SCHILDERS-VREUGD.

SCHILDERS-VREUGD.Chicwas ’t er niet. Maar wel gezellig.Je behoefde bijvoorbeeld niet eerst ’n dubbele belegering van zware portières door, vóór je je compliment afstak bij mevrouw in den salon (trouwens ’t woord «salon» kenden de Henkeman’s, meen ’k, alleen uit afleveringen-romans, welkezijverslond;hijveegde er enkel z’n pennemes aan af of zette er glazen water op).Nee, je stapte zóó uit de kale gang, waar niets dan ’n paraplubak stond zónder paraplu’s, in ’t voorvertrek, waar zoowel ontvangen, gegeten, gehuisd als somwijl geschilderd, gegymnastiseerd enmet pijl en boog geschoten werd. Late vrienden logeerden er ook wel en ’k meen, dat er ’n enkele maal ook werd gebaad. Doch dit laatste heb ’k nooit meegemaakt.Sans gênedus; daarom niet ongenoeglijk. En je had ruimte van bewegen, want veel stond er niet. En wàt er stond, was nogal wankel, ruimde je dus, als ’t je hinderde, gauw uit den weg. Vandaar dat, wanneer ’t gezelschap bijzonder voltallig was—de Henkeman’s ontvingen drùk—de kamer in een minimum van tijd was ontmeubeld. Je moest dan wel staan, wat op den duur vermoeiend is, maar ’t hield je ten minste wakker en ’t gaf iets los, ongekunstelds aan ’t samenzijn. Je kon je soms zelfs verbeelden, dat je je op ’n gezelligen clubtocht bevond, zóó liepen allen dwarsdoor elkaar of in groepjes ’n eindje op, druk gesticuleerend of in hoogst geanimeerd gesprek. Ja, aan kouwe sjeu deden de Henkeman’s niet.De suite-deur stond meest open. Niet voor ’t gezicht! Want was de voorkamer al niet rijk aanchaise longue’s,Mimi-tafeltje’s,causeuse’s, ’t achtervertrek was direct te exploiteeren als rolschaatsbaan: je viel er zelfs niet over ’n stoof. Henkeman noemde ’t daar z’n «conceptie-hol»—hij broeide er z’n geweldigste kunstwerken uit—; ook wel zijn Paradijs. Nu, even maagdelijk was ’t er minstens. ’k Geloof, dat, vele, vele jaren her, de Henkeman’s iets dikker zaten in wat men gemeenlijk het huiselijke comfort noemt. Echter, de tand des tijds had veel vrekkig verknaagd. En ook, om deze beeldspraak nog iets door te voeren,de tand des deurwaarders—’n geweldige slagtand, ’n heele ivoormijn!—had er verwoestend in gehuisd, zoodat slechts ’n wrak, ’n ruïne overbleef van wat eens statig zeilde op de geordende huwelijkszee.Doch de Henkeman’s trokken er zich niets van aan, geheel los van dat wurmige gedoe, waarover ieder ander zich zoo dwaaslijk bekommerde.Zijleefden in ’n geestelijke sfeer, waar men desnoods genoegen nam met één rieten stoel en ’n tafel van twijfelachtige stabiliteit. Bijkoopen deden ze evenmin. Eerstens wijl hun daartoe 300 en zooveel dagen van ’t jaar de middelen, ’t leelijke, protsige geld ontbraken. En de overige, weinige etmalen besteedden ze hun overtollige financiën liever aan meer direct te consumeeren levensvreugden als:nieuwe broeken, ’n huisjapon, kreeft, oesters, port- en andere wijnen. In zekeren zin waren de Henkeman’s echte levenskunstenaars.’t Overige van hun huis lag voor de meeste bezoekers in ’t duister.Ikheb er eens ’n blik in geslagen. ’k Zag ’n keukentje, vettig, walmig, met hier en daar scheef aan ’n verdwaalden spijker ’n enkele pan, die nieuwsgierig door z’n eigen bodem keek. Dan kwam je in de uitbouwen, waar geslapen en, bij helder weer, ook geschilderd werd. ’k Zag op tegen ’n berg van beddegoed, bultig, valleiïg, ’n wanorde, of er hevig slag geleverd was door slaapdronken reuzen. Die eene blik was me voldoende.Ikgevoelde me behaaglijker in hun gezelligvóór.Toen ik er de vorige maand kwam,ontvingen de Henkeman’s me met hun gewone hartelijkheid. Co, in ’r peignoir, welke ’k me nog van onze eerste kennismaking herinnerde, zat over ’n mandje aardappelen gebogen, welke zenietschilde.Hìj, Jos, handen tusschen hemd en pantalon, liep heen en weer met onnoodig groote stappen, de zijkanten van den vloer zorgvuldig vermijdend; want dan kwam je op hout, wat geweldig kon klotsen en Co had weer last van ’r hoofdpijn. In ’n hoek bij ’t raam lag de kleine Joop over den grond te knikkeren met òngekookte bruine boonen. Uit ’t «conceptie-hol» klonk ’t zachte gebler van de jongste—de Henkeman’s waren laat in hun kinderen gekomen—, die daar met z’n wieg tijdelijk was ondergebracht, dus de maagdelijkheid van ’t Paradijs lichtelijkschendend. Ik voelde me weer dadelijk in den familiekring.Voorzichtig m’n weg nemend langs ’n tafeltje, dat ’k kènde—’t ding had altijd de onhebbelijkheid, met je mee te gaan—stak ’k Co bruisend de hand toe. Zij, de hare afvegend aan ’t ochtendkleed, reikte me die dan slapjes aan, met ’n van hoofdpijn schuinschen blik onder langs ’r vrijzinnig opgemaakt Cleo-haar. En ze zei: «Zoo?», wat zoowel alles als niets beteekenen kon, zoodat ’t moeilijk voor me was, er op in te gaan. ’k Wou dus al, dwars over ’n hindernis van kinderspeelgoed en ’n teekenmap, oversteken naar Jos, toen ’k aan bei m’n broekspijpen werd vastgegrepen. ’k Keek benedenwaarts en ontwaarde kleinen Joop, die tegen m’n beenen lag te duwen, omdat ’k op tweevan z’n bruine boonen stond. ’k Hou van dat kinderhandjes-gegraai, dus bukte me, ’m te aaien. Doch Jopie, die zeer vrij wordt opgevoed—bloemen in ’t wild zijn ’t mooist, is een van Jos’ opinies—beet me vrij felletjes in m’n duim, zoodat ’k m’n hand haastig terugtrok. En, nu niet meer wijkend voor de versperring van ’n houten paardje, dat, geheel staartloos en zonder manen, me melancholiek stond aan te staren, stevende ’k recht op Jos af met ’n joviaal «besjour!» Jos, die juist z’n broek weer optrok, wat nooit voor langer dan vijf minuut hielp, zei opzìjnbeurt: «zoo?» Doch hij stak me de vijf niet toe, want hij is niet erg handerig: hij vindt datbourgeois.Daar stond ’k nu. ’k Humde eens en vroeg dan: «Alles wel?»Jos, z’n pijp uit den mond nemend, keek me aan, of ’k uit ’n andere wereld kwam. Daarop vertrok z’n gezicht zich tot ’n satanische grijns en hij schraapte:«Alles wel? Hahaha! Ja, we leven nog. En we hebben nog te eten!», waarna-ie verwoed den steel van z’n pijp begon te bebijten, alsof dat ’t eenige was, waarop-ie nog knabbelen kon.Eenigszins verschrikt keek ’k schuw naar Co en ’t aardappel-mandje. Dit echter had ze reeds met ’n moe gebaar van zich afgezet en ze diepte uit ’r zak ’n broei-warmen appel op, waaruit ze dadelijk groote happen beet. Jopie, opmerkzaam gemaakt, wierp ze ’n paar hazelnoten toe. Bij tijden waren de Henkeman’s streng vegetarisch. Inderdaad, de toestand zag er niet zeer bemoedigend uit.«Wil ’t niet erg vlotten met ’t werk?» vroeg ’k belangstellend.Daarmee kreeg ’k Jos dadelijk op gang. «Als je rooken wilt, geneer je niet» begon-ie. «Mijn .... hahahaha!—kistjes zijn momenteel leeg.»’k Haalde m’n koker uit den zak en presenteerde ’m, wat-ie zich zonder te veel omhaal liet welgevallen. Dan, terwijl-ie venijnig rook uitblies, alsof ’t minstens ’n verpestenden stank verspreidde, ontrolde-ie gaandeweg z’n overkropt gemoed.«’t Is nog nooit zoo kolossaal met m’n werk gegaan! Enorm! De ideeën bestormen me. ’k Houd m’n hoofd vast. ’k Ben er bij oogenblikken gek van. Niet waar, Co?»Co knikte, al half door ’r appel heen. Ze sprak ’m nooit tegen.Trouwens, wat zou ’t ook helpen?«M’n conceptie-hol dààr is tegenwoordig ’n hel voor me. Telkens en telkens word ’k er naar toe gedrongen, om ’n nieuw denkbeeld op te krabbelen. ’k Heb geen handen genoeg. Ze vallen me in bij dozijnen. Ga er maar eens kijken. Let niet op dat wurm, want dat schreeuwt tòch. De wanden hangen vol, de vloer ligt bezaaid. Ha, ’t is prachtig!»Wild streek Jos door al z’n haren en z’n oogen stonden begeesterd. Dan trok-ie weer verwoed z’n broek op.«Ik feliciteer je» sprak ’k met warme vriendschap en stak ’m de hand toe. Doch hij zag die niet,wìldedie niet zien. Hij blies me ’n kolossalen wolk van m’n eigen sigaar in ’t gezicht en, na ’n duivelschen lach, waarnaar dewiegeling vijf minuut verbijsterd lag te luisteren, barstte-ie los:«Ha, noem me liever diep rampzalig. Wat doe je in dezen nuchteren tijd met ideeën! Als ’k er gèèn had, dan maakte ’k fortuin, verdiende ’k schatten. Koetjes schilderen in de wei en binnenhuisjes met of zonder koekepan! Hahaha! Maar ze krijgen er me niet onder. Nee! ’k Verkoop m’n ziel niet. Nooit!»Hij nam ’n heldhaftig-verdedigende houding aan, alsof er van allen kant kunstkoopers op de loer lagen, beslag te leggen op z’n kolossaal talent. Later echter vernam ’k, dat die z’n adres niet wisten. Hield-ie dat misschien angstvallig verborgen?«Kijk!» riep-ie uit en hij sleepte me mee naar ’t Paradijs. «Zie je niets, wat je dadelijk trekt, dat je als ’t ware toeroept:Hier moet je zijn en nergens anders?»’k Keek nauwlettend rond. Overal lagen teekeningen, krabbels, sommige verkreukeld of met de sporen van ’n onschoone zool. En ’t behang was volgeprikt met ’n uitgezochte collectie aquarellen en andere verven. Op goed geluk stapte ’k naar ’n hoek bij ’t raam en tot m’n groote blijdschap bleek dat de juiste richting te zijn.«Ha!» juichte Jos haast, zoodat de kleine in de wieg opnieuw begon te krijten. «Hij ziet ’t dadelijk, Co! Ja, ’k wist ’t wel! Den grootsten stommeling moet ’t boeien!»’k Nam gaarne aan, dat dit laatste niet op mij sloeg. ’k Stond nu voor ’n wonderlijk geval, dat ’k eerst voor zee aanzag, toen voor ’n rivier en eindelijkvoor wat ’t was: lucht; niets dan lucht.’k Voelde, hoe Jos in spanning achter me stond. Daarom, toch ièts te zeggen, zei ’k, heel eerlijk:«Curieus».«Niet waar?» stemde Jos enthousiast toe. Dan, na ’n oogenblik:«Weet je, hoe ’t ding heet?»’k Kon er zoo gauw niet achter komen. Gelukkig was Jos me voor.«De doode kraai.»Nu kon ’k m’n verwondering toch niet geheel bedwingen.«De doode kraai?» vroeg ’k aarzelend.«Ja!» schreeuwde Jos ongeduldig. «Jij zoèkt ’t beest, hè? Dat doen ze allemaal. De ezels! Maar begrijpen jullie dan niet, dat ’t veel mooier is, ’t beest nièt te schilderen? Wat zegt ’n dooie kraai? Geen bliksem! ’k Bedoel: ’n dooiekraai schilderen, kan iedereen. Maar ’m nièt te schilderen en ’m dan tòch te doen vermoeden ergens in de onbestemde ruimten van ’t wereld-wee, dàt is kunst. Niet de materie, maar de idee, ’t begrip! Zie die lucht! Zie, zeg ’k!» (Jos pakte me bij ’n schouder, doch dit was volstrekt niet noodig, want ’k zag heelemaal niets anders). «Dat is geen regenlucht, of geen donderlucht, of geen hagellucht, of geen zonnelucht. Nee, ’t is geen eens lucht. Die kan je voor mijn part cadeau krijgen! ’t Is slechts symbool, ’n symbool van ramp, ellende, verlatenheid. Die wolken, die eiglijk geen wolken zijn—begrijp je me? Volg je me? God, Co, laat dat wurm z’n mond toch us houwen!—die wolken roepen ’t uit: «Daar ergens licht, hu hu, ’n doode, hu hu, ’n doode kraai!» ’n Tragedie,afschuwelijk! Je voèlt de kraai. Ja, als ’k m’n oogen sluit, zie ’k ’m. Daar!»De oogen dicht, prikte Jos met den wijsvinger bijna in m’n oor. ’k Wendde me wat af. Men moet niet te lang naar tragedies zien.«Welke schilder heeft dat vóór me gedaan?» vroeg Jos, terwijl-ie weer in de werkelijkheid keek. «Ze kunnen er naar ruiken! Ja, koetjes en koekepannen. Maar ’n kraai, die er niet is!—’k Ben er mee naar drie kunstkoopers geweest. Haha! ’k Hak liever m’n hiel af, dan dat ’k ooit weer ’n voet zet in hun schande-winkels! Bloedzuigers zijn ’t, verkrachters van de ziel! Weet je, wat ze zeien? De een zei: «Meneer, u moest die lucht wat stoffeeren». Stoffeeren! Alsof ’k gemeubileerde kamers verhuur! De ander vroeg, waar ’k de onderstehelft gelaten had. Die lui zien niets! En de derde, dien ’k nog us speciaal op m’n kraai opmerkzaam maakte, zei: «Meneer, ’t beest is niet af genoeg». Nu vraag ’k je! Wat maalt ’n dooie kraai er om, of-ie af is? En met zulke stommelingen heb je te maken! Die hebben ’t heft in handen. Die kunnen je laten crepeeren, als ze willen! Er moet revolutie komen, opruiming! Dan eerst is de weg vrij naar ’t Ideaal!»Jos, ’t Paradijs ontvluchtend, stapte, met weer ’n haal aan z’n broek, terug naar z’n gezelligvóór. ’k Volgde ’m, ook omdat de wiegeling ’n steeds erbarmelijker keel opzette.«Kàn dat kind van jou dan niet ’n oogenblik zwijgen?» snauwde Jos. «Waar zijn onze uitbouwen toch voor?»Co, weer aan ’n verschen appel—’t was enorm, zooveel als ze daarvan aan kon. En waar haalde ze ze vandaan?—keek flauwtjes op, schuins langs ’r Cleo-haar. Ze wou iets zeggen, scheen ’t, maar ze wist niet wat. Gelukkig hoorde ze juist ’t dienstmeisje in de gang, terug van ’n boodschap. Daarom zei ze, met ’n traag gebaar, alsof dàt ’r zelfs nog te veel was:«Chris, zal ’m wel weg zetten».Er werd geklopt. Chris trad binnen.«Heb je ’t?» vroeg Co.«Nee» zei Chris.«Waarom niet?»nader-informeerde Co.«Ze gaffe niks meer, zeie ze, voor ’t andere betaald was».«O!» begreep Co dof en ze deed ’n hap in ’r appel, dat Jopie er zelfs verbaasd van keek.«Debourgeois!» smaalde Jos.«Steek nog us op» stelde ’k joviaal voor, ’m te troosten; ook omdat-ie de laatste minuut m’n sigaar geen seconde uit ’t oog verloor.«In gedachten» tastte-ie andermaal in m’n koker. En, dadelijk weer venijnig paffend, alsof-ie de lucht bepaald onuitstaanbaar vond, droeg-ie Chris op:«Ga dan naar de overkant».«Daar ben ’k ook al geweest» zei Chris gelaten.«Ha!» begreep Jos, weer met een van z’n meest satanische glimlachen. Dus nergens leverden ze meer op crediet! De hongerdood stond voor de deur! Nòg zag-ie ’n uitkomst.«Ga naar die nieuwe winkel op de hoek. Daar kennen ze ons nog niet».«Ja, dat zegt ù» zei Chris levenswijs.«Mot u us komme!» Dit laatste deed de deur dicht. Dus drong Jos niet langer aan.«Je ziet, wat ’n naam ’k maak!» riep-ie me toe met schrijnenden spot. «De faam gaat me vooruit! O, hoe schoon is ’t, kunstenaar te zijn!»Hij zette zich, op ’n tabouretje, zeer laag bij den grond. «Co, wòrdt ’t daar nu rustig?» Hij wees naar ’t Paradijs.«Ach, Chris, breng jij zus even achter. Wil je?» vroeg Co, met ’r tong de laatste appel-resteverwerkend.O, Chris wilde wel. Ze wildealtìjd. Ze had nooit iets anders dan te willen. Nog geen zestien, was ze al in ’r zevenden dagdienst. En overal waar ze kwam, vond ze ’t zelfde: ’n missen boel. Je wende er aan. En thuis was ’t net zoo. Wat ze van ’r vroegen, dééd ze. Zestond bullebassen van schuldeischers te woord, gaf niet thuis, al hoorde je meneer zingen, dat de gang er van dreunde, droeg aschbakken weg, ver boven ’r kracht, liep ’t vuur uit ’r sloffen, om ergens iets ’n halve cent goedkooper te krijgen dan naast de deur. ’t Raakte ’r alles niet meer. ’t Ging over ’r heen. Eens toch zouen ze voor haar ook sjouwen: als ze begraven werd! Dan werdzìjgedragen. ’t Was ’n troost, ofschoon nog in verre toekomst. Eerst moest ze nu de ijzeren wieg verduwen, mèt de kleine, de heele gang door en de keuken naar de achteruitbouw, ’t Was ’n gevaarte, voor hààr postuur ’n schip. In ’t Paradijs klonk gemorrel en gepiep van ijzer over hout; ook ’t geblaat van de allerjongste Henkeman. Dan ging ’n deur dicht; ’t schip,zeevaardig, stevende de gang in en ’t werd rustig.