Chapter 3

402a1—22. Voortreffelijkheid der zielkunde boven andere studieën doordat de ziel overgang vormt tusschen de waarheid in ’t algemeen en de natuur. Haar onderwerp in ’t algemeen. Hare moeilijkheid omdat met het onderwerp tevens de methode van wijsgeerig onderzoek en de grondslagen van het onderzoek moeten gevonden worden.402a. Als wij het weten iets schoons en kostbaars achten en de eene wetenschap meer dan de andere of door hare nauwkeurige methode of omdat haar onderwerp beter en belangwekkender is, stellen wij met recht om beide redenen de zielkunde voorop. De kennis der ziel zal ook voor alle waarheid veel bijdragen en voornamelijk voor de (kennis der) natuur; want de ziel is, zoo te zeggen, het principe1der levende wezens. Wij zoeken hare natuur en wezen te leeren kennen en dan verder hare eigenschappen; sommige daarvan denkt men zich als aan de ziel op zich zelf eigen, andere zullen door haar ook aan ’t levend geheel behooren. t Is in alle opzichten allermoeilijkst eenige zekere kennis omtrent haar te erlangen. Want daar de vraag omtrent het wezen ook voorkomt in vele andere gevallen, zou men allicht denken aan één methode voor alles, waarvan wij het wezen willen leeren kennen—zooals afleiding[36]geldt voor de tot het wezen behoorende eigenschappen2—en dan zou men dus die methode moeten zoeken. Wanneer de eene en algemeene methode betreffende het wezen ontbreekt, wordt de behandeling nog moeilijker, want dan zal men de voor elk geval geldige manier moeten krijgen. En als het blijkt of die afleiding is of ontleding3, of ook eenige andere methode, brengt de vraag nog moeilijkheden en dwalingen genoeg, waarvan het onderzoek moet uitgaan; want de elementen van verschillende dingen zijn verschillend, zooals van getallen en vlakken4.402 a 23—b 16. Algemeene vragen: 1. Tot welke derkategorieënbehoort de ziel? 2. Is zij mogelijkheid of werkzaamheid. 3. Gedeeld of ondeelbaar? 4. Zijn alle zielen gelijksoortig? Zoo niet, geldt het onderscheid het geslacht of alleen de soort? 5. Is er één algemeene bepaling voor ziel, levend wezen en dergelijke algemeenheden? 6. Als de ziel gedeeld is, moet men beginnen met het geheel of met de deelen? 7. Hoe onderscheiden zich de deelen? 8. Moet men eerst de werking der deelen onderzoeken en nog eerder hun voorwerpen?Vooreerst zat men wel moeten bepalen tot welke kategorie5de ziel behoort, tot die der substantie, der[37]hoedanigheid, der hoeveelheid of tot een andere der onderscheidenkategorieën. Voorts—wat niet weinig verschilt—of zij aanleg is dan veeleer een zekere werkzaamheid6. 402b. Ook moet men nagaan of zij deelbaar of ongedeeld is en of alle ziel gelijksoortig is of niet; en zoo niet, of zij dan naar soort of naar geslacht onderscheiden zijn. Wie immers nu wetenschappelijk spreken over de ziel, lijken alleen de menschelijke ziel na te gaan.Wij dienen er op te letten, evenals bij andere algemeene begrippen, of van de ziel één definitie geldt, zooals van levend wezen, dan of die met elke ziel wisselt, zooals van paard, hond, mensch en god, terwijl dan het levend wezen in ’t algemeen niets meer is dat een abstractie7.Verder als er niet van meerdere zielen sprake kan zijn, maar van deelen (van ééne), of men ’t onderzoek beginnen moet met de heele ziel of met de deelen. Ook is het moeilijk te bepalen wat het verschil is tusschen de deelen onderling en of men eerst de deelen moet na gaan of hun verrichtingen bijv. het denken of den geest, het waarnemen of het waarnemingsvermogen enz.8. Zoo men moet beginnen met de verrichtingen, dan zou men weer kunnen vragen of men niet nog eerder de objecten moet nagaan bijv. het waarneembare vóór het waarnemingsvermogen en de denkbaarheid vóór den geest.[38]402 b 16—403 a 2. (Want verrichting en voorwerp kunnen het wezen doen kennen). Men kan door het wezen de eigenschappen onderzoeken of omgekeerd steunen op de ervaring der eigenschappen voor de bepaling van het wezen en de bepaling van het wezen (aanvang van het bewijs) die niets omtrent de eigenschappen leert, is zinledig.Blijkbaar is niet slechts de kennis van het wezen van nut tot het begrijpen van de gronden van de eigenschappen der dingen—zooals in de wiskunde het begrip van het rechte en kromme of van lijn en vlak tot het inzicht aan hoeveel rechten de hoeken van den driehoek gelijk zijn—maar omgekeerd strekken ook de eigenschappen grootelijks tot de kennis van het wezen; want wanneer wij uit de voorstelling omtrent de eigenschappen, allen of de meesten, rede kunnen staan zullen wij ook het best over het wezen kunnen spreken. 403a. Daar alle bewijs9uitgaat van het wezen, zijn wezensbepalingen die niet tot de kennis der eigenschappen leiden, ja niet eens licht gissingen dienaangaande mogelijk maken, blijkbaar samen niets dan ijdele woord-definities.403 a 3—b 19. De aandoeningen, ook wel het denken, zijn in verband met de stof; dus houdt de zielkunde verband met de natuurleer. Excurs: onderscheid in de opvatting van het voorwerp tusschen den natuurkundige, den kunstenaar, den wiskundige en den begripskundige.[39]Betreffende de aandoeningen der ziel kan men onzeker zijn of allen aan het dragende gemeen zijn of dat er ook eenige aan de ziel op zichzelf eigen is; dit is wel noodzakelijk na te gaan, maar niet gemakkelijk. De ziel schijnt in de meeste gevallen niets zonder het lichaam te ondergaan of te doen, als bij toorn, gerustheid, begeerte en gewaarwording in ’t algemeen. Het denken lijkt wel het meest het eigene te zijn, maar indien ook dit voorstelling is of van voorstelling vergezeld moet zijn, kan ook het denken niet zonder lichaam voorkomen. Is nu eenig doen of ondergaan van de ziel haar eigen, dan zou zij gescheiden kunnen worden; is er niets haar eigen, dan is zij niet scheidbaar en gaat het daarmee als met de rechte (lijn) die,als rechtonder andere eigenschappen deze heeft den koperen bol in een punt te raken; het is echter niet het rechte gescheiden dat zoo raakt, immers het is onscheidbaar, daar het altijd met eenig lichaam verbonden is10. Ook alle aandoeningen der ziel lijken het lichaam mede te betreffen, drift, zachtzinnigheid, vrees, medelijden, gerustheid, ook vreugde en liefde en haat, want hun optreden werkt tegelijk op ’t lichaam in. Een teeken hiervan is dat terwijl men soms bij aanwezigheid van krachtige en zich opdringende aandoeningen in ’t geheel niet geraakt wordt of ontstelt,[40]men soms door geringe en zwakke gedreven wordt, wanneer het lichaamtierten in een toestand is als bijtoorn. Nog duidelijker (teeken) is dit, dat zonder dat iets vreeswekkends aanwezig is, de verschijnselen van vrees getoond worden11. Als het zoo is, dan zijn de aandoeningen blijkbaar verhoudingen in stoffelijkheden. Dus moeten de definities zóó luiden, dat bijv. toorn is de inwerking op een bepaald lichaam of lichaamsdeel of vermogen door een bepaalde oorzaak en met een bepaalde strekking. En daarom is het de taak reeds van den natuurkundige de ziel, althans de zoodanige, na te gaan.—De definities van den natuurkundige en den redekundige zullen in elk van deze gevallen verschillen, bijv. toorn zal de een definieeren als streven naar wederkeerige krenking of iets dergelijks, de ander als verhitting van het warme hartebloed. 403b. De laatste geeft het stoffelijke aan, de eerste ’t wezen en het begrip. Want dit is ’t begrip van de zaak, maar dat moet werkelijk worden in een bepaalde stof. Zoo is het begrip van huis dat het is een beschutting tegen ondergang door wind en regen en hitte; de ander noemt het steenen, tichels en hout, de derde noemt het: in deze materialen de vorm12met een bepaalde strekking. Wie van dezen heeft de natuurkundige te heeten? Die de stof behandelt zonder kennis van het begrip of die alleen het begrip behandelt? Veeleer die beiden vereenigt. Hoe dan met elk van de twee anderen? Geen behandelt de van de stof onscheidbare eigenschappen als ongescheiden13,[41]maar de natuurkundige alle doen en lijden van een bepaald lichaam en een bepaalde stof; van die bepaalde stof afziende werkt niet hij, maar ten deele soms de kunstenaar, bijv. de timmerman of de dokter; eveneens het onscheidbare, wat bij wijze van afgetrokkenheid, maar niet aan een bepaald lichaam verbonden gedacht wordt, behandelt de wiskundige, en als gescheiden (het wezen op zichzelf) de metaphysicus. Maar laat ons terugkeeren van deze uitwijding. Wij zeiden dat de aandoeningen der ziel, in zooverre zij eigenschappen heeft als moed en vrees, niet af te scheiden zijn van de stof bij levende wezens en anders zijn dan lijn en vlak.403b 19—405b 30. De leeringen der vroegeren: de ziel het bewegende, het zichzelf bewegende; Democritus, Leucippus, de Pythagoreërs, Anaxagoras. De ziel uit de elementen, het kennende en waarnemende; Empedocles, Plato. De elementen stoffelijk, onstoffelijk of gemengd, één of meer. Democritus, Anaxagoras, Thales, Diogenes e.a., Heraclitus, Alcmaeon, Hippo, Critias. Samenvatting: de ziel is het bewegende, waarnemende, onstoffelijke, te herleiden tot de elementen, meer of één, uit tegendeelen of een daarvan. Etymologie.Bij het onderzoek over de ziel is het noodig onder het stellen der verlegenheden, die in den voortgang hun oplossing moeten vinden, de meeningen der voorgangers betreffende de ziel er bij op te nemen om het[42]goede te aanvaarden en hun fouten te vermijden. Wij beginnen het onderzoek met aan te geven wat de ziel naar men zegt van nature ’t meest eigen is. Het bezielde dan onderscheidt zich in twee opzichten voornamelijk van het onbezielde, door beweging en gewaarwording. Deze twee opvattingen ongeveer over de ziel hebben wij ook van de voorgangers geleerd; sommigen dan noemen de ziel het voornamelijk en eigenlijk bewegende. En aangezien zij meenden dat wat zelf niet bewogen werd niet iets anders kan bewegen, vatten zij de ziel op als iets dat bewogen wordt.404a. Daarom noemt Demokritos haar iets van vuur en warmte, want terwijl er oneindig vele schemen of atomen zijn14, zooals de zoogenaamde stofjes in de lucht, die in de zonnestralen door de vensters zichtbaar worden, noemt hij hun mengeling de elementen van de heele natuur—evenzoo Leukippos—en daaronder de bolvormige vuur en ziel, omdat zulke vormsels het meest door alles heen kunnen dringen en zij de rest bewegen, terwijl ze ook zelf bewogen worden, volgens hun opvatting dat de ziel is wat aan de levende wezens de beweging verschaft. Dat daarom ook de ademhaling het werk van het leven is, want dat terwijl de atmosfeer de lichamen samendringt en de atomen uitperst, die door dat ze zelf nooit in rust zijn aan de levende wezens de beweging verschaffen, er van buiten hulp komt door het binnenkomen van andere dergelijke atomen bij het ademhalen;[43]want dat deze ook de uitstooting van de in de levende wezens aanwezige atomen beletten, het samendringen en verstijven keerende; en dat men leeft, zoolang men dat kan doen. Ook wat de Pythagoreërs zeggen schijnt denzelfde zin te hebben: eenigen van hen zeiden dat de ziel was de stofjes in de lucht, anderen wat deze beweegt. Hierover is gezegd dat zij voortdurend in beweging blijken ook bij volkomen windstilte. Op hetzelfde komen neer die de ziel het zich zelf bewegende noemen; want al deze lijken te meenen dat de beweging het meest eigen is aan de ziel en dat alle andere dingen bewogen worden door de ziel en deze door zichzelf, omdat zij van niets waarnemen dat het beweging geeft of het wordt ook zelf bewogen. Eveneens noemt Anaxagoras de ziel het bewegende en wie anders heeft gezegd dat de geest het heelal heeft bewogen15, evenwel niet geheel zooals Demokritos. Deze immers noemt zonder meer ziel en geest hetzelfde en volgens hem is het ware het verschijnsel, waarom Homerus juist dicht: „Hektor lag buiten denken”16. (IliasΟ245vgl. Odys.κ374). Hij weet dus niet van den geest als een vermogen omtrent de waarheid, maar noemt ziel en geest hetzelfde.404b. Anaxagoras is hierover minder duidelijk; dikwijls immers spreekt hij van den geest als de oorzaak van de rechte ordening, doch elders noemt hij den geest de ziel, zeggende dat hij in alle levende wezens aanwezig is, groote en kleine, hooge en lage. Echter schijnt[44]niet de als denkend bedoelde geest bij alle levende wezens gelijkelijk aanwezig te zijn, ja niet eens bij alle menschen.Zij nu die op de beweging van het bezielde het oog richten, vatten de ziel als het meest bewegende; die letten op het kennen en waarnemen der dingen, noemen de ziel de elementen, die er meerdere aannemen, die meerderen, die één aannemen dit eene. Zoo stelt Empedokles de ziel samen uit alle elementen zóó dat elk element ook ziel is, in deze verzen:„Aarde zien we met aarde en water zien we met waterLucht doet ons godd’lijke lucht en vuur het verdelgende vuur zienLiefde met liefde en met haat aanschouwen we ’t bittere haten.”Op dezelfde wijze stelt Plato in den Timaeus de ziel uit de elementen samen, zeggendedat het gelijke door het gelijke gekend wordt en dat de dingen uit de elementen bestaan17. Een soortgelijke bepaling werd gegeven in de philosophische voordrachten, het levende wezen op zichzelf18samengesteld uit het begrip op zichzelf van het ééne en het begrip van lengte, breedte en diepte en het overige desgelijks. Of nog anders: de geest het ééne, ’t weten de twee—immers met één richting heeft het één eindpunt—het getal van het vlak de meening, dat van het lichaam de gewaarwording, want de getallen[45]werden genoemd deideeënzelf en de bestaansgronden en zij bestaan toch uit de elementen19. De dingen worden deels door den geest, deels door ’t weten, deels door de meening, deels door de gewaarwording beoordeeld en deze getallen zijn deideeënder dingen. Daar nu de ziel ook het bewegende scheen evenals het kennende hebben eenigen hun definitie uit beiden samengevlochten, die de ziel noemden een zichzelf bewegend getal. Er is verschil van opvatting welke en hoevele de principes zijn, vooral tusschen het stellen van stoffelijke of onstoffelijke en de vermenging van de eenen en de anderen. 405a. Wat het aantal betreft, sommigen noemen één principe, anderen meerderen. Hiermee overeenstemmend definieeren zij de ziel, want zij noemen haar niet onbegrijpelijk dát element dat van nature ’t bewegelijke is. Derhalve hebben sommigen verklaard dat de ziel vuur is; immers dit is het fijnste en onstoffelijkste element en het ondergaat beweging en beweegt het andereonmiddellijk. Demokritos geeft nog helderder uiteenzetting waarom beide omstandigheden (van de ziel gelden); de ziel is namelijk volgens hem hetzelfde als de geest en behoort tot de ondeelbare elementen, die dan bewegelijk zijn door hun kleinheid en figuur; van de figuren noemt hij het bewegelijkst het bolvormige en zoodanig is dan de geest en het vuur. Anaxagoras schijnt ziel en geest te onderscheiden, zooals wij boven zeiden, maar in de behandeling zijn beiden bij hem één natuur; toch stelt hij den geest allermeest als ’t principe, als hij namelijk[46]zegt dat van alle dingen alleen de geest eenvoudig, onvermengd en rein is. Kennen en bewegen beiden schrijft hij toe aan hetzelfde principe, als hij zegt dat de geest het Al heeft bewogen. Volgens de overleveringen omtrent hem schijnt ook Thales de ziel als iets bewegends opgevat te hebben, immers hij zeide dat de (magneet)steen een ziel heeft omdat zij ’t ijzer beweegt. Diogenes evenals eenige anderen noemt de ziel lucht, in de meening dat die het fijnste van alles is en principe; en dat daardoor de ziel kent en beweegt, kent in zooverre zij element is en uit haar als oorsprong het overige is, en beweeglijk inzoover zij het fijnste is. Ook Herakleitos zegt dat het principe ziel is, immers ziel noemt hij de uitdamping, waaruit hij het andere vormt; en ’t meest onstoffelijk en steeds vloeiend; en wat bewogen wordt wordt dan volgens hem gekend door wat bewogen wordt. Hij evenals de meesten meenden dat de dingen in beweging zijn. Overeenstemmend met dezen schijnt de meening van Alkmaion over de ziel; hij zegt nl.: dat de ziel onsterfelijk is doordat zij gelijkt op ’t onsterfelijke, en dat dit haar toekomt als altijd bewogen, want dat ook al de goddelijke dingen altijddoor bewogen worden, maan, zon, sterren en de heele hemel. 405b. Sommige groveren, zooals Hippon, hebben de ziel water genoemd; zij lijken tot die overtuiging gekomen doordat aller zaad vochtig is. Immers hij bestrijdt degenen die de ziel bloed noemen, omdat het zaad geen bloed is en het zaad is de ziel in aanleg. Anderen als Kritias, spreken van ’t bloed, meenende dat de gewaarwording het meest aan de ziel eigen is en dat deze aanwezig is door de natuur van het bloed. Alle elementen hebben dus hun[47]verdediger gevonden, behalve de aarde; die heeft niemand tot ziel verklaard, behalve alwie de ziel uit alle elementen samengesteld of alles ziel acht.Allen ongeveer bepalen de ziel naar drie zijden, beweging, gewaarwording, onstoffelijkheid en elk dier bepalingen houdt verband met de principes. Derhalve stellen zij, die het kennen als bepaling geven, de ziel als een element of als samengesteld uit de elementen, op één na20, onderling overeenstemmend in de opvatting dat het gelijke door het gelijke gekend wordt; want aangezien de ziel alle dingen erkent, stellen zij haar samen uit alle elementen. Die dus één principe en één element aannemen, stellen ook de ziel als één bijv. vuur of lucht; die meerdere principes aannemen, stellen ook een veelheid in de ziel. Anaxagoras alleen noemt den geest onaangedaan en met niets van het andere iets gemeen hebbend. Als hij zoo is, hoe hij dan zal kennen en door welke oorzaak, dat heeft A. niet gezegd noch blijkt het uit wat hij zegt. Zij die in de principes tegenstellingen zien, achten ook de ziel uit de tegenstellingen gevormd; zij die één zijde van de tegenstellingen als principe aannemen bijv. het warme of het koude of iets dergelijks, stellen overeenkomstig de ziel als een daarvan. Zoo dan volgen zij ’t spoor van de woorden: de eenen spreken van ’twarme, omdat daarnaar ook hetlevengenoemd is; de anderen van hetkoude, zeggende dat hetademhalenen deafkoelingaan dezielden naam geeft (ζεῖν-ζῆν ἀναψύχεσθαι, καταψύχω-ψυχή). Dit alzoo is wat ons geleerd is over de ziel met de gronden waarop de meeningen steunen.[48]406 a 1—407b 26. Heeft de ziel van nature eigen (niet bijkomstige) beweging? Neen, want die vooronderstelt plaats; stelt als mogelijk dwangbeweging en rust, maakt haar tot een element en verplaatsbaar, heft haar bijkomstige beweging op en brengt haar buiten zichzelf. Kritiek vanDemocritusen Plato’s Timaeus. De besproken theorieën behandelen eenzijdig de ziel afgescheiden van het lichaam.406a. Eerst nu moeten wij de beweging onderzoeken; want misschien is het niet slechts onjuist dat het wezen der ziel zoodanig iets is, dat zichzelf beweegt of kan bewegen, zooals sommigen zeggen, maar is het onmogelijk dat zij beweging heeft. Dat het nu niet noodzakelijk is dat het bewegende zelf bewogen wordt, is vroeger21gezegd. Beweging istweeërlei; alles nl. beweegt òf betrekkelijk òf op zichzelf, het eerste, al wat beweegt doordat het zich in ’t bewegende bevindt, als de schippers, immers hun beweging is niet gelijksoortig met die van het schip; dit toch beweegt op zichzelf, zij doordat ze zich bevinden in het bewegende. Wat uitkomt bij de onderdeelen: want de eigen beweging der voeten is het loopen en zoo ook van de menschen en die hebben de schippers dan niet. Terwijl nu beweging in tweeërlei zin gezegd wordt, onderzoeken wij nu of de ziel op zichzelf beweegt en aan beweging deel heeft. Er zijn vier bewegingen: verplaatsing, verandering, afneming en groei; een of meer daarvan zal de ziel moeten hebben of allen. Is haar beweging geen bijkomstigheid,[49]dan heeft zij haar van nature en heeft zij daarmede ook een plaats; want alle genoemde bewegingen geschieden op een plaats. Is het wezen van de ziel daarin gelegen dat zij zichzelf beweegt, dan is haar beweging geen bijkomstigheid, zooals bij het witte of 3 el lange; ook hierin immers is beweging, maar die is bijkomstig; het lichaam nl. waarmee zij verbonden zijn, beweegt. Zoo is er dan ook van hen geen plaats, zooals van de ziel wèl, als beweging van nature haar deel is. En verder als zij van nature beweegt, zou zij ook door geweld kunnen bewogen worden en omgekeerd. Hetzelfde geldt van de rust; de ziel zou dan plaatsen hebben van natuurlijke of gewelddadige beweging en rust. Maar welke de gewelddadige bewegingen en rust der ziel zijn, dat zal men zich niet licht zelfs maar kunnen verbeelden. Gaat verder de beweging der ziel naar boven, dan moet zij vuur zijn, naar beneden, aarde—want dit zijn de bewegingen van die lichamen—en overeenkomstig is de betrekking tot de tusschenliggende elementen. Voorts daar zij het lichaam blijkt te bewegen, is het aannemelijk dat zij haar eigen bewegingen aan het lichaam meedeelt en dus omgekeerd naar waarheid te zeggen, dat de beweging van het lichaam ook de hare is. 406b. De beweging van het lichaam is plaatsverandering; dus zou ook de ziel op de wijze van het lichaam geheel of gedeeltelijk zich verplaatsen. Is dit mogelijk dan zou zij ook uit en weer in kunnen gaan en bij gevolg zouden de dooden kunnen opstaan. De bijkomstige beweging zou zij van iets anders kunnen ontvangen; zoo wanneer het levend wezen met geweld gestooten wordt. Maar behalve in dier voege moet datgene, welks wezen zelfbeweging is,[50]niet door iets anders bewogen worden, evenmin als het goede op zichzelf of door zichzelf om of door iets anders moet zijn. En van de ziel zou men toch zeggen, dat zij voornamelijk door de waarneembaarheden bewogen wordt, àls zij bewogen wordt. Maar voorwaar ook indien zij zichzelf beweegt, wordt zij toch ook bewogen en daar alle beweging wat bewogen wordt doet uittreden in de beweging, zou de ziel ook uit haar wezen moeten uitgaan22, als zij niet bijkomstig zichzelf beweegt, maar de beweging tot haar eigen wezen op zichzelf behoort. Sommigen zeggen ook dat de ziel het lichaam waarin zij is haar eigen beweging meedeelt, zooals Demokritos in overeenstemming met den blijspeldichter Philippos, die Daidalos de houten Aphrodite laat maken en bewegen doordat hij er kwikzilver ingoot; desgelijks zegt ook Demokritos dat de bewegende ondeelbare bollen doordat ze van nature nooit in stilstand zijn het geheele lichaam meesleepen en bewegen. Wij vragen dan of ditzelfde ook de rust zal veroorzaken. Hoe dat zou gaan, is moeilijk of liever onmogelijk te zeggen. Welbeschouwd schijnt de ziel niet zóó het levend wezen te bewegen maar door iets als bedoeling en gedachte.Op dezelfde wijs beschouwt ook de natuurleer van den Timaios23de beweging die de ziel aan ’t lichaam meedeelt; door haar eigen beweging beweegt zij het lichaam, waarmede zij verbonden is. Terwijl zij samengesteld is uit de elementen en ingedeeld naar harmonische verhouding, opdat zij aangeboren gewaarwording van harmonie hebbe en het heelal zich harmonisch bewege,[51]heeft (de demiurg) haar rechte baan tot een kring omgebogen en den eenen kring in twee gesplitst hebbende, die bij twee punten verbonden zijn, heeft hij weder den eenen in zeven kringen gesplitst, daar (volgens Plato) de hemelbewegingen die der ziel zijn. 407a. Vooreerst nu is het niet behoorlijk de ziel een grootte te noemen; blijkbaar nl. bedoelt hij met de Alziel zooiets als wat men wel24den geest noemt en niet iets als de gewaarwordende of de begeerende ziel, want hun beweging is geen kringloop; de geest is één en aaneen als het denken en het denken is de gedachten, welke één zijn bij opeenvolging als het getal maar niet als de grootte; daarom is ook de geest niet zóó aaneen, maar óf ondeelbaar óf niet als een grootte aaneen. En hoe ook zal hij denken als hij grootte is? Met eenig deel van zichzelf? Een deel dat grootte heeft of puntsgewijze is, als men een punt ook een deel moet noemen. Gaat het puntsgewijze, dan komt blijkbaar de gedachte nooit tot stand, daar de punten eindeloos zijn; en gaat het met grootte dan zal men dikwijls of eindeloos veel malen hetzelfde denken, maar het blijkt dat het ook eenmaal mogelijk is25. Als voldoende is de aanraking met eenig deel, waartoe is dan kringbeweging noodig of moet er in ’t geheel van een grootte sprake zijn? Wanneer het denken aanraking door den geheelen kring vereischt, wat doet dan de aanraking met de deelen? En verder hoe kan men het gedeelde denken[52]met het ongedeelde of omgekeerd? Het is noodzakelijk dat de geest de gezegde kring is, want de beweging van den geest is het denken, van den kring de draaiing; is nu het denken de draaiing, dan moet de geest de kring zijn welks zoodanigedraaiinghet denken is. Maar wat zal het zijn dat de geest altijd door denkt?—immers dedraaiingduurt altijd door. Maar de gedachten van toegepaste wetenschap hebben grenzen, want zij allen beoogen iets buiten zich; en de theoretische overwegingen hebben eveneens hun grenzen in de redeneeringen, zijnde allen òf definitie òf bewijs; het bewijs nu gaat van een onderstelling uit en heeft op eenige wijze zijn einde in de sluitrede of de gevolgtrekking; en als zij niet afloopen, zoo keeren zij toch niet terug tot het uitgangspunt, maar gaan voorwaarts met toevoeging telkens van middenterm en conclusie; terwijl de draaiing weer tot ’t begin ombuigt. De definities zijn allen begrensd. Gebeurt verder dezelfde draaiing dikwijls dan zal men dikwijls hetzelfde moeten denken. Verder lijkt de gedachte meer op een rust en halt dan op beweging; desgelijks de sluitrede. 407b. Voorzeker is ook niet gelukzalig wat niet gemakkelijk gaat maar met geweld; indien nu de beweging der ziel haar wezen niet is, dan wordt zij tegen haar natuur bewogen26. Bezwaarlijk is het ook (voor den geest) onafscheidelijk gemengd te zijn met het lichaam; ja zelfs verwerpelijk, als het werkelijk voor den geest beter is zonder het lichaam te zijn, zooals Plato pleegt te zeggen, waarmee dan velen instemmen. Onduidelijk blijft ook de oorzaak van de kringbeweging[53]des heelals, want noch is het wezen der ziel oorzaak der kringbeweging, maar die is haar bijkomstig, noch is het lichaam oorzaak, maar veeleer is de ziel oorzaak voor ’t lichaam. En eindelijk ontbreekt ook het bewijs waarom het dienstig is, terwijl toch de godheid daarom de kringbeweging aan de ziel moest geven omdat het haar dienstiger is te bewegen dan te rusten en zóó te bewegen en niet anders.Maar daar dergelijk onderzoek in een andere wetenschap meer thuis hoort, willen wij het thans daarlaten. Deze ongerijmdheid deelt Plato’s redeneering met de meesten over de ziel, dat zij n.l. de ziel verbinden met en stellen in het lichaam zonder de bepaling erbij te voegen van de oorzaak (dier verbinding) en van de verhouding van ’t lichaam. En dat mag toch een eisch heeten; want door de gemeenschap is het eene werkend, het andere lijdend en wordt het eene bewogen terwijl het andere beweegt en deze verhoudingen gelden nimmer voor onverschillige dingen onderling. Maar zij beproeven alleen te bepalen wat de ziel is, doch geven er verder geen bepaling bij van het lichaam dat de ziel moet opnemen, alsof het mogelijk ware dat naar de verhalen der Pythagoreërs een ziel, welke ook, haar intrek nam in ’t eerste ’t beste lichaam. Neen, elk lichaam moet wel eigen gestalte en vorm27hebben. ’t Is hetzelfde alsof men zeide dat de timmerkunst fluiten betrok; want de kunst moet haar (eigen) werktuigen en de ziel het lichaam gebruiken.[54]407 b 27—408 a 28. De ziel is geen harmonie, zooals velen gelooven: noch harmonie als samenstelling van deelen noch als de verhouding in de samenstelling. Bezwaren tegen Empedocles, die de ziel uit al de elementen maakt en elk element als verhouding denkt en tevens deφιλία(liefde) oorzaak der verbinding doet zijn, dus iets buiten de verbinding zelve. Maar hoe dan te denken over de scheiding van ziel en lichaam?Ook is een andere meening geleerd over de ziel die bij velen niet minder geloof vindt dan eenige andere der behandelden en die ook in de tot gemeen goed gemaakte besprekingen28een soort van proces heeft doorstaan. Men zegt nl. dat zij een zekere harmonie is; dat immers de harmonie een menging en samenvoeging van tegendeelen is en dat het lichaam samengesteld is uit tegendeelen. Evenwel de harmonie is een verhouding van de gemengden of een samenvoeging en de ziel kan geen van beiden zijn. Verder is bewegen geen eigenschap van harmonie en dat schrijven allen wel ongeveer ’t meest aan de ziel toe. Het past meer bij gezondheid van harmonie te spreken en in ’t algemeen bij de lichamelijke deugden dan bij de ziel. Het duidelijkst blijkt (de ongelijkheid) wanneer men zou beproeven het doen en lijden der ziel op een harmonie over te brengen—dat is moeilijk te harmonieeren. Voorts als wij spreken van harmonie in twee gevallen en wel eigenlijk bij de grootheden die beweging en plaats hebben hun samenvoeging zóódanig dat zij niets gelijksoortigs kan opnemen en[55]ten tweede ook de verhouding van de gemengden—nu, dan zijn geen van beide opvattingen (voor de ziel) aannemelijk en die van de harmonische samenvoeging der lichaamsdeelen laat zich al te gemakkelijk weerleggen. Want er zijn vele samenvoegingen der deelen en op vele wijzen; van welk deel of hoe moet men nu aannemen dat de geest een samenvoeging is of de gewaarwording of de begeerte? Even ongerijmd is de meening dat de ziel de verhouding van de menging is; want de verhouding bij de vermenging der elementen is niet dezelfde voor vleesch en been. Waaruit volgt dat men vele zielen zal hebben en door het heele lichaam heen, als alles bestaat uit het mengsel der elementen en de verhouding der menging harmonie en ziel is. Hierover zou men ook Empedocles rekenschap kunnen vragen, die zegt dat elk der deelen naar een bepaalde verhouding (der elementen) ingericht is; is nu de verhouding de ziel of komt deze als iets nieuws in de deelen? Is verder de liefde de oorzaak van onverschillig welke menging of van die naar de juiste verhouding? En is deze de verhouding of iets anders daarnevens? Dat alles zijn daarbij verlegenheden. En als de ziel iets anders dan de menging is, waarom wordt zij dan vernietigd met het bestaan van het vleesch en van de andere deelen van het levend wezen? Bovendien indien niet ieder der deelen een ziel heeft, en indien de ziel niet is de verhouding der menging, wat wordt dan eigenlijk vernietigd als de ziel weg gaat?408 a 29—b 29. Van beweging der ziel spreekt men minder juist, wanneer het juiste is lichamelijke beweging[56]van haar uitgaande of tot haar strekkende, als bij gewaarwording of herinnering; de werkzaamheid ook van den geest lijdt van ziekte en ouderdom, dus van ’t lichamelijke, maar de geest zelf is een zelfstandigheid.Uit het gezegde nu blijkt dat de ziel onmogelijk harmonie kan zijn noch kringbeweging kan hebben. Wel kan zij, zooals gezegd is, bijkomstig bewogen worden en zichzelf bewegen, zoo b.v. dat datgene bewogen wordt, waarin zij is en wel door de ziel bewogen wordt, anders is ruimtelijke beweging voor haar onmogelijk. 