Chapter 4

416 a 19-b 31. Voeding werking van tegendeelen op elkaar of van gelijk op gelijk? Vooronderstelt bezield zijn en is te onderscheiden van wasdom, maar leidt tot de voortplanting, die dus doel is van de eerste (eenvoudigste) ziel. Bij voeding is de verwerkende warmte voorondersteld als de hand bij het sturen.[80]Daar hetzelfde vermogen van de ziel voedings- en voortplantingsvermogen is, is het noodig ook eerst omtrent voeding te spreken, want door die verrichting onderscheidt zich dit vermogen van de anderen. Men meent dat de voeding is tegendeel met tegendeel, maar niet elk met elk, maar die tegendeelen die niet alleen ontstaan uit elkander hebben maar ook wasdom; immers vele dingen ontstaan uit elkaar die niet allen bepaalde grootheden zijn, zooals het gezonde uit het zieke. Ook de bepaalde grootheden blijken niet evenzeer voor elkander voeding te zijn, maar het water wèl voor het vuur, het vuur echter voedt het water niet. Onder de enkelvoudige lichamen nu zijn deze (tegendeelen) wel eenerzijds voeding, anderzijds wat gevoed wordt. De moeilijkheid doet zich voor dat volgens de eenen het gelijke door het gelijke gevoed wordt alsook groeit, de anderen denken, zooals gezegd is, omgekeerd het tegendeel door het tegendeel, daar het gelijke geen werking ondervindt van het gelijke en het voedsel verandert en verteerd wordt: en de verandering gaat bij alles naar het tegengestelde of het midden (neutrale). 416b. Verder ondervindt het voedsel werking van wat gevoed wordt, maar niet omgekeerd, evenals de timmerman niet van de stof maar de stof van hem, en de timmerman verandert alleen van rust tot bedrijvigheid. Maar of het voedsel het laatst bijkomende is of het eerste, dat maakt onderscheid. Zoo beide, maar het eerst bijkomende als onverteerd, het laatste als verteerd, dan kan men in beiderlei zin over het voedsel spreken; in zoover het onverteerd is, wordt het tegendeel door het tegendeel gevoed, in zoover het verteerd is, het gelijke door het gelijke. Dus blijkt[81]dat beiden in zeker opzicht juist en niet juist spreken. Daar niets zich voedt dat geen deel heeft aan leven, is het bezielde lichaam als zoodanig hetgeen gevoed wordt en het voedsel heeft niet slechts een bijkomstige betrekking tot het bezielde. Het begrip van voeding en bewerking van groei is niet hetzelfde; in zoover n.l. het bezielde een grootheid is, geldt bewerking van groei, inzoover het een bepaald iets en wezen is, voeding; want deze handhaaft het wezen en iets bestaat zoolang het gevoed wordt en de voeding veroorzaakt de wording, niet van hetgeen gevoed wordt, maar van zijnsgelijke; want zijn wezen bestaat reeds en niets verwekt zichzelf maar handhaaft zich. Dus is het zoodanige zielsprincipe het vermogen dat den bezitter handhaaft in zijn wezen en het voedsel brengt dat vermogen tot bedrijvigheid. Daarom is zonder voedsel geen bestaan mogelijk. Als wij drie onderscheiden, wat gevoed wordt, waardoor het gevoed wordt en het voedende, is het voedende de eerste ziel, wat gevoed wordt het deze bezittende lichaam, waardoor het gevoed wordt het voedsel. Daar men naar het doel alles behoort te noemen en het doel is de verwekking van zijnsgelijke, is de eerste ziel datgene wat het zijnsgelijke verwekken kan. „Waardoor het gevoed wordt” is tweevoudig, evenals waardoor men stuurt, en de hand en het roer, het eene bewegende en bewogen wordende, het andere alleen bewogen wordende. Alle voedsel nu moet noodzakelijk verteerd kunnen worden, en het is de warmte die de vertering bewerkt; daarom heeft elk bezield wezen warmte. In omtrek nu is hiermede gezegd wat voeding is, uitvoeriger[82]moet later de zaak verduidelijkt worden in de daarover handelende geschriften38.416 b 32—418 a 6. Van voeding tot gewaarwording komende, eerst over deze in ’t algemeen als een verandering. Hierbij dezelfde vraag als bij de voeding en voorts waarom zij niet inwendig werkt maarobjectenvereischt. Zij is alleen naar mogelijkheid. Onderscheidingen in de mogelijkheid, bij doen en lijden of veranderen—veranderen tot vernietiging of tot verwezenlijking. Dit onderscheid is niet met een woord te noemen. De gewaarwording betreft het enkele, anders dan de kennis die het algemeene betreft; dit laatste is in de ziel, het eerste is van buiten. De verhouding van zintuig en waarneembaarheid als tusschen mogelijkheid en werkzaamheid lost ook de eerste vraag naar ’t gelijke of ’t ongelijke op.Na deze uiteenzetting willen wij over alle waarneming in ’t algemeen spreken. De gewaarwording gaat door ’t bewogen worden en lijden, zooals gezegd is; want zij is een zekere verandering. Maar sommigen zeggen dat ook het gelijke van het gelijke inwerking lijdt; hoe dit mogelijk of onmogelijk is hebben wij in de algemeene besprekingenomtrent ’t doen en lijden39gezegd. Er doet zich een moeilijkheid voor, waarom er ook van de gewaarwordingen zelf geen gewaarwording is en waarom (de zintuigen) zonder de dingen van buiten geen gewaarwording tot stand brengen, terwijl ze vuur, aarde en de andere elementen inhouden, waarop de gewaarwording[83]zich richt, op hen zelf of op hun bijkomstigheden. Het is dus duidelijk dat het zintuig niet in bedrijvigheid is, maar slechts in mogelijkheid. Dus is het er mede zoo, gelijk het brandbare niet brandt op zich zelf zonder het verbrandende; anders zou het zichzelf verbranden en niet het vuur in werkelijkheid noodig hebben. Daar wij op tweeërlei wijze spreken van gewaarworden (want wij zeggen dat hetgeen naar mogelijkheid hoort en ziet, hoort en ziet, ook als het slaapt, evenals hetgeen nu bedrijvig is), spreekt men ook op tweeërlei wijze van de gewaarwording, eenerzijds als naar vermogen, anderzijds als in bedrijvigheid en evenzeer van het gewaarworden, naar vermogen en in werkzaamheid. Laten wij nu eerst spreken alsof het inwerking lijden en het bewogen worden en het werkzaam zijn hetzelfde is; want de beweging is een zekere werkzaamheid, die echter onvoltooid is40, zooals elders gezegd is. Alles lijdt inwerking en wordt bewogen door het bewerkende en in werkzaamheid zijnde; daarom laat zich zeggen dat het inwerking lijdt van het gelijke alsook van het ongelijke, zooals wij zeiden; want de inwerking lijdt het ongelijke, maar die geleden hebbende is het gelijk.Ook moeten wij onderscheiding maken omtrent vermogen en werkelijkheid; nu immers spreken wij er zonder onderscheid over. Er is iets kundig op die wijze, zooals wij een mensch kundig noemen omdat de mensch behoort tot de kundigen en de kennis hebbenden; ook op die wijze, zooals wij kundig noemen hem die de spraakleer kent; ieder van deze beiden bezit het vermogen[84]niet op dezelfde wijze, maar de een omdat zijn soort en stof dusdanig is, de andere omdat hij, als hij wil in staat is tot kennisuitoefening, als niets van buiten het belet; dienuaan de uitoefening is, is kundig in werkelijkheid en in eigenlijken zin kennende deze A. De beide eersten nu zijn naar mogelijkheid kundig, maar de een is veranderd door leering en misschien uit de tegengestelde toestand omgeslagen, maar anders die uit hetbezittenvan de gewaarwording of de spraakleer zonder uitoefening tot het uitoefenen overgaat.417b. Ook het inwerking ondergaan is niet eenvoudig, maar het eene is een zekere vernietiging door zijn tegendeel, het andere veeleer een bestendiging van het in mogelijkheid zijnde door het in werkelijkheid zijnde en dat zoo eraan gelijk is als mogelijkheid zich verhoudt tot werkelijkheid; want dat wat de kunde heeft wordt kennisnemend, wat òf geen verandering is (immers de toename is tot eigen voleinding en tot werkelijkheid)òf een ander soort van verandering. Daarom moet men niet zeggen dat het denkende in het denken verandert evenmin als de bouwmeester wanneer hij bouwt. Wat nu tot werkelijkheid voert uit hetgeen in mogelijkheid is moet betreffende het denken en beseffen niet leering heeten maar anders; maar wat uit den staat van mogelijkheid leert en kennis krijgt door wat in werkelijkheid en onderwijzend is, daarvan moet men niet zeggen dat het lijdt of twee wijzen aannemen van verandering, de verandering tot de ontstentenis en die tot de gesteldheid en wezenlijkheid. Voor het gewaarwordingsvermogen is de eerste verandering door het verwekkende, wanneer het verwekt is, verhoudt het zich reeds als[85]kunde en het gewaarworden41. En het gewaarworden in bedrijvigheid wordt gezegd evenals het kennisnemen, maar het verschilt doordat bij het gewaarworden de oorzaken van de bedrijvigheid van buiten komen, het zichtbare en het hoorbare, en eveneens de overige waarneembaarheden. De oorzaak hiervan is dat de gewaarwording in werkzaamheid de enkele dingen betreft, de kunde de algemeenheden; deze laatsten zijn op zekere wijze in de ziel zelf. Daarom staat het denken in eigen macht wanneer men wil, gewaarworden niet in eigen macht; immers het is noodig dat het waarneembare aanwezig is. Hetzelfde is het geval met de wetenschappen betreffende de waarneembaarheden en door dezelfde oorzaak, omdat de waarneembaarheden zijn de enkele dingen van buiten.Maar hierover hebben wij later gelegenheid tot duidelijker uiteenzetting. Nu gelde deze bepaling dat hetgeen als in mogelijkheid genoemd wordt niet enkelvoudig is, maar eenerzijds zooals men zegt dat het kind veldheer kan zijn, anderzijds zooals men het van hem, die de militaire leeftijd heeft zegt en dat zoo zich ook het gewaarwordingsvermogen verhoudt. 418a. Daar het onderscheid hiervan geen naam heeft, maar het als onderscheid en als welk onderscheid bepaald is, moet men noodzakelijk het lijden en veranderen als de geldige benamingen gebruiken. Het gewaarwordingsvermogen is in mogelijkheid zooals het waarneembare reeds in werkelijkheid is, gelijk gezegd is. Het ondergaat inwerking als het niet gelijke, maar na de inwerking is het gelijk gemaakt en is zooals het andere.[86]418 a 7—a 25. Waarneembaarheid: algemeene, eigene, bijkomstige. De eigene zijn de eigenlijke, waarnaar het wezen van de gewaarwording bepaald is.6. Bij elke gewaarwording moeten wij over het waarneembare eerst spreken. Van het waarneembare spreekt men in drieërlei zin; hierbij neemt men twee dingen eigenlijk waar, één bijkomstiglijk. Van de twee is het eene eigen aan elke gewaarwording, het andere gemeenschappelijk aan allen. Eigen noem ik dat, wat men met een andere gewaarwording niet kan waarnemen en waaromtrent men zich niet kan vergissen, als het gezicht tegenover de kleur, het gehoor tegenover het geluid en de smaakzin tegenover de smaak. De tastzin laat meerdere onderscheidingen gelden; toch oordeelt elke (zin) over déze dingen en vergist zich niet dat er kleur of geluid is, maar wat het gekleurde is of waar, of wat het geluidgevende is of waar. Dergelijke dingen nu zijn eigen aan elke (zin), gemeenschappelijk zijn beweging, rust, getal, vorm en grootte; want dergelijke zijn aan geen zin eigen, maar gemeenschappelijk aan allen. Immers voor den tastzin is een zekere beweging waarneembaar en voor het gezicht. Van bijkomstiglijk waarneembaar spreekt men b.v. wanneer het witte de zoon van Diares is; want dat neemt men bijkomstiglijk waar, omdat het witte dit als bijkomstigheid heeft, wat men waarneemt. Daarom ondervindt men in zooverre geen inwerking van het waarneembare. Van de eigenlijke waarneembaarheden zijn de eigene de waarneembaarheden in waren zin en die, waarop elke gewaarwording in haar wezen betrekking heeft.[87]418 a 26—419 b 3. Zichtbaarheid: kleur en iets nameloos. Kleur en licht. Licht werkzaamheid van het doorschijnende (aether). Kritiek op Empedocles’ beweging van het licht. Phosforescentie. Kleur is de inwerking op het actueel doorschijnende d.i. op het licht als middenstof. Kritiek op Demokritos. De middenstof is ook vereischt bij geluid en reuk, schijnbaar niet bij tastzin en smaak. Bij reuk iets dat water en lucht gemeen hebben.Het is het zichtbare, waarop het gezicht betrekking heeft. Het zichtbare is kleur en wat door een omschrijving is te zeggen maar geen naam heeft; in het vervolg zal wel blijken wat wij bedoelen. Het zichtbare dan is de kleur. Dat is wat behoort bij het zelfstandig zichtbare; zelfstandig niet naar ’t begrip42, maar omdat het in zichzelf de oorzaak heeft van zijn zichtbaarheid. Alle kleur beweegt hetgeen in werkelijkheid doorschijnend is en dat is haar wezen. 418b. Daarom is zij niet zichtbaar zonder licht maar wordt alle kleur van alles in licht gezien. Daarom moeten wij eerst over het wezen van het licht spreken. Er is dan iets doorschijnends. Doorschijnend noem ik wat wel zichtbaar is, maar niet zelfstandig zichtbaar eenvoudig gezegd, maar door vreemde kleur. Zoodanig is lucht en water en vele vaste lichamen; want niet als water of lucht zijn zij doorschijnend, maar omdat dezelfde natuur in deze beiden aanwezig is als in het eeuwige bovenaardsche lichaam43. Licht is de werkzaamheid daarvan, van het doorschijnende als zoodanig.[88]Waarin dit in mogelijkheid is, is ook de duisternis44. Het licht is als de kleur van het doorschijnende, wanneer het inwerkelijkheiddoorschijnend is door vuur of iets zoodanigs als het bovenaardsche lichaam; want ook dit heeft iets dat een en hetzelfde is. Dus, wat het doorschijnende en wat het licht is, is gezegd, dat het noch vuur noch in ’t geheel een lichaam, noch een uitvloeiing van eenig lichaam is (want in dat geval zou het óok een zeker lichaam zijn), maar de aanwezigheid van vuur of iets zoodanigs in het doorschijnende; immers het is niet mogelijk dat twee lichamen tegelijk in dezelfde ruimte zijn. En het licht is het tegendeel van de duisternis; deduisternisis de ontstentenis van dusdanige geaardheid bij het doorschijnende, dus is blijkbaar ook de aanwezigheid er van het licht. Empedocles en wie verder zoo gezegd heeft leert niet juist dat het licht zich beweegt en te eeniger tijd tusschen de aarde en ’t hemelruim komt, buiten onze waarneming; want dat strijdt met de klaarheid van het begrip en met de verschijnselen; want in een kleine ruimte zou het aan de waarneming kunnen ontgaan; maar voor de afstand van zonsopgang tot zonsondergang is die eisch te kras. Wat kleur aanneemt is het ongekleurde, voor ’t geluid het geluidlooze. Kleurloos is het doorschijnende en het onzichtbare of nauwlijks zichtbare, zooals zal zijn het duistere. Zoodanig is het doorschijnende, maar niet wanneer het in werkelijkheid maar wanneer het in mogelijkheid doorschijnend is; want ’t zelfde wezen is nu duisternis, dan licht. 419a. Niet alle dingen zijn zichtbaar in ’t licht, maar alleen[89]de eigen kleur van alles; immers eenige dingen worden nietgezienin ’t licht, maar laten zich waarnemen in de duisternis, zooals de vuurachtige en stralende verschijnselen (die gezamenlijk geen naam hebben) als paddestoelen, hoorn, vischkoppen, schubben en oogen; maar van niets daarvan ziet men de eigen kleur. Door welke oorzaak nu deze dingen gezien worden blijft hier onbesproken; nu blijkt zooveel dat wat in ’t licht gezien wordt, kleur is; daarom ook wordt die niet gezien zonder licht; want dat was het wezen van de kleur dat zij bewerkt het in werkzaamheid doorschijnende en de werkelijkheid van het doorschijnende is het licht. Een duidelijk teeken hiervan is dat, als men het gekleurde op het oog zelf houdt, men het niet zal zien, maar de kleur bewerkt het doorschijnende b.v. de lucht en daardoor als samenhangend geheel wordt op het zintuig ingewerkt. Want hierin vergist Demokritos zich als hij meent dat, wanneer de tusschenruimte ledig was, ook een mier in den hemel duidelijk zou gezien worden; want dat is onmogelijk. Immers het zien geschiedt doordat de zin iets ondergaat, dit kan niet gebeuren door de kleur zelf die gezien wordt; dus blijft er over dat het door de middenstof gebeurt, zoodat er noodzakelijk een middenstof moet zijn, maar wanneer de ruimte ledig is, zal er niet alleen niet duidelijk, maar in ’t geheel niets gezien worden.Waarom het nu noodzakelijk is dat de kleur in ’t licht gezien wordt, is gezegd. Vuur wordt in beiden, in duisternis en in licht, gezien eveneens met noodzakelijkheid; want het doorschijnende wordt daardoor doorschijnend. Dezelfde redeneering geldt voor geluid en reuk; want[90]niets daarvan verwekt de gewaarwording wanneer het het zintuig aanraakt, maar door reuk en geluid wordt de middenstof bewerkt en daardoor elk van beide zintuigen, maar wanneer men het geluidgevende of riekende op het zintuig zelf plaatst, verwekt het geen gewaarwording. Met tastzin en smaak staat het evenzoo, ofschoon het niet zoo schijnt; later zal blijken waardoor. De middenstof voor geluiden is de lucht, voor reuk heeft zij geen naam; want zooals het doorschijnende voor kleur, zoo is het voor wat zich laat ruiken een gemeenschappelijk iets bij lucht en water, dat in deze beide aanwezig is; immers ook de waterdieren blijken reukgewaarwording te bezitten. Maar de mensch en de ademhalende landdieren kunnen niet ruiken zonder ademhalen. 419b. De oorzaak ook hiervan zal later besproken worden.419 b 4—421 a 6. Geluid, gehoor en stem (bezield geluid). Beteekenis van hoog en laag.Nu willen wij eerst over geluid en gehoor handelen. Geluid is tweevoudig, eensdeels geluid in werkzaamheid, anderdeels in mogelijkheid; want sommige dingen noemen wij geluidloos, als spons, wol, andere niet geluidloos b.v. koper en al wat vast en glad is, omdat het het vermogen heeft geluid te geven. Dat is tusschen zich en het gehoor een geluid in werkzaamheid te maken. Het geluid in werkzaamheid gebeurt steeds van iets tegen iets en in iets; want het is de slag die ’t geluid maakt en daarom is ’t ook onmogelijk dat er geluid ontstaat wanneer er maar één ding is; immers hetgeen slaat is iets anders dan wat geslagen wordt; dus wat geluid geeft doet dat[91]tegen iets (slaande) en ’t slaan is niet zonder beweging. Zooals wij zeiden ontstaat geluid niet door den slag van willekeurige dingen; immers wol die geslagen wordt maakt geen geluid, maar wel koper en al wat glad en hol is; koper omdat het glad is; het holle maakt door de terugkaatsing vele slagen na de eerste, daar datgene wat bewogen wordt er niet kan uitgaan. Ook hoort men in lucht en water, maar minder. Niet van de lucht of het water hangt het geluid af, maar er moet een slag van vaste lichamen zijn tegen elkaar en tegen de lucht en dit gebeurt, wanneer de lucht die geslagen wordt standhoudt en niet vervloeit. Daarom, wanneer de lucht snel en hard wordt geslagen, geeft zij geluid; want de beweging van het zweepen moet de breking van de lucht voorkomen, zooals wanneer men een hoop of kring van dwarrelend zand zou slaan, die in snelle beweging is. Weerklank ontstaat, wanneer van de lucht die bijeengehouden wordt doordat het vat haar afscheidt en verhindert gebroken te worden, de lucht teruggestooten wordt als een bal. Het lijkt dat er altijd weerklank is, maar niet duidelijk; immers het gaat met het geluid als met het licht; want ook het licht wordt altijd weerkaatst—anders zou er niet overal licht zijn, maar duisternis buiten wat de zon beschijnt—maar het wordt niet zóó weerkaatst als van water of koper of iets anders glads, dat het schaduw maakt, waardoor wij het licht onderscheiden. Terecht acht men het ledige datgene, waarvan het hooren afhangt. Immers de lucht is wel het ledige en die maakt dat men hoort, wanneer zij als één en samenhangend bewogen wordt. Maar doordat zij ijl is, klinkt zij niet wanneer het geslagene niet glad is. In[92]dat geval wordt zij één [en] in samenhang45door het oppervlak; want het oppervlak van het gladde is één.Geluidgevend nu is wat de aaneengesloten luchteenheid tot aan ’t gehoor beweegt. Het gehoor is van nature verbonden met de lucht; doordat het in de lucht is, wordt bij beweging van de buitenlucht de lucht er in bewogen. Daarom heeft het levend wezen niet overal gehoor noch dringt de lucht overal door; immers het deel dat bewogen moet worden en bezield is heeft niet overal lucht. De lucht zelf nu is zonder geluid door haar onvastheid; maar wanneer zij verhinderd wordt te breken dan is haar beweging geluid. De lucht in de ooren is ingebouwd met ’t oog op onbewegelijkheid, opdat men nauwkeurig al de onderscheidingen der beweging zal waarnemen. Daarom hooren wij ook in water, omdat het niet indringt tot de met ’t gehoor verbonden lucht zelf, zelfs niet in de ooren door de windingen. Wanneer dit gebeurt, hoort men niet, en ook niet wanneer het trommelvlies aangedaan is zooals de menbraan van de pupil. Maar juist een teeken van het wel of niet hooren is dat altijd het oor ruischt als de hoorn; want steeds heeft de lucht in de ooren een eigen beweging; maar het geluid is vreemd en niet eigen. En daarom zegt men dat men hoort met het ledige en ruischende, omdat wij hooren met wat begrensde lucht heeft. Is hetgeen geslagen wordt of het slaande wat klinkt? Veeleer beiden, maar op verschillende wijze; want het geluid is de beweging van wat kan bewogen worden op die wijze als hetgeen van de gladde oppervlakken[93]afgestooten wordt, wanneer men ze aanstoot. Niet dus alles, zooals gezegd is, klinkt wanneer het geslagen wordt en slaat b.v. wanneer iemand een naald met een naald treft; maar wat geslagen wordt moet effen zijn, zoodat de lucht vereenigd afgestooten wordt en trilt. De onderscheidingen der geluidgevende dingen komen uit in het geluid in werkzaamheid; want zooals zonder licht de kleuren niet gezien worden, zoo blijkt ook zonder geluid het hooge en ’t lage niet46. Deze benamingen zijn overgebracht van de tastbaarheden; immers het scherpe treft de waarneming in weinig tijd diep, het zware in veel tijd weinig diep. Nu is niet het scherpe snel, het zware traag, maar van het eerste wordt de beweging door de snelheid zoodanig, van het tweede door de traagheid. 420b. En er schijnt overeenkomst te bestaan met het scherpe en stompe bij den tastzin; want het scherpe steekt, om zoo te zeggen, ’t stompe stoot, doordat het eene in weinig tijd beweegt, het andere in veel tijd, zoodat bijkomstiglijk ’t eene snel, ’t andere traag is.Dit zij nu omtrent geluid vastgesteld. De stem is een bepaald geluid van het bezielde; want van het onbezielde heeft niets een stem, maar men spreekt in beeld van de stem van fluit b.v. en lier en de andere onbezielde dingen die volume, toon en voordracht hebben; want het lijkt dat ook de stem die heeft. Vele dieren hebben geen stem, zooals de bloedelooze en van die bloed hebben de visschen. Dit heeft ook zijn grond, daar immers het geluid een bepaalde beweging van de lucht is. Maar die naar men zegt stem hebben, zooals de[94]visschen in den Acheloûs, maken geluid met hun kieuwen of iets anders zoodanigs. Stem is het geluid van een dier, niet elk47en niet met een willekeurig lichaamsdeel. Maar daar alle geluid ontstaat doordat iets slaat tegen iets en in iets en dat is de lucht, kan met reden alleen datgene stem uitten dat de lucht opneemt. Immers de lucht bij de ademhaling gebruikt de natuur op dit punt voor twee verrichtingen, evenals de tong voor den smaak en het spreken, van welke de smaak is iets noodzakelijks, (die daarom ook bij meerderen aanwezig is) terwijl de spraak voor het hoogere is. Zoo gebruikt zij ook de adem voor de inwendige warmte als iets noodzakelijks (de oorzaak zal elders ter sprake komen) en voor de stem opdat het hoogere aanwezig zij. Het orgaan voor de ademhaling is de luchtpijp; waarvoor dit lichaamsdeel ook is, dat is de long, want in dit lichaamsdeel hebben de landdieren het meeste warmte van allen. Ook de hartstreek heeft in de eerste plaats de ademhaling noodig. Daarom is het noodzakelijk dat door de inademing de lucht binnen komt. Dus is de stoot van de ingeademde lucht bewerkt door de ziel in die deelen tegen de zoogenaamde luchtpijp, de stem. Want zooals wij zeiden is niet ieder geluid van een dier stem (want men kan met de tong geluid maken en zooals bij hoesten), maar het stootende moet bezield zijn en vergezeld zijn van eenige voorstelling, want de stem is een geluid met beteekenis; en de stem is niet ’t geluid van de ingeademde lucht, zooals de hoest, maar daarmede stoot men de lucht in de luchtpijp tegen deze. 421a. Een bewijs[95]is dat men geen stem kan uiten bij in- of uitademing, maar als men den adem inhoudt; want daardoor veroorzaakt die den adem inhoudt de beweging. Ook blijkt waardoor de visschen stom zijn, doordat zij nl. geen luchtpijp hebben. Dat lichaamsdeel missen zij omdat zij de lucht niet opnemen noch inademen. De reden nu waarom dit zoo is, behoort in een andere behandeling.421 a 7—422 a 7. De reuk, overeenkomst met de smaak. Onderscheidingen, Middenstof, Bizonderheid bij de menschelijke reukgewaarwording. De reuk betreft het droge.Over den reuk en het ruikbare is de bepaling minder gemakkelijk dan bij het behandelde; want de aard van de reuk is niet zoo duidelijk als het geluid of de kleur, de oorzaak is dat wij deze gewaarwording niet nauwkeurig bezitten maar minder dan vele dieren; want de mensch ruikt slecht en heeft geen reukgewaarwording zonder gevoel van afkeer of genot, daar blijkbaar het zintuig niet nauwkeurig is. Het is aannemelijk dat op deze wijze ook de staroogigen de kleuren gewaarworden en de onderscheiden der kleuren hen alleen blijken doordat zij al of niet vrees verwekken; zoo neemt ook het menschelijk geslacht de reuken waar. Want de reuk schijnt overeenkomst te hebben met de smaak en de soorten van de smaken met die van de reuk, maar wij hebben nauwkeurigen smaak omdat deze een soort tastzin is en de mensch die gewaarwording ’t nauwkeurigst heeft; want in de andere gewaarwordingen blijft de mensch bij velen van de dieren achter, maar in den tastzin bezit hij de andere ver overtreffende nauwkeurigheid. Daarom is hij ook het verstandigste der levende wezens. Een[96]bewijs is dat ook onder het menschelijk geslacht het onderscheid van aanleg van dat zintuig afhangt en van niets anders; want de hardvleezigen zijn slecht van aanleg voor ’t denken, de zachtvleezigen goed. Zooals bij smaken de eene zoet, de andere bitter is, zoo ook bij de reuken. Maar sommige dingen hebben overeenkomstigen reuk en smaak b.v. zoete reuk en zoete smaak, andere omgekeerd. Eveneens is er bittere, wrange, zure en zoete reuk; maar, gelijk wij zeiden, doordat de reuken in hun onderscheid niet zeer duidelijk zijn, zooals de smaken, hebben zij daaraan hun namen ontleend naar de gelijksoortigheid der zaken; nl. de zoete van saffraan en honig,de bittere van thym en dergelijke en zoo de anderen. 421b. Evenals bij het gehoor en iedere gewaarwording, deze het hoorbare betreft en het onhoorbare, gene het zichtbare en het onzichtbare, zoo betreft de reuk het reukbare en onreukbare. Het onreukbare is deels gezegd van wat in ’t geheel geen reuk kan hebben, deels van wat weinig of slechte reuk heeft. Evenzoo spreekt men ook van wat geen smaak heeft.Ook de reuk gaat door een middenstof als lucht of water; want ook de waterdieren blijken reukgewaarwordingen te hebben, de bloedige evenals de bloedelooze, zooals ook de dieren in de lucht; want eenigen van dezen komen van verre op het voedsel af waarvan zij de reuk krijgen. Daarom doet zich een moeilijkheid voor dat, terwijl alles gelijkelijk ruikt, de mensch wèl bij inademing, maar niet wanneer hij uitademt of zijn adem inhoudt, noch van verre noch van dichtbij, zelfs niet wanneer het voorwerp binnen op het neusgat wordt geplaatst. En dat hetgeen op het zintuig zelf geplaatst[97]wordt onwaarneembaar wordt is aan alle zintuigen gemeen, maar dat zonder inademing geen (reuk)waarneming plaats vindt is een bizonderheid bij de menschen, die bij proefneming blijkt; dus zouden de bloedelooze dieren, daar zij niet inademen, eenige andere gewaarwording bezitten naast de bekenden. Dit is echter onmogelijk, daar zij immers de reuk waarnemen, want de waarneming van het riekende, het wel- of kwalijk riekende, is de reuk. Ook blijken zij vernietigd te worden door dezelfde sterke reuken als de mensch, zooals van asphalt, zwavel en dergelijke. Ruiken dus is noodzakelijk, maar niet met inademen. Het lijkt dat dit zintuig bij de menschen tegenover dat van de andere dieren verschilt zooals de oogen tegenover die der staroogigen; want de oogen van den mensch hebben als een schut of hulsel de oogleden, die men moet bewegen en optrekken om te zien; de staroogigen hebben niets zoodanigs, maar zienonmiddellijkwat zich in het doorschijnende bevindt: zoo lijkt ook het reukzintuig bij den eenen onbedekt te zijn als ’t oog, en bij hen die de lucht opnemen een bedeksel te hebben dat bij inademen opengaat terwijl de aderen en porieën zich verwijden. 422a. En daarom ruiken de inademende dieren niet in het water, want zij moeten door inademen ruiken en dat is onmogelijk in het water. De reuk betreft het droge, zooals de smaak het vochtige; het reukzintuig is naar mogelijkheid zoodanig48.422 a 8—b 16. Smaak. Geen middenstof, als bij den tastzin. Betreft het vochtige. Onderscheidingen van smaken.[98]Het voorwerp van de smaak is iets tastbaars en dat is de oorzaak waarom het niet waarneembaar is door het midden, dat een vreemd lichaam is; immers hetzelfde geldt van den tastzin. En het lichaam waarin de smaak is, het proefbare, is in ’t vochtige als zijn materie en dat is iets tastbaars. Daarom ook indien we in ’t water waren zouden wij het daarin geworpen zoete waarnemen; maar dan zou onze gewaarwording niet gaan door den middenstof, maar doordat het zoete met het natte vermengd werd evenals bij den drank. De kleur wordt niet zoo gezien, door het vermengd worden noch door de uitvloeiingen. Aan de middenstof (bij het zien) beantwoordt (bij de smaak) niets; maar zooals het zichtbare de kleur is, zoo het proefbare de smaak. Niets verwekt smaakgewaarwording zonder vochtigheid, maar het heeft in werkzaamheid of naar mogelijkheid vochtigheid, zooals het zoute; want dat is zelf licht smeltbaar en doet de tong mede aan door ’t smelten. Zooals het gezicht betreft het zichtbare en onzichtbare (immers de duisternis is onzichtbaar, maar ook die onderscheidt het gezicht) en bovendien het te zeer schitterende (want ook dat is onzichtbaar maar op andere wijze dan de duisternis) en tevens het gehoor gaat over geluid en stilte, waarvan het eene hoorbaar het andere onhoorbaar is, en over groot geluid, evenals het gezicht over het schitterende (want zooals het geringe geluid onhoorbaar is, zoo op een zekere wijze ook het groote en gewelddadige) en men eenerzijds van het volstrekt onzichtbare spreekt, zooals in andere gevallen van het onmogelijke, anderzijds van ’t niet waarneembare dan, wanneer iets wat zijn natuur meebrengt niet of in onvoldoende mate bezit,[99]zooals het voet- en pitlooze; zoo betreft dan ook de smaak het proefbare en niet proefbare, dat is hetgeen weinig of slechte smaak heeft of een smaak die den zin vernietigt. De grondslag zal zijn het drinkbare en ondrinkbare; want beiden zijn een smaak, maar het laatste een slechte en die den zin bederft, het eerste naar de natuur. Het gemeenschappelijke van tastzin en smaak is het drinkbare. 422b. Daar het proefbare vochtig is moet het dit betreffende zintuig noch in werkelijkheid vochtig zijn, noch buiten de mogelijkheid zijn vochtig te worden. Want de smaak ondervindt iets van het proefbare als zoodanig. Dus moet het zintuig van de smaak bevochtigd worden terwijl het niet nat is, maar nat kan worden zonder vernietiging. Een bewijs is dat de tong niet waarneemt wanneer zij verdroogd noch wanneer zij te vochtig is; want dan is de aanraking met het eerstkomende vochtige, zooals wanneer men na vooraf een sterke smaak geproefd te hebben een andere proeft en zooals den zieken alles bitter voorkomt omdat zij met de tong vol van dergelijke vochtigheid waarnemen. De soorten van de smaak zijn, zooals bij de kleuren, als enkelvoudig tegengesteld, het zoete en het bittere, aansluitend bij het eerste het vettige, bij het andere het zoute, daartusschen het scherpe en strenge en wrange en zure; dat zijn ongeveer de onderscheidingen van de smaken. Dus het smaakzintuig is wat in mogelijkheid zoodanig is, het proefbare wat het zintuig in werkelijkheid zoo maakt.422 b 17—424 a 16. Tastzin. Verschil in de waarneembaarheden daarbij en bij de andere zinnen en omtrent[100]het midden—dat bij den tastzin met het lichaam één is; bij de tong is tastzin en smaak hetzelfde. Er moet bij den tastzin evenzeer een midden zijn als bij de anderen, wil de werkzaamheid mogelijk zijn. Maar anders dan bij de anderen wordt het zintuig tegelijk met het midden—niet dóór het midden—aangedaan.—De waarneembaarheid verwerkelijkt het naar mogelijkheid aan haar gelijke tastzintuig; het zintuig treedt als gemiddelde op tegenover de tastbaarheden en wordt dus oordeelend—en neemt het tastbare en ’t niet tastbare waar.Over het tastbare en den tastzin geldt dezelfde redeneering; want als de tastzin niet één gewaarwording is maar meerdere, dan moeten ook de tastbaarheden meerdere zijn. Er is te vragen of zij meerdere gewaarwordingen zijn dan wel ééne en wat het zintuig van den tastzin is, het vleesch en het daarmede overeenkomstige in de andere dingen of niet, maar dat dit de middenstof is en het eigenlijke zintuig iets anders inwendigs. Want iedere gewaarwording betreft één tegenstelling b.v. gezicht wit en zwart, gehoor hoog en laag en smaak bitter en zoet; maar in het tastbare zijn vele tegenstellingen, warm en koud, droog en vochtig, hard en zacht enz. Deze vraag vindt een zekere oplossing doordat ook bij de andere gewaarwordingen meerdere tegenstellingen bestaan, zooals bij de stem niet alleen hoog en laag maar ook luid en zacht, vloeiend en ruw en andere dergelijke. Ook bij kleur zijn andere dergelijke onderscheidingen. Maar wat het eene is dat de grondslag vormt, zooals bij gehoor geluid, dat is bij den tastzin niet duidelijk.[101]423a. Of het zintuig inwendig is of niet, maar onmiddellijk het vleesch, dat wordt niet uitgemaakt doordat de gewaarwording tegelijk met de aanraking komt. Immers ook wanneer men om het vleesch iets van een vlies spande, merkt men evenzeer de gewaarwording terstond bij de aanraking; en toch is het duidelijk dat daarin het zintuig niet is; en ware het aangegroeid, dan zou de gewaarwording nog sneller doordringen. Daarom schijnt het zoodanige deel van het lichaam zoo te zijn alsof de lucht in een kring om ons heen gegroeid was; want dan zouden wij meenen met één midden geluid kleur en reuk waar te nemen en gezicht gehoor en reuk zouden één gewaarwording schijnen: Maar nu doordat datgene, waardoor heen de bewegingen geschieden, gescheiden is (van het lichaam), blijken de gezegde zintuigen verschillend te zijn. Bij den tastzin is dit nu onduidelijk; immers het is onmogelijk dat het bezielde lichaam uit lucht of water bestaat, want er moet iets vasts zijn. Er blijft over dat het gemengd is uit aarde en die dingen49, zooals het vleesch, en wat daarmee overeenkomstig is, bedoelt te zijn; zoodat noodzakelijk ook het lichaam is het midden van den tastzin, dat aangegroeid is, waardoor de gewaarwordingen gaan, die meerderen zijn. Dat zij meerderen zijn bewijst de aanraking bij de tong; want zij neemt alle tastbaarheden met haar zelfde deel waar als de smaak. Als nu ook het overige vleesch de smaak waarnam, dan zou de smaak en de tastzin een en dezelfde gewaarwording schijnen; nu zijn zij twee doordat zij niet onderling te verwisselen zijn.