430 a 26–b 30. Bij denken van het ongedeelde geen waarheid of onwaarheid; dat komt eerst in de verbinding; het verbindende is de geest. Denken van het ongedeelde naar aantal of naar de soort. Denken van het negatieve en de tegenstelling en van wat geen tegenstelling heeft. Oordeel is waar of onwaar, begrip van het wezen steeds waar, als het zien van het eigenlijk zichtbare.[124]6. Het begrip nu der ongedeeldheden betreft die dingen, waaromtrent geen onwaarheid is. Die, waarin van waarheid en onwaarheid sprake is, zijn dan een verbinding van begrippen als een éénheid vormende, zooals Empedokles zeide: „gelijk van velen hoofden zonder hals ontsproten” die dan door de liefde verbonden werden, zoo worden ook deze gescheiden zijnde verbonden, zooals het onderling onmeetbaar zijn en de diagonaal; wanneer er sprake is van in ’t verleden of in de toekomst, denkt men er den tijd bij en stelt dien samen. 430b. Want de onwaarheid ligt altijd in de verbinding; immers noemt men het witte niet wit, dan heeft men het niet witte verbonden. Men kan ook alles scheiding noemen. Maar zeker is niet alleen ’t ware of onware dat Kleon wit is, maar ook dat hij wit was of zijn zal. Dat wat de eenheid bewerkt is bij alles de geest. Aangezien het ondeelbare tweevoudiglijk geldt, of naar mogelijkheid of in werkzaamheid, belet niets te denken het ondeelbare, wanneer men denkt de lengte (die is nl. ondeelbaar in werkzaamheid) ook in ondeelbaren tijd: want de tijd is deelbaar en ondeelbaar overeenkomstig de lengte. Nu kan men niet zeggen wat men in elk van beide helften denkt; want die bestaan slechts, als de verdeeling niet geschiedt, in mogelijkheid. Denkt men elk van beide helften afzonderlijk, dan verdeelt men ook tegelijk de tijd en dan denkt men (lengte) als lengten. Denkt men (lengte) als uit beide (helften) dan denkt men ook in den tijd voor beiden. Wat niet als grootte maar soortelijk ondeelbaar is, denkt men in ondeelbare tijd en met ’t ondeelbare van de ziel; maar bijkomstiglijk en niet zooals die vorigen, zijn deelbaar waarmee men denkt en de[125]tijd waarin men denkt; want ook in dezen is iets ondeelbaars, maar misschien niet gescheiden, (’t zelfde) dat de tijd en de lengte één maakt. En dat is evenzoo in alle uitgebreidheid van tijd en lengte. Het punt en alle verdeeling en wat zoo ondeelbaar is, wordt verduidelijkt als de ontkenning. En de redeneering is gelijk voor de andere dingen b.v. hoe men het booze of het zwarte kent; nl. men kent het zoo te zeggen door het tegengestelde. Het kennende moet in mogelijkheid zijn en eenheid hebben. Als eenige der oorzaken geen tegendeel heeft, kent zij zichzelf en is in werkzaamheid en gescheiden. Het oordeel spreekt iets uit van iets, zooals de bevestiging en is altijd waar of onwaar; het begrip niet altijd, maar het begrip van het ding naar zijn wezen is waar en niet eenige bepaling omtrent iets; maar zooals het zien van het eigenlijke waar is, maar niet altijd waar of het witte een mensch is of niet, zoo verhouden zich de onstoffelijkheden.431 a 1–431 b 1. Het door het waarneembare in werkzaamheid gebrachte waarnemingsvermogen, leidt tot streven en vermijden; voor het denkvermogen zijn de voorstellingen als waarneembaarheden. Er is een centraliteit van waarneming. Die oordeelt ook over ongelijksoortige eigenschappen in éénen.431a. De kennis in werkzaamheid is hetzelfde als de zaak. Die in mogelijkheid is naar tijd eerder in den eenen maar in ’t geheel ook niet in tijd; want alles wat wordt komt voort uit wat in werkelijkheid is. Het blijkt dat het waarneembare het waarnemingsvermogen uit mogelijkheid[126]tot werkzaamheid brengt, want het lijdt of verandert niet. Daarom is dit een ander soort van beweging; immers de beweging was de werkzaamheid van het onvoltooide, maar de volstrekte werkzaamheid, die van het voltooide, is een andere. Het waarnemen nu komt overeen met het zeggen en denken alleen; wanneer men het aangename of onaangename (waarneemt), overeenkomstig met beaming of ontkenning, streeft men na of vermijdt; en genot en smart gevoelen is werkzaam zijn met het waarnemend gemiddelde ten opzichte van het goede of het kwade als zoodanig. En het vermijden en de nastreving zijn in werkzaamheid hetzelfde en het streefvermogen en ’t vermijdingsvermogen zijn niet verschillend noch onderling noch van het waarnemingsvermogen, maar het begrip verschilt. Voor de denkende ziel zijn de voorstellingen als waarnemingen; wanneer zij bij goed of kwaad beaamt of ontkent, vermijdt zij of streeft zij na. Daarom denkt de ziel nooit zonder voorstelling. En zooals de lucht de pupil op bepaalde wijze aandoet en deze iets anders en het gehoor evenzoo, en het laatste één is en één gemiddelde, maar het begrip daarvan veelvoudig57… Waarmee men beoordeelt het verschil van zoet en warm, is ook vroeger gezegd, en ’t kan ook zóó gezegd worden. Het is nl. een eenheid, zooals ook de grens.En deze, één zijnde als door verhouding en naar aantal, verhouden zich tot elk van beiden als die tot elkaar; want wat verschilt het te vragen hoe men de ongelijksoortige dingen beoordeelt[127]of de tegendeelen als wit en zwart: laat als wit (A) zich verhoudt tot zwart (B) zoo C staan tot D, dus ook omgekeerd. Als dus C D bij één ding aanwezig is, zal het zich verhouden als A B, één en het zelfde, maar naar begrip niet hetzelfde en ’t andere eveneens. Dezelfde redeneering geldt als A het zoete is en B het witte.431 b 2–19. Denken en voorstelling met of zonder waarneming, met of zonder handeling. Denken van het afgetrokkene. De geest in werkzaamheid is één met zijnobjecten.De begrippen nu denkt het denkvermogen in de voorstellingen en als daarin (verkeerende) onderscheidt zich voor ’t denkvermogen het nastreefbare en vermijdbare en buiten de waarneming wanneer het in de voorstellingen verkeert, wordt het bewogen b.v. van het signaal waarnemende het vuur, erkent het door de algemeene zin de beweging ziende, dat er een vijand is. Anders berekent en overweegt het door de voorstellingen of gedachten in de ziel als ziende de toekomstige dingen tegenover de aanwezige; en wanneer het zooals dààr zegt het aangename of onaangename, zoo vermijdt het hier of streeft na en in ’t geheel bij het handelen. En ook hetgeen zonder handeling is, het ware en onware, is in ’t zelfde geslacht met het goede en kwade, maar het verschilt als volstrekt of betrekkelijk. De afgetrokkenheden denkt het zooals men het wipneuzige zou denken als wipneuzig niet gescheiden, maar als hol, zou men het als men het in werkzaamheid dacht, zonder het vleesch denken waarin de holheid is; zoo denkt het de wiskundige dingen die ongescheiden zijn als gescheiden,[128]wanneer men geene denkt. In ’t geheel is de geest in werkzaamheid de zaken. Of het mogelijk is iets gescheidens te denken zelf niet gescheiden zijnde van grootte of niet, moet later nagegaan worden.431 b 20–432 a 14. De ziel is als ’t ware de voorwerpen, waarneembaarheden en denkbaarheden als vormen; de ziel is de vorm der vormen als de hand het werktuig der werktuigen. De denkbaarheden zijn in de waarneembaarheden. Waarneming en voorstelling zijn noodzakelijk voor het begrijpen; maar voorstelling en gedachte zijn niet hetzelfde.8. Wanneer wij nu het gezegde omtrent de ziel samenvatten, zullen wij zeggen dat de ziel zoo te zeggen de dingen is; want al de dingen zijn of waarneembaarheden of denkbaarheden en de kennis is als ’t ware de kenbaarheden, de waarneming de waarneembaarheden; de nadere bepaling hiervan moet men zoeken. De kennis nu en de waarneming verdeelen zich over de dingen, die in mogelijkheid over mogelijkheden, die in werkelijkheid over werkelijkheden. Van de ziel is het waarnemingsvermogen en het kenvermogen in mogelijkheid hetzelfde, het eene het kenbare ’t ander het waarneembare. Dit moeten of de dingen zelf of de vormen zijn. Nu zijn het niet de dingen zelf, want niet de steen is in de ziel, maar de vorm; zoodat de ziel is als de hand; immers ook de hand is als het werktuig der werktuigen en de geest is de vorm der vormen en de waarneming de vorm der waarneembaarheden. 432a. Daar er geenerlei ding is buiten de waarneembare grootheden (en) gescheiden, zijn de denkbaarheden in de waarneembare[129]vormen, de als afgetrokkenheden gezegde en alles wat toestanden en bewerkingen van de waarneembaarheden zijn. En daarom is ’t onmogelijk zonder iets waar te nemen iets te leeren of te begrijpen en wanneer men bespiegelt is het noodzakelijk met voorstelling te bespiegelen; want de voorstellingen zijn als waargenomen dingen doch zonder materie. De voorstelling is iets anders dan beaming of ontkenning; want de waarheid of onwaarheid is een samenvoeging van begrippen. Maar wat zal het verschil zijn tusschen de eerste begrippen en de voorstellingen zijn? Veeleer zijn ook de andere geen voorstellingen, maar niet zonder voorstellingen.432 a 15–433 a 30. Plaatselijke beweging en zielsdeelen. Streefvermogen met gedachte of voorstelling bron van de plaatselijke beweging en in de eerste plaats het streefvermogen, dat zich richt op het als mogelijk goed zich voordoende.9. Daar de ziel der levende wezens door twee vermogens bepaald is, door het oordeelsvermogen, wat het werk is van denken en waarneming en bovendien door de plaatselijke beweging, zij over waarneming en geest dit bepaald, en moeten wij nagaan wat wel in de ziel het bewegende is, of het is een bepaald deel der ziel, gescheiden naar grootte of in begrip, of de heele ziel en zoo eenig bepaald deel, of het een bizonder deel is naast die gewoonlijk genoemd worden en die gezegd zijn of een daarvan. Wij hebben alvast de moeilijkheid hoe men van zielsdeelen moet spreken en van hoevele. Immers zij lijken in zeker opzicht onbepaald vele en[130]niet alleen die welke sommigen58onderscheiden, het redelijke, hartstochtelijke en begeerende, of zooals anderen het redelijke en onredelijke; want in vergelijking met de verschillen waardoor zij deze deelen onderscheiden, zullen andere verder uit elkaar blijken te staan dan deze, waarover hier ook gesproken is, het voedingsvermogen, dat ook de gewassen en alle dieren hebben en het waarnemingsvermogen, dat men niet licht of onredelijk of redelijk kan noemen. Verder het voorstellingsvermogen dat in ’t begrip van allen verschilt, maar waarvan het zeer moeilijk is te zeggen met welk van deze het één is of verschilt, als men gescheiden deelen van de ziel aanneemt. 432b. Bovendien het streefvermogen, dat en in begrip en in werking als van allen verschillend geldt. Dan is het ongerijmd dit uiteen te rukken; immers in het redelijke ligt de wil en in het niet-redelijke de begeerte en de hartstocht; wanneer de ziel driedeelig is, komt in elk deel het streefvermogen. Eindelijk datgene waarvan nu sprake is, wat is het dat de plaatselijke beweging aan het levende wezen geeft? Want de beweging van groei en afname, die bij allen aanwezig is, zal voortkomen uit het bij allen aanwezige voortbrengings- en voedingsvermogen; over in- en uitademing, slaap en waken moeten wij later handelen59; want ook daarbij doen zich vele vragen voor. Maar wij moeten nagaan omtrent de plaatselijke beweging, wat het is dat aan het levende wezen de beweging van het gaan geeft. Blijkbaar niet het voedingsvermogen; want deze beweging heeft steeds een doel en is vergezeld[131]van voorstelling of streven; want zonder streven of vermijden is er geen andere beweging dan door geweld. Bovendien zouden dan ook de gewassen bewegingsvermogen hebben en eenig orgaan voor deze beweging. Evenmin het waarnemingsvermogen; immers vele dieren hebben wel waarneming maar zijn rustend en onbewegelijk steeds door. Aangenomen nu dat de natuur niets doelloos maakt noch iets noodzakelijks weglaat behalve in de gebrekkigheden en onvoltooidheden; de zoodanige levende wezens nu zijn voltooid en geen gebrekkigheden, waarvoor het bewijs is dat zij teelkracht hebben en wasdom en afname; zoo zouden zij dus ook de organen voor den gang moeten hebben. Maar ook het denkvermogen en dezoogenaamdegeest is niet het bewegende; want de bespiegelende geest denkt niets betreffende handeling en zegt niets omtrent wat te vermijden of na te jagen is, terwijl de beweging altijd is van iets vermijden of najagen. Maar zelfs niet als hij iets zoodanigs beschouwt, beveelt hij tegelijk na te jagen of te vermijden b.v. dikwijls bedenkt hij iets vreeswekkends of aangenaams, zonder dat hij gelast te vreezen, maar het hart komt in beweging of, bij het aangename, eenig ander deel. 433a. Verder ook als de geest gelast en de gedachte beveelt iets te vermijden of na te jagen, wordt men (daardoor) niet bewogen maar handelt naar de begeerte, gelijk de losbandige. En in ’t algemeen zien wij, dat hij die de geneeskunde verstaat, niet geneest als zijnde iets anders beslissend bij het doen volgens de wetenschap, maar niet de wetenschap. Maar ook is het niet het streefvermogen dat die beweging beheerscht; immers de zelfbeheerschenden doen ondanks streven en[132]begeeren niet dat, waartoe zij neiging hebben, maar volgens den (redelijken) geest.Het blijkt echter dat deze twee bewegen, of streefvermogen of geest, als men de voorstelling een soort van denken noemt; want velen volgen tegen de kennis de voorstellingen en de andere dieren bezitten geen denken of overweging, maar voorstelling. Dus zijn ’t deze beiden die de plaatselijke beweging geven, geest en streefvermogen, nl. de met een doel overwegende, praktische geest; deze verschilt van de theoretische door het doel. Ook elk streefvermogen betreft een doel; immers het doel van het streven is het begin van de praktische geest en het eind daarvan is ’t begin van de handeling. Dus blijken redelijkerwijze deze twee de bewegenden, streefvermogen en praktische gedachte; want het nagestreefde beweegt en daardoor de gedachte, omdat het nagestreefde haar begin is. Ook wanneer de voorstelling beweegt, doet zij dit niet zonder streven. Dus is het één ding dat beweegt, het streefvermogen. Want indien twee, begrip en streven, bewogen, zouden zij dit uit een gemeenschappelijken vorm doen. Nu echter blijkt het begrip niet te bewegen zonder streven; want de wil is streven, en wanneer men naar de overweging bewogen wordt, wordt men ook naar den wil bewogen. Het streven beweegt tegen de overweging, want de begeerte is een zeker streven. Alle begrip nu is juist; streven en voorstelling zoowel juist als niet juist. Derhalve is het altijd het nagestreefde dat beweegt, maar dit is of het goede of wat goed lijkt, en niet al het goede maar het goede van de praktijk. Dit is wat de mogelijkheid toelaat van anderszijn.