«Nu kan ’k tenminste weer denken!» riep Jos gemarteld uit. Hij greep naar z’n hoofd, alsof de ideeën daar weer loskwamen. Bang, dat we daar moeilijkheid mee zouden krijgen, leidde ’k ’m af.«Waarom maak je niet us wat maakwerk?» vroeg ’k. «Zoo voor de verkoop. Je bent toch zoo handig.»Dit laatste moest ’m vleien.Hij keek me aan, voorzìjndoen tamelijk rustig. Ook scheen-ie langzamerhand aan m’n sigaren te wennen. Althans, hij trok geen vieze gezichten meer.«’k Heb van alles geprobeerd» bekende-ie open, als ’n groot artist. «Maar zelfs als ’k tot de plebejers probeer af te dalen, begrijpen ze me nog niet. ’k Heb naar ’t nieuwe weekblad «De Zon»—’n prul, tusschen twee haakjes!—’n serie satyrieke charges gestuurd. Kostelijk! ’t Heele Kabinet werd er door gehaald. De redactie stuurde ze me terug, omdat ’t publiek «geen gruwelkamer-impressies bliefde!» ’t Wou liever wat vroolijkers. Ja, roei daar maar eens tegen op!—’k Heb voor ’n koperen bruiloft allerlei komiekigheden in elkaar geflanst. Je begrijpt wel: bruigom met scheeve hooge hoed, enzoovoort. De ezels hebben niet eens gelachen. De bruigom heeft me ’n pak slaag gepresenteerd en de bruid wil me nooit meer zien. Ja, je moet je best maar doen! Wat nu? ’k Kan toch geen uithangborden schilderen? Dat is anders wel «hooge» kunst, haha!»Hij begon weer verwoed te rooken,zoodat ’k al naar m’n koker voelde, of ’k nog voorzien was.«Maar ’k vind ’t toch hartelijk van je» zei-ie dan, met ’n haal, dat ’k ’m ’n oogenblik niet zien kon, «dat je nog aan Co’s feestdag gedacht hebt. Dat bewijst tenminste, dat ’n mensch in z’n misère niet vergeten wordt».’k Sprong op, voorzichtig, want de stoel, waarop ’k me na lang aarzelen gewaagd had, was niet tegen heftige emoties bestand.«Feestdag?» vroeg ’k onhandig.«Ja, Co is immers jarig» moedigde Jos aan.’k Trad snel op de jubilaresse toe, drukte ’r warm de hand.«Nog vele jaren!» wenschte ’k van harte.«Dank je» zei Co. «Wil je ’n appel?»’k Sloeg dit aanbod af. Maar ’k wou wel ’n glas water, zei ’k. Hiermee echter bracht ’k de Henkeman’s in groote moeilijkheid. Er wàren geen glazen. Chris brak zooveel! «En al m’n penseelen staan juist uit te weeken» verklaarde Jos met ’n eerlijk gezicht. Of ’n kopje ook goed was? ’k Dronk ’t lièfst uit kopjes, zei ’k. Toen kreeg ’k er een, wat stoffig en zonder oor. Maar als je wèrkelijk dorst hebt, let je daar niet op.«’k Zou ook nog les kunnen geven» vervolgde Jos z’n afgebroken rede. «Maar daar heb je ’n meer, hahaha, wereldsch intérieur voor noodig. Want van de dames moet je ’t hoofdzakelijk hebben. En dan die jaloezie van Co! Je kent ’r niet! Als ze los komt....! Nee, daar begin ’k niet aan».Flauwtjes keek de jaloersche naar ’m op. Ze had warempel alwèèr ’n appel!Jos vlòòg van z’n tabouret. «Blijf zoo zitten!» riep-ie. «Verroer je niet. Wat ’n expressie! Kerel, zie je dat? ’n Madonna!»’k Keek, wat ’k kon. Maar voor ’n «Madonna met den appel» kon ’k weinig voelen. Integendeel, ’k vond dat Co er vrij vervelend uit zag, vadsig als altijd, en voor ’n feestdag bijzonder slaperig. Jos echter, met z’n artisten-oog, ontdekte altijd heel andere dingen dan ’n gewoon mensch. Hij zag van alles in Co. Hij had ’r op alle denkbare wijzen op ’t doek mishandeld. Ze fungeerde er als moeder, als nimf, als bruid, als Venus! Je kon ’r in alle mogelijke toestanden aantreffen in ’t Paradijs, vóór, in de uitbouwen: zich kleedend, in négligé,in ’t bad; lezend, peinzend, aan de wieg, in ’n bloemperk. Maar altijd ontlokte ze je weer ’n gaap, zoo verveeld kon ze kijken. En ook nu, met ’r zooveelsten appel, ging er voor mij geen groote bekoring van ’r uit.Opeens rende Jos de achterkamer in. «’k Krijg ’t weer!» riep-ie smartelijk uit. «’t Komt! O, dat conceptie-hol!»’k Zweeg, eerbiedig. En Jopie, die me juist met ’n handvol bruine boonen bekogelen wou, kreeg ’n moederlijke vermaning. «Stil, jongen» zei Co. «Je vader wèrkt!»’k Keèk naar dat werken. Doch voorloopig bestond ’t daàruit, dat Jos op krampachtige wijze z’n hoofd vasthield en ijselijk stampvoette. Dan trok-ie z’n broek weer op en, zich tot me wendend, zei-ie met ’n flauwen lach:«Nee, ’k dàcht, dat ’t wat was. ’n Mensch raakt eèns uitgeput».Hij trok me mee in z’n hol. «Begrijp je» vroeg-ie onstuimig, «hoe hier ’t werk op je aanstormt? Als ’k m’n oogen dicht doe—kijk, zoo!—, zie ’k, wat ’k wìl. Die modeschilders met hun divans en draperieën! ’t Is m’n illusie, eens ’t Niets te kunnen schilderen. Voel je? ’t Niets, dat eiglijk àlles is! De Eenheid en de Veelheid, alles bij elkaar en toch nog nul! Ha, ’t blijft natuurlijk ideaal, dat te bereiken zònder materie, zonder doek, zonder verf! Stel je voor: «Mevrouw, ’k verkoop u dàt. Niets en alles!» En je wijst in de lucht en ’t is grijpbaar en toch niet te vatten. Welk ’n triumf van de geest! Dat alles gaat in m’n hoofd om. Begrijp je nu, dat ’k er wel eens pijn aan heb?»’k Stemde toe, dat ’k me dat best kon indenken. En onderwijl streed ’k in mezelf ’n heftigen kamp. M’n nuchterheid verzette zich tegen ’n edelmoedige opwelling, welke ’k op ’t laatst toch niet kon bebazen. Neen, als ’k alles bedacht: Co jarig, God wist misschien zelfs geen appel meer in huis, Chris geweigerd door allebourgeois, Jopie met z’n onverkwikkelijk harde boonen, Jos straks weer bijtend op z’n pijp .... ’k kon ’t niet langer aanzien. En ’k kocht, voor ’t eerst van m’n leven, op staanden voet, kunst. ’k Bemachtigde ’n ding, dat me wel aardig leek: twee uien naast ’n sinaasappel met, op den achtergrond, schemerig, ’k mèèn ’n gemberpot. Jos vroeg, of ’k krankzinnig was, dat ’k «De doode kraai» niet nam, z’n meesterwerk! Maar ’k zei, dat ’k datvoor die zestig gulden niet nemen mòcht. Toen drukte-ie me geroerd de hand. Ik vòèlde ’m zoo, sprak-ie zacht. En hij stak nog ’n sigaar op.«Je blijft toch eten?» vroeg Co. ’k Keek aarzelend naar de aardappelen. En die Jopie, die zoo royaal met z’n boonen omsprong! Toch wou ’k ook niet teleurstellen, ’k Stond in twijfel.«Natuurlijk komt-ie!» loste Jos ’t geval voor me op met ’n geweldigen slag op m’n schouder. «Hìjzou er niet bij zijn! Op Co’s feestdag! Er komen er nog meer. Anders haal ik ze! ’n Mensch kan niet àltijd werken. ’n Beetje ontspanning zal ons goed doen. Je komt, hoor! En wat de pot schaft! Haha,hìjzou er niet bij zijn».’k Beloofde. Toen ’k wegging, werd er juist gebeld. ’t Was ’n beertje. Dochdie ging dra op de vlucht voor ’t lapje van zestig. Van zóóveel had-ie niet terug. Jos zwaaide er mee, of-ie ’n vaandel veroverd had. Bescheiden stapte ’k heen: ’k voelde me ’n góéd mensch.’t Is ’n overdadige fuif geworden. ’k Had nog wat meegebracht, om de tafel ’n royaler aanzien te geven, blikjes-goed en zoo. M’n jaszak puilde er van uit. Maar toen ’k ’t feestmaal aanschouwde, schaamde ’k me en ’k heb alles bij me gehouden. Tegen zooveelrichessekon ’k niet op.’k Herinner me niet, de laatste jaren ooit zóó te hebben gesmuld. En ’t zag er aardig uit met al die gemberpotten, eindjes kaars en gedroogde bloemen. Servetten hadden we niet, maar waar deHenkeman’s opeens al die glazen vandaan haalden, is me nog ’n raadsel. En gevuld dat ze waren? Met wat je wou!Er is veel getoost, op den bloei der kunst, op Co, ’k meen ook op «De doode kraai». Even werd de vreugd verstoord, doordat Co, met extra nonchalant Cleo-haar, zich plots herinnerde, dat er zeker in geen vier uur naar de kleinste gekeken was. We zijn toen allen op ’n holletje naar den achtersten uitbouw getogen en daar vonden we ’t wurm net nog in leven, maar al heelemaal blauw van ’t schreeuwen en ’t op-z’n-buikje-liggen. We hebben daarop de wieg in feestelijken optocht naar ’t Paradijs gesjord en daar met lampions behangen, wat ’n heel aardig effect maakte.Verder herinner ’k me geen stoornissen.Alleen stoof Jos telkens naar z’n conceptie-hol, omdat ’t weer bij ’m begon te werken en klonk er op ’n gegeven oogenblik ’n benauwde kreet van onder tafel, waar Jopie, dien we allang in bed dachten, zich te buiten ging aan ’n oesterschelp. Dat alles echter maakte den avond niet minder geanimeerd. In tegendeel!’k Begon er me al over te verwonderen, hoe Jos zooveel weelde bij elkaar had gebracht voor m’n ongelukkig, blauw lapje. Er moesten bepaald weer nieuwe winkels bij gekomen zijn! Maar dra verklaarde zich ’t geval.’k Was de gang ingeloopen, even m’n handen te wasschen. De gasten zaten verspreid op de avontuurlijke stoelen of liepen de kamer rond, alsof er haast bij was, de heeren met ’n «zuigstengel»—’n exquise Havana!—, de dames met ’n snoepje. Co zat weer over een van ’r roman-afleveringen gebogen, slaperiger dan ooit. En Jos kreeg opnieuw ’n bevlieging, greep al naar ’t potlood: «De lezende Madonna».’k Stond aan ’t fonteintje, goochelde met ’n stukje zeep. Zóó had je ’t, zóó had je ’t nièt. En de handdoek was zoek. Chris kon me niet helpen, want die was voor uren naar huis gestuurd met ’n halve ham en ’n flesch port. ’k Sloeg m’n handen uit, spatterde van Stralen in ’t gezicht. Van Stralen is ’n aardige kerel, die iets bij de «belastingen» doet. Hij was me zoo maar achterop geloopen en wou zich nu ook wat verfrisschen.«Gezellige pan, hè?» vroeg-ie enthousiast.’k Stemde van harte toe, gestreeld, want eiglijk beschouwde ’k ’t feestje toch als mìjn fuif.«’t Gaat ze tegenwoordig goed» vervolgde van Stralen opgewekt en opzijnbeurt begon-ie ’t spelletje met de zeep. «Hij verkoopt meer dan-ie maken kan. ’k Heb vanmiddag net nog ’n aardig ding op de kop getikt. Twee uien met ’n sinaasappel en ’n achtergrond. ’n Fijn stukje».M’n handen waren opeens droog, «Twee uien?» vroeg ’k.«Ja» blies van Stralen, die bepaald te veel gegeten had, «en ’n sinaasappel en dan nog iets, dat je niet erg goed zien kan. ’t Is heel mooi. Ga maar eens mee kijken».Hij ging me voor, onafgedroogd. We traden weer in ’t gezellige «vóor». Dochdaar zag ’k juist Jos in druk gesprek met Bouwer—òòk ’n heel aardige kerel, ’k geloof aan ’n ministerie—vlak voor mijn uien, die nu van van Stralen waren. ’k Begreep de situatie, troonde van Stralen onder ’n voorwendsel mee naar ’n anderen hoek van de kamer. Geen drie minuut later, of Jos drukte Bouwer stevig de hand: de zaak scheen beklonken. Toen kregen we nog champagne.Den volgenden morgen—’t was laat geworden ’s nachts en ’k lag nog te bed—kwam Jos bij me met ’n mismoedig gezicht en.... de uien.«Zoo? Zijn ze daar dan toch?» vroeg ’k verheugd en ’k richtte me half op.«Ja» bromde-ie, «maar als je ’t me niet kwalijk neemt, wou ’k er wel mee op stap».«Hoe bedoel je?» vroeg ’k, op alles voorbereid.«Die uien doen me de dood aan!» riep-ie woedend uit. «’nCroûte, ’n ding zonder idee! Wat is in ’s hemelsnaam ’n ui! En ze zijn er allemaal dol op, stapel, gek. Ze vallen er op aan als uitgehongerde wolven. Jij, hij, zij! En die gehate dingen zullen op ’t laatst nog m’n uitkomst zijn! Jij wou ze gister met alle geweld hebben, weet je nog wel? ’k Heb je nog teruggehouden, gezegd: «kerel, neem de doode kraai. Van dat dier zul je plezier hebben». Maar nee, jij zou en moest de uien. Nu, je hèbt ze dan ook».Hier wou ’k protesteeren, want ’kdacht aan Bouwer en van Stralen. Doch als Jos eenmaal op dreef is, krijg je er geen woord tusschen.«’k Heb ’n dinertje voor je ingericht, omdat ’k je handelwijze zoo attent vond» vervolgde Jos met ’n razenden pluk aan z’n haar. «Ook is Co maar ééns jarig. Eenvoudigjes natuurlijk, onder ons. Maar ’t valt toch niet mee. Er komen altijd meer lui dan je denkt en je wilt toch ook geen honger lijen. En vlak nadat je ’s middags weg ging, kwam die fielt van ’n schoenmaker met zóó’n rekening. Die had wèl terug van zestig. Toen van Stralen dan ook—hij was wat vroeg—absoluut die uien wou (hij was er gewoon niet van weg te slaan, idioot!) heb ’k ze ’m maar gelaten, voor vijftig gulden, ’n krats, cadeau. O, dan krijg jij nog tienvan me, hè? Ach, nee, hoe zit dat nu ook weer? M’n kop loopt om van al die misère en ’n ideeën als ’k vanmorgen weer had! Dat krijg ’k altijd na zoo’n avondje. ’k Kan er eiglijk niet tegen. Enfin, we rekenen nog wel af.En ’s avonds kreeg Bouwer ’t ook al te pakken. Hij wou er ’n moord voor doen, zei-ie. Nu, je begrijpt, dat wou ik niet, voor nog geen honderd uien! En we moesten den volgenden dag toch òòk nog leven. Met die paar blikjes zalm doe je niet lang. Dus, om van ’t gezeur af te zijn, heb ’k ’m maar niet teleurgesteld, voor veertig gulden. Belachelijk! Maar vanmorgen hebben ze gewoon de bel bij ons uit de deur gehaald—of ze ’t ruiken, de hyena’s!—Chris heeft geen woord kunnen inbrengen en nu heb ’k nogprecies dertien en ’n halve cent. Haha, ’n kunstenaarsbestaan! Je verkoopt al je hebben en houwen voor ’n krats en nog lijd je armoe! En je echte, zuivere, mooie werk—’k bedoel nog niet eens «de dooie kraai»—willen ze niet aan!—En nu wou ’k je vragen, beste kerel, omdat jullie alle drie die uien toch niet kunt hebben en omdat daar nu zoo’n verkoop in schijnt te zitten, leen me even ’n fatsoenlijk overhemd en ’n boord en vijf pop. Dan rij ’k naar die nieuwe kunstzaak in de Langstraat en ’k ben weer in bonis en je neemt maar uit m’n «hol» wat je wilt. Je weet, vrienden kan ’k niets weigeren».’k Dacht weer aan Co, Jopie en ’t aardappelmandje en.... ’k was overgehaald. Jos trok m’n beste overhemden m’n hoogste boord aan en ’k gaf ’m vijf pop, ommìjnuien te verkoopen. Toen ben ’k nog maar wat blijven liggen. En ’k heb veel nagedacht.Jos heeft de uien niet verkocht. De kunstzaak wou ze niet aan. Daarop heeft Jos, zonder aan de drie eigenaars te denken, ze uit kwaadaardigheid verscheurd mèt den sinaasappel en den onduidelijken achtergrond. En hij heeft gezworen, dat-ie nooit meer één ui schilderen zou, al moest-ie ook verhongeren.Tegenwoordig loopt Jos elk oogenblik bij me op, of ’k niet eens iets bij ’m kom uitzoeken in ruil voor ’t vernietigde stilleven. Maar ’k durf nietgoed. ’t Komt altijd duurder uit, dan je denkt. En Jos is zoo slordig met overhemden!«Van Stralen en Bouwer laten zich niet meer zien» vertelde-ie me met ’n zucht. «En dat allemaal om die verwenschte uien! Heb ’k gelijk, dat ’k ze nooit meer schilder?»«Ofje!» stemde ’k toe. En ’k heb ’m beloofd, dat ’k morgen bij ’m zou aanloopen.Maar ’k gà niet!

