X.

[Inhoud]X.DE KONINGIN VAN HET FEEST.Toen Pericles, na de overwinning van Hipponicus en het daarop gevolgd gesprek van Aspasia, eenige dagen door allerlei gevoelens, die de vrijheidsliefde der Milesische in hem opgewekt had, bestormd werd, werd telkens de gedachte bij hem levendig: „Ik zal aan de vriendelijke uitnoodiging van Theodota gehoor geven. Waarom zou die Milesische vrouw mij in kluisters slaan, die zij zelve niet kent?”—Doch als het beeld van Aspasia weder oprees voor zijn geest, als hij dacht aan de vrije fiere ziel van die vrouw, aan de mogelijkheid haar te zullen verliezen, dan week zijne begeerte naar Theodota naar den achtergrond. Naast den vurigen gloed, waarmede Pericles Aspasia beminde, kon die nieuwe opwelling geen stand houden. Vooruit gezien, ja vooruit berekend was deze uitwerking door Aspasia.—Maar Pericles ging voort met zich zelven te bestrijden en aan nieuwe opwekking tot dien strijd zou het hem niet ontbreken.Hipponicus, die alles opofferde, om van den luister zijns rijkdoms en de pracht zijner feesten te doen spreken, had niet gerust, voordat Pericles en Aspasia er in toegestemd hadden ook op het zegemaal te zullen komen.Toen de bepaalde dag gekomen was, zag men in het huis van Hipponicus de uitgelezenste hoofden, de schitterendste vertegenwoordigers van den Atheenschen roem vereenigd.Pericles, Aspasia en de overige genoodigden waren nauwelijks binnengetreden, of Hipponicus liet hen de pracht van zijn huis zien. Hij leidde hen rond en toonde hun zijne vertrekken, zijne tuinen, zijne baden, zijne worstelplaats—een gymnasium in het klein—zijne vischvijvers, zijne schoone paarden, zijne honden, zijne zeldzame vogels, zijne[273]hanen en kwartels, die hij voor zijn genoegen hield, om ze met elkaar te laten vechten. Hij wees hun het grafteeken, dat hij voor een zijner gestorven honden van het Melitaeïsche ras had opgericht. Hij zeide, dat zijn huis eene herberg was, steeds vol gasten, dat hij dagelijks een dozijn parasiten aan zijne tafel spijzigde. „Die knapen,” zei hij, „zijn zoo vet gemest, dat het mij spijt, dat ik ze u vandaag niet kan laten zien. Want heden heb ik mij voorgenomen, alleen de uitstekendste mannen van Athene aan mijne tafel te vereenigen.”Een zijner gasten vroeg hem naar zijne gemalin, eene vraag, die niet zeer bescheiden was. Hij antwoordde, dat zij wèl was, maar dat hij haar in de vrouwenvertrekken niet storen wilde. Iedereen toch wist, dat hij die vrouw alleen daarvoor gebruikte, om haar uit pronkzucht met allerlei edelgesteenten en paarlen te behangen en haar naar de nieuwste mode in een sierlijken wagen, met Sicyonische paarden bespannen, door de straten te laten rijden. Voor ’t overige hield de oude liefhebber—ook naar de nieuwste mode—er eene buitenlandsche vriendin op na, en men zeide dat tegenwoordig de beroemde Theodota het voorwerp zijner hulde was.Ook over zijne kinderen sprak hij tot zijn gasten, over zijn zoontje Callias, die hij juist, naar hij zeide, naar Delphi had gezonden, om zijn hoofdhaar te laten afknippen en dat volgens een oud gebruik aan Apollo te wijden; voorts over zijn dochtertje Hipparete, wier schoonheid en innemend karakter hij niet genoeg kon prijzen en van wie hij zeer veel scheen te houden. „Dit kind,” zei hij, „groeit op tot de schoonste en edelste aller Atheensche jonkvrouwen en het zal moeilijk zijn eens een bruidegom, harer waardig, te vinden. Wat schoonheid betreft, ken ik geen knaap in Athene, van wien men voorspellen kan, dat hij als jongeling opgegroeid naast deze jonkvrouw zal kunnen gesteld worden, behalve uw Pleegzoon, Pericles, den kleinen Alcibiades. Ik heb hem een paar maal in[274]de worstelschool gezien en deze knaap mag gerust beweren, bijna onder de jongens te zijn, wat Hipparete is onder de meisjes. Wat hun leeftijd aangaat, geloof ik, dat zij niet veel zullen verschillen. Nu, wie weet, wat de Goden beschikken, als deze beide knoppen eens opengebroken zijn! Wat dunkt u, Pericles? Doch, er is nog tijd genoeg, om daarover te spreken.”Na deze en dergelijke gesprekken geleidde Hipponicus zijne gasten in de groote, prachtig versierde eetzaal. Hier stonden in een wijden kring de aanligbedden, waarop men gewoon was aan tafel aan te liggen. Het behoeft nauwelijks vermeld te worden, dat de daarover gespreide tapijten rijk en keurig bewerkt waren, dat de ronde kussens, waarop men den arm kon doen rusten, met bonte kleuren afgezet waren, dat de zilveren en gouden vazen, met edelgesteenten bezet, op de schenktafels meer nog door bevalligheid van vorm, dan door hare kostbaarheid de aandacht trokken, dat uit even sierlijke schalen de heerlijkste geuren opstegen die de geheele zaal met een bedwelmende, aangename lucht vervulden; dat de wanden beschilderd waren met beelden, vol levenslust en bekoorlijkheid. Daar waren groepen en tooneelen te zien, waarin tallooze liefdegoden waren voorgesteld, allen bevallig door duiven en musschen gedragen. Nog merkwaardiger was de vloer. Bij den eersten aanblik scheen zij bezaaid met den afval van een rijken disch: van vruchtenschillen in de meest afwisselende kleuren, beentjes, broodkruimels, afgesneden hanenkammen, bontkleurige vederen, kortom van overblijfsels van allerlei soort. Maar wanneer men de vloer nader beschouwde, zag men dat alle deze voorwerpen kunstig waren nagemaakt door ingelegde bonte steenen in het fijnste mozaïek. Groote, schoone beschilderde vaten waren tot verdere versiering op geschikte punten van de ruime zaal geplaatst. Tegenover den ingang van het vertrek stond een met bloemen bekranst altaar, waarop[275]eene vlam brandde, die de welriekendste geuren verspreidde.Hipponicus noodigde de gasten naar vrije keus zich op de aanligbedden neder te vlijen. Eerst echter ging men zitten; slaven naderden met schoon gevormde, zilveren bekkens en kannen, om vóór het begin van het maal den gasten de schoenriemen los te maken, hun de zilveren bekkens onder de ontbloote voeten te houden en daarover den inhoud der zilveren kannen uit te gieten. Deze bevatten echter in plaats van water geurigen wijn, die sterk was gekruid door vermenging van welriekende olie en essencen. Eveneens werden de handen besprenkeld en vervolgens met fijne doeken afgedroogd.De gasten van Hipponicus hadden, volgens de uitnoodiging van den gastheer, zich twee aan twee op de aanligbedden nedergezet, naar het toeval meêbracht of de vriendschap van een paar mannen, die gaarne naast elkander wilden blijven. De waarheidszoeker Socrates had plaats genomen naast den wijzen Anaxagoras; de beeldhouwer Phidias naast zijn vriend, den bouwmeester Ictinus; de dichter Sophocles naast den tooneelspeler Polus; de sophist Protagoras1naast den geneesheer Hippocrates2.De sophist Protagoras vertoefde juist te Athene en had zijn intrek genomen bij zijn gastvriend Hipponicus. Zijne aankomst te Athene had groot opzien verwekt; want de roem van dezen man wies in Griekenland van dag tot dag. Hij was[276]een geboren Abderiet3derhalve een Thraciër en toch eigenlijk een Ioniër, want Abdera was eene kolonie der Ioniërs. In zijn vroegere jaren was hij pakdrager geweest, naar men zeide, totdat een wijs man zijne kundigheden ontdekte en ze tot ontwikkeling deed komen. Veel had hij rondgezworven, hij had zelfs uit de wijsheidsbron van het oosten geput en nu rees hij op aan den hemel van Hellas als een schitterend meteoor. Hij had verstand van alle mogelijke zaken: van de gymnastiek, de muziek, de redekunst, de dichtkunst, de kennis van hemel en aarde, de mathematische vakken, de ethiek, de politiek en overal waar hij kwam vond hij een buitengewonen toeloop van weetgierigen. Rijke jongelingen gaven de grootste sommen, om van zijn onderricht te genieten. Hij was eene prachtige verschijning, die het oog bekoorde, hij had de houding van een koning, ging prachtig gekleed, en wegsleepend was de kracht zijner welsprekendheid.Deze Protagoras nu zette zich naast den jongen, doch zeer ervaren en scherpzinnigen arts Hippocrates neder, een neef van Pericles.Door eene zonderlinge bestiering van het lot had de afgetrokken Polygnotus, die zich hier niet recht te huis gevoelde, den overmoedigen blijspeldichter Cratinus, ook als drinker befaamd, tot nabuur gekregen. Maar welk een hemelsbreed verschil er tusschen deze mannen bestond, één punt van aanraking en overeenstemming hadden zij toch gemeen. Zij waren de eenigen, die niet door vriendschapsbanden tot dit gezelschap behoorden en alleen aan de eerzuchtige begeerte van Hipponicus, om uitnemende mannen op elk gebied bij zich te zien, hunne uitnoodiging te danken hadden. Cratinus was een spotter, wiens geestigheid, den bliksem gelijk, het liefst de hoogst uitstekende[277]punten trof. Hij had immers in zijne laatste comedie zelfs Pericles en zijne schoone vriendin niet gespaard. Polygnotus echter, de vriend van Elpinice, voedde een heimelijken wrok tegen Phidias. En zoo keken dan ook Cratinus en Polygnotus elkander hoofdschuddend aan, toen zij Aspasia, op uitnoodiging van den gastheer, tusschen dezen en Pericles plaats zagen nemen op een afzonderlijk aanligbed, waarop zij, naar de gewoonte der vrouwen, rechtop zat, terwijl de mannen, met den linker arm op het kussen steunende, op hunne linkerzijde aanlagen. Cratinus en Polygnotus vroegen elkaar fluisterend, hoe het kwam, dat men hier eene vreemdelinge, eene hetaere, zulk eene eer bewees. De overige gasten dachten er anders over. Zij waren vrienden van Pericles, zij vormden de schitterende schare zijner getrouwen, zij kenden de uitnemendheid en de macht van Aspasia en verwonderden zich reeds niet meer over iets, als het de Milesische gold. Wat Protagoras betrof, deze zag Aspasia wel is waar heden voor het eerst, maar haar uiterlijk had hem van het eerste oogenblik af zoo geheel en al betooverd, dat iedere gedachte eerder bij hem zou opkomen, dan zich aan hare tegenwoordigheid te ergeren.Op een wenk van Hipponicus werd nu voor elkaanligbedeene kleine tafel geplaatst; de spijzen werden deels opgedragen, deels rondgediend, en het maal begon.Evenals het gezelschap van beroemde gasten in het huis van Hipponicus eenig was, zoo had deze zijn best gedaan, dat aan zijne tafel niets zou ontbreken, wat de Atheensche markt eere kon aandoen.„Wanneer ik,” sprak Hipponicus, terwijl zijne gasten zich aan de heerlijke spijzen te goed deden, „mij heden het genoegen zie bereid, zulk eene schare van uitgelezen mannen aan mijne tafel te vereenigen, dan gevoelde ik mij verplicht, hen zoo kostelijk mogelijk te onthalen. Maar gij weet, hoe ver wij Atheners het ook in de andere kunsten mogen gebracht hebben, in de kunst van goed[278]te eten staan wij nog zeer ten achteren. En toch, meen ik, is de kunst van goed te eten volstrekt geen zaak, die mag verwaarloosd worden. Ik voor mij heb er altijd eene eer ingesteld voor een lekkerbek door te gaan en ik zou mij gelukkig prijzen, als ik iets kon bijdragen, om de Attische keuken tot een hoogere trap van volkomenheid te brengen. Ik zie een spottenden glimlach de lippen van sommigen plooien, alsof zij wilden zeggen, dat ons Athene iets dergelijks niet noodig heeft, dat het wel geroepen is in andere kunsten aan de spits der volken te staan, doch niet in deze kunst. Veroorlooft mij te zeggen, dat dit eene dwaling is. Want, als gij u op ons uitnemend marmer, op onze voortreffelijke kleiaarde en dergelijke dingen beroept, zal ik u gemakkelijk aantonen, dat gij ook zout en olie en azijn en aromatische kruiden, die toch altijd de krachtigste hulpmiddelen blijven in de handen van een kunstenaar in de kookkunst, onder geen hemelstreek beter vindt dan bij ons. Om van het Attische zout niet te spreken, dat in tweeërlei zin beroemd is, weet ieder dat niets te vergelijken is met de vrucht van den Attischen olijf, dat de kruiden van de Hymettus de geurigste zijn en dat juist daarom de honig van dien Hymettus de kostelijkste is, die ergens is te vinden.„Ik betreur het, dat ik om een waarlijk uitmuntenden kok te hebben, er een uit Sicilië heb moeten ontbieden.„Deze echter, Anacharsis genaamd, is nu werkelijk een meester van onovertroffen bekwaamheid en ik mocht hem wel den Phidias of Sophocles der kookkunst noemen.„Niemand verstaat het zoo goed door voorgerechten den eetlust te prikkelen. De sausen, waarin hij ons de worstjes, de wildezwijnenlever, de kleine vogels en dergelijke heeft opgedischt, zullen zelfs den fijnsten kenner bevredigen. Wat zijn meesterschap betreft in het uithalen van tonijnen4, alen,[279]muraenen5en speenvarkentjes en ze op de scherpzinnigste wijze tot streeling van het verhemelte met lijsters, eieren en oesters op te vullen, daarvan kunt gij u heden zelf genoeg overtuigen. Zijne hazen en reeën, zijne patrijzen en fasanten zult gij even heerlijk vinden als zijne koeken met melk en honig toebereid en met allerlei vruchten gevuld.„Gij hebt juist, ik herhaal het, de gelegenheid de kunst van dezen voortreffelijken man te waardeeren; maar gij allen—en ik mocht er wel bijvoegen, alle Atheners over het algemeen—gij zijt in uw gemoed steeds te zeer met andere zaken bezig, om met waren kennerssmaak dit te proeven en de waarde van deze kunst onbevooroordeeld te erkennen. Eigenlijk zijn slechts de parasiten van professie werkelijke, degelijke lekkerbekken en dankbare dischgenooten. Gelukkig groeit het aantal van die kunstlievende mannen, die er hun vak van maken, om op andermans kosten heerlijk te smullen, met den dag aan. Ik heb u reeds gezegd, dat ik dagelijks een dozijn van die lekkerbekken aan mijne tafel vereenig en ik kan ze niet missen; want het begint mij te vervelen al dat heerlijke geheel alleen te genieten. Gij moest eens zien, met welk een ernst die knapen hun vak opvatten, hoe zij smakken met de tong, hoe zij de wenkbrauwen optrekken, als mijn kok hen met een nieuwe uitvinding of met eene fijne, slechts voor den kenner merkbare verandering, in de spijzen verrast. Zóó zijt gij nu waarlijk niet; integendeel terwijl gij de grootste kunststukken van mijn voortreffelijken Anacharsis door uwe keel laat glijden, denkt de een dit, de ander aan wat anders, Pericles aan zijne staatszaken en aan eene nieuwe volksplanting, die hij wil overbrengen, Sophocles aan een nieuw treurspel, Phidias aan de friezen van het Parthenon, Polygnotus overdenkt, hoe men de wanden dezer eetzaal nog sierlijker had kunnen beschilderen en Socrates ontleedt in zich zelven een begrip, in[280]plaats van den patrijs, dien hij op zijn bord heeft.”Aldus gaf Hipponicus zijn gemoed lucht en zijne gasten lachten vroolijk om de aanmerkingen van den goedhartigen gastronoom.Nu echter stond Hipponicus op en bracht het gebruikelijke plengoffer met eene waardigheid, die hij als daidouchos te Eleusis niet plechtiger kon ten toon spreiden.„Aan den goeden Geest gewijd!”6sprak hij en goot eenige droppels ongemengden wijn uit de schaal op den grond, dronk toen zelf, liet den beker opnieuw vullen en bij de gasten, rechts beginnende, rondgaan. Gedurende dit plengoffer heerschte er eene plechtige stilte, slechts twee fluiten begeleidden dit met ernstige, gedempte tonen.Daarop werden de kleine tafels weggenomen en de vloer gereinigd7.Toen vervolgens de drinkbeker gebracht, het groote mengvat geplaatst en het nagerecht opgedragen was, met allerlei versnaperingen die den drinklust konden opwekken, alsmede hoofdtooisels en geurige kransen van rozen, viooltjes en myrthen binnengebracht waren, waarmede de gasten hunne hoofden omwonden, werd de Paëan8ter eere vanDionysusaangeheven en op het met bloemen bekranste altaar een offer van vermengde wijn in de vlam gegoten, ter eere van alle Olympische Goden.„Gij weet, waarde gasten en vrienden,” sprak weder Hipponicus, „wat het oude, schoone gebruik van ons verlangt. Wilt gij liever den symposiarch9kiezen of wel hem door het lot benoemen?”[281]Phidias, Ictinus, Anaxagoras en eenige anderen verklaarden zich er tegen, dat men hem door het lot aanwees, want dan moesten zij vreezen, naar zij zeiden, zelf benoemd te kunnen worden en zij gevoelden weinig roeping den post van ceremoniemeester op zich te nemen.„Als het noodig is,” zeide Protagoras, „een symposiarch te kiezen, dan weet ik niemand, wien we dit eerambt liever moesten aanbieden, dan aan den aanzienlijksten van zoovele aanzienlijke mannen, aan den grooten Pericles.”Deze bedankte met een glimlach voor die eer en zeide: „Kiest Socrates. Die verstaat het, verstandige gesprekken te leiden; zou hij dan ook geen symposion kunnen besturen?”Socrates echter antwoordde: „Ik weet niet of ik verstandige gesprekken kan leiden of niet; dit echter weet ik wel, dat ook wanneer dit werkelijk zoo was, het een onvergeefelijke aanmatiging van mij zou wezen, ’t zij bij een gesprek, ’t zij bij een symposion, demoeilijketaak der leiding op mij te nemen, in tegenwoordigheid van mijne leermeesteres Aspasia, wier heerlijke wijsheid allen hier aanwezigen genoeg bekend is. Ik geef toe, dat de gewoonte medebrengt, een symposiarch te kiezen en dat Aspasia eene vrouw is; maar ik weet niet, wat de kunne met de taak van een symposiarch te maken heeft? Hipponicus verlangt, dat dit symposion eenig in zijn soort zij; welaan, laten wij hem daarin behulpzaam zijn en kiezen we in plaats van een symposiarch eene symposiarche.”Op het eerste oogenblik schenen de gasten door deze woorden verbluft, doch weldra klonken van alle kanten levendige bijvalskreten.