IX.

[Inhoud]IX.ANTIGONE1Wanneer men in de lentemaand Elaphebolion2van het vierde jaar der vierentachtigste Olympiade het huis van den rijken Hipponicus te Athene voorbijging, zou men fluitspel en mannenstemmen, die zich oefenden voor een reizang, kunnen hooren, daar het geluid uit het binnenste van het huis voorkomende, tot op de straat doordrong.Hetzelfde kon men vernemen, als men het huis van den rijken Pyrilampes en dat van den rijken Midas en dat van den rijken Aristocles en de huizen van andere rijke Atheners voorbijging. Het scheen bijna, alsof de beitelslagen wederom overstemd zouden worden door de tonen van fluiten en het snarenspel en de stemmen van kunstvaardige zangers, die de liederen der dichters zongen. Want het feest ter eere van Dionysus, de Dionysiën, was wedergekeerd en daarmede de tijd aangebroken, dat de Atheners, met achterstelling van alle belangen, zich bezig hielden met de dramatische voorstellingen in het theater van Dionysus.[242]De stukken waren, overeenkomstig het gebruik, door de dichters bij den tweeden Archont ingediend. Deze had naar het oordeel van deskundigen die stukken uitgekozen, welke het best geschikt waren voor de opvoering; de tooneelspelers, welke daarin zouden optreden, werden op staatskosten aangewezen en die rijke Atheensche burgers, die voor ditmaal de „choregie” moesten betalen, kleeden, bekostigen en laten oefenen, waren aangewezen om hun plicht te vervullen. De rijke Hipponicus had een koor te stellen voor de Antigone van Sophocles, de rijke Pyrilampes voor eene tragedie van Euripides3, de rijke Midas voor een treurspel van Ion, de rijke Aristocles voor eene komedie van Cratinus4en wederom anderen voor andere stukken. Naar de gewoonte, die langzamerhand te Athene heerschende was geworden, was er een schier hartstochtelijke wedijver onder de choregen5ontstaan en zij zochten met al de eerzucht, die den Athener eigen was, elkander in nette, smaakvolle en prachtige uitrusting der hun opgedragen koren te overtreffen. Den overwinnaar toch wachtte een krans, nauwelijks minder benijdenswaard dan de kransen van Olympia enPytho6.Geluid van stemmen en de klank der fluiten klonken wederom krachtig uit het huis van Hipponicus, toen een rijzige gestalte met vluggen tred de straat afkwam. Het scheen een vreemdeling te zijn; want hem volgde een muildierdrijver, wiens dier met een reiszak beladen was. Het liet zijne blikken[243]in de straat weiden, als iemand die naar een bepaald huis zoekt.Plotseling weerklonken de stemmen en muziek uit het huis van Hipponicus in zijn oor. Hij luisterde een oogenblik, lachte toen tevreden en zei tot den slaaf:„Wij behoeven het niemand te vragen. Dit en geen ander is het huis van Hipponicus.”Met vluggen tred naderde hij het huis en wilde juist aan de deur kloppen.Op dit oogenblik echter kwam een man van den tegenovergestelden kant de straat op en ontmoette den vreemdeling juist voor het huis van Hipponicus.Op het gezicht van dezen man toonde de vreemdeling zich aangenaam verrast en terwijl gene met een vriendelijke glimlach op hem toetrad, boog hij het hoofd een weinig achterover, lei de linkerhand op de borst, hief de rechterhand op en galmde op hoogdravenden toon, alsof hij reeds den cothurnus7aanhad, met volle stem de woorden:„Zoo mijn geest niet dwaalt,En ’t voorgevoel mij niet bedriegt,En heldere blik mij niet ontbreekt,”—dan geven de Goden een gunstig teeken, daar zij mij juist voor den drempel van Hipponicus mijn edelen vriend doen ontmoeten, den treurspeldichter Sophocles.”Daarmede reikte hij den dichter de hand, die haar greep en hartelijk schudde.„Welkom, voortreffelijke Polus!” riep hij. „Wees welkom te Athene! Hebt gij weder rondom in de steden van Hellas de menschen verrukt met het geluid uwer stem op den hoogen cothurnus en nieuwen roem geoogst en klinkende munt bovendien?”„Zoo is het,” hernam Polus. „Men heeft mij hier[244]en daar eer bewezen, waar men mij juist noodig had voor de feesten in Hellas’ steden. Maar steeds toch weerklonk het in mijn hart:„Daar wild’ ik heen.Waar dicht begroeid ’t gebergt’Tot aan de baren reikt, waarSunions vlakke grond gelegen is.Om Pallas’ heilge stadMet blijden mond te groeten.”—En toen mij nu te Halicarnassus8de boodschap gewerd van uw Archont, die mij voor de Lenaeën9naar Athene riep en mij elk loon beloofde, wat ik mocht verlangen en toen ik bovendien vernam, dat naar uw wensch de eerste rol in uw nieuw treurspel mij was toegedacht, snelde ik als op de vleugelen der liefde over de eilandzee; want nergens toch rijg ik den cothurnus liever aan de voeten dan te Athene en geen dichter wijd ik mijne kunst liever dan aan mijn besten vriend en grooten meester Sophocles.”Nogmaals drukte de dichter den tooneelspeler hartelijk de hand.„Gij zijt ook mij steeds de meest gewenschte hulp,” hernam de dichter.„Daar binnen in het huis van Hipponicus,” vervolgde hij, „vindt gij de choreuten en de koormeester en misschien ook reeds uwe beide medetooneelspelers, Demetrius en Callipides. Hipponicus noodigde u op dit uur in zijn huis, opdat wij allen te zamen zouden zijn, om de rollen te verdeelen en alles in gereedheid te brengen, wat dienstig kan zijn om aan ons treurspel de overwinning te verzekeren. Laat ons dus binnengaan, Hipponicus wacht u met ongeduld.”De beide mannen klopten aan de deur en werden binnengelaten. Hipponicus verwelkomde Polus[245]met groote blijdschap en noodigde hem tevens uit, den tijd, dien hij te Athene moest doorbrengen, zijn gast te willen zijn.„Wilt gij,” hernam Polus, „bij alle uwe moeiten en zorgen die gij thans hebt, u ook nog dezen last op uwe schouders laden?”„Dezen nieuwen last,” zei Hipponicus, „gesteld dat het een last ware, zou ik de moeite niet waard achten. Doch gij hebt geen ongelijk, als gij zegt, dat ik tal van moeiten en zorgen te dragen heb, sinds de Archont mij de choregie der „Antigone” heeft opgelegd. Eerst moesten de noodige zangers en fluitspelers aangeworven worden en nu heb ik ze allen in huis en die menschen moeten betaald en gevoed worden, en hoe gevoed! met melk en honig en allerlei zoetigheden, opdat hun kelen niet ruw zullen worden. Nachtegalen in eene kooi zou men niet met meer zorg kunnen voeden en verplegen, dan ik het deze knapen doe. Dan moesten nog de prachtige kostumen besteld worden en de sieradiën voor de choreuten en gij weet wat tegenwoordig de Atheners op dat punt verlangen. Als zij geen gouden kransen te zien krijgen en niet iedere pracht rijkelijk is aangewend, dan valt er aan geen overwinning te denken. Ik geloof niet dat ik er ditmaal onder de vijfduizend drachmen afkom. Maar ik zou zelfs het dubbele besteden, als het noodig was, om den pauwenfokker Pyrilampes de loef af te steken, die met een treurspel van den vrouwenhater10Euripides de overwinning zoekt te bereiken. Sophocles weet het reeds, maar gij nog niet, waarde Polus, wat die kerel al gedaan heeft, om mij de zege te ontrukken. Eerst zocht hij den Archont om te koopen, vervolgens trachtte hij mij de beste choreuten afhandig te maken. Eindelijk heeft hij zelfs den koormeester heimelijk geld geboden, om de[246]koren slecht te laten instudeeren. En dat alles was hem nog niet genoeg. Toen mijne sieradiën en prachtige kostumen in orde waren en in den winkel gereed lagen, zoo heerlijk mooi, dat ze niet te overtreffen waren, ging die kerel er heen en wilde den kleermaker dwingen ze hem te verkoopen. Toen deze dat aanbod van de hand wees, liet hij hem door zijne slaven afranselen en dreigde hem op eenen nacht het huis met alles, wat daarin was, boven zijn hoofd in brand te steken. Zoo handelt die ellendige Pyrilampes!”„Getroost, getroost, mijn waarde!”declameerde Polus met hoog pathos.„Nog leeft hij in den hemel,„Jupijn, die alles ziet en ’t al beheerscht.Vertrouw hem toe uw bittre smart,En haat noch vergeet in uw toorn,Hen die u leed berokkenen!”„Overigens,” vervolgde Polus, iets minder hoogdravend, „ken ik dien man en zijne streken, Hipponicus, zeer goed. Gij dacht mij daaromtrent beter in te lichten; maar ik kan u staaltjes mededeelen, hoe hij alle middelen in het werk heeft gesteld om mij aan het treurspel van Sophocles te onttroggelen. Uit zijn eigen zak beloofde hij eene groote som aan den openbaren eereprijs toe te zullen voegen, als ik in de tragedie van Euripides wilde optreden. Ik echter—ik stond als Philoctetes11toen de sluwe Odysseus hem en zijn overwinnenden boog naar Ilium wilde voeren:„Nimmer en nimmer, wees daarvan verzekerd,Nooit, zelfs niet als de verzengende bliksemMij met zijn gloed mocht verteren!”—[247]„Ik dank den Goden, Polus,” zei Hipponicus,„dat een man als gij, zoo getrouw u aan ons aansluit; want een koor mag nog zoo voortreffelijk zijn, als de tooneelspelers, die de staat aanwijst, niet deugen, fluiten en sissen de Atheners.”„En ik dank den Goden,” hernam Polus, „dat gij het zijt, Hipponicus, die het koor van Sophocles uitrust; want ook al dat de tooneelspelers voortreffelijk zijn, maar het koor niet bovenmate prachtig is, dan maken de Atheners met handen en voeten een oorverdoovend geraas, om hun ongenoegen te kennen te geven.”Thans traden twee nieuwe gasten in het huis. Het waren de tooneelspelers Demetrius en Callipides. Zij werden door Hipponicus vriendelijk ontvangen en begroetten Polus, met wien zij zoo menigmaal in de treurspelen van Sophocles het tooneel hadden betreden.„Ik zie nu,” zei Hipponicus, „dat alles wat tot de overwinning van de „Antigone”, moet samenwerken, in mijn huis vereenigd is.”„Het instudeeren der koren,” zei Sophocles tot de tooneelspelers, „is al lang begonnen; wij wachten u met ongeduld. Nu gij er zijt, willen we niet dralen, maar onmiddellijk overgaan tot de verdeeling der rollen. Vooreerst dan Antigone zelve: zij valt aan den speler der eerste rol ten deel. En hierbij wees hij op Polus, den „Protagonist”12. Deze, evenals zijne makkers, nam dat zwijgend aan, als iets dat van zelf sprak.Maar Sophocles viel zichzelven in de reden en vroeg aan Polus:„Hebt ge wel van de schoone Milesische Aspasia hooren spreken?”Toen deze bevestigend antwoordde, vervolgde Sophocles: „Als wij naar deze Milesische wilden luisteren, dan moest ik den Archont verzoeken, mij eene vrouw voor de rol van Antigone toe te staan.[248]Ik had met haar een heftigen strijd, waarin zij ons gebruik om in vrouwenrollen mannen te laten optreden, zeer gispte en beweerde, dat men de vrouwen moest toestaan het tooneel te betreden. Te vergeefs beriep ik mij op de maskers, die het gelaat bedekken en op den geweldigen omvang van den schouwburg.”Polus lachte schamper. „Hoe?” riep hij daarop verontwaardigd uit,„toen ik als Electra13optrad en aanhief:O heilig licht,O aether, die de aard omgeeft!”—heeft toen iemand in mijne houding, in mijne stem, die uit het goede masker voortkwam, de vrouw gemist?”„Niemand, niemand,” riepen allen uit één mond.„En toen ik de urn met de gewaande asch haars broeders14hartstochtelijk aan mijne borst drukte,” vervolgde Polus diep ontroerd:„Dierbaarst overschot, mij blijvend,Van den liefsten aller menschen.”—„Alle toeschouwers waren geroerd, bewogen, in tranen badend,” zei Sophocles. „Nooit werd er op het tooneel eene stem gehoord,” vervolgde Sophocles, „die roerender was, nooit eene, die vrouwelijker klonk, dan de uwe!”„Ik hoop, dat gij daarmede niet zult beweren,” hernam Polus, „dat mijne stem over het algemeen een vrouwelijken toon heeft? Gij herinnert u, denk ik, mijn Aiax15nog wel:„Ha, wee mij dat ik hen liet glippen,Die snoodaards, die verwenschte schurken,[249]En in hun plaats, door waanzin aangegrepenOnschuldige schapen en gehoornde stierenDeed sneven door het flikkerend staal,Hun donker bloed vergietend.”—De stem van Polus scheen bij de voordracht van deze regels geheel veranderd. „Dat is de diepste, geweldigste heldenstem!” riepen de toehoorders in verrukking uit.„Hoe?en mijn Philoctetes?” vervolgde Polus; „mijn kreet van diepste smart, toen het oude slangengif in mijne aderen brandde en mij schier verteerde,—mijn „Ach! Ach! Wee mij! het komt—het komt.”—En wederom riepen allen: „Wat een stem vol lijden! Wat een natuurlijke toon van den vertoornden, gefolterden, gepijnigden lijder!”„En dan,” ging Polus voort, „toen ik aan het slot der tragedie aanhief:„Welaan, het uur van scheiden is gekomen.Weest mij gegroet gij lachende dreven,Gij bronnen en gij, zoetlavende drank.”„Dat was een heerlijk oogenblik,” zei Hipponicus goedkeurend, „maar het schoonste, wat ik van u gezien en gehoord heb, was toch toen gij als Aiax op het tooneel stond en die overschoone alleenspraak hieldt.”„Gij bedoelt,” vielPolushem in de rede, „toen ik in eene eenzame grot vóór den zelfmoord het zwaard met de punt naar boven in den grond stak16:„Het moordend zwaard staat in den grond geplant,Om ’t snelst mijn boezem te doorboren.”—„Juist,” riep Hipponicus uit,„en toen gij eerst Zeus aanriept en dan de maagdelijke Erinnyen en vervolgens Helios.”17—[250]„O Helios,” viel Polus in,„O Helios, als gij mijn vaderland bestraalt,Houd dan uw goudgetooiden teugel in,En breng de mare van mijn droeven dood.”—„En toen gij,” ging Hipponicus in geestdrift voort, „ten laatste uw geboortegrond nog herdacht en den vaderlijken huiselijken haard aanriept en Salamis en de stad des roems, Athene, en uw stamverwant Atheensche volk—toen gloeiden de harten van twintig duizend Atheners van verrukking. Een fier gevoel van vaderlandschen trots doortintelde allen en ieder gevoelde dat de afscheidsgroet van den stervenden held ook hem gold. Tot nu toe waren zij geroerd geweest en in stilte geschokt—thans barstten zij uit in een storm van toejuichingen, die u gold en Sophocles en den Salaminischen held!”„Te recht, Hipponicus,” zeide thans Sophocles,„prijst gij Polus, maar vergeet niet ook de verdiensten van Demetrius en Callipides te erkennen. Ook zij zijn gevierd en geëerd in de steden van Griekenland; ook zij hebben veel bijgedragen tot de zegepraal van verscheidene mijner treurspelen.”—„U, Demetrius,” vervolgde hij, „draag ik voor ditmaal den waardigen koning Creon op; aan den jongen Callipides Ismene18. Er zijn nog een paar bijpersonen, die wel is waar slechts even op het tooneel verschijnen, maar die ik daarom toch niet gaarne aan den eersten den besten stumpert zou willen toevertrouwen.”„Voor den dag er maar mede!” riepen de tooneelspelers. „Ieder onzer is bereid zoovele personen, als men slechts verkiest, op zich te nemen, als zij maar niet te gelijk op het tooneel moeten verschijnen. Onder het masker kan men elke rol vervullen.”„Daar hebt ge vooreerst Haemon, de minnaar[251]van Antigone,” zeide Sophocles, „hij treedt eerst op, als Antigone reeds ter dood is geleid.”„Geef mij maar den minnaar Haemon,” riep Polus.„Callipides,” vervolgde Sophocles, „moet de rol van den blinden ziener Tiresias op zich nemen. Dan is er nog een wachter en een bode. Deze beiden hebben lange verhalen te doen. Verhalen nu moeten op het tooneel altijd zoo voortreffelijk mogelijk voorgedragen worden. Niets is vervelender, dan wanneer zij door iemand, die nauwelijks kan spreken, uitgestameld worden. Ik heb daarom besloten deze beide kleine rollen zelf te spelen. Ik ben toch bij mijne vorige stukken menigmaal op dergelijke wijs opgetreden.”De tooneelspelers klapten in de handen van blijdschap, daar zij vereerd waren, dat de dichter zelf met hen wilde medewerken. Ook Hipponicus was er recht blijde om.„Eindelijk is daar nog Eurydice, de gemalin van Creon,” zeide Sophocles. „Zij verschijnt slechts met weinige woorden aan het slot der tragedie ten tooneele.”„Geef mij maar de Eurydice,” riep Polus.„Die is reeds vergeven,” hernam Sophocles. „Iemand die nog nooit het tooneel heeft betreden, doch niet genoemd wil worden, wenscht de Eurydice te spelen.”De nieuwsgierigheid van Hipponicus en de tooneelspelers werd door de geheimzinnige gebaren van den dichter niet weinig geprikkeld. Doch hij weigerde nadere inlichting te geven.Hij stelde toen aan tooneelspelers afschriften van het stuk ter hand, gaf hun nog eenige wenken over de opvatting en uitvoering der rollen en regelde de kostumen, waarin zij zouden optreden.Daarop stelde Hipponicus hun de vijftien choreuten voor, benevens den koormeester en verzocht hen de oefeningen van het koor bij te wonen.Onder de muziek der fluiten begon men met plechtige liederen en den plechtigen danspas, ter[252]eere van den God19omdat de beteekenisvolle dans om zijn altaar het begin was geweest van het drama. Nu schreden zij rechts, dan links, nu stonden zij stil, dan weder vereenigden zij zich, nu eens sneller dan weder langzamer zich bewegend, onder het voordragen van de talrijke en heerlijke hymnen der „Antigone”. Gloeiend van geestdrift gaf de didaskalos20de maat aan met de handen en voeten, menigmaal zelfs, als de geestdrift hem overmeesterde, met het geheele lichaam. De dichter trad herhaaldelijk tusschenbeide. Hij had ook zijn best gedaan de zangwijzen der reizangen uit te denken en de dansbewegingen van het koor passend te maken. Soms liet hij den fluitspeler weggaan, greep het snareninstrument en begeleidde het koor, om beter het gezang en de plechtige bewegingen te kunnen regelen.Evenals Sophocles bezig was in het huis van Hipponicus, zoo deed Euripides in dat van Pyrilampes, Ion in dat van Midas, Cratinus in dat van Aristocles en andere dichters in de huizen der andere choregen, als veldheeren, die hunne troepen onderrichten en aansporen, allen begeerig om den Dionysischen zegeprijs te behalen.De huizen der choregen waren als zoovele brandpunten, waaruit zich eene gespannen verwachting en eene levendige belangstelling over de stad verspreidde; in de overwinning toch van den choreeg waren ook zijne verwantefamiliënbetrokken en hare namen werden eveneens genoemd. De spanning, waarin bij dergelijke gelegenheden gewoonlijk het Atheensche volk verkeerde, had ditmaal een buitengemeen hoogen trap bereikt, daar Hipponicus en Pyrilampes ongehoorde pogingen in ’t werk stelden, om zich de zege te verzekeren, daarbij voegde zich de veete, die er tusschen de beide mededingers bestond en die iederen dag[253]in handtastelijkheden dreigde over te gaan en eene onbeperkte stof aanbood voor de praatzieke tongen der Atheners. De staatsaangelegenheden, de zaken in den Piraeus, alles werd ter zijde gesteld; en al ware er juist eene Atheensche vloot tegen den vijand in zee geloopen, men zou in die dagen minder over haar hebben gesproken, dan over Hipponicus en Pyrilampes.Zie, daar ontmoeten elkander op de Agora twee mannen, die op vertrouwelijken toon van geheel andere zaken spreken, dan over de vijandschap van Hipponicus en Pyrilampes. Het zijn Pericles en Anaxagoras.„Gij zijt in gepeinzen verdiept,” zei de wijze tot zijn vriend; „koestert gij nieuwe gedachten en plannen voor den staat of vervult eene schoone vrouw uw hoofd?”„Wellicht beide,” hernam Pericles. „Hoe schoon zou het zijn, als men een van die twee, de vrouwen, kon ontberen, om zich onverdeeld aan de staatsbelangen of de wijsheid of eene andere, groote ernstige zaak te kunnen wijden!”„Men kan de vrouwen ontberen—men kan alles ontberen,” zeide Anaxagoras met nadruk en verdiepte zich in een betoog hoeveel beter het was, daar men toch eigenlijk nooit iets waarachtig en bestendig bezitten kan, van te voren van alles afstand te doen.Pericles luisterde geduldig naar den wijze, maar zijn gelaat drukte duidelijk uit, dat hij niet van gedachte veranderd noch overtuigd was geworden.„Wanneer gij nu eenmaal,” zoo besloot Anaxagoras zijn betoog, „de vrouw niet missen kunt, dan is, wel beschouwd, de uwe, ik bedoel Telesippe, toch even goed als iedere andere. Zij baart u kinderen. Wilt gij meer van haar?”„Gij kent haar toch,” hernam Pericles. „Gij weet, hoe bijgeloovig zij is en bekrompen van verstand en de vriendin van niet ééne Muze. Misschien was dit nog te verdragen, indien zij zooveel zachtheid van gemoed bezat als men haar bewijst. Maar deze[254]vrouw is altijd weerbarstig en vol vooroordeelen en aan mijne beste bedoelingen weet zij altijd eene hatelijke uitlegging te geven. Wanneer ik vroeger meermalen haar een keurig onderkleed ten geschenke gaf of iets bekoorlijks, wat in huis of in de slaapkamer haar bevalliger maakte, dan nam zij dit zeer kwalijk en vroeg:„Ben ik u dan niet meer mooi genoeg, dat gij zulke dingen voor mij noodig oordeelt? Wanneer ik u niet beval, zooals ik ben, dan wil ik u ook niet opgesierd bevallen.” Kan men dwazer en onvrouwelijker spreken? Tooit niet zelfs de jongste, schoonste vrouw zich gaarne voor haren geliefde en is het niet eene natuurlijke begeerte van den minnaar of den echtgenoot, de beminde vrouw zoo bekoorlijk mogelijk te versieren? In alle zaken, over het algemeen, die de liefde gelden, heeft ze altijd die eigenzinnigheid gehad, die de schoonste vrouw onverdragelijk maakt. Gij weet voorts, dat het mij eigen is zindelijkheid en reinheid tot in het hartstochtelijke te drijven. Hoeveel harde woorden zijn er niet tusschen ons gevallen over het varkenskot en het hoenderhok, dat zich naar oud gebruik, vlak bij den huiselijken haard bevindt, dat mij een gruwel is, doch haar zoo na aan ’t hart ligt. Het gevoel van viesheid kent zij niet. Biedt zij mij niet de lippen tot een kus, bezoedeld met het vuil of het kwijl, dat zij juist van het gezicht harer kinderen heeft afgekust? Want in het vuil, ja zelfs in den uitslag harer kinderen, als zij soms ziek zijn, zonder noodzakelijkheid met hare vingers en lippen te wroeten, schijnt haar een natuurlijke en noodzakelijke uiting te zijn der moederlijke liefde. Maar moet eene moeder niet tegelijk gade zijn? Moet eene weldenkende en gevoelige vrouw niet beide liefdeplichten weten te vereenigen en met nauwgezetheid vervullen? En wat beteekent de moederlijke teederheid, de aangeboren drift, die zij met elke wijfjesaap gemeen heeft, wanneer zij alleen in de duistere neiging der natuur geworteld is, als zij niet gepaard gaat met het goede inzicht, wat werkelijk[255]voor de kinderen nuttig is of niet? Hebt gij zelf niet dikwijls gevraagd: wat baat natuurdrift zonder kennis en zonder de zedelijke wijding, die haar van het dierlijke tot het menschelijke verheft!”—„Wat dit laatste punt aangaat hebt gij goed en verstandig gesproken,” merkte Anaxagoras op. „Maar wat gij zeidet over die rokjes met schoone franjes en schitterend van kleur en wat niet al, die Telesippe niet wilde aannemen, dit is, verstandig beschouwd, dwaasheid en verderfelijke weelderigheid. Zulke pronkerij is uit den booze. Een vrouw is eene vrouw, zeg ik u. In naam der wijsheid laat af van alle dweeperij voor de schoone Milesische Aspasia!”„Is het mijne schuld,” vroeg Pericles glimlachend, „dat de schoonheid op aarde door de Goden sterker is gemaakt dan de wijsheid?”——Op den dag van dit gesprek was er iets geschied, dat, zoo Pericles toevallig met eigen oogen had gezien, hem verdrietig en bezorgd zou hebben gemaakt, wellicht zelfs zijn geloof aan de voortreffelijkheid der Milesische zou hebben geschokt en den vurigen gloed zijner bezieling voor haar, als vuur door water, in een plotselingen rook en walm zou hebben uitgedoofd.Van Aspasia waren naar den dichter Sophocles en van dezen naar de Milesische herhaaldelijk geheime boden gegaan. Ja, eens had men den dichter zelven in het schemerend avonduur heimelijk het huis van de schoone vriendin van Pericles zien binnengaan.Thans gebeurde het, dat Aspasia naar hare woning terugkeerende, door een man werd vergezeld, dien loerende buren in de schemering voor Pericles hielden.Doch het was Sophocles. Voor de deur harer woning stonden beiden een oogenblik stil.Overwegenzij soms of de begeleider den drempel zou overschrijden of terug zou keeren? Eindelijk vroeg de dichter met zijne zachte welluidende stem aan de schoone Milesische:[256]„Wat is heiliger de vriendschap of de liefde?—„Heiliger is toch wel in ieder bijzonder geval, zij die de oudste is,”—zei Aspasia glimlachende en de raadselachtige vraag op even raadselachtige wijze beantwoordende.—Nadat deze woorden onder hen gewisseld waren, nam Sophocles afscheid en keerde terug, terwijl Aspasia hare woning binnentrad.Op den morgen na deze kleine gebeurtenis begaf zich de ziener Lampon naar het huis van de hem toegenegen zuster van Cimon. Hij kwam van de Acropolis waar hij wederom geruimen tijd met Diopithes had gefluisterd.Nauwelijks was de priesterdienst, om welke Elpinice den ziener had ontboden, ten einde gebracht of deze leidde met een geheimzinnig en veelbeteekenend gezicht het gesprek op Pericles en Aspasia.Het manwijf en de ziener waren dikwijls gewoon de hun ter oore gekomen praatjes en nieuwtjes elkander mede te deelen.„De Goden schijnen den trotschen Pericles te willen straffen,” begon Lampon.„Wat is er dan geschied?” vroeg Elpinice in gespannen verwachting.„Voorloopig dit,” hernam de andere, „dat in het schemerlicht van den avond heimelijk ook een ander naar de schoone vriendin van den Olympiër sluipt.”—„Waarom niet?” zei Elpinice. „Zij is immers eene hetaere. Maar wie is die andere?”„Pericles’ beste vriend, „de lieveling der Goden” zooals hij zich gaarne hoort noemen, de vriendelijk lachende treurspeldichter uit het vlek Colonos.”„Een vrouwengek,” riep Elpinice uit; „een vrouwengek en een oude liefhebber, evenals Pericles zelf.—Maar dat is oud nieuws, wat gij mij daar vertelt, vriend Lampon. Het is geruimen tijd geleden, dat men dien dichter voor de eerste maal in het gezelschap van Pericles en Aspasia heeft gezien. Het is overbekend, dat hij niet minder dan zijn vriend voor die boeleerster in liefde ontvlamd is. Het vermoeden[257]lag dus voor de hand, dat hij naar haar toe zou sluipen. Maar wie heeft hem gezien? Wie zal het op zijn woord getuigen?”„Ik zelf,” hernam Lampon. „Ik zelf heb hen gezien en hoorde zelfs in het voorbijgaan een klein gesprek voor de huisdeur. En een tweeden getuige, zoo noodig, bezorgt ons Diopithes.”„Dat is goed,” hernam Elpinice met innig genoegen.„Deze tijding, aan Pericles overgebracht, brengt zijne liefde voor de Milesische den genadeslag toe. Deze liefde is het schandelijkst en goddelooste, wat men hier in Athene vindt, en de Ionische hetaere is de groote verleidster. Zij moet verwijderd, verdreven, ten gronde gericht worden. Maar wie neemt het op zich Pericles die tijding te brengen?”—„’t Beste zou Theodota dat kunnen,”meent Diopithes.„Deze vrouw heeft sedert eenigen tijd, en niet met ongunstig gevolg, hare strikken voor den minnaar van Aspasia gespannen. En als zij het nu is, die hem het bewijs van Aspasia’s ontrouw levert, kan zij deze daardoor het zekerst verdringen en hare plaats innemen.”„Arme Telesippe!” riep Cimon’s zuster uit. „Het beste ware zeker, als gij in ’t geheel geene medeminnares hadt; doch voor ’t oogenblik is reeds veel, is reeds alles gewonnen, wanneer maar die Milesische uit de deur wordt gezet.”„Zoo is het,” hernam Lampon. „Uit het hart van een man als die Pericles, kan eene schoone en sluwe vrouw alleen door eene andere schoone en sluwe vrouw verdreven worden. Theodota is veel minder gevaarlijk dan Aspasia. Integendeel deze veile Corinthische is als was in onze handen. Zij moet Pericles onder de belofte hem uitvoerige en belangrijke mededeelingen aangaande de trouwelooze Aspasia te doen in haar huis lokken. Dan volgt het overige van zelf.”„Wij zijn zeker, dat onze pogingen slagen zullen,” hernam Elpinice. „Pericles heeft reeds een begeerig oog op haar geslagen. Ik weet het. Hij is reeds[258]eens in haar huis geweest, zij het ook in gezelschap der Milesische, die overmoedig genoeg was, hem daarheen te voeren.”—„Op aansporing van Alcamenes,” zeide Lampon.„Deze heeft ons in de hand gewerkt. Ook hij behoort tot degenen, die de Milesische haten en het met genoegen zullen zien, dat zij beschaamd, vernederd en door Pericles verstooten wordt. Hij wil zich wreken op de vrouw, die hem om Pericles heeft verraden. Lang vóór ons heeft hij het voornemen opgevat, door Theodota de Milesische uit de gunst van den gevierden man te verdringen. Hem ontbraken slechts de geschikte wapenen tegen Aspasia. Wij willen hem die verschaffen. Wie echter zal nu Alcamenes inlichten dat hij zich met de Corinthische moet verstaan, om het plan te volvoeren?”—Elpinice dacht een oogenblik na, daarop sprak zij:„Laat mij daarvoor zorgen. Ik ken de bijpaden die wij moeten inslaan om de boodschap juist, zooals wij verlangen, ter oore van de Corinthische te brengen.”—Van dit oogenblik af had Aspasia zich niet alleen tegen Telesippe, maar ook tegen Theodota tot een ernstigen kamp uit te rusten.Elpinice wendde zich tot Polygnotus; deze was met Agoracritus, Aspasia’s bittersten vijand, bevriend. Agoracritus bracht de boodschap van Lampon en Elpinice aan zijn makker in de werkplaats van Phidias over en deze heethoofd vond de gelegenheid om zich op de trotsche schoone te wreken te verleidelijk; hij had spoedig met zijne wakkere vriendin een plan beraamd, om hun opzet te volvoeren.In deze wolken flikkerde dus de bliksemstraal, die geslingerd zou worden om den liefdeband te verbreken tusschen den voortreffelijksten man en de schoonste vrouw in Griekenland, de bliksem, die in de eerste plaats heimelijk gesmeed was in de smidse, van den mokkenden, ouden GodErechtheüsop den burg.