SCHILDERS-VREUGD.Chicwas ’t er niet. Maar wel gezellig.Je behoefde bijvoorbeeld niet eerst ’n dubbele belegering van zware portières door, vóór je je compliment afstak bij mevrouw in den salon (trouwens ’t woord «salon» kenden de Henkeman’s, meen ’k, alleen uit afleveringen-romans, welkezijverslond;hijveegde er enkel z’n pennemes aan af of zette er glazen water op).Nee, je stapte zóó uit de kale gang, waar niets dan ’n paraplubak stond zónder paraplu’s, in ’t voorvertrek, waar zoowel ontvangen, gegeten, gehuisd als somwijl geschilderd, gegymnastiseerd enmet pijl en boog geschoten werd. Late vrienden logeerden er ook wel en ’k meen, dat er ’n enkele maal ook werd gebaad. Doch dit laatste heb ’k nooit meegemaakt.Sans gênedus; daarom niet ongenoeglijk. En je had ruimte van bewegen, want veel stond er niet. En wàt er stond, was nogal wankel, ruimde je dus, als ’t je hinderde, gauw uit den weg. Vandaar dat, wanneer ’t gezelschap bijzonder voltallig was—de Henkeman’s ontvingen drùk—de kamer in een minimum van tijd was ontmeubeld. Je moest dan wel staan, wat op den duur vermoeiend is, maar ’t hield je ten minste wakker en ’t gaf iets los, ongekunstelds aan ’t samenzijn. Je kon je soms zelfs verbeelden, dat je je op ’n gezelligen clubtocht bevond, zóó liepen allen dwarsdoor elkaar of in groepjes ’n eindje op, druk gesticuleerend of in hoogst geanimeerd gesprek. Ja, aan kouwe sjeu deden de Henkeman’s niet.De suite-deur stond meest open. Niet voor ’t gezicht! Want was de voorkamer al niet rijk aanchaise longue’s,Mimi-tafeltje’s,causeuse’s, ’t achtervertrek was direct te exploiteeren als rolschaatsbaan: je viel er zelfs niet over ’n stoof. Henkeman noemde ’t daar z’n «conceptie-hol»—hij broeide er z’n geweldigste kunstwerken uit—; ook wel zijn Paradijs. Nu, even maagdelijk was ’t er minstens. ’k Geloof, dat, vele, vele jaren her, de Henkeman’s iets dikker zaten in wat men gemeenlijk het huiselijke comfort noemt. Echter, de tand des tijds had veel vrekkig verknaagd. En ook, om deze beeldspraak nog iets door te voeren,de tand des deurwaarders—’n geweldige slagtand, ’n heele ivoormijn!—had er verwoestend in gehuisd, zoodat slechts ’n wrak, ’n ruïne overbleef van wat eens statig zeilde op de geordende huwelijkszee.Doch de Henkeman’s trokken er zich niets van aan, geheel los van dat wurmige gedoe, waarover ieder ander zich zoo dwaaslijk bekommerde.Zijleefden in ’n geestelijke sfeer, waar men desnoods genoegen nam met één rieten stoel en ’n tafel van twijfelachtige stabiliteit. Bijkoopen deden ze evenmin. Eerstens wijl hun daartoe 300 en zooveel dagen van ’t jaar de middelen, ’t leelijke, protsige geld ontbraken. En de overige, weinige etmalen besteedden ze hun overtollige financiën liever aan meer direct te consumeeren levensvreugden als:nieuwe broeken, ’n huisjapon, kreeft, oesters, port- en andere wijnen. In zekeren zin waren de Henkeman’s echte levenskunstenaars.’t Overige van hun huis lag voor de meeste bezoekers in ’t duister.Ikheb er eens ’n blik in geslagen. ’k Zag ’n keukentje, vettig, walmig, met hier en daar scheef aan ’n verdwaalden spijker ’n enkele pan, die nieuwsgierig door z’n eigen bodem keek. Dan kwam je in de uitbouwen, waar geslapen en, bij helder weer, ook geschilderd werd. ’k Zag op tegen ’n berg van beddegoed, bultig, valleiïg, ’n wanorde, of er hevig slag geleverd was door slaapdronken reuzen. Die eene blik was me voldoende.Ikgevoelde me behaaglijker in hun gezelligvóór.Toen ik er de vorige maand kwam,ontvingen de Henkeman’s me met hun gewone hartelijkheid. Co, in ’r peignoir, welke ’k me nog van onze eerste kennismaking herinnerde, zat over ’n mandje aardappelen gebogen, welke zenietschilde.Hìj, Jos, handen tusschen hemd en pantalon, liep heen en weer met onnoodig groote stappen, de zijkanten van den vloer zorgvuldig vermijdend; want dan kwam je op hout, wat geweldig kon klotsen en Co had weer last van ’r hoofdpijn. In ’n hoek bij ’t raam lag de kleine Joop over den grond te knikkeren met òngekookte bruine boonen. Uit ’t «conceptie-hol» klonk ’t zachte gebler van de jongste—de Henkeman’s waren laat in hun kinderen gekomen—, die daar met z’n wieg tijdelijk was ondergebracht, dus de maagdelijkheid van ’t Paradijs lichtelijkschendend. Ik voelde me weer dadelijk in den familiekring.Voorzichtig m’n weg nemend langs ’n tafeltje, dat ’k kènde—’t ding had altijd de onhebbelijkheid, met je mee te gaan—stak ’k Co bruisend de hand toe. Zij, de hare afvegend aan ’t ochtendkleed, reikte me die dan slapjes aan, met ’n van hoofdpijn schuinschen blik onder langs ’r vrijzinnig opgemaakt Cleo-haar. En ze zei: «Zoo?», wat zoowel alles als niets beteekenen kon, zoodat ’t moeilijk voor me was, er op in te gaan. ’k Wou dus al, dwars over ’n hindernis van kinderspeelgoed en ’n teekenmap, oversteken naar Jos, toen ’k aan bei m’n broekspijpen werd vastgegrepen. ’k Keek benedenwaarts en ontwaarde kleinen Joop, die tegen m’n beenen lag te duwen, omdat ’k op tweevan z’n bruine boonen stond. ’k Hou van dat kinderhandjes-gegraai, dus bukte me, ’m te aaien. Doch Jopie, die zeer vrij wordt opgevoed—bloemen in ’t wild zijn ’t mooist, is een van Jos’ opinies—beet me vrij felletjes in m’n duim, zoodat ’k m’n hand haastig terugtrok. En, nu niet meer wijkend voor de versperring van ’n houten paardje, dat, geheel staartloos en zonder manen, me melancholiek stond aan te staren, stevende ’k recht op Jos af met ’n joviaal «besjour!» Jos, die juist z’n broek weer optrok, wat nooit voor langer dan vijf minuut hielp, zei opzìjnbeurt: «zoo?» Doch hij stak me de vijf niet toe, want hij is niet erg handerig: hij vindt datbourgeois.Daar stond ’k nu. ’k Humde eens en vroeg dan: «Alles wel?»Jos, z’n pijp uit den mond nemend, keek me aan, of ’k uit ’n andere wereld kwam. Daarop vertrok z’n gezicht zich tot ’n satanische grijns en hij schraapte:«Alles wel? Hahaha! Ja, we leven nog. En we hebben nog te eten!», waarna-ie verwoed den steel van z’n pijp begon te bebijten, alsof dat ’t eenige was, waarop-ie nog knabbelen kon.Eenigszins verschrikt keek ’k schuw naar Co en ’t aardappel-mandje. Dit echter had ze reeds met ’n moe gebaar van zich afgezet en ze diepte uit ’r zak ’n broei-warmen appel op, waaruit ze dadelijk groote happen beet. Jopie, opmerkzaam gemaakt, wierp ze ’n paar hazelnoten toe. Bij tijden waren de Henkeman’s streng vegetarisch. Inderdaad, de toestand zag er niet zeer bemoedigend uit.«Wil ’t niet erg vlotten met ’t werk?» vroeg ’k belangstellend.Daarmee kreeg ’k Jos dadelijk op gang. «Als je rooken wilt, geneer je niet» begon-ie. «Mijn .... hahahaha!—kistjes zijn momenteel leeg.»’k Haalde m’n koker uit den zak en presenteerde ’m, wat-ie zich zonder te veel omhaal liet welgevallen. Dan, terwijl-ie venijnig rook uitblies, alsof ’t minstens ’n verpestenden stank verspreidde, ontrolde-ie gaandeweg z’n overkropt gemoed.«’t Is nog nooit zoo kolossaal met m’n werk gegaan! Enorm! De ideeën bestormen me. ’k Houd m’n hoofd vast. ’k Ben er bij oogenblikken gek van. Niet waar, Co?»Co knikte, al half door ’r appel heen. Ze sprak ’m nooit tegen.Trouwens, wat zou ’t ook helpen?«M’n conceptie-hol dààr is tegenwoordig ’n hel voor me. Telkens en telkens word ’k er naar toe gedrongen, om ’n nieuw denkbeeld op te krabbelen. ’k Heb geen handen genoeg. Ze vallen me in bij dozijnen. Ga er maar eens kijken. Let niet op dat wurm, want dat schreeuwt tòch. De wanden hangen vol, de vloer ligt bezaaid. Ha, ’t is prachtig!»Wild streek Jos door al z’n haren en z’n oogen stonden begeesterd. Dan trok-ie weer verwoed z’n broek op.«Ik feliciteer je» sprak ’k met warme vriendschap en stak ’m de hand toe. Doch hij zag die niet,wìldedie niet zien. Hij blies me ’n kolossalen wolk van m’n eigen sigaar in ’t gezicht en, na ’n duivelschen lach, waarnaar dewiegeling vijf minuut verbijsterd lag te luisteren, barstte-ie los:«Ha, noem me liever diep rampzalig. Wat doe je in dezen nuchteren tijd met ideeën! Als ’k er gèèn had, dan maakte ’k fortuin, verdiende ’k schatten. Koetjes schilderen in de wei en binnenhuisjes met of zonder koekepan! Hahaha! Maar ze krijgen er me niet onder. Nee! ’k Verkoop m’n ziel niet. Nooit!»Hij nam ’n heldhaftig-verdedigende houding aan, alsof er van allen kant kunstkoopers op de loer lagen, beslag te leggen op z’n kolossaal talent. Later echter vernam ’k, dat die z’n adres niet wisten. Hield-ie dat misschien angstvallig verborgen?«Kijk!» riep-ie uit en hij sleepte me mee naar ’t Paradijs. «Zie je niets, wat je dadelijk trekt, dat je als ’t ware toeroept:Hier moet je zijn en nergens anders?»’k Keek nauwlettend rond. Overal lagen teekeningen, krabbels, sommige verkreukeld of met de sporen van ’n onschoone zool. En ’t behang was volgeprikt met ’n uitgezochte collectie aquarellen en andere verven. Op goed geluk stapte ’k naar ’n hoek bij ’t raam en tot m’n groote blijdschap bleek dat de juiste richting te zijn.«Ha!» juichte Jos haast, zoodat de kleine in de wieg opnieuw begon te krijten. «Hij ziet ’t dadelijk, Co! Ja, ’k wist ’t wel! Den grootsten stommeling moet ’t boeien!»’k Nam gaarne aan, dat dit laatste niet op mij sloeg. ’k Stond nu voor ’n wonderlijk geval, dat ’k eerst voor zee aanzag, toen voor ’n rivier en eindelijkvoor wat ’t was: lucht; niets dan lucht.’k Voelde, hoe Jos in spanning achter me stond. Daarom, toch ièts te zeggen, zei ’k, heel eerlijk:«Curieus».«Niet waar?» stemde Jos enthousiast toe. Dan, na ’n oogenblik:«Weet je, hoe ’t ding heet?»’k Kon er zoo gauw niet achter komen. Gelukkig was Jos me voor.«De doode kraai.»Nu kon ’k m’n verwondering toch niet geheel bedwingen.«De doode kraai?» vroeg ’k aarzelend.«Ja!» schreeuwde Jos ongeduldig. «Jij zoèkt ’t beest, hè? Dat doen ze allemaal. De ezels! Maar begrijpen jullie dan niet, dat ’t veel mooier is, ’t beest nièt te schilderen? Wat zegt ’n dooie kraai? Geen bliksem! ’k Bedoel: ’n dooiekraai schilderen, kan iedereen. Maar ’m nièt te schilderen en ’m dan tòch te doen vermoeden ergens in de onbestemde ruimten van ’t wereld-wee, dàt is kunst. Niet de materie, maar de idee, ’t begrip! Zie die lucht! Zie, zeg ’k!» (Jos pakte me bij ’n schouder, doch dit was volstrekt niet noodig, want ’k zag heelemaal niets anders). «Dat is geen regenlucht, of geen donderlucht, of geen hagellucht, of geen zonnelucht. Nee, ’t is geen eens lucht. Die kan je voor mijn part cadeau krijgen! ’t Is slechts symbool, ’n symbool van ramp, ellende, verlatenheid. Die wolken, die eiglijk geen wolken zijn—begrijp je me? Volg je me? God, Co, laat dat wurm z’n mond toch us houwen!—die wolken roepen ’t uit: «Daar ergens licht, hu hu, ’n doode, hu hu, ’n doode kraai!» ’n Tragedie,afschuwelijk! Je voèlt de kraai. Ja, als ’k m’n oogen sluit, zie ’k ’m. Daar!»De oogen dicht, prikte Jos met den wijsvinger bijna in m’n oor. ’k Wendde me wat af. Men moet niet te lang naar tragedies zien.«Welke schilder heeft dat vóór me gedaan?» vroeg Jos, terwijl-ie weer in de werkelijkheid keek. «Ze kunnen er naar ruiken! Ja, koetjes en koekepannen. Maar ’n kraai, die er niet is!—’k Ben er mee naar drie kunstkoopers geweest. Haha! ’k Hak liever m’n hiel af, dan dat ’k ooit weer ’n voet zet in hun schande-winkels! Bloedzuigers zijn ’t, verkrachters van de ziel! Weet je, wat ze zeien? De een zei: «Meneer, u moest die lucht wat stoffeeren». Stoffeeren! Alsof ’k gemeubileerde kamers verhuur! De ander vroeg, waar ’k de onderstehelft gelaten had. Die lui zien niets! En de derde, dien ’k nog us speciaal op m’n kraai opmerkzaam maakte, zei: «Meneer, ’t beest is niet af genoeg». Nu vraag ’k je! Wat maalt ’n dooie kraai er om, of-ie af is? En met zulke stommelingen heb je te maken! Die hebben ’t heft in handen. Die kunnen je laten crepeeren, als ze willen! Er moet revolutie komen, opruiming! Dan eerst is de weg vrij naar ’t Ideaal!»Jos, ’t Paradijs ontvluchtend, stapte, met weer ’n haal aan z’n broek, terug naar z’n gezelligvóór. ’k Volgde ’m, ook omdat de wiegeling ’n steeds erbarmelijker keel opzette.«Kàn dat kind van jou dan niet ’n oogenblik zwijgen?» snauwde Jos. «Waar zijn onze uitbouwen toch voor?»Co, weer aan ’n verschen appel—’t was enorm, zooveel als ze daarvan aan kon. En waar haalde ze ze vandaan?—keek flauwtjes op, schuins langs ’r Cleo-haar. Ze wou iets zeggen, scheen ’t, maar ze wist niet wat. Gelukkig hoorde ze juist ’t dienstmeisje in de gang, terug van ’n boodschap. Daarom zei ze, met ’n traag gebaar, alsof dàt ’r zelfs nog te veel was:«Chris, zal ’m wel weg zetten».Er werd geklopt. Chris trad binnen.«Heb je ’t?» vroeg Co.«Nee» zei Chris.«Waarom niet?»nader-informeerde Co.«Ze gaffe niks meer, zeie ze, voor ’t andere betaald was».«O!» begreep Co dof en ze deed ’n hap in ’r appel, dat Jopie er zelfs verbaasd van keek.«Debourgeois!» smaalde Jos.«Steek nog us op» stelde ’k joviaal voor, ’m te troosten; ook omdat-ie de laatste minuut m’n sigaar geen seconde uit ’t oog verloor.«In gedachten» tastte-ie andermaal in m’n koker. En, dadelijk weer venijnig paffend, alsof-ie de lucht bepaald onuitstaanbaar vond, droeg-ie Chris op:«Ga dan naar de overkant».«Daar ben ’k ook al geweest» zei Chris gelaten.«Ha!» begreep Jos, weer met een van z’n meest satanische glimlachen. Dus nergens leverden ze meer op crediet! De hongerdood stond voor de deur! Nòg zag-ie ’n uitkomst.«Ga naar die nieuwe winkel op de hoek. Daar kennen ze ons nog niet».«Ja, dat zegt ù» zei Chris levenswijs.«Mot u us komme!» Dit laatste deed de deur dicht. Dus drong Jos niet langer aan.«Je ziet, wat ’n naam ’k maak!» riep-ie me toe met schrijnenden spot. «De faam gaat me vooruit! O, hoe schoon is ’t, kunstenaar te zijn!»Hij zette zich, op ’n tabouretje, zeer laag bij den grond. «Co, wòrdt ’t daar nu rustig?» Hij wees naar ’t Paradijs.«Ach, Chris, breng jij zus even achter. Wil je?» vroeg Co, met ’r tong de laatste appel-resteverwerkend.O, Chris wilde wel. Ze wildealtìjd. Ze had nooit iets anders dan te willen. Nog geen zestien, was ze al in ’r zevenden dagdienst. En overal waar ze kwam, vond ze ’t zelfde: ’n missen boel. Je wende er aan. En thuis was ’t net zoo. Wat ze van ’r vroegen, dééd ze. Zestond bullebassen van schuldeischers te woord, gaf niet thuis, al hoorde je meneer zingen, dat de gang er van dreunde, droeg aschbakken weg, ver boven ’r kracht, liep ’t vuur uit ’r sloffen, om ergens iets ’n halve cent goedkooper te krijgen dan naast de deur. ’t Raakte ’r alles niet meer. ’t Ging over ’r heen. Eens toch zouen ze voor haar ook sjouwen: als ze begraven werd! Dan werdzìjgedragen. ’t Was ’n troost, ofschoon nog in verre toekomst. Eerst moest ze nu de ijzeren wieg verduwen, mèt de kleine, de heele gang door en de keuken naar de achteruitbouw, ’t Was ’n gevaarte, voor hààr postuur ’n schip. In ’t Paradijs klonk gemorrel en gepiep van ijzer over hout; ook ’t geblaat van de allerjongste Henkeman. Dan ging ’n deur dicht; ’t schip,zeevaardig, stevende de gang in en ’t werd rustig.