[Inhoud]ASPASIAXIV.DE PANATHENAEËN.Wanneer het vaderland een groot man eert, de geheele wereld hem viert, wanneer op al zijne paden vereering, liefde, hulde hem te gemoet komen, dan is er dikwijls toch ééne plaats, waar zijne grootheid ineenkrimpt,waar hij zich klein gevoelt, waar hem koude of zelfs afgunstige oogen ontmoeten.En deze plaats is zijn eigen haard, zijn huis, de schoot zijner familie, het uitgangspunt van zijn arbeid.Ook Pericles gevoelde zich zonderling en onaangenaam aangedaan, toen hij, wien het jubelgeschreeuw van het Atheensche volk nog in de ooren klonk, na een afwezigheid van een jaar weder den drempel zijner woning betrad. Evenals den zegevierend terugkeerenden Agamemnon, ontving ook hem eene heimelijk mokkende gade.De tijding, dat Aspasia in het gezelschap van Pericles te Milete geweest was, dat zij op de terugvaart zich aan zijne zijde had bevonden, was tot Elpinice’s ooren doorgedrongen en uit den mond harer vriendin had Telesippe het vernomen.De vrouw van Pericles dacht er niet aan zich op den terugkeerenden echtgenoot te wreken, zooals[6]Clytaemnestra1op den terugkeerenden Agamemnon, noch door een vergiftigd Nessus-kleed2hem in het verderf te storten, zooals Dejanira den ontrouwen Heracles had gedaan. Zij dacht kleingeestig, kleingeestig was haar wrok, kleingeestig haar haat en kleingeestig ook haar wraak.Dat Pericles vóór Samos overwonnen, dat hij het schip van den vijandelijken veldheer in den grond had geboord, wat baatte het hem tegenover de Erinnys, die aan zijn haard haar zetel had opgeslagen? Terwijl de agora van zijn roem weergalmde, moest hij in zijn eigen huis de kleingeestige, kijvende taal, den smadelijken afgunstigen blik van Telesippe verdragen.En Elpinice? Zij sprak tot Pericles, toen zij hem voor het eerst na zijn terugkeer ontmoette:„Schaam u, Pericles! Mijn broeder Cimon heeft over de Perzen, over barbaren gezegevierd, gij echter hebt Hellenen-bloed vergoten en laat u verheerlijken als de onderdrukker van uw eigen stamgenooten.”—Zonder heftig op te stuiven, zwijgend, zooals het zijne gewoonte was in den omgang, doch niet zonder ernstige overweging en fiere plannen, liet Pericles den tweestrijd, die met de verschijning van Aspasia zijn hart had bestormd, der beslissing te gemoet snellen. Hij had in den beginne gemeend, dat het gemakkelijk zou zijn de rechten der geliefde gescheiden te houden van de rechten der gade. En had Telesippe zelve dit niet geloofd? Had zij niet met verachting op de Milesische hetaere[7]neergezien, die wel is waar het hart van haar echtgenoot had veroverd maar die toch haar heerschappij aan den huiselijken haard moest laten, haar, de wettige gade? Had zij niet de vreemde van den drempel des huizes verdreven en had deze niet voor haar moeten wijken?Maar de zaken waren veranderd. Pericles zelf was niet meer, die hij geweest was. De gedachte aan eene echtverbintenis van een anderen aard was niet te vergeefs als een gloeiende vonk in zijne ziel geworpen.De dagen, waarop het grootste van alle Atheensche feesten gevierd zoude worden, waren teruggekeerd.De bevolking der landelijke vlekken stroomde naar de stad; want het feest was, wat zijn naam uitdrukte en wat het zijn moest naar de gedachte van zijn stichter Theseus, een steeds vernieuwd verbroederingsfeest van het gansche Attische volk. Maar ook van heinde en verre, uit de verbonden steden en eilanden, uit de koloniën, ja uit geheel Griekenland kwamen de gasten.Nog nooit echter had Athene eene zoo groote menigte van burgers en vreemdelingen binnen zijne muren verzameld gezien. Want ditmaal voegde zich bij de aantrekkelijkheid, die het vieren der Panathenaeën steeds had geoefend, de begeerte om het schoone Parthenon dat voor de eerste maal geopend werd, het van goud en ivoor stralende standbeeld van de Pallas Athene van Phidias onthuld te zien.Gedurende verscheidene dagen hadden de gewone wedstrijden plaats vóór den aanvang van den grooten feestelijken optocht. In de vallei aan den Ilissus streden de jonge helden uit de Atheensche worstelschool om den prijs. Eerst worstelden de uitnemendste knapen, dan de dapperste jongelingen, vervolgens de krachtigste mannen in alle soorten van den Helleenschen worstelstrijd. In den wedkamp der knapen overwon ook ditmaal de pleegzoon van Pericles en de lieveling van alle Atheners, Alcibiades, echter tot ergernis van Telesippe,[8]die den knaap haatte, omdat hij hare beide minder begaafde, weinig belovende zonen, Paralus en Xantippus, geheel en al in de schaduw stelde.Hoe bruischt het bloed in de aderen van den jeugdigen overwinnaar, terwijl hij alle overige wedstrijden mede aanzag, waaraan hij echter tot zijn leedwezen slechts als toeschouwer, niet als mededinger om den prijs, mocht deelnemen! Met welk een afgunst zag hij, in geleide van Pericles buiten de stad gekomen op de vlakte, die westwaarts van den Piraeüs gelegen was, het opdwarrelende stof vochtig worden door den dampenden adem der rennende rossen! Hoe bewonderde hij den kampioen in de hippische3kunst, staande op den met vurige rossen bespannen wagen, op elke kar naast den menner de met helm en schild gewapende strijder, die, terwijl het span in toomelooze vaart door de renbaan stoof, er af sprong en in krachtigen loop een eind met de kar om ’t hardst liep, om dan met even zekeren sprong weder op den wagen te recht te komen!En hoe voelde de knaap zich door den beroemden wapendans der jongelingen medegesleept! Hoe fonkelde zijn oog bij dit krijgshafte spiegelgevecht toen de jongelingen op de maat der muziek allerlei krijgsbewegingen maakten, alle soorten van aanval, van verdediging, van ontwijken beproefden, in den danspas en onder begeleiding van den rhythmus der tonen, waarbij in de maat met de zwaarden tegen de opgeheven schilden geslagen werd, zoodat de heldere klank van het metaal vereenigd met de tonen der muziek, soms ook met het gezang van krijgsliederen, eene soort van strijdlustige stemming en vervoering ook bij den toeschouwer opwekten! Toen nu zelfs de jonge Alcibiades, door deze vervoering aangegrepen, de bewegingen der zwaarddansers begon na te doen en van begeerte scheen te branden, zich in hunne rijen te mengen, moest Pericles aan het verhaal van Artemidorus[9]denken en aan het tooneel toen de Milesiër zijn zoon Chrysanthes op den Tmolus plotseling zag aangegrepen van den waanzin der Corybanten. En waarlijk, dit gewoel van den wapendans zou aan de rijen der Corybanten hebben kunnen herinneren, zoo daar niet alles wild en huiveringwekkend, hier niet alles in plechtige en edele maat zich aan het oog vertoond had.Maar ook de nacht had zijn feest: den grooten fakkelwedloop, waarmede de Atheners hunne Goden des lichts: Hephaestus4, Prometheus en Pallas Athene plachten te vereeren. Alleen de schoonste en kloekste jongelingen van Athene werden tot den wedloop toegelaten. Het kwam er op aan de fakkels brandende aan den eindpaal te brengen: wiens toorts onder den loop uitging, moest uit de rij treden. Wie langzaam liep, om de vlam aan te houden, werd door de levendige spottende kreten van het volk tot spoed gedreven.De Atheensche stammen kozen uit hun midden de schoonste grijsaards, de statigste mannen, om den grooten feestelijken optocht op te luisteren en zij waren in hunne keuze zeer streng. Uitgelezen ook waren de jongelingen en jonkvrouwen, die aan den optocht deelnamen; alleen kon bij de bloeiende jeugd de keuze minder streng zijn, dan bij de ouderen en grijsaards, om aan het oog slechts welgemaakte, schoone en edele vormen te toonen.Onder de wedstrijden behooren ook de kunsten der Muzen.Pericles was het geweest, die, elke soort van voortreffelijkheid met gelijke warmte aankweekende en bevorderende, ook het spel van snaren en fluiten en danskoren in den kring der wedkampen bij de Panathenaeën had opgenomen. Want onder de ambten en waardigheden, die hij bekleedde, behoorde[10]ook dat van leider der openbare spelen en feesten te Athene.Toen nu de dag van het eigenlijke feest aanbrak, waarop de zoogenaamde peplos naar oud gebruik aan de schutsgodin Athene in hetErechtheümgebracht en de overwinnaars in de Panathenaeïsche wedstrijden in het nieuwe Parthenon gekroond zouden worden, werd de feeststoet in de wijk der Ceramicus in orde geschaard.De geheele wijk wemelde van drommen, die zich naar de vereenigingsplaats begaven. Dit vereenigingspunt leverde echtereeneven levendig, bont en schitterend tooneel van verwarring op. Hier stond het ten offer bestemde, schoon gehoornde rund in zijne volle kracht, daar ontlaadde zich de vurige, sterke, stalen aard der fiere rossen, als ’t ware electrisch, in een vonkenspattenden hoefslag. Nevens de ongeduldig steigerende rossen stonden jongelingen, die hen met krachtige hand aan de schitterende teugels hielden of bezig waren hen op te toomen of ook in kunstige wendingen hunne snelheid te beproeven. En zoo verkwikte zich thans het oog aan levendige groepen, aan beelden van kracht en welgemaaktheid.Het bonte kluwen ontwarde zich. De feeststoet begon zich in orde te scharen. Nadat dit geschied was, zette hij zich onder de muziek van trompetten, fluiten en snareninstrumenten in beweging. Vooraf ging de hecatombe der offerdieren, honderd uitgelezen, schitterende runderen, bestemd om op de Acropolis ter eere van de Godin geslacht te worden en vervolgens tot feestmaal te dienen: prachtige dieren, met vleezigen, sterken nek, laag afhangende kwabben, de horens als de beide armen eener lyra schoon gekromd, met bloemkransen getooid en aan de spits voor een deel verguld. Zij werden geleid door krachtige jongelingen, die met sterke hand de ongeduldige, weerbarstige dieren bedwongen. Rammen volgden op de runderen, niet minder schoon en sterk, met schoone horens en vachten. Achter deze dieren, benevens hunne drijvers,[11]offerdienaars en offerpriesters, gingen zij die verschillende andere offergaven droegen: offerkoeken op platte schalen, vloeibare stoffen, deels in zakken, deels in groote, schoon gevormde kruiken gedragen.Nu volgde een schitterende stoet van Atheensche vrouwen en jonkvrouwen, in rijk feestgewaad, die gouden en zilveren werken droegen, prachtige pronkvaten, welke het geheele jaar door op eene daarvoor bepaalde plaats bewaard en bij zulke feestelijke gelegenheden ten toon werden gedragen. Sierlijke korfjes, gevuld met bloemen, vruchten, reukwerk, droeg een deel der bevallig met goud versierde meisjes op de hoofden. Uit Athene’s bloeiendste dochteren gekozen, teeder en statig, bekoorlijk en waardig te gelijk, verrukten deze korfdraagsters ieder oog door de zedige bekoorlijkheid harer uiterlijke houding en bewegingen. Het waren knoppen, kuisch besloten, maar fonkelend van den dauw der jeugdige frischheid. Het jaar door verborgen, evenals die gouden pronkvaten, en aan het oog der wereld ontrukt in het binnenste der vrouwenvertrekken, waren zij thans als ’t ware te voorschijn gebracht om te schitteren in het licht van den feestdag. Het heerlijke feest onthulde, wat anders voor de blikken verborgen was; het onthulde, ontketende alles, wat schoon en schitterend was. Heden schoot de God der liefde zijne schichten, heden ontmoetten elkander de blikken van bekoorlijke jonkvrouwen en jongelingen, begeerig naar liefde. Jeugdige ongedwongenheid werd getemperd door de aangeboren bekoorlijkheid, die hare stralen vrij en vroolijk rondom zich verspreidde.Achter deze schitterende offergaven werden de nog heerlijker wijgeschenken gedragen, wier getal nooit grooter geweest was dan thans: prachtig vaatwerk, fonkelende gouden en zilveren schilden, drievoeten van den bekoorlijksten vorm, rijkelijk versierd, ook beeldwerken van de hand der beste meesters. Dat alles, openlijk gedragen, schitterde oogverblindend in de stralen der zon.[12]Aan den stoet van jonkvrouwen sloten zich de liefelijke, teedere, nog kinderlijke meisjesgestalten der Arrhephoren aan, in den feestdos, dien zij bij hare heilige verrichtingen op de Acropolis gedragen hadden en onder haar de lieve, kinderlijk vrome, moedige Hipparete.Nu volgden de dragers en geleiders van die geschenken en offers, die aan de Godin van de Atheensche koloniën of van de met Athene verbonden steden en eilanden gebracht werden.Nu echter kwam eerst van alle wijgeschenken het belangrijkste, het glanspunt van den geheelen feeststoet, het groote, rijke, prachtige weefsel, de peplos. Niet door menschenhanden werd het gedragen: als een zeil was het over een soort van prachtschip gespannen, dat in den feesttrein zich op raderen voortbewoog. Dit gevaarte, een werk van buitengewone schoonheid en grootte, moest het niet in de rijen, die de Atheensche grootheid en macht te kennen gaven, aan de heerschappij ter zee der Atheners herinneren en aan den zeegod tegelijk, wiens eeredienst sinds overoude tijden in verband stond met dien vanErechtheüsen Pallas op den burg? En dat de peplos in plaats van het prachtschip hoofdzaak was geworden in den optocht der Panathenaeën, herinnerde het niet aan de overwinning van de Godin des lichts Pallas Athene in den kamp met den donkeren drietandzwaaier5. Het aandeel door de Godin des lichts aan den strijd der Goden tegen de Giganten6genomen, was voorgesteld in schitterend goudstiksel, kunstig op den purperen of saffraan-gelen grond van het weefsel aangebracht. Boven den mast van het prachtschip uitgespannen, zag men eene afbeelding van dien kamp der lichtgoden tegen de ruwe natuurmachten in goud weefsel voorgesteld,[13]die hoog in de lucht zich verheffend, het volk heinde en verre duidelijk tegenschitterde in den glans der zon.Achter het prachtschip met de peplos liepen de overwinnaars in dePanathenaeïschewedstrijden, met fieren tred: de citherspelers en fluitblazers met hun muziekinstrumenten, de overwinnaar in den fakkelloop, met de brandende fakkel in de hand, waarmede naar oud gebruik het vuur voor de groote feestoffers der Godin op de Acropolis werd aangestoken, de overwinnaars in den wedren der rossen en wagens, met hun prachtige vierspannen, op elk de menner en zijn makker met helm en schild: voorts, met olijftakken in de handen, die stoet van schoone, eerbiedwekkende grijsaards, die in den wedstrijd van mannelijke welgemaaktheid de overwinning hadden weggedragen. Als op edele voorbeelden staarde de Atheensche jongelingschap op deze mannen, met hun zilveren lokken, die eene eerwaardige schoonheid en frischheid van lichaam en ziel tot op den laten ouderdom hadden bewaard. Op hen volgde de trein der epheben, Athene’s mannelijke jeugd, slanke gestalten, donker gelokt, met vurigen blik, op de edele rossen als goed geoefende ruiters zittende. Door de strategen en taxiarchen7aangevoerd, marcheerde achter de epheben de strijdbare manschap van Athene: de zwaargewapenden en de ruiterij der Edelen8in schitterende wapenrusting op de schoonste en vurigste rossen—want te paard verscheen de rijke en voorname Athener in feestelijken optocht als in het veld—vervolgens in eene eindelooze reeks de burgerij, met de overheden aan het hoofd; het volk naar gemeenten9ingedeeld, mannen en vrouwen in feestgewaad, met myrthentakken in de hand, achter de burgers de vreemdelingen,[14]die het burgerrecht hadden verkregen, hunne vrouwen met eikentwijgen in de hand, als smeekelingen van Zeus Xonios, den God der gastvrijheid. Andere vrouwen en dochters dier vreemdelingen liepen achter de Atheensche burgeressen, wier bescherming zij genoten en droegen zonneschermen in de hand, om haar, als de trein in de brandende zon stilhield, boven het hoofd te houden of stoelen zonder leuning, klein en sierlijk van vorm, waarop hare beschermvrouwen zich dan konden neer laten.Deze stoet bewoog zich van den buiten-Ceramicus door de schoonste straten der stad, tot op de Agora, die met eikenloof bestrooid, overigens ook feestelijk was versierd: het werk der slaven voor dien dag. Hier hield de trein derhalve voor het eerst halt en het eskadron der voorname Atheners in zijne schitterende wapenrusting voerde op de ruime plaats bewegingen en manoeuvres uit, die bijna het prachtigste deel van de geheele feestviering uitmaakten.Terwijl de stoet op de Agora verwijlde, had een deel der geleiders van de offerdieren met eenige der dieren zich daarvan afgescheiden, om vooraf de beide gebruikelijke offers, het ééne op den Areopagus, het andere bij het altaar van Athene Hugieia te brengen.Nadat deze vóóroffers gebracht waren, zette zich de feesttrein met de hecatombe en het prachtschip weder in beweging. Hij nam zijn weg ook verder door de voornaamste straten en trok langs de beroemdste heiligdommen, waar men een poos stilhield, om den God te vereeren door offers of door het aanheffen van een paeän.Toen men de plaats bereikt had, waar de weg naar den heuvel van de Acropolis voerde, werd van de paarden en wagens achtergelaten, wat langs den breeden maar steilen weg den stoet niet volgen kon, of wat op de hoogvlakte van den burgt geen genoegzame ruimte zou gevonden hebben. Doch het ontbrak niet aan koene ruiters noch aan wagenmenners, die met hunne moedige paarden[15]toch in den trein bleven, terwijl zij zich zooveel mogelijk op het midden van den breeden weg hielden, omdat daar door geribd pleister het gevaar van uitglijden, zoowel voor paarden als voor raderen, verminderd was.Op de Acropolis gekomen, maakte de stoet halt tusschen het Erechtheüm en het pas voltooide heiligdom van Pallas Athene. De peplos werd in het Erechtheüm gebracht en het groote offer der hecatombe begon onder het aanheffen van een paeän voor een in de open lucht staand altaar aan de oostzijde van het Parthenon.Maar geen blik der menigte drong tot in de schemerende zaal van het Erechtheüm door, waar het overoude, houten beeld van Athene, op een met bloemen bekransten troon staande, zijne gewone schatting, de peplos, ontving. Onopgemerkt bleef ook het heilige offer: ieder oog richtte zich op de pracht van den schitterenden tempel, welks poorten zich heden voor het eerst voor de blikken van het Atheensche volk ontsloten.De eerste indruk, dien het nieuwe feestgebouw maakte, was onbeschrijfelijk. Alles was schitterend marmer, van de blokken der grondvesten tot aan de sierlijk gemetselde hoogste tinnen. En wat geen marmer was, stralend in zijne jonkvrouwelijke reinheid, was goud of heldere kleurenpracht.Van het westen naar het oosten, in een langwerpig, van zuilen voorzien vierkant, verhief zich fier en vrij de heerlijke tempel, door het zonlicht omstraald, op zijne hoogte. Edel, regelmatig in zijne afmetingen scheen hij toch van zijne geweldige fundamenten met wondervolle bekoorlijkheid schier reusachtig naar boven te streven. De grondvesten zelven met de opwaarts voerende marmertrappen verhieven zich boven het hoofd van den toeschouwer. De tempel zelf echter met zijn woud van marmeren zuilen, met het versierde beeldwerk zijner rondomloopende friezen, met de kolossale marmergroepen, vol leven, die de breede gevels als ’t ware met eene schare van heerlijke gestalten bevolkten,[16]stralend van goud en de schitterendste kleuren, hier en daar den glans van het witte Pentelische marmer doende verbleeken, scheen van de verlichte hoogvlakte als ’t ware tot de maagdelijke Godin zich te verheffen in haar rijk des lichts, den daar geheiligden aether.Niets echter boeide in deze eerste oogenblikken der beschouwing het oog des Atheners zoo zeer als de groote in kolossale marmergroepen voorgestelde tooneelen, die de breede velden der beide gevels vulden. Dit gezicht was overweldigend. Want de heerlijke gestalten, zooals zij rustend, staande, loopende, niet slechts in verheven beeldwerk, maar als standbeelden losgemaakt van den achtergrond, zich in fijn aangegeven betrekking tot elkander vertoonden, zij schenen uit hunne lijsten te voorschijn te willen treden en af te dalen onder het volk der door de Goden geliefde Atheners. Hunne houding en beweging hadden de juiste maat, maar toch waren zij vol gezond, heerlijk, bloeiend leven in zinrijke vorm afgebeeld.De Athener zag op den oostelijken gevel het oogenblik voorgesteld na de geboorte der Godin uit het hoofd van Zeus: in het midden den God, de Godin en den Titan Prometheus, die het hoofd Gods heeft gekloofd, om de Godin des lichts te doen geboren worden: van daar naar beide kanten heenspoedend met de blijde boodschap Nike10en Iris11, haar tegemoet snellend, Godinnen en heroën, die met vreugde de tijding vernemen; links in den gevel Helios met zijne vurige paarden opstijgend; rechts de Godin van den nacht met haar span nederdalend in de stroomen van Oceanus. Den strijd van Poseidon echter met Pallas Athene om het bezit en het beschermheerschap van het Attische land, bevatte de westelijke gevel: in het midden de beide strijdende godheden: de onstuimige[17]Poseidon, die zooeven met den drietand de heilige bron uit de rots heeft geslagen, tegen hem over Pallas Athene en de op haar bevel ontstane olijfboom; naast haar het hoog steigerende span voor den zegetocht; godheden en heroën van het Attische land zich bij de Godin aansluitend, bij Poseidon het gevolg zijner zeegoden. Van deze gestalten, allen meer dan levensgroot uit het marmer gebeiteld, dwaalde het oog naar de kleinere beeldwerken van den fries boven de zuilen, waar in de lange rijen der metopenvelden, kampstrijden der Grieken met woeste Centauren waren voorgesteld; vandaar door de zuilen, die rondom den tempel liepen tot aan het beeldwerk van den inwendigen fries, die den buitensten marmeren wand van den tempel omgaf. En door het gezicht daarvan begon het oog van den Athener nog vuriger te stralen, want hier aanschouwde de levendige feeststoet zijn eigen beeld, uit marmer gehouwen: tooneelen uit den optocht der Panathenaeën en wat daaraan vooraf was gegaan: afbeeldsels van schoone, zedige jonkvrouwen, van krachtige jongelingen op steigerende rossen, fier stuivende spannen en voorstellingen van hippische agonen12het overreiken der peplos en, te midden van al dat menschelijk schoone, Olympische Goden, uit hunne onzichtbare en ongenaakbare gewesten nedergedaald als getuigen van het heerlijke feest. Zoo eenvoudig, zoo onopgesmukt en edel scheen hier bij alle schoonheid iedere gestalte, dat zij uit het marmer tot het Atheensche volk voor alle volgende tijden scheen te zeggen: „Houd de schoone maat en laat uw leven steeds in zulk een edelen eenvoud, in zulk eene schoonheid en reinheid bloeien, als het hier zich aan u vertoont in de marmeren beelden uit de werkplaats van den diepzinnigen Phidias!”Ten aanschouwe van het ongeduldige volk betraden thans, nadat het offer der hecatombe was verricht, in plechtigen stoet de eerste overheidspersonen[18]van Athene de trappen van den tempel. Zij schaarden zich daar aan weerszijden van de poort. In hun midden stond Pericles en de Archon Basileus.Thans openden zich de breede, sierlijke metalen deuren des tempels. Het inwendige deed zich met zijne schitterende zuilen aan de oogen voor en Phidias’ nieuw, schoon beeld van Pallas Athene vertoonde zich in al zijn luister prijkend voor de eerste maal in de heilige schemering aan het volk der Atheners.Thans hieven de feestgenooten een lofzang aan ter eere van de Godin. Toen die klanken weggestorven waren, trad Pericles te voorschijn en sprak van de trappen des tempels aldus tot de verzamelde menigte:„In overoude tijden had Pallas Athene de volheid aller aardsche zegeningen over de wieg van het Atheensche volk uitgestort en als de geefster van de voedzame olijf, als de schenkster der voornaamste goederen, als zij, die de welvaart van het Attische land had gegrondvest en bevorderd, werd zij vereerd in dat eerwaardige, doch ruwe houten beeld van het Erechtheüm. Toen echter was de tijd gekomen, waarop Athene zich het zwaard aangordde, aan de spits van Hellas de Barbaren bekampte en, in de zegepralen gestaald, tot den bloei zijner macht zich verhief. Als herinnering van dien tijd stond op den burg het over land en zee, heinde en ver zichtbare reusachtige beeld der Athene Promachos. Nu echter was de tijd aangebroken, waarop het innigste en diepste wezen van de Godin en daarmede het schoonste deel harer zegeningen over het Attische land en volk werd uitgebreid. Nu wilde zij zich ten volle openbaren als de Godin van den lichtenden aether, in welks glans de nacht verdwijnt, als de nadenkende, schrandere, om wier voorhoofd de vrije gedachte in schoone klaarheid zweeft, als de steun van alle kunsten en wetenschappen en alle zegen, die voortspruit uit den geest. Als zoodanig had Phidias haar thans voorgesteld,[19]een Pallas Athene des vredes. En over deze nieuwe gestalte der Godin had men het nieuwe, harer waardige tempelgebouw gesticht, geen priesterlijk huis voor offergaven, maar een Panathenaeïsch feesthuis der Godin, waarin zij het waarachtig licht en de waarachtige macht van haar wezen, losgemaakt van alle priesterbekrompenheid, vermocht te openbaren. Zinrijk omgaf dit tempelhuis de Godin, uitdrukkend de openbaring van haar wezen zelf en tevens die van het volk, dat zij beschermt. En zoo wilde men dan ook in het vervolg nog de peplos aanbieden aan het overoud eerwaardige, houten beeld van de schutsgodin der stad, de oude, heilige zeden der vaderen eerende: doch doel en middelpunt van het feest der Panathenaeën moest voortaan het Parthenon zijn. Hier zouden van nu af de overwinnaars in de agonen hunne prijzen uit de hand der kamprechters, zittende aan de voeten der Godin, ontvangen, en tot de beeldwerken van het schitterend feesthuis zou het volk zich wenden, om die uitstraling van het innerlijk wezen der Godin in zich op te nemen, zijn gemoed te vervullen met het grootsche en heerlijke, dat hier van de wanden en gevels en friezen in marmeren taal sprak. In deze beelden zou de Athener de geschiedenis lezen van zich zelven, lezen het in steen gehouwen heldenlied der zege des lichts en des geestes over al het duistere en ruwe. Zich zijner kracht bewust, moest de geest in den Helleen ontbranden van edele begeerte om altijd het gedenkteeken waardig te blijven, dat hij hier voor alle volgende tijden zich zelven had opgericht.”Door deze woorden van Pericles geraakte het volk in vervoering en door duizende stemmen werd opnieuw de paeän aangeheven ter eere der jonkvrouwelijke Godin; onder dit gezang en onder de muziek van fluiten en snareninstrumenten, die den feeststoet begeleiden, betrad, op den wenk van den Archon Basileus en door hem geleid, voor het eerst de stoet der jonkvrouwen de trappen en ging[20]door de geopende poorten van het Parthenon. Door maagdelijken voet zou het nieuwe heiligdom der maagdelijke Godin het eerst betreden worden. Op de jonkvrouwen volgden de jongelingen en terwijl genen zich in het binnenste van den tempel ter rechter, dezen ter linker zijde van het beeld der Godin schaarden, onder het voortdurend gezang van de paeän, betraden zij, die wijgeschenken in den feesttrein droegen, het feesthuis en legden de geschenken aan de voeten der Godin neder. Andere wijgaven, bijzonder blinkende, gouden en zilveren schilden, werden opgehangen aan de zuilen des tempels. Nu werden de overwinnaars in de Panathenaeïsche wedstrijden over den drempel geleid benevens de kamprechters en zij, die in Athene de hoogste waardigheden bekleedden.Luider klonk de muziek van fluiten en cither, bezielender schalde de paeän door de marmeren portalen, toen het prachtige beeld der Godin onmiddellijk zich voor de oogen der in de tempelzaal aanwezigen en steeds toestroomende Atheners vertoonde. Daarop waren alle blikken gericht.Oogverblindend als de tempel, schitterde ook de kolossale godengestalte: van ivoor waren de onbedekte deelen gevormd, van goud al het overige; diepzinnig voor zich heen staarde het ernstige, schoone hoofd, bedekt door den