„Zonderling, maar misschien verstandig is het,” zei Aspasia, „iemand tot hoofd der tafel te kiezen, die zelf het drinken niet verstaat.”„Met welken wijn,” ging zij voort, „zijn tot nu toe onze bekers gevuld?”„Het is wijn van Thasos,” hernam Hipponicus,„Thasische wijn van de beste soort, zooals hij geplengd[282]wordt in het Prytaneüm10te Thasos. Den kostelijken geur heeft de wijn uit zich zelven, maar den zoeten smaak van het met honig gemengde weitemeel, dat men, naar een voortreffelijk gebruik, in vaten heeft gedaan.”„Honigzoete, geurig gekruide wijn van Thasos!” riep Aspasia, „gij zijt waardig op het welzijn gedronken te worden der beide mannen, wier overwinning met dit maal gevierd wordt! Mijne vrienden, ledigt uwe bekers op het welzijn van den gekransten choreeg en op dat van den gelauwerden dichter der Antigone!”Met geestdrift begroetten allen dezen dronk en ledigden hunne bekers, die op bevel der koningin van het feest opnieuw werden gevuld.„Thrax”11, riep Hipponicus, tot een der bedienende slaven, „breng de wijnkaart hier, die voor het symposion van heden bestemd is en geef ze aan de symposiarche.—Op dezelfde lijst, Aspasia, vindt ge de spelen en vermakelijkheden, waarover wij heden in dit huis beschikken kunnen. Moge het u behagen tot ons genoegen telkens datgene uit te kiezen wat u juist het schoonst en geschiktst voorkomt en het door een woord of een wenk als met een tooverstaf voor ons te bezweren.”„Wilt gij mij eene cither laten geven?” vroeg Aspasia. „Ik zal mij als symposiarche niets meer aanmatigen, dan den grondtoon voor de stemming en de harmonie aangeven.”Oogenblikkelijk liet Hipponicus een slaaf eene met edelgesteenten en ivoor rijk versierde cither binnen brengen. De schoone Milesische nam ze aan en begon bij de tonen de volgende verzen te zingen:[283]„Lachend, met bloemen getooid, welriekend van Syrischen nardus,Met Dionysischen dauw, schitterend, rooskleurig besproeid,Laat ons met klinkende stem onder ’t getokkel der snaren verkonden,Dat hij het schoonst is op aard, hij het hoogste: de lust!”Daarop liet zij de luit aan Socrates geven.Deze echter zeide:„Daar het ook tot de taak van den symposiarch behoort, raadsels ten genoege der gasten op te geven, heb ik aanstonds vermoed, dat Aspasia onze scherpzinnigheid met zulke dingen op de proef zou stellen. Wat zij daar juist, om den grondtoon voor ons symposion aan te geven, zooals zij zegt, van den lust des levens onder begeleiding der snaren heeft gezongen, wat is dat, wel beschouwd, anders dan een verleidelijk raadsel, dat zij ons voorlegt? Deze schoone Milesische schijnt mij inderdaad eene Sphinx12toe, met een afgrond naast zich, waarin zij ons allen zal storten, als wij hare raadsels niet kunnen oplossen. Hoe benijd ik thans den voortreffelijken Hipponicus! Want deze schijnt toch zeker wel het best van ons allen den lust en het vroolijke genot des levens te kennen en zoo wellicht alleen in staat dat raadsel van Aspasia in de rechte beteekenis te verklaren en op te lossen. Want wat iemand het best in de praktijk kent, dat zal hij wel het best kunnen onderwijzen.”Levendig en vroolijk hunne goedkeuring aan die woorden te kennen gevende, riepen allen:„Zoo is het! Hipponicus is de man, om ons over het genot en over den lust des levens te onderrichten.”„Wanneer dan de vervelende bespiegeling van[284]alle dingen bij dit symposion niet geheel vermeden kan worden,” begon Hipponicus met een schalkschen lach, „dan dank ik den Goden, dat het gesprek juist op dit en geen ander onderwerp gekomen is. Want dit is werkelijk, zooals Socrates zeide, eene zaak, waarover ik een woordje mag meespreken. Gij herinnert u nog wel, hoe ik straks mijn best heb gedaan, u aan het verstand te brengen, dat men bezwaarlijk het ergens ter wereld in de kunst van goed te eten en te drinken verder zou kunnen brengen, dan hier te Athene, als men maar wil. In het algemeen kan men de stelling uitspreken, dat op dezen bodem en onder dezen Helleenschen hemel de menschen geboren zijn, om gelukkig te zijn. Ik zal u echter ook bewijzen, dat het bij ons in Griekenland gemakkelijk is het aangenaamste leven met de wijsheid, de deugd of vroomheid of godenverheerlijking of wat gij ook noemen wilt, te verbinden. Want de Helleensche Goden verlangen al het mogelijke, alleen niet onthouding of verloochening van de vreugde en het genot des levens. Zelfs van mij verlangen zij dat niet, hoewel ik van een priesterlijk geslacht ben en jaarlijks éénmaal bij de viering der Eleusinische mysteriën het ambt van diadouchos moet waarnemen. Het overige deel van het jaar leef ik te Athene voor het vaderland en mijn genoegen, zonder dat het de Goden en niemand ter wereld zou invallen, mij daarvan een verwijt te maken. Als de arme stumpert Diopithes daarboven op den burg mij vijandig is en kwaad van mij spreekt, is het niet, omdat ik van eene keurige tafel en schoone vrouwen houd en er goed van leef, ’t geen hij ook wel gaarne zou doen, als hem de middelen er niet toe ontbraken, maar alleen omdat het Eleusische priestergeslacht het zijne, de Eumolpiden, de Eteobutaden, in luister en aanzien overschaduwd heeft.„Als Diopithes als een suffer leeft, dan doet hij dat uit vrijen wil; de Goden der Hellenen bekommeren zich daar niet om en, hoewel ik er eene betere tafel op nahoud, beroem ik mij toch[285]even vroom en den Goden even welgevallig te zijn als hij. Durft iemand beweren, dat ik geen vroom man ben en de Goden niet eer, zoo goed als iemand te Athene? Zeus Herkeios13heeft zijn altaar aan mijn huiselijken haard; in de nis achter de deur staat Hermes Strophaios, de goddelijke bewaker van den deurdrempel; vóór de deur staat het gewone Hecate-huisje14, en de kegelvormige zuil van Apollo Agyieus15den God der straten en daarnaast de laurier, den God gewijd, tot eene beschutting tegen tooverij en vallende ziekte, bij de deur zelve blijft van het eene Pyanepsiën-feest16tot het andere de olijftak, symbool der overwinning, hangen, dien men met witte wol omwonden in den Apollo-tempel bij dat feest wijden laat; het ontbreekt ook niet aan opschriften boven de deur, die het huis onder de hoede der Goden stellen, noch aan den gebruikelijken Medusa-kop aan den anderen kant, die al het booze van den ingang afweert. Ik verzuim noch de betamelijke godenoffers, noch de reinigingen en verzoeningen, noch de gebeden, noch de gaven, noch de rijkelijke bijdragen, om den luister der godenfeesten te verhoogen en het heeft mij kort geleden weder vijfduizend drachmen gekost, om het koor voor Sophocles’ Antigone zoo prachtig mogelijk uit te rusten. Wie durft dus opstaan en zeggen, dat ik geen vroom man ben en de Goden niet, naar oudvaderlijk gebruik, eer? Wij Grieken zijn een vroom volk en ik ben een Griek. Daarom vereer ik de Goden, zooals betamelijk is, maar ik vrees ze niet, ook al geniet ik het goede der aarde. Want in den Tartarus17[286]zijn er velen, die om verschillende overtredingen de zwaarste straffen lijden, maar ik herinner mij niet, dat er onder hen één is, die daar lijdt, omdat hij een gastronoom en man van de wereld geweest is. Is er één onder? Neen, geen enkele! Daarom nog eens: ik ben een vroom man en behoef de Goden niet te vreezen. Ik vrees niets ter wereld, behalve de dieven en inbrekers, die mij mijne schatten, mijne paarlen en edelgesteenten, mijne Perzische gouden dariken18zouden kunnen ontrooven.”Alle dischgenooten begonnen vroolijk te lachen bij deze laatste woorden van Hipponicus en klapten in de handen; hij echter vervolgde:„Daar bouwen ze wijselijk een schathuis voor de staatsgelden boven op den burg, onder de bescherming der schutsgodin dezer stad. Maar hoe zal een vaderlandlievend man, als een onzer, zijn zuur verdiend geld in veiligheid brengen? Ik ontken het niet, dat sedert ik zesduizend slaven in mijne zilvermijnen laat werken en mijne bezittingen dagelijks toenemen, ik mij wat ongerust maak.”—„Troost u, Hipponicus,” riep Pericles, „ik zal bij het volk mijn best doen, dat het u toegestaan wordt, een schathuis voor u zelven op de Acropolis te bouwen. Gij hebt dit, zoo al niet door iets anders, dan toch zeker door uwe prachtige rede verdiend, die gij straks gehouden hebt.”Wederom klapten alle dischgenooten in de handen en prezen Hipponicus en zijne rede.Alleen de dartele en onvermoeide drinkebroer Cratinus zeide tot den gastronoom:„Wanneer gij, edele Hipponicus, werkelijk de Goden niet vreest, maar alleen de dieven en niets anders ter wereld, dan de dieven, wat denkt gij dan van de waterzucht en de andere gevolgen van een vroom en tevens goed leven? En van het pootje, dat,[287]zooals ik helaas bij ondervinding weet, aan te rijke besproeiing met Dionysischen dauw pleegt verbonden te zijn? Hebt gij ook hiervoor geen vrees? Of vertrouwt gij op dit punt geheel en al uw vriend Hippocrates, den voortreffelijken arts dien gij wijselijk aan uwe tafel pleegt te noodigen?”„Gij hebt het geraden,” hernam Hipponicus, „in deze dingen verlaat ik mij geheel op Hippocrates, met wien ik, evenals met de Goden gaarne op een goeden voet sta. Hem laat ik het ook over tebeslissenof het pootje en waterzucht en dergelijke zaken werkelijk komen, van wat men noemt „het vette der aarde genieten.”„Niet geheel en al,” hernam Hippocrates glimlachend. „Het is wel is waar niet te ontkennen, dat de inspanning en vermoeienis, die met een goed leven gepaard gaan, waterzucht en dergelijke dingen veroorzaken kunnen. Wat het genot op zich zelf echter betreft—en om het zuivere begrip daarvan is het toch in ons onderhoud te doen—moet dit als een zeer geschikt hulpmiddel ter bevordering der gezondheid beschouwd worden. Het genot is namelijk eene eigenaardige lichaams- en zielsstemming, hetwelk de wangen kleurt, de oogen verheldert, de ademhaling gemakkelijker maakt, het bloed krachtig door de aderen drijft, het trage veerkracht geeft, het vloeibare stolt, alle levensgeesten opwekt, alle krachten vermeerdert en het geheele wezen van den mensch in een staat van schoone, heilzame harmonie brengt. Zelfs voor den kranke is de vreugde eene zoo heilzame artsenij, dat ik niet weet of onder alle kruiden, pleisters en dranken, die wij geneeskundigen bij zieken aanwenden een krachtiger middel is te vinden.”Lachend gaven alle gasten hun instemming te kennen met deze woorden, en alle dischgenooten deden eene gelofte, dat zij zich nooit aan een anderen arts dan Hippocrates zouden toevertrouwen.„Wijze geneesheer!” riep de halfdronken Cratinus, „gij hebt mij ten volle gerust gesteld. Nu is[288]het mij helder: hoe had ik, dien zij een vriend der flesch noemen, voornamelijk sedert ik eene comedie geschreven heb, waarin gevulde flesschen, mijne vriendinnen, het koor vormen, hoe had ik, zeg ik, de met genot van het drinken verbonden kwalen tot op dezen huidigen dag zoo gelukkig kunnen trotseeren, zoo niet de genezende kracht van het drinken op zich zelve mij op de been had gehouden?—Ware ik ceremoniemeester, in plaats van die schoone vreemdelinge, die zich vermoedelijk beter op de werken van de gulden Aphrodite verstaat, dan op die van Bacchus, dan zou ik oogenblikkelijk een dubbelen dronk instellen op den wijsten aller geneesheeren, den grooten Hippocrates!”„Thrax,” riep Aspasia den naast haar staanden slaaf toe, „geef Cratinus een beker, dubbel zoo groot als de onzen. En laat ons nu een dronk wijden ter eere van Hippocrates!”Toen nu allen ter eere van Hippocrates gedronken hadden en ook Cratinus zijn dubbelen beker geledigd had, nam Polus het woord:„Ik weet niet, hoe onder ons van daag over levensgenot kan gesproken worden, zonder vóór alles aan de woorden te denken, welke gij in het treurspel, welks overwinning wij vieren, uit den mond van den bode vernomen hebt:„Des menschen leven past het nooit te roemen,Nooit over ’t onheil dat hem trof te klagen.Want die het meest door rampen werd bezocht,Dien beurt het lot vaak uit zijn lijden op,En werpt hem die ’t gelukkigst scheen in ’t stof.Geen ziener die des stervelings einde kent.Doch alles is voorbij. Want als de vreugdDen mensch ontviel, leeft hij geen leven meer,Als een bezielde doode doolt hij rond.Al is zijn huis met schatten opgevuld,Al praalt hij in een vorstelijk gewaad.Zoo hem ’t genot ontbreekt, acht ik dit allesNiet hooger dan de schaduw van den rook!”[289]„Ik prijs de vreugde,” zei daarop Sophocles, „niet alleen omdat zij het leven aangenaam, maar ook, omdat zij het schoon maakt. In de diepte des levens heerscht veel sombers en verschrikkelijks en dikwijls is de vraag gerezen, of het niet beter was niet te leven dan wel. Daar wij nu echter leven, moeten we den afgrond des levens en zijne verschrikkingen, zoo goed mogelijk, trachten te bedekken met de bloemen der schoonheid en harer tweelingzuster, de vreugde. Nauw is de grens, die om het menschelijk leven is getrokken; maar binnen deze grens mensch te zijn is geoorloofd en tevens de reine menschheid in dien kleinen tijdkring schoon en edel te ontwikkelen. Mensch te zijn wil zeggen edel te zijn en zacht, en voor dat edele en beminnelijke zachte is de grens de liefelijke maat, waardoor hij zijn aanzijn goddelijk besteden kan. Even schoon als opgeruimd, even edel als zacht genoemd te worden, zij der Hellenen trots!”„Ik dank u voor deze uitspraak,” zei Pericles.„Men heeft mij in den oorlog soms te zacht en toegefelijk genoemd, doch ik geloofde juist als een Helleen te handelen. Als er weer gestreden moet worden, te land of ter zee, zal ik van het volk der Atheners den dichter der „Antigone” tot medestrateeg verzoeken.”—„Sophocles als strateeg?” riepen sommigen van het gezelschap.„Waarom niet?” zei Sophocles lachende. „Mijn vader toch was een wapensmid. Dit is een voorteeken, dat ik voor strateeg geboren ben.”„Veel geluk er mede!” riep Hipponicus. „Maar meent ge, Pericles, dat er spoedig weder krijgsvolk ingescheept zal worden en eene vloot zee zal bouwen?”„Het is best mogelijk,” hernam Pericles.„Het is mij wèl,” hernam Hipponicus, „maar ik hoop Pericles, dat gij u op geen ander admiraalschip lauweren zult verwerven, dan op datgene, wat ik als triërarch zal uitrusten.”[290]„Dat zal ik,” antwoordde Pericles. „Doch laten we niet de krijgshaftige stemming den boventoon laten voeren bij een zoo vreedzaam feest. Onvriendelijk zou het zijn, zoo wij niet vóór wij tot andere dingen overgaan, den wijzen Anaxagoras vroegen, of hij hetgeen hier over het genot is gezegd, verwerpt of goed keurt.”„Wanneer gij mijne meening verlangt te hooren,” zei Anaxagoras, „wil ik u die niet onthouden. Wat gij daar te berde hebt gebracht, bewijst dat het uw streven is van buiten af het schoone en goede en aangename tot u te brengen, zooveel maar mogelijk is. Maar ik beweer dat de ware, de rechte vreugde diegene is, welke niet van buiten komt, maar die welke men als zijn innigst werkelijk leven in zich zelven bezit. Geluk is niet hetzelfde als vreugde; en zoo weinig bestaat het geluk in de dingen buiten ons, dat het veel meer, ja het best zonder deze bestaat. Vrijwillig zich aan den algemeenen Wereldgeest te onderwerpen, den eigen wil te dooden, dat is wijsheid en deugd en de waarborg tevens der rechte vreugde, de vaste burgt der apathie, waarin de mensch zonder begeerten, zonder hartstocht, zich zelven genoegzaam, zich zelfs tegenover de machten van het noodlot overwinnelijk toont.”De woorden van Anaxagoras maakten een eigenaardigen indruk. Pericles hoorde ze met die belangstellende aandacht, welke hij steeds aan de uitspraken van zijn ouden vriend schonk. Over Aspasia’s voorhoofd echter vloog een licht wolkje. Haar oog ontmoette dat van Protagoras. Het was alsof de schoone vrouw en de sophist in elkanders oogen lazen, wat er in hunne ziel omging. En toen nu de schitterende redenaar in den zwijgenden kring rondzag, gereed om den wijsgeer te antwoorden, schenen de stralen uit Aspasia’s oogen zijne gedachten te bezielen, zijne woorden kracht en gloed te geven.