DE NOOD-EXPOSITIE.Omdat ’k, door de algemeenemalaise, toch niets te doen had, belde ’k bij m’n vriend Jos aan.Dat is m’n noodlot. Ieder heeft zoo z’n buitenissigheidjes, z’n zwak, z’n zonde. De een houdt er ’n villa op na, waar-ie nooit komt, ’n ander ’n «stoom»-fiets, waar-ie niet op terecht kan, ’n derde ’n meisje, dat-ie niet meer bezoekt.Ikheb m’n vriend Jos. Ofschoon ’k weet, dat-ie me nooit anders dan onaangenaamheid bezorgt en ’t me altijd, hoe ’t ook draait, geld kost, kan ’k toch de verleiding niet weerstaan,’m nu en dan weer eens te bezoeken. M’n heiligste voornemens zelfs zijn daar niet tegen bestand. ’t Is de drang naar zelfvernietiging, welke in elk mensch schuilt. ’k Vecht er maar niet langer tegen.’k Belde dus aan bij m’n vriend Jos. Er werd niet opengedaan. Dit wist ’k van te voren. Bij Jos wordtnooitopengedaan. Dat is systeem. ’t Leven leidt soms tot wrange consequenties.’k Deed ’n stap naar achter, door de ramen van z’n benedenhuis te turen. Die zijn ondoordringbaar, wijl bijkans tot ’t plafond dicht-begordijnd. «Dat is ’t eenige, waarom je blij moet zijn, als je schilder bent» had Jos me wel eens gezegd. «Ze kunnen tenminste niet zien, of je thuis bent!»’k Stond besluiteloos. Alle geheimeteekens hadden indertijd op den duur gefaald. Zelfs ’t driemaal zacht tikken, gevolgd door ’n luide kuch, was door schuldeischers afgekeken en had Jos in de grootste moeilijkheid gebracht. En ’t werd lastig, telkens weer ’n nieuwe krijgslist te bedenken.Daar schoot me ’n ouwe truc te binnen. ’k Belde nog eens, deed dan m’n kaartje glijden in de busklep—ook die «doorkijk» was hermetisch gesloten: er flapperde ’n gordijntje achter, naar ’t heette voor den tocht—en kuierde langzaam op. Als Jos er nu maar op inging! Want ook met kaartjes was al gefraudeerd, zoodat Jos niets of niemand meer vertrouwde. Doch hoe zou een van z’n schuldeischers nu aan mijn visite-kaartje komen?’k Keerde op m’n schreden terug.Gelukkig, ’t had geholpen! Jos’ deur kierde en, toen ’k er weer voor stond, werd ’k ijlings naar binnen getrokken door ’n energiek rukkenden, manchetloozen arm. ’k Raakte bijna van den voet. Met ’n bons sloeg de deur achter me dicht. ’k Was in de vesting!Jos keek me verwilderd aan. «Goddank, dat je d’r bent!» fluisterde-ie me toe met ’n voor hem ongekende hartelijkheid. «We snakken naar afleiding. ’k Word gek van de eenzaamheid. We zitten hier als op ’n fort. ’t Is verschrikkelijk!»’k Drukte ’m de hand, begrèèp ’m. «Ja» zei ’k, «’k had al eerder plan gehad. Maar omstandigheden, hè? Vrouw en kinderen wel?»Weer zag Jos me verbijsterd aan, alsof ’n langbegeerde prooi eindelijk inz’n macht was geraakt. «Hm» mompelde-ie dan, «vrouw en kin.... Laten we liever over wat prèttigs praten. Maar.... kom binnen.»’k Trad in z’n voorkamer, waar ’t er zeer «gemobiliseerd» uitzag. En aan ’t hand-dikke stof op lamp, schoorsteen en de weinige stoelen, bemerkte ’k dadelijk, dat er van ’n dagmeisje sinds weken geen sprake meer was.Rondziend, ontwaarde ’k op de sofa bij ’t raam ’n beweeglijk pakket, dat zuchten in mijn richting afzond. Dat kon niet anders dan Co zijn, begreep ’k. En m’n hand weer uitstekend, zei ’k op goed geluk: «Dag, Co.»’t Pakket, in ’n eens zalm-kleurigen lap gewikkeld, welke desnóóds voor peignoir kon doorgaan, richtte zich half op van de krakende sofa. Tweedoffe oogen bestaarden me, vijf slappe vingers raakten me even aan. Daarop zonk alles weer ineen, tot niet. Onwillekeurig dacht ’k aan ’t beeld van de kaars, welke nog eenmaal flappert, vóór ze........ Ach!«Wat scheelt er aan?» vroeg ’k, niet gerust. «Wat heb je?»Er kwam geen antwoord. Slechts ’n verwijderd gekreun, dat ook ’n gesmoord snorken kon zijn, drong tot me door.’k Herhaalde m’n vraag. Toen, na nog ’n pauze, welke ’n eeuwigheid scheen, verzuchtte, wat daar nog leefde op de rheumatische sofa,molto ritardando:«Ik...... sl...... aap.»Verlucht richtte ’k me weer op. Er was dus nog geen gevaar!«Ja,» venijnde Jos, langs me heen slungelend, terwijl-ie z’n broek zóó hoog optrok, dat ’k niet begreep, hoe-ie nog vóórt kon. «Ze doet niet anders. Lollig voor mij! Maar je kómt er hier wel toe. Zelfs geen krant krijgen we. (Ze willen me niet meer als abonné, de geldknijpers!) ’k Weet nauwlijks, of d’r nog oorlog is! Nona! ’t Eenige, wat er voor ons op zit!»Hier loosde Jos ’n geeuw, welke als ’n gat in de ruimte sloeg. Ook ik sperde m’n mond, van den weeromstuit. En ’t werd hoogst hoorbaar, hoe Co, zooal niet de ééuwige, dan toch ’n zeer langdurige rust was ingegaan. Gezellige boel!«Maar hoe leven jullie hier dan?» belangstelde ’k nog, beleefdheidshalve.«We leven heelemààl niet» knarsteJos, moeilijk verstaanbaar. «We zitten hier opgesloten. Gevangenen, man, gevangenen! Ze hebben de bel uit de deur getrokken. Wat de menschen toch koppig zijn, om nù nog met kwitanties te komen! Dat wordt gewoon ’n manie van ze. Maar wie er komenmoet, blijft weg: de bakker, de kruienier. Tusschen licht en donker moet ’k er als ’n misdadiger op uit, om brood, boter. En altijd zie ’k nijdige gezichten van lui, van wie ’k al jàrenlang klant ben, de ondankbaren! En deurwaarders, o, o! Maar dat zal ook niet lang meer duren. ’k Heb nog precies 12–1/2 cent. Dan gaan we maar allemaal liggen, naast Co. En ze zullen ons later vinden, ontbonden, met verstarde gelaatstrekken, ’n artistentragedie. Ha ha!»Wild stiet Jos ’n piep-geluid uit en z’n haren wàpperden.’t Koude zweet brak me uit. Had ’k maar weerniètaangebeld!In ’t atelier, achter, klonk geritsel, hardnekkig. ’k Luisterde.«Wat is dat?» vroeg ’k, nieuwsgierig.«Muizen!» fluisterde Jos met ’n stem, die al zwakker en zwakker werd. «Dag en nacht gaan ze te keer. Ze vinden niets meer, geen kruim. Straks beginnen ze nog aan m’n stillevens. Haha! Alsikze niet voor ben!»In Jos’ oogen flikkerde iets, dat op krankzinnigheid wees. Verteerde de innerlijke vlam ’t broze omhulsel?«Spreek toch wat harder» zei ’k. «’k Versta je haast niet. Ben je verkouwen? Je praat zoo heesch.»Jos sloeg ’n zonderlingen blik naar’t plafond. Dan blies-ie geheimzinnig in m’n oor:«De boven-buren! Ssst! Als d’r gebeld wordt, waarschuwendiè, dat ’k thuis ben. Ellendelingen! Omdat ’k eens ’n pakje voor ze heb aangenomen, dat we maar opgegeten hebben. Rolham, stel je voor! Wie laat zoo iets staan, in deze tijden! Die lui hebben geen hersens».Weer trok Jos verwoed z’n broek op. ’k Werd bang, dat er op die manier weinig van dat kleedingstuk zou overblijven.Opeens voelde ’k ’n schrijnende pijn in ’t meest rechtsche mijner beenen. ’k Keek omlaag. Er stak ’n pijl in m’n broekspijp.«Au!» deinsde ’k onwillekeurig terug. Onder tafel zat Joop, de «aardige»oudste van de twee kleine Henkeman’s, met opnieuw geladen boog. Schielijk week ’k nog op zij. En ’n tweede pijl vloog geruchtig tusschen m’n beenen door.«Ze zijn niet vergiftig» lachte Jos satanisch. Hij scheen er bepaald plezier in te hebben, dat z’n jongen me vrees aanjoeg. ’t Scheelde weinig, of hij hitste ’m aan met ’n: «Pak ze! Ks, Ks!»Nu ’k z’n schuilplaats echter ontdekt had, was de aardigheid voor Jopie er af. Hij kroop onder de tafel vandaan en vermaakte zich ’t verdere van de visite met voortdurend om me heen te draaien en me daarbij aan te gapen, of ’k ’n soort Boschjesman was. ’t Was dan ook waar: de jongen was menschen ontwend.’k Wou gaan zitten. «Pas op!» waarschuwdeJos met ’n gebaar, dat ’n trein tot stilstand zou hebben gebracht. «Die stoel niet! Dàar! Dàt is de goeie».IJlings richtte ’k me weer op. In den huize Henkeman ontsnapte je elk oogenblik aan gevaren.’k Zette me nu, volgens aanwijzing, dicht bij de schuifdeur, waardoor je in ’t atelier kwam. ’k Keek er meteen binnen.Daar hingen, stonden, lagen de mij welbekende studies, stillevens, krabbels, wonderlijke mensch-, ver- en andere gezichten. D’r kwam maar geen schot in den voorraad.«Je moest eens iets actueels maken,» raadde ’k met de beste bedoeling. «Dat is ’t eenige, wat op ’t oogenblik pakt.»Jos stoof op me af. ’k Dacht, dat ’k alweer op ’n verkeerden stoel zat!«Schei uit!» raasde-ie, in spijt vande buren boven. «’t Heeft me al dol gemaakt. Iets actueels! ’k Heb ’n pracht-ding geteekend. Niet waar, Co? O, ze slaapt. Làat ’r. —’n Pracht-ding! De kanonnen reden door de lucht. Wat? Nee, ze renden, rolden, donderden. ’t Was verschrikkelijk. Je hield je hart vast. Elk oogenblik dacht je: ze komen naar beneden. Kan ’t spannender? Laat één me dat maar nadoen! En Co lag tegen ’n heuvel, handen voor ’t gezicht, als schreiende vredes-maagd. Ze heeft me nog nooit zoo ontroerd. ’k Wist niet, dat m’n eigen vrouw zoo’n pracht-maagd was! En gewonden en vluchtelingen, voor alles had ’k gezorgd. ’k Ga er mee naar den Nieuwen Kunsthandel. ’k Denk: dàt neemt-ie zeker. Wat zegt de vent? «Neem weg dat ding! U ruïneert m’n zaak. U jaagtde menschen m’n winkel uit. Ze willen geen narigheid. Die lezen ze in de kranten al genoeg.» En ik met m’n kanonnen weer naar huis. ’k Verzeker je, dat ze me zwaar wogen.»Jos streek z’n haren uit z’n voorhoofd, wat ’n heel werk was. Dan stak-ie z’n handen weer zoo diep in z’n broekzakken, dat ’k niet begreep, hoe-ie ze ooit weer terugvond en stapte als ’n opgejaagde kievit z’n atelier door. Werkelijk, de kerel behield toch altijd iets geniaals.’k Volgde ’m, òòk om ’n oogenblik van Jopie bevrijd te zijn. De jongen maakte me bepaald verlegen.«Waar zijn ze?» informeerde ’k, rondziend.«Wie?» vroeg Jos, met z’n blik minstens bij ’n vergruizelde ster.«Wel, de kanonnen!»«O, die! Kapot. Verscheurd. Jammer genoeg. Maar ’k was ook zóó nijdig. En dan, ’t maakte me beroerd, Co altijd vlak onder dat oorlogstuig te zien. Of je wou of niet, je kreeg ’n gevoel: straks gebeurt er wat! Dat houdt geen mensch uit.—Maar, ’k zal je verder vertellen. De menschen willen geen akeligheid, denk ik? Goed, dan maar wat lolligs. En ’k heb me daar ’n karikatuur op den oorlog geleverd.... ik ben d’r zelf drie dagen ziek van geweest; van ’t lachen! Om bij dood te gaan! Soldaten met ’n kiespijn-doek achter ’n boterton, de vluchtende vijand op steigerende ezels, ’n generaal onder ’n paraplu; enfin, je kan ’t je voorstellen. Ik er mee naar ’n zekeren—hoe heette-ie ook weer?....o ja, van Haersten tot Vleujen. Die was me nog wel aanbevolen als ’n eerste collectionneur! Tot Vleujen ontvangt me aan ’n stevige kip met compote en meer van die sausnegerij. Hij ziet m’n teekening niet, of-ie vliegt op, razend, smijt servet, mes en vork over de tafel en hij brùlt: «M’n huis uit! Schaam u, meneer, in deze benarde tijden den spot te drijven met de onnoemlijke ramp, welke Europa teistert. Foei, foei!» De man werd zoo rood, dat ’k voor ’t ergste bij ’m vreesde. «Eet smakelijk», zeg ’k en ’k laat ’m met z’n benarde tijen bij z’n lunch, die er wezen mocht, hoor! Maar je begrijpt, de liefhebberij bij mij was er af».Jos lachte bitter. «Multatuli!» dacht ’k. Daarop deed-ie me ’t ergste aan,dat-ie maar bedenken kon: hij stak z’n steenen pijpje op.’k Draaide me om, hoestte. Joop verdween naar de voorkamer.«Oorlogs-tabak!» grinnikte Jos. ’t Was ’n onbeschrijflijke lucht. Of-ie z’n pijp met ’n stukje heel oude zool had gestopt! En m’n sigaren-koker lag thuis. In zóóverre hielp z’n tactiek ’m dus niet.’k Begreep, dat ’t met Jos op z’n ergst gesteld was. Wie dàt rookte! Daar móést verandering in komen.«Hou ’n expositie van je volledige werken», verzon ik. «Tegen ’n heel lagen prijs. ’t Is toch noodtoestand».Jos schudde halsstarrig van «nee». En na ’n paar rookwolken, waartegen ik bepaald meende te moeten protesteeren, knorde-ie:«Kán niet. Heb ’t al geprobeerd».’k Keek ’m vragend aan.«Helpt toch niet», ging-ie verder. Nog wou ’k aandringen. Toen sprak-ie één vreeslijk woord, dat alles expliceerde:«Deurwaarders».Daar zàt ’k met m’n idee. Jos’ pijpje begon gootig te slobberen.«Is d’r geen mouw aan te passen?» vroeg ’k nog.«Hoè?» knerste Jos.’k Peinsde.«Als», kwam ’t er langzaam bij me uit en ’k begon waarlijk al wat aan de oorlogs-tabak te wennen, «als die schilderijen van ’n ander waren,zoogenáámd. Hm, ja. Maar dan moeten ze vóór alles hier uit huis. Zou de kunsthandel niet....»Jos deed ’n verwoeden trek, wat me haastig deed zwijgen.«De uitzuigers?» barstte-ie los en àl z’n haren trilden. «Liever snij ’k m’n vingers af».Dat wou ’k natuurlijk niet op m’n geweten hebben. Om ’m af te leiden, opperde ’k ondoordacht:«Bij ’n particulier dan.Iemandwil je toch wel helpen?!»«Wie?» vroeg Jos weer en z’n oogen boorden diep in de mijne.’k Voelde me als op ’n hellend vlak. Er groeide ’n benauwende stilte. Wat had ’k aangehaald?«Wie?» herhaalde Jos, bijna dreigend.Daar ontstond leven op de sofa. ’n Vreeslijk gekraak van ’t trotsche meubel bewees, dat de vredes-maagd ontwaakte. Of had ze heel niet geslapen? Spoedig moest ’k ’t haast wel denken, want Co, in al ’r bekoorlijkheid van schilderseega,die gewend is te poseeren, met losse haren, lossen peignoir (of wat daarvoor doorging) en zóó losse muilen, dat ze er een van verloor, stevende recht op me toe en, met ’n stem, die geen tegenspraak duldde, zei ze:«Jij natuurlijk! Onze vriend! Je hebt zoo’n mooi bovenhuis en je woont alleen. Voor ’t Steuncomité, zeggen we. Als dat niet helpt!»’k Zat geslagen. Dat er ook in die slaperige Co zoo’n listige Eva stak!Jos stiet ’n Indianengehuil uit. Hàdden z’n haren overeind gekund, ze waren omhoog gegaan als duin-helm, van vreugde. Nu wàpperde-ie er slechts mee, hartstochtelijk.«Vrouw! Co! Engel!»kreet-ie en van enthousiasme duwde-ie ’r bijna ’n oog uit. «Wat ’n begrip! Wat ’n verstand!Waar haalt ze ’t vandaan? O, vrouwen hooren in den hemel! Co, laat ’k voor je knielen».«Pas op die punaise», waarschuwde Co practisch. Dan noemde ze ’m nog «lummel», omdat-ie ’r oog zóó fel geraakt had, dat ’t bepaald begon te tranen. Een en ander weerhield ’m van verdere exaltische uitingen.Ik maakte bezwaar tegen ’t plan. Vooral dat «Steun-comité» had allerminst m’n goedkeuring. Doch Jos, door z’n atelier dravend, alsof-ie ’n jacht-akte veroverd had, sloeg al m’n bedenkingen breed-geniaal een voor een den kop in. Hij wees zelfs op ’t morééle van ’t geval. Diende in dezen moeilijken tijd ieder niet z’n eigen steuncomité te zijn? «En dan», deed-ie royaal, «ze kunnen voor mijn part 50 pCt. krijgen».«Zou 20 niet voldoende zijn?» vroeg Co, wier slaperigheid geheel geweken was.«Of 10,» krabbelde Jos terug, die zich de lapjes van vijf en twintig al bij bundeltjes ontrukt zag. «Enfin, dat regelen we allemaal wel. ’t Voornaamste is nu: aanpakken! Morgen hang ’k den boel bij je op. M’n volledige werken, haha! Als je maar plaats hebt! M’n uitbouw staat nog vol. ’t Zal ’n evenement zijn!»Zalig staarde Jos, dwars door de kast, waarin waarschijnlijk de muizen zaten, naar ’n toekomst, welkeiknog niet bespeurde. Hij zag zich al beróémd. Mocht ’k die illusie verstoren?Plots hief de jongste der Henkeman’s, die, ergens achter, ’r middagslaapje gedaan had, ’n vervaarlijk geschreeuw aan. Co, nu zonder één enkele muil,snelde(of ze ook wakker was!) naar’r kind. Opnieuw snorde ’n pijl door de lucht: Jopie, die zich weer verdekt had opgesteld, heropende de vijandelijkheden. Hoe ontsnapte ’k aan zooveel bedreiging? Daar stopte Jos ten tweede male z’n pijp. ’k Voelde dat ’k wijken moest. En onmiddellijk! Met vele zware handdrukken nam ’k afscheid, m’n hoofd slechts vervuld van één ding: de nood-expositie. ’t Deed er pìjn van.Den volgenden morgen (Jos was voor zijn doen bijzonder vroeg uit de veeren) hielden drie wagens voor m’n deur stil. Mannen van den Volksbond zeulden ’n uur lang m’n trappen op en af. Toen er volstrekt niets meer bij kon, hielden ze er eindelijk mee op. Het waren hardnekkige lieden.Jos, die met ’n stralend gezicht van m’n beste sigaren zat te rooken—hoe-ie die zoo dadelijk gevonden had?—zei gedachteloos:«Ach, betaal jij even?» en ’k voldeed de stoere werkers.