——[259]De viering der Dionysiën was dartel en luidruchtig begonnen. De laatste dagen van het feest waren aan den wedstrijd der tragische Muze gewijd.Lichte regenwolken dreven, terwijl de dolle comedie vanCratinusonder de uitgelaten vreugde der toeschouwers werd opgevoerd, van den Hymettus af over het Dionysus-theater en de opperpriester van Dionysus, die daar voor het geheele volk op zijn heerlijken, met marmeren beelden versierden zetel in de orchestra21zat, voelde een regendroppel op zijn neus vallen, juist op het oogenblik dat de overmoedige Cratinus tegen den persoon van den zelfden priester Agasthenes, onder het luidruchtig gelach van alle Atheners, een gevleugelden pijl van zijn Attisch vernuft afschoot.„Het begint te druppelen,” zei de opperpriester tot zijn buurman Pericles: „mij dunkt, wij moesten het schouwspel staken.”„De wolk drijft over,” hernam deze lachend.Doch zie, daar snort een nieuwe pijl. En deze pijl trof zijn buurman zelven. Alle Atheners lachten en keken naar Pericles, en Pericles lachte mede.Maar een derde pijl snorde; hij trof de nieuwe Hera en den nieuwen Olympischen Zeus, de Milesische Omphale22en den Atheenschen Heracles …Wederom zagen alle Atheners naar Pericles. Maar Pericles lachte niet meer. Eene wolk trok langs het voorhoofd van den Olympiër. De snorrende pijl had Aspasia getroffen …Andere schouwspelen volgden en zoo ging voor de Atheners het grootste gedeelte van den eersten dag voorbij. Verscheidene verwijderden zich, om straks terug te keeren, velen hielden het tot het einde toe vol. De gegoeden lieten zich door[260]hunne slaven wijn, ooft en koeken tot verkwikking brengen.Den volgenden dag begon alles opnieuw. Wederom zaten dertigduizend Atheners op de steenen zitplaatsen van den Dionysus-schouwburg, de omkranste overheidspersonen op afzonderlijke, schoon versierde, marmeren zetels in de voorste rijen, de rijken op purperen kussens, die zij zelven hadden medegebracht, door hunne slaven bediend, de armen met eenige vijgen of uien in hun ransel, waarmede zij het den geheelen dag moesten doen. Doch zoowel deze laatsten als de eersten gevoelden zich als Atheners geroepen, om het schoonste te zien en spraken met groote geleerdheid over Sophocles en Ion enEuripidesen keken eens met turenden blik naar de wolken des hemels, of niet eene daarvan de feestvreugde van den dag zou verminderen of verstoren.Wederom hadden de eerste duizenden van het aanstormende volk zich in de ruimte van het kolossale amphitheater als Pygmaeen verloren. Thans was de geheele schouwburg van de bovenste rijen tot de onderste toe gevuld; het scheen wel een reusachtige, kokende en bruisende menschenkrater. Bijna bedwelmend en huiveringwekkend was het van de bovenste rijen neer te zien op deze golvende zee van menschenhoofden.In die onstuimige dwarreling deed hoe langs zoo meer een dreigend tumult zich hooren. Heden toch zou de fel ontbrande strijd tusschen Hipponicus en Pyrilampes tot een beslissing komen. De partijen der beide choregen schenen handgemeen te zullen worden. Als een hunner zich te midden der toeschouwers vertoonde, klonken er kreten van vrienden en tegenstanders, bijvalsbetuigingen en hoonend gesis.Onophoudelijk waren de agonotheten23en mastigophoren24in de weer; telkens vlogen zij de trappen,[261]die dwars door de zitplaatsen liepen, op, om hier een twist te beslechten, daar een oproermaker tot rust te brengen.De rustigste onder die woelige menigte was Socrates, de mijmeraar uit Phidias’ werkplaats. Hij was ook gekomen, niet zoozeer om de schouwspelen, als wel om de toeschouwers te zien en over hunne handelingen na te denken.„Daar zitten dertigduizend Atheners in gespannen aandacht,” zeide hij in zich zelven; „allen vol begeerte om eene verdichte geschiedenis te hooren, om door valsche tranen en voorgewende smart zich te laten roeren. Zij zijn als de kinderen, die met open mond naar sprookjes luisteren, alleen met dit onderscheid, dat deze niet weten, dat zij verzonnen zijn, genen echter het wel degelijk weten. Van waar komt toch wel die zeldzame lust bij de menschen naar het nagebootste, het verdichte?”——De schoone Theodota zat onder de toeschouwers. Zij was op het sierlijkst uitgedost. Haar oog was bijna onafgewend op den strategenzetel gevestigd, waarop Pericles zat. Pericles kon zich niet onthouden, van tijd tot tijd den vurigen blik uit hare donkere oogen te beantwoorden.Eindelijk klonk boven het gonzen der menigte de helder klinkende stem van den heraut uit, die stilte gebood. Nu werd een dankoffer gebracht bij het altaar van Dionysus. Daarop deed opnieuw de stem van den heraut zich hooren:„Het koor van Ion trede op!”Het treurspel van Ion werd door de Atheners aangehoord, toegejuicht, geschat op zijn juiste waarde door hun aangeboren fijn gevoel. Een tragedie van Philocles volgde. De uitspraak van den protagonist voldeed niet aan het fijne Attische oor. Een onweerstorm van gelach, gemor, snijdend gesis brak over hem uit. Het ontbrak niet aan spottende tongen en trappelende voeten. Een blijspel kwam thans aan de beurt. Nu was de spotter meester van het terrein, zelfs verheven boven alle Olympische Goden. De meest onbedwongen scherts gaf zich[262]lucht in de kunstige rhythmen.Toen trad het koor van Euripides op.Het werk van dezen dichter bewoog de gemoederen. De vrouwen waren geroerd door datgene, wat tot het hart sprak, de mannen meegesleept door de schitterende gedachten, waarmede het geheele dichtstuk als het ware doorwerkt en doorweven was, als gouden draden in een purperen weefsel. Met kreten van verrassing en bewondering werd de schitterende pracht van het koor begroet. Zoo iets had men schier nog nooit gezien. Donderende toejuiching volgde, toen het stuk afgespeeld was. Pyrilampes en zijne vrienden waren uitermate verheugd en waanden zich reeds zeker van de overwinning.In den korten tijd, die er tusschen de voorstelling van dit treurspel en den aanvang van het volgende verstreek naderde eensklaps een slaaf den zetel van Pericles en reikte hem eentoegevouwenblad papier.Pericles opende het en las deze woorden:„Sophocles sluipt in de avondschemering het huis van Aspasia binnen.”Pericles was getroffen. Wie had die regels geschreven?—Zij kwamen van Theodota. Toen Pericles naar den brenger van dit korte en zonderlinge bericht omzag, was deze reeds verdwenen.—Uit zijn ernstig denken wekte den strateeg de helderklinkende stem van den heraut, die zich wederom deed hooren:„Het koor van Sophocles trede op!”En nu werd een treurspel der liefde voor het oog en het oor der Grieken opgevoerd, een treurspel der liefde onder die drie gestalten, waarin zij achtereenvolgens het menschenhart op zijn levensweg aandoet: de zusterliefde, de liefde der bruid, de moederliefde. Ter wille van haar geliefde broeder sterft Antigone, ter wille van de geliefde bruid sterft Haemon en ter wille van den geliefden zoon sterft Eurydice.—Een lang, donker treurgewaad omhult der hooge[263]gestalte van Oedipus’ dochter. De maskers toonen ernstige, edele jonkvrouwelijke gezichten, zacht en roerend klinken hare stemmen.—Antigone zweert haar broeder te zullen begraven, dien koning Creon den honden en roofvogels tot eene prooi heeft voorgeworpen; den ingeschapen, goddelijken plicht wil zij vervullen, trots alle menschelijke inzettingen.Het koor van edele, Thebaansche grijsaards treedt voor, zijne eerste reien ontplooien in purperen gewaad, vol Dionysischen luister, de hoofden met goud getooid; daar klinkt de heerlijke, machtig aangrijpende met zijne afwisselende rhythmen wegsleepende hymnus:„Straal der zonne, wees gegroet.”Koning Creon betreedt het tooneel in goud gestikt, purperen gewaad, het voorhoofd met den diadeem versierd, steunende op een schepter, waarop een adelaar zijne wieken ontplooit. Boven de gewone maat van den man verheft hem de cothurnus, gebiedende waardigheid verleent hem het masker, geweldig staat hij daar, zelfs voor het oog van den verst verwijderden toeschouwer in de kolossale ruimte. Het recht van den gebiedenden heerscher wil hij doen gelden tegenover de edele jonkvrouw—zij echter kent slechts één hoogsten plicht, haar in het hart gegrift: de liefde—en den koning, die de wreedheid tegen den broeder met den rechtmatigen haat der burgers van Thebe tegen hem verdedigt, geeft zij slechts dit eene onsterfelijke antwoord:„Mij schiep natuur tot liefde, niet tot haat.”En zij gaat heen om te doen, wat zij gezworen heeft en het recht der levenden voor het recht der dooden ten offer te brengen. In een ernstigen, verheven rei bezingt het koor de grootheid van den mensch en zijne hemeltergende vermetelheid—en betreurt het erfelijke leed der Labdaciden25;[264]Haemon, Creon’s eigen zoon, komt en smeekt zijn vader om het leven van Antigone, zijn teergeliefde bruid—doch de vorst houdt streng vast aan zijn voornemen en als Ismene vraagt:„Zult gij de bruid dan dooden van uw zoon?”klinkt het harde antwoord:„Ook andere velden nog beloven vrucht.”Vertwijfelend ijlt de bruidegom weg, met een onheilspellend gelaat—en nu weêrklinkt in het koor der edele Thebaansche grijsaards dat lied, ’t welk gedicht werd op dien zonnigen dag, toen Pericles en Aspasia in den lusthof van den dichter in het Cephissus-dal verwijlden:„God der liefde, nooit bedwongen,Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed,Waar uw pijl is ingedrongen,Voor uw almacht buigen doet!”Nu echter begint in afwisselenden zang van het koor, de roerende klacht van Oedipus’ dochter, die gedoemd is, om levend neer te dalen in de groeve—aandoenlijk, hartverscheurend klinkt de treurzang en bij dit glanspunt der tragedie is ieder oog van de ademloos luisterende Atheners vochtig van innerlijke aandoening. De jonkvrouw naöogend op haar doodsweg, vermeldt de rei des grijsaards:„Zoo werd ook Danaë aan ’t licht der zonOntrukt, in ’t koperen gewelf gesloten,Waar als in ’t graf geen oog haar vinden kon.—Tiresias komt, de onfeilbare, grijze ziener treedt op en spreekt eene ernstige vermaning, om den onverzoenlijken te verbidden en eindelijk buigen de onsterfelijken zijn onwrikbaren trots—hij laat, door een vreeselijk voorgevoel aangegrepen, zijne vermetelheid varen—reeds roept het koor in een vroolijken jubelzang den God der vreugde, Dionysus, aan:[265]„Lievling der Thebaansche maagdZoon van Zeus, wiens donderslagenRaatlend door het luchtruim jagen;Kom, terwijl we in blijden zin’t Feestlied door uw stad doen schallen,Zegenbrengend Theben in!”Indrukwekkend klinkt die jubelzang na het sombere grafgezang—doch plotseling versterven die juichtonen en maken opnieuw plaats voor het grafgezang; want Antigone heeft zich zelve in de groeve van het leven beroofd en haar lijk omklemmend is Haemon, door zijn eigen staal geveld, met haar afgedaald in den nacht van den Hades.En nu verschijnt Eurydice, de gemalin van den weeklagenden Creon. Zij verneemt de tijding van den dood van haar geliefden zoon. Uit den mond van den bode hoort zij dat beiden vereenigd in den dood zijn gegaan in de sombere groeve. Op de tijding van het uiteinde haars zoons breekt haar moederhart.Geweldig greep dat doodsbericht uit den mond van den bode de gemoederen aan. Doch nog aangrijpender klonken de weinige woorden uit den mond der koningin, die zich als offer wil geven aan den dood.Ademloos luisterden de Atheners naar het wegsterven der laatste woorden van dit grootsch en verheven treurspel: met eene strophe ter aanprijzing der wijsheid eindigde het treurspel als met een verheven slotaccoord.Groot en diep was de indruk, dien de tragedie van Sophocles, drie liefdebanden en drie doodsoffers in elkander strengelend, op de gemoederen der aandachtige Grieken teweegbracht. Zóó schoon was de strenge, sombere ernst der tragische kunst nog nooit verzacht,—zóó menschelijk was hetverhevene, zóóverheven was het menschelijke door niemand ooit uitgesproken.Maar ook nooit was in eenige tragedie zulk een overvloed van heerlijke gezangen, zoo rijk en beteekenisvol[266]over de toehoorders uitgestort; zoo harmonisch volkomen tot in het kleinste had het Attisch tooneel nog geene schepping gezien, zoo’n kunstvaardig en schitterend koor was nog nooit voor de verzamelde Atheners opgetreden.Toen het koor van Hipponicus zich verwijderd had en de dramatische wedstrijd geëindigd was, verhief het geheele volk met luide kreten onstuimig zich ten gunste van Hipponicus, zoodat de kamprechters zonder beraadslaging onverwijld den dichter der Antigone en zijn choreeg, ten aanhoore der vergaderde menigte, die vol spanning de uitspraak verbeidde, als overwinnaars in den tragischen wedstrijd uitriepen. Sophocles en Hipponicus verschenen overeenkomstig het gebruik op het tooneel, om voor de oogen van het volk uit de hand der kamprechters den zegekrans te ontvangen.Onmogelijk is het de vreugde en den trots van Hipponicus te schilderen, onmogelijk ook de verwoede verbittering van Pyrilampes en de zijnen.Toen Pericles den schouwburg verliet, ontstuwd door de ontzaglijke menigte, zag hij te midden van het gedrang eensklaps Theodota aan zijne zijde. Haar schoon gelaat was met de teederste blikken, met den verrukkelijksten glimlach om den mond verleidelijk naar hem toegekeerd. Zonder bemerkt te worden drukte zij hem een blad papier in de hand.Er stonden eenige regels op geschreven, Pericles las ze.De inhoud was als volgt:„Verlangt gij bericht omtrent Sophocles en Aspasia, kom dan tot Theodota. Een slaaf wacht u onder de zuilen van den Tholus en zal langs een geheimen weg u door een achterdeur in mijn huis geleiden.”Voordat Pericles er over kon denken, of hij deze uitnoodiging zou aannemen, geraakte hij, verder wandelende, onder de schare van Sophocles’ vrienden, die den dichter hartelijk geluk wenschten.[267]Toen Sophocles hem zag, onttrok hij zich aan de gelukwenschingen zijner vrienden en snelde hem te gemoet.Pericles, hoewel ontstemd en peinzend, wenschte den overwinnaar eveneens van harte geluk.„Ik dank u,” zeide Sophocles, „doch spreek niet als vriend tot mij, maar als kunstrechter.”Met moeite datgene, wat in dit oogenblik hem meer dan alles vervulde, van zich zettende, sprak Pericles:„Weet gij, wat mij in uw treurspel reden tot nadenken heeft gegeven? Het heeft mij, gelijk vele andere toeschouwers, bijna bevreemd naast de banden des bloeds, dien den Griek sedert overoude tijden steeds heilig zijn geweest, nu ook de banden der teedere min met gelijk recht, met gelijke macht, met gelijken doodsernst in het treurspel geteekend te zien. Levendig houdt deze nieuwheid mijn geest bezig, en nog weet ik niet te zeggen, of gij daarin ten volle recht hebt.”Van dit onderwerp afstappende, vervolgde Pericles:„Waart gij het niet zelf, die onder het masker van den bode dat aangrijpend verhaal van den dood van Haemon zoo plechtig schoon hebt voorgedragen? Ik meende uwe stem te herkennen. Doch wie sprak de woorden van Eurydice? Welke tooneelspeler stak achter het masker van deze koningin? Ik weet niet, welke verwonderlijke, het gemoed heimelijk aangrijpende betoovering de toeschouwers beving, toen gij beiden, gij als bode en die koningin tegen elkander overstondt. Welke man, tenzij Polus, zou dien wonderlijken klank der stem zoo heerlijk kunnen weergeven?”„Ook Polus niet,” hernam Sophocles glimlachend. „Gij hebt straks van nieuwigheden in mijn stuk gesproken; weet dan, dat bij deze voorstelling ook eene nieuwigheid is gewaagd, waarvan tot heden geen menschenziel afweet, behalve ik zelf en de eerlijke Hipponicus. Voor de eerste maal,[268]sedert Thespis26zijn kar in beweging bracht, heeft heden op ons tooneel achter het masker eene werkelijke vrouw gestoken. Wees gij nu de derde in het geheim en laat het tusschen ons drieën voor alle volgende tijden bewaard blijven.”„En wie was die vrouw,” vroeg Pericles, „die het gewaagd heeft, zij ’t ook onbekend, het tooneel te betreden? en het oude gebruik en de goede oude zeden te trotseeren?”„Gij zult ze zien,” antwoordde Sophocles en verdween voor een oogenblik; weldra keerde hij terug met eene vrouw, die zoo dicht omsluierd was, dat ze onmogelijk was te herkennen.Sophocles voerde haar en Pericles iets meer ter zijde opdat zij volkomen veilig zouden zijn voor de nieuwsgierige blikken der menigte. Daarop sprak hij:„Is het nog noodig Pericles, dat zij zich ontsluiere, om de vrouw te herkennen, die niet alleen de schoonste, maar ook de moedigste is van haar geslacht?”Pericles was getroffen.„Ja, zij moet zich ontsluieren,” sprak hij op een koelen en ernstigen toon. Met vaste hand trok de vrouw den sluier van het gelaat en Pericles stond tegenover Aspasia.Hij kon geen woord uiten. De inhoud van dat briefje van Theodota scheen dus waar te zijn geweest. Aspasia had, zooals nu duidelijk werd, zonder zijne voorkennis heimelijk met den dichter samengewerkt, om het stoute plan ten uitvoer te brengen. Hij kende de trouwe vriendschap van den edelen Sophocles, doch Aspasia had een nieuw bewijs gegeven, dat haar geest in dartele vrijheid met alle boeien spotte.Alles wat daar in het gemoed van Pericles omging,[269]las Aspasia duidelijk op zijn voorhoofd, in zijne zamengetrokken wenkbrauwen, in den donkeren blik zijner oogen.En dit welsprekende zwijgen met haar gewone levendigheid beantwoordende, sprak zij:„Frons uwe wenkbrauwen niet, Pericles, en boven alles vertoorn u niet op uw vriend Sophocles. Door mij gedwongen, heeft hij die vermetelheid begaan.”„Wees ook niet toornig op Aspasia,” viel de dichter haar in de rede, „want weet, dat zij mij heeft doen inzien, dat de vriendschap heiliger is dan de liefde, wanneer zij ouder is dan de liefde.”„Strijd tegen het overgeleverde is mijne roeping!” vervolgde Aspasia, „en waarom zoudt gij dan op mij verstoord zijn, als ik niet minder belang stel in de schoone poëzie van Sophocles, dan in de marmeren beelden van Phidias’ werkplaats? Om de schoonheid en de vrijheid te vinden, ben ik naar Hellas gekomen. Had ik slavernij gezocht, dan was ik aan het Perzische hof gebleven en had een kwijnend leven voortgesleept onder den matten liefdeblik van den grooten koning. Wat u op dit oogenblik bezielt, Pericles, is een waan, een vooroordeel, eene ergerlijke bekrompenheid, een vrije Helleen onwaardig. Verdrijf ze uit uw gemoed, o Pericles!”Thans naderde hen Hipponicus, die Pericles en Aspasia uitnoodigde deel te nemen aan het feestmaal, dat hij op een der volgende dagen wenschte te houden, om op waardige wijze de overwinning van Sophocles en de zijnen te vieren.De avond begon reeds te vallen, toen Pericles afscheid nam van Hipponicus, Sophocles en Aspasia. Peinzend wandelde hij voort.Hij dacht aan Aspasia. Hij overwoog in zijn hart, wat zij zooeven had gesproken. Hij moest haar volkomen gelijk geven. Geen kluister mocht de liefde zijn, geen slavenjuk voor Aspasia.Maar ook voor hem zelve niet.„Gij kunt Theodota bezoeken,” sprak hij schier onhoorbaar; „het is misschien niet goed een langen[270]tijd onafgebroken zich aan één vrouw over te geven.”De eischen van de fiere en vrije Aspasia schenen hem thans in volkomen overeenstemming te zijn met de ernstige woorden van Anaxagoras.Nu kwam hem ook weder het briefje van de Corinthische te binnen en hij dacht aan den slaaf, die hem onder de zuilen van den Tholus wachtte. Het bericht, dat hem Theodota had gegeven, was hem nu door Sophocles veel nauwkeuriger medegedeeld, dan Theodota het zou kunnen doen. Maar zou zij misschien nog niet iets anders te zeggen hebben?Hij naderde de zuilen van den Tholus. De slaaf trad op hem toe en voerde hem door eenzame steegjes tot aan een tuinhaag, waar hij een klein poortje wilde opendoen. Pericles stond aan den drempel van Theodota’s woning. Hij kon binnentreden. Niemand zag hem. De nachtegalen kweelden in de boschjes van den tuin.Plotseling echter stond Pericles stil. Hij bedacht zich en bevond, dat hem op dit oogenblik de lust om Theodota te spreken geheel en al ontbrak. Hij verbaasde zich over zich zelven. Hij zeide tot den slaaf, dat hij zijn bezoek tot een volgenden keer wenschte uit te stellen. Deze keek hem verbaasd aan. Hij echter verwijderde zich met langzame schreden en vervolgde zijn weg.—De maan was opgegaan en verspreidde haar zacht licht over de aarde. In haar stralen schitterde de zee en een zilveren glans tintte de kruinen van Attica’s bergen. De lucht was zoel en verkwikkend. Daar klonken op eens in de verte de tonen, door de avondlucht gedragen, van den heerlijken reizang uit de Antigone:„God der liefde, nooit bedwongen,Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed,Waar uw pijl is ingedrongen,Voor uw almacht buigen doet!”Pericles in ’t oor.[271]Jongelieden, uit den schouwburg terugkeerende, zongen stukken uit die beroemde rei, die hen had verrukt en vroolijk gestemd in de zachte avondkoelte.Eene andere onrust voegde zich bij de inwendige ontroering van Pericles en bij zijne gedachten aan Aspasia. Hij benijdde bijna Sophocles en Hipponicus de lauweren, die zij zich dezen dag om de slapen hadden gewonden. Het was hem te moede, alsof hij het zwaard om de lendenen gorden en een leger of vloot wilde verzamelen en voortstormen om schitterende zegepralen te bevechten. De lange vrede begon hem roemloos toe te schijnen. Een drukkend gevoel bekroop hem, waarvan hij echter al peinzend voortwandelend bevrijd werd, toen hij de blinkende tinnen van de Acropolis vóór zich zag opdoemen en de nagalm van den schoonen Antigone-dag weder ruischte in zijne ziel.Hij was juist op de plaats gekomen van den hellenden weg, waar van den eenen kant de geweldige, reusachtige graniet- en marmermassa van denDionysus-schouwburgzich verhieven in de diepte, aan den anderen de rotsen van den burgtberg, beschenen door het licht der maan, majestueus tegen de lucht afstaken. In de ontzachelijke ruimte van den schouwburg heerschte de stilte van het graf, waar den geheelen dag door een zoo bont en opgewekt leven zich had bewogen, waar de hoogste uiting der Grieksche dichtkunst zich zoo plechtig hadden geopenbaard.Pericles zag neder in die diepte van den schouwburg en dan weder richtte hij zijn oog naar de heldere hoogte van de Acropolis, waar de tempel van Phidias begon te verrijzen. Zijn eigen persoon en lot verdwenen naar den achtergrond, het wolkje op zijn voorhoofd dreef voorbij, zijne borst verwijdde zich en uit deze diepte en van die hoogte voelde hij zich door een geest van profetie bezield, die hem den roem zijner vaderstad voorspelde en een adem van onsterfelijk leven scheen er te zweven over zijn hoofd.[272]1Tot recht verstand van dit hoofdstuk is het niet overbodig, kortelijk den inhoud van Sophocles’ Antigone mede te deelen. Polynices, de broeder van Antigone, is, als vijand zijner vaderstad, voor de muren van Troje gesneuveld. Creon, koning van Thebe, heeft een verbod uitgevaardigd op straffe des doods, dat het lijk van Polynices onbegraven ten prooi der honden zal blijven. Antigone waagt het lijk haars broeders te begraven. Voor Creon gebracht, bekent zij hare daad en zegt meer eerbied aan de Goden dan aan de menschen verschuldigd te zijn. Antigone wordt opgesloten in eene onderaardsche grot, waar zij zich van het leven berooft. Haemon, Creon’s jongste zoon, de verloofde van Antigone, stoot zich het zwaard door de borst. Op het hooren van die tijding berooft Eurydice, Creon’s echtgenoote, zich van het leven, haar echtgenoot vervloekende. Het geheele stuk wordt afgewisseld door prachtige reizangen.↑2Elaphebolion is de maand, die loopt van half Maart tot half April. In die maand werden de Elapheboliën gevierd, d.i. de feesten ter eere van de hertenjacht. Elaphebolos beteekent: hertendoodend.↑3Euripides is de derde der beroemde Grieksche treurspeldichters. Evenwel hij is de minste onder hen. Zijn vader heette Maesarchus en zijne moeder Clito, eene groentevrouw; hij zou juist op den dag der overwinning bij Salamis (480) geboren zijn. De dialoog in zijne stukken is dikwijls zeer wijsgeerig.—Vooral door Aristophanes wordt hij zeer bespot. Hij stierf nog vóór Sophocles in 406 v. C. Van zijne stukken zijn ons de namen van 75 bekend, doch slechts 18 hebben wij er over, waaronder een satyr-drama en een stuk Rhesus, dat misschien niet van hem is. Hij zou door honden zijn verscheurd. Archelaüs heeft te Arethusa een monument voor hem opgericht; eveneens deden de Atheners in hunne stad.↑4Cratinus leefde van 520–424 en was de stichter der komedie. Zijne Pytine, de flesch, waarin hij tegen Aristophanes vooral te velde trekt, is het meest bekend. Hij is beroemd om zijne vinnigheid ensarcasme.↑5Choregos is eigenlijk de aanvoerder van een koor, ook hij die de kosten voor de opvoering van een koor (choregie) draagt.↑6Pytho is een draak, die het Delphisch orakel bewaakte; hij werd door Apollo geveld. Volgens de sage, stelde Apollo daarna te Delphi de Pythische feesten in. Met de Olympische, Isthmische en Nemeïsche spelen waren zij de beroemdste nationale spelen in Griekenland.↑7De cothurnus is eigenlijk eene hooge jachtlaars, ook op het tooneel in het treurspel gebruikt, om grooter te schijnen.↑8Halicarnassus was een der beroemdste steden van Klein-Azië in Ionië.↑9De Lenaeën is een feest ter eere van Dionysus (Bacchus) gevierd; de naam is afgeleid van het Grieksche lenos, dat wijnpers beteekent.↑10In de tragedies van Euripides is eene afkeer van de vrouwen duidelijk merkbaar. Men zegt, dat de treurige ervaring bij zijne beide vrouwen Melito en Choerile opgedaan den dichter tot die sombere beschouwing hebben geleid. Vandaar kreeg hij den bijnaam „de vrouwenhater.”↑11Philoctetes, zoon van Poeas en Demonassa trok op tegen Ilium. Wegens eene verpestende wonde aan de voet, ten gevolge van een slangenbeet, werd hij door de Grieken op het eiland Lemnos achtergelaten. Hij bezat echter den boog en pijlen van Hercules zonder welke, zoo had Helenus geprofeteerd, Troje niet kon genomen worden. Na negen jaren op het eiland te hebben doorgebracht, kwamen Odysseus en Diomedus of Neoptolemus (volgens Sophocles) om hem naar Ilium te voeren. Na veel tegenstand gelukte het hun, en door bemiddeling van Philoctetes werd Ilium genomen.Sophocles behandelt deze geschiedenis, voor een deel althans, in zijn „Philoctetes.”↑12Protagonistes was de persoon die de hoofdrol, denteragonistes hij, die de tweede rol vervult, terwijl tritagonistes genoemd wordt degene, die in de derde rol optreedt.↑13Electra, de dochter van Agamemnon en Clytemnaestra, naar wie een treurspel van Sophocles geheeten is.↑14Orestes, die eerst dood gewaand, later door Electra herkend wordt. Te samen dooden zij hun moeder Clytemnaestra, de moordenares huns vaders. Ook van Euripides bestaat een treurspel „Electra” geheeten.↑15Zie Inleiding pag V. Aiax, woedend om die nederlaag richt eene vreeselijke slachting aan onder de runderen, meenende dat het Grieken waren. Daarop stortte hij zich in zijn zwaard.↑16Soph. Aiax vs. 794 en v.v.↑17De zon. De volgende verzen vindt men in Sophocles Aiax vs. 823 en v.v.↑18Ismene is de zuster van Antigone, die te vreesachtig is om deze te helpen in haar vromen plicht. Toch wordt zij door Creon ter dood veroordeeld, doch ontvangt, tegen haar zin, genade.↑19Dionysus (Bacchus).↑20Didaskalos beteekent eigenlijk leermeester, ook hij, die een tooneelstuk laat instudeeren, de koormeester.Het komt ook wel voor in de beteekenis van: de dichter van het tooneelstuk.↑21Eigenlijk: de dansplaats; voorts de plaats in den Atheenschen schouwburg tusschen het tooneel en de amphitheatersgewijze oploopende zitplaatsen.↑22Omphale, de dochter van den Lydischen koning Iardanes en gemalin van Tmolus, verbond zich na den dood van dezen met Heracles of Hercules en baarde hem een zoon. Eene latere sage is er, dat Heracles door haar verwijfd is geworden en vrouwelijke handwerken leerde, terwijl Omphale de wapenen des oorlogs hanteerde. Ongetwijfeld doelt Hamerling hier op deze laatste legende, ze toepassende op Pericles en Aspasia.↑23Agonothetes is een insteller van den wedstrijd, ook een opzichter en rechter daarvan.↑24Mastigophoros is eigenlijk een zweep of geeseldrager; vandaar een lager bediende, die met zweep of geesel de orde handhaaft.↑25Oedipus, de zoon van Laïus, was gesproten uit het geslacht der Labdaciden, dat aan Labdacus, den vader van Laïus, zijn naam ontleende.↑26Thespis te Icaria, een Attisch vlek, geboren, wordt de eigenlijke stichter der tragedie genoemd. Hij had de gewoonte ingevoerd, dat de reiaanvoerder bij afwisseling het een of ander verhaal uit het goden- of helden-epos voordroeg. Onwaarschijnlijk echter is het verhaal, dat Thespis op een wagen een tooneel had ingericht; vanwaar de uitdrukking, die de schrijver hier gebruikt echter afkomstig is. Horatius bezigt het eerst de uitdrukking: „kar van Thespis.”Van Thespis is niet één stuk meer overgebleven.↑

