald,” zooals die zich in de oude Kerk te Delft bevindt, met de buste van Leeuwenhoek en daaronder „P. M: Antoni a Leeuwen. Reg. Anglo. Societ.” omgeven door een zware gouden rand met gekleurde slingers. Op dezen rand leest men in zwarte letters: „Grafnaald van den heer Antoni van Leeuwenhoek in de Oude Kerk te Delft, geboren den 21sten October 1632, overleden den 26sten Augustus 1723.”Op het derde bord is het „familie-wapen” van Leeuwenhoek gebakken, voorstellende een leeuw op een goud veld in schoone kleuren, en boven dien ben ik nog in het bezit van een theeschoteltje, van zeer fijn dun Delftsch porcelein, eveneens met het „familie-wapen” in goud en kleuren, maar in plaats van de kroon, een helm met vederen gedekt door een kroon. Onderaan leest men op een gouden band in zwarte letter „Maria Leeuwenhoek”. De borden zijn op de tentoonstelling van Nederlandsche oudheden, in het jaar 1863 te Delft gehouden, geweest, terwijl zij eveneens, bij gelegenheid der feestelijke herdenking van de ontdekking der microscopische wezens door van Leeuwenhoek, op den 8sten September 1875 te Delft tevieren, op eene tentoonstelling van het geen van Leeuwenhoek’s microscopen en andere bijzonderheden op hem betrekkelijk is kunnen bijeengebracht worden, zullen voorkomen.↑

24Er bestaat van Leeuwenhoek een fraai „in olieverw geschilderd” portret, in het bezit van Dr. van Kaathoven, te Leiden. Deze schilderij stelt hem voor in de deftige kleedij van den aanzienlijken stand van dien tijd. Dr. van Kaathoven heeft mij de zeer gewaardeerde toestemming verleend, van deze schilderij eene afbeelding te laten maken, waardoor de waarde dezer uitgave belangrijk verhoogt wordt. Van deze schilderij zijn mij de volgende bijzonderheden door den geachten bezitter medegedeeld: Aan de rechter zijde(links van den toeschouwer) ziet men vóór hem op eene tafel het ontrolde diploma met het aanhangend zegel in rood zegellak (in doos) van het lidmaatschap der Koninklijke Sociëteit te Londen, en vóór zich heeft hij een blad papier waarop onduidelijke figuren zijn getrokken, terwijl hij in de rechter hand een passer houdt. Vóór den donkeren achtergrond is een hemelglobe aangebracht en men bespeurt op dien achtergrond een landschap, waarin men zonder andere voorwerpen, alléén de kronkelingen eener rivier ziet, waarmede waarschijnlijk die der Theems zijn voorgesteld. De naam van den schilder wordt echter niet op de schilderij aangetroffen. Dit geschilderd portret nu komt in gelaatstrekken, houding en kleeding, geheel en al overeen met een ander portret van Leeuwenhoek in zwarte kunst in fol. (eveneens in het bezit van Dr. van Kaathoven), doch hetgeen in het „geschilderd” portret links van den aanschouwer is, ziet men in de prent ter rechter zijde; de donkere achtergrond achter de hemelglobe, stelt op de prent duidelijker een gordijn voor. In de plaats van een passer in de hand staat er op de prent een microscoop van de eerste uitvinding van Leeuwenhoek op de tafel, in plaats van het diploma enz., een eikenblad met galnoten en het vergrootglas, terwijl hij ook, evenals op de[18]schilderij, vóór zich een blad papier heeft, waarop dezelfde, maar nog onduidelijker figuren dan op de schilderij zijn getrokken. Verder ziet men op de prent op den donkeren achtergrond niet het landschap met de kronkelingen der rivier. Onder dit portret in „zwarte kunst” leest men: J. Verkolje pinx., fec. et exc. 1685.

Nu is de vraag of dit „geschilderd” portret het „echte” door Verkolje geschilderde is, dat later, hetzij door hem zelven, hetzij door een andere hand in sommige attributen enz.is veranderd? of dat er een ander „geschilderd” portret van Leeuwenhoek bestaat waaronder, even als onder dat van zw. kunst den naam van Verkolje gelezen wordt?

