[Inhoud]XV.UILEN OP DE ACROPOLIS.Als het waar mocht zijn, zooals de sage bij den verheven dichter der Euminiden1meldt, dat de diefstal van het vuur uit den hemel en de gave daarvan aan de menschen door Prometheus op de Acropolis heeft plaats gehad, dan is het niet te verwonderen,[34]dat bij het noemen van den naam Acropolis te Athene velen slechts eene hoogte voor den geest zweeft, geheel in verblindend licht gehuld, gekroond door de marmeren tinnen van het Parthenon.Doch er waren ook uilen op de Acropolis.…Er waren uilen te Athene—er waren er zoovele dat de uitdrukking „uilen naar Athene zenden”2de beteekenis kon krijgen van een overbodigen arbeid.En deze vogels waren zelfs aan Pallas Athene geheiligd. Zij behoorden bij haar, als de vogels van den gedachtenvoortbrengende, geheimzinnigen nacht. Want de nacht zelf is donker, maar hij is zwanger van licht en beter dan de drukke dag doet hij de gedachte ontkiemen en rijpen in het wakkere hoofd der menschen. Niet zelden echter tracht de nacht iets zelfstandigs te zijn en meer dan het licht,datuit hem geboren wordt, en stelt zich dan vijandelijk tegenover het licht.Zoo komt het, dat ook de vogels van den nacht, de uilen, vijanden van het licht geworden zijn.Er waren er dan, zooals gezegd is, vele op de Acropolis en zij nestelden het liefst in de ruimte tusschen de kroonlijst en het schuine dak van het oude, eerwaardige Erechtheüm, gezamenlijk met hagedissen, muizen en slangen.Zij zijn daarom de lievelingsvogels van denErechtheüs-priesterDiopithes, die ginds juist, onmiddellijk vóór de trappen van het Parthenon, in een levendig gesprek met een man gewikkeld is en zich tevens eenigszins zonderling beweegt.Hij loopt namelijk vóór de oogen van den anderen man met eene zekere opgewondenheid de trappen van het Parthenon op en af. Voor den ingang des tempels zijn, om het binnentreden gemakkelijker te maken, in de breede, hooge trappen kleinere gehouwen. Deze kleinere trappen klimt[35]Diopithes op en telt ze onderwijl en spreekt het getal met hoorbare stem uit.En nadat hij zóó gaande en luid tellend aan den anderen man het getaldertrappen heeft aangeduid, zegt hij tot hem het volgende:„Gij weet welke wet voor het aantal trappen van een tempelstoep door den vromen en welberaden geest der Hellenen sedert eeuwen is vastgesteld geworden. Oneven is naar den ouden regel het getal dezer trappen, opdat, als een gunstig voorteeken, de eerste en de laatste trede door de rechter voet zou kunnen worden betreden.”„Ja, zoo is het inderdaad,” hernam de man, tot wien Diopithes sprak.„Welnu,” ging Diopithes voort, „gij ziet, dat de mannen die dit Parthenon gebouwd hebben, schijnen te meenen, dat zij geen goede voorteekens meer noodig hebben. Het getal dezer kleinere trappen is even. Zij mogen nu werkelijk, hetzij in fieren trots of door de Goden met verblinding geslagen, tegen den heiligen regel gezondigd hebben: wat zij daar opgericht hebben doet zich reeds bij den eersten aanblik voor als een goddeloos, den Goden ongevallig werk. En ik zeg u: het is in zijn geheele ontwerp eene geringschatting, eene beleediging, eene beschimping der Goden. Zie toch eens: sedert de Panathenaeën voorbij zijn, sedert de overwinnaars in de wedstrijden hunne prijzen weggedragen hebben, sinds het volk zich zat gegaapt heeft aan het verkwiste goud en ivoor van Phidias’ standbeeld, is de feesttempel, zooals zij dien noemen, weder gesloten, het beeld der Godin bedekt; opdat het voor het volgende feest niet door het stof verontreinigd mocht zijn, en, in plaats van priesters en hunne dienaren, ziet men dag aan dag alleen de schatmeesters in- en uitgaan, die in het achterste deel van het gebouw hunne bezigheden verrichtend, de gelden, die inkomen en uitgegeven worden, natellen. En zoo klinkt, o hoon en misdaad! in ’t oor der Godin, in plaats van den klank van vrome[36]woorden, alleen het gerammel van goud- en zilverstukken!”Op deze ontboezeming van Diopithes begon de man, met wien de priester zich onderhield en die door zijn uiterlijk bleek een vreemdeling te zijn, onverschillig naar de hoeveelheid, de waarde en het bedrag der gemunte en ongemunte schatten te vragen, die in dit huis onder de hoede van Pallas Athene opgehoopt lagen, en Diopithes gaf bereidwillig alle inlichtingen, die hij kon geven.„Een mooie spaarpenning of liever een mooie buit is het,” merkte de vreemdeling op, „dien gij Atheners daar opgestapeld hebt. Maar mij dunkt gij zult dien voorraad wel spoedig uitgeput hebben, ook in vredestijd.”„Nog in langen tijd niet,” hernam Diopithes.„Ik zie echter,” vervolgde de vreemdeling, „dat, nu deze kostbare tempelbouw juist voleindigd is, men reeds met eene gelijke haast en gelijken ijver hier boven een nieuw werk begonnen is, een prachtpoort voor de Acropolis, voorzalen in den verhevensten stijl, niet minder grootsch dan het Parthenon zelf—”„En niet minder onzinnig, niet minder overtollig,” viel Diopithes hem in de rede. „Dat is toch juist,” vervolgde hij, „de snoodheid van die overmoedigen, die Athene’s lot tegenwoordig besturen. Zij laten het heiligdom vanErechtheüsvervallen, dat zelfs de Pers slechts ten halve waagde te vernielen, en richten daarentegen pronkzalen op, volgepropt met de ijdele beelden van de uit heel Hellas saamgevloeide bent van Phidias.”„Maar is Pericles dan almachtig?” riep de vreemde. „Hoe komt het, dat niet één van alle beroemde veldheeren en staatsmannen der Atheners, zoover ik weet, het lot der verbanning is ontkomen, en Pericles daarentegen eene zoo lange reeks van jaren zonder tegenkanting in zijne oppermacht zich staande houdt?”„Hij is de eerste staatsman,” zei Diopithes, „wien[37]de Atheners den tijd laten hen zelven te gronde te richten.”„Dat verhoeden de Goden!” hernam de vreemdeling. „Ik ben een eenvoudig man uit Euboeä en wensch den Atheners alles goeds toe.”„Waarom veinst gij?” zeide Diopithes, terwijl hij den vreemdeling strak in het gelaat keek. „Gij zijt de man uit Sparta, dien zij bij het feest der Panathenaeën van den drempel van het Parthenon verdreven hebben. Ik heb alles gezien en herkende u aanstonds weder, toen gij, over de hoogte van de Acropolis wandelende, u met eenige vragen tot mij wendet. Ja, gij zijt eenLacedaemoniëren als gij zegt, dat gij den Atheners alles goeds toewenscht, spreekt gij onwaarheid. Maar vrees daarom niets van mij! Er zijn Atheners, die mij gehater zijn dan het geheele Spartaansche volk. En het is ongetwijfeld wel bekend, dat hier te Athene de tegenstanders van al die nieuwigheden, de vrienden der oude tucht, Laconisten genoemd worden. En niet ten onrechte.”Schier onwillekeurig reikte de man uit Sparta denErechtheüs-priesterde hand.„Geloof niet,” ging deze voort, „dat het aantal dergenen, die op Pericles verbitterd zijn, in zijn nieuw Athene gering is. Kom mede! Ik zal u eene plaats wijzen, waar niet minder dan om het Erechtheüm, onverzoende wraakgeesten zweven.”Na het uiten dezer woorden voerde Diopithes den Spartaan naar den rand van den westelijken heuvel van de Acropolis en wees hem met de hand naar een steilen, somberen, woesten rotsheuvel, die tegenover den burgt, alleen door eene kloof daarvan gescheiden was, doch lager dan deze zich verhief.„Ziet gij dien steilen heuvel, welks rotsblokken als door Titanen handen op elkander gestapeld zijn?” vroeg Diopithes. „Ziet gij de in de rots gehouwen trappen, die naar eene vierkante ruimte voeren? Van deze plaats echter leidt een andere trap, ook in de rots gehouwen, naar eene diepe,[38]donkere kloof, waaruit een zwart water ontspringt. In die kloof staat het heiligdom der sombere wraakgodinnen, der Erinnyen met slangenlokken en die vierkante ruimte op de hoogte van den berg is de verzamelplaats van het overoude, eerwaardige, door de Goden zelven ingesteld gericht, dat wij den Areopagus plegen te noemen. Den grijzen rechters van dit gericht is de hoede van dit heiligdom der Erinnyen toevertrouwd: in hunne handen zijne overoude inzettingen en heiligdommen gegeven, die in een geheimzinnig duister gehuld zijn en waaraan het heil van den staat is vastgeknoopt. Zij alleen weten, wat de stervende lijder Oedipus in het oor van koning Theseus gefluisterd heeft, toen hij op den heuvel van Colonus in het woud der Eumeniden het doel van zijn langen zwerftocht had gevonden. Tusschen bloedige offers worden de strijdenden geplaatst, over wier zaak deze rechters beslissen, en een eed leggen zij af met afschuwelijke verwenschingen tegen zich zelven en tegen de hunne, als zij anders dan naar de strengste rechtvaardigheid mochten uitspraak doen. Zwijgend leggen zij, nadat zij de zaak hebben aangehoord, hun vonnis in twee urnen, in de urn der barmhartigheid of in de urn des doods. Opzettelijken moord te vonnissen was van den beginne af hun ambt. Maar ook zedeloosheid, nieuwigheden in den staat en in den dienst der Goden te straffen, behoorde oorspronkelijk tot hunne taak; in den intiemsten kring van het familieleven door te dringen was hun veroorloofd, om de meest verborgen misdaad aan het licht te brengen. Zij straften den vadermoorder, zij straften den brandstichter, zij straften den man, die een onschuldig dier zonder noodzaak had gedood, zij straften den knaap, die meedoogeloos een jongen vogel de oogen had uitgestoken. Protest aan te teekenen tegen besluiten van het geheele volk, was hun vergund. Is het te verwonderen, wanneer deze plaats der oude tijden, deze op de rots van den Ares-heuvel gegrondveste burg der vrome tucht, den machthebbers[39]van het nieuwe Athene al lang een doorn in het oog is geweest? Pericles was het, die het eerst deze heilige macht durfde trotseeren, die hare voorrechten beperkte, haar aanzien verminderde, haar den onaangenamen invloed op de staatsaangelegenheden besnoeide. Te vergeefs! Evenals over dezen zelfden Ares-heuvel de brandende pijlen der Perzen tegen den burg en tegen den ouden tempel der Acropolis vlogen, zoo vliegen heimelijk thans van daar de gramstorige blikken der Areopagiten, zwanger van onheil, naar den nieuwen tempel van Pericles!”—„Maar de groote massa der Atheners houdt toch van Pericles,” zei de Spartaan—„zij houden hem voor een oprechten vriend der volksheerschappij.”„Ik houd Pericles voor niet onnoozel genoeg,” hernam Diopithes, „om een oprecht vriend der volksheerschappij te zijn. Een man, uitnemend in geestesbeschaving, is nooit een eerlijk vriend der volksheerschappij. Want hoe zou het hem voldoen, de macht, die hij de onverstandige menigte ontwrongen heeft, vrijwillig weder met haar te deelen, en zich in zijne beste plannen, in zijne schoonste ondernemingen door bekrompen hoofden te laten storen en dwarsboomen? Pericles vleit, als alle volksmannen, de massa, om zich van haar tot volvoering zijner eerzuchtige plannen te bedienen. Wellicht blijft hem uit den gouden schat in het achtergebouw van het Parthenon ten laatste zooveel over, dat hij zich daaruit eene kroon kan doen vervaardigen, die hij zich op een feest der Panathenaeën, ten aanschouwe van het verzamelde volk en aan de voeten der Godin van Phidias, op het hoofd zet. Bereidt er u op voor, gij Lacedaemoniërs, om den Hellenen koning en zijne koningin Aspasia, door het geven van eene kluit Spartaanschen grond en eene kruik water uit den Eurotas, te helpen huldigen!”Bij deze laatste woorden zag de priester om. „Laat ons heengaan,” zei hij tot den Spartaan, „ik zie menschen naderen, die hier boven den grond[40]voor de nieuwe voorzalen afbakenen. Men zou mij een samenspanning metLacedaemonten laste leggen als men ons te zamen zag spreken.”Zoo sprak deErechtheüs-priesteren verdween weldra met de man uit Sparta achter de zuilen van het Erechtheüm, waar beiden nog een tijdlang zich vertrouwelijk onderhielden.Weinige dagen na het feest der Panathenaeën had Telesippe, door minnelijke schikking van Pericles gescheiden, het huis van haar gemaal verlaten en Aspasia was in hare plaats als wettige gemalin daar binnen geleid.Niet verootmoedigd verliet Telesippe het huis van haar echtgenoot, maar met fier opgeheven hoofde; want zij ging een lot te gemoet, waarvoor zij zich toch geboren waande, welks vervulling echter zij niet meer had durven hopen.Altijd was het begin harer klachten geweest: „Ik had de gade van den Archon Basileus kunnen wezen!”Toen het besluit om van Telesippe te scheiden in Pericles gerijpt was, kon hij niet nalaten er op te peinzen, hoe hij het smartelijke van den indruk zou kunnen verzachten, die deze beslissing noodwendig op zijne gade moest maken. Hij herinnerde zich hoe dikwijls zij van den Archon Basileus had gesproken. Hij, die thans het ambt van Archon Basileus bekleedde, was een vriend van Pericles, een man van tamelijk gevorderden leeftijd, doch ongehuwd. Pericles begaf zich tot hem en vroeg hem, of hij niet genegen zou zijn te huwen. De Archon Basileus was een stil, eenvoudig mensch en zeide, dat hij niet ongenegen was in het huwelijk te treden, als er zich maar een geschikte bruid voor hem opdeed.„Ik ken eene vrouw,” zei Pericles, „die geknipt is voor een man als gij; het is mijne eigene vrouw. Voor mij zelven heeft ze te weinig van die opgeruimdheid, waardoor een staatsman bij zijne tallooze beslommeringen afleiding en opwekking kan erlangen, en te veel van die strengheid, van die deftige[41]waardigheid, die een ernstig man, met het priesterlijk gewaad omhangen, als gij, ongetwijfeld moet aantrekken. Ik sta op het punt, om van Telesippe te scheiden, doch ik zou mij zeer gelukkig achten, als ik wist, dat zij uit mijn huis in dat van een beter man overgaat, en dat zij daar, waar zij heengaat, datgene zou vinden, wat zij in mijn huis miste.”De Archon Basileus nam deze woorden zoo ernstig op, als zij gemeend waren. Over het bezwaar, dat een Archon Basileus doorgaans alleen met eene jonkvrouw huwde, deed Pericles hem heenstappen, door hem te beloven, dat hij al zijn invloed bij de Atheners zou aanwenden, om de schending van dit oud gebruik onopgemerkt te laten. Daarop gaf de Archon ten laatste de verklaring, dat hij bereid was Telesippe uit het huis van haren tegenwoordigen echtgenoot in het zijne als wettige gade binnen te leiden.Pericles deelde zijne gade te gelijkertijd zijn besluit mede van haar te scheiden en het voornemen van den Archon Basileus met haar te willen huwen.Telesippe vernam de beslissing koud en ongevoelig: zij uitte geen enkel woord, doch trok zich terug in haar vrouwenvertrek. Toen zij daar echter de beide knapen zag, die zij nu verlaten moest, trok zij hen tot zich en schreide bittere tranen op hun hoofd. Zij dacht er aan, hoe zij Hipponicus kinderen had gebaard, hoe hij haar had verstoten en hoe zij de vrucht van haar schoot voor altijd had moeten verlaten: hoe zij voorts Pericles kinderen had geschonken en ook dezen verlaten en van hen moest scheiden en aan een nieuwen echtgenoot zich verbinden. Zij scheen zich zelve toe van alle recht beroofd, hulpeloos van huis tot huis verjaagd.…Maar de echtgenoot van den Archon Basileus! Het doelwit harer eerzucht! Het eens verloren en nu toch bereikte geluk haars levens! Ja, waarlijk—alleen der verstootene gade was daarmede voldoening gegeven, niet der moeder. Door den dwazen[42]trots der vrouw heen voelde zij altijd door de angstige slagen van het onverzoende moederhart.En toen nu het oogenblik was gekomen, waarop Telesippe het huis van haar echtgenoot zou verlaten en op het voorhoofd harer zonen den laatsten kus drukte, om voor altijd van hen te scheiden, werd ook Pericles plotseling door een zonderling gevoel overweldigd: het scheen hem toe, dat men toch geen heiligen band, die eens twee menschenharten had vereenigd, ooit kon verbreken zonder iets van het hartebloed daarmede vergoten werd.Telesippe had hem kinderen gebaard, kinderen, die zijne trekken, zijne gelijkenis op ’t gelaat droegen. Hoe zou niet voor altijd eerwaardig en heilig voor den man zijn de vrouw, die hem kinderen had geschonken, die zijne trekken droegen? Op het voorhoofd der kinderen was de stempel gedrukt der ontwijde moedereer. Deze erfenis liet zij bij haar scheiden hare kinderen en haar echtgenoot achter. Pericles was zich daarvan helder bewust, toen Telesippe zijn huis verliet.Straks reeds had hij met een koelen, ernstigen handdruk van haar afscheid genomen; thans greep hij nog eenmaal de hand zijner vrouw, de moeder zijner kinderen, en een traan bevochtigde die. En toen Telesippe reeds lang zich verwijderd had, stond Pericles nog geruimen tijd in gepeins verzonken, met eene vraag zich bezig houdend, die geene menschelijke wijsheid ooit zal oplossen.…Zonderling en raadselachtig zijn de plichten der menschen en hunne rechten met elkander in strijd.…Voor Pericles en zijn huwelijksleven was de teerling geworpen.Het keerpunt in zijn huiselijk leven had een tweeledig aanzien, zooals bijna alle menschelijke zaken. Op het ernstig afscheid van Telesippe volgde de blijde intocht van Aspasia. Hare intrede verdreef gemakkelijk de donkere schaduw op het diepzinnig voorhoofd van Pericles. Zij verspreidde licht en[43]glans tot in den diepsten hoek des huizes. Aspasia kwam begeleid door alle lachende lentegeesten. Eene geurige, frissche lucht verjoeg de tot nu toe dompige atmosfeer van het huis.De oude, eerwaardige huisgoden waren met Telesippe heengetogen, Aspasia bracht nieuwe mede. Zij plaatste in het peristylium den vreugderijken Dionysus en de lachende Aphrodite en den gelokten, schitterenden beschermgod van den Ionischen stam, den met pijl en lyra gewapenden aanvoerder derMuzenreien, Apollo. Ook ontbraken van nu af niet de Chariten aan het altaar van dit huis, waar het passend offer haar zoo lang was geweigerd.De geest van vernieuwing, die Aspasia’s schreden overal volgde, begeleidde haar ook in het huis van Pericles. Binnen korten tijd was dit huis op vroolijke en weelderige wijze ingericht. Niets leelijks, niets onedels duldde Aspasia rondom zich. Wijken moest, wat geen genade vond in haar oog, wat niet overeenstemde met haar schoonheidsgevoel. Schoonheid werd verklaard als de hoogste wet, ook aan den huiselijken haard. Kunstenaarshanden moesten de muren der vertrekken met bekoorlijke beelden versieren. Uit kunstenaarshanden moest voortaan niet alleen voortkomen, wat het leven siert en schoonheid geeft, maar ook wat slechts moest dienen voor dagelijksche behoeften.Eenvoudig was tot heden het huishouden van Pericles; nu mishaagde hem dezen eenvoud zelven. Niets is aangenamer voor den minnende, dan het verblijf der geliefde zoo bekoorlijk mogelijk in te richten. Geen man versiert voor zich zelven het huis, voor eene geliefde vrouw echter wordt zelfs de vrek een verkwister. Met blijdschap hielp Pericles zijne beminde Aspasia de woning van zijn nieuw geluk in een tempel der schoonheid herscheppen.Den fijn ontwikkelden zin voor hetgeen het oog bekoorde, voor het smaakvolle en harmonische, die den vrouwen eigen is en dien zij in hare sieradiën,[44]in hare kleeding aan den dag leggen, bezat Aspasia in zoo ongemeene mate, dat Pericles zich als in de macht eener toovenares bevond en zijne geliefde smeekte, dat zij toch ook niet hem zelven, als alles rondom haar, zou veranderen. Maar hij was reeds veranderd. Zonder verwijfd geworden te zijn, ontwikkelde hij nu in zich een zin, die tot heden in den rusteloos werkzamen man geheel gesluimerd had. De geliefde, of liever de liefde zelve, leerde hem de diepe en niet te verachten poëzie kennen en waardeeren, van hetgeen hij tot nu toe niet had opgemerkt. Wat waren hem vroeger paarlen en edelgesteenten geweest? Thans kon hij een juweel, dat in een gouden band aan den leliewitten arm der geliefde fonkelde, een zeer langen tijd beschouwen en zich in zijn bont flikkerend licht, als in eene zonderlinge openbaring, verdiepen. Wat waren hem vroeger geurige zalven, wat was hem al het reukwerk der wereld geweest? Thans was zijn zin ontwaakt voor iederen fijnen, geurigen adem, die in de nabijheid der geliefde hem omgaf en iedere kleurmengeling bracht eene aangename gewaarwording in zijne ziel. Wat waren hem tot heden kleuren geweest? Eene vluchtige bekoring op zijn hoogst, waarvan hij zich nauwelijks bewust was. En thans? Wat een leven, welk eene betoovering kreeg voor zijn oog het gloeiend rood, het vlammend geel, het verrukkelijk blauw, het liefelijke, zachte groen, als het om het lichaam der geliefde golfde of wanneer hare schoone, blanke leden daardoor te meer uitkwamen.De band der liefde en eene onbeperkte toewijding moge twee harten nog zoo lang en gelukkig vereenigd hebben, de band die Hymen om hen slaat, bereidt hen toch een nieuw, tot nu toe onbekend geluk. De echt heeft, evenals de liefde, zijne eigenaardige zaligheid. Dagelijks opnieuw zich te verliezen en dagelijks opnieuw zich terug te vinden mogen aan de zalige oogenblikken der liefde haar aantrekkelijkheid geven; maar ook het bewustzijn zijn hoogste geluk altijd in zijne nabijheid te hebben,[45]is benijdenswaard.Wie op het huwelijk laag neerziet kent de liefde niet.—Iedere dag had thans voor Pericles zijn eigenaardigen lust, zijn eigenaardigen glans, zijne eigenaardige bekoorlijkheid. Altijd was Aspasia voor Pericles alles en toch iederen tijd iets anders: des morgens zijne rozenvingerige Eos, des avonds zijne Selene3, zoete sluimering op zijne oogleden droppelend, des daags zijne Hebe, die hem den beker des levens aanbood. Zij was de Hera van den „Olympiër,” maar zij behoefde nooit den toovergordel eerst van de gouden Aphrodite te ontleenen. Nog meer: in menig oogenblik scheen zij hem eerwaardig toe als zijne moeder en op andere tijden beminde hij haar met de liefde, waarmede men een kind liefheeft.Wanneer reeds doode sieraden, edelgesteenten, paarlen, geurige balsems, schitterende kleuren door de liefde eene nieuwe betoovering verkrijgen, in den minnende een nieuw, tot nu toe onbekend gevoel opwekken, welk verhoogd leven, welke nieuwe betoovering moet dan de poëzie, moet de muziek minnenden harten instorten? Welk een volheid en weelde van bekoorlijkheid en genot moest de betooverende Aspasia niet uit deze bronnen weten te scheppen en te putten!Zong Aspasia Pericles een lied voor bij de luit of las zij hem gelijk zij als kind aan Philammon had gedaan, uit boekrollen voor, zoo wist hij niet, wat hem meer verrukte: wanneer zij met gloeiende wangen geheel opging in het vuur harer kunst of van den dichter, dien zij las, of wanneer zij in moedwillige dartelheid haar lied of voordracht met kinderlijk gekeuvel, overbodige liefdesvragen, met vriendelijk gevlei telkens afwisselde …De Atheners hadden in den regel geen eigenlijk tehuis. Zij leefden buitenshuis. Pericles echter bezat thans een tehuis.[46]Dat de knapen Xanthippus en Paralus de zoons van Pericles, niet van Aspasia waren, kwam dit niet juist het echtgeluk van Pericles ten goede? Hij behoefde Aspasia’s liefde niet met hen te deelen.Wanneer aan beiden nog iets ontbrak, was het wellicht alleen het geheele, volle bewustzijn van hun geluk. Want eigenlijk begrijpen niet de gelukkigen zelven, maar alleen zij, die het missen, geheel en ten volle het geluk der gelukkigen. Met goede bedoeling mengen de Goden gaarne een droppel alsem in iederen vreugdebeker: want slechts het verstoorde of bedreigde geluk komt tot klaar bewustzijn.Het huwelijk van Pericles en Aspasia gaf den Atheners onuitputtelijke stof tot gesprekken. Men behandelde het op de Agora, men vertelde in alle gaanderijen, in alle worstelplaatsen, in alle werkplaatsen der handwerkslieden en in alle barbierswinkels van gansch Athene, dat Pericles zijne gade kuste, zoo dikwijls hij van huis ging en wederom als hij terug kwam. Een man verliefd op zijne vrouw! Men sprak van de witte Sicyonische paarden en het schitterende rijtuig, waarmede de nieuwe vrouw van Pericles soms door Athene’s straten reed. Men sprak van de omkeering, die in het eens zoo eenvoudige huis van Pericles had plaats gegrepen. Men sprak van de nieuwe, prachtige muurschilderingen, waarmede het versierd was, in het bijzonder van eene, die de plundering van den Olympus door de Eroten voorstelde. Getooid met den buit trokken zij jubelend voort: deze met den bliksem van den Cronide4, gene met den boog van Apollo, een derde met den helm en het schild van Ares, weer een andere met Heracles’ knots, met den thyrsus van Bacchus, met de fakkels van Arthemis, met de gevleugelde sandalen van Hermes.