408b. Met meer grond zou men over hare beweging kunnen redekavelen uit dergelijke overwegingen, dat men zegt dat de ziel smart en vreugde ondervindt, gerust is of vreest, voorts toornig wordt, waarneemt en denkt; want dat alles zullen bewegingen zijn. En dus zou men meenen dat zij bewogen wordt, maar dat is niet noodzakelijk. Want al zijn ook werkelijk smart, vreugde en denken bewegingen en is elk daarvan bewogen worden, bewogen worden door de ziel—b.v. toornig worden of vreezen zulk een beweging van het hart, denken (beweging) van dit wellicht of van iets anders—en gebeurt dit bij eenige ervan door verplaatsende beweging, bij anderen door verandering van hoedanigheid (bij welke en welke verandering is hier niet de vraag); dan is het zeggen dat de ziel toornig wordt, zoo, alsof men zeide dat de ziel weeft of bouwt. Het lijkt wel beter niet te zeggen dat de ziel medelijden heeft of leert of denkt, maar de mensch met zijn ziel en wel omdat de beweging niet in haar is, maar soms tot aan haar, soms van haar uit b.v. de gewaarwording van deze voorwerpen hier uitgaande tot[57]aan haar, de herinnering van haar uit naar de bewegingen of stilstanden in de zintuigen. De geest schijnt (in den mensch) te zijn een zelfstandigheid, die onvernietigbaar is. Anders moest hij vooral vernietigd worden door de verduistering in den ouderdom; doch denkelijk geldt hier hetzelfde als bij de zintuigen; als de grijsaard eens zúlk een oog kreeg, dan zou hij kunnen zien als een jongeling. Alzoo heeft de ouderdom niet tot oorzaak eenig ondervinden van de ziel, maar van ’t lichaam waarin zij is, zooals bij dronkenschap en ziekte. Zoo kwijnt dan het denken en studeeren doordat iets anders inwendig afbreuk lijdt, maar zelf is het onaantastbaar. Het denken, beminnen en haten tasten niet den geest aan, maar dat bepaalde, dat hem bevat in zoover het hem bevat. Gaat daarom dat (bevattende) te loor, dan houdt herinneren29en beminnen op; want die behoorden niet aan den geest, maar aan het geheel, dat verloren is. De geest echter lijkt wel iets goddelijkers en onaangedaan.408 b 30—409 b 18. (Xenokrates’) leer der ziel als zelfbewegend getal.Uit deze beschouwingen dus blijkt dat het niet mogelijk is dat de ziel bewogen wordt en als zij in ’t geheel niet bewogen wordt, dan natuurlijk ook niet door zich zelf. Verreweg het ongerijmds van de beweringen is die, dat de ziel een zichzelf bewegend getal is; want wie dat zeggen hebben vooreerst de onmogelijkheden die uit de beweging voortkomen en dan nog bizondere uit de stelling dat zij getal is. Hoe toch moet men denken[58]een eenheid, die bewogen wordt, door wat en hoe, daar zij ongedeeld en ononderscheiden is? Is zij immers bewegend en bewogen dan moet er onderscheid in zijn. En dan: aangezien naar men zegt de beweging van een lijn een vlak, die van een punt een lijn maakt, zoo zullen ook de bewegingen van de eenheden lijnen zijn; het punt is nl. een eenheid met plaats en het getal van de ziel is dan zeker ergens en heeft een plaats. Verder: als men van een getal een getal of een eenheid aftrekt, dan blijft er een ander getal over; maar de planten en vele dieren blijven na verdeeling leven en blijken dan soortelijk dezelfde ziel te houden. Men zou ook evengoed als van eenheden kunnen spreken van molekels; want als men de bolletjes van Demokritos terugbrengt tot punten, zoodat slechts de veelheid blijft, moet daarin zijn het onderscheid van bewegen en bewogen worden evenals in het aaneengesloten geheel; dat onderscheid immers hangt niet samen met het verschil van grootte of kleinheid, maar het is er om het aantal. Dus moet er iets zijn dat de eenheden bewegen kan. Wanneer nu in het levend wezen het bewegende de ziel is, dan is zij het ook in het getal en dus zou de ziel niet zijn het bewegende en wat bewogen wordt, maar alleen het bewegende. Hoe kan dat dan een eenheid zijn? Er moet dan toch een onderscheid zijn tusschen haar en de andere (eenheden). En welk onderscheid kan een eenheid-punt hebben behalve van plaats? Zijn nu de punten in het lichaam verschillend van de eenheden, dan zullen de eenheden op dezelfde plaats zijn (met de punten); want elke zal de plaats van een punt innemen. Echter wat belet dat, zoo er twee, dan ook[59]eindeloos vele opdezelfdeplaats zijn? Want dingen wier plaats ongescheiden is, zijn zelf ook ongescheiden. En indien de punten in ’t lichaam het getal van de ziel zijn of indien het getal van de punten in ’t lichaam de ziel is, waarom hebben dan niet alle lichamen een ziel? Punten moeten er toch in allen zijn en wel eindeloos vele. En dan hoe is het mogelijk dat de punten gescheiden en afgescheiden worden van ’t lichaam, terwijl toch niet de lijnen zich laten verdeelen in punten?Zooals gezegd is, stemmen zij eenerzijds overeen met hen die de ziel iets fijns lichamelijks noemen, anderzijds is er een bizondere ongerijmdheid doordat zij als Demokritos de beweging laten uitgaan van de ziel.409b. Want daar toch de ziel in het geheele gewaarwordende lichaam is, moeten er twee lichamen op dezelfde plaats zijn, als de ziel een lichaam is; die de ziel een getal noemen, moeten aannemen dat in het eene punt vele punten zijn of dat elk lichaam een ziel heeft, wanneer niet het er in zijnd getal verschillend is en iets anders dan het getal van de in de lichamen zijnde punten. Ook is een gevolgtrekking dat het levend wezen bewogen wordt door het getal, zooals wij zeiden dat ook Demokritos het laat bewegen; want welk verschil maakt het te spreken van kleine bolletjes of groote eenheden of in ’t geheel van bewegende eenheden? Op beide wijzen toch is noodzakelijk de beweging van ’t levend wezen door hen veroorzaakt doordat zij bewogen worden. Die dus beweging en getal samenvlechten leiden tot die en vele dergelijke gevolgen. Zoo iets kan immers niet slechts geen definitie van de ziel zijn, maar zelfs geen bijkomstigheid. Dit blijkt als men zou beproeven op grond van[60]die bewering rekenschap te geven van ’t lijden en doen van de ziel, b.v. van redeneeringen, gewaarwordingen, vreugden, smarten enz. Immers die beweringen geven, zooals wij vroeger zeiden, niet eens licht grond tot gissingen30.409 b 19—410 b 15. De ziel, hetwaarnemende, uit de elementen, zóó dat het gelijke het gelijke waarneemt. Bezwaren tegen deze theorie en tegen Empedokles.Drie wijzen zijn geleerd waarop men de ziel definieert: als ’t bij uitstek bewegende doordat zij zich zelf beweegt; als het fijnste of meest onlichamelijke lichaam; de moeilijkheden en tegenspraken die zich hierbij voordoen hebben wij in hoofdzaak besproken en er blijft over na te gaan hoe het staat met de bewering dat de ziel uit de elementen bestaat. Dat zegt men, opdat zij de dingen zal waarnemen en elk ding zal kennen, maar vele onmogelijkheden[61]volgen uit die redeneering noodzakelijk. Men stelt n.l. dat het gelijke het gelijke kent, de ziel als ’t ware de dingen noemende. Maar dat zijn niet alleen deze (de elementen) maar nog vele anderen of liever tallooze die er uit samengesteld zijn. Toegegeven dat de ziel kent en waarneemt de elk ding samenstellende elementen; waardoor zal zij echter het geheel kennen of waarnemen, b.v. god, mensch, vleesch of been en desgelijks elk ander samenstel? Want ieder daarvan is niet uit de elementen willekeurig, maar in een bepaalde verhouding en samenstelling, zooals Empedokles omtrent gebeente zegt: „De vriendelijke aarde nam in den ruimen smeltkroes twee achtste deelen glanzend vocht en vier deelen Hephaestus: zoo ontstonden de witte beenderen”31.Het helpt dus niets dat de elementen in de ziel zijn, indien niet ook de verhoudingen en de samenvoeging er in zijn; elk element immers zal het gelijke erkennen, maar niets het gebeente of den mensch, zoo niet deze ook er in zijn—onmogelijkheid die geen betoog behoeft; want wie kan twijfelen of er in de ziel een steen of mensch is? Evenzoo zal niets het goede en ’t omgekeerde erkennen; en zoo ook met ’t andere. Verder wordt er van het zijnde in vele beteekenissen gesproken: als substantie, hoeveelheid, hoedanigheid of eenige andere der onderscheiden kategorieën; zal nu de ziel uit allen bestaan of niet? Maar het blijkt niet dat er elementen zijn die aan alle kategorieën gemeenschappelijk zijn. Dan alleen uit de substantie-elementen? Hoe kent zij[62]dan al het andere? Of zal men aannemen dat er van elke kategorie eigen elementen en principes zijn en dat de ziel daaruit bestaat? Dan zal er hoeveelheid, hoedanigheid en substantie (in) zijn. Maar het is onmogelijk dat uit hoeveelheids-elementen een substantie, niet een hoeveelheid is. Die dus de ziel uit alle elementen samenstellen treffen deze en meer dergelijke bezwaren. Het is ook ongerijmd te zeggen dat het gelijke onaandoenlijk is voor het gelijke en dat het gelijke het gelijke waarneemt en door het gelijke het gelijke kent, terwijl men het waarnemen een lijden en bewogen worden noemt en desgelijks het denken en kennen. Van de vele verlegenheden en moeilijkheden die het geeft om met Empedokles te zeggen dat alle dingen door de stoffelijke elementen gekend worden, en bovendien het gelijkedoor het gelijke, is één aanwijzing wat nu gezegd wordt: alles nl. wat in de lichamen der levende wezens zonder meer aarde is, als gebeente, spieren, haren, blijken niets waar te nemen en dus ook niet het gelijke, wat toch behoorde. Bovendien zal elk der elementen meer onkunde dan begrip hebben; want elk zal één ding kennen maar vele dingen niet kennen nl. al de andere. Empedokles moet besluiten dat de godheid het onwijst is; hij toch alleen kent één element, de strijd32niet; wel alle sterfelijke dingen, die immers uit alle elementen bestaan. Waarom in ’t geheel hebben niet alle dingen een ziel, daar elk ding of een element is of uit een of meer of alle elementen bestaat, zóó dat het een of eenige of alle[63]dingen moet kennen? Ook zou men de vraag kunnen opwerpen wat het wel is dat in de elementen de eenheid maakt; want zij gelijken de stof en dat samenhoudende, wat het ook zij, is het krachtigste; maar het is onmogelijk dat er iets krachtigers zou zijn dan de ziel of dat voorgaat; nog onmogelijker dan de geest; die moet redelijkerwijze de eerste en heerschend uitteraard zijn; maar zij zeggen dat de elementen de eersten der dingen zijn.410 b 16—411 a 23. Deze opvatting omtrent de ziel en die van de ziel als het bewegende omvatten niet alle ziel noch eenige in haar geheel; bij beperking van de eerste tot denken en waarnemen evenmin. Bezwaren tegen de Orphische leer omtrent de ziel als deel van de Alziel door inademing opgenomen. De ziel behoeft om te kennen niet uit alle elementen te bestaan, maar slechts uit de eene helft der tegengestelde. Thales’ Alziel.Allen zoowel die zeggen dat de ziel uit de elementen is om het kennen en gewaarworden van de dingen, als die haar het allerbewegelijkste noemen, spreken niet over elke ziel. Want eensdeels is niet al wat gewaarwordt bewegend;33aangezien sommige levende wezens aan hun plaats gebonden blijken; en toch geeft de ziel wel deze beweging in ’t bizonder aan het levende wezen. ’t Zelfde geldt van wie den geest en het gewaarwordingsvermogen uit de elementen doen bestaan; want het blijkt dat de planten leven zonder beweging en waarneming en dat vele dieren geen verstand hebben.[64]Als men dit ook zou toestaan dat men den geest en desgelijks het waarnemingsvermogen een deel van de ziel noemt, dan spreken zij toch niet gemeenschappelijk over alle ziel noch over eenige in haar geheel. Dit geldt ook van de opvatting in de zoogenaamde Orphische verzen: dat de ziel uit het heelal intreedt bij het ademhalen, gedragen door de winden. Dan kan dit niet uitkomen voor de planten en voor eenige dieren, daar niet allen ademhalen; maar dit hebben zij, die zoo meenen, niet opgemerkt. En als men de ziel uit de elementen moet doen bestaan, behoeft het geenszins te zijn uit alle; want van de tegendeelen is de eene helft voldoende om zichzelf te beoordeelen en het tegendeel. Immers door het rechte kennen wij dit zelf en het kromme, want over beiden oordeelt het richtsnoer, maar het kromme noch over zich zelf noch over het rechte. Ook zeggen sommigen dat de ziel in het heelal gemengd is, van waar misschien ook Thales meende dat alles vol van goden was. Dit baart eenige verlegenheden; waarom toch maakt de ziel in de lucht of het vuur geen levend wezen, maar wel in de mengselen en dat nog wel als zij in de eersten beter moet zijn? Verder zou men moeten vragen waarom de ziel in de lucht beter en onsterfelijker is dan die in de levende wezens. In beide gevallen komt men tot iets ongerijmds en onredelijks; immers het vuur of de lucht een levend wezen te noemen is erg onredelijk en geen levende wezens aan te nemen als de ziel er in is, is ongerijmd. Het schijnt dat zij meenen dat de ziel in deze (elementen) is, omdat het geheel gelijksoortig is met de deelen; zoodat zij ook moeten zeggen dat de ziel gelijksoortig is met haar deelen, als[65]de levende wezens bezield worden doordat een deel van de atmosfeer in hen afgezonderd wordt. Maar als de lucht na verdeeling gelijksoortig en de ziel ongelijksoortig van deelen is, zal er blijkbaar iets van haar aanwezig zijn en iets anders niet. Alzoo moet de ziel óf gelijksoortig van deelen zijn of niet in elk willekeurig deel van ’t geheel daar zijn.411 a 24—b 30. Kritiek van de leer der soortelijk onderscheiden zielsdeelen. De ziel blijft één na verdeeling van het lichaam bij planten en sommige insecten; die ziel is dan het principe dat planten en dieren gemeen hebben.Uit het gezegde blijkt dus dat het kenvermogen der ziel niet tot grond heeft dat zij uit de elementen bestaat en dat van een beweging der ziel niet goed of waar gesproken wordt. Daar nu het kennen tot de ziel behoort en het gewaarworden en meenen en verder het begeeren en willen en de neigingen in ’t geheel en ook de plaatselijke beweging voor de levende wezens uit de ziel voortkomt en bovendien groei, rijpheid en neergang, komt de vraag op of dit alles tot de heele ziel behoort, of wij met de heele ziel denken, gewaarworden, bewegen en al ’t andere doen en lijden of dat er verschillende deelen met verschillende werking zijn? 411b. En het leven eindelijk, ligt dat in een van de deelen of in meer of in allen of heeft het nog een anderen grond? Sommigen dan zeggen dat de ziel deelen heeft en dat een deel denkt, een ander begeert. Wat is het dan toch wel, dat de ziel samenhoudt als zij gedeeld is? Toch wel niet het lichaam; omgekeerd zal veeleer de ziel het lichaam samenhouden; immers als de ziel uitgetreden[66]is, „verwaait en vergaat”34het lichaam. Als dus iets anders haar één maakt, dan is dàt eigenlijk de ziel en daarvan zal men weer moeten vragen of het één of meerledig is. Is het één, waarom dan niet van ’t begin af ook de ziel één? Is het gedeeld, dan moet de redeneering weer naar het samenhoudende daarvan vragen en gaat zij zoo voort in ’t eindelooze. Men zou ook kunnen vragen omtrent de deelen der ziel, welk vermogen elk deel in het lichaam heeft. Immers indien de heele ziel het geheele lichaam samenhoudt, moet ook elk deel een deel van het lichaam samenhouden. Dat lijkt iets onmogelijks; welk deel toch de geest samenhoudt of hoe, valt moeilijk zelfs te verzinnen. Het blijkt ook dat de planten bij verdeeling leven en onder de dieren eenigeinsecten, zóó dat de deelen dezelfde ziel hebben soortelijk, ofschoon niet numeriek; want elk van de helften hebben gewaarwording en plaatselijke beweging een tijd lang. Dat het niet blijvend is, is niet vreemd; want zij hebben niet de organen om hun wezen te handhaven. Maar desniettemin hebben elk der helften alle deelen van de ziel en de deelzielen zijn soortgelijk onderling en met de geheele ziel, tegenover elkaar als of zij (de deelzielen) niet zelfstandig zijn, tegenover de geheele ziel zóó dat die deelbaar is. Ook lijkt het principe in de planten een soort ziel; want dit alleen is gemeenschappelijk aan dieren en planten en het bestaat gescheiden van het principe der gewaarwording, maar niets heeft gewaarwording zonder dit principe.Einde van boek I.[67]411 b 31—412 b 9. Algemeene definitie: de ziel is de eerste (voorloopige) werkelijkheid van een natuurlijk bewerktuigd lichaam. Deze werkelijkheid is de ware eenheid van ziel en lichaam.412a. Wat de vroegeren omtrent de ziel geleerd hebben, daaromtrent volsta het gezegde; laat ons als van ’t begin af terugkeeren en trachten de ziel te bepalen en de algemeenste definitie er van op te geven. Wij noemen dan een kategorie der dingen de substantie en van deze spreken wij eenerzijds als stof, wat op zichzelf niet iets bepaalds is, anderzijds als vorm en gestalte, naar welke eerst van iets bepaalds sprake is; als derde noemen we wat uit beiden voortkomt. De stof is mogelijkheid, de vorm werkelijkheid35en dat in tweevoudigen zin, deels zooals de kennis, deels zooals het studeeren. Substanties in den eigenlijksten zin zijn de lichamen en van deze de natuurlijke; want die zijn de Principes van de anderen. De natuurlijke lichamen zijn levend of levenloos; leven is zelfonderhouding, groei en afname. Dus is elk natuurlijk, levend, lichaam substantie en wel als de samengestelde. Daar nu ook van een zoodanig geheel, nl. een levend lichaam, sprake is, is het niet het lichaam dat de ziel is; want het lichaam is geen op een voorondersteld iets betrokken zijn, maar verhoudt zich veeleer als vooronderstelde en stof. Derhalve moet de ziel substantie zijn als vorm van een natuurlijk lichaam, dat naar mogelijkheid leven heeft. Die substantie is werkelijkheid. De ziel is dus van een zoodanig lichaam de werkelijkheid. Deze is tweevoudig, deels zooals de kennis,[68]deels zooals het studeeren. Blijkbaar dus zooals de kennis; want in ’t aanzijn van de ziel is én slaap én waken; het waken is overeenkomstig met het uitoefenen, de slaap met het bezitten zonder werkzaamheid; als verschijnsel is bij den enkeling de kennis voorafgaand. Derhalve is de ziel de eerste werkelijkheid van een natuurlijk lichaam dat naar mogelijkheid leven heeft. Een zoodanig lichaam is dat, wat bewerktuigd is. Organen zijn ook de deelen der planten, maar gansch eenvoudige: zoo is het blad omhulsel van de vruchtwand, de vruchtwand van de vrucht; de wortels zijn overeenkomstig met den mond, want beiden nemen het voedsel op. 412b. Moet men dus een voor alle ziel gemeenschappelijke definitie geven dan is zij de eerste werkelijkheid van een natuurlijk, bewerktuigd, lichaam. Daarom moet men ook niet vragen of de ziel en het lichaam één is, evenmin als van de was en de figuur of in ’t algemeen van de stof van elk ding en datgene waarvan de stof grondslag is. Want terwijl men van „één” en „zijn” spreekt in verscheiden zin, is het eigenlijke de werkelijkheid.412b 10—413 a 10. De ziel het wezen van het lichaam, als het gezicht het wezen van het oog en de gewaarwording van het heele gewaarwordende lichaam. Het naar mogelijkheid levende is niet het doode, noch is de ziel meer dan in aanleg het werkzame. Scheiding van ziel en lichaam. Ziel en lichaam als schipper en schip?Wat nu de ziel is, is in ’t algemeen gezegd nl. substantie naarhet begripbeschouwd. En dat ishet wezenvoor het bepaald lichaam. Stel dat een werktuig b.v. een bijl een natuurlijk lichaam was, dan zou immers het[69]bijlwezen zijn substantie zijn en de ziel zou dàt zijn; van deze gescheiden zou het alleen nog in naam een bijl zijn. Maar nu is het een bijl; immers niet bij een zoodanig lichaam is het wezen en het begrip de ziel, maar van een bepaald natuurlijk lichaam dat het principe van beweging en rust in zichzelf heeft. Men moet het gezegde ook bij de onderdeelen nagaan. Als ’t oog een levend wezen was, dan zou ’t gezicht daarvan de ziel zijn, want dat is de substantie van ’t oog naar het begrip beschouwd. Het oog is de stof van het gezicht; ontbreekt dit dan is het geen oog meer behalve in naam, als ’t steenen oog of ’t geschilderde. Wat nu van ’t deel geldt moet men toepassen op ’t geheele levende lichaam; want zooals ’t deel (van ’t gewaarworden) staat tot ’t (lichaams)deel, zoo de geheele gewaarwording tegenover het heele gewaarwordende lichaam als zoodanig. Niet wat de ziel verloren heeft, heeft naar mogelijkheid de strekking tot leven, maar wat de ziel heeft; het zaad en de vrucht is naar mogelijkheid het bepaalde lichaam. 413a. En zooals het snijden en het aanschouwen, zoo is ook het waken de werkelijkheid, zooals het gezicht en de kracht van het werktuig, de ziel; en het lichaam is het naar mogelijkheid zijnde; maar zooals het oog de pupil mét het gezicht is, zoo hier een levend wezen de ziel mét het lichaam. Dat nu de ziel niet gescheiden is van ’t lichaam, of als zij deelbaar is, deelen van haar, is duidelijk; want van eenige (zielsdeelen) is de werkelijkheid bij de deelen (des lichaams) zelf behoorend; niets intusschen belet de scheiding bij sommige deelen, doordat die geen werkelijkheid van eenig lichaam zijn. Bovendien is nog niet duidelijk of niet de ziel zóó[70]de werkelijkheid des lichaams is als de schipper van een schip. Zoo nu moeten in ’t algemeen de bepalingen en omtrekken van de ziel zijn.413 a 11—414 a 3. Eisch voor de ware definitie: zij moet van de ervaring tot het begrip voeren. De ziel is het kenmerk van het leven. Het leven is op zijn minst zelfonderhoud, groei en afname, als bij de planten; bij de dieren komt er gewaarwording bij en daarvan allereerst de tastzin; beiden om nader te bespreken reden. De vermogens en hun onderdeelen bestaan trapsgewijze, de verderen niet zonder de eersten. Bij verdeeling van planten en insecten blijft de ziel één met hare vermogens; die zijn dus niet zelfstandig, behalve misschien het denkvermogen. Alleen in begrip zijn de vermogens te scheiden.Daar uit het meer bekende maar dat onduidelijk is voortkomt het duidelijke en wat naar ’t begrip meer kenbaarheid heeft, moeten wij weer beproeven op die wijs haar wezen na te gaan; immers de definitie moet niet alleen het „dat” uitdrukken, zooals de meeste definities doen, maar moeten ook de oorzaak inhouden en doen blijken. Nu lijken de definities wel conclusies van de sluitredenen b.v. kwadraatmaken is het maken van een gelijkzijdige rechthoek gelijk aan een ongelijkzijdigen. Zulk een definitie is de conclusie van de sluitrede; maar de (def.) die kwadraatmaking noemt het vinden van een gemiddelde noemt de oorzaak van de zaak. Als uitgangspunt van het onderzoek dan nemen wij dat het bezielde van het onbezielde onderscheiden is door het leven. Wanneer van de meerdere opvattingen die het woord[71]leven heeft er maar één in het ding aanwezig is, zeggen wij dat het leeft, zooals verstand, gewaarwording, plaatselijke beweging en rust, ook inwerking door voeding en afname en groei. Daarom spreekt men ook van leven bij alle planten; immers die blijken in zich een vermogen en principe te hebben zoodanig dat zij afnemen en aangroeien in de tegengestelde richtingen; want niet naar boven alleen groeien zij en niet naar onder, maar gelijkelijk in beide richtingen en overal heen voeden zij zich en leven voortdurend, zoolang zij voedsel kunnen nemen. Dit vermogen kan van de anderen afgescheiden worden, de anderen niet hiervan in de sterfelijke wezens. Dit blijkt bij de gewassen, die geen ander zielsvermogen hebben. 413b. Het leven nu bezitten de levende wezens door dit principe, maar met de gewaarwording eerst is er sprake van het dier: immers ook wat zich niet beweegt noch van plaats verandert, maar gewaarwording heeft, noemen wij dier en niet slechts levend wezen. Van gewaarwording bezitten allereerst allen tastzin. Zooals het voedingsvermogen kan afgescheiden worden van den tastzin en alle gewaarwording, zoo de tastzin van de andere gewaarwordingen. Het voedende noemen wij het zoodanige deel van de ziel, dat ook de gewassen toekomt; al de dieren blijken den tastzin te bezitten; door welke oorzaak het eene en het andere zoo is, zal later ter sprake komen.Nu willen wij ons hiertoe bepalen, dat de ziel van de genoemde vermogens de bron is en zich daarnaar onderscheidt als ’t voedende, gewaarwordende, denkende en de beweging. Of elk daarvan ziel of deel der ziel is, en zoo deel, scheidbaar alleen in begrip of ook in plaats, dat is betreffende[72]sommigen dier vermogens niet moeilijk te zien, maar eenigen geven bezwaar. Zooals immers bij de planten eenigen bij verdeeling blijken te leven, gescheiden van elkaar, en de ziel dus daarin in werkelijkheid één is in elke plant, maar is mogelijkheid meervoudig, hetzelfde zien wij in andere onderscheidingen van de ziel gebeuren bij de gelede dieren als zij doorgesneden worden; immers elk van beide deelen heeft gewaarwording en plaatselijke beweging en met gewaarwording immers ook voorstelling en streven; want waar gewaarwording is, is ook smart en vreugde en waar deze zijn is noodzakelijk ook begeerte. Wat den geest betreft en het denkvermogen is nog niets gebleken, maar het lijkt een ander soort van ziel te zijn en dit alleen kan afgescheiden bestaan als het eeuwige afgescheiden van het vergankelijke. De overige deelen van de ziel zijn, zooals uit het gezegde blijkt, niet afscheidbaar, gelijk sommigen36zeggen, maar wèl verschillend volgens het begrip; want gewaarwording hebben en vermogen tot oordeelen is verschillend, daar toch gewaarworden verschilt van oordeelen. En hetzelfde geldt van elk van de andere genoemde vermogens. En verder hebben eenige der levende wezens al deze vermogens, sommige sommigen er van en eenigen slechts één—en hierin zal het onderscheid tusschen de levende wezens gevonden worden—; de oorzaak hiervan moeten wij later nagaan. 414a. Hetzelfde geldt voor de gewaarwordingen; sommigen bezitten allen, anderen eenigen, anderen alleen de noodzakelijkste, den tastzin.[73]414 a 4—28. De ziel, als eigenlijke bron van het leven, is vorm, niet stof en vorm van een bepaald lichaam, zooals de vorm in ’t algemeen een eigen stof vooronderstelt.Datgene nu waardoor wij leven en gewaarworden laat zich op twee wijzen bespreken evenals datgene waardoor wij weten (aan de eene kant wetenschap, aan de andere de ziel; want door elk van deze beiden zeggen wij te weten); en evenzeer is datgene, waardoor wij gezond zijn, aan de eene kant gezondheid, aan den anderen een deel of ’t geheel van ’t lichaam. Naardien nu de wetenschap en de gezondheid vorm en gestalte en begrip en om zoo te zeggen werkelijkheid van het opnemende is, de eerste de werkelijkheid van het voorkennis-geschikte, de andere van het op-de-gezondheid-betrekkinghebbende (daar namelijk in het lijdende en aangedane de werkelijkheid van het werkende is) en de ziel datgene is waardoor wij leven en gewaarworden en denken in eigenlijken zin, is dus de ziel een begrip en gestalte, maar niet stof en substraat. Daar substantie, zooals wij zeiden,drieërleibeteekent, eensdeels vorm, anderdeels stof, eindelijk beider samenstel en hiervan de stof mogelijkheid, de vorm werkelijkheid en beider samenstel het bezielde is, is niet het lichaam de werkelijkheid van de ziel, maar deze die van een bepaald lichaam. En daarom oordeelen zij juist, die meenen dat de ziel niet zonder lichaam is, maar ook geen lichaam; want zij is geen lichaam maar verbonden met het lichaam en is daarom in een lichaam aanwezig en in een bepaald lichaam, niet zooals de vroegeren haar in een lichaam voegden zonder nadere bepaling in welk en hoedanig[74]lichaam, ofschoon ook volgens de ervaring niet iets willekeurigs iets wat dan ook opneemt. Zoo is het ook in overeenstemming met het begrip; want de werkelijkheid van ieder ding pleegt te komen in wat de mogelijkheid inhoudt en in de bijbehoorende stof. Dat de ziel nu een werkelijkheid is en begrip van datgene wat de mogelijkheid heeft om het resultaat te zijn, is hieruit duidelijk.414 a 29—415 a 13. De vermogens van de ziel van het eenvoudigste tot het hoogste—van het voedingsvermogen tot het denken—vormen een reeks, waarnaar de levende wezens onderscheiden worden. De algemeene definitie voldoet bij ziel evenmin als bij figuur; de volgorde moet begrepen en elk zielsvermogen afzonderlijk behandeld worden en nog in ’t bizonder de denkende geest.Van de vermogens der ziel hebben sommigen alle genoemden zooals wij zeiden, anderen eenigen, eenigen slechts één. Als vermogens noemden wij het voedende, het strevende, het gewaarwordende, het plaatselijk bewegende, het denkende.De planten hebben alleen het voedingsvermogen, anderen dit en het gewaarwordingsvermogen. Hebben zij dit, dan ook het streefvermogen; want streven is begeerte en drang en willen en alle dieren hebben althans één gewaarwording, den tastzin; voor wat gewaarwording heeft, geldt vreugde en smart en ’t aangename en smartelijke en voor wat die gelden, daarvoor geldt ook de begeerte; want dat is het streven naar ’t aangename. Ook hebben zij gewaarwording van het voedsel; want de tastzin is de gewaarwording van het voedsel;[75]want alle levende wezens worden door ’t drooge, natte, warme en koude gevoed en daarvan is de tastzin de gewaarwording; zij betreft de andere waarneembaarheden bijkomstig. Immers tot voeding draagt niets bij geluid noch kleur noch reuk en de smaak is iets van de tastbaarheden. Honger en dorst is begeerte, honger naar ’t droge en warme, dorst naar het koude en natte en de smaak is als iets dat dezen kruidt. Later zal dit verduidelijkt worden; nu bepalen wij ons hiertoe, dat de dieren die tastzin hebben ook streven bezitten. Omtrent de voorstelling is niets uitgemaakt en dat moet later nagegaan worden. Eenigen hebben bovendien de plaatselijke beweging, anderen het denkvermogen en den geest, als de menschen en wat verder zoodanig is of hooger.Dus is het duidelijk dat er op dezelfde wijze één definitie van ziel kan zijn als van figuur; want hier is geen figuur buiten driehoek enz., noch dáár ziel buiten de genoemden. Er is ook bij de figuren een gemeenschappelijke definitie mogelijk, die op allen zal passen maar aan geen figuur eigen zal zijn; evenzoo bij de gezegde zielen. Daarom is het dwaas hierbij en bij andere dingen de gemeenschappelijke definitie te zoeken, die bij geen der wezens eigenlijk zal behooren, noch betrekking heeft op het eigene en verenkelde soort en die wèl zoo is, daar te laten. Bij de figuren en de ziel is dezelfde verhouding; steeds is in het volgende in mogelijkheid aanwezig het vroegere bij de figuren en bij de bezielde wezens, zooals in den vierhoek de driehoek, in het gewaarwordingsvermogen het voedingsvermogen. Dus moet men afzonderlijk nagaan wat de ziel[76]van elk wezen is, b.v. wat die van een plant, van een mensch of dier is. En waarom ze zich zoo in opeenvolging verhouden moet men nagaan. 415a. Want zonder het voedingsvermogen bestaat het gewaarwordingsvermogen niet, maar van het gewaarwordingsvermogen is het voedingsvermogen afgescheiden in de planten. Wederom is zonder den tastzin geen andere gewaarwording aanwezig, wel tastzin zonder de anderen; want vele dieren hebben noch gezicht noch gehoor noch gewaarwording van reuk. En van die gewaarwording bezitten hebben sommigen het plaatselijk bewegingsvermogen, anderen niet. Als laatste hebben het kleinste aantal begrip en verstand; want de eindige wezens die begrip bezitten hebben ook al de overige vermogens, maar die elk daarvan bezitten hebben niet allen begrip, maar sommigen niet eens voorstelling, terwijl anderen alleen daarop leven. Over de beschouwende geest geldt een andere redeneering. Het blijkt dus dat de redeneering over elk van deze (vermogens) ook de meest geldige omtrent de ziel is.415 a 14—b 7. De vermogens komen na hun werkingen en deze na hun uitwerksel. Het eerste en de grondslag is de voeding en voortplanting, die de band vormt tusschen het eindige en het eeuwige.Het is noodzakelijk wanneer men hiernaar onderzoek doet, omtrent elk der (vermogens) te bepalen wat het is en zoo verder omtrent de volgende en de overige dingen na te gaan. Als men moet zeggen wat elk er van is b.v. wat het denk-, of gewaarwordings- of voedingsvermogen is, moet men nog eerder zeggen wat het denken[77]of gewaarworden is; want vóór de vermogens zijn naar het begrip de verwerkelijkingen en verrichtingen. Als dat zoo is, en men nog eerder dan deze de objecten moet nagegaan hebben, moet men eerst omtrent dezen bepalen om dezelfde reden, nl. omtrent voeding, het waarneembare en het denkbare. Alzoo moet eerst over voeding en voortplanting gesproken worden, immers de voedende ziel bezitten ook de anderen en dit is het eerste en gemeenschappelijkste vermogen van de ziel, waarop bij allen het leven berust. De verrichtingen daarvan zijn zich voortplanten en voedsel gebruiken; immers de natuurlijkste verrichting van de levende wezens, voor zoover zij volledig en niet defekten zijn, of van zelf ontstaan, is het maken van een ander naar zijn eigen aard, een dier een dier, een plant een plant, opdat zij het eeuwige en goddelijke deelen naar vermogen; want daarnaar streeft alles en daarom verricht alles alle handelingen volgens de natuur. 415b.Het „daarom” is tweevoudig, eensdeels (de zaak) waarom, anderdeels (de persoon) waarvoor37.Daar het (enkele) nu niet het eeuwige en goddelijke ononderbroken deelachtig kan zijn doordat geen eindig ding één en hetzelfde kan blijven, neemt alles er aan deel zooals het kan, het eene meer het andere minder en wat blijft is niet het enkele zelf maar het zoodanige, niet naar getal maar naar wezen één.415 b 8—416 a 18. De ziel is principe van beweging, doel en wezen van ’t levende lichaam. Op een doel wijzen de organen. Verandering en groei en afname betreffen de ziel: kritiek van Empedocles’ mechanisme. Voeding[78]is ook niet verbranding zonder meer, want die mist de zelfbepaling.De ziel is van het levende lichaam oorzaak en principe woorden van meer dan één beteekenis; en overeenkomstig is de ziel oorzaak naar de drie onderscheiden wijzen, want zij is de bron van de beweging, en het doel; en als het wezen van de bezielde lichamen is de ziel oorzaak. Het laatste wordt ingezien omdat voor alles het wezen de oorzaak is van het zijn, en voor de levende wezens het zijn leven is endaarvande ziel oorzaak en principe is. Bovendien is de werkelijkheid (de ziel) het begrip van wat naar mogelijkheid is. ’t Is duidelijk dat ook als doel de ziel oorzaak is; want zooals de geest om iets handelt, op dezelfde wijze ook de natuur en dat is haar doel. Zoodanig iets is bij de levende wezens de ziel, ook naar de natuur beschouwd; want al de natuurlijke lichamen zijn werktuigen der ziel, en zooals bij de dieren zoo ook bij de planten, als zijnde ter wille van de ziel.Het „terwille van” is tweevoudig, eensdeels de zaak waarom, anderdeels de persoon waarvoor.En verder is ook de bron van de plaatselijke beweging ziel; maar niet alle levende wezens bezitten dit vermogen. Ook verandering en groei betreft de ziel; immers de gewaarwording is wel een zekere verandering en niets heeft gewaarwording zonder ziel. Evenzoo staat het met groei en afname; immers niets neemt af of groeit van nature zonder voeding en niets wordt gevoed dat niet aan leven deel heeft. Hier is Empedokles af te keuren wanneer hij zegtdat door bijvoegingde planten hun groei krijgen, terwijl zij naar onderen wortel schieten[79]doordat zoo de natuurlijke beweging van de aarde is en naar boven (klimmen) doordat het vuur die richting neemt. 416a. Want hij spreekt verkeerd van naar boven en naar onderen; immers boven en onder beteekenen niet hetzelfde voor elk ding als voor het geheel, maar als het hoofd van de dieren zoo verhouden zich de wortels van de planten, als men de organen anderen of dezelfde moet noemen naar hun werking. En bovendien, wat is het dat het vuur en de aarde, die tegengestelde richtingen zoeken, samenhoudt? Want is er niets dat tegenhoudt, dan zullen ze uiteengerukt worden; is er wèl iets, dan is dat de ziel en de oorzaak van het groeien en de voeding. Sommigen meenen dat de natuur van het vuur op zichzelf oorzaak van de voeding en de groei is; immers het blijkt het eenige van de lichamen of elementen dat vanzelf gevoed wordt en groeit en dus zou men ook bij de planten en de dieren daaraan die werking moeten toeschrijven. Echter is het wel in zekeren zin medeoorzaak, maar niet eenvoudig oorzaak, wat veeleer de ziel is; want de groei van het vuur gaat onbepaald door zoolang er brandstof is, maar alle natuurlijk samengestelde lichamen hebben een grens en bepaling van grootte en wasdom; dit zijn dingen van de ziel maar niet van vuur en veeleer van begrip dan van stof.