«Je hebt ze toch gefooid?» vroeg-ie nog, achter ’n dichte wolk.«Ja», zei ’k kort. «’k Dacht, dat je dat wel goed vond».Jos knikte grootmoedig. Dan sprong-ie elastisch op en riep:«Komaan, laten we maar dadelijk gaan ophangen!»«Hang», meende ’k vriendelijk.Er is tot ’s avonds laat in m’n huis verwoed geklopt, geprikt, getimmerd. Jos is boven op m’n piano geklommen—z’n hakken zaten met spijkers—en heeft twee vazen gebroken en maar één aschbak. Niet één stoel, of hij heeft er op gestaan, gedanst, gezwengeld. Almijn schilderijen, behalve ’n merkwaardig stilleven, dat ’n Henkeman was, zijn afgehaald en vervangen door de volledige werken van Jos. Waar ’k ook keek, overal gaapten z’n binnen- en buitenhuizen, z’n sinaasappels met en zonder ui, z’n portret-studies, z’n mystische krabbels van Co me triomfantelijk aan. Zelfs in de gang hingen ze, boven de trap. Ze waren niet te ontloopen.«Waar laten we de meubels?» zwoegde Jos met aan elk zijner haren ’n druppel.’k Keek ’m verbijsterd aan.«Moeten die ook al weg?» vroeg ’k angstig.Hij wierp me ’n blik toe, of-ie me opeten wou. Doch voorloopig begon-ie maar weer aan m’n sigaren.«De menschen moeten toch kunnenlóópen», expliceerde-ie nog tamelijk bedaard. «’t Is hier ’n ex-po-si-tie! Die spiegel moet er ook af. Daar kan nog wat hangen».Met dien spiegel heb ’k ’m geholpen. ’k Dacht aan m’n vazen en den aschbak. Daarop hebben we ons weer tot den Volksbond gewend en de drie zelfde stoere werkers hebben andermaal met zwaar bemodderde schoenen ’n vol uur door m’n huis gezworven, tot ze alles, wat hinderde, op den zolder, de bovengang en in m’n slaapkamer hadden geplaatst. Hoe ’k ’s nacht in m’n bed moest komen, begreep ’k niet. Doch ’t leven hééft nu eenmaal moeilijkheden.«’t Begint er al aardig uit te zien», wreef Jos vergenoegd z’n handen. ’k Keek eens rond. ’k Zag enkel Henkeman’s.Toen is Jos met sjaals gaan drapeeren en doeken en oud lappen-goed en op de meest geheimzinnige plaatsen stelde-ie onverwacht ’n gemberpot op, waarvan-ie ’n onbeschrijflijke hoeveelheid bij zich had. Hier en daar kwam ook ’n lampion te bungelen, zoodat m’n huis langzamerhand min of meer ’n Oostersch aanzien kreeg. ’k Hoopte, dat ’k er aan wennen zou.«Hoe heb ’k dat opgeknapt?» vroeg Jos, weer stralend.’k Knikte, sprakeloos. ’k Had geen hoofd meer. ’t Duizelde me en m’n ooren suisden. Ook vond ’k ’t niet strikt noodzakelijk, dat al m’n Havana’s in één dag werden opgerookt.«Ja, neem me niet kwalijk», zei ’k dan met toonlooze stem, «maar ’k wou nu wel ’n stukje gaan eten».«Uitstekend!» wreef Jos zich andermaal de handen. «Waar gaan we naar toe?»’n Oogenblik dacht ’k er over, of ’k maar niet dadelijk naar bed zou gaan, hoeveel moeite me dat misschien ook zou geven. Daarop heb ’k ’m echter toch maar mee naar «Riche» genomen. ’n Dineetje had-ie met z’n zwoegen werkelijk wel verdiend.Hij heeft ’t zich heel goed laten smaken. En den wijn, daar was-ie ook kolossaal handig mee. ’k Dacht tenminste, dat we nog aan de tweede flesch waren, toen de derde al op tafel stond. Hij werd erg spraakzaam en drong er sterk op aan, dat ’k ’t «geval» mooi zou aankleeden. De tentoonstelling moest niet vanmijuitgaan, ’n gewoon particulier, doch van ’n naamloozevennootschap. Hij zocht al naar ’n naam. Eindelijk vond-ie iets. «Artis Pictura» leek ’m bijzonder fraai. ’k Twijfelde eraan, of dat vloeiend Latijn was. Ook herinnerde ’t me te sterk aan ’n welbekenden dierentuin. Doch Jos, koppig als-ie bij den wijn zit, hield voet bij stuk. Zoo werd m’n huis, of wat daarvan was overgebleven, onder ’n Triple Sec «Artis Pictura» gedoopt.Hij is weer met me mee terug gegaan (Jos was àltijd aan me gehecht). Bij me thuis is-ie nog wat aan den timmer geslagen, doch met onvaste hand. Toen z’n eene duim heelemaal blauw was, hield-ie er mee op. We hebben ons daarop onder de whisky gezet. Dat maakte ’m weer zoo fiksch, dat-ie opnieuw bovenop m’n piano wou. Dat heb ’k ’m echter krachtig belet.’k Vind, leelijke gewoontes moet je niet in de hand werken.«Breng me dan maar naar bed», gaf-ie gewillig toe. «Waar slaap ’k?»«Dat weet ’k niet», bracht ’k aan z’n verstand, «maar hièr niet».’t Scheelde weinig, of-ie begon te huilen.«Niet in Arti Pictus?» drijnde-ie.«Nee», zette ’k door. «’k Heb momenteel maar één bed. En of ’k daar in kan komen, valt nog te bezien. In elk geval, ’n logé kan ’k niet hebben. En.... denk aan Co!»«Daarom juist», bekende-ie kinderlijk. Maar hij is dan toch gegaan, met onder elken arm ’n gemberpot. Hij schijnt nu eenmaal gek op die dingen te zijn.De eerste dagen kreeg Artis Pictura niet één enkelen bezoeker. En ’k had toch flink geadverteerd. Uit deurwaarders-overwegingen had ik den naam «Henkeman» maar weggelaten. Ook op de helft der geëxposeerde werken ontbrak die. Dat kon echter al niet anders dan ’n aanbeveling zijn. Waarin zat ’t ’m dus?’t Begon er somber uit te zien. Jos liep den heelen dag heen en weer als ’n gekerkerde leeuw. Alleen gedurende denlunchging-ie zitten en stond dan voorloopig niet op. Z’n goede eetlust, zei-ie, was z’n redding.«Hebben we den prijs misschien toch nog wat te hoog gesteld?» vroeg ’k voorzichtig.Jos, die juist ’n blikje zalm bewerkte, sprong woedend op.«Wou je ze den arbeid van m’n leven dan heelemaal cadeau doen?» riep-ie, zich verslikkend. «Vijf gulden! Jij met je eenheidsprijs! ’k Gooi m’n naam toch al te grabbel. Je bent al net zoo’n uitzuiger als die anderen».’k Zweeg. En ’k zag, hoe ’t blikje totaal verdween.«Je moet ook ’n bord aan je huis slaan», beweerde Jos met vollen mond, «En de deur moet àànstaan. De menschen bèllen liever niet. En zet ’n aardigengroomof ’n livrei-knechtje in ’t portaal onder de tweede lampion. Zoo iets klèèdt».’k Ging er maar niet op in. ’k Had al groote onaangenaamheid gehad met de vrouw, die ’s morgens bij me werkte. Ze verkoos niet langer te komen, wanneer de voordeur open bleef. Ze wasgewoon, in fátsoenlijke huizen te werken, zei ze.Intusschen legden we de laatste hand aan den uitgebreiden catalogus. ’k Had de lijst persoonlijk met m’n fraaiste letter in elkaar gezet en ’t ding zag er goed uit. Alleen deed ’t wellicht wat eentonig aan. Er zat dan ook weinig afwisseling in ’toeuvrevan Jos. ’t Was maar: Appelen met ui, Stemming, Ui met appelen, Appelen met peer, Stemming, Peer met ui, Ui met boek, Boek met appelen, Stemming. ’t Begon op ’t laatst voor je te dansen. Daardoor heb ’k me bij de nummering wel eens vergist. ’n Studie tenminste, welke als Ui, met ’k weet niet meer wat, stond aangeduid, leek van dichtbij vaag op Co, wanneer ze langzaam van ’r merkwaardige sofa verrijst. Ook waren erverschillende krabbels, waaruit Jos zelf niet meer wijs kon. Die werden dan maar weer «Stemming» gedoopt. En ongeveer ’n vijftal doeken hingen onderste boven. Doch dat merkte je zoo gauw niet. Door een en ander kwam ’k echter tot ’t begrip, dat kunsthandel ’n apart en zéér moeilijk vak is.Den vierden dag van de expositie «ten bate van ’t Steuncomité» verschenen er twee bezoekers. Jos was juist even uit. ’k Trad ze minzaam tegemoet. En leidde ze rond.De heeren deden wat gereserveerd. Maar ’k dacht: «Komt er niet op aan. Als jullie maar kóópen». En ’k prees ’toeuvreHenkeman’s aan als ’t werk van eenige jeugdige, veel-belovende artisten, die zich gedrongen hadden gevoeld, indeze tijden, enzoovoort. «Je bent ’n flesschentrekker» signaalde m’n geweten. En ’k stond er zelf versteld van, dat ’k zoo liegen kon. Doch ’k deed ’t voor ’n ànder.«Enwil’t nogal?» informeerde dan hoogjes een van ’t tweetal.«Beroerd» wou ’k zeggen. Maar ’k bedacht me, dat men in zaken nooitteeerlijk moet zijn. Onverschillig sneed ’k daarom op:«Langzaam aan, heeren, langzaam aan. Er is tot heden voor ’n vijftig gulden verkocht».«Ha! Vijftig gulden?» riep m’n ondervrager verrast uit. Daarop haalde-ie ’n opschrijfboekje te voorschijn en teekende er iets in aan.’k Keek verwonderd toe. Iemand van de pers misschien?M’n bezoeker hielp me echter uit den brand.«Mag ’k me eens voorstellen?» kraakte-ie correct. «Van Haersten tot Vleujen». (Te drommel, waar had ’k dien naam meer gehoord?) «Lid van ’t Steuncomité hier ter stede. We stellen ’t natuurlijk zeer op prijs, dat u zoo ijvert voor de goede zaak. Maar, u houde ’t mij ten goede: als u eens wist, op hoeveel manieren onder ónze vlag ’t eigen voordeel wordt gediend! Ze exploiteeren ons maar, ze exploiteeren ons maar! Ja, ja! Vijftig gulden dus! Mooi! We zullen van onzen kant wat menschen aanmoedigen, de expositie te bezoeken. U beseft, dat helpt enorm. En dan, sta ons toe, dat we uw taak wat verlichten. Wij willen niet, dat u alles alleen doet. Elken dag vantien tot vier hier te staan, dat mogen we niet van u vergen. Meneer hier, die, om zoo te zeggen, een van onze inspecteurs is, zal u bij den verkoop behulpzaam zijn. Hij is ’n zeer werkzame en vertrouwde kracht. ’k Wil intusschen ookmijnsteentje bijdragen tot ’t goede doel».’k Boog. De spiegel hing er niet meer. Anders had ik waarschijnlijk kunnen constateeren, dat ’k er ongewoon bleek uitzag. De inspecteur keek me doordringend aan. ’k Moest me dus goed houden. En glimlachte.’t «Steentje» van ’t comité-lid werd een van de ontelbare uien, ditmaal «met banaan». Vijf gulden werden op m’n tafel gedeponeerd (’k zie ze nòg schitteren) en dadelijk geboekt. Met ’n zorgvuldige buiging nam de heer vanHaersten tot Vleujen afscheid. De ander bleèf.Toen Jos terugkwam, heb ’k ’m mee naar boven genomen, naar zolder. Daar, tusschen de opgestapelde meubels, heb ’k ’m de situatie uitgelegd. ’k Deed nogal zenuwachtig. Jos staarde me wezenloos aan. Daarop begon-ie aan al z’n haren te rukken. Met z’n elleboog stiet-ie ’n pendule van ’n soortconsoleen hij raasde:«M’n werk! M’nkostbarewerk! Sluit de tentoonstelling. Direct! Benikin de wieg gelegd voor filantroop? Hoe kan ’nvriendje zoo iets aandoen!»’k Trachtte ’m te kalmeeren. En wees er op, dat sluiting op ’t moment onmogelijk was. Wat moest ’t comité er wel van denken?«Maar m’n arbeid van jaren dan!»huilde-ie met weer ’n pluk aan z’n haar. «Straat-arm maak je me, ’n bedelaar!»«In ’s hemelsnaam, spreek wat zachter» smeekte ’k, met m’n gedachten bij den «inspecteur». Werktuiglijk tastte ’k naar m’n zak. ’k Leende Jos ’n tientje. En ’s middags nam ’k ’m weer mee naar «Riche».De volgende dagen belde er nu en dan iemand aan bij «Artis Pictura». De heer Tot Vleujen had nogal connecties. Er werd gekocht, al was ’t niet veel. ’n Tiental rijksdaalders verdwaalden «tijdelijk» naar m’n portemonnaie.Al die vreemde menschen in m’n huis, ’t werd me ’n gruwel. Op ’n dag kneep ’k er ’s morgens vroeg al tusschenuit. Tegen sluitingsuur kwam ’k thuis. De «inspecteur» zag er hoogst vergenoegd uit. ’k Keek ’m vragend aan.«De verkoop stijgt» zei-ie verheugd. «Heden twaalf stuks verkocht».’k Zocht op de tafel.«O» hielp m’n zaalwachter me uit den droom, «die heeft die andere meneer, die vriend van u, onder z’n beheer. Of ’k u maar groeten wou».’t «Beheer» van Jos! De toestand werd onhoudbaar. Hoe meer succes de tentoonstelling kreeg, hoe meer ’t me zou kosten. ’k Zat in ’n labyrint.’t Einde kwam zeer onverwachts. De expositie was zoowat twee weken geopend. Ze kreeg steeds meer toeloop. De kranten schreven er sympathiekover en meldden, op verzoek, niet den naam van den schilder. Deze bescheidenheid werd ’m als ’n extra verdienste aangerekend. Hij kreeg ’n anonieme vermaardheid.Ik zelf voelde me als dakloos. ’k Sliep niet meer thuis. Die uien met en zonder, die appelen, ’k had ze tegengegeten. ’k Kon ze niet meer zien.Eens, nadat ik 2 maal 24 uur onder water was gebleven, belandde ’k weer in Artis Pictura. Nauwelijks boven, werd er gebeld. Jos, vol-ijverig (z’n oogen kregen langzamerhand de schittering van ’n dubbelen rijksdaalder) deed open. Plots hoorde ’k ’m echter de trap opstuiven, in vlucht. ’k Trad naar ’m toe. Hij duwde me op zij, rende de zoldertrap op. «Deurwaarder!» fluisterde-ie me nog toe. Daarop hoorde’k boven ’n sleutel tweemaal in ’t slot draaien.’n Dik heer hijgde zich naar de expositie-zaal. Schuin over z’n buikglobe betuurde-ie m’n wanden. Bij den eersten blik echter reeds keek-ie verrast. Dan ontsnapte ’m ’n verbaasd «tsjs, tsjs». ’t Was precies, of ’n ketel stoom uitliet.«’k Had—’t—moeten—begrijpen», stuwde-ie moeizaam uit. «Natuurlijk! Hen—ke—man! O, maar—dat—gaat—zóó—niet!»Hij koerste op me af. ’k Besefte ten volle ’t gevaar, waarin ’k verkeerde. Onversaagd moest ’k er me doorheen slaan.«Me-neer!» begon de deurwaarder en hij gaf me ’n breedexposévan z’n verhouding tot J. Henkeman, kunstschilder.«Pardon!» hoopte ’k ’m te overrompelen. «De heele collectie is sinds kort m’n eigendom».«Ha ha!» lachte de vreeslijke man en ’k kreeg de gewaarwording, dat m’n «Artis» met ’n nijlpaard verrijkt was. «Dat kennen we. Jawel!»«Ach, neemt u mij niet kwalijk, wat zei u, uw eigendom?»’k Dacht zóó bij m’n beneden-buren terecht te komen: de grond onder me wankelde. Waar kwam die meneer van Haersten tot Vleujen opeens vandaan? ’k Had ’m nog niet opgemerkt.«Doorgestoken kaart, meneer» lucht-exploosde de gevreesde man van dagvaardingen en andere gruwlijkheid. «We hebben dat—meer—bij de hand gehad».«Ach, laat umijeven uitspreken, hè?»kriegelde Tot Vleujen met z’n gewoon aplomb, waarvoor zelfs het wettelijke, monster, dat mijn salon bestookte, moest wijken. En zich totmijwendend, ging ’t comité-lid verder:«U zei.... Hm! En de jeugdige, talentvolle kunstenaars, die zoo belangeloos.... Expliceert u mij dat eens».’k Heb den heer van Haersten terzijde genomen en alles uitgelegd. ’t Was ’t eenigste, wat er voor me opzat. Dat kwartier uit m’n leven vergeet ’k nooit.M’n toehoorder wond zich ’n oogenblik zóó op, dat-ie z’n correctheid bijna verloor. Daarop begon-ie ’t geval echter wat menschelijker te bezien en ’t eind was, dat iets van ’n glimlach over z’n welgedaan uiterlijk toog. Toch bleef-ie zakelijk.«Enfin» besloot-ie. «U draagt ’t Steuncomité 50 pCt. af. Dan zullen we er niet meer van spreken. Men exploiteert ons maar, men exploiteert ons maar! En we sluiten vandaag de expositie».«Graag!» stemde ’k van harte toe. Eindelijk zou ’k dus weer ’n huis hebben!«Sluiten?» vroeg de deurwaarder, die nog steeds als ’n Atlas z’n globe stond te torsen. «Enne....»Toen heb ’n lange explicatie met hèm gehad. Met z’n visch-oogen keek-ie me wantrouwend aan. En telkens als er ’n adem-stoot kwam, was ’k bang, dat ’k weggeblazen werd.Ten slotte was-ie er achter.«Danìkde andere 50 pCt. Of—’k maak ’t bekend».’k Protesteerde. ’t Hielp niet. ’k Vocht tegen ’n walvisch.We zijn gaan rekenen. De inspecteur had alles onaangenaam nauwkeurig geboekt. Een en vijftig Stemmingen, Appelen met dit en met dat, tegen ’n eenheidsprijs van vijf gulden, maakte.... ’t Was heel eenvoudig. Op de tafel lag niets. En persoonlijk had ’k slechts ’n tientje opgestreken, want, hòe ’t ook ging, aan Jos’ «beheer» was niet te ontkomen. ’k Betaalde dus twee honderd vijf en veertig gulden. En annonces, «zaal-huur», alles was voormij. Vervolgens is de nood-expositie zonder woord van dank gesloten.’k Heb boven ’n hartig woordje met Jos gewisseld, hij àchter, ik vóór de zolderdeur. Op ’t laatst werd-ie driest, kwam er uit en verweet me, dat al z’n bèste werk voor ’n appel en ’n ei gegaan was.«Ja, appelen en uien!» maakte ’k me driftig. «Hou maar op! Dat is je dank. Haal die rommel dadelijk weg. Geen dag langer wil ik ’t in huis hebben. ’t Verslindt kapitalen. Artis Pictura!»De Volksbond is er weer aan te pas gekomen. Het is merkwaardig, hoe doorzettend deze lieden zijn. En niets vergaten ze, zelfs geen gember-pot.Jos heeft me ’n heel boozen brief geschreven. En Co krabbelde er nog ’n regeltje onder, dat lang niet slaperig was. Vrouwen laten zich nu eenmaal door haar echtgenoot verblinden.Wanneer ’k weer eens langs de Henkeman’s kom, bel ’kniètaan.