„Streng en hard,” begon hij, „klinken de woorden van den wijze uit Clazomenae te dezer plaatse,[291]waar zooeven nog onder den klank van vroolijke skoliën19het feestelijk genot om het met bloemen bekranste altaar van Dionysus heerschte! Maar ook hij—merkt dit wel op—ook hij, de strenge, harde wijze heeft van het genot als van ’s menschen hoogste doel gesproken. Slechts over de wegen, die daarheen voeren, denkt hij verschillend. En in der daad het genot heeft vele namen en vele vormen en vele zijn de paden, die heenvoeren naar zijne zonnige hoogte. Menigeen vindt zijne hoogste vreugde in de bedwelming der zinnen, anderen, door een hoogeren adel der ziel tot het schoone gedreven, verheffen zich tot de reiner sferen van het genot, en er is eene derde soort van die goddelijke menschen, die boven lucht en wolken in het eeuwige klare zonder begeerten wonen. Weet gij aan welke van die drie wijzen, om het genot na te jagen, ik de voorkeur geef? Aan geene, maar aan die, welke het verstaat, naar tijd en plaats, iedere dezer verschillende wegen te bewandelen. Wanneer de bekers tintelen en schoone oogen schitteren, laat ons dan de vroolijke wijsheid van Hipponicus volgen; wanneer voor onze oogen de wonderen van het schoone heerlijk zich vertoonen en het menschelijke zijn edelsten bloei ontvouwt, dan deelen wij de geestelijke vreugde van Sophocles, wanneer de hemel bewolkt is, wanneer onafwendbaar smart en onheil ons bedreigen, dan is het tijd kalm tot de schoon bekranste vreugde te zeggen: Vaarwel! en zich te omgorden met de goddelijke kalmte en rustige waardigheid van den wijzen Anaxagoras. Te kunnen ontberen is roemrijk—maar wij willen die kunst slechts daar uitoefenen, waar wij haar noodig hebben. Als het tijd is zich te verheugen, willen wij ons verheugen, als het tijd is te ontberen willen wij ontberen. Wie verstandig weet te genieten, hem zal ook de wijsheid der zelfverloochening niet ontbreken.[292]Hij zal de vreugde tot zijne slavin maken, niet zich zelven tot een slaaf der vreugde. Hij zal de omstandigheden aan zich, niet zich aan de omstandigheden onderwerpen. En wanneer datgene, wat door de wijsheid onzer vreugde als perk wordt gesteld, niets anders is dan de natuurlijke, rechte maat van het genot en het genot door overmaat verdwijnende, geen genot meer is, maar het tegendeel daarvan, zoodat het zijne grens en zijne maat niet buiten of naast zich, maar in zich heeft, waarom zouden wij dan nog van deugd spreken en onthouding, als van een zaak, die vreemd, ja zelfs vijandig aan het geluk zou zijn? Ontbering, onthouding, deugd zonder genot kan in de gedachte van den Helleen opkomen, nooit echter doordringen tot de diepte van zijn gemoed. Zelfs te werken in het zweet des aanschijns, handenarbeid te verrichtten om het dagelijksch brood, acht hij zijns onwaardig. Daarom werkt de slaaf, werkt de barbaar voor den Helleen. Het minder edele deel der menschheid moet zich voor het edeler deel opofferen, opdat het ideaal van waarachtig bestaan, den mensch waardig, verwezenlijkt worde. Ware ik wetgever, een nieuwe Lycurgus of Solon20en werden de tafelen der wet onbeschreven in mijne hand gelegd, ik zou ze aangrijpen en met gouden stift bovenaan deze woorden zetten:Gij stervelingen, weest schoon,—weest vrij—weest gelukkig!”Zoo sprak Protagoras, met onafgewenden blik op Aspasia gericht en verheugd over den glans van ingenomenheid, die onmiskenbaar uit haar gelaat hem tegenstraalde. Bijna elk van den kring hechtte zijne goedkeuring aan zijne woorden en Pericles zeide, dat hij Protagoras zou opdragen de eerstvolgende kolonie, die uit Athene zou gezonden worden, aan te voeren. Want hij scheen hem toe een staat in den Helleenschen geest te kunnen regelen.[293]„Gelukkige Protagoras,” begon nu Socrates, „gelukkige Protagoras, wien het vergund is het goud van Aspasia’s zwijgen in de klinkende munt van welsprekende taal om te zetten. Wanneer ik uwe woorden even goed begrepen heb, als gij de taal van Aspasia’s oogen, dan schijnt gij mij de wijsheid in zooverre als een middel ter bevordering van geluk te beschouwen, als men haar om zoo te zeggen, gereed houden en uit den zak kan halen, wanneer men juist niets beters bij de hand heeft—”„Wat is wijsheid?” riep Protagoras. „Vraag het duizend menschen en wat de een wijsheid noemt, heet bij den ander dwaasheid. Vraag hun echter wat vreugde is en droefheid, allen zullen het daaromtrent eens zijn.”„Gelooft gij dat werkelijk?” hernam Socrates. „Men kan er de proef van nemen …”„Vergun mij, Protagoras,” viel Aspasia in, „dat ik mij verstout Socrates te antwoorden; niet met woorden, want hoe zou ik mij vermeten, wanneer er woorden van wijsheid moeten gesproken worden, in Protagoras’ plaats te treden? Ik wil den eeuwigen twijfelaar en vrager met die middelen bestrijden, die mij als symposiarche, tot onderzoek zijner laatste tegenwerping ten dienste staan.”„Vooraf,” vervolgde zij, „bevochtig uwe lippen, die wellicht door het vuur van het gesprek droog geworden zijn, met frisschen dauw.”Op haar bevel werd nieuwe wijn in den krater21gemengd en den gasten in andere, grootere bekers geschonken.„Dit is wijn van Lesbos,” zei Hipponicus, „de bloem van den wijnstok. Hij is minder geurig dan de Thasische, doch zijn smaak is nog aangenamer.”„Hij is zacht en vurig te gelijk, als de ziel van zijne landgenoote Sappho,” riep Protagoras, even[294]met zijne lippen het vocht in de beker proevende.De beker werden geledigd op Aspasia’s bevel ter eere van de zachte en hartstochtelijke Lesbische zangster en op nieuw gevuld, terwijl de oogen der gasten al meer en meer begonnen te schitteren.„Laten wij nu,” begon Aspasia weder, „hen laten binnenkomen, die gereed staan, om ons op iets van datgene te vergasten, waaronder de menschen naar Protagoras’ meening het allen eens zijn, naar Socrates’ zienswijze echter niet.”Fluitspeelsters, danseressen en kunstenmaaksters kwamen de zaal binnen, allen jong, bekoorlijk, allen bekranst en met welriekende wateren besprenkeld en getooid in verleidelijk gewaad.Het fluitspel begon in weeke, zoete tonen en daarbij werden door de danseressen mimische dansen uitgevoerd. Wat Socrates bij Theodota had bewonderd dat had hij nu in veelvoudige mate in eene groep van bloeiende gestalten voor oogen. Nadat deze danseressen door hare kunst aller oogen hadden verrukt, oefende hetgeen thans de kunstenmaaksters volvoerden, eene betooverende en bedwelmende werking uit. Als dezen bij den klank der fluiten en de maat der muziek een aantal ballen in de hoogte wierpen en weder opvingen of den zoogenaamden kogelloop op een pottebakkersrad uitvoerden, lag in de bliksemsnelle bewegingen der jeugdige, slanke, lenige meisjesgestalten eene betooverende, ja bedwelmende bekoorlijkheid. Toen zij echter den verbazingwekkenden zwaardendans begonnen, toen zij tusschen de klingen, die met de punt naar boven in den grond gestoken waren, dansend heen en weder sprongen en over de blinkende zwaardspitsen naar voren en achteren oversloegen, toen gevoelden de opgewekte toeschouwers zich door een genot, met huivering gemengd, aangegrepen. Toen eene van die slanke, bekoorlijke meisjes in een licht, nauwsluitend gewaad, dat den vollen en reinen vorm des lichaams deed uitkomen, met de handen op den grond steunende in eene bevallige kromming naar achteren de voeten[295]over den rug en het hoofd heenstrekte, om daarmede uit het vóór haar staande mengvat een beker te vullen, dien zij met de teenen van den linkervoet bij het hengsel had gegrepen, terwijl zij met de teenen van den anderen voet het oor van het schepvat vasthield, of in diezelfde houding een pijl van den boog deed snorren—toen was het niet alleen de verbazende vaardigheid, die zij ten toon had gespreid, maar tevens het tot de hoogste vrijheid en bijna bovenmenschelijke vlugheid ontwikkelde schouwspel harer bloeiende ledematen, die de zinnen van Hipponicus’ gasten in eene soort van zwijmel bracht.Toen de dansen en spelen geëindigd waren en de danseressen, kunstenmaaksters en fluitspeelsters onder de levendigste toejuichingen der dischgenooten zich weder hadden verwijderd, zei Aspasia:„Het schijnt dat alles wat wij gezien hebben ons genoegen heeft gedaan en dat wij het volkomen eens zijn in deze soort van genot, terwijl wij toch vroeger, toen het de leer der wijsheid gold, het maar niet eens konden worden. De proef, waarop het aankwam, zooals gij zeidet, Socrates, is derhalve genomen—”„Gij weet zeer wel, Aspasia,” antwoordde Socrates, „dat niemand ter wereld zich liever laat onderrichten dan ik. Vergun mij nog één ding aan Protagoras te vragen. Wanneer er, zooals gij leert, verscheidene soorten van genot zijn en wij datgene, wat het genot verschaft, een goed noemen, dan zijn er nog wel andere goederen en onder deze een hoogste goed. Om echter juist dit uit andere goederen uit te vinden en ook het hoogste genot uit andere genietingen—want het genot is toch, zooals wij gezegd hebben, niet zelf het goede, maar wordt eerst door het bezit van het goede teweeg gebracht—zou daartoe een weinig verstond of oordeel of wijsheid noodig zijn of hoe men het ook noemen wil?”Glimlachend zei Aspasia:„Gij ziet, Protagoras, dat deze man u in de[296]engte drijft: doch het is mijn plicht te zorgen, dat de strijd niet al te heftig wordt. Reeds sedert een half uur heb ik een kleinen aanslag in den zin tegen den strijdlustigen Socrates. Het komt mij niet goed voor, dat Socrates op hetzelfde aanligbed met Anaxagoras aanligt en zoo steeds door den adem des meesters met nieuwen strijdlust aangeblazen wordt. Over het algemeen schijnt het mij toe, dat Hipponicus’ gasten zich grootendeels op een wijze geplaatst hebben, die gevaarlijk is voor het algemeen en gunstig voor heimelijke samenzweringen. Verscheidene malen heb ik opgemerkt, dat Phidias en Ictinus zacht samen fluisteren. Ook Cratinus zag ik vaker dan noodig was tot het oor van zijn buurman, Polygnotus, overbuigen. Krachtens mijne volmacht als symposiarche zal ik eene geheele verandering in de plaatsen brengen.”„Goed,” riepen de vroolijke dischgenooten. „Wij willen u gaarne gehoorzamen. Spreek, hoe denkt ge ons nu te plaatsen?”„Welaan,” zeide Aspasia. „Den gastronoom Hipponicus bevele Socrates op te staan en zette zich naast den wijzen Anaxagoras; de spraakzame Polus neme plaats naast den stillen Ictinus, de overmoedige Cratinus zal den zachten, vromen Sophocles tot buurman hebben. Phidias eindelijk moet met Polygnotus één aanligbed deelen. Hoe echter plaats ik Socrates? Onmogelijk kan ik hem in de nabijheid van Anaxagoras laten; integendeel ik moet deze beide kampioenen zoo ver mogelijk van elkander zetten. Wat blijft er anders over, dan dat ik u Protagoras, verzoek mijne plaats in te nemen, terwijl ik zelf ter beslechting van den strijd mij naast Socrates zal zetten.”Met deze woorden stond Aspasia op en plaatste zich onder op het aanligbed, waarop Socrates aanlag.Bereidwillig hadden inmiddels de dischgenooten de schikking van de symposiarche opgevolgd; alleen benijdden zij in stilte en luide Socrates zijne gezellin.[297]Op dezen zelven oefende de onmiddellijke nabijheid der schoone eene eigenaardige werking uit. Had straks de adem van Anaxagoras, zooals Aspasia zich uitdrukte, zijn strijdlust aangeblazen, de adem van de bekoorlijke vrouw stemde hem tot vrede en verzoening.„Wat is dat?” riep Aspasia, zich tot Socrates overbuigend en zijn krans beschouwend, „aan uw krans zijn reeds vele bladeren ontvallen. Dat geldt als een voorteeken van geheime minnesmart. Is het soms uw jongste vriend, de moedwillige Alcibiades, die u droefheid veroorzaakt? Doch, ik ben gekomen om u te woord te staan. Welke bezwaren waren het, Socrates, die gij nog uit den weg zoudt willen geruimd zien?”—Socrates, betooverd door den vurigen blik van Aspasia, bedwelmd door den adem van haar mond, opgewekt door het ruischen van haar gewaad bij ieder harer bewegingen, antwoordde:„Aspasia, ik had bezwaren—en zij stonden in mijn hoofd goed gerangschikt, als in slagorde. Maar men heeft juist, toen ik ze in de beste orde wilde doen oprukken, een schoonbekranste dam opgeworpen, zoodat het schijnt dat zij daarover willende springen, de beenen zouden breken. Wat ik bedenkelijk vind, Aspasia? Zal ik het u zeggen? Ik vind op dit oogenblik alleen dit bedenkelijk, dat gij naast mij zit.”Met een ietwat spottend lachenden blik zag Anaxagoras, die intusschen den beker flink had toegesproken, zwijgend naar den spreker, die zoo smadelijk de wapens strekte.„Gij ziet, Anaxagoras,” zei Socrates, „ik ben in den strijd voor eene goede zaak gevallen en gij, grijsaard, voor wien ik eigenlijk het zwaard had getrokken, moet thans mij, den jongen man, uit den strijd dragen. Wreek mij, als gij kunt, Anaxagoras!”„Waarom niet?” hernam Anaxagoras, nadat hij een dronk uit zijn beker genomen had, „ik gevoel mij in het geheel niet zoo zwak, als de oude[298]Priamus, om voor de jeugdige wijsheid van dezen Achilles sidderend te verstommen. Ik wil nog een woordje met u praten, Protagoras.”„Halt!” riep Aspasia, „wanneer het uwe bedoeling is ernstige woorden te spreken, vergun mij dan vooraf, dat ik mijn plicht als presidente der tafel vervulle en met een dronk van den vurigsten en kostelijksten aller wijnen, die tot nu toe geschonken werden, met het heerlijk druivensap van Chios, uwe tongen moge ontboeien.”Na deze woorden liet Aspasia den gezochtsten van alle Grieksche wijnen rondschenken.De bekers werden geledigd en nu was er niemand meer in het gezelschap, die niet hoog zweefde boven de sferen van het nuchtere verstand en zich niet overgegeven had aan de geweldige macht van den bezielden Dionysus.Anaxagoras ledigde zijn beker en begon eenigszins verward te spreken over genot en deugd, over kennis en den Wereldgeest.Om zijn geest nog meer op te wekken en te verhelderen bood Aspasia hem zelfs nog een beker van den krachtigen Chiër-wijn aan.Hij dronk dien uit en de taal van den wijze werd nog verwarder; hij begon te stotteren en met het hoofd geducht heen en weer te schudden.Ten laatste zonk het hoofd geheel op de borst. Nog eenige oogenblikken en de grijsaard lag in een rustigen sluimer.Een vroolijk gelach klonk er door de rijen der dischgenooten.„Wat hebt gij gedaan, Aspasia?” riepen zij: „de laatste voorvechter der strenge wijsheid hebt gij ontwapend en in slaap gewiegd!”„Bij het vroolijk symposion,” hernam Aspasia, „betaamt het der strenge wijsheid in te slapen. Maar niet zonder de Chariten is deze edele man ingesluimerd. Ziet, hoe schoon het gezicht is van den rustig ademenden grijsaard! Ik stel u voor, dat wij allen de kransen van onze hoofden nemen en ze op het hoofd en de schouders van den slapenden[299]nederleggen en op deze wijze de zoo schoon en vreedzaam ingesluimerde wijsheid begraven.”De gasten deden wat Aspasia voorsloeg en in weinig oogenblikken was het hoofd van den wijze onder bloemen begraven.Socrates ging voort met drinken zonder dronken te worden, om ongestraft de zonderlingste dingen, Aspasia, die naast hem zat, in ’t oor te kunnen fluisteren.De ernstige Phidias zei tot den knaap, die zijn beker vulde, dat hij hem tot model voor eene zijner ephebenbeelden op den fries van het Parthenon wilde gebruiken. Cratinus stiet heimelijke verwenschingen uit en zei tot zijn buurman Sophocles:„Die toovenares, die Circe, die Omphale zal aan mij denken! zij laat mij zelfs dien krachtigen Chiër uit den grooten beker drinken! Zoolang ik nuchteren was, merkte ik er niets van; nu echter is het mij duidelijk, waarop zij het gemunt heeft.”—Polygnotus verzekerde zijn buurman, dat hij, met uitzondering van de jeugdige Elpinice, nog nooit eene zoo schoon gevormde vrouw als Aspasia gezien had. „Pericles,” zei de purperroode Hipponicus met eene stem, die trilde van aandoening, „Pericles, gij weet dat ik u steeds in eere heb gehouden, dat ik u den innigsten dank verschuldigd ben, omdat gij vóór eenige jaren mij van de toen nog schoone, maar kijfzieke Telesippe hebt afgeholpen. Doe mij nog het genoegen mij toe te staan een schathuis op den burg te bouwen—want ik heb zesduizend slaven in het werk in de zilvermijnen en mijn vermogen neemt bij den dag toe en men is voor dieven niet veilig. En als uw pleegzoon Alcibiades grooter is … mijn dochtertje Hipparete … de schoonste aller Helleensche jonkvrouwen …„Het zij zoo,” zei Pericles met een vriendelijken glimlach.Hij was de eenige van het geheele gezelschap op wienBacchuszijne macht niet had kunnen uitoefenen; niet omdat hij minder gedronken had, maar omdat zijn gestel even sterk was, als zijne ziel[300]zacht. Hij sprak met Protagoras over de politiek, over veranderingen in de volksheerschappij te Athene, over het uitzenden van de kolonie, over de mogelijkheid dat een veldtocht op handen was. Protagoras echter was verstrooid, daar hij telkens vurige blikken sloeg op de schoone Milesische. Eindelijk verraste de stille Ictinus de dischgenooten door het aanheffen van een paeän opDionysus, die toen door allen in koor gezongen werd.Zoo heerschte er op het symposion ten huize van Hipponicus eene feestelijke stemming, die aangewakkerd werd door Bacchus’ heerlijke gaven, door zinnenstreelende bekoorlijkheden, door de betoovering, die er uitging van de schoone Milesische, eene stemming die gekruid werd door de bloem van den Helleenschen geest.Toen stond de welsprekende Protagoras op en stelde den volgenden toost in:„De symposiarche Aspasia heeft mij, zooals gij weet, hare plaats afgestaan. Ik maak van mijn recht gebruik, om voor een oogenblik mij hare waardigheid aan te matigen en u uit te noodigen dezen laatsten dronk aan Aspasia zelve te wijden. Hoog heeft zij als koningin der tafel de banier der schoone vreugde opgeheven, zegevierende heeft zij het rijk van den blijden levenslust tegen den ernst en de strengheid der wijsheid verdedigd, op gunstige oogenblikken heeft zij nu eens door Dionysus’ gaven, dan eens met de hulp van Eros en de Chariten, dan weder met de betoovering der zinnen den strijd tegen den vijand gevoerd, zij heeft met zoete bedwelming de vragen van den waarheidszoeker in slaap gesust en het grijze hoofd van den grijsaard, dien het jeugdig vuur had verlaten, onder bloemen begraven, zij heeft ons allen de hooge zee der Dionysische vreugde doen doorklieven. Zonder gevaar echter is de zachte dronkenschap voor de edele Hellenen en niet verderfelijk dringt zij tot in de diepten der hoofden, maar als dauw slaat haar zilveren nevel neder op de bladeren der kransen, waarmede wij verkoelend[301]ons voorhoofd omschaduwe! Derhalve, mijne vrienden, ledigt met mij dezen laatsten beker ter eere van de schoone en wijze koningin onzer tafel, de goddelijke Aspasia!”Zoo sprak Protagoras en de uitgelezen mannen beantwoordden dezen dronk met vuur. De groote mannen, die bij het maal van Hipponicus vereenigd waren als omkranste feestgenooten, vormden om Pericles en Aspasia eene groep die op het veld van den roem als de schitterendste sterren van Oud-Hellas fonkelden!