402a1—22. Voortreffelijkheid der zielkunde boven andere studieën doordat de ziel overgang vormt tusschen de waarheid in ’t algemeen en de natuur. Haar onderwerp in ’t algemeen. Hare moeilijkheid omdat met het onderwerp tevens de methode van wijsgeerig onderzoek en de grondslagen van het onderzoek moeten gevonden worden.402a. Als wij het weten iets schoons en kostbaars achten en de eene wetenschap meer dan de andere of door hare nauwkeurige methode of omdat haar onderwerp beter en belangwekkender is, stellen wij met recht om beide redenen de zielkunde voorop. De kennis der ziel zal ook voor alle waarheid veel bijdragen en voornamelijk voor de (kennis der) natuur; want de ziel is, zoo te zeggen, het principe1der levende wezens. Wij zoeken hare natuur en wezen te leeren kennen en dan verder hare eigenschappen; sommige daarvan denkt men zich als aan de ziel op zich zelf eigen, andere zullen door haar ook aan ’t levend geheel behooren. t Is in alle opzichten allermoeilijkst eenige zekere kennis omtrent haar te erlangen. Want daar de vraag omtrent het wezen ook voorkomt in vele andere gevallen, zou men allicht denken aan één methode voor alles, waarvan wij het wezen willen leeren kennen—zooals afleiding[36]geldt voor de tot het wezen behoorende eigenschappen2—en dan zou men dus die methode moeten zoeken. Wanneer de eene en algemeene methode betreffende het wezen ontbreekt, wordt de behandeling nog moeilijker, want dan zal men de voor elk geval geldige manier moeten krijgen. En als het blijkt of die afleiding is of ontleding3, of ook eenige andere methode, brengt de vraag nog moeilijkheden en dwalingen genoeg, waarvan het onderzoek moet uitgaan; want de elementen van verschillende dingen zijn verschillend, zooals van getallen en vlakken4.402 a 23—b 16. Algemeene vragen: 1. Tot welke derkategorieënbehoort de ziel? 2. Is zij mogelijkheid of werkzaamheid. 3. Gedeeld of ondeelbaar? 4. Zijn alle zielen gelijksoortig? Zoo niet, geldt het onderscheid het geslacht of alleen de soort? 5. Is er één algemeene bepaling voor ziel, levend wezen en dergelijke algemeenheden? 6. Als de ziel gedeeld is, moet men beginnen met het geheel of met de deelen? 7. Hoe onderscheiden zich de deelen? 8. Moet men eerst de werking der deelen onderzoeken en nog eerder hun voorwerpen?Vooreerst zat men wel moeten bepalen tot welke kategorie5de ziel behoort, tot die der substantie, der[37]hoedanigheid, der hoeveelheid of tot een andere der onderscheidenkategorieën. Voorts—wat niet weinig verschilt—of zij aanleg is dan veeleer een zekere werkzaamheid6. 402b. Ook moet men nagaan of zij deelbaar of ongedeeld is en of alle ziel gelijksoortig is of niet; en zoo niet, of zij dan naar soort of naar geslacht onderscheiden zijn. Wie immers nu wetenschappelijk spreken over de ziel, lijken alleen de menschelijke ziel na te gaan.Wij dienen er op te letten, evenals bij andere algemeene begrippen, of van de ziel één definitie geldt, zooals van levend wezen, dan of die met elke ziel wisselt, zooals van paard, hond, mensch en god, terwijl dan het levend wezen in ’t algemeen niets meer is dat een abstractie7.Verder als er niet van meerdere zielen sprake kan zijn, maar van deelen (van ééne), of men ’t onderzoek beginnen moet met de heele ziel of met de deelen. Ook is het moeilijk te bepalen wat het verschil is tusschen de deelen onderling en of men eerst de deelen moet na gaan of hun verrichtingen bijv. het denken of den geest, het waarnemen of het waarnemingsvermogen enz.8. Zoo men moet beginnen met de verrichtingen, dan zou men weer kunnen vragen of men niet nog eerder de objecten moet nagaan bijv. het waarneembare vóór het waarnemingsvermogen en de denkbaarheid vóór den geest.[38]402 b 16—403 a 2. (Want verrichting en voorwerp kunnen het wezen doen kennen). Men kan door het wezen de eigenschappen onderzoeken of omgekeerd steunen op de ervaring der eigenschappen voor de bepaling van het wezen en de bepaling van het wezen (aanvang van het bewijs) die niets omtrent de eigenschappen leert, is zinledig.Blijkbaar is niet slechts de kennis van het wezen van nut tot het begrijpen van de gronden van de eigenschappen der dingen—zooals in de wiskunde het begrip van het rechte en kromme of van lijn en vlak tot het inzicht aan hoeveel rechten de hoeken van den driehoek gelijk zijn—maar omgekeerd strekken ook de eigenschappen grootelijks tot de kennis van het wezen; want wanneer wij uit de voorstelling omtrent de eigenschappen, allen of de meesten, rede kunnen staan zullen wij ook het best over het wezen kunnen spreken. 403a. Daar alle bewijs9uitgaat van het wezen, zijn wezensbepalingen die niet tot de kennis der eigenschappen leiden, ja niet eens licht gissingen dienaangaande mogelijk maken, blijkbaar samen niets dan ijdele woord-definities.403 a 3—b 19. De aandoeningen, ook wel het denken, zijn in verband met de stof; dus houdt de zielkunde verband met de natuurleer. Excurs: onderscheid in de opvatting van het voorwerp tusschen den natuurkundige, den kunstenaar, den wiskundige en den begripskundige.[39]Betreffende de aandoeningen der ziel kan men onzeker zijn of allen aan het dragende gemeen zijn of dat er ook eenige aan de ziel op zichzelf eigen is; dit is wel noodzakelijk na te gaan, maar niet gemakkelijk. De ziel schijnt in de meeste gevallen niets zonder het lichaam te ondergaan of te doen, als bij toorn, gerustheid, begeerte en gewaarwording in ’t algemeen. Het denken lijkt wel het meest het eigene te zijn, maar indien ook dit voorstelling is of van voorstelling vergezeld moet zijn, kan ook het denken niet zonder lichaam voorkomen. Is nu eenig doen of ondergaan van de ziel haar eigen, dan zou zij gescheiden kunnen worden; is er niets haar eigen, dan is zij niet scheidbaar en gaat het daarmee als met de rechte (lijn) die,als rechtonder andere eigenschappen deze heeft den koperen bol in een punt te raken; het is echter niet het rechte gescheiden dat zoo raakt, immers het is onscheidbaar, daar het altijd met eenig lichaam verbonden is10. Ook alle aandoeningen der ziel lijken het lichaam mede te betreffen, drift, zachtzinnigheid, vrees, medelijden, gerustheid, ook vreugde en liefde en haat, want hun optreden werkt tegelijk op ’t lichaam in. Een teeken hiervan is dat terwijl men soms bij aanwezigheid van krachtige en zich opdringende aandoeningen in ’t geheel niet geraakt wordt of ontstelt,[40]men soms door geringe en zwakke gedreven wordt, wanneer het lichaamtierten in een toestand is als bijtoorn. Nog duidelijker (teeken) is dit, dat zonder dat iets vreeswekkends aanwezig is, de verschijnselen van vrees getoond worden11. Als het zoo is, dan zijn de aandoeningen blijkbaar verhoudingen in stoffelijkheden. Dus moeten de definities zóó luiden, dat bijv. toorn is de inwerking op een bepaald lichaam of lichaamsdeel of vermogen door een bepaalde oorzaak en met een bepaalde strekking. En daarom is het de taak reeds van den natuurkundige de ziel, althans de zoodanige, na te gaan.—De definities van den natuurkundige en den redekundige zullen in elk van deze gevallen verschillen, bijv. toorn zal de een definieeren als streven naar wederkeerige krenking of iets dergelijks, de ander als verhitting van het warme hartebloed. 403b. De laatste geeft het stoffelijke aan, de eerste ’t wezen en het begrip. Want dit is ’t begrip van de zaak, maar dat moet werkelijk worden in een bepaalde stof. Zoo is het begrip van huis dat het is een beschutting tegen ondergang door wind en regen en hitte; de ander noemt het steenen, tichels en hout, de derde noemt het: in deze materialen de vorm12met een bepaalde strekking. Wie van dezen heeft de natuurkundige te heeten? Die de stof behandelt zonder kennis van het begrip of die alleen het begrip behandelt? Veeleer die beiden vereenigt. Hoe dan met elk van de twee anderen? Geen behandelt de van de stof onscheidbare eigenschappen als ongescheiden13,[41]maar de natuurkundige alle doen en lijden van een bepaald lichaam en een bepaalde stof; van die bepaalde stof afziende werkt niet hij, maar ten deele soms de kunstenaar, bijv. de timmerman of de dokter; eveneens het onscheidbare, wat bij wijze van afgetrokkenheid, maar niet aan een bepaald lichaam verbonden gedacht wordt, behandelt de wiskundige, en als gescheiden (het wezen op zichzelf) de metaphysicus. Maar laat ons terugkeeren van deze uitwijding. Wij zeiden dat de aandoeningen der ziel, in zooverre zij eigenschappen heeft als moed en vrees, niet af te scheiden zijn van de stof bij levende wezens en anders zijn dan lijn en vlak.403b 19—405b 30. De leeringen der vroegeren: de ziel het bewegende, het zichzelf bewegende; Democritus, Leucippus, de Pythagoreërs, Anaxagoras. De ziel uit de elementen, het kennende en waarnemende; Empedocles, Plato. De elementen stoffelijk, onstoffelijk of gemengd, één of meer. Democritus, Anaxagoras, Thales, Diogenes e.a., Heraclitus, Alcmaeon, Hippo, Critias. Samenvatting: de ziel is het bewegende, waarnemende, onstoffelijke, te herleiden tot de elementen, meer of één, uit tegendeelen of een daarvan. Etymologie.Bij het onderzoek over de ziel is het noodig onder het stellen der verlegenheden, die in den voortgang hun oplossing moeten vinden, de meeningen der voorgangers betreffende de ziel er bij op te nemen om het[42]goede te aanvaarden en hun fouten te vermijden. Wij beginnen het onderzoek met aan te geven wat de ziel naar men zegt van nature ’t meest eigen is. Het bezielde dan onderscheidt zich in twee opzichten voornamelijk van het onbezielde, door beweging en gewaarwording. Deze twee opvattingen ongeveer over de ziel hebben wij ook van de voorgangers geleerd; sommigen dan noemen de ziel het voornamelijk en eigenlijk bewegende. En aangezien zij meenden dat wat zelf niet bewogen werd niet iets anders kan bewegen, vatten zij de ziel op als iets dat bewogen wordt.404a. Daarom noemt Demokritos haar iets van vuur en warmte, want terwijl er oneindig vele schemen of atomen zijn14, zooals de zoogenaamde stofjes in de lucht, die in de zonnestralen door de vensters zichtbaar worden, noemt hij hun mengeling de elementen van de heele natuur—evenzoo Leukippos—en daaronder de bolvormige vuur en ziel, omdat zulke vormsels het meest door alles heen kunnen dringen en zij de rest bewegen, terwijl ze ook zelf bewogen worden, volgens hun opvatting dat de ziel is wat aan de levende wezens de beweging verschaft. Dat daarom ook de ademhaling het werk van het leven is, want dat terwijl de atmosfeer de lichamen samendringt en de atomen uitperst, die door dat ze zelf nooit in rust zijn aan de levende wezens de beweging verschaffen, er van buiten hulp komt door het binnenkomen van andere dergelijke atomen bij het ademhalen;[43]want dat deze ook de uitstooting van de in de levende wezens aanwezige atomen beletten, het samendringen en verstijven keerende; en dat men leeft, zoolang men dat kan doen. Ook wat de Pythagoreërs zeggen schijnt denzelfde zin te hebben: eenigen van hen zeiden dat de ziel was de stofjes in de lucht, anderen wat deze beweegt. Hierover is gezegd dat zij voortdurend in beweging blijken ook bij volkomen windstilte. Op hetzelfde komen neer die de ziel het zich zelf bewegende noemen; want al deze lijken te meenen dat de beweging het meest eigen is aan de ziel en dat alle andere dingen bewogen worden door de ziel en deze door zichzelf, omdat zij van niets waarnemen dat het beweging geeft of het wordt ook zelf bewogen. Eveneens noemt Anaxagoras de ziel het bewegende en wie anders heeft gezegd dat de geest het heelal heeft bewogen15, evenwel niet geheel zooals Demokritos. Deze immers noemt zonder meer ziel en geest hetzelfde en volgens hem is het ware het verschijnsel, waarom Homerus juist dicht: „Hektor lag buiten denken”16. (IliasΟ245vgl. Odys.κ374). Hij weet dus niet van den geest als een vermogen omtrent de waarheid, maar noemt ziel en geest hetzelfde.404b. Anaxagoras is hierover minder duidelijk; dikwijls immers spreekt hij van den geest als de oorzaak van de rechte ordening, doch elders noemt hij den geest de ziel, zeggende dat hij in alle levende wezens aanwezig is, groote en kleine, hooge en lage. Echter schijnt[44]niet de als denkend bedoelde geest bij alle levende wezens gelijkelijk aanwezig te zijn, ja niet eens bij alle menschen.Zij nu die op de beweging van het bezielde het oog richten, vatten de ziel als het meest bewegende; die letten op het kennen en waarnemen der dingen, noemen de ziel de elementen, die er meerdere aannemen, die meerderen, die één aannemen dit eene. Zoo stelt Empedokles de ziel samen uit alle elementen zóó dat elk element ook ziel is, in deze verzen:„Aarde zien we met aarde en water zien we met waterLucht doet ons godd’lijke lucht en vuur het verdelgende vuur zienLiefde met liefde en met haat aanschouwen we ’t bittere haten.”Op dezelfde wijze stelt Plato in den Timaeus de ziel uit de elementen samen, zeggendedat het gelijke door het gelijke gekend wordt en dat de dingen uit de elementen bestaan17. Een soortgelijke bepaling werd gegeven in de philosophische voordrachten, het levende wezen op zichzelf18samengesteld uit het begrip op zichzelf van het ééne en het begrip van lengte, breedte en diepte en het overige desgelijks. Of nog anders: de geest het ééne, ’t weten de twee—immers met één richting heeft het één eindpunt—het getal van het vlak de meening, dat van het lichaam de gewaarwording, want de getallen[45]werden genoemd deideeënzelf en de bestaansgronden en zij bestaan toch uit de elementen19. De dingen worden deels door den geest, deels door ’t weten, deels door de meening, deels door de gewaarwording beoordeeld en deze getallen zijn deideeënder dingen. Daar nu de ziel ook het bewegende scheen evenals het kennende hebben eenigen hun definitie uit beiden samengevlochten, die de ziel noemden een zichzelf bewegend getal. Er is verschil van opvatting welke en hoevele de principes zijn, vooral tusschen het stellen van stoffelijke of onstoffelijke en de vermenging van de eenen en de anderen. 405a. Wat het aantal betreft, sommigen noemen één principe, anderen meerderen. Hiermee overeenstemmend definieeren zij de ziel, want zij noemen haar niet onbegrijpelijk dát element dat van nature ’t bewegelijke is. Derhalve hebben sommigen verklaard dat de ziel vuur is; immers dit is het fijnste en onstoffelijkste element en het ondergaat beweging en beweegt het andereonmiddellijk. Demokritos geeft nog helderder uiteenzetting waarom beide omstandigheden (van de ziel gelden); de ziel is namelijk volgens hem hetzelfde als de geest en behoort tot de ondeelbare elementen, die dan bewegelijk zijn door hun kleinheid en figuur; van de figuren noemt hij het bewegelijkst het bolvormige en zoodanig is dan de geest en het vuur. Anaxagoras schijnt ziel en geest te onderscheiden, zooals wij boven zeiden, maar in de behandeling zijn beiden bij hem één natuur; toch stelt hij den geest allermeest als ’t principe, als hij namelijk[46]zegt dat van alle dingen alleen de geest eenvoudig, onvermengd en rein is. Kennen en bewegen beiden schrijft hij toe aan hetzelfde principe, als hij zegt dat de geest het Al heeft bewogen. Volgens de overleveringen omtrent hem schijnt ook Thales de ziel als iets bewegends opgevat te hebben, immers hij zeide dat de (magneet)steen een ziel heeft omdat zij ’t ijzer beweegt. Diogenes evenals eenige anderen noemt de ziel lucht, in de meening dat die het fijnste van alles is en principe; en dat daardoor de ziel kent en beweegt, kent in zooverre zij element is en uit haar als oorsprong het overige is, en beweeglijk inzoover zij het fijnste is. Ook Herakleitos zegt dat het principe ziel is, immers ziel noemt hij de uitdamping, waaruit hij het andere vormt; en ’t meest onstoffelijk en steeds vloeiend; en wat bewogen wordt wordt dan volgens hem gekend door wat bewogen wordt. Hij evenals de meesten meenden dat de dingen in beweging zijn. Overeenstemmend met dezen schijnt de meening van Alkmaion over de ziel; hij zegt nl.: dat de ziel onsterfelijk is doordat zij gelijkt op ’t onsterfelijke, en dat dit haar toekomt als altijd bewogen, want dat ook al de goddelijke dingen altijddoor bewogen worden, maan, zon, sterren en de heele hemel. 405b. Sommige groveren, zooals Hippon, hebben de ziel water genoemd; zij lijken tot die overtuiging gekomen doordat aller zaad vochtig is. Immers hij bestrijdt degenen die de ziel bloed noemen, omdat het zaad geen bloed is en het zaad is de ziel in aanleg. Anderen als Kritias, spreken van ’t bloed, meenende dat de gewaarwording het meest aan de ziel eigen is en dat deze aanwezig is door de natuur van het bloed. Alle elementen hebben dus hun[47]verdediger gevonden, behalve de aarde; die heeft niemand tot ziel verklaard, behalve alwie de ziel uit alle elementen samengesteld of alles ziel acht.Allen ongeveer bepalen de ziel naar drie zijden, beweging, gewaarwording, onstoffelijkheid en elk dier bepalingen houdt verband met de principes. Derhalve stellen zij, die het kennen als bepaling geven, de ziel als een element of als samengesteld uit de elementen, op één na20, onderling overeenstemmend in de opvatting dat het gelijke door het gelijke gekend wordt; want aangezien de ziel alle dingen erkent, stellen zij haar samen uit alle elementen. Die dus één principe en één element aannemen, stellen ook de ziel als één bijv. vuur of lucht; die meerdere principes aannemen, stellen ook een veelheid in de ziel. Anaxagoras alleen noemt den geest onaangedaan en met niets van het andere iets gemeen hebbend. Als hij zoo is, hoe hij dan zal kennen en door welke oorzaak, dat heeft A. niet gezegd noch blijkt het uit wat hij zegt. Zij die in de principes tegenstellingen zien, achten ook de ziel uit de tegenstellingen gevormd; zij die één zijde van de tegenstellingen als principe aannemen bijv. het warme of het koude of iets dergelijks, stellen overeenkomstig de ziel als een daarvan. Zoo dan volgen zij ’t spoor van de woorden: de eenen spreken van ’twarme, omdat daarnaar ook hetlevengenoemd is; de anderen van hetkoude, zeggende dat hetademhalenen deafkoelingaan dezielden naam geeft (ζεῖν-ζῆν ἀναψύχεσθαι, καταψύχω-ψυχή). Dit alzoo is wat ons geleerd is over de ziel met de gronden waarop de meeningen steunen.[48]406 a 1—407b 26. Heeft de ziel van nature eigen (niet bijkomstige) beweging? Neen, want die vooronderstelt plaats; stelt als mogelijk dwangbeweging en rust, maakt haar tot een element en verplaatsbaar, heft haar bijkomstige beweging op en brengt haar buiten zichzelf. Kritiek vanDemocritusen Plato’s Timaeus. De besproken theorieën behandelen eenzijdig de ziel afgescheiden van het lichaam.406a. Eerst nu moeten wij de beweging onderzoeken; want misschien is het niet slechts onjuist dat het wezen der ziel zoodanig iets is, dat zichzelf beweegt of kan bewegen, zooals sommigen zeggen, maar is het onmogelijk dat zij beweging heeft. Dat het nu niet noodzakelijk is dat het bewegende zelf bewogen wordt, is vroeger21gezegd. Beweging istweeërlei; alles nl. beweegt òf betrekkelijk òf op zichzelf, het eerste, al wat beweegt doordat het zich in ’t bewegende bevindt, als de schippers, immers hun beweging is niet gelijksoortig met die van het schip; dit toch beweegt op zichzelf, zij doordat ze zich bevinden in het bewegende. Wat uitkomt bij de onderdeelen: want de eigen beweging der voeten is het loopen en zoo ook van de menschen en die hebben de schippers dan niet. Terwijl nu beweging in tweeërlei zin gezegd wordt, onderzoeken wij nu of de ziel op zichzelf beweegt en aan beweging deel heeft. Er zijn vier bewegingen: verplaatsing, verandering, afneming en groei; een of meer daarvan zal de ziel moeten hebben of allen. Is haar beweging geen bijkomstigheid,[49]dan heeft zij haar van nature en heeft zij daarmede ook een plaats; want alle genoemde bewegingen geschieden op een plaats. Is het wezen van de ziel daarin gelegen dat zij zichzelf beweegt, dan is haar beweging geen bijkomstigheid, zooals bij het witte of 3 el lange; ook hierin immers is beweging, maar die is bijkomstig; het lichaam nl. waarmee zij verbonden zijn, beweegt. Zoo is er dan ook van hen geen plaats, zooals van de ziel wèl, als beweging van nature haar deel is. En verder als zij van nature beweegt, zou zij ook door geweld kunnen bewogen worden en omgekeerd. Hetzelfde geldt van de rust; de ziel zou dan plaatsen hebben van natuurlijke of gewelddadige beweging en rust. Maar welke de gewelddadige bewegingen en rust der ziel zijn, dat zal men zich niet licht zelfs maar kunnen verbeelden. Gaat verder de beweging der ziel naar boven, dan moet zij vuur zijn, naar beneden, aarde—want dit zijn de bewegingen van die lichamen—en overeenkomstig is de betrekking tot de tusschenliggende elementen. Voorts daar zij het lichaam blijkt te bewegen, is het aannemelijk dat zij haar eigen bewegingen aan het lichaam meedeelt en dus omgekeerd naar waarheid te zeggen, dat de beweging van het lichaam ook de hare is. 406b. De beweging van het lichaam is plaatsverandering; dus zou ook de ziel op de wijze van het lichaam geheel of gedeeltelijk zich verplaatsen. Is dit mogelijk dan zou zij ook uit en weer in kunnen gaan en bij gevolg zouden de dooden kunnen opstaan. De bijkomstige beweging zou zij van iets anders kunnen ontvangen; zoo wanneer het levend wezen met geweld gestooten wordt. Maar behalve in dier voege moet datgene, welks wezen zelfbeweging is,[50]niet door iets anders bewogen worden, evenmin als het goede op zichzelf of door zichzelf om of door iets anders moet zijn. En van de ziel zou men toch zeggen, dat zij voornamelijk door de waarneembaarheden bewogen wordt, àls zij bewogen wordt. Maar voorwaar ook indien zij zichzelf beweegt, wordt zij toch ook bewogen en daar alle beweging wat bewogen wordt doet uittreden in de beweging, zou de ziel ook uit haar wezen moeten uitgaan22, als zij niet bijkomstig zichzelf beweegt, maar de beweging tot haar eigen wezen op zichzelf behoort. Sommigen zeggen ook dat de ziel het lichaam waarin zij is haar eigen beweging meedeelt, zooals Demokritos in overeenstemming met den blijspeldichter Philippos, die Daidalos de houten Aphrodite laat maken en bewegen doordat hij er kwikzilver ingoot; desgelijks zegt ook Demokritos dat de bewegende ondeelbare bollen doordat ze van nature nooit in stilstand zijn het geheele lichaam meesleepen en bewegen. Wij vragen dan of ditzelfde ook de rust zal veroorzaken. Hoe dat zou gaan, is moeilijk of liever onmogelijk te zeggen. Welbeschouwd schijnt de ziel niet zóó het levend wezen te bewegen maar door iets als bedoeling en gedachte.Op dezelfde wijs beschouwt ook de natuurleer van den Timaios23de beweging die de ziel aan ’t lichaam meedeelt; door haar eigen beweging beweegt zij het lichaam, waarmede zij verbonden is. Terwijl zij samengesteld is uit de elementen en ingedeeld naar harmonische verhouding, opdat zij aangeboren gewaarwording van harmonie hebbe en het heelal zich harmonisch bewege,[51]heeft (de demiurg) haar rechte baan tot een kring omgebogen en den eenen kring in twee gesplitst hebbende, die bij twee punten verbonden zijn, heeft hij weder den eenen in zeven kringen gesplitst, daar (volgens Plato) de hemelbewegingen die der ziel zijn. 407a. Vooreerst nu is het niet behoorlijk de ziel een grootte te noemen; blijkbaar nl. bedoelt hij met de Alziel zooiets als wat men wel24den geest noemt en niet iets als de gewaarwordende of de begeerende ziel, want hun beweging is geen kringloop; de geest is één en aaneen als het denken en het denken is de gedachten, welke één zijn bij opeenvolging als het getal maar niet als de grootte; daarom is ook de geest niet zóó aaneen, maar óf ondeelbaar óf niet als een grootte aaneen. En hoe ook zal hij denken als hij grootte is? Met eenig deel van zichzelf? Een deel dat grootte heeft of puntsgewijze is, als men een punt ook een deel moet noemen. Gaat het puntsgewijze, dan komt blijkbaar de gedachte nooit tot stand, daar de punten eindeloos zijn; en gaat het met grootte dan zal men dikwijls of eindeloos veel malen hetzelfde denken, maar het blijkt dat het ook eenmaal mogelijk is25. Als voldoende is de aanraking met eenig deel, waartoe is dan kringbeweging noodig of moet er in ’t geheel van een grootte sprake zijn? Wanneer het denken aanraking door den geheelen kring vereischt, wat doet dan de aanraking met de deelen? En verder hoe kan men het gedeelde denken[52]met het ongedeelde of omgekeerd? Het is noodzakelijk dat de geest de gezegde kring is, want de beweging van den geest is het denken, van den kring de draaiing; is nu het denken de draaiing, dan moet de geest de kring zijn welks zoodanigedraaiinghet denken is. Maar wat zal het zijn dat de geest altijd door denkt?—immers dedraaiingduurt altijd door. Maar de gedachten van toegepaste wetenschap hebben grenzen, want zij allen beoogen iets buiten zich; en de theoretische overwegingen hebben eveneens hun grenzen in de redeneeringen, zijnde allen òf definitie òf bewijs; het bewijs nu gaat van een onderstelling uit en heeft op eenige wijze zijn einde in de sluitrede of de gevolgtrekking; en als zij niet afloopen, zoo keeren zij toch niet terug tot het uitgangspunt, maar gaan voorwaarts met toevoeging telkens van middenterm en conclusie; terwijl de draaiing weer tot ’t begin ombuigt. De definities zijn allen begrensd. Gebeurt verder dezelfde draaiing dikwijls dan zal men dikwijls hetzelfde moeten denken. Verder lijkt de gedachte meer op een rust en halt dan op beweging; desgelijks de sluitrede. 407b. Voorzeker is ook niet gelukzalig wat niet gemakkelijk gaat maar met geweld; indien nu de beweging der ziel haar wezen niet is, dan wordt zij tegen haar natuur bewogen26. Bezwaarlijk is het ook (voor den geest) onafscheidelijk gemengd te zijn met het lichaam; ja zelfs verwerpelijk, als het werkelijk voor den geest beter is zonder het lichaam te zijn, zooals Plato pleegt te zeggen, waarmee dan velen instemmen. Onduidelijk blijft ook de oorzaak van de kringbeweging[53]des heelals, want noch is het wezen der ziel oorzaak der kringbeweging, maar die is haar bijkomstig, noch is het lichaam oorzaak, maar veeleer is de ziel oorzaak voor ’t lichaam. En eindelijk ontbreekt ook het bewijs waarom het dienstig is, terwijl toch de godheid daarom de kringbeweging aan de ziel moest geven omdat het haar dienstiger is te bewegen dan te rusten en zóó te bewegen en niet anders.Maar daar dergelijk onderzoek in een andere wetenschap meer thuis hoort, willen wij het thans daarlaten. Deze ongerijmdheid deelt Plato’s redeneering met de meesten over de ziel, dat zij n.l. de ziel verbinden met en stellen in het lichaam zonder de bepaling erbij te voegen van de oorzaak (dier verbinding) en van de verhouding van ’t lichaam. En dat mag toch een eisch heeten; want door de gemeenschap is het eene werkend, het andere lijdend en wordt het eene bewogen terwijl het andere beweegt en deze verhoudingen gelden nimmer voor onverschillige dingen onderling. Maar zij beproeven alleen te bepalen wat de ziel is, doch geven er verder geen bepaling bij van het lichaam dat de ziel moet opnemen, alsof het mogelijk ware dat naar de verhalen der Pythagoreërs een ziel, welke ook, haar intrek nam in ’t eerste ’t beste lichaam. Neen, elk lichaam moet wel eigen gestalte en vorm27hebben. ’t Is hetzelfde alsof men zeide dat de timmerkunst fluiten betrok; want de kunst moet haar (eigen) werktuigen en de ziel het lichaam gebruiken.[54]407 b 27—408 a 28. De ziel is geen harmonie, zooals velen gelooven: noch harmonie als samenstelling van deelen noch als de verhouding in de samenstelling. Bezwaren tegen Empedocles, die de ziel uit al de elementen maakt en elk element als verhouding denkt en tevens deφιλία(liefde) oorzaak der verbinding doet zijn, dus iets buiten de verbinding zelve. Maar hoe dan te denken over de scheiding van ziel en lichaam?Ook is een andere meening geleerd over de ziel die bij velen niet minder geloof vindt dan eenige andere der behandelden en die ook in de tot gemeen goed gemaakte besprekingen28een soort van proces heeft doorstaan. Men zegt nl. dat zij een zekere harmonie is; dat immers de harmonie een menging en samenvoeging van tegendeelen is en dat het lichaam samengesteld is uit tegendeelen. Evenwel de harmonie is een verhouding van de gemengden of een samenvoeging en de ziel kan geen van beiden zijn. Verder is bewegen geen eigenschap van harmonie en dat schrijven allen wel ongeveer ’t meest aan de ziel toe. Het past meer bij gezondheid van harmonie te spreken en in ’t algemeen bij de lichamelijke deugden dan bij de ziel. Het duidelijkst blijkt (de ongelijkheid) wanneer men zou beproeven het doen en lijden der ziel op een harmonie over te brengen—dat is moeilijk te harmonieeren. Voorts als wij spreken van harmonie in twee gevallen en wel eigenlijk bij de grootheden die beweging en plaats hebben hun samenvoeging zóódanig dat zij niets gelijksoortigs kan opnemen en[55]ten tweede ook de verhouding van de gemengden—nu, dan zijn geen van beide opvattingen (voor de ziel) aannemelijk en die van de harmonische samenvoeging der lichaamsdeelen laat zich al te gemakkelijk weerleggen. Want er zijn vele samenvoegingen der deelen en op vele wijzen; van welk deel of hoe moet men nu aannemen dat de geest een samenvoeging is of de gewaarwording of de begeerte? Even ongerijmd is de meening dat de ziel de verhouding van de menging is; want de verhouding bij de vermenging der elementen is niet dezelfde voor vleesch en been. Waaruit volgt dat men vele zielen zal hebben en door het heele lichaam heen, als alles bestaat uit het mengsel der elementen en de verhouding der menging harmonie en ziel is. Hierover zou men ook Empedocles rekenschap kunnen vragen, die zegt dat elk der deelen naar een bepaalde verhouding (der elementen) ingericht is; is nu de verhouding de ziel of komt deze als iets nieuws in de deelen? Is verder de liefde de oorzaak van onverschillig welke menging of van die naar de juiste verhouding? En is deze de verhouding of iets anders daarnevens? Dat alles zijn daarbij verlegenheden. En als de ziel iets anders dan de menging is, waarom wordt zij dan vernietigd met het bestaan van het vleesch en van de andere deelen van het levend wezen? Bovendien indien niet ieder der deelen een ziel heeft, en indien de ziel niet is de verhouding der menging, wat wordt dan eigenlijk vernietigd als de ziel weg gaat?408 a 29—b 29. Van beweging der ziel spreekt men minder juist, wanneer het juiste is lichamelijke beweging[56]van haar uitgaande of tot haar strekkende, als bij gewaarwording of herinnering; de werkzaamheid ook van den geest lijdt van ziekte en ouderdom, dus van ’t lichamelijke, maar de geest zelf is een zelfstandigheid.Uit het gezegde nu blijkt dat de ziel onmogelijk harmonie kan zijn noch kringbeweging kan hebben. Wel kan zij, zooals gezegd is, bijkomstig bewogen worden en zichzelf bewegen, zoo b.v. dat datgene bewogen wordt, waarin zij is en wel door de ziel bewogen wordt, anders is ruimtelijke beweging voor haar onmogelijk. 408b. Met meer grond zou men over hare beweging kunnen redekavelen uit dergelijke overwegingen, dat men zegt dat de ziel smart en vreugde ondervindt, gerust is of vreest, voorts toornig wordt, waarneemt en denkt; want dat alles zullen bewegingen zijn. En dus zou men meenen dat zij bewogen wordt, maar dat is niet noodzakelijk. Want al zijn ook werkelijk smart, vreugde en denken bewegingen en is elk daarvan bewogen worden, bewogen worden door de ziel—b.v. toornig worden of vreezen zulk een beweging van het hart, denken (beweging) van dit wellicht of van iets anders—en gebeurt dit bij eenige ervan door verplaatsende beweging, bij anderen door verandering van hoedanigheid (bij welke en welke verandering is hier niet de vraag); dan is het zeggen dat de ziel toornig wordt, zoo, alsof men zeide dat de ziel weeft of bouwt. Het lijkt wel beter niet te zeggen dat de ziel medelijden heeft of leert of denkt, maar de mensch met zijn ziel en wel omdat de beweging niet in haar is, maar soms tot aan haar, soms van haar uit b.v. de gewaarwording van deze voorwerpen hier uitgaande tot[57]aan haar, de herinnering van haar uit naar de bewegingen of stilstanden in de zintuigen. De geest schijnt (in den mensch) te zijn een zelfstandigheid, die onvernietigbaar is. Anders moest hij vooral vernietigd worden door de verduistering in den ouderdom; doch denkelijk geldt hier hetzelfde als bij de zintuigen; als de grijsaard eens zúlk een oog kreeg, dan zou hij kunnen zien als een jongeling. Alzoo heeft de ouderdom niet tot oorzaak eenig ondervinden van de ziel, maar van ’t lichaam waarin zij is, zooals bij dronkenschap en ziekte. Zoo kwijnt dan het denken en studeeren doordat iets anders inwendig afbreuk lijdt, maar zelf is het onaantastbaar. Het denken, beminnen en haten tasten niet den geest aan, maar dat bepaalde, dat hem bevat in zoover het hem bevat. Gaat daarom dat (bevattende) te loor, dan houdt herinneren29en beminnen op; want die behoorden niet aan den geest, maar aan het geheel, dat verloren is. De geest echter lijkt wel iets goddelijkers en onaangedaan.408 b 30—409 b 18. (Xenokrates’) leer der ziel als zelfbewegend getal.Uit deze beschouwingen dus blijkt dat het niet mogelijk is dat de ziel bewogen wordt en als zij in ’t geheel niet bewogen wordt, dan natuurlijk ook niet door zich zelf. Verreweg het ongerijmds van de beweringen is die, dat de ziel een zichzelf bewegend getal is; want wie dat zeggen hebben vooreerst de onmogelijkheden die uit de beweging voortkomen en dan nog bizondere uit de stelling dat zij getal is. Hoe toch moet men denken[58]een eenheid, die bewogen wordt, door wat en hoe, daar zij ongedeeld en ononderscheiden is? Is zij immers bewegend en bewogen dan moet er onderscheid in zijn. En dan: aangezien naar men zegt de beweging van een lijn een vlak, die van een punt een lijn maakt, zoo zullen ook de bewegingen van de eenheden lijnen zijn; het punt is nl. een eenheid met plaats en het getal van de ziel is dan zeker ergens en heeft een plaats. Verder: als men van een getal een getal of een eenheid aftrekt, dan blijft er een ander getal over; maar de planten en vele dieren blijven na verdeeling leven en blijken dan soortelijk dezelfde ziel te houden. Men zou ook evengoed als van eenheden kunnen spreken van molekels; want als men de bolletjes van Demokritos terugbrengt tot punten, zoodat slechts de veelheid blijft, moet daarin zijn het onderscheid van bewegen en bewogen worden evenals in het aaneengesloten geheel; dat onderscheid immers hangt niet samen met het verschil van grootte of kleinheid, maar het is er om het aantal. Dus moet er iets zijn dat de eenheden bewegen kan. Wanneer nu in het levend wezen het bewegende de ziel is, dan is zij het ook in het getal en dus zou de ziel niet zijn het bewegende en wat bewogen wordt, maar alleen het bewegende. Hoe kan dat dan een eenheid zijn? Er moet dan toch een onderscheid zijn tusschen haar en de andere (eenheden). En welk onderscheid kan een eenheid-punt hebben behalve van plaats? Zijn nu de punten in het lichaam verschillend van de eenheden, dan zullen de eenheden op dezelfde plaats zijn (met de punten); want elke zal de plaats van een punt innemen. Echter wat belet dat, zoo er twee, dan ook[59]eindeloos vele opdezelfdeplaats zijn? Want dingen wier plaats ongescheiden is, zijn zelf ook ongescheiden. En indien de punten in ’t lichaam het getal van de ziel zijn of indien het getal van de punten in ’t lichaam de ziel is, waarom hebben dan niet alle lichamen een ziel? Punten moeten er toch in allen zijn en wel eindeloos vele. En dan hoe is het mogelijk dat de punten gescheiden en afgescheiden worden van ’t lichaam, terwijl toch niet de lijnen zich laten verdeelen in punten?Zooals gezegd is, stemmen zij eenerzijds overeen met hen die de ziel iets fijns lichamelijks noemen, anderzijds is er een bizondere ongerijmdheid doordat zij als Demokritos de beweging laten uitgaan van de ziel.409b. Want daar toch de ziel in het geheele gewaarwordende lichaam is, moeten er twee lichamen op dezelfde plaats zijn, als de ziel een lichaam is; die de ziel een getal noemen, moeten aannemen dat in het eene punt vele punten zijn of dat elk lichaam een ziel heeft, wanneer niet het er in zijnd getal verschillend is en iets anders dan het getal van de in de lichamen zijnde punten. Ook is een gevolgtrekking dat het levend wezen bewogen wordt door het getal, zooals wij zeiden dat ook Demokritos het laat bewegen; want welk verschil maakt het te spreken van kleine bolletjes of groote eenheden of in ’t geheel van bewegende eenheden? Op beide wijzen toch is noodzakelijk de beweging van ’t levend wezen door hen veroorzaakt doordat zij bewogen worden. Die dus beweging en getal samenvlechten leiden tot die en vele dergelijke gevolgen. Zoo iets kan immers niet slechts geen definitie van de ziel zijn, maar zelfs geen bijkomstigheid. Dit blijkt als men zou beproeven op grond van[60]die bewering rekenschap te geven van ’t lijden en doen van de ziel, b.v. van redeneeringen, gewaarwordingen, vreugden, smarten enz. Immers die beweringen geven, zooals wij vroeger zeiden, niet eens licht grond tot gissingen30.409 b 19—410 b 15. De ziel, hetwaarnemende, uit de elementen, zóó dat het gelijke het gelijke waarneemt. Bezwaren tegen deze theorie en tegen Empedokles.Drie wijzen zijn geleerd waarop men de ziel definieert: als ’t bij uitstek bewegende doordat zij zich zelf beweegt; als het fijnste of meest onlichamelijke lichaam; de moeilijkheden en tegenspraken die zich hierbij voordoen hebben wij in hoofdzaak besproken en er blijft over na te gaan hoe het staat met de bewering dat de ziel uit de elementen bestaat. Dat zegt men, opdat zij de dingen zal waarnemen en elk ding zal kennen, maar vele onmogelijkheden[61]volgen uit die redeneering noodzakelijk. Men stelt n.l. dat het gelijke het gelijke kent, de ziel als ’t ware de dingen noemende. Maar dat zijn niet alleen deze (de elementen) maar nog vele anderen of liever tallooze die er uit samengesteld zijn. Toegegeven dat de ziel kent en waarneemt de elk ding samenstellende elementen; waardoor zal zij echter het geheel kennen of waarnemen, b.v. god, mensch, vleesch of been en desgelijks elk ander samenstel? Want ieder daarvan is niet uit de elementen willekeurig, maar in een bepaalde verhouding en samenstelling, zooals Empedokles omtrent gebeente zegt: „De vriendelijke aarde nam in den ruimen smeltkroes twee achtste deelen glanzend vocht en vier deelen Hephaestus: zoo ontstonden de witte beenderen”31.Het helpt dus niets dat de elementen in de ziel zijn, indien niet ook de verhoudingen en de samenvoeging er in zijn; elk element immers zal het gelijke erkennen, maar niets het gebeente of den mensch, zoo niet deze ook er in zijn—onmogelijkheid die geen betoog behoeft; want wie kan twijfelen of er in de ziel een steen of mensch is? Evenzoo zal niets het goede en ’t omgekeerde erkennen; en zoo ook met ’t andere. Verder wordt er van het zijnde in vele beteekenissen gesproken: als substantie, hoeveelheid, hoedanigheid of eenige andere der onderscheiden kategorieën; zal nu de ziel uit allen bestaan of niet? Maar het blijkt niet dat er elementen zijn die aan alle kategorieën gemeenschappelijk zijn. Dan alleen uit de substantie-elementen? Hoe kent zij[62]dan al het andere? Of zal men aannemen dat er van elke kategorie eigen elementen en principes zijn en dat de ziel daaruit bestaat? Dan zal er hoeveelheid, hoedanigheid en substantie (in) zijn. Maar het is onmogelijk dat uit hoeveelheids-elementen een substantie, niet een hoeveelheid is. Die dus de ziel uit alle elementen samenstellen treffen deze en meer dergelijke bezwaren. Het is ook ongerijmd te zeggen dat het gelijke onaandoenlijk is voor het gelijke en dat het gelijke het gelijke waarneemt en door het gelijke het gelijke kent, terwijl men het waarnemen een lijden en bewogen worden noemt en desgelijks het denken en kennen. Van de vele verlegenheden en moeilijkheden die het geeft om met Empedokles te zeggen dat alle dingen door de stoffelijke elementen gekend worden, en bovendien het gelijkedoor het gelijke, is één aanwijzing wat nu gezegd wordt: alles nl. wat in de lichamen der levende wezens zonder meer aarde is, als gebeente, spieren, haren, blijken niets waar te nemen en dus ook niet het gelijke, wat toch behoorde. Bovendien zal elk der elementen meer onkunde dan begrip hebben; want elk zal één ding kennen maar vele dingen niet kennen nl. al de andere. Empedokles moet besluiten dat de godheid het onwijst is; hij toch alleen kent één element, de strijd32niet; wel alle sterfelijke dingen, die immers uit alle elementen bestaan. Waarom in ’t geheel hebben niet alle dingen een ziel, daar elk ding of een element is of uit een of meer of alle elementen bestaat, zóó dat het een of eenige of alle[63]dingen moet kennen? Ook zou men de vraag kunnen opwerpen wat het wel is dat in de elementen de eenheid maakt; want zij gelijken de stof en dat samenhoudende, wat het ook zij, is het krachtigste; maar het is onmogelijk dat er iets krachtigers zou zijn dan de ziel of dat voorgaat; nog onmogelijker dan de geest; die moet redelijkerwijze de eerste en heerschend uitteraard zijn; maar zij zeggen dat de elementen de eersten der dingen zijn.410 b 16—411 a 23. Deze opvatting omtrent de ziel en die van de ziel als het bewegende omvatten niet alle ziel noch eenige in haar geheel; bij beperking van de eerste tot denken en waarnemen evenmin. Bezwaren tegen de Orphische leer omtrent de ziel als deel van de Alziel door inademing opgenomen. De ziel behoeft om te kennen niet uit alle elementen te bestaan, maar slechts uit de eene helft der tegengestelde. Thales’ Alziel.Allen zoowel die zeggen dat de ziel uit de elementen is om het kennen en gewaarworden van de dingen, als die haar het allerbewegelijkste noemen, spreken niet over elke ziel. Want eensdeels is niet al wat gewaarwordt bewegend;33aangezien sommige levende wezens aan hun plaats gebonden blijken; en toch geeft de ziel wel deze beweging in ’t bizonder aan het levende wezen. ’t Zelfde geldt van wie den geest en het gewaarwordingsvermogen uit de elementen doen bestaan; want het blijkt dat de planten leven zonder beweging en waarneming en dat vele dieren geen verstand hebben.[64]Als men dit ook zou toestaan dat men den geest en desgelijks het waarnemingsvermogen een deel van de ziel noemt, dan spreken zij toch niet gemeenschappelijk over alle ziel noch over eenige in haar geheel. Dit geldt ook van de opvatting in de zoogenaamde Orphische verzen: dat de ziel uit het heelal intreedt bij het ademhalen, gedragen door de winden. Dan kan dit niet uitkomen voor de planten en voor eenige dieren, daar niet allen ademhalen; maar dit hebben zij, die zoo meenen, niet opgemerkt. En als men de ziel uit de elementen moet doen bestaan, behoeft het geenszins te zijn uit alle; want van de tegendeelen is de eene helft voldoende om zichzelf te beoordeelen en het tegendeel. Immers door het rechte kennen wij dit zelf en het kromme, want over beiden oordeelt het richtsnoer, maar het kromme noch over zich zelf noch over het rechte. Ook zeggen sommigen dat de ziel in het heelal gemengd is, van waar misschien ook Thales meende dat alles vol van goden was. Dit baart eenige verlegenheden; waarom toch maakt de ziel in de lucht of het vuur geen levend wezen, maar wel in de mengselen en dat nog wel als zij in de eersten beter moet zijn? Verder zou men moeten vragen waarom de ziel in de lucht beter en onsterfelijker is dan die in de levende wezens. In beide gevallen komt men tot iets ongerijmds en onredelijks; immers het vuur of de lucht een levend wezen te noemen is erg onredelijk en geen levende wezens aan te nemen als de ziel er in is, is ongerijmd. Het schijnt dat zij meenen dat de ziel in deze (elementen) is, omdat het geheel gelijksoortig is met de deelen; zoodat zij ook moeten zeggen dat de ziel gelijksoortig is met haar deelen, als[65]de levende wezens bezield worden doordat een deel van de atmosfeer in hen afgezonderd wordt. Maar als de lucht na verdeeling gelijksoortig en de ziel ongelijksoortig van deelen is, zal er blijkbaar iets van haar aanwezig zijn en iets anders niet. Alzoo moet de ziel óf gelijksoortig van deelen zijn of niet in elk willekeurig deel van ’t geheel daar zijn.411 a 24—b 30. Kritiek van de leer der soortelijk onderscheiden zielsdeelen. De ziel blijft één na verdeeling van het lichaam bij planten en sommige insecten; die ziel is dan het principe dat planten en dieren gemeen hebben.Uit het gezegde blijkt dus dat het kenvermogen der ziel niet tot grond heeft dat zij uit de elementen bestaat en dat van een beweging der ziel niet goed of waar gesproken wordt. Daar nu het kennen tot de ziel behoort en het gewaarworden en meenen en verder het begeeren en willen en de neigingen in ’t geheel en ook de plaatselijke beweging voor de levende wezens uit de ziel voortkomt en bovendien groei, rijpheid en neergang, komt de vraag op of dit alles tot de heele ziel behoort, of wij met de heele ziel denken, gewaarworden, bewegen en al ’t andere doen en lijden of dat er verschillende deelen met verschillende werking zijn? 411b. En het leven eindelijk, ligt dat in een van de deelen of in meer of in allen of heeft het nog een anderen grond? Sommigen dan zeggen dat de ziel deelen heeft en dat een deel denkt, een ander begeert. Wat is het dan toch wel, dat de ziel samenhoudt als zij gedeeld is? Toch wel niet het lichaam; omgekeerd zal veeleer de ziel het lichaam samenhouden; immers als de ziel uitgetreden[66]is, „verwaait en vergaat”34het lichaam. Als dus iets anders haar één maakt, dan is dàt eigenlijk de ziel en daarvan zal men weer moeten vragen of het één of meerledig is. Is het één, waarom dan niet van ’t begin af ook de ziel één? Is het gedeeld, dan moet de redeneering weer naar het samenhoudende daarvan vragen en gaat zij zoo voort in ’t eindelooze. Men zou ook kunnen vragen omtrent de deelen der ziel, welk vermogen elk deel in het lichaam heeft. Immers indien de heele ziel het geheele lichaam samenhoudt, moet ook elk deel een deel van het lichaam samenhouden. Dat lijkt iets onmogelijks; welk deel toch de geest samenhoudt of hoe, valt moeilijk zelfs te verzinnen. Het blijkt ook dat de planten bij verdeeling leven en onder de dieren eenigeinsecten, zóó dat de deelen dezelfde ziel hebben soortelijk, ofschoon niet numeriek; want elk van de helften hebben gewaarwording en plaatselijke beweging een tijd lang. Dat het niet blijvend is, is niet vreemd; want zij hebben niet de organen om hun wezen te handhaven. Maar desniettemin hebben elk der helften alle deelen van de ziel en de deelzielen zijn soortgelijk onderling en met de geheele ziel, tegenover elkaar als of zij (de deelzielen) niet zelfstandig zijn, tegenover de geheele ziel zóó dat die deelbaar is. Ook lijkt het principe in de planten een soort ziel; want dit alleen is gemeenschappelijk aan dieren en planten en het bestaat gescheiden van het principe der gewaarwording, maar niets heeft gewaarwording zonder dit principe.Einde van boek I.[67]411 b 31—412 b 9. Algemeene definitie: de ziel is de eerste (voorloopige) werkelijkheid van een natuurlijk bewerktuigd lichaam. Deze werkelijkheid is de ware eenheid van ziel en lichaam.412a. Wat de vroegeren omtrent de ziel geleerd hebben, daaromtrent volsta het gezegde; laat ons als van ’t begin af terugkeeren en trachten de ziel te bepalen en de algemeenste definitie er van op te geven. Wij noemen dan een kategorie der dingen de substantie en van deze spreken wij eenerzijds als stof, wat op zichzelf niet iets bepaalds is, anderzijds als vorm en gestalte, naar welke eerst van iets bepaalds sprake is; als derde noemen we wat uit beiden voortkomt. De stof is mogelijkheid, de vorm werkelijkheid35en dat in tweevoudigen zin, deels zooals de kennis, deels zooals het studeeren. Substanties in den eigenlijksten zin zijn de lichamen en van deze de natuurlijke; want die zijn de Principes van de anderen. De natuurlijke lichamen zijn levend of levenloos; leven is zelfonderhouding, groei en afname. Dus is elk natuurlijk, levend, lichaam substantie en wel als de samengestelde. Daar nu ook van een zoodanig geheel, nl. een levend lichaam, sprake is, is het niet het lichaam dat de ziel is; want het lichaam is geen op een voorondersteld iets betrokken zijn, maar verhoudt zich veeleer als vooronderstelde en stof. Derhalve moet de ziel substantie zijn als vorm van een natuurlijk lichaam, dat naar mogelijkheid leven heeft. Die substantie is werkelijkheid. De ziel is dus van een zoodanig lichaam de werkelijkheid. Deze is tweevoudig, deels zooals de kennis,[68]deels zooals het studeeren. Blijkbaar dus zooals de kennis; want in ’t aanzijn van de ziel is én slaap én waken; het waken is overeenkomstig met het uitoefenen, de slaap met het bezitten zonder werkzaamheid; als verschijnsel is bij den enkeling de kennis voorafgaand. Derhalve is de ziel de eerste werkelijkheid van een natuurlijk lichaam dat naar mogelijkheid leven heeft. Een zoodanig lichaam is dat, wat bewerktuigd is. Organen zijn ook de deelen der planten, maar gansch eenvoudige: zoo is het blad omhulsel van de vruchtwand, de vruchtwand van de vrucht; de wortels zijn overeenkomstig met den mond, want beiden nemen het voedsel op. 412b. Moet men dus een voor alle ziel gemeenschappelijke definitie geven dan is zij de eerste werkelijkheid van een natuurlijk, bewerktuigd, lichaam. Daarom moet men ook niet vragen of de ziel en het lichaam één is, evenmin als van de was en de figuur of in ’t algemeen van de stof van elk ding en datgene waarvan de stof grondslag is. Want terwijl men van „één” en „zijn” spreekt in verscheiden zin, is het eigenlijke de werkelijkheid.412b 10—413 a 10. De ziel het wezen van het lichaam, als het gezicht het wezen van het oog en de gewaarwording van het heele gewaarwordende lichaam. Het naar mogelijkheid levende is niet het doode, noch is de ziel meer dan in aanleg het werkzame. Scheiding van ziel en lichaam. Ziel en lichaam als schipper en schip?Wat nu de ziel is, is in ’t algemeen gezegd nl. substantie naarhet begripbeschouwd. En dat ishet wezenvoor het bepaald lichaam. Stel dat een werktuig b.v. een bijl een natuurlijk lichaam was, dan zou immers het[69]bijlwezen zijn substantie zijn en de ziel zou dàt zijn; van deze gescheiden zou het alleen nog in naam een bijl zijn. Maar nu is het een bijl; immers niet bij een zoodanig lichaam is het wezen en het begrip de ziel, maar van een bepaald natuurlijk lichaam dat het principe van beweging en rust in zichzelf heeft. Men moet het gezegde ook bij de onderdeelen nagaan. Als ’t oog een levend wezen was, dan zou ’t gezicht daarvan de ziel zijn, want dat is de substantie van ’t oog naar het begrip beschouwd. Het oog is de stof van het gezicht; ontbreekt dit dan is het geen oog meer behalve in naam, als ’t steenen oog of ’t geschilderde. Wat nu van ’t deel geldt moet men toepassen op ’t geheele levende lichaam; want zooals ’t deel (van ’t gewaarworden) staat tot ’t (lichaams)deel, zoo de geheele gewaarwording tegenover het heele gewaarwordende lichaam als zoodanig. Niet wat de ziel verloren heeft, heeft naar mogelijkheid de strekking tot leven, maar wat de ziel heeft; het zaad en de vrucht is naar mogelijkheid het bepaalde lichaam. 413a. En zooals het snijden en het aanschouwen, zoo is ook het waken de werkelijkheid, zooals het gezicht en de kracht van het werktuig, de ziel; en het lichaam is het naar mogelijkheid zijnde; maar zooals het oog de pupil mét het gezicht is, zoo hier een levend wezen de ziel mét het lichaam. Dat nu de ziel niet gescheiden is van ’t lichaam, of als zij deelbaar is, deelen van haar, is duidelijk; want van eenige (zielsdeelen) is de werkelijkheid bij de deelen (des lichaams) zelf behoorend; niets intusschen belet de scheiding bij sommige deelen, doordat die geen werkelijkheid van eenig lichaam zijn. Bovendien is nog niet duidelijk of niet de ziel zóó[70]de werkelijkheid des lichaams is als de schipper van een schip. Zoo nu moeten in ’t algemeen de bepalingen en omtrekken van de ziel zijn.413 a 11—414 a 3. Eisch voor de ware definitie: zij moet van de ervaring tot het begrip voeren. De ziel is het kenmerk van het leven. Het leven is op zijn minst zelfonderhoud, groei en afname, als bij de planten; bij de dieren komt er gewaarwording bij en daarvan allereerst de tastzin; beiden om nader te bespreken reden. De vermogens en hun onderdeelen bestaan trapsgewijze, de verderen niet zonder de eersten. Bij verdeeling van planten en insecten blijft de ziel één met hare vermogens; die zijn dus niet zelfstandig, behalve misschien het denkvermogen. Alleen in begrip zijn de vermogens te scheiden.Daar uit het meer bekende maar dat onduidelijk is voortkomt het duidelijke en wat naar ’t begrip meer kenbaarheid heeft, moeten wij weer beproeven op die wijs haar wezen na te gaan; immers de definitie moet niet alleen het „dat” uitdrukken, zooals de meeste definities doen, maar moeten ook de oorzaak inhouden en doen blijken. Nu lijken de definities wel conclusies van de sluitredenen b.v. kwadraatmaken is het maken van een gelijkzijdige rechthoek gelijk aan een ongelijkzijdigen. Zulk een definitie is de conclusie van de sluitrede; maar de (def.) die kwadraatmaking noemt het vinden van een gemiddelde noemt de oorzaak van de zaak. Als uitgangspunt van het onderzoek dan nemen wij dat het bezielde van het onbezielde onderscheiden is door het leven. Wanneer van de meerdere opvattingen die het woord[71]leven heeft er maar één in het ding aanwezig is, zeggen wij dat het leeft, zooals verstand, gewaarwording, plaatselijke beweging en rust, ook inwerking door voeding en afname en groei. Daarom spreekt men ook van leven bij alle planten; immers die blijken in zich een vermogen en principe te hebben zoodanig dat zij afnemen en aangroeien in de tegengestelde richtingen; want niet naar boven alleen groeien zij en niet naar onder, maar gelijkelijk in beide richtingen en overal heen voeden zij zich en leven voortdurend, zoolang zij voedsel kunnen nemen. Dit vermogen kan van de anderen afgescheiden worden, de anderen niet hiervan in de sterfelijke wezens. Dit blijkt bij de gewassen, die geen ander zielsvermogen hebben. 413b. Het leven nu bezitten de levende wezens door dit principe, maar met de gewaarwording eerst is er sprake van het dier: immers ook wat zich niet beweegt noch van plaats verandert, maar gewaarwording heeft, noemen wij dier en niet slechts levend wezen. Van gewaarwording bezitten allereerst allen tastzin. Zooals het voedingsvermogen kan afgescheiden worden van den tastzin en alle gewaarwording, zoo de tastzin van de andere gewaarwordingen. Het voedende noemen wij het zoodanige deel van de ziel, dat ook de gewassen toekomt; al de dieren blijken den tastzin te bezitten; door welke oorzaak het eene en het andere zoo is, zal later ter sprake komen.Nu willen wij ons hiertoe bepalen, dat de ziel van de genoemde vermogens de bron is en zich daarnaar onderscheidt als ’t voedende, gewaarwordende, denkende en de beweging. Of elk daarvan ziel of deel der ziel is, en zoo deel, scheidbaar alleen in begrip of ook in plaats, dat is betreffende[72]sommigen dier vermogens niet moeilijk te zien, maar eenigen geven bezwaar. Zooals immers bij de planten eenigen bij verdeeling blijken te leven, gescheiden van elkaar, en de ziel dus daarin in werkelijkheid één is in elke plant, maar is mogelijkheid meervoudig, hetzelfde zien wij in andere onderscheidingen van de ziel gebeuren bij de gelede dieren als zij doorgesneden worden; immers elk van beide deelen heeft gewaarwording en plaatselijke beweging en met gewaarwording immers ook voorstelling en streven; want waar gewaarwording is, is ook smart en vreugde en waar deze zijn is noodzakelijk ook begeerte. Wat den geest betreft en het denkvermogen is nog niets gebleken, maar het lijkt een ander soort van ziel te zijn en dit alleen kan afgescheiden bestaan als het eeuwige afgescheiden van het vergankelijke. De overige deelen van de ziel zijn, zooals uit het gezegde blijkt, niet afscheidbaar, gelijk sommigen36zeggen, maar wèl verschillend volgens het begrip; want gewaarwording hebben en vermogen tot oordeelen is verschillend, daar toch gewaarworden verschilt van oordeelen. En hetzelfde geldt van elk van de andere genoemde vermogens. En verder hebben eenige der levende wezens al deze vermogens, sommige sommigen er van en eenigen slechts één—en hierin zal het onderscheid tusschen de levende wezens gevonden worden—; de oorzaak hiervan moeten wij later nagaan. 414a. Hetzelfde geldt voor de gewaarwordingen; sommigen bezitten allen, anderen eenigen, anderen alleen de noodzakelijkste, den tastzin.[73]414 a 4—28. De ziel, als eigenlijke bron van het leven, is vorm, niet stof en vorm van een bepaald lichaam, zooals de vorm in ’t algemeen een eigen stof vooronderstelt.Datgene nu waardoor wij leven en gewaarworden laat zich op twee wijzen bespreken evenals datgene waardoor wij weten (aan de eene kant wetenschap, aan de andere de ziel; want door elk van deze beiden zeggen wij te weten); en evenzeer is datgene, waardoor wij gezond zijn, aan de eene kant gezondheid, aan den anderen een deel of ’t geheel van ’t lichaam. Naardien nu de wetenschap en de gezondheid vorm en gestalte en begrip en om zoo te zeggen werkelijkheid van het opnemende is, de eerste de werkelijkheid van het voorkennis-geschikte, de andere van het op-de-gezondheid-betrekkinghebbende (daar namelijk in het lijdende en aangedane de werkelijkheid van het werkende is) en de ziel datgene is waardoor wij leven en gewaarworden en denken in eigenlijken zin, is dus de ziel een begrip en gestalte, maar niet stof en substraat. Daar substantie, zooals wij zeiden,drieërleibeteekent, eensdeels vorm, anderdeels stof, eindelijk beider samenstel en hiervan de stof mogelijkheid, de vorm werkelijkheid en beider samenstel het bezielde is, is niet het lichaam de werkelijkheid van de ziel, maar deze die van een bepaald lichaam. En daarom oordeelen zij juist, die meenen dat de ziel niet zonder lichaam is, maar ook geen lichaam; want zij is geen lichaam maar verbonden met het lichaam en is daarom in een lichaam aanwezig en in een bepaald lichaam, niet zooals de vroegeren haar in een lichaam voegden zonder nadere bepaling in welk en hoedanig[74]lichaam, ofschoon ook volgens de ervaring niet iets willekeurigs iets wat dan ook opneemt. Zoo is het ook in overeenstemming met het begrip; want de werkelijkheid van ieder ding pleegt te komen in wat de mogelijkheid inhoudt en in de bijbehoorende stof. Dat de ziel nu een werkelijkheid is en begrip van datgene wat de mogelijkheid heeft om het resultaat te zijn, is hieruit duidelijk.414 a 29—415 a 13. De vermogens van de ziel van het eenvoudigste tot het hoogste—van het voedingsvermogen tot het denken—vormen een reeks, waarnaar de levende wezens onderscheiden worden. De algemeene definitie voldoet bij ziel evenmin als bij figuur; de volgorde moet begrepen en elk zielsvermogen afzonderlijk behandeld worden en nog in ’t bizonder de denkende geest.Van de vermogens der ziel hebben sommigen alle genoemden zooals wij zeiden, anderen eenigen, eenigen slechts één. Als vermogens noemden wij het voedende, het strevende, het gewaarwordende, het plaatselijk bewegende, het denkende.De planten hebben alleen het voedingsvermogen, anderen dit en het gewaarwordingsvermogen. Hebben zij dit, dan ook het streefvermogen; want streven is begeerte en drang en willen en alle dieren hebben althans één gewaarwording, den tastzin; voor wat gewaarwording heeft, geldt vreugde en smart en ’t aangename en smartelijke en voor wat die gelden, daarvoor geldt ook de begeerte; want dat is het streven naar ’t aangename. Ook hebben zij gewaarwording van het voedsel; want de tastzin is de gewaarwording van het voedsel;[75]want alle levende wezens worden door ’t drooge, natte, warme en koude gevoed en daarvan is de tastzin de gewaarwording; zij betreft de andere waarneembaarheden bijkomstig. Immers tot voeding draagt niets bij geluid noch kleur noch reuk en de smaak is iets van de tastbaarheden. Honger en dorst is begeerte, honger naar ’t droge en warme, dorst naar het koude en natte en de smaak is als iets dat dezen kruidt. Later zal dit verduidelijkt worden; nu bepalen wij ons hiertoe, dat de dieren die tastzin hebben ook streven bezitten. Omtrent de voorstelling is niets uitgemaakt en dat moet later nagegaan worden. Eenigen hebben bovendien de plaatselijke beweging, anderen het denkvermogen en den geest, als de menschen en wat verder zoodanig is of hooger.Dus is het duidelijk dat er op dezelfde wijze één definitie van ziel kan zijn als van figuur; want hier is geen figuur buiten driehoek enz., noch dáár ziel buiten de genoemden. Er is ook bij de figuren een gemeenschappelijke definitie mogelijk, die op allen zal passen maar aan geen figuur eigen zal zijn; evenzoo bij de gezegde zielen. Daarom is het dwaas hierbij en bij andere dingen de gemeenschappelijke definitie te zoeken, die bij geen der wezens eigenlijk zal behooren, noch betrekking heeft op het eigene en verenkelde soort en die wèl zoo is, daar te laten. Bij de figuren en de ziel is dezelfde verhouding; steeds is in het volgende in mogelijkheid aanwezig het vroegere bij de figuren en bij de bezielde wezens, zooals in den vierhoek de driehoek, in het gewaarwordingsvermogen het voedingsvermogen. Dus moet men afzonderlijk nagaan wat de ziel[76]van elk wezen is, b.v. wat die van een plant, van een mensch of dier is. En waarom ze zich zoo in opeenvolging verhouden moet men nagaan. 415a. Want zonder het voedingsvermogen bestaat het gewaarwordingsvermogen niet, maar van het gewaarwordingsvermogen is het voedingsvermogen afgescheiden in de planten. Wederom is zonder den tastzin geen andere gewaarwording aanwezig, wel tastzin zonder de anderen; want vele dieren hebben noch gezicht noch gehoor noch gewaarwording van reuk. En van die gewaarwording bezitten hebben sommigen het plaatselijk bewegingsvermogen, anderen niet. Als laatste hebben het kleinste aantal begrip en verstand; want de eindige wezens die begrip bezitten hebben ook al de overige vermogens, maar die elk daarvan bezitten hebben niet allen begrip, maar sommigen niet eens voorstelling, terwijl anderen alleen daarop leven. Over de beschouwende geest geldt een andere redeneering. Het blijkt dus dat de redeneering over elk van deze (vermogens) ook de meest geldige omtrent de ziel is.415 a 14—b 7. De vermogens komen na hun werkingen en deze na hun uitwerksel. Het eerste en de grondslag is de voeding en voortplanting, die de band vormt tusschen het eindige en het eeuwige.Het is noodzakelijk wanneer men hiernaar onderzoek doet, omtrent elk der (vermogens) te bepalen wat het is en zoo verder omtrent de volgende en de overige dingen na te gaan. Als men moet zeggen wat elk er van is b.v. wat het denk-, of gewaarwordings- of voedingsvermogen is, moet men nog eerder zeggen wat het denken[77]of gewaarworden is; want vóór de vermogens zijn naar het begrip de verwerkelijkingen en verrichtingen. Als dat zoo is, en men nog eerder dan deze de objecten moet nagegaan hebben, moet men eerst omtrent dezen bepalen om dezelfde reden, nl. omtrent voeding, het waarneembare en het denkbare. Alzoo moet eerst over voeding en voortplanting gesproken worden, immers de voedende ziel bezitten ook de anderen en dit is het eerste en gemeenschappelijkste vermogen van de ziel, waarop bij allen het leven berust. De verrichtingen daarvan zijn zich voortplanten en voedsel gebruiken; immers de natuurlijkste verrichting van de levende wezens, voor zoover zij volledig en niet defekten zijn, of van zelf ontstaan, is het maken van een ander naar zijn eigen aard, een dier een dier, een plant een plant, opdat zij het eeuwige en goddelijke deelen naar vermogen; want daarnaar streeft alles en daarom verricht alles alle handelingen volgens de natuur. 415b.Het „daarom” is tweevoudig, eensdeels (de zaak) waarom, anderdeels (de persoon) waarvoor37.Daar het (enkele) nu niet het eeuwige en goddelijke ononderbroken deelachtig kan zijn doordat geen eindig ding één en hetzelfde kan blijven, neemt alles er aan deel zooals het kan, het eene meer het andere minder en wat blijft is niet het enkele zelf maar het zoodanige, niet naar getal maar naar wezen één.415 b 8—416 a 18. De ziel is principe van beweging, doel en wezen van ’t levende lichaam. Op een doel wijzen de organen. Verandering en groei en afname betreffen de ziel: kritiek van Empedocles’ mechanisme. Voeding[78]is ook niet verbranding zonder meer, want die mist de zelfbepaling.De ziel is van het levende lichaam oorzaak en principe woorden van meer dan één beteekenis; en overeenkomstig is de ziel oorzaak naar de drie onderscheiden wijzen, want zij is de bron van de beweging, en het doel; en als het wezen van de bezielde lichamen is de ziel oorzaak. Het laatste wordt ingezien omdat voor alles het wezen de oorzaak is van het zijn, en voor de levende wezens het zijn leven is endaarvande ziel oorzaak en principe is. Bovendien is de werkelijkheid (de ziel) het begrip van wat naar mogelijkheid is. ’t Is duidelijk dat ook als doel de ziel oorzaak is; want zooals de geest om iets handelt, op dezelfde wijze ook de natuur en dat is haar doel. Zoodanig iets is bij de levende wezens de ziel, ook naar de natuur beschouwd; want al de natuurlijke lichamen zijn werktuigen der ziel, en zooals bij de dieren zoo ook bij de planten, als zijnde ter wille van de ziel.Het „terwille van” is tweevoudig, eensdeels de zaak waarom, anderdeels de persoon waarvoor.En verder is ook de bron van de plaatselijke beweging ziel; maar niet alle levende wezens bezitten dit vermogen. Ook verandering en groei betreft de ziel; immers de gewaarwording is wel een zekere verandering en niets heeft gewaarwording zonder ziel. Evenzoo staat het met groei en afname; immers niets neemt af of groeit van nature zonder voeding en niets wordt gevoed dat niet aan leven deel heeft. Hier is Empedokles af te keuren wanneer hij zegtdat door bijvoegingde planten hun groei krijgen, terwijl zij naar onderen wortel schieten[79]doordat zoo de natuurlijke beweging van de aarde is en naar boven (klimmen) doordat het vuur die richting neemt. 416a. Want hij spreekt verkeerd van naar boven en naar onderen; immers boven en onder beteekenen niet hetzelfde voor elk ding als voor het geheel, maar als het hoofd van de dieren zoo verhouden zich de wortels van de planten, als men de organen anderen of dezelfde moet noemen naar hun werking. En bovendien, wat is het dat het vuur en de aarde, die tegengestelde richtingen zoeken, samenhoudt? Want is er niets dat tegenhoudt, dan zullen ze uiteengerukt worden; is er wèl iets, dan is dat de ziel en de oorzaak van het groeien en de voeding. Sommigen meenen dat de natuur van het vuur op zichzelf oorzaak van de voeding en de groei is; immers het blijkt het eenige van de lichamen of elementen dat vanzelf gevoed wordt en groeit en dus zou men ook bij de planten en de dieren daaraan die werking moeten toeschrijven. Echter is het wel in zekeren zin medeoorzaak, maar niet eenvoudig oorzaak, wat veeleer de ziel is; want de groei van het vuur gaat onbepaald door zoolang er brandstof is, maar alle natuurlijk samengestelde lichamen hebben een grens en bepaling van grootte en wasdom; dit zijn dingen van de ziel maar niet van vuur en veeleer van begrip dan van stof.