[Inhoud]IX.ANTIGONE1Wanneer men in de lentemaand Elaphebolion2van het vierde jaar der vierentachtigste Olympiade het huis van den rijken Hipponicus te Athene voorbijging, zou men fluitspel en mannenstemmen, die zich oefenden voor een reizang, kunnen hooren, daar het geluid uit het binnenste van het huis voorkomende, tot op de straat doordrong.Hetzelfde kon men vernemen, als men het huis van den rijken Pyrilampes en dat van den rijken Midas en dat van den rijken Aristocles en de huizen van andere rijke Atheners voorbijging. Het scheen bijna, alsof de beitelslagen wederom overstemd zouden worden door de tonen van fluiten en het snarenspel en de stemmen van kunstvaardige zangers, die de liederen der dichters zongen. Want het feest ter eere van Dionysus, de Dionysiën, was wedergekeerd en daarmede de tijd aangebroken, dat de Atheners, met achterstelling van alle belangen, zich bezig hielden met de dramatische voorstellingen in het theater van Dionysus.[242]De stukken waren, overeenkomstig het gebruik, door de dichters bij den tweeden Archont ingediend. Deze had naar het oordeel van deskundigen die stukken uitgekozen, welke het best geschikt waren voor de opvoering; de tooneelspelers, welke daarin zouden optreden, werden op staatskosten aangewezen en die rijke Atheensche burgers, die voor ditmaal de „choregie” moesten betalen, kleeden, bekostigen en laten oefenen, waren aangewezen om hun plicht te vervullen. De rijke Hipponicus had een koor te stellen voor de Antigone van Sophocles, de rijke Pyrilampes voor eene tragedie van Euripides3, de rijke Midas voor een treurspel van Ion, de rijke Aristocles voor eene komedie van Cratinus4en wederom anderen voor andere stukken. Naar de gewoonte, die langzamerhand te Athene heerschende was geworden, was er een schier hartstochtelijke wedijver onder de choregen5ontstaan en zij zochten met al de eerzucht, die den Athener eigen was, elkander in nette, smaakvolle en prachtige uitrusting der hun opgedragen koren te overtreffen. Den overwinnaar toch wachtte een krans, nauwelijks minder benijdenswaard dan de kransen van Olympia enPytho6.Geluid van stemmen en de klank der fluiten klonken wederom krachtig uit het huis van Hipponicus, toen een rijzige gestalte met vluggen tred de straat afkwam. Het scheen een vreemdeling te zijn; want hem volgde een muildierdrijver, wiens dier met een reiszak beladen was. Het liet zijne blikken[243]in de straat weiden, als iemand die naar een bepaald huis zoekt.Plotseling weerklonken de stemmen en muziek uit het huis van Hipponicus in zijn oor. Hij luisterde een oogenblik, lachte toen tevreden en zei tot den slaaf:„Wij behoeven het niemand te vragen. Dit en geen ander is het huis van Hipponicus.”Met vluggen tred naderde hij het huis en wilde juist aan de deur kloppen.Op dit oogenblik echter kwam een man van den tegenovergestelden kant de straat op en ontmoette den vreemdeling juist voor het huis van Hipponicus.Op het gezicht van dezen man toonde de vreemdeling zich aangenaam verrast en terwijl gene met een vriendelijke glimlach op hem toetrad, boog hij het hoofd een weinig achterover, lei de linkerhand op de borst, hief de rechterhand op en galmde op hoogdravenden toon, alsof hij reeds den cothurnus7aanhad, met volle stem de woorden:„Zoo mijn geest niet dwaalt,En ’t voorgevoel mij niet bedriegt,En heldere blik mij niet ontbreekt,”—dan geven de Goden een gunstig teeken, daar zij mij juist voor den drempel van Hipponicus mijn edelen vriend doen ontmoeten, den treurspeldichter Sophocles.”Daarmede reikte hij den dichter de hand, die haar greep en hartelijk schudde.„Welkom, voortreffelijke Polus!” riep hij. „Wees welkom te Athene! Hebt gij weder rondom in de steden van Hellas de menschen verrukt met het geluid uwer stem op den hoogen cothurnus en nieuwen roem geoogst en klinkende munt bovendien?”„Zoo is het,” hernam Polus. „Men heeft mij hier[244]en daar eer bewezen, waar men mij juist noodig had voor de feesten in Hellas’ steden. Maar steeds toch weerklonk het in mijn hart:„Daar wild’ ik heen.Waar dicht begroeid ’t gebergt’Tot aan de baren reikt, waarSunions vlakke grond gelegen is.Om Pallas’ heilge stadMet blijden mond te groeten.”—En toen mij nu te Halicarnassus8de boodschap gewerd van uw Archont, die mij voor de Lenaeën9naar Athene riep en mij elk loon beloofde, wat ik mocht verlangen en toen ik bovendien vernam, dat naar uw wensch de eerste rol in uw nieuw treurspel mij was toegedacht, snelde ik als op de vleugelen der liefde over de eilandzee; want nergens toch rijg ik den cothurnus liever aan de voeten dan te Athene en geen dichter wijd ik mijne kunst liever dan aan mijn besten vriend en grooten meester Sophocles.”Nogmaals drukte de dichter den tooneelspeler hartelijk de hand.„Gij zijt ook mij steeds de meest gewenschte hulp,” hernam de dichter.„Daar binnen in het huis van Hipponicus,” vervolgde hij, „vindt gij de choreuten en de koormeester en misschien ook reeds uwe beide medetooneelspelers, Demetrius en Callipides. Hipponicus noodigde u op dit uur in zijn huis, opdat wij allen te zamen zouden zijn, om de rollen te verdeelen en alles in gereedheid te brengen, wat dienstig kan zijn om aan ons treurspel de overwinning te verzekeren. Laat ons dus binnengaan, Hipponicus wacht u met ongeduld.”De beide mannen klopten aan de deur en werden binnengelaten. Hipponicus verwelkomde Polus[245]met groote blijdschap en noodigde hem tevens uit, den tijd, dien hij te Athene moest doorbrengen, zijn gast te willen zijn.„Wilt gij,” hernam Polus, „bij alle uwe moeiten en zorgen die gij thans hebt, u ook nog dezen last op uwe schouders laden?”„Dezen nieuwen last,” zei Hipponicus, „gesteld dat het een last ware, zou ik de moeite niet waard achten. Doch gij hebt geen ongelijk, als gij zegt, dat ik tal van moeiten en zorgen te dragen heb, sinds de Archont mij de choregie der „Antigone” heeft opgelegd. Eerst moesten de noodige zangers en fluitspelers aangeworven worden en nu heb ik ze allen in huis en die menschen moeten betaald en gevoed worden, en hoe gevoed! met melk en honig en allerlei zoetigheden, opdat hun kelen niet ruw zullen worden. Nachtegalen in eene kooi zou men niet met meer zorg kunnen voeden en verplegen, dan ik het deze knapen doe. Dan moesten nog de prachtige kostumen besteld worden en de sieradiën voor de choreuten en gij weet wat tegenwoordig de Atheners op dat punt verlangen. Als zij geen gouden kransen te zien krijgen en niet iedere pracht rijkelijk is aangewend, dan valt er aan geen overwinning te denken. Ik geloof niet dat ik er ditmaal onder de vijfduizend drachmen afkom. Maar ik zou zelfs het dubbele besteden, als het noodig was, om den pauwenfokker Pyrilampes de loef af te steken, die met een treurspel van den vrouwenhater10Euripides de overwinning zoekt te bereiken. Sophocles weet het reeds, maar gij nog niet, waarde Polus, wat die kerel al gedaan heeft, om mij de zege te ontrukken. Eerst zocht hij den Archont om te koopen, vervolgens trachtte hij mij de beste choreuten afhandig te maken. Eindelijk heeft hij zelfs den koormeester heimelijk geld geboden, om de[246]koren slecht te laten instudeeren. En dat alles was hem nog niet genoeg. Toen mijne sieradiën en prachtige kostumen in orde waren en in den winkel gereed lagen, zoo heerlijk mooi, dat ze niet te overtreffen waren, ging die kerel er heen en wilde den kleermaker dwingen ze hem te verkoopen. Toen deze dat aanbod van de hand wees, liet hij hem door zijne slaven afranselen en dreigde hem op eenen nacht het huis met alles, wat daarin was, boven zijn hoofd in brand te steken. Zoo handelt die ellendige Pyrilampes!”„Getroost, getroost, mijn waarde!”declameerde Polus met hoog pathos.„Nog leeft hij in den hemel,„Jupijn, die alles ziet en ’t al beheerscht.Vertrouw hem toe uw bittre smart,En haat noch vergeet in uw toorn,Hen die u leed berokkenen!”„Overigens,” vervolgde Polus, iets minder hoogdravend, „ken ik dien man en zijne streken, Hipponicus, zeer goed. Gij dacht mij daaromtrent beter in te lichten; maar ik kan u staaltjes mededeelen, hoe hij alle middelen in het werk heeft gesteld om mij aan het treurspel van Sophocles te onttroggelen. Uit zijn eigen zak beloofde hij eene groote som aan den openbaren eereprijs toe te zullen voegen, als ik in de tragedie van Euripides wilde optreden. Ik echter—ik stond als Philoctetes11toen de sluwe Odysseus hem en zijn overwinnenden boog naar Ilium wilde voeren:„Nimmer en nimmer, wees daarvan verzekerd,Nooit, zelfs niet als de verzengende bliksemMij met zijn gloed mocht verteren!”—[247]„Ik dank den Goden, Polus,” zei Hipponicus,„dat een man als gij, zoo getrouw u aan ons aansluit; want een koor mag nog zoo voortreffelijk zijn, als de tooneelspelers, die de staat aanwijst, niet deugen, fluiten en sissen de Atheners.”„En ik dank den Goden,” hernam Polus, „dat gij het zijt, Hipponicus, die het koor van Sophocles uitrust; want ook al dat de tooneelspelers voortreffelijk zijn, maar het koor niet bovenmate prachtig is, dan maken de Atheners met handen en voeten een oorverdoovend geraas, om hun ongenoegen te kennen te geven.”Thans traden twee nieuwe gasten in het huis. Het waren de tooneelspelers Demetrius en Callipides. Zij werden door Hipponicus vriendelijk ontvangen en begroetten Polus, met wien zij zoo menigmaal in de treurspelen van Sophocles het tooneel hadden betreden.„Ik zie nu,” zei Hipponicus, „dat alles wat tot de overwinning van de „Antigone”, moet samenwerken, in mijn huis vereenigd is.”„Het instudeeren der koren,” zei Sophocles tot de tooneelspelers, „is al lang begonnen; wij wachten u met ongeduld. Nu gij er zijt, willen we niet dralen, maar onmiddellijk overgaan tot de verdeeling der rollen. Vooreerst dan Antigone zelve: zij valt aan den speler der eerste rol ten deel. En hierbij wees hij op Polus, den „Protagonist”12. Deze, evenals zijne makkers, nam dat zwijgend aan, als iets dat van zelf sprak.Maar Sophocles viel zichzelven in de reden en vroeg aan Polus:„Hebt ge wel van de schoone Milesische Aspasia hooren spreken?”Toen deze bevestigend antwoordde, vervolgde Sophocles: „Als wij naar deze Milesische wilden luisteren, dan moest ik den Archont verzoeken, mij eene vrouw voor de rol van Antigone toe te staan.[248]Ik had met haar een heftigen strijd, waarin zij ons gebruik om in vrouwenrollen mannen te laten optreden, zeer gispte en beweerde, dat men de vrouwen moest toestaan het tooneel te betreden. Te vergeefs beriep ik mij op de maskers, die het gelaat bedekken en op den geweldigen omvang van den schouwburg.”Polus lachte schamper. „Hoe?” riep hij daarop verontwaardigd uit,„toen ik als Electra13optrad en aanhief:O heilig licht,O aether, die de aard omgeeft!”—heeft toen iemand in mijne houding, in mijne stem, die uit het goede masker voortkwam, de vrouw gemist?”„Niemand, niemand,” riepen allen uit één mond.„En toen ik de urn met de gewaande asch haars broeders14hartstochtelijk aan mijne borst drukte,” vervolgde Polus diep ontroerd:„Dierbaarst overschot, mij blijvend,Van den liefsten aller menschen.”—„Alle toeschouwers waren geroerd, bewogen, in tranen badend,” zei Sophocles. „Nooit werd er op het tooneel eene stem gehoord,” vervolgde Sophocles, „die roerender was, nooit eene, die vrouwelijker klonk, dan de uwe!”„Ik hoop, dat gij daarmede niet zult beweren,” hernam Polus, „dat mijne stem over het algemeen een vrouwelijken toon heeft? Gij herinnert u, denk ik, mijn Aiax15nog wel:„Ha, wee mij dat ik hen liet glippen,Die snoodaards, die verwenschte schurken,[249]En in hun plaats, door waanzin aangegrepenOnschuldige schapen en gehoornde stierenDeed sneven door het flikkerend staal,Hun donker bloed vergietend.”—De stem van Polus scheen bij de voordracht van deze regels geheel veranderd. „Dat is de diepste, geweldigste heldenstem!” riepen de toehoorders in verrukking uit.„Hoe?en mijn Philoctetes?” vervolgde Polus; „mijn kreet van diepste smart, toen het oude slangengif in mijne aderen brandde en mij schier verteerde,—mijn „Ach! Ach! Wee mij! het komt—het komt.”—En wederom riepen allen: „Wat een stem vol lijden! Wat een natuurlijke toon van den vertoornden, gefolterden, gepijnigden lijder!”„En dan,” ging Polus voort, „toen ik aan het slot der tragedie aanhief:„Welaan, het uur van scheiden is gekomen.Weest mij gegroet gij lachende dreven,Gij bronnen en gij, zoetlavende drank.”„Dat was een heerlijk oogenblik,” zei Hipponicus goedkeurend, „maar het schoonste, wat ik van u gezien en gehoord heb, was toch toen gij als Aiax op het tooneel stond en die overschoone alleenspraak hieldt.”„Gij bedoelt,” vielPolushem in de rede, „toen ik in eene eenzame grot vóór den zelfmoord het zwaard met de punt naar boven in den grond stak16:„Het moordend zwaard staat in den grond geplant,Om ’t snelst mijn boezem te doorboren.”—„Juist,” riep Hipponicus uit,„en toen gij eerst Zeus aanriept en dan de maagdelijke Erinnyen en vervolgens Helios.”17—[250]„O Helios,” viel Polus in,„O Helios, als gij mijn vaderland bestraalt,Houd dan uw goudgetooiden teugel in,En breng de mare van mijn droeven dood.”—„En toen gij,” ging Hipponicus in geestdrift voort, „ten laatste uw geboortegrond nog herdacht en den vaderlijken huiselijken haard aanriept en Salamis en de stad des roems, Athene, en uw stamverwant Atheensche volk—toen gloeiden de harten van twintig duizend Atheners van verrukking. Een fier gevoel van vaderlandschen trots doortintelde allen en ieder gevoelde dat de afscheidsgroet van den stervenden held ook hem gold. Tot nu toe waren zij geroerd geweest en in stilte geschokt—thans barstten zij uit in een storm van toejuichingen, die u gold en Sophocles en den Salaminischen held!”„Te recht, Hipponicus,” zeide thans Sophocles,„prijst gij Polus, maar vergeet niet ook de verdiensten van Demetrius en Callipides te erkennen. Ook zij zijn gevierd en geëerd in de steden van Griekenland; ook zij hebben veel bijgedragen tot de zegepraal van verscheidene mijner treurspelen.”—„U, Demetrius,” vervolgde hij, „draag ik voor ditmaal den waardigen koning Creon op; aan den jongen Callipides Ismene18. Er zijn nog een paar bijpersonen, die wel is waar slechts even op het tooneel verschijnen, maar die ik daarom toch niet gaarne aan den eersten den besten stumpert zou willen toevertrouwen.”„Voor den dag er maar mede!” riepen de tooneelspelers. „Ieder onzer is bereid zoovele personen, als men slechts verkiest, op zich te nemen, als zij maar niet te gelijk op het tooneel moeten verschijnen. Onder het masker kan men elke rol vervullen.”„Daar hebt ge vooreerst Haemon, de minnaar[251]van Antigone,” zeide Sophocles, „hij treedt eerst op, als Antigone reeds ter dood is geleid.”„Geef mij maar den minnaar Haemon,” riep Polus.„Callipides,” vervolgde Sophocles, „moet de rol van den blinden ziener Tiresias op zich nemen. Dan is er nog een wachter en een bode. Deze beiden hebben lange verhalen te doen. Verhalen nu moeten op het tooneel altijd zoo voortreffelijk mogelijk voorgedragen worden. Niets is vervelender, dan wanneer zij door iemand, die nauwelijks kan spreken, uitgestameld worden. Ik heb daarom besloten deze beide kleine rollen zelf te spelen. Ik ben toch bij mijne vorige stukken menigmaal op dergelijke wijs opgetreden.”De tooneelspelers klapten in de handen van blijdschap, daar zij vereerd waren, dat de dichter zelf met hen wilde medewerken. Ook Hipponicus was er recht blijde om.„Eindelijk is daar nog Eurydice, de gemalin van Creon,” zeide Sophocles. „Zij verschijnt slechts met weinige woorden aan het slot der tragedie ten tooneele.”„Geef mij maar de Eurydice,” riep Polus.„Die is reeds vergeven,” hernam Sophocles. „Iemand die nog nooit het tooneel heeft betreden, doch niet genoemd wil worden, wenscht de Eurydice te spelen.”De nieuwsgierigheid van Hipponicus en de tooneelspelers werd door de geheimzinnige gebaren van den dichter niet weinig geprikkeld. Doch hij weigerde nadere inlichting te geven.Hij stelde toen aan tooneelspelers afschriften van het stuk ter hand, gaf hun nog eenige wenken over de opvatting en uitvoering der rollen en regelde de kostumen, waarin zij zouden optreden.Daarop stelde Hipponicus hun de vijftien choreuten voor, benevens den koormeester en verzocht hen de oefeningen van het koor bij te wonen.Onder de muziek der fluiten begon men met plechtige liederen en den plechtigen danspas, ter[252]eere van den God19omdat de beteekenisvolle dans om zijn altaar het begin was geweest van het drama. Nu schreden zij rechts, dan links, nu stonden zij stil, dan weder vereenigden zij zich, nu eens sneller dan weder langzamer zich bewegend, onder het voordragen van de talrijke en heerlijke hymnen der „Antigone”. Gloeiend van geestdrift gaf de didaskalos20de maat aan met de handen en voeten, menigmaal zelfs, als de geestdrift hem overmeesterde, met het geheele lichaam. De dichter trad herhaaldelijk tusschenbeide. Hij had ook zijn best gedaan de zangwijzen der reizangen uit te denken en de dansbewegingen van het koor passend te maken. Soms liet hij den fluitspeler weggaan, greep het snareninstrument en begeleidde het koor, om beter het gezang en de plechtige bewegingen te kunnen regelen.Evenals Sophocles bezig was in het huis van Hipponicus, zoo deed Euripides in dat van Pyrilampes, Ion in dat van Midas, Cratinus in dat van Aristocles en andere dichters in de huizen der andere choregen, als veldheeren, die hunne troepen onderrichten en aansporen, allen begeerig om den Dionysischen zegeprijs te behalen.De huizen der choregen waren als zoovele brandpunten, waaruit zich eene gespannen verwachting en eene levendige belangstelling over de stad verspreidde; in de overwinning toch van den choreeg waren ook zijne verwantefamiliënbetrokken en hare namen werden eveneens genoemd. De spanning, waarin bij dergelijke gelegenheden gewoonlijk het Atheensche volk verkeerde, had ditmaal een buitengemeen hoogen trap bereikt, daar Hipponicus en Pyrilampes ongehoorde pogingen in ’t werk stelden, om zich de zege te verzekeren, daarbij voegde zich de veete, die er tusschen de beide mededingers bestond en die iederen dag[253]in handtastelijkheden dreigde over te gaan en eene onbeperkte stof aanbood voor de praatzieke tongen der Atheners. De staatsaangelegenheden, de zaken in den Piraeus, alles werd ter zijde gesteld; en al ware er juist eene Atheensche vloot tegen den vijand in zee geloopen, men zou in die dagen minder over haar hebben gesproken, dan over Hipponicus en Pyrilampes.Zie, daar ontmoeten elkander op de Agora twee mannen, die op vertrouwelijken toon van geheel andere zaken spreken, dan over de vijandschap van Hipponicus en Pyrilampes. Het zijn Pericles en Anaxagoras.„Gij zijt in gepeinzen verdiept,” zei de wijze tot zijn vriend; „koestert gij nieuwe gedachten en plannen voor den staat of vervult eene schoone vrouw uw hoofd?”„Wellicht beide,” hernam Pericles. „Hoe schoon zou het zijn, als men een van die twee, de vrouwen, kon ontberen, om zich onverdeeld aan de staatsbelangen of de wijsheid of eene andere, groote ernstige zaak te kunnen wijden!”„Men kan de vrouwen ontberen—men kan alles ontberen,” zeide Anaxagoras met nadruk en verdiepte zich in een betoog hoeveel beter het was, daar men toch eigenlijk nooit iets waarachtig en bestendig bezitten kan, van te voren van alles afstand te doen.Pericles luisterde geduldig naar den wijze, maar zijn gelaat drukte duidelijk uit, dat hij niet van gedachte veranderd noch overtuigd was geworden.„Wanneer gij nu eenmaal,” zoo besloot Anaxagoras zijn betoog, „de vrouw niet missen kunt, dan is, wel beschouwd, de uwe, ik bedoel Telesippe, toch even goed als iedere andere. Zij baart u kinderen. Wilt gij meer van haar?”„Gij kent haar toch,” hernam Pericles. „Gij weet, hoe bijgeloovig zij is en bekrompen van verstand en de vriendin van niet ééne Muze. Misschien was dit nog te verdragen, indien zij zooveel zachtheid van gemoed bezat als men haar bewijst. Maar deze[254]vrouw is altijd weerbarstig en vol vooroordeelen en aan mijne beste bedoelingen weet zij altijd eene hatelijke uitlegging te geven. Wanneer ik vroeger meermalen haar een keurig onderkleed ten geschenke gaf of iets bekoorlijks, wat in huis of in de slaapkamer haar bevalliger maakte, dan nam zij dit zeer kwalijk en vroeg:„Ben ik u dan niet meer mooi genoeg, dat gij zulke dingen voor mij noodig oordeelt? Wanneer ik u niet beval, zooals ik ben, dan wil ik u ook niet opgesierd bevallen.” Kan men dwazer en onvrouwelijker spreken? Tooit niet zelfs de jongste, schoonste vrouw zich gaarne voor haren geliefde en is het niet eene natuurlijke begeerte van den minnaar of den echtgenoot, de beminde vrouw zoo bekoorlijk mogelijk te versieren? In alle zaken, over het algemeen, die de liefde gelden, heeft ze altijd die eigenzinnigheid gehad, die de schoonste vrouw onverdragelijk maakt. Gij weet voorts, dat het mij eigen is zindelijkheid en reinheid tot in het hartstochtelijke te drijven. Hoeveel harde woorden zijn er niet tusschen ons gevallen over het varkenskot en het hoenderhok, dat zich naar oud gebruik, vlak bij den huiselijken haard bevindt, dat mij een gruwel is, doch haar zoo na aan ’t hart ligt. Het gevoel van viesheid kent zij niet. Biedt zij mij niet de lippen tot een kus, bezoedeld met het vuil of het kwijl, dat zij juist van het gezicht harer kinderen heeft afgekust? Want in het vuil, ja zelfs in den uitslag harer kinderen, als zij soms ziek zijn, zonder noodzakelijkheid met hare vingers en lippen te wroeten, schijnt haar een natuurlijke en noodzakelijke uiting te zijn der moederlijke liefde. Maar moet eene moeder niet tegelijk gade zijn? Moet eene weldenkende en gevoelige vrouw niet beide liefdeplichten weten te vereenigen en met nauwgezetheid vervullen? En wat beteekent de moederlijke teederheid, de aangeboren drift, die zij met elke wijfjesaap gemeen heeft, wanneer zij alleen in de duistere neiging der natuur geworteld is, als zij niet gepaard gaat met het goede inzicht, wat werkelijk[255]voor de kinderen nuttig is of niet? Hebt gij zelf niet dikwijls gevraagd: wat baat natuurdrift zonder kennis en zonder de zedelijke wijding, die haar van het dierlijke tot het menschelijke verheft!”—„Wat dit laatste punt aangaat hebt gij goed en verstandig gesproken,” merkte Anaxagoras op. „Maar wat gij zeidet over die rokjes met schoone franjes en schitterend van kleur en wat niet al, die Telesippe niet wilde aannemen, dit is, verstandig beschouwd, dwaasheid en verderfelijke weelderigheid. Zulke pronkerij is uit den booze. Een vrouw is eene vrouw, zeg ik u. In naam der wijsheid laat af van alle dweeperij voor de schoone Milesische Aspasia!”„Is het mijne schuld,” vroeg Pericles glimlachend, „dat de schoonheid op aarde door de Goden sterker is gemaakt dan de wijsheid?”——Op den dag van dit gesprek was er iets geschied, dat, zoo Pericles toevallig met eigen oogen had gezien, hem verdrietig en bezorgd zou hebben gemaakt, wellicht zelfs zijn geloof aan de voortreffelijkheid der Milesische zou hebben geschokt en den vurigen gloed zijner bezieling voor haar, als vuur door water, in een plotselingen rook en walm zou hebben uitgedoofd.Van Aspasia waren naar den dichter Sophocles en van dezen naar de Milesische herhaaldelijk geheime boden gegaan. Ja, eens had men den dichter zelven in het schemerend avonduur heimelijk het huis van de schoone vriendin van Pericles zien binnengaan.Thans gebeurde het, dat Aspasia naar hare woning terugkeerende, door een man werd vergezeld, dien loerende buren in de schemering voor Pericles hielden.Doch het was Sophocles. Voor de deur harer woning stonden beiden een oogenblik stil.Overwegenzij soms of de begeleider den drempel zou overschrijden of terug zou keeren? Eindelijk vroeg de dichter met zijne zachte welluidende stem aan de schoone Milesische:[256]„Wat is heiliger de vriendschap of de liefde?—„Heiliger is toch wel in ieder bijzonder geval, zij die de oudste is,”—zei Aspasia glimlachende en de raadselachtige vraag op even raadselachtige wijze beantwoordende.—Nadat deze woorden onder hen gewisseld waren, nam Sophocles afscheid en keerde terug, terwijl Aspasia hare woning binnentrad.Op den morgen na deze kleine gebeurtenis begaf zich de ziener Lampon naar het huis van de hem toegenegen zuster van Cimon. Hij kwam van de Acropolis waar hij wederom geruimen tijd met Diopithes had gefluisterd.Nauwelijks was de priesterdienst, om welke Elpinice den ziener had ontboden, ten einde gebracht of deze leidde met een geheimzinnig en veelbeteekenend gezicht het gesprek op Pericles en Aspasia.Het manwijf en de ziener waren dikwijls gewoon de hun ter oore gekomen praatjes en nieuwtjes elkander mede te deelen.„De Goden schijnen den trotschen Pericles te willen straffen,” begon Lampon.„Wat is er dan geschied?” vroeg Elpinice in gespannen verwachting.„Voorloopig dit,” hernam de andere, „dat in het schemerlicht van den avond heimelijk ook een ander naar de schoone vriendin van den Olympiër sluipt.”—„Waarom niet?” zei Elpinice. „Zij is immers eene hetaere. Maar wie is die andere?”„Pericles’ beste vriend, „de lieveling der Goden” zooals hij zich gaarne hoort noemen, de vriendelijk lachende treurspeldichter uit het vlek Colonos.”„Een vrouwengek,” riep Elpinice uit; „een vrouwengek en een oude liefhebber, evenals Pericles zelf.—Maar dat is oud nieuws, wat gij mij daar vertelt, vriend Lampon. Het is geruimen tijd geleden, dat men dien dichter voor de eerste maal in het gezelschap van Pericles en Aspasia heeft gezien. Het is overbekend, dat hij niet minder dan zijn vriend voor die boeleerster in liefde ontvlamd is. Het vermoeden[257]lag dus voor de hand, dat hij naar haar toe zou sluipen. Maar wie heeft hem gezien? Wie zal het op zijn woord getuigen?”„Ik zelf,” hernam Lampon. „Ik zelf heb hen gezien en hoorde zelfs in het voorbijgaan een klein gesprek voor de huisdeur. En een tweeden getuige, zoo noodig, bezorgt ons Diopithes.”„Dat is goed,” hernam Elpinice met innig genoegen.„Deze tijding, aan Pericles overgebracht, brengt zijne liefde voor de Milesische den genadeslag toe. Deze liefde is het schandelijkst en goddelooste, wat men hier in Athene vindt, en de Ionische hetaere is de groote verleidster. Zij moet verwijderd, verdreven, ten gronde gericht worden. Maar wie neemt het op zich Pericles die tijding te brengen?”—„’t Beste zou Theodota dat kunnen,”meent Diopithes.„Deze vrouw heeft sedert eenigen tijd, en niet met ongunstig gevolg, hare strikken voor den minnaar van Aspasia gespannen. En als zij het nu is, die hem het bewijs van Aspasia’s ontrouw levert, kan zij deze daardoor het zekerst verdringen en hare plaats innemen.”„Arme Telesippe!” riep Cimon’s zuster uit. „Het beste ware zeker, als gij in ’t geheel geene medeminnares hadt; doch voor ’t oogenblik is reeds veel, is reeds alles gewonnen, wanneer maar die Milesische uit de deur wordt gezet.”„Zoo is het,” hernam Lampon. „Uit het hart van een man als die Pericles, kan eene schoone en sluwe vrouw alleen door eene andere schoone en sluwe vrouw verdreven worden. Theodota is veel minder gevaarlijk dan Aspasia. Integendeel deze veile Corinthische is als was in onze handen. Zij moet Pericles onder de belofte hem uitvoerige en belangrijke mededeelingen aangaande de trouwelooze Aspasia te doen in haar huis lokken. Dan volgt het overige van zelf.”„Wij zijn zeker, dat onze pogingen slagen zullen,” hernam Elpinice. „Pericles heeft reeds een begeerig oog op haar geslagen. Ik weet het. Hij is reeds[258]eens in haar huis geweest, zij het ook in gezelschap der Milesische, die overmoedig genoeg was, hem daarheen te voeren.”—„Op aansporing van Alcamenes,” zeide Lampon.„Deze heeft ons in de hand gewerkt. Ook hij behoort tot degenen, die de Milesische haten en het met genoegen zullen zien, dat zij beschaamd, vernederd en door Pericles verstooten wordt. Hij wil zich wreken op de vrouw, die hem om Pericles heeft verraden. Lang vóór ons heeft hij het voornemen opgevat, door Theodota de Milesische uit de gunst van den gevierden man te verdringen. Hem ontbraken slechts de geschikte wapenen tegen Aspasia. Wij willen hem die verschaffen. Wie echter zal nu Alcamenes inlichten dat hij zich met de Corinthische moet verstaan, om het plan te volvoeren?”—Elpinice dacht een oogenblik na, daarop sprak zij:„Laat mij daarvoor zorgen. Ik ken de bijpaden die wij moeten inslaan om de boodschap juist, zooals wij verlangen, ter oore van de Corinthische te brengen.”—Van dit oogenblik af had Aspasia zich niet alleen tegen Telesippe, maar ook tegen Theodota tot een ernstigen kamp uit te rusten.Elpinice wendde zich tot Polygnotus; deze was met Agoracritus, Aspasia’s bittersten vijand, bevriend. Agoracritus bracht de boodschap van Lampon en Elpinice aan zijn makker in de werkplaats van Phidias over en deze heethoofd vond de gelegenheid om zich op de trotsche schoone te wreken te verleidelijk; hij had spoedig met zijne wakkere vriendin een plan beraamd, om hun opzet te volvoeren.In deze wolken flikkerde dus de bliksemstraal, die geslingerd zou worden om den liefdeband te verbreken tusschen den voortreffelijksten man en de schoonste vrouw in Griekenland, de bliksem, die in de eerste plaats heimelijk gesmeed was in de smidse, van den mokkenden, ouden GodErechtheüsop den burg.