[102]Hier doet zich een moeilijkheid voor. Als ieder lichaam diepte heeft als derde afmeting, en twee lichamen waartusschen eenig lichaam is, elkaar niet kunnen aanraken, en het natte niet zonder lichaam is noch het bevochtigde, maar het noodzakelijk water is of water heeft; en wat elkaar aanraakt in ’t water, terwijl de uiteinden niet droog zijn, noodzakelijk water tusschenbeide heeft dat de uiteinden dekt; zoo dit waar is, dan kan het een het ander niet aanraken in het water en op dezelfde wijze ook in de lucht (want de lucht is tegenover de in haar zijnde dingen als het water tot de daarin zijnde dingen, maar wij merken dat minder, evenals ook de dieren in het water, wanneer wat vochtig is het vochtige aanraakt). 423b. Gaat dus de waarneming van alles op dezelfde wijze of bij verschillende dingen verschillend, zooals men maar aanneemt dat de smaak en de tastzin door aanraking en de anderen gescheiden waarnemen? Niet alzoo, maar ook het harde en zachte nemen wij door andere (middenstoffen) waar evenals het geluidgevende, het zichtbare en het ruikbare, maar deze van verre, de eersten van dichtbij. Daarom merken wij het niet, immers wij nemen alles waar door de middenstof, maar bij die gewaarwordingen merken wij het niet. En toch, zooals wij ook vroeger zeiden, ook indien wij door een vlies alle tastbaarheden waarnamen zonder te merken dat het afscheidt, zouden wij ons zoo verhouden als nu in ’t water en in de lucht; want wij meenen nu de dingen zelf aan te raken zonder dat er een middenstof is. Maar het tastbare onderscheidt zich van de zichtbaarheden en geluidgevende dingen doordat wij die gewaarworden door een inwerking van de middenstof op ons,[103]maar de tastbaarheden niet door toedoen van de middenstof maar daarmede tegelijk, zooals die een stoot krijgt door zijn schild heen; immers niet het schild krijgt en geeft den stoot, maar beiden (persoon en schild) krijgen hem tegelijk. In ’t geheel lijkt het dat vleesch en de tong zich tegenover het zintuig zoo verhoudt als de lucht en het water tot het gezicht en ’t gehoor en de reuk. Wanneer het zintuig zelf aangeraakt wordt, kan er noch bij de laatsten noch bij het eersten waarneming zijn b.v. wanneer men eenig wit lichaamonmiddellijkop het oog legt. Hieruit blijkt dat het gewaarwordingsvermogen bij het tastbare inwendig is. Want dan geldt hetzelfde als voor de andere (zinnen); immers wanneer de waarneembaarheden op het zintuig gelegd worden heeft geen gewaarwording plaats, maar wanneer ze op het vleesch gelegd worden, wèl; dus is het vleesch de middenstof van den tastzin.Tastbaar nu zijn de onderscheidingen van het lichaam als zoodanig; ik bedoel de onderscheidingen tusschen de elementen, warm, koud droog en nat, waarover wij vroeger hebben gesproken in het geschrift over de elementen50. Het dezen betreffende tastzintuig, dat, waarin de gewaarwording die tasten heet eigenlijk aanwezig is, is het lichaamsdeel dat in mogelijkheid dusdanig is; want gewaarworden is iets ondergaan. 424a. Dus hetgeen dit naar werkzaamheid aan zichzelf gelijk maakt, werkt daarop in terwijl dit naar mogelijkheid dusdanig is. Daarom nemen wij het even warme en koude of harde en zachte niet waar, maar de overmaat, daar de waarneming als[104]een midden is tusschen de tegenstelling in de waarneembaarheden. En daarom beoordeelt (de waarneming) de waarneembaarheden. Want het midden is oordeelkundig, want het verhoudt zich tot elk van beide tegendeelen als hun tegendeel en zooals wat wit en zwart zal waarnemen geen van beide in werkzaamheid moet zijn en beiden in mogelijkheid (evenzoo bij de andere) zoo moet bij den tastzin (het waarnemende) noch warm noch koud (zijn). Zooals verder het gezicht in zekeren zin het zichtbare en het onzichtbare betrof en eveneens de andere de tegenstellingen waarnamen, zoo betreft ook de tastzin het tastbare en ontastbare; ontastbaar is de tastbaarheid die zeer geringe onderscheiding biedt, zooals de lucht, en de overmaat onder de tastbaarheden zooals de vernietigende. Zoo is nu elk der gewaarwording in omtrek behandeld.424 a 17—b 18. Gewaarwording in ’t algemeen betreft de vormen, niet de materie. Het waarnemende verschilt in wezen van hetobject, doordat het geen grootheid maar een verhouding aan de grootheid is, die daarom vernietigbaar is en niet bij planten voorkomt. De waarneembaarheid is er alleen voor het betreffende vermogen, ook bij tastzin en reuk.In ’t algemeen moet men betreffende alle gewaarwording begrijpen dat de gewaarwording is hetgeen de waarneembare vormen aanneemt zonder de materie, zooals de was het merk van den ring opneemt zonder het ijzer en het goud en het gouden of koperen merk aanneemt maar niet als goud of koper; eveneens wordt de waarneming van ieder aangedaan door hetgeen kleur[105]of smaak of geluid heeft, maar niet in zoover elk van die dingen (iets) maar iets zoodanigs genoemd wordt en naar het begrip. En het zintuig is allereerst datgene, waarin het zoodanige vermogen is. In aanzijn nu is het hetzelfde, maar in begrip iets anders; want het waarnemende is een grootheid, maar het begrip van het waarnemend-zijn en de waarneming is niet grootheid maar een verhouding en vermogen van de grootheid. Hieruit blijkt ook waarom toch de overmaat der waarneembaarheden de zintuigen vernietigen; immers wanneer de beweging van het zintuig te sterk is, wordt de verhouding (d.w.z. de waarneming) opgeheven evenals ook het accoord en de toon, wanneer de snaren sterk getokkeld worden; en waarom de planten niet waarnemen die iets van ziel hebben en iets ondergaan van de tastbaarheden zelve, immers zij worden koud en warm; de oorzaak is nl. dat zij geen middentoestand hebben noch zulk een principe dat de vormen van de waarneembaarheden kan opnemen, maar zij ondergaan ze met de stof. 424b. Men zou kunnen vragen of datgene wat niet kan ruiken iets ondergaat van de reuk of van de kleur wat niet kan zien, en evenzoo bij de anderen. Maar wanneer het ruikbare de reuk is, bewerkt de reuk, zoo iets, het ruiken; dus kan niets wat niet kan ruiken iets ondergaan van de reuk en hetzelfde geldt van de anderen, noch iets van wat wèl kan, anders dan in zoover elk het bepaalde waarnemingsvermogen heeft. Ook blijkt dit aldus. Noch licht of duisternis noch geluid noch reuk doet de lichamen aan maar hun dragers, b.v. de lucht met donder splijt het hout. Maar wèl doen de tastbaarheden en de smaken de lichamen aan; want waardoor[106]zouden anders de onbezielde lichamen aangedaan en veranderd worden? Doen dan soms ook die anderen (nl. licht, geluid, reuk) aan of is niet elk lichaam vatbaar voor inwerking door reuk en geluid en die aangedaan worden zijn onbepaald en houden geen stand, zooals de lucht; want die riekt als op eenige wijze aangedaan. Wat dan is ruiken anders dan iets ondergaan? Of is ruiken ook waarnemen, maar de lucht die aangedaan is, wordt in korten tijd waarneembaar (niet waarnemend.)Eind van boek II.424 b 22—425 b 11. Niet meer dan 5 zinnen mogelijk (de tastzin en die wier elementen water en lucht zijn). Geen bizondere zin voor de gemeenschappelijke waarneembaarheden. Waarom meerdere gewaarwordingen.Dat er geen andere gewaarwording is behalve de vijf—gezicht, gehoor, reuk, smaak, tastzin—kan men hieruit gelooven. Namelijk van alles, waarvan de gewaarwording tastzin is, hebben wij werkelijk gewaarwording (want alle gevallen van het tastbare als zoodanig zijn voor ons door den tastzin waarneembaar); voorts is het noodzakelijk dat, wanneer een gewaarwording ontbreekt, ons ook een zintuig ontbreekt; wat wij door onmiddellijke aanraking waarnemen is door den tastzin waarneembaar, dien wij werkelijk bezitten, wat wij niet onmiddellijk maar door middenstof waarnemen, nemen wij waar door de elementen als lucht en water. Nu is het zoo gesteld dat als wij door één midden[107]meerdere ongelijksoortige waarneembaarheden waarnemen, hij die het overeenkomstige zintuig heeft, noodzakelijk beide moet kunnen waarnemen (als b.v. het zintuig uit lucht is en de lucht de middenstof is voor geluid en kleur); als er meer middenstoffen voor dezelfde gewaarwording zijn b.v. voor kleur lucht en water (want beide zijn doorschijnend), zal degeen die slechts een van beide middenstoffen heeft, waarnemen wat door beiden gaat. 425a. En alleen uit deze twee der elementen zijn de zintuigen, uit lucht en water; (want de pupil is van water, het gehoor van lucht, de reuk van elk van beiden); het vuur behoort tot geen zintuig of gemeenschappelijk tot allen (want niets is tot waarnemen in staat zonder warmte); aarde of tot geen zintuig of is ’t meest met den tastzin bizonderlijk gemengd; zoodat er overblijft dat er geen zintuig is buiten water en lucht. Deze bezitten werkelijk eenige levende wezens en dus bezitten alle gewaarwordingen de niet onvoltooide of gebrekkige wezens; want ook de mol blijkt onder de huid oogen te hebben. Dus als er niet een ander lichaam is of een eigenschap tot geen der aardsche lichamen behoorende, dan ontbreekt er geen gewaarwording.Verder kan er ook geen bizonder zintuig zijn van het gemeenschappelijke dat wij met iedere waarneming bijkomstig waarnemen, als beweging, stilstand, vorm, grootte, getal en eenheid; al deze nl. nemen wij door beweging waar, zooals grootte door beweging en dus ook vorm, want de vorm is een grootte; en het rustende door het niet bewegen; het getal door de ontkenning van het aanéén zijn en door de bizondere waarnemingen; want elke waarneming neemt één ding waar. Het is[108]dus duidelijk dat er van geen enkele van deze een eigen gewaarwording zijn kan b.v. van beweging; want het zal zoo zijn, zooals wij nu met het gezicht het zoete waarnemen. Dit komt omdat wij van beiden gewaarwording hebben waardoor wij ook wanneer zij samenvallen ze tegelijk kennen; zoo niet, dan zouden wij het alleen bijkomstiglijk waarnemen, zooals den zoon van Kleon niet als zoon van Kleon maar als wit en dit (witte) heeft als bijkomstigheid zoon van Kleon te zijn. Van het gemeenschappelijke hebben wij stellig een gemeenschappelijke, niet bijkomstige, gewaarwording, die dus niet een eigene is; want anders zouden wij ze niet waarnemen dan zooals gezegd is betreffende het zien van Kleon’s zoon. De bij elkaar als eigen behoorende waarneembaarheden nemen de gewaarwordingen bijkomstiglijk waar, niet als die enkelen zoodanig, maar in zoover de gewaarwording één is, wanneer zij tegelijk hetzelfde betreft b.v. van gal als bitter en geel; want het is niet het werk van een andere gewaarwording te zeggen dat beiden één zijn; daarom vergist men zich ook en meent men, wanneer iets geel is, dat het gal is. 425b. Men zou kunnen vragen waarom wij meerdere gewaarwordingen en niet eene alleen hebben. Wellicht opdat de als algemeenheden met de gewaarwordingen verbondene ons niet zouden ontgaan, als beweging, grootte en getal; want indien alleen het gezicht er was en dat het witte betrof, zou van alles veel ontgaan en hetzelfde schijnen doordat tegelijk kleur en grootte met elkaar verbonden waren. Maar daar nu ook in een andere waarneembaarheid de algemeenheden aanwezig zijn, wordt het duidelijk dat elk van dezen iets anders is.[109]424 b 12—427 a 16. Gewaarwording van de waarneembaarheid gaat gepaard met die welke zichzelve betreft. Gewaarwording in werkzaamheid is hetzelfde als het waarneembare in werkelijkheid en werkzaam in het naar mogelijkheid waarneembare. Dit laatste blijft ook zonder de gewaarwording in werkzaamheid. Gewaarwording is evenals accoord een verhouding van het zintuig en het waarneembare, die verstoord kan worden door overmaat. Het gemengde geeft meer genot in de gewaarwording dan het eenvoudige. Onderscheiding van gelijktijdige ongelijksoortige waarneembaarheden door één gewaarwording, die gelijkheid en verschil tegelijk waarneemt zooals het punt één of twee is.Daar wij gewaarworden dat wij zien en hooren, moet men door het gezicht waarnemen dat men ziet of door een andere gewaarwording. Maar dan betreft dezelfde waarneming het gezicht en de voorwerpelijke kleur en zoo zullen twee waarnemingen bij hetzelfde voorwerp zijn of de waarneming zal zichzelf betreffen. Neemt men aan dat de gewaarwording van het gezicht een andere is, dan komt men tot eindeloosheid of eenige waarneming zal zichzelf betreffen. Dus moet men dat van de eerste waarneming laten gelden. Hier is de moeilijkheid dat, als gezichtswaarneming zien is er wat gezien wordt kleur of het kleurhoudende is, wanneer men het ziende ziet, het eerste ziende kleur moet hebben. Dus blijkt dat gezichtswaarneming hebben niet één is; immers ook wanneer wij niet zien, oordeelen wij met het gezicht en de duisternis en het licht, maar niet op gelijke wijze. Verder is ook het ziende in zekeren zin gekleurd; want[110]het zintuig neemt elk der waarneembaarheden op zonder de stof. Daarom zijn ook wanneer de waarneembaarheden verwijderd zijn de waarnemingen en beelden in de zintuigen.In de werkzaamheid zijn het waarneembare en de waarneming een en hetzelfde, in het begrip niet. B.v. het geluid en het gehoor in werkzaamheid; men kan nl. gehoor hebben zonder te hooren en wat geluid heeft maakt niet steeds geluid. Maar wanneer wat kan hooren en wat geluid kan geven in werkzaamheid is, dan komt tegelijk het gehoor in werkzaamheid en het geluid in werkzaamheid; het eene kan menhooringἄκουσιςen het anderegeluidingψόφησιςnoemen.426a. Indien nu de beweging en de bewerking en inwerking ligt in wat bewerkt wordt, moet ook het geluid en het gehoor in werkzaamheid liggen in wat de mogelijkheid bezit; want de werkzaamheid van het bewerkende en bewegende ligt in het lijdende; daarom is het niet noodzakelijk dat het bewegende bewogen wordt. De werkzaamheid nu van het geluid hebbende is geluid of geluiding, van het gehoorhebbende gehoor of hooring; want gehoor istweeërleien geluid en hetzelfde geldt van de andere waarnemingen en waarneembaarheden. Namelijk zooals de bewerking en de inwerking ligt in het lijdende en niet in het bewerkende, zoo ligt ook de werkzaamheid van het waarneembare en het waarneming hebbende in het waarneming hebbende. Maar bij eenige is er een woord voor b.v. de geluiding en de hooring, bij eenige is een van beide nameloos; men spreekt van aanschouwing als het gezicht in werkzaamheid is, maar de werkzaamheid van de kleur is[111]zonder naam, en het smaken is de werkzaamheid van het smaak hebbende, maar die van (’t voorwerp van) de smaak is zonder naam. Daar in werkzaamheid het waarneembare en het waarneminghebbende één is, maar in begrip onderscheiden, moeten noodzakelijk het gehoor en geluid in dien zin tegelijk te loor gaan en behouden blijven, evenzoo ’t voorwerp van smaak en het smaken enz., doch niet noodzakelijk wat in mogelijkheid zoo is; maar de vroegere natuurkundigen dwaalden in hun meening dat niets wit of zwart zonder gezicht, noch voorwerp van smaak was zonder smaken. Immers in een zin hadden zij gelijk, in een anderen zin dwaalden zij: want terwijl men intweeërleizin spreekt van de gewaarwording en het waarneembare, deels als van dingen in mogelijkheid, deels in werkzaamheid, geldt het gezegde van de laatsten, maar geldt niet van de eersten. Maar zij spraken in volstrekten zin over wat niet ononderscheiden geldt.Als het accoord een stemklank is, en de stemklank en het gehoor in een opzicht één (in een ander niet één) en het accoord een verhouding is, moet ook het gehoor een verhouding zijn. En daarom ook vernietigt elke overmaat, zoowel het hooge als het lage, het gehoor; eveneens in de smaken de smaak en in de kleuren het zeer schitterende of duistere het gezicht en bij den reuk de sterke reuk, zoo de zoete als de bittere, omdat de gewaarwording een verhouding is. 426b. Daarom geven wel ook de waarneembaarheden wanneer zij zuiver en ongemengd in de verhouding komen genot, als het zure of zoete of zoute; dan immers geven zij genot; maar[112]in ’t geheel meer het gemengde, het accoord51, dan het hooge of het lage. Voor den tastzin is het aangename wat verwarmd of verkoeld kan worden en de gewaarwording is de verhouding; bij overmaat is er pijn of vernietiging.Elke waarneming nu betreft het voorwerpelijke waarneembare en is aanwezig in het zintuig als zoodanig en beoordeelt de onderscheiden van het voorwerpelijke waarneembare, b.v. wit en zwart het gezicht, zoet en en bitter de smaak enz. Daar wij ook het witte en het zoete en iedere andere waarneembaarheid met iedere andere vergelijken, waardoor dan nemen wij hun onderscheid waar? Noodwendiglijk door waarneming, aangezien het waarneembaarheden zijn. Hieruit blijkt ook dat het vleesch niet het eigenlijke zintuig is; want dan zou noodzakelijkerwijze het vergelijkende het ding zelf moeten aanraken. Maar het is ook niet mogelijk met afzonderlijke zintuigen te oordeelen dat het zoete iets anders is dan het witte, maar noodzakelijk moeten beiden voor één enkel (zintuig) duidelijk zijn. Want anders zou ook indien ik het eene en gij het andere zoudt waarnemen, duidelijk zijn dat de beide voorwerpen verschillend zijn. Maar het ééne moet zeggen dat het iets anders is; want het zoete is iets anders dan het witte. Het is blijkbaar hetzelfde, wat zoo zegt en zooals het zegt, zoo ook denkt het en wordt het gewaar. Het blijkt dus nu dat het niet mogelijk is met verschillende zintuigen de verschillende waarneembaarheden te oordeelen; dat het evenmin mogelijk is in verschillende tijden, blijkt[113]hieruit. Zooals namelijk hetzelfde zegt dat het goede iets anders is dan het kwade, zoo ook wanneer het zegt dat het eene en het andere iets anders zijn, is het „wanneer” geen bijkomstigheid, d.w.z. dat iknuzeg, dat het iets anders is, maar niet dat hetnuiets anders is; maar nu zegt men dat het zoo is en dat het nu zoo is, dus tegelijk. En dus ongescheiden en in ongescheiden tijd. Evenwel het is onmogelijk dat hetzelfde tegelijk tegengestelde bewegingen ondergaat als ongedeeld en in ongedeelden tijd. Want iets zoets brengt deze beweging in de gewaarwording of het denken, het bittere de tegengestelde en het witte een andere. 427a. Is dus niet het oordeelende tegelijkertijd en in getal ongedeeld en onscheidbaar, maar in begrip onderscheiden? Dan is het dus eenerzijds het gedeelde dat de gedeelden waarneemt, anderzijds zooals het als ongedeeld is; immers in begrip gedeeld, naar plaatsengetal ongedeeld. Is dit wel mogelijk? Immers in mogelijkheid zijn de tegendeelen hetzelfde en ongedeeld (ofschoon niet in het begrip), maar in werkzaamheid gedeeld en het is niet mogelijk dat iets tegelijk wit en zwart is, dus ook niet dat iets de vormen daarvan opneemt, als dat waarnemen en denken is. Maar dit verhoudt zich zooals wat sommigen het punt noemen, het eene als twee en in zooverre gedeeld. In zoover nu het ongedeeld is, is het oordeelende een en tegelijkertijd, in zoover het gedeeld is, is het niet één; immers men gebruikt twee keer hetzelfde punt tegelijk; in zoover men nu het grenspunt als twee gebruikt, zijn het twee die oordeelen en gescheiden als met in zekeren zin gescheiden waarneming; in zooverre het punt één is, oordeelt men met één en[114]tegelijk52. Over het principe nu volgens hetwelk het levend wezen gewaarwording heeft, mogen zulke bepalingen gelden.427 a 17—b 26. Onderscheid tusschen gewaarworden, denken en voorstelling.Naar twee onderscheidingen wordt hoofdzakelijk de ziel bepaald, naar plaatselijke beweging en naar het denken en het oordeelen en waarnemen. Ook het begrijpen en denken schijnt een waarnemen te zijn (want in deze beiden oordeelt en kent de ziel eenig ding). En de ouden noemen zeker het denken en waarnemen hetzelfde, zooals ook Empedokles heeft gezegd: „naar het aanwezige groeit de gedachte bij de menschen” en elders: „van daar overkomt het hen ook steeds anderssoortige dingen te denken” en hetzelfde bedoelt ook het Homerische: „zoodanig toch is de geest”53.Deze allen immers achten het denken evenals het waarnemen van lichamelijken aard en dat men met het gelijke waarneemt en denkt het gelijke, zooals wij in den aanvang uiteen hebben gezet. 427b. Echter hadden zij tevens ook over de dwaling moeten spreken, die immers aan de levende wezens meer eigen is en daarin verblijft de ziel den meesten tijd. Dus is het noodzakelijk dat of, zooals sommigen zeggen, alle verschijnselen waar zijn of dat de aanraking van het ongelijke dwaling is, want dat staat tegenover het kennen van het gelijke door het gelijke; en ook is de dwaling en het weten betreffende de tegendeelen hetzelfde. Echter blijkt dat het waarnemen[115]en het denken niet hetzelfde zijn. Want het eerste bezitten alle dieren, het laatste weinigen. Maar ook het begrijpen, dat juist en onjuist kan zijn, juist als verstand, wetenschap en ware meening, onjuist als het omgekeerde daarvan, ook dat is niet hetzelfde als het waarnemen; want de waarneming betreffende de eigen waarneembaarheden is altijd waar en is aanwezig bij alle dieren, maar denken kan men ook onwaar en niemand heeft het die ook niet rede bezit; want voorstelling is iets anders dan waarneming en begrip, en zij (de voorstelling) wordt niet zonder waarneming en zonder haar is er geen opvatting. Dat de voorstelling54niet zelf begrip en opvatting is, is duidelijk. Want dit gebeuren (van de voorstelling) is van onzen wil afhankelijk (want men kan zich iets voor oogen stellen, zooals zij die in de geheugenkunst door beelden iets vasthouden), maar niet het meenen, want (daarbij) moet men òf onwaar òf waar zijn. Bovendien wanneer wij iets ergs of vreeselijks meenen, ondergaan wij onmiddellijk die gewaarwording tevens en eveneens bij het bemoedigende; bij de voorstelling verhouden wij ons zoo alsof wij het vreeselijke of bemoedigende geschilderd aanschouwden. Er zijn ook van de opvatting zelf onderscheidingen, wetenschap, meening, verstand en hun tegendeelen; over het onderscheid daartusschen moet elders gesproken worden.427 b 27–429 a 9. Voorstelling, een vermogen van oordeelen, is niet gewaarwording; ook niet kennis of begrip. Evenmin is zij meening met of door gewaarwording[116]of verbinding van ’t eene en ’t andere b.v. voorstelling van en meening omtrent de grootte van de zon. De voorstelling is een beweging uit die der gewaarwording in werkzaamheid voortkomende, welke beweging vooral bij de algemeene bijkomstige gewaarwordingen valsch kan zijn, vooral als het voorwerp ver verwijderd is. Naam en werking der voorstelling.Het denken, iets anders dan het waarnemen, is deels voorstelling deels opvatting; na de bepaling van de voorstelling, moeten wij spreken over het andere. 428a. Als dan de voorstelling datgene is dat in ons een beeld doet opkomen, en niet overdrachtelijk is bedoeld, dan is zij een vermogen of gesteldheid van diegenen, volgens dewelke wij oordeelen, waar of onwaar. Dezulke zijn gewaarwording, meening, wetenschap, begrip. Dat de voorstelling nu niet gewaarwording is, blijkt hieruit dat gewaarwording of mogelijkheid of werkzaamheid is b.v. gezicht en aanschouwing, maar voorstelling is dààr, ook zonder dat een van beiden aanwezig is, zooals bij droomen. Verder is gewaarwording altijd aanwezig, voorstelling niet. Als zij in werkzaamheid hetzelfde waren, zouden alle dieren voorstelling kunnen hebben, doch dit is niet aan te nemen b.v. bij een mier, bij of worm. Verder zijn de gewaarwordingen altijd waar, de meeste voorstellingen onwaar. Vervolgens zeggen wij ook niet, wanneer wij nauwkeurig in het waarneembare werkzaam zijn „ditschijntons een mensch”, maar veeleer wanneer wij niet duidelijk gewaarworden. En ook zooals wij vroeger zeiden, verschijnen gezichten ook als men de oogen sluit. Maar ook kan zij geen zijn van die[117]altijd waar zijn, als wetenschap of begrip; want er is ook onware voorstelling. Er blijft dus over na te gaan of zij meening is; want meening is en waar en onwaar. Maar met meening gaat geloof samen (want het is onmogelijk bij meening niet te gelooven wat men meent) en geloof heeft geen dier, maar in velen is voorstelling. [Verder gaat elke meening vergezeld van geloof, geloof van overtuigd zijn, overtuiging van rede; van de dieren hebben sommigen wel voorstelling, maar geen rede]. Het blijkt verder dat voorstelling ook niet meening met of door gewaarwording of vereeniging van meening en gewaarwording kan zijn om genoemde redenen en hierom: natuurlijk betreft de meening niet iets anders, maar datgene dat ook de waarneming betreft nl. uit de meening en de waarneming van het witte komt als hun vereeniging de voorstelling, immers niet uit de meening van het goede en de waarneming van het witte: zoo is dan het zich voorstellen het meenen van wat men niet bijkomstig waarneemt. 428b. Maar in de voorstelling zijn ook onwaarheden waaromtrent men tegelijk een ware opvatting heeft b.v. de zon stelt men zich voor als van één voet middellijn, maar men is overtuigd dat zij grooter is dan de aarde; waaruit dus volgt dat men òf zijn ware meening heeft verloren, die men had, terwijl het voorwerp onveranderd blijft, zonder die vergeten te zijn of bewustelijk veranderd te hebben òf als men haar nog heeft, dan moet noodzakelijk dezelfde meening waar en onwaar zijn.Maar zij werd onwaar, zoo dikwijls men niet bemerkte dat het voorwerp omsloeg55.Alzoo is de[118]voorstelling noch een van deze noch uit deze (gewaarwording, meening) voortkomend.Maar het is mogelijk dat wanneer een ding bewogen wordt daardoor een ander bewogen wordt en de voorstelling schijnt een beweging te zijn en niet zonder waarneming te gebeuren maar bij waarnemenden en betreffende hetgeen waarneembaar is; en het is mogelijk dat een beweging ontstaat door de werkzaamheid der waarneming, die noodzakelijk overeenkomstig moet zijn met de waarneming. Zoo is dan deze beweging niet mogelijk zonder waarneming noch kan zij aanwezig zijn bij wie niet waarnemen en door haar kan het subjekt veel doen en lijden en zij kan waar en onwaar zijn. Dit volgt hieruit. De waarneming van de eigen waarneembaarheden is waar of heeft het minst onwaarheid. Daarna de waarneming van deze dingen als bijkomstigheden; hierin kan men zich dan bedriegen: dat nl. iets wit is, daarin bedriegt men zich niet; dat het witte dit of iets anders is, daarin wèl. Ten derde de waarneming van de algemeene bepalingen die de bijkomstigheden vergezellen als de eigen waarneembaarheden aanwezig zijn, zooals beweging en grootte [die bijkomstigheden zijn van de waarneembaarheden]; hieromtrent kan men zich in de waarneming dan het meest bedriegen. De beweging voortkomend uit de werkzaamheid der waarneming moet verschillen bij elk van die drie waarnemingen. En de eerste is als de waarneming er bij is, waar, de[119]anderen kunnen én bij aan- én bij afwezigheid (der waarneming) onwaar zijn, vooral wanneer de waarneembaarheid ver verwijderd is. 429a. Als dus de voorstelling niets anders is56dan is zij een beweging door de werkzaamheid der waarneming opgewekt. Daar het gezicht in de eerste plaats waarneming is, heeft zij ook haar naam vanφάος(licht) gekregen, daar men zonder licht niet zien kan. En omdat de voorstellingen bijblijven en overeenkomstig zijn aan de gewaarwordingen, handelen de levende wezens vaak daarnaar, deels doordat ze geen verstand hebben als de dieren, deels doordat het verstand soms bedekt wordt door hartstocht, of ziekten of slaap, als bij de menschen. Zooveel nu over de voorstelling, wat zij is en waardoor zij is.429 a 10-b 9. Het denkvermogen of de geest, onbepaald, vatbaar voor alle vormen, in mogelijkheid alle denkbaarheden en zuiver, is in zijn wezen mogelijkheid, en dus niet lichamelijk bepaald. De onbepaaldheid der zintuigen bij zinnelijke gewaarwording is niet volstrekt, als die van den geest. Op zichzelf betrokken is de geest ook nog in mogelijkheid.Over het deel van de ziel waardoor de ziel kent en denkt moet men ’t onderscheid nagaan of het scheidbaar is dan wel onscheidbaar naar grootte maar niet naar ’t begrip en hoe eigenlijk het denken tot stand komt. Alsnu het denken is als het waarnemen, dan is het iets ondergaan door het denkbare of iets dergelijks. Dus moet het onaangedaan zijn, geschikt om den vorm te[120]vatten en naar mogelijkheid iets zoodanigs maar niet dit ding en zooals het waarnemingsvermogen tegenover de waarneembaarheden zoo moet de geest zich verhouden tot de denkbaarheden. Dus moet de geest, daar hij alles denkt, onvermengd zijn, zooals Anaxagoras zegt, opdat hij beheersche d.w.z. opdat hij kenne; want het vreemde dat zich bijtoont hindert en verspert; dus heeft de geest geen andere natuur dan dat hij iets in mogelijkheid is. Het geest genoemde deel van de ziel (geest noem ik dat waarmee de ziel denkt en opvat) is dus in werkzaamheid niets van de dingen alvorens te denken. Daarom heeft het ook geen zin dat hij vermengd is met het lichaam; want dan zou hij bepaald worden, koud of warm, of hij zou ook een zintuig hebben, zooals het waarnemingsvermogen, en toch heeft hij er geen. En die de ziel de plaats der vormen noemen, doen niet verkeerd, doch niet de heele ziel maar de denkende en de vormen niet in werkzaamheid maar in mogelijkheid. Dat het onaangedaan zijn van het waarnemingsvermogen en het denkvermogen niet gelijksoortig is, blijkt bij de zintuigen en de waarneming. 429b. Want de waarneming kan niet waarnemen na het in hooge mate waarneembare b.v. geluid na sterke geluiden of na sterke kleuren en reuken zien of ruiken; maar de geest, wanneer hij iets zeer denkbaars denkt, denkt niet minder de mindere denkbaarheden maar veeleer meer; want het waarnemingsvermogen is niet zonder lichaam, maar de geest is gescheiden. Wanneer hij zóó alles wordt, zooals men spreekt van de in werkzaamheid kundige (dit gebeurt wanneer hij door zichzelf tot werkzaamheid kan komen), zoo is hij ook dan in zeker opzicht in mogelijkheid, maar[121]maar niet zooals voordat hij geleerd of gevonden heeft; en ook zichzelf kan hij dan denken.429 b 10–430 a 9. Het onmiddellijke, het mathematische, het begrip staan verschillend tegenover den geest. Als onaangedaan en zuiver en zichzelf denkend is de geest alles in mogelijkheid, niets in werkelijkheid vóór zijn werking, als een onbeschreven blad. Denken en begrip zijn hetzelfde; het zakelijke is begrip in mogelijkheid, afgezien van de stof.Daar grootte en het begrip van grootte, water en ’t begrip van water te onderscheiden is (zoo ook bij vele andere dingen, doch niet bij allen, want bij sommigen is het hetzelfde) oordeelt men het begrip van vleesch en het vleesch ook met iets anders of met iets in andere verhouding; want het vleesch is niet zonder de materie maar als het stompneuzige, bepaalde vorm in bepaalde materie. Met het waarnemingsvermogen nu oordeelt men over het warme en koude en die elementen waarvan het vleesch een bepaalde verhouding is; het begrip van vleesch met iets anders óf iets gescheidens óf dat is als de verhouding van de gebroken lijn tot zichzelf als gestrekte. Verder bij de wiskundige dingen het rechte als het stompneuzige, want het is gebonden aan uitgebreidheid; maar het begrip, als het begrip van het rechte en het rechte verschillend zijn, is iets anders; laat het zijn tweeheid. Dus oordeelt men het met iets anders of dat zich anders verhoudt. En zooals dus in ’t geheel de zaken gescheiden zijn van de materie, zoo ook gaat het met den geest. Men kan vragen, als de geest eenvoudig is en onaangedaan en met niets iets[122]gemeen heeft, zooals Anaxagoras zegt, hoe hij dan zal denken, indien het denken is iets ondergaan. Want in zoover twee dingen iets gemeen hebben, is het eene werkend het andere lijdend. Bovendien, (is er de verlegenheid), als hij zelf denkbaar is. Want dan moet of bij de andere dingen geest aanwezig zijn, als de geest zelf niet om iets anders denkbaar is en het denkbare één is in soort, òf de geest moet iets gemengds hebben dat hem denkbaar maakt als de andere dingen. Maar het lijden in iets gemeenschappelijks is vroeger onderscheiden, dat de geest in zekeren zin naar mogelijkheid de denkbaarheden is, maar niets in werkelijkheid voordat hij denkt.430a.Men begrijpehet zoo als op een schrijftafel, waarop niets in werkelijkheid geschreven is; wat het geval is bij den geest. En zelf is hij denkbaar zooals de denkbaarheden. Want bij de dingen zonder materie is het denkende en het gedachte hetzelfde; want de theoretische kennis en wat zoo gekend wordt is hetzelfde. De oorzaak dat men niet altijd denkt moet nagegaan worden. In de materieele dingen is in mogelijkheid elk der denkbaarheden. Dus bezitten zij geen geest (want de geest is de mogelijkheid der zoodanige dingen zonder hun materie) maar de geest bezit wel het denkbare.430 a 10–a 25. Als in de geheele natuur, zoo ook in den geest onderscheiding van materie en vorm, passieve en actieve geest. De actieve een gesteldheid als ’t licht, naar wezen werkzaamheid, zelfstandig, onaangedaan, zuiver en alleen onsterfelijk en eeuwig zichzelf. Die kan niet omvat worden door het sterfelijk bewustzijn, want de actieve geest denkt niets zonder het sterfelijk bewustzijn, dat eenheid van lijden en werken is.[123]Daar er, evenals in de heele natuur, iets is eenerzijds materie voor elk soort (dat is wat in mogelijkheid al de dingen van die soort is) anderzijds het veroorzakende en bewerkende doordat het alle dingen maakt, (zooals de verhouding is tusschen de kunst en de materie), zoo moeten ook in de ziel deze onderscheidingen aanwezig zijn. En zoodanig is de eene geest door alles te worden, de andere door alles te maken, als een gesteldheid, gelijk het licht; want op een zekere wijze maakt ook het licht de kleuren naar mogelijkheid tot kleuren in werkzaamheid. En deze geest is gescheiden, onaangedaan en ongemengd, van wezen werkzaamheid zijnde. Want altijd is hooger het bewerkende dan het lijdende en het principe dan de stof. En de kennis in werkzaamheid is hetzelfde als de zaak; (de kennis naar mogelijkheid gaat in tijd vooraf bij den enkele, maar in ’t geheel ook niet in tijd) en deze geest denkt niet nu wèl, dan niet. Op zichzelf is hij alleen dat wat hij is en dat alleen is onsterfelijk en eeuwig. Wij hebben er geenbewustzijnvan, omdat dit onaangedaan is en de lijdende geest vergankelijk is en (de actieve geest) zonder deze niets denkt.