—En toen de laatste bekers geledigd waren, namen de mannen met een warmen handdruk van elkander afscheid en verlieten het huis van Hipponicus, toen de morgen reeds grauwde.„Kunt ook gij instemmen met de lofspraak van Protagoras op de symposiarche?” vroeg Aspasia aan Pericles toen zij zich met hem alleen bevond.„Ik bewonder u thans nog meer,” zei Pericles; „maar vreest gij niet, dat ik wat minder liefheb?”„Waarom?” vroeg Aspasia.„Omdat gij altijd een woord hebt voor iedereen,” hernam hij; „wat hebt gij dan over voor Pericles?”„Mij zelve,” antwoordde Aspasia.Hij kuste haar op het voorhoofd en zij sloot hem in hare armen, in de volheid van haar geluk.„Ik weet niet,” zei Pericles, toen hij van haar afscheid nam, „ik zou van u gescheiden mij weder in het druk gewoel der daden willen storten of ongestoorder dan nu een heerlijke maand van liefde met u in idyllische rust doorleven.”„Wellicht,” hernam Aspasia, „verleenen u de Onsterfelijken het een of het ander of beide te gelijk ter goeder ure.”De Milesische sloot dien morgen hare moede, schoone oogen in het bewustzijn, dat zij haar doel weder eene schrede nader gekomen was. Zij dacht aan het oogenblik, toen zij vernederd het huis van Pericles moest verlaten; zij dacht aan de fiere Telesippe, die zich onaantastbaar waande en onschendbaar[302]in hare heerschappij aan den huiselijken haard—zij zeide in zich zelve, dat hare geheime en openlijke plannen der verwezenlijking naderden en dat zij in hare zending zou triompheeren, dat zij op de puinhoopen van het overgeleverde en het veroordeel de banier der vrijheid, der schoonheid en der vreugde voor eeuwig zou planten.1Behalve hetgeen de schrijver aangaande Protagoras mededeelt, is het nog vermeldenswaard, dat Protagoras voor een leerling gehouden wordt van Democritus, wiens atomenleer hij echter niet toegedaan was. Protagoras, vanatheïsme(asebia) beschuldigd, moest Athene verlaten en zijne geschriften werden openlijk verbrand. Zijne hoofdstelling is: de mensch is de maat van alles.Men wil dat hij op zeventigjarigen ouderdom verdronken is.↑2Hippocrates was de beroemdste arts der Oudheid, omstreeks 460 v. C. op het eiland Cos geboren, zoon van Heraclides en Phaenarete. Door zijn vader, arts en priester in het geslacht der Asclepiaden, onderricht, verliet Hippocrates zijn vaderland, hield zich geruimen tijd op Thasos en in Tessalië op en, naar men beweert, zou hij in 377 te Larissa gestorven zijn, waar een grafteeken voor hem werd opgericht. De talrijke geschriften, die onder zijn naam tot ons gekomen zijn, zijn niet alle echt. Veel moet op rekening gesteld worden van zijne zonen Thessalus en Draco, zijn schoonzoon Polybus en latere geneesheeren uit den tijd der Ptolomaeën. Hippocrates was tevens een uitstekend wiskundige.↑3Abdera, aan de monding van den Nestus, omstreeks 656 v. C. gegrondvest, was befaamd om de stompzinnigheid zijner inwoners. Hippocrates zocht de oorzaak daarvan in hunne verwijfdheid. V.d. dat „Abderiet” een scheldnaam is, één of beide deze eigenschappen uitdrukkende.↑4Eene soort van zeevisch, eigenlijk thunnos geheeten.↑5Muraena is een schoon gevlekte zeeaal, door de Ouden zeer hoog gewaardeerd.↑6Men plengde bij het einde van den hoofdmaaltijd òf aan den goeden Geest (Daemon) òf aan de Gezondheid (Hugieia).↑7Men herinnere zich, dat de Grieken vrij ongemanierd beentjes, schillen enz. op den grond wierpen. Anders is deze uitdrukking moeilijk te verstaan.↑8Paëan is eigenlijk een plechtig, veelstemmig lied ter eere van Apollo, om hem te smeeken eene ziekte af te wenden; v.d. komt het woord voor als een bijnaam van den God: redder. Voorts beteekent het in het algemeen: een zegezang, een loflied.↑9Symposiarchos of koning van het symposion beteekent ongeveer president van de tafel; we meenden dat woord het best door ceremoniemeester over te zetten, daar zijne functiën vrij wel met die van den titularis in onze dagen overeenkomen. Wij hebben de vrijheid genomen van dit symposiarchos, naar het Grieksch, een vrouwelijke symposiarche te vormen, omdat dit van vele andere ons nog het best voldeed. Voorts houde men in het oog, dat symposion, hoewel eigenlijk een drinkgelag, de eigenlijke maaltijd werd, waar de gasten door muziek, dans en allerlei voorstellingen onderhouden werden.↑10Prutaneion (Prytaneüm) is het openbare gebouw in de vrije Grieksche steden, waarvan steeds het vuur werd onderhouden ter eere van Hestia, de Godin van den huiselijken haard; te Athene mochten daarin de prytanen (zienoot 1 pag. 76), de buitenlandsche gezanten en ook verdienstelijke burgers spijzigen. Vandaar dat Socrates, gevraagd zijnde welke straf hij zich waardig keurde, antwoordde: „In het prytaneüm op staatskosten te worden onderhouden.”↑11Thrax beteekent eigenlijk Thraciër; de slaaf werd zoo naar zijn vaderland genoemd.↑12De Sphinx, een monster met het lichaam van een leeuw en een vrouwelijk hoofd, verscheen in de nabijheid van Thebe en stortte ieder in den afgrond, die het raadsel niet kon oplossen: „Welk is het wezen, dat ’s morgens op vier, ’s middags op twee en ’s avonds op drie voeten gaat.” Oedipus loste het raadsel op, daar hij meende dat de mensch bedoeld werd in zijne verschillende levensperioden.↑13Herkeios beteekent: tot den hof, het huis behoorend; Zeus had, als beschermer van het huis, in den voorhof zijn altaar; v.d. had hij den bijnaam Herkeios, beschermgod des huizes.↑14Hecate is de Godin van het maanlicht, soms ook van de onderwereld, van verschijningen, spoken en betoovering; vooral op kruiswegen werd zij vereerd. Zoo werd zij ook in de huizen aangeroepen, om tooverij en dergelijke zaken af te weren.↑15Agyieus beteekent beschermer der straten (aguia); Apollo als beschermgod daarvan had een zuilvormig altaar voor de huisdeur, waarop reukoffers gebrand werden.↑16De Pyanepsiën was een feest te Athene ter eere van Apollo, waarop men een gerecht van peulvruchten of boonen bereidde: de maand waarin dat feest gevierd werd, heette Pyanepsion, dat is van half October tot half November.↑17Tartarus komt bij de oude dichters vooreerst als persoon voor verbonden met Gaea, de vader van Typhoeüs. Voorts beteekent het: een donkere afgrond en doorgaans, zooals hier, „de onderwereld”, „het schimmenrijk”.↑18Een daricus („Dara”, in ’t Perzisch, = vorst) bedroeg twintig zilveren drachmen, ongeveer f9,—.↑19Skoliën(eigenl. schuin, niet volgens de rij) is een lied, dat op symposia bij beurten door de gasten gezongen werd: een tafellied.↑20Lycurgus was Sparta’s beroemdste wetgever. Hij leefde ongeveer in 888 v. C. Na vele reizen gedaan en talrijke onderzoekingen in het werk gesteld te hebben, keerde Lycurgus naar Sparta terug en gaf zijne wetten in de „Rhetra” vervat.↑21Krater is een „mengvat”; de Grieken dronken doorgaans met water vermengden wijn; de verhouding van het water tot den wijn was gewoonlijk als 3 : 1, soms als 2 : 1, zelden als 3 : 2. Het drinken van onvermengden wijn achtte men een barbaar en drinker waardig.↑

[Inhoud]X.DE KONINGIN VAN HET FEEST.Toen Pericles, na de overwinning van Hipponicus en het daarop gevolgd gesprek van Aspasia, eenige dagen door allerlei gevoelens, die de vrijheidsliefde der Milesische in hem opgewekt had, bestormd werd, werd telkens de gedachte bij hem levendig: „Ik zal aan de vriendelijke uitnoodiging van Theodota gehoor geven. Waarom zou die Milesische vrouw mij in kluisters slaan, die zij zelve niet kent?”—Doch als het beeld van Aspasia weder oprees voor zijn geest, als hij dacht aan de vrije fiere ziel van die vrouw, aan de mogelijkheid haar te zullen verliezen, dan week zijne begeerte naar Theodota naar den achtergrond. Naast den vurigen gloed, waarmede Pericles Aspasia beminde, kon die nieuwe opwelling geen stand houden. Vooruit gezien, ja vooruit berekend was deze uitwerking door Aspasia.—Maar Pericles ging voort met zich zelven te bestrijden en aan nieuwe opwekking tot dien strijd zou het hem niet ontbreken.Hipponicus, die alles opofferde, om van den luister zijns rijkdoms en de pracht zijner feesten te doen spreken, had niet gerust, voordat Pericles en Aspasia er in toegestemd hadden ook op het zegemaal te zullen komen.Toen de bepaalde dag gekomen was, zag men in het huis van Hipponicus de uitgelezenste hoofden, de schitterendste vertegenwoordigers van den Atheenschen roem vereenigd.Pericles, Aspasia en de overige genoodigden waren nauwelijks binnengetreden, of Hipponicus liet hen de pracht van zijn huis zien. Hij leidde hen rond en toonde hun zijne vertrekken, zijne tuinen, zijne baden, zijne worstelplaats—een gymnasium in het klein—zijne vischvijvers, zijne schoone paarden, zijne honden, zijne zeldzame vogels, zijne[273]hanen en kwartels, die hij voor zijn genoegen hield, om ze met elkaar te laten vechten. Hij wees hun het grafteeken, dat hij voor een zijner gestorven honden van het Melitaeïsche ras had opgericht. Hij zeide, dat zijn huis eene herberg was, steeds vol gasten, dat hij dagelijks een dozijn parasiten aan zijne tafel spijzigde. „Die knapen,” zei hij, „zijn zoo vet gemest, dat het mij spijt, dat ik ze u vandaag niet kan laten zien. Want heden heb ik mij voorgenomen, alleen de uitstekendste mannen van Athene aan mijne tafel te vereenigen.”Een zijner gasten vroeg hem naar zijne gemalin, eene vraag, die niet zeer bescheiden was. Hij antwoordde, dat zij wèl was, maar dat hij haar in de vrouwenvertrekken niet storen wilde. Iedereen toch wist, dat hij die vrouw alleen daarvoor gebruikte, om haar uit pronkzucht met allerlei edelgesteenten en paarlen te behangen en haar naar de nieuwste mode in een sierlijken wagen, met Sicyonische paarden bespannen, door de straten te laten rijden. Voor ’t overige hield de oude liefhebber—ook naar de nieuwste mode—er eene buitenlandsche vriendin op na, en men zeide dat tegenwoordig de beroemde Theodota het voorwerp zijner hulde was.Ook over zijne kinderen sprak hij tot zijn gasten, over zijn zoontje Callias, die hij juist, naar hij zeide, naar Delphi had gezonden, om zijn hoofdhaar te laten afknippen en dat volgens een oud gebruik aan Apollo te wijden; voorts over zijn dochtertje Hipparete, wier schoonheid en innemend karakter hij niet genoeg kon prijzen en van wie hij zeer veel scheen te houden. „Dit kind,” zei hij, „groeit op tot de schoonste en edelste aller Atheensche jonkvrouwen en het zal moeilijk zijn eens een bruidegom, harer waardig, te vinden. Wat schoonheid betreft, ken ik geen knaap in Athene, van wien men voorspellen kan, dat hij als jongeling opgegroeid naast deze jonkvrouw zal kunnen gesteld worden, behalve uw Pleegzoon, Pericles, den kleinen Alcibiades. Ik heb hem een paar maal in[274]de worstelschool gezien en deze knaap mag gerust beweren, bijna onder de jongens te zijn, wat Hipparete is onder de meisjes. Wat hun leeftijd aangaat, geloof ik, dat zij niet veel zullen verschillen. Nu, wie weet, wat de Goden beschikken, als deze beide knoppen eens opengebroken zijn! Wat dunkt u, Pericles? Doch, er is nog tijd genoeg, om daarover te spreken.”Na deze en dergelijke gesprekken geleidde Hipponicus zijne gasten in de groote, prachtig versierde eetzaal. Hier stonden in een wijden kring de aanligbedden, waarop men gewoon was aan tafel aan te liggen. Het behoeft nauwelijks vermeld te worden, dat de daarover gespreide tapijten rijk en keurig bewerkt waren, dat de ronde kussens, waarop men den arm kon doen rusten, met bonte kleuren afgezet waren, dat de zilveren en gouden vazen, met edelgesteenten bezet, op de schenktafels meer nog door bevalligheid van vorm, dan door hare kostbaarheid de aandacht trokken, dat uit even sierlijke schalen de heerlijkste geuren opstegen die de geheele zaal met een bedwelmende, aangename lucht vervulden; dat de wanden beschilderd waren met beelden, vol levenslust en bekoorlijkheid. Daar waren groepen en tooneelen te zien, waarin tallooze liefdegoden waren voorgesteld, allen bevallig door duiven en musschen gedragen. Nog merkwaardiger was de vloer. Bij den eersten aanblik scheen zij bezaaid met den afval van een rijken disch: van vruchtenschillen in de meest afwisselende kleuren, beentjes, broodkruimels, afgesneden hanenkammen, bontkleurige vederen, kortom van overblijfsels van allerlei soort. Maar wanneer men de vloer nader beschouwde, zag men dat alle deze voorwerpen kunstig waren nagemaakt door ingelegde bonte steenen in het fijnste mozaïek. Groote, schoone beschilderde vaten waren tot verdere versiering op geschikte punten van de ruime zaal geplaatst. Tegenover den ingang van het vertrek stond een met bloemen bekranst altaar, waarop[275]eene vlam brandde, die de welriekendste geuren verspreidde.Hipponicus noodigde de gasten naar vrije keus zich op de aanligbedden neder te vlijen. Eerst echter ging men zitten; slaven naderden met schoon gevormde, zilveren bekkens en kannen, om vóór het begin van het maal den gasten de schoenriemen los te maken, hun de zilveren bekkens onder de ontbloote voeten te houden en daarover den inhoud der zilveren kannen uit te gieten. Deze bevatten echter in plaats van water geurigen wijn, die sterk was gekruid door vermenging van welriekende olie en essencen. Eveneens werden de handen besprenkeld en vervolgens met fijne doeken afgedroogd.De gasten van Hipponicus hadden, volgens de uitnoodiging van den gastheer, zich twee aan twee op de aanligbedden nedergezet, naar het toeval meêbracht of de vriendschap van een paar mannen, die gaarne naast elkander wilden blijven. De waarheidszoeker Socrates had plaats genomen naast den wijzen Anaxagoras; de beeldhouwer Phidias naast zijn vriend, den bouwmeester Ictinus; de dichter Sophocles naast den tooneelspeler Polus; de sophist Protagoras1naast den geneesheer Hippocrates2.De sophist Protagoras vertoefde juist te Athene en had zijn intrek genomen bij zijn gastvriend Hipponicus. Zijne aankomst te Athene had groot opzien verwekt; want de roem van dezen man wies in Griekenland van dag tot dag. Hij was[276]een geboren Abderiet3derhalve een Thraciër en toch eigenlijk een Ioniër, want Abdera was eene kolonie der Ioniërs. In zijn vroegere jaren was hij pakdrager geweest, naar men zeide, totdat een wijs man zijne kundigheden ontdekte en ze tot ontwikkeling deed komen. Veel had hij rondgezworven, hij had zelfs uit de wijsheidsbron van het oosten geput en nu rees hij op aan den hemel van Hellas als een schitterend meteoor. Hij had verstand van alle mogelijke zaken: van de gymnastiek, de muziek, de redekunst, de dichtkunst, de kennis van hemel en aarde, de mathematische vakken, de ethiek, de politiek en overal waar hij kwam vond hij een buitengewonen toeloop van weetgierigen. Rijke jongelingen gaven de grootste sommen, om van zijn onderricht te genieten. Hij was eene prachtige verschijning, die het oog bekoorde, hij had de houding van een koning, ging prachtig gekleed, en wegsleepend was de kracht zijner welsprekendheid.Deze Protagoras nu zette zich naast den jongen, doch zeer ervaren en scherpzinnigen arts Hippocrates neder, een neef van Pericles.Door eene zonderlinge bestiering van het lot had de afgetrokken Polygnotus, die zich hier niet recht te huis gevoelde, den overmoedigen blijspeldichter Cratinus, ook als drinker befaamd, tot nabuur gekregen. Maar welk een hemelsbreed verschil er tusschen deze mannen bestond, één punt van aanraking en overeenstemming hadden zij toch gemeen. Zij waren de eenigen, die niet door vriendschapsbanden tot dit gezelschap behoorden en alleen aan de eerzuchtige begeerte van Hipponicus, om uitnemende mannen op elk gebied bij zich te zien, hunne uitnoodiging te danken hadden. Cratinus was een spotter, wiens geestigheid, den bliksem gelijk, het liefst de hoogst uitstekende[277]punten trof. Hij had immers in zijne laatste comedie zelfs Pericles en zijne schoone vriendin niet gespaard. Polygnotus echter, de vriend van Elpinice, voedde een heimelijken wrok tegen Phidias. En zoo keken dan ook Cratinus en Polygnotus elkander hoofdschuddend aan, toen zij Aspasia, op uitnoodiging van den gastheer, tusschen dezen en Pericles plaats zagen nemen op een afzonderlijk aanligbed, waarop zij, naar de gewoonte der vrouwen, rechtop zat, terwijl de mannen, met den linker arm op het kussen steunende, op hunne linkerzijde aanlagen. Cratinus en Polygnotus vroegen elkaar fluisterend, hoe het kwam, dat men hier eene vreemdelinge, eene hetaere, zulk eene eer bewees. De overige gasten dachten er anders over. Zij waren vrienden van Pericles, zij vormden de schitterende schare zijner getrouwen, zij kenden de uitnemendheid en de macht van Aspasia en verwonderden zich reeds niet meer over iets, als het de Milesische gold. Wat Protagoras betrof, deze zag Aspasia wel is waar heden voor het eerst, maar haar uiterlijk had hem van het eerste oogenblik af zoo geheel en al betooverd, dat iedere gedachte eerder bij hem zou opkomen, dan zich aan hare tegenwoordigheid te ergeren.Op een wenk van Hipponicus werd nu voor elkaanligbedeene kleine tafel geplaatst; de spijzen werden deels opgedragen, deels rondgediend, en het maal begon.Evenals het gezelschap van beroemde gasten in het huis van Hipponicus eenig was, zoo had deze zijn best gedaan, dat aan zijne tafel niets zou ontbreken, wat de Atheensche markt eere kon aandoen.