402a1—22. Voortreffelijkheid der zielkunde boven andere studieën doordat de ziel overgang vormt tusschen de waarheid in ’t algemeen en de natuur. Haar onderwerp in ’t algemeen. Hare moeilijkheid omdat met het onderwerp tevens de methode van wijsgeerig onderzoek en de grondslagen van het onderzoek moeten gevonden worden.402a. Als wij het weten iets schoons en kostbaars achten en de eene wetenschap meer dan de andere of door hare nauwkeurige methode of omdat haar onderwerp beter en belangwekkender is, stellen wij met recht om beide redenen de zielkunde voorop. De kennis der ziel zal ook voor alle waarheid veel bijdragen en voornamelijk voor de (kennis der) natuur; want de ziel is, zoo te zeggen, het principe1der levende wezens. Wij zoeken hare natuur en wezen te leeren kennen en dan verder hare eigenschappen; sommige daarvan denkt men zich als aan de ziel op zich zelf eigen, andere zullen door haar ook aan ’t levend geheel behooren. t Is in alle opzichten allermoeilijkst eenige zekere kennis omtrent haar te erlangen. Want daar de vraag omtrent het wezen ook voorkomt in vele andere gevallen, zou men allicht denken aan één methode voor alles, waarvan wij het wezen willen leeren kennen—zooals afleiding[36]geldt voor de tot het wezen behoorende eigenschappen2—en dan zou men dus die methode moeten zoeken. Wanneer de eene en algemeene methode betreffende het wezen ontbreekt, wordt de behandeling nog moeilijker, want dan zal men de voor elk geval geldige manier moeten krijgen. En als het blijkt of die afleiding is of ontleding3, of ook eenige andere methode, brengt de vraag nog moeilijkheden en dwalingen genoeg, waarvan het onderzoek moet uitgaan; want de elementen van verschillende dingen zijn verschillend, zooals van getallen en vlakken4.402 a 23—b 16. Algemeene vragen: 1. Tot welke derkategorieënbehoort de ziel? 2. Is zij mogelijkheid of werkzaamheid. 3. Gedeeld of ondeelbaar? 4. Zijn alle zielen gelijksoortig? Zoo niet, geldt het onderscheid het geslacht of alleen de soort? 5. Is er één algemeene bepaling voor ziel, levend wezen en dergelijke algemeenheden? 6. Als de ziel gedeeld is, moet men beginnen met het geheel of met de deelen? 7. Hoe onderscheiden zich de deelen? 8. Moet men eerst de werking der deelen onderzoeken en nog eerder hun voorwerpen?Vooreerst zat men wel moeten bepalen tot welke kategorie5de ziel behoort, tot die der substantie, der[37]hoedanigheid, der hoeveelheid of tot een andere der onderscheidenkategorieën. Voorts—wat niet weinig verschilt—of zij aanleg is dan veeleer een zekere werkzaamheid6. 402b. Ook moet men nagaan of zij deelbaar of ongedeeld is en of alle ziel gelijksoortig is of niet; en zoo niet, of zij dan naar soort of naar geslacht onderscheiden zijn. Wie immers nu wetenschappelijk spreken over de ziel, lijken alleen de menschelijke ziel na te gaan.Wij dienen er op te letten, evenals bij andere algemeene begrippen, of van de ziel één definitie geldt, zooals van levend wezen, dan of die met elke ziel wisselt, zooals van paard, hond, mensch en god, terwijl dan het levend wezen in ’t algemeen niets meer is dat een abstractie7.Verder als er niet van meerdere zielen sprake kan zijn, maar van deelen (van ééne), of men ’t onderzoek beginnen moet met de heele ziel of met de deelen. Ook is het moeilijk te bepalen wat het verschil is tusschen de deelen onderling en of men eerst de deelen moet na gaan of hun verrichtingen bijv. het denken of den geest, het waarnemen of het waarnemingsvermogen enz.8. Zoo men moet beginnen met de verrichtingen, dan zou men weer kunnen vragen of men niet nog eerder de objecten moet nagaan bijv. het waarneembare vóór het waarnemingsvermogen en de denkbaarheid vóór den geest.[38]402 b 16—403 a 2. (Want verrichting en voorwerp kunnen het wezen doen kennen). Men kan door het wezen de eigenschappen onderzoeken of omgekeerd steunen op de ervaring der eigenschappen voor de bepaling van het wezen en de bepaling van het wezen (aanvang van het bewijs) die niets omtrent de eigenschappen leert, is zinledig.Blijkbaar is niet slechts de kennis van het wezen van nut tot het begrijpen van de gronden van de eigenschappen der dingen—zooals in de wiskunde het begrip van het rechte en kromme of van lijn en vlak tot het inzicht aan hoeveel rechten de hoeken van den driehoek gelijk zijn—maar omgekeerd strekken ook de eigenschappen grootelijks tot de kennis van het wezen; want wanneer wij uit de voorstelling omtrent de eigenschappen, allen of de meesten, rede kunnen staan zullen wij ook het best over het wezen kunnen spreken. 403a. Daar alle bewijs9uitgaat van het wezen, zijn wezensbepalingen die niet tot de kennis der eigenschappen leiden, ja niet eens licht gissingen dienaangaande mogelijk maken, blijkbaar samen niets dan ijdele woord-definities.403 a 3—b 19. De aandoeningen, ook wel het denken, zijn in verband met de stof; dus houdt de zielkunde verband met de natuurleer. Excurs: onderscheid in de opvatting van het voorwerp tusschen den natuurkundige, den kunstenaar, den wiskundige en den begripskundige.[39]Betreffende de aandoeningen der ziel kan men onzeker zijn of allen aan het dragende gemeen zijn of dat er ook eenige aan de ziel op zichzelf eigen is; dit is wel noodzakelijk na te gaan, maar niet gemakkelijk. De ziel schijnt in de meeste gevallen niets zonder het lichaam te ondergaan of te doen, als bij toorn, gerustheid, begeerte en gewaarwording in ’t algemeen. Het denken lijkt wel het meest het eigene te zijn, maar indien ook dit voorstelling is of van voorstelling vergezeld moet zijn, kan ook het denken niet zonder lichaam voorkomen. Is nu eenig doen of ondergaan van de ziel haar eigen, dan zou zij gescheiden kunnen worden; is er niets haar eigen, dan is zij niet scheidbaar en gaat het daarmee als met de rechte (lijn) die,als rechtonder andere eigenschappen deze heeft den koperen bol in een punt te raken; het is echter niet het rechte gescheiden dat zoo raakt, immers het is onscheidbaar, daar het altijd met eenig lichaam verbonden is10. Ook alle aandoeningen der ziel lijken het lichaam mede te betreffen, drift, zachtzinnigheid, vrees, medelijden, gerustheid, ook vreugde en liefde en haat, want hun optreden werkt tegelijk op ’t lichaam in. Een teeken hiervan is dat terwijl men soms bij aanwezigheid van krachtige en zich opdringende aandoeningen in ’t geheel niet geraakt wordt of ontstelt,[40]men soms door geringe en zwakke gedreven wordt, wanneer het lichaamtierten in een toestand is als bijtoorn. Nog duidelijker (teeken) is dit, dat zonder dat iets vreeswekkends aanwezig is, de verschijnselen van vrees getoond worden11. Als het zoo is, dan zijn de aandoeningen blijkbaar verhoudingen in stoffelijkheden. Dus moeten de definities zóó luiden, dat bijv. toorn is de inwerking op een bepaald lichaam of lichaamsdeel of vermogen door een bepaalde oorzaak en met een bepaalde strekking. En daarom is het de taak reeds van den natuurkundige de ziel, althans de zoodanige, na te gaan.—De definities van den natuurkundige en den redekundige zullen in elk van deze gevallen verschillen, bijv. toorn zal de een definieeren als streven naar wederkeerige krenking of iets dergelijks, de ander als verhitting van het warme hartebloed. 403b. De laatste geeft het stoffelijke aan, de eerste ’t wezen en het begrip. Want dit is ’t begrip van de zaak, maar dat moet werkelijk worden in een bepaalde stof. Zoo is het begrip van huis dat het is een beschutting tegen ondergang door wind en regen en hitte; de ander noemt het steenen, tichels en hout, de derde noemt het: in deze materialen de vorm12met een bepaalde strekking. Wie van dezen heeft de natuurkundige te heeten? Die de stof behandelt zonder kennis van het begrip of die alleen het begrip behandelt? Veeleer die beiden vereenigt. Hoe dan met elk van de twee anderen? Geen behandelt de van de stof onscheidbare eigenschappen als ongescheiden13,[41]maar de natuurkundige alle doen en lijden van een bepaald lichaam en een bepaalde stof; van die bepaalde stof afziende werkt niet hij, maar ten deele soms de kunstenaar, bijv. de timmerman of de dokter; eveneens het onscheidbare, wat bij wijze van afgetrokkenheid, maar niet aan een bepaald lichaam verbonden gedacht wordt, behandelt de wiskundige, en als gescheiden (het wezen op zichzelf) de metaphysicus. Maar laat ons terugkeeren van deze uitwijding. Wij zeiden dat de aandoeningen der ziel, in zooverre zij eigenschappen heeft als moed en vrees, niet af te scheiden zijn van de stof bij levende wezens en anders zijn dan lijn en vlak.403b 19—405b 30. De leeringen der vroegeren: de ziel het bewegende, het zichzelf bewegende; Democritus, Leucippus, de Pythagoreërs, Anaxagoras. De ziel uit de elementen, het kennende en waarnemende; Empedocles, Plato. De elementen stoffelijk, onstoffelijk of gemengd, één of meer. Democritus, Anaxagoras, Thales, Diogenes e.a., Heraclitus, Alcmaeon, Hippo, Critias. Samenvatting: de ziel is het bewegende, waarnemende, onstoffelijke, te herleiden tot de elementen, meer of één, uit tegendeelen of een daarvan. Etymologie.Bij het onderzoek over de ziel is het noodig onder het stellen der verlegenheden, die in den voortgang hun oplossing moeten vinden, de meeningen der voorgangers betreffende de ziel er bij op te nemen om het[42]goede te aanvaarden en hun fouten te vermijden. Wij beginnen het onderzoek met aan te geven wat de ziel naar men zegt van nature ’t meest eigen is. Het bezielde dan onderscheidt zich in twee opzichten voornamelijk van het onbezielde, door beweging en gewaarwording. Deze twee opvattingen ongeveer over de ziel hebben wij ook van de voorgangers geleerd; sommigen dan noemen de ziel het voornamelijk en eigenlijk bewegende. En aangezien zij meenden dat wat zelf niet bewogen werd niet iets anders kan bewegen, vatten zij de ziel op als iets dat bewogen wordt.404a. Daarom noemt Demokritos haar iets van vuur en warmte, want terwijl er oneindig vele schemen of atomen zijn14, zooals de zoogenaamde stofjes in de lucht, die in de zonnestralen door de vensters zichtbaar worden, noemt hij hun mengeling de elementen van de heele natuur—evenzoo Leukippos—en daaronder de bolvormige vuur en ziel, omdat zulke vormsels het meest door alles heen kunnen dringen en zij de rest bewegen, terwijl ze ook zelf bewogen worden, volgens hun opvatting dat de ziel is wat aan de levende wezens de beweging verschaft. Dat daarom ook de ademhaling het werk van het leven is, want dat terwijl de atmosfeer de lichamen samendringt en de atomen uitperst, die door dat ze zelf nooit in rust zijn aan de levende wezens de beweging verschaffen, er van buiten hulp komt door het binnenkomen van andere dergelijke atomen bij het ademhalen;[43]want dat deze ook de uitstooting van de in de levende wezens aanwezige atomen beletten, het samendringen en verstijven keerende; en dat men leeft, zoolang men dat kan doen. Ook wat de Pythagoreërs zeggen schijnt denzelfde zin te hebben: eenigen van hen zeiden dat de ziel was de stofjes in de lucht, anderen wat deze beweegt. Hierover is gezegd dat zij voortdurend in beweging blijken ook bij volkomen windstilte. Op hetzelfde komen neer die de ziel het zich zelf bewegende noemen; want al deze lijken te meenen dat de beweging het meest eigen is aan de ziel en dat alle andere dingen bewogen worden door de ziel en deze door zichzelf, omdat zij van niets waarnemen dat het beweging geeft of het wordt ook zelf bewogen. Eveneens noemt Anaxagoras de ziel het bewegende en wie anders heeft gezegd dat de geest het heelal heeft bewogen15, evenwel niet geheel zooals Demokritos. Deze immers noemt zonder meer ziel en geest hetzelfde en volgens hem is het ware het verschijnsel, waarom Homerus juist dicht: „Hektor lag buiten denken”16. (IliasΟ245vgl. Odys.κ374). Hij weet dus niet van den geest als een vermogen omtrent de waarheid, maar noemt ziel en geest hetzelfde.404b. Anaxagoras is hierover minder duidelijk; dikwijls immers spreekt hij van den geest als de oorzaak van de rechte ordening, doch elders noemt hij den geest de ziel, zeggende dat hij in alle levende wezens aanwezig is, groote en kleine, hooge en lage. Echter schijnt[44]niet de als denkend bedoelde geest bij alle levende wezens gelijkelijk aanwezig te zijn, ja niet eens bij alle menschen.Zij nu die op de beweging van het bezielde het oog richten, vatten de ziel als het meest bewegende; die letten op het kennen en waarnemen der dingen, noemen de ziel de elementen, die er meerdere aannemen, die meerderen, die één aannemen dit eene. Zoo stelt Empedokles de ziel samen uit alle elementen zóó dat elk element ook ziel is, in deze verzen:„Aarde zien we met aarde en water zien we met waterLucht doet ons godd’lijke lucht en vuur het verdelgende vuur zienLiefde met liefde en met haat aanschouwen we ’t bittere haten.”Op dezelfde wijze stelt Plato in den Timaeus de ziel uit de elementen samen, zeggendedat het gelijke door het gelijke gekend wordt en dat de dingen uit de elementen bestaan17. Een soortgelijke bepaling werd gegeven in de philosophische voordrachten, het levende wezen op zichzelf18samengesteld uit het begrip op zichzelf van het ééne en het begrip van lengte, breedte en diepte en het overige desgelijks. Of nog anders: de geest het ééne, ’t weten de twee—immers met één richting heeft het één eindpunt—het getal van het vlak de meening, dat van het lichaam de gewaarwording, want de getallen[45]werden genoemd deideeënzelf en de bestaansgronden en zij bestaan toch uit de elementen19. De dingen worden deels door den geest, deels door ’t weten, deels door de meening, deels door de gewaarwording beoordeeld en deze getallen zijn deideeënder dingen. Daar nu de ziel ook het bewegende scheen evenals het kennende hebben eenigen hun definitie uit beiden samengevlochten, die de ziel noemden een zichzelf bewegend getal. Er is verschil van opvatting welke en hoevele de principes zijn, vooral tusschen het stellen van stoffelijke of onstoffelijke en de vermenging van de eenen en de anderen. 405a. Wat het aantal betreft, sommigen noemen één principe, anderen meerderen. Hiermee overeenstemmend definieeren zij de ziel, want zij noemen haar niet onbegrijpelijk dát element dat van nature ’t bewegelijke is. Derhalve hebben sommigen verklaard dat de ziel vuur is; immers dit is het fijnste en onstoffelijkste element en het ondergaat beweging en beweegt het andereonmiddellijk. Demokritos geeft nog helderder uiteenzetting waarom beide omstandigheden (van de ziel gelden); de ziel is namelijk volgens hem hetzelfde als de geest en behoort tot de ondeelbare elementen, die dan bewegelijk zijn door hun kleinheid en figuur; van de figuren noemt hij het bewegelijkst het bolvormige en zoodanig is dan de geest en het vuur. Anaxagoras schijnt ziel en geest te onderscheiden, zooals wij boven zeiden, maar in de behandeling zijn beiden bij hem één natuur; toch stelt hij den geest allermeest als ’t principe, als hij namelijk[46]zegt dat van alle dingen alleen de geest eenvoudig, onvermengd en rein is. Kennen en bewegen beiden schrijft hij toe aan hetzelfde principe, als hij zegt dat de geest het Al heeft bewogen. Volgens de overleveringen omtrent hem schijnt ook Thales de ziel als iets bewegends opgevat te hebben, immers hij zeide dat de (magneet)steen een ziel heeft omdat zij ’t ijzer beweegt. Diogenes evenals eenige anderen noemt de ziel lucht, in de meening dat die het fijnste van alles is en principe; en dat daardoor de ziel kent en beweegt, kent in zooverre zij element is en uit haar als oorsprong het overige is, en beweeglijk inzoover zij het fijnste is. Ook Herakleitos zegt dat het principe ziel is, immers ziel noemt hij de uitdamping, waaruit hij het andere vormt; en ’t meest onstoffelijk en steeds vloeiend; en wat bewogen wordt wordt dan volgens hem gekend door wat bewogen wordt. Hij evenals de meesten meenden dat de dingen in beweging zijn. Overeenstemmend met dezen schijnt de meening van Alkmaion over de ziel; hij zegt nl.: dat de ziel onsterfelijk is doordat zij gelijkt op ’t onsterfelijke, en dat dit haar toekomt als altijd bewogen, want dat ook al de goddelijke dingen altijddoor bewogen worden, maan, zon, sterren en de heele hemel. 405b. Sommige groveren, zooals Hippon, hebben de ziel water genoemd; zij lijken tot die overtuiging gekomen doordat aller zaad vochtig is. Immers hij bestrijdt degenen die de ziel bloed noemen, omdat het zaad geen bloed is en het zaad is de ziel in aanleg. Anderen als Kritias, spreken van ’t bloed, meenende dat de gewaarwording het meest aan de ziel eigen is en dat deze aanwezig is door de natuur van het bloed. Alle elementen hebben dus hun[47]verdediger gevonden, behalve de aarde; die heeft niemand tot ziel verklaard, behalve alwie de ziel uit alle elementen samengesteld of alles ziel acht.Allen ongeveer bepalen de ziel naar drie zijden, beweging, gewaarwording, onstoffelijkheid en elk dier bepalingen houdt verband met de principes. Derhalve stellen zij, die het kennen als bepaling geven, de ziel als een element of als samengesteld uit de elementen, op één na20, onderling overeenstemmend in de opvatting dat het gelijke door het gelijke gekend wordt; want aangezien de ziel alle dingen erkent, stellen zij haar samen uit alle elementen. Die dus één principe en één element aannemen, stellen ook de ziel als één bijv. vuur of lucht; die meerdere principes aannemen, stellen ook een veelheid in de ziel. Anaxagoras alleen noemt den geest onaangedaan en met niets van het andere iets gemeen hebbend. Als hij zoo is, hoe hij dan zal kennen en door welke oorzaak, dat heeft A. niet gezegd noch blijkt het uit wat hij zegt. Zij die in de principes tegenstellingen zien, achten ook de ziel uit de tegenstellingen gevormd; zij die één zijde van de tegenstellingen als principe aannemen bijv. het warme of het koude of iets dergelijks, stellen overeenkomstig de ziel als een daarvan. Zoo dan volgen zij ’t spoor van de woorden: de eenen spreken van ’twarme, omdat daarnaar ook hetlevengenoemd is; de anderen van hetkoude, zeggende dat hetademhalenen deafkoelingaan dezielden naam geeft (ζεῖν-ζῆν ἀναψύχεσθαι, καταψύχω-ψυχή). Dit alzoo is wat ons geleerd is over de ziel met de gronden waarop de meeningen steunen.[48]406 a 1—407b 26. Heeft de ziel van nature eigen (niet bijkomstige) beweging? Neen, want die vooronderstelt plaats; stelt als mogelijk dwangbeweging en rust, maakt haar tot een element en verplaatsbaar, heft haar bijkomstige beweging op en brengt haar buiten zichzelf. Kritiek vanDemocritusen Plato’s Timaeus. De besproken theorieën behandelen eenzijdig de ziel afgescheiden van het lichaam.406a. Eerst nu moeten wij de beweging onderzoeken; want misschien is het niet slechts onjuist dat het wezen der ziel zoodanig iets is, dat zichzelf beweegt of kan bewegen, zooals sommigen zeggen, maar is het onmogelijk dat zij beweging heeft. Dat het nu niet noodzakelijk is dat het bewegende zelf bewogen wordt, is vroeger21gezegd. Beweging istweeërlei; alles nl. beweegt òf betrekkelijk òf op zichzelf, het eerste, al wat beweegt doordat het zich in ’t bewegende bevindt, als de schippers, immers hun beweging is niet gelijksoortig met die van het schip; dit toch beweegt op zichzelf, zij doordat ze zich bevinden in het bewegende. Wat uitkomt bij de onderdeelen: want de eigen beweging der voeten is het loopen en zoo ook van de menschen en die hebben de schippers dan niet. Terwijl nu beweging in tweeërlei zin gezegd wordt, onderzoeken wij nu of de ziel op zichzelf beweegt en aan beweging deel heeft. Er zijn vier bewegingen: verplaatsing, verandering, afneming en groei; een of meer daarvan zal de ziel moeten hebben of allen. Is haar beweging geen bijkomstigheid,[49]dan heeft zij haar van nature en heeft zij daarmede ook een plaats; want alle genoemde bewegingen geschieden op een plaats. Is het wezen van de ziel daarin gelegen dat zij zichzelf beweegt, dan is haar beweging geen bijkomstigheid, zooals bij het witte of 3 el lange; ook hierin immers is beweging, maar die is bijkomstig; het lichaam nl. waarmee zij verbonden zijn, beweegt. Zoo is er dan ook van hen geen plaats, zooals van de ziel wèl, als beweging van nature haar deel is. En verder als zij van nature beweegt, zou zij ook door geweld kunnen bewogen worden en omgekeerd. Hetzelfde geldt van de rust; de ziel zou dan plaatsen hebben van natuurlijke of gewelddadige beweging en rust. Maar welke de gewelddadige bewegingen en rust der ziel zijn, dat zal men zich niet licht zelfs maar kunnen verbeelden. Gaat verder de beweging der ziel naar boven, dan moet zij vuur zijn, naar beneden, aarde—want dit zijn de bewegingen van die lichamen—en overeenkomstig is de betrekking tot de tusschenliggende elementen. Voorts daar zij het lichaam blijkt te bewegen, is het aannemelijk dat zij haar eigen bewegingen aan het lichaam meedeelt en dus omgekeerd naar waarheid te zeggen, dat de beweging van het lichaam ook de hare is. 406b. De beweging van het lichaam is plaatsverandering; dus zou ook de ziel op de wijze van het lichaam geheel of gedeeltelijk zich verplaatsen. Is dit mogelijk dan zou zij ook uit en weer in kunnen gaan en bij gevolg zouden de dooden kunnen opstaan. De bijkomstige beweging zou zij van iets anders kunnen ontvangen; zoo wanneer het levend wezen met geweld gestooten wordt. Maar behalve in dier voege moet datgene, welks wezen zelfbeweging is,[50]niet door iets anders bewogen worden, evenmin als het goede op zichzelf of door zichzelf om of door iets anders moet zijn. En van de ziel zou men toch zeggen, dat zij voornamelijk door de waarneembaarheden bewogen wordt, àls zij bewogen wordt. Maar voorwaar ook indien zij zichzelf beweegt, wordt zij toch ook bewogen en daar alle beweging wat bewogen wordt doet uittreden in de beweging, zou de ziel ook uit haar wezen moeten uitgaan22, als zij niet bijkomstig zichzelf beweegt, maar de beweging tot haar eigen wezen op zichzelf behoort. Sommigen zeggen ook dat de ziel het lichaam waarin zij is haar eigen beweging meedeelt, zooals Demokritos in overeenstemming met den blijspeldichter Philippos, die Daidalos de houten Aphrodite laat maken en bewegen doordat hij er kwikzilver ingoot; desgelijks zegt ook Demokritos dat de bewegende ondeelbare bollen doordat ze van nature nooit in stilstand zijn het geheele lichaam meesleepen en bewegen. Wij vragen dan of ditzelfde ook de rust zal veroorzaken. Hoe dat zou gaan, is moeilijk of liever onmogelijk te zeggen. Welbeschouwd schijnt de ziel niet zóó het levend wezen te bewegen maar door iets als bedoeling en gedachte.Op dezelfde wijs beschouwt ook de natuurleer van den Timaios23de beweging die de ziel aan ’t lichaam meedeelt; door haar eigen beweging beweegt zij het lichaam, waarmede zij verbonden is. Terwijl zij samengesteld is uit de elementen en ingedeeld naar harmonische verhouding, opdat zij aangeboren gewaarwording van harmonie hebbe en het heelal zich harmonisch bewege,[51]heeft (de demiurg) haar rechte baan tot een kring omgebogen en den eenen kring in twee gesplitst hebbende, die bij twee punten verbonden zijn, heeft hij weder den eenen in zeven kringen gesplitst, daar (volgens Plato) de hemelbewegingen die der ziel zijn. 407a. Vooreerst nu is het niet behoorlijk de ziel een grootte te noemen; blijkbaar nl. bedoelt hij met de Alziel zooiets als wat men wel24den geest noemt en niet iets als de gewaarwordende of de begeerende ziel, want hun beweging is geen kringloop; de geest is één en aaneen als het denken en het denken is de gedachten, welke één zijn bij opeenvolging als het getal maar niet als de grootte; daarom is ook de geest niet zóó aaneen, maar óf ondeelbaar óf niet als een grootte aaneen. En hoe ook zal hij denken als hij grootte is? Met eenig deel van zichzelf? Een deel dat grootte heeft of puntsgewijze is, als men een punt ook een deel moet noemen. Gaat het puntsgewijze, dan komt blijkbaar de gedachte nooit tot stand, daar de punten eindeloos zijn; en gaat het met grootte dan zal men dikwijls of eindeloos veel malen hetzelfde denken, maar het blijkt dat het ook eenmaal mogelijk is25. Als voldoende is de aanraking met eenig deel, waartoe is dan kringbeweging noodig of moet er in ’t geheel van een grootte sprake zijn? Wanneer het denken aanraking door den geheelen kring vereischt, wat doet dan de aanraking met de deelen? En verder hoe kan men het gedeelde denken[52]met het ongedeelde of omgekeerd? Het is noodzakelijk dat de geest de gezegde kring is, want de beweging van den geest is het denken, van den kring de draaiing; is nu het denken de draaiing, dan moet de geest de kring zijn welks zoodanigedraaiinghet denken is. Maar wat zal het zijn dat de geest altijd door denkt?—immers dedraaiingduurt altijd door. Maar de gedachten van toegepaste wetenschap hebben grenzen, want zij allen beoogen iets buiten zich; en de theoretische overwegingen hebben eveneens hun grenzen in de redeneeringen, zijnde allen òf definitie òf bewijs; het bewijs nu gaat van een onderstelling uit en heeft op eenige wijze zijn einde in de sluitrede of de gevolgtrekking; en als zij niet afloopen, zoo keeren zij toch niet terug tot het uitgangspunt, maar gaan voorwaarts met toevoeging telkens van middenterm en conclusie; terwijl de draaiing weer tot ’t begin ombuigt. De definities zijn allen begrensd. Gebeurt verder dezelfde draaiing dikwijls dan zal men dikwijls hetzelfde moeten denken. Verder lijkt de gedachte meer op een rust en halt dan op beweging; desgelijks de sluitrede. 407b. Voorzeker is ook niet gelukzalig wat niet gemakkelijk gaat maar met geweld; indien nu de beweging der ziel haar wezen niet is, dan wordt zij tegen haar natuur bewogen26. Bezwaarlijk is het ook (voor den geest) onafscheidelijk gemengd te zijn met het lichaam; ja zelfs verwerpelijk, als het werkelijk voor den geest beter is zonder het lichaam te zijn, zooals Plato pleegt te zeggen, waarmee dan velen instemmen. Onduidelijk blijft ook de oorzaak van de kringbeweging[53]des heelals, want noch is het wezen der ziel oorzaak der kringbeweging, maar die is haar bijkomstig, noch is het lichaam oorzaak, maar veeleer is de ziel oorzaak voor ’t lichaam. En eindelijk ontbreekt ook het bewijs waarom het dienstig is, terwijl toch de godheid daarom de kringbeweging aan de ziel moest geven omdat het haar dienstiger is te bewegen dan te rusten en zóó te bewegen en niet anders.Maar daar dergelijk onderzoek in een andere wetenschap meer thuis hoort, willen wij het thans daarlaten. Deze ongerijmdheid deelt Plato’s redeneering met de meesten over de ziel, dat zij n.l. de ziel verbinden met en stellen in het lichaam zonder de bepaling erbij te voegen van de oorzaak (dier verbinding) en van de verhouding van ’t lichaam. En dat mag toch een eisch heeten; want door de gemeenschap is het eene werkend, het andere lijdend en wordt het eene bewogen terwijl het andere beweegt en deze verhoudingen gelden nimmer voor onverschillige dingen onderling. Maar zij beproeven alleen te bepalen wat de ziel is, doch geven er verder geen bepaling bij van het lichaam dat de ziel moet opnemen, alsof het mogelijk ware dat naar de verhalen der Pythagoreërs een ziel, welke ook, haar intrek nam in ’t eerste ’t beste lichaam. Neen, elk lichaam moet wel eigen gestalte en vorm27hebben. ’t Is hetzelfde alsof men zeide dat de timmerkunst fluiten betrok; want de kunst moet haar (eigen) werktuigen en de ziel het lichaam gebruiken.[54]407 b 27—408 a 28. De ziel is geen harmonie, zooals velen gelooven: noch harmonie als samenstelling van deelen noch als de verhouding in de samenstelling. Bezwaren tegen Empedocles, die de ziel uit al de elementen maakt en elk element als verhouding denkt en tevens deφιλία(liefde) oorzaak der verbinding doet zijn, dus iets buiten de verbinding zelve. Maar hoe dan te denken over de scheiding van ziel en lichaam?Ook is een andere meening geleerd over de ziel die bij velen niet minder geloof vindt dan eenige andere der behandelden en die ook in de tot gemeen goed gemaakte besprekingen28een soort van proces heeft doorstaan. Men zegt nl. dat zij een zekere harmonie is; dat immers de harmonie een menging en samenvoeging van tegendeelen is en dat het lichaam samengesteld is uit tegendeelen. Evenwel de harmonie is een verhouding van de gemengden of een samenvoeging en de ziel kan geen van beiden zijn. Verder is bewegen geen eigenschap van harmonie en dat schrijven allen wel ongeveer ’t meest aan de ziel toe. Het past meer bij gezondheid van harmonie te spreken en in ’t algemeen bij de lichamelijke deugden dan bij de ziel. Het duidelijkst blijkt (de ongelijkheid) wanneer men zou beproeven het doen en lijden der ziel op een harmonie over te brengen—dat is moeilijk te harmonieeren. Voorts als wij spreken van harmonie in twee gevallen en wel eigenlijk bij de grootheden die beweging en plaats hebben hun samenvoeging zóódanig dat zij niets gelijksoortigs kan opnemen en[55]ten tweede ook de verhouding van de gemengden—nu, dan zijn geen van beide opvattingen (voor de ziel) aannemelijk en die van de harmonische samenvoeging der lichaamsdeelen laat zich al te gemakkelijk weerleggen. Want er zijn vele samenvoegingen der deelen en op vele wijzen; van welk deel of hoe moet men nu aannemen dat de geest een samenvoeging is of de gewaarwording of de begeerte? Even ongerijmd is de meening dat de ziel de verhouding van de menging is; want de verhouding bij de vermenging der elementen is niet dezelfde voor vleesch en been. Waaruit volgt dat men vele zielen zal hebben en door het heele lichaam heen, als alles bestaat uit het mengsel der elementen en de verhouding der menging harmonie en ziel is. Hierover zou men ook Empedocles rekenschap kunnen vragen, die zegt dat elk der deelen naar een bepaalde verhouding (der elementen) ingericht is; is nu de verhouding de ziel of komt deze als iets nieuws in de deelen? Is verder de liefde de oorzaak van onverschillig welke menging of van die naar de juiste verhouding? En is deze de verhouding of iets anders daarnevens? Dat alles zijn daarbij verlegenheden. En als de ziel iets anders dan de menging is, waarom wordt zij dan vernietigd met het bestaan van het vleesch en van de andere deelen van het levend wezen? Bovendien indien niet ieder der deelen een ziel heeft, en indien de ziel niet is de verhouding der menging, wat wordt dan eigenlijk vernietigd als de ziel weg gaat?408 a 29—b 29. Van beweging der ziel spreekt men minder juist, wanneer het juiste is lichamelijke beweging[56]van haar uitgaande of tot haar strekkende, als bij gewaarwording of herinnering; de werkzaamheid ook van den geest lijdt van ziekte en ouderdom, dus van ’t lichamelijke, maar de geest zelf is een zelfstandigheid.Uit het gezegde nu blijkt dat de ziel onmogelijk harmonie kan zijn noch kringbeweging kan hebben. Wel kan zij, zooals gezegd is, bijkomstig bewogen worden en zichzelf bewegen, zoo b.v. dat datgene bewogen wordt, waarin zij is en wel door de ziel bewogen wordt, anders is ruimtelijke beweging voor haar onmogelijk. 