zwaren helm, waaronder weelderige lokken neergolfden. De trekken van het gelaat hadden eene peinzende uitdrukking, maar het diepzinnige scheen zich in eene vriendelijke opgeruimdheid op te lossen. Ter linkerzijde van de Godin rustte het schild vreedzaam staande, niet meer krijgshaftig opgeheven. De lans was niet langer strijdvaardig in hare hand geklemd. Niet als kampioen verscheen zij meer doch wel als overwinnares. Op hare uitgestrekte rechterhand droeg zij eene gevleugelde zegegodin, evenals men eene duif of valk draagt. De gevleugelde zegegodin bood haar een van goud stralenden krans aan. Onder de bescherming van het schild kronkelde zich de heilige burgtslang, zinnebeeld van de eerstgeboren,[21]door de Goden bewaakte kracht van het Attische land en volk. Over de borst der Godin hing het Aegispantser13met het versteenend Gorgonenhoofd. Onder het breedgewelfde, hoog verheven sieraad van haar helm was eene Sphinx zittende afgebeeld, ter rechter en linker zijde daarvan griffioenen, zinnebeelden van diepzinnigheid, scherpzinnigheid en waakzaamheid. Nog ander verschillend beeldwerk trachtte het wezen van de Godin duidelijk uit te drukken: op de buitenzijde van het schild de strijd tegen de wilde Amazonen14, op den binnenkant de trotsche Giganten, op den rand der sandalen de ruwe Centauren; en zoo overal strijd tegen de woeste, donkere machten.Waardig welfde zich het prachtig huis over het heerlijke beeld der Godin. In eene dubbele rij liepen de schitterende zuilen, met bloemkransen feestelijk omwonden, door de tempelzalen, ze in drie schepen verdeelend. Bij de zijschepen echter vormde eene tweede zuilengaanderij boven de eerste eene bovenverdieping, een open omgang. Eene groote,vierkanteopening was er in het midden van het platte dak, dat op die bovenste zuilenrij rustte, zoodat het licht in den tempel viel, die niet van vensters voorzien was, en het beeld der Godin bescheen. Aangrijpend was deze van boven binnenstroomende heldere aether in de eerbiedwekkende en goddelijke stilte des tempels: het gemoed werd door den blik naar die licht verspreidende opening en den blauwen hemel, die zich daarboven welfde, verlicht van den overweldigenden indruk van het prachtige en grootsche pronkstuk. De valken en de adelaars, het vurig span van Helios en de donderwolken van Zeus trokken daarover heen en bij het afwisselend spel van licht en schaduw,[22]nu eens door een gouden glans, dan eens door een wit zilverlicht omstraald, dan weer in eene halve schemering gehuld, scheen het gelaat der Godin als met veranderde trekken ernstiger of zachter van hare hoogte neer te zien. In de edele majesteit van den tempel was niets, wat het oog van de Godin kon afleiden; alles voerde tot haar terug, zelfs de rij der schoon gevormde, schitterende wijgeschenken tusschen de zuilen. Niets was daar aanwezig van die verstrooide en verstrooiende pracht, waarmede andere tijden en andere volken de huizen hunner Goden trachtten te versieren. Eenzaam stond in den geheimzinnig stillen marmeren tempel, zich badend in licht en glans, het reusachtige, verheven schoone beeld der Godin.Nadat alzoo het nieuwe feesthuis van Athene door het Atheensche volk onder bezielende liederen, begeleid door fluiten- en snarenspel, der Godin was opgedragen en gewijd, en de rijke wijgeschenken aan hare voeten waren neergelegd, begon de verdeeling der prijzen aan de overwinnaars in de Panathenaeïsche kampspelen. De overwinnaars werden door de prijsrechters opgeroepen, en daar ’t eerst aan de zegevierende knapen, dan aan de jongelingen, eindelijk aan de mannen de prijzen uitgereikt werden, was ’t de veertienjarige zoon van Clinias, Alcibiades, die als overwinnaar onder de knapen, het eerst in het pas geopend Panathenaeïsch feesthuis opgeroepen werd en den prijs ontving uit de handen der rechters. Den fier en vroolijk rondzienden knaap viel eene prachtig gevormde amphora15ten deel, waarop in schitterende kleuren was voorgesteld, hoe de jonge Heracles de beide slangen verworgde. De schoone vaas was echter gevuld met olie van de heilige olijven van Pallas Athene in den tuin der Academie. Dergelijke eergeschenken ontvingen de overwinnaars in de[23]overige agonen; hun echter, die in de musische16wedstrijden de zege hadden behaald, werden gouden kransen toegekend.Toen alzoo de verdeeling der prijzen had plaats gehad, geschiedde nog onder de oogen van het volk het overbrengen van den Atheenschen schat naar het achtergedeelte van het Parthenon. Dit gedeelte hetwelk mede omgeven door de zuilen van het Parthenon, zich in westelijke richting aan de tempelzaal aansloot, was eene rondom versterkte ruimte, zonder vensters, en kon slechts door eene lamp verlicht worden; in haar geheimzinnig schemerlicht zouden de gemunte en ongemunte schat van Athene benevens kleinoodiën van allerlei aard, kostbare sieraden en pronkstukken, ook hoogst gewichtige oorkonden van den staat voortaan bewaard blijven onder het toezicht van den schatmeester van het Atheensche volk.Onder de scharen van het volk, dat over de hoogte der Acropolis zich her- en derwaarts bewoog en den thans onthulden luister van het Parthenon bewonderde, bevonden zich ook velen, die uit den vreemde waren gekomen.Onder hen ook een Spartaan.Toen deze de nieuwe tempelzaal wilde betreden, werd hij door een Atheensch jongeling, die hem reeds eenigen tijd met wantrouwende blikken had vervolgd, bij den schouder gegrepen, terwijl hij hem toeduwde:„Weg van dezen drempel! Doriërs is het verboden hier binnen te treden!”Inderdaad ontzegde eene oude orakelspreuk aan mannen van den Dorischen stam de heiligdommen op den burg te Athene te betreden. En althans tegenover verklaarde vijanden van Athene herinnerde men zich soms deze orakelspreuk. Toen nu eene groote menigte volks zich om denSpartaandrong en de Atheensche jongeling de schampere[24]woorden herhaalde, trok alles partij tegen den vreemdeling en werd hij gedwongen den burg te verlaten.Zoo flikkerde, zij het ook slechts in eene enkele bliksemflits, voor een oogenblik, zelfs bij het feest des vredes, de vijandschap, die de beide groote Hellenenstammen sedert overoude tijden verdeelde, onheilspellend in het zwerk …Doch er was ook een Athener op de Acropolis, die op het feestgedruisch, dat bij het nieuwe Parthenon heerschte, met blikken van wrok en afgunst neerzag. Deze Athener was Diopithes, de priester vanErechtheüs.Wel is waar was naar oud en onveranderlijk gebruik de peplos naar het Erechtheüm gebracht en aan het houten beeld van Athene Polias opgedragen; maar dit was vluchtig en zonder feestelijk gerucht geschied; naar den nieuw gebouwden tempel, het priesterlooze feesthuis van Pallas Athene had het verzamelde volk der Atheners zich heengewend. Niet het uit den hemel neergedaalde Palladium der stad Athene, niet de Godin van zijn heiligdom, maar het ijdele pronkbeeld van Phidias hadden de Atheners hunne hulde bewezen. Voor de voeten van deze nieuwe Pallas Athene, niet in zijn tempel, waren de kostbare wijgeschenken nedergelegd. De Goden van het Erechtheüm waren vertoornd en hun priester met hen …Evenals op dien dag, toen Pericles en de verkleedde Aspasia in gezelschap van Sophocles op de hoogte van de Acropolis hadden gewandeld, om de grondslagen te zien leggen van den luister, die thans zich vertoonde, stond ook nu Diopithes in gesprek met zijn vertrouwde aan de poort van het Erechtheüm. En zie, evenals toen, terwijl hij met Lampon mokkend en spijtig over de bedorvenheid der tijden sprak, zag hij ook thans plotseling den gehaten man met dezelfde Aspasia over de hoogte van de Acropolis wandelen, vergezeld van Phidias, Ictinus, Callicrates, Sophocles, Socrates en anderen van die uitnemende Atheensche mannen,[25]die met Phidias de Homerische zinspreuk in hunne banier hadden geschreven:„Pallas Athene gedoogt geen vrees in mij!”Toen namelijk het uur voor het groote feestmaal was gekomen, waarbij het vleesch van de honderd runderen der hecatombe en de overblijfsels der vóóroffers aan het volk gemeenschappelijk werd aangeboden, bevochtigd door de rijkelijke gaven van Bacchus, wandelde die uitgelezen schaar op de thans stille Acropolis rond, om ongestoord het voltooide werk in oogenschouw te nemen.Het gelaat van Phidias was heden niet ernstig en gerimpeld, als anders; een opgeruimde glans straalde over zijn hooggewelfd voorhoofd.Ten hoogste verheugd sprak Pericles, hoe hij, na het begin en het allengs vorderen van al deze werken te hebben nagegaan, thans, na eene afwezigheid uit Athene van een jaar, verrast was door een voltooid werk, welks luister hij niet had kunnen vermoeden. En wederom roemde hij, hoe zooveel heerlijks in zoo’n kort verloop van jaren voltooid en als ’t ware voortgekomen was uit één enkel hoofd.Doch Phidias zeide, dat niet door het hoofd alleen, maar door de duizende kunstvaardige handen, die dat hoofd ten dienste hadden gestaan, het wonder was geschied. Zij hadden ook eigenlijk niet één hoofd, maar één geest gediend, die in de schoonste harmonie allen bezielde.Terwijl de mannen alzoo in blijde, opgewekte stemming de sierlijkheid der nieuwe scheppingen als met een vreugde-dronken oog genoten en hunne gewaarwordingen in woorden lucht gaven, zag men Aspasia wel in gespannen aandacht, met fonkelenden blik en gloeiende wangen, doch zwijgend de werken van Phidias, Ictinus en de overige kunstenaars beschouwen.Haar zwijgen bevreemde zelfs Phidias, den grootsten zwijger onder de mannen, en hij sprak eindelijk[26]met den hem eigen ernstigen glimlach, zich tot Aspasia wendend:„Als mijn geheugen mij niet bedriegt, wordt sedert lang de schoone Milesische te Athene door velen als de hoogste rechter beschouwd in alle zaken, de kunst betreffende. Ook heeft zij, voor zoover ik mij herinner, nooit geschroomd haar oordeel uit te spreken. Hoe komt het, dat zij, eene vrouw, ons mannen heden door haar stilzwijgen beschaamt?”Aller blikken waren vol spanning op Aspasia gevestigd en ieder hechtte voor zichzelven de grootste belangstelling aan de vraag van Phidias.„Terecht,” sprak Aspasia, „herinnert gij er aan, o Phidias, dat ik eene vrouw ben! Uit dien hoofde ben ik niet zoo spoedig gevat als gij, mannen, en is in mijn gedachtengang minder strenge orde en geleidelijkheid. Bewegelijk is het gemoed der vrouw en gij moogt wel toezien, dat gij niet te veel waagt, als gij mij, eene vrouw, de eenige van mijn geslacht, naar het schijnt, het recht toekent om vrij te denken en vrij te spreken. Hier staat de nieuwe, heerlijke tempel, groot als een berg en schoon als een bloem, en welk eene volheid van het volkomene is daarmede tevens voor onzen blik ten toon gespreid en onthuld! Dat alles is zoo bevallig in zijne waardigheid, zoo diepzinnig in zijne natuurlijkheid, zoo menschelijk in zijne goddelijkheid, dat ieder mannelijk gemoed daardoor in een toestand van hoogste tevredenheid en volkomen voldaanheid moet gebracht worden. De aard der vrouwen echter is, evenals die der kinderen, dat, als zij met de ééne hand het gewenschte voorwerp aannemen, zij de andere reeds naar iets anders uitstrekken en het oog wellicht reeds op een derde voorwerp richten. Ware ik een man, ik zou mij in dit oogenblik tevreden stellen, in geestvervoering Phidias als den eersten, als den grootsten van alle Hellenen te prijzen. Als vrouw echter heb ik nog een onvervulden wensch, ja zelfs eene aanklacht tegen u uit te spreken. Vreest gij niet den toorn[27]der gouden Aphrodite, o Phidias? Gij schijnt mij toe steeds slechts het hooge, het reine, het goddelijke te zoeken, om het in menschelijke gestalte te belichamen; en ware het goddelijke niet toevallig altijd tevens schoon, gij zoudt, geloof ik, u om het schoone niet bekommeren. Want nooit zoekt gij het; en wat de zinnen bekoort, het hart ontvlamt, vindt geen weerklank in uwe ziel. De bekoorlijkheid van het vrouwelijke om haar zelve voor te stellen, zooals de dichters het doen in hunne geestdrift, als zij van Aphrodite zingen, versmaadt gij. In een heiligen ernst is steeds uw gemoed verzonken, en uwe ziel zweeft, den adelaar gelijk, alleen boven de toppen der bergen. O Eros, hebt gij geen pijl voor dezen? Waarom, o Cyprische Godin, slaat gij dezen niet in uwe gouden ketenen, opdat hij zijn beitel aan uwe bekoorlijkheid wijde, opdat ook door hem eindelijk uw innigste wezen zoo openbaar worde, als door hem het diepste wezen zijner Godin Pallas Athene openbaar is geworden in dit goddelijk beeld?”„Inderdaad,” zei Phidias, „heb ik tot nu toe tegen Eros’ peilen en Aphrodite’s boeien beschutting gevonden onder het schild van Pallas Athene, en haar heb ik het wel te danken, dat mijne kunst niet weekelijk en verwijfd is geworden. Beschuldig overigens de Lemniërs, o Aspasia, wanneer ik ook nu, nadat ik juist het beeld der jonkvrouwelijke Godin voor het Parthenon voltooid heb, mijne kunst niet aan de gouden Aphrodite kan wijden. Want het is geen Aphrodite, wat de Lemniërs van mij verlangen, maar een metalen beeld van die zelfde Pallas Athene vragen zij mij reeds langen tijd dringend voor hen te vervaardigen.”„Wat gij daar zegt,” hernam Aspasia na eene korte pauze, waarin zij over het gezegde van Phidias had nagedacht, „vervult mij met grooter verwachting dan gij zelf denkt! Ik vernam heden hoe Pericles tot het volk sprak, er op wijzende hoe men van het onaanzienlijke, vormelooze houten beeld opgeklommen was tot de geweldige Athene[28]Promachos en van deze tot de jonkvrouw van het Parthenon. Wie zou nu niet gelooven, dat ook de Pallas der Lemniërs weder uit zal munten boven de jonkvrouw van het Parthenon? Wie zou er aan twijfelen, o Phidias, dat, hoe meer gij schept, des te warmer en te schitterender onder uwen tooverstaf de „vuurbron” des levens en der schoonheid uit het marmer of het metaal zal te voorschijn komen? Nadat gij de in de eerste gelederen strijdende manvrouw en de diepzinnige jonkvrouw gebeiteld hebt, wat blijft u nu overig dan de vrouw?”„Of ik voorwaarts ga,” hernam Phidias, „dan wel van den rechten weg afwijk, als ik naar de inblazingen eener schoone vrouw luister, weet ik niet. Doch wat gij verlangt, schijnt op mijn weg te liggen.”„Gij aan wien geen Hellenenvrouw hare bekoorlijkheid zou ontzeggen,” vervolgde Aspasia, „moet de vrouw voorstellen en hare bekoorlijkheid, en verkondigen als het hoogste en laatste aan het Grieksche volk: „alleen in het kleed der schoonheid zal de wijsheid alle harten veroveren!”Zoo onderhield zich Aspasia met Phidias. Pericles echter begon nu met Ictinus en Phidias het plan van de grootsche voorzalen te bespreken, die aan het werk van den burgt aan de zuidzijde de kroon zouden opzetten en die, naar de meening dezer mannen, niet minder verheven en prachtig zouden worden, dan het Parthenon zelf. Steeds van nieuws af aan keerde men vol aandacht en genot naar het voltooide terug, naar de beeldwerken, naar de heerlijke wijgeschenken. De werken van den een of anderen leerling van Phidias, op de gevels of friezen prijkend, werden beoordeeld: hier werd Alcamenes geprezen, daar Agoracritus, en zoo ieder der tallooze beeldhouwers, die met vurigen ijver aan dit meesterstuk hunne krachten hadden gewijd.Nu echter voerde Phidias Pericles en allen, die om hem waren, naar het werk van den peinzenden[29]zoon van Sophroniscus, naar de groep der Chariten, die de waarheidzoeker als wijgeschenk voor de Acropolis had vervaardigd.Zij zagen de drie jonkvrouwen in marmer gebeiteld, elkander omstrengelend, gelijkend op elkander en toch wederom van een verschillend karakter. Bekoorlijk was de eene gebeiteld, edel en gestreng de andere, peinzend de derde.Toen de beschouwers zich over deze verscheidenheid verwonderden, zeide de beeldhouwer met eene uitdrukking van lichte droefheid op het gelaat:„Ik meende, dat gij u over deze verscheidenheid niet zoudt verbazen, integendeel dat gij ze ten volle natuurlijk zoudt vinden. Waarom zou men een drietal van Chariten aannemen, zoo zij alle drie geheel gelijk waren en hetzelfde uitdrukten? Ik deed mijn best, om den diepen zin van deze trits na te sporen en ik twijfelde niet of drie verschillende eigenschappen moesten zich in het wezen der Charis vereenigen. Maar het gelukte mij niet te weten te komen, welke de drie verschillende bestanddeelen der Charis waren, totdat Alcamenes ons bij de schoone Theodota bracht. De schellen vielen mij als ’t ware van de oogen, toen de Corinthische achtereenvolgens in haren dans Aphrodite, Hera en Pallas voorstelde. Wat is het karakter van Aphrodite anders dan het lichamelijk schoone? Wat het karakter van Hera anders dan het schoone naar de ziel, of het goede, het zedelijke? En wat heeft het karakter van Pallas anders dan het geestelijk schoone of het ware? En zoo ervoer ik toen, dat lichaam en ziel en geest te samen moesten werken om het volkomen wezen der Charis uit te drukken …„Dat was het, wat ik toen van Theodota leerde en verzweeg, toen gij daarnaar vroegt; want ik voelde mij gedreven, niet in woorden, maar in een beeld, evenals Phidias, den indruk van mijn geest levendig voor te stellen. Maar het is mij niet gelukt. Want ware het mij gelukt, dan zou deze verklaring niet noodig zijn geweest. Ik heb mij van het[30]marmer bediend en toch moest ik tot woorden mijne toevlucht nemen. Gij echter, o Aspasia, behoeft geen woorden, om mij uw oordeel kenbaar te maken; want ik lees het in uw blik!”„En wat leest gij dan?” vroeg Aspasia.„Gij zegt mij: keer terug, o droomer, van de beelden en levendige vormen tot de gedachten, begrippen en woorden!—Ik wil het doen! Ik wil van dezen dag af den beitel uit de hand leggen of liever hem zelven, in plaats van een werk mijner hand, aan de wijze Godin aanbieden als wijgeschenk. En dit beeld mijner gebrekkige kunst wil ik in stukken slaan, tevreden, als de gedachte leeft, die het geschapen heeft en als het, in plaats van in dood marmer belichaamd wordt in den geest, het gemoed en het leven der Atheners!”„Wijd gij gerust, o Socrates,” zeide Pericles, „uw beitel aan de Godin als wijgeschenk, om voortaan alleen te volvoeren, wat uwe ware roeping is en wat niemand zoo goed verstaat als gij. Maar dit wijgeschenk moet niet verbrijzeld worden; zij het ook minder met kunstenaarshand dan door den geest van den wijze gevormd, toch stelt deze groep de schoonste bestemming van den Helleenschen geest voor oogen: lichaam, gemoed en geest vereenigd in de hoogste harmonie tot den schoonsten bloei der Charis! Edeler kan ons aller trouw streven niet uitgesproken, waardiger niet aangespoord worden tot nieuwe werkzaamheid en scheppingskracht!„Hier voor dit beeld is het de plaats elkander de hand te reiken tot vernieuwing van het bond, dat ons allen vereenigt. Hier ook is het, naar mij dunkt, de plaats, hier voor het beeld der Chariten, onze edele Aspasia te danken voor datgene, wat zij in vereeniging met ons heeft volbracht, niet zoozeer door hare woorden aansporende, als wel door den gloed, die er van haar wezen uitstraalde, ons onmiddellijk ontvonkend.—Want haar wezen, gij weet het allen, dringt als een lichtstraal tot in de gemoederen door en doet altijd iets nieuws[31]en schoons ontbranden. Vorm uwe Pallas, o Phidias, naar haar beeld! Want zij zegt het u niet alleen, zij heeft het aan u en aan ons allen met der daad bewezen, dat de wijsheid onoverwinnelijk is in het kleed der schoonheid!—„Vluchtig is anders het spoor van het schoone,” ging Pericles voort: „het komt en gaat als de straal van het gesternte, als de bevruchtende regenwolk. Maar de onvergelijkelijke bekoorlijkheid, die er van Aspasia’s wezen uitstraalt, zal ons als een kostbare schat steeds bijblijven. Niet meer eene vreemdelinge ziet gij voor u, op wie men ongestraft zijne hatelijke pijlen kan afschieten of die men mag beschimpen met onteerende namen. Zij is van dezen dag af mijne wettige gemalin. In vrede is de echtverbintenis, die mij met Telesippe vereenigde, verbroken. In hare plaats heerscht voortaan Aspasia als meesteres aan mijn huiselijken haard. Ik weet, dat de Athener met onvriendelijk oog den medeburger beschouwt, die eene buitenlandsche vrouw als wettige gade zijn huis binnenvoert. Ik weet, dat onze wet den spruiten uit zulk een echt zelfs het Atheensche burgerrecht weigert. Toch heb ik Aspasia tot vrouw genomen. Doch het is eene verbintenis van geheel anderen aard, die ik met haar sluit; een nieuwe vorm van den echt zweeft ons beiden voor den geest, zooals hij tot nu toe—ik weet niet of de schuld aan de mannen of aan de vrouwen ligt—nog nooit verwezenlijkt is. Groote verandering heeft onze staat in den laatsten tijd ondergaan: wanneer nu het algemeene leven zich vernieuwt, waarom zou dan ook niet het burgerlijke, het huiselijke naar eene wedergeboorte streven? Voor mij en deze vrouw zal de huidige dag, die het Atheensche volk op zijn glanspunt heeft getoond, te gelijkertijd een keerpunt zijn en een hoogtij van ons persoonlijk lot. Athene en geheel Hellas streeft onder een nieuw gesternte nieuwe doeleinden te gemoet; wij beiden doen hetzelfde in den engen kring van het huiselijke leven. Hier, evenals daar,[32]is de drijvende geest, gemoed en gedachte dezelfde. En hier als daar zal, naar ik meen, het gelijke zich op gelijke wijze openbaren!”„Het Parthenon! Het Parthenon!”...„Het Parthenon! Het Parthenon!”…Voordat een der vrienden de aandoening, die door deze woorden van Pericles bij allen te weeg gebracht was, in woorden lucht kon geven, greep Aspasia de hand van haar nieuwen gemaal en sprak:„Het is zooals gij zegt, o Pericles; ik heb mij de kracht des woords noch de diepte der wijsheid aangematigd. Als ik in vereeniging met u iets heb tot stand gebracht, dan was de werking, die van mij uitging, die der vrouwelijkheid alleen, wie het voor de eerste maal vergund was zonder de boeien der geslachts zich vrij en ongedwongen te uiten. Ben ik een apostel, dan ben ik die der vrouwelijkheid. Wellicht moet uit de vrouwelijkheid de wereld, die tot nu toe in de boeien der ruwe mannelijkheid was, herboren worden, om ieder overblijfsel van barbaarschheid van den vroegeren tijd weg te nemen. En als eene vrouw van den Ionischen stam ben ik ondanks mij zelve, de voorvechtster van het Ionische karakter tegenover den ernstigen, strengen geest van den Dorischen stam, die de schoonste bloesems van het Helleensche leven verstikken zou, als hij de overwinning behaalde. Wee den schoonen Goden van Hellas, als hij ooit in de wereld de overhand krijgt!—Ben ik inderdaad geroepen en machtig voor eene zaak te werken en te strijden en heb ik mij, zooals gij zegt, altijd beijverd bij de meesters der beeldende kunst, om het schoone en het vrouwelijke te bevorderen, dan zou ik voortaan, ook in andere richtingen des levens mij bewegend, een openlijken krijg willen verklaren aan ieder vooroordeel, aan elke onzinnige overlevering, aan iedere bekrompen of ongezonde levensbeschouwing, aan iedere den mensch onwaardige denkwijze. Ik zal, naar bondgenooten zoekend, mij tot de leden van mijne kunne wenden. Zij zullen naar mij hooren, want ik ben de gade van Pericles den Olympiër!”[33]Zoo sprak Aspasia. De vrienden luisterden naar hare woorden vol aandacht en namen hartelijk deel in haar geluk.Ook deErechtheüs-priestervernam die woorden in het schemerlicht, achter de zuilen verborgen. Zijne lippen trilden en plooiden zich tot een hoonenden lach. Een vurige blik van den innigsten haat bliksemde in zijn oog en viel op de Milesische.In bezielde taal begonnen nu de vrienden hunne blijdschap te betuigen en prezen de voornemens van het edele paar.Alleen Socrates zweeg nog, zooals hij dikwijls uit bescheidenheid deed, wanneer hij zich in een kring van uitgelezen mannen bevond.Toen vroeg Pericles aan den mijmerende met vriendelijken glimlach:„Wat denkt onze wijsheidsvriend van het bond, dat hier ten aanschouwe zijner Chariten is gesloten?”„Mij is slechts dit ééne helder,” antwoordde de zoon van Sophroniscus, „dat ons Athene de gezegendste zal zijn onder alle steden der bewoonde wereld. Al het andere is mij onbekend en in duisternis gehuld. Maar wij willen in alles het beste hopen van de gunst van den albesturenden vader Zeus en zijne onvolprezen dochter Pallas Athene.”1Clytaemnestra, de echtgenoote van Agamemnon, hevig op hem verbitterd om den gewelddadigen dood van hunne dochter Iphigenia,vermoordde den zegevierenden held, toen hij in zijne vaderstad Mycenae was teruggekeerd. Dit onderwerp wordt in Aeschylus’ „Agamemnon” behandeld.↑2Dejanira, de dochter van den Aetolischen koning Oeneus, gade van Heracles, had het bloed van den veermanNessusopgevangen, toen deze terwijl hij haar de rivier Euënus overzette en zich ongepaste vrijheden met haar veroorloofde, door Heracles met een der in het gif der hydra gedoopte pijlen was doorschoten.—Nessus gaf haar stervend den raad dit bloed te bewaren, daar het een onfeilbaar middel was om zich altijd de liefde van haar man te verzekeren. Toen de held later in liefde ontbrandde voor de schoone Iole, zendt Dejanira hem een prachtig gewaad dat zij met het bloed van den stervenden veerman had bestreken. Toen het kleed warm is geworden kleeft het aan zijn lichaam en brandt hem tot in het merg; de held richt met uiterste krachtsinspanning een brandstapel op, legt zich er op, Philoctetes en zijn vader steken dien aan en de held verbrandt onder de hevigste smarten; als heros werd hij onder de onsterfelijke Goden opgenomen.↑3Hippische kunst is de rijkunst. (Hippos = paard).↑4Hephaestus, zoon van Zeus en Hera, de God des vuurs, komt overeen met den Romeinschen Vulcanus. De feesten te zijner eere op Lemnos, te Athene en elders gevierd, heeten: hephaisteia.↑5Bijnaam van Poseidon; omdat hij met zijn drietand de aarde schudt heet hij Enosigaios en Seisichthoon, de aardschudder.↑6De Giganten (reuzen), een reusachtig, wild geslacht werd door de Goden, vooral met de hulp van Heracles, na vreeselijken strijd, verdelgd. Hyginus geeft hun getal als vierentwintig op. Bij Hesiodus komen zij voor als zonen vanGaea(de Aarde) en Ouranos (den hemel.)↑7Taxiarchos is in de eerste plaats: de aanvoerder van eene legerafdeeling voetvolk (taxis), de overste, ten tweede bijzonder te Athene de aanvoerder van die afdeeling voetvolk, die iedere phyle in het veld moest brengen.↑8De zoogenaamde Eupatriden, door Theseus, naar men zegt als eerste stand ingevoerd, men kan ze vergelijken met de Romeinsche Patriciërs.↑9Athene was na Clisthenus in tien phylen verdeeld; deze phylen waren wederom in demen, districten, gesplitst.↑10De Godin der overwinning.↑11Iris, de dochter van Thaumas en Electra, is, naast Hermes, de bodin der Godin, vooral van Hera; bij de oudere Grieken ook die van Zeus. Zij wordt ook geïdentificeerd met den regenboog, dien de Grieken dan ook Iris noemden.↑12Wedstrijden: dus kampstrijden met paarden en wagens.↑13Aegis (Aigis) is eigenlijk een geitenvel; ook het door Hephaestus vervaardigde schild van Zeus.↑14De Amazonen waren krijgshaftige vrouwen, die geen mannen onder zich duldden. Er worden drie Amazonen-volken vermeld; het eerste woonde aan de kusten van de Zwarte zee, den Caucasus en de rivier Thermodon. Haar koningin Hippolyte werd door Heracles gedood. Nog worden eene koningin Penthesilea vermeld, die Priamus hulp bracht tegen de Grieken en Thalestris, tijdens Alexander den Groote. Ten tweede de Scytische en ten derde de Afrikaansche Amazonen, met hare koningin Myrina.↑15Eene vaas of kruik, met nauwen hals en twee ooren, meestal van aardewerk vervaardigd, soms van glas, naar beneden spits toeloopend; doorgaans werd zij voor wijn gebruikt, doch ook voor honig, olie enz.↑16Onder „musische” kunst verstonden de Grieken niet uitsluitend de toonkunst maar alles wat fijne, kunstige of wetenschappelijke vorming betreft.↑