416 a 19-b 31. Voeding werking van tegendeelen op elkaar of van gelijk op gelijk? Vooronderstelt bezield zijn en is te onderscheiden van wasdom, maar leidt tot de voortplanting, die dus doel is van de eerste (eenvoudigste) ziel. Bij voeding is de verwerkende warmte voorondersteld als de hand bij het sturen.[80]Daar hetzelfde vermogen van de ziel voedings- en voortplantingsvermogen is, is het noodig ook eerst omtrent voeding te spreken, want door die verrichting onderscheidt zich dit vermogen van de anderen. Men meent dat de voeding is tegendeel met tegendeel, maar niet elk met elk, maar die tegendeelen die niet alleen ontstaan uit elkander hebben maar ook wasdom; immers vele dingen ontstaan uit elkaar die niet allen bepaalde grootheden zijn, zooals het gezonde uit het zieke. Ook de bepaalde grootheden blijken niet evenzeer voor elkander voeding te zijn, maar het water wèl voor het vuur, het vuur echter voedt het water niet. Onder de enkelvoudige lichamen nu zijn deze (tegendeelen) wel eenerzijds voeding, anderzijds wat gevoed wordt. De moeilijkheid doet zich voor dat volgens de eenen het gelijke door het gelijke gevoed wordt alsook groeit, de anderen denken, zooals gezegd is, omgekeerd het tegendeel door het tegendeel, daar het gelijke geen werking ondervindt van het gelijke en het voedsel verandert en verteerd wordt: en de verandering gaat bij alles naar het tegengestelde of het midden (neutrale). 416b. Verder ondervindt het voedsel werking van wat gevoed wordt, maar niet omgekeerd, evenals de timmerman niet van de stof maar de stof van hem, en de timmerman verandert alleen van rust tot bedrijvigheid. Maar of het voedsel het laatst bijkomende is of het eerste, dat maakt onderscheid. Zoo beide, maar het eerst bijkomende als onverteerd, het laatste als verteerd, dan kan men in beiderlei zin over het voedsel spreken; in zoover het onverteerd is, wordt het tegendeel door het tegendeel gevoed, in zoover het verteerd is, het gelijke door het gelijke. Dus blijkt[81]dat beiden in zeker opzicht juist en niet juist spreken. Daar niets zich voedt dat geen deel heeft aan leven, is het bezielde lichaam als zoodanig hetgeen gevoed wordt en het voedsel heeft niet slechts een bijkomstige betrekking tot het bezielde. Het begrip van voeding en bewerking van groei is niet hetzelfde; in zoover n.l. het bezielde een grootheid is, geldt bewerking van groei, inzoover het een bepaald iets en wezen is, voeding; want deze handhaaft het wezen en iets bestaat zoolang het gevoed wordt en de voeding veroorzaakt de wording, niet van hetgeen gevoed wordt, maar van zijnsgelijke; want zijn wezen bestaat reeds en niets verwekt zichzelf maar handhaaft zich. Dus is het zoodanige zielsprincipe het vermogen dat den bezitter handhaaft in zijn wezen en het voedsel brengt dat vermogen tot bedrijvigheid. Daarom is zonder voedsel geen bestaan mogelijk. Als wij drie onderscheiden, wat gevoed wordt, waardoor het gevoed wordt en het voedende, is het voedende de eerste ziel, wat gevoed wordt het deze bezittende lichaam, waardoor het gevoed wordt het voedsel. Daar men naar het doel alles behoort te noemen en het doel is de verwekking van zijnsgelijke, is de eerste ziel datgene wat het zijnsgelijke verwekken kan. „Waardoor het gevoed wordt” is tweevoudig, evenals waardoor men stuurt, en de hand en het roer, het eene bewegende en bewogen wordende, het andere alleen bewogen wordende. Alle voedsel nu moet noodzakelijk verteerd kunnen worden, en het is de warmte die de vertering bewerkt; daarom heeft elk bezield wezen warmte. In omtrek nu is hiermede gezegd wat voeding is, uitvoeriger[82]moet later de zaak verduidelijkt worden in de daarover handelende geschriften38.416 b 32—418 a 6. Van voeding tot gewaarwording komende, eerst over deze in ’t algemeen als een verandering. Hierbij dezelfde vraag als bij de voeding en voorts waarom zij niet inwendig werkt maarobjectenvereischt. Zij is alleen naar mogelijkheid. Onderscheidingen in de mogelijkheid, bij doen en lijden of veranderen—veranderen tot vernietiging of tot verwezenlijking. Dit onderscheid is niet met een woord te noemen. De gewaarwording betreft het enkele, anders dan de kennis die het algemeene betreft; dit laatste is in de ziel, het eerste is van buiten. De verhouding van zintuig en waarneembaarheid als tusschen mogelijkheid en werkzaamheid lost ook de eerste vraag naar ’t gelijke of ’t ongelijke op.Na deze uiteenzetting willen wij over alle waarneming in ’t algemeen spreken. De gewaarwording gaat door ’t bewogen worden en lijden, zooals gezegd is; want zij is een zekere verandering. Maar sommigen zeggen dat ook het gelijke van het gelijke inwerking lijdt; hoe dit mogelijk of onmogelijk is hebben wij in de algemeene besprekingenomtrent ’t doen en lijden39gezegd. Er doet zich een moeilijkheid voor, waarom er ook van de gewaarwordingen zelf geen gewaarwording is en waarom (de zintuigen) zonder de dingen van buiten geen gewaarwording tot stand brengen, terwijl ze vuur, aarde en de andere elementen inhouden, waarop de gewaarwording[83]zich richt, op hen zelf of op hun bijkomstigheden. Het is dus duidelijk dat het zintuig niet in bedrijvigheid is, maar slechts in mogelijkheid. Dus is het er mede zoo, gelijk het brandbare niet brandt op zich zelf zonder het verbrandende; anders zou het zichzelf verbranden en niet het vuur in werkelijkheid noodig hebben. Daar wij op tweeërlei wijze spreken van gewaarworden (want wij zeggen dat hetgeen naar mogelijkheid hoort en ziet, hoort en ziet, ook als het slaapt, evenals hetgeen nu bedrijvig is), spreekt men ook op tweeërlei wijze van de gewaarwording, eenerzijds als naar vermogen, anderzijds als in bedrijvigheid en evenzeer van het gewaarworden, naar vermogen en in werkzaamheid. Laten wij nu eerst spreken alsof het inwerking lijden en het bewogen worden en het werkzaam zijn hetzelfde is; want de beweging is een zekere werkzaamheid, die echter onvoltooid is40, zooals elders gezegd is. Alles lijdt inwerking en wordt bewogen door het bewerkende en in werkzaamheid zijnde; daarom laat zich zeggen dat het inwerking lijdt van het gelijke alsook van het ongelijke, zooals wij zeiden; want de inwerking lijdt het ongelijke, maar die geleden hebbende is het gelijk.Ook moeten wij onderscheiding maken omtrent vermogen en werkelijkheid; nu immers spreken wij er zonder onderscheid over. Er is iets kundig op die wijze, zooals wij een mensch kundig noemen omdat de mensch behoort tot de kundigen en de kennis hebbenden; ook op die wijze, zooals wij kundig noemen hem die de spraakleer kent; ieder van deze beiden bezit het vermogen[84]niet op dezelfde wijze, maar de een omdat zijn soort en stof dusdanig is, de andere omdat hij, als hij wil in staat is tot kennisuitoefening, als niets van buiten het belet; dienuaan de uitoefening is, is kundig in werkelijkheid en in eigenlijken zin kennende deze A. De beide eersten nu zijn naar mogelijkheid kundig, maar de een is veranderd door leering en misschien uit de tegengestelde toestand omgeslagen, maar anders die uit hetbezittenvan de gewaarwording of de spraakleer zonder uitoefening tot het uitoefenen overgaat.417b. Ook het inwerking ondergaan is niet eenvoudig, maar het eene is een zekere vernietiging door zijn tegendeel, het andere veeleer een bestendiging van het in mogelijkheid zijnde door het in werkelijkheid zijnde en dat zoo eraan gelijk is als mogelijkheid zich verhoudt tot werkelijkheid; want dat wat de kunde heeft wordt kennisnemend, wat òf geen verandering is (immers de toename is tot eigen voleinding en tot werkelijkheid)òf een ander soort van verandering. Daarom moet men niet zeggen dat het denkende in het denken verandert evenmin als de bouwmeester wanneer hij bouwt. Wat nu tot werkelijkheid voert uit hetgeen in mogelijkheid is moet betreffende het denken en beseffen niet leering heeten maar anders; maar wat uit den staat van mogelijkheid leert en kennis krijgt door wat in werkelijkheid en onderwijzend is, daarvan moet men niet zeggen dat het lijdt of twee wijzen aannemen van verandering, de verandering tot de ontstentenis en die tot de gesteldheid en wezenlijkheid. Voor het gewaarwordingsvermogen is de eerste verandering door het verwekkende, wanneer het verwekt is, verhoudt het zich reeds als[85]kunde en het gewaarworden41. En het gewaarworden in bedrijvigheid wordt gezegd evenals het kennisnemen, maar het verschilt doordat bij het gewaarworden de oorzaken van de bedrijvigheid van buiten komen, het zichtbare en het hoorbare, en eveneens de overige waarneembaarheden. De oorzaak hiervan is dat de gewaarwording in werkzaamheid de enkele dingen betreft, de kunde de algemeenheden; deze laatsten zijn op zekere wijze in de ziel zelf. Daarom staat het denken in eigen macht wanneer men wil, gewaarworden niet in eigen macht; immers het is noodig dat het waarneembare aanwezig is. Hetzelfde is het geval met de wetenschappen betreffende de waarneembaarheden en door dezelfde oorzaak, omdat de waarneembaarheden zijn de enkele dingen van buiten.Maar hierover hebben wij later gelegenheid tot duidelijker uiteenzetting. Nu gelde deze bepaling dat hetgeen als in mogelijkheid genoemd wordt niet enkelvoudig is, maar eenerzijds zooals men zegt dat het kind veldheer kan zijn, anderzijds zooals men het van hem, die de militaire leeftijd heeft zegt en dat zoo zich ook het gewaarwordingsvermogen verhoudt. 418a. Daar het onderscheid hiervan geen naam heeft, maar het als onderscheid en als welk onderscheid bepaald is, moet men noodzakelijk het lijden en veranderen als de geldige benamingen gebruiken. Het gewaarwordingsvermogen is in mogelijkheid zooals het waarneembare reeds in werkelijkheid is, gelijk gezegd is. Het ondergaat inwerking als het niet gelijke, maar na de inwerking is het gelijk gemaakt en is zooals het andere.[86]418 a 7—a 25. Waarneembaarheid: algemeene, eigene, bijkomstige. De eigene zijn de eigenlijke, waarnaar het wezen van de gewaarwording bepaald is.6. Bij elke gewaarwording moeten wij over het waarneembare eerst spreken. Van het waarneembare spreekt men in drieërlei zin; hierbij neemt men twee dingen eigenlijk waar, één bijkomstiglijk. Van de twee is het eene eigen aan elke gewaarwording, het andere gemeenschappelijk aan allen. Eigen noem ik dat, wat men met een andere gewaarwording niet kan waarnemen en waaromtrent men zich niet kan vergissen, als het gezicht tegenover de kleur, het gehoor tegenover het geluid en de smaakzin tegenover de smaak. De tastzin laat meerdere onderscheidingen gelden; toch oordeelt elke (zin) over déze dingen en vergist zich niet dat er kleur of geluid is, maar wat het gekleurde is of waar, of wat het geluidgevende is of waar. Dergelijke dingen nu zijn eigen aan elke (zin), gemeenschappelijk zijn beweging, rust, getal, vorm en grootte; want dergelijke zijn aan geen zin eigen, maar gemeenschappelijk aan allen. Immers voor den tastzin is een zekere beweging waarneembaar en voor het gezicht. Van bijkomstiglijk waarneembaar spreekt men b.v. wanneer het witte de zoon van Diares is; want dat neemt men bijkomstiglijk waar, omdat het witte dit als bijkomstigheid heeft, wat men waarneemt. Daarom ondervindt men in zooverre geen inwerking van het waarneembare. Van de eigenlijke waarneembaarheden zijn de eigene de waarneembaarheden in waren zin en die, waarop elke gewaarwording in haar wezen betrekking heeft.[87]418 a 26—419 b 3. Zichtbaarheid: kleur en iets nameloos. Kleur en licht. Licht werkzaamheid van het doorschijnende (aether). Kritiek op Empedocles’ beweging van het licht. Phosforescentie. Kleur is de inwerking op het actueel doorschijnende d.i. op het licht als middenstof. Kritiek op Demokritos. De middenstof is ook vereischt bij geluid en reuk, schijnbaar niet bij tastzin en smaak. Bij reuk iets dat water en lucht gemeen hebben.Het is het zichtbare, waarop het gezicht betrekking heeft. Het zichtbare is kleur en wat door een omschrijving is te zeggen maar geen naam heeft; in het vervolg zal wel blijken wat wij bedoelen. Het zichtbare dan is de kleur. Dat is wat behoort bij het zelfstandig zichtbare; zelfstandig niet naar ’t begrip42, maar omdat het in zichzelf de oorzaak heeft van zijn zichtbaarheid. Alle kleur beweegt hetgeen in werkelijkheid doorschijnend is en dat is haar wezen. 418b. Daarom is zij niet zichtbaar zonder licht maar wordt alle kleur van alles in licht gezien. Daarom moeten wij eerst over het wezen van het licht spreken. Er is dan iets doorschijnends. Doorschijnend noem ik wat wel zichtbaar is, maar niet zelfstandig zichtbaar eenvoudig gezegd, maar door vreemde kleur. Zoodanig is lucht en water en vele vaste lichamen; want niet als water of lucht zijn zij doorschijnend, maar omdat dezelfde natuur in deze beiden aanwezig is als in het eeuwige bovenaardsche lichaam43. Licht is de werkzaamheid daarvan, van het doorschijnende als zoodanig.[88]Waarin dit in mogelijkheid is, is ook de duisternis44. Het licht is als de kleur van het doorschijnende, wanneer het inwerkelijkheiddoorschijnend is door vuur of iets zoodanigs als het bovenaardsche lichaam; want ook dit heeft iets dat een en hetzelfde is. Dus, wat het doorschijnende en wat het licht is, is gezegd, dat het noch vuur noch in ’t geheel een lichaam, noch een uitvloeiing van eenig lichaam is (want in dat geval zou het óok een zeker lichaam zijn), maar de aanwezigheid van vuur of iets zoodanigs in het doorschijnende; immers het is niet mogelijk dat twee lichamen tegelijk in dezelfde ruimte zijn. En het licht is het tegendeel van de duisternis; deduisternisis de ontstentenis van dusdanige geaardheid bij het doorschijnende, dus is blijkbaar ook de aanwezigheid er van het licht. Empedocles en wie verder zoo gezegd heeft leert niet juist dat het licht zich beweegt en te eeniger tijd tusschen de aarde en ’t hemelruim komt, buiten onze waarneming; want dat strijdt met de klaarheid van het begrip en met de verschijnselen; want in een kleine ruimte zou het aan de waarneming kunnen ontgaan; maar voor de afstand van zonsopgang tot zonsondergang is die eisch te kras. Wat kleur aanneemt is het ongekleurde, voor ’t geluid het geluidlooze. Kleurloos is het doorschijnende en het onzichtbare of nauwlijks zichtbare, zooals zal zijn het duistere. Zoodanig is het doorschijnende, maar niet wanneer het in werkelijkheid maar wanneer het in mogelijkheid doorschijnend is; want ’t zelfde wezen is nu duisternis, dan licht. 419a. Niet alle dingen zijn zichtbaar in ’t licht, maar alleen[89]de eigen kleur van alles; immers eenige dingen worden nietgezienin ’t licht, maar laten zich waarnemen in de duisternis, zooals de vuurachtige en stralende verschijnselen (die gezamenlijk geen naam hebben) als paddestoelen, hoorn, vischkoppen, schubben en oogen; maar van niets daarvan ziet men de eigen kleur. Door welke oorzaak nu deze dingen gezien worden blijft hier onbesproken; nu blijkt zooveel dat wat in ’t licht gezien wordt, kleur is; daarom ook wordt die niet gezien zonder licht; want dat was het wezen van de kleur dat zij bewerkt het in werkzaamheid doorschijnende en de werkelijkheid van het doorschijnende is het licht. Een duidelijk teeken hiervan is dat, als men het gekleurde op het oog zelf houdt, men het niet zal zien, maar de kleur bewerkt het doorschijnende b.v. de lucht en daardoor als samenhangend geheel wordt op het zintuig ingewerkt. Want hierin vergist Demokritos zich als hij meent dat, wanneer de tusschenruimte ledig was, ook een mier in den hemel duidelijk zou gezien worden; want dat is onmogelijk. Immers het zien geschiedt doordat de zin iets ondergaat, dit kan niet gebeuren door de kleur zelf die gezien wordt; dus blijft er over dat het door de middenstof gebeurt, zoodat er noodzakelijk een middenstof moet zijn, maar wanneer de ruimte ledig is, zal er niet alleen niet duidelijk, maar in ’t geheel niets gezien worden.Waarom het nu noodzakelijk is dat de kleur in ’t licht gezien wordt, is gezegd. Vuur wordt in beiden, in duisternis en in licht, gezien eveneens met noodzakelijkheid; want het doorschijnende wordt daardoor doorschijnend. Dezelfde redeneering geldt voor geluid en reuk; want[90]niets daarvan verwekt de gewaarwording wanneer het het zintuig aanraakt, maar door reuk en geluid wordt de middenstof bewerkt en daardoor elk van beide zintuigen, maar wanneer men het geluidgevende of riekende op het zintuig zelf plaatst, verwekt het geen gewaarwording. Met tastzin en smaak staat het evenzoo, ofschoon het niet zoo schijnt; later zal blijken waardoor. De middenstof voor geluiden is de lucht, voor reuk heeft zij geen naam; want zooals het doorschijnende voor kleur, zoo is het voor wat zich laat ruiken een gemeenschappelijk iets bij lucht en water, dat in deze beide aanwezig is; immers ook de waterdieren blijken reukgewaarwording te bezitten. Maar de mensch en de ademhalende landdieren kunnen niet ruiken zonder ademhalen. 419b. De oorzaak ook hiervan zal later besproken worden.419 b 4—421 a 6. Geluid, gehoor en stem (bezield geluid). Beteekenis van hoog en laag.Nu willen wij eerst over geluid en gehoor handelen. Geluid is tweevoudig, eensdeels geluid in werkzaamheid, anderdeels in mogelijkheid; want sommige dingen noemen wij geluidloos, als spons, wol, andere niet geluidloos b.v. koper en al wat vast en glad is, omdat het het vermogen heeft geluid te geven. Dat is tusschen zich en het gehoor een geluid in werkzaamheid te maken. Het geluid in werkzaamheid gebeurt steeds van iets tegen iets en in iets; want het is de slag die ’t geluid maakt en daarom is ’t ook onmogelijk dat er geluid ontstaat wanneer er maar één ding is; immers hetgeen slaat is iets anders dan wat geslagen wordt; dus wat geluid geeft doet dat[91]tegen iets (slaande) en ’t slaan is niet zonder beweging. Zooals wij zeiden ontstaat geluid niet door den slag van willekeurige dingen; immers wol die geslagen wordt maakt geen geluid, maar wel koper en al wat glad en hol is; koper omdat het glad is; het holle maakt door de terugkaatsing vele slagen na de eerste, daar datgene wat bewogen wordt er niet kan uitgaan. Ook hoort men in lucht en water, maar minder. Niet van de lucht of het water hangt het geluid af, maar er moet een slag van vaste lichamen zijn tegen elkaar en tegen de lucht en dit gebeurt, wanneer de lucht die geslagen wordt standhoudt en niet vervloeit. Daarom, wanneer de lucht snel en hard wordt geslagen, geeft zij geluid; want de beweging van het zweepen moet de breking van de lucht voorkomen, zooals wanneer men een hoop of kring van dwarrelend zand zou slaan, die in snelle beweging is. Weerklank ontstaat, wanneer van de lucht die bijeengehouden wordt doordat het vat haar afscheidt en verhindert gebroken te worden, de lucht teruggestooten wordt als een bal. Het lijkt dat er altijd weerklank is, maar niet duidelijk; immers het gaat met het geluid als met het licht; want ook het licht wordt altijd weerkaatst—anders zou er niet overal licht zijn, maar duisternis buiten wat de zon beschijnt—maar het wordt niet zóó weerkaatst als van water of koper of iets anders glads, dat het schaduw maakt, waardoor wij het licht onderscheiden. Terecht acht men het ledige datgene, waarvan het hooren afhangt. Immers de lucht is wel het ledige en die maakt dat men hoort, wanneer zij als één en samenhangend bewogen wordt. Maar doordat zij ijl is, klinkt zij niet wanneer het geslagene niet glad is. In[92]dat geval wordt zij één [en] in samenhang45door het oppervlak; want het oppervlak van het gladde is één.Geluidgevend nu is wat de aaneengesloten luchteenheid tot aan ’t gehoor beweegt. Het gehoor is van nature verbonden met de lucht; doordat het in de lucht is, wordt bij beweging van de buitenlucht de lucht er in bewogen. Daarom heeft het levend wezen niet overal gehoor noch dringt de lucht overal door; immers het deel dat bewogen moet worden en bezield is heeft niet overal lucht. De lucht zelf nu is zonder geluid door haar onvastheid; maar wanneer zij verhinderd wordt te breken dan is haar beweging geluid. De lucht in de ooren is ingebouwd met ’t oog op onbewegelijkheid, opdat men nauwkeurig al de onderscheidingen der beweging zal waarnemen. Daarom hooren wij ook in water, omdat het niet indringt tot de met ’t gehoor verbonden lucht zelf, zelfs niet in de ooren door de windingen. Wanneer dit gebeurt, hoort men niet, en ook niet wanneer het trommelvlies aangedaan is zooals de menbraan van de pupil. Maar juist een teeken van het wel of niet hooren is dat altijd het oor ruischt als de hoorn; want steeds heeft de lucht in de ooren een eigen beweging; maar het geluid is vreemd en niet eigen. En daarom zegt men dat men hoort met het ledige en ruischende, omdat wij hooren met wat begrensde lucht heeft. Is hetgeen geslagen wordt of het slaande wat klinkt? Veeleer beiden, maar op verschillende wijze; want het geluid is de beweging van wat kan bewogen worden op die wijze als hetgeen van de gladde oppervlakken[93]afgestooten wordt, wanneer men ze aanstoot. Niet dus alles, zooals gezegd is, klinkt wanneer het geslagen wordt en slaat b.v. wanneer iemand een naald met een naald treft; maar wat geslagen wordt moet effen zijn, zoodat de lucht vereenigd afgestooten wordt en trilt. De onderscheidingen der geluidgevende dingen komen uit in het geluid in werkzaamheid; want zooals zonder licht de kleuren niet gezien worden, zoo blijkt ook zonder geluid het hooge en ’t lage niet46. Deze benamingen zijn overgebracht van de tastbaarheden; immers het scherpe treft de waarneming in weinig tijd diep, het zware in veel tijd weinig diep. Nu is niet het scherpe snel, het zware traag, maar van het eerste wordt de beweging door de snelheid zoodanig, van het tweede door de traagheid. 420b. En er schijnt overeenkomst te bestaan met het scherpe en stompe bij den tastzin; want het scherpe steekt, om zoo te zeggen, ’t stompe stoot, doordat het eene in weinig tijd beweegt, het andere in veel tijd, zoodat bijkomstiglijk ’t eene snel, ’t andere traag is.Dit zij nu omtrent geluid vastgesteld. De stem is een bepaald geluid van het bezielde; want van het onbezielde heeft niets een stem, maar men spreekt in beeld van de stem van fluit b.v. en lier en de andere onbezielde dingen die volume, toon en voordracht hebben; want het lijkt dat ook de stem die heeft. Vele dieren hebben geen stem, zooals de bloedelooze en van die bloed hebben de visschen. Dit heeft ook zijn grond, daar immers het geluid een bepaalde beweging van de lucht is. Maar die naar men zegt stem hebben, zooals de[94]visschen in den Acheloûs, maken geluid met hun kieuwen of iets anders zoodanigs. Stem is het geluid van een dier, niet elk47en niet met een willekeurig lichaamsdeel. Maar daar alle geluid ontstaat doordat iets slaat tegen iets en in iets en dat is de lucht, kan met reden alleen datgene stem uitten dat de lucht opneemt. Immers de lucht bij de ademhaling gebruikt de natuur op dit punt voor twee verrichtingen, evenals de tong voor den smaak en het spreken, van welke de smaak is iets noodzakelijks, (die daarom ook bij meerderen aanwezig is) terwijl de spraak voor het hoogere is. Zoo gebruikt zij ook de adem voor de inwendige warmte als iets noodzakelijks (de oorzaak zal elders ter sprake komen) en voor de stem opdat het hoogere aanwezig zij. Het orgaan voor de ademhaling is de luchtpijp; waarvoor dit lichaamsdeel ook is, dat is de long, want in dit lichaamsdeel hebben de landdieren het meeste warmte van allen. Ook de hartstreek heeft in de eerste plaats de ademhaling noodig. Daarom is het noodzakelijk dat door de inademing de lucht binnen komt. Dus is de stoot van de ingeademde lucht bewerkt door de ziel in die deelen tegen de zoogenaamde luchtpijp, de stem. Want zooals wij zeiden is niet ieder geluid van een dier stem (want men kan met de tong geluid maken en zooals bij hoesten), maar het stootende moet bezield zijn en vergezeld zijn van eenige voorstelling, want de stem is een geluid met beteekenis; en de stem is niet ’t geluid van de ingeademde lucht, zooals de hoest, maar daarmede stoot men de lucht in de luchtpijp tegen deze. 421a. Een bewijs[95]is dat men geen stem kan uiten bij in- of uitademing, maar als men den adem inhoudt; want daardoor veroorzaakt die den adem inhoudt de beweging. Ook blijkt waardoor de visschen stom zijn, doordat zij nl. geen luchtpijp hebben. Dat lichaamsdeel missen zij omdat zij de lucht niet opnemen noch inademen. De reden nu waarom dit zoo is, behoort in een andere behandeling.421 a 7—422 a 7. De reuk, overeenkomst met de smaak. Onderscheidingen, Middenstof, Bizonderheid bij de menschelijke reukgewaarwording. De reuk betreft het droge.Over den reuk en het ruikbare is de bepaling minder gemakkelijk dan bij het behandelde; want de aard van de reuk is niet zoo duidelijk als het geluid of de kleur, de oorzaak is dat wij deze gewaarwording niet nauwkeurig bezitten maar minder dan vele dieren; want de mensch ruikt slecht en heeft geen reukgewaarwording zonder gevoel van afkeer of genot, daar blijkbaar het zintuig niet nauwkeurig is. Het is aannemelijk dat op deze wijze ook de staroogigen de kleuren gewaarworden en de onderscheiden der kleuren hen alleen blijken doordat zij al of niet vrees verwekken; zoo neemt ook het menschelijk geslacht de reuken waar. Want de reuk schijnt overeenkomst te hebben met de smaak en de soorten van de smaken met die van de reuk, maar wij hebben nauwkeurigen smaak omdat deze een soort tastzin is en de mensch die gewaarwording ’t nauwkeurigst heeft; want in de andere gewaarwordingen blijft de mensch bij velen van de dieren achter, maar in den tastzin bezit hij de andere ver overtreffende nauwkeurigheid. Daarom is hij ook het verstandigste der levende wezens. Een[96]bewijs is dat ook onder het menschelijk geslacht het onderscheid van aanleg van dat zintuig afhangt en van niets anders; want de hardvleezigen zijn slecht van aanleg voor ’t denken, de zachtvleezigen goed. Zooals bij smaken de eene zoet, de andere bitter is, zoo ook bij de reuken. Maar sommige dingen hebben overeenkomstigen reuk en smaak b.v. zoete reuk en zoete smaak, andere omgekeerd. Eveneens is er bittere, wrange, zure en zoete reuk; maar, gelijk wij zeiden, doordat de reuken in hun onderscheid niet zeer duidelijk zijn, zooals de smaken, hebben zij daaraan hun namen ontleend naar de gelijksoortigheid der zaken; nl. de zoete van saffraan en honig,de bittere van thym en dergelijke en zoo de anderen. 421b. Evenals bij het gehoor en iedere gewaarwording, deze het hoorbare betreft en het onhoorbare, gene het zichtbare en het onzichtbare, zoo betreft de reuk het reukbare en onreukbare. Het onreukbare is deels gezegd van wat in ’t geheel geen reuk kan hebben, deels van wat weinig of slechte reuk heeft. Evenzoo spreekt men ook van wat geen smaak heeft.Ook de reuk gaat door een middenstof als lucht of water; want ook de waterdieren blijken reukgewaarwordingen te hebben, de bloedige evenals de bloedelooze, zooals ook de dieren in de lucht; want eenigen van dezen komen van verre op het voedsel af waarvan zij de reuk krijgen. Daarom doet zich een moeilijkheid voor dat, terwijl alles gelijkelijk ruikt, de mensch wèl bij inademing, maar niet wanneer hij uitademt of zijn adem inhoudt, noch van verre noch van dichtbij, zelfs niet wanneer het voorwerp binnen op het neusgat wordt geplaatst. En dat hetgeen op het zintuig zelf geplaatst[97]wordt onwaarneembaar wordt is aan alle zintuigen gemeen, maar dat zonder inademing geen (reuk)waarneming plaats vindt is een bizonderheid bij de menschen, die bij proefneming blijkt; dus zouden de bloedelooze dieren, daar zij niet inademen, eenige andere gewaarwording bezitten naast de bekenden. Dit is echter onmogelijk, daar zij immers de reuk waarnemen, want de waarneming van het riekende, het wel- of kwalijk riekende, is de reuk. Ook blijken zij vernietigd te worden door dezelfde sterke reuken als de mensch, zooals van asphalt, zwavel en dergelijke. Ruiken dus is noodzakelijk, maar niet met inademen. Het lijkt dat dit zintuig bij de menschen tegenover dat van de andere dieren verschilt zooals de oogen tegenover die der staroogigen; want de oogen van den mensch hebben als een schut of hulsel de oogleden, die men moet bewegen en optrekken om te zien; de staroogigen hebben niets zoodanigs, maar zienonmiddellijkwat zich in het doorschijnende bevindt: zoo lijkt ook het reukzintuig bij den eenen onbedekt te zijn als ’t oog, en bij hen die de lucht opnemen een bedeksel te hebben dat bij inademen opengaat terwijl de aderen en porieën zich verwijden. 422a. En daarom ruiken de inademende dieren niet in het water, want zij moeten door inademen ruiken en dat is onmogelijk in het water. De reuk betreft het droge, zooals de smaak het vochtige; het reukzintuig is naar mogelijkheid zoodanig48.422 a 8—b 16. Smaak. Geen middenstof, als bij den tastzin. Betreft het vochtige. Onderscheidingen van smaken.[98]Het voorwerp van de smaak is iets tastbaars en dat is de oorzaak waarom het niet waarneembaar is door het midden, dat een vreemd lichaam is; immers hetzelfde geldt van den tastzin. En het lichaam waarin de smaak is, het proefbare, is in ’t vochtige als zijn materie en dat is iets tastbaars. Daarom ook indien we in ’t water waren zouden wij het daarin geworpen zoete waarnemen; maar dan zou onze gewaarwording niet gaan door den middenstof, maar doordat het zoete met het natte vermengd werd evenals bij den drank. De kleur wordt niet zoo gezien, door het vermengd worden noch door de uitvloeiingen. Aan de middenstof (bij het zien) beantwoordt (bij de smaak) niets; maar zooals het zichtbare de kleur is, zoo het proefbare de smaak. Niets verwekt smaakgewaarwording zonder vochtigheid, maar het heeft in werkzaamheid of naar mogelijkheid vochtigheid, zooals het zoute; want dat is zelf licht smeltbaar en doet de tong mede aan door ’t smelten. Zooals het gezicht betreft het zichtbare en onzichtbare (immers de duisternis is onzichtbaar, maar ook die onderscheidt het gezicht) en bovendien het te zeer schitterende (want ook dat is onzichtbaar maar op andere wijze dan de duisternis) en tevens het gehoor gaat over geluid en stilte, waarvan het eene hoorbaar het andere onhoorbaar is, en over groot geluid, evenals het gezicht over het schitterende (want zooals het geringe geluid onhoorbaar is, zoo op een zekere wijze ook het groote en gewelddadige) en men eenerzijds van het volstrekt onzichtbare spreekt, zooals in andere gevallen van het onmogelijke, anderzijds van ’t niet waarneembare dan, wanneer iets wat zijn natuur meebrengt niet of in onvoldoende mate bezit,[99]zooals het voet- en pitlooze; zoo betreft dan ook de smaak het proefbare en niet proefbare, dat is hetgeen weinig of slechte smaak heeft of een smaak die den zin vernietigt. De grondslag zal zijn het drinkbare en ondrinkbare; want beiden zijn een smaak, maar het laatste een slechte en die den zin bederft, het eerste naar de natuur. Het gemeenschappelijke van tastzin en smaak is het drinkbare. 422b. Daar het proefbare vochtig is moet het dit betreffende zintuig noch in werkelijkheid vochtig zijn, noch buiten de mogelijkheid zijn vochtig te worden. Want de smaak ondervindt iets van het proefbare als zoodanig. Dus moet het zintuig van de smaak bevochtigd worden terwijl het niet nat is, maar nat kan worden zonder vernietiging. Een bewijs is dat de tong niet waarneemt wanneer zij verdroogd noch wanneer zij te vochtig is; want dan is de aanraking met het eerstkomende vochtige, zooals wanneer men na vooraf een sterke smaak geproefd te hebben een andere proeft en zooals den zieken alles bitter voorkomt omdat zij met de tong vol van dergelijke vochtigheid waarnemen. De soorten van de smaak zijn, zooals bij de kleuren, als enkelvoudig tegengesteld, het zoete en het bittere, aansluitend bij het eerste het vettige, bij het andere het zoute, daartusschen het scherpe en strenge en wrange en zure; dat zijn ongeveer de onderscheidingen van de smaken. Dus het smaakzintuig is wat in mogelijkheid zoodanig is, het proefbare wat het zintuig in werkelijkheid zoo maakt.422 b 17—424 a 16. Tastzin. Verschil in de waarneembaarheden daarbij en bij de andere zinnen en omtrent[100]het midden—dat bij den tastzin met het lichaam één is; bij de tong is tastzin en smaak hetzelfde. Er moet bij den tastzin evenzeer een midden zijn als bij de anderen, wil de werkzaamheid mogelijk zijn. Maar anders dan bij de anderen wordt het zintuig tegelijk met het midden—niet dóór het midden—aangedaan.—De waarneembaarheid verwerkelijkt het naar mogelijkheid aan haar gelijke tastzintuig; het zintuig treedt als gemiddelde op tegenover de tastbaarheden en wordt dus oordeelend—en neemt het tastbare en ’t niet tastbare waar.Over het tastbare en den tastzin geldt dezelfde redeneering; want als de tastzin niet één gewaarwording is maar meerdere, dan moeten ook de tastbaarheden meerdere zijn. Er is te vragen of zij meerdere gewaarwordingen zijn dan wel ééne en wat het zintuig van den tastzin is, het vleesch en het daarmede overeenkomstige in de andere dingen of niet, maar dat dit de middenstof is en het eigenlijke zintuig iets anders inwendigs. Want iedere gewaarwording betreft één tegenstelling b.v. gezicht wit en zwart, gehoor hoog en laag en smaak bitter en zoet; maar in het tastbare zijn vele tegenstellingen, warm en koud, droog en vochtig, hard en zacht enz. Deze vraag vindt een zekere oplossing doordat ook bij de andere gewaarwordingen meerdere tegenstellingen bestaan, zooals bij de stem niet alleen hoog en laag maar ook luid en zacht, vloeiend en ruw en andere dergelijke. Ook bij kleur zijn andere dergelijke onderscheidingen. Maar wat het eene is dat de grondslag vormt, zooals bij gehoor geluid, dat is bij den tastzin niet duidelijk.[101]423a. Of het zintuig inwendig is of niet, maar onmiddellijk het vleesch, dat wordt niet uitgemaakt doordat de gewaarwording tegelijk met de aanraking komt. Immers ook wanneer men om het vleesch iets van een vlies spande, merkt men evenzeer de gewaarwording terstond bij de aanraking; en toch is het duidelijk dat daarin het zintuig niet is; en ware het aangegroeid, dan zou de gewaarwording nog sneller doordringen. Daarom schijnt het zoodanige deel van het lichaam zoo te zijn alsof de lucht in een kring om ons heen gegroeid was; want dan zouden wij meenen met één midden geluid kleur en reuk waar te nemen en gezicht gehoor en reuk zouden één gewaarwording schijnen: Maar nu doordat datgene, waardoor heen de bewegingen geschieden, gescheiden is (van het lichaam), blijken de gezegde zintuigen verschillend te zijn. Bij den tastzin is dit nu onduidelijk; immers het is onmogelijk dat het bezielde lichaam uit lucht of water bestaat, want er moet iets vasts zijn. Er blijft over dat het gemengd is uit aarde en die dingen49, zooals het vleesch, en wat daarmee overeenkomstig is, bedoelt te zijn; zoodat noodzakelijk ook het lichaam is het midden van den tastzin, dat aangegroeid is, waardoor de gewaarwordingen gaan, die meerderen zijn. Dat zij meerderen zijn bewijst de aanraking bij de tong; want zij neemt alle tastbaarheden met haar zelfde deel waar als de smaak. Als nu ook het overige vleesch de smaak waarnam, dan zou de smaak en de tastzin een en dezelfde gewaarwording schijnen; nu zijn zij twee doordat zij niet onderling te verwisselen zijn.[102]Hier doet zich een moeilijkheid voor. Als ieder lichaam diepte heeft als derde afmeting, en twee lichamen waartusschen eenig lichaam is, elkaar niet kunnen aanraken, en het natte niet zonder lichaam is noch het bevochtigde, maar het noodzakelijk water is of water heeft; en wat elkaar aanraakt in ’t water, terwijl de uiteinden niet droog zijn, noodzakelijk water tusschenbeide heeft dat de uiteinden dekt; zoo dit waar is, dan kan het een het ander niet aanraken in het water en op dezelfde wijze ook in de lucht (want de lucht is tegenover de in haar zijnde dingen als het water tot de daarin zijnde dingen, maar wij merken dat minder, evenals ook de dieren in het water, wanneer wat vochtig is het vochtige aanraakt). 423b. Gaat dus de waarneming van alles op dezelfde wijze of bij verschillende dingen verschillend, zooals men maar aanneemt dat de smaak en de tastzin door aanraking en de anderen gescheiden waarnemen? Niet alzoo, maar ook het harde en zachte nemen wij door andere (middenstoffen) waar evenals het geluidgevende, het zichtbare en het ruikbare, maar deze van verre, de eersten van dichtbij. Daarom merken wij het niet, immers wij nemen alles waar door de middenstof, maar bij die gewaarwordingen merken wij het niet. En toch, zooals wij ook vroeger zeiden, ook indien wij door een vlies alle tastbaarheden waarnamen zonder te merken dat het afscheidt, zouden wij ons zoo verhouden als nu in ’t water en in de lucht; want wij meenen nu de dingen zelf aan te raken zonder dat er een middenstof is. Maar het tastbare onderscheidt zich van de zichtbaarheden en geluidgevende dingen doordat wij die gewaarworden door een inwerking van de middenstof op ons,[103]maar de tastbaarheden niet door toedoen van de middenstof maar daarmede tegelijk, zooals die een stoot krijgt door zijn schild heen; immers niet het schild krijgt en geeft den stoot, maar beiden (persoon en schild) krijgen hem tegelijk. In ’t geheel lijkt het dat vleesch en de tong zich tegenover het zintuig zoo verhoudt als de lucht en het water tot het gezicht en ’t gehoor en de reuk. Wanneer het zintuig zelf aangeraakt wordt, kan er noch bij de laatsten noch bij het eersten waarneming zijn b.v. wanneer men eenig wit lichaamonmiddellijkop het oog legt. Hieruit blijkt dat het gewaarwordingsvermogen bij het tastbare inwendig is. Want dan geldt hetzelfde als voor de andere (zinnen); immers wanneer de waarneembaarheden op het zintuig gelegd worden heeft geen gewaarwording plaats, maar wanneer ze op het vleesch gelegd worden, wèl; dus is het vleesch de middenstof van den tastzin.Tastbaar nu zijn de onderscheidingen van het lichaam als zoodanig; ik bedoel de onderscheidingen tusschen de elementen, warm, koud droog en nat, waarover wij vroeger hebben gesproken in het geschrift over de elementen50. Het dezen betreffende tastzintuig, dat, waarin de gewaarwording die tasten heet eigenlijk aanwezig is, is het lichaamsdeel dat in mogelijkheid dusdanig is; want gewaarworden is iets ondergaan. 424a. Dus hetgeen dit naar werkzaamheid aan zichzelf gelijk maakt, werkt daarop in terwijl dit naar mogelijkheid dusdanig is. Daarom nemen wij het even warme en koude of harde en zachte niet waar, maar de overmaat, daar de waarneming als[104]een midden is tusschen de tegenstelling in de waarneembaarheden. En daarom beoordeelt (de waarneming) de waarneembaarheden. Want het midden is oordeelkundig, want het verhoudt zich tot elk van beide tegendeelen als hun tegendeel en zooals wat wit en zwart zal waarnemen geen van beide in werkzaamheid moet zijn en beiden in mogelijkheid (evenzoo bij de andere) zoo moet bij den tastzin (het waarnemende) noch warm noch koud (zijn). Zooals verder het gezicht in zekeren zin het zichtbare en het onzichtbare betrof en eveneens de andere de tegenstellingen waarnamen, zoo betreft ook de tastzin het tastbare en ontastbare; ontastbaar is de tastbaarheid die zeer geringe onderscheiding biedt, zooals de lucht, en de overmaat onder de tastbaarheden zooals de vernietigende. Zoo is nu elk der gewaarwording in omtrek behandeld.424 a 17—b 18. Gewaarwording in ’t algemeen betreft de vormen, niet de materie. Het waarnemende verschilt in wezen van hetobject, doordat het geen grootheid maar een verhouding aan de grootheid is, die daarom vernietigbaar is en niet bij planten voorkomt. De waarneembaarheid is er alleen voor het betreffende vermogen, ook bij tastzin en reuk.In ’t algemeen moet men betreffende alle gewaarwording begrijpen dat de gewaarwording is hetgeen de waarneembare vormen aanneemt zonder de materie, zooals de was het merk van den ring opneemt zonder het ijzer en het goud en het gouden of koperen merk aanneemt maar niet als goud of koper; eveneens wordt de waarneming van ieder aangedaan door hetgeen kleur[105]of smaak of geluid heeft, maar niet in zoover elk van die dingen (iets) maar iets zoodanigs genoemd wordt en naar het begrip. En het zintuig is allereerst datgene, waarin het zoodanige vermogen is. In aanzijn nu is het hetzelfde, maar in begrip iets anders; want het waarnemende is een grootheid, maar het begrip van het waarnemend-zijn en de waarneming is niet grootheid maar een verhouding en vermogen van de grootheid. Hieruit blijkt ook waarom toch de overmaat der waarneembaarheden de zintuigen vernietigen; immers wanneer de beweging van het zintuig te sterk is, wordt de verhouding (d.w.z. de waarneming) opgeheven evenals ook het accoord en de toon, wanneer de snaren sterk getokkeld worden; en waarom de planten niet waarnemen die iets van ziel hebben en iets ondergaan van de tastbaarheden zelve, immers zij worden koud en warm; de oorzaak is nl. dat zij geen middentoestand hebben noch zulk een principe dat de vormen van de waarneembaarheden kan opnemen, maar zij ondergaan ze met de stof. 424b. Men zou kunnen vragen of datgene wat niet kan ruiken iets ondergaat van de reuk of van de kleur wat niet kan zien, en evenzoo bij de anderen. Maar wanneer het ruikbare de reuk is, bewerkt de reuk, zoo iets, het ruiken; dus kan niets wat niet kan ruiken iets ondergaan van de reuk en hetzelfde geldt van de anderen, noch iets van wat wèl kan, anders dan in zoover elk het bepaalde waarnemingsvermogen heeft. Ook blijkt dit aldus. Noch licht of duisternis noch geluid noch reuk doet de lichamen aan maar hun dragers, b.v. de lucht met donder splijt het hout. Maar wèl doen de tastbaarheden en de smaken de lichamen aan; want waardoor[106]zouden anders de onbezielde lichamen aangedaan en veranderd worden? Doen dan soms ook die anderen (nl. licht, geluid, reuk) aan of is niet elk lichaam vatbaar voor inwerking door reuk en geluid en die aangedaan worden zijn onbepaald en houden geen stand, zooals de lucht; want die riekt als op eenige wijze aangedaan. Wat dan is ruiken anders dan iets ondergaan? Of is ruiken ook waarnemen, maar de lucht die aangedaan is, wordt in korten tijd waarneembaar (niet waarnemend.)Eind van boek II.424 b 22—425 b 11. Niet meer dan 5 zinnen mogelijk (de tastzin en die wier elementen water en lucht zijn). Geen bizondere zin voor de gemeenschappelijke waarneembaarheden. Waarom meerdere gewaarwordingen.Dat er geen andere gewaarwording is behalve de vijf—gezicht, gehoor, reuk, smaak, tastzin—kan men hieruit gelooven. Namelijk van alles, waarvan de gewaarwording tastzin is, hebben wij werkelijk gewaarwording (want alle gevallen van het tastbare als zoodanig zijn voor ons door den tastzin waarneembaar); voorts is het noodzakelijk dat, wanneer een gewaarwording ontbreekt, ons ook een zintuig ontbreekt; wat wij door onmiddellijke aanraking waarnemen is door den tastzin waarneembaar, dien wij werkelijk bezitten, wat wij niet onmiddellijk maar door middenstof waarnemen, nemen wij waar door de elementen als lucht en water. Nu is het zoo gesteld dat als wij door één midden[107]meerdere ongelijksoortige waarneembaarheden waarnemen, hij die het overeenkomstige zintuig heeft, noodzakelijk beide moet kunnen waarnemen (als b.v. het zintuig uit lucht is en de lucht de middenstof is voor geluid en kleur); als er meer middenstoffen voor dezelfde gewaarwording zijn b.v. voor kleur lucht en water (want beide zijn doorschijnend), zal degeen die slechts een van beide middenstoffen heeft, waarnemen wat door beiden gaat. 425a. En alleen uit deze twee der elementen zijn de zintuigen, uit lucht en water; (want de pupil is van water, het gehoor van lucht, de reuk van elk van beiden); het vuur behoort tot geen zintuig of gemeenschappelijk tot allen (want niets is tot waarnemen in staat zonder warmte); aarde of tot geen zintuig of is ’t meest met den tastzin bizonderlijk gemengd; zoodat er overblijft dat er geen zintuig is buiten water en lucht. Deze bezitten werkelijk eenige levende wezens en dus bezitten alle gewaarwordingen de niet onvoltooide of gebrekkige wezens; want ook de mol blijkt onder de huid oogen te hebben. Dus als er niet een ander lichaam is of een eigenschap tot geen der aardsche lichamen behoorende, dan ontbreekt er geen gewaarwording.Verder kan er ook geen bizonder zintuig zijn van het gemeenschappelijke dat wij met iedere waarneming bijkomstig waarnemen, als beweging, stilstand, vorm, grootte, getal en eenheid; al deze nl. nemen wij door beweging waar, zooals grootte door beweging en dus ook vorm, want de vorm is een grootte; en het rustende door het niet bewegen; het getal door de ontkenning van het aanéén zijn en door de bizondere waarnemingen; want elke waarneming neemt één ding waar. Het is[108]dus duidelijk dat er van geen enkele van deze een eigen gewaarwording zijn kan b.v. van beweging; want het zal zoo zijn, zooals wij nu met het gezicht het zoete waarnemen. Dit komt omdat wij van beiden gewaarwording hebben waardoor wij ook wanneer zij samenvallen ze tegelijk kennen; zoo niet, dan zouden wij het alleen bijkomstiglijk waarnemen, zooals den zoon van Kleon niet als zoon van Kleon maar als wit en dit (witte) heeft als bijkomstigheid zoon van Kleon te zijn. Van het gemeenschappelijke hebben wij stellig een gemeenschappelijke, niet bijkomstige, gewaarwording, die dus niet een eigene is; want anders zouden wij ze niet waarnemen dan zooals gezegd is betreffende het zien van Kleon’s zoon. De bij elkaar als eigen behoorende waarneembaarheden nemen de gewaarwordingen bijkomstiglijk waar, niet als die enkelen zoodanig, maar in zoover de gewaarwording één is, wanneer zij tegelijk hetzelfde betreft b.v. van gal als bitter en geel; want het is niet het werk van een andere gewaarwording te zeggen dat beiden één zijn; daarom vergist men zich ook en meent men, wanneer iets geel is, dat het gal is. 425b. Men zou kunnen vragen waarom wij meerdere gewaarwordingen en niet eene alleen hebben. Wellicht opdat de als algemeenheden met de gewaarwordingen verbondene ons niet zouden ontgaan, als beweging, grootte en getal; want indien alleen het gezicht er was en dat het witte betrof, zou van alles veel ontgaan en hetzelfde schijnen doordat tegelijk kleur en grootte met elkaar verbonden waren. Maar daar nu ook in een andere waarneembaarheid de algemeenheden aanwezig zijn, wordt het duidelijk dat elk van dezen iets anders is.[109]424 b 12—427 a 16. Gewaarwording van de waarneembaarheid gaat gepaard met die welke zichzelve betreft. Gewaarwording in werkzaamheid is hetzelfde als het waarneembare in werkelijkheid en werkzaam in het naar mogelijkheid waarneembare. Dit laatste blijft ook zonder de gewaarwording in werkzaamheid. Gewaarwording is evenals accoord een verhouding van het zintuig en het waarneembare, die verstoord kan worden door overmaat. Het gemengde geeft meer genot in de gewaarwording dan het eenvoudige. Onderscheiding van gelijktijdige ongelijksoortige waarneembaarheden door één gewaarwording, die gelijkheid en verschil tegelijk waarneemt zooals het punt één of twee is.Daar wij gewaarworden dat wij zien en hooren, moet men door het gezicht waarnemen dat men ziet of door een andere gewaarwording. Maar dan betreft dezelfde waarneming het gezicht en de voorwerpelijke kleur en zoo zullen twee waarnemingen bij hetzelfde voorwerp zijn of de waarneming zal zichzelf betreffen. Neemt men aan dat de gewaarwording van het gezicht een andere is, dan komt men tot eindeloosheid of eenige waarneming zal zichzelf betreffen. Dus moet men dat van de eerste waarneming laten gelden. Hier is de moeilijkheid dat, als gezichtswaarneming zien is er wat gezien wordt kleur of het kleurhoudende is, wanneer men het ziende ziet, het eerste ziende kleur moet hebben. Dus blijkt dat gezichtswaarneming hebben niet één is; immers ook wanneer wij niet zien, oordeelen wij met het gezicht en de duisternis en het licht, maar niet op gelijke wijze. Verder is ook het ziende in zekeren zin gekleurd; want[110]het zintuig neemt elk der waarneembaarheden op zonder de stof. Daarom zijn ook wanneer de waarneembaarheden verwijderd zijn de waarnemingen en beelden in de zintuigen.In de werkzaamheid zijn het waarneembare en de waarneming een en hetzelfde, in het begrip niet. B.v. het geluid en het gehoor in werkzaamheid; men kan nl. gehoor hebben zonder te hooren en wat geluid heeft maakt niet steeds geluid. Maar wanneer wat kan hooren en wat geluid kan geven in werkzaamheid is, dan komt tegelijk het gehoor in werkzaamheid en het geluid in werkzaamheid; het eene kan menhooringἄκουσιςen het anderegeluidingψόφησιςnoemen.426a. Indien nu de beweging en de bewerking en inwerking ligt in wat bewerkt wordt, moet ook het geluid en het gehoor in werkzaamheid liggen in wat de mogelijkheid bezit; want de werkzaamheid van het bewerkende en bewegende ligt in het lijdende; daarom is het niet noodzakelijk dat het bewegende bewogen wordt. De werkzaamheid nu van het geluid hebbende is geluid of geluiding, van het gehoorhebbende gehoor of hooring; want gehoor istweeërleien geluid en hetzelfde geldt van de andere waarnemingen en waarneembaarheden. Namelijk zooals de bewerking en de inwerking ligt in het lijdende en niet in het bewerkende, zoo ligt ook de werkzaamheid van het waarneembare en het waarneming hebbende in het waarneming hebbende. Maar bij eenige is er een woord voor b.v. de geluiding en de hooring, bij eenige is een van beide nameloos; men spreekt van aanschouwing als het gezicht in werkzaamheid is, maar de werkzaamheid van de kleur is[111]zonder naam, en het smaken is de werkzaamheid van het smaak hebbende, maar die van (’t voorwerp van) de smaak is zonder naam. Daar in werkzaamheid het waarneembare en het waarneminghebbende één is, maar in begrip onderscheiden, moeten noodzakelijk het gehoor en geluid in dien zin tegelijk te loor gaan en behouden blijven, evenzoo ’t voorwerp van smaak en het smaken enz., doch niet noodzakelijk wat in mogelijkheid zoo is; maar de vroegere natuurkundigen dwaalden in hun meening dat niets wit of zwart zonder gezicht, noch voorwerp van smaak was zonder smaken. Immers in een zin hadden zij gelijk, in een anderen zin dwaalden zij: want terwijl men intweeërleizin spreekt van de gewaarwording en het waarneembare, deels als van dingen in mogelijkheid, deels in werkzaamheid, geldt het gezegde van de laatsten, maar geldt niet van de eersten. Maar zij spraken in volstrekten zin over wat niet ononderscheiden geldt.Als het accoord een stemklank is, en de stemklank en het gehoor in een opzicht één (in een ander niet één) en het accoord een verhouding is, moet ook het gehoor een verhouding zijn. En daarom ook vernietigt elke overmaat, zoowel het hooge als het lage, het gehoor; eveneens in de smaken de smaak en in de kleuren het zeer schitterende of duistere het gezicht en bij den reuk de sterke reuk, zoo de zoete als de bittere, omdat de gewaarwording een verhouding is. 426b. Daarom geven wel ook de waarneembaarheden wanneer zij zuiver en ongemengd in de verhouding komen genot, als het zure of zoete of zoute; dan immers geven zij genot; maar[112]in ’t geheel meer het gemengde, het accoord51, dan het hooge of het lage. Voor den tastzin is het aangename wat verwarmd of verkoeld kan worden en de gewaarwording is de verhouding; bij overmaat is er pijn of vernietiging.Elke waarneming nu betreft het voorwerpelijke waarneembare en is aanwezig in het zintuig als zoodanig en beoordeelt de onderscheiden van het voorwerpelijke waarneembare, b.v. wit en zwart het gezicht, zoet en en bitter de smaak enz. Daar wij ook het witte en het zoete en iedere andere waarneembaarheid met iedere andere vergelijken, waardoor dan nemen wij hun onderscheid waar? Noodwendiglijk door waarneming, aangezien het waarneembaarheden zijn. Hieruit blijkt ook dat het vleesch niet het eigenlijke zintuig is; want dan zou noodzakelijkerwijze het vergelijkende het ding zelf moeten aanraken. Maar het is ook niet mogelijk met afzonderlijke zintuigen te oordeelen dat het zoete iets anders is dan het witte, maar noodzakelijk moeten beiden voor één enkel (zintuig) duidelijk zijn. Want anders zou ook indien ik het eene en gij het andere zoudt waarnemen, duidelijk zijn dat de beide voorwerpen verschillend zijn. Maar het ééne moet zeggen dat het iets anders is; want het zoete is iets anders dan het witte. Het is blijkbaar hetzelfde, wat zoo zegt en zooals het zegt, zoo ook denkt het en wordt het gewaar. Het blijkt dus nu dat het niet mogelijk is met verschillende zintuigen de verschillende waarneembaarheden te oordeelen; dat het evenmin mogelijk is in verschillende tijden, blijkt[113]hieruit. Zooals namelijk hetzelfde zegt dat het goede iets anders is dan het kwade, zoo ook wanneer het zegt dat het eene en het andere iets anders zijn, is het „wanneer” geen bijkomstigheid, d.w.z. dat iknuzeg, dat het iets anders is, maar niet dat hetnuiets anders is; maar nu zegt men dat het zoo is en dat het nu zoo is, dus tegelijk. En dus ongescheiden en in ongescheiden tijd. Evenwel het is onmogelijk dat hetzelfde tegelijk tegengestelde bewegingen ondergaat als ongedeeld en in ongedeelden tijd. Want iets zoets brengt deze beweging in de gewaarwording of het denken, het bittere de tegengestelde en het witte een andere. 427a. Is dus niet het oordeelende tegelijkertijd en in getal ongedeeld en onscheidbaar, maar in begrip onderscheiden? Dan is het dus eenerzijds het gedeelde dat de gedeelden waarneemt, anderzijds zooals het als ongedeeld is; immers in begrip gedeeld, naar plaatsengetal ongedeeld. Is dit wel mogelijk? Immers in mogelijkheid zijn de tegendeelen hetzelfde en ongedeeld (ofschoon niet in het begrip), maar in werkzaamheid gedeeld en het is niet mogelijk dat iets tegelijk wit en zwart is, dus ook niet dat iets de vormen daarvan opneemt, als dat waarnemen en denken is. Maar dit verhoudt zich zooals wat sommigen het punt noemen, het eene als twee en in zooverre gedeeld. In zoover nu het ongedeeld is, is het oordeelende een en tegelijkertijd, in zoover het gedeeld is, is het niet één; immers men gebruikt twee keer hetzelfde punt tegelijk; in zoover men nu het grenspunt als twee gebruikt, zijn het twee die oordeelen en gescheiden als met in zekeren zin gescheiden waarneming; in zooverre het punt één is, oordeelt men met één en[114]tegelijk52. Over het principe nu volgens hetwelk het levend wezen gewaarwording heeft, mogen zulke bepalingen gelden.427 a 17—b 26. Onderscheid tusschen gewaarworden, denken en voorstelling.Naar twee onderscheidingen wordt hoofdzakelijk de ziel bepaald, naar plaatselijke beweging en naar het denken en het oordeelen en waarnemen. Ook het begrijpen en denken schijnt een waarnemen te zijn (want in deze beiden oordeelt en kent de ziel eenig ding). En de ouden noemen zeker het denken en waarnemen hetzelfde, zooals ook Empedokles heeft gezegd: „naar het aanwezige groeit de gedachte bij de menschen” en elders: „van daar overkomt het hen ook steeds anderssoortige dingen te denken” en hetzelfde bedoelt ook het Homerische: „zoodanig toch is de geest”53.Deze allen immers achten het denken evenals het waarnemen van lichamelijken aard en dat men met het gelijke waarneemt en denkt het gelijke, zooals wij in den aanvang uiteen hebben gezet. 427b. Echter hadden zij tevens ook over de dwaling moeten spreken, die immers aan de levende wezens meer eigen is en daarin verblijft de ziel den meesten tijd. Dus is het noodzakelijk dat of, zooals sommigen zeggen, alle verschijnselen waar zijn of dat de aanraking van het ongelijke dwaling is, want dat staat tegenover het kennen van het gelijke door het gelijke; en ook is de dwaling en het weten betreffende de tegendeelen hetzelfde. Echter blijkt dat het waarnemen[115]en het denken niet hetzelfde zijn. Want het eerste bezitten alle dieren, het laatste weinigen. Maar ook het begrijpen, dat juist en onjuist kan zijn, juist als verstand, wetenschap en ware meening, onjuist als het omgekeerde daarvan, ook dat is niet hetzelfde als het waarnemen; want de waarneming betreffende de eigen waarneembaarheden is altijd waar en is aanwezig bij alle dieren, maar denken kan men ook onwaar en niemand heeft het die ook niet rede bezit; want voorstelling is iets anders dan waarneming en begrip, en zij (de voorstelling) wordt niet zonder waarneming en zonder haar is er geen opvatting. Dat de voorstelling54niet zelf begrip en opvatting is, is duidelijk. Want dit gebeuren (van de voorstelling) is van onzen wil afhankelijk (want men kan zich iets voor oogen stellen, zooals zij die in de geheugenkunst door beelden iets vasthouden), maar niet het meenen, want (daarbij) moet men òf onwaar òf waar zijn. Bovendien wanneer wij iets ergs of vreeselijks meenen, ondergaan wij onmiddellijk die gewaarwording tevens en eveneens bij het bemoedigende; bij de voorstelling verhouden wij ons zoo alsof wij het vreeselijke of bemoedigende geschilderd aanschouwden. Er zijn ook van de opvatting zelf onderscheidingen, wetenschap, meening, verstand en hun tegendeelen; over het onderscheid daartusschen moet elders gesproken worden.427 b 27–429 a 9. Voorstelling, een vermogen van oordeelen, is niet gewaarwording; ook niet kennis of begrip. Evenmin is zij meening met of door gewaarwording[116]of verbinding van ’t eene en ’t andere b.v. voorstelling van en meening omtrent de grootte van de zon. De voorstelling is een beweging uit die der gewaarwording in werkzaamheid voortkomende, welke beweging vooral bij de algemeene bijkomstige gewaarwordingen valsch kan zijn, vooral als het voorwerp ver verwijderd is. Naam en werking der voorstelling.Het denken, iets anders dan het waarnemen, is deels voorstelling deels opvatting; na de bepaling van de voorstelling, moeten wij spreken over het andere. 428a. Als dan de voorstelling datgene is dat in ons een beeld doet opkomen, en niet overdrachtelijk is bedoeld, dan is zij een vermogen of gesteldheid van diegenen, volgens dewelke wij oordeelen, waar of onwaar. Dezulke zijn gewaarwording, meening, wetenschap, begrip. Dat de voorstelling nu niet gewaarwording is, blijkt hieruit dat gewaarwording of mogelijkheid of werkzaamheid is b.v. gezicht en aanschouwing, maar voorstelling is dààr, ook zonder dat een van beiden aanwezig is, zooals bij droomen. Verder is gewaarwording altijd aanwezig, voorstelling niet. Als zij in werkzaamheid hetzelfde waren, zouden alle dieren voorstelling kunnen hebben, doch dit is niet aan te nemen b.v. bij een mier, bij of worm. Verder zijn de gewaarwordingen altijd waar, de meeste voorstellingen onwaar. Vervolgens zeggen wij ook niet, wanneer wij nauwkeurig in het waarneembare werkzaam zijn „ditschijntons een mensch”, maar veeleer wanneer wij niet duidelijk gewaarworden. En ook zooals wij vroeger zeiden, verschijnen gezichten ook als men de oogen sluit. Maar ook kan zij geen zijn van die[117]altijd waar zijn, als wetenschap of begrip; want er is ook onware voorstelling. Er blijft dus over na te gaan of zij meening is; want meening is en waar en onwaar. Maar met meening gaat geloof samen (want het is onmogelijk bij meening niet te gelooven wat men meent) en geloof heeft geen dier, maar in velen is voorstelling. [Verder gaat elke meening vergezeld van geloof, geloof van overtuigd zijn, overtuiging van rede; van de dieren hebben sommigen wel voorstelling, maar geen rede]. Het blijkt verder dat voorstelling ook niet meening met of door gewaarwording of vereeniging van meening en gewaarwording kan zijn om genoemde redenen en hierom: natuurlijk betreft de meening niet iets anders, maar datgene dat ook de waarneming betreft nl. uit de meening en de waarneming van het witte komt als hun vereeniging de voorstelling, immers niet uit de meening van het goede en de waarneming van het witte: zoo is dan het zich voorstellen het meenen van wat men niet bijkomstig waarneemt. 428b. Maar in de voorstelling zijn ook onwaarheden waaromtrent men tegelijk een ware opvatting heeft b.v. de zon stelt men zich voor als van één voet middellijn, maar men is overtuigd dat zij grooter is dan de aarde; waaruit dus volgt dat men òf zijn ware meening heeft verloren, die men had, terwijl het voorwerp onveranderd blijft, zonder die vergeten te zijn of bewustelijk veranderd te hebben òf als men haar nog heeft, dan moet noodzakelijk dezelfde meening waar en onwaar zijn.Maar zij werd onwaar, zoo dikwijls men niet bemerkte dat het voorwerp omsloeg55.Alzoo is de[118]voorstelling noch een van deze noch uit deze (gewaarwording, meening) voortkomend.Maar het is mogelijk dat wanneer een ding bewogen wordt daardoor een ander bewogen wordt en de voorstelling schijnt een beweging te zijn en niet zonder waarneming te gebeuren maar bij waarnemenden en betreffende hetgeen waarneembaar is; en het is mogelijk dat een beweging ontstaat door de werkzaamheid der waarneming, die noodzakelijk overeenkomstig moet zijn met de waarneming. Zoo is dan deze beweging niet mogelijk zonder waarneming noch kan zij aanwezig zijn bij wie niet waarnemen en door haar kan het subjekt veel doen en lijden en zij kan waar en onwaar zijn. Dit volgt hieruit. De waarneming van de eigen waarneembaarheden is waar of heeft het minst onwaarheid. Daarna de waarneming van deze dingen als bijkomstigheden; hierin kan men zich dan bedriegen: dat nl. iets wit is, daarin bedriegt men zich niet; dat het witte dit of iets anders is, daarin wèl. Ten derde de waarneming van de algemeene bepalingen die de bijkomstigheden vergezellen als de eigen waarneembaarheden aanwezig zijn, zooals beweging en grootte [die bijkomstigheden zijn van de waarneembaarheden]; hieromtrent kan men zich in de waarneming dan het meest bedriegen. De beweging voortkomend uit de werkzaamheid der waarneming moet verschillen bij elk van die drie waarnemingen. En de eerste is als de waarneming er bij is, waar, de[119]anderen kunnen én bij aan- én bij afwezigheid (der waarneming) onwaar zijn, vooral wanneer de waarneembaarheid ver verwijderd is. 429a. Als dus de voorstelling niets anders is56dan is zij een beweging door de werkzaamheid der waarneming opgewekt. Daar het gezicht in de eerste plaats waarneming is, heeft zij ook haar naam vanφάος(licht) gekregen, daar men zonder licht niet zien kan. En omdat de voorstellingen bijblijven en overeenkomstig zijn aan de gewaarwordingen, handelen de levende wezens vaak daarnaar, deels doordat ze geen verstand hebben als de dieren, deels doordat het verstand soms bedekt wordt door hartstocht, of ziekten of slaap, als bij de menschen. Zooveel nu over de voorstelling, wat zij is en waardoor zij is.429 a 10-b 9. Het denkvermogen of de geest, onbepaald, vatbaar voor alle vormen, in mogelijkheid alle denkbaarheden en zuiver, is in zijn wezen mogelijkheid, en dus niet lichamelijk bepaald. De onbepaaldheid der zintuigen bij zinnelijke gewaarwording is niet volstrekt, als die van den geest. Op zichzelf betrokken is de geest ook nog in mogelijkheid.Over het deel van de ziel waardoor de ziel kent en denkt moet men ’t onderscheid nagaan of het scheidbaar is dan wel onscheidbaar naar grootte maar niet naar ’t begrip en hoe eigenlijk het denken tot stand komt. Alsnu het denken is als het waarnemen, dan is het iets ondergaan door het denkbare of iets dergelijks. Dus moet het onaangedaan zijn, geschikt om den vorm te[120]vatten en naar mogelijkheid iets zoodanigs maar niet dit ding en zooals het waarnemingsvermogen tegenover de waarneembaarheden zoo moet de geest zich verhouden tot de denkbaarheden. Dus moet de geest, daar hij alles denkt, onvermengd zijn, zooals Anaxagoras zegt, opdat hij beheersche d.w.z. opdat hij kenne; want het vreemde dat zich bijtoont hindert en verspert; dus heeft de geest geen andere natuur dan dat hij iets in mogelijkheid is. Het geest genoemde deel van de ziel (geest noem ik dat waarmee de ziel denkt en opvat) is dus in werkzaamheid niets van de dingen alvorens te denken. Daarom heeft het ook geen zin dat hij vermengd is met het lichaam; want dan zou hij bepaald worden, koud of warm, of hij zou ook een zintuig hebben, zooals het waarnemingsvermogen, en toch heeft hij er geen. En die de ziel de plaats der vormen noemen, doen niet verkeerd, doch niet de heele ziel maar de denkende en de vormen niet in werkzaamheid maar in mogelijkheid. Dat het onaangedaan zijn van het waarnemingsvermogen en het denkvermogen niet gelijksoortig is, blijkt bij de zintuigen en de waarneming. 429b. Want de waarneming kan niet waarnemen na het in hooge mate waarneembare b.v. geluid na sterke geluiden of na sterke kleuren en reuken zien of ruiken; maar de geest, wanneer hij iets zeer denkbaars denkt, denkt niet minder de mindere denkbaarheden maar veeleer meer; want het waarnemingsvermogen is niet zonder lichaam, maar de geest is gescheiden. Wanneer hij zóó alles wordt, zooals men spreekt van de in werkzaamheid kundige (dit gebeurt wanneer hij door zichzelf tot werkzaamheid kan komen), zoo is hij ook dan in zeker opzicht in mogelijkheid, maar[121]maar niet zooals voordat hij geleerd of gevonden heeft; en ook zichzelf kan hij dan denken.429 b 10–430 a 9. Het onmiddellijke, het mathematische, het begrip staan verschillend tegenover den geest. Als onaangedaan en zuiver en zichzelf denkend is de geest alles in mogelijkheid, niets in werkelijkheid vóór zijn werking, als een onbeschreven blad. Denken en begrip zijn hetzelfde; het zakelijke is begrip in mogelijkheid, afgezien van de stof.Daar grootte en het begrip van grootte, water en ’t begrip van water te onderscheiden is (zoo ook bij vele andere dingen, doch niet bij allen, want bij sommigen is het hetzelfde) oordeelt men het begrip van vleesch en het vleesch ook met iets anders of met iets in andere verhouding; want het vleesch is niet zonder de materie maar als het stompneuzige, bepaalde vorm in bepaalde materie. Met het waarnemingsvermogen nu oordeelt men over het warme en koude en die elementen waarvan het vleesch een bepaalde verhouding is; het begrip van vleesch met iets anders óf iets gescheidens óf dat is als de verhouding van de gebroken lijn tot zichzelf als gestrekte. Verder bij de wiskundige dingen het rechte als het stompneuzige, want het is gebonden aan uitgebreidheid; maar het begrip, als het begrip van het rechte en het rechte verschillend zijn, is iets anders; laat het zijn tweeheid. Dus oordeelt men het met iets anders of dat zich anders verhoudt. En zooals dus in ’t geheel de zaken gescheiden zijn van de materie, zoo ook gaat het met den geest. Men kan vragen, als de geest eenvoudig is en onaangedaan en met niets iets[122]gemeen heeft, zooals Anaxagoras zegt, hoe hij dan zal denken, indien het denken is iets ondergaan. Want in zoover twee dingen iets gemeen hebben, is het eene werkend het andere lijdend. Bovendien, (is er de verlegenheid), als hij zelf denkbaar is. Want dan moet of bij de andere dingen geest aanwezig zijn, als de geest zelf niet om iets anders denkbaar is en het denkbare één is in soort, òf de geest moet iets gemengds hebben dat hem denkbaar maakt als de andere dingen. Maar het lijden in iets gemeenschappelijks is vroeger onderscheiden, dat de geest in zekeren zin naar mogelijkheid de denkbaarheden is, maar niets in werkelijkheid voordat hij denkt.430a.Men begrijpehet zoo als op een schrijftafel, waarop niets in werkelijkheid geschreven is; wat het geval is bij den geest. En zelf is hij denkbaar zooals de denkbaarheden. Want bij de dingen zonder materie is het denkende en het gedachte hetzelfde; want de theoretische kennis en wat zoo gekend wordt is hetzelfde. De oorzaak dat men niet altijd denkt moet nagegaan worden. In de materieele dingen is in mogelijkheid elk der denkbaarheden. Dus bezitten zij geen geest (want de geest is de mogelijkheid der zoodanige dingen zonder hun materie) maar de geest bezit wel het denkbare.430 a 10–a 25. Als in de geheele natuur, zoo ook in den geest onderscheiding van materie en vorm, passieve en actieve geest. De actieve een gesteldheid als ’t licht, naar wezen werkzaamheid, zelfstandig, onaangedaan, zuiver en alleen onsterfelijk en eeuwig zichzelf. Die kan niet omvat worden door het sterfelijk bewustzijn, want de actieve geest denkt niets zonder het sterfelijk bewustzijn, dat eenheid van lijden en werken is.[123]Daar er, evenals in de heele natuur, iets is eenerzijds materie voor elk soort (dat is wat in mogelijkheid al de dingen van die soort is) anderzijds het veroorzakende en bewerkende doordat het alle dingen maakt, (zooals de verhouding is tusschen de kunst en de materie), zoo moeten ook in de ziel deze onderscheidingen aanwezig zijn. En zoodanig is de eene geest door alles te worden, de andere door alles te maken, als een gesteldheid, gelijk het licht; want op een zekere wijze maakt ook het licht de kleuren naar mogelijkheid tot kleuren in werkzaamheid. En deze geest is gescheiden, onaangedaan en ongemengd, van wezen werkzaamheid zijnde. Want altijd is hooger het bewerkende dan het lijdende en het principe dan de stof. En de kennis in werkzaamheid is hetzelfde als de zaak; (de kennis naar mogelijkheid gaat in tijd vooraf bij den enkele, maar in ’t geheel ook niet in tijd) en deze geest denkt niet nu wèl, dan niet. Op zichzelf is hij alleen dat wat hij is en dat alleen is onsterfelijk en eeuwig. Wij hebben er geenbewustzijnvan, omdat dit onaangedaan is en de lijdende geest vergankelijk is en (de actieve geest) zonder deze niets denkt.