(Johannes Verkolje, geb. te Amsterdam 1650, was sedert1672te Delft woonachtig en wordt onder de vermaarde schilders gerekend. Hij overleed te Delft in 1693.) (Zie over zijn leven en schilderijen onder anderen Houbraken, III, blz. 282), doch noch bij dezen schrijver, noch in andere levensbeschrijvingen van Nederlandsche schilders, vond Dr. van Kaathoven onder de werken van J. Verkolje van een ander dan van de prent inzwarte kunstgewag gemaakt.

Behalve deze beide beschreven portretten van Leeuwenhoek zijn er nog een zestal andere drukken in het bezit van denzelfden verzamelaar, die onderling eenigermate verschillen, als:

Eindelijk bezit Dr. van Kaathoven nog een op Delftsch aardewerk vervaardigd portret van Leeuwenhoek, dat van boven met een oor voorzien is, bestemd om opgehangen te worden, waarop weder andere attributen dan op de schilderij zijn aangebracht; uit dit portret is Leeuwenhoek bijna niet te herkennen.

Ik zelf bezit drie borden van fijn echt Delftsch aardewerk of porcelein, op één waarvan het portret van Leeuwenhoek, dat volkomen in gelaatstrekken en kleeding met het boven beschrevene overeenkomt; links van[19]den aanschouwer ziet men den toren der Oude Kerk te Delft, rechts eene draperie en onderaan „Antoni van Leeuwenhoek, Lit van de Koninglijke Societeyt in Londen, geboren tot Delft 1632”, op een goud veld in zwarte letters gebakken, het geheel met een zware, met kleuren en goud versierden rand omgeven.

Het tweede bord stelt voor de „grafnaald,” zooals die zich in de oude Kerk te Delft bevindt, met de buste van Leeuwenhoek en daaronder „P. M: Antoni a Leeuwen. Reg. Anglo. Societ.” omgeven door een zware gouden rand met gekleurde slingers. Op dezen rand leest men in zwarte letters: „Grafnaald van den heer Antoni van Leeuwenhoek in de Oude Kerk te Delft, geboren den 21sten October 1632, overleden den 26sten Augustus 1723.”

Op het derde bord is het „familie-wapen” van Leeuwenhoek gebakken, voorstellende een leeuw op een goud veld in schoone kleuren, en boven dien ben ik nog in het bezit van een theeschoteltje, van zeer fijn dun Delftsch porcelein, eveneens met het „familie-wapen” in goud en kleuren, maar in plaats van de kroon, een helm met vederen gedekt door een kroon. Onderaan leest men op een gouden band in zwarte letter „Maria Leeuwenhoek”. De borden zijn op de tentoonstelling van Nederlandsche oudheden, in het jaar 1863 te Delft gehouden, geweest, terwijl zij eveneens, bij gelegenheid der feestelijke herdenking van de ontdekking der microscopische wezens door van Leeuwenhoek, op den 8sten September 1875 te Delft tevieren, op eene tentoonstelling van het geen van Leeuwenhoek’s microscopen en andere bijzonderheden op hem betrekkelijk is kunnen bijeengebracht worden, zullen voorkomen.↑

2534ste Brief bl. 11.↑

2534ste Brief bl. 11.↑

26Zacharias Conrad von Uffenbach, „Merkwürdige Reisen durch Nieder-Sachsen, Holland und Engeland.” Ulm. 1754. 3Th.S. 349.↑

26Zacharias Conrad von Uffenbach, „Merkwürdige Reisen durch Nieder-Sachsen, Holland und Engeland.” Ulm. 1754. 3Th.S. 349.↑