[Inhoud]ASPASIAXIV.DE PANATHENAEËN.Wanneer het vaderland een groot man eert, de geheele wereld hem viert, wanneer op al zijne paden vereering, liefde, hulde hem te gemoet komen, dan is er dikwijls toch ééne plaats, waar zijne grootheid ineenkrimpt,waar hij zich klein gevoelt, waar hem koude of zelfs afgunstige oogen ontmoeten.En deze plaats is zijn eigen haard, zijn huis, de schoot zijner familie, het uitgangspunt van zijn arbeid.Ook Pericles gevoelde zich zonderling en onaangenaam aangedaan, toen hij, wien het jubelgeschreeuw van het Atheensche volk nog in de ooren klonk, na een afwezigheid van een jaar weder den drempel zijner woning betrad. Evenals den zegevierend terugkeerenden Agamemnon, ontving ook hem eene heimelijk mokkende gade.De tijding, dat Aspasia in het gezelschap van Pericles te Milete geweest was, dat zij op de terugvaart zich aan zijne zijde had bevonden, was tot Elpinice’s ooren doorgedrongen en uit den mond harer vriendin had Telesippe het vernomen.De vrouw van Pericles dacht er niet aan zich op den terugkeerenden echtgenoot te wreken, zooals[6]Clytaemnestra1op den terugkeerenden Agamemnon, noch door een vergiftigd Nessus-kleed2hem in het verderf te storten, zooals Dejanira den ontrouwen Heracles had gedaan. Zij dacht kleingeestig, kleingeestig was haar wrok, kleingeestig haar haat en kleingeestig ook haar wraak.Dat Pericles vóór Samos overwonnen, dat hij het schip van den vijandelijken veldheer in den grond had geboord, wat baatte het hem tegenover de Erinnys, die aan zijn haard haar zetel had opgeslagen? Terwijl de agora van zijn roem weergalmde, moest hij in zijn eigen huis de kleingeestige, kijvende taal, den smadelijken afgunstigen blik van Telesippe verdragen.En Elpinice? Zij sprak tot Pericles, toen zij hem voor het eerst na zijn terugkeer ontmoette:„Schaam u, Pericles! Mijn broeder Cimon heeft over de Perzen, over barbaren gezegevierd, gij echter hebt Hellenen-bloed vergoten en laat u verheerlijken als de onderdrukker van uw eigen stamgenooten.”—Zonder heftig op te stuiven, zwijgend, zooals het zijne gewoonte was in den omgang, doch niet zonder ernstige overweging en fiere plannen, liet Pericles den tweestrijd, die met de verschijning van Aspasia zijn hart had bestormd, der beslissing te gemoet snellen. Hij had in den beginne gemeend, dat het gemakkelijk zou zijn de rechten der geliefde gescheiden te houden van de rechten der gade. En had Telesippe zelve dit niet geloofd? Had zij niet met verachting op de Milesische hetaere[7]neergezien, die wel is waar het hart van haar echtgenoot had veroverd maar die toch haar heerschappij aan den huiselijken haard moest laten, haar, de wettige gade? Had zij niet de vreemde van den drempel des huizes verdreven en had deze niet voor haar moeten wijken?Maar de zaken waren veranderd. Pericles zelf was niet meer, die hij geweest was. De gedachte aan eene echtverbintenis van een anderen aard was niet te vergeefs als een gloeiende vonk in zijne ziel geworpen.De dagen, waarop het grootste van alle Atheensche feesten gevierd zoude worden, waren teruggekeerd.De bevolking der landelijke vlekken stroomde naar de stad; want het feest was, wat zijn naam uitdrukte en wat het zijn moest naar de gedachte van zijn stichter Theseus, een steeds vernieuwd verbroederingsfeest van het gansche Attische volk. Maar ook van heinde en verre, uit de verbonden steden en eilanden, uit de koloniën, ja uit geheel Griekenland kwamen de gasten.Nog nooit echter had Athene eene zoo groote menigte van burgers en vreemdelingen binnen zijne muren verzameld gezien. Want ditmaal voegde zich bij de aantrekkelijkheid, die het vieren der Panathenaeën steeds had geoefend, de begeerte om het schoone Parthenon dat voor de eerste maal geopend werd, het van goud en ivoor stralende standbeeld van de Pallas Athene van Phidias onthuld te zien.Gedurende verscheidene dagen hadden de gewone wedstrijden plaats vóór den aanvang van den grooten feestelijken optocht. In de vallei aan den Ilissus streden de jonge helden uit de Atheensche worstelschool om den prijs. Eerst worstelden de uitnemendste knapen, dan de dapperste jongelingen, vervolgens de krachtigste mannen in alle soorten van den Helleenschen worstelstrijd. In den wedkamp der knapen overwon ook ditmaal de pleegzoon van Pericles en de lieveling van alle Atheners, Alcibiades, echter tot ergernis van Telesippe,[8]die den knaap haatte, omdat hij hare beide minder begaafde, weinig belovende zonen, Paralus en Xantippus, geheel en al in de schaduw stelde.Hoe bruischt het bloed in de aderen van den jeugdigen overwinnaar, terwijl hij alle overige wedstrijden mede aanzag, waaraan hij echter tot zijn leedwezen slechts als toeschouwer, niet als mededinger om den prijs, mocht deelnemen! Met welk een afgunst zag hij, in geleide van Pericles buiten de stad gekomen op de vlakte, die westwaarts van den Piraeüs gelegen was, het opdwarrelende stof vochtig worden door den dampenden adem der rennende rossen! Hoe bewonderde hij den kampioen in de hippische3kunst, staande op den met vurige rossen bespannen wagen, op elke kar naast den menner de met helm en schild gewapende strijder, die, terwijl het span in toomelooze vaart door de renbaan stoof, er af sprong en in krachtigen loop een eind met de kar om ’t hardst liep, om dan met even zekeren sprong weder op den wagen te recht te komen!En hoe voelde de knaap zich door den beroemden wapendans der jongelingen medegesleept! Hoe fonkelde zijn oog bij dit krijgshafte spiegelgevecht toen de jongelingen op de maat der muziek allerlei krijgsbewegingen maakten, alle soorten van aanval, van verdediging, van ontwijken beproefden, in den danspas en onder begeleiding van den rhythmus der tonen, waarbij in de maat met de zwaarden tegen de opgeheven schilden geslagen werd, zoodat de heldere klank van het metaal vereenigd met de tonen der muziek, soms ook met het gezang van krijgsliederen, eene soort van strijdlustige stemming en vervoering ook bij den toeschouwer opwekten! Toen nu zelfs de jonge Alcibiades, door deze vervoering aangegrepen, de bewegingen der zwaarddansers begon na te doen en van begeerte scheen te branden, zich in hunne rijen te mengen, moest Pericles aan het verhaal van Artemidorus[9]denken en aan het tooneel toen de Milesiër zijn zoon Chrysanthes op den Tmolus plotseling zag aangegrepen van den waanzin der Corybanten. En waarlijk, dit gewoel van den wapendans zou aan de rijen der Corybanten hebben kunnen herinneren, zoo daar niet alles wild en huiveringwekkend, hier niet alles in plechtige en edele maat zich aan het oog vertoond had.Maar ook de nacht had zijn feest: den grooten fakkelwedloop, waarmede de Atheners hunne Goden des lichts: Hephaestus4, Prometheus en Pallas Athene plachten te vereeren. Alleen de schoonste en kloekste jongelingen van Athene werden tot den wedloop toegelaten. Het kwam er op aan de fakkels brandende aan den eindpaal te brengen: wiens toorts onder den loop uitging, moest uit de rij treden. Wie langzaam liep, om de vlam aan te houden, werd door de levendige spottende kreten van het volk tot spoed gedreven.De Atheensche stammen kozen uit hun midden de schoonste grijsaards, de statigste mannen, om den grooten feestelijken optocht op te luisteren en zij waren in hunne keuze zeer streng. Uitgelezen ook waren de jongelingen en jonkvrouwen, die aan den optocht deelnamen; alleen kon bij de bloeiende jeugd de keuze minder streng zijn, dan bij de ouderen en grijsaards, om aan het oog slechts welgemaakte, schoone en edele vormen te toonen.Onder de wedstrijden behooren ook de kunsten der Muzen.Pericles was het geweest, die, elke soort van voortreffelijkheid met gelijke warmte aankweekende en bevorderende, ook het spel van snaren en fluiten en danskoren in den kring der wedkampen bij de Panathenaeën had opgenomen. Want onder de ambten en waardigheden, die hij bekleedde, behoorde[10]ook dat van leider der openbare spelen en feesten te Athene.Toen nu de dag van het eigenlijke feest aanbrak, waarop de zoogenaamde peplos naar oud gebruik aan de schutsgodin Athene in hetErechtheümgebracht en de overwinnaars in de Panathenaeïsche wedstrijden in het nieuwe Parthenon gekroond zouden worden, werd de feeststoet in de wijk der Ceramicus in orde geschaard.De geheele wijk wemelde van drommen, die zich naar de vereenigingsplaats begaven. Dit vereenigingspunt leverde echtereeneven levendig, bont en schitterend tooneel van verwarring op. Hier stond het ten offer bestemde, schoon gehoornde rund in zijne volle kracht, daar ontlaadde zich de vurige, sterke, stalen aard der fiere rossen, als ’t ware electrisch, in een vonkenspattenden hoefslag. Nevens de ongeduldig steigerende rossen stonden jongelingen, die hen met krachtige hand aan de schitterende teugels hielden of bezig waren hen op te toomen of ook in kunstige wendingen hunne snelheid te beproeven. En zoo verkwikte zich thans het oog aan levendige groepen, aan beelden van kracht en welgemaaktheid.Het bonte kluwen ontwarde zich. De feeststoet begon zich in orde te scharen. Nadat dit geschied was, zette hij zich onder de muziek van trompetten, fluiten en snareninstrumenten in beweging. Vooraf ging de hecatombe der offerdieren, honderd uitgelezen, schitterende runderen, bestemd om op de Acropolis ter eere van de Godin geslacht te worden en vervolgens tot feestmaal te dienen: prachtige dieren, met vleezigen, sterken nek, laag afhangende kwabben, de horens als de beide armen eener lyra schoon gekromd, met bloemkransen getooid en aan de spits voor een deel verguld. Zij werden geleid door krachtige jongelingen, die met sterke hand de ongeduldige, weerbarstige dieren bedwongen. Rammen volgden op de runderen, niet minder schoon en sterk, met schoone horens en vachten. Achter deze dieren, benevens hunne drijvers,[11]offerdienaars en offerpriesters, gingen zij die verschillende andere offergaven droegen: offerkoeken op platte schalen, vloeibare stoffen, deels in zakken, deels in groote, schoon gevormde kruiken gedragen.Nu volgde een schitterende stoet van Atheensche vrouwen en jonkvrouwen, in rijk feestgewaad, die gouden en zilveren werken droegen, prachtige pronkvaten, welke het geheele jaar door op eene daarvoor bepaalde plaats bewaard en bij zulke feestelijke gelegenheden ten toon werden gedragen. Sierlijke korfjes, gevuld met bloemen, vruchten, reukwerk, droeg een deel der bevallig met goud versierde meisjes op de hoofden. Uit Athene’s bloeiendste dochteren gekozen, teeder en statig, bekoorlijk en waardig te gelijk, verrukten deze korfdraagsters ieder oog door de zedige bekoorlijkheid harer uiterlijke houding en bewegingen. Het waren knoppen, kuisch besloten, maar fonkelend van den dauw der jeugdige frischheid. Het jaar door verborgen, evenals die gouden pronkvaten, en aan het oog der wereld ontrukt in het binnenste der vrouwenvertrekken, waren zij thans als ’t ware te voorschijn gebracht om te schitteren in het licht van den feestdag. Het heerlijke feest onthulde, wat anders voor de blikken verborgen was; het onthulde, ontketende alles, wat schoon en schitterend was. Heden schoot de God der liefde zijne schichten, heden ontmoetten elkander de blikken van bekoorlijke jonkvrouwen en jongelingen, begeerig naar liefde. Jeugdige ongedwongenheid werd getemperd door de aangeboren bekoorlijkheid, die hare stralen vrij en vroolijk rondom zich verspreidde.Achter deze schitterende offergaven werden de nog heerlijker wijgeschenken gedragen, wier getal nooit grooter geweest was dan thans: prachtig vaatwerk, fonkelende gouden en zilveren schilden, drievoeten van den bekoorlijksten vorm, rijkelijk versierd, ook beeldwerken van de hand der beste meesters. Dat alles, openlijk gedragen, schitterde oogverblindend in de stralen der zon.[12]Aan den stoet van jonkvrouwen sloten zich de liefelijke, teedere, nog kinderlijke meisjesgestalten der Arrhephoren aan, in den feestdos, dien zij bij hare heilige verrichtingen op de Acropolis gedragen hadden en onder haar de lieve, kinderlijk vrome, moedige Hipparete.Nu volgden de dragers en geleiders van die geschenken en offers, die aan de Godin van de Atheensche koloniën of van de met Athene verbonden steden en eilanden gebracht werden.Nu echter kwam eerst van alle wijgeschenken het belangrijkste, het glanspunt van den geheelen feeststoet, het groote, rijke, prachtige weefsel, de peplos. Niet door menschenhanden werd het gedragen: als een zeil was het over een soort van prachtschip gespannen, dat in den feesttrein zich op raderen voortbewoog. Dit gevaarte, een werk van buitengewone schoonheid en grootte, moest het niet in de rijen, die de Atheensche grootheid en macht te kennen gaven, aan de heerschappij ter zee der Atheners herinneren en aan den zeegod tegelijk, wiens eeredienst sinds overoude tijden in verband stond met dien vanErechtheüsen Pallas op den burg? En dat de peplos in plaats van het prachtschip hoofdzaak was geworden in den optocht der Panathenaeën, herinnerde het niet aan de overwinning van de Godin des lichts Pallas Athene in den kamp met den donkeren drietandzwaaier5. Het aandeel door de Godin des lichts aan den strijd der Goden tegen de Giganten6genomen, was voorgesteld in schitterend goudstiksel, kunstig op den purperen of saffraan-gelen grond van het weefsel aangebracht. Boven den mast van het prachtschip uitgespannen, zag men eene afbeelding van dien kamp der lichtgoden tegen de ruwe natuurmachten in goud weefsel voorgesteld,[13]die hoog in de lucht zich verheffend, het volk heinde en verre duidelijk tegenschitterde in den glans der zon.Achter het prachtschip met de peplos liepen de overwinnaars in dePanathenaeïschewedstrijden, met fieren tred: de citherspelers en fluitblazers met hun muziekinstrumenten, de overwinnaar in den fakkelloop, met de brandende fakkel in de hand, waarmede naar oud gebruik het vuur voor de groote feestoffers der Godin op de Acropolis werd aangestoken, de overwinnaars in den wedren der rossen en wagens, met hun prachtige vierspannen, op elk de menner en zijn makker met helm en schild: voorts, met olijftakken in de handen, die stoet van schoone, eerbiedwekkende grijsaards, die in den wedstrijd van mannelijke welgemaaktheid de overwinning hadden weggedragen. Als op edele voorbeelden staarde de Atheensche jongelingschap op deze mannen, met hun zilveren lokken, die eene eerwaardige schoonheid en frischheid van lichaam en ziel tot op den laten ouderdom hadden bewaard. Op hen volgde de trein der epheben, Athene’s mannelijke jeugd, slanke gestalten, donker gelokt, met vurigen blik, op de edele rossen als goed geoefende ruiters zittende. Door de strategen en taxiarchen7aangevoerd, marcheerde achter de epheben de strijdbare manschap van Athene: de zwaargewapenden en de ruiterij der Edelen8in schitterende wapenrusting op de schoonste en vurigste rossen—want te paard verscheen de rijke en voorname Athener in feestelijken optocht als in het veld—vervolgens in eene eindelooze reeks de burgerij, met de overheden aan het hoofd; het volk naar gemeenten9ingedeeld, mannen en vrouwen in feestgewaad, met myrthentakken in de hand, achter de burgers de vreemdelingen,[14]die het burgerrecht hadden verkregen, hunne vrouwen met eikentwijgen in de hand, als smeekelingen van Zeus Xonios, den God der gastvrijheid. Andere vrouwen en dochters dier vreemdelingen liepen achter de Atheensche burgeressen, wier bescherming zij genoten en droegen zonneschermen in de hand, om haar, als de trein in de brandende zon stilhield, boven het hoofd te houden of stoelen zonder leuning, klein en sierlijk van vorm, waarop hare beschermvrouwen zich dan konden neer laten.Deze stoet bewoog zich van den buiten-Ceramicus door de schoonste straten der stad, tot op de Agora, die met eikenloof bestrooid, overigens ook feestelijk was versierd: het werk der slaven voor dien dag. Hier hield de trein derhalve voor het eerst halt en het eskadron der voorname Atheners in zijne schitterende wapenrusting voerde op de ruime plaats bewegingen en manoeuvres uit, die bijna het prachtigste deel van de geheele feestviering uitmaakten.Terwijl de stoet op de Agora verwijlde, had een deel der geleiders van de offerdieren met eenige der dieren zich daarvan afgescheiden, om vooraf de beide gebruikelijke offers, het ééne op den Areopagus, het andere bij het altaar van Athene Hugieia te brengen.Nadat deze vóóroffers gebracht waren, zette zich de feesttrein met de hecatombe en het prachtschip weder in beweging. Hij nam zijn weg ook verder door de voornaamste straten en trok langs de beroemdste heiligdommen, waar men een poos stilhield, om den God te vereeren door offers of door het aanheffen van een paeän.Toen men de plaats bereikt had, waar de weg naar den heuvel van de Acropolis voerde, werd van de paarden en wagens achtergelaten, wat langs den breeden maar steilen weg den stoet niet volgen kon, of wat op de hoogvlakte van den burgt geen genoegzame ruimte zou gevonden hebben. Doch het ontbrak niet aan koene ruiters noch aan wagenmenners, die met hunne moedige paarden[15]toch in den trein bleven, terwijl zij zich zooveel mogelijk op het midden van den breeden weg hielden, omdat daar door geribd pleister het gevaar van uitglijden, zoowel voor paarden als voor raderen, verminderd was.Op de Acropolis gekomen, maakte de stoet halt tusschen het Erechtheüm en het pas voltooide heiligdom van Pallas Athene. De peplos werd in het Erechtheüm gebracht en het groote offer der hecatombe begon onder het aanheffen van een paeän voor een in de open lucht staand altaar aan de oostzijde van het Parthenon.Maar geen blik der menigte drong tot in de schemerende zaal van het Erechtheüm door, waar het overoude, houten beeld van Athene, op een met bloemen bekransten troon staande, zijne gewone schatting, de peplos, ontving. Onopgemerkt bleef ook het heilige offer: ieder oog richtte zich op de pracht van den schitterenden tempel, welks poorten zich heden voor het eerst voor de blikken van het Atheensche volk ontsloten.De eerste indruk, dien het nieuwe feestgebouw maakte, was onbeschrijfelijk. Alles was schitterend marmer, van de blokken der grondvesten tot aan de sierlijk gemetselde hoogste tinnen. En wat geen marmer was, stralend in zijne jonkvrouwelijke reinheid, was goud of heldere kleurenpracht.Van het westen naar het oosten, in een langwerpig, van zuilen voorzien vierkant, verhief zich fier en vrij de heerlijke tempel, door het zonlicht omstraald, op zijne hoogte. Edel, regelmatig in zijne afmetingen scheen hij toch van zijne geweldige fundamenten met wondervolle bekoorlijkheid schier reusachtig naar boven te streven. De grondvesten zelven met de opwaarts voerende marmertrappen verhieven zich boven het hoofd van den toeschouwer. De tempel zelf echter met zijn woud van marmeren zuilen, met het versierde beeldwerk zijner rondomloopende friezen, met de kolossale marmergroepen, vol leven, die de breede gevels als ’t ware met eene schare van heerlijke gestalten bevolkten,[16]stralend van goud en de schitterendste kleuren, hier en daar den glans van het witte Pentelische marmer doende verbleeken, scheen van de verlichte hoogvlakte als ’t ware tot de maagdelijke Godin zich te verheffen in haar rijk des lichts, den daar geheiligden aether.Niets echter boeide in deze eerste oogenblikken der beschouwing het oog des Atheners zoo zeer als de groote in kolossale marmergroepen voorgestelde tooneelen, die de breede velden der beide gevels vulden. Dit gezicht was overweldigend. Want de heerlijke gestalten, zooals zij rustend, staande, loopende, niet slechts in verheven beeldwerk, maar als standbeelden losgemaakt van den achtergrond, zich in fijn aangegeven betrekking tot elkander vertoonden, zij schenen uit hunne lijsten te voorschijn te willen treden en af te dalen onder het volk der door de Goden geliefde Atheners. Hunne houding en beweging hadden de juiste maat, maar toch waren zij vol gezond, heerlijk, bloeiend leven in zinrijke vorm afgebeeld.De Athener zag op den oostelijken gevel het oogenblik voorgesteld na de geboorte der Godin uit het hoofd van Zeus: in het midden den God, de Godin en den Titan Prometheus, die het hoofd Gods heeft gekloofd, om de Godin des lichts te doen geboren worden: van daar naar beide kanten heenspoedend met de blijde boodschap Nike10en Iris11, haar tegemoet snellend, Godinnen en heroën, die met vreugde de tijding vernemen; links in den gevel Helios met zijne vurige paarden opstijgend; rechts de Godin van den nacht met haar span nederdalend in de stroomen van Oceanus. Den strijd van Poseidon echter met Pallas Athene om het bezit en het beschermheerschap van het Attische land, bevatte de westelijke gevel: in het midden de beide strijdende godheden: de onstuimige[17]Poseidon, die zooeven met den drietand de heilige bron uit de rots heeft geslagen, tegen hem over Pallas Athene en de op haar bevel ontstane olijfboom; naast haar het hoog steigerende span voor den zegetocht; godheden en heroën van het Attische land zich bij de Godin aansluitend, bij Poseidon het gevolg zijner zeegoden. Van deze gestalten, allen meer dan levensgroot uit het marmer gebeiteld, dwaalde het oog naar de kleinere beeldwerken van den fries boven de zuilen, waar in de lange rijen der metopenvelden, kampstrijden der Grieken met woeste Centauren waren voorgesteld; vandaar door de zuilen, die rondom den tempel liepen tot aan het beeldwerk van den inwendigen fries, die den buitensten marmeren wand van den tempel omgaf. En door het gezicht daarvan begon het oog van den Athener nog vuriger te stralen, want hier aanschouwde de levendige feeststoet zijn eigen beeld, uit marmer gehouwen: tooneelen uit den optocht der Panathenaeën en wat daaraan vooraf was gegaan: afbeeldsels van schoone, zedige jonkvrouwen, van krachtige jongelingen op steigerende rossen, fier stuivende spannen en voorstellingen van hippische agonen12het overreiken der peplos en, te midden van al dat menschelijk schoone, Olympische Goden, uit hunne onzichtbare en ongenaakbare gewesten nedergedaald als getuigen van het heerlijke feest. Zoo eenvoudig, zoo onopgesmukt en edel scheen hier bij alle schoonheid iedere gestalte, dat zij uit het marmer tot het Atheensche volk voor alle volgende tijden scheen te zeggen: „Houd de schoone maat en laat uw leven steeds in zulk een edelen eenvoud, in zulk eene schoonheid en reinheid bloeien, als het hier zich aan u vertoont in de marmeren beelden uit de werkplaats van den diepzinnigen Phidias!”Ten aanschouwe van het ongeduldige volk betraden thans, nadat het offer der hecatombe was verricht, in plechtigen stoet de eerste overheidspersonen[18]van Athene de trappen van den tempel. Zij schaarden zich daar aan weerszijden van de poort. In hun midden stond Pericles en de Archon Basileus.Thans openden zich de breede, sierlijke metalen deuren des tempels. Het inwendige deed zich met zijne schitterende zuilen aan de oogen voor en Phidias’ nieuw, schoon beeld van Pallas Athene vertoonde zich in al zijn luister prijkend voor de eerste maal in de heilige schemering aan het volk der Atheners.Thans hieven de feestgenooten een lofzang aan ter eere van de Godin. Toen die klanken weggestorven waren, trad Pericles te voorschijn en sprak van de trappen des tempels aldus tot de verzamelde menigte:„In overoude tijden had Pallas Athene de volheid aller aardsche zegeningen over de wieg van het Atheensche volk uitgestort en als de geefster van de voedzame olijf, als de schenkster der voornaamste goederen, als zij, die de welvaart van het Attische land had gegrondvest en bevorderd, werd zij vereerd in dat eerwaardige, doch ruwe houten beeld van het Erechtheüm. Toen echter was de tijd gekomen, waarop Athene zich het zwaard aangordde, aan de spits van Hellas de Barbaren bekampte en, in de zegepralen gestaald, tot den bloei zijner macht zich verhief. Als herinnering van dien tijd stond op den burg het over land en zee, heinde en ver zichtbare reusachtige beeld der Athene Promachos. Nu echter was de tijd aangebroken, waarop het innigste en diepste wezen van de Godin en daarmede het schoonste deel harer zegeningen over het Attische land en volk werd uitgebreid. Nu wilde zij zich ten volle openbaren als de Godin van den lichtenden aether, in welks glans de nacht verdwijnt, als de nadenkende, schrandere, om wier voorhoofd de vrije gedachte in schoone klaarheid zweeft, als de steun van alle kunsten en wetenschappen en alle zegen, die voortspruit uit den geest. Als zoodanig had Phidias haar thans voorgesteld,[19]een Pallas Athene des vredes. En over deze nieuwe gestalte der Godin had men het nieuwe, harer waardige tempelgebouw gesticht, geen priesterlijk huis voor offergaven, maar een Panathenaeïsch feesthuis der Godin, waarin zij het waarachtig licht en de waarachtige macht van haar wezen, losgemaakt van alle priesterbekrompenheid, vermocht te openbaren. Zinrijk omgaf dit tempelhuis de Godin, uitdrukkend de openbaring van haar wezen zelf en tevens die van het volk, dat zij beschermt. En zoo wilde men dan ook in het vervolg nog de peplos aanbieden aan het overoud eerwaardige, houten beeld van de schutsgodin der stad, de oude, heilige zeden der vaderen eerende: doch doel en middelpunt van het feest der Panathenaeën moest voortaan het Parthenon zijn. Hier zouden van nu af de overwinnaars in de agonen hunne prijzen uit de hand der kamprechters, zittende aan de voeten der Godin, ontvangen, en tot de beeldwerken van het schitterend feesthuis zou het volk zich wenden, om die uitstraling van het innerlijk wezen der Godin in zich op te nemen, zijn gemoed te vervullen met het grootsche en heerlijke, dat hier van de wanden en gevels en friezen in marmeren taal sprak. In deze beelden zou de Athener de geschiedenis lezen van zich zelven, lezen het in steen gehouwen heldenlied der zege des lichts en des geestes over al het duistere en ruwe. Zich zijner kracht bewust, moest de geest in den Helleen ontbranden van edele begeerte om altijd het gedenkteeken waardig te blijven, dat hij hier voor alle volgende tijden zich zelven had opgericht.”Door deze woorden van Pericles geraakte het volk in vervoering en door duizende stemmen werd opnieuw de paeän aangeheven ter eere der jonkvrouwelijke Godin; onder dit gezang en onder de muziek van fluiten en snareninstrumenten, die den feeststoet begeleiden, betrad, op den wenk van den Archon Basileus en door hem geleid, voor het eerst de stoet der jonkvrouwen de trappen en ging[20]door de geopende poorten van het Parthenon. Door maagdelijken voet zou het nieuwe heiligdom der maagdelijke Godin het eerst betreden worden. Op de jonkvrouwen volgden de jongelingen en terwijl genen zich in het binnenste van den tempel ter rechter, dezen ter linker zijde van het beeld der Godin schaarden, onder het voortdurend gezang van de paeän, betraden zij, die wijgeschenken in den feesttrein droegen, het feesthuis en legden de geschenken aan de voeten der Godin neder. Andere wijgaven, bijzonder blinkende, gouden en zilveren schilden, werden opgehangen aan de zuilen des tempels. Nu werden de overwinnaars in de Panathenaeïsche wedstrijden over den drempel geleid benevens de kamprechters en zij, die in Athene de hoogste waardigheden bekleedden.Luider klonk de muziek van fluiten en cither, bezielender schalde de paeän door de marmeren portalen, toen het prachtige beeld der Godin onmiddellijk zich voor de oogen der in de tempelzaal aanwezigen en steeds toestroomende Atheners vertoonde. Daarop waren alle blikken gericht.Oogverblindend als de tempel, schitterde ook de kolossale godengestalte: van ivoor waren de onbedekte deelen gevormd, van goud al het overige; diepzinnig voor zich heen staarde het ernstige, schoone hoofd, bedekt door den zwaren