416 a 19-b 31. Voeding werking van tegendeelen op elkaar of van gelijk op gelijk? Vooronderstelt bezield zijn en is te onderscheiden van wasdom, maar leidt tot de voortplanting, die dus doel is van de eerste (eenvoudigste) ziel. Bij voeding is de verwerkende warmte voorondersteld als de hand bij het sturen.[80]Daar hetzelfde vermogen van de ziel voedings- en voortplantingsvermogen is, is het noodig ook eerst omtrent voeding te spreken, want door die verrichting onderscheidt zich dit vermogen van de anderen. Men meent dat de voeding is tegendeel met tegendeel, maar niet elk met elk, maar die tegendeelen die niet alleen ontstaan uit elkander hebben maar ook wasdom; immers vele dingen ontstaan uit elkaar die niet allen bepaalde grootheden zijn, zooals het gezonde uit het zieke. Ook de bepaalde grootheden blijken niet evenzeer voor elkander voeding te zijn, maar het water wèl voor het vuur, het vuur echter voedt het water niet. Onder de enkelvoudige lichamen nu zijn deze (tegendeelen) wel eenerzijds voeding, anderzijds wat gevoed wordt. De moeilijkheid doet zich voor dat volgens de eenen het gelijke door het gelijke gevoed wordt alsook groeit, de anderen denken, zooals gezegd is, omgekeerd het tegendeel door het tegendeel, daar het gelijke geen werking ondervindt van het gelijke en het voedsel verandert en verteerd wordt: en de verandering gaat bij alles naar het tegengestelde of het midden (neutrale). 416b. Verder ondervindt het voedsel werking van wat gevoed wordt, maar niet omgekeerd, evenals de timmerman niet van de stof maar de stof van hem, en de timmerman verandert alleen van rust tot bedrijvigheid. Maar of het voedsel het laatst bijkomende is of het eerste, dat maakt onderscheid. Zoo beide, maar het eerst bijkomende als onverteerd, het laatste als verteerd, dan kan men in beiderlei zin over het voedsel spreken; in zoover het onverteerd is, wordt het tegendeel door het tegendeel gevoed, in zoover het verteerd is, het gelijke door het gelijke. Dus blijkt[81]dat beiden in zeker opzicht juist en niet juist spreken. Daar niets zich voedt dat geen deel heeft aan leven, is het bezielde lichaam als zoodanig hetgeen gevoed wordt en het voedsel heeft niet slechts een bijkomstige betrekking tot het bezielde. Het begrip van voeding en bewerking van groei is niet hetzelfde; in zoover n.l. het bezielde een grootheid is, geldt bewerking van groei, inzoover het een bepaald iets en wezen is, voeding; want deze handhaaft het wezen en iets bestaat zoolang het gevoed wordt en de voeding veroorzaakt de wording, niet van hetgeen gevoed wordt, maar van zijnsgelijke; want zijn wezen bestaat reeds en niets verwekt zichzelf maar handhaaft zich. Dus is het zoodanige zielsprincipe het vermogen dat den bezitter handhaaft in zijn wezen en het voedsel brengt dat vermogen tot bedrijvigheid. Daarom is zonder voedsel geen bestaan mogelijk. Als wij drie onderscheiden, wat gevoed wordt, waardoor het gevoed wordt en het voedende, is het voedende de eerste ziel, wat gevoed wordt het deze bezittende lichaam, waardoor het gevoed wordt het voedsel. Daar men naar het doel alles behoort te noemen en het doel is de verwekking van zijnsgelijke, is de eerste ziel datgene wat het zijnsgelijke verwekken kan. „Waardoor het gevoed wordt” is tweevoudig, evenals waardoor men stuurt, en de hand en het roer, het eene bewegende en bewogen wordende, het andere alleen bewogen wordende. Alle voedsel nu moet noodzakelijk verteerd kunnen worden, en het is de warmte die de vertering bewerkt; daarom heeft elk bezield wezen warmte. In omtrek nu is hiermede gezegd wat voeding is, uitvoeriger[82]moet later de zaak verduidelijkt worden in de daarover handelende geschriften38.416 b 32—418 a 6. Van voeding tot gewaarwording komende, eerst over deze in ’t algemeen als een verandering. Hierbij dezelfde vraag als bij de voeding en voorts waarom zij niet inwendig werkt maarobjectenvereischt. Zij is alleen naar mogelijkheid. Onderscheidingen in de mogelijkheid, bij doen en lijden of veranderen—veranderen tot vernietiging of tot verwezenlijking. Dit onderscheid is niet met een woord te noemen. De gewaarwording betreft het enkele, anders dan de kennis die het algemeene betreft; dit laatste is in de ziel, het eerste is van buiten. De verhouding van zintuig en waarneembaarheid als tusschen mogelijkheid en werkzaamheid lost ook de eerste vraag naar ’t gelijke of ’t ongelijke op.Na deze uiteenzetting willen wij over alle waarneming in ’t algemeen spreken. De gewaarwording gaat door ’t bewogen worden en lijden, zooals gezegd is; want zij is een zekere verandering. Maar sommigen zeggen dat ook het gelijke van het gelijke inwerking lijdt; hoe dit mogelijk of onmogelijk is hebben wij in de algemeene besprekingenomtrent ’t doen en lijden39gezegd. Er doet zich een moeilijkheid voor, waarom er ook van de gewaarwordingen zelf geen gewaarwording is en waarom (de zintuigen) zonder de dingen van buiten geen gewaarwording tot stand brengen, terwijl ze vuur, aarde en de andere elementen inhouden, waarop de gewaarwording[83]zich richt, op hen zelf of op hun bijkomstigheden. Het is dus duidelijk dat het zintuig niet in bedrijvigheid is, maar slechts in mogelijkheid. Dus is het er mede zoo, gelijk het brandbare niet brandt op zich zelf zonder het verbrandende; anders zou het zichzelf verbranden en niet het vuur in werkelijkheid noodig hebben. Daar wij op tweeërlei wijze spreken van gewaarworden (want wij zeggen dat hetgeen naar mogelijkheid hoort en ziet, hoort en ziet, ook als het slaapt, evenals hetgeen nu bedrijvig is), spreekt men ook op tweeërlei wijze van de gewaarwording, eenerzijds als naar vermogen, anderzijds als in bedrijvigheid en evenzeer van het gewaarworden, naar vermogen en in werkzaamheid. Laten wij nu eerst spreken alsof het inwerking lijden en het bewogen worden en het werkzaam zijn hetzelfde is; want de beweging is een zekere werkzaamheid, die echter onvoltooid is40, zooals elders gezegd is. Alles lijdt inwerking en wordt bewogen door het bewerkende en in werkzaamheid zijnde; daarom laat zich zeggen dat het inwerking lijdt van het gelijke alsook van het ongelijke, zooals wij zeiden; want de inwerking lijdt het ongelijke, maar die geleden hebbende is het gelijk.Ook moeten wij onderscheiding maken omtrent vermogen en werkelijkheid; nu immers spreken wij er zonder onderscheid over. Er is iets kundig op die wijze, zooals wij een mensch kundig noemen omdat de mensch behoort tot de kundigen en de kennis hebbenden; ook op die wijze, zooals wij kundig noemen hem die de spraakleer kent; ieder van deze beiden bezit het vermogen[84]niet op dezelfde wijze, maar de een omdat zijn soort en stof dusdanig is, de andere omdat hij, als hij wil in staat is tot kennisuitoefening, als niets van buiten het belet; dienuaan de uitoefening is, is kundig in werkelijkheid en in eigenlijken zin kennende deze A. De beide eersten nu zijn naar mogelijkheid kundig, maar de een is veranderd door leering en misschien uit de tegengestelde toestand omgeslagen, maar anders die uit hetbezittenvan de gewaarwording of de spraakleer zonder uitoefening tot het uitoefenen overgaat.417b. Ook het inwerking ondergaan is niet eenvoudig, maar het eene is een zekere vernietiging door zijn tegendeel, het andere veeleer een bestendiging van het in mogelijkheid zijnde door het in werkelijkheid zijnde en dat zoo eraan gelijk is als mogelijkheid zich verhoudt tot werkelijkheid; want dat wat de kunde heeft wordt kennisnemend, wat òf geen verandering is (immers de toename is tot eigen voleinding en tot werkelijkheid)òf een ander soort van verandering. Daarom moet men niet zeggen dat het denkende in het denken verandert evenmin als de bouwmeester wanneer hij bouwt. Wat nu tot werkelijkheid voert uit hetgeen in mogelijkheid is moet betreffende het denken en beseffen niet leering heeten maar anders; maar wat uit den staat van mogelijkheid leert en kennis krijgt door wat in werkelijkheid en onderwijzend is, daarvan moet men niet zeggen dat het lijdt of twee wijzen aannemen van verandering, de verandering tot de ontstentenis en die tot de gesteldheid en wezenlijkheid. Voor het gewaarwordingsvermogen is de eerste verandering door het verwekkende, wanneer het verwekt is, verhoudt het zich reeds als[85]kunde en het gewaarworden41. En het gewaarworden in bedrijvigheid wordt gezegd evenals het kennisnemen, maar het verschilt doordat bij het gewaarworden de oorzaken van de bedrijvigheid van buiten komen, het zichtbare en het hoorbare, en eveneens de overige waarneembaarheden. De oorzaak hiervan is dat de gewaarwording in werkzaamheid de enkele dingen betreft, de kunde de algemeenheden; deze laatsten zijn op zekere wijze in de ziel zelf. Daarom staat het denken in eigen macht wanneer men wil, gewaarworden niet in eigen macht; immers het is noodig dat het waarneembare aanwezig is. Hetzelfde is het geval met de wetenschappen betreffende de waarneembaarheden en door dezelfde oorzaak, omdat de waarneembaarheden zijn de enkele dingen van buiten.Maar hierover hebben wij later gelegenheid tot duidelijker uiteenzetting. Nu gelde deze bepaling dat hetgeen als in mogelijkheid genoemd wordt niet enkelvoudig is, maar eenerzijds zooals men zegt dat het kind veldheer kan zijn, anderzijds zooals men het van hem, die de militaire leeftijd heeft zegt en dat zoo zich ook het gewaarwordingsvermogen verhoudt. 418a. Daar het onderscheid hiervan geen naam heeft, maar het als onderscheid en als welk onderscheid bepaald is, moet men noodzakelijk het lijden en veranderen als de geldige benamingen gebruiken. Het gewaarwordingsvermogen is in mogelijkheid zooals het waarneembare reeds in werkelijkheid is, gelijk gezegd is. Het ondergaat inwerking als het niet gelijke, maar na de inwerking is het gelijk gemaakt en is zooals het andere.[86]418 a 7—a 25. Waarneembaarheid: algemeene, eigene, bijkomstige. De eigene zijn de eigenlijke, waarnaar het wezen van de gewaarwording bepaald is.6. Bij elke gewaarwording moeten wij over het waarneembare eerst spreken. Van het waarneembare spreekt men in drieërlei zin; hierbij neemt men twee dingen eigenlijk waar, één bijkomstiglijk. Van de twee is het eene eigen aan elke gewaarwording, het andere gemeenschappelijk aan allen. Eigen noem ik dat, wat men met een andere gewaarwording niet kan waarnemen en waaromtrent men zich niet kan vergissen, als het gezicht tegenover de kleur, het gehoor tegenover het geluid en de smaakzin tegenover de smaak. De tastzin laat meerdere onderscheidingen gelden; toch oordeelt elke (zin) over déze dingen en vergist zich niet dat er kleur of geluid is, maar wat het gekleurde is of waar, of wat het geluidgevende is of waar. Dergelijke dingen nu zijn eigen aan elke (zin), gemeenschappelijk zijn beweging, rust, getal, vorm en grootte; want dergelijke zijn aan geen zin eigen, maar gemeenschappelijk aan allen. Immers voor den tastzin is een zekere beweging waarneembaar en voor het gezicht. Van bijkomstiglijk waarneembaar spreekt men b.v. wanneer het witte de zoon van Diares is; want dat neemt men bijkomstiglijk waar, omdat het witte dit als bijkomstigheid heeft, wat men waarneemt. Daarom ondervindt men in zooverre geen inwerking van het waarneembare. Van de eigenlijke waarneembaarheden zijn de eigene de waarneembaarheden in waren zin en die, waarop elke gewaarwording in haar wezen betrekking heeft.[87]418 a 26—419 b 3. Zichtbaarheid: kleur en iets nameloos. Kleur en licht. Licht werkzaamheid van het doorschijnende (aether). Kritiek op Empedocles’ beweging van het licht. Phosforescentie. Kleur is de inwerking op het actueel doorschijnende d.i. op het licht als middenstof. Kritiek op Demokritos. De middenstof is ook vereischt bij geluid en reuk, schijnbaar niet bij tastzin en smaak. Bij reuk iets dat water en lucht gemeen hebben.Het is het zichtbare, waarop het gezicht betrekking heeft. Het zichtbare is kleur en wat door een omschrijving is te zeggen maar geen naam heeft; in het vervolg zal wel blijken wat wij bedoelen. Het zichtbare dan is de kleur. Dat is wat behoort bij het zelfstandig zichtbare; zelfstandig niet naar ’t begrip42, maar omdat het in zichzelf de oorzaak heeft van zijn zichtbaarheid. Alle kleur beweegt hetgeen in werkelijkheid doorschijnend is en dat is haar wezen. 418b. Daarom is zij niet zichtbaar zonder licht maar wordt alle kleur van alles in licht gezien. Daarom moeten wij eerst over het wezen van het licht spreken. Er is dan iets doorschijnends. Doorschijnend noem ik wat wel zichtbaar is, maar niet zelfstandig zichtbaar eenvoudig gezegd, maar door vreemde kleur. Zoodanig is lucht en water en vele vaste lichamen; want niet als water of lucht zijn zij doorschijnend, maar omdat dezelfde natuur in deze beiden aanwezig is als in het eeuwige bovenaardsche lichaam43. Licht is de werkzaamheid daarvan, van het doorschijnende als zoodanig.[88]Waarin dit in mogelijkheid is, is ook de duisternis44. Het licht is als de kleur van het doorschijnende, wanneer het inwerkelijkheiddoorschijnend is door vuur of iets zoodanigs als het bovenaardsche lichaam; want ook dit heeft iets dat een en hetzelfde is. Dus, wat het doorschijnende en wat het licht is, is gezegd, dat het noch vuur noch in ’t geheel een lichaam, noch een uitvloeiing van eenig lichaam is (want in dat geval zou het óok een zeker lichaam zijn), maar de aanwezigheid van vuur of iets zoodanigs in het doorschijnende; immers het is niet mogelijk dat twee lichamen tegelijk in dezelfde ruimte zijn. En het licht is het tegendeel van de duisternis; deduisternisis de ontstentenis van dusdanige geaardheid bij het doorschijnende, dus is blijkbaar ook de aanwezigheid er van het licht. Empedocles en wie verder zoo gezegd heeft leert niet juist dat het licht zich beweegt en te eeniger tijd tusschen de aarde en ’t hemelruim komt, buiten onze waarneming; want dat strijdt met de klaarheid van het begrip en met de verschijnselen; want in een kleine ruimte zou het aan de waarneming kunnen ontgaan; maar voor de afstand van zonsopgang tot zonsondergang is die eisch te kras. Wat kleur aanneemt is het ongekleurde, voor ’t geluid het geluidlooze. Kleurloos is het doorschijnende en het onzichtbare of nauwlijks zichtbare, zooals zal zijn het duistere. Zoodanig is het doorschijnende, maar niet wanneer het in werkelijkheid maar wanneer het in mogelijkheid doorschijnend is; want ’t zelfde wezen is nu duisternis, dan licht. 419a. Niet alle dingen zijn zichtbaar in ’t licht, maar alleen[89]de eigen kleur van alles; immers eenige dingen worden nietgezienin ’t licht, maar laten zich waarnemen in de duisternis, zooals de vuurachtige en stralende verschijnselen (die gezamenlijk geen naam hebben) als paddestoelen, hoorn, vischkoppen, schubben en oogen; maar van niets daarvan ziet men de eigen kleur. Door welke oorzaak nu deze dingen gezien worden blijft hier onbesproken; nu blijkt zooveel dat wat in ’t licht gezien wordt, kleur is; daarom ook wordt die niet gezien zonder licht; want dat was het wezen van de kleur dat zij bewerkt het in werkzaamheid doorschijnende en de werkelijkheid van het doorschijnende is het licht. Een duidelijk teeken hiervan is dat, als men het gekleurde op het oog zelf houdt, men het niet zal zien, maar de kleur bewerkt het doorschijnende b.v. de lucht en daardoor als samenhangend geheel wordt op het zintuig ingewerkt. Want hierin vergist Demokritos zich als hij meent dat, wanneer de tusschenruimte ledig was, ook een mier in den hemel duidelijk zou gezien worden; want dat is onmogelijk. Immers het zien geschiedt doordat de zin iets ondergaat, dit kan niet gebeuren door de kleur zelf die gezien wordt; dus blijft er over dat het door de middenstof gebeurt, zoodat er noodzakelijk een middenstof moet zijn, maar wanneer de ruimte ledig is, zal er niet alleen niet duidelijk, maar in ’t geheel niets gezien worden.Waarom het nu noodzakelijk is dat de kleur in ’t licht gezien wordt, is gezegd. Vuur wordt in beiden, in duisternis en in licht, gezien eveneens met noodzakelijkheid; want het doorschijnende wordt daardoor doorschijnend. Dezelfde redeneering geldt voor geluid en reuk; want[90]niets daarvan verwekt de gewaarwording wanneer het het zintuig aanraakt, maar door reuk en geluid wordt de middenstof bewerkt en daardoor elk van beide zintuigen, maar wanneer men het geluidgevende of riekende op het zintuig zelf plaatst, verwekt het geen gewaarwording. Met tastzin en smaak staat het evenzoo, ofschoon het niet zoo schijnt; later zal blijken waardoor. De middenstof voor geluiden is de lucht, voor reuk heeft zij geen naam; want zooals het doorschijnende voor kleur, zoo is het voor wat zich laat ruiken een gemeenschappelijk iets bij lucht en water, dat in deze beide aanwezig is; immers ook de waterdieren blijken reukgewaarwording te bezitten. Maar de mensch en de ademhalende landdieren kunnen niet ruiken zonder ademhalen. 419b. De oorzaak ook hiervan zal later besproken worden.419 b 4—421 a 6. Geluid, gehoor en stem (bezield geluid). Beteekenis van hoog en laag.Nu willen wij eerst over geluid en gehoor handelen. Geluid is tweevoudig, eensdeels geluid in werkzaamheid, anderdeels in mogelijkheid; want sommige dingen noemen wij geluidloos, als spons, wol, andere niet geluidloos b.v. koper en al wat vast en glad is, omdat het het vermogen heeft geluid te geven. Dat is tusschen zich en het gehoor een geluid in werkzaamheid te maken. Het geluid in werkzaamheid gebeurt steeds van iets tegen iets en in iets; want het is de slag die ’t geluid maakt en daarom is ’t ook onmogelijk dat er geluid ontstaat wanneer er maar één ding is; immers hetgeen slaat is iets anders dan wat geslagen wordt; dus wat geluid geeft doet dat[91]tegen iets (slaande) en ’t slaan is niet zonder beweging. Zooals wij zeiden ontstaat geluid niet door den slag van willekeurige dingen; immers wol die geslagen wordt maakt geen geluid, maar wel koper en al wat glad en hol is; koper omdat het glad is; het holle maakt door de terugkaatsing vele slagen na de eerste, daar datgene wat bewogen wordt er niet kan uitgaan. Ook hoort men in lucht en water, maar minder. Niet van de lucht of het water hangt het geluid af, maar er moet een slag van vaste lichamen zijn tegen elkaar en tegen de lucht en dit gebeurt, wanneer de lucht die geslagen wordt standhoudt en niet vervloeit. Daarom, wanneer de lucht snel en hard wordt geslagen, geeft zij geluid; want de beweging van het zweepen moet de breking van de lucht voorkomen, zooals wanneer men een hoop of kring van dwarrelend zand zou slaan, die in snelle beweging is. Weerklank ontstaat, wanneer van de lucht die bijeengehouden wordt doordat het vat haar afscheidt en verhindert gebroken te worden, de lucht teruggestooten wordt als een bal. Het lijkt dat er altijd weerklank is, maar niet duidelijk; immers het gaat met het geluid als met het licht; want ook het licht wordt altijd weerkaatst—anders zou er niet overal licht zijn, maar duisternis buiten wat de zon beschijnt—maar het wordt niet zóó weerkaatst als van water of koper of iets anders glads, dat het schaduw maakt, waardoor wij het licht onderscheiden. Terecht acht men het ledige datgene, waarvan het hooren afhangt. Immers de lucht is wel het ledige en die maakt dat men hoort, wanneer zij als één en samenhangend bewogen wordt. Maar doordat zij ijl is, klinkt zij niet wanneer het geslagene niet glad is. In[92]dat geval wordt zij één [en] in samenhang45door het oppervlak; want het oppervlak van het gladde is één.Geluidgevend nu is wat de aaneengesloten luchteenheid tot aan ’t gehoor beweegt. Het gehoor is van nature verbonden met de lucht; doordat het in de lucht is, wordt bij beweging van de buitenlucht de lucht er in bewogen. Daarom heeft het levend wezen niet overal gehoor noch dringt de lucht overal door; immers het deel dat bewogen moet worden en bezield is heeft niet overal lucht. De lucht zelf nu is zonder geluid door haar onvastheid; maar wanneer zij verhinderd wordt te breken dan is haar beweging geluid. De lucht in de ooren is ingebouwd met ’t oog op onbewegelijkheid, opdat men nauwkeurig al de onderscheidingen der beweging zal waarnemen. Daarom hooren wij ook in water, omdat het niet indringt tot de met ’t gehoor verbonden lucht zelf, zelfs niet in de ooren door de windingen. Wanneer dit gebeurt, hoort men niet, en ook niet wanneer het trommelvlies aangedaan is zooals de menbraan van de pupil. Maar juist een teeken van het wel of niet hooren is dat altijd het oor ruischt als de hoorn; want steeds heeft de lucht in de ooren een eigen beweging; maar het geluid is vreemd en niet eigen. En daarom zegt men dat men hoort met het ledige en ruischende, omdat wij hooren met wat begrensde lucht heeft. Is hetgeen geslagen wordt of het slaande wat klinkt? Veeleer beiden, maar op verschillende wijze; want het geluid is de beweging van wat kan bewogen worden op die wijze als hetgeen van de gladde oppervlakken[93]afgestooten wordt, wanneer men ze aanstoot. Niet dus alles, zooals gezegd is, klinkt wanneer het geslagen wordt en slaat b.v. wanneer iemand een naald met een naald treft; maar wat geslagen wordt moet effen zijn, zoodat de lucht vereenigd afgestooten wordt en trilt. De onderscheidingen der geluidgevende dingen komen uit in het geluid in werkzaamheid; want zooals zonder licht de kleuren niet gezien worden, zoo blijkt ook zonder geluid het hooge en ’t lage niet46. Deze benamingen zijn overgebracht van de tastbaarheden; immers het scherpe treft de waarneming in weinig tijd diep, het zware in veel tijd weinig diep. Nu is niet het scherpe snel, het zware traag, maar van het eerste wordt de beweging door de snelheid zoodanig, van het tweede door de traagheid. 420b. En er schijnt overeenkomst te bestaan met het scherpe en stompe bij den tastzin; want het scherpe steekt, om zoo te zeggen, ’t stompe stoot, doordat het eene in weinig tijd beweegt, het andere in veel tijd, zoodat bijkomstiglijk ’t eene snel, ’t andere traag is.Dit zij nu omtrent geluid vastgesteld. De stem is een bepaald geluid van het bezielde; want van het onbezielde heeft niets een stem, maar men spreekt in beeld van de stem van fluit b.v. en lier en de andere onbezielde dingen die volume, toon en voordracht hebben; want het lijkt dat ook de stem die heeft. Vele dieren hebben geen stem, zooals de bloedelooze en van die bloed hebben de visschen. Dit heeft ook zijn grond, daar immers het geluid een bepaalde beweging van de lucht is. Maar die naar men zegt stem hebben, zooals de[94]visschen in den Acheloûs, maken geluid met hun kieuwen of iets anders zoodanigs. Stem is het geluid van een dier, niet elk47en niet met een willekeurig lichaamsdeel. Maar daar alle geluid ontstaat doordat iets slaat tegen iets en in iets en dat is de lucht, kan met reden alleen datgene stem uitten dat de lucht opneemt. Immers de lucht bij de ademhaling gebruikt de natuur op dit punt voor twee verrichtingen, evenals de tong voor den smaak en het spreken, van welke de smaak is iets noodzakelijks, (die daarom ook bij meerderen aanwezig is) terwijl de spraak voor het hoogere is. Zoo gebruikt zij ook de adem voor de inwendige warmte als iets noodzakelijks (de oorzaak zal elders ter sprake komen) en voor de stem opdat het hoogere aanwezig zij. Het orgaan voor de ademhaling is de luchtpijp; waarvoor dit lichaamsdeel ook is, dat is de long, want in dit lichaamsdeel hebben de landdieren het meeste warmte van allen. Ook de hartstreek heeft in de eerste plaats de ademhaling noodig. Daarom is het noodzakelijk dat door de inademing de lucht binnen komt. Dus is de stoot van de ingeademde lucht bewerkt door de ziel in die deelen tegen de zoogenaamde luchtpijp, de stem. Want zooals wij zeiden is niet ieder geluid van een dier stem (want men kan met de tong geluid maken en zooals bij hoesten), maar het stootende moet bezield zijn en vergezeld zijn van eenige voorstelling, want de stem is een geluid met beteekenis; en de stem is niet ’t geluid van de ingeademde lucht, zooals de hoest, maar daarmede stoot men de lucht in de luchtpijp tegen deze. 421a. Een bewijs[95]is dat men geen stem kan uiten bij in- of uitademing, maar als men den adem inhoudt; want daardoor veroorzaakt die den adem inhoudt de beweging. Ook blijkt waardoor de visschen stom zijn, doordat zij nl. geen luchtpijp hebben. Dat lichaamsdeel missen zij omdat zij de lucht niet opnemen noch inademen. De reden nu waarom dit zoo is, behoort in een andere behandeling.421 a 7—422 a 7. De reuk, overeenkomst met de smaak. Onderscheidingen, Middenstof, Bizonderheid bij de menschelijke reukgewaarwording. De reuk betreft het droge.Over den reuk en het ruikbare is de bepaling minder gemakkelijk dan bij het behandelde; want de aard van de reuk is niet zoo duidelijk als het geluid of de kleur, de oorzaak is dat wij deze gewaarwording niet nauwkeurig bezitten maar minder dan vele dieren; want de mensch ruikt slecht en heeft geen reukgewaarwording zonder gevoel van afkeer of genot, daar blijkbaar het zintuig niet nauwkeurig is. Het is aannemelijk dat op deze wijze ook de staroogigen de kleuren gewaarworden en de onderscheiden der kleuren hen alleen blijken doordat zij al of niet vrees verwekken; zoo neemt ook het menschelijk geslacht de reuken waar. Want de reuk schijnt overeenkomst te hebben met de smaak en de soorten van de smaken met die van de reuk, maar wij hebben nauwkeurigen smaak omdat deze een soort tastzin is en de mensch die gewaarwording ’t nauwkeurigst heeft; want in de andere gewaarwordingen blijft de mensch bij velen van de dieren achter, maar in den tastzin bezit hij de andere ver overtreffende nauwkeurigheid. Daarom is hij ook het verstandigste der levende wezens. Een[96]bewijs is dat ook onder het menschelijk geslacht het onderscheid van aanleg van dat zintuig afhangt en van niets anders; want de hardvleezigen zijn slecht van aanleg voor ’t denken, de zachtvleezigen goed. Zooals bij smaken de eene zoet, de andere bitter is, zoo ook bij de reuken. Maar sommige dingen hebben overeenkomstigen reuk en smaak b.v. zoete reuk en zoete smaak, andere omgekeerd. Eveneens is er bittere, wrange, zure en zoete reuk; maar, gelijk wij zeiden, doordat de reuken in hun onderscheid niet zeer duidelijk zijn, zooals de smaken, hebben zij daaraan hun namen ontleend naar de gelijksoortigheid der zaken; nl. de zoete van saffraan en honig,de bittere van thym en dergelijke en zoo de anderen. 421b. Evenals bij het gehoor en iedere gewaarwording, deze het hoorbare betreft en het onhoorbare, gene het zichtbare en het onzichtbare, zoo betreft de reuk het reukbare en onreukbare. Het onreukbare is deels gezegd van wat in ’t geheel geen reuk kan hebben, deels van wat weinig of slechte reuk heeft. Evenzoo spreekt men ook van wat geen smaak heeft.Ook de reuk gaat door een middenstof als lucht of water; want ook de waterdieren blijken reukgewaarwordingen te hebben, de bloedige evenals de bloedelooze, zooals ook de dieren in de lucht; want eenigen van dezen komen van verre op het voedsel af waarvan zij de reuk krijgen. Daarom doet zich een moeilijkheid voor dat, terwijl alles gelijkelijk ruikt, de mensch wèl bij inademing, maar niet wanneer hij uitademt of zijn adem inhoudt, noch van verre noch van dichtbij, zelfs niet wanneer het voorwerp binnen op het neusgat wordt geplaatst. En dat hetgeen op het zintuig zelf geplaatst[97]wordt onwaarneembaar wordt is aan alle zintuigen gemeen, maar dat zonder inademing geen (reuk)waarneming plaats vindt is een bizonderheid bij de menschen, die bij proefneming blijkt; dus zouden de bloedelooze dieren, daar zij niet inademen, eenige andere gewaarwording bezitten naast de bekenden. Dit is echter onmogelijk, daar zij immers de reuk waarnemen, want de waarneming van het riekende, het wel- of kwalijk riekende, is de reuk. Ook blijken zij vernietigd te worden door dezelfde sterke reuken als de mensch, zooals van asphalt, zwavel en dergelijke. Ruiken dus is noodzakelijk, maar niet met inademen. Het lijkt dat dit zintuig bij de menschen tegenover dat van de andere dieren verschilt zooals de oogen tegenover die der staroogigen; want de oogen van den mensch hebben als een schut of hulsel de oogleden, die men moet bewegen en optrekken om te zien; de staroogigen hebben niets zoodanigs, maar zienonmiddellijkwat zich in het doorschijnende bevindt: zoo lijkt ook het reukzintuig bij den eenen onbedekt te zijn als ’t oog, en bij hen die de lucht opnemen een bedeksel te hebben dat bij inademen opengaat terwijl de aderen en porieën zich verwijden. 422a. En daarom ruiken de inademende dieren niet in het water, want zij moeten door inademen ruiken en dat is onmogelijk in het water. De reuk betreft het droge, zooals de smaak het vochtige; het reukzintuig is naar mogelijkheid zoodanig48.422 a 8—b 16. Smaak. Geen middenstof, als bij den tastzin. Betreft het vochtige. Onderscheidingen van smaken.[98]Het voorwerp van de smaak is iets tastbaars en dat is de oorzaak waarom het niet waarneembaar is door het midden, dat een vreemd lichaam is; immers hetzelfde geldt van den tastzin. En het lichaam waarin de smaak is, het proefbare, is in ’t vochtige als zijn materie en dat is iets tastbaars. Daarom ook indien we in ’t water waren zouden wij het daarin geworpen zoete waarnemen; maar dan zou onze gewaarwording niet gaan door den middenstof, maar doordat het zoete met het natte vermengd werd evenals bij den drank. De kleur wordt niet zoo gezien, door het vermengd worden noch door de uitvloeiingen. Aan de middenstof (bij het zien) beantwoordt (bij de smaak) niets; maar zooals het zichtbare de kleur is, zoo het proefbare de smaak. Niets verwekt smaakgewaarwording zonder vochtigheid, maar het heeft in werkzaamheid of naar mogelijkheid vochtigheid, zooals het zoute; want dat is zelf licht smeltbaar en doet de tong mede aan door ’t smelten. Zooals het gezicht betreft het zichtbare en onzichtbare (immers de duisternis is onzichtbaar, maar ook die onderscheidt het gezicht) en bovendien het te zeer schitterende (want ook dat is onzichtbaar maar op andere wijze dan de duisternis) en tevens het gehoor gaat over geluid en stilte, waarvan het eene hoorbaar het andere onhoorbaar is, en over groot geluid, evenals het gezicht over het schitterende (want zooals het geringe geluid onhoorbaar is, zoo op een zekere wijze ook het groote en gewelddadige) en men eenerzijds van het volstrekt onzichtbare spreekt, zooals in andere gevallen van het onmogelijke, anderzijds van ’t niet waarneembare dan, wanneer iets wat zijn natuur meebrengt niet of in onvoldoende mate bezit,[99]zooals het voet- en pitlooze; zoo betreft dan ook de smaak het proefbare en niet proefbare, dat is hetgeen weinig of slechte smaak heeft of een smaak die den zin vernietigt. De grondslag zal zijn het drinkbare en ondrinkbare; want beiden zijn een smaak, maar het laatste een slechte en die den zin bederft, het eerste naar de natuur. Het gemeenschappelijke van tastzin en smaak is het drinkbare. 422b. Daar het proefbare vochtig is moet het dit betreffende zintuig noch in werkelijkheid vochtig zijn, noch buiten de mogelijkheid zijn vochtig te worden. Want de smaak ondervindt iets van het proefbare als zoodanig. Dus moet het zintuig van de smaak bevochtigd worden terwijl het niet nat is, maar nat kan worden zonder vernietiging. Een bewijs is dat de tong niet waarneemt wanneer zij verdroogd noch wanneer zij te vochtig is; want dan is de aanraking met het eerstkomende vochtige, zooals wanneer men na vooraf een sterke smaak geproefd te hebben een andere proeft en zooals den zieken alles bitter voorkomt omdat zij met de tong vol van dergelijke vochtigheid waarnemen. De soorten van de smaak zijn, zooals bij de kleuren, als enkelvoudig tegengesteld, het zoete en het bittere, aansluitend bij het eerste het vettige, bij het andere het zoute, daartusschen het scherpe en strenge en wrange en zure; dat zijn ongeveer de onderscheidingen van de smaken. Dus het smaakzintuig is wat in mogelijkheid zoodanig is, het proefbare wat het zintuig in werkelijkheid zoo maakt.422 b 17—424 a 16. Tastzin. Verschil in de waarneembaarheden daarbij en bij de andere zinnen en omtrent[100]het midden—dat bij den tastzin met het lichaam één is; bij de tong is tastzin en smaak hetzelfde. Er moet bij den tastzin evenzeer een midden zijn als bij de anderen, wil de werkzaamheid mogelijk zijn. Maar anders dan bij de anderen wordt het zintuig tegelijk met het midden—niet dóór het midden—aangedaan.—De waarneembaarheid verwerkelijkt het naar mogelijkheid aan haar gelijke tastzintuig; het zintuig treedt als gemiddelde op tegenover de tastbaarheden en wordt dus oordeelend—en neemt het tastbare en ’t niet tastbare waar.Over het tastbare en den tastzin geldt dezelfde redeneering; want als de tastzin niet één gewaarwording is maar meerdere, dan moeten ook de tastbaarheden meerdere zijn. Er is te vragen of zij meerdere gewaarwordingen zijn dan wel ééne en wat het zintuig van den tastzin is, het vleesch en het daarmede overeenkomstige in de andere dingen of niet, maar dat dit de middenstof is en het eigenlijke zintuig iets anders inwendigs. Want iedere gewaarwording betreft één tegenstelling b.v. gezicht wit en zwart, gehoor hoog en laag en smaak bitter en zoet; maar in het tastbare zijn vele tegenstellingen, warm en koud, droog en vochtig, hard en zacht enz. Deze vraag vindt een zekere oplossing doordat ook bij de andere gewaarwordingen meerdere tegenstellingen bestaan, zooals bij de stem niet alleen hoog en laag maar ook luid en zacht, vloeiend en ruw en andere dergelijke. Ook bij kleur zijn andere dergelijke onderscheidingen. Maar wat het eene is dat de grondslag vormt, zooals bij gehoor geluid, dat is bij den tastzin niet duidelijk.[101]423a. Of het zintuig inwendig is of niet, maar onmiddellijk het vleesch, dat wordt niet uitgemaakt doordat de gewaarwording tegelijk met de aanraking komt. Immers ook wanneer men om het vleesch iets van een vlies spande, merkt men evenzeer de gewaarwording terstond bij de aanraking; en toch is het duidelijk dat daarin het zintuig niet is; en ware het aangegroeid, dan zou de gewaarwording nog sneller doordringen. Daarom schijnt het zoodanige deel van het lichaam zoo te zijn alsof de lucht in een kring om ons heen gegroeid was; want dan zouden wij meenen met één midden geluid kleur en reuk waar te nemen en gezicht gehoor en reuk zouden één gewaarwording schijnen: Maar nu doordat datgene, waardoor heen de bewegingen geschieden, gescheiden is (van het lichaam), blijken de gezegde zintuigen verschillend te zijn. Bij den tastzin is dit nu onduidelijk; immers het is onmogelijk dat het bezielde lichaam uit lucht of water bestaat, want er moet iets vasts zijn. Er blijft over dat het gemengd is uit aarde en die dingen49, zooals het vleesch, en wat daarmee overeenkomstig is, bedoelt te zijn; zoodat noodzakelijk ook het lichaam is het midden van den tastzin, dat aangegroeid is, waardoor de gewaarwordingen gaan, die meerderen zijn. Dat zij meerderen zijn bewijst de aanraking bij de tong; want zij neemt alle tastbaarheden met haar zelfde deel waar als de smaak. Als nu ook het overige vleesch de smaak waarnam, dan zou de smaak en de tastzin een en dezelfde gewaarwording schijnen; nu zijn zij twee doordat zij niet onderling te verwisselen zijn.