[47]Men zeide nu zelfs, dat Aspasia de redevoeringen opstelde, die Pericles voor het volk hield. Pericles, de Olympiër, de sedert zoo langen tijd gevierde redenaar, liet zich dit glimlachend welgevallen en erkende, dat hij zijne gelukkigste gedachten aan Aspasia te danken had. Aspasia bezat eene betooverende, zoetvleiende, krachtige taal, zooals men soms bij vrouwen aantreft, waaraan zich een liefelijke, zilveren klank van stem paarde; en zoo maakte zij op de mannen den indruk, als ware zij met groote gave van welsprekendheid bedeeld en eene vrouw, van wie men veel leeren kon.Echter werd er ook onder het volk gemompeld, dat Aspasia Pericles zocht te verleiden naar de koninklijke waardigheid te streven. Men zeide, dat zij niet achter hare landgenoote Thargelia wilde staan, wie het ook gelukt was de gade van een koning te worden.Steeds nog stond de eerwaardige Elpinice aan de spits dier nieuwigheidsventers. Zij was de levende en wandelende kroniek van Pericles’ huis te noemen. Van haar afkomstig was het verhaal van den kus, welke Pericles bij het uitgaan en terugkeeren aan zijne vrouw gaf. Zij wist het, welke gezindheid Aspasia jegens de kinderen van Pericles koesterde en jegens den jongen Alcibiades.Zij wist te vertellen, dat Aspasia niet vanParalusen Xanthippus hield, dat zij zich weinig aan hen liet gelegen liggen, hen overliet aan de zorg van den paedagoog, doch zich als eene moeder den jongen Alcibiades aantrok, hem vertroetelde, dat onder hare handen de zoon van Clinias verwijfd en nog wat ergers zou worden.Was het te verwonderen, dat Aspasia voor den heerlijk begaafden pleegzoon van Pericles partij trok tegen zijne zoons, die wel is waar des vaders trekken op het gelaat droegen, doch in karakter de evenbeelden hunner moeder Telesippe waren?Behalve Alcibiades, Paralus en Xanthippus groeide nog in het huis van Pericles een andere knaap op, die wel niet tot de huisgenooten van Pericles[48]behoorde, maar toch ook niet onder de slaven gerekend kon worden. Pericles had hem uit den Samischen oorlog mede naar Athene gebracht. Men wist niets meer van zijne afkomst, dan dat hij de zoon van een Thracische of Scythischen of een ander Noordsch koning was, dat hij door eene vijandelijke hand als kind aan zijne ouders ontroofd was en vervolgens als slaaf was verkocht. Pericles vond hem op Samos. Zijne deelneming werd opgewekt door het droevige lot en het ongemeen uiterlijk van den knaap; hij kocht hem en voerde hem met zich naar Athene. Hier liet hij hem opvoeden met zijne eigen kinderen. Zijn naam was Manes. Hemelsbreed verschilden zijne trekken van de fijnheid en adel der Helleensche vormen, hij herinnerde veeleer een weinig aan de Scythische huursoldaten op de Agora. Maar hij had uitnemend schoon, bruin, glanzend haar, heldere oogen en eene zeer blanke huid. Hij was stil in zich zelven gekeerd en verried in vele zaken een eigenaardig karakter.Alcibiades zocht den nieuwen makker voor zich te winnen en hem in te nemen door zijne beminnelijke uitgelatenheid. Het gelukte hem niet. Manes was liefst alleen, legde geene schitterende gaven des geestes aan den dag, verdiepte zich echter met ijver in alle vakken van wetenschap, die hem tegelijk met de jongens van Pericles onderwezen werden. Pericles zelf begon van hem te houden, Aspasia echter vond hem zonderling en de jonge Alcibiades maakte hem tot het doelwit van zijne spotternijen en overmoedige scherts.Het deed aan het geluk van Pericles geen afbreuk, dat zijn huis thans meer dan vroeger voor zijne vrienden open stond, en dat Aspasia met opzet, tegen ’t gebruik der Atheensche vrouwen, in het gezelschap van haar echtgenoot deel nam aan de gesprekken der mannen. Voor het geluk van minnenden is het toch een nieuwe prikkel, wanneer zij voor eenige oogenblikken zich in eene grootere omgeving als ’t ware verliezen, om later[49]dubbel gelukkig elkander weder te vinden.Van de oudere vrienden van Pericles trad Anaxagoras thans meer op den achtergrond; hij werd verdrongen door den schitterenden Protagoras, die zich in Aspasia’s gunst mocht verheugen en wiens frissche, onbevooroordeelde, gezonde, vrijzinnige levensbeschouwing hem tot een natuurlijken bondgenoot van de Milesische maakte. Opmerkelijk was het, dat de dichter der „Antigone” zelden het huis van Pericles bezocht: hetzij, omdat hij met den hem eigen fijne takt de ijverzucht, die zijn vriend tegen hem had opgevat, niet opnieuw wilde wekken, hetzij, omdat hij meende eene bij hem zelven ontwakenden, onedelen hartstocht te moeten onderdrukken; misschien ook omdat eene andere bekoorlijke vrouw zijn hart had veroverd en hem aan zijne oude vrienden ontroofde. Niet onmogelijk is het, dat al deze redenen te zamen zijne bezoeken minder talrijk maakten.…Was het dus eene zeldzaamheid, dat de vroolijke Sophocles zich daar vertoonde, des te meer zocht de sombere Euripides, zijn mededinger op het gebied van het treurspel, het gezelschap van Aspasia. Met hem kwam Socrates, wiens vriendschap en trouw onveranderd waren gebleven. De belangen van zijn beroep voerden Phidias soms naar het huis van Pericles, en Aspasia genoot den triomf te zien, dat hij haar gezelschap niet vermeed. Tegen hem wist zij eene lieftalligheid aan den dag te leggen, die op zijn eigenaardig karakter berekend was. Altijd weder kwam zij in hare gesprekken met hem op zijne Lemnische Godin terug. Zij wond zich dan op, ja geraakte zelfs in vuur. Naar hare meening stond Phidias thans op een kruisweg, en zij hoopte invloed te oefenen, op de richting die hij zou kiezen. Zij wilde alles er op zetten, om zijne stijfhoofdigheid in de opvatting zijner kunst te breken.Herhaaldelijk wierp zij hem voor de voeten, dat hij de bekoring der vrouwelijke schoonheid niet genoeg tot haar recht liet komen.[50]Phidias versmaadde inderdaad de zoogenaamde modellen. Hij droeg in zich zelven de volmaakte afbeeldingen van alle schoone vormen. Zoo bleef zijn kunstenaarsoog het liefst naar binnen gericht en hoe ouder hij werd des te meer vertrouwde hij op zijn eigen talent. Hij was te fier, om de werkelijkheid eenvoudig na te volgen en in steen of metaal over te brengen. Dit echter was het juist, wat Aspasia van hem verlangde.Toen zij even weder een levendig gesprek van dezen aard met Phidias had gevoerd en deze zich verwijderd had, zeide Pericles glimlachend:„Gij schijnt zeer verstoord te zijn op Phidias, omdat hij niet meer bij de schoone natuur ter schole wil gaan?”„Zoo is het,” zeide Aspasia; „in zijne ziel worden alleen de idealen eener, om zoo te zeggen, onbewuste en ernstige schoonheid gevonden. Het is tijd, dat hij de ten volle ontwikkelde, bewuste bekoorlijkheid en lieftalligheid niet versmaadt aan de natuur te ontleenen.”„Naar welke vrouw echter,” hernam Pericles, „zoudt gij hem verwijzen, om deze volle en betooverende bekoorlijkheid, als uit de zuiverste bron te putten? Daar Phidias de Homerische Helena niet uit den Hades kan oproepen en de schoonste van alle thans levende Helleensche vrouwen, naar het eenstemmig oordeel van alle menschen, gij zelve zijt, zoo zou ik wel gaarne willen weten, wat gij Phidias zoudt antwoorden, als hij u vraagt, naar welke vrouw gij hem verwijst?”„Ik zou hem naar eene vrouw verwijzen,” hernam Aspasia, „die geheel haar eigen meester is.”„Maar als hij er op stond zich tot eene vrouw te wenden, die niet haar eigen meester is?” vroeg Pericles.„Dan zou hij zich natuurlijk,” hervatte Aspasia, „tot dengene moeten wenden, wien zij behoort: tot haar heer als zij eene slavin is, of tot haar echtgenoot, als zij de vrouw is van een Atheensch man.”[51]„En gelooft gij,” zeide Pericles, „dat een Atheensch man ooit zou kunnen besluiten, de vrouw, die hem toebehoort geheel en al aan de blikken van een ander prijs te geven?”„Waarom doet gij mij eene vraag,” zeide Aspasia, „die gij beter in staat zijt te beantwoorden dan ik zelve?”„Welaan dan,” antwoordde Pericles, „ik zal ze beantwoorden. De Atheensche man zal de vrouw, die hem toebehoort, nooit ongesluierd aan de blikken van een ander prijs geven. De eerbaarheid der vrouw mag geen ijdele klank zijn, en wanneer de jonkvrouw van een zedig karakter is, moet de vrouw, die een man toebehoort, dubbel zedig zijn uit liefde omdat zij door het prijs geven harer eerbaarheid niet zich zelve alleen onteert.”„Uwe meening is achtenswaardig,” zeide Aspasia, „en ongetwijfeld juist. De grond echter, dien gij er voor aanvoert, schijnt mij niet volkomen afdoend te zijn. Het komt toch niet zelden voor, dat gij, mannen, uwe vrouwen aan de oogen en handen der geneesheeren toevertrouwt, zij het dan ook in eigen tegenwoordigheid. Derhalve komt het mij voor, dat de eerbaarheid niet de voornaamsteredenis en dat niet elkeontsluieringop zich zelve onzedig is.”Zoo ver waren Pericles en Aspasia in hun gesprek gevorderd, toen zij plotseling door het bezoek van twee mannen werden gestoord, wier gelijktijdig binnentreden in hun huis hen zeer verraste.De beide mannen waren Protagoras en Socrates.„Wel, hoe komt het,” vroeg Aspasia glimlachend na de eerste begroeting, „dat twee uitgelezen mannen, van wie ik sedert het feestmaal bij Hipponicus altijd gevreesd had dat zij vijandig tegen elkander over zouden staan, heden zoo vreedzaam te zamen tegelijker tijd dit huis betreden?”„Ik zal u vertellen hoe het komt,” antwoordde Socrates, „als gij het volstrekt wilt weten. Wij beiden, Protagoras en ik, ontmoetten elkander van[52]verschillende kanten komend, voor de deur van dit huis. Ik voor mij stond reeds een poos voor den drempel en aarzelde binnen te treden, omdat mij juist op het oogenblik, waarop ik binnen wilde gaan, eene gedachte inviel, die ik maar niet uit mijn hoofd kon zetten. Terwijl ik daar zoo stond, met de oogen naar den grond geslagen, kwam Protagoras van den anderen kant. Hij zag mij aanvankelijk evenmin als ik hem, daar hij, terwijl ik in gepeinze verdiept naar den grond keek, met opgerichten hoofde zijn oog in de wolken en in den onmetelijken aether liet ronddwalen. Zoo liepen we elkander tegen het lijf; ik herkende Protagoras en hij mij, en daar wij beiden bemerkten, dat ieder onzer van plan was hier binnen te gaan, wilden wij ieder terugkeeren en den andere het veld ruimen. Maar toen wij wederkeerig verklaarden, dat we elkander de baan vrij wilden laten en geen van beiden elkanders aanbod wilden aannemen, kwamen wij eindelijk tot den inval, op goed geluk te zamen het huis binnen te treden.”Pericles en Aspasia glimlachten en zeiden, dat zij in deze ontmoeting een goed voorteeken zagen, des te meer omdat zij juist in een soort van wijsgeerig gesprek verdiept waren. Zij waren, zeiden zij, met een vraag bezig tot welker oplossing twee mannen, die wel is waar verschillende meeningen waren toegedaan, maar toch onbetwist wijzen waren, zeker wel het hunne konden bijdragen.Toen nu Protagoras en Socrates vroegen, welke de bedoelde vraag was, maakte Pericles geen bezwaar om de beide mannen de zaak uiteen te zetten.„Wij wierpen de vraag op,” zei hij, „of een man bereid zou kunnen zijn de ongesluierde schoonheid der vrouw, die hij liefheeft, aan het oog eens beeldhouwers tot model prijs te geven. Ik ontkende dit. Aspasia echter wees mij er op, dat wij, mannen, onze vrouwen toch wel aan de oogen en handen der geneesheeren prijs geven, zij het[53]dan ook in onze eigen tegenwoordigheid; dat wij derhalve soms geneigd zijn andere gronden hooger te achten, dan die der zedigheid. Dat u nu juist het toeval hierheen voert is eene bestiering der Goden, die u als wijze mannen tot beslissing dezer zaak geroepen hebben.”„Ongetwijfeld,” zei Protagoras, „zijn er gronden, die hooger staan dan de zedigheid, en beweegredenen, die de schijnbare kwetsing der zedigheid kunnen verontschuldigen. Een dier beweegredenen heeft Aspasia reeds aangevoerd. Ik voeg er bij: wat zou er van de beeldhouwkunst worden wanneer het schoonste zich uit preutschheid aan het oog des beeldhouwers onttrok? De schoonheid heeft plichten niet alleen tegenover zich zelve. Wat de natuur haar met kwistige hand heeft geschonken, dat moet zij der kunst ten goede laten komen. Het schoone toch behoort in een zekeren zin steeds aan het algemeen en dit laat zich zijn recht daarop niet ontnemen. Bovendien is de schoonheid, volgens hare natuur, iets vluchtigs, iets dat op zich zelf alleen voor het tegenwoordig geslacht aanwezig is en dat niet anders tot de nakomelingschap gebracht en daarvoor vereeuwigd kan worden, dan doordat de dichters het in hunne zangen verheerlijken, zooals Homerus de gade van Menelaüs, of dat een beeldhouwer de levende bekoorlijkheid des lichaams in marmer of metaal aan de komende geslachten, zoo ver mogelijk, overlevert.”„Naar uwe meening,” hernam Pericles, „moet dus eene schoone vrouw als gemeen goed beschouwd worden, die niemand geheel voor zich alleen mag bezitten?”„Alleen hare schoonheid—niet zij zelve,” antwoordde Protagoras. „Evenals het bij alles, wat in de wereld geschiedt, op de aard en wijze, waarop dit plaats vindt, aankomt op de omstandigheden, waaronder het gebeurt, zoo kan ook, mijns inziens, het ten toon stellen van de vrouwelijke bekoorlijkheid ter bevordering van een grootsch doel, de kunst, op een aard en wijze en onder[54]omstandigheden plaats grijpen, die het bedenkelijke der zaak ten volle wegnemen.”„En welke zouden die omstandigheden zijn?” vroeg Pericles.„Dit is eene zaak,” hernam Protagoras, „die eenigszins moeilijk is uit te maken. Zooals Aspasia naar aanleiding van uw vroeger gesprek, dat gij ons medegedeeld hebt, reeds herinnerd heeft, plegen wij immers eene vrouw, die zonder getuigen de vertrouwelijke nabijheid van den hulpbiedenden geneesheer zoekt, voor schaamteloos en onzedig te houden, doch wij vinden in die soort van vertrouwelijkheid niets bedenkelijks, als zij plaats grijpt onder de oogen van den man. Daarom mag men eens en voor goed vaststellen, dat er omstandigheden zijn, waarin de man zijne vrouw zonder schande of onteering aan een vreemd oog kan prijs geven …”„Natuurlijk,” zeide Pericles, „zou ik die prijsgeving eener vrouw, wanneer het door omstandigheden of door een grootsch doel geboden was, alleen onder die voorwaarde kunnen billijken. Ik hoop dat gij ook nog de voorwaarde er bij voegt, dat de vrouw den beeldhouwer alleen zal geven, wat aan haar voor den beeldhouwer belangrijk is, en dat de eerbaarheid zich alleen zal terugtrekken tot één punt, maar dit punt, om zoo te zeggen, tot op den laatsten droppel bloeds zal verdedigen. Intusschen, herinnert gij u niet de geschiedenis van dien Oosterschen koning, die door de bekoorlijkheid zijner vrouw betooverd, op den inval kwam haar geheel naakt aan zijn gunsteling te toonen5? Als ik mij goed herinner, verloor deze koning troon en vrouw en leven door den gunsteling, die ontvlamd door die bekoorlijkheid, niet[55]rustte, tothijbezat wat hem zoozeer had verrukt.”—„Met andere oogen,” sprak Protagoras, „met andere gezindheid, met andere gedachten beschouwt een beeldhouwer de naakte schoone gestalte, als de verwijfde gunsteling eens Oosterschen konings. Gene merkt, als hij heerlijk ontwikkelde ledematen beschouwt, zóóveel op, dat juist zijn kunstenaarsoog bezig houdt en eene groote bron van kennis welt daaruit voor hem op, dat er weinig plaats meer overblijft in zijn gemoed voor wulpsche gedachten. En die welke soms nog mochten opkomen, heeft hij leeren te beheerschen. De gewoonte ook heeft voor de grovere bekoorlijkheid der onthulling hem ongevoelig gemaakt. En wat nu den ouden, eerwaardigen Phidias betreft—is dat een man? Neen, veeleer eene door de Godheid gekuste, doch geslachtlooze beeldhouwersziel, die alleen een lichaam, eene hand heeft, om den beitel te kunnen voeren—dat is iemand, voor wien alles in de wereld alleen vorm is, nooit stof.”—„Protagoras’ meening kennen wij nu,” sprak Pericles. „Laat ons hooren wat Socrates aangaande deze zaak in het midden te brengen heeft. Wat denkt gij, Socrates? Is het eene vrouw veroorloofd tot bereiking van een grootsch kunstenaarsdoel, hare eerbaarheid ter zijde te stellen?”„Dit schijnt mij,” hernam Socrates, „hiervan af te hangen of in de wereld het schoone een hoogeren rang inneemt dan het goede. En dit is juist, als ik mij wel herinner, de vraag, die wij al zoo lang trachten op te lossen en wier oplossing ook bij het feestmaal van Hipponicus weder werd afgebroken.”—„Bij alle Olympische Goden,” viel hem Aspasia glimlachend in de rede, „gij zult mij zeer verplichten, beste Socrates, als gij er heden van afziet deze vraag uitvoeriger te behandelen en als gij mij voorloopig vergeeft, dat ik niet inzie, waarom de zedelijkheid de voorkeur zou hebben boven de schoonheid. Wanneer het eene wet is, dat alles[56]in de wereld goed en zedelijk moet zijn, dan is het ook eene wet, dat alles in de wereld naar schoonheid streeft en in haar den bloei van zijn wezen, het doel zijner ontwikkeling vindt. Bijgevolg kan toch de eene zoowel als de andere lezer beide wetten alleen eene subjectieve, van den mensch zelf afhankelijke wet zijn. Daarbij, meen ik, kunnen wij het voor heden laten berusten.”„Natuurlijk!” riep Protagoras: „evenals ieder mensch waarheid noemt, alleen datgene wat hem persoonlijk waar voorkomt, zoo is ook goed en schoon voor ieder, alleen datgene wat hem alzoo toeschijnt. Eene op zichzelf vaststaande zedelijkheid bestaat er evenmin, als eene absolute waarheid.”De goedige trekken van Socrates namen eene ietwat spotachtige uitdrukking aan en hij zeide:„Gij beweert altijd, Protagoras, dat er geene absolute waarheid is en gij zijt toch zelf de man, die over alles, wat men ook vragen mag, de meest afdoende en onomstootelijke beslissing kunt geven!”„Zijne meening openlijk uit te spreken,” hernam Protagoras, „is beter dan in valsche bescheidenheid voor te geven, niets te weten en toch altijd en eeuwig alles beter te willen weten, dan anderen.”—„Ik tracht naar het weten,” zeide Socrates, „dat ik niet bezit. Gij echter loochent de mogelijkheid daarvan. Moeten wij den menschelijken arbeid der gedachte reeds als ijdel opgeven, nadat wij dien pas eerst hebben begonnen?”„Altijd nog beter,” antwoordde Protagoras, „dan de frischheid en harmonie van het Helleensche leven door eene sombere en ontevreden beschouwing te willen vervangen.”„Ik begrijp nu,” hernam Socrates, „dat er menschen zijn die, omdat zij de kunst van het denken geringschatten, de kunst van het spreken des te sterker beoefenen. Want daar de gedachten, die zij uitspreken, naar hunne eigen verklaring geen onbetwistbare waarde hebben, zoo kunnen[57]het alleen schitterende woorden zijn, waardoor zij op het gemoed hunner toehoorders werken.”„Er zijn ook menschen,” sprak Protagoras, „die de kunst van spreken geringschatten, omdat zij gelooven, dat men achter hun geveinsden eenvoud diepzinnigheid, achter hun stamelen de wijsheid van een orakel en achter hunne bescheiden vragen het afdalen van een verheven geest zal zoeken.”—„Het komt mij beter voor,” zei Socrates, „de menschen door vragen, die hun gemakszucht storen, tot denken te dwingen, dan hen door snel gevatte, altijd gereede antwoorden, die den vrager hoogst aangenaam zijn, tot gedachteloosheid te brengen.”—„Beter is gedachteloosheid,” hernam Protagoras, „dan den bodem der werkelijkheid te verlaten, op wolken en nevelbeelden te rijden en zich in het oneindige te verliezen. Intusschen is zulk een zich verdiepen in de wereld van den onbegrensden gedachtennevel dikwijls verklaarbaar. Er zijn er toch, die gedwongen worden, jacht te maken op begrippen, omdat hun de goddelijke gave van stoffelijke kunstgewrochten te scheppen ontzegd werd.”—„Ook zijn er sommigen,” antwoordde Socrates, „die met beelden pronken, omdat hun de gave zich reine en klare begrippen te vormen, niet gegeven is.”„Die ellendige droomers,” zeide Protagoras, „zij juist zijn het, die de deugd gehaat maken, omdat zij met hunne woorden er altijd op terugkomen.”—„Bewonderenswaardiger zijn voorzeker zij,” hervatte Socrates, „die de deugd geheel en al ter zijde laten liggen, om nooit uit de atmosfeer eener schoone liederlijkheid te geraken.”—„Zoo lang de liederlijkheid schoon en beminnelijk is,” hernam Protagoras, „is het beter dan de noodzakelijke onthouding van hen, die op het gebied der schoonheid en van het genot het onkruid van den angstvalligen twijfel zaaien, omdat zij[58]zelven niet tot schoonheid en genot geroepen zijn.”—„Zulk een ben ik,” hervatte Socrates kalm. „Gij echter, Protagoras, schijnt mij een van diegenen te zijn, die de vrije gedachte tot datgene willen maken, wat zij zelven zijn, tot dienstknechten der zinnen!”„Ik betreur het,” viel hier Pericles de twistenden in de rede, „dat gij met deze woordenwisseling de zaak, die hier behandeld werd, niet tot beslissing hebt gebracht, maar u, naar mij voorkomt, in een onvruchtbaren, heeten woordenstrijd hebt begeven.”Socrates zeide:„Ik weet, dat ik hier slechts de overwonnene kan zijn!”Na het uiten dezer woorden verwijderde hij zich kalm, zonder een spoor van opgewondenheid in zijne trekken.Spoedig daarop ging ook Protagoras heen, echter niet zonder alvorens zijn opgewekt gemoed door eenige bittere woorden lucht te hebben gegeven.„Deze beide wijze mannen,” zeide Pericles tot Aspasia, „schijnen mij volkomen tegen elkander opgewassen te zijn. Zij gingen elkander te lijf, als kunstmatig geoefende kampvechters, en het is moeilijk te zeggen, wie van beiden op de eer der overwinning aanspraak mag maken.”Aspasia glimlachte slechts en ook toen Pericles haar reeds alleen gelaten had, zweefde nog die glimlach om hare lippen. Zij wist zeer wel, wat den strijd der beide mannen tot zulk een felheid had gedreven en wat daar zelfs van den kant van den zachten Socrates zooveel snijdends en bitters onder gemengd had. Zij las evengoed in het hart van den droomer, als in dat van den schitterenden sophist, die geen woord sprak, waarvan hij niet wist, dat het aan het oor der schoone Milesische welgevallig zou zijn.Tegen Socrates ontstond, sedert zijn woordenstrijd met Protagoras, in Aspasia een toenemend gevoel[59]van afkeer en bijna zonder zich er van bewust te zijn, ontkiemde in hare ziel het plan om met vrouwelijke arglistigheid de wijsheid van den man, die op „de vrije gedachte” altijd hamerde en „de slavin der zinnen” verachtte, zoo mogelijk aan hem zelven te schande te maken.1Aeschylus, zie Deel Inoot 1 pag. 111ennoot 2 pag. 94.↑2Het Grieksche spreekwoord „Uilen naar Athene zenden”, komt vrij wel met onze uitdrukking overeen: „Water in de zee dragen”.↑3De maan.↑4Cronides beteekent Cronus’ zoon d.i. Zeus (Jupiter), ook wel Cronion geheeten.Zie Deel I,noot 1 pag. 63.↑5Bedoeld worden hier de Lydische koningCandaulus, de zoon van Myrsus en de hoveling Gyges, de zoon van Dascyles. In kleuren en geuren kan men dat verhaal lezen bij Herodotus 1, 8–13; het geheugen van Pericles schijnt op dit punt vrij slecht te zijn geweest, daar de gunsteling geenszins uit liefde voor de vrouw den koning doodde. Integendeel: de vrouw van Candaulus liet Gyges roepen en zeide: „Ik geef u de keus òf door Candaulus te dooden mij en het rijk te bezitten, òf zelf te sterven, opdat gij later niet weder dingen moogt zien, die onvoegzaam zijn.” Gyges kiest het eerste, door den uitersten nood gedwongen en verkrijgt alzoo de echtgenoote vanCandaulusen de heerschappij.↑