helm, waaronder weelderige lokken neergolfden. De trekken van het gelaat hadden eene peinzende uitdrukking, maar het diepzinnige scheen zich in eene vriendelijke opgeruimdheid op te lossen. Ter linkerzijde van de Godin rustte het schild vreedzaam staande, niet meer krijgshaftig opgeheven. De lans was niet langer strijdvaardig in hare hand geklemd. Niet als kampioen verscheen zij meer doch wel als overwinnares. Op hare uitgestrekte rechterhand droeg zij eene gevleugelde zegegodin, evenals men eene duif of valk draagt. De gevleugelde zegegodin bood haar een van goud stralenden krans aan. Onder de bescherming van het schild kronkelde zich de heilige burgtslang, zinnebeeld van de eerstgeboren,[21]door de Goden bewaakte kracht van het Attische land en volk. Over de borst der Godin hing het Aegispantser13met het versteenend Gorgonenhoofd. Onder het breedgewelfde, hoog verheven sieraad van haar helm was eene Sphinx zittende afgebeeld, ter rechter en linker zijde daarvan griffioenen, zinnebeelden van diepzinnigheid, scherpzinnigheid en waakzaamheid. Nog ander verschillend beeldwerk trachtte het wezen van de Godin duidelijk uit te drukken: op de buitenzijde van het schild de strijd tegen de wilde Amazonen14, op den binnenkant de trotsche Giganten, op den rand der sandalen de ruwe Centauren; en zoo overal strijd tegen de woeste, donkere machten.Waardig welfde zich het prachtig huis over het heerlijke beeld der Godin. In eene dubbele rij liepen de schitterende zuilen, met bloemkransen feestelijk omwonden, door de tempelzalen, ze in drie schepen verdeelend. Bij de zijschepen echter vormde eene tweede zuilengaanderij boven de eerste eene bovenverdieping, een open omgang. Eene groote,vierkanteopening was er in het midden van het platte dak, dat op die bovenste zuilenrij rustte, zoodat het licht in den tempel viel, die niet van vensters voorzien was, en het beeld der Godin bescheen. Aangrijpend was deze van boven binnenstroomende heldere aether in de eerbiedwekkende en goddelijke stilte des tempels: het gemoed werd door den blik naar die licht verspreidende opening en den blauwen hemel, die zich daarboven welfde, verlicht van den overweldigenden indruk van het prachtige en grootsche pronkstuk. De valken en de adelaars, het vurig span van Helios en de donderwolken van Zeus trokken daarover heen en bij het afwisselend spel van licht en schaduw,[22]nu eens door een gouden glans, dan eens door een wit zilverlicht omstraald, dan weer in eene halve schemering gehuld, scheen het gelaat der Godin als met veranderde trekken ernstiger of zachter van hare hoogte neer te zien. In de edele majesteit van den tempel was niets, wat het oog van de Godin kon afleiden; alles voerde tot haar terug, zelfs de rij der schoon gevormde, schitterende wijgeschenken tusschen de zuilen. Niets was daar aanwezig van die verstrooide en verstrooiende pracht, waarmede andere tijden en andere volken de huizen hunner Goden trachtten te versieren. Eenzaam stond in den geheimzinnig stillen marmeren tempel, zich badend in licht en glans, het reusachtige, verheven schoone beeld der Godin.Nadat alzoo het nieuwe feesthuis van Athene door het Atheensche volk onder bezielende liederen, begeleid door fluiten- en snarenspel, der Godin was opgedragen en gewijd, en de rijke wijgeschenken aan hare voeten waren neergelegd, begon de verdeeling der prijzen aan de overwinnaars in de Panathenaeïsche kampspelen. De overwinnaars werden door de prijsrechters opgeroepen, en daar ’t eerst aan de zegevierende knapen, dan aan de jongelingen, eindelijk aan de mannen de prijzen uitgereikt werden, was ’t de veertienjarige zoon van Clinias, Alcibiades, die als overwinnaar onder de knapen, het eerst in het pas geopend Panathenaeïsch feesthuis opgeroepen werd en den prijs ontving uit de handen der rechters. Den fier en vroolijk rondzienden knaap viel eene prachtig gevormde amphora15ten deel, waarop in schitterende kleuren was voorgesteld, hoe de jonge Heracles de beide slangen verworgde. De schoone vaas was echter gevuld met olie van de heilige olijven van Pallas Athene in den tuin der Academie. Dergelijke eergeschenken ontvingen de overwinnaars in de[23]overige agonen; hun echter, die in de musische16wedstrijden de zege hadden behaald, werden gouden kransen toegekend.Toen alzoo de verdeeling der prijzen had plaats gehad, geschiedde nog onder de oogen van het volk het overbrengen van den Atheenschen schat naar het achtergedeelte van het Parthenon. Dit gedeelte hetwelk mede omgeven door de zuilen van het Parthenon, zich in westelijke richting aan de tempelzaal aansloot, was eene rondom versterkte ruimte, zonder vensters, en kon slechts door eene lamp verlicht worden; in haar geheimzinnig schemerlicht zouden de gemunte en ongemunte schat van Athene benevens kleinoodiën van allerlei aard, kostbare sieraden en pronkstukken, ook hoogst gewichtige oorkonden van den staat voortaan bewaard blijven onder het toezicht van den schatmeester van het Atheensche volk.Onder de scharen van het volk, dat over de hoogte der Acropolis zich her- en derwaarts bewoog en den thans onthulden luister van het Parthenon bewonderde, bevonden zich ook velen, die uit den vreemde waren gekomen.Onder hen ook een Spartaan.Toen deze de nieuwe tempelzaal wilde betreden, werd hij door een Atheensch jongeling, die hem reeds eenigen tijd met wantrouwende blikken had vervolgd, bij den schouder gegrepen, terwijl hij hem toeduwde:„Weg van dezen drempel! Doriërs is het verboden hier binnen te treden!”Inderdaad ontzegde eene oude orakelspreuk aan mannen van den Dorischen stam de heiligdommen op den burg te Athene te betreden. En althans tegenover verklaarde vijanden van Athene herinnerde men zich soms deze orakelspreuk. Toen nu eene groote menigte volks zich om denSpartaandrong en de Atheensche jongeling de schampere[24]woorden herhaalde, trok alles partij tegen den vreemdeling en werd hij gedwongen den burg te verlaten.Zoo flikkerde, zij het ook slechts in eene enkele bliksemflits, voor een oogenblik, zelfs bij het feest des vredes, de vijandschap, die de beide groote Hellenenstammen sedert overoude tijden verdeelde, onheilspellend in het zwerk …Doch er was ook een Athener op de Acropolis, die op het feestgedruisch, dat bij het nieuwe Parthenon heerschte, met blikken van wrok en afgunst neerzag. Deze Athener was Diopithes, de priester vanErechtheüs.Wel is waar was naar oud en onveranderlijk gebruik de peplos naar het Erechtheüm gebracht en aan het houten beeld van Athene Polias opgedragen; maar dit was vluchtig en zonder feestelijk gerucht geschied; naar den nieuw gebouwden tempel, het priesterlooze feesthuis van Pallas Athene had het verzamelde volk der Atheners zich heengewend. Niet het uit den hemel neergedaalde Palladium der stad Athene, niet de Godin van zijn heiligdom, maar het ijdele pronkbeeld van Phidias hadden de Atheners hunne hulde bewezen. Voor de voeten van deze nieuwe Pallas Athene, niet in zijn tempel, waren de kostbare wijgeschenken nedergelegd. De Goden van het Erechtheüm waren vertoornd en hun priester met hen …Evenals op dien dag, toen Pericles en de verkleedde Aspasia in gezelschap van Sophocles op de hoogte van de Acropolis hadden gewandeld, om de grondslagen te zien leggen van den luister, die thans zich vertoonde, stond ook nu Diopithes in gesprek met zijn vertrouwde aan de poort van het Erechtheüm. En zie, evenals toen, terwijl hij met Lampon mokkend en spijtig over de bedorvenheid der tijden sprak, zag hij ook thans plotseling den gehaten man met dezelfde Aspasia over de hoogte van de Acropolis wandelen, vergezeld van Phidias, Ictinus, Callicrates, Sophocles, Socrates en anderen van die uitnemende Atheensche mannen,[25]die met Phidias de Homerische zinspreuk in hunne banier hadden geschreven:„Pallas Athene gedoogt geen vrees in mij!”Toen namelijk het uur voor het groote feestmaal was gekomen, waarbij het vleesch van de honderd runderen der hecatombe en de overblijfsels der vóóroffers aan het volk gemeenschappelijk werd aangeboden, bevochtigd door de rijkelijke gaven van Bacchus, wandelde die uitgelezen schaar op de thans stille Acropolis rond, om ongestoord het voltooide werk in oogenschouw te nemen.Het gelaat van Phidias was heden niet ernstig en gerimpeld, als anders; een opgeruimde glans straalde over zijn hooggewelfd voorhoofd.Ten hoogste verheugd sprak Pericles, hoe hij, na het begin en het allengs vorderen van al deze werken te hebben nagegaan, thans, na eene afwezigheid uit Athene van een jaar, verrast was door een voltooid werk, welks luister hij niet had kunnen vermoeden. En wederom roemde hij, hoe zooveel heerlijks in zoo’n kort verloop van jaren voltooid en als ’t ware voortgekomen was uit één enkel hoofd.Doch Phidias zeide, dat niet door het hoofd alleen, maar door de duizende kunstvaardige handen, die dat hoofd ten dienste hadden gestaan, het wonder was geschied. Zij hadden ook eigenlijk niet één hoofd, maar één geest gediend, die in de schoonste harmonie allen bezielde.Terwijl de mannen alzoo in blijde, opgewekte stemming de sierlijkheid der nieuwe scheppingen als met een vreugde-dronken oog genoten en hunne gewaarwordingen in woorden lucht gaven, zag men Aspasia wel in gespannen aandacht, met fonkelenden blik en gloeiende wangen, doch zwijgend de werken van Phidias, Ictinus en de overige kunstenaars beschouwen.Haar zwijgen bevreemde zelfs Phidias, den grootsten zwijger onder de mannen, en hij sprak eindelijk[26]met den hem eigen ernstigen glimlach, zich tot Aspasia wendend:„Als mijn geheugen mij niet bedriegt, wordt sedert lang de schoone Milesische te Athene door velen als de hoogste rechter beschouwd in alle zaken, de kunst betreffende. Ook heeft zij, voor zoover ik mij herinner, nooit geschroomd haar oordeel uit te spreken. Hoe komt het, dat zij, eene vrouw, ons mannen heden door haar stilzwijgen beschaamt?”Aller blikken waren vol spanning op Aspasia gevestigd en ieder hechtte voor zichzelven de grootste belangstelling aan de vraag van Phidias.„Terecht,” sprak Aspasia, „herinnert gij er aan, o Phidias, dat ik eene vrouw ben! Uit dien hoofde ben ik niet zoo spoedig gevat als gij, mannen, en is in mijn gedachtengang minder strenge orde en geleidelijkheid. Bewegelijk is het gemoed der vrouw en gij moogt wel toezien, dat gij niet te veel waagt, als gij mij, eene vrouw, de eenige van mijn geslacht, naar het schijnt, het recht toekent om vrij te denken en vrij te spreken. Hier staat de nieuwe, heerlijke tempel, groot als een berg en schoon als een bloem, en welk eene volheid van het volkomene is daarmede tevens voor onzen blik ten toon gespreid en onthuld! Dat alles is zoo bevallig in zijne waardigheid, zoo diepzinnig in zijne natuurlijkheid, zoo menschelijk in zijne goddelijkheid, dat ieder mannelijk gemoed daardoor in een toestand van hoogste tevredenheid en volkomen voldaanheid moet gebracht worden. De aard der vrouwen echter is, evenals die der kinderen, dat, als zij met de ééne hand het gewenschte voorwerp aannemen, zij de andere reeds naar iets anders uitstrekken en het oog wellicht reeds op een derde voorwerp richten. Ware ik een man, ik zou mij in dit oogenblik tevreden stellen, in geestvervoering Phidias als den eersten, als den grootsten van alle Hellenen te prijzen. Als vrouw echter heb ik nog een onvervulden wensch, ja zelfs eene aanklacht tegen u uit te spreken. Vreest gij niet den toorn[27]der gouden Aphrodite, o Phidias? Gij schijnt mij toe steeds slechts het hooge, het reine, het goddelijke te zoeken, om het in menschelijke gestalte te belichamen; en ware het goddelijke niet toevallig altijd tevens schoon, gij zoudt, geloof ik, u om het schoone niet bekommeren. Want nooit zoekt gij het; en wat de zinnen bekoort, het hart ontvlamt, vindt geen weerklank in uwe ziel. De bekoorlijkheid van het vrouwelijke om haar zelve voor te stellen, zooals de dichters het doen in hunne geestdrift, als zij van Aphrodite zingen, versmaadt gij. In een heiligen ernst is steeds uw gemoed verzonken, en uwe ziel zweeft, den adelaar gelijk, alleen boven de toppen der bergen. O Eros, hebt gij geen pijl voor dezen? Waarom, o Cyprische Godin, slaat gij dezen niet in uwe gouden ketenen, opdat hij zijn beitel aan uwe bekoorlijkheid wijde, opdat ook door hem eindelijk uw innigste wezen zoo openbaar worde, als door hem het diepste wezen zijner Godin Pallas Athene openbaar is geworden in dit goddelijk beeld?”„Inderdaad,” zei Phidias, „heb ik tot nu toe tegen Eros’ peilen en Aphrodite’s boeien beschutting gevonden onder het schild van Pallas Athene, en haar heb ik het wel te danken, dat mijne kunst niet weekelijk en verwijfd is geworden. Beschuldig overigens de Lemniërs, o Aspasia, wanneer ik ook nu, nadat ik juist het beeld der jonkvrouwelijke Godin voor het Parthenon voltooid heb, mijne kunst niet aan de gouden Aphrodite kan wijden. Want het is geen Aphrodite, wat de Lemniërs van mij verlangen, maar een metalen beeld van die zelfde Pallas Athene vragen zij mij reeds langen tijd dringend voor hen te vervaardigen.”„Wat gij daar zegt,” hernam Aspasia na eene korte pauze, waarin zij over het gezegde van Phidias had nagedacht, „vervult mij met grooter verwachting dan gij zelf denkt! Ik vernam heden hoe Pericles tot het volk sprak, er op wijzende hoe men van het onaanzienlijke, vormelooze houten beeld opgeklommen was tot de geweldige Athene[28]Promachos en van deze tot de jonkvrouw van het Parthenon. Wie zou nu niet gelooven, dat ook de Pallas der Lemniërs weder uit zal munten boven de jonkvrouw van het Parthenon? Wie zou er aan twijfelen, o Phidias, dat, hoe meer gij schept, des te warmer en te schitterender onder uwen tooverstaf de „vuurbron” des levens en der schoonheid uit het marmer of het metaal zal te voorschijn komen? Nadat gij de in de eerste gelederen strijdende manvrouw en de diepzinnige jonkvrouw gebeiteld hebt, wat blijft u nu overig dan de vrouw?”„Of ik voorwaarts ga,” hernam Phidias, „dan wel van den rechten weg afwijk, als ik naar de inblazingen eener schoone vrouw luister, weet ik niet. Doch wat gij verlangt, schijnt op mijn weg te liggen.”„Gij aan wien geen Hellenenvrouw hare bekoorlijkheid zou ontzeggen,” vervolgde Aspasia, „moet de vrouw voorstellen en hare bekoorlijkheid, en verkondigen als het hoogste en laatste aan het Grieksche volk: „alleen in het kleed der schoonheid zal de wijsheid alle harten veroveren!”Zoo onderhield zich Aspasia met Phidias. Pericles echter begon nu met Ictinus en Phidias het plan van de grootsche voorzalen te bespreken, die aan het werk van den burgt aan de zuidzijde de kroon zouden opzetten en die, naar de meening dezer mannen, niet minder verheven en prachtig zouden worden, dan het Parthenon zelf. Steeds van nieuws af aan keerde men vol aandacht en genot naar het voltooide terug, naar de beeldwerken, naar de heerlijke wijgeschenken. De werken van den een of anderen leerling van Phidias, op de gevels of friezen prijkend, werden beoordeeld: hier werd Alcamenes geprezen, daar Agoracritus, en zoo ieder der tallooze beeldhouwers, die met vurigen ijver aan dit meesterstuk hunne krachten hadden gewijd.Nu echter voerde Phidias Pericles en allen, die om hem waren, naar het werk van den peinzenden[29]zoon van Sophroniscus, naar de groep der Chariten, die de waarheidzoeker als wijgeschenk voor de Acropolis had vervaardigd.Zij zagen de drie jonkvrouwen in marmer gebeiteld, elkander omstrengelend, gelijkend op elkander en toch wederom van een verschillend karakter. Bekoorlijk was de eene gebeiteld, edel en gestreng de andere, peinzend de derde.Toen de beschouwers zich over deze verscheidenheid verwonderden, zeide de beeldhouwer met eene uitdrukking van lichte droefheid op het gelaat:„Ik meende, dat gij u over deze verscheidenheid niet zoudt verbazen, integendeel dat gij ze ten volle natuurlijk zoudt vinden. Waarom zou men een drietal van Chariten aannemen, zoo zij alle drie geheel gelijk waren en hetzelfde uitdrukten? Ik deed mijn best, om den diepen zin van deze trits na te sporen en ik twijfelde niet of drie verschillende eigenschappen moesten zich in het wezen der Charis vereenigen. Maar het gelukte mij niet te weten te komen, welke de drie verschillende bestanddeelen der Charis waren, totdat Alcamenes ons bij de schoone Theodota bracht. De schellen vielen mij als ’t ware van de oogen, toen de Corinthische achtereenvolgens in haren dans Aphrodite, Hera en Pallas voorstelde. Wat is het karakter van Aphrodite anders dan het lichamelijk schoone? Wat het karakter van Hera anders dan het schoone naar de ziel, of het goede, het zedelijke? En wat heeft het karakter van Pallas anders dan het geestelijk schoone of het ware? En zoo ervoer ik toen, dat lichaam en ziel en geest te samen moesten werken om het volkomen wezen der Charis uit te drukken …„Dat was het, wat ik toen van Theodota leerde en verzweeg, toen gij daarnaar vroegt; want ik voelde mij gedreven, niet in woorden, maar in een beeld, evenals Phidias, den indruk van mijn geest levendig voor te stellen. Maar het is mij niet gelukt. Want ware het mij gelukt, dan zou deze verklaring niet noodig zijn geweest. Ik heb mij van het[30]marmer bediend en toch moest ik tot woorden mijne toevlucht nemen. Gij echter, o Aspasia, behoeft geen woorden, om mij uw oordeel kenbaar te maken; want ik lees het in uw blik!”„En wat leest gij dan?” vroeg Aspasia.„Gij zegt mij: keer terug, o droomer, van de beelden en levendige vormen tot de gedachten, begrippen en woorden!—Ik wil het doen! Ik wil van dezen dag af den beitel uit de hand leggen of liever hem zelven, in plaats van een werk mijner hand, aan de wijze Godin aanbieden als wijgeschenk. En dit beeld mijner gebrekkige kunst wil ik in stukken slaan, tevreden, als de gedachte leeft, die het geschapen heeft en als het, in plaats van in dood marmer belichaamd wordt in den geest, het gemoed en het leven der Atheners!”„Wijd gij gerust, o Socrates,” zeide Pericles, „uw beitel aan de Godin als wijgeschenk, om voortaan alleen te volvoeren, wat uwe ware roeping is en wat niemand zoo goed verstaat als gij. Maar dit wijgeschenk moet niet verbrijzeld worden; zij het ook minder met kunstenaarshand dan door den geest van den wijze gevormd, toch stelt deze groep de schoonste bestemming van den Helleenschen geest voor oogen: lichaam, gemoed en geest vereenigd in de hoogste harmonie tot den schoonsten bloei der Charis! Edeler kan ons aller trouw streven niet uitgesproken, waardiger niet aangespoord worden tot nieuwe werkzaamheid en scheppingskracht!„Hier voor dit beeld is het de plaats elkander de hand te reiken tot vernieuwing van het bond, dat ons allen vereenigt. Hier ook is het, naar mij dunkt, de plaats, hier voor het beeld der Chariten, onze edele Aspasia te danken voor datgene, wat zij in vereeniging met ons heeft volbracht, niet zoozeer door hare woorden aansporende, als wel door den gloed, die er van haar wezen uitstraalde, ons onmiddellijk ontvonkend.—Want haar wezen, gij weet het allen, dringt als een lichtstraal tot in de gemoederen door en doet altijd iets nieuws[31]en schoons ontbranden. Vorm uwe Pallas, o Phidias, naar haar beeld! Want zij zegt het u niet alleen, zij heeft het aan u en aan ons allen met der daad bewezen, dat de wijsheid onoverwinnelijk is in het kleed der schoonheid!—„Vluchtig is anders het spoor van het schoone,” ging Pericles voort: „het komt en gaat als de straal van het gesternte, als de bevruchtende regenwolk. Maar de onvergelijkelijke bekoorlijkheid, die er van Aspasia’s wezen uitstraalt, zal ons als een kostbare schat steeds bijblijven. Niet meer eene vreemdelinge ziet gij voor u, op wie men ongestraft zijne hatelijke pijlen kan afschieten of die men mag beschimpen met onteerende namen. Zij is van dezen dag af mijne wettige gemalin. In vrede is de echtverbintenis, die mij met Telesippe vereenigde, verbroken. In hare plaats heerscht voortaan Aspasia als meesteres aan mijn huiselijken haard. Ik weet, dat de Athener met onvriendelijk oog den medeburger beschouwt, die eene buitenlandsche vrouw als wettige gade zijn huis binnenvoert. Ik weet, dat onze wet den spruiten uit zulk een echt zelfs het Atheensche burgerrecht weigert. Toch heb ik Aspasia tot vrouw genomen. Doch het is eene verbintenis van geheel anderen aard, die ik met haar sluit; een nieuwe vorm van den echt zweeft ons beiden voor den geest, zooals hij tot nu toe—ik weet niet of de schuld aan de mannen of aan de vrouwen ligt—nog nooit verwezenlijkt is. Groote verandering heeft onze staat in den laatsten tijd ondergaan: wanneer nu het algemeene leven zich vernieuwt, waarom zou dan ook niet het burgerlijke, het huiselijke naar eene wedergeboorte streven? Voor mij en deze vrouw zal de huidige dag, die het Atheensche volk op zijn glanspunt heeft getoond, te gelijkertijd een keerpunt zijn en een hoogtij van ons persoonlijk lot. Athene en geheel Hellas streeft onder een nieuw gesternte nieuwe doeleinden te gemoet; wij beiden doen hetzelfde in den engen kring van het huiselijke leven. Hier, evenals daar,[32]is de drijvende geest, gemoed en gedachte dezelfde. En hier als daar zal, naar ik meen, het gelijke zich op gelijke wijze openbaren!”„Het Parthenon! Het Parthenon!”...„Het Parthenon! Het Parthenon!”…Voordat een der vrienden de aandoening, die door deze woorden van Pericles bij allen te weeg gebracht was, in woorden lucht kon geven, greep Aspasia de hand van haar nieuwen gemaal en sprak:„Het is zooals gij zegt, o Pericles; ik heb mij de kracht des woords noch de diepte der wijsheid aangematigd. Als ik in vereeniging met u iets heb tot stand gebracht, dan was de werking, die van mij uitging, die der vrouwelijkheid alleen, wie het voor de eerste maal vergund was zonder de boeien der geslachts zich vrij en ongedwongen te uiten. Ben ik een apostel, dan ben ik die der vrouwelijkheid. Wellicht moet uit de vrouwelijkheid de wereld, die tot nu toe in de boeien der ruwe mannelijkheid was, herboren worden, om ieder overblijfsel van barbaarschheid van den vroegeren tijd weg te nemen. En als eene vrouw van den Ionischen stam ben ik ondanks mij zelve, de voorvechtster van het Ionische karakter tegenover den ernstigen, strengen geest van den Dorischen stam, die de schoonste bloesems van het Helleensche leven verstikken zou, als hij de overwinning behaalde. Wee den schoonen Goden van Hellas, als hij ooit in de wereld de overhand krijgt!—Ben ik inderdaad geroepen en machtig voor eene zaak te werken en te strijden en heb ik mij, zooals gij zegt, altijd beijverd bij de meesters der beeldende kunst, om het schoone en het vrouwelijke te bevorderen, dan zou ik voortaan, ook in andere richtingen des levens mij bewegend, een openlijken krijg willen verklaren aan ieder vooroordeel, aan elke onzinnige overlevering, aan iedere bekrompen of ongezonde levensbeschouwing, aan iedere den mensch onwaardige denkwijze. Ik zal, naar bondgenooten zoekend, mij tot de leden van mijne kunne wenden. Zij zullen naar mij hooren, want ik ben de gade van Pericles den Olympiër!”[33]Zoo sprak Aspasia. De vrienden luisterden naar hare woorden vol aandacht en namen hartelijk deel in haar geluk.Ook deErechtheüs-priestervernam die woorden in het schemerlicht, achter de zuilen verborgen. Zijne lippen trilden en plooiden zich tot een hoonenden lach. Een vurige blik van den innigsten haat bliksemde in zijn oog en viel op de Milesische.In bezielde taal begonnen nu de vrienden hunne blijdschap te betuigen en prezen de voornemens van het edele paar.Alleen Socrates zweeg nog, zooals hij dikwijls uit bescheidenheid deed, wanneer hij zich in een kring van uitgelezen mannen bevond.Toen vroeg Pericles aan den mijmerende met vriendelijken glimlach:„Wat denkt onze wijsheidsvriend van het bond, dat hier ten aanschouwe zijner Chariten is gesloten?”„Mij is slechts dit ééne helder,” antwoordde de zoon van Sophroniscus, „dat ons Athene de gezegendste zal zijn onder alle steden der bewoonde wereld. Al het andere is mij onbekend en in duisternis gehuld. Maar wij willen in alles het beste hopen van de gunst van den albesturenden vader Zeus en zijne onvolprezen dochter Pallas Athene.”1Clytaemnestra, de echtgenoote van Agamemnon, hevig op hem verbitterd om den gewelddadigen dood van hunne dochter Iphigenia,vermoordde den zegevierenden held, toen hij in zijne vaderstad Mycenae was teruggekeerd. Dit onderwerp wordt in Aeschylus’ „Agamemnon” behandeld.↑2Dejanira, de dochter van den Aetolischen koning Oeneus, gade van Heracles, had het bloed van den veermanNessusopgevangen, toen deze terwijl hij haar de rivier Euënus overzette en zich ongepaste vrijheden met haar veroorloofde, door Heracles met een der in het gif der hydra gedoopte pijlen was doorschoten.—Nessus gaf haar stervend den raad dit bloed te bewaren, daar het een onfeilbaar middel was om zich altijd de liefde van haar man te verzekeren. Toen de held later in liefde ontbrandde voor de schoone Iole, zendt Dejanira hem een prachtig gewaad dat zij met het bloed van den stervenden veerman had bestreken. Toen het kleed warm is geworden kleeft het aan zijn lichaam en brandt hem tot in het merg; de held richt met uiterste krachtsinspanning een brandstapel op, legt zich er op, Philoctetes en zijn vader steken dien aan en de held verbrandt onder de hevigste smarten; als heros werd hij onder de onsterfelijke Goden opgenomen.↑3Hippische kunst is de rijkunst. (Hippos = paard).↑4Hephaestus, zoon van Zeus en Hera, de God des vuurs, komt overeen met den Romeinschen Vulcanus. De feesten te zijner eere op Lemnos, te Athene en elders gevierd, heeten: hephaisteia.↑5Bijnaam van Poseidon; omdat hij met zijn drietand de aarde schudt heet hij Enosigaios en Seisichthoon, de aardschudder.↑6De Giganten (reuzen), een reusachtig, wild geslacht werd door de Goden, vooral met de hulp van Heracles, na vreeselijken strijd, verdelgd. Hyginus geeft hun getal als vierentwintig op. Bij Hesiodus komen zij voor als zonen vanGaea(de Aarde) en Ouranos (den hemel.)↑7Taxiarchos is in de eerste plaats: de aanvoerder van eene legerafdeeling voetvolk (taxis), de overste, ten tweede bijzonder te Athene de aanvoerder van die afdeeling voetvolk, die iedere phyle in het veld moest brengen.↑8De zoogenaamde Eupatriden, door Theseus, naar men zegt als eerste stand ingevoerd, men kan ze vergelijken met de Romeinsche Patriciërs.↑9Athene was na Clisthenus in tien phylen verdeeld; deze phylen waren wederom in demen, districten, gesplitst.↑10De Godin der overwinning.↑11Iris, de dochter van Thaumas en Electra, is, naast Hermes, de bodin der Godin, vooral van Hera; bij de oudere Grieken ook die van Zeus. Zij wordt ook geïdentificeerd met den regenboog, dien de Grieken dan ook Iris noemden.↑12Wedstrijden: dus kampstrijden met paarden en wagens.↑13Aegis (Aigis) is eigenlijk een geitenvel; ook het door Hephaestus vervaardigde schild van Zeus.↑14De Amazonen waren krijgshaftige vrouwen, die geen mannen onder zich duldden. Er worden drie Amazonen-volken vermeld; het eerste woonde aan de kusten van de Zwarte zee, den Caucasus en de rivier Thermodon. Haar koningin Hippolyte werd door Heracles gedood. Nog worden eene koningin Penthesilea vermeld, die Priamus hulp bracht tegen de Grieken en Thalestris, tijdens Alexander den Groote. Ten tweede de Scytische en ten derde de Afrikaansche Amazonen, met hare koningin Myrina.↑15Eene vaas of kruik, met nauwen hals en twee ooren, meestal van aardewerk vervaardigd, soms van glas, naar beneden spits toeloopend; doorgaans werd zij voor wijn gebruikt, doch ook voor honig, olie enz.↑16Onder „musische” kunst verstonden de Grieken niet uitsluitend de toonkunst maar alles wat fijne, kunstige of wetenschappelijke vorming betreft.↑
ASPASIAXIV.DE PANATHENAEËN.