DE NOOD-EXPOSITIE.Omdat ’k, door de algemeenemalaise, toch niets te doen had, belde ’k bij m’n vriend Jos aan.Dat is m’n noodlot. Ieder heeft zoo z’n buitenissigheidjes, z’n zwak, z’n zonde. De een houdt er ’n villa op na, waar-ie nooit komt, ’n ander ’n «stoom»-fiets, waar-ie niet op terecht kan, ’n derde ’n meisje, dat-ie niet meer bezoekt.Ikheb m’n vriend Jos. Ofschoon ’k weet, dat-ie me nooit anders dan onaangenaamheid bezorgt en ’t me altijd, hoe ’t ook draait, geld kost, kan ’k toch de verleiding niet weerstaan,’m nu en dan weer eens te bezoeken. M’n heiligste voornemens zelfs zijn daar niet tegen bestand. ’t Is de drang naar zelfvernietiging, welke in elk mensch schuilt. ’k Vecht er maar niet langer tegen.’k Belde dus aan bij m’n vriend Jos. Er werd niet opengedaan. Dit wist ’k van te voren. Bij Jos wordtnooitopengedaan. Dat is systeem. ’t Leven leidt soms tot wrange consequenties.’k Deed ’n stap naar achter, door de ramen van z’n benedenhuis te turen. Die zijn ondoordringbaar, wijl bijkans tot ’t plafond dicht-begordijnd. «Dat is ’t eenige, waarom je blij moet zijn, als je schilder bent» had Jos me wel eens gezegd. «Ze kunnen tenminste niet zien, of je thuis bent!»’k Stond besluiteloos. Alle geheimeteekens hadden indertijd op den duur gefaald. Zelfs ’t driemaal zacht tikken, gevolgd door ’n luide kuch, was door schuldeischers afgekeken en had Jos in de grootste moeilijkheid gebracht. En ’t werd lastig, telkens weer ’n nieuwe krijgslist te bedenken.Daar schoot me ’n ouwe truc te binnen. ’k Belde nog eens, deed dan m’n kaartje glijden in de busklep—ook die «doorkijk» was hermetisch gesloten: er flapperde ’n gordijntje achter, naar ’t heette voor den tocht—en kuierde langzaam op. Als Jos er nu maar op inging! Want ook met kaartjes was al gefraudeerd, zoodat Jos niets of niemand meer vertrouwde. Doch hoe zou een van z’n schuldeischers nu aan mijn visite-kaartje komen?’k Keerde op m’n schreden terug.Gelukkig, ’t had geholpen! Jos’ deur kierde en, toen ’k er weer voor stond, werd ’k ijlings naar binnen getrokken door ’n energiek rukkenden, manchetloozen arm. ’k Raakte bijna van den voet. Met ’n bons sloeg de deur achter me dicht. ’k Was in de vesting!Jos keek me verwilderd aan. «Goddank, dat je d’r bent!» fluisterde-ie me toe met ’n voor hem ongekende hartelijkheid. «We snakken naar afleiding. ’k Word gek van de eenzaamheid. We zitten hier als op ’n fort. ’t Is verschrikkelijk!»’k Drukte ’m de hand, begrèèp ’m. «Ja» zei ’k, «’k had al eerder plan gehad. Maar omstandigheden, hè? Vrouw en kinderen wel?»Weer zag Jos me verbijsterd aan, alsof ’n langbegeerde prooi eindelijk inz’n macht was geraakt. «Hm» mompelde-ie dan, «vrouw en kin.... Laten we liever over wat prèttigs praten. Maar.... kom binnen.»’k Trad in z’n voorkamer, waar ’t er zeer «gemobiliseerd» uitzag. En aan ’t hand-dikke stof op lamp, schoorsteen en de weinige stoelen, bemerkte ’k dadelijk, dat er van ’n dagmeisje sinds weken geen sprake meer was.Rondziend, ontwaarde ’k op de sofa bij ’t raam ’n beweeglijk pakket, dat zuchten in mijn richting afzond. Dat kon niet anders dan Co zijn, begreep ’k. En m’n hand weer uitstekend, zei ’k op goed geluk: «Dag, Co.»’t Pakket, in ’n eens zalm-kleurigen lap gewikkeld, welke desnóóds voor peignoir kon doorgaan, richtte zich half op van de krakende sofa. Tweedoffe oogen bestaarden me, vijf slappe vingers raakten me even aan. Daarop zonk alles weer ineen, tot niet. Onwillekeurig dacht ’k aan ’t beeld van de kaars, welke nog eenmaal flappert, vóór ze........ Ach!«Wat scheelt er aan?» vroeg ’k, niet gerust. «Wat heb je?»Er kwam geen antwoord. Slechts ’n verwijderd gekreun, dat ook ’n gesmoord snorken kon zijn, drong tot me door.’k Herhaalde m’n vraag. Toen, na nog ’n pauze, welke ’n eeuwigheid scheen, verzuchtte, wat daar nog leefde op de rheumatische sofa,molto ritardando:«Ik...... sl...... aap.»Verlucht richtte ’k me weer op. Er was dus nog geen gevaar!«Ja,» venijnde Jos, langs me heen slungelend, terwijl-ie z’n broek zóó hoog optrok, dat ’k niet begreep, hoe-ie nog vóórt kon. «Ze doet niet anders. Lollig voor mij! Maar je kómt er hier wel toe. Zelfs geen krant krijgen we. (Ze willen me niet meer als abonné, de geldknijpers!) ’k Weet nauwlijks, of d’r nog oorlog is! Nona! ’t Eenige, wat er voor ons op zit!»Hier loosde Jos ’n geeuw, welke als ’n gat in de ruimte sloeg. Ook ik sperde m’n mond, van den weeromstuit. En ’t werd hoogst hoorbaar, hoe Co, zooal niet de ééuwige, dan toch ’n zeer langdurige rust was ingegaan. Gezellige boel!«Maar hoe leven jullie hier dan?» belangstelde ’k nog, beleefdheidshalve.«We leven heelemààl niet» knarsteJos, moeilijk verstaanbaar. «We zitten hier opgesloten. Gevangenen, man, gevangenen! Ze hebben de bel uit de deur getrokken. Wat de menschen toch koppig zijn, om nù nog met kwitanties te komen! Dat wordt gewoon ’n manie van ze. Maar wie er komenmoet, blijft weg: de bakker, de kruienier. Tusschen licht en donker moet ’k er als ’n misdadiger op uit, om brood, boter. En altijd zie ’k nijdige gezichten van lui, van wie ’k al jàrenlang klant ben, de ondankbaren! En deurwaarders, o, o! Maar dat zal ook niet lang meer duren. ’k Heb nog precies 12–1/2 cent. Dan gaan we maar allemaal liggen, naast Co. En ze zullen ons later vinden, ontbonden, met verstarde gelaatstrekken, ’n artistentragedie. Ha ha!»Wild stiet Jos ’n piep-geluid uit en z’n haren wàpperden.’t Koude zweet brak me uit. Had ’k maar weerniètaangebeld!In ’t atelier, achter, klonk geritsel, hardnekkig. ’k Luisterde.«Wat is dat?» vroeg ’k, nieuwsgierig.«Muizen!» fluisterde Jos met ’n stem, die al zwakker en zwakker werd. «Dag en nacht gaan ze te keer. Ze vinden niets meer, geen kruim. Straks beginnen ze nog aan m’n stillevens. Haha! Alsikze niet voor ben!»In Jos’ oogen flikkerde iets, dat op krankzinnigheid wees. Verteerde de innerlijke vlam ’t broze omhulsel?«Spreek toch wat harder» zei ’k. «’k Versta je haast niet. Ben je verkouwen? Je praat zoo heesch.»Jos sloeg ’n zonderlingen blik naar’t plafond. Dan blies-ie geheimzinnig in m’n oor:«De boven-buren! Ssst! Als d’r gebeld wordt, waarschuwendiè, dat ’k thuis ben. Ellendelingen! Omdat ’k eens ’n pakje voor ze heb aangenomen, dat we maar opgegeten hebben. Rolham, stel je voor! Wie laat zoo iets staan, in deze tijden! Die lui hebben geen hersens».Weer trok Jos verwoed z’n broek op. ’k Werd bang, dat er op die manier weinig van dat kleedingstuk zou overblijven.Opeens voelde ’k ’n schrijnende pijn in ’t meest rechtsche mijner beenen. ’k Keek omlaag. Er stak ’n pijl in m’n broekspijp.«Au!» deinsde ’k onwillekeurig terug. Onder tafel zat Joop, de «aardige»oudste van de twee kleine Henkeman’s, met opnieuw geladen boog. Schielijk week ’k nog op zij. En ’n tweede pijl vloog geruchtig tusschen m’n beenen door.«Ze zijn niet vergiftig» lachte Jos satanisch. Hij scheen er bepaald plezier in te hebben, dat z’n jongen me vrees aanjoeg. ’t Scheelde weinig, of hij hitste ’m aan met ’n: «Pak ze! Ks, Ks!»Nu ’k z’n schuilplaats echter ontdekt had, was de aardigheid voor Jopie er af. Hij kroop onder de tafel vandaan en vermaakte zich ’t verdere van de visite met voortdurend om me heen te draaien en me daarbij aan te gapen, of ’k ’n soort Boschjesman was. ’t Was dan ook waar: de jongen was menschen ontwend.’k Wou gaan zitten. «Pas op!» waarschuwdeJos met ’n gebaar, dat ’n trein tot stilstand zou hebben gebracht. «Die stoel niet! Dàar! Dàt is de goeie».IJlings richtte ’k me weer op. In den huize Henkeman ontsnapte je elk oogenblik aan gevaren.’k Zette me nu, volgens aanwijzing, dicht bij de schuifdeur, waardoor je in ’t atelier kwam. ’k Keek er meteen binnen.Daar hingen, stonden, lagen de mij welbekende studies, stillevens, krabbels, wonderlijke mensch-, ver- en andere gezichten. D’r kwam maar geen schot in den voorraad.«Je moest eens iets actueels maken,» raadde ’k met de beste bedoeling. «Dat is ’t eenige, wat op ’t oogenblik pakt.»Jos stoof op me af. ’k Dacht, dat ’k alweer op ’n verkeerden stoel zat!«Schei uit!» raasde-ie, in spijt vande buren boven. «’t Heeft me al dol gemaakt. Iets actueels! ’k Heb ’n pracht-ding geteekend. Niet waar, Co? O, ze slaapt. Làat ’r. —’n Pracht-ding! De kanonnen reden door de lucht. Wat? Nee, ze renden, rolden, donderden. ’t Was verschrikkelijk. Je hield je hart vast. Elk oogenblik dacht je: ze komen naar beneden. Kan ’t spannender? Laat één me dat maar nadoen! En Co lag tegen ’n heuvel, handen voor ’t gezicht, als schreiende vredes-maagd. Ze heeft me nog nooit zoo ontroerd. ’k Wist niet, dat m’n eigen vrouw zoo’n pracht-maagd was! En gewonden en vluchtelingen, voor alles had ’k gezorgd. ’k Ga er mee naar den Nieuwen Kunsthandel. ’k Denk: dàt neemt-ie zeker. Wat zegt de vent? «Neem weg dat ding! U ruïneert m’n zaak. U jaagtde menschen m’n winkel uit. Ze willen geen narigheid. Die lezen ze in de kranten al genoeg.» En ik met m’n kanonnen weer naar huis. ’k Verzeker je, dat ze me zwaar wogen.»Jos streek z’n haren uit z’n voorhoofd, wat ’n heel werk was. Dan stak-ie z’n handen weer zoo diep in z’n broekzakken, dat ’k niet begreep, hoe-ie ze ooit weer terugvond en stapte als ’n opgejaagde kievit z’n atelier door. Werkelijk, de kerel behield toch altijd iets geniaals.’k Volgde ’m, òòk om ’n oogenblik van Jopie bevrijd te zijn. De jongen maakte me bepaald verlegen.«Waar zijn ze?» informeerde ’k, rondziend.«Wie?» vroeg Jos, met z’n blik minstens bij ’n vergruizelde ster.«Wel, de kanonnen!»«O, die! Kapot. Verscheurd. Jammer genoeg. Maar ’k was ook zóó nijdig. En dan, ’t maakte me beroerd, Co altijd vlak onder dat oorlogstuig te zien. Of je wou of niet, je kreeg ’n gevoel: straks gebeurt er wat! Dat houdt geen mensch uit.—Maar, ’k zal je verder vertellen. De menschen willen geen akeligheid, denk ik? Goed, dan maar wat lolligs. En ’k heb me daar ’n karikatuur op den oorlog geleverd.... ik ben d’r zelf drie dagen ziek van geweest; van ’t lachen! Om bij dood te gaan! Soldaten met ’n kiespijn-doek achter ’n boterton, de vluchtende vijand op steigerende ezels, ’n generaal onder ’n paraplu; enfin, je kan ’t je voorstellen. Ik er mee naar ’n zekeren—hoe heette-ie ook weer?....o ja, van Haersten tot Vleujen. Die was me nog wel aanbevolen als ’n eerste collectionneur! Tot Vleujen ontvangt me aan ’n stevige kip met compote en meer van die sausnegerij. Hij ziet m’n teekening niet, of-ie vliegt op, razend, smijt servet, mes en vork over de tafel en hij brùlt: «M’n huis uit! Schaam u, meneer, in deze benarde tijden den spot te drijven met de onnoemlijke ramp, welke Europa teistert. Foei, foei!» De man werd zoo rood, dat ’k voor ’t ergste bij ’m vreesde. «Eet smakelijk», zeg ’k en ’k laat ’m met z’n benarde tijen bij z’n lunch, die er wezen mocht, hoor! Maar je begrijpt, de liefhebberij bij mij was er af».Jos lachte bitter. «Multatuli!» dacht ’k. Daarop deed-ie me ’t ergste aan,dat-ie maar bedenken kon: hij stak z’n steenen pijpje op.’k Draaide me om, hoestte. Joop verdween naar de voorkamer.«Oorlogs-tabak!» grinnikte Jos. ’t Was ’n onbeschrijflijke lucht. Of-ie z’n pijp met ’n stukje heel oude zool had gestopt! En m’n sigaren-koker lag thuis. In zóóverre hielp z’n tactiek ’m dus niet.’k Begreep, dat ’t met Jos op z’n ergst gesteld was. Wie dàt rookte! Daar móést verandering in komen.«Hou ’n expositie van je volledige werken», verzon ik. «Tegen ’n heel lagen prijs. ’t Is toch noodtoestand».Jos schudde halsstarrig van «nee». En na ’n paar rookwolken, waartegen ik bepaald meende te moeten protesteeren, knorde-ie:«Kán niet. Heb ’t al geprobeerd».’k Keek ’m vragend aan.«Helpt toch niet», ging-ie verder. Nog wou ’k aandringen. Toen sprak-ie één vreeslijk woord, dat alles expliceerde:«Deurwaarders».Daar zàt ’k met m’n idee. Jos’ pijpje begon gootig te slobberen.«Is d’r geen mouw aan te passen?» vroeg ’k nog.«Hoè?» knerste Jos.’k Peinsde.«Als», kwam ’t er langzaam bij me uit en ’k begon waarlijk al wat aan de oorlogs-tabak te wennen, «als die schilderijen van ’n ander waren,zoogenáámd. Hm, ja. Maar dan moeten ze vóór alles hier uit huis. Zou de kunsthandel niet....»Jos deed ’n verwoeden trek, wat me haastig deed zwijgen.«De uitzuigers?» barstte-ie los en àl z’n haren trilden. «Liever snij ’k m’n vingers af».Dat wou ’k natuurlijk niet op m’n geweten hebben. Om ’m af te leiden, opperde ’k ondoordacht:«Bij ’n particulier dan.Iemandwil je toch wel helpen?!»«Wie?» vroeg Jos weer en z’n oogen boorden diep in de mijne.’k Voelde me als op ’n hellend vlak. Er groeide ’n benauwende stilte. Wat had ’k aangehaald?«Wie?» herhaalde Jos, bijna dreigend.Daar ontstond leven op de sofa. ’n Vreeslijk gekraak van ’t trotsche meubel bewees, dat de vredes-maagd ontwaakte. Of had ze heel niet geslapen? Spoedig moest ’k ’t haast wel denken, want Co, in al ’r bekoorlijkheid van schilderseega,die gewend is te poseeren, met losse haren, lossen peignoir (of wat daarvoor doorging) en zóó losse muilen, dat ze er een van verloor, stevende recht op me toe en, met ’n stem, die geen tegenspraak duldde, zei ze:«Jij natuurlijk! Onze vriend! Je hebt zoo’n mooi bovenhuis en je woont alleen. Voor ’t Steuncomité, zeggen we. Als dat niet helpt!»’k Zat geslagen. Dat er ook in die slaperige Co zoo’n listige Eva stak!Jos stiet ’n Indianengehuil uit. Hàdden z’n haren overeind gekund, ze waren omhoog gegaan als duin-helm, van vreugde. Nu wàpperde-ie er slechts mee, hartstochtelijk.«Vrouw! Co! Engel!»kreet-ie en van enthousiasme duwde-ie ’r bijna ’n oog uit. «Wat ’n begrip! Wat ’n verstand!Waar haalt ze ’t vandaan? O, vrouwen hooren in den hemel! Co, laat ’k voor je knielen».«Pas op die punaise», waarschuwde Co practisch. Dan noemde ze ’m nog «lummel», omdat-ie ’r oog zóó fel geraakt had, dat ’t bepaald begon te tranen. Een en ander weerhield ’m van verdere exaltische uitingen.Ik maakte bezwaar tegen ’t plan. Vooral dat «Steun-comité» had allerminst m’n goedkeuring. Doch Jos, door z’n atelier dravend, alsof-ie ’n jacht-akte veroverd had, sloeg al m’n bedenkingen breed-geniaal een voor een den kop in. Hij wees zelfs op ’t morééle van ’t geval. Diende in dezen moeilijken tijd ieder niet z’n eigen steuncomité te zijn? «En dan», deed-ie royaal, «ze kunnen voor mijn part 50 pCt. krijgen».«Zou 20 niet voldoende zijn?» vroeg Co, wier slaperigheid geheel geweken was.«Of 10,» krabbelde Jos terug, die zich de lapjes van vijf en twintig al bij bundeltjes ontrukt zag. «Enfin, dat regelen we allemaal wel. ’t Voornaamste is nu: aanpakken! Morgen hang ’k den boel bij je op. M’n volledige werken, haha! Als je maar plaats hebt! M’n uitbouw staat nog vol. ’t Zal ’n evenement zijn!»Zalig staarde Jos, dwars door de kast, waarin waarschijnlijk de muizen zaten, naar ’n toekomst, welkeiknog niet bespeurde. Hij zag zich al beróémd. Mocht ’k die illusie verstoren?Plots hief de jongste der Henkeman’s, die, ergens achter, ’r middagslaapje gedaan had, ’n vervaarlijk geschreeuw aan. Co, nu zonder één enkele muil,snelde(of ze ook wakker was!) naar’r kind. Opnieuw snorde ’n pijl door de lucht: Jopie, die zich weer verdekt had opgesteld, heropende de vijandelijkheden. Hoe ontsnapte ’k aan zooveel bedreiging? Daar stopte Jos ten tweede male z’n pijp. ’k Voelde dat ’k wijken moest. En onmiddellijk! Met vele zware handdrukken nam ’k afscheid, m’n hoofd slechts vervuld van één ding: de nood-expositie. ’t Deed er pìjn van.Den volgenden morgen (Jos was voor zijn doen bijzonder vroeg uit de veeren) hielden drie wagens voor m’n deur stil. Mannen van den Volksbond zeulden ’n uur lang m’n trappen op en af. Toen er volstrekt niets meer bij kon, hielden ze er eindelijk mee op. Het waren hardnekkige lieden.Jos, die met ’n stralend gezicht van m’n beste sigaren zat te rooken—hoe-ie die zoo dadelijk gevonden had?—zei gedachteloos:«Ach, betaal jij even?» en ’k voldeed de stoere werkers.