[Inhoud]XV.UILEN OP DE ACROPOLIS.Als het waar mocht zijn, zooals de sage bij den verheven dichter der Euminiden1meldt, dat de diefstal van het vuur uit den hemel en de gave daarvan aan de menschen door Prometheus op de Acropolis heeft plaats gehad, dan is het niet te verwonderen,[34]dat bij het noemen van den naam Acropolis te Athene velen slechts eene hoogte voor den geest zweeft, geheel in verblindend licht gehuld, gekroond door de marmeren tinnen van het Parthenon.Doch er waren ook uilen op de Acropolis.…Er waren uilen te Athene—er waren er zoovele dat de uitdrukking „uilen naar Athene zenden”2de beteekenis kon krijgen van een overbodigen arbeid.En deze vogels waren zelfs aan Pallas Athene geheiligd. Zij behoorden bij haar, als de vogels van den gedachtenvoortbrengende, geheimzinnigen nacht. Want de nacht zelf is donker, maar hij is zwanger van licht en beter dan de drukke dag doet hij de gedachte ontkiemen en rijpen in het wakkere hoofd der menschen. Niet zelden echter tracht de nacht iets zelfstandigs te zijn en meer dan het licht,datuit hem geboren wordt, en stelt zich dan vijandelijk tegenover het licht.Zoo komt het, dat ook de vogels van den nacht, de uilen, vijanden van het licht geworden zijn.Er waren er dan, zooals gezegd is, vele op de Acropolis en zij nestelden het liefst in de ruimte tusschen de kroonlijst en het schuine dak van het oude, eerwaardige Erechtheüm, gezamenlijk met hagedissen, muizen en slangen.Zij zijn daarom de lievelingsvogels van denErechtheüs-priesterDiopithes, die ginds juist, onmiddellijk vóór de trappen van het Parthenon, in een levendig gesprek met een man gewikkeld is en zich tevens eenigszins zonderling beweegt.Hij loopt namelijk vóór de oogen van den anderen man met eene zekere opgewondenheid de trappen van het Parthenon op en af. Voor den ingang des tempels zijn, om het binnentreden gemakkelijker te maken, in de breede, hooge trappen kleinere gehouwen. Deze kleinere trappen klimt[35]Diopithes op en telt ze onderwijl en spreekt het getal met hoorbare stem uit.En nadat hij zóó gaande en luid tellend aan den anderen man het getaldertrappen heeft aangeduid, zegt hij tot hem het volgende:„Gij weet welke wet voor het aantal trappen van een tempelstoep door den vromen en welberaden geest der Hellenen sedert eeuwen is vastgesteld geworden. Oneven is naar den ouden regel het getal dezer trappen, opdat, als een gunstig voorteeken, de eerste en de laatste trede door de rechter voet zou kunnen worden betreden.”„Ja, zoo is het inderdaad,” hernam de man, tot wien Diopithes sprak.„Welnu,” ging Diopithes voort, „gij ziet, dat de mannen die dit Parthenon gebouwd hebben, schijnen te meenen, dat zij geen goede voorteekens meer noodig hebben. Het getal dezer kleinere trappen is even. Zij mogen nu werkelijk, hetzij in fieren trots of door de Goden met verblinding geslagen, tegen den heiligen regel gezondigd hebben: wat zij daar opgericht hebben doet zich reeds bij den eersten aanblik voor als een goddeloos, den Goden ongevallig werk. En ik zeg u: het is in zijn geheele ontwerp eene geringschatting, eene beleediging, eene beschimping der Goden. Zie toch eens: sedert de Panathenaeën voorbij zijn, sedert de overwinnaars in de wedstrijden hunne prijzen weggedragen hebben, sinds het volk zich zat gegaapt heeft aan het verkwiste goud en ivoor van Phidias’ standbeeld, is de feesttempel, zooals zij dien noemen, weder gesloten, het beeld der Godin bedekt; opdat het voor het volgende feest niet door het stof verontreinigd mocht zijn, en, in plaats van priesters en hunne dienaren, ziet men dag aan dag alleen de schatmeesters in- en uitgaan, die in het achterste deel van het gebouw hunne bezigheden verrichtend, de gelden, die inkomen en uitgegeven worden, natellen. En zoo klinkt, o hoon en misdaad! in ’t oor der Godin, in plaats van den klank van vrome[36]woorden, alleen het gerammel van goud- en zilverstukken!”Op deze ontboezeming van Diopithes begon de man, met wien de priester zich onderhield en die door zijn uiterlijk bleek een vreemdeling te zijn, onverschillig naar de hoeveelheid, de waarde en het bedrag der gemunte en ongemunte schatten te vragen, die in dit huis onder de hoede van Pallas Athene opgehoopt lagen, en Diopithes gaf bereidwillig alle inlichtingen, die hij kon geven.„Een mooie spaarpenning of liever een mooie buit is het,” merkte de vreemdeling op, „dien gij Atheners daar opgestapeld hebt. Maar mij dunkt gij zult dien voorraad wel spoedig uitgeput hebben, ook in vredestijd.”„Nog in langen tijd niet,” hernam Diopithes.„Ik zie echter,” vervolgde de vreemdeling, „dat, nu deze kostbare tempelbouw juist voleindigd is, men reeds met eene gelijke haast en gelijken ijver hier boven een nieuw werk begonnen is, een prachtpoort voor de Acropolis, voorzalen in den verhevensten stijl, niet minder grootsch dan het Parthenon zelf—”„En niet minder onzinnig, niet minder overtollig,” viel Diopithes hem in de rede. „Dat is toch juist,” vervolgde hij, „de snoodheid van die overmoedigen, die Athene’s lot tegenwoordig besturen. Zij laten het heiligdom vanErechtheüsvervallen, dat zelfs de Pers slechts ten halve waagde te vernielen, en richten daarentegen pronkzalen op, volgepropt met de ijdele beelden van de uit heel Hellas saamgevloeide bent van Phidias.”„Maar is Pericles dan almachtig?” riep de vreemde. „Hoe komt het, dat niet één van alle beroemde veldheeren en staatsmannen der Atheners, zoover ik weet, het lot der verbanning is ontkomen, en Pericles daarentegen eene zoo lange reeks van jaren zonder tegenkanting in zijne oppermacht zich staande houdt?”„Hij is de eerste staatsman,” zei Diopithes, „wien[37]de Atheners den tijd laten hen zelven te gronde te richten.”„Dat verhoeden de Goden!” hernam de vreemdeling. „Ik ben een eenvoudig man uit Euboeä en wensch den Atheners alles goeds toe.”„Waarom veinst gij?” zeide Diopithes, terwijl hij den vreemdeling strak in het gelaat keek. „Gij zijt de man uit Sparta, dien zij bij het feest der Panathenaeën van den drempel van het Parthenon verdreven hebben. Ik heb alles gezien en herkende u aanstonds weder, toen gij, over de hoogte van de Acropolis wandelende, u met eenige vragen tot mij wendet. Ja, gij zijt eenLacedaemoniëren als gij zegt, dat gij den Atheners alles goeds toewenscht, spreekt gij onwaarheid. Maar vrees daarom niets van mij! Er zijn Atheners, die mij gehater zijn dan het geheele Spartaansche volk. En het is ongetwijfeld wel bekend, dat hier te Athene de tegenstanders van al die nieuwigheden, de vrienden der oude tucht, Laconisten genoemd worden. En niet ten onrechte.”Schier onwillekeurig reikte de man uit Sparta denErechtheüs-priesterde hand.„Geloof niet,” ging deze voort, „dat het aantal dergenen, die op Pericles verbitterd zijn, in zijn nieuw Athene gering is. Kom mede! Ik zal u eene plaats wijzen, waar niet minder dan om het Erechtheüm, onverzoende wraakgeesten zweven.”Na het uiten dezer woorden voerde Diopithes den Spartaan naar den rand van den westelijken heuvel van de Acropolis en wees hem met de hand naar een steilen, somberen, woesten rotsheuvel, die tegenover den burgt, alleen door eene kloof daarvan gescheiden was, doch lager dan deze zich verhief.„Ziet gij dien steilen heuvel, welks rotsblokken als door Titanen handen op elkander gestapeld zijn?” vroeg Diopithes. „Ziet gij de in de rots gehouwen trappen, die naar eene vierkante ruimte voeren? Van deze plaats echter leidt een andere trap, ook in de rots gehouwen, naar eene diepe,[38]donkere kloof, waaruit een zwart water ontspringt. In die kloof staat het heiligdom der sombere wraakgodinnen, der Erinnyen met slangenlokken en die vierkante ruimte op de hoogte van den berg is de verzamelplaats van het overoude, eerwaardige, door de Goden zelven ingesteld gericht, dat wij den Areopagus plegen te noemen. Den grijzen rechters van dit gericht is de hoede van dit heiligdom der Erinnyen toevertrouwd: in hunne handen zijne overoude inzettingen en heiligdommen gegeven, die in een geheimzinnig duister gehuld zijn en waaraan het heil van den staat is vastgeknoopt. Zij alleen weten, wat de stervende lijder Oedipus in het oor van koning Theseus gefluisterd heeft, toen hij op den heuvel van Colonus in het woud der Eumeniden het doel van zijn langen zwerftocht had gevonden. Tusschen bloedige offers worden de strijdenden geplaatst, over wier zaak deze rechters beslissen, en een eed leggen zij af met afschuwelijke verwenschingen tegen zich zelven en tegen de hunne, als zij anders dan naar de strengste rechtvaardigheid mochten uitspraak doen. Zwijgend leggen zij, nadat zij de zaak hebben aangehoord, hun vonnis in twee urnen, in de urn der barmhartigheid of in de urn des doods. Opzettelijken moord te vonnissen was van den beginne af hun ambt. Maar ook zedeloosheid, nieuwigheden in den staat en in den dienst der Goden te straffen, behoorde oorspronkelijk tot hunne taak; in den intiemsten kring van het familieleven door te dringen was hun veroorloofd, om de meest verborgen misdaad aan het licht te brengen. Zij straften den vadermoorder, zij straften den brandstichter, zij straften den man, die een onschuldig dier zonder noodzaak had gedood, zij straften den knaap, die meedoogeloos een jongen vogel de oogen had uitgestoken. Protest aan te teekenen tegen besluiten van het geheele volk, was hun vergund. Is het te verwonderen, wanneer deze plaats der oude tijden, deze op de rots van den Ares-heuvel gegrondveste burg der vrome tucht, den machthebbers[39]van het nieuwe Athene al lang een doorn in het oog is geweest? Pericles was het, die het eerst deze heilige macht durfde trotseeren, die hare voorrechten beperkte, haar aanzien verminderde, haar den onaangenamen invloed op de staatsaangelegenheden besnoeide. Te vergeefs! Evenals over dezen zelfden Ares-heuvel de brandende pijlen der Perzen tegen den burg en tegen den ouden tempel der Acropolis vlogen, zoo vliegen heimelijk thans van daar de gramstorige blikken der Areopagiten, zwanger van onheil, naar den nieuwen tempel van Pericles!”—„Maar de groote massa der Atheners houdt toch van Pericles,” zei de Spartaan—„zij houden hem voor een oprechten vriend der volksheerschappij.”„Ik houd Pericles voor niet onnoozel genoeg,” hernam Diopithes, „om een oprecht vriend der volksheerschappij te zijn. Een man, uitnemend in geestesbeschaving, is nooit een eerlijk vriend der volksheerschappij. Want hoe zou het hem voldoen, de macht, die hij de onverstandige menigte ontwrongen heeft, vrijwillig weder met haar te deelen, en zich in zijne beste plannen, in zijne schoonste ondernemingen door bekrompen hoofden te laten storen en dwarsboomen? Pericles vleit, als alle volksmannen, de massa, om zich van haar tot volvoering zijner eerzuchtige plannen te bedienen. Wellicht blijft hem uit den gouden schat in het achtergebouw van het Parthenon ten laatste zooveel over, dat hij zich daaruit eene kroon kan doen vervaardigen, die hij zich op een feest der Panathenaeën, ten aanschouwe van het verzamelde volk en aan de voeten der Godin van Phidias, op het hoofd zet. Bereidt er u op voor, gij Lacedaemoniërs, om den Hellenen koning en zijne koningin Aspasia, door het geven van eene kluit Spartaanschen grond en eene kruik water uit den Eurotas, te helpen huldigen!”Bij deze laatste woorden zag de priester om. „Laat ons heengaan,” zei hij tot den Spartaan, „ik zie menschen naderen, die hier boven den grond[40]voor de nieuwe voorzalen afbakenen. Men zou mij een samenspanning metLacedaemonten laste leggen als men ons te zamen zag spreken.”Zoo sprak deErechtheüs-priesteren verdween weldra met de man uit Sparta achter de zuilen van het Erechtheüm, waar beiden nog een tijdlang zich vertrouwelijk onderhielden.Weinige dagen na het feest der Panathenaeën had Telesippe, door minnelijke schikking van Pericles gescheiden, het huis van haar gemaal verlaten en Aspasia was in hare plaats als wettige gemalin daar binnen geleid.Niet verootmoedigd verliet Telesippe het huis van haar echtgenoot, maar met fier opgeheven hoofde; want zij ging een lot te gemoet, waarvoor zij zich toch geboren waande, welks vervulling echter zij niet meer had durven hopen.Altijd was het begin harer klachten geweest: „Ik had de gade van den Archon Basileus kunnen wezen!”Toen het besluit om van Telesippe te scheiden in Pericles gerijpt was, kon hij niet nalaten er op te peinzen, hoe hij het smartelijke van den indruk zou kunnen verzachten, die deze beslissing noodwendig op zijne gade moest maken. Hij herinnerde zich hoe dikwijls zij van den Archon Basileus had gesproken. Hij, die thans het ambt van Archon Basileus bekleedde, was een vriend van Pericles, een man van tamelijk gevorderden leeftijd, doch ongehuwd. Pericles begaf zich tot hem en vroeg hem, of hij niet genegen zou zijn te huwen. De Archon Basileus was een stil, eenvoudig mensch en zeide, dat hij niet ongenegen was in het huwelijk te treden, als er zich maar een geschikte bruid voor hem opdeed.„Ik ken eene vrouw,” zei Pericles, „die geknipt is voor een man als gij; het is mijne eigene vrouw. Voor mij zelven heeft ze te weinig van die opgeruimdheid, waardoor een staatsman bij zijne tallooze beslommeringen afleiding en opwekking kan erlangen, en te veel van die strengheid, van die deftige[41]waardigheid, die een ernstig man, met het priesterlijk gewaad omhangen, als gij, ongetwijfeld moet aantrekken. Ik sta op het punt, om van Telesippe te scheiden, doch ik zou mij zeer gelukkig achten, als ik wist, dat zij uit mijn huis in dat van een beter man overgaat, en dat zij daar, waar zij heengaat, datgene zou vinden, wat zij in mijn huis miste.”De Archon Basileus nam deze woorden zoo ernstig op, als zij gemeend waren. Over het bezwaar, dat een Archon Basileus doorgaans alleen met eene jonkvrouw huwde, deed Pericles hem heenstappen, door hem te beloven, dat hij al zijn invloed bij de Atheners zou aanwenden, om de schending van dit oud gebruik onopgemerkt te laten. Daarop gaf de Archon ten laatste de verklaring, dat hij bereid was Telesippe uit het huis van haren tegenwoordigen echtgenoot in het zijne als wettige gade binnen te leiden.Pericles deelde zijne gade te gelijkertijd zijn besluit mede van haar te scheiden en het voornemen van den Archon Basileus met haar te willen huwen.Telesippe vernam de beslissing koud en ongevoelig: zij uitte geen enkel woord, doch trok zich terug in haar vrouwenvertrek. Toen zij daar echter de beide knapen zag, die zij nu verlaten moest, trok zij hen tot zich en schreide bittere tranen op hun hoofd. Zij dacht er aan, hoe zij Hipponicus kinderen had gebaard, hoe hij haar had verstoten en hoe zij de vrucht van haar schoot voor altijd had moeten verlaten: hoe zij voorts Pericles kinderen had geschonken en ook dezen verlaten en van hen moest scheiden en aan een nieuwen echtgenoot zich verbinden. Zij scheen zich zelve toe van alle recht beroofd, hulpeloos van huis tot huis verjaagd.…Maar de echtgenoot van den Archon Basileus! Het doelwit harer eerzucht! Het eens verloren en nu toch bereikte geluk haars levens! Ja, waarlijk—alleen der verstootene gade was daarmede voldoening gegeven, niet der moeder. Door den dwazen[42]trots der vrouw heen voelde zij altijd door de angstige slagen van het onverzoende moederhart.En toen nu het oogenblik was gekomen, waarop Telesippe het huis van haar echtgenoot zou verlaten en op het voorhoofd harer zonen den laatsten kus drukte, om voor altijd van hen te scheiden, werd ook Pericles plotseling door een zonderling gevoel overweldigd: het scheen hem toe, dat men toch geen heiligen band, die eens twee menschenharten had vereenigd, ooit kon verbreken zonder iets van het hartebloed daarmede vergoten werd.Telesippe had hem kinderen gebaard, kinderen, die zijne trekken, zijne gelijkenis op ’t gelaat droegen. Hoe zou niet voor altijd eerwaardig en heilig voor den man zijn de vrouw, die hem kinderen had geschonken, die zijne trekken droegen? Op het voorhoofd der kinderen was de stempel gedrukt der ontwijde moedereer. Deze erfenis liet zij bij haar scheiden hare kinderen en haar echtgenoot achter. Pericles was zich daarvan helder bewust, toen Telesippe zijn huis verliet.Straks reeds had hij met een koelen, ernstigen handdruk van haar afscheid genomen; thans greep hij nog eenmaal de hand zijner vrouw, de moeder zijner kinderen, en een traan bevochtigde die. En toen Telesippe reeds lang zich verwijderd had, stond Pericles nog geruimen tijd in gepeins verzonken, met eene vraag zich bezig houdend, die geene menschelijke wijsheid ooit zal oplossen.…Zonderling en raadselachtig zijn de plichten der menschen en hunne rechten met elkander in strijd.…Voor Pericles en zijn huwelijksleven was de teerling geworpen.Het keerpunt in zijn huiselijk leven had een tweeledig aanzien, zooals bijna alle menschelijke zaken. Op het ernstig afscheid van Telesippe volgde de blijde intocht van Aspasia. Hare intrede verdreef gemakkelijk de donkere schaduw op het diepzinnig voorhoofd van Pericles. Zij verspreidde licht en[43]glans tot in den diepsten hoek des huizes. Aspasia kwam begeleid door alle lachende lentegeesten. Eene geurige, frissche lucht verjoeg de tot nu toe dompige atmosfeer van het huis.De oude, eerwaardige huisgoden waren met Telesippe heengetogen, Aspasia bracht nieuwe mede. Zij plaatste in het peristylium den vreugderijken Dionysus en de lachende Aphrodite en den gelokten, schitterenden beschermgod van den Ionischen stam, den met pijl en lyra gewapenden aanvoerder derMuzenreien, Apollo. Ook ontbraken van nu af niet de Chariten aan het altaar van dit huis, waar het passend offer haar zoo lang was geweigerd.De geest van vernieuwing, die Aspasia’s schreden overal volgde, begeleidde haar ook in het huis van Pericles. Binnen korten tijd was dit huis op vroolijke en weelderige wijze ingericht. Niets leelijks, niets onedels duldde Aspasia rondom zich. Wijken moest, wat geen genade vond in haar oog, wat niet overeenstemde met haar schoonheidsgevoel. Schoonheid werd verklaard als de hoogste wet, ook aan den huiselijken haard. Kunstenaarshanden moesten de muren der vertrekken met bekoorlijke beelden versieren. Uit kunstenaarshanden moest voortaan niet alleen voortkomen, wat het leven siert en schoonheid geeft, maar ook wat slechts moest dienen voor dagelijksche behoeften.Eenvoudig was tot heden het huishouden van Pericles; nu mishaagde hem dezen eenvoud zelven. Niets is aangenamer voor den minnende, dan het verblijf der geliefde zoo bekoorlijk mogelijk in te richten. Geen man versiert voor zich zelven het huis, voor eene geliefde vrouw echter wordt zelfs de vrek een verkwister. Met blijdschap hielp Pericles zijne beminde Aspasia de woning van zijn nieuw geluk in een tempel der schoonheid herscheppen.Den fijn ontwikkelden zin voor hetgeen het oog bekoorde, voor het smaakvolle en harmonische, die den vrouwen eigen is en dien zij in hare sieradiën,[44]in hare kleeding aan den dag leggen, bezat Aspasia in zoo ongemeene mate, dat Pericles zich als in de macht eener toovenares bevond en zijne geliefde smeekte, dat zij toch ook niet hem zelven, als alles rondom haar, zou veranderen. Maar hij was reeds veranderd. Zonder verwijfd geworden te zijn, ontwikkelde hij nu in zich een zin, die tot heden in den rusteloos werkzamen man geheel gesluimerd had. De geliefde, of liever de liefde zelve, leerde hem de diepe en niet te verachten poëzie kennen en waardeeren, van hetgeen hij tot nu toe niet had opgemerkt. Wat waren hem vroeger paarlen en edelgesteenten geweest? Thans kon hij een juweel, dat in een gouden band aan den leliewitten arm der geliefde fonkelde, een zeer langen tijd beschouwen en zich in zijn bont flikkerend licht, als in eene zonderlinge openbaring, verdiepen. Wat waren hem vroeger geurige zalven, wat was hem al het reukwerk der wereld geweest? Thans was zijn zin ontwaakt voor iederen fijnen, geurigen adem, die in de nabijheid der geliefde hem omgaf en iedere kleurmengeling bracht eene aangename gewaarwording in zijne ziel. Wat waren hem tot heden kleuren geweest? Eene vluchtige bekoring op zijn hoogst, waarvan hij zich nauwelijks bewust was. En thans? Wat een leven, welk eene betoovering kreeg voor zijn oog het gloeiend rood, het vlammend geel, het verrukkelijk blauw, het liefelijke, zachte groen, als het om het lichaam der geliefde golfde of wanneer hare schoone, blanke leden daardoor te meer uitkwamen.De band der liefde en eene onbeperkte toewijding moge twee harten nog zoo lang en gelukkig vereenigd hebben, de band die Hymen om hen slaat, bereidt hen toch een nieuw, tot nu toe onbekend geluk. De echt heeft, evenals de liefde, zijne eigenaardige zaligheid. Dagelijks opnieuw zich te verliezen en dagelijks opnieuw zich terug te vinden mogen aan de zalige oogenblikken der liefde haar aantrekkelijkheid geven; maar ook het bewustzijn zijn hoogste geluk altijd in zijne nabijheid te hebben,[45]is benijdenswaard.Wie op het huwelijk laag neerziet kent de liefde niet.—Iedere dag had thans voor Pericles zijn eigenaardigen lust, zijn eigenaardigen glans, zijne eigenaardige bekoorlijkheid. Altijd was Aspasia voor Pericles alles en toch iederen tijd iets anders: des morgens zijne rozenvingerige Eos, des avonds zijne Selene3, zoete sluimering op zijne oogleden droppelend, des daags zijne Hebe, die hem den beker des levens aanbood. Zij was de Hera van den „Olympiër,” maar zij behoefde nooit den toovergordel eerst van de gouden Aphrodite te ontleenen. Nog meer: in menig oogenblik scheen zij hem eerwaardig toe als zijne moeder en op andere tijden beminde hij haar met de liefde, waarmede men een kind liefheeft.Wanneer reeds doode sieraden, edelgesteenten, paarlen, geurige balsems, schitterende kleuren door de liefde eene nieuwe betoovering verkrijgen, in den minnende een nieuw, tot nu toe onbekend gevoel opwekken, welk verhoogd leven, welke nieuwe betoovering moet dan de poëzie, moet de muziek minnenden harten instorten? Welk een volheid en weelde van bekoorlijkheid en genot moest de betooverende Aspasia niet uit deze bronnen weten te scheppen en te putten!Zong Aspasia Pericles een lied voor bij de luit of las zij hem gelijk zij als kind aan Philammon had gedaan, uit boekrollen voor, zoo wist hij niet, wat hem meer verrukte: wanneer zij met gloeiende wangen geheel opging in het vuur harer kunst of van den dichter, dien zij las, of wanneer zij in moedwillige dartelheid haar lied of voordracht met kinderlijk gekeuvel, overbodige liefdesvragen, met vriendelijk gevlei telkens afwisselde …De Atheners hadden in den regel geen eigenlijk tehuis. Zij leefden buitenshuis. Pericles echter bezat thans een tehuis.[46]Dat de knapen Xanthippus en Paralus de zoons van Pericles, niet van Aspasia waren, kwam dit niet juist het echtgeluk van Pericles ten goede? Hij behoefde Aspasia’s liefde niet met hen te deelen.Wanneer aan beiden nog iets ontbrak, was het wellicht alleen het geheele, volle bewustzijn van hun geluk. Want eigenlijk begrijpen niet de gelukkigen zelven, maar alleen zij, die het missen, geheel en ten volle het geluk der gelukkigen. Met goede bedoeling mengen de Goden gaarne een droppel alsem in iederen vreugdebeker: want slechts het verstoorde of bedreigde geluk komt tot klaar bewustzijn.Het huwelijk van Pericles en Aspasia gaf den Atheners onuitputtelijke stof tot gesprekken. Men behandelde het op de Agora, men vertelde in alle gaanderijen, in alle worstelplaatsen, in alle werkplaatsen der handwerkslieden en in alle barbierswinkels van gansch Athene, dat Pericles zijne gade kuste, zoo dikwijls hij van huis ging en wederom als hij terug kwam. Een man verliefd op zijne vrouw! Men sprak van de witte Sicyonische paarden en het schitterende rijtuig, waarmede de nieuwe vrouw van Pericles soms door Athene’s straten reed. Men sprak van de omkeering, die in het eens zoo eenvoudige huis van Pericles had plaats gegrepen. Men sprak van de nieuwe, prachtige muurschilderingen, waarmede het versierd was, in het bijzonder van eene, die de plundering van den Olympus door de Eroten voorstelde. Getooid met den buit trokken zij jubelend voort: deze met den bliksem van den Cronide4, gene met den boog van Apollo, een derde met den helm en het schild van Ares, weer een andere met Heracles’ knots, met den thyrsus van Bacchus, met de fakkels van Arthemis, met de gevleugelde sandalen van Hermes.