2723ste Sendbrief, blz. 31.↑

2723ste Sendbrief, blz. 31.↑

282de vervolg, 66ste brief, blz. 323.↑

282de vervolg, 66ste brief, blz. 323.↑

29Zevende vervolg, 116de Brief, blz. 97.↑

29Zevende vervolg, 116de Brief, blz. 97.↑

305de Vervolg, 93ste Brief, blz. 127.↑

305de Vervolg, 93ste Brief, blz. 127.↑

31„Merkwürdige Reisen”. etc. t. a. p.↑

31„Merkwürdige Reisen”. etc. t. a. p.↑

32Reinier de Graaf te Schoonhoven geboren in het jaar 1641 vestigde zich na voleindigde studiën in zijn geboorteplaats en werd van daar naar Delft beroepen, alwaar hij zich als geneesheer vestigde. Hij schreef behalve zijn werk over het „Succus pancreaticus,” over de voortplanting van den mensch en over de vrouwelijke geslachtsdeelen, waarover zijn grooten strijd met Swammerdam ontstond, waarvan gezegd werd dat hij zoo gevoelig was, wegens de scherpe en onheusche critiek van Swammerdam,[26]dat hij tengevolge daarvan van verdriet stierf. Ook Leeuwenhoek maakt gewag van dezen vinnigen twist en de gevolgen er van. In een brief aan George Garden te Aberdeen van 19 Maart 1694 (2de vervolg 81ste Brief bl. 670)zegt hij:„Wat nu Swammerdam en Reinier de Graaf hare stellingen belangt: Ick hebbe die Heeren speciaal gekend en zij hebben verscheyde malen in myn huys geweest, en met vermaak beschout mijne ontdekkingen en twijfel ook niet, zoo die Heeren nu nog leefden, of zy souden schaamroot werden over hare ingebeelde verdigsels, daar zy tegen malkanderen als yder willende de eer hebben van de nieuwe ontdekking van voorttelinge, door het eyer-nest, door de hevige ontmoetinge, die zy met malkanderen met woorden voerden, de laatste niet alleen siek wierde, maar ook de dood daarop volgde, zoo mij doen ter tijd berigt wierd.”↑

32Reinier de Graaf te Schoonhoven geboren in het jaar 1641 vestigde zich na voleindigde studiën in zijn geboorteplaats en werd van daar naar Delft beroepen, alwaar hij zich als geneesheer vestigde. Hij schreef behalve zijn werk over het „Succus pancreaticus,” over de voortplanting van den mensch en over de vrouwelijke geslachtsdeelen, waarover zijn grooten strijd met Swammerdam ontstond, waarvan gezegd werd dat hij zoo gevoelig was, wegens de scherpe en onheusche critiek van Swammerdam,[26]dat hij tengevolge daarvan van verdriet stierf. Ook Leeuwenhoek maakt gewag van dezen vinnigen twist en de gevolgen er van. In een brief aan George Garden te Aberdeen van 19 Maart 1694 (2de vervolg 81ste Brief bl. 670)zegt hij:„Wat nu Swammerdam en Reinier de Graaf hare stellingen belangt: Ick hebbe die Heeren speciaal gekend en zij hebben verscheyde malen in myn huys geweest, en met vermaak beschout mijne ontdekkingen en twijfel ook niet, zoo die Heeren nu nog leefden, of zy souden schaamroot werden over hare ingebeelde verdigsels, daar zy tegen malkanderen als yder willende de eer hebben van de nieuwe ontdekking van voorttelinge, door het eyer-nest, door de hevige ontmoetinge, die zy met malkanderen met woorden voerden, de laatste niet alleen siek wierde, maar ook de dood daarop volgde, zoo mij doen ter tijd berigt wierd.”↑

33Van dit werk is in 1866 eene Hoogduitsche uitgave in het licht verschenen onder den titel: „P. Harting, Das Mikroskop. Theorie, Gebrauch, Geschichte und gegenwärtiger Zustand der selben. Deutsche Originalausgabe, von Verfasser revidirt und Vervollständigt. Herausgegeben van Dr. Fr. Wilh. Theile. In drei Bänden.”↑

33Van dit werk is in 1866 eene Hoogduitsche uitgave in het licht verschenen onder den titel: „P. Harting, Das Mikroskop. Theorie, Gebrauch, Geschichte und gegenwärtiger Zustand der selben. Deutsche Originalausgabe, von Verfasser revidirt und Vervollständigt. Herausgegeben van Dr. Fr. Wilh. Theile. In drei Bänden.”↑