«Nu kan ’k tenminste weer denken!» riep Jos gemarteld uit. Hij greep naar z’n hoofd, alsof de ideeën daar weer loskwamen. Bang, dat we daar moeilijkheid mee zouden krijgen, leidde ’k ’m af.«Waarom maak je niet us wat maakwerk?» vroeg ’k. «Zoo voor de verkoop. Je bent toch zoo handig.»Dit laatste moest ’m vleien.Hij keek me aan, voorzìjndoen tamelijk rustig. Ook scheen-ie langzamerhand aan m’n sigaren te wennen. Althans, hij trok geen vieze gezichten meer.«’k Heb van alles geprobeerd» bekende-ie open, als ’n groot artist. «Maar zelfs als ’k tot de plebejers probeer af te dalen, begrijpen ze me nog niet. ’k Heb naar ’t nieuwe weekblad «De Zon»—’n prul, tusschen twee haakjes!—’n serie satyrieke charges gestuurd. Kostelijk! ’t Heele Kabinet werd er door gehaald. De redactie stuurde ze me terug, omdat ’t publiek «geen gruwelkamer-impressies bliefde!» ’t Wou liever wat vroolijkers. Ja, roei daar maar eens tegen op!—’k Heb voor ’n koperen bruiloft allerlei komiekigheden in elkaar geflanst. Je begrijpt wel: bruigom met scheeve hooge hoed, enzoovoort. De ezels hebben niet eens gelachen. De bruigom heeft me ’n pak slaag gepresenteerd en de bruid wil me nooit meer zien. Ja, je moet je best maar doen! Wat nu? ’k Kan toch geen uithangborden schilderen? Dat is anders wel «hooge» kunst, haha!»Hij begon weer verwoed te rooken,zoodat ’k al naar m’n koker voelde, of ’k nog voorzien was.«Maar ’k vind ’t toch hartelijk van je» zei-ie dan, met ’n haal, dat ’k ’m ’n oogenblik niet zien kon, «dat je nog aan Co’s feestdag gedacht hebt. Dat bewijst tenminste, dat ’n mensch in z’n misère niet vergeten wordt».’k Sprong op, voorzichtig, want de stoel, waarop ’k me na lang aarzelen gewaagd had, was niet tegen heftige emoties bestand.«Feestdag?» vroeg ’k onhandig.«Ja, Co is immers jarig» moedigde Jos aan.’k Trad snel op de jubilaresse toe, drukte ’r warm de hand.«Nog vele jaren!» wenschte ’k van harte.«Dank je» zei Co. «Wil je ’n appel?»’k Sloeg dit aanbod af. Maar ’k wou wel ’n glas water, zei ’k. Hiermee echter bracht ’k de Henkeman’s in groote moeilijkheid. Er wàren geen glazen. Chris brak zooveel! «En al m’n penseelen staan juist uit te weeken» verklaarde Jos met ’n eerlijk gezicht. Of ’n kopje ook goed was? ’k Dronk ’t lièfst uit kopjes, zei ’k. Toen kreeg ’k er een, wat stoffig en zonder oor. Maar als je wèrkelijk dorst hebt, let je daar niet op.«’k Zou ook nog les kunnen geven» vervolgde Jos z’n afgebroken rede. «Maar daar heb je ’n meer, hahaha, wereldsch intérieur voor noodig. Want van de dames moet je ’t hoofdzakelijk hebben. En dan die jaloezie van Co! Je kent ’r niet! Als ze los komt....! Nee, daar begin ’k niet aan».Flauwtjes keek de jaloersche naar ’m op. Ze had warempel alwèèr ’n appel!Jos vlòòg van z’n tabouret. «Blijf zoo zitten!» riep-ie. «Verroer je niet. Wat ’n expressie! Kerel, zie je dat? ’n Madonna!»’k Keek, wat ’k kon. Maar voor ’n «Madonna met den appel» kon ’k weinig voelen. Integendeel, ’k vond dat Co er vrij vervelend uit zag, vadsig als altijd, en voor ’n feestdag bijzonder slaperig. Jos echter, met z’n artisten-oog, ontdekte altijd heel andere dingen dan ’n gewoon mensch. Hij zag van alles in Co. Hij had ’r op alle denkbare wijzen op ’t doek mishandeld. Ze fungeerde er als moeder, als nimf, als bruid, als Venus! Je kon ’r in alle mogelijke toestanden aantreffen in ’t Paradijs, vóór, in de uitbouwen: zich kleedend, in négligé,in ’t bad; lezend, peinzend, aan de wieg, in ’n bloemperk. Maar altijd ontlokte ze je weer ’n gaap, zoo verveeld kon ze kijken. En ook nu, met ’r zooveelsten appel, ging er voor mij geen groote bekoring van ’r uit.Opeens rende Jos de achterkamer in. «’k Krijg ’t weer!» riep-ie smartelijk uit. «’t Komt! O, dat conceptie-hol!»’k Zweeg, eerbiedig. En Jopie, die me juist met ’n handvol bruine boonen bekogelen wou, kreeg ’n moederlijke vermaning. «Stil, jongen» zei Co. «Je vader wèrkt!»’k Keèk naar dat werken. Doch voorloopig bestond ’t daàruit, dat Jos op krampachtige wijze z’n hoofd vasthield en ijselijk stampvoette. Dan trok-ie z’n broek weer op en, zich tot me wendend, zei-ie met ’n flauwen lach:«Nee, ’k dàcht, dat ’t wat was. ’n Mensch raakt eèns uitgeput».Hij trok me mee in z’n hol. «Begrijp je» vroeg-ie onstuimig, «hoe hier ’t werk op je aanstormt? Als ’k m’n oogen dicht doe—kijk, zoo!—, zie ’k, wat ’k wìl. Die modeschilders met hun divans en draperieën! ’t Is m’n illusie, eens ’t Niets te kunnen schilderen. Voel je? ’t Niets, dat eiglijk àlles is! De Eenheid en de Veelheid, alles bij elkaar en toch nog nul! Ha, ’t blijft natuurlijk ideaal, dat te bereiken zònder materie, zonder doek, zonder verf! Stel je voor: «Mevrouw, ’k verkoop u dàt. Niets en alles!» En je wijst in de lucht en ’t is grijpbaar en toch niet te vatten. Welk ’n triumf van de geest! Dat alles gaat in m’n hoofd om. Begrijp je nu, dat ’k er wel eens pijn aan heb?»’k Stemde toe, dat ’k me dat best kon indenken. En onderwijl streed ’k in mezelf ’n heftigen kamp. M’n nuchterheid verzette zich tegen ’n edelmoedige opwelling, welke ’k op ’t laatst toch niet kon bebazen. Neen, als ’k alles bedacht: Co jarig, God wist misschien zelfs geen appel meer in huis, Chris geweigerd door allebourgeois, Jopie met z’n onverkwikkelijk harde boonen, Jos straks weer bijtend op z’n pijp .... ’k kon ’t niet langer aanzien. En ’k kocht, voor ’t eerst van m’n leven, op staanden voet, kunst. ’k Bemachtigde ’n ding, dat me wel aardig leek: twee uien naast ’n sinaasappel met, op den achtergrond, schemerig, ’k mèèn ’n gemberpot. Jos vroeg, of ’k krankzinnig was, dat ’k «De doode kraai» niet nam, z’n meesterwerk! Maar ’k zei, dat ’k datvoor die zestig gulden niet nemen mòcht. Toen drukte-ie me geroerd de hand. Ik vòèlde ’m zoo, sprak-ie zacht. En hij stak nog ’n sigaar op.«Je blijft toch eten?» vroeg Co. ’k Keek aarzelend naar de aardappelen. En die Jopie, die zoo royaal met z’n boonen omsprong! Toch wou ’k ook niet teleurstellen, ’k Stond in twijfel.«Natuurlijk komt-ie!» loste Jos ’t geval voor me op met ’n geweldigen slag op m’n schouder. «Hìjzou er niet bij zijn! Op Co’s feestdag! Er komen er nog meer. Anders haal ik ze! ’n Mensch kan niet àltijd werken. ’n Beetje ontspanning zal ons goed doen. Je komt, hoor! En wat de pot schaft! Haha,hìjzou er niet bij zijn».’k Beloofde. Toen ’k wegging, werd er juist gebeld. ’t Was ’n beertje. Dochdie ging dra op de vlucht voor ’t lapje van zestig. Van zóóveel had-ie niet terug. Jos zwaaide er mee, of-ie ’n vaandel veroverd had. Bescheiden stapte ’k heen: ’k voelde me ’n góéd mensch.’t Is ’n overdadige fuif geworden. ’k Had nog wat meegebracht, om de tafel ’n royaler aanzien te geven, blikjes-goed en zoo. M’n jaszak puilde er van uit. Maar toen ’k ’t feestmaal aanschouwde, schaamde ’k me en ’k heb alles bij me gehouden. Tegen zooveelrichessekon ’k niet op.’k Herinner me niet, de laatste jaren ooit zóó te hebben gesmuld. En ’t zag er aardig uit met al die gemberpotten, eindjes kaars en gedroogde bloemen. Servetten hadden we niet, maar waar deHenkeman’s opeens al die glazen vandaan haalden, is me nog ’n raadsel. En gevuld dat ze waren? Met wat je wou!Er is veel getoost, op den bloei der kunst, op Co, ’k meen ook op «De doode kraai». Even werd de vreugd verstoord, doordat Co, met extra nonchalant Cleo-haar, zich plots herinnerde, dat er zeker in geen vier uur naar de kleinste gekeken was. We zijn toen allen op ’n holletje naar den achtersten uitbouw getogen en daar vonden we ’t wurm net nog in leven, maar al heelemaal blauw van ’t schreeuwen en ’t op-z’n-buikje-liggen. We hebben daarop de wieg in feestelijken optocht naar ’t Paradijs gesjord en daar met lampions behangen, wat ’n heel aardig effect maakte.Verder herinner ’k me geen stoornissen.Alleen stoof Jos telkens naar z’n conceptie-hol, omdat ’t weer bij ’m begon te werken en klonk er op ’n gegeven oogenblik ’n benauwde kreet van onder tafel, waar Jopie, dien we allang in bed dachten, zich te buiten ging aan ’n oesterschelp. Dat alles echter maakte den avond niet minder geanimeerd. In tegendeel!’k Begon er me al over te verwonderen, hoe Jos zooveel weelde bij elkaar had gebracht voor m’n ongelukkig, blauw lapje. Er moesten bepaald weer nieuwe winkels bij gekomen zijn! Maar dra verklaarde zich ’t geval.’k Was de gang ingeloopen, even m’n handen te wasschen. De gasten zaten verspreid op de avontuurlijke stoelen of liepen de kamer rond, alsof er haast bij was, de heeren met ’n «zuigstengel»—’n exquise Havana!—, de dames met ’n snoepje. Co zat weer over een van ’r roman-afleveringen gebogen, slaperiger dan ooit. En Jos kreeg opnieuw ’n bevlieging, greep al naar ’t potlood: «De lezende Madonna».’k Stond aan ’t fonteintje, goochelde met ’n stukje zeep. Zóó had je ’t, zóó had je ’t nièt. En de handdoek was zoek. Chris kon me niet helpen, want die was voor uren naar huis gestuurd met ’n halve ham en ’n flesch port. ’k Sloeg m’n handen uit, spatterde van Stralen in ’t gezicht. Van Stralen is ’n aardige kerel, die iets bij de «belastingen» doet. Hij was me zoo maar achterop geloopen en wou zich nu ook wat verfrisschen.«Gezellige pan, hè?» vroeg-ie enthousiast.’k Stemde van harte toe, gestreeld, want eiglijk beschouwde ’k ’t feestje toch als mìjn fuif.«’t Gaat ze tegenwoordig goed» vervolgde van Stralen opgewekt en opzijnbeurt begon-ie ’t spelletje met de zeep. «Hij verkoopt meer dan-ie maken kan. ’k Heb vanmiddag net nog ’n aardig ding op de kop getikt. Twee uien met ’n sinaasappel en ’n achtergrond. ’n Fijn stukje».M’n handen waren opeens droog, «Twee uien?» vroeg ’k.«Ja» blies van Stralen, die bepaald te veel gegeten had, «en ’n sinaasappel en dan nog iets, dat je niet erg goed zien kan. ’t Is heel mooi. Ga maar eens mee kijken».Hij ging me voor, onafgedroogd. We traden weer in ’t gezellige «vóor». Dochdaar zag ’k juist Jos in druk gesprek met Bouwer—òòk ’n heel aardige kerel, ’k geloof aan ’n ministerie—vlak voor mijn uien, die nu van van Stralen waren. ’k Begreep de situatie, troonde van Stralen onder ’n voorwendsel mee naar ’n anderen hoek van de kamer. Geen drie minuut later, of Jos drukte Bouwer stevig de hand: de zaak scheen beklonken. Toen kregen we nog champagne.Den volgenden morgen—’t was laat geworden ’s nachts en ’k lag nog te bed—kwam Jos bij me met ’n mismoedig gezicht en.... de uien.«Zoo? Zijn ze daar dan toch?» vroeg ’k verheugd en ’k richtte me half op.«Ja» bromde-ie, «maar als je ’t me niet kwalijk neemt, wou ’k er wel mee op stap».«Hoe bedoel je?» vroeg ’k, op alles voorbereid.«Die uien doen me de dood aan!» riep-ie woedend uit. «’nCroûte, ’n ding zonder idee! Wat is in ’s hemelsnaam ’n ui! En ze zijn er allemaal dol op, stapel, gek. Ze vallen er op aan als uitgehongerde wolven. Jij, hij, zij! En die gehate dingen zullen op ’t laatst nog m’n uitkomst zijn! Jij wou ze gister met alle geweld hebben, weet je nog wel? ’k Heb je nog teruggehouden, gezegd: «kerel, neem de doode kraai. Van dat dier zul je plezier hebben». Maar nee, jij zou en moest de uien. Nu, je hèbt ze dan ook».Hier wou ’k protesteeren, want ’kdacht aan Bouwer en van Stralen. Doch als Jos eenmaal op dreef is, krijg je er geen woord tusschen.«’k Heb ’n dinertje voor je ingericht, omdat ’k je handelwijze zoo attent vond» vervolgde Jos met ’n razenden pluk aan z’n haar. «Ook is Co maar ééns jarig. Eenvoudigjes natuurlijk, onder ons. Maar ’t valt toch niet mee. Er komen altijd meer lui dan je denkt en je wilt toch ook geen honger lijen. En vlak nadat je ’s middags weg ging, kwam die fielt van ’n schoenmaker met zóó’n rekening. Die had wèl terug van zestig. Toen van Stralen dan ook—hij was wat vroeg—absoluut die uien wou (hij was er gewoon niet van weg te slaan, idioot!) heb ’k ze ’m maar gelaten, voor vijftig gulden, ’n krats, cadeau. O, dan krijg jij nog tienvan me, hè? Ach, nee, hoe zit dat nu ook weer? M’n kop loopt om van al die misère en ’n ideeën als ’k vanmorgen weer had! Dat krijg ’k altijd na zoo’n avondje. ’k Kan er eiglijk niet tegen. Enfin, we rekenen nog wel af.En ’s avonds kreeg Bouwer ’t ook al te pakken. Hij wou er ’n moord voor doen, zei-ie. Nu, je begrijpt, dat wou ik niet, voor nog geen honderd uien! En we moesten den volgenden dag toch òòk nog leven. Met die paar blikjes zalm doe je niet lang. Dus, om van ’t gezeur af te zijn, heb ’k ’m maar niet teleurgesteld, voor veertig gulden. Belachelijk! Maar vanmorgen hebben ze gewoon de bel bij ons uit de deur gehaald—of ze ’t ruiken, de hyena’s!—Chris heeft geen woord kunnen inbrengen en nu heb ’k nogprecies dertien en ’n halve cent. Haha, ’n kunstenaarsbestaan! Je verkoopt al je hebben en houwen voor ’n krats en nog lijd je armoe! En je echte, zuivere, mooie werk—’k bedoel nog niet eens «de dooie kraai»—willen ze niet aan!—En nu wou ’k je vragen, beste kerel, omdat jullie alle drie die uien toch niet kunt hebben en omdat daar nu zoo’n verkoop in schijnt te zitten, leen me even ’n fatsoenlijk overhemd en ’n boord en vijf pop. Dan rij ’k naar die nieuwe kunstzaak in de Langstraat en ’k ben weer in bonis en je neemt maar uit m’n «hol» wat je wilt. Je weet, vrienden kan ’k niets weigeren».’k Dacht weer aan Co, Jopie en ’t aardappelmandje en.... ’k was overgehaald. Jos trok m’n beste overhemden m’n hoogste boord aan en ’k gaf ’m vijf pop, ommìjnuien te verkoopen. Toen ben ’k nog maar wat blijven liggen. En ’k heb veel nagedacht.Jos heeft de uien niet verkocht. De kunstzaak wou ze niet aan. Daarop heeft Jos, zonder aan de drie eigenaars te denken, ze uit kwaadaardigheid verscheurd mèt den sinaasappel en den onduidelijken achtergrond. En hij heeft gezworen, dat-ie nooit meer één ui schilderen zou, al moest-ie ook verhongeren.Tegenwoordig loopt Jos elk oogenblik bij me op, of ’k niet eens iets bij ’m kom uitzoeken in ruil voor ’t vernietigde stilleven. Maar ’k durf nietgoed. ’t Komt altijd duurder uit, dan je denkt. En Jos is zoo slordig met overhemden!«Van Stralen en Bouwer laten zich niet meer zien» vertelde-ie me met ’n zucht. «En dat allemaal om die verwenschte uien! Heb ’k gelijk, dat ’k ze nooit meer schilder?»«Ofje!» stemde ’k toe. En ’k heb ’m beloofd, dat ’k morgen bij ’m zou aanloopen.Maar ’k gà niet!