——[259]De viering der Dionysiën was dartel en luidruchtig begonnen. De laatste dagen van het feest waren aan den wedstrijd der tragische Muze gewijd.Lichte regenwolken dreven, terwijl de dolle comedie vanCratinusonder de uitgelaten vreugde der toeschouwers werd opgevoerd, van den Hymettus af over het Dionysus-theater en de opperpriester van Dionysus, die daar voor het geheele volk op zijn heerlijken, met marmeren beelden versierden zetel in de orchestra21zat, voelde een regendroppel op zijn neus vallen, juist op het oogenblik dat de overmoedige Cratinus tegen den persoon van den zelfden priester Agasthenes, onder het luidruchtig gelach van alle Atheners, een gevleugelden pijl van zijn Attisch vernuft afschoot.„Het begint te druppelen,” zei de opperpriester tot zijn buurman Pericles: „mij dunkt, wij moesten het schouwspel staken.”„De wolk drijft over,” hernam deze lachend.Doch zie, daar snort een nieuwe pijl. En deze pijl trof zijn buurman zelven. Alle Atheners lachten en keken naar Pericles, en Pericles lachte mede.Maar een derde pijl snorde; hij trof de nieuwe Hera en den nieuwen Olympischen Zeus, de Milesische Omphale22en den Atheenschen Heracles …Wederom zagen alle Atheners naar Pericles. Maar Pericles lachte niet meer. Eene wolk trok langs het voorhoofd van den Olympiër. De snorrende pijl had Aspasia getroffen …Andere schouwspelen volgden en zoo ging voor de Atheners het grootste gedeelte van den eersten dag voorbij. Verscheidene verwijderden zich, om straks terug te keeren, velen hielden het tot het einde toe vol. De gegoeden lieten zich door[260]hunne slaven wijn, ooft en koeken tot verkwikking brengen.Den volgenden dag begon alles opnieuw. Wederom zaten dertigduizend Atheners op de steenen zitplaatsen van den Dionysus-schouwburg, de omkranste overheidspersonen op afzonderlijke, schoon versierde, marmeren zetels in de voorste rijen, de rijken op purperen kussens, die zij zelven hadden medegebracht, door hunne slaven bediend, de armen met eenige vijgen of uien in hun ransel, waarmede zij het den geheelen dag moesten doen. Doch zoowel deze laatsten als de eersten gevoelden zich als Atheners geroepen, om het schoonste te zien en spraken met groote geleerdheid over Sophocles en Ion enEuripidesen keken eens met turenden blik naar de wolken des hemels, of niet eene daarvan de feestvreugde van den dag zou verminderen of verstoren.Wederom hadden de eerste duizenden van het aanstormende volk zich in de ruimte van het kolossale amphitheater als Pygmaeen verloren. Thans was de geheele schouwburg van de bovenste rijen tot de onderste toe gevuld; het scheen wel een reusachtige, kokende en bruisende menschenkrater. Bijna bedwelmend en huiveringwekkend was het van de bovenste rijen neer te zien op deze golvende zee van menschenhoofden.In die onstuimige dwarreling deed hoe langs zoo meer een dreigend tumult zich hooren. Heden toch zou de fel ontbrande strijd tusschen Hipponicus en Pyrilampes tot een beslissing komen. De partijen der beide choregen schenen handgemeen te zullen worden. Als een hunner zich te midden der toeschouwers vertoonde, klonken er kreten van vrienden en tegenstanders, bijvalsbetuigingen en hoonend gesis.Onophoudelijk waren de agonotheten23en mastigophoren24in de weer; telkens vlogen zij de trappen,[261]die dwars door de zitplaatsen liepen, op, om hier een twist te beslechten, daar een oproermaker tot rust te brengen.De rustigste onder die woelige menigte was Socrates, de mijmeraar uit Phidias’ werkplaats. Hij was ook gekomen, niet zoozeer om de schouwspelen, als wel om de toeschouwers te zien en over hunne handelingen na te denken.„Daar zitten dertigduizend Atheners in gespannen aandacht,” zeide hij in zich zelven; „allen vol begeerte om eene verdichte geschiedenis te hooren, om door valsche tranen en voorgewende smart zich te laten roeren. Zij zijn als de kinderen, die met open mond naar sprookjes luisteren, alleen met dit onderscheid, dat deze niet weten, dat zij verzonnen zijn, genen echter het wel degelijk weten. Van waar komt toch wel die zeldzame lust bij de menschen naar het nagebootste, het verdichte?”——De schoone Theodota zat onder de toeschouwers. Zij was op het sierlijkst uitgedost. Haar oog was bijna onafgewend op den strategenzetel gevestigd, waarop Pericles zat. Pericles kon zich niet onthouden, van tijd tot tijd den vurigen blik uit hare donkere oogen te beantwoorden.Eindelijk klonk boven het gonzen der menigte de helder klinkende stem van den heraut uit, die stilte gebood. Nu werd een dankoffer gebracht bij het altaar van Dionysus. Daarop deed opnieuw de stem van den heraut zich hooren:„Het koor van Ion trede op!”Het treurspel van Ion werd door de Atheners aangehoord, toegejuicht, geschat op zijn juiste waarde door hun aangeboren fijn gevoel. Een tragedie van Philocles volgde. De uitspraak van den protagonist voldeed niet aan het fijne Attische oor. Een onweerstorm van gelach, gemor, snijdend gesis brak over hem uit. Het ontbrak niet aan spottende tongen en trappelende voeten. Een blijspel kwam thans aan de beurt. Nu was de spotter meester van het terrein, zelfs verheven boven alle Olympische Goden. De meest onbedwongen scherts gaf zich[262]lucht in de kunstige rhythmen.Toen trad het koor van Euripides op.Het werk van dezen dichter bewoog de gemoederen. De vrouwen waren geroerd door datgene, wat tot het hart sprak, de mannen meegesleept door de schitterende gedachten, waarmede het geheele dichtstuk als het ware doorwerkt en doorweven was, als gouden draden in een purperen weefsel. Met kreten van verrassing en bewondering werd de schitterende pracht van het koor begroet. Zoo iets had men schier nog nooit gezien. Donderende toejuiching volgde, toen het stuk afgespeeld was. Pyrilampes en zijne vrienden waren uitermate verheugd en waanden zich reeds zeker van de overwinning.In den korten tijd, die er tusschen de voorstelling van dit treurspel en den aanvang van het volgende verstreek naderde eensklaps een slaaf den zetel van Pericles en reikte hem eentoegevouwenblad papier.Pericles opende het en las deze woorden:„Sophocles sluipt in de avondschemering het huis van Aspasia binnen.”Pericles was getroffen. Wie had die regels geschreven?—Zij kwamen van Theodota. Toen Pericles naar den brenger van dit korte en zonderlinge bericht omzag, was deze reeds verdwenen.—Uit zijn ernstig denken wekte den strateeg de helderklinkende stem van den heraut, die zich wederom deed hooren:„Het koor van Sophocles trede op!”En nu werd een treurspel der liefde voor het oog en het oor der Grieken opgevoerd, een treurspel der liefde onder die drie gestalten, waarin zij achtereenvolgens het menschenhart op zijn levensweg aandoet: de zusterliefde, de liefde der bruid, de moederliefde. Ter wille van haar geliefde broeder sterft Antigone, ter wille van de geliefde bruid sterft Haemon en ter wille van den geliefden zoon sterft Eurydice.—Een lang, donker treurgewaad omhult der hooge[263]gestalte van Oedipus’ dochter. De maskers toonen ernstige, edele jonkvrouwelijke gezichten, zacht en roerend klinken hare stemmen.—Antigone zweert haar broeder te zullen begraven, dien koning Creon den honden en roofvogels tot eene prooi heeft voorgeworpen; den ingeschapen, goddelijken plicht wil zij vervullen, trots alle menschelijke inzettingen.Het koor van edele, Thebaansche grijsaards treedt voor, zijne eerste reien ontplooien in purperen gewaad, vol Dionysischen luister, de hoofden met goud getooid; daar klinkt de heerlijke, machtig aangrijpende met zijne afwisselende rhythmen wegsleepende hymnus:„Straal der zonne, wees gegroet.”Koning Creon betreedt het tooneel in goud gestikt, purperen gewaad, het voorhoofd met den diadeem versierd, steunende op een schepter, waarop een adelaar zijne wieken ontplooit. Boven de gewone maat van den man verheft hem de cothurnus, gebiedende waardigheid verleent hem het masker, geweldig staat hij daar, zelfs voor het oog van den verst verwijderden toeschouwer in de kolossale ruimte. Het recht van den gebiedenden heerscher wil hij doen gelden tegenover de edele jonkvrouw—zij echter kent slechts één hoogsten plicht, haar in het hart gegrift: de liefde—en den koning, die de wreedheid tegen den broeder met den rechtmatigen haat der burgers van Thebe tegen hem verdedigt, geeft zij slechts dit eene onsterfelijke antwoord:„Mij schiep natuur tot liefde, niet tot haat.”En zij gaat heen om te doen, wat zij gezworen heeft en het recht der levenden voor het recht der dooden ten offer te brengen. In een ernstigen, verheven rei bezingt het koor de grootheid van den mensch en zijne hemeltergende vermetelheid—en betreurt het erfelijke leed der Labdaciden25;[264]Haemon, Creon’s eigen zoon, komt en smeekt zijn vader om het leven van Antigone, zijn teergeliefde bruid—doch de vorst houdt streng vast aan zijn voornemen en als Ismene vraagt:„Zult gij de bruid dan dooden van uw zoon?”klinkt het harde antwoord:„Ook andere velden nog beloven vrucht.”Vertwijfelend ijlt de bruidegom weg, met een onheilspellend gelaat—en nu weêrklinkt in het koor der edele Thebaansche grijsaards dat lied, ’t welk gedicht werd op dien zonnigen dag, toen Pericles en Aspasia in den lusthof van den dichter in het Cephissus-dal verwijlden:„God der liefde, nooit bedwongen,Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed,Waar uw pijl is ingedrongen,Voor uw almacht buigen doet!”Nu echter begint in afwisselenden zang van het koor, de roerende klacht van Oedipus’ dochter, die gedoemd is, om levend neer te dalen in de groeve—aandoenlijk, hartverscheurend klinkt de treurzang en bij dit glanspunt der tragedie is ieder oog van de ademloos luisterende Atheners vochtig van innerlijke aandoening. De jonkvrouw naöogend op haar doodsweg, vermeldt de rei des grijsaards:„Zoo werd ook Danaë aan ’t licht der zonOntrukt, in ’t koperen gewelf gesloten,Waar als in ’t graf geen oog haar vinden kon.—Tiresias komt, de onfeilbare, grijze ziener treedt op en spreekt eene ernstige vermaning, om den onverzoenlijken te verbidden en eindelijk buigen de onsterfelijken zijn onwrikbaren trots—hij laat, door een vreeselijk voorgevoel aangegrepen, zijne vermetelheid varen—reeds roept het koor in een vroolijken jubelzang den God der vreugde, Dionysus, aan:[265]„Lievling der Thebaansche maagdZoon van Zeus, wiens donderslagenRaatlend door het luchtruim jagen;Kom, terwijl we in blijden zin’t Feestlied door uw stad doen schallen,Zegenbrengend Theben in!”Indrukwekkend klinkt die jubelzang na het sombere grafgezang—doch plotseling versterven die juichtonen en maken opnieuw plaats voor het grafgezang; want Antigone heeft zich zelve in de groeve van het leven beroofd en haar lijk omklemmend is Haemon, door zijn eigen staal geveld, met haar afgedaald in den nacht van den Hades.En nu verschijnt Eurydice, de gemalin van den weeklagenden Creon. Zij verneemt de tijding van den dood van haar geliefden zoon. Uit den mond van den bode hoort zij dat beiden vereenigd in den dood zijn gegaan in de sombere groeve. Op de tijding van het uiteinde haars zoons breekt haar moederhart.Geweldig greep dat doodsbericht uit den mond van den bode de gemoederen aan. Doch nog aangrijpender klonken de weinige woorden uit den mond der koningin, die zich als offer wil geven aan den dood.Ademloos luisterden de Atheners naar het wegsterven der laatste woorden van dit grootsch en verheven treurspel: met eene strophe ter aanprijzing der wijsheid eindigde het treurspel als met een verheven slotaccoord.Groot en diep was de indruk, dien de tragedie van Sophocles, drie liefdebanden en drie doodsoffers in elkander strengelend, op de gemoederen der aandachtige Grieken teweegbracht. Zóó schoon was de strenge, sombere ernst der tragische kunst nog nooit verzacht,—zóó menschelijk was hetverhevene, zóóverheven was het menschelijke door niemand ooit uitgesproken.Maar ook nooit was in eenige tragedie zulk een overvloed van heerlijke gezangen, zoo rijk en beteekenisvol[266]over de toehoorders uitgestort; zoo harmonisch volkomen tot in het kleinste had het Attisch tooneel nog geene schepping gezien, zoo’n kunstvaardig en schitterend koor was nog nooit voor de verzamelde Atheners opgetreden.Toen het koor van Hipponicus zich verwijderd had en de dramatische wedstrijd geëindigd was, verhief het geheele volk met luide kreten onstuimig zich ten gunste van Hipponicus, zoodat de kamprechters zonder beraadslaging onverwijld den dichter der Antigone en zijn choreeg, ten aanhoore der vergaderde menigte, die vol spanning de uitspraak verbeidde, als overwinnaars in den tragischen wedstrijd uitriepen. Sophocles en Hipponicus verschenen overeenkomstig het gebruik op het tooneel, om voor de oogen van het volk uit de hand der kamprechters den zegekrans te ontvangen.Onmogelijk is het de vreugde en den trots van Hipponicus te schilderen, onmogelijk ook de verwoede verbittering van Pyrilampes en de zijnen.Toen Pericles den schouwburg verliet, ontstuwd door de ontzaglijke menigte, zag hij te midden van het gedrang eensklaps Theodota aan zijne zijde. Haar schoon gelaat was met de teederste blikken, met den verrukkelijksten glimlach om den mond verleidelijk naar hem toegekeerd. Zonder bemerkt te worden drukte zij hem een blad papier in de hand.Er stonden eenige regels op geschreven, Pericles las ze.De inhoud was als volgt:„Verlangt gij bericht omtrent Sophocles en Aspasia, kom dan tot Theodota. Een slaaf wacht u onder de zuilen van den Tholus en zal langs een geheimen weg u door een achterdeur in mijn huis geleiden.”Voordat Pericles er over kon denken, of hij deze uitnoodiging zou aannemen, geraakte hij, verder wandelende, onder de schare van Sophocles’ vrienden, die den dichter hartelijk geluk wenschten.[267]Toen Sophocles hem zag, onttrok hij zich aan de gelukwenschingen zijner vrienden en snelde hem te gemoet.Pericles, hoewel ontstemd en peinzend, wenschte den overwinnaar eveneens van harte geluk.„Ik dank u,” zeide Sophocles, „doch spreek niet als vriend tot mij, maar als kunstrechter.”Met moeite datgene, wat in dit oogenblik hem meer dan alles vervulde, van zich zettende, sprak Pericles:„Weet gij, wat mij in uw treurspel reden tot nadenken heeft gegeven? Het heeft mij, gelijk vele andere toeschouwers, bijna bevreemd naast de banden des bloeds, dien den Griek sedert overoude tijden steeds heilig zijn geweest, nu ook de banden der teedere min met gelijk recht, met gelijke macht, met gelijken doodsernst in het treurspel geteekend te zien. Levendig houdt deze nieuwheid mijn geest bezig, en nog weet ik niet te zeggen, of gij daarin ten volle recht hebt.”Van dit onderwerp afstappende, vervolgde Pericles:„Waart gij het niet zelf, die onder het masker van den bode dat aangrijpend verhaal van den dood van Haemon zoo plechtig schoon hebt voorgedragen? Ik meende uwe stem te herkennen. Doch wie sprak de woorden van Eurydice? Welke tooneelspeler stak achter het masker van deze koningin? Ik weet niet, welke verwonderlijke, het gemoed heimelijk aangrijpende betoovering de toeschouwers beving, toen gij beiden, gij als bode en die koningin tegen elkander overstondt. Welke man, tenzij Polus, zou dien wonderlijken klank der stem zoo heerlijk kunnen weergeven?”„Ook Polus niet,” hernam Sophocles glimlachend. „Gij hebt straks van nieuwigheden in mijn stuk gesproken; weet dan, dat bij deze voorstelling ook eene nieuwigheid is gewaagd, waarvan tot heden geen menschenziel afweet, behalve ik zelf en de eerlijke Hipponicus. Voor de eerste maal,[268]sedert Thespis26zijn kar in beweging bracht, heeft heden op ons tooneel achter het masker eene werkelijke vrouw gestoken. Wees gij nu de derde in het geheim en laat het tusschen ons drieën voor alle volgende tijden bewaard blijven.”„En wie was die vrouw,” vroeg Pericles, „die het gewaagd heeft, zij ’t ook onbekend, het tooneel te betreden? en het oude gebruik en de goede oude zeden te trotseeren?”„Gij zult ze zien,” antwoordde Sophocles en verdween voor een oogenblik; weldra keerde hij terug met eene vrouw, die zoo dicht omsluierd was, dat ze onmogelijk was te herkennen.Sophocles voerde haar en Pericles iets meer ter zijde opdat zij volkomen veilig zouden zijn voor de nieuwsgierige blikken der menigte. Daarop sprak hij:„Is het nog noodig Pericles, dat zij zich ontsluiere, om de vrouw te herkennen, die niet alleen de schoonste, maar ook de moedigste is van haar geslacht?”Pericles was getroffen.„Ja, zij moet zich ontsluieren,” sprak hij op een koelen en ernstigen toon. Met vaste hand trok de vrouw den sluier van het gelaat en Pericles stond tegenover Aspasia.Hij kon geen woord uiten. De inhoud van dat briefje van Theodota scheen dus waar te zijn geweest. Aspasia had, zooals nu duidelijk werd, zonder zijne voorkennis heimelijk met den dichter samengewerkt, om het stoute plan ten uitvoer te brengen. Hij kende de trouwe vriendschap van den edelen Sophocles, doch Aspasia had een nieuw bewijs gegeven, dat haar geest in dartele vrijheid met alle boeien spotte.Alles wat daar in het gemoed van Pericles omging,[269]las Aspasia duidelijk op zijn voorhoofd, in zijne zamengetrokken wenkbrauwen, in den donkeren blik zijner oogen.En dit welsprekende zwijgen met haar gewone levendigheid beantwoordende, sprak zij:„Frons uwe wenkbrauwen niet, Pericles, en boven alles vertoorn u niet op uw vriend Sophocles. Door mij gedwongen, heeft hij die vermetelheid begaan.”„Wees ook niet toornig op Aspasia,” viel de dichter haar in de rede, „want weet, dat zij mij heeft doen inzien, dat de vriendschap heiliger is dan de liefde, wanneer zij ouder is dan de liefde.”„Strijd tegen het overgeleverde is mijne roeping!” vervolgde Aspasia, „en waarom zoudt gij dan op mij verstoord zijn, als ik niet minder belang stel in de schoone poëzie van Sophocles, dan in de marmeren beelden van Phidias’ werkplaats? Om de schoonheid en de vrijheid te vinden, ben ik naar Hellas gekomen. Had ik slavernij gezocht, dan was ik aan het Perzische hof gebleven en had een kwijnend leven voortgesleept onder den matten liefdeblik van den grooten koning. Wat u op dit oogenblik bezielt, Pericles, is een waan, een vooroordeel, eene ergerlijke bekrompenheid, een vrije Helleen onwaardig. Verdrijf ze uit uw gemoed, o Pericles!”Thans naderde hen Hipponicus, die Pericles en Aspasia uitnoodigde deel te nemen aan het feestmaal, dat hij op een der volgende dagen wenschte te houden, om op waardige wijze de overwinning van Sophocles en de zijnen te vieren.De avond begon reeds te vallen, toen Pericles afscheid nam van Hipponicus, Sophocles en Aspasia. Peinzend wandelde hij voort.Hij dacht aan Aspasia. Hij overwoog in zijn hart, wat zij zooeven had gesproken. Hij moest haar volkomen gelijk geven. Geen kluister mocht de liefde zijn, geen slavenjuk voor Aspasia.Maar ook voor hem zelve niet.„Gij kunt Theodota bezoeken,” sprak hij schier onhoorbaar; „het is misschien niet goed een langen[270]tijd onafgebroken zich aan één vrouw over te geven.”De eischen van de fiere en vrije Aspasia schenen hem thans in volkomen overeenstemming te zijn met de ernstige woorden van Anaxagoras.Nu kwam hem ook weder het briefje van de Corinthische te binnen en hij dacht aan den slaaf, die hem onder de zuilen van den Tholus wachtte. Het bericht, dat hem Theodota had gegeven, was hem nu door Sophocles veel nauwkeuriger medegedeeld, dan Theodota het zou kunnen doen. Maar zou zij misschien nog niet iets anders te zeggen hebben?Hij naderde de zuilen van den Tholus. De slaaf trad op hem toe en voerde hem door eenzame steegjes tot aan een tuinhaag, waar hij een klein poortje wilde opendoen. Pericles stond aan den drempel van Theodota’s woning. Hij kon binnentreden. Niemand zag hem. De nachtegalen kweelden in de boschjes van den tuin.Plotseling echter stond Pericles stil. Hij bedacht zich en bevond, dat hem op dit oogenblik de lust om Theodota te spreken geheel en al ontbrak. Hij verbaasde zich over zich zelven. Hij zeide tot den slaaf, dat hij zijn bezoek tot een volgenden keer wenschte uit te stellen. Deze keek hem verbaasd aan. Hij echter verwijderde zich met langzame schreden en vervolgde zijn weg.—De maan was opgegaan en verspreidde haar zacht licht over de aarde. In haar stralen schitterde de zee en een zilveren glans tintte de kruinen van Attica’s bergen. De lucht was zoel en verkwikkend. Daar klonken op eens in de verte de tonen, door de avondlucht gedragen, van den heerlijken reizang uit de Antigone:„God der liefde, nooit bedwongen,Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed,Waar uw pijl is ingedrongen,Voor uw almacht buigen doet!”Pericles in ’t oor.[271]Jongelieden, uit den schouwburg terugkeerende, zongen stukken uit die beroemde rei, die hen had verrukt en vroolijk gestemd in de zachte avondkoelte.Eene andere onrust voegde zich bij de inwendige ontroering van Pericles en bij zijne gedachten aan Aspasia. Hij benijdde bijna Sophocles en Hipponicus de lauweren, die zij zich dezen dag om de slapen hadden gewonden. Het was hem te moede, alsof hij het zwaard om de lendenen gorden en een leger of vloot wilde verzamelen en voortstormen om schitterende zegepralen te bevechten. De lange vrede begon hem roemloos toe te schijnen. Een drukkend gevoel bekroop hem, waarvan hij echter al peinzend voortwandelend bevrijd werd, toen hij de blinkende tinnen van de Acropolis vóór zich zag opdoemen en de nagalm van den schoonen Antigone-dag weder ruischte in zijne ziel.Hij was juist op de plaats gekomen van den hellenden weg, waar van den eenen kant de geweldige, reusachtige graniet- en marmermassa van denDionysus-schouwburgzich verhieven in de diepte, aan den anderen de rotsen van den burgtberg, beschenen door het licht der maan, majestueus tegen de lucht afstaken. In de ontzachelijke ruimte van den schouwburg heerschte de stilte van het graf, waar den geheelen dag door een zoo bont en opgewekt leven zich had bewogen, waar de hoogste uiting der Grieksche dichtkunst zich zoo plechtig hadden geopenbaard.Pericles zag neder in die diepte van den schouwburg en dan weder richtte hij zijn oog naar de heldere hoogte van de Acropolis, waar de tempel van Phidias begon te verrijzen. Zijn eigen persoon en lot verdwenen naar den achtergrond, het wolkje op zijn voorhoofd dreef voorbij, zijne borst verwijdde zich en uit deze diepte en van die hoogte voelde hij zich door een geest van profetie bezield, die hem den roem zijner vaderstad voorspelde en een adem van onsterfelijk leven scheen er te zweven over zijn hoofd.[272]1Tot recht verstand van dit hoofdstuk is het niet overbodig, kortelijk den inhoud van Sophocles’ Antigone mede te deelen. Polynices, de broeder van Antigone, is, als vijand zijner vaderstad, voor de muren van Troje gesneuveld. Creon, koning van Thebe, heeft een verbod uitgevaardigd op straffe des doods, dat het lijk van Polynices onbegraven ten prooi der honden zal blijven. Antigone waagt het lijk haars broeders te begraven. Voor Creon gebracht, bekent zij hare daad en zegt meer eerbied aan de Goden dan aan de menschen verschuldigd te zijn. Antigone wordt opgesloten in eene onderaardsche grot, waar zij zich van het leven berooft. Haemon, Creon’s jongste zoon, de verloofde van Antigone, stoot zich het zwaard door de borst. Op het hooren van die tijding berooft Eurydice, Creon’s echtgenoote, zich van het leven, haar echtgenoot vervloekende. Het geheele stuk wordt afgewisseld door prachtige reizangen.↑2Elaphebolion is de maand, die loopt van half Maart tot half April. In die maand werden de Elapheboliën gevierd, d.i. de feesten ter eere van de hertenjacht. Elaphebolos beteekent: hertendoodend.↑3Euripides is de derde der beroemde Grieksche treurspeldichters. Evenwel hij is de minste onder hen. Zijn vader heette Maesarchus en zijne moeder Clito, eene groentevrouw; hij zou juist op den dag der overwinning bij Salamis (480) geboren zijn. De dialoog in zijne stukken is dikwijls zeer wijsgeerig.—Vooral door Aristophanes wordt hij zeer bespot. Hij stierf nog vóór Sophocles in 406 v. C. Van zijne stukken zijn ons de namen van 75 bekend, doch slechts 18 hebben wij er over, waaronder een satyr-drama en een stuk Rhesus, dat misschien niet van hem is. Hij zou door honden zijn verscheurd. Archelaüs heeft te Arethusa een monument voor hem opgericht; eveneens deden de Atheners in hunne stad.↑4Cratinus leefde van 520–424 en was de stichter der komedie. Zijne Pytine, de flesch, waarin hij tegen Aristophanes vooral te velde trekt, is het meest bekend. Hij is beroemd om zijne vinnigheid ensarcasme.↑5Choregos is eigenlijk de aanvoerder van een koor, ook hij die de kosten voor de opvoering van een koor (choregie) draagt.↑6Pytho is een draak, die het Delphisch orakel bewaakte; hij werd door Apollo geveld. Volgens de sage, stelde Apollo daarna te Delphi de Pythische feesten in. Met de Olympische, Isthmische en Nemeïsche spelen waren zij de beroemdste nationale spelen in Griekenland.↑7De cothurnus is eigenlijk eene hooge jachtlaars, ook op het tooneel in het treurspel gebruikt, om grooter te schijnen.↑8Halicarnassus was een der beroemdste steden van Klein-Azië in Ionië.↑9De Lenaeën is een feest ter eere van Dionysus (Bacchus) gevierd; de naam is afgeleid van het Grieksche lenos, dat wijnpers beteekent.↑10In de tragedies van Euripides is eene afkeer van de vrouwen duidelijk merkbaar. Men zegt, dat de treurige ervaring bij zijne beide vrouwen Melito en Choerile opgedaan den dichter tot die sombere beschouwing hebben geleid. Vandaar kreeg hij den bijnaam „de vrouwenhater.”↑11Philoctetes, zoon van Poeas en Demonassa trok op tegen Ilium. Wegens eene verpestende wonde aan de voet, ten gevolge van een slangenbeet, werd hij door de Grieken op het eiland Lemnos achtergelaten. Hij bezat echter den boog en pijlen van Hercules zonder welke, zoo had Helenus geprofeteerd, Troje niet kon genomen worden. Na negen jaren op het eiland te hebben doorgebracht, kwamen Odysseus en Diomedus of Neoptolemus (volgens Sophocles) om hem naar Ilium te voeren. Na veel tegenstand gelukte het hun, en door bemiddeling van Philoctetes werd Ilium genomen.Sophocles behandelt deze geschiedenis, voor een deel althans, in zijn „Philoctetes.”↑12Protagonistes was de persoon die de hoofdrol, denteragonistes hij, die de tweede rol vervult, terwijl tritagonistes genoemd wordt degene, die in de derde rol optreedt.↑13Electra, de dochter van Agamemnon en Clytemnaestra, naar wie een treurspel van Sophocles geheeten is.↑14Orestes, die eerst dood gewaand, later door Electra herkend wordt. Te samen dooden zij hun moeder Clytemnaestra, de moordenares huns vaders. Ook van Euripides bestaat een treurspel „Electra” geheeten.↑15Zie Inleiding pag V. Aiax, woedend om die nederlaag richt eene vreeselijke slachting aan onder de runderen, meenende dat het Grieken waren. Daarop stortte hij zich in zijn zwaard.↑16Soph. Aiax vs. 794 en v.v.↑17De zon. De volgende verzen vindt men in Sophocles Aiax vs. 823 en v.v.↑18Ismene is de zuster van Antigone, die te vreesachtig is om deze te helpen in haar vromen plicht. Toch wordt zij door Creon ter dood veroordeeld, doch ontvangt, tegen haar zin, genade.↑19Dionysus (Bacchus).↑20Didaskalos beteekent eigenlijk leermeester, ook hij, die een tooneelstuk laat instudeeren, de koormeester.Het komt ook wel voor in de beteekenis van: de dichter van het tooneelstuk.↑21Eigenlijk: de dansplaats; voorts de plaats in den Atheenschen schouwburg tusschen het tooneel en de amphitheatersgewijze oploopende zitplaatsen.↑22Omphale, de dochter van den Lydischen koning Iardanes en gemalin van Tmolus, verbond zich na den dood van dezen met Heracles of Hercules en baarde hem een zoon. Eene latere sage is er, dat Heracles door haar verwijfd is geworden en vrouwelijke handwerken leerde, terwijl Omphale de wapenen des oorlogs hanteerde. Ongetwijfeld doelt Hamerling hier op deze laatste legende, ze toepassende op Pericles en Aspasia.↑23Agonothetes is een insteller van den wedstrijd, ook een opzichter en rechter daarvan.↑24Mastigophoros is eigenlijk een zweep of geeseldrager; vandaar een lager bediende, die met zweep of geesel de orde handhaaft.↑25Oedipus, de zoon van Laïus, was gesproten uit het geslacht der Labdaciden, dat aan Labdacus, den vader van Laïus, zijn naam ontleende.↑26Thespis te Icaria, een Attisch vlek, geboren, wordt de eigenlijke stichter der tragedie genoemd. Hij had de gewoonte ingevoerd, dat de reiaanvoerder bij afwisseling het een of ander verhaal uit het goden- of helden-epos voordroeg. Onwaarschijnlijk echter is het verhaal, dat Thespis op een wagen een tooneel had ingericht; vanwaar de uitdrukking, die de schrijver hier gebruikt echter afkomstig is. Horatius bezigt het eerst de uitdrukking: „kar van Thespis.”Van Thespis is niet één stuk meer overgebleven.↑