[47]Men zeide nu zelfs, dat Aspasia de redevoeringen opstelde, die Pericles voor het volk hield. Pericles, de Olympiër, de sedert zoo langen tijd gevierde redenaar, liet zich dit glimlachend welgevallen en erkende, dat hij zijne gelukkigste gedachten aan Aspasia te danken had. Aspasia bezat eene betooverende, zoetvleiende, krachtige taal, zooals men soms bij vrouwen aantreft, waaraan zich een liefelijke, zilveren klank van stem paarde; en zoo maakte zij op de mannen den indruk, als ware zij met groote gave van welsprekendheid bedeeld en eene vrouw, van wie men veel leeren kon.Echter werd er ook onder het volk gemompeld, dat Aspasia Pericles zocht te verleiden naar de koninklijke waardigheid te streven. Men zeide, dat zij niet achter hare landgenoote Thargelia wilde staan, wie het ook gelukt was de gade van een koning te worden.Steeds nog stond de eerwaardige Elpinice aan de spits dier nieuwigheidsventers. Zij was de levende en wandelende kroniek van Pericles’ huis te noemen. Van haar afkomstig was het verhaal van den kus, welke Pericles bij het uitgaan en terugkeeren aan zijne vrouw gaf. Zij wist het, welke gezindheid Aspasia jegens de kinderen van Pericles koesterde en jegens den jongen Alcibiades.Zij wist te vertellen, dat Aspasia niet vanParalusen Xanthippus hield, dat zij zich weinig aan hen liet gelegen liggen, hen overliet aan de zorg van den paedagoog, doch zich als eene moeder den jongen Alcibiades aantrok, hem vertroetelde, dat onder hare handen de zoon van Clinias verwijfd en nog wat ergers zou worden.Was het te verwonderen, dat Aspasia voor den heerlijk begaafden pleegzoon van Pericles partij trok tegen zijne zoons, die wel is waar des vaders trekken op het gelaat droegen, doch in karakter de evenbeelden hunner moeder Telesippe waren?Behalve Alcibiades, Paralus en Xanthippus groeide nog in het huis van Pericles een andere knaap op, die wel niet tot de huisgenooten van Pericles[48]behoorde, maar toch ook niet onder de slaven gerekend kon worden. Pericles had hem uit den Samischen oorlog mede naar Athene gebracht. Men wist niets meer van zijne afkomst, dan dat hij de zoon van een Thracische of Scythischen of een ander Noordsch koning was, dat hij door eene vijandelijke hand als kind aan zijne ouders ontroofd was en vervolgens als slaaf was verkocht. Pericles vond hem op Samos. Zijne deelneming werd opgewekt door het droevige lot en het ongemeen uiterlijk van den knaap; hij kocht hem en voerde hem met zich naar Athene. Hier liet hij hem opvoeden met zijne eigen kinderen. Zijn naam was Manes. Hemelsbreed verschilden zijne trekken van de fijnheid en adel der Helleensche vormen, hij herinnerde veeleer een weinig aan de Scythische huursoldaten op de Agora. Maar hij had uitnemend schoon, bruin, glanzend haar, heldere oogen en eene zeer blanke huid. Hij was stil in zich zelven gekeerd en verried in vele zaken een eigenaardig karakter.Alcibiades zocht den nieuwen makker voor zich te winnen en hem in te nemen door zijne beminnelijke uitgelatenheid. Het gelukte hem niet. Manes was liefst alleen, legde geene schitterende gaven des geestes aan den dag, verdiepte zich echter met ijver in alle vakken van wetenschap, die hem tegelijk met de jongens van Pericles onderwezen werden. Pericles zelf begon van hem te houden, Aspasia echter vond hem zonderling en de jonge Alcibiades maakte hem tot het doelwit van zijne spotternijen en overmoedige scherts.Het deed aan het geluk van Pericles geen afbreuk, dat zijn huis thans meer dan vroeger voor zijne vrienden open stond, en dat Aspasia met opzet, tegen ’t gebruik der Atheensche vrouwen, in het gezelschap van haar echtgenoot deel nam aan de gesprekken der mannen. Voor het geluk van minnenden is het toch een nieuwe prikkel, wanneer zij voor eenige oogenblikken zich in eene grootere omgeving als ’t ware verliezen, om later[49]dubbel gelukkig elkander weder te vinden.Van de oudere vrienden van Pericles trad Anaxagoras thans meer op den achtergrond; hij werd verdrongen door den schitterenden Protagoras, die zich in Aspasia’s gunst mocht verheugen en wiens frissche, onbevooroordeelde, gezonde, vrijzinnige levensbeschouwing hem tot een natuurlijken bondgenoot van de Milesische maakte. Opmerkelijk was het, dat de dichter der „Antigone” zelden het huis van Pericles bezocht: hetzij, omdat hij met den hem eigen fijne takt de ijverzucht, die zijn vriend tegen hem had opgevat, niet opnieuw wilde wekken, hetzij, omdat hij meende eene bij hem zelven ontwakenden, onedelen hartstocht te moeten onderdrukken; misschien ook omdat eene andere bekoorlijke vrouw zijn hart had veroverd en hem aan zijne oude vrienden ontroofde. Niet onmogelijk is het, dat al deze redenen te zamen zijne bezoeken minder talrijk maakten.…Was het dus eene zeldzaamheid, dat de vroolijke Sophocles zich daar vertoonde, des te meer zocht de sombere Euripides, zijn mededinger op het gebied van het treurspel, het gezelschap van Aspasia. Met hem kwam Socrates, wiens vriendschap en trouw onveranderd waren gebleven. De belangen van zijn beroep voerden Phidias soms naar het huis van Pericles, en Aspasia genoot den triomf te zien, dat hij haar gezelschap niet vermeed. Tegen hem wist zij eene lieftalligheid aan den dag te leggen, die op zijn eigenaardig karakter berekend was. Altijd weder kwam zij in hare gesprekken met hem op zijne Lemnische Godin terug. Zij wond zich dan op, ja geraakte zelfs in vuur. Naar hare meening stond Phidias thans op een kruisweg, en zij hoopte invloed te oefenen, op de richting die hij zou kiezen. Zij wilde alles er op zetten, om zijne stijfhoofdigheid in de opvatting zijner kunst te breken.Herhaaldelijk wierp zij hem voor de voeten, dat hij de bekoring der vrouwelijke schoonheid niet genoeg tot haar recht liet komen.[50]Phidias versmaadde inderdaad de zoogenaamde modellen. Hij droeg in zich zelven de volmaakte afbeeldingen van alle schoone vormen. Zoo bleef zijn kunstenaarsoog het liefst naar binnen gericht en hoe ouder hij werd des te meer vertrouwde hij op zijn eigen talent. Hij was te fier, om de werkelijkheid eenvoudig na te volgen en in steen of metaal over te brengen. Dit echter was het juist, wat Aspasia van hem verlangde.Toen zij even weder een levendig gesprek van dezen aard met Phidias had gevoerd en deze zich verwijderd had, zeide Pericles glimlachend:„Gij schijnt zeer verstoord te zijn op Phidias, omdat hij niet meer bij de schoone natuur ter schole wil gaan?”„Zoo is het,” zeide Aspasia; „in zijne ziel worden alleen de idealen eener, om zoo te zeggen, onbewuste en ernstige schoonheid gevonden. Het is tijd, dat hij de ten volle ontwikkelde, bewuste bekoorlijkheid en lieftalligheid niet versmaadt aan de natuur te ontleenen.”„Naar welke vrouw echter,” hernam Pericles, „zoudt gij hem verwijzen, om deze volle en betooverende bekoorlijkheid, als uit de zuiverste bron te putten? Daar Phidias de Homerische Helena niet uit den Hades kan oproepen en de schoonste van alle thans levende Helleensche vrouwen, naar het eenstemmig oordeel van alle menschen, gij zelve zijt, zoo zou ik wel gaarne willen weten, wat gij Phidias zoudt antwoorden, als hij u vraagt, naar welke vrouw gij hem verwijst?”„Ik zou hem naar eene vrouw verwijzen,” hernam Aspasia, „die geheel haar eigen meester is.”„Maar als hij er op stond zich tot eene vrouw te wenden, die niet haar eigen meester is?” vroeg Pericles.„Dan zou hij zich natuurlijk,” hervatte Aspasia, „tot dengene moeten wenden, wien zij behoort: tot haar heer als zij eene slavin is, of tot haar echtgenoot, als zij de vrouw is van een Atheensch man.”[51]„En gelooft gij,” zeide Pericles, „dat een Atheensch man ooit zou kunnen besluiten, de vrouw, die hem toebehoort geheel en al aan de blikken van een ander prijs te geven?”„Waarom doet gij mij eene vraag,” zeide Aspasia, „die gij beter in staat zijt te beantwoorden dan ik zelve?”„Welaan dan,” antwoordde Pericles, „ik zal ze beantwoorden. De Atheensche man zal de vrouw, die hem toebehoort, nooit ongesluierd aan de blikken van een ander prijs geven. De eerbaarheid der vrouw mag geen ijdele klank zijn, en wanneer de jonkvrouw van een zedig karakter is, moet de vrouw, die een man toebehoort, dubbel zedig zijn uit liefde omdat zij door het prijs geven harer eerbaarheid niet zich zelve alleen onteert.”„Uwe meening is achtenswaardig,” zeide Aspasia, „en ongetwijfeld juist. De grond echter, dien gij er voor aanvoert, schijnt mij niet volkomen afdoend te zijn. Het komt toch niet zelden voor, dat gij, mannen, uwe vrouwen aan de oogen en handen der geneesheeren toevertrouwt, zij het dan ook in eigen tegenwoordigheid. Derhalve komt het mij voor, dat de eerbaarheid niet de voornaamsteredenis en dat niet elkeontsluieringop zich zelve onzedig is.”Zoo ver waren Pericles en Aspasia in hun gesprek gevorderd, toen zij plotseling door het bezoek van twee mannen werden gestoord, wier gelijktijdig binnentreden in hun huis hen zeer verraste.De beide mannen waren Protagoras en Socrates.„Wel, hoe komt het,” vroeg Aspasia glimlachend na de eerste begroeting, „dat twee uitgelezen mannen, van wie ik sedert het feestmaal bij Hipponicus altijd gevreesd had dat zij vijandig tegen elkander over zouden staan, heden zoo vreedzaam te zamen tegelijker tijd dit huis betreden?”„Ik zal u vertellen hoe het komt,” antwoordde Socrates, „als gij het volstrekt wilt weten. Wij beiden, Protagoras en ik, ontmoetten elkander van[52]verschillende kanten komend, voor de deur van dit huis. Ik voor mij stond reeds een poos voor den drempel en aarzelde binnen te treden, omdat mij juist op het oogenblik, waarop ik binnen wilde gaan, eene gedachte inviel, die ik maar niet uit mijn hoofd kon zetten. Terwijl ik daar zoo stond, met de oogen naar den grond geslagen, kwam Protagoras van den anderen kant. Hij zag mij aanvankelijk evenmin als ik hem, daar hij, terwijl ik in gepeinze verdiept naar den grond keek, met opgerichten hoofde zijn oog in de wolken en in den onmetelijken aether liet ronddwalen. Zoo liepen we elkander tegen het lijf; ik herkende Protagoras en hij mij, en daar wij beiden bemerkten, dat ieder onzer van plan was hier binnen te gaan, wilden wij ieder terugkeeren en den andere het veld ruimen. Maar toen wij wederkeerig verklaarden, dat we elkander de baan vrij wilden laten en geen van beiden elkanders aanbod wilden aannemen, kwamen wij eindelijk tot den inval, op goed geluk te zamen het huis binnen te treden.”Pericles en Aspasia glimlachten en zeiden, dat zij in deze ontmoeting een goed voorteeken zagen, des te meer omdat zij juist in een soort van wijsgeerig gesprek verdiept waren. Zij waren, zeiden zij, met een vraag bezig tot welker oplossing twee mannen, die wel is waar verschillende meeningen waren toegedaan, maar toch onbetwist wijzen waren, zeker wel het hunne konden bijdragen.Toen nu Protagoras en Socrates vroegen, welke de bedoelde vraag was, maakte Pericles geen bezwaar om de beide mannen de zaak uiteen te zetten.„Wij wierpen de vraag op,” zei hij, „of een man bereid zou kunnen zijn de ongesluierde schoonheid der vrouw, die hij liefheeft, aan het oog eens beeldhouwers tot model prijs te geven. Ik ontkende dit. Aspasia echter wees mij er op, dat wij, mannen, onze vrouwen toch wel aan de oogen en handen der geneesheeren prijs geven, zij het[53]dan ook in onze eigen tegenwoordigheid; dat wij derhalve soms geneigd zijn andere gronden hooger te achten, dan die der zedigheid. Dat u nu juist het toeval hierheen voert is eene bestiering der Goden, die u als wijze mannen tot beslissing dezer zaak geroepen hebben.”„Ongetwijfeld,” zei Protagoras, „zijn er gronden, die hooger staan dan de zedigheid, en beweegredenen, die de schijnbare kwetsing der zedigheid kunnen verontschuldigen. Een dier beweegredenen heeft Aspasia reeds aangevoerd. Ik voeg er bij: wat zou er van de beeldhouwkunst worden wanneer het schoonste zich uit preutschheid aan het oog des beeldhouwers onttrok? De schoonheid heeft plichten niet alleen tegenover zich zelve. Wat de natuur haar met kwistige hand heeft geschonken, dat moet zij der kunst ten goede laten komen. Het schoone toch behoort in een zekeren zin steeds aan het algemeen en dit laat zich zijn recht daarop niet ontnemen. Bovendien is de schoonheid, volgens hare natuur, iets vluchtigs, iets dat op zich zelf alleen voor het tegenwoordig geslacht aanwezig is en dat niet anders tot de nakomelingschap gebracht en daarvoor vereeuwigd kan worden, dan doordat de dichters het in hunne zangen verheerlijken, zooals Homerus de gade van Menelaüs, of dat een beeldhouwer de levende bekoorlijkheid des lichaams in marmer of metaal aan de komende geslachten, zoo ver mogelijk, overlevert.”„Naar uwe meening,” hernam Pericles, „moet dus eene schoone vrouw als gemeen goed beschouwd worden, die niemand geheel voor zich alleen mag bezitten?”„Alleen hare schoonheid—niet zij zelve,” antwoordde Protagoras. „Evenals het bij alles, wat in de wereld geschiedt, op de aard en wijze, waarop dit plaats vindt, aankomt op de omstandigheden, waaronder het gebeurt, zoo kan ook, mijns inziens, het ten toon stellen van de vrouwelijke bekoorlijkheid ter bevordering van een grootsch doel, de kunst, op een aard en wijze en onder[54]omstandigheden plaats grijpen, die het bedenkelijke der zaak ten volle wegnemen.”„En welke zouden die omstandigheden zijn?” vroeg Pericles.„Dit is eene zaak,” hernam Protagoras, „die eenigszins moeilijk is uit te maken. Zooals Aspasia naar aanleiding van uw vroeger gesprek, dat gij ons medegedeeld hebt, reeds herinnerd heeft, plegen wij immers eene vrouw, die zonder getuigen de vertrouwelijke nabijheid van den hulpbiedenden geneesheer zoekt, voor schaamteloos en onzedig te houden, doch wij vinden in die soort van vertrouwelijkheid niets bedenkelijks, als zij plaats grijpt onder de oogen van den man. Daarom mag men eens en voor goed vaststellen, dat er omstandigheden zijn, waarin de man zijne vrouw zonder schande of onteering aan een vreemd oog kan prijs geven …”„Natuurlijk,” zeide Pericles, „zou ik die prijsgeving eener vrouw, wanneer het door omstandigheden of door een grootsch doel geboden was, alleen onder die voorwaarde kunnen billijken. Ik hoop dat gij ook nog de voorwaarde er bij voegt, dat de vrouw den beeldhouwer alleen zal geven, wat aan haar voor den beeldhouwer belangrijk is, en dat de eerbaarheid zich alleen zal terugtrekken tot één punt, maar dit punt, om zoo te zeggen, tot op den laatsten droppel bloeds zal verdedigen. Intusschen, herinnert gij u niet de geschiedenis van dien Oosterschen koning, die door de bekoorlijkheid zijner vrouw betooverd, op den inval kwam haar geheel naakt aan zijn gunsteling te toonen5? Als ik mij goed herinner, verloor deze koning troon en vrouw en leven door den gunsteling, die ontvlamd door die bekoorlijkheid, niet[55]rustte, tothijbezat wat hem zoozeer had verrukt.”—„Met andere oogen,” sprak Protagoras, „met andere gezindheid, met andere gedachten beschouwt een beeldhouwer de naakte schoone gestalte, als de verwijfde gunsteling eens Oosterschen konings. Gene merkt, als hij heerlijk ontwikkelde ledematen beschouwt, zóóveel op, dat juist zijn kunstenaarsoog bezig houdt en eene groote bron van kennis welt daaruit voor hem op, dat er weinig plaats meer overblijft in zijn gemoed voor wulpsche gedachten. En die welke soms nog mochten opkomen, heeft hij leeren te beheerschen. De gewoonte ook heeft voor de grovere bekoorlijkheid der onthulling hem ongevoelig gemaakt. En wat nu den ouden, eerwaardigen Phidias betreft—is dat een man? Neen, veeleer eene door de Godheid gekuste, doch geslachtlooze beeldhouwersziel, die alleen een lichaam, eene hand heeft, om den beitel te kunnen voeren—dat is iemand, voor wien alles in de wereld alleen vorm is, nooit stof.”—„Protagoras’ meening kennen wij nu,” sprak Pericles. „Laat ons hooren wat Socrates aangaande deze zaak in het midden te brengen heeft. Wat denkt gij, Socrates? Is het eene vrouw veroorloofd tot bereiking van een grootsch kunstenaarsdoel, hare eerbaarheid ter zijde te stellen?”„Dit schijnt mij,” hernam Socrates, „hiervan af te hangen of in de wereld het schoone een hoogeren rang inneemt dan het goede. En dit is juist, als ik mij wel herinner, de vraag, die wij al zoo lang trachten op te lossen en wier oplossing ook bij het feestmaal van Hipponicus weder werd afgebroken.”—„Bij alle Olympische Goden,” viel hem Aspasia glimlachend in de rede, „gij zult mij zeer verplichten, beste Socrates, als gij er heden van afziet deze vraag uitvoeriger te behandelen en als gij mij voorloopig vergeeft, dat ik niet inzie, waarom de zedelijkheid de voorkeur zou hebben boven de schoonheid. Wanneer het eene wet is, dat alles[56]in de wereld goed en zedelijk moet zijn, dan is het ook eene wet, dat alles in de wereld naar schoonheid streeft en in haar den bloei van zijn wezen, het doel zijner ontwikkeling vindt. Bijgevolg kan toch de eene zoowel als de andere lezer beide wetten alleen eene subjectieve, van den mensch zelf afhankelijke wet zijn. Daarbij, meen ik, kunnen wij het voor heden laten berusten.”„Natuurlijk!” riep Protagoras: „evenals ieder mensch waarheid noemt, alleen datgene wat hem persoonlijk waar voorkomt, zoo is ook goed en schoon voor ieder, alleen datgene wat hem alzoo toeschijnt. Eene op zichzelf vaststaande zedelijkheid bestaat er evenmin, als eene absolute waarheid.”De goedige trekken van Socrates namen eene ietwat spotachtige uitdrukking aan en hij zeide:„Gij beweert altijd, Protagoras, dat er geene absolute waarheid is en gij zijt toch zelf de man, die over alles, wat men ook vragen mag, de meest afdoende en onomstootelijke beslissing kunt geven!”„Zijne meening openlijk uit te spreken,” hernam Protagoras, „is beter dan in valsche bescheidenheid voor te geven, niets te weten en toch altijd en eeuwig alles beter te willen weten, dan anderen.”—„Ik tracht naar het weten,” zeide Socrates, „dat ik niet bezit. Gij echter loochent de mogelijkheid daarvan. Moeten wij den menschelijken arbeid der gedachte reeds als ijdel opgeven, nadat wij dien pas eerst hebben begonnen?”„Altijd nog beter,” antwoordde Protagoras, „dan de frischheid en harmonie van het Helleensche leven door eene sombere en ontevreden beschouwing te willen vervangen.”„Ik begrijp nu,” hernam Socrates, „dat er menschen zijn die, omdat zij de kunst van het denken geringschatten, de kunst van het spreken des te sterker beoefenen. Want daar de gedachten, die zij uitspreken, naar hunne eigen verklaring geen onbetwistbare waarde hebben, zoo kunnen[57]het alleen schitterende woorden zijn, waardoor zij op het gemoed hunner toehoorders werken.”„Er zijn ook menschen,” sprak Protagoras, „die de kunst van spreken geringschatten, omdat zij gelooven, dat men achter hun geveinsden eenvoud diepzinnigheid, achter hun stamelen de wijsheid van een orakel en achter hunne bescheiden vragen het afdalen van een verheven geest zal zoeken.”—„Het komt mij beter voor,” zei Socrates, „de menschen door vragen, die hun gemakszucht storen, tot denken te dwingen, dan hen door snel gevatte, altijd gereede antwoorden, die den vrager hoogst aangenaam zijn, tot gedachteloosheid te brengen.”—„Beter is gedachteloosheid,” hernam Protagoras, „dan den bodem der werkelijkheid te verlaten, op wolken en nevelbeelden te rijden en zich in het oneindige te verliezen. Intusschen is zulk een zich verdiepen in de wereld van den onbegrensden gedachtennevel dikwijls verklaarbaar. Er zijn er toch, die gedwongen worden, jacht te maken op begrippen, omdat hun de goddelijke gave van stoffelijke kunstgewrochten te scheppen ontzegd werd.”—„Ook zijn er sommigen,” antwoordde Socrates, „die met beelden pronken, omdat hun de gave zich reine en klare begrippen te vormen, niet gegeven is.”„Die ellendige droomers,” zeide Protagoras, „zij juist zijn het, die de deugd gehaat maken, omdat zij met hunne woorden er altijd op terugkomen.”—„Bewonderenswaardiger zijn voorzeker zij,” hervatte Socrates, „die de deugd geheel en al ter zijde laten liggen, om nooit uit de atmosfeer eener schoone liederlijkheid te geraken.”—„Zoo lang de liederlijkheid schoon en beminnelijk is,” hernam Protagoras, „is het beter dan de noodzakelijke onthouding van hen, die op het gebied der schoonheid en van het genot het onkruid van den angstvalligen twijfel zaaien, omdat zij[58]zelven niet tot schoonheid en genot geroepen zijn.”—„Zulk een ben ik,” hervatte Socrates kalm. „Gij echter, Protagoras, schijnt mij een van diegenen te zijn, die de vrije gedachte tot datgene willen maken, wat zij zelven zijn, tot dienstknechten der zinnen!”„Ik betreur het,” viel hier Pericles de twistenden in de rede, „dat gij met deze woordenwisseling de zaak, die hier behandeld werd, niet tot beslissing hebt gebracht, maar u, naar mij voorkomt, in een onvruchtbaren, heeten woordenstrijd hebt begeven.”Socrates zeide:„Ik weet, dat ik hier slechts de overwonnene kan zijn!”Na het uiten dezer woorden verwijderde hij zich kalm, zonder een spoor van opgewondenheid in zijne trekken.Spoedig daarop ging ook Protagoras heen, echter niet zonder alvorens zijn opgewekt gemoed door eenige bittere woorden lucht te hebben gegeven.„Deze beide wijze mannen,” zeide Pericles tot Aspasia, „schijnen mij volkomen tegen elkander opgewassen te zijn. Zij gingen elkander te lijf, als kunstmatig geoefende kampvechters, en het is moeilijk te zeggen, wie van beiden op de eer der overwinning aanspraak mag maken.”Aspasia glimlachte slechts en ook toen Pericles haar reeds alleen gelaten had, zweefde nog die glimlach om hare lippen. Zij wist zeer wel, wat den strijd der beide mannen tot zulk een felheid had gedreven en wat daar zelfs van den kant van den zachten Socrates zooveel snijdends en bitters onder gemengd had. Zij las evengoed in het hart van den droomer, als in dat van den schitterenden sophist, die geen woord sprak, waarvan hij niet wist, dat het aan het oor der schoone Milesische welgevallig zou zijn.Tegen Socrates ontstond, sedert zijn woordenstrijd met Protagoras, in Aspasia een toenemend gevoel[59]van afkeer en bijna zonder zich er van bewust te zijn, ontkiemde in hare ziel het plan om met vrouwelijke arglistigheid de wijsheid van den man, die op „de vrije gedachte” altijd hamerde en „de slavin der zinnen” verachtte, zoo mogelijk aan hem zelven te schande te maken.1Aeschylus, zie Deel Inoot 1 pag. 111ennoot 2 pag. 94.↑2Het Grieksche spreekwoord „Uilen naar Athene zenden”, komt vrij wel met onze uitdrukking overeen: „Water in de zee dragen”.↑3De maan.↑4Cronides beteekent Cronus’ zoon d.i. Zeus (Jupiter), ook wel Cronion geheeten.Zie Deel I,noot 1 pag. 63.↑5Bedoeld worden hier de Lydische koningCandaulus, de zoon van Myrsus en de hoveling Gyges, de zoon van Dascyles. In kleuren en geuren kan men dat verhaal lezen bij Herodotus 1, 8–13; het geheugen van Pericles schijnt op dit punt vrij slecht te zijn geweest, daar de gunsteling geenszins uit liefde voor de vrouw den koning doodde. Integendeel: de vrouw van Candaulus liet Gyges roepen en zeide: „Ik geef u de keus òf door Candaulus te dooden mij en het rijk te bezitten, òf zelf te sterven, opdat gij later niet weder dingen moogt zien, die onvoegzaam zijn.” Gyges kiest het eerste, door den uitersten nood gedwongen en verkrijgt alzoo de echtgenoote vanCandaulusen de heerschappij.↑
XV.UILEN OP DE ACROPOLIS.