[102]Hier doet zich een moeilijkheid voor. Als ieder lichaam diepte heeft als derde afmeting, en twee lichamen waartusschen eenig lichaam is, elkaar niet kunnen aanraken, en het natte niet zonder lichaam is noch het bevochtigde, maar het noodzakelijk water is of water heeft; en wat elkaar aanraakt in ’t water, terwijl de uiteinden niet droog zijn, noodzakelijk water tusschenbeide heeft dat de uiteinden dekt; zoo dit waar is, dan kan het een het ander niet aanraken in het water en op dezelfde wijze ook in de lucht (want de lucht is tegenover de in haar zijnde dingen als het water tot de daarin zijnde dingen, maar wij merken dat minder, evenals ook de dieren in het water, wanneer wat vochtig is het vochtige aanraakt). 423b. Gaat dus de waarneming van alles op dezelfde wijze of bij verschillende dingen verschillend, zooals men maar aanneemt dat de smaak en de tastzin door aanraking en de anderen gescheiden waarnemen? Niet alzoo, maar ook het harde en zachte nemen wij door andere (middenstoffen) waar evenals het geluidgevende, het zichtbare en het ruikbare, maar deze van verre, de eersten van dichtbij. Daarom merken wij het niet, immers wij nemen alles waar door de middenstof, maar bij die gewaarwordingen merken wij het niet. En toch, zooals wij ook vroeger zeiden, ook indien wij door een vlies alle tastbaarheden waarnamen zonder te merken dat het afscheidt, zouden wij ons zoo verhouden als nu in ’t water en in de lucht; want wij meenen nu de dingen zelf aan te raken zonder dat er een middenstof is. Maar het tastbare onderscheidt zich van de zichtbaarheden en geluidgevende dingen doordat wij die gewaarworden door een inwerking van de middenstof op ons,[103]maar de tastbaarheden niet door toedoen van de middenstof maar daarmede tegelijk, zooals die een stoot krijgt door zijn schild heen; immers niet het schild krijgt en geeft den stoot, maar beiden (persoon en schild) krijgen hem tegelijk. In ’t geheel lijkt het dat vleesch en de tong zich tegenover het zintuig zoo verhoudt als de lucht en het water tot het gezicht en ’t gehoor en de reuk. Wanneer het zintuig zelf aangeraakt wordt, kan er noch bij de laatsten noch bij het eersten waarneming zijn b.v. wanneer men eenig wit lichaamonmiddellijkop het oog legt. Hieruit blijkt dat het gewaarwordingsvermogen bij het tastbare inwendig is. Want dan geldt hetzelfde als voor de andere (zinnen); immers wanneer de waarneembaarheden op het zintuig gelegd worden heeft geen gewaarwording plaats, maar wanneer ze op het vleesch gelegd worden, wèl; dus is het vleesch de middenstof van den tastzin.Tastbaar nu zijn de onderscheidingen van het lichaam als zoodanig; ik bedoel de onderscheidingen tusschen de elementen, warm, koud droog en nat, waarover wij vroeger hebben gesproken in het geschrift over de elementen50. Het dezen betreffende tastzintuig, dat, waarin de gewaarwording die tasten heet eigenlijk aanwezig is, is het lichaamsdeel dat in mogelijkheid dusdanig is; want gewaarworden is iets ondergaan. 424a. Dus hetgeen dit naar werkzaamheid aan zichzelf gelijk maakt, werkt daarop in terwijl dit naar mogelijkheid dusdanig is. Daarom nemen wij het even warme en koude of harde en zachte niet waar, maar de overmaat, daar de waarneming als[104]een midden is tusschen de tegenstelling in de waarneembaarheden. En daarom beoordeelt (de waarneming) de waarneembaarheden. Want het midden is oordeelkundig, want het verhoudt zich tot elk van beide tegendeelen als hun tegendeel en zooals wat wit en zwart zal waarnemen geen van beide in werkzaamheid moet zijn en beiden in mogelijkheid (evenzoo bij de andere) zoo moet bij den tastzin (het waarnemende) noch warm noch koud (zijn). Zooals verder het gezicht in zekeren zin het zichtbare en het onzichtbare betrof en eveneens de andere de tegenstellingen waarnamen, zoo betreft ook de tastzin het tastbare en ontastbare; ontastbaar is de tastbaarheid die zeer geringe onderscheiding biedt, zooals de lucht, en de overmaat onder de tastbaarheden zooals de vernietigende. Zoo is nu elk der gewaarwording in omtrek behandeld.424 a 17—b 18. Gewaarwording in ’t algemeen betreft de vormen, niet de materie. Het waarnemende verschilt in wezen van hetobject, doordat het geen grootheid maar een verhouding aan de grootheid is, die daarom vernietigbaar is en niet bij planten voorkomt. De waarneembaarheid is er alleen voor het betreffende vermogen, ook bij tastzin en reuk.In ’t algemeen moet men betreffende alle gewaarwording begrijpen dat de gewaarwording is hetgeen de waarneembare vormen aanneemt zonder de materie, zooals de was het merk van den ring opneemt zonder het ijzer en het goud en het gouden of koperen merk aanneemt maar niet als goud of koper; eveneens wordt de waarneming van ieder aangedaan door hetgeen kleur[105]of smaak of geluid heeft, maar niet in zoover elk van die dingen (iets) maar iets zoodanigs genoemd wordt en naar het begrip. En het zintuig is allereerst datgene, waarin het zoodanige vermogen is. In aanzijn nu is het hetzelfde, maar in begrip iets anders; want het waarnemende is een grootheid, maar het begrip van het waarnemend-zijn en de waarneming is niet grootheid maar een verhouding en vermogen van de grootheid. Hieruit blijkt ook waarom toch de overmaat der waarneembaarheden de zintuigen vernietigen; immers wanneer de beweging van het zintuig te sterk is, wordt de verhouding (d.w.z. de waarneming) opgeheven evenals ook het accoord en de toon, wanneer de snaren sterk getokkeld worden; en waarom de planten niet waarnemen die iets van ziel hebben en iets ondergaan van de tastbaarheden zelve, immers zij worden koud en warm; de oorzaak is nl. dat zij geen middentoestand hebben noch zulk een principe dat de vormen van de waarneembaarheden kan opnemen, maar zij ondergaan ze met de stof. 424b. Men zou kunnen vragen of datgene wat niet kan ruiken iets ondergaat van de reuk of van de kleur wat niet kan zien, en evenzoo bij de anderen. Maar wanneer het ruikbare de reuk is, bewerkt de reuk, zoo iets, het ruiken; dus kan niets wat niet kan ruiken iets ondergaan van de reuk en hetzelfde geldt van de anderen, noch iets van wat wèl kan, anders dan in zoover elk het bepaalde waarnemingsvermogen heeft. Ook blijkt dit aldus. Noch licht of duisternis noch geluid noch reuk doet de lichamen aan maar hun dragers, b.v. de lucht met donder splijt het hout. Maar wèl doen de tastbaarheden en de smaken de lichamen aan; want waardoor[106]zouden anders de onbezielde lichamen aangedaan en veranderd worden? Doen dan soms ook die anderen (nl. licht, geluid, reuk) aan of is niet elk lichaam vatbaar voor inwerking door reuk en geluid en die aangedaan worden zijn onbepaald en houden geen stand, zooals de lucht; want die riekt als op eenige wijze aangedaan. Wat dan is ruiken anders dan iets ondergaan? Of is ruiken ook waarnemen, maar de lucht die aangedaan is, wordt in korten tijd waarneembaar (niet waarnemend.)Eind van boek II.424 b 22—425 b 11. Niet meer dan 5 zinnen mogelijk (de tastzin en die wier elementen water en lucht zijn). Geen bizondere zin voor de gemeenschappelijke waarneembaarheden. Waarom meerdere gewaarwordingen.Dat er geen andere gewaarwording is behalve de vijf—gezicht, gehoor, reuk, smaak, tastzin—kan men hieruit gelooven. Namelijk van alles, waarvan de gewaarwording tastzin is, hebben wij werkelijk gewaarwording (want alle gevallen van het tastbare als zoodanig zijn voor ons door den tastzin waarneembaar); voorts is het noodzakelijk dat, wanneer een gewaarwording ontbreekt, ons ook een zintuig ontbreekt; wat wij door onmiddellijke aanraking waarnemen is door den tastzin waarneembaar, dien wij werkelijk bezitten, wat wij niet onmiddellijk maar door middenstof waarnemen, nemen wij waar door de elementen als lucht en water. Nu is het zoo gesteld dat als wij door één midden[107]meerdere ongelijksoortige waarneembaarheden waarnemen, hij die het overeenkomstige zintuig heeft, noodzakelijk beide moet kunnen waarnemen (als b.v. het zintuig uit lucht is en de lucht de middenstof is voor geluid en kleur); als er meer middenstoffen voor dezelfde gewaarwording zijn b.v. voor kleur lucht en water (want beide zijn doorschijnend), zal degeen die slechts een van beide middenstoffen heeft, waarnemen wat door beiden gaat. 425a. En alleen uit deze twee der elementen zijn de zintuigen, uit lucht en water; (want de pupil is van water, het gehoor van lucht, de reuk van elk van beiden); het vuur behoort tot geen zintuig of gemeenschappelijk tot allen (want niets is tot waarnemen in staat zonder warmte); aarde of tot geen zintuig of is ’t meest met den tastzin bizonderlijk gemengd; zoodat er overblijft dat er geen zintuig is buiten water en lucht. Deze bezitten werkelijk eenige levende wezens en dus bezitten alle gewaarwordingen de niet onvoltooide of gebrekkige wezens; want ook de mol blijkt onder de huid oogen te hebben. Dus als er niet een ander lichaam is of een eigenschap tot geen der aardsche lichamen behoorende, dan ontbreekt er geen gewaarwording.Verder kan er ook geen bizonder zintuig zijn van het gemeenschappelijke dat wij met iedere waarneming bijkomstig waarnemen, als beweging, stilstand, vorm, grootte, getal en eenheid; al deze nl. nemen wij door beweging waar, zooals grootte door beweging en dus ook vorm, want de vorm is een grootte; en het rustende door het niet bewegen; het getal door de ontkenning van het aanéén zijn en door de bizondere waarnemingen; want elke waarneming neemt één ding waar. Het is[108]dus duidelijk dat er van geen enkele van deze een eigen gewaarwording zijn kan b.v. van beweging; want het zal zoo zijn, zooals wij nu met het gezicht het zoete waarnemen. Dit komt omdat wij van beiden gewaarwording hebben waardoor wij ook wanneer zij samenvallen ze tegelijk kennen; zoo niet, dan zouden wij het alleen bijkomstiglijk waarnemen, zooals den zoon van Kleon niet als zoon van Kleon maar als wit en dit (witte) heeft als bijkomstigheid zoon van Kleon te zijn. Van het gemeenschappelijke hebben wij stellig een gemeenschappelijke, niet bijkomstige, gewaarwording, die dus niet een eigene is; want anders zouden wij ze niet waarnemen dan zooals gezegd is betreffende het zien van Kleon’s zoon. De bij elkaar als eigen behoorende waarneembaarheden nemen de gewaarwordingen bijkomstiglijk waar, niet als die enkelen zoodanig, maar in zoover de gewaarwording één is, wanneer zij tegelijk hetzelfde betreft b.v. van gal als bitter en geel; want het is niet het werk van een andere gewaarwording te zeggen dat beiden één zijn; daarom vergist men zich ook en meent men, wanneer iets geel is, dat het gal is. 425b. Men zou kunnen vragen waarom wij meerdere gewaarwordingen en niet eene alleen hebben. Wellicht opdat de als algemeenheden met de gewaarwordingen verbondene ons niet zouden ontgaan, als beweging, grootte en getal; want indien alleen het gezicht er was en dat het witte betrof, zou van alles veel ontgaan en hetzelfde schijnen doordat tegelijk kleur en grootte met elkaar verbonden waren. Maar daar nu ook in een andere waarneembaarheid de algemeenheden aanwezig zijn, wordt het duidelijk dat elk van dezen iets anders is.[109]424 b 12—427 a 16. Gewaarwording van de waarneembaarheid gaat gepaard met die welke zichzelve betreft. Gewaarwording in werkzaamheid is hetzelfde als het waarneembare in werkelijkheid en werkzaam in het naar mogelijkheid waarneembare. Dit laatste blijft ook zonder de gewaarwording in werkzaamheid. Gewaarwording is evenals accoord een verhouding van het zintuig en het waarneembare, die verstoord kan worden door overmaat. Het gemengde geeft meer genot in de gewaarwording dan het eenvoudige. Onderscheiding van gelijktijdige ongelijksoortige waarneembaarheden door één gewaarwording, die gelijkheid en verschil tegelijk waarneemt zooals het punt één of twee is.Daar wij gewaarworden dat wij zien en hooren, moet men door het gezicht waarnemen dat men ziet of door een andere gewaarwording. Maar dan betreft dezelfde waarneming het gezicht en de voorwerpelijke kleur en zoo zullen twee waarnemingen bij hetzelfde voorwerp zijn of de waarneming zal zichzelf betreffen. Neemt men aan dat de gewaarwording van het gezicht een andere is, dan komt men tot eindeloosheid of eenige waarneming zal zichzelf betreffen. Dus moet men dat van de eerste waarneming laten gelden. Hier is de moeilijkheid dat, als gezichtswaarneming zien is er wat gezien wordt kleur of het kleurhoudende is, wanneer men het ziende ziet, het eerste ziende kleur moet hebben. Dus blijkt dat gezichtswaarneming hebben niet één is; immers ook wanneer wij niet zien, oordeelen wij met het gezicht en de duisternis en het licht, maar niet op gelijke wijze. Verder is ook het ziende in zekeren zin gekleurd; want[110]het zintuig neemt elk der waarneembaarheden op zonder de stof. Daarom zijn ook wanneer de waarneembaarheden verwijderd zijn de waarnemingen en beelden in de zintuigen.In de werkzaamheid zijn het waarneembare en de waarneming een en hetzelfde, in het begrip niet. B.v. het geluid en het gehoor in werkzaamheid; men kan nl. gehoor hebben zonder te hooren en wat geluid heeft maakt niet steeds geluid. Maar wanneer wat kan hooren en wat geluid kan geven in werkzaamheid is, dan komt tegelijk het gehoor in werkzaamheid en het geluid in werkzaamheid; het eene kan menhooringἄκουσιςen het anderegeluidingψόφησιςnoemen.426a. Indien nu de beweging en de bewerking en inwerking ligt in wat bewerkt wordt, moet ook het geluid en het gehoor in werkzaamheid liggen in wat de mogelijkheid bezit; want de werkzaamheid van het bewerkende en bewegende ligt in het lijdende; daarom is het niet noodzakelijk dat het bewegende bewogen wordt. De werkzaamheid nu van het geluid hebbende is geluid of geluiding, van het gehoorhebbende gehoor of hooring; want gehoor istweeërleien geluid en hetzelfde geldt van de andere waarnemingen en waarneembaarheden. Namelijk zooals de bewerking en de inwerking ligt in het lijdende en niet in het bewerkende, zoo ligt ook de werkzaamheid van het waarneembare en het waarneming hebbende in het waarneming hebbende. Maar bij eenige is er een woord voor b.v. de geluiding en de hooring, bij eenige is een van beide nameloos; men spreekt van aanschouwing als het gezicht in werkzaamheid is, maar de werkzaamheid van de kleur is[111]zonder naam, en het smaken is de werkzaamheid van het smaak hebbende, maar die van (’t voorwerp van) de smaak is zonder naam. Daar in werkzaamheid het waarneembare en het waarneminghebbende één is, maar in begrip onderscheiden, moeten noodzakelijk het gehoor en geluid in dien zin tegelijk te loor gaan en behouden blijven, evenzoo ’t voorwerp van smaak en het smaken enz., doch niet noodzakelijk wat in mogelijkheid zoo is; maar de vroegere natuurkundigen dwaalden in hun meening dat niets wit of zwart zonder gezicht, noch voorwerp van smaak was zonder smaken. Immers in een zin hadden zij gelijk, in een anderen zin dwaalden zij: want terwijl men intweeërleizin spreekt van de gewaarwording en het waarneembare, deels als van dingen in mogelijkheid, deels in werkzaamheid, geldt het gezegde van de laatsten, maar geldt niet van de eersten. Maar zij spraken in volstrekten zin over wat niet ononderscheiden geldt.Als het accoord een stemklank is, en de stemklank en het gehoor in een opzicht één (in een ander niet één) en het accoord een verhouding is, moet ook het gehoor een verhouding zijn. En daarom ook vernietigt elke overmaat, zoowel het hooge als het lage, het gehoor; eveneens in de smaken de smaak en in de kleuren het zeer schitterende of duistere het gezicht en bij den reuk de sterke reuk, zoo de zoete als de bittere, omdat de gewaarwording een verhouding is. 426b. Daarom geven wel ook de waarneembaarheden wanneer zij zuiver en ongemengd in de verhouding komen genot, als het zure of zoete of zoute; dan immers geven zij genot; maar[112]in ’t geheel meer het gemengde, het accoord51, dan het hooge of het lage. Voor den tastzin is het aangename wat verwarmd of verkoeld kan worden en de gewaarwording is de verhouding; bij overmaat is er pijn of vernietiging.Elke waarneming nu betreft het voorwerpelijke waarneembare en is aanwezig in het zintuig als zoodanig en beoordeelt de onderscheiden van het voorwerpelijke waarneembare, b.v. wit en zwart het gezicht, zoet en en bitter de smaak enz. Daar wij ook het witte en het zoete en iedere andere waarneembaarheid met iedere andere vergelijken, waardoor dan nemen wij hun onderscheid waar? Noodwendiglijk door waarneming, aangezien het waarneembaarheden zijn. Hieruit blijkt ook dat het vleesch niet het eigenlijke zintuig is; want dan zou noodzakelijkerwijze het vergelijkende het ding zelf moeten aanraken. Maar het is ook niet mogelijk met afzonderlijke zintuigen te oordeelen dat het zoete iets anders is dan het witte, maar noodzakelijk moeten beiden voor één enkel (zintuig) duidelijk zijn. Want anders zou ook indien ik het eene en gij het andere zoudt waarnemen, duidelijk zijn dat de beide voorwerpen verschillend zijn. Maar het ééne moet zeggen dat het iets anders is; want het zoete is iets anders dan het witte. Het is blijkbaar hetzelfde, wat zoo zegt en zooals het zegt, zoo ook denkt het en wordt het gewaar. Het blijkt dus nu dat het niet mogelijk is met verschillende zintuigen de verschillende waarneembaarheden te oordeelen; dat het evenmin mogelijk is in verschillende tijden, blijkt[113]hieruit. Zooals namelijk hetzelfde zegt dat het goede iets anders is dan het kwade, zoo ook wanneer het zegt dat het eene en het andere iets anders zijn, is het „wanneer” geen bijkomstigheid, d.w.z. dat iknuzeg, dat het iets anders is, maar niet dat hetnuiets anders is; maar nu zegt men dat het zoo is en dat het nu zoo is, dus tegelijk. En dus ongescheiden en in ongescheiden tijd. Evenwel het is onmogelijk dat hetzelfde tegelijk tegengestelde bewegingen ondergaat als ongedeeld en in ongedeelden tijd. Want iets zoets brengt deze beweging in de gewaarwording of het denken, het bittere de tegengestelde en het witte een andere. 427a. Is dus niet het oordeelende tegelijkertijd en in getal ongedeeld en onscheidbaar, maar in begrip onderscheiden? Dan is het dus eenerzijds het gedeelde dat de gedeelden waarneemt, anderzijds zooals het als ongedeeld is; immers in begrip gedeeld, naar plaatsengetal ongedeeld. Is dit wel mogelijk? Immers in mogelijkheid zijn de tegendeelen hetzelfde en ongedeeld (ofschoon niet in het begrip), maar in werkzaamheid gedeeld en het is niet mogelijk dat iets tegelijk wit en zwart is, dus ook niet dat iets de vormen daarvan opneemt, als dat waarnemen en denken is. Maar dit verhoudt zich zooals wat sommigen het punt noemen, het eene als twee en in zooverre gedeeld. In zoover nu het ongedeeld is, is het oordeelende een en tegelijkertijd, in zoover het gedeeld is, is het niet één; immers men gebruikt twee keer hetzelfde punt tegelijk; in zoover men nu het grenspunt als twee gebruikt, zijn het twee die oordeelen en gescheiden als met in zekeren zin gescheiden waarneming; in zooverre het punt één is, oordeelt men met één en[114]tegelijk52. Over het principe nu volgens hetwelk het levend wezen gewaarwording heeft, mogen zulke bepalingen gelden.427 a 17—b 26. Onderscheid tusschen gewaarworden, denken en voorstelling.Naar twee onderscheidingen wordt hoofdzakelijk de ziel bepaald, naar plaatselijke beweging en naar het denken en het oordeelen en waarnemen. Ook het begrijpen en denken schijnt een waarnemen te zijn (want in deze beiden oordeelt en kent de ziel eenig ding). En de ouden noemen zeker het denken en waarnemen hetzelfde, zooals ook Empedokles heeft gezegd: „naar het aanwezige groeit de gedachte bij de menschen” en elders: „van daar overkomt het hen ook steeds anderssoortige dingen te denken” en hetzelfde bedoelt ook het Homerische: „zoodanig toch is de geest”53.Deze allen immers achten het denken evenals het waarnemen van lichamelijken aard en dat men met het gelijke waarneemt en denkt het gelijke, zooals wij in den aanvang uiteen hebben gezet. 427b. Echter hadden zij tevens ook over de dwaling moeten spreken, die immers aan de levende wezens meer eigen is en daarin verblijft de ziel den meesten tijd. Dus is het noodzakelijk dat of, zooals sommigen zeggen, alle verschijnselen waar zijn of dat de aanraking van het ongelijke dwaling is, want dat staat tegenover het kennen van het gelijke door het gelijke; en ook is de dwaling en het weten betreffende de tegendeelen hetzelfde. Echter blijkt dat het waarnemen[115]en het denken niet hetzelfde zijn. Want het eerste bezitten alle dieren, het laatste weinigen. Maar ook het begrijpen, dat juist en onjuist kan zijn, juist als verstand, wetenschap en ware meening, onjuist als het omgekeerde daarvan, ook dat is niet hetzelfde als het waarnemen; want de waarneming betreffende de eigen waarneembaarheden is altijd waar en is aanwezig bij alle dieren, maar denken kan men ook onwaar en niemand heeft het die ook niet rede bezit; want voorstelling is iets anders dan waarneming en begrip, en zij (de voorstelling) wordt niet zonder waarneming en zonder haar is er geen opvatting. Dat de voorstelling54niet zelf begrip en opvatting is, is duidelijk. Want dit gebeuren (van de voorstelling) is van onzen wil afhankelijk (want men kan zich iets voor oogen stellen, zooals zij die in de geheugenkunst door beelden iets vasthouden), maar niet het meenen, want (daarbij) moet men òf onwaar òf waar zijn. Bovendien wanneer wij iets ergs of vreeselijks meenen, ondergaan wij onmiddellijk die gewaarwording tevens en eveneens bij het bemoedigende; bij de voorstelling verhouden wij ons zoo alsof wij het vreeselijke of bemoedigende geschilderd aanschouwden. Er zijn ook van de opvatting zelf onderscheidingen, wetenschap, meening, verstand en hun tegendeelen; over het onderscheid daartusschen moet elders gesproken worden.427 b 27–429 a 9. Voorstelling, een vermogen van oordeelen, is niet gewaarwording; ook niet kennis of begrip. Evenmin is zij meening met of door gewaarwording[116]of verbinding van ’t eene en ’t andere b.v. voorstelling van en meening omtrent de grootte van de zon. De voorstelling is een beweging uit die der gewaarwording in werkzaamheid voortkomende, welke beweging vooral bij de algemeene bijkomstige gewaarwordingen valsch kan zijn, vooral als het voorwerp ver verwijderd is. Naam en werking der voorstelling.Het denken, iets anders dan het waarnemen, is deels voorstelling deels opvatting; na de bepaling van de voorstelling, moeten wij spreken over het andere. 428a. Als dan de voorstelling datgene is dat in ons een beeld doet opkomen, en niet overdrachtelijk is bedoeld, dan is zij een vermogen of gesteldheid van diegenen, volgens dewelke wij oordeelen, waar of onwaar. Dezulke zijn gewaarwording, meening, wetenschap, begrip. Dat de voorstelling nu niet gewaarwording is, blijkt hieruit dat gewaarwording of mogelijkheid of werkzaamheid is b.v. gezicht en aanschouwing, maar voorstelling is dààr, ook zonder dat een van beiden aanwezig is, zooals bij droomen. Verder is gewaarwording altijd aanwezig, voorstelling niet. Als zij in werkzaamheid hetzelfde waren, zouden alle dieren voorstelling kunnen hebben, doch dit is niet aan te nemen b.v. bij een mier, bij of worm. Verder zijn de gewaarwordingen altijd waar, de meeste voorstellingen onwaar. Vervolgens zeggen wij ook niet, wanneer wij nauwkeurig in het waarneembare werkzaam zijn „ditschijntons een mensch”, maar veeleer wanneer wij niet duidelijk gewaarworden. En ook zooals wij vroeger zeiden, verschijnen gezichten ook als men de oogen sluit. Maar ook kan zij geen zijn van die[117]altijd waar zijn, als wetenschap of begrip; want er is ook onware voorstelling. Er blijft dus over na te gaan of zij meening is; want meening is en waar en onwaar. Maar met meening gaat geloof samen (want het is onmogelijk bij meening niet te gelooven wat men meent) en geloof heeft geen dier, maar in velen is voorstelling. [Verder gaat elke meening vergezeld van geloof, geloof van overtuigd zijn, overtuiging van rede; van de dieren hebben sommigen wel voorstelling, maar geen rede]. Het blijkt verder dat voorstelling ook niet meening met of door gewaarwording of vereeniging van meening en gewaarwording kan zijn om genoemde redenen en hierom: natuurlijk betreft de meening niet iets anders, maar datgene dat ook de waarneming betreft nl. uit de meening en de waarneming van het witte komt als hun vereeniging de voorstelling, immers niet uit de meening van het goede en de waarneming van het witte: zoo is dan het zich voorstellen het meenen van wat men niet bijkomstig waarneemt. 428b. Maar in de voorstelling zijn ook onwaarheden waaromtrent men tegelijk een ware opvatting heeft b.v. de zon stelt men zich voor als van één voet middellijn, maar men is overtuigd dat zij grooter is dan de aarde; waaruit dus volgt dat men òf zijn ware meening heeft verloren, die men had, terwijl het voorwerp onveranderd blijft, zonder die vergeten te zijn of bewustelijk veranderd te hebben òf als men haar nog heeft, dan moet noodzakelijk dezelfde meening waar en onwaar zijn.Maar zij werd onwaar, zoo dikwijls men niet bemerkte dat het voorwerp omsloeg55.Alzoo is de[118]voorstelling noch een van deze noch uit deze (gewaarwording, meening) voortkomend.Maar het is mogelijk dat wanneer een ding bewogen wordt daardoor een ander bewogen wordt en de voorstelling schijnt een beweging te zijn en niet zonder waarneming te gebeuren maar bij waarnemenden en betreffende hetgeen waarneembaar is; en het is mogelijk dat een beweging ontstaat door de werkzaamheid der waarneming, die noodzakelijk overeenkomstig moet zijn met de waarneming. Zoo is dan deze beweging niet mogelijk zonder waarneming noch kan zij aanwezig zijn bij wie niet waarnemen en door haar kan het subjekt veel doen en lijden en zij kan waar en onwaar zijn. Dit volgt hieruit. De waarneming van de eigen waarneembaarheden is waar of heeft het minst onwaarheid. Daarna de waarneming van deze dingen als bijkomstigheden; hierin kan men zich dan bedriegen: dat nl. iets wit is, daarin bedriegt men zich niet; dat het witte dit of iets anders is, daarin wèl. Ten derde de waarneming van de algemeene bepalingen die de bijkomstigheden vergezellen als de eigen waarneembaarheden aanwezig zijn, zooals beweging en grootte [die bijkomstigheden zijn van de waarneembaarheden]; hieromtrent kan men zich in de waarneming dan het meest bedriegen. De beweging voortkomend uit de werkzaamheid der waarneming moet verschillen bij elk van die drie waarnemingen. En de eerste is als de waarneming er bij is, waar, de[119]anderen kunnen én bij aan- én bij afwezigheid (der waarneming) onwaar zijn, vooral wanneer de waarneembaarheid ver verwijderd is. 429a. Als dus de voorstelling niets anders is56dan is zij een beweging door de werkzaamheid der waarneming opgewekt. Daar het gezicht in de eerste plaats waarneming is, heeft zij ook haar naam vanφάος(licht) gekregen, daar men zonder licht niet zien kan. En omdat de voorstellingen bijblijven en overeenkomstig zijn aan de gewaarwordingen, handelen de levende wezens vaak daarnaar, deels doordat ze geen verstand hebben als de dieren, deels doordat het verstand soms bedekt wordt door hartstocht, of ziekten of slaap, als bij de menschen. Zooveel nu over de voorstelling, wat zij is en waardoor zij is.429 a 10-b 9. Het denkvermogen of de geest, onbepaald, vatbaar voor alle vormen, in mogelijkheid alle denkbaarheden en zuiver, is in zijn wezen mogelijkheid, en dus niet lichamelijk bepaald. De onbepaaldheid der zintuigen bij zinnelijke gewaarwording is niet volstrekt, als die van den geest. Op zichzelf betrokken is de geest ook nog in mogelijkheid.Over het deel van de ziel waardoor de ziel kent en denkt moet men ’t onderscheid nagaan of het scheidbaar is dan wel onscheidbaar naar grootte maar niet naar ’t begrip en hoe eigenlijk het denken tot stand komt. Alsnu het denken is als het waarnemen, dan is het iets ondergaan door het denkbare of iets dergelijks. Dus moet het onaangedaan zijn, geschikt om den vorm te[120]vatten en naar mogelijkheid iets zoodanigs maar niet dit ding en zooals het waarnemingsvermogen tegenover de waarneembaarheden zoo moet de geest zich verhouden tot de denkbaarheden. Dus moet de geest, daar hij alles denkt, onvermengd zijn, zooals Anaxagoras zegt, opdat hij beheersche d.w.z. opdat hij kenne; want het vreemde dat zich bijtoont hindert en verspert; dus heeft de geest geen andere natuur dan dat hij iets in mogelijkheid is. Het geest genoemde deel van de ziel (geest noem ik dat waarmee de ziel denkt en opvat) is dus in werkzaamheid niets van de dingen alvorens te denken. Daarom heeft het ook geen zin dat hij vermengd is met het lichaam; want dan zou hij bepaald worden, koud of warm, of hij zou ook een zintuig hebben, zooals het waarnemingsvermogen, en toch heeft hij er geen. En die de ziel de plaats der vormen noemen, doen niet verkeerd, doch niet de heele ziel maar de denkende en de vormen niet in werkzaamheid maar in mogelijkheid. Dat het onaangedaan zijn van het waarnemingsvermogen en het denkvermogen niet gelijksoortig is, blijkt bij de zintuigen en de waarneming. 429b. Want de waarneming kan niet waarnemen na het in hooge mate waarneembare b.v. geluid na sterke geluiden of na sterke kleuren en reuken zien of ruiken; maar de geest, wanneer hij iets zeer denkbaars denkt, denkt niet minder de mindere denkbaarheden maar veeleer meer; want het waarnemingsvermogen is niet zonder lichaam, maar de geest is gescheiden. Wanneer hij zóó alles wordt, zooals men spreekt van de in werkzaamheid kundige (dit gebeurt wanneer hij door zichzelf tot werkzaamheid kan komen), zoo is hij ook dan in zeker opzicht in mogelijkheid, maar[121]maar niet zooals voordat hij geleerd of gevonden heeft; en ook zichzelf kan hij dan denken.429 b 10–430 a 9. Het onmiddellijke, het mathematische, het begrip staan verschillend tegenover den geest. Als onaangedaan en zuiver en zichzelf denkend is de geest alles in mogelijkheid, niets in werkelijkheid vóór zijn werking, als een onbeschreven blad. Denken en begrip zijn hetzelfde; het zakelijke is begrip in mogelijkheid, afgezien van de stof.Daar grootte en het begrip van grootte, water en ’t begrip van water te onderscheiden is (zoo ook bij vele andere dingen, doch niet bij allen, want bij sommigen is het hetzelfde) oordeelt men het begrip van vleesch en het vleesch ook met iets anders of met iets in andere verhouding; want het vleesch is niet zonder de materie maar als het stompneuzige, bepaalde vorm in bepaalde materie. Met het waarnemingsvermogen nu oordeelt men over het warme en koude en die elementen waarvan het vleesch een bepaalde verhouding is; het begrip van vleesch met iets anders óf iets gescheidens óf dat is als de verhouding van de gebroken lijn tot zichzelf als gestrekte. Verder bij de wiskundige dingen het rechte als het stompneuzige, want het is gebonden aan uitgebreidheid; maar het begrip, als het begrip van het rechte en het rechte verschillend zijn, is iets anders; laat het zijn tweeheid. Dus oordeelt men het met iets anders of dat zich anders verhoudt. En zooals dus in ’t geheel de zaken gescheiden zijn van de materie, zoo ook gaat het met den geest. Men kan vragen, als de geest eenvoudig is en onaangedaan en met niets iets[122]gemeen heeft, zooals Anaxagoras zegt, hoe hij dan zal denken, indien het denken is iets ondergaan. Want in zoover twee dingen iets gemeen hebben, is het eene werkend het andere lijdend. Bovendien, (is er de verlegenheid), als hij zelf denkbaar is. Want dan moet of bij de andere dingen geest aanwezig zijn, als de geest zelf niet om iets anders denkbaar is en het denkbare één is in soort, òf de geest moet iets gemengds hebben dat hem denkbaar maakt als de andere dingen. Maar het lijden in iets gemeenschappelijks is vroeger onderscheiden, dat de geest in zekeren zin naar mogelijkheid de denkbaarheden is, maar niets in werkelijkheid voordat hij denkt.430a.Men begrijpehet zoo als op een schrijftafel, waarop niets in werkelijkheid geschreven is; wat het geval is bij den geest. En zelf is hij denkbaar zooals de denkbaarheden. Want bij de dingen zonder materie is het denkende en het gedachte hetzelfde; want de theoretische kennis en wat zoo gekend wordt is hetzelfde. De oorzaak dat men niet altijd denkt moet nagegaan worden. In de materieele dingen is in mogelijkheid elk der denkbaarheden. Dus bezitten zij geen geest (want de geest is de mogelijkheid der zoodanige dingen zonder hun materie) maar de geest bezit wel het denkbare.430 a 10–a 25. Als in de geheele natuur, zoo ook in den geest onderscheiding van materie en vorm, passieve en actieve geest. De actieve een gesteldheid als ’t licht, naar wezen werkzaamheid, zelfstandig, onaangedaan, zuiver en alleen onsterfelijk en eeuwig zichzelf. Die kan niet omvat worden door het sterfelijk bewustzijn, want de actieve geest denkt niets zonder het sterfelijk bewustzijn, dat eenheid van lijden en werken is.[123]Daar er, evenals in de heele natuur, iets is eenerzijds materie voor elk soort (dat is wat in mogelijkheid al de dingen van die soort is) anderzijds het veroorzakende en bewerkende doordat het alle dingen maakt, (zooals de verhouding is tusschen de kunst en de materie), zoo moeten ook in de ziel deze onderscheidingen aanwezig zijn. En zoodanig is de eene geest door alles te worden, de andere door alles te maken, als een gesteldheid, gelijk het licht; want op een zekere wijze maakt ook het licht de kleuren naar mogelijkheid tot kleuren in werkzaamheid. En deze geest is gescheiden, onaangedaan en ongemengd, van wezen werkzaamheid zijnde. Want altijd is hooger het bewerkende dan het lijdende en het principe dan de stof. En de kennis in werkzaamheid is hetzelfde als de zaak; (de kennis naar mogelijkheid gaat in tijd vooraf bij den enkele, maar in ’t geheel ook niet in tijd) en deze geest denkt niet nu wèl, dan niet. Op zichzelf is hij alleen dat wat hij is en dat alleen is onsterfelijk en eeuwig. Wij hebben er geenbewustzijnvan, omdat dit onaangedaan is en de lijdende geest vergankelijk is en (de actieve geest) zonder deze niets denkt.