«Je hebt ze toch gefooid?» vroeg-ie nog, achter ’n dichte wolk.«Ja», zei ’k kort. «’k Dacht, dat je dat wel goed vond».Jos knikte grootmoedig. Dan sprong-ie elastisch op en riep:«Komaan, laten we maar dadelijk gaan ophangen!»«Hang», meende ’k vriendelijk.Er is tot ’s avonds laat in m’n huis verwoed geklopt, geprikt, getimmerd. Jos is boven op m’n piano geklommen—z’n hakken zaten met spijkers—en heeft twee vazen gebroken en maar één aschbak. Niet één stoel, of hij heeft er op gestaan, gedanst, gezwengeld. Almijn schilderijen, behalve ’n merkwaardig stilleven, dat ’n Henkeman was, zijn afgehaald en vervangen door de volledige werken van Jos. Waar ’k ook keek, overal gaapten z’n binnen- en buitenhuizen, z’n sinaasappels met en zonder ui, z’n portret-studies, z’n mystische krabbels van Co me triomfantelijk aan. Zelfs in de gang hingen ze, boven de trap. Ze waren niet te ontloopen.«Waar laten we de meubels?» zwoegde Jos met aan elk zijner haren ’n druppel.’k Keek ’m verbijsterd aan.«Moeten die ook al weg?» vroeg ’k angstig.Hij wierp me ’n blik toe, of-ie me opeten wou. Doch voorloopig begon-ie maar weer aan m’n sigaren.«De menschen moeten toch kunnenlóópen», expliceerde-ie nog tamelijk bedaard. «’t Is hier ’n ex-po-si-tie! Die spiegel moet er ook af. Daar kan nog wat hangen».Met dien spiegel heb ’k ’m geholpen. ’k Dacht aan m’n vazen en den aschbak. Daarop hebben we ons weer tot den Volksbond gewend en de drie zelfde stoere werkers hebben andermaal met zwaar bemodderde schoenen ’n vol uur door m’n huis gezworven, tot ze alles, wat hinderde, op den zolder, de bovengang en in m’n slaapkamer hadden geplaatst. Hoe ’k ’s nacht in m’n bed moest komen, begreep ’k niet. Doch ’t leven hééft nu eenmaal moeilijkheden.«’t Begint er al aardig uit te zien», wreef Jos vergenoegd z’n handen. ’k Keek eens rond. ’k Zag enkel Henkeman’s.Toen is Jos met sjaals gaan drapeeren en doeken en oud lappen-goed en op de meest geheimzinnige plaatsen stelde-ie onverwacht ’n gemberpot op, waarvan-ie ’n onbeschrijflijke hoeveelheid bij zich had. Hier en daar kwam ook ’n lampion te bungelen, zoodat m’n huis langzamerhand min of meer ’n Oostersch aanzien kreeg. ’k Hoopte, dat ’k er aan wennen zou.«Hoe heb ’k dat opgeknapt?» vroeg Jos, weer stralend.’k Knikte, sprakeloos. ’k Had geen hoofd meer. ’t Duizelde me en m’n ooren suisden. Ook vond ’k ’t niet strikt noodzakelijk, dat al m’n Havana’s in één dag werden opgerookt.«Ja, neem me niet kwalijk», zei ’k dan met toonlooze stem, «maar ’k wou nu wel ’n stukje gaan eten».«Uitstekend!» wreef Jos zich andermaal de handen. «Waar gaan we naar toe?»’n Oogenblik dacht ’k er over, of ’k maar niet dadelijk naar bed zou gaan, hoeveel moeite me dat misschien ook zou geven. Daarop heb ’k ’m echter toch maar mee naar «Riche» genomen. ’n Dineetje had-ie met z’n zwoegen werkelijk wel verdiend.Hij heeft ’t zich heel goed laten smaken. En den wijn, daar was-ie ook kolossaal handig mee. ’k Dacht tenminste, dat we nog aan de tweede flesch waren, toen de derde al op tafel stond. Hij werd erg spraakzaam en drong er sterk op aan, dat ’k ’t «geval» mooi zou aankleeden. De tentoonstelling moest niet vanmijuitgaan, ’n gewoon particulier, doch van ’n naamloozevennootschap. Hij zocht al naar ’n naam. Eindelijk vond-ie iets. «Artis Pictura» leek ’m bijzonder fraai. ’k Twijfelde eraan, of dat vloeiend Latijn was. Ook herinnerde ’t me te sterk aan ’n welbekenden dierentuin. Doch Jos, koppig als-ie bij den wijn zit, hield voet bij stuk. Zoo werd m’n huis, of wat daarvan was overgebleven, onder ’n Triple Sec «Artis Pictura» gedoopt.Hij is weer met me mee terug gegaan (Jos was àltijd aan me gehecht). Bij me thuis is-ie nog wat aan den timmer geslagen, doch met onvaste hand. Toen z’n eene duim heelemaal blauw was, hield-ie er mee op. We hebben ons daarop onder de whisky gezet. Dat maakte ’m weer zoo fiksch, dat-ie opnieuw bovenop m’n piano wou. Dat heb ’k ’m echter krachtig belet.’k Vind, leelijke gewoontes moet je niet in de hand werken.«Breng me dan maar naar bed», gaf-ie gewillig toe. «Waar slaap ’k?»«Dat weet ’k niet», bracht ’k aan z’n verstand, «maar hièr niet».’t Scheelde weinig, of-ie begon te huilen.«Niet in Arti Pictus?» drijnde-ie.«Nee», zette ’k door. «’k Heb momenteel maar één bed. En of ’k daar in kan komen, valt nog te bezien. In elk geval, ’n logé kan ’k niet hebben. En.... denk aan Co!»«Daarom juist», bekende-ie kinderlijk. Maar hij is dan toch gegaan, met onder elken arm ’n gemberpot. Hij schijnt nu eenmaal gek op die dingen te zijn.De eerste dagen kreeg Artis Pictura niet één enkelen bezoeker. En ’k had toch flink geadverteerd. Uit deurwaarders-overwegingen had ik den naam «Henkeman» maar weggelaten. Ook op de helft der geëxposeerde werken ontbrak die. Dat kon echter al niet anders dan ’n aanbeveling zijn. Waarin zat ’t ’m dus?’t Begon er somber uit te zien. Jos liep den heelen dag heen en weer als ’n gekerkerde leeuw. Alleen gedurende denlunchging-ie zitten en stond dan voorloopig niet op. Z’n goede eetlust, zei-ie, was z’n redding.«Hebben we den prijs misschien toch nog wat te hoog gesteld?» vroeg ’k voorzichtig.Jos, die juist ’n blikje zalm bewerkte, sprong woedend op.«Wou je ze den arbeid van m’n leven dan heelemaal cadeau doen?» riep-ie, zich verslikkend. «Vijf gulden! Jij met je eenheidsprijs! ’k Gooi m’n naam toch al te grabbel. Je bent al net zoo’n uitzuiger als die anderen».’k Zweeg. En ’k zag, hoe ’t blikje totaal verdween.«Je moet ook ’n bord aan je huis slaan», beweerde Jos met vollen mond, «En de deur moet àànstaan. De menschen bèllen liever niet. En zet ’n aardigengroomof ’n livrei-knechtje in ’t portaal onder de tweede lampion. Zoo iets klèèdt».’k Ging er maar niet op in. ’k Had al groote onaangenaamheid gehad met de vrouw, die ’s morgens bij me werkte. Ze verkoos niet langer te komen, wanneer de voordeur open bleef. Ze wasgewoon, in fátsoenlijke huizen te werken, zei ze.Intusschen legden we de laatste hand aan den uitgebreiden catalogus. ’k Had de lijst persoonlijk met m’n fraaiste letter in elkaar gezet en ’t ding zag er goed uit. Alleen deed ’t wellicht wat eentonig aan. Er zat dan ook weinig afwisseling in ’toeuvrevan Jos. ’t Was maar: Appelen met ui, Stemming, Ui met appelen, Appelen met peer, Stemming, Peer met ui, Ui met boek, Boek met appelen, Stemming. ’t Begon op ’t laatst voor je te dansen. Daardoor heb ’k me bij de nummering wel eens vergist. ’n Studie tenminste, welke als Ui, met ’k weet niet meer wat, stond aangeduid, leek van dichtbij vaag op Co, wanneer ze langzaam van ’r merkwaardige sofa verrijst. Ook waren erverschillende krabbels, waaruit Jos zelf niet meer wijs kon. Die werden dan maar weer «Stemming» gedoopt. En ongeveer ’n vijftal doeken hingen onderste boven. Doch dat merkte je zoo gauw niet. Door een en ander kwam ’k echter tot ’t begrip, dat kunsthandel ’n apart en zéér moeilijk vak is.Den vierden dag van de expositie «ten bate van ’t Steuncomité» verschenen er twee bezoekers. Jos was juist even uit. ’k Trad ze minzaam tegemoet. En leidde ze rond.De heeren deden wat gereserveerd. Maar ’k dacht: «Komt er niet op aan. Als jullie maar kóópen». En ’k prees ’toeuvreHenkeman’s aan als ’t werk van eenige jeugdige, veel-belovende artisten, die zich gedrongen hadden gevoeld, indeze tijden, enzoovoort. «Je bent ’n flesschentrekker» signaalde m’n geweten. En ’k stond er zelf versteld van, dat ’k zoo liegen kon. Doch ’k deed ’t voor ’n ànder.«Enwil’t nogal?» informeerde dan hoogjes een van ’t tweetal.«Beroerd» wou ’k zeggen. Maar ’k bedacht me, dat men in zaken nooitteeerlijk moet zijn. Onverschillig sneed ’k daarom op:«Langzaam aan, heeren, langzaam aan. Er is tot heden voor ’n vijftig gulden verkocht».«Ha! Vijftig gulden?» riep m’n ondervrager verrast uit. Daarop haalde-ie ’n opschrijfboekje te voorschijn en teekende er iets in aan.’k Keek verwonderd toe. Iemand van de pers misschien?M’n bezoeker hielp me echter uit den brand.«Mag ’k me eens voorstellen?» kraakte-ie correct. «Van Haersten tot Vleujen». (Te drommel, waar had ’k dien naam meer gehoord?) «Lid van ’t Steuncomité hier ter stede. We stellen ’t natuurlijk zeer op prijs, dat u zoo ijvert voor de goede zaak. Maar, u houde ’t mij ten goede: als u eens wist, op hoeveel manieren onder ónze vlag ’t eigen voordeel wordt gediend! Ze exploiteeren ons maar, ze exploiteeren ons maar! Ja, ja! Vijftig gulden dus! Mooi! We zullen van onzen kant wat menschen aanmoedigen, de expositie te bezoeken. U beseft, dat helpt enorm. En dan, sta ons toe, dat we uw taak wat verlichten. Wij willen niet, dat u alles alleen doet. Elken dag vantien tot vier hier te staan, dat mogen we niet van u vergen. Meneer hier, die, om zoo te zeggen, een van onze inspecteurs is, zal u bij den verkoop behulpzaam zijn. Hij is ’n zeer werkzame en vertrouwde kracht. ’k Wil intusschen ookmijnsteentje bijdragen tot ’t goede doel».’k Boog. De spiegel hing er niet meer. Anders had ik waarschijnlijk kunnen constateeren, dat ’k er ongewoon bleek uitzag. De inspecteur keek me doordringend aan. ’k Moest me dus goed houden. En glimlachte.’t «Steentje» van ’t comité-lid werd een van de ontelbare uien, ditmaal «met banaan». Vijf gulden werden op m’n tafel gedeponeerd (’k zie ze nòg schitteren) en dadelijk geboekt. Met ’n zorgvuldige buiging nam de heer vanHaersten tot Vleujen afscheid. De ander bleèf.Toen Jos terugkwam, heb ’k ’m mee naar boven genomen, naar zolder. Daar, tusschen de opgestapelde meubels, heb ’k ’m de situatie uitgelegd. ’k Deed nogal zenuwachtig. Jos staarde me wezenloos aan. Daarop begon-ie aan al z’n haren te rukken. Met z’n elleboog stiet-ie ’n pendule van ’n soortconsoleen hij raasde:«M’n werk! M’nkostbarewerk! Sluit de tentoonstelling. Direct! Benikin de wieg gelegd voor filantroop? Hoe kan ’nvriendje zoo iets aandoen!»’k Trachtte ’m te kalmeeren. En wees er op, dat sluiting op ’t moment onmogelijk was. Wat moest ’t comité er wel van denken?«Maar m’n arbeid van jaren dan!»huilde-ie met weer ’n pluk aan z’n haar. «Straat-arm maak je me, ’n bedelaar!»«In ’s hemelsnaam, spreek wat zachter» smeekte ’k, met m’n gedachten bij den «inspecteur». Werktuiglijk tastte ’k naar m’n zak. ’k Leende Jos ’n tientje. En ’s middags nam ’k ’m weer mee naar «Riche».De volgende dagen belde er nu en dan iemand aan bij «Artis Pictura». De heer Tot Vleujen had nogal connecties. Er werd gekocht, al was ’t niet veel. ’n Tiental rijksdaalders verdwaalden «tijdelijk» naar m’n portemonnaie.Al die vreemde menschen in m’n huis, ’t werd me ’n gruwel. Op ’n dag kneep ’k er ’s morgens vroeg al tusschenuit. Tegen sluitingsuur kwam ’k thuis. De «inspecteur» zag er hoogst vergenoegd uit. ’k Keek ’m vragend aan.«De verkoop stijgt» zei-ie verheugd. «Heden twaalf stuks verkocht».’k Zocht op de tafel.«O» hielp m’n zaalwachter me uit den droom, «die heeft die andere meneer, die vriend van u, onder z’n beheer. Of ’k u maar groeten wou».’t «Beheer» van Jos! De toestand werd onhoudbaar. Hoe meer succes de tentoonstelling kreeg, hoe meer ’t me zou kosten. ’k Zat in ’n labyrint.’t Einde kwam zeer onverwachts. De expositie was zoowat twee weken geopend. Ze kreeg steeds meer toeloop. De kranten schreven er sympathiekover en meldden, op verzoek, niet den naam van den schilder. Deze bescheidenheid werd ’m als ’n extra verdienste aangerekend. Hij kreeg ’n anonieme vermaardheid.Ik zelf voelde me als dakloos. ’k Sliep niet meer thuis. Die uien met en zonder, die appelen, ’k had ze tegengegeten. ’k Kon ze niet meer zien.Eens, nadat ik 2 maal 24 uur onder water was gebleven, belandde ’k weer in Artis Pictura. Nauwelijks boven, werd er gebeld. Jos, vol-ijverig (z’n oogen kregen langzamerhand de schittering van ’n dubbelen rijksdaalder) deed open. Plots hoorde ’k ’m echter de trap opstuiven, in vlucht. ’k Trad naar ’m toe. Hij duwde me op zij, rende de zoldertrap op. «Deurwaarder!» fluisterde-ie me nog toe. Daarop hoorde’k boven ’n sleutel tweemaal in ’t slot draaien.’n Dik heer hijgde zich naar de expositie-zaal. Schuin over z’n buikglobe betuurde-ie m’n wanden. Bij den eersten blik echter reeds keek-ie verrast. Dan ontsnapte ’m ’n verbaasd «tsjs, tsjs». ’t Was precies, of ’n ketel stoom uitliet.«’k Had—’t—moeten—begrijpen», stuwde-ie moeizaam uit. «Natuurlijk! Hen—ke—man! O, maar—dat—gaat—zóó—niet!»Hij koerste op me af. ’k Besefte ten volle ’t gevaar, waarin ’k verkeerde. Onversaagd moest ’k er me doorheen slaan.«Me-neer!» begon de deurwaarder en hij gaf me ’n breedexposévan z’n verhouding tot J. Henkeman, kunstschilder.«Pardon!» hoopte ’k ’m te overrompelen. «De heele collectie is sinds kort m’n eigendom».«Ha ha!» lachte de vreeslijke man en ’k kreeg de gewaarwording, dat m’n «Artis» met ’n nijlpaard verrijkt was. «Dat kennen we. Jawel!»«Ach, neemt u mij niet kwalijk, wat zei u, uw eigendom?»’k Dacht zóó bij m’n beneden-buren terecht te komen: de grond onder me wankelde. Waar kwam die meneer van Haersten tot Vleujen opeens vandaan? ’k Had ’m nog niet opgemerkt.«Doorgestoken kaart, meneer» lucht-exploosde de gevreesde man van dagvaardingen en andere gruwlijkheid. «We hebben dat—meer—bij de hand gehad».«Ach, laat umijeven uitspreken, hè?»kriegelde Tot Vleujen met z’n gewoon aplomb, waarvoor zelfs het wettelijke, monster, dat mijn salon bestookte, moest wijken. En zich totmijwendend, ging ’t comité-lid verder:«U zei.... Hm! En de jeugdige, talentvolle kunstenaars, die zoo belangeloos.... Expliceert u mij dat eens».’k Heb den heer van Haersten terzijde genomen en alles uitgelegd. ’t Was ’t eenigste, wat er voor me opzat. Dat kwartier uit m’n leven vergeet ’k nooit.M’n toehoorder wond zich ’n oogenblik zóó op, dat-ie z’n correctheid bijna verloor. Daarop begon-ie ’t geval echter wat menschelijker te bezien en ’t eind was, dat iets van ’n glimlach over z’n welgedaan uiterlijk toog. Toch bleef-ie zakelijk.«Enfin» besloot-ie. «U draagt ’t Steuncomité 50 pCt. af. Dan zullen we er niet meer van spreken. Men exploiteert ons maar, men exploiteert ons maar! En we sluiten vandaag de expositie».«Graag!» stemde ’k van harte toe. Eindelijk zou ’k dus weer ’n huis hebben!«Sluiten?» vroeg de deurwaarder, die nog steeds als ’n Atlas z’n globe stond te torsen. «Enne....»Toen heb ’n lange explicatie met hèm gehad. Met z’n visch-oogen keek-ie me wantrouwend aan. En telkens als er ’n adem-stoot kwam, was ’k bang, dat ’k weggeblazen werd.Ten slotte was-ie er achter.«Danìkde andere 50 pCt. Of—’k maak ’t bekend».’k Protesteerde. ’t Hielp niet. ’k Vocht tegen ’n walvisch.We zijn gaan rekenen. De inspecteur had alles onaangenaam nauwkeurig geboekt. Een en vijftig Stemmingen, Appelen met dit en met dat, tegen ’n eenheidsprijs van vijf gulden, maakte.... ’t Was heel eenvoudig. Op de tafel lag niets. En persoonlijk had ’k slechts ’n tientje opgestreken, want, hòe ’t ook ging, aan Jos’ «beheer» was niet te ontkomen. ’k Betaalde dus twee honderd vijf en veertig gulden. En annonces, «zaal-huur», alles was voormij. Vervolgens is de nood-expositie zonder woord van dank gesloten.’k Heb boven ’n hartig woordje met Jos gewisseld, hij àchter, ik vóór de zolderdeur. Op ’t laatst werd-ie driest, kwam er uit en verweet me, dat al z’n bèste werk voor ’n appel en ’n ei gegaan was.«Ja, appelen en uien!» maakte ’k me driftig. «Hou maar op! Dat is je dank. Haal die rommel dadelijk weg. Geen dag langer wil ik ’t in huis hebben. ’t Verslindt kapitalen. Artis Pictura!»De Volksbond is er weer aan te pas gekomen. Het is merkwaardig, hoe doorzettend deze lieden zijn. En niets vergaten ze, zelfs geen gember-pot.Jos heeft me ’n heel boozen brief geschreven. En Co krabbelde er nog ’n regeltje onder, dat lang niet slaperig was. Vrouwen laten zich nu eenmaal door haar echtgenoot verblinden.Wanneer ’k weer eens langs de Henkeman’s kom, bel ’kniètaan.
DE NOOD-EXPOSITIE.