SCHILDERS-VREUGD.

Chicwas ’t er niet. Maar wel gezellig.Je behoefde bijvoorbeeld niet eerst ’n dubbele belegering van zware portières door, vóór je je compliment afstak bij mevrouw in den salon (trouwens ’t woord «salon» kenden de Henkeman’s, meen ’k, alleen uit afleveringen-romans, welkezijverslond;hijveegde er enkel z’n pennemes aan af of zette er glazen water op).Nee, je stapte zóó uit de kale gang, waar niets dan ’n paraplubak stond zónder paraplu’s, in ’t voorvertrek, waar zoowel ontvangen, gegeten, gehuisd als somwijl geschilderd, gegymnastiseerd enmet pijl en boog geschoten werd. Late vrienden logeerden er ook wel en ’k meen, dat er ’n enkele maal ook werd gebaad. Doch dit laatste heb ’k nooit meegemaakt.Sans gênedus; daarom niet ongenoeglijk. En je had ruimte van bewegen, want veel stond er niet. En wàt er stond, was nogal wankel, ruimde je dus, als ’t je hinderde, gauw uit den weg. Vandaar dat, wanneer ’t gezelschap bijzonder voltallig was—de Henkeman’s ontvingen drùk—de kamer in een minimum van tijd was ontmeubeld. Je moest dan wel staan, wat op den duur vermoeiend is, maar ’t hield je ten minste wakker en ’t gaf iets los, ongekunstelds aan ’t samenzijn. Je kon je soms zelfs verbeelden, dat je je op ’n gezelligen clubtocht bevond, zóó liepen allen dwarsdoor elkaar of in groepjes ’n eindje op, druk gesticuleerend of in hoogst geanimeerd gesprek. Ja, aan kouwe sjeu deden de Henkeman’s niet.De suite-deur stond meest open. Niet voor ’t gezicht! Want was de voorkamer al niet rijk aanchaise longue’s,Mimi-tafeltje’s,causeuse’s, ’t achtervertrek was direct te exploiteeren als rolschaatsbaan: je viel er zelfs niet over ’n stoof. Henkeman noemde ’t daar z’n «conceptie-hol»—hij broeide er z’n geweldigste kunstwerken uit—; ook wel zijn Paradijs. Nu, even maagdelijk was ’t er minstens. ’k Geloof, dat, vele, vele jaren her, de Henkeman’s iets dikker zaten in wat men gemeenlijk het huiselijke comfort noemt. Echter, de tand des tijds had veel vrekkig verknaagd. En ook, om deze beeldspraak nog iets door te voeren,de tand des deurwaarders—’n geweldige slagtand, ’n heele ivoormijn!—had er verwoestend in gehuisd, zoodat slechts ’n wrak, ’n ruïne overbleef van wat eens statig zeilde op de geordende huwelijkszee.Doch de Henkeman’s trokken er zich niets van aan, geheel los van dat wurmige gedoe, waarover ieder ander zich zoo dwaaslijk bekommerde.Zijleefden in ’n geestelijke sfeer, waar men desnoods genoegen nam met één rieten stoel en ’n tafel van twijfelachtige stabiliteit. Bijkoopen deden ze evenmin. Eerstens wijl hun daartoe 300 en zooveel dagen van ’t jaar de middelen, ’t leelijke, protsige geld ontbraken. En de overige, weinige etmalen besteedden ze hun overtollige financiën liever aan meer direct te consumeeren levensvreugden als:nieuwe broeken, ’n huisjapon, kreeft, oesters, port- en andere wijnen. In zekeren zin waren de Henkeman’s echte levenskunstenaars.’t Overige van hun huis lag voor de meeste bezoekers in ’t duister.Ikheb er eens ’n blik in geslagen. ’k Zag ’n keukentje, vettig, walmig, met hier en daar scheef aan ’n verdwaalden spijker ’n enkele pan, die nieuwsgierig door z’n eigen bodem keek. Dan kwam je in de uitbouwen, waar geslapen en, bij helder weer, ook geschilderd werd. ’k Zag op tegen ’n berg van beddegoed, bultig, valleiïg, ’n wanorde, of er hevig slag geleverd was door slaapdronken reuzen. Die eene blik was me voldoende.Ikgevoelde me behaaglijker in hun gezelligvóór.Toen ik er de vorige maand kwam,ontvingen de Henkeman’s me met hun gewone hartelijkheid. Co, in ’r peignoir, welke ’k me nog van onze eerste kennismaking herinnerde, zat over ’n mandje aardappelen gebogen, welke zenietschilde.Hìj, Jos, handen tusschen hemd en pantalon, liep heen en weer met onnoodig groote stappen, de zijkanten van den vloer zorgvuldig vermijdend; want dan kwam je op hout, wat geweldig kon klotsen en Co had weer last van ’r hoofdpijn. In ’n hoek bij ’t raam lag de kleine Joop over den grond te knikkeren met òngekookte bruine boonen. Uit ’t «conceptie-hol» klonk ’t zachte gebler van de jongste—de Henkeman’s waren laat in hun kinderen gekomen—, die daar met z’n wieg tijdelijk was ondergebracht, dus de maagdelijkheid van ’t Paradijs lichtelijkschendend. Ik voelde me weer dadelijk in den familiekring.Voorzichtig m’n weg nemend langs ’n tafeltje, dat ’k kènde—’t ding had altijd de onhebbelijkheid, met je mee te gaan—stak ’k Co bruisend de hand toe. Zij, de hare afvegend aan ’t ochtendkleed, reikte me die dan slapjes aan, met ’n van hoofdpijn schuinschen blik onder langs ’r vrijzinnig opgemaakt Cleo-haar. En ze zei: «Zoo?», wat zoowel alles als niets beteekenen kon, zoodat ’t moeilijk voor me was, er op in te gaan. ’k Wou dus al, dwars over ’n hindernis van kinderspeelgoed en ’n teekenmap, oversteken naar Jos, toen ’k aan bei m’n broekspijpen werd vastgegrepen. ’k Keek benedenwaarts en ontwaarde kleinen Joop, die tegen m’n beenen lag te duwen, omdat ’k op tweevan z’n bruine boonen stond. ’k Hou van dat kinderhandjes-gegraai, dus bukte me, ’m te aaien. Doch Jopie, die zeer vrij wordt opgevoed—bloemen in ’t wild zijn ’t mooist, is een van Jos’ opinies—beet me vrij felletjes in m’n duim, zoodat ’k m’n hand haastig terugtrok. En, nu niet meer wijkend voor de versperring van ’n houten paardje, dat, geheel staartloos en zonder manen, me melancholiek stond aan te staren, stevende ’k recht op Jos af met ’n joviaal «besjour!» Jos, die juist z’n broek weer optrok, wat nooit voor langer dan vijf minuut hielp, zei opzìjnbeurt: «zoo?» Doch hij stak me de vijf niet toe, want hij is niet erg handerig: hij vindt datbourgeois.Daar stond ’k nu. ’k Humde eens en vroeg dan: «Alles wel?»Jos, z’n pijp uit den mond nemend, keek me aan, of ’k uit ’n andere wereld kwam. Daarop vertrok z’n gezicht zich tot ’n satanische grijns en hij schraapte:«Alles wel? Hahaha! Ja, we leven nog. En we hebben nog te eten!», waarna-ie verwoed den steel van z’n pijp begon te bebijten, alsof dat ’t eenige was, waarop-ie nog knabbelen kon.Eenigszins verschrikt keek ’k schuw naar Co en ’t aardappel-mandje. Dit echter had ze reeds met ’n moe gebaar van zich afgezet en ze diepte uit ’r zak ’n broei-warmen appel op, waaruit ze dadelijk groote happen beet. Jopie, opmerkzaam gemaakt, wierp ze ’n paar hazelnoten toe. Bij tijden waren de Henkeman’s streng vegetarisch. Inderdaad, de toestand zag er niet zeer bemoedigend uit.«Wil ’t niet erg vlotten met ’t werk?» vroeg ’k belangstellend.Daarmee kreeg ’k Jos dadelijk op gang. «Als je rooken wilt, geneer je niet» begon-ie. «Mijn .... hahahaha!—kistjes zijn momenteel leeg.»’k Haalde m’n koker uit den zak en presenteerde ’m, wat-ie zich zonder te veel omhaal liet welgevallen. Dan, terwijl-ie venijnig rook uitblies, alsof ’t minstens ’n verpestenden stank verspreidde, ontrolde-ie gaandeweg z’n overkropt gemoed.«’t Is nog nooit zoo kolossaal met m’n werk gegaan! Enorm! De ideeën bestormen me. ’k Houd m’n hoofd vast. ’k Ben er bij oogenblikken gek van. Niet waar, Co?»Co knikte, al half door ’r appel heen. Ze sprak ’m nooit tegen.Trouwens, wat zou ’t ook helpen?«M’n conceptie-hol dààr is tegenwoordig ’n hel voor me. Telkens en telkens word ’k er naar toe gedrongen, om ’n nieuw denkbeeld op te krabbelen. ’k Heb geen handen genoeg. Ze vallen me in bij dozijnen. Ga er maar eens kijken. Let niet op dat wurm, want dat schreeuwt tòch. De wanden hangen vol, de vloer ligt bezaaid. Ha, ’t is prachtig!»Wild streek Jos door al z’n haren en z’n oogen stonden begeesterd. Dan trok-ie weer verwoed z’n broek op.«Ik feliciteer je» sprak ’k met warme vriendschap en stak ’m de hand toe. Doch hij zag die niet,wìldedie niet zien. Hij blies me ’n kolossalen wolk van m’n eigen sigaar in ’t gezicht en, na ’n duivelschen lach, waarnaar dewiegeling vijf minuut verbijsterd lag te luisteren, barstte-ie los:«Ha, noem me liever diep rampzalig. Wat doe je in dezen nuchteren tijd met ideeën! Als ’k er gèèn had, dan maakte ’k fortuin, verdiende ’k schatten. Koetjes schilderen in de wei en binnenhuisjes met of zonder koekepan! Hahaha! Maar ze krijgen er me niet onder. Nee! ’k Verkoop m’n ziel niet. Nooit!»Hij nam ’n heldhaftig-verdedigende houding aan, alsof er van allen kant kunstkoopers op de loer lagen, beslag te leggen op z’n kolossaal talent. Later echter vernam ’k, dat die z’n adres niet wisten. Hield-ie dat misschien angstvallig verborgen?«Kijk!» riep-ie uit en hij sleepte me mee naar ’t Paradijs. «Zie je niets, wat je dadelijk trekt, dat je als ’t ware toeroept:Hier moet je zijn en nergens anders?»’k Keek nauwlettend rond. Overal lagen teekeningen, krabbels, sommige verkreukeld of met de sporen van ’n onschoone zool. En ’t behang was volgeprikt met ’n uitgezochte collectie aquarellen en andere verven. Op goed geluk stapte ’k naar ’n hoek bij ’t raam en tot m’n groote blijdschap bleek dat de juiste richting te zijn.«Ha!» juichte Jos haast, zoodat de kleine in de wieg opnieuw begon te krijten. «Hij ziet ’t dadelijk, Co! Ja, ’k wist ’t wel! Den grootsten stommeling moet ’t boeien!»’k Nam gaarne aan, dat dit laatste niet op mij sloeg. ’k Stond nu voor ’n wonderlijk geval, dat ’k eerst voor zee aanzag, toen voor ’n rivier en eindelijkvoor wat ’t was: lucht; niets dan lucht.’k Voelde, hoe Jos in spanning achter me stond. Daarom, toch ièts te zeggen, zei ’k, heel eerlijk:«Curieus».«Niet waar?» stemde Jos enthousiast toe. Dan, na ’n oogenblik:«Weet je, hoe ’t ding heet?»’k Kon er zoo gauw niet achter komen. Gelukkig was Jos me voor.«De doode kraai.»Nu kon ’k m’n verwondering toch niet geheel bedwingen.«De doode kraai?» vroeg ’k aarzelend.«Ja!» schreeuwde Jos ongeduldig. «Jij zoèkt ’t beest, hè? Dat doen ze allemaal. De ezels! Maar begrijpen jullie dan niet, dat ’t veel mooier is, ’t beest nièt te schilderen? Wat zegt ’n dooie kraai? Geen bliksem! ’k Bedoel: ’n dooiekraai schilderen, kan iedereen. Maar ’m nièt te schilderen en ’m dan tòch te doen vermoeden ergens in de onbestemde ruimten van ’t wereld-wee, dàt is kunst. Niet de materie, maar de idee, ’t begrip! Zie die lucht! Zie, zeg ’k!» (Jos pakte me bij ’n schouder, doch dit was volstrekt niet noodig, want ’k zag heelemaal niets anders). «Dat is geen regenlucht, of geen donderlucht, of geen hagellucht, of geen zonnelucht. Nee, ’t is geen eens lucht. Die kan je voor mijn part cadeau krijgen! ’t Is slechts symbool, ’n symbool van ramp, ellende, verlatenheid. Die wolken, die eiglijk geen wolken zijn—begrijp je me? Volg je me? God, Co, laat dat wurm z’n mond toch us houwen!—die wolken roepen ’t uit: «Daar ergens licht, hu hu, ’n doode, hu hu, ’n doode kraai!» ’n Tragedie,afschuwelijk! Je voèlt de kraai. Ja, als ’k m’n oogen sluit, zie ’k ’m. Daar!»De oogen dicht, prikte Jos met den wijsvinger bijna in m’n oor. ’k Wendde me wat af. Men moet niet te lang naar tragedies zien.«Welke schilder heeft dat vóór me gedaan?» vroeg Jos, terwijl-ie weer in de werkelijkheid keek. «Ze kunnen er naar ruiken! Ja, koetjes en koekepannen. Maar ’n kraai, die er niet is!—’k Ben er mee naar drie kunstkoopers geweest. Haha! ’k Hak liever m’n hiel af, dan dat ’k ooit weer ’n voet zet in hun schande-winkels! Bloedzuigers zijn ’t, verkrachters van de ziel! Weet je, wat ze zeien? De een zei: «Meneer, u moest die lucht wat stoffeeren». Stoffeeren! Alsof ’k gemeubileerde kamers verhuur! De ander vroeg, waar ’k de onderstehelft gelaten had. Die lui zien niets! En de derde, dien ’k nog us speciaal op m’n kraai opmerkzaam maakte, zei: «Meneer, ’t beest is niet af genoeg». Nu vraag ’k je! Wat maalt ’n dooie kraai er om, of-ie af is? En met zulke stommelingen heb je te maken! Die hebben ’t heft in handen. Die kunnen je laten crepeeren, als ze willen! Er moet revolutie komen, opruiming! Dan eerst is de weg vrij naar ’t Ideaal!»Jos, ’t Paradijs ontvluchtend, stapte, met weer ’n haal aan z’n broek, terug naar z’n gezelligvóór. ’k Volgde ’m, ook omdat de wiegeling ’n steeds erbarmelijker keel opzette.«Kàn dat kind van jou dan niet ’n oogenblik zwijgen?» snauwde Jos. «Waar zijn onze uitbouwen toch voor?»Co, weer aan ’n verschen appel—’t was enorm, zooveel als ze daarvan aan kon. En waar haalde ze ze vandaan?—keek flauwtjes op, schuins langs ’r Cleo-haar. Ze wou iets zeggen, scheen ’t, maar ze wist niet wat. Gelukkig hoorde ze juist ’t dienstmeisje in de gang, terug van ’n boodschap. Daarom zei ze, met ’n traag gebaar, alsof dàt ’r zelfs nog te veel was:«Chris, zal ’m wel weg zetten».Er werd geklopt. Chris trad binnen.«Heb je ’t?» vroeg Co.«Nee» zei Chris.«Waarom niet?»nader-informeerde Co.«Ze gaffe niks meer, zeie ze, voor ’t andere betaald was».«O!» begreep Co dof en ze deed ’n hap in ’r appel, dat Jopie er zelfs verbaasd van keek.«Debourgeois!» smaalde Jos.«Steek nog us op» stelde ’k joviaal voor, ’m te troosten; ook omdat-ie de laatste minuut m’n sigaar geen seconde uit ’t oog verloor.«In gedachten» tastte-ie andermaal in m’n koker. En, dadelijk weer venijnig paffend, alsof-ie de lucht bepaald onuitstaanbaar vond, droeg-ie Chris op:«Ga dan naar de overkant».«Daar ben ’k ook al geweest» zei Chris gelaten.«Ha!» begreep Jos, weer met een van z’n meest satanische glimlachen. Dus nergens leverden ze meer op crediet! De hongerdood stond voor de deur! Nòg zag-ie ’n uitkomst.«Ga naar die nieuwe winkel op de hoek. Daar kennen ze ons nog niet».«Ja, dat zegt ù» zei Chris levenswijs.«Mot u us komme!» Dit laatste deed de deur dicht. Dus drong Jos niet langer aan.«Je ziet, wat ’n naam ’k maak!» riep-ie me toe met schrijnenden spot. «De faam gaat me vooruit! O, hoe schoon is ’t, kunstenaar te zijn!»Hij zette zich, op ’n tabouretje, zeer laag bij den grond. «Co, wòrdt ’t daar nu rustig?» Hij wees naar ’t Paradijs.«Ach, Chris, breng jij zus even achter. Wil je?» vroeg Co, met ’r tong de laatste appel-resteverwerkend.O, Chris wilde wel. Ze wildealtìjd. Ze had nooit iets anders dan te willen. Nog geen zestien, was ze al in ’r zevenden dagdienst. En overal waar ze kwam, vond ze ’t zelfde: ’n missen boel. Je wende er aan. En thuis was ’t net zoo. Wat ze van ’r vroegen, dééd ze. Zestond bullebassen van schuldeischers te woord, gaf niet thuis, al hoorde je meneer zingen, dat de gang er van dreunde, droeg aschbakken weg, ver boven ’r kracht, liep ’t vuur uit ’r sloffen, om ergens iets ’n halve cent goedkooper te krijgen dan naast de deur. ’t Raakte ’r alles niet meer. ’t Ging over ’r heen. Eens toch zouen ze voor haar ook sjouwen: als ze begraven werd! Dan werdzìjgedragen. ’t Was ’n troost, ofschoon nog in verre toekomst. Eerst moest ze nu de ijzeren wieg verduwen, mèt de kleine, de heele gang door en de keuken naar de achteruitbouw, ’t Was ’n gevaarte, voor hààr postuur ’n schip. In ’t Paradijs klonk gemorrel en gepiep van ijzer over hout; ook ’t geblaat van de allerjongste Henkeman. Dan ging ’n deur dicht; ’t schip,zeevaardig, stevende de gang in en ’t werd rustig.