416 a 19-b 31. Voeding werking van tegendeelen op elkaar of van gelijk op gelijk? Vooronderstelt bezield zijn en is te onderscheiden van wasdom, maar leidt tot de voortplanting, die dus doel is van de eerste (eenvoudigste) ziel. Bij voeding is de verwerkende warmte voorondersteld als de hand bij het sturen.[80]

Daar hetzelfde vermogen van de ziel voedings- en voortplantingsvermogen is, is het noodig ook eerst omtrent voeding te spreken, want door die verrichting onderscheidt zich dit vermogen van de anderen. Men meent dat de voeding is tegendeel met tegendeel, maar niet elk met elk, maar die tegendeelen die niet alleen ontstaan uit elkander hebben maar ook wasdom; immers vele dingen ontstaan uit elkaar die niet allen bepaalde grootheden zijn, zooals het gezonde uit het zieke. Ook de bepaalde grootheden blijken niet evenzeer voor elkander voeding te zijn, maar het water wèl voor het vuur, het vuur echter voedt het water niet. Onder de enkelvoudige lichamen nu zijn deze (tegendeelen) wel eenerzijds voeding, anderzijds wat gevoed wordt. De moeilijkheid doet zich voor dat volgens de eenen het gelijke door het gelijke gevoed wordt alsook groeit, de anderen denken, zooals gezegd is, omgekeerd het tegendeel door het tegendeel, daar het gelijke geen werking ondervindt van het gelijke en het voedsel verandert en verteerd wordt: en de verandering gaat bij alles naar het tegengestelde of het midden (neutrale). 416b. Verder ondervindt het voedsel werking van wat gevoed wordt, maar niet omgekeerd, evenals de timmerman niet van de stof maar de stof van hem, en de timmerman verandert alleen van rust tot bedrijvigheid. Maar of het voedsel het laatst bijkomende is of het eerste, dat maakt onderscheid. Zoo beide, maar het eerst bijkomende als onverteerd, het laatste als verteerd, dan kan men in beiderlei zin over het voedsel spreken; in zoover het onverteerd is, wordt het tegendeel door het tegendeel gevoed, in zoover het verteerd is, het gelijke door het gelijke. Dus blijkt[81]dat beiden in zeker opzicht juist en niet juist spreken. Daar niets zich voedt dat geen deel heeft aan leven, is het bezielde lichaam als zoodanig hetgeen gevoed wordt en het voedsel heeft niet slechts een bijkomstige betrekking tot het bezielde. Het begrip van voeding en bewerking van groei is niet hetzelfde; in zoover n.l. het bezielde een grootheid is, geldt bewerking van groei, inzoover het een bepaald iets en wezen is, voeding; want deze handhaaft het wezen en iets bestaat zoolang het gevoed wordt en de voeding veroorzaakt de wording, niet van hetgeen gevoed wordt, maar van zijnsgelijke; want zijn wezen bestaat reeds en niets verwekt zichzelf maar handhaaft zich. Dus is het zoodanige zielsprincipe het vermogen dat den bezitter handhaaft in zijn wezen en het voedsel brengt dat vermogen tot bedrijvigheid. Daarom is zonder voedsel geen bestaan mogelijk. Als wij drie onderscheiden, wat gevoed wordt, waardoor het gevoed wordt en het voedende, is het voedende de eerste ziel, wat gevoed wordt het deze bezittende lichaam, waardoor het gevoed wordt het voedsel. Daar men naar het doel alles behoort te noemen en het doel is de verwekking van zijnsgelijke, is de eerste ziel datgene wat het zijnsgelijke verwekken kan. „Waardoor het gevoed wordt” is tweevoudig, evenals waardoor men stuurt, en de hand en het roer, het eene bewegende en bewogen wordende, het andere alleen bewogen wordende. Alle voedsel nu moet noodzakelijk verteerd kunnen worden, en het is de warmte die de vertering bewerkt; daarom heeft elk bezield wezen warmte. In omtrek nu is hiermede gezegd wat voeding is, uitvoeriger[82]moet later de zaak verduidelijkt worden in de daarover handelende geschriften38.