[133]433 a 31–b 30. Weerstrevingen bij streven weerspreken niet de eenheid in het streefvermogen. Verband met het lichamelijke. Rust bij de beweging. Het streefvermogen oorzaak van de plaatselijke beweging in verband met voorstelling uit gedachte of gewaarwording.433b. Het blijkt nu dat het zoodanige zielsvermogen, het zoogenaamde streven, beweegt. Die de ziel in deelen verdeelen, krijgen, wanneer ze naar de vermogens verdeelen en scheiden, vele deelen, voedingsvermogen, waarnemingsvermogen, denkvermogen, beraadslagingsen streefvermogen; want het onderscheid tusschen dezen is grooter dan tusschen de begeerte en de hartstocht60. Daar strevingen voorkomen met elkaar in strijd, en dit gebeurt wanneer de rede en de begeerten in strijd zijn en bij hen, die waarneming van tijd hebben (want de geest verzet zich wegens de toekomst, de begeerte gelast om het oogenblikkelijke61; immers het oogenblikkelijk aangename lijkt volstrekt aangenaam en volstrekt goed, doordat men de toekomst niet ziet), zoo is naar vorm het bewegende één, het streefvermogen als zoodanig en allereerst het nagestreefde (want dit beweegt zonder bewogen te worden door gedacht of voorgesteld te worden), maar naar aantal zijn de bewegenden meer. Daar er drie zijn, een het bewegende, het tweede waardoor het beweegt en verder het derde wat bewogen wordt, en het bewegende is dubbel, deels onbewogen deels bewegend en bewogen wordend; zoo is het onbewogene het goede van de praktijk, het bewegende en bewogen[134]wordende het streefvermogen (want het strevende als zoodanig wordt bewogen en het streven als werkzaamheid is een beweging) en het bewogen wordende het levende wezen, en het werktuig eindelijk waarmede het streven beweegt is lichamelijk; derhalve moet dat onderzocht worden bij de gemeenschappelijke verrichtingen van ziel en lichaam. Nu, in hoofdzaak gezegd, is het door organen bewegende daar waar begin en einde hetzelfde is, zooals het gewricht; want daar is het gebogene en het holle ’t eene einde ’t andere begin; daarom rust het eene en het andere wordt bewogen, naar begrip verschillend maar in uitgebreidheid ongescheiden; want alles wordt door stoot en trek bewogen. Daarom moet er als (’t middelpunt) in een cirkel iets rusten, en daarvan moet de beweging beginnen. In ’t geheel dus, zooals gezegd is, is het levende wezen als voorzien van streefvermogen voorzien van ’t vermogen van zelfbeweging; het bezit van streefvermogen is niet zonder voorstelling; alle voorstelling is of verstandelijk of uit de gewaarwording. Deze is ook het deel van de andere levende wezens.433 b 31–434 a 21. Streven en redeneering in wederzijdsche verhouding en weerstreving in het streven. Het bizondere, niet het algemeene, uitgangspunt van het streven.Wij moeten ook nagaan wat het bewegende is bij de onvolmaakte wezens die alleen den tastzin als gewaarwording hebben, of deze voorstelling en begeerte kunnen hebben of niet. 434a. Het blijkt dat zij voor smart en genot plaats hebben. Met deze moeten zij noodzakelijk ook begeerte hebben. Maar hoe zouden[135]zij voorstelling kunnen hebben? Of zooals zij zich onbepaald bewegen, zoo zijn er ook deze vermogens in aanwezig maar onbepaald. De op gewaarwording berustende voorstelling nu is, zooals gezegd is, ook in de andere levende wezens aanwezig, die uit de overweging voortkomt, in de met rede begaafden; want de keus tusschen twee handelingen is ten slotte het werk van redeneering en maakt een maatstaf noodzakelijk, want men zoekt het grootere. Dus kan zij uit meerdere voorstellingen er één maken. En dit is de oorzaak dat zij zonder oordeelskracht lijkt, omdat zij het oordeel uit de sluitrede niet heeft, wel omgekeerd dat haar. Daarom heeft het streven niet de oordeelskracht, soms echter overtreft het die en beweegt den wil; soms deze het streven, soms als de bal het eene streven het andere62, wanneer er losbandigheid is; van nature is altijd de hoogere heerschend en beweegt; zoodat er ten slotte drie bewegingen gelden. Het wetende wordt niet bewogen maar rust. Daar opvatting en begrip deels het algemeene deels het bizondere betreft, (de eerste nl. zegt dat de zoodanige het zoodanige moet doen, de tweede: dit nu is zoodanig en ik ben eenzoodanige), is het ten slotte deze meening die beweegt, niet de algemeene; of beiden, maar de eene meer rustende, de andere niet.434 a 22–435 b 25. Rangorde in de zielsvermogens en overeenkomstige bepaaldheid des lichaams. De tastzin als het algemeenste vereischt het samengesteld-zijn van het lichaam en zij is zelf noodzakelijk voor het bestaan, de andere zinnen voor het hoogere.[136]De voedende ziel moet noodzakelijk alles hebben wat leeft en ziel heeft63van de geboorte af en tot den ondergang; want het is noodzakelijk dat het geborene groeit en hoogtepunt en ondergang heeft en dit is onmogelijk zonder voeding; dus moet noodzakelijk de voedingskracht aanwezig zijn in alles wat groeit en afneemt. Gewaarwording is niet noodzakelijk in alle levende wezens; want alle wier lichaam enkelvoudig is, kunnen geen tastzin hebben, noch die de vormen niet kunnen opnemen zonder de materie. Maar het dier moet noodzakelijk gewaarwording hebben, indien de natuur niets doelloos maakt. Want alle natuurlijke dingen strekken tot iets of zijn bijkomstigheden van de doelbeoogende dingen. Indien dus elk lichaam dat loopen kan, als het geen gewaarwording bezat, zou omkomen en zijn voltooiing niet zou bereiken, wat het werk van de natuur is; immers hoe zal het zich voeden? 434b. De rustende immers hebben datgene waaruit zij gegroeid zijn (als voedingsbodem). Ook is het niet mogelijk dat een lichaam een ziel en oordeelende geest heeft maar geen gewaarwording bezit, wanneer het niet rustend is en iets gewordens is. Want waarom zou het die hebben? Of is ’t belang van de ziel of van ’t lichaam. In ’t gestelde geval geen van beiden; want de ziel zal toch niet kunnen denken en ’t lichaam niet meer kunnen bestaan daardoor. Dus heeft geen lichaam, dat niet rustend is, een ziel zonder gewaarwording.Verder als het lichaam gewaarwording heeft, moet het of enkelvoudig of gemengd zijn. Maar het kan niet[137]enkelvoudig zijn, want dan kan het geen tastzin hebben, die het noodzakelijk moet hebben. Dit blijkt uit het volgende. Daar immers het levende wezen een bezield lichaam is en alle lichaam tastbaar, d.i. waarneembaar voor den tastzin is, moet ook het lichaam van het levende wezen tastgevoel hebben als het in stand zal blijven. Want de andere gewaarwordingen als reuk, gezicht, gehoor gaan door middenstoffen, maar als er aanraking is zonder gewaarwording, zal het wezen niet in staat zijn het eene te vermijden het andere te nemen en in dat geval zal het zich niet kunnen handhaven. Daarom ook is de smaak als een tastgevoel, want zij betreft het voedsel en het voedsel is het tastbare lichaam. Geluid en kleur en reuk voeden niet noch veroorzaken groei of afname. Dus moet ook de smaak een tastgevoel zijn, omdat zij de gewaarwording van het tastbare en voedende is; deze nu zijn noodzakelijk voor het levende wezen en het is duidelijk dat zonder tastgevoel geen levend wezen kan zijn. De anderen zijn voor het hoogere en moeten dan ook niet voor een willekeurig soort aanwezig zijn maar voor sommigen, als voor het voortgaande; want indien dit zich zal handhaven moet het niet alleen bij aanraking maar ook op afstand gewaarworden. Dit is mogelijk, wanneer het gewaarwording heeft door de middenstof, doordat deze door het waarneembare aangedaan wordt en het levend wezen door de middenstof. Want zooals het plaatselijk bewegende tot een bepaald punt doet veranderen en het stootende iets anders doet stooten en de beweging in het midden is en het eerste stoot zonder gestooten te worden, het laatste alleen gestooten[138]wordt zonder te stooten en het midden beiden, terwijl het midden veelvoudig is, zoo is het ook met verandering, behalve dat die plaats heeft terwijl het voorwerp zijn plaats bewaart, zooals indien men (iets) in was doopt, de was zoover bewogen wordt als het indoopen gaat; een steen in ’t geheel niet, maar ’t water ver door en de lucht wordt het verst bewogen en doet aan en wordt aangedaan als hij blijft en één is. 435a. Daarom is het betreffende weerkaatsing beter (te zeggen), niet dat het gezicht uitgaande weerkaatst wordt, maar dat de lucht door den vorm en kleur aangedaan wordt tot zoover hij één is. Op het gladde is hij één; daarom beweegt weder deze het gezicht, even alsof het merk in de was doorgevoerd werd tot aan het einde.Dat het lichaam van het levende wezen niet enkelvoudig kan zijn b.v. van vuur of lucht, is duidelijk. Want zonder tastgevoel kan het geen andere gewaarwording hebben; want alle bezield lichaam bezit tastzin, zooals gezegd is. De andere elementen behalve aarde kunnen zintuigen zijn, en allen bewerken de waarneming door iets anders, de middenstoffen. De tastzin vereischt de aanraking van de dingen zelf en heeft daardoor dien naam. Evenwel ook de andere zintuigen nemen door aanraking waar, maar door iets anders heen, de tastzin blijkt alleen door zichzelf waar te nemen. Dus kan geen lichaam van het levend wezen uit dergelijke elementen zijn. Ook niet van aarde. Want de tastzin betreft alle tastbaarheden als een gemiddelde en het zintuig neemt niet alleen de verschillen van aarde op, maar ook van warm en koud en alle andere tastbaarheden. En daarom[139]nemen wij door beenderen, haren en dergelijke deelen niet waar omdat die van aarde zijn. 435b. En de planten hebben daardoor geen waarneming omdat zij van aarde zijn; maar zonder tastzin kan geen andere gewaarwording aanwezig zijn en dat zintuig is noch van aarde noch van een ander element. Het blijkt nu dat beroofd van deze waarneming alleen de levende wezens noodzakelijk moeten sterven; want het is niet mogelijk dat een niet-levend wezen deze heeft noch is het noodzakelijk dat een levend wezen een andere behalve deze heeft. En daarom vernietigen de andere waarneembaarheden door overmaat het levende wezen niet, als kleur en geluid en reuk, maar alleen de zintuigen, behalve bijkomstiglijk als b.v. met het geluid tegelijk stoot en slag komt en door gezichten en reuk andere dingen bewogen worden die door aanraking vernietigen. Ook de smaak vernietigt in zoover hij tevens als aanrakend werken kan. Maar de overmaat der tastbaarheden als warme koude en harde dingen vernietigt het levende wezen; want de overmaat van elke waarneembaarheid vernietigt het zintuig, dus ook het tastbare den tastzin en daardoor is het leven bepaald, want er is aangetoond dat zonder tastzin het levend wezen niet kan bestaan. Daarom vernietigt de overmaat der tastbaarheden niet alleen het zintuig, maar ook het levende wezen, omdat het noodzakelijk dezen zin alleen moet bezitten. De andere gewaarwordingen heeft het levend wezen, zooals gezegd is, niet om het bestaan maar om het hoogere, als gezicht omdat het in lucht en water, of in ’t algemeen in het doorschijnende is en moet zien, smaak om het[140]aangename en onaangename in het voedsel waar te nemen en te begeeren en aangedaan te worden, gehoor om een mededeeling te ontvangen, de tong om aan een ander een mededeeling te doen64.EINDE.