34De hoogleeraar Harting zegt onder anderen in zijn bovenvermeld „het Mikroskoop” p. 26, dat de getuigenis van het recht van Hans en Zacharias Janssen op de uitvinding van het microscoop te vinden is in het boekje van Petrus Borellus: „De vero telescopii inventore, cum brevi omnium conspiculiorum historia.… accessit etiam centuria observationum microscopicarum. Hagae comitum 1633,” waarin een brief voorkomt aan den schrijver gericht door Willem Boreel, Middelburger van geboorte en toenmaals gezant bij het Hof van Frankrijk. Uit dezen brief blijkt, dat Boreel den in de buurt van het huis zijns vaders wonenden brillenslijper Hans en diens zoon Zacharias zeer goed gekend heeft, en dikwijls in hun winkel is geweest, en dat door hen, „lang vóór” 1610 microscopen zijn gemaakt, waarvan zij er een aan Prins Maurits gegeven hebben, en naderhand een ander aan den Aartshertog Albert van Oostenrijk, die dit werktuig aan Drebbel schonk, bij wien Boreel het zelf gezien heeft. Vandaar waarom sommigen Drebbel voor den uitvinder hielden, ofschoon het zeer waarschijnlijk is, dat deze eenmaal in het bezit van het microscoop van Hans en Zacharias Janssen zijnde, dit zal hebben nagemaakt.↑

34De hoogleeraar Harting zegt onder anderen in zijn bovenvermeld „het Mikroskoop” p. 26, dat de getuigenis van het recht van Hans en Zacharias Janssen op de uitvinding van het microscoop te vinden is in het boekje van Petrus Borellus: „De vero telescopii inventore, cum brevi omnium conspiculiorum historia.… accessit etiam centuria observationum microscopicarum. Hagae comitum 1633,” waarin een brief voorkomt aan den schrijver gericht door Willem Boreel, Middelburger van geboorte en toenmaals gezant bij het Hof van Frankrijk. Uit dezen brief blijkt, dat Boreel den in de buurt van het huis zijns vaders wonenden brillenslijper Hans en diens zoon Zacharias zeer goed gekend heeft, en dikwijls in hun winkel is geweest, en dat door hen, „lang vóór” 1610 microscopen zijn gemaakt, waarvan zij er een aan Prins Maurits gegeven hebben, en naderhand een ander aan den Aartshertog Albert van Oostenrijk, die dit werktuig aan Drebbel schonk, bij wien Boreel het zelf gezien heeft. Vandaar waarom sommigen Drebbel voor den uitvinder hielden, ofschoon het zeer waarschijnlijk is, dat deze eenmaal in het bezit van het microscoop van Hans en Zacharias Janssen zijnde, dit zal hebben nagemaakt.↑

35„Het mikroskoop,” enz., Deel III blz. 21.↑

35„Het mikroskoop,” enz., Deel III blz. 21.↑

3618de Sendbrief, blz. 169.↑

3618de Sendbrief, blz. 169.↑

37„Het mikroskoop,” enz., Deel III, blz. 34.↑

37„Het mikroskoop,” enz., Deel III, blz. 34.↑

38„Het mikroskoop,” t. a. p., blz. 37.↑

38„Het mikroskoop,” t. a. p., blz. 37.↑

39Robert Hooke, een beroemd Engelsch Philosooph en Geneeskundige, was geboren op het eiland Wight, in het jaar 1635 en overleed in 1702. Hij studeerde teOxfordin de medicijnen, werd in 1664 Hoogleeraar in de Wiskunde aan het „Gresham-College” te Londen. Hij muntte ook uit als werktuigkundige en was ten tijde van Leeuwenhoek een der Secretarissen der „Royal Society.”↑

39Robert Hooke, een beroemd Engelsch Philosooph en Geneeskundige, was geboren op het eiland Wight, in het jaar 1635 en overleed in 1702. Hij studeerde teOxfordin de medicijnen, werd in 1664 Hoogleeraar in de Wiskunde aan het „Gresham-College” te Londen. Hij muntte ook uit als werktuigkundige en was ten tijde van Leeuwenhoek een der Secretarissen der „Royal Society.”↑