„Wanneer ik,” sprak Hipponicus, terwijl zijne gasten zich aan de heerlijke spijzen te goed deden, „mij heden het genoegen zie bereid, zulk eene schare van uitgelezen mannen aan mijne tafel te vereenigen, dan gevoelde ik mij verplicht, hen zoo kostelijk mogelijk te onthalen. Maar gij weet, hoe ver wij Atheners het ook in de andere kunsten mogen gebracht hebben, in de kunst van goed[278]te eten staan wij nog zeer ten achteren. En toch, meen ik, is de kunst van goed te eten volstrekt geen zaak, die mag verwaarloosd worden. Ik voor mij heb er altijd eene eer ingesteld voor een lekkerbek door te gaan en ik zou mij gelukkig prijzen, als ik iets kon bijdragen, om de Attische keuken tot een hoogere trap van volkomenheid te brengen. Ik zie een spottenden glimlach de lippen van sommigen plooien, alsof zij wilden zeggen, dat ons Athene iets dergelijks niet noodig heeft, dat het wel geroepen is in andere kunsten aan de spits der volken te staan, doch niet in deze kunst. Veroorlooft mij te zeggen, dat dit eene dwaling is. Want, als gij u op ons uitnemend marmer, op onze voortreffelijke kleiaarde en dergelijke dingen beroept, zal ik u gemakkelijk aantonen, dat gij ook zout en olie en azijn en aromatische kruiden, die toch altijd de krachtigste hulpmiddelen blijven in de handen van een kunstenaar in de kookkunst, onder geen hemelstreek beter vindt dan bij ons. Om van het Attische zout niet te spreken, dat in tweeërlei zin beroemd is, weet ieder dat niets te vergelijken is met de vrucht van den Attischen olijf, dat de kruiden van de Hymettus de geurigste zijn en dat juist daarom de honig van dien Hymettus de kostelijkste is, die ergens is te vinden.„Ik betreur het, dat ik om een waarlijk uitmuntenden kok te hebben, er een uit Sicilië heb moeten ontbieden.„Deze echter, Anacharsis genaamd, is nu werkelijk een meester van onovertroffen bekwaamheid en ik mocht hem wel den Phidias of Sophocles der kookkunst noemen.„Niemand verstaat het zoo goed door voorgerechten den eetlust te prikkelen. De sausen, waarin hij ons de worstjes, de wildezwijnenlever, de kleine vogels en dergelijke heeft opgedischt, zullen zelfs den fijnsten kenner bevredigen. Wat zijn meesterschap betreft in het uithalen van tonijnen4, alen,[279]muraenen5en speenvarkentjes en ze op de scherpzinnigste wijze tot streeling van het verhemelte met lijsters, eieren en oesters op te vullen, daarvan kunt gij u heden zelf genoeg overtuigen. Zijne hazen en reeën, zijne patrijzen en fasanten zult gij even heerlijk vinden als zijne koeken met melk en honig toebereid en met allerlei vruchten gevuld.„Gij hebt juist, ik herhaal het, de gelegenheid de kunst van dezen voortreffelijken man te waardeeren; maar gij allen—en ik mocht er wel bijvoegen, alle Atheners over het algemeen—gij zijt in uw gemoed steeds te zeer met andere zaken bezig, om met waren kennerssmaak dit te proeven en de waarde van deze kunst onbevooroordeeld te erkennen. Eigenlijk zijn slechts de parasiten van professie werkelijke, degelijke lekkerbekken en dankbare dischgenooten. Gelukkig groeit het aantal van die kunstlievende mannen, die er hun vak van maken, om op andermans kosten heerlijk te smullen, met den dag aan. Ik heb u reeds gezegd, dat ik dagelijks een dozijn van die lekkerbekken aan mijne tafel vereenig en ik kan ze niet missen; want het begint mij te vervelen al dat heerlijke geheel alleen te genieten. Gij moest eens zien, met welk een ernst die knapen hun vak opvatten, hoe zij smakken met de tong, hoe zij de wenkbrauwen optrekken, als mijn kok hen met een nieuwe uitvinding of met eene fijne, slechts voor den kenner merkbare verandering, in de spijzen verrast. Zóó zijt gij nu waarlijk niet; integendeel terwijl gij de grootste kunststukken van mijn voortreffelijken Anacharsis door uwe keel laat glijden, denkt de een dit, de ander aan wat anders, Pericles aan zijne staatszaken en aan eene nieuwe volksplanting, die hij wil overbrengen, Sophocles aan een nieuw treurspel, Phidias aan de friezen van het Parthenon, Polygnotus overdenkt, hoe men de wanden dezer eetzaal nog sierlijker had kunnen beschilderen en Socrates ontleedt in zich zelven een begrip, in[280]plaats van den patrijs, dien hij op zijn bord heeft.”Aldus gaf Hipponicus zijn gemoed lucht en zijne gasten lachten vroolijk om de aanmerkingen van den goedhartigen gastronoom.Nu echter stond Hipponicus op en bracht het gebruikelijke plengoffer met eene waardigheid, die hij als daidouchos te Eleusis niet plechtiger kon ten toon spreiden.„Aan den goeden Geest gewijd!”6sprak hij en goot eenige droppels ongemengden wijn uit de schaal op den grond, dronk toen zelf, liet den beker opnieuw vullen en bij de gasten, rechts beginnende, rondgaan. Gedurende dit plengoffer heerschte er eene plechtige stilte, slechts twee fluiten begeleidden dit met ernstige, gedempte tonen.Daarop werden de kleine tafels weggenomen en de vloer gereinigd7.Toen vervolgens de drinkbeker gebracht, het groote mengvat geplaatst en het nagerecht opgedragen was, met allerlei versnaperingen die den drinklust konden opwekken, alsmede hoofdtooisels en geurige kransen van rozen, viooltjes en myrthen binnengebracht waren, waarmede de gasten hunne hoofden omwonden, werd de Paëan8ter eere vanDionysusaangeheven en op het met bloemen bekranste altaar een offer van vermengde wijn in de vlam gegoten, ter eere van alle Olympische Goden.„Gij weet, waarde gasten en vrienden,” sprak weder Hipponicus, „wat het oude, schoone gebruik van ons verlangt. Wilt gij liever den symposiarch9kiezen of wel hem door het lot benoemen?”[281]Phidias, Ictinus, Anaxagoras en eenige anderen verklaarden zich er tegen, dat men hem door het lot aanwees, want dan moesten zij vreezen, naar zij zeiden, zelf benoemd te kunnen worden en zij gevoelden weinig roeping den post van ceremoniemeester op zich te nemen.„Als het noodig is,” zeide Protagoras, „een symposiarch te kiezen, dan weet ik niemand, wien we dit eerambt liever moesten aanbieden, dan aan den aanzienlijksten van zoovele aanzienlijke mannen, aan den grooten Pericles.”Deze bedankte met een glimlach voor die eer en zeide: „Kiest Socrates. Die verstaat het, verstandige gesprekken te leiden; zou hij dan ook geen symposion kunnen besturen?”Socrates echter antwoordde: „Ik weet niet of ik verstandige gesprekken kan leiden of niet; dit echter weet ik wel, dat ook wanneer dit werkelijk zoo was, het een onvergeefelijke aanmatiging van mij zou wezen, ’t zij bij een gesprek, ’t zij bij een symposion, demoeilijketaak der leiding op mij te nemen, in tegenwoordigheid van mijne leermeesteres Aspasia, wier heerlijke wijsheid allen hier aanwezigen genoeg bekend is. Ik geef toe, dat de gewoonte medebrengt, een symposiarch te kiezen en dat Aspasia eene vrouw is; maar ik weet niet, wat de kunne met de taak van een symposiarch te maken heeft? Hipponicus verlangt, dat dit symposion eenig in zijn soort zij; welaan, laten wij hem daarin behulpzaam zijn en kiezen we in plaats van een symposiarch eene symposiarche.”Op het eerste oogenblik schenen de gasten door deze woorden verbluft, doch weldra klonken van alle kanten levendige bijvalskreten.„Zonderling, maar misschien verstandig is het,” zei Aspasia, „iemand tot hoofd der tafel te kiezen, die zelf het drinken niet verstaat.”„Met welken wijn,” ging zij voort, „zijn tot nu toe onze bekers gevuld?”„Het is wijn van Thasos,” hernam Hipponicus,„Thasische wijn van de beste soort, zooals hij geplengd[282]wordt in het Prytaneüm10te Thasos. Den kostelijken geur heeft de wijn uit zich zelven, maar den zoeten smaak van het met honig gemengde weitemeel, dat men, naar een voortreffelijk gebruik, in vaten heeft gedaan.”„Honigzoete, geurig gekruide wijn van Thasos!” riep Aspasia, „gij zijt waardig op het welzijn gedronken te worden der beide mannen, wier overwinning met dit maal gevierd wordt! Mijne vrienden, ledigt uwe bekers op het welzijn van den gekransten choreeg en op dat van den gelauwerden dichter der Antigone!”Met geestdrift begroetten allen dezen dronk en ledigden hunne bekers, die op bevel der koningin van het feest opnieuw werden gevuld.„Thrax”11, riep Hipponicus, tot een der bedienende slaven, „breng de wijnkaart hier, die voor het symposion van heden bestemd is en geef ze aan de symposiarche.—Op dezelfde lijst, Aspasia, vindt ge de spelen en vermakelijkheden, waarover wij heden in dit huis beschikken kunnen. Moge het u behagen tot ons genoegen telkens datgene uit te kiezen wat u juist het schoonst en geschiktst voorkomt en het door een woord of een wenk als met een tooverstaf voor ons te bezweren.”„Wilt gij mij eene cither laten geven?” vroeg Aspasia. „Ik zal mij als symposiarche niets meer aanmatigen, dan den grondtoon voor de stemming en de harmonie aangeven.”Oogenblikkelijk liet Hipponicus een slaaf eene met edelgesteenten en ivoor rijk versierde cither binnen brengen. De schoone Milesische nam ze aan en begon bij de tonen de volgende verzen te zingen:[283]„Lachend, met bloemen getooid, welriekend van Syrischen nardus,Met Dionysischen dauw, schitterend, rooskleurig besproeid,Laat ons met klinkende stem onder ’t getokkel der snaren verkonden,Dat hij het schoonst is op aard, hij het hoogste: de lust!”Daarop liet zij de luit aan Socrates geven.Deze echter zeide:„Daar het ook tot de taak van den symposiarch behoort, raadsels ten genoege der gasten op te geven, heb ik aanstonds vermoed, dat Aspasia onze scherpzinnigheid met zulke dingen op de proef zou stellen. Wat zij daar juist, om den grondtoon voor ons symposion aan te geven, zooals zij zegt, van den lust des levens onder begeleiding der snaren heeft gezongen, wat is dat, wel beschouwd, anders dan een verleidelijk raadsel, dat zij ons voorlegt? Deze schoone Milesische schijnt mij inderdaad eene Sphinx12toe, met een afgrond naast zich, waarin zij ons allen zal storten, als wij hare raadsels niet kunnen oplossen. Hoe benijd ik thans den voortreffelijken Hipponicus! Want deze schijnt toch zeker wel het best van ons allen den lust en het vroolijke genot des levens te kennen en zoo wellicht alleen in staat dat raadsel van Aspasia in de rechte beteekenis te verklaren en op te lossen. Want wat iemand het best in de praktijk kent, dat zal hij wel het best kunnen onderwijzen.”Levendig en vroolijk hunne goedkeuring aan die woorden te kennen gevende, riepen allen:„Zoo is het! Hipponicus is de man, om ons over het genot en over den lust des levens te onderrichten.”„Wanneer dan de vervelende bespiegeling van[284]alle dingen bij dit symposion niet geheel vermeden kan worden,” begon Hipponicus met een schalkschen lach, „dan dank ik den Goden, dat het gesprek juist op dit en geen ander onderwerp gekomen is. Want dit is werkelijk, zooals Socrates zeide, eene zaak, waarover ik een woordje mag meespreken. Gij herinnert u nog wel, hoe ik straks mijn best heb gedaan, u aan het verstand te brengen, dat men bezwaarlijk het ergens ter wereld in de kunst van goed te eten en te drinken verder zou kunnen brengen, dan hier te Athene, als men maar wil. In het algemeen kan men de stelling uitspreken, dat op dezen bodem en onder dezen Helleenschen hemel de menschen geboren zijn, om gelukkig te zijn. Ik zal u echter ook bewijzen, dat het bij ons in Griekenland gemakkelijk is het aangenaamste leven met de wijsheid, de deugd of vroomheid of godenverheerlijking of wat gij ook noemen wilt, te verbinden. Want de Helleensche Goden verlangen al het mogelijke, alleen niet onthouding of verloochening van de vreugde en het genot des levens. Zelfs van mij verlangen zij dat niet, hoewel ik van een priesterlijk geslacht ben en jaarlijks éénmaal bij de viering der Eleusinische mysteriën het ambt van diadouchos moet waarnemen. Het overige deel van het jaar leef ik te Athene voor het vaderland en mijn genoegen, zonder dat het de Goden en niemand ter wereld zou invallen, mij daarvan een verwijt te maken. Als de arme stumpert Diopithes daarboven op den burg mij vijandig is en kwaad van mij spreekt, is het niet, omdat ik van eene keurige tafel en schoone vrouwen houd en er goed van leef, ’t geen hij ook wel gaarne zou doen, als hem de middelen er niet toe ontbraken, maar alleen omdat het Eleusische priestergeslacht het zijne, de Eumolpiden, de Eteobutaden, in luister en aanzien overschaduwd heeft.„Als Diopithes als een suffer leeft, dan doet hij dat uit vrijen wil; de Goden der Hellenen bekommeren zich daar niet om en, hoewel ik er eene betere tafel op nahoud, beroem ik mij toch[285]even vroom en den Goden even welgevallig te zijn als hij. Durft iemand beweren, dat ik geen vroom man ben en de Goden niet eer, zoo goed als iemand te Athene? Zeus Herkeios13heeft zijn altaar aan mijn huiselijken haard; in de nis achter de deur staat Hermes Strophaios, de goddelijke bewaker van den deurdrempel; vóór de deur staat het gewone Hecate-huisje14, en de kegelvormige zuil van Apollo Agyieus15den God der straten en daarnaast de laurier, den God gewijd, tot eene beschutting tegen tooverij en vallende ziekte, bij de deur zelve blijft van het eene Pyanepsiën-feest16tot het andere de olijftak, symbool der overwinning, hangen, dien men met witte wol omwonden in den Apollo-tempel bij dat feest wijden laat; het ontbreekt ook niet aan opschriften boven de deur, die het huis onder de hoede der Goden stellen, noch aan den gebruikelijken Medusa-kop aan den anderen kant, die al het booze van den ingang afweert. Ik verzuim noch de betamelijke godenoffers, noch de reinigingen en verzoeningen, noch de gebeden, noch de gaven, noch de rijkelijke bijdragen, om den luister der godenfeesten te verhoogen en het heeft mij kort geleden weder vijfduizend drachmen gekost, om het koor voor Sophocles’ Antigone zoo prachtig mogelijk uit te rusten. Wie durft dus opstaan en zeggen, dat ik geen vroom man ben en de Goden niet, naar oudvaderlijk gebruik, eer? Wij Grieken zijn een vroom volk en ik ben een Griek. Daarom vereer ik de Goden, zooals betamelijk is, maar ik vrees ze niet, ook al geniet ik het goede der aarde. Want in den Tartarus17[286]zijn er velen, die om verschillende overtredingen de zwaarste straffen lijden, maar ik herinner mij niet, dat er onder hen één is, die daar lijdt, omdat hij een gastronoom en man van de wereld geweest is. Is er één onder? Neen, geen enkele! Daarom nog eens: ik ben een vroom man en behoef de Goden niet te vreezen. Ik vrees niets ter wereld, behalve de dieven en inbrekers, die mij mijne schatten, mijne paarlen en edelgesteenten, mijne Perzische gouden dariken18zouden kunnen ontrooven.”Alle dischgenooten begonnen vroolijk te lachen bij deze laatste woorden van Hipponicus en klapten in de handen; hij echter vervolgde:„Daar bouwen ze wijselijk een schathuis voor de staatsgelden boven op den burg, onder de bescherming der schutsgodin dezer stad. Maar hoe zal een vaderlandlievend man, als een onzer, zijn zuur verdiend geld in veiligheid brengen? Ik ontken het niet, dat sedert ik zesduizend slaven in mijne zilvermijnen laat werken en mijne bezittingen dagelijks toenemen, ik mij wat ongerust maak.”