Als het waar mocht zijn, zooals de sage bij den verheven dichter der Euminiden1meldt, dat de diefstal van het vuur uit den hemel en de gave daarvan aan de menschen door Prometheus op de Acropolis heeft plaats gehad, dan is het niet te verwonderen,[34]dat bij het noemen van den naam Acropolis te Athene velen slechts eene hoogte voor den geest zweeft, geheel in verblindend licht gehuld, gekroond door de marmeren tinnen van het Parthenon.Doch er waren ook uilen op de Acropolis.…Er waren uilen te Athene—er waren er zoovele dat de uitdrukking „uilen naar Athene zenden”2de beteekenis kon krijgen van een overbodigen arbeid.En deze vogels waren zelfs aan Pallas Athene geheiligd. Zij behoorden bij haar, als de vogels van den gedachtenvoortbrengende, geheimzinnigen nacht. Want de nacht zelf is donker, maar hij is zwanger van licht en beter dan de drukke dag doet hij de gedachte ontkiemen en rijpen in het wakkere hoofd der menschen. Niet zelden echter tracht de nacht iets zelfstandigs te zijn en meer dan het licht,datuit hem geboren wordt, en stelt zich dan vijandelijk tegenover het licht.Zoo komt het, dat ook de vogels van den nacht, de uilen, vijanden van het licht geworden zijn.Er waren er dan, zooals gezegd is, vele op de Acropolis en zij nestelden het liefst in de ruimte tusschen de kroonlijst en het schuine dak van het oude, eerwaardige Erechtheüm, gezamenlijk met hagedissen, muizen en slangen.Zij zijn daarom de lievelingsvogels van denErechtheüs-priesterDiopithes, die ginds juist, onmiddellijk vóór de trappen van het Parthenon, in een levendig gesprek met een man gewikkeld is en zich tevens eenigszins zonderling beweegt.Hij loopt namelijk vóór de oogen van den anderen man met eene zekere opgewondenheid de trappen van het Parthenon op en af. Voor den ingang des tempels zijn, om het binnentreden gemakkelijker te maken, in de breede, hooge trappen kleinere gehouwen. Deze kleinere trappen klimt[35]Diopithes op en telt ze onderwijl en spreekt het getal met hoorbare stem uit.En nadat hij zóó gaande en luid tellend aan den anderen man het getaldertrappen heeft aangeduid, zegt hij tot hem het volgende:„Gij weet welke wet voor het aantal trappen van een tempelstoep door den vromen en welberaden geest der Hellenen sedert eeuwen is vastgesteld geworden. Oneven is naar den ouden regel het getal dezer trappen, opdat, als een gunstig voorteeken, de eerste en de laatste trede door de rechter voet zou kunnen worden betreden.”„Ja, zoo is het inderdaad,” hernam de man, tot wien Diopithes sprak.„Welnu,” ging Diopithes voort, „gij ziet, dat de mannen die dit Parthenon gebouwd hebben, schijnen te meenen, dat zij geen goede voorteekens meer noodig hebben. Het getal dezer kleinere trappen is even. Zij mogen nu werkelijk, hetzij in fieren trots of door de Goden met verblinding geslagen, tegen den heiligen regel gezondigd hebben: wat zij daar opgericht hebben doet zich reeds bij den eersten aanblik voor als een goddeloos, den Goden ongevallig werk. En ik zeg u: het is in zijn geheele ontwerp eene geringschatting, eene beleediging, eene beschimping der Goden. Zie toch eens: sedert de Panathenaeën voorbij zijn, sedert de overwinnaars in de wedstrijden hunne prijzen weggedragen hebben, sinds het volk zich zat gegaapt heeft aan het verkwiste goud en ivoor van Phidias’ standbeeld, is de feesttempel, zooals zij dien noemen, weder gesloten, het beeld der Godin bedekt; opdat het voor het volgende feest niet door het stof verontreinigd mocht zijn, en, in plaats van priesters en hunne dienaren, ziet men dag aan dag alleen de schatmeesters in- en uitgaan, die in het achterste deel van het gebouw hunne bezigheden verrichtend, de gelden, die inkomen en uitgegeven worden, natellen. En zoo klinkt, o hoon en misdaad! in ’t oor der Godin, in plaats van den klank van vrome[36]woorden, alleen het gerammel van goud- en zilverstukken!”Op deze ontboezeming van Diopithes begon de man, met wien de priester zich onderhield en die door zijn uiterlijk bleek een vreemdeling te zijn, onverschillig naar de hoeveelheid, de waarde en het bedrag der gemunte en ongemunte schatten te vragen, die in dit huis onder de hoede van Pallas Athene opgehoopt lagen, en Diopithes gaf bereidwillig alle inlichtingen, die hij kon geven.„Een mooie spaarpenning of liever een mooie buit is het,” merkte de vreemdeling op, „dien gij Atheners daar opgestapeld hebt. Maar mij dunkt gij zult dien voorraad wel spoedig uitgeput hebben, ook in vredestijd.”„Nog in langen tijd niet,” hernam Diopithes.„Ik zie echter,” vervolgde de vreemdeling, „dat, nu deze kostbare tempelbouw juist voleindigd is, men reeds met eene gelijke haast en gelijken ijver hier boven een nieuw werk begonnen is, een prachtpoort voor de Acropolis, voorzalen in den verhevensten stijl, niet minder grootsch dan het Parthenon zelf—”„En niet minder onzinnig, niet minder overtollig,” viel Diopithes hem in de rede. „Dat is toch juist,” vervolgde hij, „de snoodheid van die overmoedigen, die Athene’s lot tegenwoordig besturen. Zij laten het heiligdom vanErechtheüsvervallen, dat zelfs de Pers slechts ten halve waagde te vernielen, en richten daarentegen pronkzalen op, volgepropt met de ijdele beelden van de uit heel Hellas saamgevloeide bent van Phidias.”„Maar is Pericles dan almachtig?” riep de vreemde. „Hoe komt het, dat niet één van alle beroemde veldheeren en staatsmannen der Atheners, zoover ik weet, het lot der verbanning is ontkomen, en Pericles daarentegen eene zoo lange reeks van jaren zonder tegenkanting in zijne oppermacht zich staande houdt?”„Hij is de eerste staatsman,” zei Diopithes, „wien[37]de Atheners den tijd laten hen zelven te gronde te richten.”„Dat verhoeden de Goden!” hernam de vreemdeling. „Ik ben een eenvoudig man uit Euboeä en wensch den Atheners alles goeds toe.”„Waarom veinst gij?” zeide Diopithes, terwijl hij den vreemdeling strak in het gelaat keek. „Gij zijt de man uit Sparta, dien zij bij het feest der Panathenaeën van den drempel van het Parthenon verdreven hebben. Ik heb alles gezien en herkende u aanstonds weder, toen gij, over de hoogte van de Acropolis wandelende, u met eenige vragen tot mij wendet. Ja, gij zijt eenLacedaemoniëren als gij zegt, dat gij den Atheners alles goeds toewenscht, spreekt gij onwaarheid. Maar vrees daarom niets van mij! Er zijn Atheners, die mij gehater zijn dan het geheele Spartaansche volk. En het is ongetwijfeld wel bekend, dat hier te Athene de tegenstanders van al die nieuwigheden, de vrienden der oude tucht, Laconisten genoemd worden. En niet ten onrechte.”Schier onwillekeurig reikte de man uit Sparta denErechtheüs-priesterde hand.„Geloof niet,” ging deze voort, „dat het aantal dergenen, die op Pericles verbitterd zijn, in zijn nieuw Athene gering is. Kom mede! Ik zal u eene plaats wijzen, waar niet minder dan om het Erechtheüm, onverzoende wraakgeesten zweven.”Na het uiten dezer woorden voerde Diopithes den Spartaan naar den rand van den westelijken heuvel van de Acropolis en wees hem met de hand naar een steilen, somberen, woesten rotsheuvel, die tegenover den burgt, alleen door eene kloof daarvan gescheiden was, doch lager dan deze zich verhief.„Ziet gij dien steilen heuvel, welks rotsblokken als door Titanen handen op elkander gestapeld zijn?” vroeg Diopithes. „Ziet gij de in de rots gehouwen trappen, die naar eene vierkante ruimte voeren? Van deze plaats echter leidt een andere trap, ook in de rots gehouwen, naar eene diepe,[38]donkere kloof, waaruit een zwart water ontspringt. In die kloof staat het heiligdom der sombere wraakgodinnen, der Erinnyen met slangenlokken en die vierkante ruimte op de hoogte van den berg is de verzamelplaats van het overoude, eerwaardige, door de Goden zelven ingesteld gericht, dat wij den Areopagus plegen te noemen. Den grijzen rechters van dit gericht is de hoede van dit heiligdom der Erinnyen toevertrouwd: in hunne handen zijne overoude inzettingen en heiligdommen gegeven, die in een geheimzinnig duister gehuld zijn en waaraan het heil van den staat is vastgeknoopt. Zij alleen weten, wat de stervende lijder Oedipus in het oor van koning Theseus gefluisterd heeft, toen hij op den heuvel van Colonus in het woud der Eumeniden het doel van zijn langen zwerftocht had gevonden. Tusschen bloedige offers worden de strijdenden geplaatst, over wier zaak deze rechters beslissen, en een eed leggen zij af met afschuwelijke verwenschingen tegen zich zelven en tegen de hunne, als zij anders dan naar de strengste rechtvaardigheid mochten uitspraak doen. Zwijgend leggen zij, nadat zij de zaak hebben aangehoord, hun vonnis in twee urnen, in de urn der barmhartigheid of in de urn des doods. Opzettelijken moord te vonnissen was van den beginne af hun ambt. Maar ook zedeloosheid, nieuwigheden in den staat en in den dienst der Goden te straffen, behoorde oorspronkelijk tot hunne taak; in den intiemsten kring van het familieleven door te dringen was hun veroorloofd, om de meest verborgen misdaad aan het licht te brengen. Zij straften den vadermoorder, zij straften den brandstichter, zij straften den man, die een onschuldig dier zonder noodzaak had gedood, zij straften den knaap, die meedoogeloos een jongen vogel de oogen had uitgestoken. Protest aan te teekenen tegen besluiten van het geheele volk, was hun vergund. Is het te verwonderen, wanneer deze plaats der oude tijden, deze op de rots van den Ares-heuvel gegrondveste burg der vrome tucht, den machthebbers[39]van het nieuwe Athene al lang een doorn in het oog is geweest? Pericles was het, die het eerst deze heilige macht durfde trotseeren, die hare voorrechten beperkte, haar aanzien verminderde, haar den onaangenamen invloed op de staatsaangelegenheden besnoeide. Te vergeefs! Evenals over dezen zelfden Ares-heuvel de brandende pijlen der Perzen tegen den burg en tegen den ouden tempel der Acropolis vlogen, zoo vliegen heimelijk thans van daar de gramstorige blikken der Areopagiten, zwanger van onheil, naar den nieuwen tempel van Pericles!”—„Maar de groote massa der Atheners houdt toch van Pericles,” zei de Spartaan—„zij houden hem voor een oprechten vriend der volksheerschappij.”„Ik houd Pericles voor niet onnoozel genoeg,” hernam Diopithes, „om een oprecht vriend der volksheerschappij te zijn. Een man, uitnemend in geestesbeschaving, is nooit een eerlijk vriend der volksheerschappij. Want hoe zou het hem voldoen, de macht, die hij de onverstandige menigte ontwrongen heeft, vrijwillig weder met haar te deelen, en zich in zijne beste plannen, in zijne schoonste ondernemingen door bekrompen hoofden te laten storen en dwarsboomen? Pericles vleit, als alle volksmannen, de massa, om zich van haar tot volvoering zijner eerzuchtige plannen te bedienen. Wellicht blijft hem uit den gouden schat in het achtergebouw van het Parthenon ten laatste zooveel over, dat hij zich daaruit eene kroon kan doen vervaardigen, die hij zich op een feest der Panathenaeën, ten aanschouwe van het verzamelde volk en aan de voeten der Godin van Phidias, op het hoofd zet. Bereidt er u op voor, gij Lacedaemoniërs, om den Hellenen koning en zijne koningin Aspasia, door het geven van eene kluit Spartaanschen grond en eene kruik water uit den Eurotas, te helpen huldigen!”Bij deze laatste woorden zag de priester om. „Laat ons heengaan,” zei hij tot den Spartaan, „ik zie menschen naderen, die hier boven den grond[40]voor de nieuwe voorzalen afbakenen. Men zou mij een samenspanning metLacedaemonten laste leggen als men ons te zamen zag spreken.”Zoo sprak deErechtheüs-priesteren verdween weldra met de man uit Sparta achter de zuilen van het Erechtheüm, waar beiden nog een tijdlang zich vertrouwelijk onderhielden.Weinige dagen na het feest der Panathenaeën had Telesippe, door minnelijke schikking van Pericles gescheiden, het huis van haar gemaal verlaten en Aspasia was in hare plaats als wettige gemalin daar binnen geleid.Niet verootmoedigd verliet Telesippe het huis van haar echtgenoot, maar met fier opgeheven hoofde; want zij ging een lot te gemoet, waarvoor zij zich toch geboren waande, welks vervulling echter zij niet meer had durven hopen.Altijd was het begin harer klachten geweest: „Ik had de gade van den Archon Basileus kunnen wezen!”Toen het besluit om van Telesippe te scheiden in Pericles gerijpt was, kon hij niet nalaten er op te peinzen, hoe hij het smartelijke van den indruk zou kunnen verzachten, die deze beslissing noodwendig op zijne gade moest maken. Hij herinnerde zich hoe dikwijls zij van den Archon Basileus had gesproken. Hij, die thans het ambt van Archon Basileus bekleedde, was een vriend van Pericles, een man van tamelijk gevorderden leeftijd, doch ongehuwd. Pericles begaf zich tot hem en vroeg hem, of hij niet genegen zou zijn te huwen. De Archon Basileus was een stil, eenvoudig mensch en zeide, dat hij niet ongenegen was in het huwelijk te treden, als er zich maar een geschikte bruid voor hem opdeed.„Ik ken eene vrouw,” zei Pericles, „die geknipt is voor een man als gij; het is mijne eigene vrouw. Voor mij zelven heeft ze te weinig van die opgeruimdheid, waardoor een staatsman bij zijne tallooze beslommeringen afleiding en opwekking kan erlangen, en te veel van die strengheid, van die deftige[41]waardigheid, die een ernstig man, met het priesterlijk gewaad omhangen, als gij, ongetwijfeld moet aantrekken. Ik sta op het punt, om van Telesippe te scheiden, doch ik zou mij zeer gelukkig achten, als ik wist, dat zij uit mijn huis in dat van een beter man overgaat, en dat zij daar, waar zij heengaat, datgene zou vinden, wat zij in mijn huis miste.”De Archon Basileus nam deze woorden zoo ernstig op, als zij gemeend waren. Over het bezwaar, dat een Archon Basileus doorgaans alleen met eene jonkvrouw huwde, deed Pericles hem heenstappen, door hem te beloven, dat hij al zijn invloed bij de Atheners zou aanwenden, om de schending van dit oud gebruik onopgemerkt te laten. Daarop gaf de Archon ten laatste de verklaring, dat hij bereid was Telesippe uit het huis van haren tegenwoordigen echtgenoot in het zijne als wettige gade binnen te leiden.Pericles deelde zijne gade te gelijkertijd zijn besluit mede van haar te scheiden en het voornemen van den Archon Basileus met haar te willen huwen.Telesippe vernam de beslissing koud en ongevoelig: zij uitte geen enkel woord, doch trok zich terug in haar vrouwenvertrek. Toen zij daar echter de beide knapen zag, die zij nu verlaten moest, trok zij hen tot zich en schreide bittere tranen op hun hoofd. Zij dacht er aan, hoe zij Hipponicus kinderen had gebaard, hoe hij haar had verstoten en hoe zij de vrucht van haar schoot voor altijd had moeten verlaten: hoe zij voorts Pericles kinderen had geschonken en ook dezen verlaten en van hen moest scheiden en aan een nieuwen echtgenoot zich verbinden. Zij scheen zich zelve toe van alle recht beroofd, hulpeloos van huis tot huis verjaagd.…Maar de echtgenoot van den Archon Basileus! Het doelwit harer eerzucht! Het eens verloren en nu toch bereikte geluk haars levens! Ja, waarlijk—alleen der verstootene gade was daarmede voldoening gegeven, niet der moeder. Door den dwazen[42]trots der vrouw heen voelde zij altijd door de angstige slagen van het onverzoende moederhart.En toen nu het oogenblik was gekomen, waarop Telesippe het huis van haar echtgenoot zou verlaten en op het voorhoofd harer zonen den laatsten kus drukte, om voor altijd van hen te scheiden, werd ook Pericles plotseling door een zonderling gevoel overweldigd: het scheen hem toe, dat men toch geen heiligen band, die eens twee menschenharten had vereenigd, ooit kon verbreken zonder iets van het hartebloed daarmede vergoten werd.Telesippe had hem kinderen gebaard, kinderen, die zijne trekken, zijne gelijkenis op ’t gelaat droegen. Hoe zou niet voor altijd eerwaardig en heilig voor den man zijn de vrouw, die hem kinderen had geschonken, die zijne trekken droegen? Op het voorhoofd der kinderen was de stempel gedrukt der ontwijde moedereer. Deze erfenis liet zij bij haar scheiden hare kinderen en haar echtgenoot achter. Pericles was zich daarvan helder bewust, toen Telesippe zijn huis verliet.Straks reeds had hij met een koelen, ernstigen handdruk van haar afscheid genomen; thans greep hij nog eenmaal de hand zijner vrouw, de moeder zijner kinderen, en een traan bevochtigde die. En toen Telesippe reeds lang zich verwijderd had, stond Pericles nog geruimen tijd in gepeins verzonken, met eene vraag zich bezig houdend, die geene menschelijke wijsheid ooit zal oplossen.…Zonderling en raadselachtig zijn de plichten der menschen en hunne rechten met elkander in strijd.…Voor Pericles en zijn huwelijksleven was de teerling geworpen.Het keerpunt in zijn huiselijk leven had een tweeledig aanzien, zooals bijna alle menschelijke zaken. Op het ernstig afscheid van Telesippe volgde de blijde intocht van Aspasia. Hare intrede verdreef gemakkelijk de donkere schaduw op het diepzinnig voorhoofd van Pericles. Zij verspreidde licht en[43]glans tot in den diepsten hoek des huizes. Aspasia kwam begeleid door alle lachende lentegeesten. Eene geurige, frissche lucht verjoeg de tot nu toe dompige atmosfeer van het huis.De oude, eerwaardige huisgoden waren met Telesippe heengetogen, Aspasia bracht nieuwe mede. Zij plaatste in het peristylium den vreugderijken Dionysus en de lachende Aphrodite en den gelokten, schitterenden beschermgod van den Ionischen stam, den met pijl en lyra gewapenden aanvoerder derMuzenreien, Apollo. Ook ontbraken van nu af niet de Chariten aan het altaar van dit huis, waar het passend offer haar zoo lang was geweigerd.De geest van vernieuwing, die Aspasia’s schreden overal volgde, begeleidde haar ook in het huis van Pericles. Binnen korten tijd was dit huis op vroolijke en weelderige wijze ingericht. Niets leelijks, niets onedels duldde Aspasia rondom zich. Wijken moest, wat geen genade vond in haar oog, wat niet overeenstemde met haar schoonheidsgevoel. Schoonheid werd verklaard als de hoogste wet, ook aan den huiselijken haard. Kunstenaarshanden moesten de muren der vertrekken met bekoorlijke beelden versieren. Uit kunstenaarshanden moest voortaan niet alleen voortkomen, wat het leven siert en schoonheid geeft, maar ook wat slechts moest dienen voor dagelijksche behoeften.Eenvoudig was tot heden het huishouden van Pericles; nu mishaagde hem dezen eenvoud zelven. Niets is aangenamer voor den minnende, dan het verblijf der geliefde zoo bekoorlijk mogelijk in te richten. Geen man versiert voor zich zelven het huis, voor eene geliefde vrouw echter wordt zelfs de vrek een verkwister. Met blijdschap hielp Pericles zijne beminde Aspasia de woning van zijn nieuw geluk in een tempel der schoonheid herscheppen.Den fijn ontwikkelden zin voor hetgeen het oog bekoorde, voor het smaakvolle en harmonische, die den vrouwen eigen is en dien zij in hare sieradiën,[44]in hare kleeding aan den dag leggen, bezat Aspasia in zoo ongemeene mate, dat Pericles zich als in de macht eener toovenares bevond en zijne geliefde smeekte, dat zij toch ook niet hem zelven, als alles rondom haar, zou veranderen. Maar hij was reeds veranderd. Zonder verwijfd geworden te zijn, ontwikkelde hij nu in zich een zin, die tot heden in den rusteloos werkzamen man geheel gesluimerd had. De geliefde, of liever de liefde zelve, leerde hem de diepe en niet te verachten poëzie kennen en waardeeren, van hetgeen hij tot nu toe niet had opgemerkt. Wat waren hem vroeger paarlen en edelgesteenten geweest? Thans kon hij een juweel, dat in een gouden band aan den leliewitten arm der geliefde fonkelde, een zeer langen tijd beschouwen en zich in zijn bont flikkerend licht, als in eene zonderlinge openbaring, verdiepen. Wat waren hem vroeger geurige zalven, wat was hem al het reukwerk der wereld geweest? Thans was zijn zin ontwaakt voor iederen fijnen, geurigen adem, die in de nabijheid der geliefde hem omgaf en iedere kleurmengeling bracht eene aangename gewaarwording in zijne ziel. Wat waren hem tot heden kleuren geweest? Eene vluchtige bekoring op zijn hoogst, waarvan hij zich nauwelijks bewust was. En thans? Wat een leven, welk eene betoovering kreeg voor zijn oog het gloeiend rood, het vlammend geel, het verrukkelijk blauw, het liefelijke, zachte groen, als het om het lichaam der geliefde golfde of wanneer hare schoone, blanke leden daardoor te meer uitkwamen.De band der liefde en eene onbeperkte toewijding moge twee harten nog zoo lang en gelukkig vereenigd hebben, de band die Hymen om hen slaat, bereidt hen toch een nieuw, tot nu toe onbekend geluk. De echt heeft, evenals de liefde, zijne eigenaardige zaligheid. Dagelijks opnieuw zich te verliezen en dagelijks opnieuw zich terug te vinden mogen aan de zalige oogenblikken der liefde haar aantrekkelijkheid geven; maar ook het bewustzijn zijn hoogste geluk altijd in zijne nabijheid te hebben,[45]is benijdenswaard.Wie op het huwelijk laag neerziet kent de liefde niet.—Iedere dag had thans voor Pericles zijn eigenaardigen lust, zijn eigenaardigen glans, zijne eigenaardige bekoorlijkheid. Altijd was Aspasia voor Pericles alles en toch iederen tijd iets anders: des morgens zijne rozenvingerige Eos, des avonds zijne Selene3, zoete sluimering op zijne oogleden droppelend, des daags zijne Hebe, die hem den beker des levens aanbood. Zij was de Hera van den „Olympiër,” maar zij behoefde nooit den toovergordel eerst van de gouden Aphrodite te ontleenen. Nog meer: in menig oogenblik scheen zij hem eerwaardig toe als zijne moeder en op andere tijden beminde hij haar met de liefde, waarmede men een kind liefheeft.Wanneer reeds doode sieraden, edelgesteenten, paarlen, geurige balsems, schitterende kleuren door de liefde eene nieuwe betoovering verkrijgen, in den minnende een nieuw, tot nu toe onbekend gevoel opwekken, welk verhoogd leven, welke nieuwe betoovering moet dan de poëzie, moet de muziek minnenden harten instorten? Welk een volheid en weelde van bekoorlijkheid en genot moest de betooverende Aspasia niet uit deze bronnen weten te scheppen en te putten!Zong Aspasia Pericles een lied voor bij de luit of las zij hem gelijk zij als kind aan Philammon had gedaan, uit boekrollen voor, zoo wist hij niet, wat hem meer verrukte: wanneer zij met gloeiende wangen geheel opging in het vuur harer kunst of van den dichter, dien zij las, of wanneer zij in moedwillige dartelheid haar lied of voordracht met kinderlijk gekeuvel, overbodige liefdesvragen, met vriendelijk gevlei telkens afwisselde …De Atheners hadden in den regel geen eigenlijk tehuis. Zij leefden buitenshuis. Pericles echter bezat thans een tehuis.[46]Dat de knapen Xanthippus en Paralus de zoons van Pericles, niet van Aspasia waren, kwam dit niet juist het echtgeluk van Pericles ten goede? Hij behoefde Aspasia’s liefde niet met hen te deelen.Wanneer aan beiden nog iets ontbrak, was het wellicht alleen het geheele, volle bewustzijn van hun geluk. Want eigenlijk begrijpen niet de gelukkigen zelven, maar alleen zij, die het missen, geheel en ten volle het geluk der gelukkigen. Met goede bedoeling mengen de Goden gaarne een droppel alsem in iederen vreugdebeker: want slechts het verstoorde of bedreigde geluk komt tot klaar bewustzijn.Het huwelijk van Pericles en Aspasia gaf den Atheners onuitputtelijke stof tot gesprekken. Men behandelde het op de Agora, men vertelde in alle gaanderijen, in alle worstelplaatsen, in alle werkplaatsen der handwerkslieden en in alle barbierswinkels van gansch Athene, dat Pericles zijne gade kuste, zoo dikwijls hij van huis ging en wederom als hij terug kwam. Een man verliefd op zijne vrouw! Men sprak van de witte Sicyonische paarden en het schitterende rijtuig, waarmede de nieuwe vrouw van Pericles soms door Athene’s straten reed. Men sprak van de omkeering, die in het eens zoo eenvoudige huis van Pericles had plaats gegrepen. Men sprak van de nieuwe, prachtige muurschilderingen, waarmede het versierd was, in het bijzonder van eene, die de plundering van den Olympus door de Eroten voorstelde. Getooid met den buit trokken zij jubelend voort: deze met den bliksem van den Cronide4, gene met den boog van Apollo, een derde met den helm en het schild van Ares, weer een andere met Heracles’ knots, met den thyrsus van Bacchus, met de fakkels van Arthemis, met de gevleugelde sandalen van Hermes.