430 a 26–b 30. Bij denken van het ongedeelde geen waarheid of onwaarheid; dat komt eerst in de verbinding; het verbindende is de geest. Denken van het ongedeelde naar aantal of naar de soort. Denken van het negatieve en de tegenstelling en van wat geen tegenstelling heeft. Oordeel is waar of onwaar, begrip van het wezen steeds waar, als het zien van het eigenlijk zichtbare.[124]6. Het begrip nu der ongedeeldheden betreft die dingen, waaromtrent geen onwaarheid is. Die, waarin van waarheid en onwaarheid sprake is, zijn dan een verbinding van begrippen als een éénheid vormende, zooals Empedokles zeide: „gelijk van velen hoofden zonder hals ontsproten” die dan door de liefde verbonden werden, zoo worden ook deze gescheiden zijnde verbonden, zooals het onderling onmeetbaar zijn en de diagonaal; wanneer er sprake is van in ’t verleden of in de toekomst, denkt men er den tijd bij en stelt dien samen. 430b. Want de onwaarheid ligt altijd in de verbinding; immers noemt men het witte niet wit, dan heeft men het niet witte verbonden. Men kan ook alles scheiding noemen. Maar zeker is niet alleen ’t ware of onware dat Kleon wit is, maar ook dat hij wit was of zijn zal. Dat wat de eenheid bewerkt is bij alles de geest. Aangezien het ondeelbare tweevoudiglijk geldt, of naar mogelijkheid of in werkzaamheid, belet niets te denken het ondeelbare, wanneer men denkt de lengte (die is nl. ondeelbaar in werkzaamheid) ook in ondeelbaren tijd: want de tijd is deelbaar en ondeelbaar overeenkomstig de lengte. Nu kan men niet zeggen wat men in elk van beide helften denkt; want die bestaan slechts, als de verdeeling niet geschiedt, in mogelijkheid. Denkt men elk van beide helften afzonderlijk, dan verdeelt men ook tegelijk de tijd en dan denkt men (lengte) als lengten. Denkt men (lengte) als uit beide (helften) dan denkt men ook in den tijd voor beiden. Wat niet als grootte maar soortelijk ondeelbaar is, denkt men in ondeelbare tijd en met ’t ondeelbare van de ziel; maar bijkomstiglijk en niet zooals die vorigen, zijn deelbaar waarmee men denkt en de[125]tijd waarin men denkt; want ook in dezen is iets ondeelbaars, maar misschien niet gescheiden, (’t zelfde) dat de tijd en de lengte één maakt. En dat is evenzoo in alle uitgebreidheid van tijd en lengte. Het punt en alle verdeeling en wat zoo ondeelbaar is, wordt verduidelijkt als de ontkenning. En de redeneering is gelijk voor de andere dingen b.v. hoe men het booze of het zwarte kent; nl. men kent het zoo te zeggen door het tegengestelde. Het kennende moet in mogelijkheid zijn en eenheid hebben. Als eenige der oorzaken geen tegendeel heeft, kent zij zichzelf en is in werkzaamheid en gescheiden. Het oordeel spreekt iets uit van iets, zooals de bevestiging en is altijd waar of onwaar; het begrip niet altijd, maar het begrip van het ding naar zijn wezen is waar en niet eenige bepaling omtrent iets; maar zooals het zien van het eigenlijke waar is, maar niet altijd waar of het witte een mensch is of niet, zoo verhouden zich de onstoffelijkheden.431 a 1–431 b 1. Het door het waarneembare in werkzaamheid gebrachte waarnemingsvermogen, leidt tot streven en vermijden; voor het denkvermogen zijn de voorstellingen als waarneembaarheden. Er is een centraliteit van waarneming. Die oordeelt ook over ongelijksoortige eigenschappen in éénen.431a. De kennis in werkzaamheid is hetzelfde als de zaak. Die in mogelijkheid is naar tijd eerder in den eenen maar in ’t geheel ook niet in tijd; want alles wat wordt komt voort uit wat in werkelijkheid is. Het blijkt dat het waarneembare het waarnemingsvermogen uit mogelijkheid[126]tot werkzaamheid brengt, want het lijdt of verandert niet. Daarom is dit een ander soort van beweging; immers de beweging was de werkzaamheid van het onvoltooide, maar de volstrekte werkzaamheid, die van het voltooide, is een andere. Het waarnemen nu komt overeen met het zeggen en denken alleen; wanneer men het aangename of onaangename (waarneemt), overeenkomstig met beaming of ontkenning, streeft men na of vermijdt; en genot en smart gevoelen is werkzaam zijn met het waarnemend gemiddelde ten opzichte van het goede of het kwade als zoodanig. En het vermijden en de nastreving zijn in werkzaamheid hetzelfde en het streefvermogen en ’t vermijdingsvermogen zijn niet verschillend noch onderling noch van het waarnemingsvermogen, maar het begrip verschilt. Voor de denkende ziel zijn de voorstellingen als waarnemingen; wanneer zij bij goed of kwaad beaamt of ontkent, vermijdt zij of streeft zij na. Daarom denkt de ziel nooit zonder voorstelling. En zooals de lucht de pupil op bepaalde wijze aandoet en deze iets anders en het gehoor evenzoo, en het laatste één is en één gemiddelde, maar het begrip daarvan veelvoudig57… Waarmee men beoordeelt het verschil van zoet en warm, is ook vroeger gezegd, en ’t kan ook zóó gezegd worden. Het is nl. een eenheid, zooals ook de grens.En deze, één zijnde als door verhouding en naar aantal, verhouden zich tot elk van beiden als die tot elkaar; want wat verschilt het te vragen hoe men de ongelijksoortige dingen beoordeelt[127]of de tegendeelen als wit en zwart: laat als wit (A) zich verhoudt tot zwart (B) zoo C staan tot D, dus ook omgekeerd. Als dus C D bij één ding aanwezig is, zal het zich verhouden als A B, één en het zelfde, maar naar begrip niet hetzelfde en ’t andere eveneens. Dezelfde redeneering geldt als A het zoete is en B het witte.431 b 2–19. Denken en voorstelling met of zonder waarneming, met of zonder handeling. Denken van het afgetrokkene. De geest in werkzaamheid is één met zijnobjecten.De begrippen nu denkt het denkvermogen in de voorstellingen en als daarin (verkeerende) onderscheidt zich voor ’t denkvermogen het nastreefbare en vermijdbare en buiten de waarneming wanneer het in de voorstellingen verkeert, wordt het bewogen b.v. van het signaal waarnemende het vuur, erkent het door de algemeene zin de beweging ziende, dat er een vijand is. Anders berekent en overweegt het door de voorstellingen of gedachten in de ziel als ziende de toekomstige dingen tegenover de aanwezige; en wanneer het zooals dààr zegt het aangename of onaangename, zoo vermijdt het hier of streeft na en in ’t geheel bij het handelen. En ook hetgeen zonder handeling is, het ware en onware, is in ’t zelfde geslacht met het goede en kwade, maar het verschilt als volstrekt of betrekkelijk. De afgetrokkenheden denkt het zooals men het wipneuzige zou denken als wipneuzig niet gescheiden, maar als hol, zou men het als men het in werkzaamheid dacht, zonder het vleesch denken waarin de holheid is; zoo denkt het de wiskundige dingen die ongescheiden zijn als gescheiden,[128]wanneer men geene denkt. In ’t geheel is de geest in werkzaamheid de zaken. Of het mogelijk is iets gescheidens te denken zelf niet gescheiden zijnde van grootte of niet, moet later nagegaan worden.431 b 20–432 a 14. De ziel is als ’t ware de voorwerpen, waarneembaarheden en denkbaarheden als vormen; de ziel is de vorm der vormen als de hand het werktuig der werktuigen. De denkbaarheden zijn in de waarneembaarheden. Waarneming en voorstelling zijn noodzakelijk voor het begrijpen; maar voorstelling en gedachte zijn niet hetzelfde.8. Wanneer wij nu het gezegde omtrent de ziel samenvatten, zullen wij zeggen dat de ziel zoo te zeggen de dingen is; want al de dingen zijn of waarneembaarheden of denkbaarheden en de kennis is als ’t ware de kenbaarheden, de waarneming de waarneembaarheden; de nadere bepaling hiervan moet men zoeken. De kennis nu en de waarneming verdeelen zich over de dingen, die in mogelijkheid over mogelijkheden, die in werkelijkheid over werkelijkheden. Van de ziel is het waarnemingsvermogen en het kenvermogen in mogelijkheid hetzelfde, het eene het kenbare ’t ander het waarneembare. Dit moeten of de dingen zelf of de vormen zijn. Nu zijn het niet de dingen zelf, want niet de steen is in de ziel, maar de vorm; zoodat de ziel is als de hand; immers ook de hand is als het werktuig der werktuigen en de geest is de vorm der vormen en de waarneming de vorm der waarneembaarheden. 432a. Daar er geenerlei ding is buiten de waarneembare grootheden (en) gescheiden, zijn de denkbaarheden in de waarneembare[129]vormen, de als afgetrokkenheden gezegde en alles wat toestanden en bewerkingen van de waarneembaarheden zijn. En daarom is ’t onmogelijk zonder iets waar te nemen iets te leeren of te begrijpen en wanneer men bespiegelt is het noodzakelijk met voorstelling te bespiegelen; want de voorstellingen zijn als waargenomen dingen doch zonder materie. De voorstelling is iets anders dan beaming of ontkenning; want de waarheid of onwaarheid is een samenvoeging van begrippen. Maar wat zal het verschil zijn tusschen de eerste begrippen en de voorstellingen zijn? Veeleer zijn ook de andere geen voorstellingen, maar niet zonder voorstellingen.432 a 15–433 a 30. Plaatselijke beweging en zielsdeelen. Streefvermogen met gedachte of voorstelling bron van de plaatselijke beweging en in de eerste plaats het streefvermogen, dat zich richt op het als mogelijk goed zich voordoende.9. Daar de ziel der levende wezens door twee vermogens bepaald is, door het oordeelsvermogen, wat het werk is van denken en waarneming en bovendien door de plaatselijke beweging, zij over waarneming en geest dit bepaald, en moeten wij nagaan wat wel in de ziel het bewegende is, of het is een bepaald deel der ziel, gescheiden naar grootte of in begrip, of de heele ziel en zoo eenig bepaald deel, of het een bizonder deel is naast die gewoonlijk genoemd worden en die gezegd zijn of een daarvan. Wij hebben alvast de moeilijkheid hoe men van zielsdeelen moet spreken en van hoevele. Immers zij lijken in zeker opzicht onbepaald vele en[130]niet alleen die welke sommigen58onderscheiden, het redelijke, hartstochtelijke en begeerende, of zooals anderen het redelijke en onredelijke; want in vergelijking met de verschillen waardoor zij deze deelen onderscheiden, zullen andere verder uit elkaar blijken te staan dan deze, waarover hier ook gesproken is, het voedingsvermogen, dat ook de gewassen en alle dieren hebben en het waarnemingsvermogen, dat men niet licht of onredelijk of redelijk kan noemen. Verder het voorstellingsvermogen dat in ’t begrip van allen verschilt, maar waarvan het zeer moeilijk is te zeggen met welk van deze het één is of verschilt, als men gescheiden deelen van de ziel aanneemt. 432b. Bovendien het streefvermogen, dat en in begrip en in werking als van allen verschillend geldt. Dan is het ongerijmd dit uiteen te rukken; immers in het redelijke ligt de wil en in het niet-redelijke de begeerte en de hartstocht; wanneer de ziel driedeelig is, komt in elk deel het streefvermogen. Eindelijk datgene waarvan nu sprake is, wat is het dat de plaatselijke beweging aan het levende wezen geeft? Want de beweging van groei en afname, die bij allen aanwezig is, zal voortkomen uit het bij allen aanwezige voortbrengings- en voedingsvermogen; over in- en uitademing, slaap en waken moeten wij later handelen59; want ook daarbij doen zich vele vragen voor. Maar wij moeten nagaan omtrent de plaatselijke beweging, wat het is dat aan het levende wezen de beweging van het gaan geeft. Blijkbaar niet het voedingsvermogen; want deze beweging heeft steeds een doel en is vergezeld[131]van voorstelling of streven; want zonder streven of vermijden is er geen andere beweging dan door geweld. Bovendien zouden dan ook de gewassen bewegingsvermogen hebben en eenig orgaan voor deze beweging. Evenmin het waarnemingsvermogen; immers vele dieren hebben wel waarneming maar zijn rustend en onbewegelijk steeds door. Aangenomen nu dat de natuur niets doelloos maakt noch iets noodzakelijks weglaat behalve in de gebrekkigheden en onvoltooidheden; de zoodanige levende wezens nu zijn voltooid en geen gebrekkigheden, waarvoor het bewijs is dat zij teelkracht hebben en wasdom en afname; zoo zouden zij dus ook de organen voor den gang moeten hebben. Maar ook het denkvermogen en dezoogenaamdegeest is niet het bewegende; want de bespiegelende geest denkt niets betreffende handeling en zegt niets omtrent wat te vermijden of na te jagen is, terwijl de beweging altijd is van iets vermijden of najagen. Maar zelfs niet als hij iets zoodanigs beschouwt, beveelt hij tegelijk na te jagen of te vermijden b.v. dikwijls bedenkt hij iets vreeswekkends of aangenaams, zonder dat hij gelast te vreezen, maar het hart komt in beweging of, bij het aangename, eenig ander deel. 433a. Verder ook als de geest gelast en de gedachte beveelt iets te vermijden of na te jagen, wordt men (daardoor) niet bewogen maar handelt naar de begeerte, gelijk de losbandige. En in ’t algemeen zien wij, dat hij die de geneeskunde verstaat, niet geneest als zijnde iets anders beslissend bij het doen volgens de wetenschap, maar niet de wetenschap. Maar ook is het niet het streefvermogen dat die beweging beheerscht; immers de zelfbeheerschenden doen ondanks streven en[132]begeeren niet dat, waartoe zij neiging hebben, maar volgens den (redelijken) geest.Het blijkt echter dat deze twee bewegen, of streefvermogen of geest, als men de voorstelling een soort van denken noemt; want velen volgen tegen de kennis de voorstellingen en de andere dieren bezitten geen denken of overweging, maar voorstelling. Dus zijn ’t deze beiden die de plaatselijke beweging geven, geest en streefvermogen, nl. de met een doel overwegende, praktische geest; deze verschilt van de theoretische door het doel. Ook elk streefvermogen betreft een doel; immers het doel van het streven is het begin van de praktische geest en het eind daarvan is ’t begin van de handeling. Dus blijken redelijkerwijze deze twee de bewegenden, streefvermogen en praktische gedachte; want het nagestreefde beweegt en daardoor de gedachte, omdat het nagestreefde haar begin is. Ook wanneer de voorstelling beweegt, doet zij dit niet zonder streven. Dus is het één ding dat beweegt, het streefvermogen. Want indien twee, begrip en streven, bewogen, zouden zij dit uit een gemeenschappelijken vorm doen. Nu echter blijkt het begrip niet te bewegen zonder streven; want de wil is streven, en wanneer men naar de overweging bewogen wordt, wordt men ook naar den wil bewogen. Het streven beweegt tegen de overweging, want de begeerte is een zeker streven. Alle begrip nu is juist; streven en voorstelling zoowel juist als niet juist. Derhalve is het altijd het nagestreefde dat beweegt, maar dit is of het goede of wat goed lijkt, en niet al het goede maar het goede van de praktijk. Dit is wat de mogelijkheid toelaat van anderszijn.