416 b 32—418 a 6. Van voeding tot gewaarwording komende, eerst over deze in ’t algemeen als een verandering. Hierbij dezelfde vraag als bij de voeding en voorts waarom zij niet inwendig werkt maarobjectenvereischt. Zij is alleen naar mogelijkheid. Onderscheidingen in de mogelijkheid, bij doen en lijden of veranderen—veranderen tot vernietiging of tot verwezenlijking. Dit onderscheid is niet met een woord te noemen. De gewaarwording betreft het enkele, anders dan de kennis die het algemeene betreft; dit laatste is in de ziel, het eerste is van buiten. De verhouding van zintuig en waarneembaarheid als tusschen mogelijkheid en werkzaamheid lost ook de eerste vraag naar ’t gelijke of ’t ongelijke op.

Na deze uiteenzetting willen wij over alle waarneming in ’t algemeen spreken. De gewaarwording gaat door ’t bewogen worden en lijden, zooals gezegd is; want zij is een zekere verandering. Maar sommigen zeggen dat ook het gelijke van het gelijke inwerking lijdt; hoe dit mogelijk of onmogelijk is hebben wij in de algemeene besprekingenomtrent ’t doen en lijden39gezegd. Er doet zich een moeilijkheid voor, waarom er ook van de gewaarwordingen zelf geen gewaarwording is en waarom (de zintuigen) zonder de dingen van buiten geen gewaarwording tot stand brengen, terwijl ze vuur, aarde en de andere elementen inhouden, waarop de gewaarwording[83]zich richt, op hen zelf of op hun bijkomstigheden. Het is dus duidelijk dat het zintuig niet in bedrijvigheid is, maar slechts in mogelijkheid. Dus is het er mede zoo, gelijk het brandbare niet brandt op zich zelf zonder het verbrandende; anders zou het zichzelf verbranden en niet het vuur in werkelijkheid noodig hebben. Daar wij op tweeërlei wijze spreken van gewaarworden (want wij zeggen dat hetgeen naar mogelijkheid hoort en ziet, hoort en ziet, ook als het slaapt, evenals hetgeen nu bedrijvig is), spreekt men ook op tweeërlei wijze van de gewaarwording, eenerzijds als naar vermogen, anderzijds als in bedrijvigheid en evenzeer van het gewaarworden, naar vermogen en in werkzaamheid. Laten wij nu eerst spreken alsof het inwerking lijden en het bewogen worden en het werkzaam zijn hetzelfde is; want de beweging is een zekere werkzaamheid, die echter onvoltooid is40, zooals elders gezegd is. Alles lijdt inwerking en wordt bewogen door het bewerkende en in werkzaamheid zijnde; daarom laat zich zeggen dat het inwerking lijdt van het gelijke alsook van het ongelijke, zooals wij zeiden; want de inwerking lijdt het ongelijke, maar die geleden hebbende is het gelijk.

Ook moeten wij onderscheiding maken omtrent vermogen en werkelijkheid; nu immers spreken wij er zonder onderscheid over. Er is iets kundig op die wijze, zooals wij een mensch kundig noemen omdat de mensch behoort tot de kundigen en de kennis hebbenden; ook op die wijze, zooals wij kundig noemen hem die de spraakleer kent; ieder van deze beiden bezit het vermogen[84]niet op dezelfde wijze, maar de een omdat zijn soort en stof dusdanig is, de andere omdat hij, als hij wil in staat is tot kennisuitoefening, als niets van buiten het belet; dienuaan de uitoefening is, is kundig in werkelijkheid en in eigenlijken zin kennende deze A. De beide eersten nu zijn naar mogelijkheid kundig, maar de een is veranderd door leering en misschien uit de tegengestelde toestand omgeslagen, maar anders die uit hetbezittenvan de gewaarwording of de spraakleer zonder uitoefening tot het uitoefenen overgaat.

417b. Ook het inwerking ondergaan is niet eenvoudig, maar het eene is een zekere vernietiging door zijn tegendeel, het andere veeleer een bestendiging van het in mogelijkheid zijnde door het in werkelijkheid zijnde en dat zoo eraan gelijk is als mogelijkheid zich verhoudt tot werkelijkheid; want dat wat de kunde heeft wordt kennisnemend, wat òf geen verandering is (immers de toename is tot eigen voleinding en tot werkelijkheid)òf een ander soort van verandering. Daarom moet men niet zeggen dat het denkende in het denken verandert evenmin als de bouwmeester wanneer hij bouwt. Wat nu tot werkelijkheid voert uit hetgeen in mogelijkheid is moet betreffende het denken en beseffen niet leering heeten maar anders; maar wat uit den staat van mogelijkheid leert en kennis krijgt door wat in werkelijkheid en onderwijzend is, daarvan moet men niet zeggen dat het lijdt of twee wijzen aannemen van verandering, de verandering tot de ontstentenis en die tot de gesteldheid en wezenlijkheid. Voor het gewaarwordingsvermogen is de eerste verandering door het verwekkende, wanneer het verwekt is, verhoudt het zich reeds als[85]kunde en het gewaarworden41. En het gewaarworden in bedrijvigheid wordt gezegd evenals het kennisnemen, maar het verschilt doordat bij het gewaarworden de oorzaken van de bedrijvigheid van buiten komen, het zichtbare en het hoorbare, en eveneens de overige waarneembaarheden. De oorzaak hiervan is dat de gewaarwording in werkzaamheid de enkele dingen betreft, de kunde de algemeenheden; deze laatsten zijn op zekere wijze in de ziel zelf. Daarom staat het denken in eigen macht wanneer men wil, gewaarworden niet in eigen macht; immers het is noodig dat het waarneembare aanwezig is. Hetzelfde is het geval met de wetenschappen betreffende de waarneembaarheden en door dezelfde oorzaak, omdat de waarneembaarheden zijn de enkele dingen van buiten.

Maar hierover hebben wij later gelegenheid tot duidelijker uiteenzetting. Nu gelde deze bepaling dat hetgeen als in mogelijkheid genoemd wordt niet enkelvoudig is, maar eenerzijds zooals men zegt dat het kind veldheer kan zijn, anderzijds zooals men het van hem, die de militaire leeftijd heeft zegt en dat zoo zich ook het gewaarwordingsvermogen verhoudt. 418a. Daar het onderscheid hiervan geen naam heeft, maar het als onderscheid en als welk onderscheid bepaald is, moet men noodzakelijk het lijden en veranderen als de geldige benamingen gebruiken. Het gewaarwordingsvermogen is in mogelijkheid zooals het waarneembare reeds in werkelijkheid is, gelijk gezegd is. Het ondergaat inwerking als het niet gelijke, maar na de inwerking is het gelijk gemaakt en is zooals het andere.[86]

418 a 7—a 25. Waarneembaarheid: algemeene, eigene, bijkomstige. De eigene zijn de eigenlijke, waarnaar het wezen van de gewaarwording bepaald is.

6. Bij elke gewaarwording moeten wij over het waarneembare eerst spreken. Van het waarneembare spreekt men in drieërlei zin; hierbij neemt men twee dingen eigenlijk waar, één bijkomstiglijk. Van de twee is het eene eigen aan elke gewaarwording, het andere gemeenschappelijk aan allen. Eigen noem ik dat, wat men met een andere gewaarwording niet kan waarnemen en waaromtrent men zich niet kan vergissen, als het gezicht tegenover de kleur, het gehoor tegenover het geluid en de smaakzin tegenover de smaak. De tastzin laat meerdere onderscheidingen gelden; toch oordeelt elke (zin) over déze dingen en vergist zich niet dat er kleur of geluid is, maar wat het gekleurde is of waar, of wat het geluidgevende is of waar. Dergelijke dingen nu zijn eigen aan elke (zin), gemeenschappelijk zijn beweging, rust, getal, vorm en grootte; want dergelijke zijn aan geen zin eigen, maar gemeenschappelijk aan allen. Immers voor den tastzin is een zekere beweging waarneembaar en voor het gezicht. Van bijkomstiglijk waarneembaar spreekt men b.v. wanneer het witte de zoon van Diares is; want dat neemt men bijkomstiglijk waar, omdat het witte dit als bijkomstigheid heeft, wat men waarneemt. Daarom ondervindt men in zooverre geen inwerking van het waarneembare. Van de eigenlijke waarneembaarheden zijn de eigene de waarneembaarheden in waren zin en die, waarop elke gewaarwording in haar wezen betrekking heeft.[87]

418 a 26—419 b 3. Zichtbaarheid: kleur en iets nameloos. Kleur en licht. Licht werkzaamheid van het doorschijnende (aether). Kritiek op Empedocles’ beweging van het licht. Phosforescentie. Kleur is de inwerking op het actueel doorschijnende d.i. op het licht als middenstof. Kritiek op Demokritos. De middenstof is ook vereischt bij geluid en reuk, schijnbaar niet bij tastzin en smaak. Bij reuk iets dat water en lucht gemeen hebben.

Het is het zichtbare, waarop het gezicht betrekking heeft. Het zichtbare is kleur en wat door een omschrijving is te zeggen maar geen naam heeft; in het vervolg zal wel blijken wat wij bedoelen. Het zichtbare dan is de kleur. Dat is wat behoort bij het zelfstandig zichtbare; zelfstandig niet naar ’t begrip42, maar omdat het in zichzelf de oorzaak heeft van zijn zichtbaarheid. Alle kleur beweegt hetgeen in werkelijkheid doorschijnend is en dat is haar wezen. 418b. Daarom is zij niet zichtbaar zonder licht maar wordt alle kleur van alles in licht gezien. Daarom moeten wij eerst over het wezen van het licht spreken. Er is dan iets doorschijnends. Doorschijnend noem ik wat wel zichtbaar is, maar niet zelfstandig zichtbaar eenvoudig gezegd, maar door vreemde kleur. Zoodanig is lucht en water en vele vaste lichamen; want niet als water of lucht zijn zij doorschijnend, maar omdat dezelfde natuur in deze beiden aanwezig is als in het eeuwige bovenaardsche lichaam43. Licht is de werkzaamheid daarvan, van het doorschijnende als zoodanig.[88]Waarin dit in mogelijkheid is, is ook de duisternis44. Het licht is als de kleur van het doorschijnende, wanneer het inwerkelijkheiddoorschijnend is door vuur of iets zoodanigs als het bovenaardsche lichaam; want ook dit heeft iets dat een en hetzelfde is. Dus, wat het doorschijnende en wat het licht is, is gezegd, dat het noch vuur noch in ’t geheel een lichaam, noch een uitvloeiing van eenig lichaam is (want in dat geval zou het óok een zeker lichaam zijn), maar de aanwezigheid van vuur of iets zoodanigs in het doorschijnende; immers het is niet mogelijk dat twee lichamen tegelijk in dezelfde ruimte zijn. En het licht is het tegendeel van de duisternis; deduisternisis de ontstentenis van dusdanige geaardheid bij het doorschijnende, dus is blijkbaar ook de aanwezigheid er van het licht. Empedocles en wie verder zoo gezegd heeft leert niet juist dat het licht zich beweegt en te eeniger tijd tusschen de aarde en ’t hemelruim komt, buiten onze waarneming; want dat strijdt met de klaarheid van het begrip en met de verschijnselen; want in een kleine ruimte zou het aan de waarneming kunnen ontgaan; maar voor de afstand van zonsopgang tot zonsondergang is die eisch te kras. Wat kleur aanneemt is het ongekleurde, voor ’t geluid het geluidlooze. Kleurloos is het doorschijnende en het onzichtbare of nauwlijks zichtbare, zooals zal zijn het duistere. Zoodanig is het doorschijnende, maar niet wanneer het in werkelijkheid maar wanneer het in mogelijkheid doorschijnend is; want ’t zelfde wezen is nu duisternis, dan licht. 419a. Niet alle dingen zijn zichtbaar in ’t licht, maar alleen[89]de eigen kleur van alles; immers eenige dingen worden nietgezienin ’t licht, maar laten zich waarnemen in de duisternis, zooals de vuurachtige en stralende verschijnselen (die gezamenlijk geen naam hebben) als paddestoelen, hoorn, vischkoppen, schubben en oogen; maar van niets daarvan ziet men de eigen kleur. Door welke oorzaak nu deze dingen gezien worden blijft hier onbesproken; nu blijkt zooveel dat wat in ’t licht gezien wordt, kleur is; daarom ook wordt die niet gezien zonder licht; want dat was het wezen van de kleur dat zij bewerkt het in werkzaamheid doorschijnende en de werkelijkheid van het doorschijnende is het licht. Een duidelijk teeken hiervan is dat, als men het gekleurde op het oog zelf houdt, men het niet zal zien, maar de kleur bewerkt het doorschijnende b.v. de lucht en daardoor als samenhangend geheel wordt op het zintuig ingewerkt. Want hierin vergist Demokritos zich als hij meent dat, wanneer de tusschenruimte ledig was, ook een mier in den hemel duidelijk zou gezien worden; want dat is onmogelijk. Immers het zien geschiedt doordat de zin iets ondergaat, dit kan niet gebeuren door de kleur zelf die gezien wordt; dus blijft er over dat het door de middenstof gebeurt, zoodat er noodzakelijk een middenstof moet zijn, maar wanneer de ruimte ledig is, zal er niet alleen niet duidelijk, maar in ’t geheel niets gezien worden.

Waarom het nu noodzakelijk is dat de kleur in ’t licht gezien wordt, is gezegd. Vuur wordt in beiden, in duisternis en in licht, gezien eveneens met noodzakelijkheid; want het doorschijnende wordt daardoor doorschijnend. Dezelfde redeneering geldt voor geluid en reuk; want[90]niets daarvan verwekt de gewaarwording wanneer het het zintuig aanraakt, maar door reuk en geluid wordt de middenstof bewerkt en daardoor elk van beide zintuigen, maar wanneer men het geluidgevende of riekende op het zintuig zelf plaatst, verwekt het geen gewaarwording. Met tastzin en smaak staat het evenzoo, ofschoon het niet zoo schijnt; later zal blijken waardoor. De middenstof voor geluiden is de lucht, voor reuk heeft zij geen naam; want zooals het doorschijnende voor kleur, zoo is het voor wat zich laat ruiken een gemeenschappelijk iets bij lucht en water, dat in deze beide aanwezig is; immers ook de waterdieren blijken reukgewaarwording te bezitten. Maar de mensch en de ademhalende landdieren kunnen niet ruiken zonder ademhalen. 419b. De oorzaak ook hiervan zal later besproken worden.

419 b 4—421 a 6. Geluid, gehoor en stem (bezield geluid). Beteekenis van hoog en laag.

Nu willen wij eerst over geluid en gehoor handelen. Geluid is tweevoudig, eensdeels geluid in werkzaamheid, anderdeels in mogelijkheid; want sommige dingen noemen wij geluidloos, als spons, wol, andere niet geluidloos b.v. koper en al wat vast en glad is, omdat het het vermogen heeft geluid te geven. Dat is tusschen zich en het gehoor een geluid in werkzaamheid te maken. Het geluid in werkzaamheid gebeurt steeds van iets tegen iets en in iets; want het is de slag die ’t geluid maakt en daarom is ’t ook onmogelijk dat er geluid ontstaat wanneer er maar één ding is; immers hetgeen slaat is iets anders dan wat geslagen wordt; dus wat geluid geeft doet dat[91]tegen iets (slaande) en ’t slaan is niet zonder beweging. Zooals wij zeiden ontstaat geluid niet door den slag van willekeurige dingen; immers wol die geslagen wordt maakt geen geluid, maar wel koper en al wat glad en hol is; koper omdat het glad is; het holle maakt door de terugkaatsing vele slagen na de eerste, daar datgene wat bewogen wordt er niet kan uitgaan. Ook hoort men in lucht en water, maar minder. Niet van de lucht of het water hangt het geluid af, maar er moet een slag van vaste lichamen zijn tegen elkaar en tegen de lucht en dit gebeurt, wanneer de lucht die geslagen wordt standhoudt en niet vervloeit. Daarom, wanneer de lucht snel en hard wordt geslagen, geeft zij geluid; want de beweging van het zweepen moet de breking van de lucht voorkomen, zooals wanneer men een hoop of kring van dwarrelend zand zou slaan, die in snelle beweging is. Weerklank ontstaat, wanneer van de lucht die bijeengehouden wordt doordat het vat haar afscheidt en verhindert gebroken te worden, de lucht teruggestooten wordt als een bal. Het lijkt dat er altijd weerklank is, maar niet duidelijk; immers het gaat met het geluid als met het licht; want ook het licht wordt altijd weerkaatst—anders zou er niet overal licht zijn, maar duisternis buiten wat de zon beschijnt—maar het wordt niet zóó weerkaatst als van water of koper of iets anders glads, dat het schaduw maakt, waardoor wij het licht onderscheiden. Terecht acht men het ledige datgene, waarvan het hooren afhangt. Immers de lucht is wel het ledige en die maakt dat men hoort, wanneer zij als één en samenhangend bewogen wordt. Maar doordat zij ijl is, klinkt zij niet wanneer het geslagene niet glad is. In[92]dat geval wordt zij één [en] in samenhang45door het oppervlak; want het oppervlak van het gladde is één.

Geluidgevend nu is wat de aaneengesloten luchteenheid tot aan ’t gehoor beweegt. Het gehoor is van nature verbonden met de lucht; doordat het in de lucht is, wordt bij beweging van de buitenlucht de lucht er in bewogen. Daarom heeft het levend wezen niet overal gehoor noch dringt de lucht overal door; immers het deel dat bewogen moet worden en bezield is heeft niet overal lucht. De lucht zelf nu is zonder geluid door haar onvastheid; maar wanneer zij verhinderd wordt te breken dan is haar beweging geluid. De lucht in de ooren is ingebouwd met ’t oog op onbewegelijkheid, opdat men nauwkeurig al de onderscheidingen der beweging zal waarnemen. Daarom hooren wij ook in water, omdat het niet indringt tot de met ’t gehoor verbonden lucht zelf, zelfs niet in de ooren door de windingen. Wanneer dit gebeurt, hoort men niet, en ook niet wanneer het trommelvlies aangedaan is zooals de menbraan van de pupil. Maar juist een teeken van het wel of niet hooren is dat altijd het oor ruischt als de hoorn; want steeds heeft de lucht in de ooren een eigen beweging; maar het geluid is vreemd en niet eigen. En daarom zegt men dat men hoort met het ledige en ruischende, omdat wij hooren met wat begrensde lucht heeft. Is hetgeen geslagen wordt of het slaande wat klinkt? Veeleer beiden, maar op verschillende wijze; want het geluid is de beweging van wat kan bewogen worden op die wijze als hetgeen van de gladde oppervlakken[93]afgestooten wordt, wanneer men ze aanstoot. Niet dus alles, zooals gezegd is, klinkt wanneer het geslagen wordt en slaat b.v. wanneer iemand een naald met een naald treft; maar wat geslagen wordt moet effen zijn, zoodat de lucht vereenigd afgestooten wordt en trilt. De onderscheidingen der geluidgevende dingen komen uit in het geluid in werkzaamheid; want zooals zonder licht de kleuren niet gezien worden, zoo blijkt ook zonder geluid het hooge en ’t lage niet46. Deze benamingen zijn overgebracht van de tastbaarheden; immers het scherpe treft de waarneming in weinig tijd diep, het zware in veel tijd weinig diep. Nu is niet het scherpe snel, het zware traag, maar van het eerste wordt de beweging door de snelheid zoodanig, van het tweede door de traagheid. 420b. En er schijnt overeenkomst te bestaan met het scherpe en stompe bij den tastzin; want het scherpe steekt, om zoo te zeggen, ’t stompe stoot, doordat het eene in weinig tijd beweegt, het andere in veel tijd, zoodat bijkomstiglijk ’t eene snel, ’t andere traag is.

Dit zij nu omtrent geluid vastgesteld. De stem is een bepaald geluid van het bezielde; want van het onbezielde heeft niets een stem, maar men spreekt in beeld van de stem van fluit b.v. en lier en de andere onbezielde dingen die volume, toon en voordracht hebben; want het lijkt dat ook de stem die heeft. Vele dieren hebben geen stem, zooals de bloedelooze en van die bloed hebben de visschen. Dit heeft ook zijn grond, daar immers het geluid een bepaalde beweging van de lucht is. Maar die naar men zegt stem hebben, zooals de[94]visschen in den Acheloûs, maken geluid met hun kieuwen of iets anders zoodanigs. Stem is het geluid van een dier, niet elk47en niet met een willekeurig lichaamsdeel. Maar daar alle geluid ontstaat doordat iets slaat tegen iets en in iets en dat is de lucht, kan met reden alleen datgene stem uitten dat de lucht opneemt. Immers de lucht bij de ademhaling gebruikt de natuur op dit punt voor twee verrichtingen, evenals de tong voor den smaak en het spreken, van welke de smaak is iets noodzakelijks, (die daarom ook bij meerderen aanwezig is) terwijl de spraak voor het hoogere is. Zoo gebruikt zij ook de adem voor de inwendige warmte als iets noodzakelijks (de oorzaak zal elders ter sprake komen) en voor de stem opdat het hoogere aanwezig zij. Het orgaan voor de ademhaling is de luchtpijp; waarvoor dit lichaamsdeel ook is, dat is de long, want in dit lichaamsdeel hebben de landdieren het meeste warmte van allen. Ook de hartstreek heeft in de eerste plaats de ademhaling noodig. Daarom is het noodzakelijk dat door de inademing de lucht binnen komt. Dus is de stoot van de ingeademde lucht bewerkt door de ziel in die deelen tegen de zoogenaamde luchtpijp, de stem. Want zooals wij zeiden is niet ieder geluid van een dier stem (want men kan met de tong geluid maken en zooals bij hoesten), maar het stootende moet bezield zijn en vergezeld zijn van eenige voorstelling, want de stem is een geluid met beteekenis; en de stem is niet ’t geluid van de ingeademde lucht, zooals de hoest, maar daarmede stoot men de lucht in de luchtpijp tegen deze. 421a. Een bewijs[95]is dat men geen stem kan uiten bij in- of uitademing, maar als men den adem inhoudt; want daardoor veroorzaakt die den adem inhoudt de beweging. Ook blijkt waardoor de visschen stom zijn, doordat zij nl. geen luchtpijp hebben. Dat lichaamsdeel missen zij omdat zij de lucht niet opnemen noch inademen. De reden nu waarom dit zoo is, behoort in een andere behandeling.

421 a 7—422 a 7. De reuk, overeenkomst met de smaak. Onderscheidingen, Middenstof, Bizonderheid bij de menschelijke reukgewaarwording. De reuk betreft het droge.

Over den reuk en het ruikbare is de bepaling minder gemakkelijk dan bij het behandelde; want de aard van de reuk is niet zoo duidelijk als het geluid of de kleur, de oorzaak is dat wij deze gewaarwording niet nauwkeurig bezitten maar minder dan vele dieren; want de mensch ruikt slecht en heeft geen reukgewaarwording zonder gevoel van afkeer of genot, daar blijkbaar het zintuig niet nauwkeurig is. Het is aannemelijk dat op deze wijze ook de staroogigen de kleuren gewaarworden en de onderscheiden der kleuren hen alleen blijken doordat zij al of niet vrees verwekken; zoo neemt ook het menschelijk geslacht de reuken waar. Want de reuk schijnt overeenkomst te hebben met de smaak en de soorten van de smaken met die van de reuk, maar wij hebben nauwkeurigen smaak omdat deze een soort tastzin is en de mensch die gewaarwording ’t nauwkeurigst heeft; want in de andere gewaarwordingen blijft de mensch bij velen van de dieren achter, maar in den tastzin bezit hij de andere ver overtreffende nauwkeurigheid. Daarom is hij ook het verstandigste der levende wezens. Een[96]bewijs is dat ook onder het menschelijk geslacht het onderscheid van aanleg van dat zintuig afhangt en van niets anders; want de hardvleezigen zijn slecht van aanleg voor ’t denken, de zachtvleezigen goed. Zooals bij smaken de eene zoet, de andere bitter is, zoo ook bij de reuken. Maar sommige dingen hebben overeenkomstigen reuk en smaak b.v. zoete reuk en zoete smaak, andere omgekeerd. Eveneens is er bittere, wrange, zure en zoete reuk; maar, gelijk wij zeiden, doordat de reuken in hun onderscheid niet zeer duidelijk zijn, zooals de smaken, hebben zij daaraan hun namen ontleend naar de gelijksoortigheid der zaken; nl. de zoete van saffraan en honig,de bittere van thym en dergelijke en zoo de anderen. 421b. Evenals bij het gehoor en iedere gewaarwording, deze het hoorbare betreft en het onhoorbare, gene het zichtbare en het onzichtbare, zoo betreft de reuk het reukbare en onreukbare. Het onreukbare is deels gezegd van wat in ’t geheel geen reuk kan hebben, deels van wat weinig of slechte reuk heeft. Evenzoo spreekt men ook van wat geen smaak heeft.

Ook de reuk gaat door een middenstof als lucht of water; want ook de waterdieren blijken reukgewaarwordingen te hebben, de bloedige evenals de bloedelooze, zooals ook de dieren in de lucht; want eenigen van dezen komen van verre op het voedsel af waarvan zij de reuk krijgen. Daarom doet zich een moeilijkheid voor dat, terwijl alles gelijkelijk ruikt, de mensch wèl bij inademing, maar niet wanneer hij uitademt of zijn adem inhoudt, noch van verre noch van dichtbij, zelfs niet wanneer het voorwerp binnen op het neusgat wordt geplaatst. En dat hetgeen op het zintuig zelf geplaatst[97]wordt onwaarneembaar wordt is aan alle zintuigen gemeen, maar dat zonder inademing geen (reuk)waarneming plaats vindt is een bizonderheid bij de menschen, die bij proefneming blijkt; dus zouden de bloedelooze dieren, daar zij niet inademen, eenige andere gewaarwording bezitten naast de bekenden. Dit is echter onmogelijk, daar zij immers de reuk waarnemen, want de waarneming van het riekende, het wel- of kwalijk riekende, is de reuk. Ook blijken zij vernietigd te worden door dezelfde sterke reuken als de mensch, zooals van asphalt, zwavel en dergelijke. Ruiken dus is noodzakelijk, maar niet met inademen. Het lijkt dat dit zintuig bij de menschen tegenover dat van de andere dieren verschilt zooals de oogen tegenover die der staroogigen; want de oogen van den mensch hebben als een schut of hulsel de oogleden, die men moet bewegen en optrekken om te zien; de staroogigen hebben niets zoodanigs, maar zienonmiddellijkwat zich in het doorschijnende bevindt: zoo lijkt ook het reukzintuig bij den eenen onbedekt te zijn als ’t oog, en bij hen die de lucht opnemen een bedeksel te hebben dat bij inademen opengaat terwijl de aderen en porieën zich verwijden. 422a. En daarom ruiken de inademende dieren niet in het water, want zij moeten door inademen ruiken en dat is onmogelijk in het water. De reuk betreft het droge, zooals de smaak het vochtige; het reukzintuig is naar mogelijkheid zoodanig48.

422 a 8—b 16. Smaak. Geen middenstof, als bij den tastzin. Betreft het vochtige. Onderscheidingen van smaken.[98]

Het voorwerp van de smaak is iets tastbaars en dat is de oorzaak waarom het niet waarneembaar is door het midden, dat een vreemd lichaam is; immers hetzelfde geldt van den tastzin. En het lichaam waarin de smaak is, het proefbare, is in ’t vochtige als zijn materie en dat is iets tastbaars. Daarom ook indien we in ’t water waren zouden wij het daarin geworpen zoete waarnemen; maar dan zou onze gewaarwording niet gaan door den middenstof, maar doordat het zoete met het natte vermengd werd evenals bij den drank. De kleur wordt niet zoo gezien, door het vermengd worden noch door de uitvloeiingen. Aan de middenstof (bij het zien) beantwoordt (bij de smaak) niets; maar zooals het zichtbare de kleur is, zoo het proefbare de smaak. Niets verwekt smaakgewaarwording zonder vochtigheid, maar het heeft in werkzaamheid of naar mogelijkheid vochtigheid, zooals het zoute; want dat is zelf licht smeltbaar en doet de tong mede aan door ’t smelten. Zooals het gezicht betreft het zichtbare en onzichtbare (immers de duisternis is onzichtbaar, maar ook die onderscheidt het gezicht) en bovendien het te zeer schitterende (want ook dat is onzichtbaar maar op andere wijze dan de duisternis) en tevens het gehoor gaat over geluid en stilte, waarvan het eene hoorbaar het andere onhoorbaar is, en over groot geluid, evenals het gezicht over het schitterende (want zooals het geringe geluid onhoorbaar is, zoo op een zekere wijze ook het groote en gewelddadige) en men eenerzijds van het volstrekt onzichtbare spreekt, zooals in andere gevallen van het onmogelijke, anderzijds van ’t niet waarneembare dan, wanneer iets wat zijn natuur meebrengt niet of in onvoldoende mate bezit,[99]zooals het voet- en pitlooze; zoo betreft dan ook de smaak het proefbare en niet proefbare, dat is hetgeen weinig of slechte smaak heeft of een smaak die den zin vernietigt. De grondslag zal zijn het drinkbare en ondrinkbare; want beiden zijn een smaak, maar het laatste een slechte en die den zin bederft, het eerste naar de natuur. Het gemeenschappelijke van tastzin en smaak is het drinkbare. 422b. Daar het proefbare vochtig is moet het dit betreffende zintuig noch in werkelijkheid vochtig zijn, noch buiten de mogelijkheid zijn vochtig te worden. Want de smaak ondervindt iets van het proefbare als zoodanig. Dus moet het zintuig van de smaak bevochtigd worden terwijl het niet nat is, maar nat kan worden zonder vernietiging. Een bewijs is dat de tong niet waarneemt wanneer zij verdroogd noch wanneer zij te vochtig is; want dan is de aanraking met het eerstkomende vochtige, zooals wanneer men na vooraf een sterke smaak geproefd te hebben een andere proeft en zooals den zieken alles bitter voorkomt omdat zij met de tong vol van dergelijke vochtigheid waarnemen. De soorten van de smaak zijn, zooals bij de kleuren, als enkelvoudig tegengesteld, het zoete en het bittere, aansluitend bij het eerste het vettige, bij het andere het zoute, daartusschen het scherpe en strenge en wrange en zure; dat zijn ongeveer de onderscheidingen van de smaken. Dus het smaakzintuig is wat in mogelijkheid zoodanig is, het proefbare wat het zintuig in werkelijkheid zoo maakt.

422 b 17—424 a 16. Tastzin. Verschil in de waarneembaarheden daarbij en bij de andere zinnen en omtrent[100]het midden—dat bij den tastzin met het lichaam één is; bij de tong is tastzin en smaak hetzelfde. Er moet bij den tastzin evenzeer een midden zijn als bij de anderen, wil de werkzaamheid mogelijk zijn. Maar anders dan bij de anderen wordt het zintuig tegelijk met het midden—niet dóór het midden—aangedaan.—De waarneembaarheid verwerkelijkt het naar mogelijkheid aan haar gelijke tastzintuig; het zintuig treedt als gemiddelde op tegenover de tastbaarheden en wordt dus oordeelend—en neemt het tastbare en ’t niet tastbare waar.