IX.ANTIGONE1

Wanneer men in de lentemaand Elaphebolion2van het vierde jaar der vierentachtigste Olympiade het huis van den rijken Hipponicus te Athene voorbijging, zou men fluitspel en mannenstemmen, die zich oefenden voor een reizang, kunnen hooren, daar het geluid uit het binnenste van het huis voorkomende, tot op de straat doordrong.Hetzelfde kon men vernemen, als men het huis van den rijken Pyrilampes en dat van den rijken Midas en dat van den rijken Aristocles en de huizen van andere rijke Atheners voorbijging. Het scheen bijna, alsof de beitelslagen wederom overstemd zouden worden door de tonen van fluiten en het snarenspel en de stemmen van kunstvaardige zangers, die de liederen der dichters zongen. Want het feest ter eere van Dionysus, de Dionysiën, was wedergekeerd en daarmede de tijd aangebroken, dat de Atheners, met achterstelling van alle belangen, zich bezig hielden met de dramatische voorstellingen in het theater van Dionysus.[242]De stukken waren, overeenkomstig het gebruik, door de dichters bij den tweeden Archont ingediend. Deze had naar het oordeel van deskundigen die stukken uitgekozen, welke het best geschikt waren voor de opvoering; de tooneelspelers, welke daarin zouden optreden, werden op staatskosten aangewezen en die rijke Atheensche burgers, die voor ditmaal de „choregie” moesten betalen, kleeden, bekostigen en laten oefenen, waren aangewezen om hun plicht te vervullen. De rijke Hipponicus had een koor te stellen voor de Antigone van Sophocles, de rijke Pyrilampes voor eene tragedie van Euripides3, de rijke Midas voor een treurspel van Ion, de rijke Aristocles voor eene komedie van Cratinus4en wederom anderen voor andere stukken. Naar de gewoonte, die langzamerhand te Athene heerschende was geworden, was er een schier hartstochtelijke wedijver onder de choregen5ontstaan en zij zochten met al de eerzucht, die den Athener eigen was, elkander in nette, smaakvolle en prachtige uitrusting der hun opgedragen koren te overtreffen. Den overwinnaar toch wachtte een krans, nauwelijks minder benijdenswaard dan de kransen van Olympia enPytho6.Geluid van stemmen en de klank der fluiten klonken wederom krachtig uit het huis van Hipponicus, toen een rijzige gestalte met vluggen tred de straat afkwam. Het scheen een vreemdeling te zijn; want hem volgde een muildierdrijver, wiens dier met een reiszak beladen was. Het liet zijne blikken[243]in de straat weiden, als iemand die naar een bepaald huis zoekt.Plotseling weerklonken de stemmen en muziek uit het huis van Hipponicus in zijn oor. Hij luisterde een oogenblik, lachte toen tevreden en zei tot den slaaf:„Wij behoeven het niemand te vragen. Dit en geen ander is het huis van Hipponicus.”Met vluggen tred naderde hij het huis en wilde juist aan de deur kloppen.Op dit oogenblik echter kwam een man van den tegenovergestelden kant de straat op en ontmoette den vreemdeling juist voor het huis van Hipponicus.Op het gezicht van dezen man toonde de vreemdeling zich aangenaam verrast en terwijl gene met een vriendelijke glimlach op hem toetrad, boog hij het hoofd een weinig achterover, lei de linkerhand op de borst, hief de rechterhand op en galmde op hoogdravenden toon, alsof hij reeds den cothurnus7aanhad, met volle stem de woorden:„Zoo mijn geest niet dwaalt,En ’t voorgevoel mij niet bedriegt,En heldere blik mij niet ontbreekt,”—dan geven de Goden een gunstig teeken, daar zij mij juist voor den drempel van Hipponicus mijn edelen vriend doen ontmoeten, den treurspeldichter Sophocles.”Daarmede reikte hij den dichter de hand, die haar greep en hartelijk schudde.„Welkom, voortreffelijke Polus!” riep hij. „Wees welkom te Athene! Hebt gij weder rondom in de steden van Hellas de menschen verrukt met het geluid uwer stem op den hoogen cothurnus en nieuwen roem geoogst en klinkende munt bovendien?”„Zoo is het,” hernam Polus. „Men heeft mij hier[244]en daar eer bewezen, waar men mij juist noodig had voor de feesten in Hellas’ steden. Maar steeds toch weerklonk het in mijn hart:„Daar wild’ ik heen.Waar dicht begroeid ’t gebergt’Tot aan de baren reikt, waarSunions vlakke grond gelegen is.Om Pallas’ heilge stadMet blijden mond te groeten.”—En toen mij nu te Halicarnassus8de boodschap gewerd van uw Archont, die mij voor de Lenaeën9naar Athene riep en mij elk loon beloofde, wat ik mocht verlangen en toen ik bovendien vernam, dat naar uw wensch de eerste rol in uw nieuw treurspel mij was toegedacht, snelde ik als op de vleugelen der liefde over de eilandzee; want nergens toch rijg ik den cothurnus liever aan de voeten dan te Athene en geen dichter wijd ik mijne kunst liever dan aan mijn besten vriend en grooten meester Sophocles.”Nogmaals drukte de dichter den tooneelspeler hartelijk de hand.„Gij zijt ook mij steeds de meest gewenschte hulp,” hernam de dichter.„Daar binnen in het huis van Hipponicus,” vervolgde hij, „vindt gij de choreuten en de koormeester en misschien ook reeds uwe beide medetooneelspelers, Demetrius en Callipides. Hipponicus noodigde u op dit uur in zijn huis, opdat wij allen te zamen zouden zijn, om de rollen te verdeelen en alles in gereedheid te brengen, wat dienstig kan zijn om aan ons treurspel de overwinning te verzekeren. Laat ons dus binnengaan, Hipponicus wacht u met ongeduld.”De beide mannen klopten aan de deur en werden binnengelaten. Hipponicus verwelkomde Polus[245]met groote blijdschap en noodigde hem tevens uit, den tijd, dien hij te Athene moest doorbrengen, zijn gast te willen zijn.„Wilt gij,” hernam Polus, „bij alle uwe moeiten en zorgen die gij thans hebt, u ook nog dezen last op uwe schouders laden?”„Dezen nieuwen last,” zei Hipponicus, „gesteld dat het een last ware, zou ik de moeite niet waard achten. Doch gij hebt geen ongelijk, als gij zegt, dat ik tal van moeiten en zorgen te dragen heb, sinds de Archont mij de choregie der „Antigone” heeft opgelegd. Eerst moesten de noodige zangers en fluitspelers aangeworven worden en nu heb ik ze allen in huis en die menschen moeten betaald en gevoed worden, en hoe gevoed! met melk en honig en allerlei zoetigheden, opdat hun kelen niet ruw zullen worden. Nachtegalen in eene kooi zou men niet met meer zorg kunnen voeden en verplegen, dan ik het deze knapen doe. Dan moesten nog de prachtige kostumen besteld worden en de sieradiën voor de choreuten en gij weet wat tegenwoordig de Atheners op dat punt verlangen. Als zij geen gouden kransen te zien krijgen en niet iedere pracht rijkelijk is aangewend, dan valt er aan geen overwinning te denken. Ik geloof niet dat ik er ditmaal onder de vijfduizend drachmen afkom. Maar ik zou zelfs het dubbele besteden, als het noodig was, om den pauwenfokker Pyrilampes de loef af te steken, die met een treurspel van den vrouwenhater10Euripides de overwinning zoekt te bereiken. Sophocles weet het reeds, maar gij nog niet, waarde Polus, wat die kerel al gedaan heeft, om mij de zege te ontrukken. Eerst zocht hij den Archont om te koopen, vervolgens trachtte hij mij de beste choreuten afhandig te maken. Eindelijk heeft hij zelfs den koormeester heimelijk geld geboden, om de[246]koren slecht te laten instudeeren. En dat alles was hem nog niet genoeg. Toen mijne sieradiën en prachtige kostumen in orde waren en in den winkel gereed lagen, zoo heerlijk mooi, dat ze niet te overtreffen waren, ging die kerel er heen en wilde den kleermaker dwingen ze hem te verkoopen. Toen deze dat aanbod van de hand wees, liet hij hem door zijne slaven afranselen en dreigde hem op eenen nacht het huis met alles, wat daarin was, boven zijn hoofd in brand te steken. Zoo handelt die ellendige Pyrilampes!”„Getroost, getroost, mijn waarde!”declameerde Polus met hoog pathos.„Nog leeft hij in den hemel,„Jupijn, die alles ziet en ’t al beheerscht.Vertrouw hem toe uw bittre smart,En haat noch vergeet in uw toorn,Hen die u leed berokkenen!”„Overigens,” vervolgde Polus, iets minder hoogdravend, „ken ik dien man en zijne streken, Hipponicus, zeer goed. Gij dacht mij daaromtrent beter in te lichten; maar ik kan u staaltjes mededeelen, hoe hij alle middelen in het werk heeft gesteld om mij aan het treurspel van Sophocles te onttroggelen. Uit zijn eigen zak beloofde hij eene groote som aan den openbaren eereprijs toe te zullen voegen, als ik in de tragedie van Euripides wilde optreden. Ik echter—ik stond als Philoctetes11toen de sluwe Odysseus hem en zijn overwinnenden boog naar Ilium wilde voeren:„Nimmer en nimmer, wees daarvan verzekerd,Nooit, zelfs niet als de verzengende bliksemMij met zijn gloed mocht verteren!”—[247]„Ik dank den Goden, Polus,” zei Hipponicus,„dat een man als gij, zoo getrouw u aan ons aansluit; want een koor mag nog zoo voortreffelijk zijn, als de tooneelspelers, die de staat aanwijst, niet deugen, fluiten en sissen de Atheners.”„En ik dank den Goden,” hernam Polus, „dat gij het zijt, Hipponicus, die het koor van Sophocles uitrust; want ook al dat de tooneelspelers voortreffelijk zijn, maar het koor niet bovenmate prachtig is, dan maken de Atheners met handen en voeten een oorverdoovend geraas, om hun ongenoegen te kennen te geven.”Thans traden twee nieuwe gasten in het huis. Het waren de tooneelspelers Demetrius en Callipides. Zij werden door Hipponicus vriendelijk ontvangen en begroetten Polus, met wien zij zoo menigmaal in de treurspelen van Sophocles het tooneel hadden betreden.„Ik zie nu,” zei Hipponicus, „dat alles wat tot de overwinning van de „Antigone”, moet samenwerken, in mijn huis vereenigd is.”„Het instudeeren der koren,” zei Sophocles tot de tooneelspelers, „is al lang begonnen; wij wachten u met ongeduld. Nu gij er zijt, willen we niet dralen, maar onmiddellijk overgaan tot de verdeeling der rollen. Vooreerst dan Antigone zelve: zij valt aan den speler der eerste rol ten deel. En hierbij wees hij op Polus, den „Protagonist”12. Deze, evenals zijne makkers, nam dat zwijgend aan, als iets dat van zelf sprak.Maar Sophocles viel zichzelven in de reden en vroeg aan Polus:„Hebt ge wel van de schoone Milesische Aspasia hooren spreken?”Toen deze bevestigend antwoordde, vervolgde Sophocles: „Als wij naar deze Milesische wilden luisteren, dan moest ik den Archont verzoeken, mij eene vrouw voor de rol van Antigone toe te staan.[248]Ik had met haar een heftigen strijd, waarin zij ons gebruik om in vrouwenrollen mannen te laten optreden, zeer gispte en beweerde, dat men de vrouwen moest toestaan het tooneel te betreden. Te vergeefs beriep ik mij op de maskers, die het gelaat bedekken en op den geweldigen omvang van den schouwburg.”Polus lachte schamper. „Hoe?” riep hij daarop verontwaardigd uit,„toen ik als Electra13optrad en aanhief:O heilig licht,O aether, die de aard omgeeft!”—heeft toen iemand in mijne houding, in mijne stem, die uit het goede masker voortkwam, de vrouw gemist?”„Niemand, niemand,” riepen allen uit één mond.„En toen ik de urn met de gewaande asch haars broeders14hartstochtelijk aan mijne borst drukte,” vervolgde Polus diep ontroerd:„Dierbaarst overschot, mij blijvend,Van den liefsten aller menschen.”—„Alle toeschouwers waren geroerd, bewogen, in tranen badend,” zei Sophocles. „Nooit werd er op het tooneel eene stem gehoord,” vervolgde Sophocles, „die roerender was, nooit eene, die vrouwelijker klonk, dan de uwe!”„Ik hoop, dat gij daarmede niet zult beweren,” hernam Polus, „dat mijne stem over het algemeen een vrouwelijken toon heeft? Gij herinnert u, denk ik, mijn Aiax15nog wel:„Ha, wee mij dat ik hen liet glippen,Die snoodaards, die verwenschte schurken,[249]En in hun plaats, door waanzin aangegrepenOnschuldige schapen en gehoornde stierenDeed sneven door het flikkerend staal,Hun donker bloed vergietend.”—De stem van Polus scheen bij de voordracht van deze regels geheel veranderd. „Dat is de diepste, geweldigste heldenstem!” riepen de toehoorders in verrukking uit.„Hoe?en mijn Philoctetes?” vervolgde Polus; „mijn kreet van diepste smart, toen het oude slangengif in mijne aderen brandde en mij schier verteerde,—mijn „Ach! Ach! Wee mij! het komt—het komt.”—En wederom riepen allen: „Wat een stem vol lijden! Wat een natuurlijke toon van den vertoornden, gefolterden, gepijnigden lijder!”„En dan,” ging Polus voort, „toen ik aan het slot der tragedie aanhief:„Welaan, het uur van scheiden is gekomen.Weest mij gegroet gij lachende dreven,Gij bronnen en gij, zoetlavende drank.”„Dat was een heerlijk oogenblik,” zei Hipponicus goedkeurend, „maar het schoonste, wat ik van u gezien en gehoord heb, was toch toen gij als Aiax op het tooneel stond en die overschoone alleenspraak hieldt.”„Gij bedoelt,” vielPolushem in de rede, „toen ik in eene eenzame grot vóór den zelfmoord het zwaard met de punt naar boven in den grond stak16:„Het moordend zwaard staat in den grond geplant,Om ’t snelst mijn boezem te doorboren.”—„Juist,” riep Hipponicus uit,„en toen gij eerst Zeus aanriept en dan de maagdelijke Erinnyen en vervolgens Helios.”17—[250]„O Helios,” viel Polus in,„O Helios, als gij mijn vaderland bestraalt,Houd dan uw goudgetooiden teugel in,En breng de mare van mijn droeven dood.”—„En toen gij,” ging Hipponicus in geestdrift voort, „ten laatste uw geboortegrond nog herdacht en den vaderlijken huiselijken haard aanriept en Salamis en de stad des roems, Athene, en uw stamverwant Atheensche volk—toen gloeiden de harten van twintig duizend Atheners van verrukking. Een fier gevoel van vaderlandschen trots doortintelde allen en ieder gevoelde dat de afscheidsgroet van den stervenden held ook hem gold. Tot nu toe waren zij geroerd geweest en in stilte geschokt—thans barstten zij uit in een storm van toejuichingen, die u gold en Sophocles en den Salaminischen held!”„Te recht, Hipponicus,” zeide thans Sophocles,„prijst gij Polus, maar vergeet niet ook de verdiensten van Demetrius en Callipides te erkennen. Ook zij zijn gevierd en geëerd in de steden van Griekenland; ook zij hebben veel bijgedragen tot de zegepraal van verscheidene mijner treurspelen.”—„U, Demetrius,” vervolgde hij, „draag ik voor ditmaal den waardigen koning Creon op; aan den jongen Callipides Ismene18. Er zijn nog een paar bijpersonen, die wel is waar slechts even op het tooneel verschijnen, maar die ik daarom toch niet gaarne aan den eersten den besten stumpert zou willen toevertrouwen.”„Voor den dag er maar mede!” riepen de tooneelspelers. „Ieder onzer is bereid zoovele personen, als men slechts verkiest, op zich te nemen, als zij maar niet te gelijk op het tooneel moeten verschijnen. Onder het masker kan men elke rol vervullen.”„Daar hebt ge vooreerst Haemon, de minnaar[251]van Antigone,” zeide Sophocles, „hij treedt eerst op, als Antigone reeds ter dood is geleid.”„Geef mij maar den minnaar Haemon,” riep Polus.„Callipides,” vervolgde Sophocles, „moet de rol van den blinden ziener Tiresias op zich nemen. Dan is er nog een wachter en een bode. Deze beiden hebben lange verhalen te doen. Verhalen nu moeten op het tooneel altijd zoo voortreffelijk mogelijk voorgedragen worden. Niets is vervelender, dan wanneer zij door iemand, die nauwelijks kan spreken, uitgestameld worden. Ik heb daarom besloten deze beide kleine rollen zelf te spelen. Ik ben toch bij mijne vorige stukken menigmaal op dergelijke wijs opgetreden.”De tooneelspelers klapten in de handen van blijdschap, daar zij vereerd waren, dat de dichter zelf met hen wilde medewerken. Ook Hipponicus was er recht blijde om.„Eindelijk is daar nog Eurydice, de gemalin van Creon,” zeide Sophocles. „Zij verschijnt slechts met weinige woorden aan het slot der tragedie ten tooneele.”„Geef mij maar de Eurydice,” riep Polus.„Die is reeds vergeven,” hernam Sophocles. „Iemand die nog nooit het tooneel heeft betreden, doch niet genoemd wil worden, wenscht de Eurydice te spelen.”De nieuwsgierigheid van Hipponicus en de tooneelspelers werd door de geheimzinnige gebaren van den dichter niet weinig geprikkeld. Doch hij weigerde nadere inlichting te geven.Hij stelde toen aan tooneelspelers afschriften van het stuk ter hand, gaf hun nog eenige wenken over de opvatting en uitvoering der rollen en regelde de kostumen, waarin zij zouden optreden.Daarop stelde Hipponicus hun de vijftien choreuten voor, benevens den koormeester en verzocht hen de oefeningen van het koor bij te wonen.Onder de muziek der fluiten begon men met plechtige liederen en den plechtigen danspas, ter[252]eere van den God19omdat de beteekenisvolle dans om zijn altaar het begin was geweest van het drama. Nu schreden zij rechts, dan links, nu stonden zij stil, dan weder vereenigden zij zich, nu eens sneller dan weder langzamer zich bewegend, onder het voordragen van de talrijke en heerlijke hymnen der „Antigone”. Gloeiend van geestdrift gaf de didaskalos20de maat aan met de handen en voeten, menigmaal zelfs, als de geestdrift hem overmeesterde, met het geheele lichaam. De dichter trad herhaaldelijk tusschenbeide. Hij had ook zijn best gedaan de zangwijzen der reizangen uit te denken en de dansbewegingen van het koor passend te maken. Soms liet hij den fluitspeler weggaan, greep het snareninstrument en begeleidde het koor, om beter het gezang en de plechtige bewegingen te kunnen regelen.Evenals Sophocles bezig was in het huis van Hipponicus, zoo deed Euripides in dat van Pyrilampes, Ion in dat van Midas, Cratinus in dat van Aristocles en andere dichters in de huizen der andere choregen, als veldheeren, die hunne troepen onderrichten en aansporen, allen begeerig om den Dionysischen zegeprijs te behalen.De huizen der choregen waren als zoovele brandpunten, waaruit zich eene gespannen verwachting en eene levendige belangstelling over de stad verspreidde; in de overwinning toch van den choreeg waren ook zijne verwantefamiliënbetrokken en hare namen werden eveneens genoemd. De spanning, waarin bij dergelijke gelegenheden gewoonlijk het Atheensche volk verkeerde, had ditmaal een buitengemeen hoogen trap bereikt, daar Hipponicus en Pyrilampes ongehoorde pogingen in ’t werk stelden, om zich de zege te verzekeren, daarbij voegde zich de veete, die er tusschen de beide mededingers bestond en die iederen dag[253]in handtastelijkheden dreigde over te gaan en eene onbeperkte stof aanbood voor de praatzieke tongen der Atheners. De staatsaangelegenheden, de zaken in den Piraeus, alles werd ter zijde gesteld; en al ware er juist eene Atheensche vloot tegen den vijand in zee geloopen, men zou in die dagen minder over haar hebben gesproken, dan over Hipponicus en Pyrilampes.Zie, daar ontmoeten elkander op de Agora twee mannen, die op vertrouwelijken toon van geheel andere zaken spreken, dan over de vijandschap van Hipponicus en Pyrilampes. Het zijn Pericles en Anaxagoras.„Gij zijt in gepeinzen verdiept,” zei de wijze tot zijn vriend; „koestert gij nieuwe gedachten en plannen voor den staat of vervult eene schoone vrouw uw hoofd?”„Wellicht beide,” hernam Pericles. „Hoe schoon zou het zijn, als men een van die twee, de vrouwen, kon ontberen, om zich onverdeeld aan de staatsbelangen of de wijsheid of eene andere, groote ernstige zaak te kunnen wijden!”„Men kan de vrouwen ontberen—men kan alles ontberen,” zeide Anaxagoras met nadruk en verdiepte zich in een betoog hoeveel beter het was, daar men toch eigenlijk nooit iets waarachtig en bestendig bezitten kan, van te voren van alles afstand te doen.Pericles luisterde geduldig naar den wijze, maar zijn gelaat drukte duidelijk uit, dat hij niet van gedachte veranderd noch overtuigd was geworden.„Wanneer gij nu eenmaal,” zoo besloot Anaxagoras zijn betoog, „de vrouw niet missen kunt, dan is, wel beschouwd, de uwe, ik bedoel Telesippe, toch even goed als iedere andere. Zij baart u kinderen. Wilt gij meer van haar?”„Gij kent haar toch,” hernam Pericles. „Gij weet, hoe bijgeloovig zij is en bekrompen van verstand en de vriendin van niet ééne Muze. Misschien was dit nog te verdragen, indien zij zooveel zachtheid van gemoed bezat als men haar bewijst. Maar deze[254]vrouw is altijd weerbarstig en vol vooroordeelen en aan mijne beste bedoelingen weet zij altijd eene hatelijke uitlegging te geven. Wanneer ik vroeger meermalen haar een keurig onderkleed ten geschenke gaf of iets bekoorlijks, wat in huis of in de slaapkamer haar bevalliger maakte, dan nam zij dit zeer kwalijk en vroeg:„Ben ik u dan niet meer mooi genoeg, dat gij zulke dingen voor mij noodig oordeelt? Wanneer ik u niet beval, zooals ik ben, dan wil ik u ook niet opgesierd bevallen.” Kan men dwazer en onvrouwelijker spreken? Tooit niet zelfs de jongste, schoonste vrouw zich gaarne voor haren geliefde en is het niet eene natuurlijke begeerte van den minnaar of den echtgenoot, de beminde vrouw zoo bekoorlijk mogelijk te versieren? In alle zaken, over het algemeen, die de liefde gelden, heeft ze altijd die eigenzinnigheid gehad, die de schoonste vrouw onverdragelijk maakt. Gij weet voorts, dat het mij eigen is zindelijkheid en reinheid tot in het hartstochtelijke te drijven. Hoeveel harde woorden zijn er niet tusschen ons gevallen over het varkenskot en het hoenderhok, dat zich naar oud gebruik, vlak bij den huiselijken haard bevindt, dat mij een gruwel is, doch haar zoo na aan ’t hart ligt. Het gevoel van viesheid kent zij niet. Biedt zij mij niet de lippen tot een kus, bezoedeld met het vuil of het kwijl, dat zij juist van het gezicht harer kinderen heeft afgekust? Want in het vuil, ja zelfs in den uitslag harer kinderen, als zij soms ziek zijn, zonder noodzakelijkheid met hare vingers en lippen te wroeten, schijnt haar een natuurlijke en noodzakelijke uiting te zijn der moederlijke liefde. Maar moet eene moeder niet tegelijk gade zijn? Moet eene weldenkende en gevoelige vrouw niet beide liefdeplichten weten te vereenigen en met nauwgezetheid vervullen? En wat beteekent de moederlijke teederheid, de aangeboren drift, die zij met elke wijfjesaap gemeen heeft, wanneer zij alleen in de duistere neiging der natuur geworteld is, als zij niet gepaard gaat met het goede inzicht, wat werkelijk[255]voor de kinderen nuttig is of niet? Hebt gij zelf niet dikwijls gevraagd: wat baat natuurdrift zonder kennis en zonder de zedelijke wijding, die haar van het dierlijke tot het menschelijke verheft!”—„Wat dit laatste punt aangaat hebt gij goed en verstandig gesproken,” merkte Anaxagoras op. „Maar wat gij zeidet over die rokjes met schoone franjes en schitterend van kleur en wat niet al, die Telesippe niet wilde aannemen, dit is, verstandig beschouwd, dwaasheid en verderfelijke weelderigheid. Zulke pronkerij is uit den booze. Een vrouw is eene vrouw, zeg ik u. In naam der wijsheid laat af van alle dweeperij voor de schoone Milesische Aspasia!”„Is het mijne schuld,” vroeg Pericles glimlachend, „dat de schoonheid op aarde door de Goden sterker is gemaakt dan de wijsheid?”——Op den dag van dit gesprek was er iets geschied, dat, zoo Pericles toevallig met eigen oogen had gezien, hem verdrietig en bezorgd zou hebben gemaakt, wellicht zelfs zijn geloof aan de voortreffelijkheid der Milesische zou hebben geschokt en den vurigen gloed zijner bezieling voor haar, als vuur door water, in een plotselingen rook en walm zou hebben uitgedoofd.Van Aspasia waren naar den dichter Sophocles en van dezen naar de Milesische herhaaldelijk geheime boden gegaan. Ja, eens had men den dichter zelven in het schemerend avonduur heimelijk het huis van de schoone vriendin van Pericles zien binnengaan.Thans gebeurde het, dat Aspasia naar hare woning terugkeerende, door een man werd vergezeld, dien loerende buren in de schemering voor Pericles hielden.Doch het was Sophocles. Voor de deur harer woning stonden beiden een oogenblik stil.Overwegenzij soms of de begeleider den drempel zou overschrijden of terug zou keeren? Eindelijk vroeg de dichter met zijne zachte welluidende stem aan de schoone Milesische:[256]„Wat is heiliger de vriendschap of de liefde?—„Heiliger is toch wel in ieder bijzonder geval, zij die de oudste is,”—zei Aspasia glimlachende en de raadselachtige vraag op even raadselachtige wijze beantwoordende.—Nadat deze woorden onder hen gewisseld waren, nam Sophocles afscheid en keerde terug, terwijl Aspasia hare woning binnentrad.Op den morgen na deze kleine gebeurtenis begaf zich de ziener Lampon naar het huis van de hem toegenegen zuster van Cimon. Hij kwam van de Acropolis waar hij wederom geruimen tijd met Diopithes had gefluisterd.Nauwelijks was de priesterdienst, om welke Elpinice den ziener had ontboden, ten einde gebracht of deze leidde met een geheimzinnig en veelbeteekenend gezicht het gesprek op Pericles en Aspasia.Het manwijf en de ziener waren dikwijls gewoon de hun ter oore gekomen praatjes en nieuwtjes elkander mede te deelen.„De Goden schijnen den trotschen Pericles te willen straffen,” begon Lampon.„Wat is er dan geschied?” vroeg Elpinice in gespannen verwachting.„Voorloopig dit,” hernam de andere, „dat in het schemerlicht van den avond heimelijk ook een ander naar de schoone vriendin van den Olympiër sluipt.”—„Waarom niet?” zei Elpinice. „Zij is immers eene hetaere. Maar wie is die andere?”„Pericles’ beste vriend, „de lieveling der Goden” zooals hij zich gaarne hoort noemen, de vriendelijk lachende treurspeldichter uit het vlek Colonos.”„Een vrouwengek,” riep Elpinice uit; „een vrouwengek en een oude liefhebber, evenals Pericles zelf.—Maar dat is oud nieuws, wat gij mij daar vertelt, vriend Lampon. Het is geruimen tijd geleden, dat men dien dichter voor de eerste maal in het gezelschap van Pericles en Aspasia heeft gezien. Het is overbekend, dat hij niet minder dan zijn vriend voor die boeleerster in liefde ontvlamd is. Het vermoeden[257]lag dus voor de hand, dat hij naar haar toe zou sluipen. Maar wie heeft hem gezien? Wie zal het op zijn woord getuigen?”„Ik zelf,” hernam Lampon. „Ik zelf heb hen gezien en hoorde zelfs in het voorbijgaan een klein gesprek voor de huisdeur. En een tweeden getuige, zoo noodig, bezorgt ons Diopithes.”„Dat is goed,” hernam Elpinice met innig genoegen.„Deze tijding, aan Pericles overgebracht, brengt zijne liefde voor de Milesische den genadeslag toe. Deze liefde is het schandelijkst en goddelooste, wat men hier in Athene vindt, en de Ionische hetaere is de groote verleidster. Zij moet verwijderd, verdreven, ten gronde gericht worden. Maar wie neemt het op zich Pericles die tijding te brengen?”—„’t Beste zou Theodota dat kunnen,”meent Diopithes.„Deze vrouw heeft sedert eenigen tijd, en niet met ongunstig gevolg, hare strikken voor den minnaar van Aspasia gespannen. En als zij het nu is, die hem het bewijs van Aspasia’s ontrouw levert, kan zij deze daardoor het zekerst verdringen en hare plaats innemen.”„Arme Telesippe!” riep Cimon’s zuster uit. „Het beste ware zeker, als gij in ’t geheel geene medeminnares hadt; doch voor ’t oogenblik is reeds veel, is reeds alles gewonnen, wanneer maar die Milesische uit de deur wordt gezet.”„Zoo is het,” hernam Lampon. „Uit het hart van een man als die Pericles, kan eene schoone en sluwe vrouw alleen door eene andere schoone en sluwe vrouw verdreven worden. Theodota is veel minder gevaarlijk dan Aspasia. Integendeel deze veile Corinthische is als was in onze handen. Zij moet Pericles onder de belofte hem uitvoerige en belangrijke mededeelingen aangaande de trouwelooze Aspasia te doen in haar huis lokken. Dan volgt het overige van zelf.”„Wij zijn zeker, dat onze pogingen slagen zullen,” hernam Elpinice. „Pericles heeft reeds een begeerig oog op haar geslagen. Ik weet het. Hij is reeds[258]eens in haar huis geweest, zij het ook in gezelschap der Milesische, die overmoedig genoeg was, hem daarheen te voeren.”—„Op aansporing van Alcamenes,” zeide Lampon.„Deze heeft ons in de hand gewerkt. Ook hij behoort tot degenen, die de Milesische haten en het met genoegen zullen zien, dat zij beschaamd, vernederd en door Pericles verstooten wordt. Hij wil zich wreken op de vrouw, die hem om Pericles heeft verraden. Lang vóór ons heeft hij het voornemen opgevat, door Theodota de Milesische uit de gunst van den gevierden man te verdringen. Hem ontbraken slechts de geschikte wapenen tegen Aspasia. Wij willen hem die verschaffen. Wie echter zal nu Alcamenes inlichten dat hij zich met de Corinthische moet verstaan, om het plan te volvoeren?”—Elpinice dacht een oogenblik na, daarop sprak zij:„Laat mij daarvoor zorgen. Ik ken de bijpaden die wij moeten inslaan om de boodschap juist, zooals wij verlangen, ter oore van de Corinthische te brengen.”—Van dit oogenblik af had Aspasia zich niet alleen tegen Telesippe, maar ook tegen Theodota tot een ernstigen kamp uit te rusten.Elpinice wendde zich tot Polygnotus; deze was met Agoracritus, Aspasia’s bittersten vijand, bevriend. Agoracritus bracht de boodschap van Lampon en Elpinice aan zijn makker in de werkplaats van Phidias over en deze heethoofd vond de gelegenheid om zich op de trotsche schoone te wreken te verleidelijk; hij had spoedig met zijne wakkere vriendin een plan beraamd, om hun opzet te volvoeren.In deze wolken flikkerde dus de bliksemstraal, die geslingerd zou worden om den liefdeband te verbreken tusschen den voortreffelijksten man en de schoonste vrouw in Griekenland, de bliksem, die in de eerste plaats heimelijk gesmeed was in de smidse, van den mokkenden, ouden GodErechtheüsop den burg.——[259]De viering der Dionysiën was dartel en luidruchtig begonnen. De laatste dagen van het feest waren aan den wedstrijd der tragische Muze gewijd.Lichte regenwolken dreven, terwijl de dolle comedie vanCratinusonder de uitgelaten vreugde der toeschouwers werd opgevoerd, van den Hymettus af over het Dionysus-theater en de opperpriester van Dionysus, die daar voor het geheele volk op zijn heerlijken, met marmeren beelden versierden zetel in de orchestra21zat, voelde een regendroppel op zijn neus vallen, juist op het oogenblik dat de overmoedige Cratinus tegen den persoon van den zelfden priester Agasthenes, onder het luidruchtig gelach van alle Atheners, een gevleugelden pijl van zijn Attisch vernuft afschoot.„Het begint te druppelen,” zei de opperpriester tot zijn buurman Pericles: „mij dunkt, wij moesten het schouwspel staken.”„De wolk drijft over,” hernam deze lachend.Doch zie, daar snort een nieuwe pijl. En deze pijl trof zijn buurman zelven. Alle Atheners lachten en keken naar Pericles, en Pericles lachte mede.Maar een derde pijl snorde; hij trof de nieuwe Hera en den nieuwen Olympischen Zeus, de Milesische Omphale22en den Atheenschen Heracles …Wederom zagen alle Atheners naar Pericles. Maar Pericles lachte niet meer. Eene wolk trok langs het voorhoofd van den Olympiër. De snorrende pijl had Aspasia getroffen …Andere schouwspelen volgden en zoo ging voor de Atheners het grootste gedeelte van den eersten dag voorbij. Verscheidene verwijderden zich, om straks terug te keeren, velen hielden het tot het einde toe vol. De gegoeden lieten zich door[260]hunne slaven wijn, ooft en koeken tot verkwikking brengen.Den volgenden dag begon alles opnieuw. Wederom zaten dertigduizend Atheners op de steenen zitplaatsen van den Dionysus-schouwburg, de omkranste overheidspersonen op afzonderlijke, schoon versierde, marmeren zetels in de voorste rijen, de rijken op purperen kussens, die zij zelven hadden medegebracht, door hunne slaven bediend, de armen met eenige vijgen of uien in hun ransel, waarmede zij het den geheelen dag moesten doen. Doch zoowel deze laatsten als de eersten gevoelden zich als Atheners geroepen, om het schoonste te zien en spraken met groote geleerdheid over Sophocles en Ion enEuripidesen keken eens met turenden blik naar de wolken des hemels, of niet eene daarvan de feestvreugde van den dag zou verminderen of verstoren.Wederom hadden de eerste duizenden van het aanstormende volk zich in de ruimte van het kolossale amphitheater als Pygmaeen verloren. Thans was de geheele schouwburg van de bovenste rijen tot de onderste toe gevuld; het scheen wel een reusachtige, kokende en bruisende menschenkrater. Bijna bedwelmend en huiveringwekkend was het van de bovenste rijen neer te zien op deze golvende zee van menschenhoofden.In die onstuimige dwarreling deed hoe langs zoo meer een dreigend tumult zich hooren. Heden toch zou de fel ontbrande strijd tusschen Hipponicus en Pyrilampes tot een beslissing komen. De partijen der beide choregen schenen handgemeen te zullen worden. Als een hunner zich te midden der toeschouwers vertoonde, klonken er kreten van vrienden en tegenstanders, bijvalsbetuigingen en hoonend gesis.Onophoudelijk waren de agonotheten23en mastigophoren24in de weer; telkens vlogen zij de trappen,[261]die dwars door de zitplaatsen liepen, op, om hier een twist te beslechten, daar een oproermaker tot rust te brengen.De rustigste onder die woelige menigte was Socrates, de mijmeraar uit Phidias’ werkplaats. Hij was ook gekomen, niet zoozeer om de schouwspelen, als wel om de toeschouwers te zien en over hunne handelingen na te denken.„Daar zitten dertigduizend Atheners in gespannen aandacht,” zeide hij in zich zelven; „allen vol begeerte om eene verdichte geschiedenis te hooren, om door valsche tranen en voorgewende smart zich te laten roeren. Zij zijn als de kinderen, die met open mond naar sprookjes luisteren, alleen met dit onderscheid, dat deze niet weten, dat zij verzonnen zijn, genen echter het wel degelijk weten. Van waar komt toch wel die zeldzame lust bij de menschen naar het nagebootste, het verdichte?”——De schoone Theodota zat onder de toeschouwers. Zij was op het sierlijkst uitgedost. Haar oog was bijna onafgewend op den strategenzetel gevestigd, waarop Pericles zat. Pericles kon zich niet onthouden, van tijd tot tijd den vurigen blik uit hare donkere oogen te beantwoorden.Eindelijk klonk boven het gonzen der menigte de helder klinkende stem van den heraut uit, die stilte gebood. Nu werd een dankoffer gebracht bij het altaar van Dionysus. Daarop deed opnieuw de stem van den heraut zich hooren:„Het koor van Ion trede op!”Het treurspel van Ion werd door de Atheners aangehoord, toegejuicht, geschat op zijn juiste waarde door hun aangeboren fijn gevoel. Een tragedie van Philocles volgde. De uitspraak van den protagonist voldeed niet aan het fijne Attische oor. Een onweerstorm van gelach, gemor, snijdend gesis brak over hem uit. Het ontbrak niet aan spottende tongen en trappelende voeten. Een blijspel kwam thans aan de beurt. Nu was de spotter meester van het terrein, zelfs verheven boven alle Olympische Goden. De meest onbedwongen scherts gaf zich[262]lucht in de kunstige rhythmen.Toen trad het koor van Euripides op.Het werk van dezen dichter bewoog de gemoederen. De vrouwen waren geroerd door datgene, wat tot het hart sprak, de mannen meegesleept door de schitterende gedachten, waarmede het geheele dichtstuk als het ware doorwerkt en doorweven was, als gouden draden in een purperen weefsel. Met kreten van verrassing en bewondering werd de schitterende pracht van het koor begroet. Zoo iets had men schier nog nooit gezien. Donderende toejuiching volgde, toen het stuk afgespeeld was. Pyrilampes en zijne vrienden waren uitermate verheugd en waanden zich reeds zeker van de overwinning.In den korten tijd, die er tusschen de voorstelling van dit treurspel en den aanvang van het volgende verstreek naderde eensklaps een slaaf den zetel van Pericles en reikte hem eentoegevouwenblad papier.Pericles opende het en las deze woorden:„Sophocles sluipt in de avondschemering het huis van Aspasia binnen.”Pericles was getroffen. Wie had die regels geschreven?—Zij kwamen van Theodota. Toen Pericles naar den brenger van dit korte en zonderlinge bericht omzag, was deze reeds verdwenen.—Uit zijn ernstig denken wekte den strateeg de helderklinkende stem van den heraut, die zich wederom deed hooren:„Het koor van Sophocles trede op!”En nu werd een treurspel der liefde voor het oog en het oor der Grieken opgevoerd, een treurspel der liefde onder die drie gestalten, waarin zij achtereenvolgens het menschenhart op zijn levensweg aandoet: de zusterliefde, de liefde der bruid, de moederliefde. Ter wille van haar geliefde broeder sterft Antigone, ter wille van de geliefde bruid sterft Haemon en ter wille van den geliefden zoon sterft Eurydice.—Een lang, donker treurgewaad omhult der hooge[263]gestalte van Oedipus’ dochter. De maskers toonen ernstige, edele jonkvrouwelijke gezichten, zacht en roerend klinken hare stemmen.—Antigone zweert haar broeder te zullen begraven, dien koning Creon den honden en roofvogels tot eene prooi heeft voorgeworpen; den ingeschapen, goddelijken plicht wil zij vervullen, trots alle menschelijke inzettingen.Het koor van edele, Thebaansche grijsaards treedt voor, zijne eerste reien ontplooien in purperen gewaad, vol Dionysischen luister, de hoofden met goud getooid; daar klinkt de heerlijke, machtig aangrijpende met zijne afwisselende rhythmen wegsleepende hymnus:„Straal der zonne, wees gegroet.”Koning Creon betreedt het tooneel in goud gestikt, purperen gewaad, het voorhoofd met den diadeem versierd, steunende op een schepter, waarop een adelaar zijne wieken ontplooit. Boven de gewone maat van den man verheft hem de cothurnus, gebiedende waardigheid verleent hem het masker, geweldig staat hij daar, zelfs voor het oog van den verst verwijderden toeschouwer in de kolossale ruimte. Het recht van den gebiedenden heerscher wil hij doen gelden tegenover de edele jonkvrouw—zij echter kent slechts één hoogsten plicht, haar in het hart gegrift: de liefde—en den koning, die de wreedheid tegen den broeder met den rechtmatigen haat der burgers van Thebe tegen hem verdedigt, geeft zij slechts dit eene onsterfelijke antwoord:„Mij schiep natuur tot liefde, niet tot haat.”En zij gaat heen om te doen, wat zij gezworen heeft en het recht der levenden voor het recht der dooden ten offer te brengen. In een ernstigen, verheven rei bezingt het koor de grootheid van den mensch en zijne hemeltergende vermetelheid—en betreurt het erfelijke leed der Labdaciden25;[264]Haemon, Creon’s eigen zoon, komt en smeekt zijn vader om het leven van Antigone, zijn teergeliefde bruid—doch de vorst houdt streng vast aan zijn voornemen en als Ismene vraagt:„Zult gij de bruid dan dooden van uw zoon?”klinkt het harde antwoord:„Ook andere velden nog beloven vrucht.”Vertwijfelend ijlt de bruidegom weg, met een onheilspellend gelaat—en nu weêrklinkt in het koor der edele Thebaansche grijsaards dat lied, ’t welk gedicht werd op dien zonnigen dag, toen Pericles en Aspasia in den lusthof van den dichter in het Cephissus-dal verwijlden:„God der liefde, nooit bedwongen,Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed,Waar uw pijl is ingedrongen,Voor uw almacht buigen doet!”Nu echter begint in afwisselenden zang van het koor, de roerende klacht van Oedipus’ dochter, die gedoemd is, om levend neer te dalen in de groeve—aandoenlijk, hartverscheurend klinkt de treurzang en bij dit glanspunt der tragedie is ieder oog van de ademloos luisterende Atheners vochtig van innerlijke aandoening. De jonkvrouw naöogend op haar doodsweg, vermeldt de rei des grijsaards:„Zoo werd ook Danaë aan ’t licht der zonOntrukt, in ’t koperen gewelf gesloten,Waar als in ’t graf geen oog haar vinden kon.—Tiresias komt, de onfeilbare, grijze ziener treedt op en spreekt eene ernstige vermaning, om den onverzoenlijken te verbidden en eindelijk buigen de onsterfelijken zijn onwrikbaren trots—hij laat, door een vreeselijk voorgevoel aangegrepen, zijne vermetelheid varen—reeds roept het koor in een vroolijken jubelzang den God der vreugde, Dionysus, aan:[265]„Lievling der Thebaansche maagdZoon van Zeus, wiens donderslagenRaatlend door het luchtruim jagen;Kom, terwijl we in blijden zin’t Feestlied door uw stad doen schallen,Zegenbrengend Theben in!”Indrukwekkend klinkt die jubelzang na het sombere grafgezang—doch plotseling versterven die juichtonen en maken opnieuw plaats voor het grafgezang; want Antigone heeft zich zelve in de groeve van het leven beroofd en haar lijk omklemmend is Haemon, door zijn eigen staal geveld, met haar afgedaald in den nacht van den Hades.En nu verschijnt Eurydice, de gemalin van den weeklagenden Creon. Zij verneemt de tijding van den dood van haar geliefden zoon. Uit den mond van den bode hoort zij dat beiden vereenigd in den dood zijn gegaan in de sombere groeve. Op de tijding van het uiteinde haars zoons breekt haar moederhart.Geweldig greep dat doodsbericht uit den mond van den bode de gemoederen aan. Doch nog aangrijpender klonken de weinige woorden uit den mond der koningin, die zich als offer wil geven aan den dood.Ademloos luisterden de Atheners naar het wegsterven der laatste woorden van dit grootsch en verheven treurspel: met eene strophe ter aanprijzing der wijsheid eindigde het treurspel als met een verheven slotaccoord.Groot en diep was de indruk, dien de tragedie van Sophocles, drie liefdebanden en drie doodsoffers in elkander strengelend, op de gemoederen der aandachtige Grieken teweegbracht. Zóó schoon was de strenge, sombere ernst der tragische kunst nog nooit verzacht,—zóó menschelijk was hetverhevene, zóóverheven was het menschelijke door niemand ooit uitgesproken.Maar ook nooit was in eenige tragedie zulk een overvloed van heerlijke gezangen, zoo rijk en beteekenisvol[266]over de toehoorders uitgestort; zoo harmonisch volkomen tot in het kleinste had het Attisch tooneel nog geene schepping gezien, zoo’n kunstvaardig en schitterend koor was nog nooit voor de verzamelde Atheners opgetreden.Toen het koor van Hipponicus zich verwijderd had en de dramatische wedstrijd geëindigd was, verhief het geheele volk met luide kreten onstuimig zich ten gunste van Hipponicus, zoodat de kamprechters zonder beraadslaging onverwijld den dichter der Antigone en zijn choreeg, ten aanhoore der vergaderde menigte, die vol spanning de uitspraak verbeidde, als overwinnaars in den tragischen wedstrijd uitriepen. Sophocles en Hipponicus verschenen overeenkomstig het gebruik op het tooneel, om voor de oogen van het volk uit de hand der kamprechters den zegekrans te ontvangen.Onmogelijk is het de vreugde en den trots van Hipponicus te schilderen, onmogelijk ook de verwoede verbittering van Pyrilampes en de zijnen.Toen Pericles den schouwburg verliet, ontstuwd door de ontzaglijke menigte, zag hij te midden van het gedrang eensklaps Theodota aan zijne zijde. Haar schoon gelaat was met de teederste blikken, met den verrukkelijksten glimlach om den mond verleidelijk naar hem toegekeerd. Zonder bemerkt te worden drukte zij hem een blad papier in de hand.Er stonden eenige regels op geschreven, Pericles las ze.De inhoud was als volgt:„Verlangt gij bericht omtrent Sophocles en Aspasia, kom dan tot Theodota. Een slaaf wacht u onder de zuilen van den Tholus en zal langs een geheimen weg u door een achterdeur in mijn huis geleiden.”Voordat Pericles er over kon denken, of hij deze uitnoodiging zou aannemen, geraakte hij, verder wandelende, onder de schare van Sophocles’ vrienden, die den dichter hartelijk geluk wenschten.[267]Toen Sophocles hem zag, onttrok hij zich aan de gelukwenschingen zijner vrienden en snelde hem te gemoet.Pericles, hoewel ontstemd en peinzend, wenschte den overwinnaar eveneens van harte geluk.„Ik dank u,” zeide Sophocles, „doch spreek niet als vriend tot mij, maar als kunstrechter.”Met moeite datgene, wat in dit oogenblik hem meer dan alles vervulde, van zich zettende, sprak Pericles:„Weet gij, wat mij in uw treurspel reden tot nadenken heeft gegeven? Het heeft mij, gelijk vele andere toeschouwers, bijna bevreemd naast de banden des bloeds, dien den Griek sedert overoude tijden steeds heilig zijn geweest, nu ook de banden der teedere min met gelijk recht, met gelijke macht, met gelijken doodsernst in het treurspel geteekend te zien. Levendig houdt deze nieuwheid mijn geest bezig, en nog weet ik niet te zeggen, of gij daarin ten volle recht hebt.”Van dit onderwerp afstappende, vervolgde Pericles:„Waart gij het niet zelf, die onder het masker van den bode dat aangrijpend verhaal van den dood van Haemon zoo plechtig schoon hebt voorgedragen? Ik meende uwe stem te herkennen. Doch wie sprak de woorden van Eurydice? Welke tooneelspeler stak achter het masker van deze koningin? Ik weet niet, welke verwonderlijke, het gemoed heimelijk aangrijpende betoovering de toeschouwers beving, toen gij beiden, gij als bode en die koningin tegen elkander overstondt. Welke man, tenzij Polus, zou dien wonderlijken klank der stem zoo heerlijk kunnen weergeven?”„Ook Polus niet,” hernam Sophocles glimlachend. „Gij hebt straks van nieuwigheden in mijn stuk gesproken; weet dan, dat bij deze voorstelling ook eene nieuwigheid is gewaagd, waarvan tot heden geen menschenziel afweet, behalve ik zelf en de eerlijke Hipponicus. Voor de eerste maal,[268]sedert Thespis26zijn kar in beweging bracht, heeft heden op ons tooneel achter het masker eene werkelijke vrouw gestoken. Wees gij nu de derde in het geheim en laat het tusschen ons drieën voor alle volgende tijden bewaard blijven.”„En wie was die vrouw,” vroeg Pericles, „die het gewaagd heeft, zij ’t ook onbekend, het tooneel te betreden? en het oude gebruik en de goede oude zeden te trotseeren?”„Gij zult ze zien,” antwoordde Sophocles en verdween voor een oogenblik; weldra keerde hij terug met eene vrouw, die zoo dicht omsluierd was, dat ze onmogelijk was te herkennen.Sophocles voerde haar en Pericles iets meer ter zijde opdat zij volkomen veilig zouden zijn voor de nieuwsgierige blikken der menigte. Daarop sprak hij:„Is het nog noodig Pericles, dat zij zich ontsluiere, om de vrouw te herkennen, die niet alleen de schoonste, maar ook de moedigste is van haar geslacht?”Pericles was getroffen.„Ja, zij moet zich ontsluieren,” sprak hij op een koelen en ernstigen toon. Met vaste hand trok de vrouw den sluier van het gelaat en Pericles stond tegenover Aspasia.Hij kon geen woord uiten. De inhoud van dat briefje van Theodota scheen dus waar te zijn geweest. Aspasia had, zooals nu duidelijk werd, zonder zijne voorkennis heimelijk met den dichter samengewerkt, om het stoute plan ten uitvoer te brengen. Hij kende de trouwe vriendschap van den edelen Sophocles, doch Aspasia had een nieuw bewijs gegeven, dat haar geest in dartele vrijheid met alle boeien spotte.Alles wat daar in het gemoed van Pericles omging,[269]las Aspasia duidelijk op zijn voorhoofd, in zijne zamengetrokken wenkbrauwen, in den donkeren blik zijner oogen.En dit welsprekende zwijgen met haar gewone levendigheid beantwoordende, sprak zij:„Frons uwe wenkbrauwen niet, Pericles, en boven alles vertoorn u niet op uw vriend Sophocles. Door mij gedwongen, heeft hij die vermetelheid begaan.”„Wees ook niet toornig op Aspasia,” viel de dichter haar in de rede, „want weet, dat zij mij heeft doen inzien, dat de vriendschap heiliger is dan de liefde, wanneer zij ouder is dan de liefde.”„Strijd tegen het overgeleverde is mijne roeping!” vervolgde Aspasia, „en waarom zoudt gij dan op mij verstoord zijn, als ik niet minder belang stel in de schoone poëzie van Sophocles, dan in de marmeren beelden van Phidias’ werkplaats? Om de schoonheid en de vrijheid te vinden, ben ik naar Hellas gekomen. Had ik slavernij gezocht, dan was ik aan het Perzische hof gebleven en had een kwijnend leven voortgesleept onder den matten liefdeblik van den grooten koning. Wat u op dit oogenblik bezielt, Pericles, is een waan, een vooroordeel, eene ergerlijke bekrompenheid, een vrije Helleen onwaardig. Verdrijf ze uit uw gemoed, o Pericles!”Thans naderde hen Hipponicus, die Pericles en Aspasia uitnoodigde deel te nemen aan het feestmaal, dat hij op een der volgende dagen wenschte te houden, om op waardige wijze de overwinning van Sophocles en de zijnen te vieren.De avond begon reeds te vallen, toen Pericles afscheid nam van Hipponicus, Sophocles en Aspasia. Peinzend wandelde hij voort.Hij dacht aan Aspasia. Hij overwoog in zijn hart, wat zij zooeven had gesproken. Hij moest haar volkomen gelijk geven. Geen kluister mocht de liefde zijn, geen slavenjuk voor Aspasia.Maar ook voor hem zelve niet.„Gij kunt Theodota bezoeken,” sprak hij schier onhoorbaar; „het is misschien niet goed een langen[270]tijd onafgebroken zich aan één vrouw over te geven.”De eischen van de fiere en vrije Aspasia schenen hem thans in volkomen overeenstemming te zijn met de ernstige woorden van Anaxagoras.Nu kwam hem ook weder het briefje van de Corinthische te binnen en hij dacht aan den slaaf, die hem onder de zuilen van den Tholus wachtte. Het bericht, dat hem Theodota had gegeven, was hem nu door Sophocles veel nauwkeuriger medegedeeld, dan Theodota het zou kunnen doen. Maar zou zij misschien nog niet iets anders te zeggen hebben?Hij naderde de zuilen van den Tholus. De slaaf trad op hem toe en voerde hem door eenzame steegjes tot aan een tuinhaag, waar hij een klein poortje wilde opendoen. Pericles stond aan den drempel van Theodota’s woning. Hij kon binnentreden. Niemand zag hem. De nachtegalen kweelden in de boschjes van den tuin.Plotseling echter stond Pericles stil. Hij bedacht zich en bevond, dat hem op dit oogenblik de lust om Theodota te spreken geheel en al ontbrak. Hij verbaasde zich over zich zelven. Hij zeide tot den slaaf, dat hij zijn bezoek tot een volgenden keer wenschte uit te stellen. Deze keek hem verbaasd aan. Hij echter verwijderde zich met langzame schreden en vervolgde zijn weg.—De maan was opgegaan en verspreidde haar zacht licht over de aarde. In haar stralen schitterde de zee en een zilveren glans tintte de kruinen van Attica’s bergen. De lucht was zoel en verkwikkend. Daar klonken op eens in de verte de tonen, door de avondlucht gedragen, van den heerlijken reizang uit de Antigone:„God der liefde, nooit bedwongen,Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed,Waar uw pijl is ingedrongen,Voor uw almacht buigen doet!”Pericles in ’t oor.[271]Jongelieden, uit den schouwburg terugkeerende, zongen stukken uit die beroemde rei, die hen had verrukt en vroolijk gestemd in de zachte avondkoelte.Eene andere onrust voegde zich bij de inwendige ontroering van Pericles en bij zijne gedachten aan Aspasia. Hij benijdde bijna Sophocles en Hipponicus de lauweren, die zij zich dezen dag om de slapen hadden gewonden. Het was hem te moede, alsof hij het zwaard om de lendenen gorden en een leger of vloot wilde verzamelen en voortstormen om schitterende zegepralen te bevechten. De lange vrede begon hem roemloos toe te schijnen. Een drukkend gevoel bekroop hem, waarvan hij echter al peinzend voortwandelend bevrijd werd, toen hij de blinkende tinnen van de Acropolis vóór zich zag opdoemen en de nagalm van den schoonen Antigone-dag weder ruischte in zijne ziel.Hij was juist op de plaats gekomen van den hellenden weg, waar van den eenen kant de geweldige, reusachtige graniet- en marmermassa van denDionysus-schouwburgzich verhieven in de diepte, aan den anderen de rotsen van den burgtberg, beschenen door het licht der maan, majestueus tegen de lucht afstaken. In de ontzachelijke ruimte van den schouwburg heerschte de stilte van het graf, waar den geheelen dag door een zoo bont en opgewekt leven zich had bewogen, waar de hoogste uiting der Grieksche dichtkunst zich zoo plechtig hadden geopenbaard.Pericles zag neder in die diepte van den schouwburg en dan weder richtte hij zijn oog naar de heldere hoogte van de Acropolis, waar de tempel van Phidias begon te verrijzen. Zijn eigen persoon en lot verdwenen naar den achtergrond, het wolkje op zijn voorhoofd dreef voorbij, zijne borst verwijdde zich en uit deze diepte en van die hoogte voelde hij zich door een geest van profetie bezield, die hem den roem zijner vaderstad voorspelde en een adem van onsterfelijk leven scheen er te zweven over zijn hoofd.[272]