[47]Men zeide nu zelfs, dat Aspasia de redevoeringen opstelde, die Pericles voor het volk hield. Pericles, de Olympiër, de sedert zoo langen tijd gevierde redenaar, liet zich dit glimlachend welgevallen en erkende, dat hij zijne gelukkigste gedachten aan Aspasia te danken had. Aspasia bezat eene betooverende, zoetvleiende, krachtige taal, zooals men soms bij vrouwen aantreft, waaraan zich een liefelijke, zilveren klank van stem paarde; en zoo maakte zij op de mannen den indruk, als ware zij met groote gave van welsprekendheid bedeeld en eene vrouw, van wie men veel leeren kon.Echter werd er ook onder het volk gemompeld, dat Aspasia Pericles zocht te verleiden naar de koninklijke waardigheid te streven. Men zeide, dat zij niet achter hare landgenoote Thargelia wilde staan, wie het ook gelukt was de gade van een koning te worden.Steeds nog stond de eerwaardige Elpinice aan de spits dier nieuwigheidsventers. Zij was de levende en wandelende kroniek van Pericles’ huis te noemen. Van haar afkomstig was het verhaal van den kus, welke Pericles bij het uitgaan en terugkeeren aan zijne vrouw gaf. Zij wist het, welke gezindheid Aspasia jegens de kinderen van Pericles koesterde en jegens den jongen Alcibiades.Zij wist te vertellen, dat Aspasia niet vanParalusen Xanthippus hield, dat zij zich weinig aan hen liet gelegen liggen, hen overliet aan de zorg van den paedagoog, doch zich als eene moeder den jongen Alcibiades aantrok, hem vertroetelde, dat onder hare handen de zoon van Clinias verwijfd en nog wat ergers zou worden.Was het te verwonderen, dat Aspasia voor den heerlijk begaafden pleegzoon van Pericles partij trok tegen zijne zoons, die wel is waar des vaders trekken op het gelaat droegen, doch in karakter de evenbeelden hunner moeder Telesippe waren?Behalve Alcibiades, Paralus en Xanthippus groeide nog in het huis van Pericles een andere knaap op, die wel niet tot de huisgenooten van Pericles[48]behoorde, maar toch ook niet onder de slaven gerekend kon worden. Pericles had hem uit den Samischen oorlog mede naar Athene gebracht. Men wist niets meer van zijne afkomst, dan dat hij de zoon van een Thracische of Scythischen of een ander Noordsch koning was, dat hij door eene vijandelijke hand als kind aan zijne ouders ontroofd was en vervolgens als slaaf was verkocht. Pericles vond hem op Samos. Zijne deelneming werd opgewekt door het droevige lot en het ongemeen uiterlijk van den knaap; hij kocht hem en voerde hem met zich naar Athene. Hier liet hij hem opvoeden met zijne eigen kinderen. Zijn naam was Manes. Hemelsbreed verschilden zijne trekken van de fijnheid en adel der Helleensche vormen, hij herinnerde veeleer een weinig aan de Scythische huursoldaten op de Agora. Maar hij had uitnemend schoon, bruin, glanzend haar, heldere oogen en eene zeer blanke huid. Hij was stil in zich zelven gekeerd en verried in vele zaken een eigenaardig karakter.Alcibiades zocht den nieuwen makker voor zich te winnen en hem in te nemen door zijne beminnelijke uitgelatenheid. Het gelukte hem niet. Manes was liefst alleen, legde geene schitterende gaven des geestes aan den dag, verdiepte zich echter met ijver in alle vakken van wetenschap, die hem tegelijk met de jongens van Pericles onderwezen werden. Pericles zelf begon van hem te houden, Aspasia echter vond hem zonderling en de jonge Alcibiades maakte hem tot het doelwit van zijne spotternijen en overmoedige scherts.Het deed aan het geluk van Pericles geen afbreuk, dat zijn huis thans meer dan vroeger voor zijne vrienden open stond, en dat Aspasia met opzet, tegen ’t gebruik der Atheensche vrouwen, in het gezelschap van haar echtgenoot deel nam aan de gesprekken der mannen. Voor het geluk van minnenden is het toch een nieuwe prikkel, wanneer zij voor eenige oogenblikken zich in eene grootere omgeving als ’t ware verliezen, om later[49]dubbel gelukkig elkander weder te vinden.Van de oudere vrienden van Pericles trad Anaxagoras thans meer op den achtergrond; hij werd verdrongen door den schitterenden Protagoras, die zich in Aspasia’s gunst mocht verheugen en wiens frissche, onbevooroordeelde, gezonde, vrijzinnige levensbeschouwing hem tot een natuurlijken bondgenoot van de Milesische maakte. Opmerkelijk was het, dat de dichter der „Antigone” zelden het huis van Pericles bezocht: hetzij, omdat hij met den hem eigen fijne takt de ijverzucht, die zijn vriend tegen hem had opgevat, niet opnieuw wilde wekken, hetzij, omdat hij meende eene bij hem zelven ontwakenden, onedelen hartstocht te moeten onderdrukken; misschien ook omdat eene andere bekoorlijke vrouw zijn hart had veroverd en hem aan zijne oude vrienden ontroofde. Niet onmogelijk is het, dat al deze redenen te zamen zijne bezoeken minder talrijk maakten.…Was het dus eene zeldzaamheid, dat de vroolijke Sophocles zich daar vertoonde, des te meer zocht de sombere Euripides, zijn mededinger op het gebied van het treurspel, het gezelschap van Aspasia. Met hem kwam Socrates, wiens vriendschap en trouw onveranderd waren gebleven. De belangen van zijn beroep voerden Phidias soms naar het huis van Pericles, en Aspasia genoot den triomf te zien, dat hij haar gezelschap niet vermeed. Tegen hem wist zij eene lieftalligheid aan den dag te leggen, die op zijn eigenaardig karakter berekend was. Altijd weder kwam zij in hare gesprekken met hem op zijne Lemnische Godin terug. Zij wond zich dan op, ja geraakte zelfs in vuur. Naar hare meening stond Phidias thans op een kruisweg, en zij hoopte invloed te oefenen, op de richting die hij zou kiezen. Zij wilde alles er op zetten, om zijne stijfhoofdigheid in de opvatting zijner kunst te breken.Herhaaldelijk wierp zij hem voor de voeten, dat hij de bekoring der vrouwelijke schoonheid niet genoeg tot haar recht liet komen.[50]Phidias versmaadde inderdaad de zoogenaamde modellen. Hij droeg in zich zelven de volmaakte afbeeldingen van alle schoone vormen. Zoo bleef zijn kunstenaarsoog het liefst naar binnen gericht en hoe ouder hij werd des te meer vertrouwde hij op zijn eigen talent. Hij was te fier, om de werkelijkheid eenvoudig na te volgen en in steen of metaal over te brengen. Dit echter was het juist, wat Aspasia van hem verlangde.Toen zij even weder een levendig gesprek van dezen aard met Phidias had gevoerd en deze zich verwijderd had, zeide Pericles glimlachend:„Gij schijnt zeer verstoord te zijn op Phidias, omdat hij niet meer bij de schoone natuur ter schole wil gaan?”„Zoo is het,” zeide Aspasia; „in zijne ziel worden alleen de idealen eener, om zoo te zeggen, onbewuste en ernstige schoonheid gevonden. Het is tijd, dat hij de ten volle ontwikkelde, bewuste bekoorlijkheid en lieftalligheid niet versmaadt aan de natuur te ontleenen.”„Naar welke vrouw echter,” hernam Pericles, „zoudt gij hem verwijzen, om deze volle en betooverende bekoorlijkheid, als uit de zuiverste bron te putten? Daar Phidias de Homerische Helena niet uit den Hades kan oproepen en de schoonste van alle thans levende Helleensche vrouwen, naar het eenstemmig oordeel van alle menschen, gij zelve zijt, zoo zou ik wel gaarne willen weten, wat gij Phidias zoudt antwoorden, als hij u vraagt, naar welke vrouw gij hem verwijst?”„Ik zou hem naar eene vrouw verwijzen,” hernam Aspasia, „die geheel haar eigen meester is.”„Maar als hij er op stond zich tot eene vrouw te wenden, die niet haar eigen meester is?” vroeg Pericles.„Dan zou hij zich natuurlijk,” hervatte Aspasia, „tot dengene moeten wenden, wien zij behoort: tot haar heer als zij eene slavin is, of tot haar echtgenoot, als zij de vrouw is van een Atheensch man.”[51]„En gelooft gij,” zeide Pericles, „dat een Atheensch man ooit zou kunnen besluiten, de vrouw, die hem toebehoort geheel en al aan de blikken van een ander prijs te geven?”„Waarom doet gij mij eene vraag,” zeide Aspasia, „die gij beter in staat zijt te beantwoorden dan ik zelve?”„Welaan dan,” antwoordde Pericles, „ik zal ze beantwoorden. De Atheensche man zal de vrouw, die hem toebehoort, nooit ongesluierd aan de blikken van een ander prijs geven. De eerbaarheid der vrouw mag geen ijdele klank zijn, en wanneer de jonkvrouw van een zedig karakter is, moet de vrouw, die een man toebehoort, dubbel zedig zijn uit liefde omdat zij door het prijs geven harer eerbaarheid niet zich zelve alleen onteert.”„Uwe meening is achtenswaardig,” zeide Aspasia, „en ongetwijfeld juist. De grond echter, dien gij er voor aanvoert, schijnt mij niet volkomen afdoend te zijn. Het komt toch niet zelden voor, dat gij, mannen, uwe vrouwen aan de oogen en handen der geneesheeren toevertrouwt, zij het dan ook in eigen tegenwoordigheid. Derhalve komt het mij voor, dat de eerbaarheid niet de voornaamsteredenis en dat niet elkeontsluieringop zich zelve onzedig is.”Zoo ver waren Pericles en Aspasia in hun gesprek gevorderd, toen zij plotseling door het bezoek van twee mannen werden gestoord, wier gelijktijdig binnentreden in hun huis hen zeer verraste.De beide mannen waren Protagoras en Socrates.„Wel, hoe komt het,” vroeg Aspasia glimlachend na de eerste begroeting, „dat twee uitgelezen mannen, van wie ik sedert het feestmaal bij Hipponicus altijd gevreesd had dat zij vijandig tegen elkander over zouden staan, heden zoo vreedzaam te zamen tegelijker tijd dit huis betreden?”„Ik zal u vertellen hoe het komt,” antwoordde Socrates, „als gij het volstrekt wilt weten. Wij beiden, Protagoras en ik, ontmoetten elkander van[52]verschillende kanten komend, voor de deur van dit huis. Ik voor mij stond reeds een poos voor den drempel en aarzelde binnen te treden, omdat mij juist op het oogenblik, waarop ik binnen wilde gaan, eene gedachte inviel, die ik maar niet uit mijn hoofd kon zetten. Terwijl ik daar zoo stond, met de oogen naar den grond geslagen, kwam Protagoras van den anderen kant. Hij zag mij aanvankelijk evenmin als ik hem, daar hij, terwijl ik in gepeinze verdiept naar den grond keek, met opgerichten hoofde zijn oog in de wolken en in den onmetelijken aether liet ronddwalen. Zoo liepen we elkander tegen het lijf; ik herkende Protagoras en hij mij, en daar wij beiden bemerkten, dat ieder onzer van plan was hier binnen te gaan, wilden wij ieder terugkeeren en den andere het veld ruimen. Maar toen wij wederkeerig verklaarden, dat we elkander de baan vrij wilden laten en geen van beiden elkanders aanbod wilden aannemen, kwamen wij eindelijk tot den inval, op goed geluk te zamen het huis binnen te treden.”Pericles en Aspasia glimlachten en zeiden, dat zij in deze ontmoeting een goed voorteeken zagen, des te meer omdat zij juist in een soort van wijsgeerig gesprek verdiept waren. Zij waren, zeiden zij, met een vraag bezig tot welker oplossing twee mannen, die wel is waar verschillende meeningen waren toegedaan, maar toch onbetwist wijzen waren, zeker wel het hunne konden bijdragen.Toen nu Protagoras en Socrates vroegen, welke de bedoelde vraag was, maakte Pericles geen bezwaar om de beide mannen de zaak uiteen te zetten.„Wij wierpen de vraag op,” zei hij, „of een man bereid zou kunnen zijn de ongesluierde schoonheid der vrouw, die hij liefheeft, aan het oog eens beeldhouwers tot model prijs te geven. Ik ontkende dit. Aspasia echter wees mij er op, dat wij, mannen, onze vrouwen toch wel aan de oogen en handen der geneesheeren prijs geven, zij het[53]dan ook in onze eigen tegenwoordigheid; dat wij derhalve soms geneigd zijn andere gronden hooger te achten, dan die der zedigheid. Dat u nu juist het toeval hierheen voert is eene bestiering der Goden, die u als wijze mannen tot beslissing dezer zaak geroepen hebben.”„Ongetwijfeld,” zei Protagoras, „zijn er gronden, die hooger staan dan de zedigheid, en beweegredenen, die de schijnbare kwetsing der zedigheid kunnen verontschuldigen. Een dier beweegredenen heeft Aspasia reeds aangevoerd. Ik voeg er bij: wat zou er van de beeldhouwkunst worden wanneer het schoonste zich uit preutschheid aan het oog des beeldhouwers onttrok? De schoonheid heeft plichten niet alleen tegenover zich zelve. Wat de natuur haar met kwistige hand heeft geschonken, dat moet zij der kunst ten goede laten komen. Het schoone toch behoort in een zekeren zin steeds aan het algemeen en dit laat zich zijn recht daarop niet ontnemen. Bovendien is de schoonheid, volgens hare natuur, iets vluchtigs, iets dat op zich zelf alleen voor het tegenwoordig geslacht aanwezig is en dat niet anders tot de nakomelingschap gebracht en daarvoor vereeuwigd kan worden, dan doordat de dichters het in hunne zangen verheerlijken, zooals Homerus de gade van Menelaüs, of dat een beeldhouwer de levende bekoorlijkheid des lichaams in marmer of metaal aan de komende geslachten, zoo ver mogelijk, overlevert.”„Naar uwe meening,” hernam Pericles, „moet dus eene schoone vrouw als gemeen goed beschouwd worden, die niemand geheel voor zich alleen mag bezitten?”„Alleen hare schoonheid—niet zij zelve,” antwoordde Protagoras. „Evenals het bij alles, wat in de wereld geschiedt, op de aard en wijze, waarop dit plaats vindt, aankomt op de omstandigheden, waaronder het gebeurt, zoo kan ook, mijns inziens, het ten toon stellen van de vrouwelijke bekoorlijkheid ter bevordering van een grootsch doel, de kunst, op een aard en wijze en onder[54]omstandigheden plaats grijpen, die het bedenkelijke der zaak ten volle wegnemen.”„En welke zouden die omstandigheden zijn?” vroeg Pericles.„Dit is eene zaak,” hernam Protagoras, „die eenigszins moeilijk is uit te maken. Zooals Aspasia naar aanleiding van uw vroeger gesprek, dat gij ons medegedeeld hebt, reeds herinnerd heeft, plegen wij immers eene vrouw, die zonder getuigen de vertrouwelijke nabijheid van den hulpbiedenden geneesheer zoekt, voor schaamteloos en onzedig te houden, doch wij vinden in die soort van vertrouwelijkheid niets bedenkelijks, als zij plaats grijpt onder de oogen van den man. Daarom mag men eens en voor goed vaststellen, dat er omstandigheden zijn, waarin de man zijne vrouw zonder schande of onteering aan een vreemd oog kan prijs geven …”„Natuurlijk,” zeide Pericles, „zou ik die prijsgeving eener vrouw, wanneer het door omstandigheden of door een grootsch doel geboden was, alleen onder die voorwaarde kunnen billijken. Ik hoop dat gij ook nog de voorwaarde er bij voegt, dat de vrouw den beeldhouwer alleen zal geven, wat aan haar voor den beeldhouwer belangrijk is, en dat de eerbaarheid zich alleen zal terugtrekken tot één punt, maar dit punt, om zoo te zeggen, tot op den laatsten droppel bloeds zal verdedigen. Intusschen, herinnert gij u niet de geschiedenis van dien Oosterschen koning, die door de bekoorlijkheid zijner vrouw betooverd, op den inval kwam haar geheel naakt aan zijn gunsteling te toonen5? Als ik mij goed herinner, verloor deze koning troon en vrouw en leven door den gunsteling, die ontvlamd door die bekoorlijkheid, niet[55]rustte, tothijbezat wat hem zoozeer had verrukt.”—„Met andere oogen,” sprak Protagoras, „met andere gezindheid, met andere gedachten beschouwt een beeldhouwer de naakte schoone gestalte, als de verwijfde gunsteling eens Oosterschen konings. Gene merkt, als hij heerlijk ontwikkelde ledematen beschouwt, zóóveel op, dat juist zijn kunstenaarsoog bezig houdt en eene groote bron van kennis welt daaruit voor hem op, dat er weinig plaats meer overblijft in zijn gemoed voor wulpsche gedachten. En die welke soms nog mochten opkomen, heeft hij leeren te beheerschen. De gewoonte ook heeft voor de grovere bekoorlijkheid der onthulling hem ongevoelig gemaakt. En wat nu den ouden, eerwaardigen Phidias betreft—is dat een man? Neen, veeleer eene door de Godheid gekuste, doch geslachtlooze beeldhouwersziel, die alleen een lichaam, eene hand heeft, om den beitel te kunnen voeren—dat is iemand, voor wien alles in de wereld alleen vorm is, nooit stof.”—„Protagoras’ meening kennen wij nu,” sprak Pericles. „Laat ons hooren wat Socrates aangaande deze zaak in het midden te brengen heeft. Wat denkt gij, Socrates? Is het eene vrouw veroorloofd tot bereiking van een grootsch kunstenaarsdoel, hare eerbaarheid ter zijde te stellen?”„Dit schijnt mij,” hernam Socrates, „hiervan af te hangen of in de wereld het schoone een hoogeren rang inneemt dan het goede. En dit is juist, als ik mij wel herinner, de vraag, die wij al zoo lang trachten op te lossen en wier oplossing ook bij het feestmaal van Hipponicus weder werd afgebroken.”—„Bij alle Olympische Goden,” viel hem Aspasia glimlachend in de rede, „gij zult mij zeer verplichten, beste Socrates, als gij er heden van afziet deze vraag uitvoeriger te behandelen en als gij mij voorloopig vergeeft, dat ik niet inzie, waarom de zedelijkheid de voorkeur zou hebben boven de schoonheid. Wanneer het eene wet is, dat alles[56]in de wereld goed en zedelijk moet zijn, dan is het ook eene wet, dat alles in de wereld naar schoonheid streeft en in haar den bloei van zijn wezen, het doel zijner ontwikkeling vindt. Bijgevolg kan toch de eene zoowel als de andere lezer beide wetten alleen eene subjectieve, van den mensch zelf afhankelijke wet zijn. Daarbij, meen ik, kunnen wij het voor heden laten berusten.”„Natuurlijk!” riep Protagoras: „evenals ieder mensch waarheid noemt, alleen datgene wat hem persoonlijk waar voorkomt, zoo is ook goed en schoon voor ieder, alleen datgene wat hem alzoo toeschijnt. Eene op zichzelf vaststaande zedelijkheid bestaat er evenmin, als eene absolute waarheid.”De goedige trekken van Socrates namen eene ietwat spotachtige uitdrukking aan en hij zeide:„Gij beweert altijd, Protagoras, dat er geene absolute waarheid is en gij zijt toch zelf de man, die over alles, wat men ook vragen mag, de meest afdoende en onomstootelijke beslissing kunt geven!”„Zijne meening openlijk uit te spreken,” hernam Protagoras, „is beter dan in valsche bescheidenheid voor te geven, niets te weten en toch altijd en eeuwig alles beter te willen weten, dan anderen.”—„Ik tracht naar het weten,” zeide Socrates, „dat ik niet bezit. Gij echter loochent de mogelijkheid daarvan. Moeten wij den menschelijken arbeid der gedachte reeds als ijdel opgeven, nadat wij dien pas eerst hebben begonnen?”„Altijd nog beter,” antwoordde Protagoras, „dan de frischheid en harmonie van het Helleensche leven door eene sombere en ontevreden beschouwing te willen vervangen.”„Ik begrijp nu,” hernam Socrates, „dat er menschen zijn die, omdat zij de kunst van het denken geringschatten, de kunst van het spreken des te sterker beoefenen. Want daar de gedachten, die zij uitspreken, naar hunne eigen verklaring geen onbetwistbare waarde hebben, zoo kunnen[57]het alleen schitterende woorden zijn, waardoor zij op het gemoed hunner toehoorders werken.”„Er zijn ook menschen,” sprak Protagoras, „die de kunst van spreken geringschatten, omdat zij gelooven, dat men achter hun geveinsden eenvoud diepzinnigheid, achter hun stamelen de wijsheid van een orakel en achter hunne bescheiden vragen het afdalen van een verheven geest zal zoeken.”—„Het komt mij beter voor,” zei Socrates, „de menschen door vragen, die hun gemakszucht storen, tot denken te dwingen, dan hen door snel gevatte, altijd gereede antwoorden, die den vrager hoogst aangenaam zijn, tot gedachteloosheid te brengen.”—„Beter is gedachteloosheid,” hernam Protagoras, „dan den bodem der werkelijkheid te verlaten, op wolken en nevelbeelden te rijden en zich in het oneindige te verliezen. Intusschen is zulk een zich verdiepen in de wereld van den onbegrensden gedachtennevel dikwijls verklaarbaar. Er zijn er toch, die gedwongen worden, jacht te maken op begrippen, omdat hun de goddelijke gave van stoffelijke kunstgewrochten te scheppen ontzegd werd.”—„Ook zijn er sommigen,” antwoordde Socrates, „die met beelden pronken, omdat hun de gave zich reine en klare begrippen te vormen, niet gegeven is.”„Die ellendige droomers,” zeide Protagoras, „zij juist zijn het, die de deugd gehaat maken, omdat zij met hunne woorden er altijd op terugkomen.”—„Bewonderenswaardiger zijn voorzeker zij,” hervatte Socrates, „die de deugd geheel en al ter zijde laten liggen, om nooit uit de atmosfeer eener schoone liederlijkheid te geraken.”—„Zoo lang de liederlijkheid schoon en beminnelijk is,” hernam Protagoras, „is het beter dan de noodzakelijke onthouding van hen, die op het gebied der schoonheid en van het genot het onkruid van den angstvalligen twijfel zaaien, omdat zij[58]zelven niet tot schoonheid en genot geroepen zijn.”—„Zulk een ben ik,” hervatte Socrates kalm. „Gij echter, Protagoras, schijnt mij een van diegenen te zijn, die de vrije gedachte tot datgene willen maken, wat zij zelven zijn, tot dienstknechten der zinnen!”„Ik betreur het,” viel hier Pericles de twistenden in de rede, „dat gij met deze woordenwisseling de zaak, die hier behandeld werd, niet tot beslissing hebt gebracht, maar u, naar mij voorkomt, in een onvruchtbaren, heeten woordenstrijd hebt begeven.”Socrates zeide:„Ik weet, dat ik hier slechts de overwonnene kan zijn!”Na het uiten dezer woorden verwijderde hij zich kalm, zonder een spoor van opgewondenheid in zijne trekken.Spoedig daarop ging ook Protagoras heen, echter niet zonder alvorens zijn opgewekt gemoed door eenige bittere woorden lucht te hebben gegeven.„Deze beide wijze mannen,” zeide Pericles tot Aspasia, „schijnen mij volkomen tegen elkander opgewassen te zijn. Zij gingen elkander te lijf, als kunstmatig geoefende kampvechters, en het is moeilijk te zeggen, wie van beiden op de eer der overwinning aanspraak mag maken.”Aspasia glimlachte slechts en ook toen Pericles haar reeds alleen gelaten had, zweefde nog die glimlach om hare lippen. Zij wist zeer wel, wat den strijd der beide mannen tot zulk een felheid had gedreven en wat daar zelfs van den kant van den zachten Socrates zooveel snijdends en bitters onder gemengd had. Zij las evengoed in het hart van den droomer, als in dat van den schitterenden sophist, die geen woord sprak, waarvan hij niet wist, dat het aan het oor der schoone Milesische welgevallig zou zijn.Tegen Socrates ontstond, sedert zijn woordenstrijd met Protagoras, in Aspasia een toenemend gevoel[59]van afkeer en bijna zonder zich er van bewust te zijn, ontkiemde in hare ziel het plan om met vrouwelijke arglistigheid de wijsheid van den man, die op „de vrije gedachte” altijd hamerde en „de slavin der zinnen” verachtte, zoo mogelijk aan hem zelven te schande te maken.
Als het waar mocht zijn, zooals de sage bij den verheven dichter der Euminiden1meldt, dat de diefstal van het vuur uit den hemel en de gave daarvan aan de menschen door Prometheus op de Acropolis heeft plaats gehad, dan is het niet te verwonderen,[34]dat bij het noemen van den naam Acropolis te Athene velen slechts eene hoogte voor den geest zweeft, geheel in verblindend licht gehuld, gekroond door de marmeren tinnen van het Parthenon.
Doch er waren ook uilen op de Acropolis.…
Er waren uilen te Athene—er waren er zoovele dat de uitdrukking „uilen naar Athene zenden”2de beteekenis kon krijgen van een overbodigen arbeid.
En deze vogels waren zelfs aan Pallas Athene geheiligd. Zij behoorden bij haar, als de vogels van den gedachtenvoortbrengende, geheimzinnigen nacht. Want de nacht zelf is donker, maar hij is zwanger van licht en beter dan de drukke dag doet hij de gedachte ontkiemen en rijpen in het wakkere hoofd der menschen. Niet zelden echter tracht de nacht iets zelfstandigs te zijn en meer dan het licht,datuit hem geboren wordt, en stelt zich dan vijandelijk tegenover het licht.
Zoo komt het, dat ook de vogels van den nacht, de uilen, vijanden van het licht geworden zijn.
Er waren er dan, zooals gezegd is, vele op de Acropolis en zij nestelden het liefst in de ruimte tusschen de kroonlijst en het schuine dak van het oude, eerwaardige Erechtheüm, gezamenlijk met hagedissen, muizen en slangen.
Zij zijn daarom de lievelingsvogels van denErechtheüs-priesterDiopithes, die ginds juist, onmiddellijk vóór de trappen van het Parthenon, in een levendig gesprek met een man gewikkeld is en zich tevens eenigszins zonderling beweegt.
Hij loopt namelijk vóór de oogen van den anderen man met eene zekere opgewondenheid de trappen van het Parthenon op en af. Voor den ingang des tempels zijn, om het binnentreden gemakkelijker te maken, in de breede, hooge trappen kleinere gehouwen. Deze kleinere trappen klimt[35]Diopithes op en telt ze onderwijl en spreekt het getal met hoorbare stem uit.
En nadat hij zóó gaande en luid tellend aan den anderen man het getaldertrappen heeft aangeduid, zegt hij tot hem het volgende:
„Gij weet welke wet voor het aantal trappen van een tempelstoep door den vromen en welberaden geest der Hellenen sedert eeuwen is vastgesteld geworden. Oneven is naar den ouden regel het getal dezer trappen, opdat, als een gunstig voorteeken, de eerste en de laatste trede door de rechter voet zou kunnen worden betreden.”
„Ja, zoo is het inderdaad,” hernam de man, tot wien Diopithes sprak.