Wanneer het vaderland een groot man eert, de geheele wereld hem viert, wanneer op al zijne paden vereering, liefde, hulde hem te gemoet komen, dan is er dikwijls toch ééne plaats, waar zijne grootheid ineenkrimpt,waar hij zich klein gevoelt, waar hem koude of zelfs afgunstige oogen ontmoeten.En deze plaats is zijn eigen haard, zijn huis, de schoot zijner familie, het uitgangspunt van zijn arbeid.Ook Pericles gevoelde zich zonderling en onaangenaam aangedaan, toen hij, wien het jubelgeschreeuw van het Atheensche volk nog in de ooren klonk, na een afwezigheid van een jaar weder den drempel zijner woning betrad. Evenals den zegevierend terugkeerenden Agamemnon, ontving ook hem eene heimelijk mokkende gade.De tijding, dat Aspasia in het gezelschap van Pericles te Milete geweest was, dat zij op de terugvaart zich aan zijne zijde had bevonden, was tot Elpinice’s ooren doorgedrongen en uit den mond harer vriendin had Telesippe het vernomen.De vrouw van Pericles dacht er niet aan zich op den terugkeerenden echtgenoot te wreken, zooals[6]Clytaemnestra1op den terugkeerenden Agamemnon, noch door een vergiftigd Nessus-kleed2hem in het verderf te storten, zooals Dejanira den ontrouwen Heracles had gedaan. Zij dacht kleingeestig, kleingeestig was haar wrok, kleingeestig haar haat en kleingeestig ook haar wraak.Dat Pericles vóór Samos overwonnen, dat hij het schip van den vijandelijken veldheer in den grond had geboord, wat baatte het hem tegenover de Erinnys, die aan zijn haard haar zetel had opgeslagen? Terwijl de agora van zijn roem weergalmde, moest hij in zijn eigen huis de kleingeestige, kijvende taal, den smadelijken afgunstigen blik van Telesippe verdragen.En Elpinice? Zij sprak tot Pericles, toen zij hem voor het eerst na zijn terugkeer ontmoette:„Schaam u, Pericles! Mijn broeder Cimon heeft over de Perzen, over barbaren gezegevierd, gij echter hebt Hellenen-bloed vergoten en laat u verheerlijken als de onderdrukker van uw eigen stamgenooten.”—Zonder heftig op te stuiven, zwijgend, zooals het zijne gewoonte was in den omgang, doch niet zonder ernstige overweging en fiere plannen, liet Pericles den tweestrijd, die met de verschijning van Aspasia zijn hart had bestormd, der beslissing te gemoet snellen. Hij had in den beginne gemeend, dat het gemakkelijk zou zijn de rechten der geliefde gescheiden te houden van de rechten der gade. En had Telesippe zelve dit niet geloofd? Had zij niet met verachting op de Milesische hetaere[7]neergezien, die wel is waar het hart van haar echtgenoot had veroverd maar die toch haar heerschappij aan den huiselijken haard moest laten, haar, de wettige gade? Had zij niet de vreemde van den drempel des huizes verdreven en had deze niet voor haar moeten wijken?Maar de zaken waren veranderd. Pericles zelf was niet meer, die hij geweest was. De gedachte aan eene echtverbintenis van een anderen aard was niet te vergeefs als een gloeiende vonk in zijne ziel geworpen.De dagen, waarop het grootste van alle Atheensche feesten gevierd zoude worden, waren teruggekeerd.De bevolking der landelijke vlekken stroomde naar de stad; want het feest was, wat zijn naam uitdrukte en wat het zijn moest naar de gedachte van zijn stichter Theseus, een steeds vernieuwd verbroederingsfeest van het gansche Attische volk. Maar ook van heinde en verre, uit de verbonden steden en eilanden, uit de koloniën, ja uit geheel Griekenland kwamen de gasten.Nog nooit echter had Athene eene zoo groote menigte van burgers en vreemdelingen binnen zijne muren verzameld gezien. Want ditmaal voegde zich bij de aantrekkelijkheid, die het vieren der Panathenaeën steeds had geoefend, de begeerte om het schoone Parthenon dat voor de eerste maal geopend werd, het van goud en ivoor stralende standbeeld van de Pallas Athene van Phidias onthuld te zien.Gedurende verscheidene dagen hadden de gewone wedstrijden plaats vóór den aanvang van den grooten feestelijken optocht. In de vallei aan den Ilissus streden de jonge helden uit de Atheensche worstelschool om den prijs. Eerst worstelden de uitnemendste knapen, dan de dapperste jongelingen, vervolgens de krachtigste mannen in alle soorten van den Helleenschen worstelstrijd. In den wedkamp der knapen overwon ook ditmaal de pleegzoon van Pericles en de lieveling van alle Atheners, Alcibiades, echter tot ergernis van Telesippe,[8]die den knaap haatte, omdat hij hare beide minder begaafde, weinig belovende zonen, Paralus en Xantippus, geheel en al in de schaduw stelde.Hoe bruischt het bloed in de aderen van den jeugdigen overwinnaar, terwijl hij alle overige wedstrijden mede aanzag, waaraan hij echter tot zijn leedwezen slechts als toeschouwer, niet als mededinger om den prijs, mocht deelnemen! Met welk een afgunst zag hij, in geleide van Pericles buiten de stad gekomen op de vlakte, die westwaarts van den Piraeüs gelegen was, het opdwarrelende stof vochtig worden door den dampenden adem der rennende rossen! Hoe bewonderde hij den kampioen in de hippische3kunst, staande op den met vurige rossen bespannen wagen, op elke kar naast den menner de met helm en schild gewapende strijder, die, terwijl het span in toomelooze vaart door de renbaan stoof, er af sprong en in krachtigen loop een eind met de kar om ’t hardst liep, om dan met even zekeren sprong weder op den wagen te recht te komen!En hoe voelde de knaap zich door den beroemden wapendans der jongelingen medegesleept! Hoe fonkelde zijn oog bij dit krijgshafte spiegelgevecht toen de jongelingen op de maat der muziek allerlei krijgsbewegingen maakten, alle soorten van aanval, van verdediging, van ontwijken beproefden, in den danspas en onder begeleiding van den rhythmus der tonen, waarbij in de maat met de zwaarden tegen de opgeheven schilden geslagen werd, zoodat de heldere klank van het metaal vereenigd met de tonen der muziek, soms ook met het gezang van krijgsliederen, eene soort van strijdlustige stemming en vervoering ook bij den toeschouwer opwekten! Toen nu zelfs de jonge Alcibiades, door deze vervoering aangegrepen, de bewegingen der zwaarddansers begon na te doen en van begeerte scheen te branden, zich in hunne rijen te mengen, moest Pericles aan het verhaal van Artemidorus[9]denken en aan het tooneel toen de Milesiër zijn zoon Chrysanthes op den Tmolus plotseling zag aangegrepen van den waanzin der Corybanten. En waarlijk, dit gewoel van den wapendans zou aan de rijen der Corybanten hebben kunnen herinneren, zoo daar niet alles wild en huiveringwekkend, hier niet alles in plechtige en edele maat zich aan het oog vertoond had.Maar ook de nacht had zijn feest: den grooten fakkelwedloop, waarmede de Atheners hunne Goden des lichts: Hephaestus4, Prometheus en Pallas Athene plachten te vereeren. Alleen de schoonste en kloekste jongelingen van Athene werden tot den wedloop toegelaten. Het kwam er op aan de fakkels brandende aan den eindpaal te brengen: wiens toorts onder den loop uitging, moest uit de rij treden. Wie langzaam liep, om de vlam aan te houden, werd door de levendige spottende kreten van het volk tot spoed gedreven.De Atheensche stammen kozen uit hun midden de schoonste grijsaards, de statigste mannen, om den grooten feestelijken optocht op te luisteren en zij waren in hunne keuze zeer streng. Uitgelezen ook waren de jongelingen en jonkvrouwen, die aan den optocht deelnamen; alleen kon bij de bloeiende jeugd de keuze minder streng zijn, dan bij de ouderen en grijsaards, om aan het oog slechts welgemaakte, schoone en edele vormen te toonen.Onder de wedstrijden behooren ook de kunsten der Muzen.Pericles was het geweest, die, elke soort van voortreffelijkheid met gelijke warmte aankweekende en bevorderende, ook het spel van snaren en fluiten en danskoren in den kring der wedkampen bij de Panathenaeën had opgenomen. Want onder de ambten en waardigheden, die hij bekleedde, behoorde[10]ook dat van leider der openbare spelen en feesten te Athene.Toen nu de dag van het eigenlijke feest aanbrak, waarop de zoogenaamde peplos naar oud gebruik aan de schutsgodin Athene in hetErechtheümgebracht en de overwinnaars in de Panathenaeïsche wedstrijden in het nieuwe Parthenon gekroond zouden worden, werd de feeststoet in de wijk der Ceramicus in orde geschaard.De geheele wijk wemelde van drommen, die zich naar de vereenigingsplaats begaven. Dit vereenigingspunt leverde echtereeneven levendig, bont en schitterend tooneel van verwarring op. Hier stond het ten offer bestemde, schoon gehoornde rund in zijne volle kracht, daar ontlaadde zich de vurige, sterke, stalen aard der fiere rossen, als ’t ware electrisch, in een vonkenspattenden hoefslag. Nevens de ongeduldig steigerende rossen stonden jongelingen, die hen met krachtige hand aan de schitterende teugels hielden of bezig waren hen op te toomen of ook in kunstige wendingen hunne snelheid te beproeven. En zoo verkwikte zich thans het oog aan levendige groepen, aan beelden van kracht en welgemaaktheid.Het bonte kluwen ontwarde zich. De feeststoet begon zich in orde te scharen. Nadat dit geschied was, zette hij zich onder de muziek van trompetten, fluiten en snareninstrumenten in beweging. Vooraf ging de hecatombe der offerdieren, honderd uitgelezen, schitterende runderen, bestemd om op de Acropolis ter eere van de Godin geslacht te worden en vervolgens tot feestmaal te dienen: prachtige dieren, met vleezigen, sterken nek, laag afhangende kwabben, de horens als de beide armen eener lyra schoon gekromd, met bloemkransen getooid en aan de spits voor een deel verguld. Zij werden geleid door krachtige jongelingen, die met sterke hand de ongeduldige, weerbarstige dieren bedwongen. Rammen volgden op de runderen, niet minder schoon en sterk, met schoone horens en vachten. Achter deze dieren, benevens hunne drijvers,[11]offerdienaars en offerpriesters, gingen zij die verschillende andere offergaven droegen: offerkoeken op platte schalen, vloeibare stoffen, deels in zakken, deels in groote, schoon gevormde kruiken gedragen.Nu volgde een schitterende stoet van Atheensche vrouwen en jonkvrouwen, in rijk feestgewaad, die gouden en zilveren werken droegen, prachtige pronkvaten, welke het geheele jaar door op eene daarvoor bepaalde plaats bewaard en bij zulke feestelijke gelegenheden ten toon werden gedragen. Sierlijke korfjes, gevuld met bloemen, vruchten, reukwerk, droeg een deel der bevallig met goud versierde meisjes op de hoofden. Uit Athene’s bloeiendste dochteren gekozen, teeder en statig, bekoorlijk en waardig te gelijk, verrukten deze korfdraagsters ieder oog door de zedige bekoorlijkheid harer uiterlijke houding en bewegingen. Het waren knoppen, kuisch besloten, maar fonkelend van den dauw der jeugdige frischheid. Het jaar door verborgen, evenals die gouden pronkvaten, en aan het oog der wereld ontrukt in het binnenste der vrouwenvertrekken, waren zij thans als ’t ware te voorschijn gebracht om te schitteren in het licht van den feestdag. Het heerlijke feest onthulde, wat anders voor de blikken verborgen was; het onthulde, ontketende alles, wat schoon en schitterend was. Heden schoot de God der liefde zijne schichten, heden ontmoetten elkander de blikken van bekoorlijke jonkvrouwen en jongelingen, begeerig naar liefde. Jeugdige ongedwongenheid werd getemperd door de aangeboren bekoorlijkheid, die hare stralen vrij en vroolijk rondom zich verspreidde.Achter deze schitterende offergaven werden de nog heerlijker wijgeschenken gedragen, wier getal nooit grooter geweest was dan thans: prachtig vaatwerk, fonkelende gouden en zilveren schilden, drievoeten van den bekoorlijksten vorm, rijkelijk versierd, ook beeldwerken van de hand der beste meesters. Dat alles, openlijk gedragen, schitterde oogverblindend in de stralen der zon.[12]Aan den stoet van jonkvrouwen sloten zich de liefelijke, teedere, nog kinderlijke meisjesgestalten der Arrhephoren aan, in den feestdos, dien zij bij hare heilige verrichtingen op de Acropolis gedragen hadden en onder haar de lieve, kinderlijk vrome, moedige Hipparete.Nu volgden de dragers en geleiders van die geschenken en offers, die aan de Godin van de Atheensche koloniën of van de met Athene verbonden steden en eilanden gebracht werden.Nu echter kwam eerst van alle wijgeschenken het belangrijkste, het glanspunt van den geheelen feeststoet, het groote, rijke, prachtige weefsel, de peplos. Niet door menschenhanden werd het gedragen: als een zeil was het over een soort van prachtschip gespannen, dat in den feesttrein zich op raderen voortbewoog. Dit gevaarte, een werk van buitengewone schoonheid en grootte, moest het niet in de rijen, die de Atheensche grootheid en macht te kennen gaven, aan de heerschappij ter zee der Atheners herinneren en aan den zeegod tegelijk, wiens eeredienst sinds overoude tijden in verband stond met dien vanErechtheüsen Pallas op den burg? En dat de peplos in plaats van het prachtschip hoofdzaak was geworden in den optocht der Panathenaeën, herinnerde het niet aan de overwinning van de Godin des lichts Pallas Athene in den kamp met den donkeren drietandzwaaier5. Het aandeel door de Godin des lichts aan den strijd der Goden tegen de Giganten6genomen, was voorgesteld in schitterend goudstiksel, kunstig op den purperen of saffraan-gelen grond van het weefsel aangebracht. Boven den mast van het prachtschip uitgespannen, zag men eene afbeelding van dien kamp der lichtgoden tegen de ruwe natuurmachten in goud weefsel voorgesteld,[13]die hoog in de lucht zich verheffend, het volk heinde en verre duidelijk tegenschitterde in den glans der zon.Achter het prachtschip met de peplos liepen de overwinnaars in dePanathenaeïschewedstrijden, met fieren tred: de citherspelers en fluitblazers met hun muziekinstrumenten, de overwinnaar in den fakkelloop, met de brandende fakkel in de hand, waarmede naar oud gebruik het vuur voor de groote feestoffers der Godin op de Acropolis werd aangestoken, de overwinnaars in den wedren der rossen en wagens, met hun prachtige vierspannen, op elk de menner en zijn makker met helm en schild: voorts, met olijftakken in de handen, die stoet van schoone, eerbiedwekkende grijsaards, die in den wedstrijd van mannelijke welgemaaktheid de overwinning hadden weggedragen. Als op edele voorbeelden staarde de Atheensche jongelingschap op deze mannen, met hun zilveren lokken, die eene eerwaardige schoonheid en frischheid van lichaam en ziel tot op den laten ouderdom hadden bewaard. Op hen volgde de trein der epheben, Athene’s mannelijke jeugd, slanke gestalten, donker gelokt, met vurigen blik, op de edele rossen als goed geoefende ruiters zittende. Door de strategen en taxiarchen7aangevoerd, marcheerde achter de epheben de strijdbare manschap van Athene: de zwaargewapenden en de ruiterij der Edelen8in schitterende wapenrusting op de schoonste en vurigste rossen—want te paard verscheen de rijke en voorname Athener in feestelijken optocht als in het veld—vervolgens in eene eindelooze reeks de burgerij, met de overheden aan het hoofd; het volk naar gemeenten9ingedeeld, mannen en vrouwen in feestgewaad, met myrthentakken in de hand, achter de burgers de vreemdelingen,[14]die het burgerrecht hadden verkregen, hunne vrouwen met eikentwijgen in de hand, als smeekelingen van Zeus Xonios, den God der gastvrijheid. Andere vrouwen en dochters dier vreemdelingen liepen achter de Atheensche burgeressen, wier bescherming zij genoten en droegen zonneschermen in de hand, om haar, als de trein in de brandende zon stilhield, boven het hoofd te houden of stoelen zonder leuning, klein en sierlijk van vorm, waarop hare beschermvrouwen zich dan konden neer laten.Deze stoet bewoog zich van den buiten-Ceramicus door de schoonste straten der stad, tot op de Agora, die met eikenloof bestrooid, overigens ook feestelijk was versierd: het werk der slaven voor dien dag. Hier hield de trein derhalve voor het eerst halt en het eskadron der voorname Atheners in zijne schitterende wapenrusting voerde op de ruime plaats bewegingen en manoeuvres uit, die bijna het prachtigste deel van de geheele feestviering uitmaakten.Terwijl de stoet op de Agora verwijlde, had een deel der geleiders van de offerdieren met eenige der dieren zich daarvan afgescheiden, om vooraf de beide gebruikelijke offers, het ééne op den Areopagus, het andere bij het altaar van Athene Hugieia te brengen.Nadat deze vóóroffers gebracht waren, zette zich de feesttrein met de hecatombe en het prachtschip weder in beweging. Hij nam zijn weg ook verder door de voornaamste straten en trok langs de beroemdste heiligdommen, waar men een poos stilhield, om den God te vereeren door offers of door het aanheffen van een paeän.Toen men de plaats bereikt had, waar de weg naar den heuvel van de Acropolis voerde, werd van de paarden en wagens achtergelaten, wat langs den breeden maar steilen weg den stoet niet volgen kon, of wat op de hoogvlakte van den burgt geen genoegzame ruimte zou gevonden hebben. Doch het ontbrak niet aan koene ruiters noch aan wagenmenners, die met hunne moedige paarden[15]toch in den trein bleven, terwijl zij zich zooveel mogelijk op het midden van den breeden weg hielden, omdat daar door geribd pleister het gevaar van uitglijden, zoowel voor paarden als voor raderen, verminderd was.Op de Acropolis gekomen, maakte de stoet halt tusschen het Erechtheüm en het pas voltooide heiligdom van Pallas Athene. De peplos werd in het Erechtheüm gebracht en het groote offer der hecatombe begon onder het aanheffen van een paeän voor een in de open lucht staand altaar aan de oostzijde van het Parthenon.Maar geen blik der menigte drong tot in de schemerende zaal van het Erechtheüm door, waar het overoude, houten beeld van Athene, op een met bloemen bekransten troon staande, zijne gewone schatting, de peplos, ontving. Onopgemerkt bleef ook het heilige offer: ieder oog richtte zich op de pracht van den schitterenden tempel, welks poorten zich heden voor het eerst voor de blikken van het Atheensche volk ontsloten.De eerste indruk, dien het nieuwe feestgebouw maakte, was onbeschrijfelijk. Alles was schitterend marmer, van de blokken der grondvesten tot aan de sierlijk gemetselde hoogste tinnen. En wat geen marmer was, stralend in zijne jonkvrouwelijke reinheid, was goud of heldere kleurenpracht.Van het westen naar het oosten, in een langwerpig, van zuilen voorzien vierkant, verhief zich fier en vrij de heerlijke tempel, door het zonlicht omstraald, op zijne hoogte. Edel, regelmatig in zijne afmetingen scheen hij toch van zijne geweldige fundamenten met wondervolle bekoorlijkheid schier reusachtig naar boven te streven. De grondvesten zelven met de opwaarts voerende marmertrappen verhieven zich boven het hoofd van den toeschouwer. De tempel zelf echter met zijn woud van marmeren zuilen, met het versierde beeldwerk zijner rondomloopende friezen, met de kolossale marmergroepen, vol leven, die de breede gevels als ’t ware met eene schare van heerlijke gestalten bevolkten,[16]stralend van goud en de schitterendste kleuren, hier en daar den glans van het witte Pentelische marmer doende verbleeken, scheen van de verlichte hoogvlakte als ’t ware tot de maagdelijke Godin zich te verheffen in haar rijk des lichts, den daar geheiligden aether.Niets echter boeide in deze eerste oogenblikken der beschouwing het oog des Atheners zoo zeer als de groote in kolossale marmergroepen voorgestelde tooneelen, die de breede velden der beide gevels vulden. Dit gezicht was overweldigend. Want de heerlijke gestalten, zooals zij rustend, staande, loopende, niet slechts in verheven beeldwerk, maar als standbeelden losgemaakt van den achtergrond, zich in fijn aangegeven betrekking tot elkander vertoonden, zij schenen uit hunne lijsten te voorschijn te willen treden en af te dalen onder het volk der door de Goden geliefde Atheners. Hunne houding en beweging hadden de juiste maat, maar toch waren zij vol gezond, heerlijk, bloeiend leven in zinrijke vorm afgebeeld.De Athener zag op den oostelijken gevel het oogenblik voorgesteld na de geboorte der Godin uit het hoofd van Zeus: in het midden den God, de Godin en den Titan Prometheus, die het hoofd Gods heeft gekloofd, om de Godin des lichts te doen geboren worden: van daar naar beide kanten heenspoedend met de blijde boodschap Nike10en Iris11, haar tegemoet snellend, Godinnen en heroën, die met vreugde de tijding vernemen; links in den gevel Helios met zijne vurige paarden opstijgend; rechts de Godin van den nacht met haar span nederdalend in de stroomen van Oceanus. Den strijd van Poseidon echter met Pallas Athene om het bezit en het beschermheerschap van het Attische land, bevatte de westelijke gevel: in het midden de beide strijdende godheden: de onstuimige[17]Poseidon, die zooeven met den drietand de heilige bron uit de rots heeft geslagen, tegen hem over Pallas Athene en de op haar bevel ontstane olijfboom; naast haar het hoog steigerende span voor den zegetocht; godheden en heroën van het Attische land zich bij de Godin aansluitend, bij Poseidon het gevolg zijner zeegoden. Van deze gestalten, allen meer dan levensgroot uit het marmer gebeiteld, dwaalde het oog naar de kleinere beeldwerken van den fries boven de zuilen, waar in de lange rijen der metopenvelden, kampstrijden der Grieken met woeste Centauren waren voorgesteld; vandaar door de zuilen, die rondom den tempel liepen tot aan het beeldwerk van den inwendigen fries, die den buitensten marmeren wand van den tempel omgaf. En door het gezicht daarvan begon het oog van den Athener nog vuriger te stralen, want hier aanschouwde de levendige feeststoet zijn eigen beeld, uit marmer gehouwen: tooneelen uit den optocht der Panathenaeën en wat daaraan vooraf was gegaan: afbeeldsels van schoone, zedige jonkvrouwen, van krachtige jongelingen op steigerende rossen, fier stuivende spannen en voorstellingen van hippische agonen12het overreiken der peplos en, te midden van al dat menschelijk schoone, Olympische Goden, uit hunne onzichtbare en ongenaakbare gewesten nedergedaald als getuigen van het heerlijke feest. Zoo eenvoudig, zoo onopgesmukt en edel scheen hier bij alle schoonheid iedere gestalte, dat zij uit het marmer tot het Atheensche volk voor alle volgende tijden scheen te zeggen: „Houd de schoone maat en laat uw leven steeds in zulk een edelen eenvoud, in zulk eene schoonheid en reinheid bloeien, als het hier zich aan u vertoont in de marmeren beelden uit de werkplaats van den diepzinnigen Phidias!”Ten aanschouwe van het ongeduldige volk betraden thans, nadat het offer der hecatombe was verricht, in plechtigen stoet de eerste overheidspersonen[18]van Athene de trappen van den tempel. Zij schaarden zich daar aan weerszijden van de poort. In hun midden stond Pericles en de Archon Basileus.Thans openden zich de breede, sierlijke metalen deuren des tempels. Het inwendige deed zich met zijne schitterende zuilen aan de oogen voor en Phidias’ nieuw, schoon beeld van Pallas Athene vertoonde zich in al zijn luister prijkend voor de eerste maal in de heilige schemering aan het volk der Atheners.Thans hieven de feestgenooten een lofzang aan ter eere van de Godin. Toen die klanken weggestorven waren, trad Pericles te voorschijn en sprak van de trappen des tempels aldus tot de verzamelde menigte:„In overoude tijden had Pallas Athene de volheid aller aardsche zegeningen over de wieg van het Atheensche volk uitgestort en als de geefster van de voedzame olijf, als de schenkster der voornaamste goederen, als zij, die de welvaart van het Attische land had gegrondvest en bevorderd, werd zij vereerd in dat eerwaardige, doch ruwe houten beeld van het Erechtheüm. Toen echter was de tijd gekomen, waarop Athene zich het zwaard aangordde, aan de spits van Hellas de Barbaren bekampte en, in de zegepralen gestaald, tot den bloei zijner macht zich verhief. Als herinnering van dien tijd stond op den burg het over land en zee, heinde en ver zichtbare reusachtige beeld der Athene Promachos. Nu echter was de tijd aangebroken, waarop het innigste en diepste wezen van de Godin en daarmede het schoonste deel harer zegeningen over het Attische land en volk werd uitgebreid. Nu wilde zij zich ten volle openbaren als de Godin van den lichtenden aether, in welks glans de nacht verdwijnt, als de nadenkende, schrandere, om wier voorhoofd de vrije gedachte in schoone klaarheid zweeft, als de steun van alle kunsten en wetenschappen en alle zegen, die voortspruit uit den geest. Als zoodanig had Phidias haar thans voorgesteld,[19]een Pallas Athene des vredes. En over deze nieuwe gestalte der Godin had men het nieuwe, harer waardige tempelgebouw gesticht, geen priesterlijk huis voor offergaven, maar een Panathenaeïsch feesthuis der Godin, waarin zij het waarachtig licht en de waarachtige macht van haar wezen, losgemaakt van alle priesterbekrompenheid, vermocht te openbaren. Zinrijk omgaf dit tempelhuis de Godin, uitdrukkend de openbaring van haar wezen zelf en tevens die van het volk, dat zij beschermt. En zoo wilde men dan ook in het vervolg nog de peplos aanbieden aan het overoud eerwaardige, houten beeld van de schutsgodin der stad, de oude, heilige zeden der vaderen eerende: doch doel en middelpunt van het feest der Panathenaeën moest voortaan het Parthenon zijn. Hier zouden van nu af de overwinnaars in de agonen hunne prijzen uit de hand der kamprechters, zittende aan de voeten der Godin, ontvangen, en tot de beeldwerken van het schitterend feesthuis zou het volk zich wenden, om die uitstraling van het innerlijk wezen der Godin in zich op te nemen, zijn gemoed te vervullen met het grootsche en heerlijke, dat hier van de wanden en gevels en friezen in marmeren taal sprak. In deze beelden zou de Athener de geschiedenis lezen van zich zelven, lezen het in steen gehouwen heldenlied der zege des lichts en des geestes over al het duistere en ruwe. Zich zijner kracht bewust, moest de geest in den Helleen ontbranden van edele begeerte om altijd het gedenkteeken waardig te blijven, dat hij hier voor alle volgende tijden zich zelven had opgericht.”Door deze woorden van Pericles geraakte het volk in vervoering en door duizende stemmen werd opnieuw de paeän aangeheven ter eere der jonkvrouwelijke Godin; onder dit gezang en onder de muziek van fluiten en snareninstrumenten, die den feeststoet begeleiden, betrad, op den wenk van den Archon Basileus en door hem geleid, voor het eerst de stoet der jonkvrouwen de trappen en ging[20]door de geopende poorten van het Parthenon. Door maagdelijken voet zou het nieuwe heiligdom der maagdelijke Godin het eerst betreden worden. Op de jonkvrouwen volgden de jongelingen en terwijl genen zich in het binnenste van den tempel ter rechter, dezen ter linker zijde van het beeld der Godin schaarden, onder het voortdurend gezang van de paeän, betraden zij, die wijgeschenken in den feesttrein droegen, het feesthuis en legden de geschenken aan de voeten der Godin neder. Andere wijgaven, bijzonder blinkende, gouden en zilveren schilden, werden opgehangen aan de zuilen des tempels. Nu werden de overwinnaars in de Panathenaeïsche wedstrijden over den drempel geleid benevens de kamprechters en zij, die in Athene de hoogste waardigheden bekleedden.Luider klonk de muziek van fluiten en cither, bezielender schalde de paeän door de marmeren portalen, toen het prachtige beeld der Godin onmiddellijk zich voor de oogen der in de tempelzaal aanwezigen en steeds toestroomende Atheners vertoonde. Daarop waren alle blikken gericht.Oogverblindend als de tempel, schitterde ook de kolossale godengestalte: van ivoor waren de onbedekte deelen gevormd, van goud al het overige; diepzinnig voor zich heen staarde het ernstige, schoone hoofd, bedekt door den zwaren helm, waaronder weelderige lokken neergolfden. De trekken van het gelaat hadden eene peinzende uitdrukking, maar het diepzinnige scheen zich in eene vriendelijke opgeruimdheid op te lossen. Ter linkerzijde van de Godin rustte het schild vreedzaam staande, niet meer krijgshaftig opgeheven. De lans was niet langer strijdvaardig in hare hand geklemd. Niet als kampioen verscheen zij meer doch wel als overwinnares. Op hare uitgestrekte rechterhand droeg zij eene gevleugelde zegegodin, evenals men eene duif of valk draagt. De gevleugelde zegegodin bood haar een van goud stralenden krans aan. Onder de bescherming van het schild kronkelde zich de heilige burgtslang, zinnebeeld van de eerstgeboren,[21]door de Goden bewaakte kracht van het Attische land en volk. Over de borst der Godin hing het Aegispantser13met het versteenend Gorgonenhoofd. Onder het breedgewelfde, hoog verheven sieraad van haar helm was eene Sphinx zittende afgebeeld, ter rechter en linker zijde daarvan griffioenen, zinnebeelden van diepzinnigheid, scherpzinnigheid en waakzaamheid. Nog ander verschillend beeldwerk trachtte het wezen van de Godin duidelijk uit te drukken: op de buitenzijde van het schild de strijd tegen de wilde Amazonen14, op den binnenkant de trotsche Giganten, op den rand der sandalen de ruwe Centauren; en zoo overal strijd tegen de woeste, donkere machten.Waardig welfde zich het prachtig huis over het heerlijke beeld der Godin. In eene dubbele rij liepen de schitterende zuilen, met bloemkransen feestelijk omwonden, door de tempelzalen, ze in drie schepen verdeelend. Bij de zijschepen echter vormde eene tweede zuilengaanderij boven de eerste eene bovenverdieping, een open omgang. Eene groote,vierkanteopening was er in het midden van het platte dak, dat op die bovenste zuilenrij rustte, zoodat het licht in den tempel viel, die niet van vensters voorzien was, en het beeld der Godin bescheen. Aangrijpend was deze van boven binnenstroomende heldere aether in de eerbiedwekkende en goddelijke stilte des tempels: het gemoed werd door den blik naar die licht verspreidende opening en den blauwen hemel, die zich daarboven welfde, verlicht van den overweldigenden indruk van het prachtige en grootsche pronkstuk. De valken en de adelaars, het vurig span van Helios en de donderwolken van Zeus trokken daarover heen en bij het afwisselend spel van licht en schaduw,[22]nu eens door een gouden glans, dan eens door een wit zilverlicht omstraald, dan weer in eene halve schemering gehuld, scheen het gelaat der Godin als met veranderde trekken ernstiger of zachter van hare hoogte neer te zien. In de edele majesteit van den tempel was niets, wat het oog van de Godin kon afleiden; alles voerde tot haar terug, zelfs de rij der schoon gevormde, schitterende wijgeschenken tusschen de zuilen. Niets was daar aanwezig van die verstrooide en verstrooiende pracht, waarmede andere tijden en andere volken de huizen hunner Goden trachtten te versieren. Eenzaam stond in den geheimzinnig stillen marmeren tempel, zich badend in licht en glans, het reusachtige, verheven schoone beeld der Godin.Nadat alzoo het nieuwe feesthuis van Athene door het Atheensche volk onder bezielende liederen, begeleid door