[133]433 a 31–b 30. Weerstrevingen bij streven weerspreken niet de eenheid in het streefvermogen. Verband met het lichamelijke. Rust bij de beweging. Het streefvermogen oorzaak van de plaatselijke beweging in verband met voorstelling uit gedachte of gewaarwording.433b. Het blijkt nu dat het zoodanige zielsvermogen, het zoogenaamde streven, beweegt. Die de ziel in deelen verdeelen, krijgen, wanneer ze naar de vermogens verdeelen en scheiden, vele deelen, voedingsvermogen, waarnemingsvermogen, denkvermogen, beraadslagingsen streefvermogen; want het onderscheid tusschen dezen is grooter dan tusschen de begeerte en de hartstocht60. Daar strevingen voorkomen met elkaar in strijd, en dit gebeurt wanneer de rede en de begeerten in strijd zijn en bij hen, die waarneming van tijd hebben (want de geest verzet zich wegens de toekomst, de begeerte gelast om het oogenblikkelijke61; immers het oogenblikkelijk aangename lijkt volstrekt aangenaam en volstrekt goed, doordat men de toekomst niet ziet), zoo is naar vorm het bewegende één, het streefvermogen als zoodanig en allereerst het nagestreefde (want dit beweegt zonder bewogen te worden door gedacht of voorgesteld te worden), maar naar aantal zijn de bewegenden meer. Daar er drie zijn, een het bewegende, het tweede waardoor het beweegt en verder het derde wat bewogen wordt, en het bewegende is dubbel, deels onbewogen deels bewegend en bewogen wordend; zoo is het onbewogene het goede van de praktijk, het bewegende en bewogen[134]wordende het streefvermogen (want het strevende als zoodanig wordt bewogen en het streven als werkzaamheid is een beweging) en het bewogen wordende het levende wezen, en het werktuig eindelijk waarmede het streven beweegt is lichamelijk; derhalve moet dat onderzocht worden bij de gemeenschappelijke verrichtingen van ziel en lichaam. Nu, in hoofdzaak gezegd, is het door organen bewegende daar waar begin en einde hetzelfde is, zooals het gewricht; want daar is het gebogene en het holle ’t eene einde ’t andere begin; daarom rust het eene en het andere wordt bewogen, naar begrip verschillend maar in uitgebreidheid ongescheiden; want alles wordt door stoot en trek bewogen. Daarom moet er als (’t middelpunt) in een cirkel iets rusten, en daarvan moet de beweging beginnen. In ’t geheel dus, zooals gezegd is, is het levende wezen als voorzien van streefvermogen voorzien van ’t vermogen van zelfbeweging; het bezit van streefvermogen is niet zonder voorstelling; alle voorstelling is of verstandelijk of uit de gewaarwording. Deze is ook het deel van de andere levende wezens.433 b 31–434 a 21. Streven en redeneering in wederzijdsche verhouding en weerstreving in het streven. Het bizondere, niet het algemeene, uitgangspunt van het streven.Wij moeten ook nagaan wat het bewegende is bij de onvolmaakte wezens die alleen den tastzin als gewaarwording hebben, of deze voorstelling en begeerte kunnen hebben of niet. 434a. Het blijkt dat zij voor smart en genot plaats hebben. Met deze moeten zij noodzakelijk ook begeerte hebben. Maar hoe zouden[135]zij voorstelling kunnen hebben? Of zooals zij zich onbepaald bewegen, zoo zijn er ook deze vermogens in aanwezig maar onbepaald. De op gewaarwording berustende voorstelling nu is, zooals gezegd is, ook in de andere levende wezens aanwezig, die uit de overweging voortkomt, in de met rede begaafden; want de keus tusschen twee handelingen is ten slotte het werk van redeneering en maakt een maatstaf noodzakelijk, want men zoekt het grootere. Dus kan zij uit meerdere voorstellingen er één maken. En dit is de oorzaak dat zij zonder oordeelskracht lijkt, omdat zij het oordeel uit de sluitrede niet heeft, wel omgekeerd dat haar. Daarom heeft het streven niet de oordeelskracht, soms echter overtreft het die en beweegt den wil; soms deze het streven, soms als de bal het eene streven het andere62, wanneer er losbandigheid is; van nature is altijd de hoogere heerschend en beweegt; zoodat er ten slotte drie bewegingen gelden. Het wetende wordt niet bewogen maar rust. Daar opvatting en begrip deels het algemeene deels het bizondere betreft, (de eerste nl. zegt dat de zoodanige het zoodanige moet doen, de tweede: dit nu is zoodanig en ik ben eenzoodanige), is het ten slotte deze meening die beweegt, niet de algemeene; of beiden, maar de eene meer rustende, de andere niet.434 a 22–435 b 25. Rangorde in de zielsvermogens en overeenkomstige bepaaldheid des lichaams. De tastzin als het algemeenste vereischt het samengesteld-zijn van het lichaam en zij is zelf noodzakelijk voor het bestaan, de andere zinnen voor het hoogere.[136]De voedende ziel moet noodzakelijk alles hebben wat leeft en ziel heeft63van de geboorte af en tot den ondergang; want het is noodzakelijk dat het geborene groeit en hoogtepunt en ondergang heeft en dit is onmogelijk zonder voeding; dus moet noodzakelijk de voedingskracht aanwezig zijn in alles wat groeit en afneemt. Gewaarwording is niet noodzakelijk in alle levende wezens; want alle wier lichaam enkelvoudig is, kunnen geen tastzin hebben, noch die de vormen niet kunnen opnemen zonder de materie. Maar het dier moet noodzakelijk gewaarwording hebben, indien de natuur niets doelloos maakt. Want alle natuurlijke dingen strekken tot iets of zijn bijkomstigheden van de doelbeoogende dingen. Indien dus elk lichaam dat loopen kan, als het geen gewaarwording bezat, zou omkomen en zijn voltooiing niet zou bereiken, wat het werk van de natuur is; immers hoe zal het zich voeden? 434b. De rustende immers hebben datgene waaruit zij gegroeid zijn (als voedingsbodem). Ook is het niet mogelijk dat een lichaam een ziel en oordeelende geest heeft maar geen gewaarwording bezit, wanneer het niet rustend is en iets gewordens is. Want waarom zou het die hebben? Of is ’t belang van de ziel of van ’t lichaam. In ’t gestelde geval geen van beiden; want de ziel zal toch niet kunnen denken en ’t lichaam niet meer kunnen bestaan daardoor. Dus heeft geen lichaam, dat niet rustend is, een ziel zonder gewaarwording.Verder als het lichaam gewaarwording heeft, moet het of enkelvoudig of gemengd zijn. Maar het kan niet[137]enkelvoudig zijn, want dan kan het geen tastzin hebben, die het noodzakelijk moet hebben. Dit blijkt uit het volgende. Daar immers het levende wezen een bezield lichaam is en alle lichaam tastbaar, d.i. waarneembaar voor den tastzin is, moet ook het lichaam van het levende wezen tastgevoel hebben als het in stand zal blijven. Want de andere gewaarwordingen als reuk, gezicht, gehoor gaan door middenstoffen, maar als er aanraking is zonder gewaarwording, zal het wezen niet in staat zijn het eene te vermijden het andere te nemen en in dat geval zal het zich niet kunnen handhaven. Daarom ook is de smaak als een tastgevoel, want zij betreft het voedsel en het voedsel is het tastbare lichaam. Geluid en kleur en reuk voeden niet noch veroorzaken groei of afname. Dus moet ook de smaak een tastgevoel zijn, omdat zij de gewaarwording van het tastbare en voedende is; deze nu zijn noodzakelijk voor het levende wezen en het is duidelijk dat zonder tastgevoel geen levend wezen kan zijn. De anderen zijn voor het hoogere en moeten dan ook niet voor een willekeurig soort aanwezig zijn maar voor sommigen, als voor het voortgaande; want indien dit zich zal handhaven moet het niet alleen bij aanraking maar ook op afstand gewaarworden. Dit is mogelijk, wanneer het gewaarwording heeft door de middenstof, doordat deze door het waarneembare aangedaan wordt en het levend wezen door de middenstof. Want zooals het plaatselijk bewegende tot een bepaald punt doet veranderen en het stootende iets anders doet stooten en de beweging in het midden is en het eerste stoot zonder gestooten te worden, het laatste alleen gestooten[138]wordt zonder te stooten en het midden beiden, terwijl het midden veelvoudig is, zoo is het ook met verandering, behalve dat die plaats heeft terwijl het voorwerp zijn plaats bewaart, zooals indien men (iets) in was doopt, de was zoover bewogen wordt als het indoopen gaat; een steen in ’t geheel niet, maar ’t water ver door en de lucht wordt het verst bewogen en doet aan en wordt aangedaan als hij blijft en één is. 435a. Daarom is het betreffende weerkaatsing beter (te zeggen), niet dat het gezicht uitgaande weerkaatst wordt, maar dat de lucht door den vorm en kleur aangedaan wordt tot zoover hij één is. Op het gladde is hij één; daarom beweegt weder deze het gezicht, even alsof het merk in de was doorgevoerd werd tot aan het einde.Dat het lichaam van het levende wezen niet enkelvoudig kan zijn b.v. van vuur of lucht, is duidelijk. Want zonder tastgevoel kan het geen andere gewaarwording hebben; want alle bezield lichaam bezit tastzin, zooals gezegd is. De andere elementen behalve aarde kunnen zintuigen zijn, en allen bewerken de waarneming door iets anders, de middenstoffen. De tastzin vereischt de aanraking van de dingen zelf en heeft daardoor dien naam. Evenwel ook de andere zintuigen nemen door aanraking waar, maar door iets anders heen, de tastzin blijkt alleen door zichzelf waar te nemen. Dus kan geen lichaam van het levend wezen uit dergelijke elementen zijn. Ook niet van aarde. Want de tastzin betreft alle tastbaarheden als een gemiddelde en het zintuig neemt niet alleen de verschillen van aarde op, maar ook van warm en koud en alle andere tastbaarheden. En daarom[139]nemen wij door beenderen, haren en dergelijke deelen niet waar omdat die van aarde zijn. 435b. En de planten hebben daardoor geen waarneming omdat zij van aarde zijn; maar zonder tastzin kan geen andere gewaarwording aanwezig zijn en dat zintuig is noch van aarde noch van een ander element. Het blijkt nu dat beroofd van deze waarneming alleen de levende wezens noodzakelijk moeten sterven; want het is niet mogelijk dat een niet-levend wezen deze heeft noch is het noodzakelijk dat een levend wezen een andere behalve deze heeft. En daarom vernietigen de andere waarneembaarheden door overmaat het levende wezen niet, als kleur en geluid en reuk, maar alleen de zintuigen, behalve bijkomstiglijk als b.v. met het geluid tegelijk stoot en slag komt en door gezichten en reuk andere dingen bewogen worden die door aanraking vernietigen. Ook de smaak vernietigt in zoover hij tevens als aanrakend werken kan. Maar de overmaat der tastbaarheden als warme koude en harde dingen vernietigt het levende wezen; want de overmaat van elke waarneembaarheid vernietigt het zintuig, dus ook het tastbare den tastzin en daardoor is het leven bepaald, want er is aangetoond dat zonder tastzin het levend wezen niet kan bestaan. Daarom vernietigt de overmaat der tastbaarheden niet alleen het zintuig, maar ook het levende wezen, omdat het noodzakelijk dezen zin alleen moet bezitten. De andere gewaarwordingen heeft het levend wezen, zooals gezegd is, niet om het bestaan maar om het hoogere, als gezicht omdat het in lucht en water, of in ’t algemeen in het doorschijnende is en moet zien, smaak om het[140]aangename en onaangename in het voedsel waar te nemen en te begeeren en aangedaan te worden, gehoor om een mededeeling te ontvangen, de tong om aan een ander een mededeeling te doen64.EINDE.