40Birch, t. a. p., pag. 393.↑

40Birch, t. a. p., pag. 393.↑

41Nicolaas Hartsoeker was een beroemd Nederlandsch Natuurkundige en werd in 1656 te Gouda geboren. Zijn vader was Remonstrantsch predikant te Rotterdam. Hij was bestemd voor den geestelijken stand, doch wijdde zich, tegen den zin zijns vaders aan de Wis- en Natuurkundige Wetenschappen, zoodat hij, ten einde zijn vader niet zou ontdekken, dat hij des nachts studeerde, de dekens van zijn bed voor de vensters van zijn slaapvertrek spande. Hij betaalde zijn onderwijzer die hem ook optische glazen leerde slijpen, van zijn zakgeld. Het toeval bracht hem tot eene belangrijke ontdekking. Opgemerkt hebbende, dat het einde van een glazen draad, in de vlam eener kaars gehouden, eene bolvormige gedaante kreeg, en dit verschijnsel toepassende op de proeven, die hij Leeuwenhoek had zien doen, vervaardigde hij daarmede microscopen, die hij beweerde die vanLeeuwenhoekte evenaren. Deze was geen vriend van hem, omdat hij voorgaf de ontdekking der zaaddiertjes reeds vóór hem gedaan te hebben. Hoe Leeuwenhoek over hem dacht, blijkt uit een brief d.d. 9 December 1698 (113de Brief, blz. 63) aan Harm. van Zoelen, Oud-Burgemeester van Rotterdam. „Wat voor een persoon desen Hartsoeker is, weet ik niet, omdat er meer zijn, die den naam van Hartsoeker voeren, en ten mynen huyse zijn geweest, en onder anderen veel jaren geleden, een out bedaagt man, die men tot my seyde, dat een prediker van de Remonstrantsche gemeente te Rotterdam was, by sig hebbende een soon, die een jong student was, en welke toen van syn vader veelmaal wierde aangemaant, om nauwkeurig toe te sien, want ik saaken vertoonde, soo als den Prediker seyde, die noyt in de Werelt waren kundig geweest”.…„Dat de HeerHartsoekerde woorden voert, dat hy na syne kennisse, de eerste van allen is, die het saad der dieren met de vergrootglasen heeft beginnen te ondersoeken, komt my vreemt voor” enz. (Hierover later).[32]Hartsoeker hield zich van 1674–1677 te Leiden op, begaf zich daarna naar Parijs en hield zich daar bezig met het vervaardigen van teleskopen. In 1679 keerde hij naar Holland terug, doch ging weder naar Parijs, waar hij tot het jaar 1696 bleef. Hij vestigde zich daarna te Amsterdam, zich bezig houdende met astronomische waarnemingen, en ontving weldra eene uitnoodiging van Czaar Peter den Eerste, om hem als Hoogleeraar in de mathesis naar Petersburg te volgen, welk aanbod hij echter afsloeg. Later nam hij dergelijk beroep naar Dusseldorp aan, keerde later naar Holland terug en overleed te Utrecht in 1725.↑