fluiten- en snarenspel, der Godin was opgedragen en gewijd, en de rijke wijgeschenken aan hare voeten waren neergelegd, begon de verdeeling der prijzen aan de overwinnaars in de Panathenaeïsche kampspelen. De overwinnaars werden door de prijsrechters opgeroepen, en daar ’t eerst aan de zegevierende knapen, dan aan de jongelingen, eindelijk aan de mannen de prijzen uitgereikt werden, was ’t de veertienjarige zoon van Clinias, Alcibiades, die als overwinnaar onder de knapen, het eerst in het pas geopend Panathenaeïsch feesthuis opgeroepen werd en den prijs ontving uit de handen der rechters. Den fier en vroolijk rondzienden knaap viel eene prachtig gevormde amphora15ten deel, waarop in schitterende kleuren was voorgesteld, hoe de jonge Heracles de beide slangen verworgde. De schoone vaas was echter gevuld met olie van de heilige olijven van Pallas Athene in den tuin der Academie. Dergelijke eergeschenken ontvingen de overwinnaars in de[23]overige agonen; hun echter, die in de musische16wedstrijden de zege hadden behaald, werden gouden kransen toegekend.Toen alzoo de verdeeling der prijzen had plaats gehad, geschiedde nog onder de oogen van het volk het overbrengen van den Atheenschen schat naar het achtergedeelte van het Parthenon. Dit gedeelte hetwelk mede omgeven door de zuilen van het Parthenon, zich in westelijke richting aan de tempelzaal aansloot, was eene rondom versterkte ruimte, zonder vensters, en kon slechts door eene lamp verlicht worden; in haar geheimzinnig schemerlicht zouden de gemunte en ongemunte schat van Athene benevens kleinoodiën van allerlei aard, kostbare sieraden en pronkstukken, ook hoogst gewichtige oorkonden van den staat voortaan bewaard blijven onder het toezicht van den schatmeester van het Atheensche volk.Onder de scharen van het volk, dat over de hoogte der Acropolis zich her- en derwaarts bewoog en den thans onthulden luister van het Parthenon bewonderde, bevonden zich ook velen, die uit den vreemde waren gekomen.Onder hen ook een Spartaan.Toen deze de nieuwe tempelzaal wilde betreden, werd hij door een Atheensch jongeling, die hem reeds eenigen tijd met wantrouwende blikken had vervolgd, bij den schouder gegrepen, terwijl hij hem toeduwde:„Weg van dezen drempel! Doriërs is het verboden hier binnen te treden!”Inderdaad ontzegde eene oude orakelspreuk aan mannen van den Dorischen stam de heiligdommen op den burg te Athene te betreden. En althans tegenover verklaarde vijanden van Athene herinnerde men zich soms deze orakelspreuk. Toen nu eene groote menigte volks zich om denSpartaandrong en de Atheensche jongeling de schampere[24]woorden herhaalde, trok alles partij tegen den vreemdeling en werd hij gedwongen den burg te verlaten.Zoo flikkerde, zij het ook slechts in eene enkele bliksemflits, voor een oogenblik, zelfs bij het feest des vredes, de vijandschap, die de beide groote Hellenenstammen sedert overoude tijden verdeelde, onheilspellend in het zwerk …Doch er was ook een Athener op de Acropolis, die op het feestgedruisch, dat bij het nieuwe Parthenon heerschte, met blikken van wrok en afgunst neerzag. Deze Athener was Diopithes, de priester vanErechtheüs.Wel is waar was naar oud en onveranderlijk gebruik de peplos naar het Erechtheüm gebracht en aan het houten beeld van Athene Polias opgedragen; maar dit was vluchtig en zonder feestelijk gerucht geschied; naar den nieuw gebouwden tempel, het priesterlooze feesthuis van Pallas Athene had het verzamelde volk der Atheners zich heengewend. Niet het uit den hemel neergedaalde Palladium der stad Athene, niet de Godin van zijn heiligdom, maar het ijdele pronkbeeld van Phidias hadden de Atheners hunne hulde bewezen. Voor de voeten van deze nieuwe Pallas Athene, niet in zijn tempel, waren de kostbare wijgeschenken nedergelegd. De Goden van het Erechtheüm waren vertoornd en hun priester met hen …Evenals op dien dag, toen Pericles en de verkleedde Aspasia in gezelschap van Sophocles op de hoogte van de Acropolis hadden gewandeld, om de grondslagen te zien leggen van den luister, die thans zich vertoonde, stond ook nu Diopithes in gesprek met zijn vertrouwde aan de poort van het Erechtheüm. En zie, evenals toen, terwijl hij met Lampon mokkend en spijtig over de bedorvenheid der tijden sprak, zag hij ook thans plotseling den gehaten man met dezelfde Aspasia over de hoogte van de Acropolis wandelen, vergezeld van Phidias, Ictinus, Callicrates, Sophocles, Socrates en anderen van die uitnemende Atheensche mannen,[25]die met Phidias de Homerische zinspreuk in hunne banier hadden geschreven:„Pallas Athene gedoogt geen vrees in mij!”Toen namelijk het uur voor het groote feestmaal was gekomen, waarbij het vleesch van de honderd runderen der hecatombe en de overblijfsels der vóóroffers aan het volk gemeenschappelijk werd aangeboden, bevochtigd door de rijkelijke gaven van Bacchus, wandelde die uitgelezen schaar op de thans stille Acropolis rond, om ongestoord het voltooide werk in oogenschouw te nemen.Het gelaat van Phidias was heden niet ernstig en gerimpeld, als anders; een opgeruimde glans straalde over zijn hooggewelfd voorhoofd.Ten hoogste verheugd sprak Pericles, hoe hij, na het begin en het allengs vorderen van al deze werken te hebben nagegaan, thans, na eene afwezigheid uit Athene van een jaar, verrast was door een voltooid werk, welks luister hij niet had kunnen vermoeden. En wederom roemde hij, hoe zooveel heerlijks in zoo’n kort verloop van jaren voltooid en als ’t ware voortgekomen was uit één enkel hoofd.Doch Phidias zeide, dat niet door het hoofd alleen, maar door de duizende kunstvaardige handen, die dat hoofd ten dienste hadden gestaan, het wonder was geschied. Zij hadden ook eigenlijk niet één hoofd, maar één geest gediend, die in de schoonste harmonie allen bezielde.Terwijl de mannen alzoo in blijde, opgewekte stemming de sierlijkheid der nieuwe scheppingen als met een vreugde-dronken oog genoten en hunne gewaarwordingen in woorden lucht gaven, zag men Aspasia wel in gespannen aandacht, met fonkelenden blik en gloeiende wangen, doch zwijgend de werken van Phidias, Ictinus en de overige kunstenaars beschouwen.Haar zwijgen bevreemde zelfs Phidias, den grootsten zwijger onder de mannen, en hij sprak eindelijk[26]met den hem eigen ernstigen glimlach, zich tot Aspasia wendend:„Als mijn geheugen mij niet bedriegt, wordt sedert lang de schoone Milesische te Athene door velen als de hoogste rechter beschouwd in alle zaken, de kunst betreffende. Ook heeft zij, voor zoover ik mij herinner, nooit geschroomd haar oordeel uit te spreken. Hoe komt het, dat zij, eene vrouw, ons mannen heden door haar stilzwijgen beschaamt?”Aller blikken waren vol spanning op Aspasia gevestigd en ieder hechtte voor zichzelven de grootste belangstelling aan de vraag van Phidias.„Terecht,” sprak Aspasia, „herinnert gij er aan, o Phidias, dat ik eene vrouw ben! Uit dien hoofde ben ik niet zoo spoedig gevat als gij, mannen, en is in mijn gedachtengang minder strenge orde en geleidelijkheid. Bewegelijk is het gemoed der vrouw en gij moogt wel toezien, dat gij niet te veel waagt, als gij mij, eene vrouw, de eenige van mijn geslacht, naar het schijnt, het recht toekent om vrij te denken en vrij te spreken. Hier staat de nieuwe, heerlijke tempel, groot als een berg en schoon als een bloem, en welk eene volheid van het volkomene is daarmede tevens voor onzen blik ten toon gespreid en onthuld! Dat alles is zoo bevallig in zijne waardigheid, zoo diepzinnig in zijne natuurlijkheid, zoo menschelijk in zijne goddelijkheid, dat ieder mannelijk gemoed daardoor in een toestand van hoogste tevredenheid en volkomen voldaanheid moet gebracht worden. De aard der vrouwen echter is, evenals die der kinderen, dat, als zij met de ééne hand het gewenschte voorwerp aannemen, zij de andere reeds naar iets anders uitstrekken en het oog wellicht reeds op een derde voorwerp richten. Ware ik een man, ik zou mij in dit oogenblik tevreden stellen, in geestvervoering Phidias als den eersten, als den grootsten van alle Hellenen te prijzen. Als vrouw echter heb ik nog een onvervulden wensch, ja zelfs eene aanklacht tegen u uit te spreken. Vreest gij niet den toorn[27]der gouden Aphrodite, o Phidias? Gij schijnt mij toe steeds slechts het hooge, het reine, het goddelijke te zoeken, om het in menschelijke gestalte te belichamen; en ware het goddelijke niet toevallig altijd tevens schoon, gij zoudt, geloof ik, u om het schoone niet bekommeren. Want nooit zoekt gij het; en wat de zinnen bekoort, het hart ontvlamt, vindt geen weerklank in uwe ziel. De bekoorlijkheid van het vrouwelijke om haar zelve voor te stellen, zooals de dichters het doen in hunne geestdrift, als zij van Aphrodite zingen, versmaadt gij. In een heiligen ernst is steeds uw gemoed verzonken, en uwe ziel zweeft, den adelaar gelijk, alleen boven de toppen der bergen. O Eros, hebt gij geen pijl voor dezen? Waarom, o Cyprische Godin, slaat gij dezen niet in uwe gouden ketenen, opdat hij zijn beitel aan uwe bekoorlijkheid wijde, opdat ook door hem eindelijk uw innigste wezen zoo openbaar worde, als door hem het diepste wezen zijner Godin Pallas Athene openbaar is geworden in dit goddelijk beeld?”„Inderdaad,” zei Phidias, „heb ik tot nu toe tegen Eros’ peilen en Aphrodite’s boeien beschutting gevonden onder het schild van Pallas Athene, en haar heb ik het wel te danken, dat mijne kunst niet weekelijk en verwijfd is geworden. Beschuldig overigens de Lemniërs, o Aspasia, wanneer ik ook nu, nadat ik juist het beeld der jonkvrouwelijke Godin voor het Parthenon voltooid heb, mijne kunst niet aan de gouden Aphrodite kan wijden. Want het is geen Aphrodite, wat de Lemniërs van mij verlangen, maar een metalen beeld van die zelfde Pallas Athene vragen zij mij reeds langen tijd dringend voor hen te vervaardigen.”„Wat gij daar zegt,” hernam Aspasia na eene korte pauze, waarin zij over het gezegde van Phidias had nagedacht, „vervult mij met grooter verwachting dan gij zelf denkt! Ik vernam heden hoe Pericles tot het volk sprak, er op wijzende hoe men van het onaanzienlijke, vormelooze houten beeld opgeklommen was tot de geweldige Athene[28]Promachos en van deze tot de jonkvrouw van het Parthenon. Wie zou nu niet gelooven, dat ook de Pallas der Lemniërs weder uit zal munten boven de jonkvrouw van het Parthenon? Wie zou er aan twijfelen, o Phidias, dat, hoe meer gij schept, des te warmer en te schitterender onder uwen tooverstaf de „vuurbron” des levens en der schoonheid uit het marmer of het metaal zal te voorschijn komen? Nadat gij de in de eerste gelederen strijdende manvrouw en de diepzinnige jonkvrouw gebeiteld hebt, wat blijft u nu overig dan de vrouw?”„Of ik voorwaarts ga,” hernam Phidias, „dan wel van den rechten weg afwijk, als ik naar de inblazingen eener schoone vrouw luister, weet ik niet. Doch wat gij verlangt, schijnt op mijn weg te liggen.”„Gij aan wien geen Hellenenvrouw hare bekoorlijkheid zou ontzeggen,” vervolgde Aspasia, „moet de vrouw voorstellen en hare bekoorlijkheid, en verkondigen als het hoogste en laatste aan het Grieksche volk: „alleen in het kleed der schoonheid zal de wijsheid alle harten veroveren!”Zoo onderhield zich Aspasia met Phidias. Pericles echter begon nu met Ictinus en Phidias het plan van de grootsche voorzalen te bespreken, die aan het werk van den burgt aan de zuidzijde de kroon zouden opzetten en die, naar de meening dezer mannen, niet minder verheven en prachtig zouden worden, dan het Parthenon zelf. Steeds van nieuws af aan keerde men vol aandacht en genot naar het voltooide terug, naar de beeldwerken, naar de heerlijke wijgeschenken. De werken van den een of anderen leerling van Phidias, op de gevels of friezen prijkend, werden beoordeeld: hier werd Alcamenes geprezen, daar Agoracritus, en zoo ieder der tallooze beeldhouwers, die met vurigen ijver aan dit meesterstuk hunne krachten hadden gewijd.Nu echter voerde Phidias Pericles en allen, die om hem waren, naar het werk van den peinzenden[29]zoon van Sophroniscus, naar de groep der Chariten, die de waarheidzoeker als wijgeschenk voor de Acropolis had vervaardigd.Zij zagen de drie jonkvrouwen in marmer gebeiteld, elkander omstrengelend, gelijkend op elkander en toch wederom van een verschillend karakter. Bekoorlijk was de eene gebeiteld, edel en gestreng de andere, peinzend de derde.Toen de beschouwers zich over deze verscheidenheid verwonderden, zeide de beeldhouwer met eene uitdrukking van lichte droefheid op het gelaat:„Ik meende, dat gij u over deze verscheidenheid niet zoudt verbazen, integendeel dat gij ze ten volle natuurlijk zoudt vinden. Waarom zou men een drietal van Chariten aannemen, zoo zij alle drie geheel gelijk waren en hetzelfde uitdrukten? Ik deed mijn best, om den diepen zin van deze trits na te sporen en ik twijfelde niet of drie verschillende eigenschappen moesten zich in het wezen der Charis vereenigen. Maar het gelukte mij niet te weten te komen, welke de drie verschillende bestanddeelen der Charis waren, totdat Alcamenes ons bij de schoone Theodota bracht. De schellen vielen mij als ’t ware van de oogen, toen de Corinthische achtereenvolgens in haren dans Aphrodite, Hera en Pallas voorstelde. Wat is het karakter van Aphrodite anders dan het lichamelijk schoone? Wat het karakter van Hera anders dan het schoone naar de ziel, of het goede, het zedelijke? En wat heeft het karakter van Pallas anders dan het geestelijk schoone of het ware? En zoo ervoer ik toen, dat lichaam en ziel en geest te samen moesten werken om het volkomen wezen der Charis uit te drukken …„Dat was het, wat ik toen van Theodota leerde en verzweeg, toen gij daarnaar vroegt; want ik voelde mij gedreven, niet in woorden, maar in een beeld, evenals Phidias, den indruk van mijn geest levendig voor te stellen. Maar het is mij niet gelukt. Want ware het mij gelukt, dan zou deze verklaring niet noodig zijn geweest. Ik heb mij van het[30]marmer bediend en toch moest ik tot woorden mijne toevlucht nemen. Gij echter, o Aspasia, behoeft geen woorden, om mij uw oordeel kenbaar te maken; want ik lees het in uw blik!”„En wat leest gij dan?” vroeg Aspasia.„Gij zegt mij: keer terug, o droomer, van de beelden en levendige vormen tot de gedachten, begrippen en woorden!—Ik wil het doen! Ik wil van dezen dag af den beitel uit de hand leggen of liever hem zelven, in plaats van een werk mijner hand, aan de wijze Godin aanbieden als wijgeschenk. En dit beeld mijner gebrekkige kunst wil ik in stukken slaan, tevreden, als de gedachte leeft, die het geschapen heeft en als het, in plaats van in dood marmer belichaamd wordt in den geest, het gemoed en het leven der Atheners!”„Wijd gij gerust, o Socrates,” zeide Pericles, „uw beitel aan de Godin als wijgeschenk, om voortaan alleen te volvoeren, wat uwe ware roeping is en wat niemand zoo goed verstaat als gij. Maar dit wijgeschenk moet niet verbrijzeld worden; zij het ook minder met kunstenaarshand dan door den geest van den wijze gevormd, toch stelt deze groep de schoonste bestemming van den Helleenschen geest voor oogen: lichaam, gemoed en geest vereenigd in de hoogste harmonie tot den schoonsten bloei der Charis! Edeler kan ons aller trouw streven niet uitgesproken, waardiger niet aangespoord worden tot nieuwe werkzaamheid en scheppingskracht!„Hier voor dit beeld is het de plaats elkander de hand te reiken tot vernieuwing van het bond, dat ons allen vereenigt. Hier ook is het, naar mij dunkt, de plaats, hier voor het beeld der Chariten, onze edele Aspasia te danken voor datgene, wat zij in vereeniging met ons heeft volbracht, niet zoozeer door hare woorden aansporende, als wel door den gloed, die er van haar wezen uitstraalde, ons onmiddellijk ontvonkend.—Want haar wezen, gij weet het allen, dringt als een lichtstraal tot in de gemoederen door en doet altijd iets nieuws[31]en schoons ontbranden. Vorm uwe Pallas, o Phidias, naar haar beeld! Want zij zegt het u niet alleen, zij heeft het aan u en aan ons allen met der daad bewezen, dat de wijsheid onoverwinnelijk is in het kleed der schoonheid!—„Vluchtig is anders het spoor van het schoone,” ging Pericles voort: „het komt en gaat als de straal van het gesternte, als de bevruchtende regenwolk. Maar de onvergelijkelijke bekoorlijkheid, die er van Aspasia’s wezen uitstraalt, zal ons als een kostbare schat steeds bijblijven. Niet meer eene vreemdelinge ziet gij voor u, op wie men ongestraft zijne hatelijke pijlen kan afschieten of die men mag beschimpen met onteerende namen. Zij is van dezen dag af mijne wettige gemalin. In vrede is de echtverbintenis, die mij met Telesippe vereenigde, verbroken. In hare plaats heerscht voortaan Aspasia als meesteres aan mijn huiselijken haard. Ik weet, dat de Athener met onvriendelijk oog den medeburger beschouwt, die eene buitenlandsche vrouw als wettige gade zijn huis binnenvoert. Ik weet, dat onze wet den spruiten uit zulk een echt zelfs het Atheensche burgerrecht weigert. Toch heb ik Aspasia tot vrouw genomen. Doch het is eene verbintenis van geheel anderen aard, die ik met haar sluit; een nieuwe vorm van den echt zweeft ons beiden voor den geest, zooals hij tot nu toe—ik weet niet of de schuld aan de mannen of aan de vrouwen ligt—nog nooit verwezenlijkt is. Groote verandering heeft onze staat in den laatsten tijd ondergaan: wanneer nu het algemeene leven zich vernieuwt, waarom zou dan ook niet het burgerlijke, het huiselijke naar eene wedergeboorte streven? Voor mij en deze vrouw zal de huidige dag, die het Atheensche volk op zijn glanspunt heeft getoond, te gelijkertijd een keerpunt zijn en een hoogtij van ons persoonlijk lot. Athene en geheel Hellas streeft onder een nieuw gesternte nieuwe doeleinden te gemoet; wij beiden doen hetzelfde in den engen kring van het huiselijke leven. Hier, evenals daar,[32]is de drijvende geest, gemoed en gedachte dezelfde. En hier als daar zal, naar ik meen, het gelijke zich op gelijke wijze openbaren!”„Het Parthenon! Het Parthenon!”...„Het Parthenon! Het Parthenon!”…Voordat een der vrienden de aandoening, die door deze woorden van Pericles bij allen te weeg gebracht was, in woorden lucht kon geven, greep Aspasia de hand van haar nieuwen gemaal en sprak:„Het is zooals gij zegt, o Pericles; ik heb mij de kracht des woords noch de diepte der wijsheid aangematigd. Als ik in vereeniging met u iets heb tot stand gebracht, dan was de werking, die van mij uitging, die der vrouwelijkheid alleen, wie het voor de eerste maal vergund was zonder de boeien der geslachts zich vrij en ongedwongen te uiten. Ben ik een apostel, dan ben ik die der vrouwelijkheid. Wellicht moet uit de vrouwelijkheid de wereld, die tot nu toe in de boeien der ruwe mannelijkheid was, herboren worden, om ieder overblijfsel van barbaarschheid van den vroegeren tijd weg te nemen. En als eene vrouw van den Ionischen stam ben ik ondanks mij zelve, de voorvechtster van het Ionische karakter tegenover den ernstigen, strengen geest van den Dorischen stam, die de schoonste bloesems van het Helleensche leven verstikken zou, als hij de overwinning behaalde. Wee den schoonen Goden van Hellas, als hij ooit in de wereld de overhand krijgt!—Ben ik inderdaad geroepen en machtig voor eene zaak te werken en te strijden en heb ik mij, zooals gij zegt, altijd beijverd bij de meesters der beeldende kunst, om het schoone en het vrouwelijke te bevorderen, dan zou ik voortaan, ook in andere richtingen des levens mij bewegend, een openlijken krijg willen verklaren aan ieder vooroordeel, aan elke onzinnige overlevering, aan iedere bekrompen of ongezonde levensbeschouwing, aan iedere den mensch onwaardige denkwijze. Ik zal, naar bondgenooten zoekend, mij tot de leden van mijne kunne wenden. Zij zullen naar mij hooren, want ik ben de gade van Pericles den Olympiër!”[33]Zoo sprak Aspasia. De vrienden luisterden naar hare woorden vol aandacht en namen hartelijk deel in haar geluk.Ook deErechtheüs-priestervernam die woorden in het schemerlicht, achter de zuilen verborgen. Zijne lippen trilden en plooiden zich tot een hoonenden lach. Een vurige blik van den innigsten haat bliksemde in zijn oog en viel op de Milesische.In bezielde taal begonnen nu de vrienden hunne blijdschap te betuigen en prezen de voornemens van het edele paar.Alleen Socrates zweeg nog, zooals hij dikwijls uit bescheidenheid deed, wanneer hij zich in een kring van uitgelezen mannen bevond.Toen vroeg Pericles aan den mijmerende met vriendelijken glimlach:„Wat denkt onze wijsheidsvriend van het bond, dat hier ten aanschouwe zijner Chariten is gesloten?”„Mij is slechts dit ééne helder,” antwoordde de zoon van Sophroniscus, „dat ons Athene de gezegendste zal zijn onder alle steden der bewoonde wereld. Al het andere is mij onbekend en in duisternis gehuld. Maar wij willen in alles het beste hopen van de gunst van den albesturenden vader Zeus en zijne onvolprezen dochter Pallas Athene.”
Wanneer het vaderland een groot man eert, de geheele wereld hem viert, wanneer op al zijne paden vereering, liefde, hulde hem te gemoet komen, dan is er dikwijls toch ééne plaats, waar zijne grootheid ineenkrimpt,waar hij zich klein gevoelt, waar hem koude of zelfs afgunstige oogen ontmoeten.
En deze plaats is zijn eigen haard, zijn huis, de schoot zijner familie, het uitgangspunt van zijn arbeid.
Ook Pericles gevoelde zich zonderling en onaangenaam aangedaan, toen hij, wien het jubelgeschreeuw van het Atheensche volk nog in de ooren klonk, na een afwezigheid van een jaar weder den drempel zijner woning betrad. Evenals den zegevierend terugkeerenden Agamemnon, ontving ook hem eene heimelijk mokkende gade.
De tijding, dat Aspasia in het gezelschap van Pericles te Milete geweest was, dat zij op de terugvaart zich aan zijne zijde had bevonden, was tot Elpinice’s ooren doorgedrongen en uit den mond harer vriendin had Telesippe het vernomen.
De vrouw van Pericles dacht er niet aan zich op den terugkeerenden echtgenoot te wreken, zooals[6]Clytaemnestra1op den terugkeerenden Agamemnon, noch door een vergiftigd Nessus-kleed2hem in het verderf te storten, zooals Dejanira den ontrouwen Heracles had gedaan. Zij dacht kleingeestig, kleingeestig was haar wrok, kleingeestig haar haat en kleingeestig ook haar wraak.
Dat Pericles vóór Samos overwonnen, dat hij het schip van den vijandelijken veldheer in den grond had geboord, wat baatte het hem tegenover de Erinnys, die aan zijn haard haar zetel had opgeslagen? Terwijl de agora van zijn roem weergalmde, moest hij in zijn eigen huis de kleingeestige, kijvende taal, den smadelijken afgunstigen blik van Telesippe verdragen.
En Elpinice? Zij sprak tot Pericles, toen zij hem voor het eerst na zijn terugkeer ontmoette:
„Schaam u, Pericles! Mijn broeder Cimon heeft over de Perzen, over barbaren gezegevierd, gij echter hebt Hellenen-bloed vergoten en laat u verheerlijken als de onderdrukker van uw eigen stamgenooten.”—
Zonder heftig op te stuiven, zwijgend, zooals het zijne gewoonte was in den omgang, doch niet zonder ernstige overweging en fiere plannen, liet Pericles den tweestrijd, die met de verschijning van Aspasia zijn hart had bestormd, der beslissing te gemoet snellen. Hij had in den beginne gemeend, dat het gemakkelijk zou zijn de rechten der geliefde gescheiden te houden van de rechten der gade. En had Telesippe zelve dit niet geloofd? Had zij niet met verachting op de Milesische hetaere[7]neergezien, die wel is waar het hart van haar echtgenoot had veroverd maar die toch haar heerschappij aan den huiselijken haard moest laten, haar, de wettige gade? Had zij niet de vreemde van den drempel des huizes verdreven en had deze niet voor haar moeten wijken?
Maar de zaken waren veranderd. Pericles zelf was niet meer, die hij geweest was. De gedachte aan eene echtverbintenis van een anderen aard was niet te vergeefs als een gloeiende vonk in zijne ziel geworpen.
De dagen, waarop het grootste van alle Atheensche feesten gevierd zoude worden, waren teruggekeerd.
De bevolking der landelijke vlekken stroomde naar de stad; want het feest was, wat zijn naam uitdrukte en wat het zijn moest naar de gedachte van zijn stichter Theseus, een steeds vernieuwd verbroederingsfeest van het gansche Attische volk. Maar ook van heinde en verre, uit de verbonden steden en eilanden, uit de koloniën, ja uit geheel Griekenland kwamen de gasten.
Nog nooit echter had Athene eene zoo groote menigte van burgers en vreemdelingen binnen zijne muren verzameld gezien. Want ditmaal voegde zich bij de aantrekkelijkheid, die het vieren der Panathenaeën steeds had geoefend, de begeerte om het schoone Parthenon dat voor de eerste maal geopend werd, het van goud en ivoor stralende standbeeld van de Pallas Athene van Phidias onthuld te zien.
Gedurende verscheidene dagen hadden de gewone wedstrijden plaats vóór den aanvang van den grooten feestelijken optocht. In de vallei aan den Ilissus streden de jonge helden uit de Atheensche worstelschool om den prijs. Eerst worstelden de uitnemendste knapen, dan de dapperste jongelingen, vervolgens de krachtigste mannen in alle soorten van den Helleenschen worstelstrijd. In den wedkamp der knapen overwon ook ditmaal de pleegzoon van Pericles en de lieveling van alle Atheners, Alcibiades, echter tot ergernis van Telesippe,[8]die den knaap haatte, omdat hij hare beide minder begaafde, weinig belovende zonen, Paralus en Xantippus, geheel en al in de schaduw stelde.
Hoe bruischt het bloed in de aderen van den jeugdigen overwinnaar, terwijl hij alle overige wedstrijden mede aanzag, waaraan hij echter tot zijn leedwezen slechts als toeschouwer, niet als mededinger om den prijs, mocht deelnemen! Met welk een afgunst zag hij, in geleide van Pericles buiten de stad gekomen op de vlakte, die westwaarts van den Piraeüs gelegen was, het opdwarrelende stof vochtig worden door den dampenden adem der rennende rossen! Hoe bewonderde hij den kampioen in de hippische3kunst, staande op den met vurige rossen bespannen wagen, op elke kar naast den menner de met helm en schild gewapende strijder, die, terwijl het span in toomelooze vaart door de renbaan stoof, er af sprong en in krachtigen loop een eind met de kar om ’t hardst liep, om dan met even zekeren sprong weder op den wagen te recht te komen!
En hoe voelde de knaap zich door den beroemden wapendans der jongelingen medegesleept! Hoe fonkelde zijn oog bij dit krijgshafte spiegelgevecht toen de jongelingen op de maat der muziek allerlei krijgsbewegingen maakten, alle soorten van aanval, van verdediging, van ontwijken beproefden, in den danspas en onder begeleiding van den rhythmus der tonen, waarbij in de maat met de zwaarden tegen de opgeheven schilden geslagen werd, zoodat de heldere klank van het metaal vereenigd met de tonen der muziek, soms ook met het gezang van krijgsliederen, eene soort van strijdlustige stemming en vervoering ook bij den toeschouwer opwekten! Toen nu zelfs de jonge Alcibiades, door deze vervoering aangegrepen, de bewegingen der zwaarddansers begon na te doen en van begeerte scheen te branden, zich in hunne rijen te mengen, moest Pericles aan het verhaal van Artemidorus[9]denken en aan het tooneel toen de Milesiër zijn zoon Chrysanthes op den Tmolus plotseling zag aangegrepen van den waanzin der Corybanten. En waarlijk, dit gewoel van den wapendans zou aan de rijen der Corybanten hebben kunnen herinneren, zoo daar niet alles wild en huiveringwekkend, hier niet alles in plechtige en edele maat zich aan het oog vertoond had.
Maar ook de nacht had zijn feest: den grooten fakkelwedloop, waarmede de Atheners hunne Goden des lichts: Hephaestus4, Prometheus en Pallas Athene plachten te vereeren. Alleen de schoonste en kloekste jongelingen van Athene werden tot den wedloop toegelaten. Het kwam er op aan de fakkels brandende aan den eindpaal te brengen: wiens toorts onder den loop uitging, moest uit de rij treden. Wie langzaam liep, om de vlam aan te houden, werd door de levendige spottende kreten van het volk tot spoed gedreven.
De Atheensche stammen kozen uit hun midden de schoonste grijsaards, de statigste mannen, om den grooten feestelijken optocht op te luisteren en zij waren in hunne keuze zeer streng. Uitgelezen ook waren de jongelingen en jonkvrouwen, die aan den optocht deelnamen; alleen kon bij de bloeiende jeugd de keuze minder streng zijn, dan bij de ouderen en grijsaards, om aan het oog slechts welgemaakte, schoone en edele vormen te toonen.
Onder de wedstrijden behooren ook de kunsten der Muzen.
Pericles was het geweest, die, elke soort van voortreffelijkheid met gelijke warmte aankweekende en bevorderende, ook het spel van snaren en fluiten en danskoren in den kring der wedkampen bij de Panathenaeën had opgenomen. Want onder de ambten en waardigheden, die hij bekleedde, behoorde[10]ook dat van leider der openbare spelen en feesten te Athene.
Toen nu de dag van het eigenlijke feest aanbrak, waarop de zoogenaamde peplos naar oud gebruik aan de schutsgodin Athene in hetErechtheümgebracht en de overwinnaars in de Panathenaeïsche wedstrijden in het nieuwe Parthenon gekroond zouden worden, werd de feeststoet in de wijk der Ceramicus in orde geschaard.
De geheele wijk wemelde van drommen, die zich naar de vereenigingsplaats begaven. Dit vereenigingspunt leverde echtereeneven levendig, bont en schitterend tooneel van verwarring op. Hier stond het ten offer bestemde, schoon gehoornde rund in zijne volle kracht, daar ontlaadde zich de vurige, sterke, stalen aard der fiere rossen, als ’t ware electrisch, in een vonkenspattenden hoefslag. Nevens de ongeduldig steigerende rossen stonden jongelingen, die hen met krachtige hand aan de schitterende teugels hielden of bezig waren hen op te toomen of ook in kunstige wendingen hunne snelheid te beproeven. En zoo verkwikte zich thans het oog aan levendige groepen, aan beelden van kracht en welgemaaktheid.
Het bonte kluwen ontwarde zich. De feeststoet begon zich in orde te scharen. Nadat dit geschied was, zette hij zich onder de muziek van trompetten, fluiten en snareninstrumenten in beweging. Vooraf ging de hecatombe der offerdieren, honderd uitgelezen, schitterende runderen, bestemd om op de Acropolis ter eere van de Godin geslacht te worden en vervolgens tot feestmaal te dienen: prachtige dieren, met vleezigen, sterken nek, laag afhangende kwabben, de horens als de beide armen eener lyra schoon gekromd, met bloemkransen getooid en aan de spits voor een deel verguld. Zij werden geleid door krachtige jongelingen, die met sterke hand de ongeduldige, weerbarstige dieren bedwongen. Rammen volgden op de runderen, niet minder schoon en sterk, met schoone horens en vachten. Achter deze dieren, benevens hunne drijvers,[11]offerdienaars en offerpriesters, gingen zij die verschillende andere offergaven droegen: offerkoeken op platte schalen, vloeibare stoffen, deels in zakken, deels in groote, schoon gevormde kruiken gedragen.