430 a 26–b 30. Bij denken van het ongedeelde geen waarheid of onwaarheid; dat komt eerst in de verbinding; het verbindende is de geest. Denken van het ongedeelde naar aantal of naar de soort. Denken van het negatieve en de tegenstelling en van wat geen tegenstelling heeft. Oordeel is waar of onwaar, begrip van het wezen steeds waar, als het zien van het eigenlijk zichtbare.[124]6. Het begrip nu der ongedeeldheden betreft die dingen, waaromtrent geen onwaarheid is. Die, waarin van waarheid en onwaarheid sprake is, zijn dan een verbinding van begrippen als een éénheid vormende, zooals Empedokles zeide: „gelijk van velen hoofden zonder hals ontsproten” die dan door de liefde verbonden werden, zoo worden ook deze gescheiden zijnde verbonden, zooals het onderling onmeetbaar zijn en de diagonaal; wanneer er sprake is van in ’t verleden of in de toekomst, denkt men er den tijd bij en stelt dien samen. 430b. Want de onwaarheid ligt altijd in de verbinding; immers noemt men het witte niet wit, dan heeft men het niet witte verbonden. Men kan ook alles scheiding noemen. Maar zeker is niet alleen ’t ware of onware dat Kleon wit is, maar ook dat hij wit was of zijn zal. Dat wat de eenheid bewerkt is bij alles de geest. Aangezien het ondeelbare tweevoudiglijk geldt, of naar mogelijkheid of in werkzaamheid, belet niets te denken het ondeelbare, wanneer men denkt de lengte (die is nl. ondeelbaar in werkzaamheid) ook in ondeelbaren tijd: want de tijd is deelbaar en ondeelbaar overeenkomstig de lengte. Nu kan men niet zeggen wat men in elk van beide helften denkt; want die bestaan slechts, als de verdeeling niet geschiedt, in mogelijkheid. Denkt men elk van beide helften afzonderlijk, dan verdeelt men ook tegelijk de tijd en dan denkt men (lengte) als lengten. Denkt men (lengte) als uit beide (helften) dan denkt men ook in den tijd voor beiden. Wat niet als grootte maar soortelijk ondeelbaar is, denkt men in ondeelbare tijd en met ’t ondeelbare van de ziel; maar bijkomstiglijk en niet zooals die vorigen, zijn deelbaar waarmee men denkt en de[125]tijd waarin men denkt; want ook in dezen is iets ondeelbaars, maar misschien niet gescheiden, (’t zelfde) dat de tijd en de lengte één maakt. En dat is evenzoo in alle uitgebreidheid van tijd en lengte. Het punt en alle verdeeling en wat zoo ondeelbaar is, wordt verduidelijkt als de ontkenning. En de redeneering is gelijk voor de andere dingen b.v. hoe men het booze of het zwarte kent; nl. men kent het zoo te zeggen door het tegengestelde. Het kennende moet in mogelijkheid zijn en eenheid hebben. Als eenige der oorzaken geen tegendeel heeft, kent zij zichzelf en is in werkzaamheid en gescheiden. Het oordeel spreekt iets uit van iets, zooals de bevestiging en is altijd waar of onwaar; het begrip niet altijd, maar het begrip van het ding naar zijn wezen is waar en niet eenige bepaling omtrent iets; maar zooals het zien van het eigenlijke waar is, maar niet altijd waar of het witte een mensch is of niet, zoo verhouden zich de onstoffelijkheden.431 a 1–431 b 1. Het door het waarneembare in werkzaamheid gebrachte waarnemingsvermogen, leidt tot streven en vermijden; voor het denkvermogen zijn de voorstellingen als waarneembaarheden. Er is een centraliteit van waarneming. Die oordeelt ook over ongelijksoortige eigenschappen in éénen.431a. De kennis in werkzaamheid is hetzelfde als de zaak. Die in mogelijkheid is naar tijd eerder in den eenen maar in ’t geheel ook niet in tijd; want alles wat wordt komt voort uit wat in werkelijkheid is. Het blijkt dat het waarneembare het waarnemingsvermogen uit mogelijkheid[126]tot werkzaamheid brengt, want het lijdt of verandert niet. Daarom is dit een ander soort van beweging; immers de beweging was de werkzaamheid van het onvoltooide, maar de volstrekte werkzaamheid, die van het voltooide, is een andere. Het waarnemen nu komt overeen met het zeggen en denken alleen; wanneer men het aangename of onaangename (waarneemt), overeenkomstig met beaming of ontkenning, streeft men na of vermijdt; en genot en smart gevoelen is werkzaam zijn met het waarnemend gemiddelde ten opzichte van het goede of het kwade als zoodanig. En het vermijden en de nastreving zijn in werkzaamheid hetzelfde en het streefvermogen en ’t vermijdingsvermogen zijn niet verschillend noch onderling noch van het waarnemingsvermogen, maar het begrip verschilt. Voor de denkende ziel zijn de voorstellingen als waarnemingen; wanneer zij bij goed of kwaad beaamt of ontkent, vermijdt zij of streeft zij na. Daarom denkt de ziel nooit zonder voorstelling. En zooals de lucht de pupil op bepaalde wijze aandoet en deze iets anders en het gehoor evenzoo, en het laatste één is en één gemiddelde, maar het begrip daarvan veelvoudig57… Waarmee men beoordeelt het verschil van zoet en warm, is ook vroeger gezegd, en ’t kan ook zóó gezegd worden. Het is nl. een eenheid, zooals ook de grens.En deze, één zijnde als door verhouding en naar aantal, verhouden zich tot elk van beiden als die tot elkaar; want wat verschilt het te vragen hoe men de ongelijksoortige dingen beoordeelt[127]of de tegendeelen als wit en zwart: laat als wit (A) zich verhoudt tot zwart (B) zoo C staan tot D, dus ook omgekeerd. Als dus C D bij één ding aanwezig is, zal het zich verhouden als A B, één en het zelfde, maar naar begrip niet hetzelfde en ’t andere eveneens. Dezelfde redeneering geldt als A het zoete is en B het witte.431 b 2–19. Denken en voorstelling met of zonder waarneming, met of zonder handeling. Denken van het afgetrokkene. De geest in werkzaamheid is één met zijnobjecten.De begrippen nu denkt het denkvermogen in de voorstellingen en als daarin (verkeerende) onderscheidt zich voor ’t denkvermogen het nastreefbare en vermijdbare en buiten de waarneming wanneer het in de voorstellingen verkeert, wordt het bewogen b.v. van het signaal waarnemende het vuur, erkent het door de algemeene zin de beweging ziende, dat er een vijand is. Anders berekent en overweegt het door de voorstellingen of gedachten in de ziel als ziende de toekomstige dingen tegenover de aanwezige; en wanneer het zooals dààr zegt het aangename of onaangename, zoo vermijdt het hier of streeft na en in ’t geheel bij het handelen. En ook hetgeen zonder handeling is, het ware en onware, is in ’t zelfde geslacht met het goede en kwade, maar het verschilt als volstrekt of betrekkelijk. De afgetrokkenheden denkt het zooals men het wipneuzige zou denken als wipneuzig niet gescheiden, maar als hol, zou men het als men het in werkzaamheid dacht, zonder het vleesch denken waarin de holheid is; zoo denkt het de wiskundige dingen die ongescheiden zijn als gescheiden,[128]wanneer men geene denkt. In ’t geheel is de geest in werkzaamheid de zaken. Of het mogelijk is iets gescheidens te denken zelf niet gescheiden zijnde van grootte of niet, moet later nagegaan worden.431 b 20–432 a 14. De ziel is als ’t ware de voorwerpen, waarneembaarheden en denkbaarheden als vormen; de ziel is de vorm der vormen als de hand het werktuig der werktuigen. De denkbaarheden zijn in de waarneembaarheden. Waarneming en voorstelling zijn noodzakelijk voor het begrijpen; maar voorstelling en gedachte zijn niet hetzelfde.8. Wanneer wij nu het gezegde omtrent de ziel samenvatten, zullen wij zeggen dat de ziel zoo te zeggen de dingen is; want al de dingen zijn of waarneembaarheden of denkbaarheden en de kennis is als ’t ware de kenbaarheden, de waarneming de waarneembaarheden; de nadere bepaling hiervan moet men zoeken. De kennis nu en de waarneming verdeelen zich over de dingen, die in mogelijkheid over mogelijkheden, die in werkelijkheid over werkelijkheden. Van de ziel is het waarnemingsvermogen en het kenvermogen in mogelijkheid hetzelfde, het eene het kenbare ’t ander het waarneembare. Dit moeten of de dingen zelf of de vormen zijn. Nu zijn het niet de dingen zelf, want niet de steen is in de ziel, maar de vorm; zoodat de ziel is als de hand; immers ook de hand is als het werktuig der werktuigen en de geest is de vorm der vormen en de waarneming de vorm der waarneembaarheden. 432a. Daar er geenerlei ding is buiten de waarneembare grootheden (en) gescheiden, zijn de denkbaarheden in de waarneembare[129]vormen, de als afgetrokkenheden gezegde en alles wat toestanden en bewerkingen van de waarneembaarheden zijn. En daarom is ’t onmogelijk zonder iets waar te nemen iets te leeren of te begrijpen en wanneer men bespiegelt is het noodzakelijk met voorstelling te bespiegelen; want de voorstellingen zijn als waargenomen dingen doch zonder materie. De voorstelling is iets anders dan beaming of ontkenning; want de waarheid of onwaarheid is een samenvoeging van begrippen. Maar wat zal het verschil zijn tusschen de eerste begrippen en de voorstellingen zijn? Veeleer zijn ook de andere geen voorstellingen, maar niet zonder voorstellingen.432 a 15–433 a 30. Plaatselijke beweging en zielsdeelen. Streefvermogen met gedachte of voorstelling bron van de plaatselijke beweging en in de eerste plaats het streefvermogen, dat zich richt op het als mogelijk goed zich voordoende.9. Daar de ziel der levende wezens door twee vermogens bepaald is, door het oordeelsvermogen, wat het werk is van denken en waarneming en bovendien door de plaatselijke beweging, zij over waarneming en geest dit bepaald, en moeten wij nagaan wat wel in de ziel het bewegende is, of het is een bepaald deel der ziel, gescheiden naar grootte of in begrip, of de heele ziel en zoo eenig bepaald deel, of het een bizonder deel is naast die gewoonlijk genoemd worden en die gezegd zijn of een daarvan. Wij hebben alvast de moeilijkheid hoe men van zielsdeelen moet spreken en van hoevele. Immers zij lijken in zeker opzicht onbepaald vele en[130]niet alleen die welke sommigen58onderscheiden, het redelijke, hartstochtelijke en begeerende, of zooals anderen het redelijke en onredelijke; want in vergelijking met de verschillen waardoor zij deze deelen onderscheiden, zullen andere verder uit elkaar blijken te staan dan deze, waarover hier ook gesproken is, het voedingsvermogen, dat ook de gewassen en alle dieren hebben en het waarnemingsvermogen, dat men niet licht of onredelijk of redelijk kan noemen. Verder het voorstellingsvermogen dat in ’t begrip van allen verschilt, maar waarvan het zeer moeilijk is te zeggen met welk van deze het één is of verschilt, als men gescheiden deelen van de ziel aanneemt. 432b. Bovendien het streefvermogen, dat en in begrip en in werking als van allen verschillend geldt. Dan is het ongerijmd dit uiteen te rukken; immers in het redelijke ligt de wil en in het niet-redelijke de begeerte en de hartstocht; wanneer de ziel driedeelig is, komt in elk deel het streefvermogen. Eindelijk datgene waarvan nu sprake is, wat is het dat de plaatselijke beweging aan het levende wezen geeft? Want de beweging van groei en afname, die bij allen aanwezig is, zal voortkomen uit het bij allen aanwezige voortbrengings- en voedingsvermogen; over in- en uitademing, slaap en waken moeten wij later handelen59; want ook daarbij doen zich vele vragen voor. Maar wij moeten nagaan omtrent de plaatselijke beweging, wat het is dat aan het levende wezen de beweging van het gaan geeft. Blijkbaar niet het voedingsvermogen; want deze beweging heeft steeds een doel en is vergezeld[131]van voorstelling of streven; want zonder streven of vermijden is er geen andere beweging dan door geweld. Bovendien zouden dan ook de gewassen bewegingsvermogen hebben en eenig orgaan voor deze beweging. Evenmin het waarnemingsvermogen; immers vele dieren hebben wel waarneming maar zijn rustend en onbewegelijk steeds door. Aangenomen nu dat de natuur niets doelloos maakt noch iets noodzakelijks weglaat behalve in de gebrekkigheden en onvoltooidheden; de zoodanige levende wezens nu zijn voltooid en geen gebrekkigheden, waarvoor het bewijs is dat zij teelkracht hebben en wasdom en afname; zoo zouden zij dus ook de organen voor den gang moeten hebben. Maar ook het denkvermogen en dezoogenaamdegeest is niet het bewegende; want de bespiegelende geest denkt niets betreffende handeling en zegt niets omtrent wat te vermijden of na te jagen is, terwijl de beweging altijd is van iets vermijden of najagen. Maar zelfs niet als hij iets zoodanigs beschouwt, beveelt hij tegelijk na te jagen of te vermijden b.v. dikwijls bedenkt hij iets vreeswekkends of aangenaams, zonder dat hij gelast te vreezen, maar het hart komt in beweging of, bij het aangename, eenig ander deel. 433a. Verder ook als de geest gelast en de gedachte beveelt iets te vermijden of na te jagen, wordt men (daardoor) niet bewogen maar handelt naar de begeerte, gelijk de losbandige. En in ’t algemeen zien wij, dat hij die de geneeskunde verstaat, niet geneest als zijnde iets anders beslissend bij het doen volgens de wetenschap, maar niet de wetenschap. Maar ook is het niet het streefvermogen dat die beweging beheerscht; immers de zelfbeheerschenden doen ondanks streven en[132]begeeren niet dat, waartoe zij neiging hebben, maar volgens den (redelijken) geest.Het blijkt echter dat deze twee bewegen, of streefvermogen of geest, als men de voorstelling een soort van denken noemt; want velen volgen tegen de kennis de voorstellingen en de andere dieren bezitten geen denken of overweging, maar voorstelling. Dus zijn ’t deze beiden die de plaatselijke beweging geven, geest en streefvermogen, nl. de met een doel overwegende, praktische geest; deze verschilt van de theoretische door het doel. Ook elk streefvermogen betreft een doel; immers het doel van het streven is het begin van de praktische geest en het eind daarvan is ’t begin van de handeling. Dus blijken redelijkerwijze deze twee de bewegenden, streefvermogen en praktische gedachte; want het nagestreefde beweegt en daardoor de gedachte, omdat het nagestreefde haar begin is. Ook wanneer de voorstelling beweegt, doet zij dit niet zonder streven. Dus is het één ding dat beweegt, het streefvermogen. Want indien twee, begrip en streven, bewogen, zouden zij dit uit een gemeenschappelijken vorm doen. Nu echter blijkt het begrip niet te bewegen zonder streven; want de wil is streven, en wanneer men naar de overweging bewogen wordt, wordt men ook naar den wil bewogen. Het streven beweegt tegen de overweging, want de begeerte is een zeker streven. Alle begrip nu is juist; streven en voorstelling zoowel juist als niet juist. Derhalve is het altijd het nagestreefde dat beweegt, maar dit is of het goede of wat goed lijkt, en niet al het goede maar het goede van de praktijk. Dit is wat de mogelijkheid toelaat van anderszijn.