Omdat ’k, door de algemeenemalaise, toch niets te doen had, belde ’k bij m’n vriend Jos aan.Dat is m’n noodlot. Ieder heeft zoo z’n buitenissigheidjes, z’n zwak, z’n zonde. De een houdt er ’n villa op na, waar-ie nooit komt, ’n ander ’n «stoom»-fiets, waar-ie niet op terecht kan, ’n derde ’n meisje, dat-ie niet meer bezoekt.Ikheb m’n vriend Jos. Ofschoon ’k weet, dat-ie me nooit anders dan onaangenaamheid bezorgt en ’t me altijd, hoe ’t ook draait, geld kost, kan ’k toch de verleiding niet weerstaan,’m nu en dan weer eens te bezoeken. M’n heiligste voornemens zelfs zijn daar niet tegen bestand. ’t Is de drang naar zelfvernietiging, welke in elk mensch schuilt. ’k Vecht er maar niet langer tegen.’k Belde dus aan bij m’n vriend Jos. Er werd niet opengedaan. Dit wist ’k van te voren. Bij Jos wordtnooitopengedaan. Dat is systeem. ’t Leven leidt soms tot wrange consequenties.’k Deed ’n stap naar achter, door de ramen van z’n benedenhuis te turen. Die zijn ondoordringbaar, wijl bijkans tot ’t plafond dicht-begordijnd. «Dat is ’t eenige, waarom je blij moet zijn, als je schilder bent» had Jos me wel eens gezegd. «Ze kunnen tenminste niet zien, of je thuis bent!»’k Stond besluiteloos. Alle geheimeteekens hadden indertijd op den duur gefaald. Zelfs ’t driemaal zacht tikken, gevolgd door ’n luide kuch, was door schuldeischers afgekeken en had Jos in de grootste moeilijkheid gebracht. En ’t werd lastig, telkens weer ’n nieuwe krijgslist te bedenken.Daar schoot me ’n ouwe truc te binnen. ’k Belde nog eens, deed dan m’n kaartje glijden in de busklep—ook die «doorkijk» was hermetisch gesloten: er flapperde ’n gordijntje achter, naar ’t heette voor den tocht—en kuierde langzaam op. Als Jos er nu maar op inging! Want ook met kaartjes was al gefraudeerd, zoodat Jos niets of niemand meer vertrouwde. Doch hoe zou een van z’n schuldeischers nu aan mijn visite-kaartje komen?’k Keerde op m’n schreden terug.Gelukkig, ’t had geholpen! Jos’ deur kierde en, toen ’k er weer voor stond, werd ’k ijlings naar binnen getrokken door ’n energiek rukkenden, manchetloozen arm. ’k Raakte bijna van den voet. Met ’n bons sloeg de deur achter me dicht. ’k Was in de vesting!Jos keek me verwilderd aan. «Goddank, dat je d’r bent!» fluisterde-ie me toe met ’n voor hem ongekende hartelijkheid. «We snakken naar afleiding. ’k Word gek van de eenzaamheid. We zitten hier als op ’n fort. ’t Is verschrikkelijk!»’k Drukte ’m de hand, begrèèp ’m. «Ja» zei ’k, «’k had al eerder plan gehad. Maar omstandigheden, hè? Vrouw en kinderen wel?»Weer zag Jos me verbijsterd aan, alsof ’n langbegeerde prooi eindelijk inz’n macht was geraakt. «Hm» mompelde-ie dan, «vrouw en kin.... Laten we liever over wat prèttigs praten. Maar.... kom binnen.»’k Trad in z’n voorkamer, waar ’t er zeer «gemobiliseerd» uitzag. En aan ’t hand-dikke stof op lamp, schoorsteen en de weinige stoelen, bemerkte ’k dadelijk, dat er van ’n dagmeisje sinds weken geen sprake meer was.Rondziend, ontwaarde ’k op de sofa bij ’t raam ’n beweeglijk pakket, dat zuchten in mijn richting afzond. Dat kon niet anders dan Co zijn, begreep ’k. En m’n hand weer uitstekend, zei ’k op goed geluk: «Dag, Co.»’t Pakket, in ’n eens zalm-kleurigen lap gewikkeld, welke desnóóds voor peignoir kon doorgaan, richtte zich half op van de krakende sofa. Tweedoffe oogen bestaarden me, vijf slappe vingers raakten me even aan. Daarop zonk alles weer ineen, tot niet. Onwillekeurig dacht ’k aan ’t beeld van de kaars, welke nog eenmaal flappert, vóór ze........ Ach!«Wat scheelt er aan?» vroeg ’k, niet gerust. «Wat heb je?»Er kwam geen antwoord. Slechts ’n verwijderd gekreun, dat ook ’n gesmoord snorken kon zijn, drong tot me door.’k Herhaalde m’n vraag. Toen, na nog ’n pauze, welke ’n eeuwigheid scheen, verzuchtte, wat daar nog leefde op de rheumatische sofa,molto ritardando:«Ik...... sl...... aap.»Verlucht richtte ’k me weer op. Er was dus nog geen gevaar!«Ja,» venijnde Jos, langs me heen slungelend, terwijl-ie z’n broek zóó hoog optrok, dat ’k niet begreep, hoe-ie nog vóórt kon. «Ze doet niet anders. Lollig voor mij! Maar je kómt er hier wel toe. Zelfs geen krant krijgen we. (Ze willen me niet meer als abonné, de geldknijpers!) ’k Weet nauwlijks, of d’r nog oorlog is! Nona! ’t Eenige, wat er voor ons op zit!»Hier loosde Jos ’n geeuw, welke als ’n gat in de ruimte sloeg. Ook ik sperde m’n mond, van den weeromstuit. En ’t werd hoogst hoorbaar, hoe Co, zooal niet de ééuwige, dan toch ’n zeer langdurige rust was ingegaan. Gezellige boel!«Maar hoe leven jullie hier dan?» belangstelde ’k nog, beleefdheidshalve.«We leven heelemààl niet» knarsteJos, moeilijk verstaanbaar. «We zitten hier opgesloten. Gevangenen, man, gevangenen! Ze hebben de bel uit de deur getrokken. Wat de menschen toch koppig zijn, om nù nog met kwitanties te komen! Dat wordt gewoon ’n manie van ze. Maar wie er komenmoet, blijft weg: de bakker, de kruienier. Tusschen licht en donker moet ’k er als ’n misdadiger op uit, om brood, boter. En altijd zie ’k nijdige gezichten van lui, van wie ’k al jàrenlang klant ben, de ondankbaren! En deurwaarders, o, o! Maar dat zal ook niet lang meer duren. ’k Heb nog precies 12–1/2 cent. Dan gaan we maar allemaal liggen, naast Co. En ze zullen ons later vinden, ontbonden, met verstarde gelaatstrekken, ’n artistentragedie. Ha ha!»Wild stiet Jos ’n piep-geluid uit en z’n haren wàpperden.’t Koude zweet brak me uit. Had ’k maar weerniètaangebeld!In ’t atelier, achter, klonk geritsel, hardnekkig. ’k Luisterde.«Wat is dat?» vroeg ’k, nieuwsgierig.«Muizen!» fluisterde Jos met ’n stem, die al zwakker en zwakker werd. «Dag en nacht gaan ze te keer. Ze vinden niets meer, geen kruim. Straks beginnen ze nog aan m’n stillevens. Haha! Alsikze niet voor ben!»In Jos’ oogen flikkerde iets, dat op krankzinnigheid wees. Verteerde de innerlijke vlam ’t broze omhulsel?«Spreek toch wat harder» zei ’k. «’k Versta je haast niet. Ben je verkouwen? Je praat zoo heesch.»Jos sloeg ’n zonderlingen blik naar’t plafond. Dan blies-ie geheimzinnig in m’n oor:«De boven-buren! Ssst! Als d’r gebeld wordt, waarschuwendiè, dat ’k thuis ben. Ellendelingen! Omdat ’k eens ’n pakje voor ze heb aangenomen, dat we maar opgegeten hebben. Rolham, stel je voor! Wie laat zoo iets staan, in deze tijden! Die lui hebben geen hersens».Weer trok Jos verwoed z’n broek op. ’k Werd bang, dat er op die manier weinig van dat kleedingstuk zou overblijven.Opeens voelde ’k ’n schrijnende pijn in ’t meest rechtsche mijner beenen. ’k Keek omlaag. Er stak ’n pijl in m’n broekspijp.«Au!» deinsde ’k onwillekeurig terug. Onder tafel zat Joop, de «aardige»oudste van de twee kleine Henkeman’s, met opnieuw geladen boog. Schielijk week ’k nog op zij. En ’n tweede pijl vloog geruchtig tusschen m’n beenen door.«Ze zijn niet vergiftig» lachte Jos satanisch. Hij scheen er bepaald plezier in te hebben, dat z’n jongen me vrees aanjoeg. ’t Scheelde weinig, of hij hitste ’m aan met ’n: «Pak ze! Ks, Ks!»Nu ’k z’n schuilplaats echter ontdekt had, was de aardigheid voor Jopie er af. Hij kroop onder de tafel vandaan en vermaakte zich ’t verdere van de visite met voortdurend om me heen te draaien en me daarbij aan te gapen, of ’k ’n soort Boschjesman was. ’t Was dan ook waar: de jongen was menschen ontwend.’k Wou gaan zitten. «Pas op!» waarschuwdeJos met ’n gebaar, dat ’n trein tot stilstand zou hebben gebracht. «Die stoel niet! Dàar! Dàt is de goeie».IJlings richtte ’k me weer op. In den huize Henkeman ontsnapte je elk oogenblik aan gevaren.’k Zette me nu, volgens aanwijzing, dicht bij de schuifdeur, waardoor je in ’t atelier kwam. ’k Keek er meteen binnen.Daar hingen, stonden, lagen de mij welbekende studies, stillevens, krabbels, wonderlijke mensch-, ver- en andere gezichten. D’r kwam maar geen schot in den voorraad.«Je moest eens iets actueels maken,» raadde ’k met de beste bedoeling. «Dat is ’t eenige, wat op ’t oogenblik pakt.»Jos stoof op me af. ’k Dacht, dat ’k alweer op ’n verkeerden stoel zat!«Schei uit!» raasde-ie, in spijt vande buren boven. «’t Heeft me al dol gemaakt. Iets actueels! ’k Heb ’n pracht-ding geteekend. Niet waar, Co? O, ze slaapt. Làat ’r. —’n Pracht-ding! De kanonnen reden door de lucht. Wat? Nee, ze renden, rolden, donderden. ’t Was verschrikkelijk. Je hield je hart vast. Elk oogenblik dacht je: ze komen naar beneden. Kan ’t spannender? Laat één me dat maar nadoen! En Co lag tegen ’n heuvel, handen voor ’t gezicht, als schreiende vredes-maagd. Ze heeft me nog nooit zoo ontroerd. ’k Wist niet, dat m’n eigen vrouw zoo’n pracht-maagd was! En gewonden en vluchtelingen, voor alles had ’k gezorgd. ’k Ga er mee naar den Nieuwen Kunsthandel. ’k Denk: dàt neemt-ie zeker. Wat zegt de vent? «Neem weg dat ding! U ruïneert m’n zaak. U jaagtde menschen m’n winkel uit. Ze willen geen narigheid. Die lezen ze in de kranten al genoeg.» En ik met m’n kanonnen weer naar huis. ’k Verzeker je, dat ze me zwaar wogen.»Jos streek z’n haren uit z’n voorhoofd, wat ’n heel werk was. Dan stak-ie z’n handen weer zoo diep in z’n broekzakken, dat ’k niet begreep, hoe-ie ze ooit weer terugvond en stapte als ’n opgejaagde kievit z’n atelier door. Werkelijk, de kerel behield toch altijd iets geniaals.’k Volgde ’m, òòk om ’n oogenblik van Jopie bevrijd te zijn. De jongen maakte me bepaald verlegen.«Waar zijn ze?» informeerde ’k, rondziend.«Wie?» vroeg Jos, met z’n blik minstens bij ’n vergruizelde ster.«Wel, de kanonnen!»«O, die! Kapot. Verscheurd. Jammer genoeg. Maar ’k was ook zóó nijdig. En dan, ’t maakte me beroerd, Co altijd vlak onder dat oorlogstuig te zien. Of je wou of niet, je kreeg ’n gevoel: straks gebeurt er wat! Dat houdt geen mensch uit.—Maar, ’k zal je verder vertellen. De menschen willen geen akeligheid, denk ik? Goed, dan maar wat lolligs. En ’k heb me daar ’n karikatuur op den oorlog geleverd.... ik ben d’r zelf drie dagen ziek van geweest; van ’t lachen! Om bij dood te gaan! Soldaten met ’n kiespijn-doek achter ’n boterton, de vluchtende vijand op steigerende ezels, ’n generaal onder ’n paraplu; enfin, je kan ’t je voorstellen. Ik er mee naar ’n zekeren—hoe heette-ie ook weer?....o ja, van Haersten tot Vleujen. Die was me nog wel aanbevolen als ’n eerste collectionneur! Tot Vleujen ontvangt me aan ’n stevige kip met compote en meer van die sausnegerij. Hij ziet m’n teekening niet, of-ie vliegt op, razend, smijt servet, mes en vork over de tafel en hij brùlt: «M’n huis uit! Schaam u, meneer, in deze benarde tijden den spot te drijven met de onnoemlijke ramp, welke Europa teistert. Foei, foei!» De man werd zoo rood, dat ’k voor ’t ergste bij ’m vreesde. «Eet smakelijk», zeg ’k en ’k laat ’m met z’n benarde tijen bij z’n lunch, die er wezen mocht, hoor! Maar je begrijpt, de liefhebberij bij mij was er af».Jos lachte bitter. «Multatuli!» dacht ’k. Daarop deed-ie me ’t ergste aan,dat-ie maar bedenken kon: hij stak z’n steenen pijpje op.’k Draaide me om, hoestte. Joop verdween naar de voorkamer.«Oorlogs-tabak!» grinnikte Jos. ’t Was ’n onbeschrijflijke lucht. Of-ie z’n pijp met ’n stukje heel oude zool had gestopt! En m’n sigaren-koker lag thuis. In zóóverre hielp z’n tactiek ’m dus niet.’k Begreep, dat ’t met Jos op z’n ergst gesteld was. Wie dàt rookte! Daar móést verandering in komen.«Hou ’n expositie van je volledige werken», verzon ik. «Tegen ’n heel lagen prijs. ’t Is toch noodtoestand».Jos schudde halsstarrig van «nee». En na ’n paar rookwolken, waartegen ik bepaald meende te moeten protesteeren, knorde-ie:«Kán niet. Heb ’t al geprobeerd».’k Keek ’m vragend aan.«Helpt toch niet», ging-ie verder. Nog wou ’k aandringen. Toen sprak-ie één vreeslijk woord, dat alles expliceerde:«Deurwaarders».Daar zàt ’k met m’n idee. Jos’ pijpje begon gootig te slobberen.«Is d’r geen mouw aan te passen?» vroeg ’k nog.«Hoè?» knerste Jos.’k Peinsde.«Als», kwam ’t er langzaam bij me uit en ’k begon waarlijk al wat aan de oorlogs-tabak te wennen, «als die schilderijen van ’n ander waren,zoogenáámd. Hm, ja. Maar dan moeten ze vóór alles hier uit huis. Zou de kunsthandel niet....»Jos deed ’n verwoeden trek, wat me haastig deed zwijgen.«De uitzuigers?» barstte-ie los en àl z’n haren trilden. «Liever snij ’k m’n vingers af».Dat wou ’k natuurlijk niet op m’n geweten hebben. Om ’m af te leiden, opperde ’k ondoordacht:«Bij ’n particulier dan.Iemandwil je toch wel helpen?!»«Wie?» vroeg Jos weer en z’n oogen boorden diep in de mijne.’k Voelde me als op ’n hellend vlak. Er groeide ’n benauwende stilte. Wat had ’k aangehaald?«Wie?» herhaalde Jos, bijna dreigend.Daar ontstond leven op de sofa. ’n Vreeslijk gekraak van ’t trotsche meubel bewees, dat de vredes-maagd ontwaakte. Of had ze heel niet geslapen? Spoedig moest ’k ’t haast wel denken, want Co, in al ’r bekoorlijkheid van schilderseega,die gewend is te poseeren, met losse haren, lossen peignoir (of wat daarvoor doorging) en zóó losse muilen, dat ze er een van verloor, stevende recht op me toe en, met ’n stem, die geen tegenspraak duldde, zei ze:«Jij natuurlijk! Onze vriend! Je hebt zoo’n mooi bovenhuis en je woont alleen. Voor ’t Steuncomité, zeggen we. Als dat niet helpt!»’k Zat geslagen. Dat er ook in die slaperige Co zoo’n listige Eva stak!Jos stiet ’n Indianengehuil uit. Hàdden z’n haren overeind gekund, ze waren omhoog gegaan als duin-helm, van vreugde. Nu wàpperde-ie er slechts mee, hartstochtelijk.«Vrouw! Co! Engel!»kreet-ie en van enthousiasme duwde-ie ’r bijna ’n oog uit. «Wat ’n begrip! Wat ’n verstand!Waar haalt ze ’t vandaan? O, vrouwen hooren in den hemel! Co, laat ’k voor je knielen».«Pas op die punaise», waarschuwde Co practisch. Dan noemde ze ’m nog «lummel», omdat-ie ’r oog zóó fel geraakt had, dat ’t bepaald begon te tranen. Een en ander weerhield ’m van verdere exaltische uitingen.Ik maakte bezwaar tegen ’t plan. Vooral dat «Steun-comité» had allerminst m’n goedkeuring. Doch Jos, door z’n atelier dravend, alsof-ie ’n jacht-akte veroverd had, sloeg al m’n bedenkingen breed-geniaal een voor een den kop in. Hij wees zelfs op ’t morééle van ’t geval. Diende in dezen moeilijken tijd ieder niet z’n eigen steuncomité te zijn? «En dan», deed-ie royaal, «ze kunnen voor mijn part 50 pCt. krijgen».«Zou 20 niet voldoende zijn?» vroeg Co, wier slaperigheid geheel geweken was.«Of 10,» krabbelde Jos terug, die zich de lapjes van vijf en twintig al bij bundeltjes ontrukt zag. «Enfin, dat regelen we allemaal wel. ’t Voornaamste is nu: aanpakken! Morgen hang ’k den boel bij je op. M’n volledige werken, haha! Als je maar plaats hebt! M’n uitbouw staat nog vol. ’t Zal ’n evenement zijn!»Zalig staarde Jos, dwars door de kast, waarin waarschijnlijk de muizen zaten, naar ’n toekomst, welkeiknog niet bespeurde. Hij zag zich al beróémd. Mocht ’k die illusie verstoren?Plots hief de jongste der Henkeman’s, die, ergens achter, ’r middagslaapje gedaan had, ’n vervaarlijk geschreeuw aan. Co, nu zonder één enkele muil,snelde(of ze ook wakker was!) naar’r kind. Opnieuw snorde ’n pijl door de lucht: Jopie, die zich weer verdekt had opgesteld, heropende de vijandelijkheden. Hoe ontsnapte ’k aan zooveel bedreiging? Daar stopte Jos ten tweede male z’n pijp. ’k Voelde dat ’k wijken moest. En onmiddellijk! Met vele zware handdrukken nam ’k afscheid, m’n hoofd slechts vervuld van één ding: de nood-expositie. ’t Deed er pìjn van.Den volgenden morgen (Jos was voor zijn doen bijzonder vroeg uit de veeren) hielden drie wagens voor m’n deur stil. Mannen van den Volksbond zeulden ’n uur lang m’n trappen op en af. Toen er volstrekt niets meer bij kon, hielden ze er eindelijk mee op. Het waren hardnekkige lieden.Jos, die met ’n stralend gezicht van m’n beste sigaren zat te rooken—hoe-ie die zoo dadelijk gevonden had?—zei gedachteloos:«Ach, betaal jij even?» en ’k voldeed de stoere werkers.«Je hebt ze toch gefooid?» vroeg-ie nog, achter ’n dichte wolk.