—„Troost u, Hipponicus,” riep Pericles, „ik zal bij het volk mijn best doen, dat het u toegestaan wordt, een schathuis voor u zelven op de Acropolis te bouwen. Gij hebt dit, zoo al niet door iets anders, dan toch zeker door uwe prachtige rede verdiend, die gij straks gehouden hebt.”Wederom klapten alle dischgenooten in de handen en prezen Hipponicus en zijne rede.Alleen de dartele en onvermoeide drinkebroer Cratinus zeide tot den gastronoom:„Wanneer gij, edele Hipponicus, werkelijk de Goden niet vreest, maar alleen de dieven en niets anders ter wereld, dan de dieven, wat denkt gij dan van de waterzucht en de andere gevolgen van een vroom en tevens goed leven? En van het pootje, dat,[287]zooals ik helaas bij ondervinding weet, aan te rijke besproeiing met Dionysischen dauw pleegt verbonden te zijn? Hebt gij ook hiervoor geen vrees? Of vertrouwt gij op dit punt geheel en al uw vriend Hippocrates, den voortreffelijken arts dien gij wijselijk aan uwe tafel pleegt te noodigen?”„Gij hebt het geraden,” hernam Hipponicus, „in deze dingen verlaat ik mij geheel op Hippocrates, met wien ik, evenals met de Goden gaarne op een goeden voet sta. Hem laat ik het ook over tebeslissenof het pootje en waterzucht en dergelijke zaken werkelijk komen, van wat men noemt „het vette der aarde genieten.”„Niet geheel en al,” hernam Hippocrates glimlachend. „Het is wel is waar niet te ontkennen, dat de inspanning en vermoeienis, die met een goed leven gepaard gaan, waterzucht en dergelijke dingen veroorzaken kunnen. Wat het genot op zich zelf echter betreft—en om het zuivere begrip daarvan is het toch in ons onderhoud te doen—moet dit als een zeer geschikt hulpmiddel ter bevordering der gezondheid beschouwd worden. Het genot is namelijk eene eigenaardige lichaams- en zielsstemming, hetwelk de wangen kleurt, de oogen verheldert, de ademhaling gemakkelijker maakt, het bloed krachtig door de aderen drijft, het trage veerkracht geeft, het vloeibare stolt, alle levensgeesten opwekt, alle krachten vermeerdert en het geheele wezen van den mensch in een staat van schoone, heilzame harmonie brengt. Zelfs voor den kranke is de vreugde eene zoo heilzame artsenij, dat ik niet weet of onder alle kruiden, pleisters en dranken, die wij geneeskundigen bij zieken aanwenden een krachtiger middel is te vinden.”Lachend gaven alle gasten hun instemming te kennen met deze woorden, en alle dischgenooten deden eene gelofte, dat zij zich nooit aan een anderen arts dan Hippocrates zouden toevertrouwen.„Wijze geneesheer!” riep de halfdronken Cratinus, „gij hebt mij ten volle gerust gesteld. Nu is[288]het mij helder: hoe had ik, dien zij een vriend der flesch noemen, voornamelijk sedert ik eene comedie geschreven heb, waarin gevulde flesschen, mijne vriendinnen, het koor vormen, hoe had ik, zeg ik, de met genot van het drinken verbonden kwalen tot op dezen huidigen dag zoo gelukkig kunnen trotseeren, zoo niet de genezende kracht van het drinken op zich zelve mij op de been had gehouden?—Ware ik ceremoniemeester, in plaats van die schoone vreemdelinge, die zich vermoedelijk beter op de werken van de gulden Aphrodite verstaat, dan op die van Bacchus, dan zou ik oogenblikkelijk een dubbelen dronk instellen op den wijsten aller geneesheeren, den grooten Hippocrates!”„Thrax,” riep Aspasia den naast haar staanden slaaf toe, „geef Cratinus een beker, dubbel zoo groot als de onzen. En laat ons nu een dronk wijden ter eere van Hippocrates!”Toen nu allen ter eere van Hippocrates gedronken hadden en ook Cratinus zijn dubbelen beker geledigd had, nam Polus het woord:„Ik weet niet, hoe onder ons van daag over levensgenot kan gesproken worden, zonder vóór alles aan de woorden te denken, welke gij in het treurspel, welks overwinning wij vieren, uit den mond van den bode vernomen hebt:„Des menschen leven past het nooit te roemen,Nooit over ’t onheil dat hem trof te klagen.Want die het meest door rampen werd bezocht,Dien beurt het lot vaak uit zijn lijden op,En werpt hem die ’t gelukkigst scheen in ’t stof.Geen ziener die des stervelings einde kent.Doch alles is voorbij. Want als de vreugdDen mensch ontviel, leeft hij geen leven meer,Als een bezielde doode doolt hij rond.Al is zijn huis met schatten opgevuld,Al praalt hij in een vorstelijk gewaad.Zoo hem ’t genot ontbreekt, acht ik dit allesNiet hooger dan de schaduw van den rook!”[289]„Ik prijs de vreugde,” zei daarop Sophocles, „niet alleen omdat zij het leven aangenaam, maar ook, omdat zij het schoon maakt. In de diepte des levens heerscht veel sombers en verschrikkelijks en dikwijls is de vraag gerezen, of het niet beter was niet te leven dan wel. Daar wij nu echter leven, moeten we den afgrond des levens en zijne verschrikkingen, zoo goed mogelijk, trachten te bedekken met de bloemen der schoonheid en harer tweelingzuster, de vreugde. Nauw is de grens, die om het menschelijk leven is getrokken; maar binnen deze grens mensch te zijn is geoorloofd en tevens de reine menschheid in dien kleinen tijdkring schoon en edel te ontwikkelen. Mensch te zijn wil zeggen edel te zijn en zacht, en voor dat edele en beminnelijke zachte is de grens de liefelijke maat, waardoor hij zijn aanzijn goddelijk besteden kan. Even schoon als opgeruimd, even edel als zacht genoemd te worden, zij der Hellenen trots!”„Ik dank u voor deze uitspraak,” zei Pericles.„Men heeft mij in den oorlog soms te zacht en toegefelijk genoemd, doch ik geloofde juist als een Helleen te handelen. Als er weer gestreden moet worden, te land of ter zee, zal ik van het volk der Atheners den dichter der „Antigone” tot medestrateeg verzoeken.”—„Sophocles als strateeg?” riepen sommigen van het gezelschap.„Waarom niet?” zei Sophocles lachende. „Mijn vader toch was een wapensmid. Dit is een voorteeken, dat ik voor strateeg geboren ben.”„Veel geluk er mede!” riep Hipponicus. „Maar meent ge, Pericles, dat er spoedig weder krijgsvolk ingescheept zal worden en eene vloot zee zal bouwen?”„Het is best mogelijk,” hernam Pericles.„Het is mij wèl,” hernam Hipponicus, „maar ik hoop Pericles, dat gij u op geen ander admiraalschip lauweren zult verwerven, dan op datgene, wat ik als triërarch zal uitrusten.”[290]„Dat zal ik,” antwoordde Pericles. „Doch laten we niet de krijgshaftige stemming den boventoon laten voeren bij een zoo vreedzaam feest. Onvriendelijk zou het zijn, zoo wij niet vóór wij tot andere dingen overgaan, den wijzen Anaxagoras vroegen, of hij hetgeen hier over het genot is gezegd, verwerpt of goed keurt.”„Wanneer gij mijne meening verlangt te hooren,” zei Anaxagoras, „wil ik u die niet onthouden. Wat gij daar te berde hebt gebracht, bewijst dat het uw streven is van buiten af het schoone en goede en aangename tot u te brengen, zooveel maar mogelijk is. Maar ik beweer dat de ware, de rechte vreugde diegene is, welke niet van buiten komt, maar die welke men als zijn innigst werkelijk leven in zich zelven bezit. Geluk is niet hetzelfde als vreugde; en zoo weinig bestaat het geluk in de dingen buiten ons, dat het veel meer, ja het best zonder deze bestaat. Vrijwillig zich aan den algemeenen Wereldgeest te onderwerpen, den eigen wil te dooden, dat is wijsheid en deugd en de waarborg tevens der rechte vreugde, de vaste burgt der apathie, waarin de mensch zonder begeerten, zonder hartstocht, zich zelven genoegzaam, zich zelfs tegenover de machten van het noodlot overwinnelijk toont.”De woorden van Anaxagoras maakten een eigenaardigen indruk. Pericles hoorde ze met die belangstellende aandacht, welke hij steeds aan de uitspraken van zijn ouden vriend schonk. Over Aspasia’s voorhoofd echter vloog een licht wolkje. Haar oog ontmoette dat van Protagoras. Het was alsof de schoone vrouw en de sophist in elkanders oogen lazen, wat er in hunne ziel omging. En toen nu de schitterende redenaar in den zwijgenden kring rondzag, gereed om den wijsgeer te antwoorden, schenen de stralen uit Aspasia’s oogen zijne gedachten te bezielen, zijne woorden kracht en gloed te geven.„Streng en hard,” begon hij, „klinken de woorden van den wijze uit Clazomenae te dezer plaatse,[291]waar zooeven nog onder den klank van vroolijke skoliën19het feestelijk genot om het met bloemen bekranste altaar van Dionysus heerschte! Maar ook hij—merkt dit wel op—ook hij, de strenge, harde wijze heeft van het genot als van ’s menschen hoogste doel gesproken. Slechts over de wegen, die daarheen voeren, denkt hij verschillend. En in der daad het genot heeft vele namen en vele vormen en vele zijn de paden, die heenvoeren naar zijne zonnige hoogte. Menigeen vindt zijne hoogste vreugde in de bedwelming der zinnen, anderen, door een hoogeren adel der ziel tot het schoone gedreven, verheffen zich tot de reiner sferen van het genot, en er is eene derde soort van die goddelijke menschen, die boven lucht en wolken in het eeuwige klare zonder begeerten wonen. Weet gij aan welke van die drie wijzen, om het genot na te jagen, ik de voorkeur geef? Aan geene, maar aan die, welke het verstaat, naar tijd en plaats, iedere dezer verschillende wegen te bewandelen. Wanneer de bekers tintelen en schoone oogen schitteren, laat ons dan de vroolijke wijsheid van Hipponicus volgen; wanneer voor onze oogen de wonderen van het schoone heerlijk zich vertoonen en het menschelijke zijn edelsten bloei ontvouwt, dan deelen wij de geestelijke vreugde van Sophocles, wanneer de hemel bewolkt is, wanneer onafwendbaar smart en onheil ons bedreigen, dan is het tijd kalm tot de schoon bekranste vreugde te zeggen: Vaarwel! en zich te omgorden met de goddelijke kalmte en rustige waardigheid van den wijzen Anaxagoras. Te kunnen ontberen is roemrijk—maar wij willen die kunst slechts daar uitoefenen, waar wij haar noodig hebben. Als het tijd is zich te verheugen, willen wij ons verheugen, als het tijd is te ontberen willen wij ontberen. Wie verstandig weet te genieten, hem zal ook de wijsheid der zelfverloochening niet ontbreken.[292]Hij zal de vreugde tot zijne slavin maken, niet zich zelven tot een slaaf der vreugde. Hij zal de omstandigheden aan zich, niet zich aan de omstandigheden onderwerpen. En wanneer datgene, wat door de wijsheid onzer vreugde als perk wordt gesteld, niets anders is dan de natuurlijke, rechte maat van het genot en het genot door overmaat verdwijnende, geen genot meer is, maar het tegendeel daarvan, zoodat het zijne grens en zijne maat niet buiten of naast zich, maar in zich heeft, waarom zouden wij dan nog van deugd spreken en onthouding, als van een zaak, die vreemd, ja zelfs vijandig aan het geluk zou zijn? Ontbering, onthouding, deugd zonder genot kan in de gedachte van den Helleen opkomen, nooit echter doordringen tot de diepte van zijn gemoed. Zelfs te werken in het zweet des aanschijns, handenarbeid te verrichtten om het dagelijksch brood, acht hij zijns onwaardig. Daarom werkt de slaaf, werkt de barbaar voor den Helleen. Het minder edele deel der menschheid moet zich voor het edeler deel opofferen, opdat het ideaal van waarachtig bestaan, den mensch waardig, verwezenlijkt worde. Ware ik wetgever, een nieuwe Lycurgus of Solon20en werden de tafelen der wet onbeschreven in mijne hand gelegd, ik zou ze aangrijpen en met gouden stift bovenaan deze woorden zetten:Gij stervelingen, weest schoon,—weest vrij—weest gelukkig!”Zoo sprak Protagoras, met onafgewenden blik op Aspasia gericht en verheugd over den glans van ingenomenheid, die onmiskenbaar uit haar gelaat hem tegenstraalde. Bijna elk van den kring hechtte zijne goedkeuring aan zijne woorden en Pericles zeide, dat hij Protagoras zou opdragen de eerstvolgende kolonie, die uit Athene zou gezonden worden, aan te voeren. Want hij scheen hem toe een staat in den Helleenschen geest te kunnen regelen.[293]„Gelukkige Protagoras,” begon nu Socrates, „gelukkige Protagoras, wien het vergund is het goud van Aspasia’s zwijgen in de klinkende munt van welsprekende taal om te zetten. Wanneer ik uwe woorden even goed begrepen heb, als gij de taal van Aspasia’s oogen, dan schijnt gij mij de wijsheid in zooverre als een middel ter bevordering van geluk te beschouwen, als men haar om zoo te zeggen, gereed houden en uit den zak kan halen, wanneer men juist niets beters bij de hand heeft—”„Wat is wijsheid?” riep Protagoras. „Vraag het duizend menschen en wat de een wijsheid noemt, heet bij den ander dwaasheid. Vraag hun echter wat vreugde is en droefheid, allen zullen het daaromtrent eens zijn.”„Gelooft gij dat werkelijk?” hernam Socrates. „Men kan er de proef van nemen …”„Vergun mij, Protagoras,” viel Aspasia in, „dat ik mij verstout Socrates te antwoorden; niet met woorden, want hoe zou ik mij vermeten, wanneer er woorden van wijsheid moeten gesproken worden, in Protagoras’ plaats te treden? Ik wil den eeuwigen twijfelaar en vrager met die middelen bestrijden, die mij als symposiarche, tot onderzoek zijner laatste tegenwerping ten dienste staan.”„Vooraf,” vervolgde zij, „bevochtig uwe lippen, die wellicht door het vuur van het gesprek droog geworden zijn, met frisschen dauw.”Op haar bevel werd nieuwe wijn in den krater21gemengd en den gasten in andere, grootere bekers geschonken.„Dit is wijn van Lesbos,” zei Hipponicus, „de bloem van den wijnstok. Hij is minder geurig dan de Thasische, doch zijn smaak is nog aangenamer.”„Hij is zacht en vurig te gelijk, als de ziel van zijne landgenoote Sappho,” riep Protagoras, even[294]met zijne lippen het vocht in de beker proevende.De beker werden geledigd op Aspasia’s bevel ter eere van de zachte en hartstochtelijke Lesbische zangster en op nieuw gevuld, terwijl de oogen der gasten al meer en meer begonnen te schitteren.„Laten wij nu,” begon Aspasia weder, „hen laten binnenkomen, die gereed staan, om ons op iets van datgene te vergasten, waaronder de menschen naar Protagoras’ meening het allen eens zijn, naar Socrates’ zienswijze echter niet.”Fluitspeelsters, danseressen en kunstenmaaksters kwamen de zaal binnen, allen jong, bekoorlijk, allen bekranst en met welriekende wateren besprenkeld en getooid in verleidelijk gewaad.Het fluitspel begon in weeke, zoete tonen en daarbij werden door de danseressen mimische dansen uitgevoerd. Wat Socrates bij Theodota had bewonderd dat had hij nu in veelvoudige mate in eene groep van bloeiende gestalten voor oogen. Nadat deze danseressen door hare kunst aller oogen hadden verrukt, oefende hetgeen thans de kunstenmaaksters volvoerden, eene betooverende en bedwelmende werking uit. Als dezen bij den klank der fluiten en de maat der muziek een aantal ballen in de hoogte wierpen en weder opvingen of den zoogenaamden kogelloop op een pottebakkersrad uitvoerden, lag in de bliksemsnelle bewegingen der jeugdige, slanke, lenige meisjesgestalten eene betooverende, ja bedwelmende bekoorlijkheid. Toen zij echter den verbazingwekkenden zwaardendans begonnen, toen zij tusschen de klingen, die met de punt naar boven in den grond gestoken waren, dansend heen en weder sprongen en over de blinkende zwaardspitsen naar voren en achteren oversloegen, toen gevoelden de opgewekte toeschouwers zich door een genot, met huivering gemengd, aangegrepen. Toen eene van die slanke, bekoorlijke meisjes in een licht, nauwsluitend gewaad, dat den vollen en reinen vorm des lichaams deed uitkomen, met de handen op den grond steunende in eene bevallige kromming naar achteren de voeten[295]over den rug en het hoofd heenstrekte, om daarmede uit het vóór haar staande mengvat een beker te vullen, dien zij met de teenen van den linkervoet bij het hengsel had gegrepen, terwijl zij met de teenen van den anderen voet het oor van het schepvat vasthield, of in diezelfde houding een pijl van den boog deed snorren—toen was het niet alleen de verbazende vaardigheid, die zij ten toon had gespreid, maar tevens het tot de hoogste vrijheid en bijna bovenmenschelijke vlugheid ontwikkelde schouwspel harer bloeiende ledematen, die de zinnen van Hipponicus’ gasten in eene soort van zwijmel bracht.Toen de dansen en spelen geëindigd waren en de danseressen, kunstenmaaksters en fluitspeelsters onder de levendigste toejuichingen der dischgenooten zich weder hadden verwijderd, zei Aspasia:„Het schijnt dat alles wat wij gezien hebben ons genoegen heeft gedaan en dat wij het volkomen eens zijn in deze soort van genot, terwijl wij toch vroeger, toen het de leer der wijsheid gold, het maar niet eens konden worden. De proef, waarop het aankwam, zooals gij zeidet, Socrates, is derhalve genomen—”„Gij weet zeer wel, Aspasia,” antwoordde Socrates, „dat niemand ter wereld zich liever laat onderrichten dan ik. Vergun mij nog één ding aan Protagoras te vragen. Wanneer er, zooals gij leert, verscheidene soorten van genot zijn en wij datgene, wat het genot verschaft, een goed noemen, dan zijn er nog wel andere goederen en onder deze een hoogste goed. Om echter juist dit uit andere goederen uit te vinden en ook het hoogste genot uit andere genietingen—want het genot is toch, zooals wij gezegd hebben, niet zelf het goede, maar wordt eerst door het bezit van het goede teweeg gebracht—zou daartoe een weinig verstond of oordeel of wijsheid noodig zijn of hoe men het ook noemen wil?”Glimlachend zei Aspasia:„Gij ziet, Protagoras, dat deze man u in de[296]engte drijft: doch het is mijn plicht te zorgen, dat de strijd niet al te heftig wordt. Reeds sedert een half uur heb ik een kleinen aanslag in den zin tegen den strijdlustigen Socrates. Het komt mij niet goed voor, dat Socrates op hetzelfde aanligbed met Anaxagoras aanligt en zoo steeds door den adem des meesters met nieuwen strijdlust aangeblazen wordt. Over het algemeen schijnt het mij toe, dat Hipponicus’ gasten zich grootendeels op een wijze geplaatst hebben, die gevaarlijk is voor het algemeen en gunstig voor heimelijke samenzweringen. Verscheidene malen heb ik opgemerkt, dat Phidias en Ictinus zacht samen fluisteren. Ook Cratinus zag ik vaker dan noodig was tot het oor van zijn buurman, Polygnotus, overbuigen. Krachtens mijne volmacht als symposiarche zal ik eene geheele verandering in de plaatsen brengen.”