Wanneer men in de lentemaand Elaphebolion2van het vierde jaar der vierentachtigste Olympiade het huis van den rijken Hipponicus te Athene voorbijging, zou men fluitspel en mannenstemmen, die zich oefenden voor een reizang, kunnen hooren, daar het geluid uit het binnenste van het huis voorkomende, tot op de straat doordrong.

Hetzelfde kon men vernemen, als men het huis van den rijken Pyrilampes en dat van den rijken Midas en dat van den rijken Aristocles en de huizen van andere rijke Atheners voorbijging. Het scheen bijna, alsof de beitelslagen wederom overstemd zouden worden door de tonen van fluiten en het snarenspel en de stemmen van kunstvaardige zangers, die de liederen der dichters zongen. Want het feest ter eere van Dionysus, de Dionysiën, was wedergekeerd en daarmede de tijd aangebroken, dat de Atheners, met achterstelling van alle belangen, zich bezig hielden met de dramatische voorstellingen in het theater van Dionysus.[242]

De stukken waren, overeenkomstig het gebruik, door de dichters bij den tweeden Archont ingediend. Deze had naar het oordeel van deskundigen die stukken uitgekozen, welke het best geschikt waren voor de opvoering; de tooneelspelers, welke daarin zouden optreden, werden op staatskosten aangewezen en die rijke Atheensche burgers, die voor ditmaal de „choregie” moesten betalen, kleeden, bekostigen en laten oefenen, waren aangewezen om hun plicht te vervullen. De rijke Hipponicus had een koor te stellen voor de Antigone van Sophocles, de rijke Pyrilampes voor eene tragedie van Euripides3, de rijke Midas voor een treurspel van Ion, de rijke Aristocles voor eene komedie van Cratinus4en wederom anderen voor andere stukken. Naar de gewoonte, die langzamerhand te Athene heerschende was geworden, was er een schier hartstochtelijke wedijver onder de choregen5ontstaan en zij zochten met al de eerzucht, die den Athener eigen was, elkander in nette, smaakvolle en prachtige uitrusting der hun opgedragen koren te overtreffen. Den overwinnaar toch wachtte een krans, nauwelijks minder benijdenswaard dan de kransen van Olympia enPytho6.

Geluid van stemmen en de klank der fluiten klonken wederom krachtig uit het huis van Hipponicus, toen een rijzige gestalte met vluggen tred de straat afkwam. Het scheen een vreemdeling te zijn; want hem volgde een muildierdrijver, wiens dier met een reiszak beladen was. Het liet zijne blikken[243]in de straat weiden, als iemand die naar een bepaald huis zoekt.

Plotseling weerklonken de stemmen en muziek uit het huis van Hipponicus in zijn oor. Hij luisterde een oogenblik, lachte toen tevreden en zei tot den slaaf:

„Wij behoeven het niemand te vragen. Dit en geen ander is het huis van Hipponicus.”

Met vluggen tred naderde hij het huis en wilde juist aan de deur kloppen.

Op dit oogenblik echter kwam een man van den tegenovergestelden kant de straat op en ontmoette den vreemdeling juist voor het huis van Hipponicus.

Op het gezicht van dezen man toonde de vreemdeling zich aangenaam verrast en terwijl gene met een vriendelijke glimlach op hem toetrad, boog hij het hoofd een weinig achterover, lei de linkerhand op de borst, hief de rechterhand op en galmde op hoogdravenden toon, alsof hij reeds den cothurnus7aanhad, met volle stem de woorden:

„Zoo mijn geest niet dwaalt,En ’t voorgevoel mij niet bedriegt,En heldere blik mij niet ontbreekt,”—

„Zoo mijn geest niet dwaalt,

En ’t voorgevoel mij niet bedriegt,

En heldere blik mij niet ontbreekt,”—

dan geven de Goden een gunstig teeken, daar zij mij juist voor den drempel van Hipponicus mijn edelen vriend doen ontmoeten, den treurspeldichter Sophocles.”

Daarmede reikte hij den dichter de hand, die haar greep en hartelijk schudde.

„Welkom, voortreffelijke Polus!” riep hij. „Wees welkom te Athene! Hebt gij weder rondom in de steden van Hellas de menschen verrukt met het geluid uwer stem op den hoogen cothurnus en nieuwen roem geoogst en klinkende munt bovendien?”

„Zoo is het,” hernam Polus. „Men heeft mij hier[244]en daar eer bewezen, waar men mij juist noodig had voor de feesten in Hellas’ steden. Maar steeds toch weerklonk het in mijn hart:

„Daar wild’ ik heen.Waar dicht begroeid ’t gebergt’Tot aan de baren reikt, waarSunions vlakke grond gelegen is.Om Pallas’ heilge stadMet blijden mond te groeten.”—

„Daar wild’ ik heen.

Waar dicht begroeid ’t gebergt’

Tot aan de baren reikt, waar

Sunions vlakke grond gelegen is.

Om Pallas’ heilge stad

Met blijden mond te groeten.”—

En toen mij nu te Halicarnassus8de boodschap gewerd van uw Archont, die mij voor de Lenaeën9naar Athene riep en mij elk loon beloofde, wat ik mocht verlangen en toen ik bovendien vernam, dat naar uw wensch de eerste rol in uw nieuw treurspel mij was toegedacht, snelde ik als op de vleugelen der liefde over de eilandzee; want nergens toch rijg ik den cothurnus liever aan de voeten dan te Athene en geen dichter wijd ik mijne kunst liever dan aan mijn besten vriend en grooten meester Sophocles.”

Nogmaals drukte de dichter den tooneelspeler hartelijk de hand.

„Gij zijt ook mij steeds de meest gewenschte hulp,” hernam de dichter.

„Daar binnen in het huis van Hipponicus,” vervolgde hij, „vindt gij de choreuten en de koormeester en misschien ook reeds uwe beide medetooneelspelers, Demetrius en Callipides. Hipponicus noodigde u op dit uur in zijn huis, opdat wij allen te zamen zouden zijn, om de rollen te verdeelen en alles in gereedheid te brengen, wat dienstig kan zijn om aan ons treurspel de overwinning te verzekeren. Laat ons dus binnengaan, Hipponicus wacht u met ongeduld.”

De beide mannen klopten aan de deur en werden binnengelaten. Hipponicus verwelkomde Polus[245]met groote blijdschap en noodigde hem tevens uit, den tijd, dien hij te Athene moest doorbrengen, zijn gast te willen zijn.

„Wilt gij,” hernam Polus, „bij alle uwe moeiten en zorgen die gij thans hebt, u ook nog dezen last op uwe schouders laden?”

„Dezen nieuwen last,” zei Hipponicus, „gesteld dat het een last ware, zou ik de moeite niet waard achten. Doch gij hebt geen ongelijk, als gij zegt, dat ik tal van moeiten en zorgen te dragen heb, sinds de Archont mij de choregie der „Antigone” heeft opgelegd. Eerst moesten de noodige zangers en fluitspelers aangeworven worden en nu heb ik ze allen in huis en die menschen moeten betaald en gevoed worden, en hoe gevoed! met melk en honig en allerlei zoetigheden, opdat hun kelen niet ruw zullen worden. Nachtegalen in eene kooi zou men niet met meer zorg kunnen voeden en verplegen, dan ik het deze knapen doe. Dan moesten nog de prachtige kostumen besteld worden en de sieradiën voor de choreuten en gij weet wat tegenwoordig de Atheners op dat punt verlangen. Als zij geen gouden kransen te zien krijgen en niet iedere pracht rijkelijk is aangewend, dan valt er aan geen overwinning te denken. Ik geloof niet dat ik er ditmaal onder de vijfduizend drachmen afkom. Maar ik zou zelfs het dubbele besteden, als het noodig was, om den pauwenfokker Pyrilampes de loef af te steken, die met een treurspel van den vrouwenhater10Euripides de overwinning zoekt te bereiken. Sophocles weet het reeds, maar gij nog niet, waarde Polus, wat die kerel al gedaan heeft, om mij de zege te ontrukken. Eerst zocht hij den Archont om te koopen, vervolgens trachtte hij mij de beste choreuten afhandig te maken. Eindelijk heeft hij zelfs den koormeester heimelijk geld geboden, om de[246]koren slecht te laten instudeeren. En dat alles was hem nog niet genoeg. Toen mijne sieradiën en prachtige kostumen in orde waren en in den winkel gereed lagen, zoo heerlijk mooi, dat ze niet te overtreffen waren, ging die kerel er heen en wilde den kleermaker dwingen ze hem te verkoopen. Toen deze dat aanbod van de hand wees, liet hij hem door zijne slaven afranselen en dreigde hem op eenen nacht het huis met alles, wat daarin was, boven zijn hoofd in brand te steken. Zoo handelt die ellendige Pyrilampes!”

„Getroost, getroost, mijn waarde!”

„Getroost, getroost, mijn waarde!”

declameerde Polus met hoog pathos.

„Nog leeft hij in den hemel,„Jupijn, die alles ziet en ’t al beheerscht.Vertrouw hem toe uw bittre smart,En haat noch vergeet in uw toorn,Hen die u leed berokkenen!”

„Nog leeft hij in den hemel,

„Jupijn, die alles ziet en ’t al beheerscht.

Vertrouw hem toe uw bittre smart,

En haat noch vergeet in uw toorn,

Hen die u leed berokkenen!”

„Overigens,” vervolgde Polus, iets minder hoogdravend, „ken ik dien man en zijne streken, Hipponicus, zeer goed. Gij dacht mij daaromtrent beter in te lichten; maar ik kan u staaltjes mededeelen, hoe hij alle middelen in het werk heeft gesteld om mij aan het treurspel van Sophocles te onttroggelen. Uit zijn eigen zak beloofde hij eene groote som aan den openbaren eereprijs toe te zullen voegen, als ik in de tragedie van Euripides wilde optreden. Ik echter—ik stond als Philoctetes11toen de sluwe Odysseus hem en zijn overwinnenden boog naar Ilium wilde voeren:

„Nimmer en nimmer, wees daarvan verzekerd,Nooit, zelfs niet als de verzengende bliksemMij met zijn gloed mocht verteren!”—

„Nimmer en nimmer, wees daarvan verzekerd,

Nooit, zelfs niet als de verzengende bliksem

Mij met zijn gloed mocht verteren!”—

[247]

„Ik dank den Goden, Polus,” zei Hipponicus,„dat een man als gij, zoo getrouw u aan ons aansluit; want een koor mag nog zoo voortreffelijk zijn, als de tooneelspelers, die de staat aanwijst, niet deugen, fluiten en sissen de Atheners.”

„En ik dank den Goden,” hernam Polus, „dat gij het zijt, Hipponicus, die het koor van Sophocles uitrust; want ook al dat de tooneelspelers voortreffelijk zijn, maar het koor niet bovenmate prachtig is, dan maken de Atheners met handen en voeten een oorverdoovend geraas, om hun ongenoegen te kennen te geven.”

Thans traden twee nieuwe gasten in het huis. Het waren de tooneelspelers Demetrius en Callipides. Zij werden door Hipponicus vriendelijk ontvangen en begroetten Polus, met wien zij zoo menigmaal in de treurspelen van Sophocles het tooneel hadden betreden.

„Ik zie nu,” zei Hipponicus, „dat alles wat tot de overwinning van de „Antigone”, moet samenwerken, in mijn huis vereenigd is.”

„Het instudeeren der koren,” zei Sophocles tot de tooneelspelers, „is al lang begonnen; wij wachten u met ongeduld. Nu gij er zijt, willen we niet dralen, maar onmiddellijk overgaan tot de verdeeling der rollen. Vooreerst dan Antigone zelve: zij valt aan den speler der eerste rol ten deel. En hierbij wees hij op Polus, den „Protagonist”12. Deze, evenals zijne makkers, nam dat zwijgend aan, als iets dat van zelf sprak.

Maar Sophocles viel zichzelven in de reden en vroeg aan Polus:

„Hebt ge wel van de schoone Milesische Aspasia hooren spreken?”

Toen deze bevestigend antwoordde, vervolgde Sophocles: „Als wij naar deze Milesische wilden luisteren, dan moest ik den Archont verzoeken, mij eene vrouw voor de rol van Antigone toe te staan.[248]Ik had met haar een heftigen strijd, waarin zij ons gebruik om in vrouwenrollen mannen te laten optreden, zeer gispte en beweerde, dat men de vrouwen moest toestaan het tooneel te betreden. Te vergeefs beriep ik mij op de maskers, die het gelaat bedekken en op den geweldigen omvang van den schouwburg.”

Polus lachte schamper. „Hoe?” riep hij daarop verontwaardigd uit,„toen ik als Electra13optrad en aanhief:

O heilig licht,O aether, die de aard omgeeft!”—

O heilig licht,

O aether, die de aard omgeeft!”—

heeft toen iemand in mijne houding, in mijne stem, die uit het goede masker voortkwam, de vrouw gemist?”

„Niemand, niemand,” riepen allen uit één mond.

„En toen ik de urn met de gewaande asch haars broeders14hartstochtelijk aan mijne borst drukte,” vervolgde Polus diep ontroerd:

„Dierbaarst overschot, mij blijvend,Van den liefsten aller menschen.”—

„Dierbaarst overschot, mij blijvend,

Van den liefsten aller menschen.”—

„Alle toeschouwers waren geroerd, bewogen, in tranen badend,” zei Sophocles. „Nooit werd er op het tooneel eene stem gehoord,” vervolgde Sophocles, „die roerender was, nooit eene, die vrouwelijker klonk, dan de uwe!”

„Ik hoop, dat gij daarmede niet zult beweren,” hernam Polus, „dat mijne stem over het algemeen een vrouwelijken toon heeft? Gij herinnert u, denk ik, mijn Aiax15nog wel:

„Ha, wee mij dat ik hen liet glippen,Die snoodaards, die verwenschte schurken,[249]En in hun plaats, door waanzin aangegrepenOnschuldige schapen en gehoornde stierenDeed sneven door het flikkerend staal,Hun donker bloed vergietend.”—

„Ha, wee mij dat ik hen liet glippen,

Die snoodaards, die verwenschte schurken,[249]

En in hun plaats, door waanzin aangegrepen

Onschuldige schapen en gehoornde stieren

Deed sneven door het flikkerend staal,

Hun donker bloed vergietend.”—

De stem van Polus scheen bij de voordracht van deze regels geheel veranderd. „Dat is de diepste, geweldigste heldenstem!” riepen de toehoorders in verrukking uit.

„Hoe?en mijn Philoctetes?” vervolgde Polus; „mijn kreet van diepste smart, toen het oude slangengif in mijne aderen brandde en mij schier verteerde,—mijn „Ach! Ach! Wee mij! het komt—het komt.”—

En wederom riepen allen: „Wat een stem vol lijden! Wat een natuurlijke toon van den vertoornden, gefolterden, gepijnigden lijder!”

„En dan,” ging Polus voort, „toen ik aan het slot der tragedie aanhief:

„Welaan, het uur van scheiden is gekomen.Weest mij gegroet gij lachende dreven,Gij bronnen en gij, zoetlavende drank.”

„Welaan, het uur van scheiden is gekomen.

Weest mij gegroet gij lachende dreven,

Gij bronnen en gij, zoetlavende drank.”

„Dat was een heerlijk oogenblik,” zei Hipponicus goedkeurend, „maar het schoonste, wat ik van u gezien en gehoord heb, was toch toen gij als Aiax op het tooneel stond en die overschoone alleenspraak hieldt.”

„Gij bedoelt,” vielPolushem in de rede, „toen ik in eene eenzame grot vóór den zelfmoord het zwaard met de punt naar boven in den grond stak16:

„Het moordend zwaard staat in den grond geplant,Om ’t snelst mijn boezem te doorboren.”—

„Het moordend zwaard staat in den grond geplant,

Om ’t snelst mijn boezem te doorboren.”—

„Juist,” riep Hipponicus uit,„en toen gij eerst Zeus aanriept en dan de maagdelijke Erinnyen en vervolgens Helios.”17—[250]

„O Helios,” viel Polus in,

„O Helios, als gij mijn vaderland bestraalt,Houd dan uw goudgetooiden teugel in,En breng de mare van mijn droeven dood.”—

„O Helios, als gij mijn vaderland bestraalt,

Houd dan uw goudgetooiden teugel in,

En breng de mare van mijn droeven dood.”—

„En toen gij,” ging Hipponicus in geestdrift voort, „ten laatste uw geboortegrond nog herdacht en den vaderlijken huiselijken haard aanriept en Salamis en de stad des roems, Athene, en uw stamverwant Atheensche volk—toen gloeiden de harten van twintig duizend Atheners van verrukking. Een fier gevoel van vaderlandschen trots doortintelde allen en ieder gevoelde dat de afscheidsgroet van den stervenden held ook hem gold. Tot nu toe waren zij geroerd geweest en in stilte geschokt—thans barstten zij uit in een storm van toejuichingen, die u gold en Sophocles en den Salaminischen held!”

„Te recht, Hipponicus,” zeide thans Sophocles,„prijst gij Polus, maar vergeet niet ook de verdiensten van Demetrius en Callipides te erkennen. Ook zij zijn gevierd en geëerd in de steden van Griekenland; ook zij hebben veel bijgedragen tot de zegepraal van verscheidene mijner treurspelen.”—„U, Demetrius,” vervolgde hij, „draag ik voor ditmaal den waardigen koning Creon op; aan den jongen Callipides Ismene18. Er zijn nog een paar bijpersonen, die wel is waar slechts even op het tooneel verschijnen, maar die ik daarom toch niet gaarne aan den eersten den besten stumpert zou willen toevertrouwen.”

„Voor den dag er maar mede!” riepen de tooneelspelers. „Ieder onzer is bereid zoovele personen, als men slechts verkiest, op zich te nemen, als zij maar niet te gelijk op het tooneel moeten verschijnen. Onder het masker kan men elke rol vervullen.”

„Daar hebt ge vooreerst Haemon, de minnaar[251]van Antigone,” zeide Sophocles, „hij treedt eerst op, als Antigone reeds ter dood is geleid.”

„Geef mij maar den minnaar Haemon,” riep Polus.

„Callipides,” vervolgde Sophocles, „moet de rol van den blinden ziener Tiresias op zich nemen. Dan is er nog een wachter en een bode. Deze beiden hebben lange verhalen te doen. Verhalen nu moeten op het tooneel altijd zoo voortreffelijk mogelijk voorgedragen worden. Niets is vervelender, dan wanneer zij door iemand, die nauwelijks kan spreken, uitgestameld worden. Ik heb daarom besloten deze beide kleine rollen zelf te spelen. Ik ben toch bij mijne vorige stukken menigmaal op dergelijke wijs opgetreden.”

De tooneelspelers klapten in de handen van blijdschap, daar zij vereerd waren, dat de dichter zelf met hen wilde medewerken. Ook Hipponicus was er recht blijde om.

„Eindelijk is daar nog Eurydice, de gemalin van Creon,” zeide Sophocles. „Zij verschijnt slechts met weinige woorden aan het slot der tragedie ten tooneele.”

„Geef mij maar de Eurydice,” riep Polus.

„Die is reeds vergeven,” hernam Sophocles. „Iemand die nog nooit het tooneel heeft betreden, doch niet genoemd wil worden, wenscht de Eurydice te spelen.”

De nieuwsgierigheid van Hipponicus en de tooneelspelers werd door de geheimzinnige gebaren van den dichter niet weinig geprikkeld. Doch hij weigerde nadere inlichting te geven.

Hij stelde toen aan tooneelspelers afschriften van het stuk ter hand, gaf hun nog eenige wenken over de opvatting en uitvoering der rollen en regelde de kostumen, waarin zij zouden optreden.

Daarop stelde Hipponicus hun de vijftien choreuten voor, benevens den koormeester en verzocht hen de oefeningen van het koor bij te wonen.