«Ja», zei ’k kort. «’k Dacht, dat je dat wel goed vond».Jos knikte grootmoedig. Dan sprong-ie elastisch op en riep:«Komaan, laten we maar dadelijk gaan ophangen!»«Hang», meende ’k vriendelijk.Er is tot ’s avonds laat in m’n huis verwoed geklopt, geprikt, getimmerd. Jos is boven op m’n piano geklommen—z’n hakken zaten met spijkers—en heeft twee vazen gebroken en maar één aschbak. Niet één stoel, of hij heeft er op gestaan, gedanst, gezwengeld. Almijn schilderijen, behalve ’n merkwaardig stilleven, dat ’n Henkeman was, zijn afgehaald en vervangen door de volledige werken van Jos. Waar ’k ook keek, overal gaapten z’n binnen- en buitenhuizen, z’n sinaasappels met en zonder ui, z’n portret-studies, z’n mystische krabbels van Co me triomfantelijk aan. Zelfs in de gang hingen ze, boven de trap. Ze waren niet te ontloopen.«Waar laten we de meubels?» zwoegde Jos met aan elk zijner haren ’n druppel.’k Keek ’m verbijsterd aan.«Moeten die ook al weg?» vroeg ’k angstig.Hij wierp me ’n blik toe, of-ie me opeten wou. Doch voorloopig begon-ie maar weer aan m’n sigaren.«De menschen moeten toch kunnenlóópen», expliceerde-ie nog tamelijk bedaard. «’t Is hier ’n ex-po-si-tie! Die spiegel moet er ook af. Daar kan nog wat hangen».Met dien spiegel heb ’k ’m geholpen. ’k Dacht aan m’n vazen en den aschbak. Daarop hebben we ons weer tot den Volksbond gewend en de drie zelfde stoere werkers hebben andermaal met zwaar bemodderde schoenen ’n vol uur door m’n huis gezworven, tot ze alles, wat hinderde, op den zolder, de bovengang en in m’n slaapkamer hadden geplaatst. Hoe ’k ’s nacht in m’n bed moest komen, begreep ’k niet. Doch ’t leven hééft nu eenmaal moeilijkheden.«’t Begint er al aardig uit te zien», wreef Jos vergenoegd z’n handen. ’k Keek eens rond. ’k Zag enkel Henkeman’s.Toen is Jos met sjaals gaan drapeeren en doeken en oud lappen-goed en op de meest geheimzinnige plaatsen stelde-ie onverwacht ’n gemberpot op, waarvan-ie ’n onbeschrijflijke hoeveelheid bij zich had. Hier en daar kwam ook ’n lampion te bungelen, zoodat m’n huis langzamerhand min of meer ’n Oostersch aanzien kreeg. ’k Hoopte, dat ’k er aan wennen zou.«Hoe heb ’k dat opgeknapt?» vroeg Jos, weer stralend.’k Knikte, sprakeloos. ’k Had geen hoofd meer. ’t Duizelde me en m’n ooren suisden. Ook vond ’k ’t niet strikt noodzakelijk, dat al m’n Havana’s in één dag werden opgerookt.«Ja, neem me niet kwalijk», zei ’k dan met toonlooze stem, «maar ’k wou nu wel ’n stukje gaan eten».«Uitstekend!» wreef Jos zich andermaal de handen. «Waar gaan we naar toe?»’n Oogenblik dacht ’k er over, of ’k maar niet dadelijk naar bed zou gaan, hoeveel moeite me dat misschien ook zou geven. Daarop heb ’k ’m echter toch maar mee naar «Riche» genomen. ’n Dineetje had-ie met z’n zwoegen werkelijk wel verdiend.Hij heeft ’t zich heel goed laten smaken. En den wijn, daar was-ie ook kolossaal handig mee. ’k Dacht tenminste, dat we nog aan de tweede flesch waren, toen de derde al op tafel stond. Hij werd erg spraakzaam en drong er sterk op aan, dat ’k ’t «geval» mooi zou aankleeden. De tentoonstelling moest niet vanmijuitgaan, ’n gewoon particulier, doch van ’n naamloozevennootschap. Hij zocht al naar ’n naam. Eindelijk vond-ie iets. «Artis Pictura» leek ’m bijzonder fraai. ’k Twijfelde eraan, of dat vloeiend Latijn was. Ook herinnerde ’t me te sterk aan ’n welbekenden dierentuin. Doch Jos, koppig als-ie bij den wijn zit, hield voet bij stuk. Zoo werd m’n huis, of wat daarvan was overgebleven, onder ’n Triple Sec «Artis Pictura» gedoopt.Hij is weer met me mee terug gegaan (Jos was àltijd aan me gehecht). Bij me thuis is-ie nog wat aan den timmer geslagen, doch met onvaste hand. Toen z’n eene duim heelemaal blauw was, hield-ie er mee op. We hebben ons daarop onder de whisky gezet. Dat maakte ’m weer zoo fiksch, dat-ie opnieuw bovenop m’n piano wou. Dat heb ’k ’m echter krachtig belet.’k Vind, leelijke gewoontes moet je niet in de hand werken.«Breng me dan maar naar bed», gaf-ie gewillig toe. «Waar slaap ’k?»«Dat weet ’k niet», bracht ’k aan z’n verstand, «maar hièr niet».’t Scheelde weinig, of-ie begon te huilen.«Niet in Arti Pictus?» drijnde-ie.«Nee», zette ’k door. «’k Heb momenteel maar één bed. En of ’k daar in kan komen, valt nog te bezien. In elk geval, ’n logé kan ’k niet hebben. En.... denk aan Co!»«Daarom juist», bekende-ie kinderlijk. Maar hij is dan toch gegaan, met onder elken arm ’n gemberpot. Hij schijnt nu eenmaal gek op die dingen te zijn.De eerste dagen kreeg Artis Pictura niet één enkelen bezoeker. En ’k had toch flink geadverteerd. Uit deurwaarders-overwegingen had ik den naam «Henkeman» maar weggelaten. Ook op de helft der geëxposeerde werken ontbrak die. Dat kon echter al niet anders dan ’n aanbeveling zijn. Waarin zat ’t ’m dus?’t Begon er somber uit te zien. Jos liep den heelen dag heen en weer als ’n gekerkerde leeuw. Alleen gedurende denlunchging-ie zitten en stond dan voorloopig niet op. Z’n goede eetlust, zei-ie, was z’n redding.«Hebben we den prijs misschien toch nog wat te hoog gesteld?» vroeg ’k voorzichtig.Jos, die juist ’n blikje zalm bewerkte, sprong woedend op.«Wou je ze den arbeid van m’n leven dan heelemaal cadeau doen?» riep-ie, zich verslikkend. «Vijf gulden! Jij met je eenheidsprijs! ’k Gooi m’n naam toch al te grabbel. Je bent al net zoo’n uitzuiger als die anderen».’k Zweeg. En ’k zag, hoe ’t blikje totaal verdween.«Je moet ook ’n bord aan je huis slaan», beweerde Jos met vollen mond, «En de deur moet àànstaan. De menschen bèllen liever niet. En zet ’n aardigengroomof ’n livrei-knechtje in ’t portaal onder de tweede lampion. Zoo iets klèèdt».’k Ging er maar niet op in. ’k Had al groote onaangenaamheid gehad met de vrouw, die ’s morgens bij me werkte. Ze verkoos niet langer te komen, wanneer de voordeur open bleef. Ze wasgewoon, in fátsoenlijke huizen te werken, zei ze.Intusschen legden we de laatste hand aan den uitgebreiden catalogus. ’k Had de lijst persoonlijk met m’n fraaiste letter in elkaar gezet en ’t ding zag er goed uit. Alleen deed ’t wellicht wat eentonig aan. Er zat dan ook weinig afwisseling in ’toeuvrevan Jos. ’t Was maar: Appelen met ui, Stemming, Ui met appelen, Appelen met peer, Stemming, Peer met ui, Ui met boek, Boek met appelen, Stemming. ’t Begon op ’t laatst voor je te dansen. Daardoor heb ’k me bij de nummering wel eens vergist. ’n Studie tenminste, welke als Ui, met ’k weet niet meer wat, stond aangeduid, leek van dichtbij vaag op Co, wanneer ze langzaam van ’r merkwaardige sofa verrijst. Ook waren erverschillende krabbels, waaruit Jos zelf niet meer wijs kon. Die werden dan maar weer «Stemming» gedoopt. En ongeveer ’n vijftal doeken hingen onderste boven. Doch dat merkte je zoo gauw niet. Door een en ander kwam ’k echter tot ’t begrip, dat kunsthandel ’n apart en zéér moeilijk vak is.Den vierden dag van de expositie «ten bate van ’t Steuncomité» verschenen er twee bezoekers. Jos was juist even uit. ’k Trad ze minzaam tegemoet. En leidde ze rond.De heeren deden wat gereserveerd. Maar ’k dacht: «Komt er niet op aan. Als jullie maar kóópen». En ’k prees ’toeuvreHenkeman’s aan als ’t werk van eenige jeugdige, veel-belovende artisten, die zich gedrongen hadden gevoeld, indeze tijden, enzoovoort. «Je bent ’n flesschentrekker» signaalde m’n geweten. En ’k stond er zelf versteld van, dat ’k zoo liegen kon. Doch ’k deed ’t voor ’n ànder.«Enwil’t nogal?» informeerde dan hoogjes een van ’t tweetal.«Beroerd» wou ’k zeggen. Maar ’k bedacht me, dat men in zaken nooitteeerlijk moet zijn. Onverschillig sneed ’k daarom op:«Langzaam aan, heeren, langzaam aan. Er is tot heden voor ’n vijftig gulden verkocht».«Ha! Vijftig gulden?» riep m’n ondervrager verrast uit. Daarop haalde-ie ’n opschrijfboekje te voorschijn en teekende er iets in aan.’k Keek verwonderd toe. Iemand van de pers misschien?M’n bezoeker hielp me echter uit den brand.«Mag ’k me eens voorstellen?» kraakte-ie correct. «Van Haersten tot Vleujen». (Te drommel, waar had ’k dien naam meer gehoord?) «Lid van ’t Steuncomité hier ter stede. We stellen ’t natuurlijk zeer op prijs, dat u zoo ijvert voor de goede zaak. Maar, u houde ’t mij ten goede: als u eens wist, op hoeveel manieren onder ónze vlag ’t eigen voordeel wordt gediend! Ze exploiteeren ons maar, ze exploiteeren ons maar! Ja, ja! Vijftig gulden dus! Mooi! We zullen van onzen kant wat menschen aanmoedigen, de expositie te bezoeken. U beseft, dat helpt enorm. En dan, sta ons toe, dat we uw taak wat verlichten. Wij willen niet, dat u alles alleen doet. Elken dag vantien tot vier hier te staan, dat mogen we niet van u vergen. Meneer hier, die, om zoo te zeggen, een van onze inspecteurs is, zal u bij den verkoop behulpzaam zijn. Hij is ’n zeer werkzame en vertrouwde kracht. ’k Wil intusschen ookmijnsteentje bijdragen tot ’t goede doel».’k Boog. De spiegel hing er niet meer. Anders had ik waarschijnlijk kunnen constateeren, dat ’k er ongewoon bleek uitzag. De inspecteur keek me doordringend aan. ’k Moest me dus goed houden. En glimlachte.’t «Steentje» van ’t comité-lid werd een van de ontelbare uien, ditmaal «met banaan». Vijf gulden werden op m’n tafel gedeponeerd (’k zie ze nòg schitteren) en dadelijk geboekt. Met ’n zorgvuldige buiging nam de heer vanHaersten tot Vleujen afscheid. De ander bleèf.Toen Jos terugkwam, heb ’k ’m mee naar boven genomen, naar zolder. Daar, tusschen de opgestapelde meubels, heb ’k ’m de situatie uitgelegd. ’k Deed nogal zenuwachtig. Jos staarde me wezenloos aan. Daarop begon-ie aan al z’n haren te rukken. Met z’n elleboog stiet-ie ’n pendule van ’n soortconsoleen hij raasde:«M’n werk! M’nkostbarewerk! Sluit de tentoonstelling. Direct! Benikin de wieg gelegd voor filantroop? Hoe kan ’nvriendje zoo iets aandoen!»’k Trachtte ’m te kalmeeren. En wees er op, dat sluiting op ’t moment onmogelijk was. Wat moest ’t comité er wel van denken?«Maar m’n arbeid van jaren dan!»huilde-ie met weer ’n pluk aan z’n haar. «Straat-arm maak je me, ’n bedelaar!»«In ’s hemelsnaam, spreek wat zachter» smeekte ’k, met m’n gedachten bij den «inspecteur». Werktuiglijk tastte ’k naar m’n zak. ’k Leende Jos ’n tientje. En ’s middags nam ’k ’m weer mee naar «Riche».De volgende dagen belde er nu en dan iemand aan bij «Artis Pictura». De heer Tot Vleujen had nogal connecties. Er werd gekocht, al was ’t niet veel. ’n Tiental rijksdaalders verdwaalden «tijdelijk» naar m’n portemonnaie.Al die vreemde menschen in m’n huis, ’t werd me ’n gruwel. Op ’n dag kneep ’k er ’s morgens vroeg al tusschenuit. Tegen sluitingsuur kwam ’k thuis. De «inspecteur» zag er hoogst vergenoegd uit. ’k Keek ’m vragend aan.«De verkoop stijgt» zei-ie verheugd. «Heden twaalf stuks verkocht».’k Zocht op de tafel.«O» hielp m’n zaalwachter me uit den droom, «die heeft die andere meneer, die vriend van u, onder z’n beheer. Of ’k u maar groeten wou».’t «Beheer» van Jos! De toestand werd onhoudbaar. Hoe meer succes de tentoonstelling kreeg, hoe meer ’t me zou kosten. ’k Zat in ’n labyrint.’t Einde kwam zeer onverwachts. De expositie was zoowat twee weken geopend. Ze kreeg steeds meer toeloop. De kranten schreven er sympathiekover en meldden, op verzoek, niet den naam van den schilder. Deze bescheidenheid werd ’m als ’n extra verdienste aangerekend. Hij kreeg ’n anonieme vermaardheid.Ik zelf voelde me als dakloos. ’k Sliep niet meer thuis. Die uien met en zonder, die appelen, ’k had ze tegengegeten. ’k Kon ze niet meer zien.Eens, nadat ik 2 maal 24 uur onder water was gebleven, belandde ’k weer in Artis Pictura. Nauwelijks boven, werd er gebeld. Jos, vol-ijverig (z’n oogen kregen langzamerhand de schittering van ’n dubbelen rijksdaalder) deed open. Plots hoorde ’k ’m echter de trap opstuiven, in vlucht. ’k Trad naar ’m toe. Hij duwde me op zij, rende de zoldertrap op. «Deurwaarder!» fluisterde-ie me nog toe. Daarop hoorde’k boven ’n sleutel tweemaal in ’t slot draaien.’n Dik heer hijgde zich naar de expositie-zaal. Schuin over z’n buikglobe betuurde-ie m’n wanden. Bij den eersten blik echter reeds keek-ie verrast. Dan ontsnapte ’m ’n verbaasd «tsjs, tsjs». ’t Was precies, of ’n ketel stoom uitliet.«’k Had—’t—moeten—begrijpen», stuwde-ie moeizaam uit. «Natuurlijk! Hen—ke—man! O, maar—dat—gaat—zóó—niet!»Hij koerste op me af. ’k Besefte ten volle ’t gevaar, waarin ’k verkeerde. Onversaagd moest ’k er me doorheen slaan.«Me-neer!» begon de deurwaarder en hij gaf me ’n breedexposévan z’n verhouding tot J. Henkeman, kunstschilder.«Pardon!» hoopte ’k ’m te overrompelen. «De heele collectie is sinds kort m’n eigendom».«Ha ha!» lachte de vreeslijke man en ’k kreeg de gewaarwording, dat m’n «Artis» met ’n nijlpaard verrijkt was. «Dat kennen we. Jawel!»«Ach, neemt u mij niet kwalijk, wat zei u, uw eigendom?»’k Dacht zóó bij m’n beneden-buren terecht te komen: de grond onder me wankelde. Waar kwam die meneer van Haersten tot Vleujen opeens vandaan? ’k Had ’m nog niet opgemerkt.«Doorgestoken kaart, meneer» lucht-exploosde de gevreesde man van dagvaardingen en andere gruwlijkheid. «We hebben dat—meer—bij de hand gehad».«Ach, laat umijeven uitspreken, hè?»kriegelde Tot Vleujen met z’n gewoon aplomb, waarvoor zelfs het wettelijke, monster, dat mijn salon bestookte, moest wijken. En zich totmijwendend, ging ’t comité-lid verder:«U zei.... Hm! En de jeugdige, talentvolle kunstenaars, die zoo belangeloos.... Expliceert u mij dat eens».’k Heb den heer van Haersten terzijde genomen en alles uitgelegd. ’t Was ’t eenigste, wat er voor me opzat. Dat kwartier uit m’n leven vergeet ’k nooit.M’n toehoorder wond zich ’n oogenblik zóó op, dat-ie z’n correctheid bijna verloor. Daarop begon-ie ’t geval echter wat menschelijker te bezien en ’t eind was, dat iets van ’n glimlach over z’n welgedaan uiterlijk toog. Toch bleef-ie zakelijk.«Enfin» besloot-ie. «U draagt ’t Steuncomité 50 pCt. af. Dan zullen we er niet meer van spreken. Men exploiteert ons maar, men exploiteert ons maar! En we sluiten vandaag de expositie».«Graag!» stemde ’k van harte toe. Eindelijk zou ’k dus weer ’n huis hebben!«Sluiten?» vroeg de deurwaarder, die nog steeds als ’n Atlas z’n globe stond te torsen. «Enne....»Toen heb ’n lange explicatie met hèm gehad. Met z’n visch-oogen keek-ie me wantrouwend aan. En telkens als er ’n adem-stoot kwam, was ’k bang, dat ’k weggeblazen werd.Ten slotte was-ie er achter.«Danìkde andere 50 pCt. Of—’k maak ’t bekend».’k Protesteerde. ’t Hielp niet. ’k Vocht tegen ’n walvisch.We zijn gaan rekenen. De inspecteur had alles onaangenaam nauwkeurig geboekt. Een en vijftig Stemmingen, Appelen met dit en met dat, tegen ’n eenheidsprijs van vijf gulden, maakte.... ’t Was heel eenvoudig. Op de tafel lag niets. En persoonlijk had ’k slechts ’n tientje opgestreken, want, hòe ’t ook ging, aan Jos’ «beheer» was niet te ontkomen. ’k Betaalde dus twee honderd vijf en veertig gulden. En annonces, «zaal-huur», alles was voormij. Vervolgens is de nood-expositie zonder woord van dank gesloten.’k Heb boven ’n hartig woordje met Jos gewisseld, hij àchter, ik vóór de zolderdeur. Op ’t laatst werd-ie driest, kwam er uit en verweet me, dat al z’n bèste werk voor ’n appel en ’n ei gegaan was.«Ja, appelen en uien!» maakte ’k me driftig. «Hou maar op! Dat is je dank. Haal die rommel dadelijk weg. Geen dag langer wil ik ’t in huis hebben. ’t Verslindt kapitalen. Artis Pictura!»De Volksbond is er weer aan te pas gekomen. Het is merkwaardig, hoe doorzettend deze lieden zijn. En niets vergaten ze, zelfs geen gember-pot.Jos heeft me ’n heel boozen brief geschreven. En Co krabbelde er nog ’n regeltje onder, dat lang niet slaperig was. Vrouwen laten zich nu eenmaal door haar echtgenoot verblinden.Wanneer ’k weer eens langs de Henkeman’s kom, bel ’kniètaan.
Omdat ’k, door de algemeenemalaise, toch niets te doen had, belde ’k bij m’n vriend Jos aan.