«Nu kan ’k tenminste weer denken!» riep Jos gemarteld uit. Hij greep naar z’n hoofd, alsof de ideeën daar weer loskwamen. Bang, dat we daar moeilijkheid mee zouden krijgen, leidde ’k ’m af.«Waarom maak je niet us wat maakwerk?» vroeg ’k. «Zoo voor de verkoop. Je bent toch zoo handig.»Dit laatste moest ’m vleien.Hij keek me aan, voorzìjndoen tamelijk rustig. Ook scheen-ie langzamerhand aan m’n sigaren te wennen. Althans, hij trok geen vieze gezichten meer.«’k Heb van alles geprobeerd» bekende-ie open, als ’n groot artist. «Maar zelfs als ’k tot de plebejers probeer af te dalen, begrijpen ze me nog niet. ’k Heb naar ’t nieuwe weekblad «De Zon»—’n prul, tusschen twee haakjes!—’n serie satyrieke charges gestuurd. Kostelijk! ’t Heele Kabinet werd er door gehaald. De redactie stuurde ze me terug, omdat ’t publiek «geen gruwelkamer-impressies bliefde!» ’t Wou liever wat vroolijkers. Ja, roei daar maar eens tegen op!—’k Heb voor ’n koperen bruiloft allerlei komiekigheden in elkaar geflanst. Je begrijpt wel: bruigom met scheeve hooge hoed, enzoovoort. De ezels hebben niet eens gelachen. De bruigom heeft me ’n pak slaag gepresenteerd en de bruid wil me nooit meer zien. Ja, je moet je best maar doen! Wat nu? ’k Kan toch geen uithangborden schilderen? Dat is anders wel «hooge» kunst, haha!»Hij begon weer verwoed te rooken,zoodat ’k al naar m’n koker voelde, of ’k nog voorzien was.«Maar ’k vind ’t toch hartelijk van je» zei-ie dan, met ’n haal, dat ’k ’m ’n oogenblik niet zien kon, «dat je nog aan Co’s feestdag gedacht hebt. Dat bewijst tenminste, dat ’n mensch in z’n misère niet vergeten wordt».’k Sprong op, voorzichtig, want de stoel, waarop ’k me na lang aarzelen gewaagd had, was niet tegen heftige emoties bestand.«Feestdag?» vroeg ’k onhandig.«Ja, Co is immers jarig» moedigde Jos aan.’k Trad snel op de jubilaresse toe, drukte ’r warm de hand.«Nog vele jaren!» wenschte ’k van harte.«Dank je» zei Co. «Wil je ’n appel?»’k Sloeg dit aanbod af. Maar ’k wou wel ’n glas water, zei ’k. Hiermee echter bracht ’k de Henkeman’s in groote moeilijkheid. Er wàren geen glazen. Chris brak zooveel! «En al m’n penseelen staan juist uit te weeken» verklaarde Jos met ’n eerlijk gezicht. Of ’n kopje ook goed was? ’k Dronk ’t lièfst uit kopjes, zei ’k. Toen kreeg ’k er een, wat stoffig en zonder oor. Maar als je wèrkelijk dorst hebt, let je daar niet op.«’k Zou ook nog les kunnen geven» vervolgde Jos z’n afgebroken rede. «Maar daar heb je ’n meer, hahaha, wereldsch intérieur voor noodig. Want van de dames moet je ’t hoofdzakelijk hebben. En dan die jaloezie van Co! Je kent ’r niet! Als ze los komt....! Nee, daar begin ’k niet aan».Flauwtjes keek de jaloersche naar ’m op. Ze had warempel alwèèr ’n appel!Jos vlòòg van z’n tabouret. «Blijf zoo zitten!» riep-ie. «Verroer je niet. Wat ’n expressie! Kerel, zie je dat? ’n Madonna!»’k Keek, wat ’k kon. Maar voor ’n «Madonna met den appel» kon ’k weinig voelen. Integendeel, ’k vond dat Co er vrij vervelend uit zag, vadsig als altijd, en voor ’n feestdag bijzonder slaperig. Jos echter, met z’n artisten-oog, ontdekte altijd heel andere dingen dan ’n gewoon mensch. Hij zag van alles in Co. Hij had ’r op alle denkbare wijzen op ’t doek mishandeld. Ze fungeerde er als moeder, als nimf, als bruid, als Venus! Je kon ’r in alle mogelijke toestanden aantreffen in ’t Paradijs, vóór, in de uitbouwen: zich kleedend, in négligé,in ’t bad; lezend, peinzend, aan de wieg, in ’n bloemperk. Maar altijd ontlokte ze je weer ’n gaap, zoo verveeld kon ze kijken. En ook nu, met ’r zooveelsten appel, ging er voor mij geen groote bekoring van ’r uit.Opeens rende Jos de achterkamer in. «’k Krijg ’t weer!» riep-ie smartelijk uit. «’t Komt! O, dat conceptie-hol!»’k Zweeg, eerbiedig. En Jopie, die me juist met ’n handvol bruine boonen bekogelen wou, kreeg ’n moederlijke vermaning. «Stil, jongen» zei Co. «Je vader wèrkt!»’k Keèk naar dat werken. Doch voorloopig bestond ’t daàruit, dat Jos op krampachtige wijze z’n hoofd vasthield en ijselijk stampvoette. Dan trok-ie z’n broek weer op en, zich tot me wendend, zei-ie met ’n flauwen lach:«Nee, ’k dàcht, dat ’t wat was. ’n Mensch raakt eèns uitgeput».Hij trok me mee in z’n hol. «Begrijp je» vroeg-ie onstuimig, «hoe hier ’t werk op je aanstormt? Als ’k m’n oogen dicht doe—kijk, zoo!—, zie ’k, wat ’k wìl. Die modeschilders met hun divans en draperieën! ’t Is m’n illusie, eens ’t Niets te kunnen schilderen. Voel je? ’t Niets, dat eiglijk àlles is! De Eenheid en de Veelheid, alles bij elkaar en toch nog nul! Ha, ’t blijft natuurlijk ideaal, dat te bereiken zònder materie, zonder doek, zonder verf! Stel je voor: «Mevrouw, ’k verkoop u dàt. Niets en alles!» En je wijst in de lucht en ’t is grijpbaar en toch niet te vatten. Welk ’n triumf van de geest! Dat alles gaat in m’n hoofd om. Begrijp je nu, dat ’k er wel eens pijn aan heb?»’k Stemde toe, dat ’k me dat best kon indenken. En onderwijl streed ’k in mezelf ’n heftigen kamp. M’n nuchterheid verzette zich tegen ’n edelmoedige opwelling, welke ’k op ’t laatst toch niet kon bebazen. Neen, als ’k alles bedacht: Co jarig, God wist misschien zelfs geen appel meer in huis, Chris geweigerd door allebourgeois, Jopie met z’n onverkwikkelijk harde boonen, Jos straks weer bijtend op z’n pijp .... ’k kon ’t niet langer aanzien. En ’k kocht, voor ’t eerst van m’n leven, op staanden voet, kunst. ’k Bemachtigde ’n ding, dat me wel aardig leek: twee uien naast ’n sinaasappel met, op den achtergrond, schemerig, ’k mèèn ’n gemberpot. Jos vroeg, of ’k krankzinnig was, dat ’k «De doode kraai» niet nam, z’n meesterwerk! Maar ’k zei, dat ’k datvoor die zestig gulden niet nemen mòcht. Toen drukte-ie me geroerd de hand. Ik vòèlde ’m zoo, sprak-ie zacht. En hij stak nog ’n sigaar op.«Je blijft toch eten?» vroeg Co. ’k Keek aarzelend naar de aardappelen. En die Jopie, die zoo royaal met z’n boonen omsprong! Toch wou ’k ook niet teleurstellen, ’k Stond in twijfel.«Natuurlijk komt-ie!» loste Jos ’t geval voor me op met ’n geweldigen slag op m’n schouder. «Hìjzou er niet bij zijn! Op Co’s feestdag! Er komen er nog meer. Anders haal ik ze! ’n Mensch kan niet àltijd werken. ’n Beetje ontspanning zal ons goed doen. Je komt, hoor! En wat de pot schaft! Haha,hìjzou er niet bij zijn».’k Beloofde. Toen ’k wegging, werd er juist gebeld. ’t Was ’n beertje. Dochdie ging dra op de vlucht voor ’t lapje van zestig. Van zóóveel had-ie niet terug. Jos zwaaide er mee, of-ie ’n vaandel veroverd had. Bescheiden stapte ’k heen: ’k voelde me ’n góéd mensch.’t Is ’n overdadige fuif geworden. ’k Had nog wat meegebracht, om de tafel ’n royaler aanzien te geven, blikjes-goed en zoo. M’n jaszak puilde er van uit. Maar toen ’k ’t feestmaal aanschouwde, schaamde ’k me en ’k heb alles bij me gehouden. Tegen zooveelrichessekon ’k niet op.’k Herinner me niet, de laatste jaren ooit zóó te hebben gesmuld. En ’t zag er aardig uit met al die gemberpotten, eindjes kaars en gedroogde bloemen. Servetten hadden we niet, maar waar deHenkeman’s opeens al die glazen vandaan haalden, is me nog ’n raadsel. En gevuld dat ze waren? Met wat je wou!Er is veel getoost, op den bloei der kunst, op Co, ’k meen ook op «De doode kraai». Even werd de vreugd verstoord, doordat Co, met extra nonchalant Cleo-haar, zich plots herinnerde, dat er zeker in geen vier uur naar de kleinste gekeken was. We zijn toen allen op ’n holletje naar den achtersten uitbouw getogen en daar vonden we ’t wurm net nog in leven, maar al heelemaal blauw van ’t schreeuwen en ’t op-z’n-buikje-liggen. We hebben daarop de wieg in feestelijken optocht naar ’t Paradijs gesjord en daar met lampions behangen, wat ’n heel aardig effect maakte.Verder herinner ’k me geen stoornissen.Alleen stoof Jos telkens naar z’n conceptie-hol, omdat ’t weer bij ’m begon te werken en klonk er op ’n gegeven oogenblik ’n benauwde kreet van onder tafel, waar Jopie, dien we allang in bed dachten, zich te buiten ging aan ’n oesterschelp. Dat alles echter maakte den avond niet minder geanimeerd. In tegendeel!’k Begon er me al over te verwonderen, hoe Jos zooveel weelde bij elkaar had gebracht voor m’n ongelukkig, blauw lapje. Er moesten bepaald weer nieuwe winkels bij gekomen zijn! Maar dra verklaarde zich ’t geval.’k Was de gang ingeloopen, even m’n handen te wasschen. De gasten zaten verspreid op de avontuurlijke stoelen of liepen de kamer rond, alsof er haast bij was, de heeren met ’n «zuigstengel»—’n exquise Havana!—, de dames met ’n snoepje. Co zat weer over een van ’r roman-afleveringen gebogen, slaperiger dan ooit. En Jos kreeg opnieuw ’n bevlieging, greep al naar ’t potlood: «De lezende Madonna».’k Stond aan ’t fonteintje, goochelde met ’n stukje zeep. Zóó had je ’t, zóó had je ’t nièt. En de handdoek was zoek. Chris kon me niet helpen, want die was voor uren naar huis gestuurd met ’n halve ham en ’n flesch port. ’k Sloeg m’n handen uit, spatterde van Stralen in ’t gezicht. Van Stralen is ’n aardige kerel, die iets bij de «belastingen» doet. Hij was me zoo maar achterop geloopen en wou zich nu ook wat verfrisschen.«Gezellige pan, hè?» vroeg-ie enthousiast.’k Stemde van harte toe, gestreeld, want eiglijk beschouwde ’k ’t feestje toch als mìjn fuif.«’t Gaat ze tegenwoordig goed» vervolgde van Stralen opgewekt en opzijnbeurt begon-ie ’t spelletje met de zeep. «Hij verkoopt meer dan-ie maken kan. ’k Heb vanmiddag net nog ’n aardig ding op de kop getikt. Twee uien met ’n sinaasappel en ’n achtergrond. ’n Fijn stukje».M’n handen waren opeens droog, «Twee uien?» vroeg ’k.«Ja» blies van Stralen, die bepaald te veel gegeten had, «en ’n sinaasappel en dan nog iets, dat je niet erg goed zien kan. ’t Is heel mooi. Ga maar eens mee kijken».Hij ging me voor, onafgedroogd. We traden weer in ’t gezellige «vóor». Dochdaar zag ’k juist Jos in druk gesprek met Bouwer—òòk ’n heel aardige kerel, ’k geloof aan ’n ministerie—vlak voor mijn uien, die nu van van Stralen waren. ’k Begreep de situatie, troonde van Stralen onder ’n voorwendsel mee naar ’n anderen hoek van de kamer. Geen drie minuut later, of Jos drukte Bouwer stevig de hand: de zaak scheen beklonken. Toen kregen we nog champagne.Den volgenden morgen—’t was laat geworden ’s nachts en ’k lag nog te bed—kwam Jos bij me met ’n mismoedig gezicht en.... de uien.«Zoo? Zijn ze daar dan toch?» vroeg ’k verheugd en ’k richtte me half op.«Ja» bromde-ie, «maar als je ’t me niet kwalijk neemt, wou ’k er wel mee op stap».«Hoe bedoel je?» vroeg ’k, op alles voorbereid.«Die uien doen me de dood aan!» riep-ie woedend uit. «’nCroûte, ’n ding zonder idee! Wat is in ’s hemelsnaam ’n ui! En ze zijn er allemaal dol op, stapel, gek. Ze vallen er op aan als uitgehongerde wolven. Jij, hij, zij! En die gehate dingen zullen op ’t laatst nog m’n uitkomst zijn! Jij wou ze gister met alle geweld hebben, weet je nog wel? ’k Heb je nog teruggehouden, gezegd: «kerel, neem de doode kraai. Van dat dier zul je plezier hebben». Maar nee, jij zou en moest de uien. Nu, je hèbt ze dan ook».Hier wou ’k protesteeren, want ’kdacht aan Bouwer en van Stralen. Doch als Jos eenmaal op dreef is, krijg je er geen woord tusschen.«’k Heb ’n dinertje voor je ingericht, omdat ’k je handelwijze zoo attent vond» vervolgde Jos met ’n razenden pluk aan z’n haar. «Ook is Co maar ééns jarig. Eenvoudigjes natuurlijk, onder ons. Maar ’t valt toch niet mee. Er komen altijd meer lui dan je denkt en je wilt toch ook geen honger lijen. En vlak nadat je ’s middags weg ging, kwam die fielt van ’n schoenmaker met zóó’n rekening. Die had wèl terug van zestig. Toen van Stralen dan ook—hij was wat vroeg—absoluut die uien wou (hij was er gewoon niet van weg te slaan, idioot!) heb ’k ze ’m maar gelaten, voor vijftig gulden, ’n krats, cadeau. O, dan krijg jij nog tienvan me, hè? Ach, nee, hoe zit dat nu ook weer? M’n kop loopt om van al die misère en ’n ideeën als ’k vanmorgen weer had! Dat krijg ’k altijd na zoo’n avondje. ’k Kan er eiglijk niet tegen. Enfin, we rekenen nog wel af.En ’s avonds kreeg Bouwer ’t ook al te pakken. Hij wou er ’n moord voor doen, zei-ie. Nu, je begrijpt, dat wou ik niet, voor nog geen honderd uien! En we moesten den volgenden dag toch òòk nog leven. Met die paar blikjes zalm doe je niet lang. Dus, om van ’t gezeur af te zijn, heb ’k ’m maar niet teleurgesteld, voor veertig gulden. Belachelijk! Maar vanmorgen hebben ze gewoon de bel bij ons uit de deur gehaald—of ze ’t ruiken, de hyena’s!—Chris heeft geen woord kunnen inbrengen en nu heb ’k nogprecies dertien en ’n halve cent. Haha, ’n kunstenaarsbestaan! Je verkoopt al je hebben en houwen voor ’n krats en nog lijd je armoe! En je echte, zuivere, mooie werk—’k bedoel nog niet eens «de dooie kraai»—willen ze niet aan!—En nu wou ’k je vragen, beste kerel, omdat jullie alle drie die uien toch niet kunt hebben en omdat daar nu zoo’n verkoop in schijnt te zitten, leen me even ’n fatsoenlijk overhemd en ’n boord en vijf pop. Dan rij ’k naar die nieuwe kunstzaak in de Langstraat en ’k ben weer in bonis en je neemt maar uit m’n «hol» wat je wilt. Je weet, vrienden kan ’k niets weigeren».’k Dacht weer aan Co, Jopie en ’t aardappelmandje en.... ’k was overgehaald. Jos trok m’n beste overhemden m’n hoogste boord aan en ’k gaf ’m vijf pop, ommìjnuien te verkoopen. Toen ben ’k nog maar wat blijven liggen. En ’k heb veel nagedacht.Jos heeft de uien niet verkocht. De kunstzaak wou ze niet aan. Daarop heeft Jos, zonder aan de drie eigenaars te denken, ze uit kwaadaardigheid verscheurd mèt den sinaasappel en den onduidelijken achtergrond. En hij heeft gezworen, dat-ie nooit meer één ui schilderen zou, al moest-ie ook verhongeren.Tegenwoordig loopt Jos elk oogenblik bij me op, of ’k niet eens iets bij ’m kom uitzoeken in ruil voor ’t vernietigde stilleven. Maar ’k durf nietgoed. ’t Komt altijd duurder uit, dan je denkt. En Jos is zoo slordig met overhemden!«Van Stralen en Bouwer laten zich niet meer zien» vertelde-ie me met ’n zucht. «En dat allemaal om die verwenschte uien! Heb ’k gelijk, dat ’k ze nooit meer schilder?»«Ofje!» stemde ’k toe. En ’k heb ’m beloofd, dat ’k morgen bij ’m zou aanloopen.Maar ’k gà niet!