Over het tastbare en den tastzin geldt dezelfde redeneering; want als de tastzin niet één gewaarwording is maar meerdere, dan moeten ook de tastbaarheden meerdere zijn. Er is te vragen of zij meerdere gewaarwordingen zijn dan wel ééne en wat het zintuig van den tastzin is, het vleesch en het daarmede overeenkomstige in de andere dingen of niet, maar dat dit de middenstof is en het eigenlijke zintuig iets anders inwendigs. Want iedere gewaarwording betreft één tegenstelling b.v. gezicht wit en zwart, gehoor hoog en laag en smaak bitter en zoet; maar in het tastbare zijn vele tegenstellingen, warm en koud, droog en vochtig, hard en zacht enz. Deze vraag vindt een zekere oplossing doordat ook bij de andere gewaarwordingen meerdere tegenstellingen bestaan, zooals bij de stem niet alleen hoog en laag maar ook luid en zacht, vloeiend en ruw en andere dergelijke. Ook bij kleur zijn andere dergelijke onderscheidingen. Maar wat het eene is dat de grondslag vormt, zooals bij gehoor geluid, dat is bij den tastzin niet duidelijk.[101]

423a. Of het zintuig inwendig is of niet, maar onmiddellijk het vleesch, dat wordt niet uitgemaakt doordat de gewaarwording tegelijk met de aanraking komt. Immers ook wanneer men om het vleesch iets van een vlies spande, merkt men evenzeer de gewaarwording terstond bij de aanraking; en toch is het duidelijk dat daarin het zintuig niet is; en ware het aangegroeid, dan zou de gewaarwording nog sneller doordringen. Daarom schijnt het zoodanige deel van het lichaam zoo te zijn alsof de lucht in een kring om ons heen gegroeid was; want dan zouden wij meenen met één midden geluid kleur en reuk waar te nemen en gezicht gehoor en reuk zouden één gewaarwording schijnen: Maar nu doordat datgene, waardoor heen de bewegingen geschieden, gescheiden is (van het lichaam), blijken de gezegde zintuigen verschillend te zijn. Bij den tastzin is dit nu onduidelijk; immers het is onmogelijk dat het bezielde lichaam uit lucht of water bestaat, want er moet iets vasts zijn. Er blijft over dat het gemengd is uit aarde en die dingen49, zooals het vleesch, en wat daarmee overeenkomstig is, bedoelt te zijn; zoodat noodzakelijk ook het lichaam is het midden van den tastzin, dat aangegroeid is, waardoor de gewaarwordingen gaan, die meerderen zijn. Dat zij meerderen zijn bewijst de aanraking bij de tong; want zij neemt alle tastbaarheden met haar zelfde deel waar als de smaak. Als nu ook het overige vleesch de smaak waarnam, dan zou de smaak en de tastzin een en dezelfde gewaarwording schijnen; nu zijn zij twee doordat zij niet onderling te verwisselen zijn.[102]

Hier doet zich een moeilijkheid voor. Als ieder lichaam diepte heeft als derde afmeting, en twee lichamen waartusschen eenig lichaam is, elkaar niet kunnen aanraken, en het natte niet zonder lichaam is noch het bevochtigde, maar het noodzakelijk water is of water heeft; en wat elkaar aanraakt in ’t water, terwijl de uiteinden niet droog zijn, noodzakelijk water tusschenbeide heeft dat de uiteinden dekt; zoo dit waar is, dan kan het een het ander niet aanraken in het water en op dezelfde wijze ook in de lucht (want de lucht is tegenover de in haar zijnde dingen als het water tot de daarin zijnde dingen, maar wij merken dat minder, evenals ook de dieren in het water, wanneer wat vochtig is het vochtige aanraakt). 423b. Gaat dus de waarneming van alles op dezelfde wijze of bij verschillende dingen verschillend, zooals men maar aanneemt dat de smaak en de tastzin door aanraking en de anderen gescheiden waarnemen? Niet alzoo, maar ook het harde en zachte nemen wij door andere (middenstoffen) waar evenals het geluidgevende, het zichtbare en het ruikbare, maar deze van verre, de eersten van dichtbij. Daarom merken wij het niet, immers wij nemen alles waar door de middenstof, maar bij die gewaarwordingen merken wij het niet. En toch, zooals wij ook vroeger zeiden, ook indien wij door een vlies alle tastbaarheden waarnamen zonder te merken dat het afscheidt, zouden wij ons zoo verhouden als nu in ’t water en in de lucht; want wij meenen nu de dingen zelf aan te raken zonder dat er een middenstof is. Maar het tastbare onderscheidt zich van de zichtbaarheden en geluidgevende dingen doordat wij die gewaarworden door een inwerking van de middenstof op ons,[103]maar de tastbaarheden niet door toedoen van de middenstof maar daarmede tegelijk, zooals die een stoot krijgt door zijn schild heen; immers niet het schild krijgt en geeft den stoot, maar beiden (persoon en schild) krijgen hem tegelijk. In ’t geheel lijkt het dat vleesch en de tong zich tegenover het zintuig zoo verhoudt als de lucht en het water tot het gezicht en ’t gehoor en de reuk. Wanneer het zintuig zelf aangeraakt wordt, kan er noch bij de laatsten noch bij het eersten waarneming zijn b.v. wanneer men eenig wit lichaamonmiddellijkop het oog legt. Hieruit blijkt dat het gewaarwordingsvermogen bij het tastbare inwendig is. Want dan geldt hetzelfde als voor de andere (zinnen); immers wanneer de waarneembaarheden op het zintuig gelegd worden heeft geen gewaarwording plaats, maar wanneer ze op het vleesch gelegd worden, wèl; dus is het vleesch de middenstof van den tastzin.

Tastbaar nu zijn de onderscheidingen van het lichaam als zoodanig; ik bedoel de onderscheidingen tusschen de elementen, warm, koud droog en nat, waarover wij vroeger hebben gesproken in het geschrift over de elementen50. Het dezen betreffende tastzintuig, dat, waarin de gewaarwording die tasten heet eigenlijk aanwezig is, is het lichaamsdeel dat in mogelijkheid dusdanig is; want gewaarworden is iets ondergaan. 424a. Dus hetgeen dit naar werkzaamheid aan zichzelf gelijk maakt, werkt daarop in terwijl dit naar mogelijkheid dusdanig is. Daarom nemen wij het even warme en koude of harde en zachte niet waar, maar de overmaat, daar de waarneming als[104]een midden is tusschen de tegenstelling in de waarneembaarheden. En daarom beoordeelt (de waarneming) de waarneembaarheden. Want het midden is oordeelkundig, want het verhoudt zich tot elk van beide tegendeelen als hun tegendeel en zooals wat wit en zwart zal waarnemen geen van beide in werkzaamheid moet zijn en beiden in mogelijkheid (evenzoo bij de andere) zoo moet bij den tastzin (het waarnemende) noch warm noch koud (zijn). Zooals verder het gezicht in zekeren zin het zichtbare en het onzichtbare betrof en eveneens de andere de tegenstellingen waarnamen, zoo betreft ook de tastzin het tastbare en ontastbare; ontastbaar is de tastbaarheid die zeer geringe onderscheiding biedt, zooals de lucht, en de overmaat onder de tastbaarheden zooals de vernietigende. Zoo is nu elk der gewaarwording in omtrek behandeld.

424 a 17—b 18. Gewaarwording in ’t algemeen betreft de vormen, niet de materie. Het waarnemende verschilt in wezen van hetobject, doordat het geen grootheid maar een verhouding aan de grootheid is, die daarom vernietigbaar is en niet bij planten voorkomt. De waarneembaarheid is er alleen voor het betreffende vermogen, ook bij tastzin en reuk.

In ’t algemeen moet men betreffende alle gewaarwording begrijpen dat de gewaarwording is hetgeen de waarneembare vormen aanneemt zonder de materie, zooals de was het merk van den ring opneemt zonder het ijzer en het goud en het gouden of koperen merk aanneemt maar niet als goud of koper; eveneens wordt de waarneming van ieder aangedaan door hetgeen kleur[105]of smaak of geluid heeft, maar niet in zoover elk van die dingen (iets) maar iets zoodanigs genoemd wordt en naar het begrip. En het zintuig is allereerst datgene, waarin het zoodanige vermogen is. In aanzijn nu is het hetzelfde, maar in begrip iets anders; want het waarnemende is een grootheid, maar het begrip van het waarnemend-zijn en de waarneming is niet grootheid maar een verhouding en vermogen van de grootheid. Hieruit blijkt ook waarom toch de overmaat der waarneembaarheden de zintuigen vernietigen; immers wanneer de beweging van het zintuig te sterk is, wordt de verhouding (d.w.z. de waarneming) opgeheven evenals ook het accoord en de toon, wanneer de snaren sterk getokkeld worden; en waarom de planten niet waarnemen die iets van ziel hebben en iets ondergaan van de tastbaarheden zelve, immers zij worden koud en warm; de oorzaak is nl. dat zij geen middentoestand hebben noch zulk een principe dat de vormen van de waarneembaarheden kan opnemen, maar zij ondergaan ze met de stof. 424b. Men zou kunnen vragen of datgene wat niet kan ruiken iets ondergaat van de reuk of van de kleur wat niet kan zien, en evenzoo bij de anderen. Maar wanneer het ruikbare de reuk is, bewerkt de reuk, zoo iets, het ruiken; dus kan niets wat niet kan ruiken iets ondergaan van de reuk en hetzelfde geldt van de anderen, noch iets van wat wèl kan, anders dan in zoover elk het bepaalde waarnemingsvermogen heeft. Ook blijkt dit aldus. Noch licht of duisternis noch geluid noch reuk doet de lichamen aan maar hun dragers, b.v. de lucht met donder splijt het hout. Maar wèl doen de tastbaarheden en de smaken de lichamen aan; want waardoor[106]zouden anders de onbezielde lichamen aangedaan en veranderd worden? Doen dan soms ook die anderen (nl. licht, geluid, reuk) aan of is niet elk lichaam vatbaar voor inwerking door reuk en geluid en die aangedaan worden zijn onbepaald en houden geen stand, zooals de lucht; want die riekt als op eenige wijze aangedaan. Wat dan is ruiken anders dan iets ondergaan? Of is ruiken ook waarnemen, maar de lucht die aangedaan is, wordt in korten tijd waarneembaar (niet waarnemend.)

Eind van boek II.

424 b 22—425 b 11. Niet meer dan 5 zinnen mogelijk (de tastzin en die wier elementen water en lucht zijn). Geen bizondere zin voor de gemeenschappelijke waarneembaarheden. Waarom meerdere gewaarwordingen.

Dat er geen andere gewaarwording is behalve de vijf—gezicht, gehoor, reuk, smaak, tastzin—kan men hieruit gelooven. Namelijk van alles, waarvan de gewaarwording tastzin is, hebben wij werkelijk gewaarwording (want alle gevallen van het tastbare als zoodanig zijn voor ons door den tastzin waarneembaar); voorts is het noodzakelijk dat, wanneer een gewaarwording ontbreekt, ons ook een zintuig ontbreekt; wat wij door onmiddellijke aanraking waarnemen is door den tastzin waarneembaar, dien wij werkelijk bezitten, wat wij niet onmiddellijk maar door middenstof waarnemen, nemen wij waar door de elementen als lucht en water. Nu is het zoo gesteld dat als wij door één midden[107]meerdere ongelijksoortige waarneembaarheden waarnemen, hij die het overeenkomstige zintuig heeft, noodzakelijk beide moet kunnen waarnemen (als b.v. het zintuig uit lucht is en de lucht de middenstof is voor geluid en kleur); als er meer middenstoffen voor dezelfde gewaarwording zijn b.v. voor kleur lucht en water (want beide zijn doorschijnend), zal degeen die slechts een van beide middenstoffen heeft, waarnemen wat door beiden gaat. 425a. En alleen uit deze twee der elementen zijn de zintuigen, uit lucht en water; (want de pupil is van water, het gehoor van lucht, de reuk van elk van beiden); het vuur behoort tot geen zintuig of gemeenschappelijk tot allen (want niets is tot waarnemen in staat zonder warmte); aarde of tot geen zintuig of is ’t meest met den tastzin bizonderlijk gemengd; zoodat er overblijft dat er geen zintuig is buiten water en lucht. Deze bezitten werkelijk eenige levende wezens en dus bezitten alle gewaarwordingen de niet onvoltooide of gebrekkige wezens; want ook de mol blijkt onder de huid oogen te hebben. Dus als er niet een ander lichaam is of een eigenschap tot geen der aardsche lichamen behoorende, dan ontbreekt er geen gewaarwording.

Verder kan er ook geen bizonder zintuig zijn van het gemeenschappelijke dat wij met iedere waarneming bijkomstig waarnemen, als beweging, stilstand, vorm, grootte, getal en eenheid; al deze nl. nemen wij door beweging waar, zooals grootte door beweging en dus ook vorm, want de vorm is een grootte; en het rustende door het niet bewegen; het getal door de ontkenning van het aanéén zijn en door de bizondere waarnemingen; want elke waarneming neemt één ding waar. Het is[108]dus duidelijk dat er van geen enkele van deze een eigen gewaarwording zijn kan b.v. van beweging; want het zal zoo zijn, zooals wij nu met het gezicht het zoete waarnemen. Dit komt omdat wij van beiden gewaarwording hebben waardoor wij ook wanneer zij samenvallen ze tegelijk kennen; zoo niet, dan zouden wij het alleen bijkomstiglijk waarnemen, zooals den zoon van Kleon niet als zoon van Kleon maar als wit en dit (witte) heeft als bijkomstigheid zoon van Kleon te zijn. Van het gemeenschappelijke hebben wij stellig een gemeenschappelijke, niet bijkomstige, gewaarwording, die dus niet een eigene is; want anders zouden wij ze niet waarnemen dan zooals gezegd is betreffende het zien van Kleon’s zoon. De bij elkaar als eigen behoorende waarneembaarheden nemen de gewaarwordingen bijkomstiglijk waar, niet als die enkelen zoodanig, maar in zoover de gewaarwording één is, wanneer zij tegelijk hetzelfde betreft b.v. van gal als bitter en geel; want het is niet het werk van een andere gewaarwording te zeggen dat beiden één zijn; daarom vergist men zich ook en meent men, wanneer iets geel is, dat het gal is. 425b. Men zou kunnen vragen waarom wij meerdere gewaarwordingen en niet eene alleen hebben. Wellicht opdat de als algemeenheden met de gewaarwordingen verbondene ons niet zouden ontgaan, als beweging, grootte en getal; want indien alleen het gezicht er was en dat het witte betrof, zou van alles veel ontgaan en hetzelfde schijnen doordat tegelijk kleur en grootte met elkaar verbonden waren. Maar daar nu ook in een andere waarneembaarheid de algemeenheden aanwezig zijn, wordt het duidelijk dat elk van dezen iets anders is.[109]

424 b 12—427 a 16. Gewaarwording van de waarneembaarheid gaat gepaard met die welke zichzelve betreft. Gewaarwording in werkzaamheid is hetzelfde als het waarneembare in werkelijkheid en werkzaam in het naar mogelijkheid waarneembare. Dit laatste blijft ook zonder de gewaarwording in werkzaamheid. Gewaarwording is evenals accoord een verhouding van het zintuig en het waarneembare, die verstoord kan worden door overmaat. Het gemengde geeft meer genot in de gewaarwording dan het eenvoudige. Onderscheiding van gelijktijdige ongelijksoortige waarneembaarheden door één gewaarwording, die gelijkheid en verschil tegelijk waarneemt zooals het punt één of twee is.

Daar wij gewaarworden dat wij zien en hooren, moet men door het gezicht waarnemen dat men ziet of door een andere gewaarwording. Maar dan betreft dezelfde waarneming het gezicht en de voorwerpelijke kleur en zoo zullen twee waarnemingen bij hetzelfde voorwerp zijn of de waarneming zal zichzelf betreffen. Neemt men aan dat de gewaarwording van het gezicht een andere is, dan komt men tot eindeloosheid of eenige waarneming zal zichzelf betreffen. Dus moet men dat van de eerste waarneming laten gelden. Hier is de moeilijkheid dat, als gezichtswaarneming zien is er wat gezien wordt kleur of het kleurhoudende is, wanneer men het ziende ziet, het eerste ziende kleur moet hebben. Dus blijkt dat gezichtswaarneming hebben niet één is; immers ook wanneer wij niet zien, oordeelen wij met het gezicht en de duisternis en het licht, maar niet op gelijke wijze. Verder is ook het ziende in zekeren zin gekleurd; want[110]het zintuig neemt elk der waarneembaarheden op zonder de stof. Daarom zijn ook wanneer de waarneembaarheden verwijderd zijn de waarnemingen en beelden in de zintuigen.

In de werkzaamheid zijn het waarneembare en de waarneming een en hetzelfde, in het begrip niet. B.v. het geluid en het gehoor in werkzaamheid; men kan nl. gehoor hebben zonder te hooren en wat geluid heeft maakt niet steeds geluid. Maar wanneer wat kan hooren en wat geluid kan geven in werkzaamheid is, dan komt tegelijk het gehoor in werkzaamheid en het geluid in werkzaamheid; het eene kan menhooringἄκουσιςen het anderegeluidingψόφησιςnoemen.

426a. Indien nu de beweging en de bewerking en inwerking ligt in wat bewerkt wordt, moet ook het geluid en het gehoor in werkzaamheid liggen in wat de mogelijkheid bezit; want de werkzaamheid van het bewerkende en bewegende ligt in het lijdende; daarom is het niet noodzakelijk dat het bewegende bewogen wordt. De werkzaamheid nu van het geluid hebbende is geluid of geluiding, van het gehoorhebbende gehoor of hooring; want gehoor istweeërleien geluid en hetzelfde geldt van de andere waarnemingen en waarneembaarheden. Namelijk zooals de bewerking en de inwerking ligt in het lijdende en niet in het bewerkende, zoo ligt ook de werkzaamheid van het waarneembare en het waarneming hebbende in het waarneming hebbende. Maar bij eenige is er een woord voor b.v. de geluiding en de hooring, bij eenige is een van beide nameloos; men spreekt van aanschouwing als het gezicht in werkzaamheid is, maar de werkzaamheid van de kleur is[111]zonder naam, en het smaken is de werkzaamheid van het smaak hebbende, maar die van (’t voorwerp van) de smaak is zonder naam. Daar in werkzaamheid het waarneembare en het waarneminghebbende één is, maar in begrip onderscheiden, moeten noodzakelijk het gehoor en geluid in dien zin tegelijk te loor gaan en behouden blijven, evenzoo ’t voorwerp van smaak en het smaken enz., doch niet noodzakelijk wat in mogelijkheid zoo is; maar de vroegere natuurkundigen dwaalden in hun meening dat niets wit of zwart zonder gezicht, noch voorwerp van smaak was zonder smaken. Immers in een zin hadden zij gelijk, in een anderen zin dwaalden zij: want terwijl men intweeërleizin spreekt van de gewaarwording en het waarneembare, deels als van dingen in mogelijkheid, deels in werkzaamheid, geldt het gezegde van de laatsten, maar geldt niet van de eersten. Maar zij spraken in volstrekten zin over wat niet ononderscheiden geldt.

Als het accoord een stemklank is, en de stemklank en het gehoor in een opzicht één (in een ander niet één) en het accoord een verhouding is, moet ook het gehoor een verhouding zijn. En daarom ook vernietigt elke overmaat, zoowel het hooge als het lage, het gehoor; eveneens in de smaken de smaak en in de kleuren het zeer schitterende of duistere het gezicht en bij den reuk de sterke reuk, zoo de zoete als de bittere, omdat de gewaarwording een verhouding is. 426b. Daarom geven wel ook de waarneembaarheden wanneer zij zuiver en ongemengd in de verhouding komen genot, als het zure of zoete of zoute; dan immers geven zij genot; maar[112]in ’t geheel meer het gemengde, het accoord51, dan het hooge of het lage. Voor den tastzin is het aangename wat verwarmd of verkoeld kan worden en de gewaarwording is de verhouding; bij overmaat is er pijn of vernietiging.

Elke waarneming nu betreft het voorwerpelijke waarneembare en is aanwezig in het zintuig als zoodanig en beoordeelt de onderscheiden van het voorwerpelijke waarneembare, b.v. wit en zwart het gezicht, zoet en en bitter de smaak enz. Daar wij ook het witte en het zoete en iedere andere waarneembaarheid met iedere andere vergelijken, waardoor dan nemen wij hun onderscheid waar? Noodwendiglijk door waarneming, aangezien het waarneembaarheden zijn. Hieruit blijkt ook dat het vleesch niet het eigenlijke zintuig is; want dan zou noodzakelijkerwijze het vergelijkende het ding zelf moeten aanraken. Maar het is ook niet mogelijk met afzonderlijke zintuigen te oordeelen dat het zoete iets anders is dan het witte, maar noodzakelijk moeten beiden voor één enkel (zintuig) duidelijk zijn. Want anders zou ook indien ik het eene en gij het andere zoudt waarnemen, duidelijk zijn dat de beide voorwerpen verschillend zijn. Maar het ééne moet zeggen dat het iets anders is; want het zoete is iets anders dan het witte. Het is blijkbaar hetzelfde, wat zoo zegt en zooals het zegt, zoo ook denkt het en wordt het gewaar. Het blijkt dus nu dat het niet mogelijk is met verschillende zintuigen de verschillende waarneembaarheden te oordeelen; dat het evenmin mogelijk is in verschillende tijden, blijkt[113]hieruit. Zooals namelijk hetzelfde zegt dat het goede iets anders is dan het kwade, zoo ook wanneer het zegt dat het eene en het andere iets anders zijn, is het „wanneer” geen bijkomstigheid, d.w.z. dat iknuzeg, dat het iets anders is, maar niet dat hetnuiets anders is; maar nu zegt men dat het zoo is en dat het nu zoo is, dus tegelijk. En dus ongescheiden en in ongescheiden tijd. Evenwel het is onmogelijk dat hetzelfde tegelijk tegengestelde bewegingen ondergaat als ongedeeld en in ongedeelden tijd. Want iets zoets brengt deze beweging in de gewaarwording of het denken, het bittere de tegengestelde en het witte een andere. 427a. Is dus niet het oordeelende tegelijkertijd en in getal ongedeeld en onscheidbaar, maar in begrip onderscheiden? Dan is het dus eenerzijds het gedeelde dat de gedeelden waarneemt, anderzijds zooals het als ongedeeld is; immers in begrip gedeeld, naar plaatsengetal ongedeeld. Is dit wel mogelijk? Immers in mogelijkheid zijn de tegendeelen hetzelfde en ongedeeld (ofschoon niet in het begrip), maar in werkzaamheid gedeeld en het is niet mogelijk dat iets tegelijk wit en zwart is, dus ook niet dat iets de vormen daarvan opneemt, als dat waarnemen en denken is. Maar dit verhoudt zich zooals wat sommigen het punt noemen, het eene als twee en in zooverre gedeeld. In zoover nu het ongedeeld is, is het oordeelende een en tegelijkertijd, in zoover het gedeeld is, is het niet één; immers men gebruikt twee keer hetzelfde punt tegelijk; in zoover men nu het grenspunt als twee gebruikt, zijn het twee die oordeelen en gescheiden als met in zekeren zin gescheiden waarneming; in zooverre het punt één is, oordeelt men met één en[114]tegelijk52. Over het principe nu volgens hetwelk het levend wezen gewaarwording heeft, mogen zulke bepalingen gelden.

427 a 17—b 26. Onderscheid tusschen gewaarworden, denken en voorstelling.

Naar twee onderscheidingen wordt hoofdzakelijk de ziel bepaald, naar plaatselijke beweging en naar het denken en het oordeelen en waarnemen. Ook het begrijpen en denken schijnt een waarnemen te zijn (want in deze beiden oordeelt en kent de ziel eenig ding). En de ouden noemen zeker het denken en waarnemen hetzelfde, zooals ook Empedokles heeft gezegd: „naar het aanwezige groeit de gedachte bij de menschen” en elders: „van daar overkomt het hen ook steeds anderssoortige dingen te denken” en hetzelfde bedoelt ook het Homerische: „zoodanig toch is de geest”53.Deze allen immers achten het denken evenals het waarnemen van lichamelijken aard en dat men met het gelijke waarneemt en denkt het gelijke, zooals wij in den aanvang uiteen hebben gezet. 427b. Echter hadden zij tevens ook over de dwaling moeten spreken, die immers aan de levende wezens meer eigen is en daarin verblijft de ziel den meesten tijd. Dus is het noodzakelijk dat of, zooals sommigen zeggen, alle verschijnselen waar zijn of dat de aanraking van het ongelijke dwaling is, want dat staat tegenover het kennen van het gelijke door het gelijke; en ook is de dwaling en het weten betreffende de tegendeelen hetzelfde. Echter blijkt dat het waarnemen[115]en het denken niet hetzelfde zijn. Want het eerste bezitten alle dieren, het laatste weinigen. Maar ook het begrijpen, dat juist en onjuist kan zijn, juist als verstand, wetenschap en ware meening, onjuist als het omgekeerde daarvan, ook dat is niet hetzelfde als het waarnemen; want de waarneming betreffende de eigen waarneembaarheden is altijd waar en is aanwezig bij alle dieren, maar denken kan men ook onwaar en niemand heeft het die ook niet rede bezit; want voorstelling is iets anders dan waarneming en begrip, en zij (de voorstelling) wordt niet zonder waarneming en zonder haar is er geen opvatting. Dat de voorstelling54niet zelf begrip en opvatting is, is duidelijk. Want dit gebeuren (van de voorstelling) is van onzen wil afhankelijk (want men kan zich iets voor oogen stellen, zooals zij die in de geheugenkunst door beelden iets vasthouden), maar niet het meenen, want (daarbij) moet men òf onwaar òf waar zijn. Bovendien wanneer wij iets ergs of vreeselijks meenen, ondergaan wij onmiddellijk die gewaarwording tevens en eveneens bij het bemoedigende; bij de voorstelling verhouden wij ons zoo alsof wij het vreeselijke of bemoedigende geschilderd aanschouwden. Er zijn ook van de opvatting zelf onderscheidingen, wetenschap, meening, verstand en hun tegendeelen; over het onderscheid daartusschen moet elders gesproken worden.

427 b 27–429 a 9. Voorstelling, een vermogen van oordeelen, is niet gewaarwording; ook niet kennis of begrip. Evenmin is zij meening met of door gewaarwording[116]of verbinding van ’t eene en ’t andere b.v. voorstelling van en meening omtrent de grootte van de zon. De voorstelling is een beweging uit die der gewaarwording in werkzaamheid voortkomende, welke beweging vooral bij de algemeene bijkomstige gewaarwordingen valsch kan zijn, vooral als het voorwerp ver verwijderd is. Naam en werking der voorstelling.

Het denken, iets anders dan het waarnemen, is deels voorstelling deels opvatting; na de bepaling van de voorstelling, moeten wij spreken over het andere. 428a. Als dan de voorstelling datgene is dat in ons een beeld doet opkomen, en niet overdrachtelijk is bedoeld, dan is zij een vermogen of gesteldheid van diegenen, volgens dewelke wij oordeelen, waar of onwaar. Dezulke zijn gewaarwording, meening, wetenschap, begrip. Dat de voorstelling nu niet gewaarwording is, blijkt hieruit dat gewaarwording of mogelijkheid of werkzaamheid is b.v. gezicht en aanschouwing, maar voorstelling is dààr, ook zonder dat een van beiden aanwezig is, zooals bij droomen. Verder is gewaarwording altijd aanwezig, voorstelling niet. Als zij in werkzaamheid hetzelfde waren, zouden alle dieren voorstelling kunnen hebben, doch dit is niet aan te nemen b.v. bij een mier, bij of worm. Verder zijn de gewaarwordingen altijd waar, de meeste voorstellingen onwaar. Vervolgens zeggen wij ook niet, wanneer wij nauwkeurig in het waarneembare werkzaam zijn „ditschijntons een mensch”, maar veeleer wanneer wij niet duidelijk gewaarworden. En ook zooals wij vroeger zeiden, verschijnen gezichten ook als men de oogen sluit. Maar ook kan zij geen zijn van die[117]altijd waar zijn, als wetenschap of begrip; want er is ook onware voorstelling. Er blijft dus over na te gaan of zij meening is; want meening is en waar en onwaar. Maar met meening gaat geloof samen (want het is onmogelijk bij meening niet te gelooven wat men meent) en geloof heeft geen dier, maar in velen is voorstelling. [Verder gaat elke meening vergezeld van geloof, geloof van overtuigd zijn, overtuiging van rede; van de dieren hebben sommigen wel voorstelling, maar geen rede]. Het blijkt verder dat voorstelling ook niet meening met of door gewaarwording of vereeniging van meening en gewaarwording kan zijn om genoemde redenen en hierom: natuurlijk betreft de meening niet iets anders, maar datgene dat ook de waarneming betreft nl. uit de meening en de waarneming van het witte komt als hun vereeniging de voorstelling, immers niet uit de meening van het goede en de waarneming van het witte: zoo is dan het zich voorstellen het meenen van wat men niet bijkomstig waarneemt. 428b. Maar in de voorstelling zijn ook onwaarheden waaromtrent men tegelijk een ware opvatting heeft b.v. de zon stelt men zich voor als van één voet middellijn, maar men is overtuigd dat zij grooter is dan de aarde; waaruit dus volgt dat men òf zijn ware meening heeft verloren, die men had, terwijl het voorwerp onveranderd blijft, zonder die vergeten te zijn of bewustelijk veranderd te hebben òf als men haar nog heeft, dan moet noodzakelijk dezelfde meening waar en onwaar zijn.Maar zij werd onwaar, zoo dikwijls men niet bemerkte dat het voorwerp omsloeg55.Alzoo is de[118]voorstelling noch een van deze noch uit deze (gewaarwording, meening) voortkomend.

Maar het is mogelijk dat wanneer een ding bewogen wordt daardoor een ander bewogen wordt en de voorstelling schijnt een beweging te zijn en niet zonder waarneming te gebeuren maar bij waarnemenden en betreffende hetgeen waarneembaar is; en het is mogelijk dat een beweging ontstaat door de werkzaamheid der waarneming, die noodzakelijk overeenkomstig moet zijn met de waarneming. Zoo is dan deze beweging niet mogelijk zonder waarneming noch kan zij aanwezig zijn bij wie niet waarnemen en door haar kan het subjekt veel doen en lijden en zij kan waar en onwaar zijn. Dit volgt hieruit. De waarneming van de eigen waarneembaarheden is waar of heeft het minst onwaarheid. Daarna de waarneming van deze dingen als bijkomstigheden; hierin kan men zich dan bedriegen: dat nl. iets wit is, daarin bedriegt men zich niet; dat het witte dit of iets anders is, daarin wèl. Ten derde de waarneming van de algemeene bepalingen die de bijkomstigheden vergezellen als de eigen waarneembaarheden aanwezig zijn, zooals beweging en grootte [die bijkomstigheden zijn van de waarneembaarheden]; hieromtrent kan men zich in de waarneming dan het meest bedriegen. De beweging voortkomend uit de werkzaamheid der waarneming moet verschillen bij elk van die drie waarnemingen. En de eerste is als de waarneming er bij is, waar, de[119]anderen kunnen én bij aan- én bij afwezigheid (der waarneming) onwaar zijn, vooral wanneer de waarneembaarheid ver verwijderd is. 429a. Als dus de voorstelling niets anders is56dan is zij een beweging door de werkzaamheid der waarneming opgewekt. Daar het gezicht in de eerste plaats waarneming is, heeft zij ook haar naam vanφάος(licht) gekregen, daar men zonder licht niet zien kan. En omdat de voorstellingen bijblijven en overeenkomstig zijn aan de gewaarwordingen, handelen de levende wezens vaak daarnaar, deels doordat ze geen verstand hebben als de dieren, deels doordat het verstand soms bedekt wordt door hartstocht, of ziekten of slaap, als bij de menschen. Zooveel nu over de voorstelling, wat zij is en waardoor zij is.

429 a 10-b 9. Het denkvermogen of de geest, onbepaald, vatbaar voor alle vormen, in mogelijkheid alle denkbaarheden en zuiver, is in zijn wezen mogelijkheid, en dus niet lichamelijk bepaald. De onbepaaldheid der zintuigen bij zinnelijke gewaarwording is niet volstrekt, als die van den geest. Op zichzelf betrokken is de geest ook nog in mogelijkheid.

Over het deel van de ziel waardoor de ziel kent en denkt moet men ’t onderscheid nagaan of het scheidbaar is dan wel onscheidbaar naar grootte maar niet naar ’t begrip en hoe eigenlijk het denken tot stand komt. Alsnu het denken is als het waarnemen, dan is het iets ondergaan door het denkbare of iets dergelijks. Dus moet het onaangedaan zijn, geschikt om den vorm te[120]vatten en naar mogelijkheid iets zoodanigs maar niet dit ding en zooals het waarnemingsvermogen tegenover de waarneembaarheden zoo moet de geest zich verhouden tot de denkbaarheden. Dus moet de geest, daar hij alles denkt, onvermengd zijn, zooals Anaxagoras zegt, opdat hij beheersche d.w.z. opdat hij kenne; want het vreemde dat zich bijtoont hindert en verspert; dus heeft de geest geen andere natuur dan dat hij iets in mogelijkheid is. Het geest genoemde deel van de ziel (geest noem ik dat waarmee de ziel denkt en opvat) is dus in werkzaamheid niets van de dingen alvorens te denken. Daarom heeft het ook geen zin dat hij vermengd is met het lichaam; want dan zou hij bepaald worden, koud of warm, of hij zou ook een zintuig hebben, zooals het waarnemingsvermogen, en toch heeft hij er geen. En die de ziel de plaats der vormen noemen, doen niet verkeerd, doch niet de heele ziel maar de denkende en de vormen niet in werkzaamheid maar in mogelijkheid. Dat het onaangedaan zijn van het waarnemingsvermogen en het denkvermogen niet gelijksoortig is, blijkt bij de zintuigen en de waarneming. 429b. Want de waarneming kan niet waarnemen na het in hooge mate waarneembare b.v. geluid na sterke geluiden of na sterke kleuren en reuken zien of ruiken; maar de geest, wanneer hij iets zeer denkbaars denkt, denkt niet minder de mindere denkbaarheden maar veeleer meer; want het waarnemingsvermogen is niet zonder lichaam, maar de geest is gescheiden. Wanneer hij zóó alles wordt, zooals men spreekt van de in werkzaamheid kundige (dit gebeurt wanneer hij door zichzelf tot werkzaamheid kan komen), zoo is hij ook dan in zeker opzicht in mogelijkheid, maar[121]maar niet zooals voordat hij geleerd of gevonden heeft; en ook zichzelf kan hij dan denken.

429 b 10–430 a 9. Het onmiddellijke, het mathematische, het begrip staan verschillend tegenover den geest. Als onaangedaan en zuiver en zichzelf denkend is de geest alles in mogelijkheid, niets in werkelijkheid vóór zijn werking, als een onbeschreven blad. Denken en begrip zijn hetzelfde; het zakelijke is begrip in mogelijkheid, afgezien van de stof.

Daar grootte en het begrip van grootte, water en ’t begrip van water te onderscheiden is (zoo ook bij vele andere dingen, doch niet bij allen, want bij sommigen is het hetzelfde) oordeelt men het begrip van vleesch en het vleesch ook met iets anders of met iets in andere verhouding; want het vleesch is niet zonder de materie maar als het stompneuzige, bepaalde vorm in bepaalde materie. Met het waarnemingsvermogen nu oordeelt men over het warme en koude en die elementen waarvan het vleesch een bepaalde verhouding is; het begrip van vleesch met iets anders óf iets gescheidens óf dat is als de verhouding van de gebroken lijn tot zichzelf als gestrekte. Verder bij de wiskundige dingen het rechte als het stompneuzige, want het is gebonden aan uitgebreidheid; maar het begrip, als het begrip van het rechte en het rechte verschillend zijn, is iets anders; laat het zijn tweeheid. Dus oordeelt men het met iets anders of dat zich anders verhoudt. En zooals dus in ’t geheel de zaken gescheiden zijn van de materie, zoo ook gaat het met den geest. Men kan vragen, als de geest eenvoudig is en onaangedaan en met niets iets[122]gemeen heeft, zooals Anaxagoras zegt, hoe hij dan zal denken, indien het denken is iets ondergaan. Want in zoover twee dingen iets gemeen hebben, is het eene werkend het andere lijdend. Bovendien, (is er de verlegenheid), als hij zelf denkbaar is. Want dan moet of bij de andere dingen geest aanwezig zijn, als de geest zelf niet om iets anders denkbaar is en het denkbare één is in soort, òf de geest moet iets gemengds hebben dat hem denkbaar maakt als de andere dingen. Maar het lijden in iets gemeenschappelijks is vroeger onderscheiden, dat de geest in zekeren zin naar mogelijkheid de denkbaarheden is, maar niets in werkelijkheid voordat hij denkt.430a.Men begrijpehet zoo als op een schrijftafel, waarop niets in werkelijkheid geschreven is; wat het geval is bij den geest. En zelf is hij denkbaar zooals de denkbaarheden. Want bij de dingen zonder materie is het denkende en het gedachte hetzelfde; want de theoretische kennis en wat zoo gekend wordt is hetzelfde. De oorzaak dat men niet altijd denkt moet nagegaan worden. In de materieele dingen is in mogelijkheid elk der denkbaarheden. Dus bezitten zij geen geest (want de geest is de mogelijkheid der zoodanige dingen zonder hun materie) maar de geest bezit wel het denkbare.

430 a 10–a 25. Als in de geheele natuur, zoo ook in den geest onderscheiding van materie en vorm, passieve en actieve geest. De actieve een gesteldheid als ’t licht, naar wezen werkzaamheid, zelfstandig, onaangedaan, zuiver en alleen onsterfelijk en eeuwig zichzelf. Die kan niet omvat worden door het sterfelijk bewustzijn, want de actieve geest denkt niets zonder het sterfelijk bewustzijn, dat eenheid van lijden en werken is.[123]

Daar er, evenals in de heele natuur, iets is eenerzijds materie voor elk soort (dat is wat in mogelijkheid al de dingen van die soort is) anderzijds het veroorzakende en bewerkende doordat het alle dingen maakt, (zooals de verhouding is tusschen de kunst en de materie), zoo moeten ook in de ziel deze onderscheidingen aanwezig zijn. En zoodanig is de eene geest door alles te worden, de andere door alles te maken, als een gesteldheid, gelijk het licht; want op een zekere wijze maakt ook het licht de kleuren naar mogelijkheid tot kleuren in werkzaamheid. En deze geest is gescheiden, onaangedaan en ongemengd, van wezen werkzaamheid zijnde. Want altijd is hooger het bewerkende dan het lijdende en het principe dan de stof. En de kennis in werkzaamheid is hetzelfde als de zaak; (de kennis naar mogelijkheid gaat in tijd vooraf bij den enkele, maar in ’t geheel ook niet in tijd) en deze geest denkt niet nu wèl, dan niet. Op zichzelf is hij alleen dat wat hij is en dat alleen is onsterfelijk en eeuwig. Wij hebben er geenbewustzijnvan, omdat dit onaangedaan is en de lijdende geest vergankelijk is en (de actieve geest) zonder deze niets denkt.


Back to IndexNext