Nu volgde een schitterende stoet van Atheensche vrouwen en jonkvrouwen, in rijk feestgewaad, die gouden en zilveren werken droegen, prachtige pronkvaten, welke het geheele jaar door op eene daarvoor bepaalde plaats bewaard en bij zulke feestelijke gelegenheden ten toon werden gedragen. Sierlijke korfjes, gevuld met bloemen, vruchten, reukwerk, droeg een deel der bevallig met goud versierde meisjes op de hoofden. Uit Athene’s bloeiendste dochteren gekozen, teeder en statig, bekoorlijk en waardig te gelijk, verrukten deze korfdraagsters ieder oog door de zedige bekoorlijkheid harer uiterlijke houding en bewegingen. Het waren knoppen, kuisch besloten, maar fonkelend van den dauw der jeugdige frischheid. Het jaar door verborgen, evenals die gouden pronkvaten, en aan het oog der wereld ontrukt in het binnenste der vrouwenvertrekken, waren zij thans als ’t ware te voorschijn gebracht om te schitteren in het licht van den feestdag. Het heerlijke feest onthulde, wat anders voor de blikken verborgen was; het onthulde, ontketende alles, wat schoon en schitterend was. Heden schoot de God der liefde zijne schichten, heden ontmoetten elkander de blikken van bekoorlijke jonkvrouwen en jongelingen, begeerig naar liefde. Jeugdige ongedwongenheid werd getemperd door de aangeboren bekoorlijkheid, die hare stralen vrij en vroolijk rondom zich verspreidde.
Achter deze schitterende offergaven werden de nog heerlijker wijgeschenken gedragen, wier getal nooit grooter geweest was dan thans: prachtig vaatwerk, fonkelende gouden en zilveren schilden, drievoeten van den bekoorlijksten vorm, rijkelijk versierd, ook beeldwerken van de hand der beste meesters. Dat alles, openlijk gedragen, schitterde oogverblindend in de stralen der zon.[12]
Aan den stoet van jonkvrouwen sloten zich de liefelijke, teedere, nog kinderlijke meisjesgestalten der Arrhephoren aan, in den feestdos, dien zij bij hare heilige verrichtingen op de Acropolis gedragen hadden en onder haar de lieve, kinderlijk vrome, moedige Hipparete.
Nu volgden de dragers en geleiders van die geschenken en offers, die aan de Godin van de Atheensche koloniën of van de met Athene verbonden steden en eilanden gebracht werden.
Nu echter kwam eerst van alle wijgeschenken het belangrijkste, het glanspunt van den geheelen feeststoet, het groote, rijke, prachtige weefsel, de peplos. Niet door menschenhanden werd het gedragen: als een zeil was het over een soort van prachtschip gespannen, dat in den feesttrein zich op raderen voortbewoog. Dit gevaarte, een werk van buitengewone schoonheid en grootte, moest het niet in de rijen, die de Atheensche grootheid en macht te kennen gaven, aan de heerschappij ter zee der Atheners herinneren en aan den zeegod tegelijk, wiens eeredienst sinds overoude tijden in verband stond met dien vanErechtheüsen Pallas op den burg? En dat de peplos in plaats van het prachtschip hoofdzaak was geworden in den optocht der Panathenaeën, herinnerde het niet aan de overwinning van de Godin des lichts Pallas Athene in den kamp met den donkeren drietandzwaaier5. Het aandeel door de Godin des lichts aan den strijd der Goden tegen de Giganten6genomen, was voorgesteld in schitterend goudstiksel, kunstig op den purperen of saffraan-gelen grond van het weefsel aangebracht. Boven den mast van het prachtschip uitgespannen, zag men eene afbeelding van dien kamp der lichtgoden tegen de ruwe natuurmachten in goud weefsel voorgesteld,[13]die hoog in de lucht zich verheffend, het volk heinde en verre duidelijk tegenschitterde in den glans der zon.
Achter het prachtschip met de peplos liepen de overwinnaars in dePanathenaeïschewedstrijden, met fieren tred: de citherspelers en fluitblazers met hun muziekinstrumenten, de overwinnaar in den fakkelloop, met de brandende fakkel in de hand, waarmede naar oud gebruik het vuur voor de groote feestoffers der Godin op de Acropolis werd aangestoken, de overwinnaars in den wedren der rossen en wagens, met hun prachtige vierspannen, op elk de menner en zijn makker met helm en schild: voorts, met olijftakken in de handen, die stoet van schoone, eerbiedwekkende grijsaards, die in den wedstrijd van mannelijke welgemaaktheid de overwinning hadden weggedragen. Als op edele voorbeelden staarde de Atheensche jongelingschap op deze mannen, met hun zilveren lokken, die eene eerwaardige schoonheid en frischheid van lichaam en ziel tot op den laten ouderdom hadden bewaard. Op hen volgde de trein der epheben, Athene’s mannelijke jeugd, slanke gestalten, donker gelokt, met vurigen blik, op de edele rossen als goed geoefende ruiters zittende. Door de strategen en taxiarchen7aangevoerd, marcheerde achter de epheben de strijdbare manschap van Athene: de zwaargewapenden en de ruiterij der Edelen8in schitterende wapenrusting op de schoonste en vurigste rossen—want te paard verscheen de rijke en voorname Athener in feestelijken optocht als in het veld—vervolgens in eene eindelooze reeks de burgerij, met de overheden aan het hoofd; het volk naar gemeenten9ingedeeld, mannen en vrouwen in feestgewaad, met myrthentakken in de hand, achter de burgers de vreemdelingen,[14]die het burgerrecht hadden verkregen, hunne vrouwen met eikentwijgen in de hand, als smeekelingen van Zeus Xonios, den God der gastvrijheid. Andere vrouwen en dochters dier vreemdelingen liepen achter de Atheensche burgeressen, wier bescherming zij genoten en droegen zonneschermen in de hand, om haar, als de trein in de brandende zon stilhield, boven het hoofd te houden of stoelen zonder leuning, klein en sierlijk van vorm, waarop hare beschermvrouwen zich dan konden neer laten.
Deze stoet bewoog zich van den buiten-Ceramicus door de schoonste straten der stad, tot op de Agora, die met eikenloof bestrooid, overigens ook feestelijk was versierd: het werk der slaven voor dien dag. Hier hield de trein derhalve voor het eerst halt en het eskadron der voorname Atheners in zijne schitterende wapenrusting voerde op de ruime plaats bewegingen en manoeuvres uit, die bijna het prachtigste deel van de geheele feestviering uitmaakten.
Terwijl de stoet op de Agora verwijlde, had een deel der geleiders van de offerdieren met eenige der dieren zich daarvan afgescheiden, om vooraf de beide gebruikelijke offers, het ééne op den Areopagus, het andere bij het altaar van Athene Hugieia te brengen.
Nadat deze vóóroffers gebracht waren, zette zich de feesttrein met de hecatombe en het prachtschip weder in beweging. Hij nam zijn weg ook verder door de voornaamste straten en trok langs de beroemdste heiligdommen, waar men een poos stilhield, om den God te vereeren door offers of door het aanheffen van een paeän.
Toen men de plaats bereikt had, waar de weg naar den heuvel van de Acropolis voerde, werd van de paarden en wagens achtergelaten, wat langs den breeden maar steilen weg den stoet niet volgen kon, of wat op de hoogvlakte van den burgt geen genoegzame ruimte zou gevonden hebben. Doch het ontbrak niet aan koene ruiters noch aan wagenmenners, die met hunne moedige paarden[15]toch in den trein bleven, terwijl zij zich zooveel mogelijk op het midden van den breeden weg hielden, omdat daar door geribd pleister het gevaar van uitglijden, zoowel voor paarden als voor raderen, verminderd was.
Op de Acropolis gekomen, maakte de stoet halt tusschen het Erechtheüm en het pas voltooide heiligdom van Pallas Athene. De peplos werd in het Erechtheüm gebracht en het groote offer der hecatombe begon onder het aanheffen van een paeän voor een in de open lucht staand altaar aan de oostzijde van het Parthenon.
Maar geen blik der menigte drong tot in de schemerende zaal van het Erechtheüm door, waar het overoude, houten beeld van Athene, op een met bloemen bekransten troon staande, zijne gewone schatting, de peplos, ontving. Onopgemerkt bleef ook het heilige offer: ieder oog richtte zich op de pracht van den schitterenden tempel, welks poorten zich heden voor het eerst voor de blikken van het Atheensche volk ontsloten.
De eerste indruk, dien het nieuwe feestgebouw maakte, was onbeschrijfelijk. Alles was schitterend marmer, van de blokken der grondvesten tot aan de sierlijk gemetselde hoogste tinnen. En wat geen marmer was, stralend in zijne jonkvrouwelijke reinheid, was goud of heldere kleurenpracht.
Van het westen naar het oosten, in een langwerpig, van zuilen voorzien vierkant, verhief zich fier en vrij de heerlijke tempel, door het zonlicht omstraald, op zijne hoogte. Edel, regelmatig in zijne afmetingen scheen hij toch van zijne geweldige fundamenten met wondervolle bekoorlijkheid schier reusachtig naar boven te streven. De grondvesten zelven met de opwaarts voerende marmertrappen verhieven zich boven het hoofd van den toeschouwer. De tempel zelf echter met zijn woud van marmeren zuilen, met het versierde beeldwerk zijner rondomloopende friezen, met de kolossale marmergroepen, vol leven, die de breede gevels als ’t ware met eene schare van heerlijke gestalten bevolkten,[16]stralend van goud en de schitterendste kleuren, hier en daar den glans van het witte Pentelische marmer doende verbleeken, scheen van de verlichte hoogvlakte als ’t ware tot de maagdelijke Godin zich te verheffen in haar rijk des lichts, den daar geheiligden aether.
Niets echter boeide in deze eerste oogenblikken der beschouwing het oog des Atheners zoo zeer als de groote in kolossale marmergroepen voorgestelde tooneelen, die de breede velden der beide gevels vulden. Dit gezicht was overweldigend. Want de heerlijke gestalten, zooals zij rustend, staande, loopende, niet slechts in verheven beeldwerk, maar als standbeelden losgemaakt van den achtergrond, zich in fijn aangegeven betrekking tot elkander vertoonden, zij schenen uit hunne lijsten te voorschijn te willen treden en af te dalen onder het volk der door de Goden geliefde Atheners. Hunne houding en beweging hadden de juiste maat, maar toch waren zij vol gezond, heerlijk, bloeiend leven in zinrijke vorm afgebeeld.
De Athener zag op den oostelijken gevel het oogenblik voorgesteld na de geboorte der Godin uit het hoofd van Zeus: in het midden den God, de Godin en den Titan Prometheus, die het hoofd Gods heeft gekloofd, om de Godin des lichts te doen geboren worden: van daar naar beide kanten heenspoedend met de blijde boodschap Nike10en Iris11, haar tegemoet snellend, Godinnen en heroën, die met vreugde de tijding vernemen; links in den gevel Helios met zijne vurige paarden opstijgend; rechts de Godin van den nacht met haar span nederdalend in de stroomen van Oceanus. Den strijd van Poseidon echter met Pallas Athene om het bezit en het beschermheerschap van het Attische land, bevatte de westelijke gevel: in het midden de beide strijdende godheden: de onstuimige[17]Poseidon, die zooeven met den drietand de heilige bron uit de rots heeft geslagen, tegen hem over Pallas Athene en de op haar bevel ontstane olijfboom; naast haar het hoog steigerende span voor den zegetocht; godheden en heroën van het Attische land zich bij de Godin aansluitend, bij Poseidon het gevolg zijner zeegoden. Van deze gestalten, allen meer dan levensgroot uit het marmer gebeiteld, dwaalde het oog naar de kleinere beeldwerken van den fries boven de zuilen, waar in de lange rijen der metopenvelden, kampstrijden der Grieken met woeste Centauren waren voorgesteld; vandaar door de zuilen, die rondom den tempel liepen tot aan het beeldwerk van den inwendigen fries, die den buitensten marmeren wand van den tempel omgaf. En door het gezicht daarvan begon het oog van den Athener nog vuriger te stralen, want hier aanschouwde de levendige feeststoet zijn eigen beeld, uit marmer gehouwen: tooneelen uit den optocht der Panathenaeën en wat daaraan vooraf was gegaan: afbeeldsels van schoone, zedige jonkvrouwen, van krachtige jongelingen op steigerende rossen, fier stuivende spannen en voorstellingen van hippische agonen12het overreiken der peplos en, te midden van al dat menschelijk schoone, Olympische Goden, uit hunne onzichtbare en ongenaakbare gewesten nedergedaald als getuigen van het heerlijke feest. Zoo eenvoudig, zoo onopgesmukt en edel scheen hier bij alle schoonheid iedere gestalte, dat zij uit het marmer tot het Atheensche volk voor alle volgende tijden scheen te zeggen: „Houd de schoone maat en laat uw leven steeds in zulk een edelen eenvoud, in zulk eene schoonheid en reinheid bloeien, als het hier zich aan u vertoont in de marmeren beelden uit de werkplaats van den diepzinnigen Phidias!”
Ten aanschouwe van het ongeduldige volk betraden thans, nadat het offer der hecatombe was verricht, in plechtigen stoet de eerste overheidspersonen[18]van Athene de trappen van den tempel. Zij schaarden zich daar aan weerszijden van de poort. In hun midden stond Pericles en de Archon Basileus.
Thans openden zich de breede, sierlijke metalen deuren des tempels. Het inwendige deed zich met zijne schitterende zuilen aan de oogen voor en Phidias’ nieuw, schoon beeld van Pallas Athene vertoonde zich in al zijn luister prijkend voor de eerste maal in de heilige schemering aan het volk der Atheners.
Thans hieven de feestgenooten een lofzang aan ter eere van de Godin. Toen die klanken weggestorven waren, trad Pericles te voorschijn en sprak van de trappen des tempels aldus tot de verzamelde menigte:
„In overoude tijden had Pallas Athene de volheid aller aardsche zegeningen over de wieg van het Atheensche volk uitgestort en als de geefster van de voedzame olijf, als de schenkster der voornaamste goederen, als zij, die de welvaart van het Attische land had gegrondvest en bevorderd, werd zij vereerd in dat eerwaardige, doch ruwe houten beeld van het Erechtheüm. Toen echter was de tijd gekomen, waarop Athene zich het zwaard aangordde, aan de spits van Hellas de Barbaren bekampte en, in de zegepralen gestaald, tot den bloei zijner macht zich verhief. Als herinnering van dien tijd stond op den burg het over land en zee, heinde en ver zichtbare reusachtige beeld der Athene Promachos. Nu echter was de tijd aangebroken, waarop het innigste en diepste wezen van de Godin en daarmede het schoonste deel harer zegeningen over het Attische land en volk werd uitgebreid. Nu wilde zij zich ten volle openbaren als de Godin van den lichtenden aether, in welks glans de nacht verdwijnt, als de nadenkende, schrandere, om wier voorhoofd de vrije gedachte in schoone klaarheid zweeft, als de steun van alle kunsten en wetenschappen en alle zegen, die voortspruit uit den geest. Als zoodanig had Phidias haar thans voorgesteld,[19]een Pallas Athene des vredes. En over deze nieuwe gestalte der Godin had men het nieuwe, harer waardige tempelgebouw gesticht, geen priesterlijk huis voor offergaven, maar een Panathenaeïsch feesthuis der Godin, waarin zij het waarachtig licht en de waarachtige macht van haar wezen, losgemaakt van alle priesterbekrompenheid, vermocht te openbaren. Zinrijk omgaf dit tempelhuis de Godin, uitdrukkend de openbaring van haar wezen zelf en tevens die van het volk, dat zij beschermt. En zoo wilde men dan ook in het vervolg nog de peplos aanbieden aan het overoud eerwaardige, houten beeld van de schutsgodin der stad, de oude, heilige zeden der vaderen eerende: doch doel en middelpunt van het feest der Panathenaeën moest voortaan het Parthenon zijn. Hier zouden van nu af de overwinnaars in de agonen hunne prijzen uit de hand der kamprechters, zittende aan de voeten der Godin, ontvangen, en tot de beeldwerken van het schitterend feesthuis zou het volk zich wenden, om die uitstraling van het innerlijk wezen der Godin in zich op te nemen, zijn gemoed te vervullen met het grootsche en heerlijke, dat hier van de wanden en gevels en friezen in marmeren taal sprak. In deze beelden zou de Athener de geschiedenis lezen van zich zelven, lezen het in steen gehouwen heldenlied der zege des lichts en des geestes over al het duistere en ruwe. Zich zijner kracht bewust, moest de geest in den Helleen ontbranden van edele begeerte om altijd het gedenkteeken waardig te blijven, dat hij hier voor alle volgende tijden zich zelven had opgericht.”
Door deze woorden van Pericles geraakte het volk in vervoering en door duizende stemmen werd opnieuw de paeän aangeheven ter eere der jonkvrouwelijke Godin; onder dit gezang en onder de muziek van fluiten en snareninstrumenten, die den feeststoet begeleiden, betrad, op den wenk van den Archon Basileus en door hem geleid, voor het eerst de stoet der jonkvrouwen de trappen en ging[20]door de geopende poorten van het Parthenon. Door maagdelijken voet zou het nieuwe heiligdom der maagdelijke Godin het eerst betreden worden. Op de jonkvrouwen volgden de jongelingen en terwijl genen zich in het binnenste van den tempel ter rechter, dezen ter linker zijde van het beeld der Godin schaarden, onder het voortdurend gezang van de paeän, betraden zij, die wijgeschenken in den feesttrein droegen, het feesthuis en legden de geschenken aan de voeten der Godin neder. Andere wijgaven, bijzonder blinkende, gouden en zilveren schilden, werden opgehangen aan de zuilen des tempels. Nu werden de overwinnaars in de Panathenaeïsche wedstrijden over den drempel geleid benevens de kamprechters en zij, die in Athene de hoogste waardigheden bekleedden.
Luider klonk de muziek van fluiten en cither, bezielender schalde de paeän door de marmeren portalen, toen het prachtige beeld der Godin onmiddellijk zich voor de oogen der in de tempelzaal aanwezigen en steeds toestroomende Atheners vertoonde. Daarop waren alle blikken gericht.
Oogverblindend als de tempel, schitterde ook de kolossale godengestalte: van ivoor waren de onbedekte deelen gevormd, van goud al het overige; diepzinnig voor zich heen staarde het ernstige, schoone hoofd, bedekt door den zwaren helm, waaronder weelderige lokken neergolfden. De trekken van het gelaat hadden eene peinzende uitdrukking, maar het diepzinnige scheen zich in eene vriendelijke opgeruimdheid op te lossen. Ter linkerzijde van de Godin rustte het schild vreedzaam staande, niet meer krijgshaftig opgeheven. De lans was niet langer strijdvaardig in hare hand geklemd. Niet als kampioen verscheen zij meer doch wel als overwinnares. Op hare uitgestrekte rechterhand droeg zij eene gevleugelde zegegodin, evenals men eene duif of valk draagt. De gevleugelde zegegodin bood haar een van goud stralenden krans aan. Onder de bescherming van het schild kronkelde zich de heilige burgtslang, zinnebeeld van de eerstgeboren,[21]door de Goden bewaakte kracht van het Attische land en volk. Over de borst der Godin hing het Aegispantser13met het versteenend Gorgonenhoofd. Onder het breedgewelfde, hoog verheven sieraad van haar helm was eene Sphinx zittende afgebeeld, ter rechter en linker zijde daarvan griffioenen, zinnebeelden van diepzinnigheid, scherpzinnigheid en waakzaamheid. Nog ander verschillend beeldwerk trachtte het wezen van de Godin duidelijk uit te drukken: op de buitenzijde van het schild de strijd tegen de wilde Amazonen14, op den binnenkant de trotsche Giganten, op den rand der sandalen de ruwe Centauren; en zoo overal strijd tegen de woeste, donkere machten.
Waardig welfde zich het prachtig huis over het heerlijke beeld der Godin. In eene dubbele rij liepen de schitterende zuilen, met bloemkransen feestelijk omwonden, door de tempelzalen, ze in drie schepen verdeelend. Bij de zijschepen echter vormde eene tweede zuilengaanderij boven de eerste eene bovenverdieping, een open omgang. Eene groote,vierkanteopening was er in het midden van het platte dak, dat op die bovenste zuilenrij rustte, zoodat het licht in den tempel viel, die niet van vensters voorzien was, en het beeld der Godin bescheen. Aangrijpend was deze van boven binnenstroomende heldere aether in de eerbiedwekkende en goddelijke stilte des tempels: het gemoed werd door den blik naar die licht verspreidende opening en den blauwen hemel, die zich daarboven welfde, verlicht van den overweldigenden indruk van het prachtige en grootsche pronkstuk. De valken en de adelaars, het vurig span van Helios en de donderwolken van Zeus trokken daarover heen en bij het afwisselend spel van licht en schaduw,[22]nu eens door een gouden glans, dan eens door een wit zilverlicht omstraald, dan weer in eene halve schemering gehuld, scheen het gelaat der Godin als met veranderde trekken ernstiger of zachter van hare hoogte neer te zien. In de edele majesteit van den tempel was niets, wat het oog van de Godin kon afleiden; alles voerde tot haar terug, zelfs de rij der schoon gevormde, schitterende wijgeschenken tusschen de zuilen. Niets was daar aanwezig van die verstrooide en verstrooiende pracht, waarmede andere tijden en andere volken de huizen hunner Goden trachtten te versieren. Eenzaam stond in den geheimzinnig stillen marmeren tempel, zich badend in licht en glans, het reusachtige, verheven schoone beeld der Godin.
Nadat alzoo het nieuwe feesthuis van Athene door het Atheensche volk onder bezielende liederen, begeleid door fluiten- en snarenspel, der Godin was opgedragen en gewijd, en de rijke wijgeschenken aan hare voeten waren neergelegd, begon de verdeeling der prijzen aan de overwinnaars in de Panathenaeïsche kampspelen. De overwinnaars werden door de prijsrechters opgeroepen, en daar ’t eerst aan de zegevierende knapen, dan aan de jongelingen, eindelijk aan de mannen de prijzen uitgereikt werden, was ’t de veertienjarige zoon van Clinias, Alcibiades, die als overwinnaar onder de knapen, het eerst in het pas geopend Panathenaeïsch feesthuis opgeroepen werd en den prijs ontving uit de handen der rechters. Den fier en vroolijk rondzienden knaap viel eene prachtig gevormde amphora15ten deel, waarop in schitterende kleuren was voorgesteld, hoe de jonge Heracles de beide slangen verworgde. De schoone vaas was echter gevuld met olie van de heilige olijven van Pallas Athene in den tuin der Academie. Dergelijke eergeschenken ontvingen de overwinnaars in de[23]overige agonen; hun echter, die in de musische16wedstrijden de zege hadden behaald, werden gouden kransen toegekend.
Toen alzoo de verdeeling der prijzen had plaats gehad, geschiedde nog onder de oogen van het volk het overbrengen van den Atheenschen schat naar het achtergedeelte van het Parthenon. Dit gedeelte hetwelk mede omgeven door de zuilen van het Parthenon, zich in westelijke richting aan de tempelzaal aansloot, was eene rondom versterkte ruimte, zonder vensters, en kon slechts door eene lamp verlicht worden; in haar geheimzinnig schemerlicht zouden de gemunte en ongemunte schat van Athene benevens kleinoodiën van allerlei aard, kostbare sieraden en pronkstukken, ook hoogst gewichtige oorkonden van den staat voortaan bewaard blijven onder het toezicht van den schatmeester van het Atheensche volk.
Onder de scharen van het volk, dat over de hoogte der Acropolis zich her- en derwaarts bewoog en den thans onthulden luister van het Parthenon bewonderde, bevonden zich ook velen, die uit den vreemde waren gekomen.
Onder hen ook een Spartaan.
Toen deze de nieuwe tempelzaal wilde betreden, werd hij door een Atheensch jongeling, die hem reeds eenigen tijd met wantrouwende blikken had vervolgd, bij den schouder gegrepen, terwijl hij hem toeduwde:
„Weg van dezen drempel! Doriërs is het verboden hier binnen te treden!”
Inderdaad ontzegde eene oude orakelspreuk aan mannen van den Dorischen stam de heiligdommen op den burg te Athene te betreden. En althans tegenover verklaarde vijanden van Athene herinnerde men zich soms deze orakelspreuk. Toen nu eene groote menigte volks zich om denSpartaandrong en de Atheensche jongeling de schampere[24]woorden herhaalde, trok alles partij tegen den vreemdeling en werd hij gedwongen den burg te verlaten.
Zoo flikkerde, zij het ook slechts in eene enkele bliksemflits, voor een oogenblik, zelfs bij het feest des vredes, de vijandschap, die de beide groote Hellenenstammen sedert overoude tijden verdeelde, onheilspellend in het zwerk …
Doch er was ook een Athener op de Acropolis, die op het feestgedruisch, dat bij het nieuwe Parthenon heerschte, met blikken van wrok en afgunst neerzag. Deze Athener was Diopithes, de priester vanErechtheüs.
Wel is waar was naar oud en onveranderlijk gebruik de peplos naar het Erechtheüm gebracht en aan het houten beeld van Athene Polias opgedragen; maar dit was vluchtig en zonder feestelijk gerucht geschied; naar den nieuw gebouwden tempel, het priesterlooze feesthuis van Pallas Athene had het verzamelde volk der Atheners zich heengewend. Niet het uit den hemel neergedaalde Palladium der stad Athene, niet de Godin van zijn heiligdom, maar het ijdele pronkbeeld van Phidias hadden de Atheners hunne hulde bewezen. Voor de voeten van deze nieuwe Pallas Athene, niet in zijn tempel, waren de kostbare wijgeschenken nedergelegd. De Goden van het Erechtheüm waren vertoornd en hun priester met hen …
Evenals op dien dag, toen Pericles en de verkleedde Aspasia in gezelschap van Sophocles op de hoogte van de Acropolis hadden gewandeld, om de grondslagen te zien leggen van den luister, die thans zich vertoonde, stond ook nu Diopithes in gesprek met zijn vertrouwde aan de poort van het Erechtheüm. En zie, evenals toen, terwijl hij met Lampon mokkend en spijtig over de bedorvenheid der tijden sprak, zag hij ook thans plotseling den gehaten man met dezelfde Aspasia over de hoogte van de Acropolis wandelen, vergezeld van Phidias, Ictinus, Callicrates, Sophocles, Socrates en anderen van die uitnemende Atheensche mannen,[25]die met Phidias de Homerische zinspreuk in hunne banier hadden geschreven:
„Pallas Athene gedoogt geen vrees in mij!”
„Pallas Athene gedoogt geen vrees in mij!”
Toen namelijk het uur voor het groote feestmaal was gekomen, waarbij het vleesch van de honderd runderen der hecatombe en de overblijfsels der vóóroffers aan het volk gemeenschappelijk werd aangeboden, bevochtigd door de rijkelijke gaven van Bacchus, wandelde die uitgelezen schaar op de thans stille Acropolis rond, om ongestoord het voltooide werk in oogenschouw te nemen.
Het gelaat van Phidias was heden niet ernstig en gerimpeld, als anders; een opgeruimde glans straalde over zijn hooggewelfd voorhoofd.
Ten hoogste verheugd sprak Pericles, hoe hij, na het begin en het allengs vorderen van al deze werken te hebben nagegaan, thans, na eene afwezigheid uit Athene van een jaar, verrast was door een voltooid werk, welks luister hij niet had kunnen vermoeden. En wederom roemde hij, hoe zooveel heerlijks in zoo’n kort verloop van jaren voltooid en als ’t ware voortgekomen was uit één enkel hoofd.
Doch Phidias zeide, dat niet door het hoofd alleen, maar door de duizende kunstvaardige handen, die dat hoofd ten dienste hadden gestaan, het wonder was geschied. Zij hadden ook eigenlijk niet één hoofd, maar één geest gediend, die in de schoonste harmonie allen bezielde.
Terwijl de mannen alzoo in blijde, opgewekte stemming de sierlijkheid der nieuwe scheppingen als met een vreugde-dronken oog genoten en hunne gewaarwordingen in woorden lucht gaven, zag men Aspasia wel in gespannen aandacht, met fonkelenden blik en gloeiende wangen, doch zwijgend de werken van Phidias, Ictinus en de overige kunstenaars beschouwen.
Haar zwijgen bevreemde zelfs Phidias, den grootsten zwijger onder de mannen, en hij sprak eindelijk[26]met den hem eigen ernstigen glimlach, zich tot Aspasia wendend:
„Als mijn geheugen mij niet bedriegt, wordt sedert lang de schoone Milesische te Athene door velen als de hoogste rechter beschouwd in alle zaken, de kunst betreffende. Ook heeft zij, voor zoover ik mij herinner, nooit geschroomd haar oordeel uit te spreken. Hoe komt het, dat zij, eene vrouw, ons mannen heden door haar stilzwijgen beschaamt?”
Aller blikken waren vol spanning op Aspasia gevestigd en ieder hechtte voor zichzelven de grootste belangstelling aan de vraag van Phidias.