Chicwas ’t er niet. Maar wel gezellig.

Je behoefde bijvoorbeeld niet eerst ’n dubbele belegering van zware portières door, vóór je je compliment afstak bij mevrouw in den salon (trouwens ’t woord «salon» kenden de Henkeman’s, meen ’k, alleen uit afleveringen-romans, welkezijverslond;hijveegde er enkel z’n pennemes aan af of zette er glazen water op).

Nee, je stapte zóó uit de kale gang, waar niets dan ’n paraplubak stond zónder paraplu’s, in ’t voorvertrek, waar zoowel ontvangen, gegeten, gehuisd als somwijl geschilderd, gegymnastiseerd enmet pijl en boog geschoten werd. Late vrienden logeerden er ook wel en ’k meen, dat er ’n enkele maal ook werd gebaad. Doch dit laatste heb ’k nooit meegemaakt.

Sans gênedus; daarom niet ongenoeglijk. En je had ruimte van bewegen, want veel stond er niet. En wàt er stond, was nogal wankel, ruimde je dus, als ’t je hinderde, gauw uit den weg. Vandaar dat, wanneer ’t gezelschap bijzonder voltallig was—de Henkeman’s ontvingen drùk—de kamer in een minimum van tijd was ontmeubeld. Je moest dan wel staan, wat op den duur vermoeiend is, maar ’t hield je ten minste wakker en ’t gaf iets los, ongekunstelds aan ’t samenzijn. Je kon je soms zelfs verbeelden, dat je je op ’n gezelligen clubtocht bevond, zóó liepen allen dwarsdoor elkaar of in groepjes ’n eindje op, druk gesticuleerend of in hoogst geanimeerd gesprek. Ja, aan kouwe sjeu deden de Henkeman’s niet.

De suite-deur stond meest open. Niet voor ’t gezicht! Want was de voorkamer al niet rijk aanchaise longue’s,Mimi-tafeltje’s,causeuse’s, ’t achtervertrek was direct te exploiteeren als rolschaatsbaan: je viel er zelfs niet over ’n stoof. Henkeman noemde ’t daar z’n «conceptie-hol»—hij broeide er z’n geweldigste kunstwerken uit—; ook wel zijn Paradijs. Nu, even maagdelijk was ’t er minstens. ’k Geloof, dat, vele, vele jaren her, de Henkeman’s iets dikker zaten in wat men gemeenlijk het huiselijke comfort noemt. Echter, de tand des tijds had veel vrekkig verknaagd. En ook, om deze beeldspraak nog iets door te voeren,de tand des deurwaarders—’n geweldige slagtand, ’n heele ivoormijn!—had er verwoestend in gehuisd, zoodat slechts ’n wrak, ’n ruïne overbleef van wat eens statig zeilde op de geordende huwelijkszee.

Doch de Henkeman’s trokken er zich niets van aan, geheel los van dat wurmige gedoe, waarover ieder ander zich zoo dwaaslijk bekommerde.Zijleefden in ’n geestelijke sfeer, waar men desnoods genoegen nam met één rieten stoel en ’n tafel van twijfelachtige stabiliteit. Bijkoopen deden ze evenmin. Eerstens wijl hun daartoe 300 en zooveel dagen van ’t jaar de middelen, ’t leelijke, protsige geld ontbraken. En de overige, weinige etmalen besteedden ze hun overtollige financiën liever aan meer direct te consumeeren levensvreugden als:nieuwe broeken, ’n huisjapon, kreeft, oesters, port- en andere wijnen. In zekeren zin waren de Henkeman’s echte levenskunstenaars.

’t Overige van hun huis lag voor de meeste bezoekers in ’t duister.Ikheb er eens ’n blik in geslagen. ’k Zag ’n keukentje, vettig, walmig, met hier en daar scheef aan ’n verdwaalden spijker ’n enkele pan, die nieuwsgierig door z’n eigen bodem keek. Dan kwam je in de uitbouwen, waar geslapen en, bij helder weer, ook geschilderd werd. ’k Zag op tegen ’n berg van beddegoed, bultig, valleiïg, ’n wanorde, of er hevig slag geleverd was door slaapdronken reuzen. Die eene blik was me voldoende.Ikgevoelde me behaaglijker in hun gezelligvóór.

Toen ik er de vorige maand kwam,ontvingen de Henkeman’s me met hun gewone hartelijkheid. Co, in ’r peignoir, welke ’k me nog van onze eerste kennismaking herinnerde, zat over ’n mandje aardappelen gebogen, welke zenietschilde.Hìj, Jos, handen tusschen hemd en pantalon, liep heen en weer met onnoodig groote stappen, de zijkanten van den vloer zorgvuldig vermijdend; want dan kwam je op hout, wat geweldig kon klotsen en Co had weer last van ’r hoofdpijn. In ’n hoek bij ’t raam lag de kleine Joop over den grond te knikkeren met òngekookte bruine boonen. Uit ’t «conceptie-hol» klonk ’t zachte gebler van de jongste—de Henkeman’s waren laat in hun kinderen gekomen—, die daar met z’n wieg tijdelijk was ondergebracht, dus de maagdelijkheid van ’t Paradijs lichtelijkschendend. Ik voelde me weer dadelijk in den familiekring.

Voorzichtig m’n weg nemend langs ’n tafeltje, dat ’k kènde—’t ding had altijd de onhebbelijkheid, met je mee te gaan—stak ’k Co bruisend de hand toe. Zij, de hare afvegend aan ’t ochtendkleed, reikte me die dan slapjes aan, met ’n van hoofdpijn schuinschen blik onder langs ’r vrijzinnig opgemaakt Cleo-haar. En ze zei: «Zoo?», wat zoowel alles als niets beteekenen kon, zoodat ’t moeilijk voor me was, er op in te gaan. ’k Wou dus al, dwars over ’n hindernis van kinderspeelgoed en ’n teekenmap, oversteken naar Jos, toen ’k aan bei m’n broekspijpen werd vastgegrepen. ’k Keek benedenwaarts en ontwaarde kleinen Joop, die tegen m’n beenen lag te duwen, omdat ’k op tweevan z’n bruine boonen stond. ’k Hou van dat kinderhandjes-gegraai, dus bukte me, ’m te aaien. Doch Jopie, die zeer vrij wordt opgevoed—bloemen in ’t wild zijn ’t mooist, is een van Jos’ opinies—beet me vrij felletjes in m’n duim, zoodat ’k m’n hand haastig terugtrok. En, nu niet meer wijkend voor de versperring van ’n houten paardje, dat, geheel staartloos en zonder manen, me melancholiek stond aan te staren, stevende ’k recht op Jos af met ’n joviaal «besjour!» Jos, die juist z’n broek weer optrok, wat nooit voor langer dan vijf minuut hielp, zei opzìjnbeurt: «zoo?» Doch hij stak me de vijf niet toe, want hij is niet erg handerig: hij vindt datbourgeois.

Daar stond ’k nu. ’k Humde eens en vroeg dan: «Alles wel?»

Jos, z’n pijp uit den mond nemend, keek me aan, of ’k uit ’n andere wereld kwam. Daarop vertrok z’n gezicht zich tot ’n satanische grijns en hij schraapte:

«Alles wel? Hahaha! Ja, we leven nog. En we hebben nog te eten!», waarna-ie verwoed den steel van z’n pijp begon te bebijten, alsof dat ’t eenige was, waarop-ie nog knabbelen kon.

Eenigszins verschrikt keek ’k schuw naar Co en ’t aardappel-mandje. Dit echter had ze reeds met ’n moe gebaar van zich afgezet en ze diepte uit ’r zak ’n broei-warmen appel op, waaruit ze dadelijk groote happen beet. Jopie, opmerkzaam gemaakt, wierp ze ’n paar hazelnoten toe. Bij tijden waren de Henkeman’s streng vegetarisch. Inderdaad, de toestand zag er niet zeer bemoedigend uit.

«Wil ’t niet erg vlotten met ’t werk?» vroeg ’k belangstellend.

Daarmee kreeg ’k Jos dadelijk op gang. «Als je rooken wilt, geneer je niet» begon-ie. «Mijn .... hahahaha!—kistjes zijn momenteel leeg.»

’k Haalde m’n koker uit den zak en presenteerde ’m, wat-ie zich zonder te veel omhaal liet welgevallen. Dan, terwijl-ie venijnig rook uitblies, alsof ’t minstens ’n verpestenden stank verspreidde, ontrolde-ie gaandeweg z’n overkropt gemoed.

«’t Is nog nooit zoo kolossaal met m’n werk gegaan! Enorm! De ideeën bestormen me. ’k Houd m’n hoofd vast. ’k Ben er bij oogenblikken gek van. Niet waar, Co?»

Co knikte, al half door ’r appel heen. Ze sprak ’m nooit tegen.Trouwens, wat zou ’t ook helpen?

«M’n conceptie-hol dààr is tegenwoordig ’n hel voor me. Telkens en telkens word ’k er naar toe gedrongen, om ’n nieuw denkbeeld op te krabbelen. ’k Heb geen handen genoeg. Ze vallen me in bij dozijnen. Ga er maar eens kijken. Let niet op dat wurm, want dat schreeuwt tòch. De wanden hangen vol, de vloer ligt bezaaid. Ha, ’t is prachtig!»

Wild streek Jos door al z’n haren en z’n oogen stonden begeesterd. Dan trok-ie weer verwoed z’n broek op.

«Ik feliciteer je» sprak ’k met warme vriendschap en stak ’m de hand toe. Doch hij zag die niet,wìldedie niet zien. Hij blies me ’n kolossalen wolk van m’n eigen sigaar in ’t gezicht en, na ’n duivelschen lach, waarnaar dewiegeling vijf minuut verbijsterd lag te luisteren, barstte-ie los:

«Ha, noem me liever diep rampzalig. Wat doe je in dezen nuchteren tijd met ideeën! Als ’k er gèèn had, dan maakte ’k fortuin, verdiende ’k schatten. Koetjes schilderen in de wei en binnenhuisjes met of zonder koekepan! Hahaha! Maar ze krijgen er me niet onder. Nee! ’k Verkoop m’n ziel niet. Nooit!»

Hij nam ’n heldhaftig-verdedigende houding aan, alsof er van allen kant kunstkoopers op de loer lagen, beslag te leggen op z’n kolossaal talent. Later echter vernam ’k, dat die z’n adres niet wisten. Hield-ie dat misschien angstvallig verborgen?

«Kijk!» riep-ie uit en hij sleepte me mee naar ’t Paradijs. «Zie je niets, wat je dadelijk trekt, dat je als ’t ware toeroept:Hier moet je zijn en nergens anders?»

’k Keek nauwlettend rond. Overal lagen teekeningen, krabbels, sommige verkreukeld of met de sporen van ’n onschoone zool. En ’t behang was volgeprikt met ’n uitgezochte collectie aquarellen en andere verven. Op goed geluk stapte ’k naar ’n hoek bij ’t raam en tot m’n groote blijdschap bleek dat de juiste richting te zijn.

«Ha!» juichte Jos haast, zoodat de kleine in de wieg opnieuw begon te krijten. «Hij ziet ’t dadelijk, Co! Ja, ’k wist ’t wel! Den grootsten stommeling moet ’t boeien!»

’k Nam gaarne aan, dat dit laatste niet op mij sloeg. ’k Stond nu voor ’n wonderlijk geval, dat ’k eerst voor zee aanzag, toen voor ’n rivier en eindelijkvoor wat ’t was: lucht; niets dan lucht.

’k Voelde, hoe Jos in spanning achter me stond. Daarom, toch ièts te zeggen, zei ’k, heel eerlijk:

«Curieus».

«Niet waar?» stemde Jos enthousiast toe. Dan, na ’n oogenblik:

«Weet je, hoe ’t ding heet?»

’k Kon er zoo gauw niet achter komen. Gelukkig was Jos me voor.

«De doode kraai.»

Nu kon ’k m’n verwondering toch niet geheel bedwingen.

«De doode kraai?» vroeg ’k aarzelend.

«Ja!» schreeuwde Jos ongeduldig. «Jij zoèkt ’t beest, hè? Dat doen ze allemaal. De ezels! Maar begrijpen jullie dan niet, dat ’t veel mooier is, ’t beest nièt te schilderen? Wat zegt ’n dooie kraai? Geen bliksem! ’k Bedoel: ’n dooiekraai schilderen, kan iedereen. Maar ’m nièt te schilderen en ’m dan tòch te doen vermoeden ergens in de onbestemde ruimten van ’t wereld-wee, dàt is kunst. Niet de materie, maar de idee, ’t begrip! Zie die lucht! Zie, zeg ’k!» (Jos pakte me bij ’n schouder, doch dit was volstrekt niet noodig, want ’k zag heelemaal niets anders). «Dat is geen regenlucht, of geen donderlucht, of geen hagellucht, of geen zonnelucht. Nee, ’t is geen eens lucht. Die kan je voor mijn part cadeau krijgen! ’t Is slechts symbool, ’n symbool van ramp, ellende, verlatenheid. Die wolken, die eiglijk geen wolken zijn—begrijp je me? Volg je me? God, Co, laat dat wurm z’n mond toch us houwen!—die wolken roepen ’t uit: «Daar ergens licht, hu hu, ’n doode, hu hu, ’n doode kraai!» ’n Tragedie,afschuwelijk! Je voèlt de kraai. Ja, als ’k m’n oogen sluit, zie ’k ’m. Daar!»

De oogen dicht, prikte Jos met den wijsvinger bijna in m’n oor. ’k Wendde me wat af. Men moet niet te lang naar tragedies zien.

«Welke schilder heeft dat vóór me gedaan?» vroeg Jos, terwijl-ie weer in de werkelijkheid keek. «Ze kunnen er naar ruiken! Ja, koetjes en koekepannen. Maar ’n kraai, die er niet is!—’k Ben er mee naar drie kunstkoopers geweest. Haha! ’k Hak liever m’n hiel af, dan dat ’k ooit weer ’n voet zet in hun schande-winkels! Bloedzuigers zijn ’t, verkrachters van de ziel! Weet je, wat ze zeien? De een zei: «Meneer, u moest die lucht wat stoffeeren». Stoffeeren! Alsof ’k gemeubileerde kamers verhuur! De ander vroeg, waar ’k de onderstehelft gelaten had. Die lui zien niets! En de derde, dien ’k nog us speciaal op m’n kraai opmerkzaam maakte, zei: «Meneer, ’t beest is niet af genoeg». Nu vraag ’k je! Wat maalt ’n dooie kraai er om, of-ie af is? En met zulke stommelingen heb je te maken! Die hebben ’t heft in handen. Die kunnen je laten crepeeren, als ze willen! Er moet revolutie komen, opruiming! Dan eerst is de weg vrij naar ’t Ideaal!»

Jos, ’t Paradijs ontvluchtend, stapte, met weer ’n haal aan z’n broek, terug naar z’n gezelligvóór. ’k Volgde ’m, ook omdat de wiegeling ’n steeds erbarmelijker keel opzette.

«Kàn dat kind van jou dan niet ’n oogenblik zwijgen?» snauwde Jos. «Waar zijn onze uitbouwen toch voor?»

Co, weer aan ’n verschen appel—’t was enorm, zooveel als ze daarvan aan kon. En waar haalde ze ze vandaan?—keek flauwtjes op, schuins langs ’r Cleo-haar. Ze wou iets zeggen, scheen ’t, maar ze wist niet wat. Gelukkig hoorde ze juist ’t dienstmeisje in de gang, terug van ’n boodschap. Daarom zei ze, met ’n traag gebaar, alsof dàt ’r zelfs nog te veel was:

«Chris, zal ’m wel weg zetten».

Er werd geklopt. Chris trad binnen.

«Heb je ’t?» vroeg Co.

«Nee» zei Chris.

«Waarom niet?»nader-informeerde Co.

«Ze gaffe niks meer, zeie ze, voor ’t andere betaald was».

«O!» begreep Co dof en ze deed ’n hap in ’r appel, dat Jopie er zelfs verbaasd van keek.

«Debourgeois!» smaalde Jos.

«Steek nog us op» stelde ’k joviaal voor, ’m te troosten; ook omdat-ie de laatste minuut m’n sigaar geen seconde uit ’t oog verloor.

«In gedachten» tastte-ie andermaal in m’n koker. En, dadelijk weer venijnig paffend, alsof-ie de lucht bepaald onuitstaanbaar vond, droeg-ie Chris op:

«Ga dan naar de overkant».

«Daar ben ’k ook al geweest» zei Chris gelaten.

«Ha!» begreep Jos, weer met een van z’n meest satanische glimlachen. Dus nergens leverden ze meer op crediet! De hongerdood stond voor de deur! Nòg zag-ie ’n uitkomst.

«Ga naar die nieuwe winkel op de hoek. Daar kennen ze ons nog niet».

«Ja, dat zegt ù» zei Chris levenswijs.«Mot u us komme!» Dit laatste deed de deur dicht. Dus drong Jos niet langer aan.

«Je ziet, wat ’n naam ’k maak!» riep-ie me toe met schrijnenden spot. «De faam gaat me vooruit! O, hoe schoon is ’t, kunstenaar te zijn!»

Hij zette zich, op ’n tabouretje, zeer laag bij den grond. «Co, wòrdt ’t daar nu rustig?» Hij wees naar ’t Paradijs.

«Ach, Chris, breng jij zus even achter. Wil je?» vroeg Co, met ’r tong de laatste appel-resteverwerkend.

O, Chris wilde wel. Ze wildealtìjd. Ze had nooit iets anders dan te willen. Nog geen zestien, was ze al in ’r zevenden dagdienst. En overal waar ze kwam, vond ze ’t zelfde: ’n missen boel. Je wende er aan. En thuis was ’t net zoo. Wat ze van ’r vroegen, dééd ze. Zestond bullebassen van schuldeischers te woord, gaf niet thuis, al hoorde je meneer zingen, dat de gang er van dreunde, droeg aschbakken weg, ver boven ’r kracht, liep ’t vuur uit ’r sloffen, om ergens iets ’n halve cent goedkooper te krijgen dan naast de deur. ’t Raakte ’r alles niet meer. ’t Ging over ’r heen. Eens toch zouen ze voor haar ook sjouwen: als ze begraven werd! Dan werdzìjgedragen. ’t Was ’n troost, ofschoon nog in verre toekomst. Eerst moest ze nu de ijzeren wieg verduwen, mèt de kleine, de heele gang door en de keuken naar de achteruitbouw, ’t Was ’n gevaarte, voor hààr postuur ’n schip. In ’t Paradijs klonk gemorrel en gepiep van ijzer over hout; ook ’t geblaat van de allerjongste Henkeman. Dan ging ’n deur dicht; ’t schip,zeevaardig, stevende de gang in en ’t werd rustig.