Dat is m’n noodlot. Ieder heeft zoo z’n buitenissigheidjes, z’n zwak, z’n zonde. De een houdt er ’n villa op na, waar-ie nooit komt, ’n ander ’n «stoom»-fiets, waar-ie niet op terecht kan, ’n derde ’n meisje, dat-ie niet meer bezoekt.Ikheb m’n vriend Jos. Ofschoon ’k weet, dat-ie me nooit anders dan onaangenaamheid bezorgt en ’t me altijd, hoe ’t ook draait, geld kost, kan ’k toch de verleiding niet weerstaan,’m nu en dan weer eens te bezoeken. M’n heiligste voornemens zelfs zijn daar niet tegen bestand. ’t Is de drang naar zelfvernietiging, welke in elk mensch schuilt. ’k Vecht er maar niet langer tegen.
’k Belde dus aan bij m’n vriend Jos. Er werd niet opengedaan. Dit wist ’k van te voren. Bij Jos wordtnooitopengedaan. Dat is systeem. ’t Leven leidt soms tot wrange consequenties.
’k Deed ’n stap naar achter, door de ramen van z’n benedenhuis te turen. Die zijn ondoordringbaar, wijl bijkans tot ’t plafond dicht-begordijnd. «Dat is ’t eenige, waarom je blij moet zijn, als je schilder bent» had Jos me wel eens gezegd. «Ze kunnen tenminste niet zien, of je thuis bent!»
’k Stond besluiteloos. Alle geheimeteekens hadden indertijd op den duur gefaald. Zelfs ’t driemaal zacht tikken, gevolgd door ’n luide kuch, was door schuldeischers afgekeken en had Jos in de grootste moeilijkheid gebracht. En ’t werd lastig, telkens weer ’n nieuwe krijgslist te bedenken.
Daar schoot me ’n ouwe truc te binnen. ’k Belde nog eens, deed dan m’n kaartje glijden in de busklep—ook die «doorkijk» was hermetisch gesloten: er flapperde ’n gordijntje achter, naar ’t heette voor den tocht—en kuierde langzaam op. Als Jos er nu maar op inging! Want ook met kaartjes was al gefraudeerd, zoodat Jos niets of niemand meer vertrouwde. Doch hoe zou een van z’n schuldeischers nu aan mijn visite-kaartje komen?
’k Keerde op m’n schreden terug.Gelukkig, ’t had geholpen! Jos’ deur kierde en, toen ’k er weer voor stond, werd ’k ijlings naar binnen getrokken door ’n energiek rukkenden, manchetloozen arm. ’k Raakte bijna van den voet. Met ’n bons sloeg de deur achter me dicht. ’k Was in de vesting!
Jos keek me verwilderd aan. «Goddank, dat je d’r bent!» fluisterde-ie me toe met ’n voor hem ongekende hartelijkheid. «We snakken naar afleiding. ’k Word gek van de eenzaamheid. We zitten hier als op ’n fort. ’t Is verschrikkelijk!»
’k Drukte ’m de hand, begrèèp ’m. «Ja» zei ’k, «’k had al eerder plan gehad. Maar omstandigheden, hè? Vrouw en kinderen wel?»
Weer zag Jos me verbijsterd aan, alsof ’n langbegeerde prooi eindelijk inz’n macht was geraakt. «Hm» mompelde-ie dan, «vrouw en kin.... Laten we liever over wat prèttigs praten. Maar.... kom binnen.»
’k Trad in z’n voorkamer, waar ’t er zeer «gemobiliseerd» uitzag. En aan ’t hand-dikke stof op lamp, schoorsteen en de weinige stoelen, bemerkte ’k dadelijk, dat er van ’n dagmeisje sinds weken geen sprake meer was.
Rondziend, ontwaarde ’k op de sofa bij ’t raam ’n beweeglijk pakket, dat zuchten in mijn richting afzond. Dat kon niet anders dan Co zijn, begreep ’k. En m’n hand weer uitstekend, zei ’k op goed geluk: «Dag, Co.»
’t Pakket, in ’n eens zalm-kleurigen lap gewikkeld, welke desnóóds voor peignoir kon doorgaan, richtte zich half op van de krakende sofa. Tweedoffe oogen bestaarden me, vijf slappe vingers raakten me even aan. Daarop zonk alles weer ineen, tot niet. Onwillekeurig dacht ’k aan ’t beeld van de kaars, welke nog eenmaal flappert, vóór ze........ Ach!
«Wat scheelt er aan?» vroeg ’k, niet gerust. «Wat heb je?»
Er kwam geen antwoord. Slechts ’n verwijderd gekreun, dat ook ’n gesmoord snorken kon zijn, drong tot me door.
’k Herhaalde m’n vraag. Toen, na nog ’n pauze, welke ’n eeuwigheid scheen, verzuchtte, wat daar nog leefde op de rheumatische sofa,molto ritardando:
«Ik...... sl...... aap.»
Verlucht richtte ’k me weer op. Er was dus nog geen gevaar!
«Ja,» venijnde Jos, langs me heen slungelend, terwijl-ie z’n broek zóó hoog optrok, dat ’k niet begreep, hoe-ie nog vóórt kon. «Ze doet niet anders. Lollig voor mij! Maar je kómt er hier wel toe. Zelfs geen krant krijgen we. (Ze willen me niet meer als abonné, de geldknijpers!) ’k Weet nauwlijks, of d’r nog oorlog is! Nona! ’t Eenige, wat er voor ons op zit!»
Hier loosde Jos ’n geeuw, welke als ’n gat in de ruimte sloeg. Ook ik sperde m’n mond, van den weeromstuit. En ’t werd hoogst hoorbaar, hoe Co, zooal niet de ééuwige, dan toch ’n zeer langdurige rust was ingegaan. Gezellige boel!
«Maar hoe leven jullie hier dan?» belangstelde ’k nog, beleefdheidshalve.
«We leven heelemààl niet» knarsteJos, moeilijk verstaanbaar. «We zitten hier opgesloten. Gevangenen, man, gevangenen! Ze hebben de bel uit de deur getrokken. Wat de menschen toch koppig zijn, om nù nog met kwitanties te komen! Dat wordt gewoon ’n manie van ze. Maar wie er komenmoet, blijft weg: de bakker, de kruienier. Tusschen licht en donker moet ’k er als ’n misdadiger op uit, om brood, boter. En altijd zie ’k nijdige gezichten van lui, van wie ’k al jàrenlang klant ben, de ondankbaren! En deurwaarders, o, o! Maar dat zal ook niet lang meer duren. ’k Heb nog precies 12–1/2 cent. Dan gaan we maar allemaal liggen, naast Co. En ze zullen ons later vinden, ontbonden, met verstarde gelaatstrekken, ’n artistentragedie. Ha ha!»
Wild stiet Jos ’n piep-geluid uit en z’n haren wàpperden.
’t Koude zweet brak me uit. Had ’k maar weerniètaangebeld!
In ’t atelier, achter, klonk geritsel, hardnekkig. ’k Luisterde.
«Wat is dat?» vroeg ’k, nieuwsgierig.
«Muizen!» fluisterde Jos met ’n stem, die al zwakker en zwakker werd. «Dag en nacht gaan ze te keer. Ze vinden niets meer, geen kruim. Straks beginnen ze nog aan m’n stillevens. Haha! Alsikze niet voor ben!»
In Jos’ oogen flikkerde iets, dat op krankzinnigheid wees. Verteerde de innerlijke vlam ’t broze omhulsel?
«Spreek toch wat harder» zei ’k. «’k Versta je haast niet. Ben je verkouwen? Je praat zoo heesch.»
Jos sloeg ’n zonderlingen blik naar’t plafond. Dan blies-ie geheimzinnig in m’n oor:
«De boven-buren! Ssst! Als d’r gebeld wordt, waarschuwendiè, dat ’k thuis ben. Ellendelingen! Omdat ’k eens ’n pakje voor ze heb aangenomen, dat we maar opgegeten hebben. Rolham, stel je voor! Wie laat zoo iets staan, in deze tijden! Die lui hebben geen hersens».
Weer trok Jos verwoed z’n broek op. ’k Werd bang, dat er op die manier weinig van dat kleedingstuk zou overblijven.
Opeens voelde ’k ’n schrijnende pijn in ’t meest rechtsche mijner beenen. ’k Keek omlaag. Er stak ’n pijl in m’n broekspijp.
«Au!» deinsde ’k onwillekeurig terug. Onder tafel zat Joop, de «aardige»oudste van de twee kleine Henkeman’s, met opnieuw geladen boog. Schielijk week ’k nog op zij. En ’n tweede pijl vloog geruchtig tusschen m’n beenen door.
«Ze zijn niet vergiftig» lachte Jos satanisch. Hij scheen er bepaald plezier in te hebben, dat z’n jongen me vrees aanjoeg. ’t Scheelde weinig, of hij hitste ’m aan met ’n: «Pak ze! Ks, Ks!»
Nu ’k z’n schuilplaats echter ontdekt had, was de aardigheid voor Jopie er af. Hij kroop onder de tafel vandaan en vermaakte zich ’t verdere van de visite met voortdurend om me heen te draaien en me daarbij aan te gapen, of ’k ’n soort Boschjesman was. ’t Was dan ook waar: de jongen was menschen ontwend.
’k Wou gaan zitten. «Pas op!» waarschuwdeJos met ’n gebaar, dat ’n trein tot stilstand zou hebben gebracht. «Die stoel niet! Dàar! Dàt is de goeie».
IJlings richtte ’k me weer op. In den huize Henkeman ontsnapte je elk oogenblik aan gevaren.
’k Zette me nu, volgens aanwijzing, dicht bij de schuifdeur, waardoor je in ’t atelier kwam. ’k Keek er meteen binnen.
Daar hingen, stonden, lagen de mij welbekende studies, stillevens, krabbels, wonderlijke mensch-, ver- en andere gezichten. D’r kwam maar geen schot in den voorraad.
«Je moest eens iets actueels maken,» raadde ’k met de beste bedoeling. «Dat is ’t eenige, wat op ’t oogenblik pakt.»
Jos stoof op me af. ’k Dacht, dat ’k alweer op ’n verkeerden stoel zat!
«Schei uit!» raasde-ie, in spijt vande buren boven. «’t Heeft me al dol gemaakt. Iets actueels! ’k Heb ’n pracht-ding geteekend. Niet waar, Co? O, ze slaapt. Làat ’r. —’n Pracht-ding! De kanonnen reden door de lucht. Wat? Nee, ze renden, rolden, donderden. ’t Was verschrikkelijk. Je hield je hart vast. Elk oogenblik dacht je: ze komen naar beneden. Kan ’t spannender? Laat één me dat maar nadoen! En Co lag tegen ’n heuvel, handen voor ’t gezicht, als schreiende vredes-maagd. Ze heeft me nog nooit zoo ontroerd. ’k Wist niet, dat m’n eigen vrouw zoo’n pracht-maagd was! En gewonden en vluchtelingen, voor alles had ’k gezorgd. ’k Ga er mee naar den Nieuwen Kunsthandel. ’k Denk: dàt neemt-ie zeker. Wat zegt de vent? «Neem weg dat ding! U ruïneert m’n zaak. U jaagtde menschen m’n winkel uit. Ze willen geen narigheid. Die lezen ze in de kranten al genoeg.» En ik met m’n kanonnen weer naar huis. ’k Verzeker je, dat ze me zwaar wogen.»
Jos streek z’n haren uit z’n voorhoofd, wat ’n heel werk was. Dan stak-ie z’n handen weer zoo diep in z’n broekzakken, dat ’k niet begreep, hoe-ie ze ooit weer terugvond en stapte als ’n opgejaagde kievit z’n atelier door. Werkelijk, de kerel behield toch altijd iets geniaals.
’k Volgde ’m, òòk om ’n oogenblik van Jopie bevrijd te zijn. De jongen maakte me bepaald verlegen.
«Waar zijn ze?» informeerde ’k, rondziend.
«Wie?» vroeg Jos, met z’n blik minstens bij ’n vergruizelde ster.
«Wel, de kanonnen!»
«O, die! Kapot. Verscheurd. Jammer genoeg. Maar ’k was ook zóó nijdig. En dan, ’t maakte me beroerd, Co altijd vlak onder dat oorlogstuig te zien. Of je wou of niet, je kreeg ’n gevoel: straks gebeurt er wat! Dat houdt geen mensch uit.—Maar, ’k zal je verder vertellen. De menschen willen geen akeligheid, denk ik? Goed, dan maar wat lolligs. En ’k heb me daar ’n karikatuur op den oorlog geleverd.... ik ben d’r zelf drie dagen ziek van geweest; van ’t lachen! Om bij dood te gaan! Soldaten met ’n kiespijn-doek achter ’n boterton, de vluchtende vijand op steigerende ezels, ’n generaal onder ’n paraplu; enfin, je kan ’t je voorstellen. Ik er mee naar ’n zekeren—hoe heette-ie ook weer?....o ja, van Haersten tot Vleujen. Die was me nog wel aanbevolen als ’n eerste collectionneur! Tot Vleujen ontvangt me aan ’n stevige kip met compote en meer van die sausnegerij. Hij ziet m’n teekening niet, of-ie vliegt op, razend, smijt servet, mes en vork over de tafel en hij brùlt: «M’n huis uit! Schaam u, meneer, in deze benarde tijden den spot te drijven met de onnoemlijke ramp, welke Europa teistert. Foei, foei!» De man werd zoo rood, dat ’k voor ’t ergste bij ’m vreesde. «Eet smakelijk», zeg ’k en ’k laat ’m met z’n benarde tijen bij z’n lunch, die er wezen mocht, hoor! Maar je begrijpt, de liefhebberij bij mij was er af».
Jos lachte bitter. «Multatuli!» dacht ’k. Daarop deed-ie me ’t ergste aan,dat-ie maar bedenken kon: hij stak z’n steenen pijpje op.
’k Draaide me om, hoestte. Joop verdween naar de voorkamer.
«Oorlogs-tabak!» grinnikte Jos. ’t Was ’n onbeschrijflijke lucht. Of-ie z’n pijp met ’n stukje heel oude zool had gestopt! En m’n sigaren-koker lag thuis. In zóóverre hielp z’n tactiek ’m dus niet.
’k Begreep, dat ’t met Jos op z’n ergst gesteld was. Wie dàt rookte! Daar móést verandering in komen.
«Hou ’n expositie van je volledige werken», verzon ik. «Tegen ’n heel lagen prijs. ’t Is toch noodtoestand».
Jos schudde halsstarrig van «nee». En na ’n paar rookwolken, waartegen ik bepaald meende te moeten protesteeren, knorde-ie:
«Kán niet. Heb ’t al geprobeerd».
’k Keek ’m vragend aan.
«Helpt toch niet», ging-ie verder. Nog wou ’k aandringen. Toen sprak-ie één vreeslijk woord, dat alles expliceerde:
«Deurwaarders».
Daar zàt ’k met m’n idee. Jos’ pijpje begon gootig te slobberen.
«Is d’r geen mouw aan te passen?» vroeg ’k nog.
«Hoè?» knerste Jos.
’k Peinsde.
«Als», kwam ’t er langzaam bij me uit en ’k begon waarlijk al wat aan de oorlogs-tabak te wennen, «als die schilderijen van ’n ander waren,zoogenáámd. Hm, ja. Maar dan moeten ze vóór alles hier uit huis. Zou de kunsthandel niet....»
Jos deed ’n verwoeden trek, wat me haastig deed zwijgen.
«De uitzuigers?» barstte-ie los en àl z’n haren trilden. «Liever snij ’k m’n vingers af».
Dat wou ’k natuurlijk niet op m’n geweten hebben. Om ’m af te leiden, opperde ’k ondoordacht:
«Bij ’n particulier dan.Iemandwil je toch wel helpen?!»
«Wie?» vroeg Jos weer en z’n oogen boorden diep in de mijne.
’k Voelde me als op ’n hellend vlak. Er groeide ’n benauwende stilte. Wat had ’k aangehaald?
«Wie?» herhaalde Jos, bijna dreigend.
Daar ontstond leven op de sofa. ’n Vreeslijk gekraak van ’t trotsche meubel bewees, dat de vredes-maagd ontwaakte. Of had ze heel niet geslapen? Spoedig moest ’k ’t haast wel denken, want Co, in al ’r bekoorlijkheid van schilderseega,die gewend is te poseeren, met losse haren, lossen peignoir (of wat daarvoor doorging) en zóó losse muilen, dat ze er een van verloor, stevende recht op me toe en, met ’n stem, die geen tegenspraak duldde, zei ze:
«Jij natuurlijk! Onze vriend! Je hebt zoo’n mooi bovenhuis en je woont alleen. Voor ’t Steuncomité, zeggen we. Als dat niet helpt!»
’k Zat geslagen. Dat er ook in die slaperige Co zoo’n listige Eva stak!
Jos stiet ’n Indianengehuil uit. Hàdden z’n haren overeind gekund, ze waren omhoog gegaan als duin-helm, van vreugde. Nu wàpperde-ie er slechts mee, hartstochtelijk.
«Vrouw! Co! Engel!»kreet-ie en van enthousiasme duwde-ie ’r bijna ’n oog uit. «Wat ’n begrip! Wat ’n verstand!Waar haalt ze ’t vandaan? O, vrouwen hooren in den hemel! Co, laat ’k voor je knielen».
«Pas op die punaise», waarschuwde Co practisch. Dan noemde ze ’m nog «lummel», omdat-ie ’r oog zóó fel geraakt had, dat ’t bepaald begon te tranen. Een en ander weerhield ’m van verdere exaltische uitingen.
Ik maakte bezwaar tegen ’t plan. Vooral dat «Steun-comité» had allerminst m’n goedkeuring. Doch Jos, door z’n atelier dravend, alsof-ie ’n jacht-akte veroverd had, sloeg al m’n bedenkingen breed-geniaal een voor een den kop in. Hij wees zelfs op ’t morééle van ’t geval. Diende in dezen moeilijken tijd ieder niet z’n eigen steuncomité te zijn? «En dan», deed-ie royaal, «ze kunnen voor mijn part 50 pCt. krijgen».
«Zou 20 niet voldoende zijn?» vroeg Co, wier slaperigheid geheel geweken was.
«Of 10,» krabbelde Jos terug, die zich de lapjes van vijf en twintig al bij bundeltjes ontrukt zag. «Enfin, dat regelen we allemaal wel. ’t Voornaamste is nu: aanpakken! Morgen hang ’k den boel bij je op. M’n volledige werken, haha! Als je maar plaats hebt! M’n uitbouw staat nog vol. ’t Zal ’n evenement zijn!»
Zalig staarde Jos, dwars door de kast, waarin waarschijnlijk de muizen zaten, naar ’n toekomst, welkeiknog niet bespeurde. Hij zag zich al beróémd. Mocht ’k die illusie verstoren?
Plots hief de jongste der Henkeman’s, die, ergens achter, ’r middagslaapje gedaan had, ’n vervaarlijk geschreeuw aan. Co, nu zonder één enkele muil,snelde(of ze ook wakker was!) naar’r kind. Opnieuw snorde ’n pijl door de lucht: Jopie, die zich weer verdekt had opgesteld, heropende de vijandelijkheden. Hoe ontsnapte ’k aan zooveel bedreiging? Daar stopte Jos ten tweede male z’n pijp. ’k Voelde dat ’k wijken moest. En onmiddellijk! Met vele zware handdrukken nam ’k afscheid, m’n hoofd slechts vervuld van één ding: de nood-expositie. ’t Deed er pìjn van.
Den volgenden morgen (Jos was voor zijn doen bijzonder vroeg uit de veeren) hielden drie wagens voor m’n deur stil. Mannen van den Volksbond zeulden ’n uur lang m’n trappen op en af. Toen er volstrekt niets meer bij kon, hielden ze er eindelijk mee op. Het waren hardnekkige lieden.
Jos, die met ’n stralend gezicht van m’n beste sigaren zat te rooken—hoe-ie die zoo dadelijk gevonden had?—zei gedachteloos:
«Ach, betaal jij even?» en ’k voldeed de stoere werkers.
«Je hebt ze toch gefooid?» vroeg-ie nog, achter ’n dichte wolk.