41Nicolaas Hartsoeker was een beroemd Nederlandsch Natuurkundige en werd in 1656 te Gouda geboren. Zijn vader was Remonstrantsch predikant te Rotterdam. Hij was bestemd voor den geestelijken stand, doch wijdde zich, tegen den zin zijns vaders aan de Wis- en Natuurkundige Wetenschappen, zoodat hij, ten einde zijn vader niet zou ontdekken, dat hij des nachts studeerde, de dekens van zijn bed voor de vensters van zijn slaapvertrek spande. Hij betaalde zijn onderwijzer die hem ook optische glazen leerde slijpen, van zijn zakgeld. Het toeval bracht hem tot eene belangrijke ontdekking. Opgemerkt hebbende, dat het einde van een glazen draad, in de vlam eener kaars gehouden, eene bolvormige gedaante kreeg, en dit verschijnsel toepassende op de proeven, die hij Leeuwenhoek had zien doen, vervaardigde hij daarmede microscopen, die hij beweerde die vanLeeuwenhoekte evenaren. Deze was geen vriend van hem, omdat hij voorgaf de ontdekking der zaaddiertjes reeds vóór hem gedaan te hebben. Hoe Leeuwenhoek over hem dacht, blijkt uit een brief d.d. 9 December 1698 (113de Brief, blz. 63) aan Harm. van Zoelen, Oud-Burgemeester van Rotterdam. „Wat voor een persoon desen Hartsoeker is, weet ik niet, omdat er meer zijn, die den naam van Hartsoeker voeren, en ten mynen huyse zijn geweest, en onder anderen veel jaren geleden, een out bedaagt man, die men tot my seyde, dat een prediker van de Remonstrantsche gemeente te Rotterdam was, by sig hebbende een soon, die een jong student was, en welke toen van syn vader veelmaal wierde aangemaant, om nauwkeurig toe te sien, want ik saaken vertoonde, soo als den Prediker seyde, die noyt in de Werelt waren kundig geweest”.…„Dat de HeerHartsoekerde woorden voert, dat hy na syne kennisse, de eerste van allen is, die het saad der dieren met de vergrootglasen heeft beginnen te ondersoeken, komt my vreemt voor” enz. (Hierover later).[32]

Hartsoeker hield zich van 1674–1677 te Leiden op, begaf zich daarna naar Parijs en hield zich daar bezig met het vervaardigen van teleskopen. In 1679 keerde hij naar Holland terug, doch ging weder naar Parijs, waar hij tot het jaar 1696 bleef. Hij vestigde zich daarna te Amsterdam, zich bezig houdende met astronomische waarnemingen, en ontving weldra eene uitnoodiging van Czaar Peter den Eerste, om hem als Hoogleeraar in de mathesis naar Petersburg te volgen, welk aanbod hij echter afsloeg. Later nam hij dergelijk beroep naar Dusseldorp aan, keerde later naar Holland terug en overleed te Utrecht in 1725.↑

42„Philos. Transactions,” 1677, pag. 226.↑

42„Philos. Transactions,” 1677, pag. 226.↑

43„Harting’s Mikroskoop,” t. a. p. 3de Deel, blz. 53.↑

43„Harting’s Mikroskoop,” t. a. p. 3de Deel, blz. 53.↑

44Uffenbach’s Reisen enz. t. a. p.↑

44Uffenbach’s Reisen enz. t. a. p.↑

45„Antoni van Leeuwenhoek, Vereerend herdacht” door Isaac van Haastert enz., 1823.↑

45„Antoni van Leeuwenhoek, Vereerend herdacht” door Isaac van Haastert enz., 1823.↑

46Henry Baker schreef een werk over „Het Nuttig gebruik van het Mikroskoop” en later een ander: „Het Mikroskoop gemakkelijk gemaakt;” beiden door Houttuyn vertaald in 1755 en 1770. Hij verhaalt in het eerstgenoemde werk blz. 453, dat deze 26 microscopen vervat waren in een[35]klein kistje, hetwelk Leeuwenhoek bij zijn overlijden aan de „Royal Society” had nagelaten en dat door Martin Folker aan de Sociëteit werd aangeboden. Men vindt daarvan de mededeeling in „Philos. Transact.” no. 380.Omtrent deze microscopen heb ik dezer dagen, door een mijner betrekkingen te Londen woonachtig, onderzoek laten doen bij den tegenwoordigen secretaris derRoyal SocietyDr. Walter White, die bekend bleek te zijn met de relatiën van dit college met Leeuwenhoek gedurende de jaren 1673–1718. Het was hem bekend dat Leeuwenhoek verschillende voorwerpen aan dat college had ten geschenke gegeven, doch er was daarvan niets meer aanwezig. Er wordt nu nog onderzocht of er soms microscopen van Leeuwenhoek bij het Kings College te vinden zijn, waarvan ik spoedig bericht verwacht, zoodat ik wellicht vóór het afdrukken dezer uitgave daar nog mededeeling van doen kan.↑

46Henry Baker schreef een werk over „Het Nuttig gebruik van het Mikroskoop” en later een ander: „Het Mikroskoop gemakkelijk gemaakt;” beiden door Houttuyn vertaald in 1755 en 1770. Hij verhaalt in het eerstgenoemde werk blz. 453, dat deze 26 microscopen vervat waren in een[35]klein kistje, hetwelk Leeuwenhoek bij zijn overlijden aan de „Royal Society” had nagelaten en dat door Martin Folker aan de Sociëteit werd aangeboden. Men vindt daarvan de mededeeling in „Philos. Transact.” no. 380.