«Nu kan ’k tenminste weer denken!» riep Jos gemarteld uit. Hij greep naar z’n hoofd, alsof de ideeën daar weer loskwamen. Bang, dat we daar moeilijkheid mee zouden krijgen, leidde ’k ’m af.

«Waarom maak je niet us wat maakwerk?» vroeg ’k. «Zoo voor de verkoop. Je bent toch zoo handig.»

Dit laatste moest ’m vleien.

Hij keek me aan, voorzìjndoen tamelijk rustig. Ook scheen-ie langzamerhand aan m’n sigaren te wennen. Althans, hij trok geen vieze gezichten meer.

«’k Heb van alles geprobeerd» bekende-ie open, als ’n groot artist. «Maar zelfs als ’k tot de plebejers probeer af te dalen, begrijpen ze me nog niet. ’k Heb naar ’t nieuwe weekblad «De Zon»—’n prul, tusschen twee haakjes!—’n serie satyrieke charges gestuurd. Kostelijk! ’t Heele Kabinet werd er door gehaald. De redactie stuurde ze me terug, omdat ’t publiek «geen gruwelkamer-impressies bliefde!» ’t Wou liever wat vroolijkers. Ja, roei daar maar eens tegen op!—’k Heb voor ’n koperen bruiloft allerlei komiekigheden in elkaar geflanst. Je begrijpt wel: bruigom met scheeve hooge hoed, enzoovoort. De ezels hebben niet eens gelachen. De bruigom heeft me ’n pak slaag gepresenteerd en de bruid wil me nooit meer zien. Ja, je moet je best maar doen! Wat nu? ’k Kan toch geen uithangborden schilderen? Dat is anders wel «hooge» kunst, haha!»

Hij begon weer verwoed te rooken,zoodat ’k al naar m’n koker voelde, of ’k nog voorzien was.

«Maar ’k vind ’t toch hartelijk van je» zei-ie dan, met ’n haal, dat ’k ’m ’n oogenblik niet zien kon, «dat je nog aan Co’s feestdag gedacht hebt. Dat bewijst tenminste, dat ’n mensch in z’n misère niet vergeten wordt».

’k Sprong op, voorzichtig, want de stoel, waarop ’k me na lang aarzelen gewaagd had, was niet tegen heftige emoties bestand.

«Feestdag?» vroeg ’k onhandig.

«Ja, Co is immers jarig» moedigde Jos aan.

’k Trad snel op de jubilaresse toe, drukte ’r warm de hand.

«Nog vele jaren!» wenschte ’k van harte.

«Dank je» zei Co. «Wil je ’n appel?»

’k Sloeg dit aanbod af. Maar ’k wou wel ’n glas water, zei ’k. Hiermee echter bracht ’k de Henkeman’s in groote moeilijkheid. Er wàren geen glazen. Chris brak zooveel! «En al m’n penseelen staan juist uit te weeken» verklaarde Jos met ’n eerlijk gezicht. Of ’n kopje ook goed was? ’k Dronk ’t lièfst uit kopjes, zei ’k. Toen kreeg ’k er een, wat stoffig en zonder oor. Maar als je wèrkelijk dorst hebt, let je daar niet op.

«’k Zou ook nog les kunnen geven» vervolgde Jos z’n afgebroken rede. «Maar daar heb je ’n meer, hahaha, wereldsch intérieur voor noodig. Want van de dames moet je ’t hoofdzakelijk hebben. En dan die jaloezie van Co! Je kent ’r niet! Als ze los komt....! Nee, daar begin ’k niet aan».

Flauwtjes keek de jaloersche naar ’m op. Ze had warempel alwèèr ’n appel!

Jos vlòòg van z’n tabouret. «Blijf zoo zitten!» riep-ie. «Verroer je niet. Wat ’n expressie! Kerel, zie je dat? ’n Madonna!»

’k Keek, wat ’k kon. Maar voor ’n «Madonna met den appel» kon ’k weinig voelen. Integendeel, ’k vond dat Co er vrij vervelend uit zag, vadsig als altijd, en voor ’n feestdag bijzonder slaperig. Jos echter, met z’n artisten-oog, ontdekte altijd heel andere dingen dan ’n gewoon mensch. Hij zag van alles in Co. Hij had ’r op alle denkbare wijzen op ’t doek mishandeld. Ze fungeerde er als moeder, als nimf, als bruid, als Venus! Je kon ’r in alle mogelijke toestanden aantreffen in ’t Paradijs, vóór, in de uitbouwen: zich kleedend, in négligé,in ’t bad; lezend, peinzend, aan de wieg, in ’n bloemperk. Maar altijd ontlokte ze je weer ’n gaap, zoo verveeld kon ze kijken. En ook nu, met ’r zooveelsten appel, ging er voor mij geen groote bekoring van ’r uit.

Opeens rende Jos de achterkamer in. «’k Krijg ’t weer!» riep-ie smartelijk uit. «’t Komt! O, dat conceptie-hol!»

’k Zweeg, eerbiedig. En Jopie, die me juist met ’n handvol bruine boonen bekogelen wou, kreeg ’n moederlijke vermaning. «Stil, jongen» zei Co. «Je vader wèrkt!»

’k Keèk naar dat werken. Doch voorloopig bestond ’t daàruit, dat Jos op krampachtige wijze z’n hoofd vasthield en ijselijk stampvoette. Dan trok-ie z’n broek weer op en, zich tot me wendend, zei-ie met ’n flauwen lach:

«Nee, ’k dàcht, dat ’t wat was. ’n Mensch raakt eèns uitgeput».

Hij trok me mee in z’n hol. «Begrijp je» vroeg-ie onstuimig, «hoe hier ’t werk op je aanstormt? Als ’k m’n oogen dicht doe—kijk, zoo!—, zie ’k, wat ’k wìl. Die modeschilders met hun divans en draperieën! ’t Is m’n illusie, eens ’t Niets te kunnen schilderen. Voel je? ’t Niets, dat eiglijk àlles is! De Eenheid en de Veelheid, alles bij elkaar en toch nog nul! Ha, ’t blijft natuurlijk ideaal, dat te bereiken zònder materie, zonder doek, zonder verf! Stel je voor: «Mevrouw, ’k verkoop u dàt. Niets en alles!» En je wijst in de lucht en ’t is grijpbaar en toch niet te vatten. Welk ’n triumf van de geest! Dat alles gaat in m’n hoofd om. Begrijp je nu, dat ’k er wel eens pijn aan heb?»

’k Stemde toe, dat ’k me dat best kon indenken. En onderwijl streed ’k in mezelf ’n heftigen kamp. M’n nuchterheid verzette zich tegen ’n edelmoedige opwelling, welke ’k op ’t laatst toch niet kon bebazen. Neen, als ’k alles bedacht: Co jarig, God wist misschien zelfs geen appel meer in huis, Chris geweigerd door allebourgeois, Jopie met z’n onverkwikkelijk harde boonen, Jos straks weer bijtend op z’n pijp .... ’k kon ’t niet langer aanzien. En ’k kocht, voor ’t eerst van m’n leven, op staanden voet, kunst. ’k Bemachtigde ’n ding, dat me wel aardig leek: twee uien naast ’n sinaasappel met, op den achtergrond, schemerig, ’k mèèn ’n gemberpot. Jos vroeg, of ’k krankzinnig was, dat ’k «De doode kraai» niet nam, z’n meesterwerk! Maar ’k zei, dat ’k datvoor die zestig gulden niet nemen mòcht. Toen drukte-ie me geroerd de hand. Ik vòèlde ’m zoo, sprak-ie zacht. En hij stak nog ’n sigaar op.

«Je blijft toch eten?» vroeg Co. ’k Keek aarzelend naar de aardappelen. En die Jopie, die zoo royaal met z’n boonen omsprong! Toch wou ’k ook niet teleurstellen, ’k Stond in twijfel.

«Natuurlijk komt-ie!» loste Jos ’t geval voor me op met ’n geweldigen slag op m’n schouder. «Hìjzou er niet bij zijn! Op Co’s feestdag! Er komen er nog meer. Anders haal ik ze! ’n Mensch kan niet àltijd werken. ’n Beetje ontspanning zal ons goed doen. Je komt, hoor! En wat de pot schaft! Haha,hìjzou er niet bij zijn».

’k Beloofde. Toen ’k wegging, werd er juist gebeld. ’t Was ’n beertje. Dochdie ging dra op de vlucht voor ’t lapje van zestig. Van zóóveel had-ie niet terug. Jos zwaaide er mee, of-ie ’n vaandel veroverd had. Bescheiden stapte ’k heen: ’k voelde me ’n góéd mensch.

’t Is ’n overdadige fuif geworden. ’k Had nog wat meegebracht, om de tafel ’n royaler aanzien te geven, blikjes-goed en zoo. M’n jaszak puilde er van uit. Maar toen ’k ’t feestmaal aanschouwde, schaamde ’k me en ’k heb alles bij me gehouden. Tegen zooveelrichessekon ’k niet op.

’k Herinner me niet, de laatste jaren ooit zóó te hebben gesmuld. En ’t zag er aardig uit met al die gemberpotten, eindjes kaars en gedroogde bloemen. Servetten hadden we niet, maar waar deHenkeman’s opeens al die glazen vandaan haalden, is me nog ’n raadsel. En gevuld dat ze waren? Met wat je wou!

Er is veel getoost, op den bloei der kunst, op Co, ’k meen ook op «De doode kraai». Even werd de vreugd verstoord, doordat Co, met extra nonchalant Cleo-haar, zich plots herinnerde, dat er zeker in geen vier uur naar de kleinste gekeken was. We zijn toen allen op ’n holletje naar den achtersten uitbouw getogen en daar vonden we ’t wurm net nog in leven, maar al heelemaal blauw van ’t schreeuwen en ’t op-z’n-buikje-liggen. We hebben daarop de wieg in feestelijken optocht naar ’t Paradijs gesjord en daar met lampions behangen, wat ’n heel aardig effect maakte.

Verder herinner ’k me geen stoornissen.Alleen stoof Jos telkens naar z’n conceptie-hol, omdat ’t weer bij ’m begon te werken en klonk er op ’n gegeven oogenblik ’n benauwde kreet van onder tafel, waar Jopie, dien we allang in bed dachten, zich te buiten ging aan ’n oesterschelp. Dat alles echter maakte den avond niet minder geanimeerd. In tegendeel!

’k Begon er me al over te verwonderen, hoe Jos zooveel weelde bij elkaar had gebracht voor m’n ongelukkig, blauw lapje. Er moesten bepaald weer nieuwe winkels bij gekomen zijn! Maar dra verklaarde zich ’t geval.

’k Was de gang ingeloopen, even m’n handen te wasschen. De gasten zaten verspreid op de avontuurlijke stoelen of liepen de kamer rond, alsof er haast bij was, de heeren met ’n «zuigstengel»—’n exquise Havana!—, de dames met ’n snoepje. Co zat weer over een van ’r roman-afleveringen gebogen, slaperiger dan ooit. En Jos kreeg opnieuw ’n bevlieging, greep al naar ’t potlood: «De lezende Madonna».

’k Stond aan ’t fonteintje, goochelde met ’n stukje zeep. Zóó had je ’t, zóó had je ’t nièt. En de handdoek was zoek. Chris kon me niet helpen, want die was voor uren naar huis gestuurd met ’n halve ham en ’n flesch port. ’k Sloeg m’n handen uit, spatterde van Stralen in ’t gezicht. Van Stralen is ’n aardige kerel, die iets bij de «belastingen» doet. Hij was me zoo maar achterop geloopen en wou zich nu ook wat verfrisschen.

«Gezellige pan, hè?» vroeg-ie enthousiast.

’k Stemde van harte toe, gestreeld, want eiglijk beschouwde ’k ’t feestje toch als mìjn fuif.

«’t Gaat ze tegenwoordig goed» vervolgde van Stralen opgewekt en opzijnbeurt begon-ie ’t spelletje met de zeep. «Hij verkoopt meer dan-ie maken kan. ’k Heb vanmiddag net nog ’n aardig ding op de kop getikt. Twee uien met ’n sinaasappel en ’n achtergrond. ’n Fijn stukje».

M’n handen waren opeens droog, «Twee uien?» vroeg ’k.

«Ja» blies van Stralen, die bepaald te veel gegeten had, «en ’n sinaasappel en dan nog iets, dat je niet erg goed zien kan. ’t Is heel mooi. Ga maar eens mee kijken».

Hij ging me voor, onafgedroogd. We traden weer in ’t gezellige «vóor». Dochdaar zag ’k juist Jos in druk gesprek met Bouwer—òòk ’n heel aardige kerel, ’k geloof aan ’n ministerie—vlak voor mijn uien, die nu van van Stralen waren. ’k Begreep de situatie, troonde van Stralen onder ’n voorwendsel mee naar ’n anderen hoek van de kamer. Geen drie minuut later, of Jos drukte Bouwer stevig de hand: de zaak scheen beklonken. Toen kregen we nog champagne.

Den volgenden morgen—’t was laat geworden ’s nachts en ’k lag nog te bed—kwam Jos bij me met ’n mismoedig gezicht en.... de uien.

«Zoo? Zijn ze daar dan toch?» vroeg ’k verheugd en ’k richtte me half op.

«Ja» bromde-ie, «maar als je ’t me niet kwalijk neemt, wou ’k er wel mee op stap».

«Hoe bedoel je?» vroeg ’k, op alles voorbereid.

«Die uien doen me de dood aan!» riep-ie woedend uit. «’nCroûte, ’n ding zonder idee! Wat is in ’s hemelsnaam ’n ui! En ze zijn er allemaal dol op, stapel, gek. Ze vallen er op aan als uitgehongerde wolven. Jij, hij, zij! En die gehate dingen zullen op ’t laatst nog m’n uitkomst zijn! Jij wou ze gister met alle geweld hebben, weet je nog wel? ’k Heb je nog teruggehouden, gezegd: «kerel, neem de doode kraai. Van dat dier zul je plezier hebben». Maar nee, jij zou en moest de uien. Nu, je hèbt ze dan ook».

Hier wou ’k protesteeren, want ’kdacht aan Bouwer en van Stralen. Doch als Jos eenmaal op dreef is, krijg je er geen woord tusschen.

«’k Heb ’n dinertje voor je ingericht, omdat ’k je handelwijze zoo attent vond» vervolgde Jos met ’n razenden pluk aan z’n haar. «Ook is Co maar ééns jarig. Eenvoudigjes natuurlijk, onder ons. Maar ’t valt toch niet mee. Er komen altijd meer lui dan je denkt en je wilt toch ook geen honger lijen. En vlak nadat je ’s middags weg ging, kwam die fielt van ’n schoenmaker met zóó’n rekening. Die had wèl terug van zestig. Toen van Stralen dan ook—hij was wat vroeg—absoluut die uien wou (hij was er gewoon niet van weg te slaan, idioot!) heb ’k ze ’m maar gelaten, voor vijftig gulden, ’n krats, cadeau. O, dan krijg jij nog tienvan me, hè? Ach, nee, hoe zit dat nu ook weer? M’n kop loopt om van al die misère en ’n ideeën als ’k vanmorgen weer had! Dat krijg ’k altijd na zoo’n avondje. ’k Kan er eiglijk niet tegen. Enfin, we rekenen nog wel af.

En ’s avonds kreeg Bouwer ’t ook al te pakken. Hij wou er ’n moord voor doen, zei-ie. Nu, je begrijpt, dat wou ik niet, voor nog geen honderd uien! En we moesten den volgenden dag toch òòk nog leven. Met die paar blikjes zalm doe je niet lang. Dus, om van ’t gezeur af te zijn, heb ’k ’m maar niet teleurgesteld, voor veertig gulden. Belachelijk! Maar vanmorgen hebben ze gewoon de bel bij ons uit de deur gehaald—of ze ’t ruiken, de hyena’s!—Chris heeft geen woord kunnen inbrengen en nu heb ’k nogprecies dertien en ’n halve cent. Haha, ’n kunstenaarsbestaan! Je verkoopt al je hebben en houwen voor ’n krats en nog lijd je armoe! En je echte, zuivere, mooie werk—’k bedoel nog niet eens «de dooie kraai»—willen ze niet aan!—En nu wou ’k je vragen, beste kerel, omdat jullie alle drie die uien toch niet kunt hebben en omdat daar nu zoo’n verkoop in schijnt te zitten, leen me even ’n fatsoenlijk overhemd en ’n boord en vijf pop. Dan rij ’k naar die nieuwe kunstzaak in de Langstraat en ’k ben weer in bonis en je neemt maar uit m’n «hol» wat je wilt. Je weet, vrienden kan ’k niets weigeren».

’k Dacht weer aan Co, Jopie en ’t aardappelmandje en.... ’k was overgehaald. Jos trok m’n beste overhemden m’n hoogste boord aan en ’k gaf ’m vijf pop, ommìjnuien te verkoopen. Toen ben ’k nog maar wat blijven liggen. En ’k heb veel nagedacht.

Jos heeft de uien niet verkocht. De kunstzaak wou ze niet aan. Daarop heeft Jos, zonder aan de drie eigenaars te denken, ze uit kwaadaardigheid verscheurd mèt den sinaasappel en den onduidelijken achtergrond. En hij heeft gezworen, dat-ie nooit meer één ui schilderen zou, al moest-ie ook verhongeren.

Tegenwoordig loopt Jos elk oogenblik bij me op, of ’k niet eens iets bij ’m kom uitzoeken in ruil voor ’t vernietigde stilleven. Maar ’k durf nietgoed. ’t Komt altijd duurder uit, dan je denkt. En Jos is zoo slordig met overhemden!

«Van Stralen en Bouwer laten zich niet meer zien» vertelde-ie me met ’n zucht. «En dat allemaal om die verwenschte uien! Heb ’k gelijk, dat ’k ze nooit meer schilder?»

«Ofje!» stemde ’k toe. En ’k heb ’m beloofd, dat ’k morgen bij ’m zou aanloopen.

Maar ’k gà niet!


Back to IndexNext