[133]433 a 31–b 30. Weerstrevingen bij streven weerspreken niet de eenheid in het streefvermogen. Verband met het lichamelijke. Rust bij de beweging. Het streefvermogen oorzaak van de plaatselijke beweging in verband met voorstelling uit gedachte of gewaarwording.433b. Het blijkt nu dat het zoodanige zielsvermogen, het zoogenaamde streven, beweegt. Die de ziel in deelen verdeelen, krijgen, wanneer ze naar de vermogens verdeelen en scheiden, vele deelen, voedingsvermogen, waarnemingsvermogen, denkvermogen, beraadslagingsen streefvermogen; want het onderscheid tusschen dezen is grooter dan tusschen de begeerte en de hartstocht60. Daar strevingen voorkomen met elkaar in strijd, en dit gebeurt wanneer de rede en de begeerten in strijd zijn en bij hen, die waarneming van tijd hebben (want de geest verzet zich wegens de toekomst, de begeerte gelast om het oogenblikkelijke61; immers het oogenblikkelijk aangename lijkt volstrekt aangenaam en volstrekt goed, doordat men de toekomst niet ziet), zoo is naar vorm het bewegende één, het streefvermogen als zoodanig en allereerst het nagestreefde (want dit beweegt zonder bewogen te worden door gedacht of voorgesteld te worden), maar naar aantal zijn de bewegenden meer. Daar er drie zijn, een het bewegende, het tweede waardoor het beweegt en verder het derde wat bewogen wordt, en het bewegende is dubbel, deels onbewogen deels bewegend en bewogen wordend; zoo is het onbewogene het goede van de praktijk, het bewegende en bewogen[134]wordende het streefvermogen (want het strevende als zoodanig wordt bewogen en het streven als werkzaamheid is een beweging) en het bewogen wordende het levende wezen, en het werktuig eindelijk waarmede het streven beweegt is lichamelijk; derhalve moet dat onderzocht worden bij de gemeenschappelijke verrichtingen van ziel en lichaam. Nu, in hoofdzaak gezegd, is het door organen bewegende daar waar begin en einde hetzelfde is, zooals het gewricht; want daar is het gebogene en het holle ’t eene einde ’t andere begin; daarom rust het eene en het andere wordt bewogen, naar begrip verschillend maar in uitgebreidheid ongescheiden; want alles wordt door stoot en trek bewogen. Daarom moet er als (’t middelpunt) in een cirkel iets rusten, en daarvan moet de beweging beginnen. In ’t geheel dus, zooals gezegd is, is het levende wezen als voorzien van streefvermogen voorzien van ’t vermogen van zelfbeweging; het bezit van streefvermogen is niet zonder voorstelling; alle voorstelling is of verstandelijk of uit de gewaarwording. Deze is ook het deel van de andere levende wezens.433 b 31–434 a 21. Streven en redeneering in wederzijdsche verhouding en weerstreving in het streven. Het bizondere, niet het algemeene, uitgangspunt van het streven.Wij moeten ook nagaan wat het bewegende is bij de onvolmaakte wezens die alleen den tastzin als gewaarwording hebben, of deze voorstelling en begeerte kunnen hebben of niet. 434a. Het blijkt dat zij voor smart en genot plaats hebben. Met deze moeten zij noodzakelijk ook begeerte hebben. Maar hoe zouden[135]zij voorstelling kunnen hebben? Of zooals zij zich onbepaald bewegen, zoo zijn er ook deze vermogens in aanwezig maar onbepaald. De op gewaarwording berustende voorstelling nu is, zooals gezegd is, ook in de andere levende wezens aanwezig, die uit de overweging voortkomt, in de met rede begaafden; want de keus tusschen twee handelingen is ten slotte het werk van redeneering en maakt een maatstaf noodzakelijk, want men zoekt het grootere. Dus kan zij uit meerdere voorstellingen er één maken. En dit is de oorzaak dat zij zonder oordeelskracht lijkt, omdat zij het oordeel uit de sluitrede niet heeft, wel omgekeerd dat haar. Daarom heeft het streven niet de oordeelskracht, soms echter overtreft het die en beweegt den wil; soms deze het streven, soms als de bal het eene streven het andere62, wanneer er losbandigheid is; van nature is altijd de hoogere heerschend en beweegt; zoodat er ten slotte drie bewegingen gelden. Het wetende wordt niet bewogen maar rust. Daar opvatting en begrip deels het algemeene deels het bizondere betreft, (de eerste nl. zegt dat de zoodanige het zoodanige moet doen, de tweede: dit nu is zoodanig en ik ben eenzoodanige), is het ten slotte deze meening die beweegt, niet de algemeene; of beiden, maar de eene meer rustende, de andere niet.434 a 22–435 b 25. Rangorde in de zielsvermogens en overeenkomstige bepaaldheid des lichaams. De tastzin als het algemeenste vereischt het samengesteld-zijn van het lichaam en zij is zelf noodzakelijk voor het bestaan, de andere zinnen voor het hoogere.[136]De voedende ziel moet noodzakelijk alles hebben wat leeft en ziel heeft63van de geboorte af en tot den ondergang; want het is noodzakelijk dat het geborene groeit en hoogtepunt en ondergang heeft en dit is onmogelijk zonder voeding; dus moet noodzakelijk de voedingskracht aanwezig zijn in alles wat groeit en afneemt. Gewaarwording is niet noodzakelijk in alle levende wezens; want alle wier lichaam enkelvoudig is, kunnen geen tastzin hebben, noch die de vormen niet kunnen opnemen zonder de materie. Maar het dier moet noodzakelijk gewaarwording hebben, indien de natuur niets doelloos maakt. Want alle natuurlijke dingen strekken tot iets of zijn bijkomstigheden van de doelbeoogende dingen. Indien dus elk lichaam dat loopen kan, als het geen gewaarwording bezat, zou omkomen en zijn voltooiing niet zou bereiken, wat het werk van de natuur is; immers hoe zal het zich voeden? 434b. De rustende immers hebben datgene waaruit zij gegroeid zijn (als voedingsbodem). Ook is het niet mogelijk dat een lichaam een ziel en oordeelende geest heeft maar geen gewaarwording bezit, wanneer het niet rustend is en iets gewordens is. Want waarom zou het die hebben? Of is ’t belang van de ziel of van ’t lichaam. In ’t gestelde geval geen van beiden; want de ziel zal toch niet kunnen denken en ’t lichaam niet meer kunnen bestaan daardoor. Dus heeft geen lichaam, dat niet rustend is, een ziel zonder gewaarwording.Verder als het lichaam gewaarwording heeft, moet het of enkelvoudig of gemengd zijn. Maar het kan niet[137]enkelvoudig zijn, want dan kan het geen tastzin hebben, die het noodzakelijk moet hebben. Dit blijkt uit het volgende. Daar immers het levende wezen een bezield lichaam is en alle lichaam tastbaar, d.i. waarneembaar voor den tastzin is, moet ook het lichaam van het levende wezen tastgevoel hebben als het in stand zal blijven. Want de andere gewaarwordingen als reuk, gezicht, gehoor gaan door middenstoffen, maar als er aanraking is zonder gewaarwording, zal het wezen niet in staat zijn het eene te vermijden het andere te nemen en in dat geval zal het zich niet kunnen handhaven. Daarom ook is de smaak als een tastgevoel, want zij betreft het voedsel en het voedsel is het tastbare lichaam. Geluid en kleur en reuk voeden niet noch veroorzaken groei of afname. Dus moet ook de smaak een tastgevoel zijn, omdat zij de gewaarwording van het tastbare en voedende is; deze nu zijn noodzakelijk voor het levende wezen en het is duidelijk dat zonder tastgevoel geen levend wezen kan zijn. De anderen zijn voor het hoogere en moeten dan ook niet voor een willekeurig soort aanwezig zijn maar voor sommigen, als voor het voortgaande; want indien dit zich zal handhaven moet het niet alleen bij aanraking maar ook op afstand gewaarworden. Dit is mogelijk, wanneer het gewaarwording heeft door de middenstof, doordat deze door het waarneembare aangedaan wordt en het levend wezen door de middenstof. Want zooals het plaatselijk bewegende tot een bepaald punt doet veranderen en het stootende iets anders doet stooten en de beweging in het midden is en het eerste stoot zonder gestooten te worden, het laatste alleen gestooten[138]wordt zonder te stooten en het midden beiden, terwijl het midden veelvoudig is, zoo is het ook met verandering, behalve dat die plaats heeft terwijl het voorwerp zijn plaats bewaart, zooals indien men (iets) in was doopt, de was zoover bewogen wordt als het indoopen gaat; een steen in ’t geheel niet, maar ’t water ver door en de lucht wordt het verst bewogen en doet aan en wordt aangedaan als hij blijft en één is. 435a. Daarom is het betreffende weerkaatsing beter (te zeggen), niet dat het gezicht uitgaande weerkaatst wordt, maar dat de lucht door den vorm en kleur aangedaan wordt tot zoover hij één is. Op het gladde is hij één; daarom beweegt weder deze het gezicht, even alsof het merk in de was doorgevoerd werd tot aan het einde.Dat het lichaam van het levende wezen niet enkelvoudig kan zijn b.v. van vuur of lucht, is duidelijk. Want zonder tastgevoel kan het geen andere gewaarwording hebben; want alle bezield lichaam bezit tastzin, zooals gezegd is. De andere elementen behalve aarde kunnen zintuigen zijn, en allen bewerken de waarneming door iets anders, de middenstoffen. De tastzin vereischt de aanraking van de dingen zelf en heeft daardoor dien naam. Evenwel ook de andere zintuigen nemen door aanraking waar, maar door iets anders heen, de tastzin blijkt alleen door zichzelf waar te nemen. Dus kan geen lichaam van het levend wezen uit dergelijke elementen zijn. Ook niet van aarde. Want de tastzin betreft alle tastbaarheden als een gemiddelde en het zintuig neemt niet alleen de verschillen van aarde op, maar ook van warm en koud en alle andere tastbaarheden. En daarom[139]nemen wij door beenderen, haren en dergelijke deelen niet waar omdat die van aarde zijn. 435b. En de planten hebben daardoor geen waarneming omdat zij van aarde zijn; maar zonder tastzin kan geen andere gewaarwording aanwezig zijn en dat zintuig is noch van aarde noch van een ander element. Het blijkt nu dat beroofd van deze waarneming alleen de levende wezens noodzakelijk moeten sterven; want het is niet mogelijk dat een niet-levend wezen deze heeft noch is het noodzakelijk dat een levend wezen een andere behalve deze heeft. En daarom vernietigen de andere waarneembaarheden door overmaat het levende wezen niet, als kleur en geluid en reuk, maar alleen de zintuigen, behalve bijkomstiglijk als b.v. met het geluid tegelijk stoot en slag komt en door gezichten en reuk andere dingen bewogen worden die door aanraking vernietigen. Ook de smaak vernietigt in zoover hij tevens als aanrakend werken kan. Maar de overmaat der tastbaarheden als warme koude en harde dingen vernietigt het levende wezen; want de overmaat van elke waarneembaarheid vernietigt het zintuig, dus ook het tastbare den tastzin en daardoor is het leven bepaald, want er is aangetoond dat zonder tastzin het levend wezen niet kan bestaan. Daarom vernietigt de overmaat der tastbaarheden niet alleen het zintuig, maar ook het levende wezen, omdat het noodzakelijk dezen zin alleen moet bezitten. De andere gewaarwordingen heeft het levend wezen, zooals gezegd is, niet om het bestaan maar om het hoogere, als gezicht omdat het in lucht en water, of in ’t algemeen in het doorschijnende is en moet zien, smaak om het[140]aangename en onaangename in het voedsel waar te nemen en te begeeren en aangedaan te worden, gehoor om een mededeeling te ontvangen, de tong om aan een ander een mededeeling te doen64.EINDE.