408b. Met meer grond zou men over hare beweging kunnen redekavelen uit dergelijke overwegingen, dat men zegt dat de ziel smart en vreugde ondervindt, gerust is of vreest, voorts toornig wordt, waarneemt en denkt; want dat alles zullen bewegingen zijn. En dus zou men meenen dat zij bewogen wordt, maar dat is niet noodzakelijk. Want al zijn ook werkelijk smart, vreugde en denken bewegingen en is elk daarvan bewogen worden, bewogen worden door de ziel—b.v. toornig worden of vreezen zulk een beweging van het hart, denken (beweging) van dit wellicht of van iets anders—en gebeurt dit bij eenige ervan door verplaatsende beweging, bij anderen door verandering van hoedanigheid (bij welke en welke verandering is hier niet de vraag); dan is het zeggen dat de ziel toornig wordt, zoo, alsof men zeide dat de ziel weeft of bouwt. Het lijkt wel beter niet te zeggen dat de ziel medelijden heeft of leert of denkt, maar de mensch met zijn ziel en wel omdat de beweging niet in haar is, maar soms tot aan haar, soms van haar uit b.v. de gewaarwording van deze voorwerpen hier uitgaande tot[57]aan haar, de herinnering van haar uit naar de bewegingen of stilstanden in de zintuigen. De geest schijnt (in den mensch) te zijn een zelfstandigheid, die onvernietigbaar is. Anders moest hij vooral vernietigd worden door de verduistering in den ouderdom; doch denkelijk geldt hier hetzelfde als bij de zintuigen; als de grijsaard eens zúlk een oog kreeg, dan zou hij kunnen zien als een jongeling. Alzoo heeft de ouderdom niet tot oorzaak eenig ondervinden van de ziel, maar van ’t lichaam waarin zij is, zooals bij dronkenschap en ziekte. Zoo kwijnt dan het denken en studeeren doordat iets anders inwendig afbreuk lijdt, maar zelf is het onaantastbaar. Het denken, beminnen en haten tasten niet den geest aan, maar dat bepaalde, dat hem bevat in zoover het hem bevat. Gaat daarom dat (bevattende) te loor, dan houdt herinneren29en beminnen op; want die behoorden niet aan den geest, maar aan het geheel, dat verloren is. De geest echter lijkt wel iets goddelijkers en onaangedaan.408 b 30—409 b 18. (Xenokrates’) leer der ziel als zelfbewegend getal.Uit deze beschouwingen dus blijkt dat het niet mogelijk is dat de ziel bewogen wordt en als zij in ’t geheel niet bewogen wordt, dan natuurlijk ook niet door zich zelf. Verreweg het ongerijmds van de beweringen is die, dat de ziel een zichzelf bewegend getal is; want wie dat zeggen hebben vooreerst de onmogelijkheden die uit de beweging voortkomen en dan nog bizondere uit de stelling dat zij getal is. Hoe toch moet men denken[58]een eenheid, die bewogen wordt, door wat en hoe, daar zij ongedeeld en ononderscheiden is? Is zij immers bewegend en bewogen dan moet er onderscheid in zijn. En dan: aangezien naar men zegt de beweging van een lijn een vlak, die van een punt een lijn maakt, zoo zullen ook de bewegingen van de eenheden lijnen zijn; het punt is nl. een eenheid met plaats en het getal van de ziel is dan zeker ergens en heeft een plaats. Verder: als men van een getal een getal of een eenheid aftrekt, dan blijft er een ander getal over; maar de planten en vele dieren blijven na verdeeling leven en blijken dan soortelijk dezelfde ziel te houden. Men zou ook evengoed als van eenheden kunnen spreken van molekels; want als men de bolletjes van Demokritos terugbrengt tot punten, zoodat slechts de veelheid blijft, moet daarin zijn het onderscheid van bewegen en bewogen worden evenals in het aaneengesloten geheel; dat onderscheid immers hangt niet samen met het verschil van grootte of kleinheid, maar het is er om het aantal. Dus moet er iets zijn dat de eenheden bewegen kan. Wanneer nu in het levend wezen het bewegende de ziel is, dan is zij het ook in het getal en dus zou de ziel niet zijn het bewegende en wat bewogen wordt, maar alleen het bewegende. Hoe kan dat dan een eenheid zijn? Er moet dan toch een onderscheid zijn tusschen haar en de andere (eenheden). En welk onderscheid kan een eenheid-punt hebben behalve van plaats? Zijn nu de punten in het lichaam verschillend van de eenheden, dan zullen de eenheden op dezelfde plaats zijn (met de punten); want elke zal de plaats van een punt innemen. Echter wat belet dat, zoo er twee, dan ook[59]eindeloos vele opdezelfdeplaats zijn? Want dingen wier plaats ongescheiden is, zijn zelf ook ongescheiden. En indien de punten in ’t lichaam het getal van de ziel zijn of indien het getal van de punten in ’t lichaam de ziel is, waarom hebben dan niet alle lichamen een ziel? Punten moeten er toch in allen zijn en wel eindeloos vele. En dan hoe is het mogelijk dat de punten gescheiden en afgescheiden worden van ’t lichaam, terwijl toch niet de lijnen zich laten verdeelen in punten?Zooals gezegd is, stemmen zij eenerzijds overeen met hen die de ziel iets fijns lichamelijks noemen, anderzijds is er een bizondere ongerijmdheid doordat zij als Demokritos de beweging laten uitgaan van de ziel.409b. Want daar toch de ziel in het geheele gewaarwordende lichaam is, moeten er twee lichamen op dezelfde plaats zijn, als de ziel een lichaam is; die de ziel een getal noemen, moeten aannemen dat in het eene punt vele punten zijn of dat elk lichaam een ziel heeft, wanneer niet het er in zijnd getal verschillend is en iets anders dan het getal van de in de lichamen zijnde punten. Ook is een gevolgtrekking dat het levend wezen bewogen wordt door het getal, zooals wij zeiden dat ook Demokritos het laat bewegen; want welk verschil maakt het te spreken van kleine bolletjes of groote eenheden of in ’t geheel van bewegende eenheden? Op beide wijzen toch is noodzakelijk de beweging van ’t levend wezen door hen veroorzaakt doordat zij bewogen worden. Die dus beweging en getal samenvlechten leiden tot die en vele dergelijke gevolgen. Zoo iets kan immers niet slechts geen definitie van de ziel zijn, maar zelfs geen bijkomstigheid. Dit blijkt als men zou beproeven op grond van[60]die bewering rekenschap te geven van ’t lijden en doen van de ziel, b.v. van redeneeringen, gewaarwordingen, vreugden, smarten enz. Immers die beweringen geven, zooals wij vroeger zeiden, niet eens licht grond tot gissingen30.409 b 19—410 b 15. De ziel, hetwaarnemende, uit de elementen, zóó dat het gelijke het gelijke waarneemt. Bezwaren tegen deze theorie en tegen Empedokles.Drie wijzen zijn geleerd waarop men de ziel definieert: als ’t bij uitstek bewegende doordat zij zich zelf beweegt; als het fijnste of meest onlichamelijke lichaam; de moeilijkheden en tegenspraken die zich hierbij voordoen hebben wij in hoofdzaak besproken en er blijft over na te gaan hoe het staat met de bewering dat de ziel uit de elementen bestaat. Dat zegt men, opdat zij de dingen zal waarnemen en elk ding zal kennen, maar vele onmogelijkheden[61]volgen uit die redeneering noodzakelijk. Men stelt n.l. dat het gelijke het gelijke kent, de ziel als ’t ware de dingen noemende. Maar dat zijn niet alleen deze (de elementen) maar nog vele anderen of liever tallooze die er uit samengesteld zijn. Toegegeven dat de ziel kent en waarneemt de elk ding samenstellende elementen; waardoor zal zij echter het geheel kennen of waarnemen, b.v. god, mensch, vleesch of been en desgelijks elk ander samenstel? Want ieder daarvan is niet uit de elementen willekeurig, maar in een bepaalde verhouding en samenstelling, zooals Empedokles omtrent gebeente zegt: „De vriendelijke aarde nam in den ruimen smeltkroes twee achtste deelen glanzend vocht en vier deelen Hephaestus: zoo ontstonden de witte beenderen”31.Het helpt dus niets dat de elementen in de ziel zijn, indien niet ook de verhoudingen en de samenvoeging er in zijn; elk element immers zal het gelijke erkennen, maar niets het gebeente of den mensch, zoo niet deze ook er in zijn—onmogelijkheid die geen betoog behoeft; want wie kan twijfelen of er in de ziel een steen of mensch is? Evenzoo zal niets het goede en ’t omgekeerde erkennen; en zoo ook met ’t andere. Verder wordt er van het zijnde in vele beteekenissen gesproken: als substantie, hoeveelheid, hoedanigheid of eenige andere der onderscheiden kategorieën; zal nu de ziel uit allen bestaan of niet? Maar het blijkt niet dat er elementen zijn die aan alle kategorieën gemeenschappelijk zijn. Dan alleen uit de substantie-elementen? Hoe kent zij[62]dan al het andere? Of zal men aannemen dat er van elke kategorie eigen elementen en principes zijn en dat de ziel daaruit bestaat? Dan zal er hoeveelheid, hoedanigheid en substantie (in) zijn. Maar het is onmogelijk dat uit hoeveelheids-elementen een substantie, niet een hoeveelheid is. Die dus de ziel uit alle elementen samenstellen treffen deze en meer dergelijke bezwaren. Het is ook ongerijmd te zeggen dat het gelijke onaandoenlijk is voor het gelijke en dat het gelijke het gelijke waarneemt en door het gelijke het gelijke kent, terwijl men het waarnemen een lijden en bewogen worden noemt en desgelijks het denken en kennen. Van de vele verlegenheden en moeilijkheden die het geeft om met Empedokles te zeggen dat alle dingen door de stoffelijke elementen gekend worden, en bovendien het gelijkedoor het gelijke, is één aanwijzing wat nu gezegd wordt: alles nl. wat in de lichamen der levende wezens zonder meer aarde is, als gebeente, spieren, haren, blijken niets waar te nemen en dus ook niet het gelijke, wat toch behoorde. Bovendien zal elk der elementen meer onkunde dan begrip hebben; want elk zal één ding kennen maar vele dingen niet kennen nl. al de andere. Empedokles moet besluiten dat de godheid het onwijst is; hij toch alleen kent één element, de strijd32niet; wel alle sterfelijke dingen, die immers uit alle elementen bestaan. Waarom in ’t geheel hebben niet alle dingen een ziel, daar elk ding of een element is of uit een of meer of alle elementen bestaat, zóó dat het een of eenige of alle[63]dingen moet kennen? Ook zou men de vraag kunnen opwerpen wat het wel is dat in de elementen de eenheid maakt; want zij gelijken de stof en dat samenhoudende, wat het ook zij, is het krachtigste; maar het is onmogelijk dat er iets krachtigers zou zijn dan de ziel of dat voorgaat; nog onmogelijker dan de geest; die moet redelijkerwijze de eerste en heerschend uitteraard zijn; maar zij zeggen dat de elementen de eersten der dingen zijn.410 b 16—411 a 23. Deze opvatting omtrent de ziel en die van de ziel als het bewegende omvatten niet alle ziel noch eenige in haar geheel; bij beperking van de eerste tot denken en waarnemen evenmin. Bezwaren tegen de Orphische leer omtrent de ziel als deel van de Alziel door inademing opgenomen. De ziel behoeft om te kennen niet uit alle elementen te bestaan, maar slechts uit de eene helft der tegengestelde. Thales’ Alziel.Allen zoowel die zeggen dat de ziel uit de elementen is om het kennen en gewaarworden van de dingen, als die haar het allerbewegelijkste noemen, spreken niet over elke ziel. Want eensdeels is niet al wat gewaarwordt bewegend;33aangezien sommige levende wezens aan hun plaats gebonden blijken; en toch geeft de ziel wel deze beweging in ’t bizonder aan het levende wezen. ’t Zelfde geldt van wie den geest en het gewaarwordingsvermogen uit de elementen doen bestaan; want het blijkt dat de planten leven zonder beweging en waarneming en dat vele dieren geen verstand hebben.[64]Als men dit ook zou toestaan dat men den geest en desgelijks het waarnemingsvermogen een deel van de ziel noemt, dan spreken zij toch niet gemeenschappelijk over alle ziel noch over eenige in haar geheel. Dit geldt ook van de opvatting in de zoogenaamde Orphische verzen: dat de ziel uit het heelal intreedt bij het ademhalen, gedragen door de winden. Dan kan dit niet uitkomen voor de planten en voor eenige dieren, daar niet allen ademhalen; maar dit hebben zij, die zoo meenen, niet opgemerkt. En als men de ziel uit de elementen moet doen bestaan, behoeft het geenszins te zijn uit alle; want van de tegendeelen is de eene helft voldoende om zichzelf te beoordeelen en het tegendeel. Immers door het rechte kennen wij dit zelf en het kromme, want over beiden oordeelt het richtsnoer, maar het kromme noch over zich zelf noch over het rechte. Ook zeggen sommigen dat de ziel in het heelal gemengd is, van waar misschien ook Thales meende dat alles vol van goden was. Dit baart eenige verlegenheden; waarom toch maakt de ziel in de lucht of het vuur geen levend wezen, maar wel in de mengselen en dat nog wel als zij in de eersten beter moet zijn? Verder zou men moeten vragen waarom de ziel in de lucht beter en onsterfelijker is dan die in de levende wezens. In beide gevallen komt men tot iets ongerijmds en onredelijks; immers het vuur of de lucht een levend wezen te noemen is erg onredelijk en geen levende wezens aan te nemen als de ziel er in is, is ongerijmd. Het schijnt dat zij meenen dat de ziel in deze (elementen) is, omdat het geheel gelijksoortig is met de deelen; zoodat zij ook moeten zeggen dat de ziel gelijksoortig is met haar deelen, als[65]de levende wezens bezield worden doordat een deel van de atmosfeer in hen afgezonderd wordt. Maar als de lucht na verdeeling gelijksoortig en de ziel ongelijksoortig van deelen is, zal er blijkbaar iets van haar aanwezig zijn en iets anders niet. Alzoo moet de ziel óf gelijksoortig van deelen zijn of niet in elk willekeurig deel van ’t geheel daar zijn.411 a 24—b 30. Kritiek van de leer der soortelijk onderscheiden zielsdeelen. De ziel blijft één na verdeeling van het lichaam bij planten en sommige insecten; die ziel is dan het principe dat planten en dieren gemeen hebben.Uit het gezegde blijkt dus dat het kenvermogen der ziel niet tot grond heeft dat zij uit de elementen bestaat en dat van een beweging der ziel niet goed of waar gesproken wordt. Daar nu het kennen tot de ziel behoort en het gewaarworden en meenen en verder het begeeren en willen en de neigingen in ’t geheel en ook de plaatselijke beweging voor de levende wezens uit de ziel voortkomt en bovendien groei, rijpheid en neergang, komt de vraag op of dit alles tot de heele ziel behoort, of wij met de heele ziel denken, gewaarworden, bewegen en al ’t andere doen en lijden of dat er verschillende deelen met verschillende werking zijn? 411b. En het leven eindelijk, ligt dat in een van de deelen of in meer of in allen of heeft het nog een anderen grond? Sommigen dan zeggen dat de ziel deelen heeft en dat een deel denkt, een ander begeert. Wat is het dan toch wel, dat de ziel samenhoudt als zij gedeeld is? Toch wel niet het lichaam; omgekeerd zal veeleer de ziel het lichaam samenhouden; immers als de ziel uitgetreden[66]is, „verwaait en vergaat”34het lichaam. Als dus iets anders haar één maakt, dan is dàt eigenlijk de ziel en daarvan zal men weer moeten vragen of het één of meerledig is. Is het één, waarom dan niet van ’t begin af ook de ziel één? Is het gedeeld, dan moet de redeneering weer naar het samenhoudende daarvan vragen en gaat zij zoo voort in ’t eindelooze. Men zou ook kunnen vragen omtrent de deelen der ziel, welk vermogen elk deel in het lichaam heeft. Immers indien de heele ziel het geheele lichaam samenhoudt, moet ook elk deel een deel van het lichaam samenhouden. Dat lijkt iets onmogelijks; welk deel toch de geest samenhoudt of hoe, valt moeilijk zelfs te verzinnen. Het blijkt ook dat de planten bij verdeeling leven en onder de dieren eenigeinsecten, zóó dat de deelen dezelfde ziel hebben soortelijk, ofschoon niet numeriek; want elk van de helften hebben gewaarwording en plaatselijke beweging een tijd lang. Dat het niet blijvend is, is niet vreemd; want zij hebben niet de organen om hun wezen te handhaven. Maar desniettemin hebben elk der helften alle deelen van de ziel en de deelzielen zijn soortgelijk onderling en met de geheele ziel, tegenover elkaar als of zij (de deelzielen) niet zelfstandig zijn, tegenover de geheele ziel zóó dat die deelbaar is. Ook lijkt het principe in de planten een soort ziel; want dit alleen is gemeenschappelijk aan dieren en planten en het bestaat gescheiden van het principe der gewaarwording, maar niets heeft gewaarwording zonder dit principe.Einde van boek I.[67]411 b 31—412 b 9. Algemeene definitie: de ziel is de eerste (voorloopige) werkelijkheid van een natuurlijk bewerktuigd lichaam. Deze werkelijkheid is de ware eenheid van ziel en lichaam.412a. Wat de vroegeren omtrent de ziel geleerd hebben, daaromtrent volsta het gezegde; laat ons als van ’t begin af terugkeeren en trachten de ziel te bepalen en de algemeenste definitie er van op te geven. Wij noemen dan een kategorie der dingen de substantie en van deze spreken wij eenerzijds als stof, wat op zichzelf niet iets bepaalds is, anderzijds als vorm en gestalte, naar welke eerst van iets bepaalds sprake is; als derde noemen we wat uit beiden voortkomt. De stof is mogelijkheid, de vorm werkelijkheid35en dat in tweevoudigen zin, deels zooals de kennis, deels zooals het studeeren. Substanties in den eigenlijksten zin zijn de lichamen en van deze de natuurlijke; want die zijn de Principes van de anderen. De natuurlijke lichamen zijn levend of levenloos; leven is zelfonderhouding, groei en afname. Dus is elk natuurlijk, levend, lichaam substantie en wel als de samengestelde. Daar nu ook van een zoodanig geheel, nl. een levend lichaam, sprake is, is het niet het lichaam dat de ziel is; want het lichaam is geen op een voorondersteld iets betrokken zijn, maar verhoudt zich veeleer als vooronderstelde en stof. Derhalve moet de ziel substantie zijn als vorm van een natuurlijk lichaam, dat naar mogelijkheid leven heeft. Die substantie is werkelijkheid. De ziel is dus van een zoodanig lichaam de werkelijkheid. Deze is tweevoudig, deels zooals de kennis,[68]deels zooals het studeeren. Blijkbaar dus zooals de kennis; want in ’t aanzijn van de ziel is én slaap én waken; het waken is overeenkomstig met het uitoefenen, de slaap met het bezitten zonder werkzaamheid; als verschijnsel is bij den enkeling de kennis voorafgaand. Derhalve is de ziel de eerste werkelijkheid van een natuurlijk lichaam dat naar mogelijkheid leven heeft. Een zoodanig lichaam is dat, wat bewerktuigd is. Organen zijn ook de deelen der planten, maar gansch eenvoudige: zoo is het blad omhulsel van de vruchtwand, de vruchtwand van de vrucht; de wortels zijn overeenkomstig met den mond, want beiden nemen het voedsel op. 412b. Moet men dus een voor alle ziel gemeenschappelijke definitie geven dan is zij de eerste werkelijkheid van een natuurlijk, bewerktuigd, lichaam. Daarom moet men ook niet vragen of de ziel en het lichaam één is, evenmin als van de was en de figuur of in ’t algemeen van de stof van elk ding en datgene waarvan de stof grondslag is. Want terwijl men van „één” en „zijn” spreekt in verscheiden zin, is het eigenlijke de werkelijkheid.412b 10—413 a 10. De ziel het wezen van het lichaam, als het gezicht het wezen van het oog en de gewaarwording van het heele gewaarwordende lichaam. Het naar mogelijkheid levende is niet het doode, noch is de ziel meer dan in aanleg het werkzame. Scheiding van ziel en lichaam. Ziel en lichaam als schipper en schip?Wat nu de ziel is, is in ’t algemeen gezegd nl. substantie naarhet begripbeschouwd. En dat ishet wezenvoor het bepaald lichaam. Stel dat een werktuig b.v. een bijl een natuurlijk lichaam was, dan zou immers het[69]bijlwezen zijn substantie zijn en de ziel zou dàt zijn; van deze gescheiden zou het alleen nog in naam een bijl zijn. Maar nu is het een bijl; immers niet bij een zoodanig lichaam is het wezen en het begrip de ziel, maar van een bepaald natuurlijk lichaam dat het principe van beweging en rust in zichzelf heeft. Men moet het gezegde ook bij de onderdeelen nagaan. Als ’t oog een levend wezen was, dan zou ’t gezicht daarvan de ziel zijn, want dat is de substantie van ’t oog naar het begrip beschouwd. Het oog is de stof van het gezicht; ontbreekt dit dan is het geen oog meer behalve in naam, als ’t steenen oog of ’t geschilderde. Wat nu van ’t deel geldt moet men toepassen op ’t geheele levende lichaam; want zooals ’t deel (van ’t gewaarworden) staat tot ’t (lichaams)deel, zoo de geheele gewaarwording tegenover het heele gewaarwordende lichaam als zoodanig. Niet wat de ziel verloren heeft, heeft naar mogelijkheid de strekking tot leven, maar wat de ziel heeft; het zaad en de vrucht is naar mogelijkheid het bepaalde lichaam. 413a. En zooals het snijden en het aanschouwen, zoo is ook het waken de werkelijkheid, zooals het gezicht en de kracht van het werktuig, de ziel; en het lichaam is het naar mogelijkheid zijnde; maar zooals het oog de pupil mét het gezicht is, zoo hier een levend wezen de ziel mét het lichaam. Dat nu de ziel niet gescheiden is van ’t lichaam, of als zij deelbaar is, deelen van haar, is duidelijk; want van eenige (zielsdeelen) is de werkelijkheid bij de deelen (des lichaams) zelf behoorend; niets intusschen belet de scheiding bij sommige deelen, doordat die geen werkelijkheid van eenig lichaam zijn. Bovendien is nog niet duidelijk of niet de ziel zóó[70]de werkelijkheid des lichaams is als de schipper van een schip. Zoo nu moeten in ’t algemeen de bepalingen en omtrekken van de ziel zijn.413 a 11—414 a 3. Eisch voor de ware definitie: zij moet van de ervaring tot het begrip voeren. De ziel is het kenmerk van het leven. Het leven is op zijn minst zelfonderhoud, groei en afname, als bij de planten; bij de dieren komt er gewaarwording bij en daarvan allereerst de tastzin; beiden om nader te bespreken reden. De vermogens en hun onderdeelen bestaan trapsgewijze, de verderen niet zonder de eersten. Bij verdeeling van planten en insecten blijft de ziel één met hare vermogens; die zijn dus niet zelfstandig, behalve misschien het denkvermogen. Alleen in begrip zijn de vermogens te scheiden.Daar uit het meer bekende maar dat onduidelijk is voortkomt het duidelijke en wat naar ’t begrip meer kenbaarheid heeft, moeten wij weer beproeven op die wijs haar wezen na te gaan; immers de definitie moet niet alleen het „dat” uitdrukken, zooals de meeste definities doen, maar moeten ook de oorzaak inhouden en doen blijken. Nu lijken de definities wel conclusies van de sluitredenen b.v. kwadraatmaken is het maken van een gelijkzijdige rechthoek gelijk aan een ongelijkzijdigen. Zulk een definitie is de conclusie van de sluitrede; maar de (def.) die kwadraatmaking noemt het vinden van een gemiddelde noemt de oorzaak van de zaak. Als uitgangspunt van het onderzoek dan nemen wij dat het bezielde van het onbezielde onderscheiden is door het leven. Wanneer van de meerdere opvattingen die het woord[71]leven heeft er maar één in het ding aanwezig is, zeggen wij dat het leeft, zooals verstand, gewaarwording, plaatselijke beweging en rust, ook inwerking door voeding en afname en groei. Daarom spreekt men ook van leven bij alle planten; immers die blijken in zich een vermogen en principe te hebben zoodanig dat zij afnemen en aangroeien in de tegengestelde richtingen; want niet naar boven alleen groeien zij en niet naar onder, maar gelijkelijk in beide richtingen en overal heen voeden zij zich en leven voortdurend, zoolang zij voedsel kunnen nemen. Dit vermogen kan van de anderen afgescheiden worden, de anderen niet hiervan in de sterfelijke wezens. Dit blijkt bij de gewassen, die geen ander zielsvermogen hebben. 413b. Het leven nu bezitten de levende wezens door dit principe, maar met de gewaarwording eerst is er sprake van het dier: immers ook wat zich niet beweegt noch van plaats verandert, maar gewaarwording heeft, noemen wij dier en niet slechts levend wezen. Van gewaarwording bezitten allereerst allen tastzin. Zooals het voedingsvermogen kan afgescheiden worden van den tastzin en alle gewaarwording, zoo de tastzin van de andere gewaarwordingen. Het voedende noemen wij het zoodanige deel van de ziel, dat ook de gewassen toekomt; al de dieren blijken den tastzin te bezitten; door welke oorzaak het eene en het andere zoo is, zal later ter sprake komen.Nu willen wij ons hiertoe bepalen, dat de ziel van de genoemde vermogens de bron is en zich daarnaar onderscheidt als ’t voedende, gewaarwordende, denkende en de beweging. Of elk daarvan ziel of deel der ziel is, en zoo deel, scheidbaar alleen in begrip of ook in plaats, dat is betreffende[72]sommigen dier vermogens niet moeilijk te zien, maar eenigen geven bezwaar. Zooals immers bij de planten eenigen bij verdeeling blijken te leven, gescheiden van elkaar, en de ziel dus daarin in werkelijkheid één is in elke plant, maar is mogelijkheid meervoudig, hetzelfde zien wij in andere onderscheidingen van de ziel gebeuren bij de gelede dieren als zij doorgesneden worden; immers elk van beide deelen heeft gewaarwording en plaatselijke beweging en met gewaarwording immers ook voorstelling en streven; want waar gewaarwording is, is ook smart en vreugde en waar deze zijn is noodzakelijk ook begeerte. Wat den geest betreft en het denkvermogen is nog niets gebleken, maar het lijkt een ander soort van ziel te zijn en dit alleen kan afgescheiden bestaan als het eeuwige afgescheiden van het vergankelijke. De overige deelen van de ziel zijn, zooals uit het gezegde blijkt, niet afscheidbaar, gelijk sommigen36zeggen, maar wèl verschillend volgens het begrip; want gewaarwording hebben en vermogen tot oordeelen is verschillend, daar toch gewaarworden verschilt van oordeelen. En hetzelfde geldt van elk van de andere genoemde vermogens. En verder hebben eenige der levende wezens al deze vermogens, sommige sommigen er van en eenigen slechts één—en hierin zal het onderscheid tusschen de levende wezens gevonden worden—; de oorzaak hiervan moeten wij later nagaan. 414a. Hetzelfde geldt voor de gewaarwordingen; sommigen bezitten allen, anderen eenigen, anderen alleen de noodzakelijkste, den tastzin.[73]414 a 4—28. De ziel, als eigenlijke bron van het leven, is vorm, niet stof en vorm van een bepaald lichaam, zooals de vorm in ’t algemeen een eigen stof vooronderstelt.Datgene nu waardoor wij leven en gewaarworden laat zich op twee wijzen bespreken evenals datgene waardoor wij weten (aan de eene kant wetenschap, aan de andere de ziel; want door elk van deze beiden zeggen wij te weten); en evenzeer is datgene, waardoor wij gezond zijn, aan de eene kant gezondheid, aan den anderen een deel of ’t geheel van ’t lichaam. Naardien nu de wetenschap en de gezondheid vorm en gestalte en begrip en om zoo te zeggen werkelijkheid van het opnemende is, de eerste de werkelijkheid van het voorkennis-geschikte, de andere van het op-de-gezondheid-betrekkinghebbende (daar namelijk in het lijdende en aangedane de werkelijkheid van het werkende is) en de ziel datgene is waardoor wij leven en gewaarworden en denken in eigenlijken zin, is dus de ziel een begrip en gestalte, maar niet stof en substraat. Daar substantie, zooals wij zeiden,drieërleibeteekent, eensdeels vorm, anderdeels stof, eindelijk beider samenstel en hiervan de stof mogelijkheid, de vorm werkelijkheid en beider samenstel het bezielde is, is niet het lichaam de werkelijkheid van de ziel, maar deze die van een bepaald lichaam. En daarom oordeelen zij juist, die meenen dat de ziel niet zonder lichaam is, maar ook geen lichaam; want zij is geen lichaam maar verbonden met het lichaam en is daarom in een lichaam aanwezig en in een bepaald lichaam, niet zooals de vroegeren haar in een lichaam voegden zonder nadere bepaling in welk en hoedanig[74]lichaam, ofschoon ook volgens de ervaring niet iets willekeurigs iets wat dan ook opneemt. Zoo is het ook in overeenstemming met het begrip; want de werkelijkheid van ieder ding pleegt te komen in wat de mogelijkheid inhoudt en in de bijbehoorende stof. Dat de ziel nu een werkelijkheid is en begrip van datgene wat de mogelijkheid heeft om het resultaat te zijn, is hieruit duidelijk.414 a 29—415 a 13. De vermogens van de ziel van het eenvoudigste tot het hoogste—van het voedingsvermogen tot het denken—vormen een reeks, waarnaar de levende wezens onderscheiden worden. De algemeene definitie voldoet bij ziel evenmin als bij figuur; de volgorde moet begrepen en elk zielsvermogen afzonderlijk behandeld worden en nog in ’t bizonder de denkende geest.Van de vermogens der ziel hebben sommigen alle genoemden zooals wij zeiden, anderen eenigen, eenigen slechts één. Als vermogens noemden wij het voedende, het strevende, het gewaarwordende, het plaatselijk bewegende, het denkende.De planten hebben alleen het voedingsvermogen, anderen dit en het gewaarwordingsvermogen. Hebben zij dit, dan ook het streefvermogen; want streven is begeerte en drang en willen en alle dieren hebben althans één gewaarwording, den tastzin; voor wat gewaarwording heeft, geldt vreugde en smart en ’t aangename en smartelijke en voor wat die gelden, daarvoor geldt ook de begeerte; want dat is het streven naar ’t aangename. Ook hebben zij gewaarwording van het voedsel; want de tastzin is de gewaarwording van het voedsel;[75]want alle levende wezens worden door ’t drooge, natte, warme en koude gevoed en daarvan is de tastzin de gewaarwording; zij betreft de andere waarneembaarheden bijkomstig. Immers tot voeding draagt niets bij geluid noch kleur noch reuk en de smaak is iets van de tastbaarheden. Honger en dorst is begeerte, honger naar ’t droge en warme, dorst naar het koude en natte en de smaak is als iets dat dezen kruidt. Later zal dit verduidelijkt worden; nu bepalen wij ons hiertoe, dat de dieren die tastzin hebben ook streven bezitten. Omtrent de voorstelling is niets uitgemaakt en dat moet later nagegaan worden. Eenigen hebben bovendien de plaatselijke beweging, anderen het denkvermogen en den geest, als de menschen en wat verder zoodanig is of hooger.Dus is het duidelijk dat er op dezelfde wijze één definitie van ziel kan zijn als van figuur; want hier is geen figuur buiten driehoek enz., noch dáár ziel buiten de genoemden. Er is ook bij de figuren een gemeenschappelijke definitie mogelijk, die op allen zal passen maar aan geen figuur eigen zal zijn; evenzoo bij de gezegde zielen. Daarom is het dwaas hierbij en bij andere dingen de gemeenschappelijke definitie te zoeken, die bij geen der wezens eigenlijk zal behooren, noch betrekking heeft op het eigene en verenkelde soort en die wèl zoo is, daar te laten. Bij de figuren en de ziel is dezelfde verhouding; steeds is in het volgende in mogelijkheid aanwezig het vroegere bij de figuren en bij de bezielde wezens, zooals in den vierhoek de driehoek, in het gewaarwordingsvermogen het voedingsvermogen. Dus moet men afzonderlijk nagaan wat de ziel[76]van elk wezen is, b.v. wat die van een plant, van een mensch of dier is. En waarom ze zich zoo in opeenvolging verhouden moet men nagaan. 415a. Want zonder het voedingsvermogen bestaat het gewaarwordingsvermogen niet, maar van het gewaarwordingsvermogen is het voedingsvermogen afgescheiden in de planten. Wederom is zonder den tastzin geen andere gewaarwording aanwezig, wel tastzin zonder de anderen; want vele dieren hebben noch gezicht noch gehoor noch gewaarwording van reuk. En van die gewaarwording bezitten hebben sommigen het plaatselijk bewegingsvermogen, anderen niet. Als laatste hebben het kleinste aantal begrip en verstand; want de eindige wezens die begrip bezitten hebben ook al de overige vermogens, maar die elk daarvan bezitten hebben niet allen begrip, maar sommigen niet eens voorstelling, terwijl anderen alleen daarop leven. Over de beschouwende geest geldt een andere redeneering. Het blijkt dus dat de redeneering over elk van deze (vermogens) ook de meest geldige omtrent de ziel is.415 a 14—b 7. De vermogens komen na hun werkingen en deze na hun uitwerksel. Het eerste en de grondslag is de voeding en voortplanting, die de band vormt tusschen het eindige en het eeuwige.Het is noodzakelijk wanneer men hiernaar onderzoek doet, omtrent elk der (vermogens) te bepalen wat het is en zoo verder omtrent de volgende en de overige dingen na te gaan. Als men moet zeggen wat elk er van is b.v. wat het denk-, of gewaarwordings- of voedingsvermogen is, moet men nog eerder zeggen wat het denken[77]of gewaarworden is; want vóór de vermogens zijn naar het begrip de verwerkelijkingen en verrichtingen. Als dat zoo is, en men nog eerder dan deze de objecten moet nagegaan hebben, moet men eerst omtrent dezen bepalen om dezelfde reden, nl. omtrent voeding, het waarneembare en het denkbare. Alzoo moet eerst over voeding en voortplanting gesproken worden, immers de voedende ziel bezitten ook de anderen en dit is het eerste en gemeenschappelijkste vermogen van de ziel, waarop bij allen het leven berust. De verrichtingen daarvan zijn zich voortplanten en voedsel gebruiken; immers de natuurlijkste verrichting van de levende wezens, voor zoover zij volledig en niet defekten zijn, of van zelf ontstaan, is het maken van een ander naar zijn eigen aard, een dier een dier, een plant een plant, opdat zij het eeuwige en goddelijke deelen naar vermogen; want daarnaar streeft alles en daarom verricht alles alle handelingen volgens de natuur. 415b.Het „daarom” is tweevoudig, eensdeels (de zaak) waarom, anderdeels (de persoon) waarvoor37.Daar het (enkele) nu niet het eeuwige en goddelijke ononderbroken deelachtig kan zijn doordat geen eindig ding één en hetzelfde kan blijven, neemt alles er aan deel zooals het kan, het eene meer het andere minder en wat blijft is niet het enkele zelf maar het zoodanige, niet naar getal maar naar wezen één.415 b 8—416 a 18. De ziel is principe van beweging, doel en wezen van ’t levende lichaam. Op een doel wijzen de organen. Verandering en groei en afname betreffen de ziel: kritiek van Empedocles’ mechanisme. Voeding[78]is ook niet verbranding zonder meer, want die mist de zelfbepaling.De ziel is van het levende lichaam oorzaak en principe woorden van meer dan één beteekenis; en overeenkomstig is de ziel oorzaak naar de drie onderscheiden wijzen, want zij is de bron van de beweging, en het doel; en als het wezen van de bezielde lichamen is de ziel oorzaak. Het laatste wordt ingezien omdat voor alles het wezen de oorzaak is van het zijn, en voor de levende wezens het zijn leven is endaarvande ziel oorzaak en principe is. Bovendien is de werkelijkheid (de ziel) het begrip van wat naar mogelijkheid is. ’t Is duidelijk dat ook als doel de ziel oorzaak is; want zooals de geest om iets handelt, op dezelfde wijze ook de natuur en dat is haar doel. Zoodanig iets is bij de levende wezens de ziel, ook naar de natuur beschouwd; want al de natuurlijke lichamen zijn werktuigen der ziel, en zooals bij de dieren zoo ook bij de planten, als zijnde ter wille van de ziel.Het „terwille van” is tweevoudig, eensdeels de zaak waarom, anderdeels de persoon waarvoor.En verder is ook de bron van de plaatselijke beweging ziel; maar niet alle levende wezens bezitten dit vermogen. Ook verandering en groei betreft de ziel; immers de gewaarwording is wel een zekere verandering en niets heeft gewaarwording zonder ziel. Evenzoo staat het met groei en afname; immers niets neemt af of groeit van nature zonder voeding en niets wordt gevoed dat niet aan leven deel heeft. Hier is Empedokles af te keuren wanneer hij zegtdat door bijvoegingde planten hun groei krijgen, terwijl zij naar onderen wortel schieten[79]doordat zoo de natuurlijke beweging van de aarde is en naar boven (klimmen) doordat het vuur die richting neemt. 416a. Want hij spreekt verkeerd van naar boven en naar onderen; immers boven en onder beteekenen niet hetzelfde voor elk ding als voor het geheel, maar als het hoofd van de dieren zoo verhouden zich de wortels van de planten, als men de organen anderen of dezelfde moet noemen naar hun werking. En bovendien, wat is het dat het vuur en de aarde, die tegengestelde richtingen zoeken, samenhoudt? Want is er niets dat tegenhoudt, dan zullen ze uiteengerukt worden; is er wèl iets, dan is dat de ziel en de oorzaak van het groeien en de voeding. Sommigen meenen dat de natuur van het vuur op zichzelf oorzaak van de voeding en de groei is; immers het blijkt het eenige van de lichamen of elementen dat vanzelf gevoed wordt en groeit en dus zou men ook bij de planten en de dieren daaraan die werking moeten toeschrijven. Echter is het wel in zekeren zin medeoorzaak, maar niet eenvoudig oorzaak, wat veeleer de ziel is; want de groei van het vuur gaat onbepaald door zoolang er brandstof is, maar alle natuurlijk samengestelde lichamen hebben een grens en bepaling van grootte en wasdom; dit zijn dingen van de ziel maar niet van vuur en veeleer van begrip dan van stof.