„Welnu,” ging Diopithes voort, „gij ziet, dat de mannen die dit Parthenon gebouwd hebben, schijnen te meenen, dat zij geen goede voorteekens meer noodig hebben. Het getal dezer kleinere trappen is even. Zij mogen nu werkelijk, hetzij in fieren trots of door de Goden met verblinding geslagen, tegen den heiligen regel gezondigd hebben: wat zij daar opgericht hebben doet zich reeds bij den eersten aanblik voor als een goddeloos, den Goden ongevallig werk. En ik zeg u: het is in zijn geheele ontwerp eene geringschatting, eene beleediging, eene beschimping der Goden. Zie toch eens: sedert de Panathenaeën voorbij zijn, sedert de overwinnaars in de wedstrijden hunne prijzen weggedragen hebben, sinds het volk zich zat gegaapt heeft aan het verkwiste goud en ivoor van Phidias’ standbeeld, is de feesttempel, zooals zij dien noemen, weder gesloten, het beeld der Godin bedekt; opdat het voor het volgende feest niet door het stof verontreinigd mocht zijn, en, in plaats van priesters en hunne dienaren, ziet men dag aan dag alleen de schatmeesters in- en uitgaan, die in het achterste deel van het gebouw hunne bezigheden verrichtend, de gelden, die inkomen en uitgegeven worden, natellen. En zoo klinkt, o hoon en misdaad! in ’t oor der Godin, in plaats van den klank van vrome[36]woorden, alleen het gerammel van goud- en zilverstukken!”
Op deze ontboezeming van Diopithes begon de man, met wien de priester zich onderhield en die door zijn uiterlijk bleek een vreemdeling te zijn, onverschillig naar de hoeveelheid, de waarde en het bedrag der gemunte en ongemunte schatten te vragen, die in dit huis onder de hoede van Pallas Athene opgehoopt lagen, en Diopithes gaf bereidwillig alle inlichtingen, die hij kon geven.
„Een mooie spaarpenning of liever een mooie buit is het,” merkte de vreemdeling op, „dien gij Atheners daar opgestapeld hebt. Maar mij dunkt gij zult dien voorraad wel spoedig uitgeput hebben, ook in vredestijd.”
„Nog in langen tijd niet,” hernam Diopithes.
„Ik zie echter,” vervolgde de vreemdeling, „dat, nu deze kostbare tempelbouw juist voleindigd is, men reeds met eene gelijke haast en gelijken ijver hier boven een nieuw werk begonnen is, een prachtpoort voor de Acropolis, voorzalen in den verhevensten stijl, niet minder grootsch dan het Parthenon zelf—”
„En niet minder onzinnig, niet minder overtollig,” viel Diopithes hem in de rede. „Dat is toch juist,” vervolgde hij, „de snoodheid van die overmoedigen, die Athene’s lot tegenwoordig besturen. Zij laten het heiligdom vanErechtheüsvervallen, dat zelfs de Pers slechts ten halve waagde te vernielen, en richten daarentegen pronkzalen op, volgepropt met de ijdele beelden van de uit heel Hellas saamgevloeide bent van Phidias.”
„Maar is Pericles dan almachtig?” riep de vreemde. „Hoe komt het, dat niet één van alle beroemde veldheeren en staatsmannen der Atheners, zoover ik weet, het lot der verbanning is ontkomen, en Pericles daarentegen eene zoo lange reeks van jaren zonder tegenkanting in zijne oppermacht zich staande houdt?”
„Hij is de eerste staatsman,” zei Diopithes, „wien[37]de Atheners den tijd laten hen zelven te gronde te richten.”
„Dat verhoeden de Goden!” hernam de vreemdeling. „Ik ben een eenvoudig man uit Euboeä en wensch den Atheners alles goeds toe.”
„Waarom veinst gij?” zeide Diopithes, terwijl hij den vreemdeling strak in het gelaat keek. „Gij zijt de man uit Sparta, dien zij bij het feest der Panathenaeën van den drempel van het Parthenon verdreven hebben. Ik heb alles gezien en herkende u aanstonds weder, toen gij, over de hoogte van de Acropolis wandelende, u met eenige vragen tot mij wendet. Ja, gij zijt eenLacedaemoniëren als gij zegt, dat gij den Atheners alles goeds toewenscht, spreekt gij onwaarheid. Maar vrees daarom niets van mij! Er zijn Atheners, die mij gehater zijn dan het geheele Spartaansche volk. En het is ongetwijfeld wel bekend, dat hier te Athene de tegenstanders van al die nieuwigheden, de vrienden der oude tucht, Laconisten genoemd worden. En niet ten onrechte.”
Schier onwillekeurig reikte de man uit Sparta denErechtheüs-priesterde hand.
„Geloof niet,” ging deze voort, „dat het aantal dergenen, die op Pericles verbitterd zijn, in zijn nieuw Athene gering is. Kom mede! Ik zal u eene plaats wijzen, waar niet minder dan om het Erechtheüm, onverzoende wraakgeesten zweven.”
Na het uiten dezer woorden voerde Diopithes den Spartaan naar den rand van den westelijken heuvel van de Acropolis en wees hem met de hand naar een steilen, somberen, woesten rotsheuvel, die tegenover den burgt, alleen door eene kloof daarvan gescheiden was, doch lager dan deze zich verhief.
„Ziet gij dien steilen heuvel, welks rotsblokken als door Titanen handen op elkander gestapeld zijn?” vroeg Diopithes. „Ziet gij de in de rots gehouwen trappen, die naar eene vierkante ruimte voeren? Van deze plaats echter leidt een andere trap, ook in de rots gehouwen, naar eene diepe,[38]donkere kloof, waaruit een zwart water ontspringt. In die kloof staat het heiligdom der sombere wraakgodinnen, der Erinnyen met slangenlokken en die vierkante ruimte op de hoogte van den berg is de verzamelplaats van het overoude, eerwaardige, door de Goden zelven ingesteld gericht, dat wij den Areopagus plegen te noemen. Den grijzen rechters van dit gericht is de hoede van dit heiligdom der Erinnyen toevertrouwd: in hunne handen zijne overoude inzettingen en heiligdommen gegeven, die in een geheimzinnig duister gehuld zijn en waaraan het heil van den staat is vastgeknoopt. Zij alleen weten, wat de stervende lijder Oedipus in het oor van koning Theseus gefluisterd heeft, toen hij op den heuvel van Colonus in het woud der Eumeniden het doel van zijn langen zwerftocht had gevonden. Tusschen bloedige offers worden de strijdenden geplaatst, over wier zaak deze rechters beslissen, en een eed leggen zij af met afschuwelijke verwenschingen tegen zich zelven en tegen de hunne, als zij anders dan naar de strengste rechtvaardigheid mochten uitspraak doen. Zwijgend leggen zij, nadat zij de zaak hebben aangehoord, hun vonnis in twee urnen, in de urn der barmhartigheid of in de urn des doods. Opzettelijken moord te vonnissen was van den beginne af hun ambt. Maar ook zedeloosheid, nieuwigheden in den staat en in den dienst der Goden te straffen, behoorde oorspronkelijk tot hunne taak; in den intiemsten kring van het familieleven door te dringen was hun veroorloofd, om de meest verborgen misdaad aan het licht te brengen. Zij straften den vadermoorder, zij straften den brandstichter, zij straften den man, die een onschuldig dier zonder noodzaak had gedood, zij straften den knaap, die meedoogeloos een jongen vogel de oogen had uitgestoken. Protest aan te teekenen tegen besluiten van het geheele volk, was hun vergund. Is het te verwonderen, wanneer deze plaats der oude tijden, deze op de rots van den Ares-heuvel gegrondveste burg der vrome tucht, den machthebbers[39]van het nieuwe Athene al lang een doorn in het oog is geweest? Pericles was het, die het eerst deze heilige macht durfde trotseeren, die hare voorrechten beperkte, haar aanzien verminderde, haar den onaangenamen invloed op de staatsaangelegenheden besnoeide. Te vergeefs! Evenals over dezen zelfden Ares-heuvel de brandende pijlen der Perzen tegen den burg en tegen den ouden tempel der Acropolis vlogen, zoo vliegen heimelijk thans van daar de gramstorige blikken der Areopagiten, zwanger van onheil, naar den nieuwen tempel van Pericles!”—
„Maar de groote massa der Atheners houdt toch van Pericles,” zei de Spartaan—„zij houden hem voor een oprechten vriend der volksheerschappij.”
„Ik houd Pericles voor niet onnoozel genoeg,” hernam Diopithes, „om een oprecht vriend der volksheerschappij te zijn. Een man, uitnemend in geestesbeschaving, is nooit een eerlijk vriend der volksheerschappij. Want hoe zou het hem voldoen, de macht, die hij de onverstandige menigte ontwrongen heeft, vrijwillig weder met haar te deelen, en zich in zijne beste plannen, in zijne schoonste ondernemingen door bekrompen hoofden te laten storen en dwarsboomen? Pericles vleit, als alle volksmannen, de massa, om zich van haar tot volvoering zijner eerzuchtige plannen te bedienen. Wellicht blijft hem uit den gouden schat in het achtergebouw van het Parthenon ten laatste zooveel over, dat hij zich daaruit eene kroon kan doen vervaardigen, die hij zich op een feest der Panathenaeën, ten aanschouwe van het verzamelde volk en aan de voeten der Godin van Phidias, op het hoofd zet. Bereidt er u op voor, gij Lacedaemoniërs, om den Hellenen koning en zijne koningin Aspasia, door het geven van eene kluit Spartaanschen grond en eene kruik water uit den Eurotas, te helpen huldigen!”
Bij deze laatste woorden zag de priester om. „Laat ons heengaan,” zei hij tot den Spartaan, „ik zie menschen naderen, die hier boven den grond[40]voor de nieuwe voorzalen afbakenen. Men zou mij een samenspanning metLacedaemonten laste leggen als men ons te zamen zag spreken.”
Zoo sprak deErechtheüs-priesteren verdween weldra met de man uit Sparta achter de zuilen van het Erechtheüm, waar beiden nog een tijdlang zich vertrouwelijk onderhielden.
Weinige dagen na het feest der Panathenaeën had Telesippe, door minnelijke schikking van Pericles gescheiden, het huis van haar gemaal verlaten en Aspasia was in hare plaats als wettige gemalin daar binnen geleid.
Niet verootmoedigd verliet Telesippe het huis van haar echtgenoot, maar met fier opgeheven hoofde; want zij ging een lot te gemoet, waarvoor zij zich toch geboren waande, welks vervulling echter zij niet meer had durven hopen.
Altijd was het begin harer klachten geweest: „Ik had de gade van den Archon Basileus kunnen wezen!”
Toen het besluit om van Telesippe te scheiden in Pericles gerijpt was, kon hij niet nalaten er op te peinzen, hoe hij het smartelijke van den indruk zou kunnen verzachten, die deze beslissing noodwendig op zijne gade moest maken. Hij herinnerde zich hoe dikwijls zij van den Archon Basileus had gesproken. Hij, die thans het ambt van Archon Basileus bekleedde, was een vriend van Pericles, een man van tamelijk gevorderden leeftijd, doch ongehuwd. Pericles begaf zich tot hem en vroeg hem, of hij niet genegen zou zijn te huwen. De Archon Basileus was een stil, eenvoudig mensch en zeide, dat hij niet ongenegen was in het huwelijk te treden, als er zich maar een geschikte bruid voor hem opdeed.
„Ik ken eene vrouw,” zei Pericles, „die geknipt is voor een man als gij; het is mijne eigene vrouw. Voor mij zelven heeft ze te weinig van die opgeruimdheid, waardoor een staatsman bij zijne tallooze beslommeringen afleiding en opwekking kan erlangen, en te veel van die strengheid, van die deftige[41]waardigheid, die een ernstig man, met het priesterlijk gewaad omhangen, als gij, ongetwijfeld moet aantrekken. Ik sta op het punt, om van Telesippe te scheiden, doch ik zou mij zeer gelukkig achten, als ik wist, dat zij uit mijn huis in dat van een beter man overgaat, en dat zij daar, waar zij heengaat, datgene zou vinden, wat zij in mijn huis miste.”
De Archon Basileus nam deze woorden zoo ernstig op, als zij gemeend waren. Over het bezwaar, dat een Archon Basileus doorgaans alleen met eene jonkvrouw huwde, deed Pericles hem heenstappen, door hem te beloven, dat hij al zijn invloed bij de Atheners zou aanwenden, om de schending van dit oud gebruik onopgemerkt te laten. Daarop gaf de Archon ten laatste de verklaring, dat hij bereid was Telesippe uit het huis van haren tegenwoordigen echtgenoot in het zijne als wettige gade binnen te leiden.
Pericles deelde zijne gade te gelijkertijd zijn besluit mede van haar te scheiden en het voornemen van den Archon Basileus met haar te willen huwen.
Telesippe vernam de beslissing koud en ongevoelig: zij uitte geen enkel woord, doch trok zich terug in haar vrouwenvertrek. Toen zij daar echter de beide knapen zag, die zij nu verlaten moest, trok zij hen tot zich en schreide bittere tranen op hun hoofd. Zij dacht er aan, hoe zij Hipponicus kinderen had gebaard, hoe hij haar had verstoten en hoe zij de vrucht van haar schoot voor altijd had moeten verlaten: hoe zij voorts Pericles kinderen had geschonken en ook dezen verlaten en van hen moest scheiden en aan een nieuwen echtgenoot zich verbinden. Zij scheen zich zelve toe van alle recht beroofd, hulpeloos van huis tot huis verjaagd.…
Maar de echtgenoot van den Archon Basileus! Het doelwit harer eerzucht! Het eens verloren en nu toch bereikte geluk haars levens! Ja, waarlijk—alleen der verstootene gade was daarmede voldoening gegeven, niet der moeder. Door den dwazen[42]trots der vrouw heen voelde zij altijd door de angstige slagen van het onverzoende moederhart.
En toen nu het oogenblik was gekomen, waarop Telesippe het huis van haar echtgenoot zou verlaten en op het voorhoofd harer zonen den laatsten kus drukte, om voor altijd van hen te scheiden, werd ook Pericles plotseling door een zonderling gevoel overweldigd: het scheen hem toe, dat men toch geen heiligen band, die eens twee menschenharten had vereenigd, ooit kon verbreken zonder iets van het hartebloed daarmede vergoten werd.
Telesippe had hem kinderen gebaard, kinderen, die zijne trekken, zijne gelijkenis op ’t gelaat droegen. Hoe zou niet voor altijd eerwaardig en heilig voor den man zijn de vrouw, die hem kinderen had geschonken, die zijne trekken droegen? Op het voorhoofd der kinderen was de stempel gedrukt der ontwijde moedereer. Deze erfenis liet zij bij haar scheiden hare kinderen en haar echtgenoot achter. Pericles was zich daarvan helder bewust, toen Telesippe zijn huis verliet.
Straks reeds had hij met een koelen, ernstigen handdruk van haar afscheid genomen; thans greep hij nog eenmaal de hand zijner vrouw, de moeder zijner kinderen, en een traan bevochtigde die. En toen Telesippe reeds lang zich verwijderd had, stond Pericles nog geruimen tijd in gepeins verzonken, met eene vraag zich bezig houdend, die geene menschelijke wijsheid ooit zal oplossen.…
Zonderling en raadselachtig zijn de plichten der menschen en hunne rechten met elkander in strijd.…
Voor Pericles en zijn huwelijksleven was de teerling geworpen.
Het keerpunt in zijn huiselijk leven had een tweeledig aanzien, zooals bijna alle menschelijke zaken. Op het ernstig afscheid van Telesippe volgde de blijde intocht van Aspasia. Hare intrede verdreef gemakkelijk de donkere schaduw op het diepzinnig voorhoofd van Pericles. Zij verspreidde licht en[43]glans tot in den diepsten hoek des huizes. Aspasia kwam begeleid door alle lachende lentegeesten. Eene geurige, frissche lucht verjoeg de tot nu toe dompige atmosfeer van het huis.
De oude, eerwaardige huisgoden waren met Telesippe heengetogen, Aspasia bracht nieuwe mede. Zij plaatste in het peristylium den vreugderijken Dionysus en de lachende Aphrodite en den gelokten, schitterenden beschermgod van den Ionischen stam, den met pijl en lyra gewapenden aanvoerder derMuzenreien, Apollo. Ook ontbraken van nu af niet de Chariten aan het altaar van dit huis, waar het passend offer haar zoo lang was geweigerd.
De geest van vernieuwing, die Aspasia’s schreden overal volgde, begeleidde haar ook in het huis van Pericles. Binnen korten tijd was dit huis op vroolijke en weelderige wijze ingericht. Niets leelijks, niets onedels duldde Aspasia rondom zich. Wijken moest, wat geen genade vond in haar oog, wat niet overeenstemde met haar schoonheidsgevoel. Schoonheid werd verklaard als de hoogste wet, ook aan den huiselijken haard. Kunstenaarshanden moesten de muren der vertrekken met bekoorlijke beelden versieren. Uit kunstenaarshanden moest voortaan niet alleen voortkomen, wat het leven siert en schoonheid geeft, maar ook wat slechts moest dienen voor dagelijksche behoeften.
Eenvoudig was tot heden het huishouden van Pericles; nu mishaagde hem dezen eenvoud zelven. Niets is aangenamer voor den minnende, dan het verblijf der geliefde zoo bekoorlijk mogelijk in te richten. Geen man versiert voor zich zelven het huis, voor eene geliefde vrouw echter wordt zelfs de vrek een verkwister. Met blijdschap hielp Pericles zijne beminde Aspasia de woning van zijn nieuw geluk in een tempel der schoonheid herscheppen.
Den fijn ontwikkelden zin voor hetgeen het oog bekoorde, voor het smaakvolle en harmonische, die den vrouwen eigen is en dien zij in hare sieradiën,[44]in hare kleeding aan den dag leggen, bezat Aspasia in zoo ongemeene mate, dat Pericles zich als in de macht eener toovenares bevond en zijne geliefde smeekte, dat zij toch ook niet hem zelven, als alles rondom haar, zou veranderen. Maar hij was reeds veranderd. Zonder verwijfd geworden te zijn, ontwikkelde hij nu in zich een zin, die tot heden in den rusteloos werkzamen man geheel gesluimerd had. De geliefde, of liever de liefde zelve, leerde hem de diepe en niet te verachten poëzie kennen en waardeeren, van hetgeen hij tot nu toe niet had opgemerkt. Wat waren hem vroeger paarlen en edelgesteenten geweest? Thans kon hij een juweel, dat in een gouden band aan den leliewitten arm der geliefde fonkelde, een zeer langen tijd beschouwen en zich in zijn bont flikkerend licht, als in eene zonderlinge openbaring, verdiepen. Wat waren hem vroeger geurige zalven, wat was hem al het reukwerk der wereld geweest? Thans was zijn zin ontwaakt voor iederen fijnen, geurigen adem, die in de nabijheid der geliefde hem omgaf en iedere kleurmengeling bracht eene aangename gewaarwording in zijne ziel. Wat waren hem tot heden kleuren geweest? Eene vluchtige bekoring op zijn hoogst, waarvan hij zich nauwelijks bewust was. En thans? Wat een leven, welk eene betoovering kreeg voor zijn oog het gloeiend rood, het vlammend geel, het verrukkelijk blauw, het liefelijke, zachte groen, als het om het lichaam der geliefde golfde of wanneer hare schoone, blanke leden daardoor te meer uitkwamen.
De band der liefde en eene onbeperkte toewijding moge twee harten nog zoo lang en gelukkig vereenigd hebben, de band die Hymen om hen slaat, bereidt hen toch een nieuw, tot nu toe onbekend geluk. De echt heeft, evenals de liefde, zijne eigenaardige zaligheid. Dagelijks opnieuw zich te verliezen en dagelijks opnieuw zich terug te vinden mogen aan de zalige oogenblikken der liefde haar aantrekkelijkheid geven; maar ook het bewustzijn zijn hoogste geluk altijd in zijne nabijheid te hebben,[45]is benijdenswaard.
Wie op het huwelijk laag neerziet kent de liefde niet.—
Iedere dag had thans voor Pericles zijn eigenaardigen lust, zijn eigenaardigen glans, zijne eigenaardige bekoorlijkheid. Altijd was Aspasia voor Pericles alles en toch iederen tijd iets anders: des morgens zijne rozenvingerige Eos, des avonds zijne Selene3, zoete sluimering op zijne oogleden droppelend, des daags zijne Hebe, die hem den beker des levens aanbood. Zij was de Hera van den „Olympiër,” maar zij behoefde nooit den toovergordel eerst van de gouden Aphrodite te ontleenen. Nog meer: in menig oogenblik scheen zij hem eerwaardig toe als zijne moeder en op andere tijden beminde hij haar met de liefde, waarmede men een kind liefheeft.
Wanneer reeds doode sieraden, edelgesteenten, paarlen, geurige balsems, schitterende kleuren door de liefde eene nieuwe betoovering verkrijgen, in den minnende een nieuw, tot nu toe onbekend gevoel opwekken, welk verhoogd leven, welke nieuwe betoovering moet dan de poëzie, moet de muziek minnenden harten instorten? Welk een volheid en weelde van bekoorlijkheid en genot moest de betooverende Aspasia niet uit deze bronnen weten te scheppen en te putten!
Zong Aspasia Pericles een lied voor bij de luit of las zij hem gelijk zij als kind aan Philammon had gedaan, uit boekrollen voor, zoo wist hij niet, wat hem meer verrukte: wanneer zij met gloeiende wangen geheel opging in het vuur harer kunst of van den dichter, dien zij las, of wanneer zij in moedwillige dartelheid haar lied of voordracht met kinderlijk gekeuvel, overbodige liefdesvragen, met vriendelijk gevlei telkens afwisselde …
De Atheners hadden in den regel geen eigenlijk tehuis. Zij leefden buitenshuis. Pericles echter bezat thans een tehuis.[46]
Dat de knapen Xanthippus en Paralus de zoons van Pericles, niet van Aspasia waren, kwam dit niet juist het echtgeluk van Pericles ten goede? Hij behoefde Aspasia’s liefde niet met hen te deelen.
Wanneer aan beiden nog iets ontbrak, was het wellicht alleen het geheele, volle bewustzijn van hun geluk. Want eigenlijk begrijpen niet de gelukkigen zelven, maar alleen zij, die het missen, geheel en ten volle het geluk der gelukkigen. Met goede bedoeling mengen de Goden gaarne een droppel alsem in iederen vreugdebeker: want slechts het verstoorde of bedreigde geluk komt tot klaar bewustzijn.
Het huwelijk van Pericles en Aspasia gaf den Atheners onuitputtelijke stof tot gesprekken. Men behandelde het op de Agora, men vertelde in alle gaanderijen, in alle worstelplaatsen, in alle werkplaatsen der handwerkslieden en in alle barbierswinkels van gansch Athene, dat Pericles zijne gade kuste, zoo dikwijls hij van huis ging en wederom als hij terug kwam. Een man verliefd op zijne vrouw! Men sprak van de witte Sicyonische paarden en het schitterende rijtuig, waarmede de nieuwe vrouw van Pericles soms door Athene’s straten reed. Men sprak van de omkeering, die in het eens zoo eenvoudige huis van Pericles had plaats gegrepen. Men sprak van de nieuwe, prachtige muurschilderingen, waarmede het versierd was, in het bijzonder van eene, die de plundering van den Olympus door de Eroten voorstelde. Getooid met den buit trokken zij jubelend voort: deze met den bliksem van den Cronide4, gene met den boog van Apollo, een derde met den helm en het schild van Ares, weer een andere met Heracles’ knots, met den thyrsus van Bacchus, met de fakkels van Arthemis, met de gevleugelde sandalen van Hermes.[47]
Men zeide nu zelfs, dat Aspasia de redevoeringen opstelde, die Pericles voor het volk hield. Pericles, de Olympiër, de sedert zoo langen tijd gevierde redenaar, liet zich dit glimlachend welgevallen en erkende, dat hij zijne gelukkigste gedachten aan Aspasia te danken had. Aspasia bezat eene betooverende, zoetvleiende, krachtige taal, zooals men soms bij vrouwen aantreft, waaraan zich een liefelijke, zilveren klank van stem paarde; en zoo maakte zij op de mannen den indruk, als ware zij met groote gave van welsprekendheid bedeeld en eene vrouw, van wie men veel leeren kon.
Echter werd er ook onder het volk gemompeld, dat Aspasia Pericles zocht te verleiden naar de koninklijke waardigheid te streven. Men zeide, dat zij niet achter hare landgenoote Thargelia wilde staan, wie het ook gelukt was de gade van een koning te worden.
Steeds nog stond de eerwaardige Elpinice aan de spits dier nieuwigheidsventers. Zij was de levende en wandelende kroniek van Pericles’ huis te noemen. Van haar afkomstig was het verhaal van den kus, welke Pericles bij het uitgaan en terugkeeren aan zijne vrouw gaf. Zij wist het, welke gezindheid Aspasia jegens de kinderen van Pericles koesterde en jegens den jongen Alcibiades.
Zij wist te vertellen, dat Aspasia niet vanParalusen Xanthippus hield, dat zij zich weinig aan hen liet gelegen liggen, hen overliet aan de zorg van den paedagoog, doch zich als eene moeder den jongen Alcibiades aantrok, hem vertroetelde, dat onder hare handen de zoon van Clinias verwijfd en nog wat ergers zou worden.
Was het te verwonderen, dat Aspasia voor den heerlijk begaafden pleegzoon van Pericles partij trok tegen zijne zoons, die wel is waar des vaders trekken op het gelaat droegen, doch in karakter de evenbeelden hunner moeder Telesippe waren?
Behalve Alcibiades, Paralus en Xanthippus groeide nog in het huis van Pericles een andere knaap op, die wel niet tot de huisgenooten van Pericles[48]behoorde, maar toch ook niet onder de slaven gerekend kon worden. Pericles had hem uit den Samischen oorlog mede naar Athene gebracht. Men wist niets meer van zijne afkomst, dan dat hij de zoon van een Thracische of Scythischen of een ander Noordsch koning was, dat hij door eene vijandelijke hand als kind aan zijne ouders ontroofd was en vervolgens als slaaf was verkocht. Pericles vond hem op Samos. Zijne deelneming werd opgewekt door het droevige lot en het ongemeen uiterlijk van den knaap; hij kocht hem en voerde hem met zich naar Athene. Hier liet hij hem opvoeden met zijne eigen kinderen. Zijn naam was Manes. Hemelsbreed verschilden zijne trekken van de fijnheid en adel der Helleensche vormen, hij herinnerde veeleer een weinig aan de Scythische huursoldaten op de Agora. Maar hij had uitnemend schoon, bruin, glanzend haar, heldere oogen en eene zeer blanke huid. Hij was stil in zich zelven gekeerd en verried in vele zaken een eigenaardig karakter.