430 a 26–b 30. Bij denken van het ongedeelde geen waarheid of onwaarheid; dat komt eerst in de verbinding; het verbindende is de geest. Denken van het ongedeelde naar aantal of naar de soort. Denken van het negatieve en de tegenstelling en van wat geen tegenstelling heeft. Oordeel is waar of onwaar, begrip van het wezen steeds waar, als het zien van het eigenlijk zichtbare.[124]
6. Het begrip nu der ongedeeldheden betreft die dingen, waaromtrent geen onwaarheid is. Die, waarin van waarheid en onwaarheid sprake is, zijn dan een verbinding van begrippen als een éénheid vormende, zooals Empedokles zeide: „gelijk van velen hoofden zonder hals ontsproten” die dan door de liefde verbonden werden, zoo worden ook deze gescheiden zijnde verbonden, zooals het onderling onmeetbaar zijn en de diagonaal; wanneer er sprake is van in ’t verleden of in de toekomst, denkt men er den tijd bij en stelt dien samen. 430b. Want de onwaarheid ligt altijd in de verbinding; immers noemt men het witte niet wit, dan heeft men het niet witte verbonden. Men kan ook alles scheiding noemen. Maar zeker is niet alleen ’t ware of onware dat Kleon wit is, maar ook dat hij wit was of zijn zal. Dat wat de eenheid bewerkt is bij alles de geest. Aangezien het ondeelbare tweevoudiglijk geldt, of naar mogelijkheid of in werkzaamheid, belet niets te denken het ondeelbare, wanneer men denkt de lengte (die is nl. ondeelbaar in werkzaamheid) ook in ondeelbaren tijd: want de tijd is deelbaar en ondeelbaar overeenkomstig de lengte. Nu kan men niet zeggen wat men in elk van beide helften denkt; want die bestaan slechts, als de verdeeling niet geschiedt, in mogelijkheid. Denkt men elk van beide helften afzonderlijk, dan verdeelt men ook tegelijk de tijd en dan denkt men (lengte) als lengten. Denkt men (lengte) als uit beide (helften) dan denkt men ook in den tijd voor beiden. Wat niet als grootte maar soortelijk ondeelbaar is, denkt men in ondeelbare tijd en met ’t ondeelbare van de ziel; maar bijkomstiglijk en niet zooals die vorigen, zijn deelbaar waarmee men denkt en de[125]tijd waarin men denkt; want ook in dezen is iets ondeelbaars, maar misschien niet gescheiden, (’t zelfde) dat de tijd en de lengte één maakt. En dat is evenzoo in alle uitgebreidheid van tijd en lengte. Het punt en alle verdeeling en wat zoo ondeelbaar is, wordt verduidelijkt als de ontkenning. En de redeneering is gelijk voor de andere dingen b.v. hoe men het booze of het zwarte kent; nl. men kent het zoo te zeggen door het tegengestelde. Het kennende moet in mogelijkheid zijn en eenheid hebben. Als eenige der oorzaken geen tegendeel heeft, kent zij zichzelf en is in werkzaamheid en gescheiden. Het oordeel spreekt iets uit van iets, zooals de bevestiging en is altijd waar of onwaar; het begrip niet altijd, maar het begrip van het ding naar zijn wezen is waar en niet eenige bepaling omtrent iets; maar zooals het zien van het eigenlijke waar is, maar niet altijd waar of het witte een mensch is of niet, zoo verhouden zich de onstoffelijkheden.
431 a 1–431 b 1. Het door het waarneembare in werkzaamheid gebrachte waarnemingsvermogen, leidt tot streven en vermijden; voor het denkvermogen zijn de voorstellingen als waarneembaarheden. Er is een centraliteit van waarneming. Die oordeelt ook over ongelijksoortige eigenschappen in éénen.
431a. De kennis in werkzaamheid is hetzelfde als de zaak. Die in mogelijkheid is naar tijd eerder in den eenen maar in ’t geheel ook niet in tijd; want alles wat wordt komt voort uit wat in werkelijkheid is. Het blijkt dat het waarneembare het waarnemingsvermogen uit mogelijkheid[126]tot werkzaamheid brengt, want het lijdt of verandert niet. Daarom is dit een ander soort van beweging; immers de beweging was de werkzaamheid van het onvoltooide, maar de volstrekte werkzaamheid, die van het voltooide, is een andere. Het waarnemen nu komt overeen met het zeggen en denken alleen; wanneer men het aangename of onaangename (waarneemt), overeenkomstig met beaming of ontkenning, streeft men na of vermijdt; en genot en smart gevoelen is werkzaam zijn met het waarnemend gemiddelde ten opzichte van het goede of het kwade als zoodanig. En het vermijden en de nastreving zijn in werkzaamheid hetzelfde en het streefvermogen en ’t vermijdingsvermogen zijn niet verschillend noch onderling noch van het waarnemingsvermogen, maar het begrip verschilt. Voor de denkende ziel zijn de voorstellingen als waarnemingen; wanneer zij bij goed of kwaad beaamt of ontkent, vermijdt zij of streeft zij na. Daarom denkt de ziel nooit zonder voorstelling. En zooals de lucht de pupil op bepaalde wijze aandoet en deze iets anders en het gehoor evenzoo, en het laatste één is en één gemiddelde, maar het begrip daarvan veelvoudig57… Waarmee men beoordeelt het verschil van zoet en warm, is ook vroeger gezegd, en ’t kan ook zóó gezegd worden. Het is nl. een eenheid, zooals ook de grens.En deze, één zijnde als door verhouding en naar aantal, verhouden zich tot elk van beiden als die tot elkaar; want wat verschilt het te vragen hoe men de ongelijksoortige dingen beoordeelt[127]of de tegendeelen als wit en zwart: laat als wit (A) zich verhoudt tot zwart (B) zoo C staan tot D, dus ook omgekeerd. Als dus C D bij één ding aanwezig is, zal het zich verhouden als A B, één en het zelfde, maar naar begrip niet hetzelfde en ’t andere eveneens. Dezelfde redeneering geldt als A het zoete is en B het witte.
431 b 2–19. Denken en voorstelling met of zonder waarneming, met of zonder handeling. Denken van het afgetrokkene. De geest in werkzaamheid is één met zijnobjecten.
De begrippen nu denkt het denkvermogen in de voorstellingen en als daarin (verkeerende) onderscheidt zich voor ’t denkvermogen het nastreefbare en vermijdbare en buiten de waarneming wanneer het in de voorstellingen verkeert, wordt het bewogen b.v. van het signaal waarnemende het vuur, erkent het door de algemeene zin de beweging ziende, dat er een vijand is. Anders berekent en overweegt het door de voorstellingen of gedachten in de ziel als ziende de toekomstige dingen tegenover de aanwezige; en wanneer het zooals dààr zegt het aangename of onaangename, zoo vermijdt het hier of streeft na en in ’t geheel bij het handelen. En ook hetgeen zonder handeling is, het ware en onware, is in ’t zelfde geslacht met het goede en kwade, maar het verschilt als volstrekt of betrekkelijk. De afgetrokkenheden denkt het zooals men het wipneuzige zou denken als wipneuzig niet gescheiden, maar als hol, zou men het als men het in werkzaamheid dacht, zonder het vleesch denken waarin de holheid is; zoo denkt het de wiskundige dingen die ongescheiden zijn als gescheiden,[128]wanneer men geene denkt. In ’t geheel is de geest in werkzaamheid de zaken. Of het mogelijk is iets gescheidens te denken zelf niet gescheiden zijnde van grootte of niet, moet later nagegaan worden.
431 b 20–432 a 14. De ziel is als ’t ware de voorwerpen, waarneembaarheden en denkbaarheden als vormen; de ziel is de vorm der vormen als de hand het werktuig der werktuigen. De denkbaarheden zijn in de waarneembaarheden. Waarneming en voorstelling zijn noodzakelijk voor het begrijpen; maar voorstelling en gedachte zijn niet hetzelfde.
8. Wanneer wij nu het gezegde omtrent de ziel samenvatten, zullen wij zeggen dat de ziel zoo te zeggen de dingen is; want al de dingen zijn of waarneembaarheden of denkbaarheden en de kennis is als ’t ware de kenbaarheden, de waarneming de waarneembaarheden; de nadere bepaling hiervan moet men zoeken. De kennis nu en de waarneming verdeelen zich over de dingen, die in mogelijkheid over mogelijkheden, die in werkelijkheid over werkelijkheden. Van de ziel is het waarnemingsvermogen en het kenvermogen in mogelijkheid hetzelfde, het eene het kenbare ’t ander het waarneembare. Dit moeten of de dingen zelf of de vormen zijn. Nu zijn het niet de dingen zelf, want niet de steen is in de ziel, maar de vorm; zoodat de ziel is als de hand; immers ook de hand is als het werktuig der werktuigen en de geest is de vorm der vormen en de waarneming de vorm der waarneembaarheden. 432a. Daar er geenerlei ding is buiten de waarneembare grootheden (en) gescheiden, zijn de denkbaarheden in de waarneembare[129]vormen, de als afgetrokkenheden gezegde en alles wat toestanden en bewerkingen van de waarneembaarheden zijn. En daarom is ’t onmogelijk zonder iets waar te nemen iets te leeren of te begrijpen en wanneer men bespiegelt is het noodzakelijk met voorstelling te bespiegelen; want de voorstellingen zijn als waargenomen dingen doch zonder materie. De voorstelling is iets anders dan beaming of ontkenning; want de waarheid of onwaarheid is een samenvoeging van begrippen. Maar wat zal het verschil zijn tusschen de eerste begrippen en de voorstellingen zijn? Veeleer zijn ook de andere geen voorstellingen, maar niet zonder voorstellingen.
432 a 15–433 a 30. Plaatselijke beweging en zielsdeelen. Streefvermogen met gedachte of voorstelling bron van de plaatselijke beweging en in de eerste plaats het streefvermogen, dat zich richt op het als mogelijk goed zich voordoende.
9. Daar de ziel der levende wezens door twee vermogens bepaald is, door het oordeelsvermogen, wat het werk is van denken en waarneming en bovendien door de plaatselijke beweging, zij over waarneming en geest dit bepaald, en moeten wij nagaan wat wel in de ziel het bewegende is, of het is een bepaald deel der ziel, gescheiden naar grootte of in begrip, of de heele ziel en zoo eenig bepaald deel, of het een bizonder deel is naast die gewoonlijk genoemd worden en die gezegd zijn of een daarvan. Wij hebben alvast de moeilijkheid hoe men van zielsdeelen moet spreken en van hoevele. Immers zij lijken in zeker opzicht onbepaald vele en[130]niet alleen die welke sommigen58onderscheiden, het redelijke, hartstochtelijke en begeerende, of zooals anderen het redelijke en onredelijke; want in vergelijking met de verschillen waardoor zij deze deelen onderscheiden, zullen andere verder uit elkaar blijken te staan dan deze, waarover hier ook gesproken is, het voedingsvermogen, dat ook de gewassen en alle dieren hebben en het waarnemingsvermogen, dat men niet licht of onredelijk of redelijk kan noemen. Verder het voorstellingsvermogen dat in ’t begrip van allen verschilt, maar waarvan het zeer moeilijk is te zeggen met welk van deze het één is of verschilt, als men gescheiden deelen van de ziel aanneemt. 432b. Bovendien het streefvermogen, dat en in begrip en in werking als van allen verschillend geldt. Dan is het ongerijmd dit uiteen te rukken; immers in het redelijke ligt de wil en in het niet-redelijke de begeerte en de hartstocht; wanneer de ziel driedeelig is, komt in elk deel het streefvermogen. Eindelijk datgene waarvan nu sprake is, wat is het dat de plaatselijke beweging aan het levende wezen geeft? Want de beweging van groei en afname, die bij allen aanwezig is, zal voortkomen uit het bij allen aanwezige voortbrengings- en voedingsvermogen; over in- en uitademing, slaap en waken moeten wij later handelen59; want ook daarbij doen zich vele vragen voor. Maar wij moeten nagaan omtrent de plaatselijke beweging, wat het is dat aan het levende wezen de beweging van het gaan geeft. Blijkbaar niet het voedingsvermogen; want deze beweging heeft steeds een doel en is vergezeld[131]van voorstelling of streven; want zonder streven of vermijden is er geen andere beweging dan door geweld. Bovendien zouden dan ook de gewassen bewegingsvermogen hebben en eenig orgaan voor deze beweging. Evenmin het waarnemingsvermogen; immers vele dieren hebben wel waarneming maar zijn rustend en onbewegelijk steeds door. Aangenomen nu dat de natuur niets doelloos maakt noch iets noodzakelijks weglaat behalve in de gebrekkigheden en onvoltooidheden; de zoodanige levende wezens nu zijn voltooid en geen gebrekkigheden, waarvoor het bewijs is dat zij teelkracht hebben en wasdom en afname; zoo zouden zij dus ook de organen voor den gang moeten hebben. Maar ook het denkvermogen en dezoogenaamdegeest is niet het bewegende; want de bespiegelende geest denkt niets betreffende handeling en zegt niets omtrent wat te vermijden of na te jagen is, terwijl de beweging altijd is van iets vermijden of najagen. Maar zelfs niet als hij iets zoodanigs beschouwt, beveelt hij tegelijk na te jagen of te vermijden b.v. dikwijls bedenkt hij iets vreeswekkends of aangenaams, zonder dat hij gelast te vreezen, maar het hart komt in beweging of, bij het aangename, eenig ander deel. 433a. Verder ook als de geest gelast en de gedachte beveelt iets te vermijden of na te jagen, wordt men (daardoor) niet bewogen maar handelt naar de begeerte, gelijk de losbandige. En in ’t algemeen zien wij, dat hij die de geneeskunde verstaat, niet geneest als zijnde iets anders beslissend bij het doen volgens de wetenschap, maar niet de wetenschap. Maar ook is het niet het streefvermogen dat die beweging beheerscht; immers de zelfbeheerschenden doen ondanks streven en[132]begeeren niet dat, waartoe zij neiging hebben, maar volgens den (redelijken) geest.