402a1—22. Voortreffelijkheid der zielkunde boven andere studieën doordat de ziel overgang vormt tusschen de waarheid in ’t algemeen en de natuur. Haar onderwerp in ’t algemeen. Hare moeilijkheid omdat met het onderwerp tevens de methode van wijsgeerig onderzoek en de grondslagen van het onderzoek moeten gevonden worden.

402a. Als wij het weten iets schoons en kostbaars achten en de eene wetenschap meer dan de andere of door hare nauwkeurige methode of omdat haar onderwerp beter en belangwekkender is, stellen wij met recht om beide redenen de zielkunde voorop. De kennis der ziel zal ook voor alle waarheid veel bijdragen en voornamelijk voor de (kennis der) natuur; want de ziel is, zoo te zeggen, het principe1der levende wezens. Wij zoeken hare natuur en wezen te leeren kennen en dan verder hare eigenschappen; sommige daarvan denkt men zich als aan de ziel op zich zelf eigen, andere zullen door haar ook aan ’t levend geheel behooren. t Is in alle opzichten allermoeilijkst eenige zekere kennis omtrent haar te erlangen. Want daar de vraag omtrent het wezen ook voorkomt in vele andere gevallen, zou men allicht denken aan één methode voor alles, waarvan wij het wezen willen leeren kennen—zooals afleiding[36]geldt voor de tot het wezen behoorende eigenschappen2—en dan zou men dus die methode moeten zoeken. Wanneer de eene en algemeene methode betreffende het wezen ontbreekt, wordt de behandeling nog moeilijker, want dan zal men de voor elk geval geldige manier moeten krijgen. En als het blijkt of die afleiding is of ontleding3, of ook eenige andere methode, brengt de vraag nog moeilijkheden en dwalingen genoeg, waarvan het onderzoek moet uitgaan; want de elementen van verschillende dingen zijn verschillend, zooals van getallen en vlakken4.