„Goed,” riepen de vroolijke dischgenooten. „Wij willen u gaarne gehoorzamen. Spreek, hoe denkt ge ons nu te plaatsen?”„Welaan,” zeide Aspasia. „Den gastronoom Hipponicus bevele Socrates op te staan en zette zich naast den wijzen Anaxagoras; de spraakzame Polus neme plaats naast den stillen Ictinus, de overmoedige Cratinus zal den zachten, vromen Sophocles tot buurman hebben. Phidias eindelijk moet met Polygnotus één aanligbed deelen. Hoe echter plaats ik Socrates? Onmogelijk kan ik hem in de nabijheid van Anaxagoras laten; integendeel ik moet deze beide kampioenen zoo ver mogelijk van elkander zetten. Wat blijft er anders over, dan dat ik u Protagoras, verzoek mijne plaats in te nemen, terwijl ik zelf ter beslechting van den strijd mij naast Socrates zal zetten.”Met deze woorden stond Aspasia op en plaatste zich onder op het aanligbed, waarop Socrates aanlag.Bereidwillig hadden inmiddels de dischgenooten de schikking van de symposiarche opgevolgd; alleen benijdden zij in stilte en luide Socrates zijne gezellin.[297]Op dezen zelven oefende de onmiddellijke nabijheid der schoone eene eigenaardige werking uit. Had straks de adem van Anaxagoras, zooals Aspasia zich uitdrukte, zijn strijdlust aangeblazen, de adem van de bekoorlijke vrouw stemde hem tot vrede en verzoening.„Wat is dat?” riep Aspasia, zich tot Socrates overbuigend en zijn krans beschouwend, „aan uw krans zijn reeds vele bladeren ontvallen. Dat geldt als een voorteeken van geheime minnesmart. Is het soms uw jongste vriend, de moedwillige Alcibiades, die u droefheid veroorzaakt? Doch, ik ben gekomen om u te woord te staan. Welke bezwaren waren het, Socrates, die gij nog uit den weg zoudt willen geruimd zien?”—Socrates, betooverd door den vurigen blik van Aspasia, bedwelmd door den adem van haar mond, opgewekt door het ruischen van haar gewaad bij ieder harer bewegingen, antwoordde:„Aspasia, ik had bezwaren—en zij stonden in mijn hoofd goed gerangschikt, als in slagorde. Maar men heeft juist, toen ik ze in de beste orde wilde doen oprukken, een schoonbekranste dam opgeworpen, zoodat het schijnt dat zij daarover willende springen, de beenen zouden breken. Wat ik bedenkelijk vind, Aspasia? Zal ik het u zeggen? Ik vind op dit oogenblik alleen dit bedenkelijk, dat gij naast mij zit.”Met een ietwat spottend lachenden blik zag Anaxagoras, die intusschen den beker flink had toegesproken, zwijgend naar den spreker, die zoo smadelijk de wapens strekte.„Gij ziet, Anaxagoras,” zei Socrates, „ik ben in den strijd voor eene goede zaak gevallen en gij, grijsaard, voor wien ik eigenlijk het zwaard had getrokken, moet thans mij, den jongen man, uit den strijd dragen. Wreek mij, als gij kunt, Anaxagoras!”„Waarom niet?” hernam Anaxagoras, nadat hij een dronk uit zijn beker genomen had, „ik gevoel mij in het geheel niet zoo zwak, als de oude[298]Priamus, om voor de jeugdige wijsheid van dezen Achilles sidderend te verstommen. Ik wil nog een woordje met u praten, Protagoras.”„Halt!” riep Aspasia, „wanneer het uwe bedoeling is ernstige woorden te spreken, vergun mij dan vooraf, dat ik mijn plicht als presidente der tafel vervulle en met een dronk van den vurigsten en kostelijksten aller wijnen, die tot nu toe geschonken werden, met het heerlijk druivensap van Chios, uwe tongen moge ontboeien.”Na deze woorden liet Aspasia den gezochtsten van alle Grieksche wijnen rondschenken.De bekers werden geledigd en nu was er niemand meer in het gezelschap, die niet hoog zweefde boven de sferen van het nuchtere verstand en zich niet overgegeven had aan de geweldige macht van den bezielden Dionysus.Anaxagoras ledigde zijn beker en begon eenigszins verward te spreken over genot en deugd, over kennis en den Wereldgeest.Om zijn geest nog meer op te wekken en te verhelderen bood Aspasia hem zelfs nog een beker van den krachtigen Chiër-wijn aan.Hij dronk dien uit en de taal van den wijze werd nog verwarder; hij begon te stotteren en met het hoofd geducht heen en weer te schudden.Ten laatste zonk het hoofd geheel op de borst. Nog eenige oogenblikken en de grijsaard lag in een rustigen sluimer.Een vroolijk gelach klonk er door de rijen der dischgenooten.„Wat hebt gij gedaan, Aspasia?” riepen zij: „de laatste voorvechter der strenge wijsheid hebt gij ontwapend en in slaap gewiegd!”„Bij het vroolijk symposion,” hernam Aspasia, „betaamt het der strenge wijsheid in te slapen. Maar niet zonder de Chariten is deze edele man ingesluimerd. Ziet, hoe schoon het gezicht is van den rustig ademenden grijsaard! Ik stel u voor, dat wij allen de kransen van onze hoofden nemen en ze op het hoofd en de schouders van den slapenden[299]nederleggen en op deze wijze de zoo schoon en vreedzaam ingesluimerde wijsheid begraven.”De gasten deden wat Aspasia voorsloeg en in weinig oogenblikken was het hoofd van den wijze onder bloemen begraven.Socrates ging voort met drinken zonder dronken te worden, om ongestraft de zonderlingste dingen, Aspasia, die naast hem zat, in ’t oor te kunnen fluisteren.De ernstige Phidias zei tot den knaap, die zijn beker vulde, dat hij hem tot model voor eene zijner ephebenbeelden op den fries van het Parthenon wilde gebruiken. Cratinus stiet heimelijke verwenschingen uit en zei tot zijn buurman Sophocles:„Die toovenares, die Circe, die Omphale zal aan mij denken! zij laat mij zelfs dien krachtigen Chiër uit den grooten beker drinken! Zoolang ik nuchteren was, merkte ik er niets van; nu echter is het mij duidelijk, waarop zij het gemunt heeft.”—Polygnotus verzekerde zijn buurman, dat hij, met uitzondering van de jeugdige Elpinice, nog nooit eene zoo schoon gevormde vrouw als Aspasia gezien had. „Pericles,” zei de purperroode Hipponicus met eene stem, die trilde van aandoening, „Pericles, gij weet dat ik u steeds in eere heb gehouden, dat ik u den innigsten dank verschuldigd ben, omdat gij vóór eenige jaren mij van de toen nog schoone, maar kijfzieke Telesippe hebt afgeholpen. Doe mij nog het genoegen mij toe te staan een schathuis op den burg te bouwen—want ik heb zesduizend slaven in het werk in de zilvermijnen en mijn vermogen neemt bij den dag toe en men is voor dieven niet veilig. En als uw pleegzoon Alcibiades grooter is … mijn dochtertje Hipparete … de schoonste aller Helleensche jonkvrouwen …„Het zij zoo,” zei Pericles met een vriendelijken glimlach.Hij was de eenige van het geheele gezelschap op wienBacchuszijne macht niet had kunnen uitoefenen; niet omdat hij minder gedronken had, maar omdat zijn gestel even sterk was, als zijne ziel[300]zacht. Hij sprak met Protagoras over de politiek, over veranderingen in de volksheerschappij te Athene, over het uitzenden van de kolonie, over de mogelijkheid dat een veldtocht op handen was. Protagoras echter was verstrooid, daar hij telkens vurige blikken sloeg op de schoone Milesische. Eindelijk verraste de stille Ictinus de dischgenooten door het aanheffen van een paeän opDionysus, die toen door allen in koor gezongen werd.Zoo heerschte er op het symposion ten huize van Hipponicus eene feestelijke stemming, die aangewakkerd werd door Bacchus’ heerlijke gaven, door zinnenstreelende bekoorlijkheden, door de betoovering, die er uitging van de schoone Milesische, eene stemming die gekruid werd door de bloem van den Helleenschen geest.Toen stond de welsprekende Protagoras op en stelde den volgenden toost in:„De symposiarche Aspasia heeft mij, zooals gij weet, hare plaats afgestaan. Ik maak van mijn recht gebruik, om voor een oogenblik mij hare waardigheid aan te matigen en u uit te noodigen dezen laatsten dronk aan Aspasia zelve te wijden. Hoog heeft zij als koningin der tafel de banier der schoone vreugde opgeheven, zegevierende heeft zij het rijk van den blijden levenslust tegen den ernst en de strengheid der wijsheid verdedigd, op gunstige oogenblikken heeft zij nu eens door Dionysus’ gaven, dan eens met de hulp van Eros en de Chariten, dan weder met de betoovering der zinnen den strijd tegen den vijand gevoerd, zij heeft met zoete bedwelming de vragen van den waarheidszoeker in slaap gesust en het grijze hoofd van den grijsaard, dien het jeugdig vuur had verlaten, onder bloemen begraven, zij heeft ons allen de hooge zee der Dionysische vreugde doen doorklieven. Zonder gevaar echter is de zachte dronkenschap voor de edele Hellenen en niet verderfelijk dringt zij tot in de diepten der hoofden, maar als dauw slaat haar zilveren nevel neder op de bladeren der kransen, waarmede wij verkoelend[301]ons voorhoofd omschaduwe! Derhalve, mijne vrienden, ledigt met mij dezen laatsten beker ter eere van de schoone en wijze koningin onzer tafel, de goddelijke Aspasia!”Zoo sprak Protagoras en de uitgelezen mannen beantwoordden dezen dronk met vuur. De groote mannen, die bij het maal van Hipponicus vereenigd waren als omkranste feestgenooten, vormden om Pericles en Aspasia eene groep die op het veld van den roem als de schitterendste sterren van Oud-Hellas fonkelden!—En toen de laatste bekers geledigd waren, namen de mannen met een warmen handdruk van elkander afscheid en verlieten het huis van Hipponicus, toen de morgen reeds grauwde.„Kunt ook gij instemmen met de lofspraak van Protagoras op de symposiarche?” vroeg Aspasia aan Pericles toen zij zich met hem alleen bevond.„Ik bewonder u thans nog meer,” zei Pericles; „maar vreest gij niet, dat ik wat minder liefheb?”„Waarom?” vroeg Aspasia.„Omdat gij altijd een woord hebt voor iedereen,” hernam hij; „wat hebt gij dan over voor Pericles?”„Mij zelve,” antwoordde Aspasia.Hij kuste haar op het voorhoofd en zij sloot hem in hare armen, in de volheid van haar geluk.„Ik weet niet,” zei Pericles, toen hij van haar afscheid nam, „ik zou van u gescheiden mij weder in het druk gewoel der daden willen storten of ongestoorder dan nu een heerlijke maand van liefde met u in idyllische rust doorleven.”„Wellicht,” hernam Aspasia, „verleenen u de Onsterfelijken het een of het ander of beide te gelijk ter goeder ure.”De Milesische sloot dien morgen hare moede, schoone oogen in het bewustzijn, dat zij haar doel weder eene schrede nader gekomen was. Zij dacht aan het oogenblik, toen zij vernederd het huis van Pericles moest verlaten; zij dacht aan de fiere Telesippe, die zich onaantastbaar waande en onschendbaar[302]in hare heerschappij aan den huiselijken haard—zij zeide in zich zelve, dat hare geheime en openlijke plannen der verwezenlijking naderden en dat zij in hare zending zou triompheeren, dat zij op de puinhoopen van het overgeleverde en het veroordeel de banier der vrijheid, der schoonheid en der vreugde voor eeuwig zou planten.1Behalve hetgeen de schrijver aangaande Protagoras mededeelt, is het nog vermeldenswaard, dat Protagoras voor een leerling gehouden wordt van Democritus, wiens atomenleer hij echter niet toegedaan was. Protagoras, vanatheïsme(asebia) beschuldigd, moest Athene verlaten en zijne geschriften werden openlijk verbrand. Zijne hoofdstelling is: de mensch is de maat van alles.Men wil dat hij op zeventigjarigen ouderdom verdronken is.↑2Hippocrates was de beroemdste arts der Oudheid, omstreeks 460 v. C. op het eiland Cos geboren, zoon van Heraclides en Phaenarete. Door zijn vader, arts en priester in het geslacht der Asclepiaden, onderricht, verliet Hippocrates zijn vaderland, hield zich geruimen tijd op Thasos en in Tessalië op en, naar men beweert, zou hij in 377 te Larissa gestorven zijn, waar een grafteeken voor hem werd opgericht. De talrijke geschriften, die onder zijn naam tot ons gekomen zijn, zijn niet alle echt. Veel moet op rekening gesteld worden van zijne zonen Thessalus en Draco, zijn schoonzoon Polybus en latere geneesheeren uit den tijd der Ptolomaeën. Hippocrates was tevens een uitstekend wiskundige.↑3Abdera, aan de monding van den Nestus, omstreeks 656 v. C. gegrondvest, was befaamd om de stompzinnigheid zijner inwoners. Hippocrates zocht de oorzaak daarvan in hunne verwijfdheid. V.d. dat „Abderiet” een scheldnaam is, één of beide deze eigenschappen uitdrukkende.↑4Eene soort van zeevisch, eigenlijk thunnos geheeten.↑5Muraena is een schoon gevlekte zeeaal, door de Ouden zeer hoog gewaardeerd.↑6Men plengde bij het einde van den hoofdmaaltijd òf aan den goeden Geest (Daemon) òf aan de Gezondheid (Hugieia).↑7Men herinnere zich, dat de Grieken vrij ongemanierd beentjes, schillen enz. op den grond wierpen. Anders is deze uitdrukking moeilijk te verstaan.↑8Paëan is eigenlijk een plechtig, veelstemmig lied ter eere van Apollo, om hem te smeeken eene ziekte af te wenden; v.d. komt het woord voor als een bijnaam van den God: redder. Voorts beteekent het in het algemeen: een zegezang, een loflied.↑9Symposiarchos of koning van het symposion beteekent ongeveer president van de tafel; we meenden dat woord het best door ceremoniemeester over te zetten, daar zijne functiën vrij wel met die van den titularis in onze dagen overeenkomen. Wij hebben de vrijheid genomen van dit symposiarchos, naar het Grieksch, een vrouwelijke symposiarche te vormen, omdat dit van vele andere ons nog het best voldeed. Voorts houde men in het oog, dat symposion, hoewel eigenlijk een drinkgelag, de eigenlijke maaltijd werd, waar de gasten door muziek, dans en allerlei voorstellingen onderhouden werden.↑10Prutaneion (Prytaneüm) is het openbare gebouw in de vrije Grieksche steden, waarvan steeds het vuur werd onderhouden ter eere van Hestia, de Godin van den huiselijken haard; te Athene mochten daarin de prytanen (zienoot 1 pag. 76), de buitenlandsche gezanten en ook verdienstelijke burgers spijzigen. Vandaar dat Socrates, gevraagd zijnde welke straf hij zich waardig keurde, antwoordde: „In het prytaneüm op staatskosten te worden onderhouden.”↑11Thrax beteekent eigenlijk Thraciër; de slaaf werd zoo naar zijn vaderland genoemd.↑12De Sphinx, een monster met het lichaam van een leeuw en een vrouwelijk hoofd, verscheen in de nabijheid van Thebe en stortte ieder in den afgrond, die het raadsel niet kon oplossen: „Welk is het wezen, dat ’s morgens op vier, ’s middags op twee en ’s avonds op drie voeten gaat.” Oedipus loste het raadsel op, daar hij meende dat de mensch bedoeld werd in zijne verschillende levensperioden.↑13Herkeios beteekent: tot den hof, het huis behoorend; Zeus had, als beschermer van het huis, in den voorhof zijn altaar; v.d. had hij den bijnaam Herkeios, beschermgod des huizes.↑14Hecate is de Godin van het maanlicht, soms ook van de onderwereld, van verschijningen, spoken en betoovering; vooral op kruiswegen werd zij vereerd. Zoo werd zij ook in de huizen aangeroepen, om tooverij en dergelijke zaken af te weren.↑15Agyieus beteekent beschermer der straten (aguia); Apollo als beschermgod daarvan had een zuilvormig altaar voor de huisdeur, waarop reukoffers gebrand werden.↑16De Pyanepsiën was een feest te Athene ter eere van Apollo, waarop men een gerecht van peulvruchten of boonen bereidde: de maand waarin dat feest gevierd werd, heette Pyanepsion, dat is van half October tot half November.↑17Tartarus komt bij de oude dichters vooreerst als persoon voor verbonden met Gaea, de vader van Typhoeüs. Voorts beteekent het: een donkere afgrond en doorgaans, zooals hier, „de onderwereld”, „het schimmenrijk”.↑18Een daricus („Dara”, in ’t Perzisch, = vorst) bedroeg twintig zilveren drachmen, ongeveer f9,—.↑19Skoliën(eigenl. schuin, niet volgens de rij) is een lied, dat op symposia bij beurten door de gasten gezongen werd: een tafellied.↑20Lycurgus was Sparta’s beroemdste wetgever. Hij leefde ongeveer in 888 v. C. Na vele reizen gedaan en talrijke onderzoekingen in het werk gesteld te hebben, keerde Lycurgus naar Sparta terug en gaf zijne wetten in de „Rhetra” vervat.↑21Krater is een „mengvat”; de Grieken dronken doorgaans met water vermengden wijn; de verhouding van het water tot den wijn was gewoonlijk als 3 : 1, soms als 2 : 1, zelden als 3 : 2. Het drinken van onvermengden wijn achtte men een barbaar en drinker waardig.↑

X.DE KONINGIN VAN HET FEEST.