Het blijkt echter dat deze twee bewegen, of streefvermogen of geest, als men de voorstelling een soort van denken noemt; want velen volgen tegen de kennis de voorstellingen en de andere dieren bezitten geen denken of overweging, maar voorstelling. Dus zijn ’t deze beiden die de plaatselijke beweging geven, geest en streefvermogen, nl. de met een doel overwegende, praktische geest; deze verschilt van de theoretische door het doel. Ook elk streefvermogen betreft een doel; immers het doel van het streven is het begin van de praktische geest en het eind daarvan is ’t begin van de handeling. Dus blijken redelijkerwijze deze twee de bewegenden, streefvermogen en praktische gedachte; want het nagestreefde beweegt en daardoor de gedachte, omdat het nagestreefde haar begin is. Ook wanneer de voorstelling beweegt, doet zij dit niet zonder streven. Dus is het één ding dat beweegt, het streefvermogen. Want indien twee, begrip en streven, bewogen, zouden zij dit uit een gemeenschappelijken vorm doen. Nu echter blijkt het begrip niet te bewegen zonder streven; want de wil is streven, en wanneer men naar de overweging bewogen wordt, wordt men ook naar den wil bewogen. Het streven beweegt tegen de overweging, want de begeerte is een zeker streven. Alle begrip nu is juist; streven en voorstelling zoowel juist als niet juist. Derhalve is het altijd het nagestreefde dat beweegt, maar dit is of het goede of wat goed lijkt, en niet al het goede maar het goede van de praktijk. Dit is wat de mogelijkheid toelaat van anderszijn.[133]
433 a 31–b 30. Weerstrevingen bij streven weerspreken niet de eenheid in het streefvermogen. Verband met het lichamelijke. Rust bij de beweging. Het streefvermogen oorzaak van de plaatselijke beweging in verband met voorstelling uit gedachte of gewaarwording.
433b. Het blijkt nu dat het zoodanige zielsvermogen, het zoogenaamde streven, beweegt. Die de ziel in deelen verdeelen, krijgen, wanneer ze naar de vermogens verdeelen en scheiden, vele deelen, voedingsvermogen, waarnemingsvermogen, denkvermogen, beraadslagingsen streefvermogen; want het onderscheid tusschen dezen is grooter dan tusschen de begeerte en de hartstocht60. Daar strevingen voorkomen met elkaar in strijd, en dit gebeurt wanneer de rede en de begeerten in strijd zijn en bij hen, die waarneming van tijd hebben (want de geest verzet zich wegens de toekomst, de begeerte gelast om het oogenblikkelijke61; immers het oogenblikkelijk aangename lijkt volstrekt aangenaam en volstrekt goed, doordat men de toekomst niet ziet), zoo is naar vorm het bewegende één, het streefvermogen als zoodanig en allereerst het nagestreefde (want dit beweegt zonder bewogen te worden door gedacht of voorgesteld te worden), maar naar aantal zijn de bewegenden meer. Daar er drie zijn, een het bewegende, het tweede waardoor het beweegt en verder het derde wat bewogen wordt, en het bewegende is dubbel, deels onbewogen deels bewegend en bewogen wordend; zoo is het onbewogene het goede van de praktijk, het bewegende en bewogen[134]wordende het streefvermogen (want het strevende als zoodanig wordt bewogen en het streven als werkzaamheid is een beweging) en het bewogen wordende het levende wezen, en het werktuig eindelijk waarmede het streven beweegt is lichamelijk; derhalve moet dat onderzocht worden bij de gemeenschappelijke verrichtingen van ziel en lichaam. Nu, in hoofdzaak gezegd, is het door organen bewegende daar waar begin en einde hetzelfde is, zooals het gewricht; want daar is het gebogene en het holle ’t eene einde ’t andere begin; daarom rust het eene en het andere wordt bewogen, naar begrip verschillend maar in uitgebreidheid ongescheiden; want alles wordt door stoot en trek bewogen. Daarom moet er als (’t middelpunt) in een cirkel iets rusten, en daarvan moet de beweging beginnen. In ’t geheel dus, zooals gezegd is, is het levende wezen als voorzien van streefvermogen voorzien van ’t vermogen van zelfbeweging; het bezit van streefvermogen is niet zonder voorstelling; alle voorstelling is of verstandelijk of uit de gewaarwording. Deze is ook het deel van de andere levende wezens.
433 b 31–434 a 21. Streven en redeneering in wederzijdsche verhouding en weerstreving in het streven. Het bizondere, niet het algemeene, uitgangspunt van het streven.
Wij moeten ook nagaan wat het bewegende is bij de onvolmaakte wezens die alleen den tastzin als gewaarwording hebben, of deze voorstelling en begeerte kunnen hebben of niet. 434a. Het blijkt dat zij voor smart en genot plaats hebben. Met deze moeten zij noodzakelijk ook begeerte hebben. Maar hoe zouden[135]zij voorstelling kunnen hebben? Of zooals zij zich onbepaald bewegen, zoo zijn er ook deze vermogens in aanwezig maar onbepaald. De op gewaarwording berustende voorstelling nu is, zooals gezegd is, ook in de andere levende wezens aanwezig, die uit de overweging voortkomt, in de met rede begaafden; want de keus tusschen twee handelingen is ten slotte het werk van redeneering en maakt een maatstaf noodzakelijk, want men zoekt het grootere. Dus kan zij uit meerdere voorstellingen er één maken. En dit is de oorzaak dat zij zonder oordeelskracht lijkt, omdat zij het oordeel uit de sluitrede niet heeft, wel omgekeerd dat haar. Daarom heeft het streven niet de oordeelskracht, soms echter overtreft het die en beweegt den wil; soms deze het streven, soms als de bal het eene streven het andere62, wanneer er losbandigheid is; van nature is altijd de hoogere heerschend en beweegt; zoodat er ten slotte drie bewegingen gelden. Het wetende wordt niet bewogen maar rust. Daar opvatting en begrip deels het algemeene deels het bizondere betreft, (de eerste nl. zegt dat de zoodanige het zoodanige moet doen, de tweede: dit nu is zoodanig en ik ben eenzoodanige), is het ten slotte deze meening die beweegt, niet de algemeene; of beiden, maar de eene meer rustende, de andere niet.
434 a 22–435 b 25. Rangorde in de zielsvermogens en overeenkomstige bepaaldheid des lichaams. De tastzin als het algemeenste vereischt het samengesteld-zijn van het lichaam en zij is zelf noodzakelijk voor het bestaan, de andere zinnen voor het hoogere.[136]
De voedende ziel moet noodzakelijk alles hebben wat leeft en ziel heeft63van de geboorte af en tot den ondergang; want het is noodzakelijk dat het geborene groeit en hoogtepunt en ondergang heeft en dit is onmogelijk zonder voeding; dus moet noodzakelijk de voedingskracht aanwezig zijn in alles wat groeit en afneemt. Gewaarwording is niet noodzakelijk in alle levende wezens; want alle wier lichaam enkelvoudig is, kunnen geen tastzin hebben, noch die de vormen niet kunnen opnemen zonder de materie. Maar het dier moet noodzakelijk gewaarwording hebben, indien de natuur niets doelloos maakt. Want alle natuurlijke dingen strekken tot iets of zijn bijkomstigheden van de doelbeoogende dingen. Indien dus elk lichaam dat loopen kan, als het geen gewaarwording bezat, zou omkomen en zijn voltooiing niet zou bereiken, wat het werk van de natuur is; immers hoe zal het zich voeden? 434b. De rustende immers hebben datgene waaruit zij gegroeid zijn (als voedingsbodem). Ook is het niet mogelijk dat een lichaam een ziel en oordeelende geest heeft maar geen gewaarwording bezit, wanneer het niet rustend is en iets gewordens is. Want waarom zou het die hebben? Of is ’t belang van de ziel of van ’t lichaam. In ’t gestelde geval geen van beiden; want de ziel zal toch niet kunnen denken en ’t lichaam niet meer kunnen bestaan daardoor. Dus heeft geen lichaam, dat niet rustend is, een ziel zonder gewaarwording.
Verder als het lichaam gewaarwording heeft, moet het of enkelvoudig of gemengd zijn. Maar het kan niet[137]enkelvoudig zijn, want dan kan het geen tastzin hebben, die het noodzakelijk moet hebben. Dit blijkt uit het volgende. Daar immers het levende wezen een bezield lichaam is en alle lichaam tastbaar, d.i. waarneembaar voor den tastzin is, moet ook het lichaam van het levende wezen tastgevoel hebben als het in stand zal blijven. Want de andere gewaarwordingen als reuk, gezicht, gehoor gaan door middenstoffen, maar als er aanraking is zonder gewaarwording, zal het wezen niet in staat zijn het eene te vermijden het andere te nemen en in dat geval zal het zich niet kunnen handhaven. Daarom ook is de smaak als een tastgevoel, want zij betreft het voedsel en het voedsel is het tastbare lichaam. Geluid en kleur en reuk voeden niet noch veroorzaken groei of afname. Dus moet ook de smaak een tastgevoel zijn, omdat zij de gewaarwording van het tastbare en voedende is; deze nu zijn noodzakelijk voor het levende wezen en het is duidelijk dat zonder tastgevoel geen levend wezen kan zijn. De anderen zijn voor het hoogere en moeten dan ook niet voor een willekeurig soort aanwezig zijn maar voor sommigen, als voor het voortgaande; want indien dit zich zal handhaven moet het niet alleen bij aanraking maar ook op afstand gewaarworden. Dit is mogelijk, wanneer het gewaarwording heeft door de middenstof, doordat deze door het waarneembare aangedaan wordt en het levend wezen door de middenstof. Want zooals het plaatselijk bewegende tot een bepaald punt doet veranderen en het stootende iets anders doet stooten en de beweging in het midden is en het eerste stoot zonder gestooten te worden, het laatste alleen gestooten[138]wordt zonder te stooten en het midden beiden, terwijl het midden veelvoudig is, zoo is het ook met verandering, behalve dat die plaats heeft terwijl het voorwerp zijn plaats bewaart, zooals indien men (iets) in was doopt, de was zoover bewogen wordt als het indoopen gaat; een steen in ’t geheel niet, maar ’t water ver door en de lucht wordt het verst bewogen en doet aan en wordt aangedaan als hij blijft en één is. 435a. Daarom is het betreffende weerkaatsing beter (te zeggen), niet dat het gezicht uitgaande weerkaatst wordt, maar dat de lucht door den vorm en kleur aangedaan wordt tot zoover hij één is. Op het gladde is hij één; daarom beweegt weder deze het gezicht, even alsof het merk in de was doorgevoerd werd tot aan het einde.
Dat het lichaam van het levende wezen niet enkelvoudig kan zijn b.v. van vuur of lucht, is duidelijk. Want zonder tastgevoel kan het geen andere gewaarwording hebben; want alle bezield lichaam bezit tastzin, zooals gezegd is. De andere elementen behalve aarde kunnen zintuigen zijn, en allen bewerken de waarneming door iets anders, de middenstoffen. De tastzin vereischt de aanraking van de dingen zelf en heeft daardoor dien naam. Evenwel ook de andere zintuigen nemen door aanraking waar, maar door iets anders heen, de tastzin blijkt alleen door zichzelf waar te nemen. Dus kan geen lichaam van het levend wezen uit dergelijke elementen zijn. Ook niet van aarde. Want de tastzin betreft alle tastbaarheden als een gemiddelde en het zintuig neemt niet alleen de verschillen van aarde op, maar ook van warm en koud en alle andere tastbaarheden. En daarom[139]nemen wij door beenderen, haren en dergelijke deelen niet waar omdat die van aarde zijn. 435b. En de planten hebben daardoor geen waarneming omdat zij van aarde zijn; maar zonder tastzin kan geen andere gewaarwording aanwezig zijn en dat zintuig is noch van aarde noch van een ander element. Het blijkt nu dat beroofd van deze waarneming alleen de levende wezens noodzakelijk moeten sterven; want het is niet mogelijk dat een niet-levend wezen deze heeft noch is het noodzakelijk dat een levend wezen een andere behalve deze heeft. En daarom vernietigen de andere waarneembaarheden door overmaat het levende wezen niet, als kleur en geluid en reuk, maar alleen de zintuigen, behalve bijkomstiglijk als b.v. met het geluid tegelijk stoot en slag komt en door gezichten en reuk andere dingen bewogen worden die door aanraking vernietigen. Ook de smaak vernietigt in zoover hij tevens als aanrakend werken kan. Maar de overmaat der tastbaarheden als warme koude en harde dingen vernietigt het levende wezen; want de overmaat van elke waarneembaarheid vernietigt het zintuig, dus ook het tastbare den tastzin en daardoor is het leven bepaald, want er is aangetoond dat zonder tastzin het levend wezen niet kan bestaan. Daarom vernietigt de overmaat der tastbaarheden niet alleen het zintuig, maar ook het levende wezen, omdat het noodzakelijk dezen zin alleen moet bezitten. De andere gewaarwordingen heeft het levend wezen, zooals gezegd is, niet om het bestaan maar om het hoogere, als gezicht omdat het in lucht en water, of in ’t algemeen in het doorschijnende is en moet zien, smaak om het[140]aangename en onaangename in het voedsel waar te nemen en te begeeren en aangedaan te worden, gehoor om een mededeeling te ontvangen, de tong om aan een ander een mededeeling te doen64.
EINDE.