Onder de muziek der fluiten begon men met plechtige liederen en den plechtigen danspas, ter[252]eere van den God19omdat de beteekenisvolle dans om zijn altaar het begin was geweest van het drama. Nu schreden zij rechts, dan links, nu stonden zij stil, dan weder vereenigden zij zich, nu eens sneller dan weder langzamer zich bewegend, onder het voordragen van de talrijke en heerlijke hymnen der „Antigone”. Gloeiend van geestdrift gaf de didaskalos20de maat aan met de handen en voeten, menigmaal zelfs, als de geestdrift hem overmeesterde, met het geheele lichaam. De dichter trad herhaaldelijk tusschenbeide. Hij had ook zijn best gedaan de zangwijzen der reizangen uit te denken en de dansbewegingen van het koor passend te maken. Soms liet hij den fluitspeler weggaan, greep het snareninstrument en begeleidde het koor, om beter het gezang en de plechtige bewegingen te kunnen regelen.

Evenals Sophocles bezig was in het huis van Hipponicus, zoo deed Euripides in dat van Pyrilampes, Ion in dat van Midas, Cratinus in dat van Aristocles en andere dichters in de huizen der andere choregen, als veldheeren, die hunne troepen onderrichten en aansporen, allen begeerig om den Dionysischen zegeprijs te behalen.

De huizen der choregen waren als zoovele brandpunten, waaruit zich eene gespannen verwachting en eene levendige belangstelling over de stad verspreidde; in de overwinning toch van den choreeg waren ook zijne verwantefamiliënbetrokken en hare namen werden eveneens genoemd. De spanning, waarin bij dergelijke gelegenheden gewoonlijk het Atheensche volk verkeerde, had ditmaal een buitengemeen hoogen trap bereikt, daar Hipponicus en Pyrilampes ongehoorde pogingen in ’t werk stelden, om zich de zege te verzekeren, daarbij voegde zich de veete, die er tusschen de beide mededingers bestond en die iederen dag[253]in handtastelijkheden dreigde over te gaan en eene onbeperkte stof aanbood voor de praatzieke tongen der Atheners. De staatsaangelegenheden, de zaken in den Piraeus, alles werd ter zijde gesteld; en al ware er juist eene Atheensche vloot tegen den vijand in zee geloopen, men zou in die dagen minder over haar hebben gesproken, dan over Hipponicus en Pyrilampes.

Zie, daar ontmoeten elkander op de Agora twee mannen, die op vertrouwelijken toon van geheel andere zaken spreken, dan over de vijandschap van Hipponicus en Pyrilampes. Het zijn Pericles en Anaxagoras.

„Gij zijt in gepeinzen verdiept,” zei de wijze tot zijn vriend; „koestert gij nieuwe gedachten en plannen voor den staat of vervult eene schoone vrouw uw hoofd?”

„Wellicht beide,” hernam Pericles. „Hoe schoon zou het zijn, als men een van die twee, de vrouwen, kon ontberen, om zich onverdeeld aan de staatsbelangen of de wijsheid of eene andere, groote ernstige zaak te kunnen wijden!”

„Men kan de vrouwen ontberen—men kan alles ontberen,” zeide Anaxagoras met nadruk en verdiepte zich in een betoog hoeveel beter het was, daar men toch eigenlijk nooit iets waarachtig en bestendig bezitten kan, van te voren van alles afstand te doen.

Pericles luisterde geduldig naar den wijze, maar zijn gelaat drukte duidelijk uit, dat hij niet van gedachte veranderd noch overtuigd was geworden.

„Wanneer gij nu eenmaal,” zoo besloot Anaxagoras zijn betoog, „de vrouw niet missen kunt, dan is, wel beschouwd, de uwe, ik bedoel Telesippe, toch even goed als iedere andere. Zij baart u kinderen. Wilt gij meer van haar?”

„Gij kent haar toch,” hernam Pericles. „Gij weet, hoe bijgeloovig zij is en bekrompen van verstand en de vriendin van niet ééne Muze. Misschien was dit nog te verdragen, indien zij zooveel zachtheid van gemoed bezat als men haar bewijst. Maar deze[254]vrouw is altijd weerbarstig en vol vooroordeelen en aan mijne beste bedoelingen weet zij altijd eene hatelijke uitlegging te geven. Wanneer ik vroeger meermalen haar een keurig onderkleed ten geschenke gaf of iets bekoorlijks, wat in huis of in de slaapkamer haar bevalliger maakte, dan nam zij dit zeer kwalijk en vroeg:

„Ben ik u dan niet meer mooi genoeg, dat gij zulke dingen voor mij noodig oordeelt? Wanneer ik u niet beval, zooals ik ben, dan wil ik u ook niet opgesierd bevallen.” Kan men dwazer en onvrouwelijker spreken? Tooit niet zelfs de jongste, schoonste vrouw zich gaarne voor haren geliefde en is het niet eene natuurlijke begeerte van den minnaar of den echtgenoot, de beminde vrouw zoo bekoorlijk mogelijk te versieren? In alle zaken, over het algemeen, die de liefde gelden, heeft ze altijd die eigenzinnigheid gehad, die de schoonste vrouw onverdragelijk maakt. Gij weet voorts, dat het mij eigen is zindelijkheid en reinheid tot in het hartstochtelijke te drijven. Hoeveel harde woorden zijn er niet tusschen ons gevallen over het varkenskot en het hoenderhok, dat zich naar oud gebruik, vlak bij den huiselijken haard bevindt, dat mij een gruwel is, doch haar zoo na aan ’t hart ligt. Het gevoel van viesheid kent zij niet. Biedt zij mij niet de lippen tot een kus, bezoedeld met het vuil of het kwijl, dat zij juist van het gezicht harer kinderen heeft afgekust? Want in het vuil, ja zelfs in den uitslag harer kinderen, als zij soms ziek zijn, zonder noodzakelijkheid met hare vingers en lippen te wroeten, schijnt haar een natuurlijke en noodzakelijke uiting te zijn der moederlijke liefde. Maar moet eene moeder niet tegelijk gade zijn? Moet eene weldenkende en gevoelige vrouw niet beide liefdeplichten weten te vereenigen en met nauwgezetheid vervullen? En wat beteekent de moederlijke teederheid, de aangeboren drift, die zij met elke wijfjesaap gemeen heeft, wanneer zij alleen in de duistere neiging der natuur geworteld is, als zij niet gepaard gaat met het goede inzicht, wat werkelijk[255]voor de kinderen nuttig is of niet? Hebt gij zelf niet dikwijls gevraagd: wat baat natuurdrift zonder kennis en zonder de zedelijke wijding, die haar van het dierlijke tot het menschelijke verheft!”—

„Wat dit laatste punt aangaat hebt gij goed en verstandig gesproken,” merkte Anaxagoras op. „Maar wat gij zeidet over die rokjes met schoone franjes en schitterend van kleur en wat niet al, die Telesippe niet wilde aannemen, dit is, verstandig beschouwd, dwaasheid en verderfelijke weelderigheid. Zulke pronkerij is uit den booze. Een vrouw is eene vrouw, zeg ik u. In naam der wijsheid laat af van alle dweeperij voor de schoone Milesische Aspasia!”

„Is het mijne schuld,” vroeg Pericles glimlachend, „dat de schoonheid op aarde door de Goden sterker is gemaakt dan de wijsheid?”——

Op den dag van dit gesprek was er iets geschied, dat, zoo Pericles toevallig met eigen oogen had gezien, hem verdrietig en bezorgd zou hebben gemaakt, wellicht zelfs zijn geloof aan de voortreffelijkheid der Milesische zou hebben geschokt en den vurigen gloed zijner bezieling voor haar, als vuur door water, in een plotselingen rook en walm zou hebben uitgedoofd.

Van Aspasia waren naar den dichter Sophocles en van dezen naar de Milesische herhaaldelijk geheime boden gegaan. Ja, eens had men den dichter zelven in het schemerend avonduur heimelijk het huis van de schoone vriendin van Pericles zien binnengaan.

Thans gebeurde het, dat Aspasia naar hare woning terugkeerende, door een man werd vergezeld, dien loerende buren in de schemering voor Pericles hielden.

Doch het was Sophocles. Voor de deur harer woning stonden beiden een oogenblik stil.Overwegenzij soms of de begeleider den drempel zou overschrijden of terug zou keeren? Eindelijk vroeg de dichter met zijne zachte welluidende stem aan de schoone Milesische:[256]

„Wat is heiliger de vriendschap of de liefde?—

„Heiliger is toch wel in ieder bijzonder geval, zij die de oudste is,”—zei Aspasia glimlachende en de raadselachtige vraag op even raadselachtige wijze beantwoordende.—

Nadat deze woorden onder hen gewisseld waren, nam Sophocles afscheid en keerde terug, terwijl Aspasia hare woning binnentrad.

Op den morgen na deze kleine gebeurtenis begaf zich de ziener Lampon naar het huis van de hem toegenegen zuster van Cimon. Hij kwam van de Acropolis waar hij wederom geruimen tijd met Diopithes had gefluisterd.

Nauwelijks was de priesterdienst, om welke Elpinice den ziener had ontboden, ten einde gebracht of deze leidde met een geheimzinnig en veelbeteekenend gezicht het gesprek op Pericles en Aspasia.

Het manwijf en de ziener waren dikwijls gewoon de hun ter oore gekomen praatjes en nieuwtjes elkander mede te deelen.

„De Goden schijnen den trotschen Pericles te willen straffen,” begon Lampon.

„Wat is er dan geschied?” vroeg Elpinice in gespannen verwachting.

„Voorloopig dit,” hernam de andere, „dat in het schemerlicht van den avond heimelijk ook een ander naar de schoone vriendin van den Olympiër sluipt.”—

„Waarom niet?” zei Elpinice. „Zij is immers eene hetaere. Maar wie is die andere?”

„Pericles’ beste vriend, „de lieveling der Goden” zooals hij zich gaarne hoort noemen, de vriendelijk lachende treurspeldichter uit het vlek Colonos.”

„Een vrouwengek,” riep Elpinice uit; „een vrouwengek en een oude liefhebber, evenals Pericles zelf.—Maar dat is oud nieuws, wat gij mij daar vertelt, vriend Lampon. Het is geruimen tijd geleden, dat men dien dichter voor de eerste maal in het gezelschap van Pericles en Aspasia heeft gezien. Het is overbekend, dat hij niet minder dan zijn vriend voor die boeleerster in liefde ontvlamd is. Het vermoeden[257]lag dus voor de hand, dat hij naar haar toe zou sluipen. Maar wie heeft hem gezien? Wie zal het op zijn woord getuigen?”

„Ik zelf,” hernam Lampon. „Ik zelf heb hen gezien en hoorde zelfs in het voorbijgaan een klein gesprek voor de huisdeur. En een tweeden getuige, zoo noodig, bezorgt ons Diopithes.”

„Dat is goed,” hernam Elpinice met innig genoegen.

„Deze tijding, aan Pericles overgebracht, brengt zijne liefde voor de Milesische den genadeslag toe. Deze liefde is het schandelijkst en goddelooste, wat men hier in Athene vindt, en de Ionische hetaere is de groote verleidster. Zij moet verwijderd, verdreven, ten gronde gericht worden. Maar wie neemt het op zich Pericles die tijding te brengen?”—

„’t Beste zou Theodota dat kunnen,”meent Diopithes.„Deze vrouw heeft sedert eenigen tijd, en niet met ongunstig gevolg, hare strikken voor den minnaar van Aspasia gespannen. En als zij het nu is, die hem het bewijs van Aspasia’s ontrouw levert, kan zij deze daardoor het zekerst verdringen en hare plaats innemen.”

„Arme Telesippe!” riep Cimon’s zuster uit. „Het beste ware zeker, als gij in ’t geheel geene medeminnares hadt; doch voor ’t oogenblik is reeds veel, is reeds alles gewonnen, wanneer maar die Milesische uit de deur wordt gezet.”

„Zoo is het,” hernam Lampon. „Uit het hart van een man als die Pericles, kan eene schoone en sluwe vrouw alleen door eene andere schoone en sluwe vrouw verdreven worden. Theodota is veel minder gevaarlijk dan Aspasia. Integendeel deze veile Corinthische is als was in onze handen. Zij moet Pericles onder de belofte hem uitvoerige en belangrijke mededeelingen aangaande de trouwelooze Aspasia te doen in haar huis lokken. Dan volgt het overige van zelf.”

„Wij zijn zeker, dat onze pogingen slagen zullen,” hernam Elpinice. „Pericles heeft reeds een begeerig oog op haar geslagen. Ik weet het. Hij is reeds[258]eens in haar huis geweest, zij het ook in gezelschap der Milesische, die overmoedig genoeg was, hem daarheen te voeren.”—

„Op aansporing van Alcamenes,” zeide Lampon.

„Deze heeft ons in de hand gewerkt. Ook hij behoort tot degenen, die de Milesische haten en het met genoegen zullen zien, dat zij beschaamd, vernederd en door Pericles verstooten wordt. Hij wil zich wreken op de vrouw, die hem om Pericles heeft verraden. Lang vóór ons heeft hij het voornemen opgevat, door Theodota de Milesische uit de gunst van den gevierden man te verdringen. Hem ontbraken slechts de geschikte wapenen tegen Aspasia. Wij willen hem die verschaffen. Wie echter zal nu Alcamenes inlichten dat hij zich met de Corinthische moet verstaan, om het plan te volvoeren?”—

Elpinice dacht een oogenblik na, daarop sprak zij:

„Laat mij daarvoor zorgen. Ik ken de bijpaden die wij moeten inslaan om de boodschap juist, zooals wij verlangen, ter oore van de Corinthische te brengen.”—

Van dit oogenblik af had Aspasia zich niet alleen tegen Telesippe, maar ook tegen Theodota tot een ernstigen kamp uit te rusten.

Elpinice wendde zich tot Polygnotus; deze was met Agoracritus, Aspasia’s bittersten vijand, bevriend. Agoracritus bracht de boodschap van Lampon en Elpinice aan zijn makker in de werkplaats van Phidias over en deze heethoofd vond de gelegenheid om zich op de trotsche schoone te wreken te verleidelijk; hij had spoedig met zijne wakkere vriendin een plan beraamd, om hun opzet te volvoeren.

In deze wolken flikkerde dus de bliksemstraal, die geslingerd zou worden om den liefdeband te verbreken tusschen den voortreffelijksten man en de schoonste vrouw in Griekenland, de bliksem, die in de eerste plaats heimelijk gesmeed was in de smidse, van den mokkenden, ouden GodErechtheüsop den burg.——[259]

De viering der Dionysiën was dartel en luidruchtig begonnen. De laatste dagen van het feest waren aan den wedstrijd der tragische Muze gewijd.

Lichte regenwolken dreven, terwijl de dolle comedie vanCratinusonder de uitgelaten vreugde der toeschouwers werd opgevoerd, van den Hymettus af over het Dionysus-theater en de opperpriester van Dionysus, die daar voor het geheele volk op zijn heerlijken, met marmeren beelden versierden zetel in de orchestra21zat, voelde een regendroppel op zijn neus vallen, juist op het oogenblik dat de overmoedige Cratinus tegen den persoon van den zelfden priester Agasthenes, onder het luidruchtig gelach van alle Atheners, een gevleugelden pijl van zijn Attisch vernuft afschoot.

„Het begint te druppelen,” zei de opperpriester tot zijn buurman Pericles: „mij dunkt, wij moesten het schouwspel staken.”

„De wolk drijft over,” hernam deze lachend.

Doch zie, daar snort een nieuwe pijl. En deze pijl trof zijn buurman zelven. Alle Atheners lachten en keken naar Pericles, en Pericles lachte mede.

Maar een derde pijl snorde; hij trof de nieuwe Hera en den nieuwen Olympischen Zeus, de Milesische Omphale22en den Atheenschen Heracles …

Wederom zagen alle Atheners naar Pericles. Maar Pericles lachte niet meer. Eene wolk trok langs het voorhoofd van den Olympiër. De snorrende pijl had Aspasia getroffen …

Andere schouwspelen volgden en zoo ging voor de Atheners het grootste gedeelte van den eersten dag voorbij. Verscheidene verwijderden zich, om straks terug te keeren, velen hielden het tot het einde toe vol. De gegoeden lieten zich door[260]hunne slaven wijn, ooft en koeken tot verkwikking brengen.

Den volgenden dag begon alles opnieuw. Wederom zaten dertigduizend Atheners op de steenen zitplaatsen van den Dionysus-schouwburg, de omkranste overheidspersonen op afzonderlijke, schoon versierde, marmeren zetels in de voorste rijen, de rijken op purperen kussens, die zij zelven hadden medegebracht, door hunne slaven bediend, de armen met eenige vijgen of uien in hun ransel, waarmede zij het den geheelen dag moesten doen. Doch zoowel deze laatsten als de eersten gevoelden zich als Atheners geroepen, om het schoonste te zien en spraken met groote geleerdheid over Sophocles en Ion enEuripidesen keken eens met turenden blik naar de wolken des hemels, of niet eene daarvan de feestvreugde van den dag zou verminderen of verstoren.

Wederom hadden de eerste duizenden van het aanstormende volk zich in de ruimte van het kolossale amphitheater als Pygmaeen verloren. Thans was de geheele schouwburg van de bovenste rijen tot de onderste toe gevuld; het scheen wel een reusachtige, kokende en bruisende menschenkrater. Bijna bedwelmend en huiveringwekkend was het van de bovenste rijen neer te zien op deze golvende zee van menschenhoofden.

In die onstuimige dwarreling deed hoe langs zoo meer een dreigend tumult zich hooren. Heden toch zou de fel ontbrande strijd tusschen Hipponicus en Pyrilampes tot een beslissing komen. De partijen der beide choregen schenen handgemeen te zullen worden. Als een hunner zich te midden der toeschouwers vertoonde, klonken er kreten van vrienden en tegenstanders, bijvalsbetuigingen en hoonend gesis.

Onophoudelijk waren de agonotheten23en mastigophoren24in de weer; telkens vlogen zij de trappen,[261]die dwars door de zitplaatsen liepen, op, om hier een twist te beslechten, daar een oproermaker tot rust te brengen.

De rustigste onder die woelige menigte was Socrates, de mijmeraar uit Phidias’ werkplaats. Hij was ook gekomen, niet zoozeer om de schouwspelen, als wel om de toeschouwers te zien en over hunne handelingen na te denken.

„Daar zitten dertigduizend Atheners in gespannen aandacht,” zeide hij in zich zelven; „allen vol begeerte om eene verdichte geschiedenis te hooren, om door valsche tranen en voorgewende smart zich te laten roeren. Zij zijn als de kinderen, die met open mond naar sprookjes luisteren, alleen met dit onderscheid, dat deze niet weten, dat zij verzonnen zijn, genen echter het wel degelijk weten. Van waar komt toch wel die zeldzame lust bij de menschen naar het nagebootste, het verdichte?”——

De schoone Theodota zat onder de toeschouwers. Zij was op het sierlijkst uitgedost. Haar oog was bijna onafgewend op den strategenzetel gevestigd, waarop Pericles zat. Pericles kon zich niet onthouden, van tijd tot tijd den vurigen blik uit hare donkere oogen te beantwoorden.

Eindelijk klonk boven het gonzen der menigte de helder klinkende stem van den heraut uit, die stilte gebood. Nu werd een dankoffer gebracht bij het altaar van Dionysus. Daarop deed opnieuw de stem van den heraut zich hooren:

„Het koor van Ion trede op!”

Het treurspel van Ion werd door de Atheners aangehoord, toegejuicht, geschat op zijn juiste waarde door hun aangeboren fijn gevoel. Een tragedie van Philocles volgde. De uitspraak van den protagonist voldeed niet aan het fijne Attische oor. Een onweerstorm van gelach, gemor, snijdend gesis brak over hem uit. Het ontbrak niet aan spottende tongen en trappelende voeten. Een blijspel kwam thans aan de beurt. Nu was de spotter meester van het terrein, zelfs verheven boven alle Olympische Goden. De meest onbedwongen scherts gaf zich[262]lucht in de kunstige rhythmen.

Toen trad het koor van Euripides op.

Het werk van dezen dichter bewoog de gemoederen. De vrouwen waren geroerd door datgene, wat tot het hart sprak, de mannen meegesleept door de schitterende gedachten, waarmede het geheele dichtstuk als het ware doorwerkt en doorweven was, als gouden draden in een purperen weefsel. Met kreten van verrassing en bewondering werd de schitterende pracht van het koor begroet. Zoo iets had men schier nog nooit gezien. Donderende toejuiching volgde, toen het stuk afgespeeld was. Pyrilampes en zijne vrienden waren uitermate verheugd en waanden zich reeds zeker van de overwinning.

In den korten tijd, die er tusschen de voorstelling van dit treurspel en den aanvang van het volgende verstreek naderde eensklaps een slaaf den zetel van Pericles en reikte hem eentoegevouwenblad papier.

Pericles opende het en las deze woorden:

„Sophocles sluipt in de avondschemering het huis van Aspasia binnen.”

Pericles was getroffen. Wie had die regels geschreven?—Zij kwamen van Theodota. Toen Pericles naar den brenger van dit korte en zonderlinge bericht omzag, was deze reeds verdwenen.—

Uit zijn ernstig denken wekte den strateeg de helderklinkende stem van den heraut, die zich wederom deed hooren:

„Het koor van Sophocles trede op!”

En nu werd een treurspel der liefde voor het oog en het oor der Grieken opgevoerd, een treurspel der liefde onder die drie gestalten, waarin zij achtereenvolgens het menschenhart op zijn levensweg aandoet: de zusterliefde, de liefde der bruid, de moederliefde. Ter wille van haar geliefde broeder sterft Antigone, ter wille van de geliefde bruid sterft Haemon en ter wille van den geliefden zoon sterft Eurydice.—

Een lang, donker treurgewaad omhult der hooge[263]gestalte van Oedipus’ dochter. De maskers toonen ernstige, edele jonkvrouwelijke gezichten, zacht en roerend klinken hare stemmen.—Antigone zweert haar broeder te zullen begraven, dien koning Creon den honden en roofvogels tot eene prooi heeft voorgeworpen; den ingeschapen, goddelijken plicht wil zij vervullen, trots alle menschelijke inzettingen.

Het koor van edele, Thebaansche grijsaards treedt voor, zijne eerste reien ontplooien in purperen gewaad, vol Dionysischen luister, de hoofden met goud getooid; daar klinkt de heerlijke, machtig aangrijpende met zijne afwisselende rhythmen wegsleepende hymnus:

„Straal der zonne, wees gegroet.”

„Straal der zonne, wees gegroet.”

Koning Creon betreedt het tooneel in goud gestikt, purperen gewaad, het voorhoofd met den diadeem versierd, steunende op een schepter, waarop een adelaar zijne wieken ontplooit. Boven de gewone maat van den man verheft hem de cothurnus, gebiedende waardigheid verleent hem het masker, geweldig staat hij daar, zelfs voor het oog van den verst verwijderden toeschouwer in de kolossale ruimte. Het recht van den gebiedenden heerscher wil hij doen gelden tegenover de edele jonkvrouw—zij echter kent slechts één hoogsten plicht, haar in het hart gegrift: de liefde—en den koning, die de wreedheid tegen den broeder met den rechtmatigen haat der burgers van Thebe tegen hem verdedigt, geeft zij slechts dit eene onsterfelijke antwoord:

„Mij schiep natuur tot liefde, niet tot haat.”

„Mij schiep natuur tot liefde, niet tot haat.”

En zij gaat heen om te doen, wat zij gezworen heeft en het recht der levenden voor het recht der dooden ten offer te brengen. In een ernstigen, verheven rei bezingt het koor de grootheid van den mensch en zijne hemeltergende vermetelheid—en betreurt het erfelijke leed der Labdaciden25;[264]Haemon, Creon’s eigen zoon, komt en smeekt zijn vader om het leven van Antigone, zijn teergeliefde bruid—doch de vorst houdt streng vast aan zijn voornemen en als Ismene vraagt:

„Zult gij de bruid dan dooden van uw zoon?”

„Zult gij de bruid dan dooden van uw zoon?”

klinkt het harde antwoord:

„Ook andere velden nog beloven vrucht.”

„Ook andere velden nog beloven vrucht.”

Vertwijfelend ijlt de bruidegom weg, met een onheilspellend gelaat—en nu weêrklinkt in het koor der edele Thebaansche grijsaards dat lied, ’t welk gedicht werd op dien zonnigen dag, toen Pericles en Aspasia in den lusthof van den dichter in het Cephissus-dal verwijlden:

„God der liefde, nooit bedwongen,Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed,Waar uw pijl is ingedrongen,Voor uw almacht buigen doet!”

„God der liefde, nooit bedwongen,

Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed,

Waar uw pijl is ingedrongen,

Voor uw almacht buigen doet!”

Nu echter begint in afwisselenden zang van het koor, de roerende klacht van Oedipus’ dochter, die gedoemd is, om levend neer te dalen in de groeve—aandoenlijk, hartverscheurend klinkt de treurzang en bij dit glanspunt der tragedie is ieder oog van de ademloos luisterende Atheners vochtig van innerlijke aandoening. De jonkvrouw naöogend op haar doodsweg, vermeldt de rei des grijsaards:

„Zoo werd ook Danaë aan ’t licht der zonOntrukt, in ’t koperen gewelf gesloten,Waar als in ’t graf geen oog haar vinden kon.—

„Zoo werd ook Danaë aan ’t licht der zon

Ontrukt, in ’t koperen gewelf gesloten,

Waar als in ’t graf geen oog haar vinden kon.—

Tiresias komt, de onfeilbare, grijze ziener treedt op en spreekt eene ernstige vermaning, om den onverzoenlijken te verbidden en eindelijk buigen de onsterfelijken zijn onwrikbaren trots—hij laat, door een vreeselijk voorgevoel aangegrepen, zijne vermetelheid varen—reeds roept het koor in een vroolijken jubelzang den God der vreugde, Dionysus, aan:[265]

„Lievling der Thebaansche maagdZoon van Zeus, wiens donderslagenRaatlend door het luchtruim jagen;Kom, terwijl we in blijden zin’t Feestlied door uw stad doen schallen,Zegenbrengend Theben in!”

„Lievling der Thebaansche maagd

Zoon van Zeus, wiens donderslagen

Raatlend door het luchtruim jagen;

Kom, terwijl we in blijden zin

’t Feestlied door uw stad doen schallen,

Zegenbrengend Theben in!”

Indrukwekkend klinkt die jubelzang na het sombere grafgezang—doch plotseling versterven die juichtonen en maken opnieuw plaats voor het grafgezang; want Antigone heeft zich zelve in de groeve van het leven beroofd en haar lijk omklemmend is Haemon, door zijn eigen staal geveld, met haar afgedaald in den nacht van den Hades.

En nu verschijnt Eurydice, de gemalin van den weeklagenden Creon. Zij verneemt de tijding van den dood van haar geliefden zoon. Uit den mond van den bode hoort zij dat beiden vereenigd in den dood zijn gegaan in de sombere groeve. Op de tijding van het uiteinde haars zoons breekt haar moederhart.

Geweldig greep dat doodsbericht uit den mond van den bode de gemoederen aan. Doch nog aangrijpender klonken de weinige woorden uit den mond der koningin, die zich als offer wil geven aan den dood.

Ademloos luisterden de Atheners naar het wegsterven der laatste woorden van dit grootsch en verheven treurspel: met eene strophe ter aanprijzing der wijsheid eindigde het treurspel als met een verheven slotaccoord.

Groot en diep was de indruk, dien de tragedie van Sophocles, drie liefdebanden en drie doodsoffers in elkander strengelend, op de gemoederen der aandachtige Grieken teweegbracht. Zóó schoon was de strenge, sombere ernst der tragische kunst nog nooit verzacht,—zóó menschelijk was hetverhevene, zóóverheven was het menschelijke door niemand ooit uitgesproken.

Maar ook nooit was in eenige tragedie zulk een overvloed van heerlijke gezangen, zoo rijk en beteekenisvol[266]over de toehoorders uitgestort; zoo harmonisch volkomen tot in het kleinste had het Attisch tooneel nog geene schepping gezien, zoo’n kunstvaardig en schitterend koor was nog nooit voor de verzamelde Atheners opgetreden.

Toen het koor van Hipponicus zich verwijderd had en de dramatische wedstrijd geëindigd was, verhief het geheele volk met luide kreten onstuimig zich ten gunste van Hipponicus, zoodat de kamprechters zonder beraadslaging onverwijld den dichter der Antigone en zijn choreeg, ten aanhoore der vergaderde menigte, die vol spanning de uitspraak verbeidde, als overwinnaars in den tragischen wedstrijd uitriepen. Sophocles en Hipponicus verschenen overeenkomstig het gebruik op het tooneel, om voor de oogen van het volk uit de hand der kamprechters den zegekrans te ontvangen.

Onmogelijk is het de vreugde en den trots van Hipponicus te schilderen, onmogelijk ook de verwoede verbittering van Pyrilampes en de zijnen.

Toen Pericles den schouwburg verliet, ontstuwd door de ontzaglijke menigte, zag hij te midden van het gedrang eensklaps Theodota aan zijne zijde. Haar schoon gelaat was met de teederste blikken, met den verrukkelijksten glimlach om den mond verleidelijk naar hem toegekeerd. Zonder bemerkt te worden drukte zij hem een blad papier in de hand.

Er stonden eenige regels op geschreven, Pericles las ze.

De inhoud was als volgt:

„Verlangt gij bericht omtrent Sophocles en Aspasia, kom dan tot Theodota. Een slaaf wacht u onder de zuilen van den Tholus en zal langs een geheimen weg u door een achterdeur in mijn huis geleiden.”

Voordat Pericles er over kon denken, of hij deze uitnoodiging zou aannemen, geraakte hij, verder wandelende, onder de schare van Sophocles’ vrienden, die den dichter hartelijk geluk wenschten.[267]

Toen Sophocles hem zag, onttrok hij zich aan de gelukwenschingen zijner vrienden en snelde hem te gemoet.

Pericles, hoewel ontstemd en peinzend, wenschte den overwinnaar eveneens van harte geluk.

„Ik dank u,” zeide Sophocles, „doch spreek niet als vriend tot mij, maar als kunstrechter.”

Met moeite datgene, wat in dit oogenblik hem meer dan alles vervulde, van zich zettende, sprak Pericles:

„Weet gij, wat mij in uw treurspel reden tot nadenken heeft gegeven? Het heeft mij, gelijk vele andere toeschouwers, bijna bevreemd naast de banden des bloeds, dien den Griek sedert overoude tijden steeds heilig zijn geweest, nu ook de banden der teedere min met gelijk recht, met gelijke macht, met gelijken doodsernst in het treurspel geteekend te zien. Levendig houdt deze nieuwheid mijn geest bezig, en nog weet ik niet te zeggen, of gij daarin ten volle recht hebt.”

Van dit onderwerp afstappende, vervolgde Pericles:

„Waart gij het niet zelf, die onder het masker van den bode dat aangrijpend verhaal van den dood van Haemon zoo plechtig schoon hebt voorgedragen? Ik meende uwe stem te herkennen. Doch wie sprak de woorden van Eurydice? Welke tooneelspeler stak achter het masker van deze koningin? Ik weet niet, welke verwonderlijke, het gemoed heimelijk aangrijpende betoovering de toeschouwers beving, toen gij beiden, gij als bode en die koningin tegen elkander overstondt. Welke man, tenzij Polus, zou dien wonderlijken klank der stem zoo heerlijk kunnen weergeven?”

„Ook Polus niet,” hernam Sophocles glimlachend. „Gij hebt straks van nieuwigheden in mijn stuk gesproken; weet dan, dat bij deze voorstelling ook eene nieuwigheid is gewaagd, waarvan tot heden geen menschenziel afweet, behalve ik zelf en de eerlijke Hipponicus. Voor de eerste maal,[268]sedert Thespis26zijn kar in beweging bracht, heeft heden op ons tooneel achter het masker eene werkelijke vrouw gestoken. Wees gij nu de derde in het geheim en laat het tusschen ons drieën voor alle volgende tijden bewaard blijven.”

„En wie was die vrouw,” vroeg Pericles, „die het gewaagd heeft, zij ’t ook onbekend, het tooneel te betreden? en het oude gebruik en de goede oude zeden te trotseeren?”

„Gij zult ze zien,” antwoordde Sophocles en verdween voor een oogenblik; weldra keerde hij terug met eene vrouw, die zoo dicht omsluierd was, dat ze onmogelijk was te herkennen.

Sophocles voerde haar en Pericles iets meer ter zijde opdat zij volkomen veilig zouden zijn voor de nieuwsgierige blikken der menigte. Daarop sprak hij:

„Is het nog noodig Pericles, dat zij zich ontsluiere, om de vrouw te herkennen, die niet alleen de schoonste, maar ook de moedigste is van haar geslacht?”

Pericles was getroffen.

„Ja, zij moet zich ontsluieren,” sprak hij op een koelen en ernstigen toon. Met vaste hand trok de vrouw den sluier van het gelaat en Pericles stond tegenover Aspasia.

Hij kon geen woord uiten. De inhoud van dat briefje van Theodota scheen dus waar te zijn geweest. Aspasia had, zooals nu duidelijk werd, zonder zijne voorkennis heimelijk met den dichter samengewerkt, om het stoute plan ten uitvoer te brengen. Hij kende de trouwe vriendschap van den edelen Sophocles, doch Aspasia had een nieuw bewijs gegeven, dat haar geest in dartele vrijheid met alle boeien spotte.

Alles wat daar in het gemoed van Pericles omging,[269]las Aspasia duidelijk op zijn voorhoofd, in zijne zamengetrokken wenkbrauwen, in den donkeren blik zijner oogen.

En dit welsprekende zwijgen met haar gewone levendigheid beantwoordende, sprak zij:

„Frons uwe wenkbrauwen niet, Pericles, en boven alles vertoorn u niet op uw vriend Sophocles. Door mij gedwongen, heeft hij die vermetelheid begaan.”