«Ja», zei ’k kort. «’k Dacht, dat je dat wel goed vond».
Jos knikte grootmoedig. Dan sprong-ie elastisch op en riep:
«Komaan, laten we maar dadelijk gaan ophangen!»
«Hang», meende ’k vriendelijk.
Er is tot ’s avonds laat in m’n huis verwoed geklopt, geprikt, getimmerd. Jos is boven op m’n piano geklommen—z’n hakken zaten met spijkers—en heeft twee vazen gebroken en maar één aschbak. Niet één stoel, of hij heeft er op gestaan, gedanst, gezwengeld. Almijn schilderijen, behalve ’n merkwaardig stilleven, dat ’n Henkeman was, zijn afgehaald en vervangen door de volledige werken van Jos. Waar ’k ook keek, overal gaapten z’n binnen- en buitenhuizen, z’n sinaasappels met en zonder ui, z’n portret-studies, z’n mystische krabbels van Co me triomfantelijk aan. Zelfs in de gang hingen ze, boven de trap. Ze waren niet te ontloopen.
«Waar laten we de meubels?» zwoegde Jos met aan elk zijner haren ’n druppel.
’k Keek ’m verbijsterd aan.
«Moeten die ook al weg?» vroeg ’k angstig.
Hij wierp me ’n blik toe, of-ie me opeten wou. Doch voorloopig begon-ie maar weer aan m’n sigaren.
«De menschen moeten toch kunnenlóópen», expliceerde-ie nog tamelijk bedaard. «’t Is hier ’n ex-po-si-tie! Die spiegel moet er ook af. Daar kan nog wat hangen».
Met dien spiegel heb ’k ’m geholpen. ’k Dacht aan m’n vazen en den aschbak. Daarop hebben we ons weer tot den Volksbond gewend en de drie zelfde stoere werkers hebben andermaal met zwaar bemodderde schoenen ’n vol uur door m’n huis gezworven, tot ze alles, wat hinderde, op den zolder, de bovengang en in m’n slaapkamer hadden geplaatst. Hoe ’k ’s nacht in m’n bed moest komen, begreep ’k niet. Doch ’t leven hééft nu eenmaal moeilijkheden.
«’t Begint er al aardig uit te zien», wreef Jos vergenoegd z’n handen. ’k Keek eens rond. ’k Zag enkel Henkeman’s.
Toen is Jos met sjaals gaan drapeeren en doeken en oud lappen-goed en op de meest geheimzinnige plaatsen stelde-ie onverwacht ’n gemberpot op, waarvan-ie ’n onbeschrijflijke hoeveelheid bij zich had. Hier en daar kwam ook ’n lampion te bungelen, zoodat m’n huis langzamerhand min of meer ’n Oostersch aanzien kreeg. ’k Hoopte, dat ’k er aan wennen zou.
«Hoe heb ’k dat opgeknapt?» vroeg Jos, weer stralend.
’k Knikte, sprakeloos. ’k Had geen hoofd meer. ’t Duizelde me en m’n ooren suisden. Ook vond ’k ’t niet strikt noodzakelijk, dat al m’n Havana’s in één dag werden opgerookt.
«Ja, neem me niet kwalijk», zei ’k dan met toonlooze stem, «maar ’k wou nu wel ’n stukje gaan eten».
«Uitstekend!» wreef Jos zich andermaal de handen. «Waar gaan we naar toe?»
’n Oogenblik dacht ’k er over, of ’k maar niet dadelijk naar bed zou gaan, hoeveel moeite me dat misschien ook zou geven. Daarop heb ’k ’m echter toch maar mee naar «Riche» genomen. ’n Dineetje had-ie met z’n zwoegen werkelijk wel verdiend.
Hij heeft ’t zich heel goed laten smaken. En den wijn, daar was-ie ook kolossaal handig mee. ’k Dacht tenminste, dat we nog aan de tweede flesch waren, toen de derde al op tafel stond. Hij werd erg spraakzaam en drong er sterk op aan, dat ’k ’t «geval» mooi zou aankleeden. De tentoonstelling moest niet vanmijuitgaan, ’n gewoon particulier, doch van ’n naamloozevennootschap. Hij zocht al naar ’n naam. Eindelijk vond-ie iets. «Artis Pictura» leek ’m bijzonder fraai. ’k Twijfelde eraan, of dat vloeiend Latijn was. Ook herinnerde ’t me te sterk aan ’n welbekenden dierentuin. Doch Jos, koppig als-ie bij den wijn zit, hield voet bij stuk. Zoo werd m’n huis, of wat daarvan was overgebleven, onder ’n Triple Sec «Artis Pictura» gedoopt.
Hij is weer met me mee terug gegaan (Jos was àltijd aan me gehecht). Bij me thuis is-ie nog wat aan den timmer geslagen, doch met onvaste hand. Toen z’n eene duim heelemaal blauw was, hield-ie er mee op. We hebben ons daarop onder de whisky gezet. Dat maakte ’m weer zoo fiksch, dat-ie opnieuw bovenop m’n piano wou. Dat heb ’k ’m echter krachtig belet.’k Vind, leelijke gewoontes moet je niet in de hand werken.
«Breng me dan maar naar bed», gaf-ie gewillig toe. «Waar slaap ’k?»
«Dat weet ’k niet», bracht ’k aan z’n verstand, «maar hièr niet».
’t Scheelde weinig, of-ie begon te huilen.
«Niet in Arti Pictus?» drijnde-ie.
«Nee», zette ’k door. «’k Heb momenteel maar één bed. En of ’k daar in kan komen, valt nog te bezien. In elk geval, ’n logé kan ’k niet hebben. En.... denk aan Co!»
«Daarom juist», bekende-ie kinderlijk. Maar hij is dan toch gegaan, met onder elken arm ’n gemberpot. Hij schijnt nu eenmaal gek op die dingen te zijn.
De eerste dagen kreeg Artis Pictura niet één enkelen bezoeker. En ’k had toch flink geadverteerd. Uit deurwaarders-overwegingen had ik den naam «Henkeman» maar weggelaten. Ook op de helft der geëxposeerde werken ontbrak die. Dat kon echter al niet anders dan ’n aanbeveling zijn. Waarin zat ’t ’m dus?
’t Begon er somber uit te zien. Jos liep den heelen dag heen en weer als ’n gekerkerde leeuw. Alleen gedurende denlunchging-ie zitten en stond dan voorloopig niet op. Z’n goede eetlust, zei-ie, was z’n redding.
«Hebben we den prijs misschien toch nog wat te hoog gesteld?» vroeg ’k voorzichtig.
Jos, die juist ’n blikje zalm bewerkte, sprong woedend op.
«Wou je ze den arbeid van m’n leven dan heelemaal cadeau doen?» riep-ie, zich verslikkend. «Vijf gulden! Jij met je eenheidsprijs! ’k Gooi m’n naam toch al te grabbel. Je bent al net zoo’n uitzuiger als die anderen».
’k Zweeg. En ’k zag, hoe ’t blikje totaal verdween.
«Je moet ook ’n bord aan je huis slaan», beweerde Jos met vollen mond, «En de deur moet àànstaan. De menschen bèllen liever niet. En zet ’n aardigengroomof ’n livrei-knechtje in ’t portaal onder de tweede lampion. Zoo iets klèèdt».
’k Ging er maar niet op in. ’k Had al groote onaangenaamheid gehad met de vrouw, die ’s morgens bij me werkte. Ze verkoos niet langer te komen, wanneer de voordeur open bleef. Ze wasgewoon, in fátsoenlijke huizen te werken, zei ze.
Intusschen legden we de laatste hand aan den uitgebreiden catalogus. ’k Had de lijst persoonlijk met m’n fraaiste letter in elkaar gezet en ’t ding zag er goed uit. Alleen deed ’t wellicht wat eentonig aan. Er zat dan ook weinig afwisseling in ’toeuvrevan Jos. ’t Was maar: Appelen met ui, Stemming, Ui met appelen, Appelen met peer, Stemming, Peer met ui, Ui met boek, Boek met appelen, Stemming. ’t Begon op ’t laatst voor je te dansen. Daardoor heb ’k me bij de nummering wel eens vergist. ’n Studie tenminste, welke als Ui, met ’k weet niet meer wat, stond aangeduid, leek van dichtbij vaag op Co, wanneer ze langzaam van ’r merkwaardige sofa verrijst. Ook waren erverschillende krabbels, waaruit Jos zelf niet meer wijs kon. Die werden dan maar weer «Stemming» gedoopt. En ongeveer ’n vijftal doeken hingen onderste boven. Doch dat merkte je zoo gauw niet. Door een en ander kwam ’k echter tot ’t begrip, dat kunsthandel ’n apart en zéér moeilijk vak is.
Den vierden dag van de expositie «ten bate van ’t Steuncomité» verschenen er twee bezoekers. Jos was juist even uit. ’k Trad ze minzaam tegemoet. En leidde ze rond.
De heeren deden wat gereserveerd. Maar ’k dacht: «Komt er niet op aan. Als jullie maar kóópen». En ’k prees ’toeuvreHenkeman’s aan als ’t werk van eenige jeugdige, veel-belovende artisten, die zich gedrongen hadden gevoeld, indeze tijden, enzoovoort. «Je bent ’n flesschentrekker» signaalde m’n geweten. En ’k stond er zelf versteld van, dat ’k zoo liegen kon. Doch ’k deed ’t voor ’n ànder.
«Enwil’t nogal?» informeerde dan hoogjes een van ’t tweetal.
«Beroerd» wou ’k zeggen. Maar ’k bedacht me, dat men in zaken nooitteeerlijk moet zijn. Onverschillig sneed ’k daarom op:
«Langzaam aan, heeren, langzaam aan. Er is tot heden voor ’n vijftig gulden verkocht».
«Ha! Vijftig gulden?» riep m’n ondervrager verrast uit. Daarop haalde-ie ’n opschrijfboekje te voorschijn en teekende er iets in aan.
’k Keek verwonderd toe. Iemand van de pers misschien?
M’n bezoeker hielp me echter uit den brand.
«Mag ’k me eens voorstellen?» kraakte-ie correct. «Van Haersten tot Vleujen». (Te drommel, waar had ’k dien naam meer gehoord?) «Lid van ’t Steuncomité hier ter stede. We stellen ’t natuurlijk zeer op prijs, dat u zoo ijvert voor de goede zaak. Maar, u houde ’t mij ten goede: als u eens wist, op hoeveel manieren onder ónze vlag ’t eigen voordeel wordt gediend! Ze exploiteeren ons maar, ze exploiteeren ons maar! Ja, ja! Vijftig gulden dus! Mooi! We zullen van onzen kant wat menschen aanmoedigen, de expositie te bezoeken. U beseft, dat helpt enorm. En dan, sta ons toe, dat we uw taak wat verlichten. Wij willen niet, dat u alles alleen doet. Elken dag vantien tot vier hier te staan, dat mogen we niet van u vergen. Meneer hier, die, om zoo te zeggen, een van onze inspecteurs is, zal u bij den verkoop behulpzaam zijn. Hij is ’n zeer werkzame en vertrouwde kracht. ’k Wil intusschen ookmijnsteentje bijdragen tot ’t goede doel».
’k Boog. De spiegel hing er niet meer. Anders had ik waarschijnlijk kunnen constateeren, dat ’k er ongewoon bleek uitzag. De inspecteur keek me doordringend aan. ’k Moest me dus goed houden. En glimlachte.
’t «Steentje» van ’t comité-lid werd een van de ontelbare uien, ditmaal «met banaan». Vijf gulden werden op m’n tafel gedeponeerd (’k zie ze nòg schitteren) en dadelijk geboekt. Met ’n zorgvuldige buiging nam de heer vanHaersten tot Vleujen afscheid. De ander bleèf.
Toen Jos terugkwam, heb ’k ’m mee naar boven genomen, naar zolder. Daar, tusschen de opgestapelde meubels, heb ’k ’m de situatie uitgelegd. ’k Deed nogal zenuwachtig. Jos staarde me wezenloos aan. Daarop begon-ie aan al z’n haren te rukken. Met z’n elleboog stiet-ie ’n pendule van ’n soortconsoleen hij raasde:
«M’n werk! M’nkostbarewerk! Sluit de tentoonstelling. Direct! Benikin de wieg gelegd voor filantroop? Hoe kan ’nvriendje zoo iets aandoen!»
’k Trachtte ’m te kalmeeren. En wees er op, dat sluiting op ’t moment onmogelijk was. Wat moest ’t comité er wel van denken?
«Maar m’n arbeid van jaren dan!»huilde-ie met weer ’n pluk aan z’n haar. «Straat-arm maak je me, ’n bedelaar!»
«In ’s hemelsnaam, spreek wat zachter» smeekte ’k, met m’n gedachten bij den «inspecteur». Werktuiglijk tastte ’k naar m’n zak. ’k Leende Jos ’n tientje. En ’s middags nam ’k ’m weer mee naar «Riche».
De volgende dagen belde er nu en dan iemand aan bij «Artis Pictura». De heer Tot Vleujen had nogal connecties. Er werd gekocht, al was ’t niet veel. ’n Tiental rijksdaalders verdwaalden «tijdelijk» naar m’n portemonnaie.
Al die vreemde menschen in m’n huis, ’t werd me ’n gruwel. Op ’n dag kneep ’k er ’s morgens vroeg al tusschenuit. Tegen sluitingsuur kwam ’k thuis. De «inspecteur» zag er hoogst vergenoegd uit. ’k Keek ’m vragend aan.
«De verkoop stijgt» zei-ie verheugd. «Heden twaalf stuks verkocht».
’k Zocht op de tafel.
«O» hielp m’n zaalwachter me uit den droom, «die heeft die andere meneer, die vriend van u, onder z’n beheer. Of ’k u maar groeten wou».
’t «Beheer» van Jos! De toestand werd onhoudbaar. Hoe meer succes de tentoonstelling kreeg, hoe meer ’t me zou kosten. ’k Zat in ’n labyrint.
’t Einde kwam zeer onverwachts. De expositie was zoowat twee weken geopend. Ze kreeg steeds meer toeloop. De kranten schreven er sympathiekover en meldden, op verzoek, niet den naam van den schilder. Deze bescheidenheid werd ’m als ’n extra verdienste aangerekend. Hij kreeg ’n anonieme vermaardheid.
Ik zelf voelde me als dakloos. ’k Sliep niet meer thuis. Die uien met en zonder, die appelen, ’k had ze tegengegeten. ’k Kon ze niet meer zien.
Eens, nadat ik 2 maal 24 uur onder water was gebleven, belandde ’k weer in Artis Pictura. Nauwelijks boven, werd er gebeld. Jos, vol-ijverig (z’n oogen kregen langzamerhand de schittering van ’n dubbelen rijksdaalder) deed open. Plots hoorde ’k ’m echter de trap opstuiven, in vlucht. ’k Trad naar ’m toe. Hij duwde me op zij, rende de zoldertrap op. «Deurwaarder!» fluisterde-ie me nog toe. Daarop hoorde’k boven ’n sleutel tweemaal in ’t slot draaien.
’n Dik heer hijgde zich naar de expositie-zaal. Schuin over z’n buikglobe betuurde-ie m’n wanden. Bij den eersten blik echter reeds keek-ie verrast. Dan ontsnapte ’m ’n verbaasd «tsjs, tsjs». ’t Was precies, of ’n ketel stoom uitliet.
«’k Had—’t—moeten—begrijpen», stuwde-ie moeizaam uit. «Natuurlijk! Hen—ke—man! O, maar—dat—gaat—zóó—niet!»
Hij koerste op me af. ’k Besefte ten volle ’t gevaar, waarin ’k verkeerde. Onversaagd moest ’k er me doorheen slaan.
«Me-neer!» begon de deurwaarder en hij gaf me ’n breedexposévan z’n verhouding tot J. Henkeman, kunstschilder.
«Pardon!» hoopte ’k ’m te overrompelen. «De heele collectie is sinds kort m’n eigendom».
«Ha ha!» lachte de vreeslijke man en ’k kreeg de gewaarwording, dat m’n «Artis» met ’n nijlpaard verrijkt was. «Dat kennen we. Jawel!»
«Ach, neemt u mij niet kwalijk, wat zei u, uw eigendom?»
’k Dacht zóó bij m’n beneden-buren terecht te komen: de grond onder me wankelde. Waar kwam die meneer van Haersten tot Vleujen opeens vandaan? ’k Had ’m nog niet opgemerkt.
«Doorgestoken kaart, meneer» lucht-exploosde de gevreesde man van dagvaardingen en andere gruwlijkheid. «We hebben dat—meer—bij de hand gehad».
«Ach, laat umijeven uitspreken, hè?»kriegelde Tot Vleujen met z’n gewoon aplomb, waarvoor zelfs het wettelijke, monster, dat mijn salon bestookte, moest wijken. En zich totmijwendend, ging ’t comité-lid verder:
«U zei.... Hm! En de jeugdige, talentvolle kunstenaars, die zoo belangeloos.... Expliceert u mij dat eens».
’k Heb den heer van Haersten terzijde genomen en alles uitgelegd. ’t Was ’t eenigste, wat er voor me opzat. Dat kwartier uit m’n leven vergeet ’k nooit.
M’n toehoorder wond zich ’n oogenblik zóó op, dat-ie z’n correctheid bijna verloor. Daarop begon-ie ’t geval echter wat menschelijker te bezien en ’t eind was, dat iets van ’n glimlach over z’n welgedaan uiterlijk toog. Toch bleef-ie zakelijk.
«Enfin» besloot-ie. «U draagt ’t Steuncomité 50 pCt. af. Dan zullen we er niet meer van spreken. Men exploiteert ons maar, men exploiteert ons maar! En we sluiten vandaag de expositie».
«Graag!» stemde ’k van harte toe. Eindelijk zou ’k dus weer ’n huis hebben!
«Sluiten?» vroeg de deurwaarder, die nog steeds als ’n Atlas z’n globe stond te torsen. «Enne....»
Toen heb ’n lange explicatie met hèm gehad. Met z’n visch-oogen keek-ie me wantrouwend aan. En telkens als er ’n adem-stoot kwam, was ’k bang, dat ’k weggeblazen werd.
Ten slotte was-ie er achter.
«Danìkde andere 50 pCt. Of—’k maak ’t bekend».
’k Protesteerde. ’t Hielp niet. ’k Vocht tegen ’n walvisch.
We zijn gaan rekenen. De inspecteur had alles onaangenaam nauwkeurig geboekt. Een en vijftig Stemmingen, Appelen met dit en met dat, tegen ’n eenheidsprijs van vijf gulden, maakte.... ’t Was heel eenvoudig. Op de tafel lag niets. En persoonlijk had ’k slechts ’n tientje opgestreken, want, hòe ’t ook ging, aan Jos’ «beheer» was niet te ontkomen. ’k Betaalde dus twee honderd vijf en veertig gulden. En annonces, «zaal-huur», alles was voormij. Vervolgens is de nood-expositie zonder woord van dank gesloten.
’k Heb boven ’n hartig woordje met Jos gewisseld, hij àchter, ik vóór de zolderdeur. Op ’t laatst werd-ie driest, kwam er uit en verweet me, dat al z’n bèste werk voor ’n appel en ’n ei gegaan was.
«Ja, appelen en uien!» maakte ’k me driftig. «Hou maar op! Dat is je dank. Haal die rommel dadelijk weg. Geen dag langer wil ik ’t in huis hebben. ’t Verslindt kapitalen. Artis Pictura!»
De Volksbond is er weer aan te pas gekomen. Het is merkwaardig, hoe doorzettend deze lieden zijn. En niets vergaten ze, zelfs geen gember-pot.
Jos heeft me ’n heel boozen brief geschreven. En Co krabbelde er nog ’n regeltje onder, dat lang niet slaperig was. Vrouwen laten zich nu eenmaal door haar echtgenoot verblinden.
Wanneer ’k weer eens langs de Henkeman’s kom, bel ’kniètaan.