402 a 23—b 16. Algemeene vragen: 1. Tot welke derkategorieënbehoort de ziel? 2. Is zij mogelijkheid of werkzaamheid. 3. Gedeeld of ondeelbaar? 4. Zijn alle zielen gelijksoortig? Zoo niet, geldt het onderscheid het geslacht of alleen de soort? 5. Is er één algemeene bepaling voor ziel, levend wezen en dergelijke algemeenheden? 6. Als de ziel gedeeld is, moet men beginnen met het geheel of met de deelen? 7. Hoe onderscheiden zich de deelen? 8. Moet men eerst de werking der deelen onderzoeken en nog eerder hun voorwerpen?

Vooreerst zat men wel moeten bepalen tot welke kategorie5de ziel behoort, tot die der substantie, der[37]hoedanigheid, der hoeveelheid of tot een andere der onderscheidenkategorieën. Voorts—wat niet weinig verschilt—of zij aanleg is dan veeleer een zekere werkzaamheid6. 402b. Ook moet men nagaan of zij deelbaar of ongedeeld is en of alle ziel gelijksoortig is of niet; en zoo niet, of zij dan naar soort of naar geslacht onderscheiden zijn. Wie immers nu wetenschappelijk spreken over de ziel, lijken alleen de menschelijke ziel na te gaan.

Wij dienen er op te letten, evenals bij andere algemeene begrippen, of van de ziel één definitie geldt, zooals van levend wezen, dan of die met elke ziel wisselt, zooals van paard, hond, mensch en god, terwijl dan het levend wezen in ’t algemeen niets meer is dat een abstractie7.

Verder als er niet van meerdere zielen sprake kan zijn, maar van deelen (van ééne), of men ’t onderzoek beginnen moet met de heele ziel of met de deelen. Ook is het moeilijk te bepalen wat het verschil is tusschen de deelen onderling en of men eerst de deelen moet na gaan of hun verrichtingen bijv. het denken of den geest, het waarnemen of het waarnemingsvermogen enz.8. Zoo men moet beginnen met de verrichtingen, dan zou men weer kunnen vragen of men niet nog eerder de objecten moet nagaan bijv. het waarneembare vóór het waarnemingsvermogen en de denkbaarheid vóór den geest.[38]

402 b 16—403 a 2. (Want verrichting en voorwerp kunnen het wezen doen kennen). Men kan door het wezen de eigenschappen onderzoeken of omgekeerd steunen op de ervaring der eigenschappen voor de bepaling van het wezen en de bepaling van het wezen (aanvang van het bewijs) die niets omtrent de eigenschappen leert, is zinledig.

Blijkbaar is niet slechts de kennis van het wezen van nut tot het begrijpen van de gronden van de eigenschappen der dingen—zooals in de wiskunde het begrip van het rechte en kromme of van lijn en vlak tot het inzicht aan hoeveel rechten de hoeken van den driehoek gelijk zijn—maar omgekeerd strekken ook de eigenschappen grootelijks tot de kennis van het wezen; want wanneer wij uit de voorstelling omtrent de eigenschappen, allen of de meesten, rede kunnen staan zullen wij ook het best over het wezen kunnen spreken. 403a. Daar alle bewijs9uitgaat van het wezen, zijn wezensbepalingen die niet tot de kennis der eigenschappen leiden, ja niet eens licht gissingen dienaangaande mogelijk maken, blijkbaar samen niets dan ijdele woord-definities.

403 a 3—b 19. De aandoeningen, ook wel het denken, zijn in verband met de stof; dus houdt de zielkunde verband met de natuurleer. Excurs: onderscheid in de opvatting van het voorwerp tusschen den natuurkundige, den kunstenaar, den wiskundige en den begripskundige.[39]

Betreffende de aandoeningen der ziel kan men onzeker zijn of allen aan het dragende gemeen zijn of dat er ook eenige aan de ziel op zichzelf eigen is; dit is wel noodzakelijk na te gaan, maar niet gemakkelijk. De ziel schijnt in de meeste gevallen niets zonder het lichaam te ondergaan of te doen, als bij toorn, gerustheid, begeerte en gewaarwording in ’t algemeen. Het denken lijkt wel het meest het eigene te zijn, maar indien ook dit voorstelling is of van voorstelling vergezeld moet zijn, kan ook het denken niet zonder lichaam voorkomen. Is nu eenig doen of ondergaan van de ziel haar eigen, dan zou zij gescheiden kunnen worden; is er niets haar eigen, dan is zij niet scheidbaar en gaat het daarmee als met de rechte (lijn) die,als rechtonder andere eigenschappen deze heeft den koperen bol in een punt te raken; het is echter niet het rechte gescheiden dat zoo raakt, immers het is onscheidbaar, daar het altijd met eenig lichaam verbonden is10. Ook alle aandoeningen der ziel lijken het lichaam mede te betreffen, drift, zachtzinnigheid, vrees, medelijden, gerustheid, ook vreugde en liefde en haat, want hun optreden werkt tegelijk op ’t lichaam in. Een teeken hiervan is dat terwijl men soms bij aanwezigheid van krachtige en zich opdringende aandoeningen in ’t geheel niet geraakt wordt of ontstelt,[40]men soms door geringe en zwakke gedreven wordt, wanneer het lichaamtierten in een toestand is als bijtoorn. Nog duidelijker (teeken) is dit, dat zonder dat iets vreeswekkends aanwezig is, de verschijnselen van vrees getoond worden11. Als het zoo is, dan zijn de aandoeningen blijkbaar verhoudingen in stoffelijkheden. Dus moeten de definities zóó luiden, dat bijv. toorn is de inwerking op een bepaald lichaam of lichaamsdeel of vermogen door een bepaalde oorzaak en met een bepaalde strekking. En daarom is het de taak reeds van den natuurkundige de ziel, althans de zoodanige, na te gaan.—De definities van den natuurkundige en den redekundige zullen in elk van deze gevallen verschillen, bijv. toorn zal de een definieeren als streven naar wederkeerige krenking of iets dergelijks, de ander als verhitting van het warme hartebloed. 403b. De laatste geeft het stoffelijke aan, de eerste ’t wezen en het begrip. Want dit is ’t begrip van de zaak, maar dat moet werkelijk worden in een bepaalde stof. Zoo is het begrip van huis dat het is een beschutting tegen ondergang door wind en regen en hitte; de ander noemt het steenen, tichels en hout, de derde noemt het: in deze materialen de vorm12met een bepaalde strekking. Wie van dezen heeft de natuurkundige te heeten? Die de stof behandelt zonder kennis van het begrip of die alleen het begrip behandelt? Veeleer die beiden vereenigt. Hoe dan met elk van de twee anderen? Geen behandelt de van de stof onscheidbare eigenschappen als ongescheiden13,[41]maar de natuurkundige alle doen en lijden van een bepaald lichaam en een bepaalde stof; van die bepaalde stof afziende werkt niet hij, maar ten deele soms de kunstenaar, bijv. de timmerman of de dokter; eveneens het onscheidbare, wat bij wijze van afgetrokkenheid, maar niet aan een bepaald lichaam verbonden gedacht wordt, behandelt de wiskundige, en als gescheiden (het wezen op zichzelf) de metaphysicus. Maar laat ons terugkeeren van deze uitwijding. Wij zeiden dat de aandoeningen der ziel, in zooverre zij eigenschappen heeft als moed en vrees, niet af te scheiden zijn van de stof bij levende wezens en anders zijn dan lijn en vlak.

403b 19—405b 30. De leeringen der vroegeren: de ziel het bewegende, het zichzelf bewegende; Democritus, Leucippus, de Pythagoreërs, Anaxagoras. De ziel uit de elementen, het kennende en waarnemende; Empedocles, Plato. De elementen stoffelijk, onstoffelijk of gemengd, één of meer. Democritus, Anaxagoras, Thales, Diogenes e.a., Heraclitus, Alcmaeon, Hippo, Critias. Samenvatting: de ziel is het bewegende, waarnemende, onstoffelijke, te herleiden tot de elementen, meer of één, uit tegendeelen of een daarvan. Etymologie.

Bij het onderzoek over de ziel is het noodig onder het stellen der verlegenheden, die in den voortgang hun oplossing moeten vinden, de meeningen der voorgangers betreffende de ziel er bij op te nemen om het[42]goede te aanvaarden en hun fouten te vermijden. Wij beginnen het onderzoek met aan te geven wat de ziel naar men zegt van nature ’t meest eigen is. Het bezielde dan onderscheidt zich in twee opzichten voornamelijk van het onbezielde, door beweging en gewaarwording. Deze twee opvattingen ongeveer over de ziel hebben wij ook van de voorgangers geleerd; sommigen dan noemen de ziel het voornamelijk en eigenlijk bewegende. En aangezien zij meenden dat wat zelf niet bewogen werd niet iets anders kan bewegen, vatten zij de ziel op als iets dat bewogen wordt.

404a. Daarom noemt Demokritos haar iets van vuur en warmte, want terwijl er oneindig vele schemen of atomen zijn14, zooals de zoogenaamde stofjes in de lucht, die in de zonnestralen door de vensters zichtbaar worden, noemt hij hun mengeling de elementen van de heele natuur—evenzoo Leukippos—en daaronder de bolvormige vuur en ziel, omdat zulke vormsels het meest door alles heen kunnen dringen en zij de rest bewegen, terwijl ze ook zelf bewogen worden, volgens hun opvatting dat de ziel is wat aan de levende wezens de beweging verschaft. Dat daarom ook de ademhaling het werk van het leven is, want dat terwijl de atmosfeer de lichamen samendringt en de atomen uitperst, die door dat ze zelf nooit in rust zijn aan de levende wezens de beweging verschaffen, er van buiten hulp komt door het binnenkomen van andere dergelijke atomen bij het ademhalen;[43]want dat deze ook de uitstooting van de in de levende wezens aanwezige atomen beletten, het samendringen en verstijven keerende; en dat men leeft, zoolang men dat kan doen. Ook wat de Pythagoreërs zeggen schijnt denzelfde zin te hebben: eenigen van hen zeiden dat de ziel was de stofjes in de lucht, anderen wat deze beweegt. Hierover is gezegd dat zij voortdurend in beweging blijken ook bij volkomen windstilte. Op hetzelfde komen neer die de ziel het zich zelf bewegende noemen; want al deze lijken te meenen dat de beweging het meest eigen is aan de ziel en dat alle andere dingen bewogen worden door de ziel en deze door zichzelf, omdat zij van niets waarnemen dat het beweging geeft of het wordt ook zelf bewogen. Eveneens noemt Anaxagoras de ziel het bewegende en wie anders heeft gezegd dat de geest het heelal heeft bewogen15, evenwel niet geheel zooals Demokritos. Deze immers noemt zonder meer ziel en geest hetzelfde en volgens hem is het ware het verschijnsel, waarom Homerus juist dicht: „Hektor lag buiten denken”16. (IliasΟ245vgl. Odys.κ374). Hij weet dus niet van den geest als een vermogen omtrent de waarheid, maar noemt ziel en geest hetzelfde.

404b. Anaxagoras is hierover minder duidelijk; dikwijls immers spreekt hij van den geest als de oorzaak van de rechte ordening, doch elders noemt hij den geest de ziel, zeggende dat hij in alle levende wezens aanwezig is, groote en kleine, hooge en lage. Echter schijnt[44]niet de als denkend bedoelde geest bij alle levende wezens gelijkelijk aanwezig te zijn, ja niet eens bij alle menschen.

Zij nu die op de beweging van het bezielde het oog richten, vatten de ziel als het meest bewegende; die letten op het kennen en waarnemen der dingen, noemen de ziel de elementen, die er meerdere aannemen, die meerderen, die één aannemen dit eene. Zoo stelt Empedokles de ziel samen uit alle elementen zóó dat elk element ook ziel is, in deze verzen:

„Aarde zien we met aarde en water zien we met waterLucht doet ons godd’lijke lucht en vuur het verdelgende vuur zienLiefde met liefde en met haat aanschouwen we ’t bittere haten.”

„Aarde zien we met aarde en water zien we met water

Lucht doet ons godd’lijke lucht en vuur het verdelgende vuur zien

Liefde met liefde en met haat aanschouwen we ’t bittere haten.”

Op dezelfde wijze stelt Plato in den Timaeus de ziel uit de elementen samen, zeggendedat het gelijke door het gelijke gekend wordt en dat de dingen uit de elementen bestaan17. Een soortgelijke bepaling werd gegeven in de philosophische voordrachten, het levende wezen op zichzelf18samengesteld uit het begrip op zichzelf van het ééne en het begrip van lengte, breedte en diepte en het overige desgelijks. Of nog anders: de geest het ééne, ’t weten de twee—immers met één richting heeft het één eindpunt—het getal van het vlak de meening, dat van het lichaam de gewaarwording, want de getallen[45]werden genoemd deideeënzelf en de bestaansgronden en zij bestaan toch uit de elementen19. De dingen worden deels door den geest, deels door ’t weten, deels door de meening, deels door de gewaarwording beoordeeld en deze getallen zijn deideeënder dingen. Daar nu de ziel ook het bewegende scheen evenals het kennende hebben eenigen hun definitie uit beiden samengevlochten, die de ziel noemden een zichzelf bewegend getal. Er is verschil van opvatting welke en hoevele de principes zijn, vooral tusschen het stellen van stoffelijke of onstoffelijke en de vermenging van de eenen en de anderen. 405a. Wat het aantal betreft, sommigen noemen één principe, anderen meerderen. Hiermee overeenstemmend definieeren zij de ziel, want zij noemen haar niet onbegrijpelijk dát element dat van nature ’t bewegelijke is. Derhalve hebben sommigen verklaard dat de ziel vuur is; immers dit is het fijnste en onstoffelijkste element en het ondergaat beweging en beweegt het andereonmiddellijk. Demokritos geeft nog helderder uiteenzetting waarom beide omstandigheden (van de ziel gelden); de ziel is namelijk volgens hem hetzelfde als de geest en behoort tot de ondeelbare elementen, die dan bewegelijk zijn door hun kleinheid en figuur; van de figuren noemt hij het bewegelijkst het bolvormige en zoodanig is dan de geest en het vuur. Anaxagoras schijnt ziel en geest te onderscheiden, zooals wij boven zeiden, maar in de behandeling zijn beiden bij hem één natuur; toch stelt hij den geest allermeest als ’t principe, als hij namelijk[46]zegt dat van alle dingen alleen de geest eenvoudig, onvermengd en rein is. Kennen en bewegen beiden schrijft hij toe aan hetzelfde principe, als hij zegt dat de geest het Al heeft bewogen. Volgens de overleveringen omtrent hem schijnt ook Thales de ziel als iets bewegends opgevat te hebben, immers hij zeide dat de (magneet)steen een ziel heeft omdat zij ’t ijzer beweegt. Diogenes evenals eenige anderen noemt de ziel lucht, in de meening dat die het fijnste van alles is en principe; en dat daardoor de ziel kent en beweegt, kent in zooverre zij element is en uit haar als oorsprong het overige is, en beweeglijk inzoover zij het fijnste is. Ook Herakleitos zegt dat het principe ziel is, immers ziel noemt hij de uitdamping, waaruit hij het andere vormt; en ’t meest onstoffelijk en steeds vloeiend; en wat bewogen wordt wordt dan volgens hem gekend door wat bewogen wordt. Hij evenals de meesten meenden dat de dingen in beweging zijn. Overeenstemmend met dezen schijnt de meening van Alkmaion over de ziel; hij zegt nl.: dat de ziel onsterfelijk is doordat zij gelijkt op ’t onsterfelijke, en dat dit haar toekomt als altijd bewogen, want dat ook al de goddelijke dingen altijddoor bewogen worden, maan, zon, sterren en de heele hemel. 405b. Sommige groveren, zooals Hippon, hebben de ziel water genoemd; zij lijken tot die overtuiging gekomen doordat aller zaad vochtig is. Immers hij bestrijdt degenen die de ziel bloed noemen, omdat het zaad geen bloed is en het zaad is de ziel in aanleg. Anderen als Kritias, spreken van ’t bloed, meenende dat de gewaarwording het meest aan de ziel eigen is en dat deze aanwezig is door de natuur van het bloed. Alle elementen hebben dus hun[47]verdediger gevonden, behalve de aarde; die heeft niemand tot ziel verklaard, behalve alwie de ziel uit alle elementen samengesteld of alles ziel acht.

Allen ongeveer bepalen de ziel naar drie zijden, beweging, gewaarwording, onstoffelijkheid en elk dier bepalingen houdt verband met de principes. Derhalve stellen zij, die het kennen als bepaling geven, de ziel als een element of als samengesteld uit de elementen, op één na20, onderling overeenstemmend in de opvatting dat het gelijke door het gelijke gekend wordt; want aangezien de ziel alle dingen erkent, stellen zij haar samen uit alle elementen. Die dus één principe en één element aannemen, stellen ook de ziel als één bijv. vuur of lucht; die meerdere principes aannemen, stellen ook een veelheid in de ziel. Anaxagoras alleen noemt den geest onaangedaan en met niets van het andere iets gemeen hebbend. Als hij zoo is, hoe hij dan zal kennen en door welke oorzaak, dat heeft A. niet gezegd noch blijkt het uit wat hij zegt. Zij die in de principes tegenstellingen zien, achten ook de ziel uit de tegenstellingen gevormd; zij die één zijde van de tegenstellingen als principe aannemen bijv. het warme of het koude of iets dergelijks, stellen overeenkomstig de ziel als een daarvan. Zoo dan volgen zij ’t spoor van de woorden: de eenen spreken van ’twarme, omdat daarnaar ook hetlevengenoemd is; de anderen van hetkoude, zeggende dat hetademhalenen deafkoelingaan dezielden naam geeft (ζεῖν-ζῆν ἀναψύχεσθαι, καταψύχω-ψυχή). Dit alzoo is wat ons geleerd is over de ziel met de gronden waarop de meeningen steunen.[48]

406 a 1—407b 26. Heeft de ziel van nature eigen (niet bijkomstige) beweging? Neen, want die vooronderstelt plaats; stelt als mogelijk dwangbeweging en rust, maakt haar tot een element en verplaatsbaar, heft haar bijkomstige beweging op en brengt haar buiten zichzelf. Kritiek vanDemocritusen Plato’s Timaeus. De besproken theorieën behandelen eenzijdig de ziel afgescheiden van het lichaam.

406a. Eerst nu moeten wij de beweging onderzoeken; want misschien is het niet slechts onjuist dat het wezen der ziel zoodanig iets is, dat zichzelf beweegt of kan bewegen, zooals sommigen zeggen, maar is het onmogelijk dat zij beweging heeft. Dat het nu niet noodzakelijk is dat het bewegende zelf bewogen wordt, is vroeger21gezegd. Beweging istweeërlei; alles nl. beweegt òf betrekkelijk òf op zichzelf, het eerste, al wat beweegt doordat het zich in ’t bewegende bevindt, als de schippers, immers hun beweging is niet gelijksoortig met die van het schip; dit toch beweegt op zichzelf, zij doordat ze zich bevinden in het bewegende. Wat uitkomt bij de onderdeelen: want de eigen beweging der voeten is het loopen en zoo ook van de menschen en die hebben de schippers dan niet. Terwijl nu beweging in tweeërlei zin gezegd wordt, onderzoeken wij nu of de ziel op zichzelf beweegt en aan beweging deel heeft. Er zijn vier bewegingen: verplaatsing, verandering, afneming en groei; een of meer daarvan zal de ziel moeten hebben of allen. Is haar beweging geen bijkomstigheid,[49]dan heeft zij haar van nature en heeft zij daarmede ook een plaats; want alle genoemde bewegingen geschieden op een plaats. Is het wezen van de ziel daarin gelegen dat zij zichzelf beweegt, dan is haar beweging geen bijkomstigheid, zooals bij het witte of 3 el lange; ook hierin immers is beweging, maar die is bijkomstig; het lichaam nl. waarmee zij verbonden zijn, beweegt. Zoo is er dan ook van hen geen plaats, zooals van de ziel wèl, als beweging van nature haar deel is. En verder als zij van nature beweegt, zou zij ook door geweld kunnen bewogen worden en omgekeerd. Hetzelfde geldt van de rust; de ziel zou dan plaatsen hebben van natuurlijke of gewelddadige beweging en rust. Maar welke de gewelddadige bewegingen en rust der ziel zijn, dat zal men zich niet licht zelfs maar kunnen verbeelden. Gaat verder de beweging der ziel naar boven, dan moet zij vuur zijn, naar beneden, aarde—want dit zijn de bewegingen van die lichamen—en overeenkomstig is de betrekking tot de tusschenliggende elementen. Voorts daar zij het lichaam blijkt te bewegen, is het aannemelijk dat zij haar eigen bewegingen aan het lichaam meedeelt en dus omgekeerd naar waarheid te zeggen, dat de beweging van het lichaam ook de hare is. 406b. De beweging van het lichaam is plaatsverandering; dus zou ook de ziel op de wijze van het lichaam geheel of gedeeltelijk zich verplaatsen. Is dit mogelijk dan zou zij ook uit en weer in kunnen gaan en bij gevolg zouden de dooden kunnen opstaan. De bijkomstige beweging zou zij van iets anders kunnen ontvangen; zoo wanneer het levend wezen met geweld gestooten wordt. Maar behalve in dier voege moet datgene, welks wezen zelfbeweging is,[50]niet door iets anders bewogen worden, evenmin als het goede op zichzelf of door zichzelf om of door iets anders moet zijn. En van de ziel zou men toch zeggen, dat zij voornamelijk door de waarneembaarheden bewogen wordt, àls zij bewogen wordt. Maar voorwaar ook indien zij zichzelf beweegt, wordt zij toch ook bewogen en daar alle beweging wat bewogen wordt doet uittreden in de beweging, zou de ziel ook uit haar wezen moeten uitgaan22, als zij niet bijkomstig zichzelf beweegt, maar de beweging tot haar eigen wezen op zichzelf behoort. Sommigen zeggen ook dat de ziel het lichaam waarin zij is haar eigen beweging meedeelt, zooals Demokritos in overeenstemming met den blijspeldichter Philippos, die Daidalos de houten Aphrodite laat maken en bewegen doordat hij er kwikzilver ingoot; desgelijks zegt ook Demokritos dat de bewegende ondeelbare bollen doordat ze van nature nooit in stilstand zijn het geheele lichaam meesleepen en bewegen. Wij vragen dan of ditzelfde ook de rust zal veroorzaken. Hoe dat zou gaan, is moeilijk of liever onmogelijk te zeggen. Welbeschouwd schijnt de ziel niet zóó het levend wezen te bewegen maar door iets als bedoeling en gedachte.

Op dezelfde wijs beschouwt ook de natuurleer van den Timaios23de beweging die de ziel aan ’t lichaam meedeelt; door haar eigen beweging beweegt zij het lichaam, waarmede zij verbonden is. Terwijl zij samengesteld is uit de elementen en ingedeeld naar harmonische verhouding, opdat zij aangeboren gewaarwording van harmonie hebbe en het heelal zich harmonisch bewege,[51]heeft (de demiurg) haar rechte baan tot een kring omgebogen en den eenen kring in twee gesplitst hebbende, die bij twee punten verbonden zijn, heeft hij weder den eenen in zeven kringen gesplitst, daar (volgens Plato) de hemelbewegingen die der ziel zijn. 407a. Vooreerst nu is het niet behoorlijk de ziel een grootte te noemen; blijkbaar nl. bedoelt hij met de Alziel zooiets als wat men wel24den geest noemt en niet iets als de gewaarwordende of de begeerende ziel, want hun beweging is geen kringloop; de geest is één en aaneen als het denken en het denken is de gedachten, welke één zijn bij opeenvolging als het getal maar niet als de grootte; daarom is ook de geest niet zóó aaneen, maar óf ondeelbaar óf niet als een grootte aaneen. En hoe ook zal hij denken als hij grootte is? Met eenig deel van zichzelf? Een deel dat grootte heeft of puntsgewijze is, als men een punt ook een deel moet noemen. Gaat het puntsgewijze, dan komt blijkbaar de gedachte nooit tot stand, daar de punten eindeloos zijn; en gaat het met grootte dan zal men dikwijls of eindeloos veel malen hetzelfde denken, maar het blijkt dat het ook eenmaal mogelijk is25. Als voldoende is de aanraking met eenig deel, waartoe is dan kringbeweging noodig of moet er in ’t geheel van een grootte sprake zijn? Wanneer het denken aanraking door den geheelen kring vereischt, wat doet dan de aanraking met de deelen? En verder hoe kan men het gedeelde denken[52]met het ongedeelde of omgekeerd? Het is noodzakelijk dat de geest de gezegde kring is, want de beweging van den geest is het denken, van den kring de draaiing; is nu het denken de draaiing, dan moet de geest de kring zijn welks zoodanigedraaiinghet denken is. Maar wat zal het zijn dat de geest altijd door denkt?—immers dedraaiingduurt altijd door. Maar de gedachten van toegepaste wetenschap hebben grenzen, want zij allen beoogen iets buiten zich; en de theoretische overwegingen hebben eveneens hun grenzen in de redeneeringen, zijnde allen òf definitie òf bewijs; het bewijs nu gaat van een onderstelling uit en heeft op eenige wijze zijn einde in de sluitrede of de gevolgtrekking; en als zij niet afloopen, zoo keeren zij toch niet terug tot het uitgangspunt, maar gaan voorwaarts met toevoeging telkens van middenterm en conclusie; terwijl de draaiing weer tot ’t begin ombuigt. De definities zijn allen begrensd. Gebeurt verder dezelfde draaiing dikwijls dan zal men dikwijls hetzelfde moeten denken. Verder lijkt de gedachte meer op een rust en halt dan op beweging; desgelijks de sluitrede. 407b. Voorzeker is ook niet gelukzalig wat niet gemakkelijk gaat maar met geweld; indien nu de beweging der ziel haar wezen niet is, dan wordt zij tegen haar natuur bewogen26. Bezwaarlijk is het ook (voor den geest) onafscheidelijk gemengd te zijn met het lichaam; ja zelfs verwerpelijk, als het werkelijk voor den geest beter is zonder het lichaam te zijn, zooals Plato pleegt te zeggen, waarmee dan velen instemmen. Onduidelijk blijft ook de oorzaak van de kringbeweging[53]des heelals, want noch is het wezen der ziel oorzaak der kringbeweging, maar die is haar bijkomstig, noch is het lichaam oorzaak, maar veeleer is de ziel oorzaak voor ’t lichaam. En eindelijk ontbreekt ook het bewijs waarom het dienstig is, terwijl toch de godheid daarom de kringbeweging aan de ziel moest geven omdat het haar dienstiger is te bewegen dan te rusten en zóó te bewegen en niet anders.

Maar daar dergelijk onderzoek in een andere wetenschap meer thuis hoort, willen wij het thans daarlaten. Deze ongerijmdheid deelt Plato’s redeneering met de meesten over de ziel, dat zij n.l. de ziel verbinden met en stellen in het lichaam zonder de bepaling erbij te voegen van de oorzaak (dier verbinding) en van de verhouding van ’t lichaam. En dat mag toch een eisch heeten; want door de gemeenschap is het eene werkend, het andere lijdend en wordt het eene bewogen terwijl het andere beweegt en deze verhoudingen gelden nimmer voor onverschillige dingen onderling. Maar zij beproeven alleen te bepalen wat de ziel is, doch geven er verder geen bepaling bij van het lichaam dat de ziel moet opnemen, alsof het mogelijk ware dat naar de verhalen der Pythagoreërs een ziel, welke ook, haar intrek nam in ’t eerste ’t beste lichaam. Neen, elk lichaam moet wel eigen gestalte en vorm27hebben. ’t Is hetzelfde alsof men zeide dat de timmerkunst fluiten betrok; want de kunst moet haar (eigen) werktuigen en de ziel het lichaam gebruiken.[54]

407 b 27—408 a 28. De ziel is geen harmonie, zooals velen gelooven: noch harmonie als samenstelling van deelen noch als de verhouding in de samenstelling. Bezwaren tegen Empedocles, die de ziel uit al de elementen maakt en elk element als verhouding denkt en tevens deφιλία(liefde) oorzaak der verbinding doet zijn, dus iets buiten de verbinding zelve. Maar hoe dan te denken over de scheiding van ziel en lichaam?

Ook is een andere meening geleerd over de ziel die bij velen niet minder geloof vindt dan eenige andere der behandelden en die ook in de tot gemeen goed gemaakte besprekingen28een soort van proces heeft doorstaan. Men zegt nl. dat zij een zekere harmonie is; dat immers de harmonie een menging en samenvoeging van tegendeelen is en dat het lichaam samengesteld is uit tegendeelen. Evenwel de harmonie is een verhouding van de gemengden of een samenvoeging en de ziel kan geen van beiden zijn. Verder is bewegen geen eigenschap van harmonie en dat schrijven allen wel ongeveer ’t meest aan de ziel toe. Het past meer bij gezondheid van harmonie te spreken en in ’t algemeen bij de lichamelijke deugden dan bij de ziel. Het duidelijkst blijkt (de ongelijkheid) wanneer men zou beproeven het doen en lijden der ziel op een harmonie over te brengen—dat is moeilijk te harmonieeren. Voorts als wij spreken van harmonie in twee gevallen en wel eigenlijk bij de grootheden die beweging en plaats hebben hun samenvoeging zóódanig dat zij niets gelijksoortigs kan opnemen en[55]ten tweede ook de verhouding van de gemengden—nu, dan zijn geen van beide opvattingen (voor de ziel) aannemelijk en die van de harmonische samenvoeging der lichaamsdeelen laat zich al te gemakkelijk weerleggen. Want er zijn vele samenvoegingen der deelen en op vele wijzen; van welk deel of hoe moet men nu aannemen dat de geest een samenvoeging is of de gewaarwording of de begeerte? Even ongerijmd is de meening dat de ziel de verhouding van de menging is; want de verhouding bij de vermenging der elementen is niet dezelfde voor vleesch en been. Waaruit volgt dat men vele zielen zal hebben en door het heele lichaam heen, als alles bestaat uit het mengsel der elementen en de verhouding der menging harmonie en ziel is. Hierover zou men ook Empedocles rekenschap kunnen vragen, die zegt dat elk der deelen naar een bepaalde verhouding (der elementen) ingericht is; is nu de verhouding de ziel of komt deze als iets nieuws in de deelen? Is verder de liefde de oorzaak van onverschillig welke menging of van die naar de juiste verhouding? En is deze de verhouding of iets anders daarnevens? Dat alles zijn daarbij verlegenheden. En als de ziel iets anders dan de menging is, waarom wordt zij dan vernietigd met het bestaan van het vleesch en van de andere deelen van het levend wezen? Bovendien indien niet ieder der deelen een ziel heeft, en indien de ziel niet is de verhouding der menging, wat wordt dan eigenlijk vernietigd als de ziel weg gaat?

408 a 29—b 29. Van beweging der ziel spreekt men minder juist, wanneer het juiste is lichamelijke beweging[56]van haar uitgaande of tot haar strekkende, als bij gewaarwording of herinnering; de werkzaamheid ook van den geest lijdt van ziekte en ouderdom, dus van ’t lichamelijke, maar de geest zelf is een zelfstandigheid.

Uit het gezegde nu blijkt dat de ziel onmogelijk harmonie kan zijn noch kringbeweging kan hebben. Wel kan zij, zooals gezegd is, bijkomstig bewogen worden en zichzelf bewegen, zoo b.v. dat datgene bewogen wordt, waarin zij is en wel door de ziel bewogen wordt, anders is ruimtelijke beweging voor haar onmogelijk. 408b. Met meer grond zou men over hare beweging kunnen redekavelen uit dergelijke overwegingen, dat men zegt dat de ziel smart en vreugde ondervindt, gerust is of vreest, voorts toornig wordt, waarneemt en denkt; want dat alles zullen bewegingen zijn. En dus zou men meenen dat zij bewogen wordt, maar dat is niet noodzakelijk. Want al zijn ook werkelijk smart, vreugde en denken bewegingen en is elk daarvan bewogen worden, bewogen worden door de ziel—b.v. toornig worden of vreezen zulk een beweging van het hart, denken (beweging) van dit wellicht of van iets anders—en gebeurt dit bij eenige ervan door verplaatsende beweging, bij anderen door verandering van hoedanigheid (bij welke en welke verandering is hier niet de vraag); dan is het zeggen dat de ziel toornig wordt, zoo, alsof men zeide dat de ziel weeft of bouwt. Het lijkt wel beter niet te zeggen dat de ziel medelijden heeft of leert of denkt, maar de mensch met zijn ziel en wel omdat de beweging niet in haar is, maar soms tot aan haar, soms van haar uit b.v. de gewaarwording van deze voorwerpen hier uitgaande tot[57]aan haar, de herinnering van haar uit naar de bewegingen of stilstanden in de zintuigen. De geest schijnt (in den mensch) te zijn een zelfstandigheid, die onvernietigbaar is. Anders moest hij vooral vernietigd worden door de verduistering in den ouderdom; doch denkelijk geldt hier hetzelfde als bij de zintuigen; als de grijsaard eens zúlk een oog kreeg, dan zou hij kunnen zien als een jongeling. Alzoo heeft de ouderdom niet tot oorzaak eenig ondervinden van de ziel, maar van ’t lichaam waarin zij is, zooals bij dronkenschap en ziekte. Zoo kwijnt dan het denken en studeeren doordat iets anders inwendig afbreuk lijdt, maar zelf is het onaantastbaar. Het denken, beminnen en haten tasten niet den geest aan, maar dat bepaalde, dat hem bevat in zoover het hem bevat. Gaat daarom dat (bevattende) te loor, dan houdt herinneren29en beminnen op; want die behoorden niet aan den geest, maar aan het geheel, dat verloren is. De geest echter lijkt wel iets goddelijkers en onaangedaan.

408 b 30—409 b 18. (Xenokrates’) leer der ziel als zelfbewegend getal.