Omtrent deze microscopen heb ik dezer dagen, door een mijner betrekkingen te Londen woonachtig, onderzoek laten doen bij den tegenwoordigen secretaris derRoyal SocietyDr. Walter White, die bekend bleek te zijn met de relatiën van dit college met Leeuwenhoek gedurende de jaren 1673–1718. Het was hem bekend dat Leeuwenhoek verschillende voorwerpen aan dat college had ten geschenke gegeven, doch er was daarvan niets meer aanwezig. Er wordt nu nog onderzocht of er soms microscopen van Leeuwenhoek bij het Kings College te vinden zijn, waarvan ik spoedig bericht verwacht, zoodat ik wellicht vóór het afdrukken dezer uitgave daar nog mededeeling van doen kan.↑

477de Vervolg, 135ste brief, blz. 305.↑

477de Vervolg, 135ste brief, blz. 305.↑

48„Philosophical Transactions” Vol XXXij, pag. 450.↑

48„Philosophical Transactions” Vol XXXij, pag. 450.↑

492de Vervolg, 66ste Brief blz. 308.↑

492de Vervolg, 66ste Brief blz. 308.↑

50Deze beschrijving is gevolgd naar „Harting’s mikroskoop,” Deel III blz. 380.↑

50Deze beschrijving is gevolgd naar „Harting’s mikroskoop,” Deel III blz. 380.↑

51Uffenbach geeft over Leeuwenhoek’s werkzaamheid zijn verwondering te kennen („Merkw. Reisen” t. a. p.) in deze bewoordingen: „Es ist zich übrigens nicht genug zu verwundern, über Hern Leeuwenhoek’s grossen Fleisz und Arbeitsamkeit, so woll in Observationen zu machen, als auch Gläser zu schliffen, und die Machienen zu denen Microscopiis zu machen.”↑

51Uffenbach geeft over Leeuwenhoek’s werkzaamheid zijn verwondering te kennen („Merkw. Reisen” t. a. p.) in deze bewoordingen: „Es ist zich übrigens nicht genug zu verwundern, über Hern Leeuwenhoek’s grossen Fleisz und Arbeitsamkeit, so woll in Observationen zu machen, als auch Gläser zu schliffen, und die Machienen zu denen Microscopiis zu machen.”↑

522de Sendbrief, blz. 22.↑

522de Sendbrief, blz. 22.↑

537de Vervolg, 116de Brief, blz. 96.↑

537de Vervolg, 116de Brief, blz. 96.↑

54Birch t. a.p., Vol. III, pag. 338 en 346.↑

54Birch t. a.p., Vol. III, pag. 338 en 346.↑

55Birch t. a. p., pag. 346.↑

55Birch t. a. p., pag. 346.↑

56Birch t. a. p., blz. 349.↑

56Birch t. a. p., blz. 349.↑

57De eigenhandige brief van Leeuwenhoek aanConstantijnHuygens, waaraan ik deze bijzonderheden ontleend heb, en waarvan een afschrift in mijn bezit is, bevindt zich in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool.↑

57De eigenhandige brief van Leeuwenhoek aanConstantijnHuygens, waaraan ik deze bijzonderheden ontleend heb, en waarvan een afschrift in mijn bezit is, bevindt zich in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool.↑

58„Beiträge zur Biologie der Pflanzen” 2e Heft S. 127.↑

58„Beiträge zur Biologie der Pflanzen” 2e Heft S. 127.↑

59Birch t. a. p., blz. 358.↑

59Birch t. a. p., blz. 358.↑

60Birch t.a. p., Deel IV pag. 104.↑

60Birch t.a. p., Deel IV pag. 104.↑


Back to IndexNext