„Wees ook niet toornig op Aspasia,” viel de dichter haar in de rede, „want weet, dat zij mij heeft doen inzien, dat de vriendschap heiliger is dan de liefde, wanneer zij ouder is dan de liefde.”

„Strijd tegen het overgeleverde is mijne roeping!” vervolgde Aspasia, „en waarom zoudt gij dan op mij verstoord zijn, als ik niet minder belang stel in de schoone poëzie van Sophocles, dan in de marmeren beelden van Phidias’ werkplaats? Om de schoonheid en de vrijheid te vinden, ben ik naar Hellas gekomen. Had ik slavernij gezocht, dan was ik aan het Perzische hof gebleven en had een kwijnend leven voortgesleept onder den matten liefdeblik van den grooten koning. Wat u op dit oogenblik bezielt, Pericles, is een waan, een vooroordeel, eene ergerlijke bekrompenheid, een vrije Helleen onwaardig. Verdrijf ze uit uw gemoed, o Pericles!”

Thans naderde hen Hipponicus, die Pericles en Aspasia uitnoodigde deel te nemen aan het feestmaal, dat hij op een der volgende dagen wenschte te houden, om op waardige wijze de overwinning van Sophocles en de zijnen te vieren.

De avond begon reeds te vallen, toen Pericles afscheid nam van Hipponicus, Sophocles en Aspasia. Peinzend wandelde hij voort.

Hij dacht aan Aspasia. Hij overwoog in zijn hart, wat zij zooeven had gesproken. Hij moest haar volkomen gelijk geven. Geen kluister mocht de liefde zijn, geen slavenjuk voor Aspasia.

Maar ook voor hem zelve niet.

„Gij kunt Theodota bezoeken,” sprak hij schier onhoorbaar; „het is misschien niet goed een langen[270]tijd onafgebroken zich aan één vrouw over te geven.”

De eischen van de fiere en vrije Aspasia schenen hem thans in volkomen overeenstemming te zijn met de ernstige woorden van Anaxagoras.

Nu kwam hem ook weder het briefje van de Corinthische te binnen en hij dacht aan den slaaf, die hem onder de zuilen van den Tholus wachtte. Het bericht, dat hem Theodota had gegeven, was hem nu door Sophocles veel nauwkeuriger medegedeeld, dan Theodota het zou kunnen doen. Maar zou zij misschien nog niet iets anders te zeggen hebben?

Hij naderde de zuilen van den Tholus. De slaaf trad op hem toe en voerde hem door eenzame steegjes tot aan een tuinhaag, waar hij een klein poortje wilde opendoen. Pericles stond aan den drempel van Theodota’s woning. Hij kon binnentreden. Niemand zag hem. De nachtegalen kweelden in de boschjes van den tuin.

Plotseling echter stond Pericles stil. Hij bedacht zich en bevond, dat hem op dit oogenblik de lust om Theodota te spreken geheel en al ontbrak. Hij verbaasde zich over zich zelven. Hij zeide tot den slaaf, dat hij zijn bezoek tot een volgenden keer wenschte uit te stellen. Deze keek hem verbaasd aan. Hij echter verwijderde zich met langzame schreden en vervolgde zijn weg.—

De maan was opgegaan en verspreidde haar zacht licht over de aarde. In haar stralen schitterde de zee en een zilveren glans tintte de kruinen van Attica’s bergen. De lucht was zoel en verkwikkend. Daar klonken op eens in de verte de tonen, door de avondlucht gedragen, van den heerlijken reizang uit de Antigone:

„God der liefde, nooit bedwongen,Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed,Waar uw pijl is ingedrongen,Voor uw almacht buigen doet!”

„God der liefde, nooit bedwongen,

Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed,

Waar uw pijl is ingedrongen,

Voor uw almacht buigen doet!”

Pericles in ’t oor.[271]

Jongelieden, uit den schouwburg terugkeerende, zongen stukken uit die beroemde rei, die hen had verrukt en vroolijk gestemd in de zachte avondkoelte.

Eene andere onrust voegde zich bij de inwendige ontroering van Pericles en bij zijne gedachten aan Aspasia. Hij benijdde bijna Sophocles en Hipponicus de lauweren, die zij zich dezen dag om de slapen hadden gewonden. Het was hem te moede, alsof hij het zwaard om de lendenen gorden en een leger of vloot wilde verzamelen en voortstormen om schitterende zegepralen te bevechten. De lange vrede begon hem roemloos toe te schijnen. Een drukkend gevoel bekroop hem, waarvan hij echter al peinzend voortwandelend bevrijd werd, toen hij de blinkende tinnen van de Acropolis vóór zich zag opdoemen en de nagalm van den schoonen Antigone-dag weder ruischte in zijne ziel.

Hij was juist op de plaats gekomen van den hellenden weg, waar van den eenen kant de geweldige, reusachtige graniet- en marmermassa van denDionysus-schouwburgzich verhieven in de diepte, aan den anderen de rotsen van den burgtberg, beschenen door het licht der maan, majestueus tegen de lucht afstaken. In de ontzachelijke ruimte van den schouwburg heerschte de stilte van het graf, waar den geheelen dag door een zoo bont en opgewekt leven zich had bewogen, waar de hoogste uiting der Grieksche dichtkunst zich zoo plechtig hadden geopenbaard.

Pericles zag neder in die diepte van den schouwburg en dan weder richtte hij zijn oog naar de heldere hoogte van de Acropolis, waar de tempel van Phidias begon te verrijzen. Zijn eigen persoon en lot verdwenen naar den achtergrond, het wolkje op zijn voorhoofd dreef voorbij, zijne borst verwijdde zich en uit deze diepte en van die hoogte voelde hij zich door een geest van profetie bezield, die hem den roem zijner vaderstad voorspelde en een adem van onsterfelijk leven scheen er te zweven over zijn hoofd.[272]

1Tot recht verstand van dit hoofdstuk is het niet overbodig, kortelijk den inhoud van Sophocles’ Antigone mede te deelen. Polynices, de broeder van Antigone, is, als vijand zijner vaderstad, voor de muren van Troje gesneuveld. Creon, koning van Thebe, heeft een verbod uitgevaardigd op straffe des doods, dat het lijk van Polynices onbegraven ten prooi der honden zal blijven. Antigone waagt het lijk haars broeders te begraven. Voor Creon gebracht, bekent zij hare daad en zegt meer eerbied aan de Goden dan aan de menschen verschuldigd te zijn. Antigone wordt opgesloten in eene onderaardsche grot, waar zij zich van het leven berooft. Haemon, Creon’s jongste zoon, de verloofde van Antigone, stoot zich het zwaard door de borst. Op het hooren van die tijding berooft Eurydice, Creon’s echtgenoote, zich van het leven, haar echtgenoot vervloekende. Het geheele stuk wordt afgewisseld door prachtige reizangen.↑2Elaphebolion is de maand, die loopt van half Maart tot half April. In die maand werden de Elapheboliën gevierd, d.i. de feesten ter eere van de hertenjacht. Elaphebolos beteekent: hertendoodend.↑3Euripides is de derde der beroemde Grieksche treurspeldichters. Evenwel hij is de minste onder hen. Zijn vader heette Maesarchus en zijne moeder Clito, eene groentevrouw; hij zou juist op den dag der overwinning bij Salamis (480) geboren zijn. De dialoog in zijne stukken is dikwijls zeer wijsgeerig.—Vooral door Aristophanes wordt hij zeer bespot. Hij stierf nog vóór Sophocles in 406 v. C. Van zijne stukken zijn ons de namen van 75 bekend, doch slechts 18 hebben wij er over, waaronder een satyr-drama en een stuk Rhesus, dat misschien niet van hem is. Hij zou door honden zijn verscheurd. Archelaüs heeft te Arethusa een monument voor hem opgericht; eveneens deden de Atheners in hunne stad.↑4Cratinus leefde van 520–424 en was de stichter der komedie. Zijne Pytine, de flesch, waarin hij tegen Aristophanes vooral te velde trekt, is het meest bekend. Hij is beroemd om zijne vinnigheid ensarcasme.↑5Choregos is eigenlijk de aanvoerder van een koor, ook hij die de kosten voor de opvoering van een koor (choregie) draagt.↑6Pytho is een draak, die het Delphisch orakel bewaakte; hij werd door Apollo geveld. Volgens de sage, stelde Apollo daarna te Delphi de Pythische feesten in. Met de Olympische, Isthmische en Nemeïsche spelen waren zij de beroemdste nationale spelen in Griekenland.↑7De cothurnus is eigenlijk eene hooge jachtlaars, ook op het tooneel in het treurspel gebruikt, om grooter te schijnen.↑8Halicarnassus was een der beroemdste steden van Klein-Azië in Ionië.↑9De Lenaeën is een feest ter eere van Dionysus (Bacchus) gevierd; de naam is afgeleid van het Grieksche lenos, dat wijnpers beteekent.↑10In de tragedies van Euripides is eene afkeer van de vrouwen duidelijk merkbaar. Men zegt, dat de treurige ervaring bij zijne beide vrouwen Melito en Choerile opgedaan den dichter tot die sombere beschouwing hebben geleid. Vandaar kreeg hij den bijnaam „de vrouwenhater.”↑11Philoctetes, zoon van Poeas en Demonassa trok op tegen Ilium. Wegens eene verpestende wonde aan de voet, ten gevolge van een slangenbeet, werd hij door de Grieken op het eiland Lemnos achtergelaten. Hij bezat echter den boog en pijlen van Hercules zonder welke, zoo had Helenus geprofeteerd, Troje niet kon genomen worden. Na negen jaren op het eiland te hebben doorgebracht, kwamen Odysseus en Diomedus of Neoptolemus (volgens Sophocles) om hem naar Ilium te voeren. Na veel tegenstand gelukte het hun, en door bemiddeling van Philoctetes werd Ilium genomen.Sophocles behandelt deze geschiedenis, voor een deel althans, in zijn „Philoctetes.”↑12Protagonistes was de persoon die de hoofdrol, denteragonistes hij, die de tweede rol vervult, terwijl tritagonistes genoemd wordt degene, die in de derde rol optreedt.↑13Electra, de dochter van Agamemnon en Clytemnaestra, naar wie een treurspel van Sophocles geheeten is.↑14Orestes, die eerst dood gewaand, later door Electra herkend wordt. Te samen dooden zij hun moeder Clytemnaestra, de moordenares huns vaders. Ook van Euripides bestaat een treurspel „Electra” geheeten.↑15Zie Inleiding pag V. Aiax, woedend om die nederlaag richt eene vreeselijke slachting aan onder de runderen, meenende dat het Grieken waren. Daarop stortte hij zich in zijn zwaard.↑16Soph. Aiax vs. 794 en v.v.↑17De zon. De volgende verzen vindt men in Sophocles Aiax vs. 823 en v.v.↑18Ismene is de zuster van Antigone, die te vreesachtig is om deze te helpen in haar vromen plicht. Toch wordt zij door Creon ter dood veroordeeld, doch ontvangt, tegen haar zin, genade.↑19Dionysus (Bacchus).↑20Didaskalos beteekent eigenlijk leermeester, ook hij, die een tooneelstuk laat instudeeren, de koormeester.Het komt ook wel voor in de beteekenis van: de dichter van het tooneelstuk.↑21Eigenlijk: de dansplaats; voorts de plaats in den Atheenschen schouwburg tusschen het tooneel en de amphitheatersgewijze oploopende zitplaatsen.↑22Omphale, de dochter van den Lydischen koning Iardanes en gemalin van Tmolus, verbond zich na den dood van dezen met Heracles of Hercules en baarde hem een zoon. Eene latere sage is er, dat Heracles door haar verwijfd is geworden en vrouwelijke handwerken leerde, terwijl Omphale de wapenen des oorlogs hanteerde. Ongetwijfeld doelt Hamerling hier op deze laatste legende, ze toepassende op Pericles en Aspasia.↑23Agonothetes is een insteller van den wedstrijd, ook een opzichter en rechter daarvan.↑24Mastigophoros is eigenlijk een zweep of geeseldrager; vandaar een lager bediende, die met zweep of geesel de orde handhaaft.↑25Oedipus, de zoon van Laïus, was gesproten uit het geslacht der Labdaciden, dat aan Labdacus, den vader van Laïus, zijn naam ontleende.↑26Thespis te Icaria, een Attisch vlek, geboren, wordt de eigenlijke stichter der tragedie genoemd. Hij had de gewoonte ingevoerd, dat de reiaanvoerder bij afwisseling het een of ander verhaal uit het goden- of helden-epos voordroeg. Onwaarschijnlijk echter is het verhaal, dat Thespis op een wagen een tooneel had ingericht; vanwaar de uitdrukking, die de schrijver hier gebruikt echter afkomstig is. Horatius bezigt het eerst de uitdrukking: „kar van Thespis.”Van Thespis is niet één stuk meer overgebleven.↑

1Tot recht verstand van dit hoofdstuk is het niet overbodig, kortelijk den inhoud van Sophocles’ Antigone mede te deelen. Polynices, de broeder van Antigone, is, als vijand zijner vaderstad, voor de muren van Troje gesneuveld. Creon, koning van Thebe, heeft een verbod uitgevaardigd op straffe des doods, dat het lijk van Polynices onbegraven ten prooi der honden zal blijven. Antigone waagt het lijk haars broeders te begraven. Voor Creon gebracht, bekent zij hare daad en zegt meer eerbied aan de Goden dan aan de menschen verschuldigd te zijn. Antigone wordt opgesloten in eene onderaardsche grot, waar zij zich van het leven berooft. Haemon, Creon’s jongste zoon, de verloofde van Antigone, stoot zich het zwaard door de borst. Op het hooren van die tijding berooft Eurydice, Creon’s echtgenoote, zich van het leven, haar echtgenoot vervloekende. Het geheele stuk wordt afgewisseld door prachtige reizangen.↑2Elaphebolion is de maand, die loopt van half Maart tot half April. In die maand werden de Elapheboliën gevierd, d.i. de feesten ter eere van de hertenjacht. Elaphebolos beteekent: hertendoodend.↑3Euripides is de derde der beroemde Grieksche treurspeldichters. Evenwel hij is de minste onder hen. Zijn vader heette Maesarchus en zijne moeder Clito, eene groentevrouw; hij zou juist op den dag der overwinning bij Salamis (480) geboren zijn. De dialoog in zijne stukken is dikwijls zeer wijsgeerig.—Vooral door Aristophanes wordt hij zeer bespot. Hij stierf nog vóór Sophocles in 406 v. C. Van zijne stukken zijn ons de namen van 75 bekend, doch slechts 18 hebben wij er over, waaronder een satyr-drama en een stuk Rhesus, dat misschien niet van hem is. Hij zou door honden zijn verscheurd. Archelaüs heeft te Arethusa een monument voor hem opgericht; eveneens deden de Atheners in hunne stad.↑4Cratinus leefde van 520–424 en was de stichter der komedie. Zijne Pytine, de flesch, waarin hij tegen Aristophanes vooral te velde trekt, is het meest bekend. Hij is beroemd om zijne vinnigheid ensarcasme.↑5Choregos is eigenlijk de aanvoerder van een koor, ook hij die de kosten voor de opvoering van een koor (choregie) draagt.↑6Pytho is een draak, die het Delphisch orakel bewaakte; hij werd door Apollo geveld. Volgens de sage, stelde Apollo daarna te Delphi de Pythische feesten in. Met de Olympische, Isthmische en Nemeïsche spelen waren zij de beroemdste nationale spelen in Griekenland.↑7De cothurnus is eigenlijk eene hooge jachtlaars, ook op het tooneel in het treurspel gebruikt, om grooter te schijnen.↑8Halicarnassus was een der beroemdste steden van Klein-Azië in Ionië.↑9De Lenaeën is een feest ter eere van Dionysus (Bacchus) gevierd; de naam is afgeleid van het Grieksche lenos, dat wijnpers beteekent.↑10In de tragedies van Euripides is eene afkeer van de vrouwen duidelijk merkbaar. Men zegt, dat de treurige ervaring bij zijne beide vrouwen Melito en Choerile opgedaan den dichter tot die sombere beschouwing hebben geleid. Vandaar kreeg hij den bijnaam „de vrouwenhater.”↑11Philoctetes, zoon van Poeas en Demonassa trok op tegen Ilium. Wegens eene verpestende wonde aan de voet, ten gevolge van een slangenbeet, werd hij door de Grieken op het eiland Lemnos achtergelaten. Hij bezat echter den boog en pijlen van Hercules zonder welke, zoo had Helenus geprofeteerd, Troje niet kon genomen worden. Na negen jaren op het eiland te hebben doorgebracht, kwamen Odysseus en Diomedus of Neoptolemus (volgens Sophocles) om hem naar Ilium te voeren. Na veel tegenstand gelukte het hun, en door bemiddeling van Philoctetes werd Ilium genomen.Sophocles behandelt deze geschiedenis, voor een deel althans, in zijn „Philoctetes.”↑12Protagonistes was de persoon die de hoofdrol, denteragonistes hij, die de tweede rol vervult, terwijl tritagonistes genoemd wordt degene, die in de derde rol optreedt.↑13Electra, de dochter van Agamemnon en Clytemnaestra, naar wie een treurspel van Sophocles geheeten is.↑14Orestes, die eerst dood gewaand, later door Electra herkend wordt. Te samen dooden zij hun moeder Clytemnaestra, de moordenares huns vaders. Ook van Euripides bestaat een treurspel „Electra” geheeten.↑15Zie Inleiding pag V. Aiax, woedend om die nederlaag richt eene vreeselijke slachting aan onder de runderen, meenende dat het Grieken waren. Daarop stortte hij zich in zijn zwaard.↑16Soph. Aiax vs. 794 en v.v.↑17De zon. De volgende verzen vindt men in Sophocles Aiax vs. 823 en v.v.↑18Ismene is de zuster van Antigone, die te vreesachtig is om deze te helpen in haar vromen plicht. Toch wordt zij door Creon ter dood veroordeeld, doch ontvangt, tegen haar zin, genade.↑19Dionysus (Bacchus).↑20Didaskalos beteekent eigenlijk leermeester, ook hij, die een tooneelstuk laat instudeeren, de koormeester.Het komt ook wel voor in de beteekenis van: de dichter van het tooneelstuk.↑21Eigenlijk: de dansplaats; voorts de plaats in den Atheenschen schouwburg tusschen het tooneel en de amphitheatersgewijze oploopende zitplaatsen.↑22Omphale, de dochter van den Lydischen koning Iardanes en gemalin van Tmolus, verbond zich na den dood van dezen met Heracles of Hercules en baarde hem een zoon. Eene latere sage is er, dat Heracles door haar verwijfd is geworden en vrouwelijke handwerken leerde, terwijl Omphale de wapenen des oorlogs hanteerde. Ongetwijfeld doelt Hamerling hier op deze laatste legende, ze toepassende op Pericles en Aspasia.↑23Agonothetes is een insteller van den wedstrijd, ook een opzichter en rechter daarvan.↑24Mastigophoros is eigenlijk een zweep of geeseldrager; vandaar een lager bediende, die met zweep of geesel de orde handhaaft.↑25Oedipus, de zoon van Laïus, was gesproten uit het geslacht der Labdaciden, dat aan Labdacus, den vader van Laïus, zijn naam ontleende.↑26Thespis te Icaria, een Attisch vlek, geboren, wordt de eigenlijke stichter der tragedie genoemd. Hij had de gewoonte ingevoerd, dat de reiaanvoerder bij afwisseling het een of ander verhaal uit het goden- of helden-epos voordroeg. Onwaarschijnlijk echter is het verhaal, dat Thespis op een wagen een tooneel had ingericht; vanwaar de uitdrukking, die de schrijver hier gebruikt echter afkomstig is. Horatius bezigt het eerst de uitdrukking: „kar van Thespis.”Van Thespis is niet één stuk meer overgebleven.↑

1Tot recht verstand van dit hoofdstuk is het niet overbodig, kortelijk den inhoud van Sophocles’ Antigone mede te deelen. Polynices, de broeder van Antigone, is, als vijand zijner vaderstad, voor de muren van Troje gesneuveld. Creon, koning van Thebe, heeft een verbod uitgevaardigd op straffe des doods, dat het lijk van Polynices onbegraven ten prooi der honden zal blijven. Antigone waagt het lijk haars broeders te begraven. Voor Creon gebracht, bekent zij hare daad en zegt meer eerbied aan de Goden dan aan de menschen verschuldigd te zijn. Antigone wordt opgesloten in eene onderaardsche grot, waar zij zich van het leven berooft. Haemon, Creon’s jongste zoon, de verloofde van Antigone, stoot zich het zwaard door de borst. Op het hooren van die tijding berooft Eurydice, Creon’s echtgenoote, zich van het leven, haar echtgenoot vervloekende. Het geheele stuk wordt afgewisseld door prachtige reizangen.↑

1Tot recht verstand van dit hoofdstuk is het niet overbodig, kortelijk den inhoud van Sophocles’ Antigone mede te deelen. Polynices, de broeder van Antigone, is, als vijand zijner vaderstad, voor de muren van Troje gesneuveld. Creon, koning van Thebe, heeft een verbod uitgevaardigd op straffe des doods, dat het lijk van Polynices onbegraven ten prooi der honden zal blijven. Antigone waagt het lijk haars broeders te begraven. Voor Creon gebracht, bekent zij hare daad en zegt meer eerbied aan de Goden dan aan de menschen verschuldigd te zijn. Antigone wordt opgesloten in eene onderaardsche grot, waar zij zich van het leven berooft. Haemon, Creon’s jongste zoon, de verloofde van Antigone, stoot zich het zwaard door de borst. Op het hooren van die tijding berooft Eurydice, Creon’s echtgenoote, zich van het leven, haar echtgenoot vervloekende. Het geheele stuk wordt afgewisseld door prachtige reizangen.↑

2Elaphebolion is de maand, die loopt van half Maart tot half April. In die maand werden de Elapheboliën gevierd, d.i. de feesten ter eere van de hertenjacht. Elaphebolos beteekent: hertendoodend.↑

2Elaphebolion is de maand, die loopt van half Maart tot half April. In die maand werden de Elapheboliën gevierd, d.i. de feesten ter eere van de hertenjacht. Elaphebolos beteekent: hertendoodend.↑

3Euripides is de derde der beroemde Grieksche treurspeldichters. Evenwel hij is de minste onder hen. Zijn vader heette Maesarchus en zijne moeder Clito, eene groentevrouw; hij zou juist op den dag der overwinning bij Salamis (480) geboren zijn. De dialoog in zijne stukken is dikwijls zeer wijsgeerig.—Vooral door Aristophanes wordt hij zeer bespot. Hij stierf nog vóór Sophocles in 406 v. C. Van zijne stukken zijn ons de namen van 75 bekend, doch slechts 18 hebben wij er over, waaronder een satyr-drama en een stuk Rhesus, dat misschien niet van hem is. Hij zou door honden zijn verscheurd. Archelaüs heeft te Arethusa een monument voor hem opgericht; eveneens deden de Atheners in hunne stad.↑

3Euripides is de derde der beroemde Grieksche treurspeldichters. Evenwel hij is de minste onder hen. Zijn vader heette Maesarchus en zijne moeder Clito, eene groentevrouw; hij zou juist op den dag der overwinning bij Salamis (480) geboren zijn. De dialoog in zijne stukken is dikwijls zeer wijsgeerig.—Vooral door Aristophanes wordt hij zeer bespot. Hij stierf nog vóór Sophocles in 406 v. C. Van zijne stukken zijn ons de namen van 75 bekend, doch slechts 18 hebben wij er over, waaronder een satyr-drama en een stuk Rhesus, dat misschien niet van hem is. Hij zou door honden zijn verscheurd. Archelaüs heeft te Arethusa een monument voor hem opgericht; eveneens deden de Atheners in hunne stad.↑

4Cratinus leefde van 520–424 en was de stichter der komedie. Zijne Pytine, de flesch, waarin hij tegen Aristophanes vooral te velde trekt, is het meest bekend. Hij is beroemd om zijne vinnigheid ensarcasme.↑

4Cratinus leefde van 520–424 en was de stichter der komedie. Zijne Pytine, de flesch, waarin hij tegen Aristophanes vooral te velde trekt, is het meest bekend. Hij is beroemd om zijne vinnigheid ensarcasme.↑

5Choregos is eigenlijk de aanvoerder van een koor, ook hij die de kosten voor de opvoering van een koor (choregie) draagt.↑

5Choregos is eigenlijk de aanvoerder van een koor, ook hij die de kosten voor de opvoering van een koor (choregie) draagt.↑

6Pytho is een draak, die het Delphisch orakel bewaakte; hij werd door Apollo geveld. Volgens de sage, stelde Apollo daarna te Delphi de Pythische feesten in. Met de Olympische, Isthmische en Nemeïsche spelen waren zij de beroemdste nationale spelen in Griekenland.↑

6Pytho is een draak, die het Delphisch orakel bewaakte; hij werd door Apollo geveld. Volgens de sage, stelde Apollo daarna te Delphi de Pythische feesten in. Met de Olympische, Isthmische en Nemeïsche spelen waren zij de beroemdste nationale spelen in Griekenland.↑

7De cothurnus is eigenlijk eene hooge jachtlaars, ook op het tooneel in het treurspel gebruikt, om grooter te schijnen.↑

7De cothurnus is eigenlijk eene hooge jachtlaars, ook op het tooneel in het treurspel gebruikt, om grooter te schijnen.↑

8Halicarnassus was een der beroemdste steden van Klein-Azië in Ionië.↑

8Halicarnassus was een der beroemdste steden van Klein-Azië in Ionië.↑

9De Lenaeën is een feest ter eere van Dionysus (Bacchus) gevierd; de naam is afgeleid van het Grieksche lenos, dat wijnpers beteekent.↑

9De Lenaeën is een feest ter eere van Dionysus (Bacchus) gevierd; de naam is afgeleid van het Grieksche lenos, dat wijnpers beteekent.↑

10In de tragedies van Euripides is eene afkeer van de vrouwen duidelijk merkbaar. Men zegt, dat de treurige ervaring bij zijne beide vrouwen Melito en Choerile opgedaan den dichter tot die sombere beschouwing hebben geleid. Vandaar kreeg hij den bijnaam „de vrouwenhater.”↑

10In de tragedies van Euripides is eene afkeer van de vrouwen duidelijk merkbaar. Men zegt, dat de treurige ervaring bij zijne beide vrouwen Melito en Choerile opgedaan den dichter tot die sombere beschouwing hebben geleid. Vandaar kreeg hij den bijnaam „de vrouwenhater.”↑

11Philoctetes, zoon van Poeas en Demonassa trok op tegen Ilium. Wegens eene verpestende wonde aan de voet, ten gevolge van een slangenbeet, werd hij door de Grieken op het eiland Lemnos achtergelaten. Hij bezat echter den boog en pijlen van Hercules zonder welke, zoo had Helenus geprofeteerd, Troje niet kon genomen worden. Na negen jaren op het eiland te hebben doorgebracht, kwamen Odysseus en Diomedus of Neoptolemus (volgens Sophocles) om hem naar Ilium te voeren. Na veel tegenstand gelukte het hun, en door bemiddeling van Philoctetes werd Ilium genomen.Sophocles behandelt deze geschiedenis, voor een deel althans, in zijn „Philoctetes.”↑

11Philoctetes, zoon van Poeas en Demonassa trok op tegen Ilium. Wegens eene verpestende wonde aan de voet, ten gevolge van een slangenbeet, werd hij door de Grieken op het eiland Lemnos achtergelaten. Hij bezat echter den boog en pijlen van Hercules zonder welke, zoo had Helenus geprofeteerd, Troje niet kon genomen worden. Na negen jaren op het eiland te hebben doorgebracht, kwamen Odysseus en Diomedus of Neoptolemus (volgens Sophocles) om hem naar Ilium te voeren. Na veel tegenstand gelukte het hun, en door bemiddeling van Philoctetes werd Ilium genomen.

Sophocles behandelt deze geschiedenis, voor een deel althans, in zijn „Philoctetes.”↑

12Protagonistes was de persoon die de hoofdrol, denteragonistes hij, die de tweede rol vervult, terwijl tritagonistes genoemd wordt degene, die in de derde rol optreedt.↑

12Protagonistes was de persoon die de hoofdrol, denteragonistes hij, die de tweede rol vervult, terwijl tritagonistes genoemd wordt degene, die in de derde rol optreedt.↑

13Electra, de dochter van Agamemnon en Clytemnaestra, naar wie een treurspel van Sophocles geheeten is.↑

13Electra, de dochter van Agamemnon en Clytemnaestra, naar wie een treurspel van Sophocles geheeten is.↑

14Orestes, die eerst dood gewaand, later door Electra herkend wordt. Te samen dooden zij hun moeder Clytemnaestra, de moordenares huns vaders. Ook van Euripides bestaat een treurspel „Electra” geheeten.↑

14Orestes, die eerst dood gewaand, later door Electra herkend wordt. Te samen dooden zij hun moeder Clytemnaestra, de moordenares huns vaders. Ook van Euripides bestaat een treurspel „Electra” geheeten.↑

15Zie Inleiding pag V. Aiax, woedend om die nederlaag richt eene vreeselijke slachting aan onder de runderen, meenende dat het Grieken waren. Daarop stortte hij zich in zijn zwaard.↑

15Zie Inleiding pag V. Aiax, woedend om die nederlaag richt eene vreeselijke slachting aan onder de runderen, meenende dat het Grieken waren. Daarop stortte hij zich in zijn zwaard.↑

16Soph. Aiax vs. 794 en v.v.↑

16Soph. Aiax vs. 794 en v.v.↑

17De zon. De volgende verzen vindt men in Sophocles Aiax vs. 823 en v.v.↑

17De zon. De volgende verzen vindt men in Sophocles Aiax vs. 823 en v.v.↑

18Ismene is de zuster van Antigone, die te vreesachtig is om deze te helpen in haar vromen plicht. Toch wordt zij door Creon ter dood veroordeeld, doch ontvangt, tegen haar zin, genade.↑

18Ismene is de zuster van Antigone, die te vreesachtig is om deze te helpen in haar vromen plicht. Toch wordt zij door Creon ter dood veroordeeld, doch ontvangt, tegen haar zin, genade.↑

19Dionysus (Bacchus).↑

19Dionysus (Bacchus).↑

20Didaskalos beteekent eigenlijk leermeester, ook hij, die een tooneelstuk laat instudeeren, de koormeester.Het komt ook wel voor in de beteekenis van: de dichter van het tooneelstuk.↑

20Didaskalos beteekent eigenlijk leermeester, ook hij, die een tooneelstuk laat instudeeren, de koormeester.

Het komt ook wel voor in de beteekenis van: de dichter van het tooneelstuk.↑

21Eigenlijk: de dansplaats; voorts de plaats in den Atheenschen schouwburg tusschen het tooneel en de amphitheatersgewijze oploopende zitplaatsen.↑

21Eigenlijk: de dansplaats; voorts de plaats in den Atheenschen schouwburg tusschen het tooneel en de amphitheatersgewijze oploopende zitplaatsen.↑

22Omphale, de dochter van den Lydischen koning Iardanes en gemalin van Tmolus, verbond zich na den dood van dezen met Heracles of Hercules en baarde hem een zoon. Eene latere sage is er, dat Heracles door haar verwijfd is geworden en vrouwelijke handwerken leerde, terwijl Omphale de wapenen des oorlogs hanteerde. Ongetwijfeld doelt Hamerling hier op deze laatste legende, ze toepassende op Pericles en Aspasia.↑

22Omphale, de dochter van den Lydischen koning Iardanes en gemalin van Tmolus, verbond zich na den dood van dezen met Heracles of Hercules en baarde hem een zoon. Eene latere sage is er, dat Heracles door haar verwijfd is geworden en vrouwelijke handwerken leerde, terwijl Omphale de wapenen des oorlogs hanteerde. Ongetwijfeld doelt Hamerling hier op deze laatste legende, ze toepassende op Pericles en Aspasia.↑

23Agonothetes is een insteller van den wedstrijd, ook een opzichter en rechter daarvan.↑

23Agonothetes is een insteller van den wedstrijd, ook een opzichter en rechter daarvan.↑

24Mastigophoros is eigenlijk een zweep of geeseldrager; vandaar een lager bediende, die met zweep of geesel de orde handhaaft.↑

24Mastigophoros is eigenlijk een zweep of geeseldrager; vandaar een lager bediende, die met zweep of geesel de orde handhaaft.↑

25Oedipus, de zoon van Laïus, was gesproten uit het geslacht der Labdaciden, dat aan Labdacus, den vader van Laïus, zijn naam ontleende.↑

25Oedipus, de zoon van Laïus, was gesproten uit het geslacht der Labdaciden, dat aan Labdacus, den vader van Laïus, zijn naam ontleende.↑

26Thespis te Icaria, een Attisch vlek, geboren, wordt de eigenlijke stichter der tragedie genoemd. Hij had de gewoonte ingevoerd, dat de reiaanvoerder bij afwisseling het een of ander verhaal uit het goden- of helden-epos voordroeg. Onwaarschijnlijk echter is het verhaal, dat Thespis op een wagen een tooneel had ingericht; vanwaar de uitdrukking, die de schrijver hier gebruikt echter afkomstig is. Horatius bezigt het eerst de uitdrukking: „kar van Thespis.”Van Thespis is niet één stuk meer overgebleven.↑

26Thespis te Icaria, een Attisch vlek, geboren, wordt de eigenlijke stichter der tragedie genoemd. Hij had de gewoonte ingevoerd, dat de reiaanvoerder bij afwisseling het een of ander verhaal uit het goden- of helden-epos voordroeg. Onwaarschijnlijk echter is het verhaal, dat Thespis op een wagen een tooneel had ingericht; vanwaar de uitdrukking, die de schrijver hier gebruikt echter afkomstig is. Horatius bezigt het eerst de uitdrukking: „kar van Thespis.”

Van Thespis is niet één stuk meer overgebleven.↑


Back to IndexNext