Uit deze beschouwingen dus blijkt dat het niet mogelijk is dat de ziel bewogen wordt en als zij in ’t geheel niet bewogen wordt, dan natuurlijk ook niet door zich zelf. Verreweg het ongerijmds van de beweringen is die, dat de ziel een zichzelf bewegend getal is; want wie dat zeggen hebben vooreerst de onmogelijkheden die uit de beweging voortkomen en dan nog bizondere uit de stelling dat zij getal is. Hoe toch moet men denken[58]een eenheid, die bewogen wordt, door wat en hoe, daar zij ongedeeld en ononderscheiden is? Is zij immers bewegend en bewogen dan moet er onderscheid in zijn. En dan: aangezien naar men zegt de beweging van een lijn een vlak, die van een punt een lijn maakt, zoo zullen ook de bewegingen van de eenheden lijnen zijn; het punt is nl. een eenheid met plaats en het getal van de ziel is dan zeker ergens en heeft een plaats. Verder: als men van een getal een getal of een eenheid aftrekt, dan blijft er een ander getal over; maar de planten en vele dieren blijven na verdeeling leven en blijken dan soortelijk dezelfde ziel te houden. Men zou ook evengoed als van eenheden kunnen spreken van molekels; want als men de bolletjes van Demokritos terugbrengt tot punten, zoodat slechts de veelheid blijft, moet daarin zijn het onderscheid van bewegen en bewogen worden evenals in het aaneengesloten geheel; dat onderscheid immers hangt niet samen met het verschil van grootte of kleinheid, maar het is er om het aantal. Dus moet er iets zijn dat de eenheden bewegen kan. Wanneer nu in het levend wezen het bewegende de ziel is, dan is zij het ook in het getal en dus zou de ziel niet zijn het bewegende en wat bewogen wordt, maar alleen het bewegende. Hoe kan dat dan een eenheid zijn? Er moet dan toch een onderscheid zijn tusschen haar en de andere (eenheden). En welk onderscheid kan een eenheid-punt hebben behalve van plaats? Zijn nu de punten in het lichaam verschillend van de eenheden, dan zullen de eenheden op dezelfde plaats zijn (met de punten); want elke zal de plaats van een punt innemen. Echter wat belet dat, zoo er twee, dan ook[59]eindeloos vele opdezelfdeplaats zijn? Want dingen wier plaats ongescheiden is, zijn zelf ook ongescheiden. En indien de punten in ’t lichaam het getal van de ziel zijn of indien het getal van de punten in ’t lichaam de ziel is, waarom hebben dan niet alle lichamen een ziel? Punten moeten er toch in allen zijn en wel eindeloos vele. En dan hoe is het mogelijk dat de punten gescheiden en afgescheiden worden van ’t lichaam, terwijl toch niet de lijnen zich laten verdeelen in punten?

Zooals gezegd is, stemmen zij eenerzijds overeen met hen die de ziel iets fijns lichamelijks noemen, anderzijds is er een bizondere ongerijmdheid doordat zij als Demokritos de beweging laten uitgaan van de ziel.

409b. Want daar toch de ziel in het geheele gewaarwordende lichaam is, moeten er twee lichamen op dezelfde plaats zijn, als de ziel een lichaam is; die de ziel een getal noemen, moeten aannemen dat in het eene punt vele punten zijn of dat elk lichaam een ziel heeft, wanneer niet het er in zijnd getal verschillend is en iets anders dan het getal van de in de lichamen zijnde punten. Ook is een gevolgtrekking dat het levend wezen bewogen wordt door het getal, zooals wij zeiden dat ook Demokritos het laat bewegen; want welk verschil maakt het te spreken van kleine bolletjes of groote eenheden of in ’t geheel van bewegende eenheden? Op beide wijzen toch is noodzakelijk de beweging van ’t levend wezen door hen veroorzaakt doordat zij bewogen worden. Die dus beweging en getal samenvlechten leiden tot die en vele dergelijke gevolgen. Zoo iets kan immers niet slechts geen definitie van de ziel zijn, maar zelfs geen bijkomstigheid. Dit blijkt als men zou beproeven op grond van[60]die bewering rekenschap te geven van ’t lijden en doen van de ziel, b.v. van redeneeringen, gewaarwordingen, vreugden, smarten enz. Immers die beweringen geven, zooals wij vroeger zeiden, niet eens licht grond tot gissingen30.

409 b 19—410 b 15. De ziel, hetwaarnemende, uit de elementen, zóó dat het gelijke het gelijke waarneemt. Bezwaren tegen deze theorie en tegen Empedokles.

Drie wijzen zijn geleerd waarop men de ziel definieert: als ’t bij uitstek bewegende doordat zij zich zelf beweegt; als het fijnste of meest onlichamelijke lichaam; de moeilijkheden en tegenspraken die zich hierbij voordoen hebben wij in hoofdzaak besproken en er blijft over na te gaan hoe het staat met de bewering dat de ziel uit de elementen bestaat. Dat zegt men, opdat zij de dingen zal waarnemen en elk ding zal kennen, maar vele onmogelijkheden[61]volgen uit die redeneering noodzakelijk. Men stelt n.l. dat het gelijke het gelijke kent, de ziel als ’t ware de dingen noemende. Maar dat zijn niet alleen deze (de elementen) maar nog vele anderen of liever tallooze die er uit samengesteld zijn. Toegegeven dat de ziel kent en waarneemt de elk ding samenstellende elementen; waardoor zal zij echter het geheel kennen of waarnemen, b.v. god, mensch, vleesch of been en desgelijks elk ander samenstel? Want ieder daarvan is niet uit de elementen willekeurig, maar in een bepaalde verhouding en samenstelling, zooals Empedokles omtrent gebeente zegt: „De vriendelijke aarde nam in den ruimen smeltkroes twee achtste deelen glanzend vocht en vier deelen Hephaestus: zoo ontstonden de witte beenderen”31.

Het helpt dus niets dat de elementen in de ziel zijn, indien niet ook de verhoudingen en de samenvoeging er in zijn; elk element immers zal het gelijke erkennen, maar niets het gebeente of den mensch, zoo niet deze ook er in zijn—onmogelijkheid die geen betoog behoeft; want wie kan twijfelen of er in de ziel een steen of mensch is? Evenzoo zal niets het goede en ’t omgekeerde erkennen; en zoo ook met ’t andere. Verder wordt er van het zijnde in vele beteekenissen gesproken: als substantie, hoeveelheid, hoedanigheid of eenige andere der onderscheiden kategorieën; zal nu de ziel uit allen bestaan of niet? Maar het blijkt niet dat er elementen zijn die aan alle kategorieën gemeenschappelijk zijn. Dan alleen uit de substantie-elementen? Hoe kent zij[62]dan al het andere? Of zal men aannemen dat er van elke kategorie eigen elementen en principes zijn en dat de ziel daaruit bestaat? Dan zal er hoeveelheid, hoedanigheid en substantie (in) zijn. Maar het is onmogelijk dat uit hoeveelheids-elementen een substantie, niet een hoeveelheid is. Die dus de ziel uit alle elementen samenstellen treffen deze en meer dergelijke bezwaren. Het is ook ongerijmd te zeggen dat het gelijke onaandoenlijk is voor het gelijke en dat het gelijke het gelijke waarneemt en door het gelijke het gelijke kent, terwijl men het waarnemen een lijden en bewogen worden noemt en desgelijks het denken en kennen. Van de vele verlegenheden en moeilijkheden die het geeft om met Empedokles te zeggen dat alle dingen door de stoffelijke elementen gekend worden, en bovendien het gelijkedoor het gelijke, is één aanwijzing wat nu gezegd wordt: alles nl. wat in de lichamen der levende wezens zonder meer aarde is, als gebeente, spieren, haren, blijken niets waar te nemen en dus ook niet het gelijke, wat toch behoorde. Bovendien zal elk der elementen meer onkunde dan begrip hebben; want elk zal één ding kennen maar vele dingen niet kennen nl. al de andere. Empedokles moet besluiten dat de godheid het onwijst is; hij toch alleen kent één element, de strijd32niet; wel alle sterfelijke dingen, die immers uit alle elementen bestaan. Waarom in ’t geheel hebben niet alle dingen een ziel, daar elk ding of een element is of uit een of meer of alle elementen bestaat, zóó dat het een of eenige of alle[63]dingen moet kennen? Ook zou men de vraag kunnen opwerpen wat het wel is dat in de elementen de eenheid maakt; want zij gelijken de stof en dat samenhoudende, wat het ook zij, is het krachtigste; maar het is onmogelijk dat er iets krachtigers zou zijn dan de ziel of dat voorgaat; nog onmogelijker dan de geest; die moet redelijkerwijze de eerste en heerschend uitteraard zijn; maar zij zeggen dat de elementen de eersten der dingen zijn.

410 b 16—411 a 23. Deze opvatting omtrent de ziel en die van de ziel als het bewegende omvatten niet alle ziel noch eenige in haar geheel; bij beperking van de eerste tot denken en waarnemen evenmin. Bezwaren tegen de Orphische leer omtrent de ziel als deel van de Alziel door inademing opgenomen. De ziel behoeft om te kennen niet uit alle elementen te bestaan, maar slechts uit de eene helft der tegengestelde. Thales’ Alziel.

Allen zoowel die zeggen dat de ziel uit de elementen is om het kennen en gewaarworden van de dingen, als die haar het allerbewegelijkste noemen, spreken niet over elke ziel. Want eensdeels is niet al wat gewaarwordt bewegend;33aangezien sommige levende wezens aan hun plaats gebonden blijken; en toch geeft de ziel wel deze beweging in ’t bizonder aan het levende wezen. ’t Zelfde geldt van wie den geest en het gewaarwordingsvermogen uit de elementen doen bestaan; want het blijkt dat de planten leven zonder beweging en waarneming en dat vele dieren geen verstand hebben.[64]Als men dit ook zou toestaan dat men den geest en desgelijks het waarnemingsvermogen een deel van de ziel noemt, dan spreken zij toch niet gemeenschappelijk over alle ziel noch over eenige in haar geheel. Dit geldt ook van de opvatting in de zoogenaamde Orphische verzen: dat de ziel uit het heelal intreedt bij het ademhalen, gedragen door de winden. Dan kan dit niet uitkomen voor de planten en voor eenige dieren, daar niet allen ademhalen; maar dit hebben zij, die zoo meenen, niet opgemerkt. En als men de ziel uit de elementen moet doen bestaan, behoeft het geenszins te zijn uit alle; want van de tegendeelen is de eene helft voldoende om zichzelf te beoordeelen en het tegendeel. Immers door het rechte kennen wij dit zelf en het kromme, want over beiden oordeelt het richtsnoer, maar het kromme noch over zich zelf noch over het rechte. Ook zeggen sommigen dat de ziel in het heelal gemengd is, van waar misschien ook Thales meende dat alles vol van goden was. Dit baart eenige verlegenheden; waarom toch maakt de ziel in de lucht of het vuur geen levend wezen, maar wel in de mengselen en dat nog wel als zij in de eersten beter moet zijn? Verder zou men moeten vragen waarom de ziel in de lucht beter en onsterfelijker is dan die in de levende wezens. In beide gevallen komt men tot iets ongerijmds en onredelijks; immers het vuur of de lucht een levend wezen te noemen is erg onredelijk en geen levende wezens aan te nemen als de ziel er in is, is ongerijmd. Het schijnt dat zij meenen dat de ziel in deze (elementen) is, omdat het geheel gelijksoortig is met de deelen; zoodat zij ook moeten zeggen dat de ziel gelijksoortig is met haar deelen, als[65]de levende wezens bezield worden doordat een deel van de atmosfeer in hen afgezonderd wordt. Maar als de lucht na verdeeling gelijksoortig en de ziel ongelijksoortig van deelen is, zal er blijkbaar iets van haar aanwezig zijn en iets anders niet. Alzoo moet de ziel óf gelijksoortig van deelen zijn of niet in elk willekeurig deel van ’t geheel daar zijn.

411 a 24—b 30. Kritiek van de leer der soortelijk onderscheiden zielsdeelen. De ziel blijft één na verdeeling van het lichaam bij planten en sommige insecten; die ziel is dan het principe dat planten en dieren gemeen hebben.

Uit het gezegde blijkt dus dat het kenvermogen der ziel niet tot grond heeft dat zij uit de elementen bestaat en dat van een beweging der ziel niet goed of waar gesproken wordt. Daar nu het kennen tot de ziel behoort en het gewaarworden en meenen en verder het begeeren en willen en de neigingen in ’t geheel en ook de plaatselijke beweging voor de levende wezens uit de ziel voortkomt en bovendien groei, rijpheid en neergang, komt de vraag op of dit alles tot de heele ziel behoort, of wij met de heele ziel denken, gewaarworden, bewegen en al ’t andere doen en lijden of dat er verschillende deelen met verschillende werking zijn? 411b. En het leven eindelijk, ligt dat in een van de deelen of in meer of in allen of heeft het nog een anderen grond? Sommigen dan zeggen dat de ziel deelen heeft en dat een deel denkt, een ander begeert. Wat is het dan toch wel, dat de ziel samenhoudt als zij gedeeld is? Toch wel niet het lichaam; omgekeerd zal veeleer de ziel het lichaam samenhouden; immers als de ziel uitgetreden[66]is, „verwaait en vergaat”34het lichaam. Als dus iets anders haar één maakt, dan is dàt eigenlijk de ziel en daarvan zal men weer moeten vragen of het één of meerledig is. Is het één, waarom dan niet van ’t begin af ook de ziel één? Is het gedeeld, dan moet de redeneering weer naar het samenhoudende daarvan vragen en gaat zij zoo voort in ’t eindelooze. Men zou ook kunnen vragen omtrent de deelen der ziel, welk vermogen elk deel in het lichaam heeft. Immers indien de heele ziel het geheele lichaam samenhoudt, moet ook elk deel een deel van het lichaam samenhouden. Dat lijkt iets onmogelijks; welk deel toch de geest samenhoudt of hoe, valt moeilijk zelfs te verzinnen. Het blijkt ook dat de planten bij verdeeling leven en onder de dieren eenigeinsecten, zóó dat de deelen dezelfde ziel hebben soortelijk, ofschoon niet numeriek; want elk van de helften hebben gewaarwording en plaatselijke beweging een tijd lang. Dat het niet blijvend is, is niet vreemd; want zij hebben niet de organen om hun wezen te handhaven. Maar desniettemin hebben elk der helften alle deelen van de ziel en de deelzielen zijn soortgelijk onderling en met de geheele ziel, tegenover elkaar als of zij (de deelzielen) niet zelfstandig zijn, tegenover de geheele ziel zóó dat die deelbaar is. Ook lijkt het principe in de planten een soort ziel; want dit alleen is gemeenschappelijk aan dieren en planten en het bestaat gescheiden van het principe der gewaarwording, maar niets heeft gewaarwording zonder dit principe.

Einde van boek I.[67]

411 b 31—412 b 9. Algemeene definitie: de ziel is de eerste (voorloopige) werkelijkheid van een natuurlijk bewerktuigd lichaam. Deze werkelijkheid is de ware eenheid van ziel en lichaam.

412a. Wat de vroegeren omtrent de ziel geleerd hebben, daaromtrent volsta het gezegde; laat ons als van ’t begin af terugkeeren en trachten de ziel te bepalen en de algemeenste definitie er van op te geven. Wij noemen dan een kategorie der dingen de substantie en van deze spreken wij eenerzijds als stof, wat op zichzelf niet iets bepaalds is, anderzijds als vorm en gestalte, naar welke eerst van iets bepaalds sprake is; als derde noemen we wat uit beiden voortkomt. De stof is mogelijkheid, de vorm werkelijkheid35en dat in tweevoudigen zin, deels zooals de kennis, deels zooals het studeeren. Substanties in den eigenlijksten zin zijn de lichamen en van deze de natuurlijke; want die zijn de Principes van de anderen. De natuurlijke lichamen zijn levend of levenloos; leven is zelfonderhouding, groei en afname. Dus is elk natuurlijk, levend, lichaam substantie en wel als de samengestelde. Daar nu ook van een zoodanig geheel, nl. een levend lichaam, sprake is, is het niet het lichaam dat de ziel is; want het lichaam is geen op een voorondersteld iets betrokken zijn, maar verhoudt zich veeleer als vooronderstelde en stof. Derhalve moet de ziel substantie zijn als vorm van een natuurlijk lichaam, dat naar mogelijkheid leven heeft. Die substantie is werkelijkheid. De ziel is dus van een zoodanig lichaam de werkelijkheid. Deze is tweevoudig, deels zooals de kennis,[68]deels zooals het studeeren. Blijkbaar dus zooals de kennis; want in ’t aanzijn van de ziel is én slaap én waken; het waken is overeenkomstig met het uitoefenen, de slaap met het bezitten zonder werkzaamheid; als verschijnsel is bij den enkeling de kennis voorafgaand. Derhalve is de ziel de eerste werkelijkheid van een natuurlijk lichaam dat naar mogelijkheid leven heeft. Een zoodanig lichaam is dat, wat bewerktuigd is. Organen zijn ook de deelen der planten, maar gansch eenvoudige: zoo is het blad omhulsel van de vruchtwand, de vruchtwand van de vrucht; de wortels zijn overeenkomstig met den mond, want beiden nemen het voedsel op. 412b. Moet men dus een voor alle ziel gemeenschappelijke definitie geven dan is zij de eerste werkelijkheid van een natuurlijk, bewerktuigd, lichaam. Daarom moet men ook niet vragen of de ziel en het lichaam één is, evenmin als van de was en de figuur of in ’t algemeen van de stof van elk ding en datgene waarvan de stof grondslag is. Want terwijl men van „één” en „zijn” spreekt in verscheiden zin, is het eigenlijke de werkelijkheid.

412b 10—413 a 10. De ziel het wezen van het lichaam, als het gezicht het wezen van het oog en de gewaarwording van het heele gewaarwordende lichaam. Het naar mogelijkheid levende is niet het doode, noch is de ziel meer dan in aanleg het werkzame. Scheiding van ziel en lichaam. Ziel en lichaam als schipper en schip?

Wat nu de ziel is, is in ’t algemeen gezegd nl. substantie naarhet begripbeschouwd. En dat ishet wezenvoor het bepaald lichaam. Stel dat een werktuig b.v. een bijl een natuurlijk lichaam was, dan zou immers het[69]bijlwezen zijn substantie zijn en de ziel zou dàt zijn; van deze gescheiden zou het alleen nog in naam een bijl zijn. Maar nu is het een bijl; immers niet bij een zoodanig lichaam is het wezen en het begrip de ziel, maar van een bepaald natuurlijk lichaam dat het principe van beweging en rust in zichzelf heeft. Men moet het gezegde ook bij de onderdeelen nagaan. Als ’t oog een levend wezen was, dan zou ’t gezicht daarvan de ziel zijn, want dat is de substantie van ’t oog naar het begrip beschouwd. Het oog is de stof van het gezicht; ontbreekt dit dan is het geen oog meer behalve in naam, als ’t steenen oog of ’t geschilderde. Wat nu van ’t deel geldt moet men toepassen op ’t geheele levende lichaam; want zooals ’t deel (van ’t gewaarworden) staat tot ’t (lichaams)deel, zoo de geheele gewaarwording tegenover het heele gewaarwordende lichaam als zoodanig. Niet wat de ziel verloren heeft, heeft naar mogelijkheid de strekking tot leven, maar wat de ziel heeft; het zaad en de vrucht is naar mogelijkheid het bepaalde lichaam. 413a. En zooals het snijden en het aanschouwen, zoo is ook het waken de werkelijkheid, zooals het gezicht en de kracht van het werktuig, de ziel; en het lichaam is het naar mogelijkheid zijnde; maar zooals het oog de pupil mét het gezicht is, zoo hier een levend wezen de ziel mét het lichaam. Dat nu de ziel niet gescheiden is van ’t lichaam, of als zij deelbaar is, deelen van haar, is duidelijk; want van eenige (zielsdeelen) is de werkelijkheid bij de deelen (des lichaams) zelf behoorend; niets intusschen belet de scheiding bij sommige deelen, doordat die geen werkelijkheid van eenig lichaam zijn. Bovendien is nog niet duidelijk of niet de ziel zóó[70]de werkelijkheid des lichaams is als de schipper van een schip. Zoo nu moeten in ’t algemeen de bepalingen en omtrekken van de ziel zijn.

413 a 11—414 a 3. Eisch voor de ware definitie: zij moet van de ervaring tot het begrip voeren. De ziel is het kenmerk van het leven. Het leven is op zijn minst zelfonderhoud, groei en afname, als bij de planten; bij de dieren komt er gewaarwording bij en daarvan allereerst de tastzin; beiden om nader te bespreken reden. De vermogens en hun onderdeelen bestaan trapsgewijze, de verderen niet zonder de eersten. Bij verdeeling van planten en insecten blijft de ziel één met hare vermogens; die zijn dus niet zelfstandig, behalve misschien het denkvermogen. Alleen in begrip zijn de vermogens te scheiden.

Daar uit het meer bekende maar dat onduidelijk is voortkomt het duidelijke en wat naar ’t begrip meer kenbaarheid heeft, moeten wij weer beproeven op die wijs haar wezen na te gaan; immers de definitie moet niet alleen het „dat” uitdrukken, zooals de meeste definities doen, maar moeten ook de oorzaak inhouden en doen blijken. Nu lijken de definities wel conclusies van de sluitredenen b.v. kwadraatmaken is het maken van een gelijkzijdige rechthoek gelijk aan een ongelijkzijdigen. Zulk een definitie is de conclusie van de sluitrede; maar de (def.) die kwadraatmaking noemt het vinden van een gemiddelde noemt de oorzaak van de zaak. Als uitgangspunt van het onderzoek dan nemen wij dat het bezielde van het onbezielde onderscheiden is door het leven. Wanneer van de meerdere opvattingen die het woord[71]leven heeft er maar één in het ding aanwezig is, zeggen wij dat het leeft, zooals verstand, gewaarwording, plaatselijke beweging en rust, ook inwerking door voeding en afname en groei. Daarom spreekt men ook van leven bij alle planten; immers die blijken in zich een vermogen en principe te hebben zoodanig dat zij afnemen en aangroeien in de tegengestelde richtingen; want niet naar boven alleen groeien zij en niet naar onder, maar gelijkelijk in beide richtingen en overal heen voeden zij zich en leven voortdurend, zoolang zij voedsel kunnen nemen. Dit vermogen kan van de anderen afgescheiden worden, de anderen niet hiervan in de sterfelijke wezens. Dit blijkt bij de gewassen, die geen ander zielsvermogen hebben. 413b. Het leven nu bezitten de levende wezens door dit principe, maar met de gewaarwording eerst is er sprake van het dier: immers ook wat zich niet beweegt noch van plaats verandert, maar gewaarwording heeft, noemen wij dier en niet slechts levend wezen. Van gewaarwording bezitten allereerst allen tastzin. Zooals het voedingsvermogen kan afgescheiden worden van den tastzin en alle gewaarwording, zoo de tastzin van de andere gewaarwordingen. Het voedende noemen wij het zoodanige deel van de ziel, dat ook de gewassen toekomt; al de dieren blijken den tastzin te bezitten; door welke oorzaak het eene en het andere zoo is, zal later ter sprake komen.

Nu willen wij ons hiertoe bepalen, dat de ziel van de genoemde vermogens de bron is en zich daarnaar onderscheidt als ’t voedende, gewaarwordende, denkende en de beweging. Of elk daarvan ziel of deel der ziel is, en zoo deel, scheidbaar alleen in begrip of ook in plaats, dat is betreffende[72]sommigen dier vermogens niet moeilijk te zien, maar eenigen geven bezwaar. Zooals immers bij de planten eenigen bij verdeeling blijken te leven, gescheiden van elkaar, en de ziel dus daarin in werkelijkheid één is in elke plant, maar is mogelijkheid meervoudig, hetzelfde zien wij in andere onderscheidingen van de ziel gebeuren bij de gelede dieren als zij doorgesneden worden; immers elk van beide deelen heeft gewaarwording en plaatselijke beweging en met gewaarwording immers ook voorstelling en streven; want waar gewaarwording is, is ook smart en vreugde en waar deze zijn is noodzakelijk ook begeerte. Wat den geest betreft en het denkvermogen is nog niets gebleken, maar het lijkt een ander soort van ziel te zijn en dit alleen kan afgescheiden bestaan als het eeuwige afgescheiden van het vergankelijke. De overige deelen van de ziel zijn, zooals uit het gezegde blijkt, niet afscheidbaar, gelijk sommigen36zeggen, maar wèl verschillend volgens het begrip; want gewaarwording hebben en vermogen tot oordeelen is verschillend, daar toch gewaarworden verschilt van oordeelen. En hetzelfde geldt van elk van de andere genoemde vermogens. En verder hebben eenige der levende wezens al deze vermogens, sommige sommigen er van en eenigen slechts één—en hierin zal het onderscheid tusschen de levende wezens gevonden worden—; de oorzaak hiervan moeten wij later nagaan. 414a. Hetzelfde geldt voor de gewaarwordingen; sommigen bezitten allen, anderen eenigen, anderen alleen de noodzakelijkste, den tastzin.[73]

414 a 4—28. De ziel, als eigenlijke bron van het leven, is vorm, niet stof en vorm van een bepaald lichaam, zooals de vorm in ’t algemeen een eigen stof vooronderstelt.

Datgene nu waardoor wij leven en gewaarworden laat zich op twee wijzen bespreken evenals datgene waardoor wij weten (aan de eene kant wetenschap, aan de andere de ziel; want door elk van deze beiden zeggen wij te weten); en evenzeer is datgene, waardoor wij gezond zijn, aan de eene kant gezondheid, aan den anderen een deel of ’t geheel van ’t lichaam. Naardien nu de wetenschap en de gezondheid vorm en gestalte en begrip en om zoo te zeggen werkelijkheid van het opnemende is, de eerste de werkelijkheid van het voorkennis-geschikte, de andere van het op-de-gezondheid-betrekkinghebbende (daar namelijk in het lijdende en aangedane de werkelijkheid van het werkende is) en de ziel datgene is waardoor wij leven en gewaarworden en denken in eigenlijken zin, is dus de ziel een begrip en gestalte, maar niet stof en substraat. Daar substantie, zooals wij zeiden,drieërleibeteekent, eensdeels vorm, anderdeels stof, eindelijk beider samenstel en hiervan de stof mogelijkheid, de vorm werkelijkheid en beider samenstel het bezielde is, is niet het lichaam de werkelijkheid van de ziel, maar deze die van een bepaald lichaam. En daarom oordeelen zij juist, die meenen dat de ziel niet zonder lichaam is, maar ook geen lichaam; want zij is geen lichaam maar verbonden met het lichaam en is daarom in een lichaam aanwezig en in een bepaald lichaam, niet zooals de vroegeren haar in een lichaam voegden zonder nadere bepaling in welk en hoedanig[74]lichaam, ofschoon ook volgens de ervaring niet iets willekeurigs iets wat dan ook opneemt. Zoo is het ook in overeenstemming met het begrip; want de werkelijkheid van ieder ding pleegt te komen in wat de mogelijkheid inhoudt en in de bijbehoorende stof. Dat de ziel nu een werkelijkheid is en begrip van datgene wat de mogelijkheid heeft om het resultaat te zijn, is hieruit duidelijk.

414 a 29—415 a 13. De vermogens van de ziel van het eenvoudigste tot het hoogste—van het voedingsvermogen tot het denken—vormen een reeks, waarnaar de levende wezens onderscheiden worden. De algemeene definitie voldoet bij ziel evenmin als bij figuur; de volgorde moet begrepen en elk zielsvermogen afzonderlijk behandeld worden en nog in ’t bizonder de denkende geest.

Van de vermogens der ziel hebben sommigen alle genoemden zooals wij zeiden, anderen eenigen, eenigen slechts één. Als vermogens noemden wij het voedende, het strevende, het gewaarwordende, het plaatselijk bewegende, het denkende.

De planten hebben alleen het voedingsvermogen, anderen dit en het gewaarwordingsvermogen. Hebben zij dit, dan ook het streefvermogen; want streven is begeerte en drang en willen en alle dieren hebben althans één gewaarwording, den tastzin; voor wat gewaarwording heeft, geldt vreugde en smart en ’t aangename en smartelijke en voor wat die gelden, daarvoor geldt ook de begeerte; want dat is het streven naar ’t aangename. Ook hebben zij gewaarwording van het voedsel; want de tastzin is de gewaarwording van het voedsel;[75]want alle levende wezens worden door ’t drooge, natte, warme en koude gevoed en daarvan is de tastzin de gewaarwording; zij betreft de andere waarneembaarheden bijkomstig. Immers tot voeding draagt niets bij geluid noch kleur noch reuk en de smaak is iets van de tastbaarheden. Honger en dorst is begeerte, honger naar ’t droge en warme, dorst naar het koude en natte en de smaak is als iets dat dezen kruidt. Later zal dit verduidelijkt worden; nu bepalen wij ons hiertoe, dat de dieren die tastzin hebben ook streven bezitten. Omtrent de voorstelling is niets uitgemaakt en dat moet later nagegaan worden. Eenigen hebben bovendien de plaatselijke beweging, anderen het denkvermogen en den geest, als de menschen en wat verder zoodanig is of hooger.

Dus is het duidelijk dat er op dezelfde wijze één definitie van ziel kan zijn als van figuur; want hier is geen figuur buiten driehoek enz., noch dáár ziel buiten de genoemden. Er is ook bij de figuren een gemeenschappelijke definitie mogelijk, die op allen zal passen maar aan geen figuur eigen zal zijn; evenzoo bij de gezegde zielen. Daarom is het dwaas hierbij en bij andere dingen de gemeenschappelijke definitie te zoeken, die bij geen der wezens eigenlijk zal behooren, noch betrekking heeft op het eigene en verenkelde soort en die wèl zoo is, daar te laten. Bij de figuren en de ziel is dezelfde verhouding; steeds is in het volgende in mogelijkheid aanwezig het vroegere bij de figuren en bij de bezielde wezens, zooals in den vierhoek de driehoek, in het gewaarwordingsvermogen het voedingsvermogen. Dus moet men afzonderlijk nagaan wat de ziel[76]van elk wezen is, b.v. wat die van een plant, van een mensch of dier is. En waarom ze zich zoo in opeenvolging verhouden moet men nagaan. 415a. Want zonder het voedingsvermogen bestaat het gewaarwordingsvermogen niet, maar van het gewaarwordingsvermogen is het voedingsvermogen afgescheiden in de planten. Wederom is zonder den tastzin geen andere gewaarwording aanwezig, wel tastzin zonder de anderen; want vele dieren hebben noch gezicht noch gehoor noch gewaarwording van reuk. En van die gewaarwording bezitten hebben sommigen het plaatselijk bewegingsvermogen, anderen niet. Als laatste hebben het kleinste aantal begrip en verstand; want de eindige wezens die begrip bezitten hebben ook al de overige vermogens, maar die elk daarvan bezitten hebben niet allen begrip, maar sommigen niet eens voorstelling, terwijl anderen alleen daarop leven. Over de beschouwende geest geldt een andere redeneering. Het blijkt dus dat de redeneering over elk van deze (vermogens) ook de meest geldige omtrent de ziel is.

415 a 14—b 7. De vermogens komen na hun werkingen en deze na hun uitwerksel. Het eerste en de grondslag is de voeding en voortplanting, die de band vormt tusschen het eindige en het eeuwige.

Het is noodzakelijk wanneer men hiernaar onderzoek doet, omtrent elk der (vermogens) te bepalen wat het is en zoo verder omtrent de volgende en de overige dingen na te gaan. Als men moet zeggen wat elk er van is b.v. wat het denk-, of gewaarwordings- of voedingsvermogen is, moet men nog eerder zeggen wat het denken[77]of gewaarworden is; want vóór de vermogens zijn naar het begrip de verwerkelijkingen en verrichtingen. Als dat zoo is, en men nog eerder dan deze de objecten moet nagegaan hebben, moet men eerst omtrent dezen bepalen om dezelfde reden, nl. omtrent voeding, het waarneembare en het denkbare. Alzoo moet eerst over voeding en voortplanting gesproken worden, immers de voedende ziel bezitten ook de anderen en dit is het eerste en gemeenschappelijkste vermogen van de ziel, waarop bij allen het leven berust. De verrichtingen daarvan zijn zich voortplanten en voedsel gebruiken; immers de natuurlijkste verrichting van de levende wezens, voor zoover zij volledig en niet defekten zijn, of van zelf ontstaan, is het maken van een ander naar zijn eigen aard, een dier een dier, een plant een plant, opdat zij het eeuwige en goddelijke deelen naar vermogen; want daarnaar streeft alles en daarom verricht alles alle handelingen volgens de natuur. 415b.Het „daarom” is tweevoudig, eensdeels (de zaak) waarom, anderdeels (de persoon) waarvoor37.Daar het (enkele) nu niet het eeuwige en goddelijke ononderbroken deelachtig kan zijn doordat geen eindig ding één en hetzelfde kan blijven, neemt alles er aan deel zooals het kan, het eene meer het andere minder en wat blijft is niet het enkele zelf maar het zoodanige, niet naar getal maar naar wezen één.

415 b 8—416 a 18. De ziel is principe van beweging, doel en wezen van ’t levende lichaam. Op een doel wijzen de organen. Verandering en groei en afname betreffen de ziel: kritiek van Empedocles’ mechanisme. Voeding[78]is ook niet verbranding zonder meer, want die mist de zelfbepaling.

De ziel is van het levende lichaam oorzaak en principe woorden van meer dan één beteekenis; en overeenkomstig is de ziel oorzaak naar de drie onderscheiden wijzen, want zij is de bron van de beweging, en het doel; en als het wezen van de bezielde lichamen is de ziel oorzaak. Het laatste wordt ingezien omdat voor alles het wezen de oorzaak is van het zijn, en voor de levende wezens het zijn leven is endaarvande ziel oorzaak en principe is. Bovendien is de werkelijkheid (de ziel) het begrip van wat naar mogelijkheid is. ’t Is duidelijk dat ook als doel de ziel oorzaak is; want zooals de geest om iets handelt, op dezelfde wijze ook de natuur en dat is haar doel. Zoodanig iets is bij de levende wezens de ziel, ook naar de natuur beschouwd; want al de natuurlijke lichamen zijn werktuigen der ziel, en zooals bij de dieren zoo ook bij de planten, als zijnde ter wille van de ziel.Het „terwille van” is tweevoudig, eensdeels de zaak waarom, anderdeels de persoon waarvoor.En verder is ook de bron van de plaatselijke beweging ziel; maar niet alle levende wezens bezitten dit vermogen. Ook verandering en groei betreft de ziel; immers de gewaarwording is wel een zekere verandering en niets heeft gewaarwording zonder ziel. Evenzoo staat het met groei en afname; immers niets neemt af of groeit van nature zonder voeding en niets wordt gevoed dat niet aan leven deel heeft. Hier is Empedokles af te keuren wanneer hij zegtdat door bijvoegingde planten hun groei krijgen, terwijl zij naar onderen wortel schieten[79]doordat zoo de natuurlijke beweging van de aarde is en naar boven (klimmen) doordat het vuur die richting neemt. 416a. Want hij spreekt verkeerd van naar boven en naar onderen; immers boven en onder beteekenen niet hetzelfde voor elk ding als voor het geheel, maar als het hoofd van de dieren zoo verhouden zich de wortels van de planten, als men de organen anderen of dezelfde moet noemen naar hun werking. En bovendien, wat is het dat het vuur en de aarde, die tegengestelde richtingen zoeken, samenhoudt? Want is er niets dat tegenhoudt, dan zullen ze uiteengerukt worden; is er wèl iets, dan is dat de ziel en de oorzaak van het groeien en de voeding. Sommigen meenen dat de natuur van het vuur op zichzelf oorzaak van de voeding en de groei is; immers het blijkt het eenige van de lichamen of elementen dat vanzelf gevoed wordt en groeit en dus zou men ook bij de planten en de dieren daaraan die werking moeten toeschrijven. Echter is het wel in zekeren zin medeoorzaak, maar niet eenvoudig oorzaak, wat veeleer de ziel is; want de groei van het vuur gaat onbepaald door zoolang er brandstof is, maar alle natuurlijk samengestelde lichamen hebben een grens en bepaling van grootte en wasdom; dit zijn dingen van de ziel maar niet van vuur en veeleer van begrip dan van stof.


Back to IndexNext