Alcibiades zocht den nieuwen makker voor zich te winnen en hem in te nemen door zijne beminnelijke uitgelatenheid. Het gelukte hem niet. Manes was liefst alleen, legde geene schitterende gaven des geestes aan den dag, verdiepte zich echter met ijver in alle vakken van wetenschap, die hem tegelijk met de jongens van Pericles onderwezen werden. Pericles zelf begon van hem te houden, Aspasia echter vond hem zonderling en de jonge Alcibiades maakte hem tot het doelwit van zijne spotternijen en overmoedige scherts.
Het deed aan het geluk van Pericles geen afbreuk, dat zijn huis thans meer dan vroeger voor zijne vrienden open stond, en dat Aspasia met opzet, tegen ’t gebruik der Atheensche vrouwen, in het gezelschap van haar echtgenoot deel nam aan de gesprekken der mannen. Voor het geluk van minnenden is het toch een nieuwe prikkel, wanneer zij voor eenige oogenblikken zich in eene grootere omgeving als ’t ware verliezen, om later[49]dubbel gelukkig elkander weder te vinden.
Van de oudere vrienden van Pericles trad Anaxagoras thans meer op den achtergrond; hij werd verdrongen door den schitterenden Protagoras, die zich in Aspasia’s gunst mocht verheugen en wiens frissche, onbevooroordeelde, gezonde, vrijzinnige levensbeschouwing hem tot een natuurlijken bondgenoot van de Milesische maakte. Opmerkelijk was het, dat de dichter der „Antigone” zelden het huis van Pericles bezocht: hetzij, omdat hij met den hem eigen fijne takt de ijverzucht, die zijn vriend tegen hem had opgevat, niet opnieuw wilde wekken, hetzij, omdat hij meende eene bij hem zelven ontwakenden, onedelen hartstocht te moeten onderdrukken; misschien ook omdat eene andere bekoorlijke vrouw zijn hart had veroverd en hem aan zijne oude vrienden ontroofde. Niet onmogelijk is het, dat al deze redenen te zamen zijne bezoeken minder talrijk maakten.…
Was het dus eene zeldzaamheid, dat de vroolijke Sophocles zich daar vertoonde, des te meer zocht de sombere Euripides, zijn mededinger op het gebied van het treurspel, het gezelschap van Aspasia. Met hem kwam Socrates, wiens vriendschap en trouw onveranderd waren gebleven. De belangen van zijn beroep voerden Phidias soms naar het huis van Pericles, en Aspasia genoot den triomf te zien, dat hij haar gezelschap niet vermeed. Tegen hem wist zij eene lieftalligheid aan den dag te leggen, die op zijn eigenaardig karakter berekend was. Altijd weder kwam zij in hare gesprekken met hem op zijne Lemnische Godin terug. Zij wond zich dan op, ja geraakte zelfs in vuur. Naar hare meening stond Phidias thans op een kruisweg, en zij hoopte invloed te oefenen, op de richting die hij zou kiezen. Zij wilde alles er op zetten, om zijne stijfhoofdigheid in de opvatting zijner kunst te breken.
Herhaaldelijk wierp zij hem voor de voeten, dat hij de bekoring der vrouwelijke schoonheid niet genoeg tot haar recht liet komen.[50]
Phidias versmaadde inderdaad de zoogenaamde modellen. Hij droeg in zich zelven de volmaakte afbeeldingen van alle schoone vormen. Zoo bleef zijn kunstenaarsoog het liefst naar binnen gericht en hoe ouder hij werd des te meer vertrouwde hij op zijn eigen talent. Hij was te fier, om de werkelijkheid eenvoudig na te volgen en in steen of metaal over te brengen. Dit echter was het juist, wat Aspasia van hem verlangde.
Toen zij even weder een levendig gesprek van dezen aard met Phidias had gevoerd en deze zich verwijderd had, zeide Pericles glimlachend:
„Gij schijnt zeer verstoord te zijn op Phidias, omdat hij niet meer bij de schoone natuur ter schole wil gaan?”
„Zoo is het,” zeide Aspasia; „in zijne ziel worden alleen de idealen eener, om zoo te zeggen, onbewuste en ernstige schoonheid gevonden. Het is tijd, dat hij de ten volle ontwikkelde, bewuste bekoorlijkheid en lieftalligheid niet versmaadt aan de natuur te ontleenen.”
„Naar welke vrouw echter,” hernam Pericles, „zoudt gij hem verwijzen, om deze volle en betooverende bekoorlijkheid, als uit de zuiverste bron te putten? Daar Phidias de Homerische Helena niet uit den Hades kan oproepen en de schoonste van alle thans levende Helleensche vrouwen, naar het eenstemmig oordeel van alle menschen, gij zelve zijt, zoo zou ik wel gaarne willen weten, wat gij Phidias zoudt antwoorden, als hij u vraagt, naar welke vrouw gij hem verwijst?”
„Ik zou hem naar eene vrouw verwijzen,” hernam Aspasia, „die geheel haar eigen meester is.”
„Maar als hij er op stond zich tot eene vrouw te wenden, die niet haar eigen meester is?” vroeg Pericles.
„Dan zou hij zich natuurlijk,” hervatte Aspasia, „tot dengene moeten wenden, wien zij behoort: tot haar heer als zij eene slavin is, of tot haar echtgenoot, als zij de vrouw is van een Atheensch man.”[51]
„En gelooft gij,” zeide Pericles, „dat een Atheensch man ooit zou kunnen besluiten, de vrouw, die hem toebehoort geheel en al aan de blikken van een ander prijs te geven?”
„Waarom doet gij mij eene vraag,” zeide Aspasia, „die gij beter in staat zijt te beantwoorden dan ik zelve?”
„Welaan dan,” antwoordde Pericles, „ik zal ze beantwoorden. De Atheensche man zal de vrouw, die hem toebehoort, nooit ongesluierd aan de blikken van een ander prijs geven. De eerbaarheid der vrouw mag geen ijdele klank zijn, en wanneer de jonkvrouw van een zedig karakter is, moet de vrouw, die een man toebehoort, dubbel zedig zijn uit liefde omdat zij door het prijs geven harer eerbaarheid niet zich zelve alleen onteert.”
„Uwe meening is achtenswaardig,” zeide Aspasia, „en ongetwijfeld juist. De grond echter, dien gij er voor aanvoert, schijnt mij niet volkomen afdoend te zijn. Het komt toch niet zelden voor, dat gij, mannen, uwe vrouwen aan de oogen en handen der geneesheeren toevertrouwt, zij het dan ook in eigen tegenwoordigheid. Derhalve komt het mij voor, dat de eerbaarheid niet de voornaamsteredenis en dat niet elkeontsluieringop zich zelve onzedig is.”
Zoo ver waren Pericles en Aspasia in hun gesprek gevorderd, toen zij plotseling door het bezoek van twee mannen werden gestoord, wier gelijktijdig binnentreden in hun huis hen zeer verraste.
De beide mannen waren Protagoras en Socrates.
„Wel, hoe komt het,” vroeg Aspasia glimlachend na de eerste begroeting, „dat twee uitgelezen mannen, van wie ik sedert het feestmaal bij Hipponicus altijd gevreesd had dat zij vijandig tegen elkander over zouden staan, heden zoo vreedzaam te zamen tegelijker tijd dit huis betreden?”
„Ik zal u vertellen hoe het komt,” antwoordde Socrates, „als gij het volstrekt wilt weten. Wij beiden, Protagoras en ik, ontmoetten elkander van[52]verschillende kanten komend, voor de deur van dit huis. Ik voor mij stond reeds een poos voor den drempel en aarzelde binnen te treden, omdat mij juist op het oogenblik, waarop ik binnen wilde gaan, eene gedachte inviel, die ik maar niet uit mijn hoofd kon zetten. Terwijl ik daar zoo stond, met de oogen naar den grond geslagen, kwam Protagoras van den anderen kant. Hij zag mij aanvankelijk evenmin als ik hem, daar hij, terwijl ik in gepeinze verdiept naar den grond keek, met opgerichten hoofde zijn oog in de wolken en in den onmetelijken aether liet ronddwalen. Zoo liepen we elkander tegen het lijf; ik herkende Protagoras en hij mij, en daar wij beiden bemerkten, dat ieder onzer van plan was hier binnen te gaan, wilden wij ieder terugkeeren en den andere het veld ruimen. Maar toen wij wederkeerig verklaarden, dat we elkander de baan vrij wilden laten en geen van beiden elkanders aanbod wilden aannemen, kwamen wij eindelijk tot den inval, op goed geluk te zamen het huis binnen te treden.”
Pericles en Aspasia glimlachten en zeiden, dat zij in deze ontmoeting een goed voorteeken zagen, des te meer omdat zij juist in een soort van wijsgeerig gesprek verdiept waren. Zij waren, zeiden zij, met een vraag bezig tot welker oplossing twee mannen, die wel is waar verschillende meeningen waren toegedaan, maar toch onbetwist wijzen waren, zeker wel het hunne konden bijdragen.
Toen nu Protagoras en Socrates vroegen, welke de bedoelde vraag was, maakte Pericles geen bezwaar om de beide mannen de zaak uiteen te zetten.
„Wij wierpen de vraag op,” zei hij, „of een man bereid zou kunnen zijn de ongesluierde schoonheid der vrouw, die hij liefheeft, aan het oog eens beeldhouwers tot model prijs te geven. Ik ontkende dit. Aspasia echter wees mij er op, dat wij, mannen, onze vrouwen toch wel aan de oogen en handen der geneesheeren prijs geven, zij het[53]dan ook in onze eigen tegenwoordigheid; dat wij derhalve soms geneigd zijn andere gronden hooger te achten, dan die der zedigheid. Dat u nu juist het toeval hierheen voert is eene bestiering der Goden, die u als wijze mannen tot beslissing dezer zaak geroepen hebben.”
„Ongetwijfeld,” zei Protagoras, „zijn er gronden, die hooger staan dan de zedigheid, en beweegredenen, die de schijnbare kwetsing der zedigheid kunnen verontschuldigen. Een dier beweegredenen heeft Aspasia reeds aangevoerd. Ik voeg er bij: wat zou er van de beeldhouwkunst worden wanneer het schoonste zich uit preutschheid aan het oog des beeldhouwers onttrok? De schoonheid heeft plichten niet alleen tegenover zich zelve. Wat de natuur haar met kwistige hand heeft geschonken, dat moet zij der kunst ten goede laten komen. Het schoone toch behoort in een zekeren zin steeds aan het algemeen en dit laat zich zijn recht daarop niet ontnemen. Bovendien is de schoonheid, volgens hare natuur, iets vluchtigs, iets dat op zich zelf alleen voor het tegenwoordig geslacht aanwezig is en dat niet anders tot de nakomelingschap gebracht en daarvoor vereeuwigd kan worden, dan doordat de dichters het in hunne zangen verheerlijken, zooals Homerus de gade van Menelaüs, of dat een beeldhouwer de levende bekoorlijkheid des lichaams in marmer of metaal aan de komende geslachten, zoo ver mogelijk, overlevert.”
„Naar uwe meening,” hernam Pericles, „moet dus eene schoone vrouw als gemeen goed beschouwd worden, die niemand geheel voor zich alleen mag bezitten?”
„Alleen hare schoonheid—niet zij zelve,” antwoordde Protagoras. „Evenals het bij alles, wat in de wereld geschiedt, op de aard en wijze, waarop dit plaats vindt, aankomt op de omstandigheden, waaronder het gebeurt, zoo kan ook, mijns inziens, het ten toon stellen van de vrouwelijke bekoorlijkheid ter bevordering van een grootsch doel, de kunst, op een aard en wijze en onder[54]omstandigheden plaats grijpen, die het bedenkelijke der zaak ten volle wegnemen.”
„En welke zouden die omstandigheden zijn?” vroeg Pericles.
„Dit is eene zaak,” hernam Protagoras, „die eenigszins moeilijk is uit te maken. Zooals Aspasia naar aanleiding van uw vroeger gesprek, dat gij ons medegedeeld hebt, reeds herinnerd heeft, plegen wij immers eene vrouw, die zonder getuigen de vertrouwelijke nabijheid van den hulpbiedenden geneesheer zoekt, voor schaamteloos en onzedig te houden, doch wij vinden in die soort van vertrouwelijkheid niets bedenkelijks, als zij plaats grijpt onder de oogen van den man. Daarom mag men eens en voor goed vaststellen, dat er omstandigheden zijn, waarin de man zijne vrouw zonder schande of onteering aan een vreemd oog kan prijs geven …”
„Natuurlijk,” zeide Pericles, „zou ik die prijsgeving eener vrouw, wanneer het door omstandigheden of door een grootsch doel geboden was, alleen onder die voorwaarde kunnen billijken. Ik hoop dat gij ook nog de voorwaarde er bij voegt, dat de vrouw den beeldhouwer alleen zal geven, wat aan haar voor den beeldhouwer belangrijk is, en dat de eerbaarheid zich alleen zal terugtrekken tot één punt, maar dit punt, om zoo te zeggen, tot op den laatsten droppel bloeds zal verdedigen. Intusschen, herinnert gij u niet de geschiedenis van dien Oosterschen koning, die door de bekoorlijkheid zijner vrouw betooverd, op den inval kwam haar geheel naakt aan zijn gunsteling te toonen5? Als ik mij goed herinner, verloor deze koning troon en vrouw en leven door den gunsteling, die ontvlamd door die bekoorlijkheid, niet[55]rustte, tothijbezat wat hem zoozeer had verrukt.”—
„Met andere oogen,” sprak Protagoras, „met andere gezindheid, met andere gedachten beschouwt een beeldhouwer de naakte schoone gestalte, als de verwijfde gunsteling eens Oosterschen konings. Gene merkt, als hij heerlijk ontwikkelde ledematen beschouwt, zóóveel op, dat juist zijn kunstenaarsoog bezig houdt en eene groote bron van kennis welt daaruit voor hem op, dat er weinig plaats meer overblijft in zijn gemoed voor wulpsche gedachten. En die welke soms nog mochten opkomen, heeft hij leeren te beheerschen. De gewoonte ook heeft voor de grovere bekoorlijkheid der onthulling hem ongevoelig gemaakt. En wat nu den ouden, eerwaardigen Phidias betreft—is dat een man? Neen, veeleer eene door de Godheid gekuste, doch geslachtlooze beeldhouwersziel, die alleen een lichaam, eene hand heeft, om den beitel te kunnen voeren—dat is iemand, voor wien alles in de wereld alleen vorm is, nooit stof.”—
„Protagoras’ meening kennen wij nu,” sprak Pericles. „Laat ons hooren wat Socrates aangaande deze zaak in het midden te brengen heeft. Wat denkt gij, Socrates? Is het eene vrouw veroorloofd tot bereiking van een grootsch kunstenaarsdoel, hare eerbaarheid ter zijde te stellen?”
„Dit schijnt mij,” hernam Socrates, „hiervan af te hangen of in de wereld het schoone een hoogeren rang inneemt dan het goede. En dit is juist, als ik mij wel herinner, de vraag, die wij al zoo lang trachten op te lossen en wier oplossing ook bij het feestmaal van Hipponicus weder werd afgebroken.”—
„Bij alle Olympische Goden,” viel hem Aspasia glimlachend in de rede, „gij zult mij zeer verplichten, beste Socrates, als gij er heden van afziet deze vraag uitvoeriger te behandelen en als gij mij voorloopig vergeeft, dat ik niet inzie, waarom de zedelijkheid de voorkeur zou hebben boven de schoonheid. Wanneer het eene wet is, dat alles[56]in de wereld goed en zedelijk moet zijn, dan is het ook eene wet, dat alles in de wereld naar schoonheid streeft en in haar den bloei van zijn wezen, het doel zijner ontwikkeling vindt. Bijgevolg kan toch de eene zoowel als de andere lezer beide wetten alleen eene subjectieve, van den mensch zelf afhankelijke wet zijn. Daarbij, meen ik, kunnen wij het voor heden laten berusten.”
„Natuurlijk!” riep Protagoras: „evenals ieder mensch waarheid noemt, alleen datgene wat hem persoonlijk waar voorkomt, zoo is ook goed en schoon voor ieder, alleen datgene wat hem alzoo toeschijnt. Eene op zichzelf vaststaande zedelijkheid bestaat er evenmin, als eene absolute waarheid.”
De goedige trekken van Socrates namen eene ietwat spotachtige uitdrukking aan en hij zeide:
„Gij beweert altijd, Protagoras, dat er geene absolute waarheid is en gij zijt toch zelf de man, die over alles, wat men ook vragen mag, de meest afdoende en onomstootelijke beslissing kunt geven!”
„Zijne meening openlijk uit te spreken,” hernam Protagoras, „is beter dan in valsche bescheidenheid voor te geven, niets te weten en toch altijd en eeuwig alles beter te willen weten, dan anderen.”—
„Ik tracht naar het weten,” zeide Socrates, „dat ik niet bezit. Gij echter loochent de mogelijkheid daarvan. Moeten wij den menschelijken arbeid der gedachte reeds als ijdel opgeven, nadat wij dien pas eerst hebben begonnen?”
„Altijd nog beter,” antwoordde Protagoras, „dan de frischheid en harmonie van het Helleensche leven door eene sombere en ontevreden beschouwing te willen vervangen.”
„Ik begrijp nu,” hernam Socrates, „dat er menschen zijn die, omdat zij de kunst van het denken geringschatten, de kunst van het spreken des te sterker beoefenen. Want daar de gedachten, die zij uitspreken, naar hunne eigen verklaring geen onbetwistbare waarde hebben, zoo kunnen[57]het alleen schitterende woorden zijn, waardoor zij op het gemoed hunner toehoorders werken.”
„Er zijn ook menschen,” sprak Protagoras, „die de kunst van spreken geringschatten, omdat zij gelooven, dat men achter hun geveinsden eenvoud diepzinnigheid, achter hun stamelen de wijsheid van een orakel en achter hunne bescheiden vragen het afdalen van een verheven geest zal zoeken.”—
„Het komt mij beter voor,” zei Socrates, „de menschen door vragen, die hun gemakszucht storen, tot denken te dwingen, dan hen door snel gevatte, altijd gereede antwoorden, die den vrager hoogst aangenaam zijn, tot gedachteloosheid te brengen.”—
„Beter is gedachteloosheid,” hernam Protagoras, „dan den bodem der werkelijkheid te verlaten, op wolken en nevelbeelden te rijden en zich in het oneindige te verliezen. Intusschen is zulk een zich verdiepen in de wereld van den onbegrensden gedachtennevel dikwijls verklaarbaar. Er zijn er toch, die gedwongen worden, jacht te maken op begrippen, omdat hun de goddelijke gave van stoffelijke kunstgewrochten te scheppen ontzegd werd.”—
„Ook zijn er sommigen,” antwoordde Socrates, „die met beelden pronken, omdat hun de gave zich reine en klare begrippen te vormen, niet gegeven is.”
„Die ellendige droomers,” zeide Protagoras, „zij juist zijn het, die de deugd gehaat maken, omdat zij met hunne woorden er altijd op terugkomen.”—
„Bewonderenswaardiger zijn voorzeker zij,” hervatte Socrates, „die de deugd geheel en al ter zijde laten liggen, om nooit uit de atmosfeer eener schoone liederlijkheid te geraken.”—
„Zoo lang de liederlijkheid schoon en beminnelijk is,” hernam Protagoras, „is het beter dan de noodzakelijke onthouding van hen, die op het gebied der schoonheid en van het genot het onkruid van den angstvalligen twijfel zaaien, omdat zij[58]zelven niet tot schoonheid en genot geroepen zijn.”—
„Zulk een ben ik,” hervatte Socrates kalm. „Gij echter, Protagoras, schijnt mij een van diegenen te zijn, die de vrije gedachte tot datgene willen maken, wat zij zelven zijn, tot dienstknechten der zinnen!”
„Ik betreur het,” viel hier Pericles de twistenden in de rede, „dat gij met deze woordenwisseling de zaak, die hier behandeld werd, niet tot beslissing hebt gebracht, maar u, naar mij voorkomt, in een onvruchtbaren, heeten woordenstrijd hebt begeven.”
Socrates zeide:
„Ik weet, dat ik hier slechts de overwonnene kan zijn!”
Na het uiten dezer woorden verwijderde hij zich kalm, zonder een spoor van opgewondenheid in zijne trekken.
Spoedig daarop ging ook Protagoras heen, echter niet zonder alvorens zijn opgewekt gemoed door eenige bittere woorden lucht te hebben gegeven.
„Deze beide wijze mannen,” zeide Pericles tot Aspasia, „schijnen mij volkomen tegen elkander opgewassen te zijn. Zij gingen elkander te lijf, als kunstmatig geoefende kampvechters, en het is moeilijk te zeggen, wie van beiden op de eer der overwinning aanspraak mag maken.”
Aspasia glimlachte slechts en ook toen Pericles haar reeds alleen gelaten had, zweefde nog die glimlach om hare lippen. Zij wist zeer wel, wat den strijd der beide mannen tot zulk een felheid had gedreven en wat daar zelfs van den kant van den zachten Socrates zooveel snijdends en bitters onder gemengd had. Zij las evengoed in het hart van den droomer, als in dat van den schitterenden sophist, die geen woord sprak, waarvan hij niet wist, dat het aan het oor der schoone Milesische welgevallig zou zijn.
Tegen Socrates ontstond, sedert zijn woordenstrijd met Protagoras, in Aspasia een toenemend gevoel[59]van afkeer en bijna zonder zich er van bewust te zijn, ontkiemde in hare ziel het plan om met vrouwelijke arglistigheid de wijsheid van den man, die op „de vrije gedachte” altijd hamerde en „de slavin der zinnen” verachtte, zoo mogelijk aan hem zelven te schande te maken.
1Aeschylus, zie Deel Inoot 1 pag. 111ennoot 2 pag. 94.↑2Het Grieksche spreekwoord „Uilen naar Athene zenden”, komt vrij wel met onze uitdrukking overeen: „Water in de zee dragen”.↑3De maan.↑4Cronides beteekent Cronus’ zoon d.i. Zeus (Jupiter), ook wel Cronion geheeten.Zie Deel I,noot 1 pag. 63.↑5Bedoeld worden hier de Lydische koningCandaulus, de zoon van Myrsus en de hoveling Gyges, de zoon van Dascyles. In kleuren en geuren kan men dat verhaal lezen bij Herodotus 1, 8–13; het geheugen van Pericles schijnt op dit punt vrij slecht te zijn geweest, daar de gunsteling geenszins uit liefde voor de vrouw den koning doodde. Integendeel: de vrouw van Candaulus liet Gyges roepen en zeide: „Ik geef u de keus òf door Candaulus te dooden mij en het rijk te bezitten, òf zelf te sterven, opdat gij later niet weder dingen moogt zien, die onvoegzaam zijn.” Gyges kiest het eerste, door den uitersten nood gedwongen en verkrijgt alzoo de echtgenoote vanCandaulusen de heerschappij.↑
1Aeschylus, zie Deel Inoot 1 pag. 111ennoot 2 pag. 94.↑2Het Grieksche spreekwoord „Uilen naar Athene zenden”, komt vrij wel met onze uitdrukking overeen: „Water in de zee dragen”.↑3De maan.↑4Cronides beteekent Cronus’ zoon d.i. Zeus (Jupiter), ook wel Cronion geheeten.Zie Deel I,noot 1 pag. 63.↑5Bedoeld worden hier de Lydische koningCandaulus, de zoon van Myrsus en de hoveling Gyges, de zoon van Dascyles. In kleuren en geuren kan men dat verhaal lezen bij Herodotus 1, 8–13; het geheugen van Pericles schijnt op dit punt vrij slecht te zijn geweest, daar de gunsteling geenszins uit liefde voor de vrouw den koning doodde. Integendeel: de vrouw van Candaulus liet Gyges roepen en zeide: „Ik geef u de keus òf door Candaulus te dooden mij en het rijk te bezitten, òf zelf te sterven, opdat gij later niet weder dingen moogt zien, die onvoegzaam zijn.” Gyges kiest het eerste, door den uitersten nood gedwongen en verkrijgt alzoo de echtgenoote vanCandaulusen de heerschappij.↑
1Aeschylus, zie Deel Inoot 1 pag. 111ennoot 2 pag. 94.↑
1Aeschylus, zie Deel Inoot 1 pag. 111ennoot 2 pag. 94.↑
2Het Grieksche spreekwoord „Uilen naar Athene zenden”, komt vrij wel met onze uitdrukking overeen: „Water in de zee dragen”.↑
2Het Grieksche spreekwoord „Uilen naar Athene zenden”, komt vrij wel met onze uitdrukking overeen: „Water in de zee dragen”.↑
3De maan.↑
3De maan.↑
4Cronides beteekent Cronus’ zoon d.i. Zeus (Jupiter), ook wel Cronion geheeten.Zie Deel I,noot 1 pag. 63.↑
4Cronides beteekent Cronus’ zoon d.i. Zeus (Jupiter), ook wel Cronion geheeten.Zie Deel I,noot 1 pag. 63.↑
5Bedoeld worden hier de Lydische koningCandaulus, de zoon van Myrsus en de hoveling Gyges, de zoon van Dascyles. In kleuren en geuren kan men dat verhaal lezen bij Herodotus 1, 8–13; het geheugen van Pericles schijnt op dit punt vrij slecht te zijn geweest, daar de gunsteling geenszins uit liefde voor de vrouw den koning doodde. Integendeel: de vrouw van Candaulus liet Gyges roepen en zeide: „Ik geef u de keus òf door Candaulus te dooden mij en het rijk te bezitten, òf zelf te sterven, opdat gij later niet weder dingen moogt zien, die onvoegzaam zijn.” Gyges kiest het eerste, door den uitersten nood gedwongen en verkrijgt alzoo de echtgenoote vanCandaulusen de heerschappij.↑
5Bedoeld worden hier de Lydische koningCandaulus, de zoon van Myrsus en de hoveling Gyges, de zoon van Dascyles. In kleuren en geuren kan men dat verhaal lezen bij Herodotus 1, 8–13; het geheugen van Pericles schijnt op dit punt vrij slecht te zijn geweest, daar de gunsteling geenszins uit liefde voor de vrouw den koning doodde. Integendeel: de vrouw van Candaulus liet Gyges roepen en zeide: „Ik geef u de keus òf door Candaulus te dooden mij en het rijk te bezitten, òf zelf te sterven, opdat gij later niet weder dingen moogt zien, die onvoegzaam zijn.” Gyges kiest het eerste, door den uitersten nood gedwongen en verkrijgt alzoo de echtgenoote vanCandaulusen de heerschappij.↑