„Terecht,” sprak Aspasia, „herinnert gij er aan, o Phidias, dat ik eene vrouw ben! Uit dien hoofde ben ik niet zoo spoedig gevat als gij, mannen, en is in mijn gedachtengang minder strenge orde en geleidelijkheid. Bewegelijk is het gemoed der vrouw en gij moogt wel toezien, dat gij niet te veel waagt, als gij mij, eene vrouw, de eenige van mijn geslacht, naar het schijnt, het recht toekent om vrij te denken en vrij te spreken. Hier staat de nieuwe, heerlijke tempel, groot als een berg en schoon als een bloem, en welk eene volheid van het volkomene is daarmede tevens voor onzen blik ten toon gespreid en onthuld! Dat alles is zoo bevallig in zijne waardigheid, zoo diepzinnig in zijne natuurlijkheid, zoo menschelijk in zijne goddelijkheid, dat ieder mannelijk gemoed daardoor in een toestand van hoogste tevredenheid en volkomen voldaanheid moet gebracht worden. De aard der vrouwen echter is, evenals die der kinderen, dat, als zij met de ééne hand het gewenschte voorwerp aannemen, zij de andere reeds naar iets anders uitstrekken en het oog wellicht reeds op een derde voorwerp richten. Ware ik een man, ik zou mij in dit oogenblik tevreden stellen, in geestvervoering Phidias als den eersten, als den grootsten van alle Hellenen te prijzen. Als vrouw echter heb ik nog een onvervulden wensch, ja zelfs eene aanklacht tegen u uit te spreken. Vreest gij niet den toorn[27]der gouden Aphrodite, o Phidias? Gij schijnt mij toe steeds slechts het hooge, het reine, het goddelijke te zoeken, om het in menschelijke gestalte te belichamen; en ware het goddelijke niet toevallig altijd tevens schoon, gij zoudt, geloof ik, u om het schoone niet bekommeren. Want nooit zoekt gij het; en wat de zinnen bekoort, het hart ontvlamt, vindt geen weerklank in uwe ziel. De bekoorlijkheid van het vrouwelijke om haar zelve voor te stellen, zooals de dichters het doen in hunne geestdrift, als zij van Aphrodite zingen, versmaadt gij. In een heiligen ernst is steeds uw gemoed verzonken, en uwe ziel zweeft, den adelaar gelijk, alleen boven de toppen der bergen. O Eros, hebt gij geen pijl voor dezen? Waarom, o Cyprische Godin, slaat gij dezen niet in uwe gouden ketenen, opdat hij zijn beitel aan uwe bekoorlijkheid wijde, opdat ook door hem eindelijk uw innigste wezen zoo openbaar worde, als door hem het diepste wezen zijner Godin Pallas Athene openbaar is geworden in dit goddelijk beeld?”
„Inderdaad,” zei Phidias, „heb ik tot nu toe tegen Eros’ peilen en Aphrodite’s boeien beschutting gevonden onder het schild van Pallas Athene, en haar heb ik het wel te danken, dat mijne kunst niet weekelijk en verwijfd is geworden. Beschuldig overigens de Lemniërs, o Aspasia, wanneer ik ook nu, nadat ik juist het beeld der jonkvrouwelijke Godin voor het Parthenon voltooid heb, mijne kunst niet aan de gouden Aphrodite kan wijden. Want het is geen Aphrodite, wat de Lemniërs van mij verlangen, maar een metalen beeld van die zelfde Pallas Athene vragen zij mij reeds langen tijd dringend voor hen te vervaardigen.”
„Wat gij daar zegt,” hernam Aspasia na eene korte pauze, waarin zij over het gezegde van Phidias had nagedacht, „vervult mij met grooter verwachting dan gij zelf denkt! Ik vernam heden hoe Pericles tot het volk sprak, er op wijzende hoe men van het onaanzienlijke, vormelooze houten beeld opgeklommen was tot de geweldige Athene[28]Promachos en van deze tot de jonkvrouw van het Parthenon. Wie zou nu niet gelooven, dat ook de Pallas der Lemniërs weder uit zal munten boven de jonkvrouw van het Parthenon? Wie zou er aan twijfelen, o Phidias, dat, hoe meer gij schept, des te warmer en te schitterender onder uwen tooverstaf de „vuurbron” des levens en der schoonheid uit het marmer of het metaal zal te voorschijn komen? Nadat gij de in de eerste gelederen strijdende manvrouw en de diepzinnige jonkvrouw gebeiteld hebt, wat blijft u nu overig dan de vrouw?”
„Of ik voorwaarts ga,” hernam Phidias, „dan wel van den rechten weg afwijk, als ik naar de inblazingen eener schoone vrouw luister, weet ik niet. Doch wat gij verlangt, schijnt op mijn weg te liggen.”
„Gij aan wien geen Hellenenvrouw hare bekoorlijkheid zou ontzeggen,” vervolgde Aspasia, „moet de vrouw voorstellen en hare bekoorlijkheid, en verkondigen als het hoogste en laatste aan het Grieksche volk: „alleen in het kleed der schoonheid zal de wijsheid alle harten veroveren!”
Zoo onderhield zich Aspasia met Phidias. Pericles echter begon nu met Ictinus en Phidias het plan van de grootsche voorzalen te bespreken, die aan het werk van den burgt aan de zuidzijde de kroon zouden opzetten en die, naar de meening dezer mannen, niet minder verheven en prachtig zouden worden, dan het Parthenon zelf. Steeds van nieuws af aan keerde men vol aandacht en genot naar het voltooide terug, naar de beeldwerken, naar de heerlijke wijgeschenken. De werken van den een of anderen leerling van Phidias, op de gevels of friezen prijkend, werden beoordeeld: hier werd Alcamenes geprezen, daar Agoracritus, en zoo ieder der tallooze beeldhouwers, die met vurigen ijver aan dit meesterstuk hunne krachten hadden gewijd.
Nu echter voerde Phidias Pericles en allen, die om hem waren, naar het werk van den peinzenden[29]zoon van Sophroniscus, naar de groep der Chariten, die de waarheidzoeker als wijgeschenk voor de Acropolis had vervaardigd.
Zij zagen de drie jonkvrouwen in marmer gebeiteld, elkander omstrengelend, gelijkend op elkander en toch wederom van een verschillend karakter. Bekoorlijk was de eene gebeiteld, edel en gestreng de andere, peinzend de derde.
Toen de beschouwers zich over deze verscheidenheid verwonderden, zeide de beeldhouwer met eene uitdrukking van lichte droefheid op het gelaat:
„Ik meende, dat gij u over deze verscheidenheid niet zoudt verbazen, integendeel dat gij ze ten volle natuurlijk zoudt vinden. Waarom zou men een drietal van Chariten aannemen, zoo zij alle drie geheel gelijk waren en hetzelfde uitdrukten? Ik deed mijn best, om den diepen zin van deze trits na te sporen en ik twijfelde niet of drie verschillende eigenschappen moesten zich in het wezen der Charis vereenigen. Maar het gelukte mij niet te weten te komen, welke de drie verschillende bestanddeelen der Charis waren, totdat Alcamenes ons bij de schoone Theodota bracht. De schellen vielen mij als ’t ware van de oogen, toen de Corinthische achtereenvolgens in haren dans Aphrodite, Hera en Pallas voorstelde. Wat is het karakter van Aphrodite anders dan het lichamelijk schoone? Wat het karakter van Hera anders dan het schoone naar de ziel, of het goede, het zedelijke? En wat heeft het karakter van Pallas anders dan het geestelijk schoone of het ware? En zoo ervoer ik toen, dat lichaam en ziel en geest te samen moesten werken om het volkomen wezen der Charis uit te drukken …
„Dat was het, wat ik toen van Theodota leerde en verzweeg, toen gij daarnaar vroegt; want ik voelde mij gedreven, niet in woorden, maar in een beeld, evenals Phidias, den indruk van mijn geest levendig voor te stellen. Maar het is mij niet gelukt. Want ware het mij gelukt, dan zou deze verklaring niet noodig zijn geweest. Ik heb mij van het[30]marmer bediend en toch moest ik tot woorden mijne toevlucht nemen. Gij echter, o Aspasia, behoeft geen woorden, om mij uw oordeel kenbaar te maken; want ik lees het in uw blik!”
„En wat leest gij dan?” vroeg Aspasia.
„Gij zegt mij: keer terug, o droomer, van de beelden en levendige vormen tot de gedachten, begrippen en woorden!—Ik wil het doen! Ik wil van dezen dag af den beitel uit de hand leggen of liever hem zelven, in plaats van een werk mijner hand, aan de wijze Godin aanbieden als wijgeschenk. En dit beeld mijner gebrekkige kunst wil ik in stukken slaan, tevreden, als de gedachte leeft, die het geschapen heeft en als het, in plaats van in dood marmer belichaamd wordt in den geest, het gemoed en het leven der Atheners!”
„Wijd gij gerust, o Socrates,” zeide Pericles, „uw beitel aan de Godin als wijgeschenk, om voortaan alleen te volvoeren, wat uwe ware roeping is en wat niemand zoo goed verstaat als gij. Maar dit wijgeschenk moet niet verbrijzeld worden; zij het ook minder met kunstenaarshand dan door den geest van den wijze gevormd, toch stelt deze groep de schoonste bestemming van den Helleenschen geest voor oogen: lichaam, gemoed en geest vereenigd in de hoogste harmonie tot den schoonsten bloei der Charis! Edeler kan ons aller trouw streven niet uitgesproken, waardiger niet aangespoord worden tot nieuwe werkzaamheid en scheppingskracht!
„Hier voor dit beeld is het de plaats elkander de hand te reiken tot vernieuwing van het bond, dat ons allen vereenigt. Hier ook is het, naar mij dunkt, de plaats, hier voor het beeld der Chariten, onze edele Aspasia te danken voor datgene, wat zij in vereeniging met ons heeft volbracht, niet zoozeer door hare woorden aansporende, als wel door den gloed, die er van haar wezen uitstraalde, ons onmiddellijk ontvonkend.—Want haar wezen, gij weet het allen, dringt als een lichtstraal tot in de gemoederen door en doet altijd iets nieuws[31]en schoons ontbranden. Vorm uwe Pallas, o Phidias, naar haar beeld! Want zij zegt het u niet alleen, zij heeft het aan u en aan ons allen met der daad bewezen, dat de wijsheid onoverwinnelijk is in het kleed der schoonheid!—
„Vluchtig is anders het spoor van het schoone,” ging Pericles voort: „het komt en gaat als de straal van het gesternte, als de bevruchtende regenwolk. Maar de onvergelijkelijke bekoorlijkheid, die er van Aspasia’s wezen uitstraalt, zal ons als een kostbare schat steeds bijblijven. Niet meer eene vreemdelinge ziet gij voor u, op wie men ongestraft zijne hatelijke pijlen kan afschieten of die men mag beschimpen met onteerende namen. Zij is van dezen dag af mijne wettige gemalin. In vrede is de echtverbintenis, die mij met Telesippe vereenigde, verbroken. In hare plaats heerscht voortaan Aspasia als meesteres aan mijn huiselijken haard. Ik weet, dat de Athener met onvriendelijk oog den medeburger beschouwt, die eene buitenlandsche vrouw als wettige gade zijn huis binnenvoert. Ik weet, dat onze wet den spruiten uit zulk een echt zelfs het Atheensche burgerrecht weigert. Toch heb ik Aspasia tot vrouw genomen. Doch het is eene verbintenis van geheel anderen aard, die ik met haar sluit; een nieuwe vorm van den echt zweeft ons beiden voor den geest, zooals hij tot nu toe—ik weet niet of de schuld aan de mannen of aan de vrouwen ligt—nog nooit verwezenlijkt is. Groote verandering heeft onze staat in den laatsten tijd ondergaan: wanneer nu het algemeene leven zich vernieuwt, waarom zou dan ook niet het burgerlijke, het huiselijke naar eene wedergeboorte streven? Voor mij en deze vrouw zal de huidige dag, die het Atheensche volk op zijn glanspunt heeft getoond, te gelijkertijd een keerpunt zijn en een hoogtij van ons persoonlijk lot. Athene en geheel Hellas streeft onder een nieuw gesternte nieuwe doeleinden te gemoet; wij beiden doen hetzelfde in den engen kring van het huiselijke leven. Hier, evenals daar,[32]is de drijvende geest, gemoed en gedachte dezelfde. En hier als daar zal, naar ik meen, het gelijke zich op gelijke wijze openbaren!”
„Het Parthenon! Het Parthenon!”...„Het Parthenon! Het Parthenon!”…
„Het Parthenon! Het Parthenon!”…
Voordat een der vrienden de aandoening, die door deze woorden van Pericles bij allen te weeg gebracht was, in woorden lucht kon geven, greep Aspasia de hand van haar nieuwen gemaal en sprak:
„Het is zooals gij zegt, o Pericles; ik heb mij de kracht des woords noch de diepte der wijsheid aangematigd. Als ik in vereeniging met u iets heb tot stand gebracht, dan was de werking, die van mij uitging, die der vrouwelijkheid alleen, wie het voor de eerste maal vergund was zonder de boeien der geslachts zich vrij en ongedwongen te uiten. Ben ik een apostel, dan ben ik die der vrouwelijkheid. Wellicht moet uit de vrouwelijkheid de wereld, die tot nu toe in de boeien der ruwe mannelijkheid was, herboren worden, om ieder overblijfsel van barbaarschheid van den vroegeren tijd weg te nemen. En als eene vrouw van den Ionischen stam ben ik ondanks mij zelve, de voorvechtster van het Ionische karakter tegenover den ernstigen, strengen geest van den Dorischen stam, die de schoonste bloesems van het Helleensche leven verstikken zou, als hij de overwinning behaalde. Wee den schoonen Goden van Hellas, als hij ooit in de wereld de overhand krijgt!—Ben ik inderdaad geroepen en machtig voor eene zaak te werken en te strijden en heb ik mij, zooals gij zegt, altijd beijverd bij de meesters der beeldende kunst, om het schoone en het vrouwelijke te bevorderen, dan zou ik voortaan, ook in andere richtingen des levens mij bewegend, een openlijken krijg willen verklaren aan ieder vooroordeel, aan elke onzinnige overlevering, aan iedere bekrompen of ongezonde levensbeschouwing, aan iedere den mensch onwaardige denkwijze. Ik zal, naar bondgenooten zoekend, mij tot de leden van mijne kunne wenden. Zij zullen naar mij hooren, want ik ben de gade van Pericles den Olympiër!”[33]
Zoo sprak Aspasia. De vrienden luisterden naar hare woorden vol aandacht en namen hartelijk deel in haar geluk.
Ook deErechtheüs-priestervernam die woorden in het schemerlicht, achter de zuilen verborgen. Zijne lippen trilden en plooiden zich tot een hoonenden lach. Een vurige blik van den innigsten haat bliksemde in zijn oog en viel op de Milesische.
In bezielde taal begonnen nu de vrienden hunne blijdschap te betuigen en prezen de voornemens van het edele paar.
Alleen Socrates zweeg nog, zooals hij dikwijls uit bescheidenheid deed, wanneer hij zich in een kring van uitgelezen mannen bevond.
Toen vroeg Pericles aan den mijmerende met vriendelijken glimlach:
„Wat denkt onze wijsheidsvriend van het bond, dat hier ten aanschouwe zijner Chariten is gesloten?”
„Mij is slechts dit ééne helder,” antwoordde de zoon van Sophroniscus, „dat ons Athene de gezegendste zal zijn onder alle steden der bewoonde wereld. Al het andere is mij onbekend en in duisternis gehuld. Maar wij willen in alles het beste hopen van de gunst van den albesturenden vader Zeus en zijne onvolprezen dochter Pallas Athene.”
1Clytaemnestra, de echtgenoote van Agamemnon, hevig op hem verbitterd om den gewelddadigen dood van hunne dochter Iphigenia,vermoordde den zegevierenden held, toen hij in zijne vaderstad Mycenae was teruggekeerd. Dit onderwerp wordt in Aeschylus’ „Agamemnon” behandeld.↑2Dejanira, de dochter van den Aetolischen koning Oeneus, gade van Heracles, had het bloed van den veermanNessusopgevangen, toen deze terwijl hij haar de rivier Euënus overzette en zich ongepaste vrijheden met haar veroorloofde, door Heracles met een der in het gif der hydra gedoopte pijlen was doorschoten.—Nessus gaf haar stervend den raad dit bloed te bewaren, daar het een onfeilbaar middel was om zich altijd de liefde van haar man te verzekeren. Toen de held later in liefde ontbrandde voor de schoone Iole, zendt Dejanira hem een prachtig gewaad dat zij met het bloed van den stervenden veerman had bestreken. Toen het kleed warm is geworden kleeft het aan zijn lichaam en brandt hem tot in het merg; de held richt met uiterste krachtsinspanning een brandstapel op, legt zich er op, Philoctetes en zijn vader steken dien aan en de held verbrandt onder de hevigste smarten; als heros werd hij onder de onsterfelijke Goden opgenomen.↑3Hippische kunst is de rijkunst. (Hippos = paard).↑4Hephaestus, zoon van Zeus en Hera, de God des vuurs, komt overeen met den Romeinschen Vulcanus. De feesten te zijner eere op Lemnos, te Athene en elders gevierd, heeten: hephaisteia.↑5Bijnaam van Poseidon; omdat hij met zijn drietand de aarde schudt heet hij Enosigaios en Seisichthoon, de aardschudder.↑6De Giganten (reuzen), een reusachtig, wild geslacht werd door de Goden, vooral met de hulp van Heracles, na vreeselijken strijd, verdelgd. Hyginus geeft hun getal als vierentwintig op. Bij Hesiodus komen zij voor als zonen vanGaea(de Aarde) en Ouranos (den hemel.)↑7Taxiarchos is in de eerste plaats: de aanvoerder van eene legerafdeeling voetvolk (taxis), de overste, ten tweede bijzonder te Athene de aanvoerder van die afdeeling voetvolk, die iedere phyle in het veld moest brengen.↑8De zoogenaamde Eupatriden, door Theseus, naar men zegt als eerste stand ingevoerd, men kan ze vergelijken met de Romeinsche Patriciërs.↑9Athene was na Clisthenus in tien phylen verdeeld; deze phylen waren wederom in demen, districten, gesplitst.↑10De Godin der overwinning.↑11Iris, de dochter van Thaumas en Electra, is, naast Hermes, de bodin der Godin, vooral van Hera; bij de oudere Grieken ook die van Zeus. Zij wordt ook geïdentificeerd met den regenboog, dien de Grieken dan ook Iris noemden.↑12Wedstrijden: dus kampstrijden met paarden en wagens.↑13Aegis (Aigis) is eigenlijk een geitenvel; ook het door Hephaestus vervaardigde schild van Zeus.↑14De Amazonen waren krijgshaftige vrouwen, die geen mannen onder zich duldden. Er worden drie Amazonen-volken vermeld; het eerste woonde aan de kusten van de Zwarte zee, den Caucasus en de rivier Thermodon. Haar koningin Hippolyte werd door Heracles gedood. Nog worden eene koningin Penthesilea vermeld, die Priamus hulp bracht tegen de Grieken en Thalestris, tijdens Alexander den Groote. Ten tweede de Scytische en ten derde de Afrikaansche Amazonen, met hare koningin Myrina.↑15Eene vaas of kruik, met nauwen hals en twee ooren, meestal van aardewerk vervaardigd, soms van glas, naar beneden spits toeloopend; doorgaans werd zij voor wijn gebruikt, doch ook voor honig, olie enz.↑16Onder „musische” kunst verstonden de Grieken niet uitsluitend de toonkunst maar alles wat fijne, kunstige of wetenschappelijke vorming betreft.↑
1Clytaemnestra, de echtgenoote van Agamemnon, hevig op hem verbitterd om den gewelddadigen dood van hunne dochter Iphigenia,vermoordde den zegevierenden held, toen hij in zijne vaderstad Mycenae was teruggekeerd. Dit onderwerp wordt in Aeschylus’ „Agamemnon” behandeld.↑2Dejanira, de dochter van den Aetolischen koning Oeneus, gade van Heracles, had het bloed van den veermanNessusopgevangen, toen deze terwijl hij haar de rivier Euënus overzette en zich ongepaste vrijheden met haar veroorloofde, door Heracles met een der in het gif der hydra gedoopte pijlen was doorschoten.—Nessus gaf haar stervend den raad dit bloed te bewaren, daar het een onfeilbaar middel was om zich altijd de liefde van haar man te verzekeren. Toen de held later in liefde ontbrandde voor de schoone Iole, zendt Dejanira hem een prachtig gewaad dat zij met het bloed van den stervenden veerman had bestreken. Toen het kleed warm is geworden kleeft het aan zijn lichaam en brandt hem tot in het merg; de held richt met uiterste krachtsinspanning een brandstapel op, legt zich er op, Philoctetes en zijn vader steken dien aan en de held verbrandt onder de hevigste smarten; als heros werd hij onder de onsterfelijke Goden opgenomen.↑3Hippische kunst is de rijkunst. (Hippos = paard).↑4Hephaestus, zoon van Zeus en Hera, de God des vuurs, komt overeen met den Romeinschen Vulcanus. De feesten te zijner eere op Lemnos, te Athene en elders gevierd, heeten: hephaisteia.↑5Bijnaam van Poseidon; omdat hij met zijn drietand de aarde schudt heet hij Enosigaios en Seisichthoon, de aardschudder.↑6De Giganten (reuzen), een reusachtig, wild geslacht werd door de Goden, vooral met de hulp van Heracles, na vreeselijken strijd, verdelgd. Hyginus geeft hun getal als vierentwintig op. Bij Hesiodus komen zij voor als zonen vanGaea(de Aarde) en Ouranos (den hemel.)↑7Taxiarchos is in de eerste plaats: de aanvoerder van eene legerafdeeling voetvolk (taxis), de overste, ten tweede bijzonder te Athene de aanvoerder van die afdeeling voetvolk, die iedere phyle in het veld moest brengen.↑8De zoogenaamde Eupatriden, door Theseus, naar men zegt als eerste stand ingevoerd, men kan ze vergelijken met de Romeinsche Patriciërs.↑9Athene was na Clisthenus in tien phylen verdeeld; deze phylen waren wederom in demen, districten, gesplitst.↑10De Godin der overwinning.↑11Iris, de dochter van Thaumas en Electra, is, naast Hermes, de bodin der Godin, vooral van Hera; bij de oudere Grieken ook die van Zeus. Zij wordt ook geïdentificeerd met den regenboog, dien de Grieken dan ook Iris noemden.↑12Wedstrijden: dus kampstrijden met paarden en wagens.↑13Aegis (Aigis) is eigenlijk een geitenvel; ook het door Hephaestus vervaardigde schild van Zeus.↑14De Amazonen waren krijgshaftige vrouwen, die geen mannen onder zich duldden. Er worden drie Amazonen-volken vermeld; het eerste woonde aan de kusten van de Zwarte zee, den Caucasus en de rivier Thermodon. Haar koningin Hippolyte werd door Heracles gedood. Nog worden eene koningin Penthesilea vermeld, die Priamus hulp bracht tegen de Grieken en Thalestris, tijdens Alexander den Groote. Ten tweede de Scytische en ten derde de Afrikaansche Amazonen, met hare koningin Myrina.↑15Eene vaas of kruik, met nauwen hals en twee ooren, meestal van aardewerk vervaardigd, soms van glas, naar beneden spits toeloopend; doorgaans werd zij voor wijn gebruikt, doch ook voor honig, olie enz.↑16Onder „musische” kunst verstonden de Grieken niet uitsluitend de toonkunst maar alles wat fijne, kunstige of wetenschappelijke vorming betreft.↑
1Clytaemnestra, de echtgenoote van Agamemnon, hevig op hem verbitterd om den gewelddadigen dood van hunne dochter Iphigenia,vermoordde den zegevierenden held, toen hij in zijne vaderstad Mycenae was teruggekeerd. Dit onderwerp wordt in Aeschylus’ „Agamemnon” behandeld.↑
1Clytaemnestra, de echtgenoote van Agamemnon, hevig op hem verbitterd om den gewelddadigen dood van hunne dochter Iphigenia,vermoordde den zegevierenden held, toen hij in zijne vaderstad Mycenae was teruggekeerd. Dit onderwerp wordt in Aeschylus’ „Agamemnon” behandeld.↑
2Dejanira, de dochter van den Aetolischen koning Oeneus, gade van Heracles, had het bloed van den veermanNessusopgevangen, toen deze terwijl hij haar de rivier Euënus overzette en zich ongepaste vrijheden met haar veroorloofde, door Heracles met een der in het gif der hydra gedoopte pijlen was doorschoten.—Nessus gaf haar stervend den raad dit bloed te bewaren, daar het een onfeilbaar middel was om zich altijd de liefde van haar man te verzekeren. Toen de held later in liefde ontbrandde voor de schoone Iole, zendt Dejanira hem een prachtig gewaad dat zij met het bloed van den stervenden veerman had bestreken. Toen het kleed warm is geworden kleeft het aan zijn lichaam en brandt hem tot in het merg; de held richt met uiterste krachtsinspanning een brandstapel op, legt zich er op, Philoctetes en zijn vader steken dien aan en de held verbrandt onder de hevigste smarten; als heros werd hij onder de onsterfelijke Goden opgenomen.↑
2Dejanira, de dochter van den Aetolischen koning Oeneus, gade van Heracles, had het bloed van den veermanNessusopgevangen, toen deze terwijl hij haar de rivier Euënus overzette en zich ongepaste vrijheden met haar veroorloofde, door Heracles met een der in het gif der hydra gedoopte pijlen was doorschoten.—Nessus gaf haar stervend den raad dit bloed te bewaren, daar het een onfeilbaar middel was om zich altijd de liefde van haar man te verzekeren. Toen de held later in liefde ontbrandde voor de schoone Iole, zendt Dejanira hem een prachtig gewaad dat zij met het bloed van den stervenden veerman had bestreken. Toen het kleed warm is geworden kleeft het aan zijn lichaam en brandt hem tot in het merg; de held richt met uiterste krachtsinspanning een brandstapel op, legt zich er op, Philoctetes en zijn vader steken dien aan en de held verbrandt onder de hevigste smarten; als heros werd hij onder de onsterfelijke Goden opgenomen.↑
3Hippische kunst is de rijkunst. (Hippos = paard).↑
3Hippische kunst is de rijkunst. (Hippos = paard).↑
4Hephaestus, zoon van Zeus en Hera, de God des vuurs, komt overeen met den Romeinschen Vulcanus. De feesten te zijner eere op Lemnos, te Athene en elders gevierd, heeten: hephaisteia.↑
4Hephaestus, zoon van Zeus en Hera, de God des vuurs, komt overeen met den Romeinschen Vulcanus. De feesten te zijner eere op Lemnos, te Athene en elders gevierd, heeten: hephaisteia.↑
5Bijnaam van Poseidon; omdat hij met zijn drietand de aarde schudt heet hij Enosigaios en Seisichthoon, de aardschudder.↑
5Bijnaam van Poseidon; omdat hij met zijn drietand de aarde schudt heet hij Enosigaios en Seisichthoon, de aardschudder.↑
6De Giganten (reuzen), een reusachtig, wild geslacht werd door de Goden, vooral met de hulp van Heracles, na vreeselijken strijd, verdelgd. Hyginus geeft hun getal als vierentwintig op. Bij Hesiodus komen zij voor als zonen vanGaea(de Aarde) en Ouranos (den hemel.)↑
6De Giganten (reuzen), een reusachtig, wild geslacht werd door de Goden, vooral met de hulp van Heracles, na vreeselijken strijd, verdelgd. Hyginus geeft hun getal als vierentwintig op. Bij Hesiodus komen zij voor als zonen vanGaea(de Aarde) en Ouranos (den hemel.)↑
7Taxiarchos is in de eerste plaats: de aanvoerder van eene legerafdeeling voetvolk (taxis), de overste, ten tweede bijzonder te Athene de aanvoerder van die afdeeling voetvolk, die iedere phyle in het veld moest brengen.↑
7Taxiarchos is in de eerste plaats: de aanvoerder van eene legerafdeeling voetvolk (taxis), de overste, ten tweede bijzonder te Athene de aanvoerder van die afdeeling voetvolk, die iedere phyle in het veld moest brengen.↑
8De zoogenaamde Eupatriden, door Theseus, naar men zegt als eerste stand ingevoerd, men kan ze vergelijken met de Romeinsche Patriciërs.↑
8De zoogenaamde Eupatriden, door Theseus, naar men zegt als eerste stand ingevoerd, men kan ze vergelijken met de Romeinsche Patriciërs.↑
9Athene was na Clisthenus in tien phylen verdeeld; deze phylen waren wederom in demen, districten, gesplitst.↑
9Athene was na Clisthenus in tien phylen verdeeld; deze phylen waren wederom in demen, districten, gesplitst.↑
10De Godin der overwinning.↑
10De Godin der overwinning.↑
11Iris, de dochter van Thaumas en Electra, is, naast Hermes, de bodin der Godin, vooral van Hera; bij de oudere Grieken ook die van Zeus. Zij wordt ook geïdentificeerd met den regenboog, dien de Grieken dan ook Iris noemden.↑
11Iris, de dochter van Thaumas en Electra, is, naast Hermes, de bodin der Godin, vooral van Hera; bij de oudere Grieken ook die van Zeus. Zij wordt ook geïdentificeerd met den regenboog, dien de Grieken dan ook Iris noemden.↑
12Wedstrijden: dus kampstrijden met paarden en wagens.↑
12Wedstrijden: dus kampstrijden met paarden en wagens.↑
13Aegis (Aigis) is eigenlijk een geitenvel; ook het door Hephaestus vervaardigde schild van Zeus.↑
13Aegis (Aigis) is eigenlijk een geitenvel; ook het door Hephaestus vervaardigde schild van Zeus.↑
14De Amazonen waren krijgshaftige vrouwen, die geen mannen onder zich duldden. Er worden drie Amazonen-volken vermeld; het eerste woonde aan de kusten van de Zwarte zee, den Caucasus en de rivier Thermodon. Haar koningin Hippolyte werd door Heracles gedood. Nog worden eene koningin Penthesilea vermeld, die Priamus hulp bracht tegen de Grieken en Thalestris, tijdens Alexander den Groote. Ten tweede de Scytische en ten derde de Afrikaansche Amazonen, met hare koningin Myrina.↑
14De Amazonen waren krijgshaftige vrouwen, die geen mannen onder zich duldden. Er worden drie Amazonen-volken vermeld; het eerste woonde aan de kusten van de Zwarte zee, den Caucasus en de rivier Thermodon. Haar koningin Hippolyte werd door Heracles gedood. Nog worden eene koningin Penthesilea vermeld, die Priamus hulp bracht tegen de Grieken en Thalestris, tijdens Alexander den Groote. Ten tweede de Scytische en ten derde de Afrikaansche Amazonen, met hare koningin Myrina.↑
15Eene vaas of kruik, met nauwen hals en twee ooren, meestal van aardewerk vervaardigd, soms van glas, naar beneden spits toeloopend; doorgaans werd zij voor wijn gebruikt, doch ook voor honig, olie enz.↑
15Eene vaas of kruik, met nauwen hals en twee ooren, meestal van aardewerk vervaardigd, soms van glas, naar beneden spits toeloopend; doorgaans werd zij voor wijn gebruikt, doch ook voor honig, olie enz.↑
16Onder „musische” kunst verstonden de Grieken niet uitsluitend de toonkunst maar alles wat fijne, kunstige of wetenschappelijke vorming betreft.↑
16Onder „musische” kunst verstonden de Grieken niet uitsluitend de toonkunst maar alles wat fijne, kunstige of wetenschappelijke vorming betreft.↑