Toen Pericles, na de overwinning van Hipponicus en het daarop gevolgd gesprek van Aspasia, eenige dagen door allerlei gevoelens, die de vrijheidsliefde der Milesische in hem opgewekt had, bestormd werd, werd telkens de gedachte bij hem levendig: „Ik zal aan de vriendelijke uitnoodiging van Theodota gehoor geven. Waarom zou die Milesische vrouw mij in kluisters slaan, die zij zelve niet kent?”—Doch als het beeld van Aspasia weder oprees voor zijn geest, als hij dacht aan de vrije fiere ziel van die vrouw, aan de mogelijkheid haar te zullen verliezen, dan week zijne begeerte naar Theodota naar den achtergrond. Naast den vurigen gloed, waarmede Pericles Aspasia beminde, kon die nieuwe opwelling geen stand houden. Vooruit gezien, ja vooruit berekend was deze uitwerking door Aspasia.—Maar Pericles ging voort met zich zelven te bestrijden en aan nieuwe opwekking tot dien strijd zou het hem niet ontbreken.Hipponicus, die alles opofferde, om van den luister zijns rijkdoms en de pracht zijner feesten te doen spreken, had niet gerust, voordat Pericles en Aspasia er in toegestemd hadden ook op het zegemaal te zullen komen.Toen de bepaalde dag gekomen was, zag men in het huis van Hipponicus de uitgelezenste hoofden, de schitterendste vertegenwoordigers van den Atheenschen roem vereenigd.Pericles, Aspasia en de overige genoodigden waren nauwelijks binnengetreden, of Hipponicus liet hen de pracht van zijn huis zien. Hij leidde hen rond en toonde hun zijne vertrekken, zijne tuinen, zijne baden, zijne worstelplaats—een gymnasium in het klein—zijne vischvijvers, zijne schoone paarden, zijne honden, zijne zeldzame vogels, zijne[273]hanen en kwartels, die hij voor zijn genoegen hield, om ze met elkaar te laten vechten. Hij wees hun het grafteeken, dat hij voor een zijner gestorven honden van het Melitaeïsche ras had opgericht. Hij zeide, dat zijn huis eene herberg was, steeds vol gasten, dat hij dagelijks een dozijn parasiten aan zijne tafel spijzigde. „Die knapen,” zei hij, „zijn zoo vet gemest, dat het mij spijt, dat ik ze u vandaag niet kan laten zien. Want heden heb ik mij voorgenomen, alleen de uitstekendste mannen van Athene aan mijne tafel te vereenigen.”Een zijner gasten vroeg hem naar zijne gemalin, eene vraag, die niet zeer bescheiden was. Hij antwoordde, dat zij wèl was, maar dat hij haar in de vrouwenvertrekken niet storen wilde. Iedereen toch wist, dat hij die vrouw alleen daarvoor gebruikte, om haar uit pronkzucht met allerlei edelgesteenten en paarlen te behangen en haar naar de nieuwste mode in een sierlijken wagen, met Sicyonische paarden bespannen, door de straten te laten rijden. Voor ’t overige hield de oude liefhebber—ook naar de nieuwste mode—er eene buitenlandsche vriendin op na, en men zeide dat tegenwoordig de beroemde Theodota het voorwerp zijner hulde was.Ook over zijne kinderen sprak hij tot zijn gasten, over zijn zoontje Callias, die hij juist, naar hij zeide, naar Delphi had gezonden, om zijn hoofdhaar te laten afknippen en dat volgens een oud gebruik aan Apollo te wijden; voorts over zijn dochtertje Hipparete, wier schoonheid en innemend karakter hij niet genoeg kon prijzen en van wie hij zeer veel scheen te houden. „Dit kind,” zei hij, „groeit op tot de schoonste en edelste aller Atheensche jonkvrouwen en het zal moeilijk zijn eens een bruidegom, harer waardig, te vinden. Wat schoonheid betreft, ken ik geen knaap in Athene, van wien men voorspellen kan, dat hij als jongeling opgegroeid naast deze jonkvrouw zal kunnen gesteld worden, behalve uw Pleegzoon, Pericles, den kleinen Alcibiades. Ik heb hem een paar maal in[274]de worstelschool gezien en deze knaap mag gerust beweren, bijna onder de jongens te zijn, wat Hipparete is onder de meisjes. Wat hun leeftijd aangaat, geloof ik, dat zij niet veel zullen verschillen. Nu, wie weet, wat de Goden beschikken, als deze beide knoppen eens opengebroken zijn! Wat dunkt u, Pericles? Doch, er is nog tijd genoeg, om daarover te spreken.”Na deze en dergelijke gesprekken geleidde Hipponicus zijne gasten in de groote, prachtig versierde eetzaal. Hier stonden in een wijden kring de aanligbedden, waarop men gewoon was aan tafel aan te liggen. Het behoeft nauwelijks vermeld te worden, dat de daarover gespreide tapijten rijk en keurig bewerkt waren, dat de ronde kussens, waarop men den arm kon doen rusten, met bonte kleuren afgezet waren, dat de zilveren en gouden vazen, met edelgesteenten bezet, op de schenktafels meer nog door bevalligheid van vorm, dan door hare kostbaarheid de aandacht trokken, dat uit even sierlijke schalen de heerlijkste geuren opstegen die de geheele zaal met een bedwelmende, aangename lucht vervulden; dat de wanden beschilderd waren met beelden, vol levenslust en bekoorlijkheid. Daar waren groepen en tooneelen te zien, waarin tallooze liefdegoden waren voorgesteld, allen bevallig door duiven en musschen gedragen. Nog merkwaardiger was de vloer. Bij den eersten aanblik scheen zij bezaaid met den afval van een rijken disch: van vruchtenschillen in de meest afwisselende kleuren, beentjes, broodkruimels, afgesneden hanenkammen, bontkleurige vederen, kortom van overblijfsels van allerlei soort. Maar wanneer men de vloer nader beschouwde, zag men dat alle deze voorwerpen kunstig waren nagemaakt door ingelegde bonte steenen in het fijnste mozaïek. Groote, schoone beschilderde vaten waren tot verdere versiering op geschikte punten van de ruime zaal geplaatst. Tegenover den ingang van het vertrek stond een met bloemen bekranst altaar, waarop[275]eene vlam brandde, die de welriekendste geuren verspreidde.Hipponicus noodigde de gasten naar vrije keus zich op de aanligbedden neder te vlijen. Eerst echter ging men zitten; slaven naderden met schoon gevormde, zilveren bekkens en kannen, om vóór het begin van het maal den gasten de schoenriemen los te maken, hun de zilveren bekkens onder de ontbloote voeten te houden en daarover den inhoud der zilveren kannen uit te gieten. Deze bevatten echter in plaats van water geurigen wijn, die sterk was gekruid door vermenging van welriekende olie en essencen. Eveneens werden de handen besprenkeld en vervolgens met fijne doeken afgedroogd.De gasten van Hipponicus hadden, volgens de uitnoodiging van den gastheer, zich twee aan twee op de aanligbedden nedergezet, naar het toeval meêbracht of de vriendschap van een paar mannen, die gaarne naast elkander wilden blijven. De waarheidszoeker Socrates had plaats genomen naast den wijzen Anaxagoras; de beeldhouwer Phidias naast zijn vriend, den bouwmeester Ictinus; de dichter Sophocles naast den tooneelspeler Polus; de sophist Protagoras1naast den geneesheer Hippocrates2.De sophist Protagoras vertoefde juist te Athene en had zijn intrek genomen bij zijn gastvriend Hipponicus. Zijne aankomst te Athene had groot opzien verwekt; want de roem van dezen man wies in Griekenland van dag tot dag. Hij was[276]een geboren Abderiet3derhalve een Thraciër en toch eigenlijk een Ioniër, want Abdera was eene kolonie der Ioniërs. In zijn vroegere jaren was hij pakdrager geweest, naar men zeide, totdat een wijs man zijne kundigheden ontdekte en ze tot ontwikkeling deed komen. Veel had hij rondgezworven, hij had zelfs uit de wijsheidsbron van het oosten geput en nu rees hij op aan den hemel van Hellas als een schitterend meteoor. Hij had verstand van alle mogelijke zaken: van de gymnastiek, de muziek, de redekunst, de dichtkunst, de kennis van hemel en aarde, de mathematische vakken, de ethiek, de politiek en overal waar hij kwam vond hij een buitengewonen toeloop van weetgierigen. Rijke jongelingen gaven de grootste sommen, om van zijn onderricht te genieten. Hij was eene prachtige verschijning, die het oog bekoorde, hij had de houding van een koning, ging prachtig gekleed, en wegsleepend was de kracht zijner welsprekendheid.Deze Protagoras nu zette zich naast den jongen, doch zeer ervaren en scherpzinnigen arts Hippocrates neder, een neef van Pericles.Door eene zonderlinge bestiering van het lot had de afgetrokken Polygnotus, die zich hier niet recht te huis gevoelde, den overmoedigen blijspeldichter Cratinus, ook als drinker befaamd, tot nabuur gekregen. Maar welk een hemelsbreed verschil er tusschen deze mannen bestond, één punt van aanraking en overeenstemming hadden zij toch gemeen. Zij waren de eenigen, die niet door vriendschapsbanden tot dit gezelschap behoorden en alleen aan de eerzuchtige begeerte van Hipponicus, om uitnemende mannen op elk gebied bij zich te zien, hunne uitnoodiging te danken hadden. Cratinus was een spotter, wiens geestigheid, den bliksem gelijk, het liefst de hoogst uitstekende[277]punten trof. Hij had immers in zijne laatste comedie zelfs Pericles en zijne schoone vriendin niet gespaard. Polygnotus echter, de vriend van Elpinice, voedde een heimelijken wrok tegen Phidias. En zoo keken dan ook Cratinus en Polygnotus elkander hoofdschuddend aan, toen zij Aspasia, op uitnoodiging van den gastheer, tusschen dezen en Pericles plaats zagen nemen op een afzonderlijk aanligbed, waarop zij, naar de gewoonte der vrouwen, rechtop zat, terwijl de mannen, met den linker arm op het kussen steunende, op hunne linkerzijde aanlagen. Cratinus en Polygnotus vroegen elkaar fluisterend, hoe het kwam, dat men hier eene vreemdelinge, eene hetaere, zulk eene eer bewees. De overige gasten dachten er anders over. Zij waren vrienden van Pericles, zij vormden de schitterende schare zijner getrouwen, zij kenden de uitnemendheid en de macht van Aspasia en verwonderden zich reeds niet meer over iets, als het de Milesische gold. Wat Protagoras betrof, deze zag Aspasia wel is waar heden voor het eerst, maar haar uiterlijk had hem van het eerste oogenblik af zoo geheel en al betooverd, dat iedere gedachte eerder bij hem zou opkomen, dan zich aan hare tegenwoordigheid te ergeren.Op een wenk van Hipponicus werd nu voor elkaanligbedeene kleine tafel geplaatst; de spijzen werden deels opgedragen, deels rondgediend, en het maal begon.Evenals het gezelschap van beroemde gasten in het huis van Hipponicus eenig was, zoo had deze zijn best gedaan, dat aan zijne tafel niets zou ontbreken, wat de Atheensche markt eere kon aandoen.„Wanneer ik,” sprak Hipponicus, terwijl zijne gasten zich aan de heerlijke spijzen te goed deden, „mij heden het genoegen zie bereid, zulk eene schare van uitgelezen mannen aan mijne tafel te vereenigen, dan gevoelde ik mij verplicht, hen zoo kostelijk mogelijk te onthalen. Maar gij weet, hoe ver wij Atheners het ook in de andere kunsten mogen gebracht hebben, in de kunst van goed[278]te eten staan wij nog zeer ten achteren. En toch, meen ik, is de kunst van goed te eten volstrekt geen zaak, die mag verwaarloosd worden. Ik voor mij heb er altijd eene eer ingesteld voor een lekkerbek door te gaan en ik zou mij gelukkig prijzen, als ik iets kon bijdragen, om de Attische keuken tot een hoogere trap van volkomenheid te brengen. Ik zie een spottenden glimlach de lippen van sommigen plooien, alsof zij wilden zeggen, dat ons Athene iets dergelijks niet noodig heeft, dat het wel geroepen is in andere kunsten aan de spits der volken te staan, doch niet in deze kunst. Veroorlooft mij te zeggen, dat dit eene dwaling is. Want, als gij u op ons uitnemend marmer, op onze voortreffelijke kleiaarde en dergelijke dingen beroept, zal ik u gemakkelijk aantonen, dat gij ook zout en olie en azijn en aromatische kruiden, die toch altijd de krachtigste hulpmiddelen blijven in de handen van een kunstenaar in de kookkunst, onder geen hemelstreek beter vindt dan bij ons. Om van het Attische zout niet te spreken, dat in tweeërlei zin beroemd is, weet ieder dat niets te vergelijken is met de vrucht van den Attischen olijf, dat de kruiden van de Hymettus de geurigste zijn en dat juist daarom de honig van dien Hymettus de kostelijkste is, die ergens is te vinden.„Ik betreur het, dat ik om een waarlijk uitmuntenden kok te hebben, er een uit Sicilië heb moeten ontbieden.„Deze echter, Anacharsis genaamd, is nu werkelijk een meester van onovertroffen bekwaamheid en ik mocht hem wel den Phidias of Sophocles der kookkunst noemen.„Niemand verstaat het zoo goed door voorgerechten den eetlust te prikkelen. De sausen, waarin hij ons de worstjes, de wildezwijnenlever, de kleine vogels en dergelijke heeft opgedischt, zullen zelfs den fijnsten kenner bevredigen. Wat zijn meesterschap betreft in het uithalen van tonijnen4, alen,[279]muraenen5en speenvarkentjes en ze op de scherpzinnigste wijze tot streeling van het verhemelte met lijsters, eieren en oesters op te vullen, daarvan kunt gij u heden zelf genoeg overtuigen. Zijne hazen en reeën, zijne patrijzen en fasanten zult gij even heerlijk vinden als zijne koeken met melk en honig toebereid en met allerlei vruchten gevuld.„Gij hebt juist, ik herhaal het, de gelegenheid de kunst van dezen voortreffelijken man te waardeeren; maar gij allen—en ik mocht er wel bijvoegen, alle Atheners over het algemeen—gij zijt in uw gemoed steeds te zeer met andere zaken bezig, om met waren kennerssmaak dit te proeven en de waarde van deze kunst onbevooroordeeld te erkennen. Eigenlijk zijn slechts de parasiten van professie werkelijke, degelijke lekkerbekken en dankbare dischgenooten. Gelukkig groeit het aantal van die kunstlievende mannen, die er hun vak van maken, om op andermans kosten heerlijk te smullen, met den dag aan. Ik heb u reeds gezegd, dat ik dagelijks een dozijn van die lekkerbekken aan mijne tafel vereenig en ik kan ze niet missen; want het begint mij te vervelen al dat heerlijke geheel alleen te genieten. Gij moest eens zien, met welk een ernst die knapen hun vak opvatten, hoe zij smakken met de tong, hoe zij de wenkbrauwen optrekken, als mijn kok hen met een nieuwe uitvinding of met eene fijne, slechts voor den kenner merkbare verandering, in de spijzen verrast. Zóó zijt gij nu waarlijk niet; integendeel terwijl gij de grootste kunststukken van mijn voortreffelijken Anacharsis door uwe keel laat glijden, denkt de een dit, de ander aan wat anders, Pericles aan zijne staatszaken en aan eene nieuwe volksplanting, die hij wil overbrengen, Sophocles aan een nieuw treurspel, Phidias aan de friezen van het Parthenon, Polygnotus overdenkt, hoe men de wanden dezer eetzaal nog sierlijker had kunnen beschilderen en Socrates ontleedt in zich zelven een begrip, in[280]plaats van den patrijs, dien hij op zijn bord heeft.”Aldus gaf Hipponicus zijn gemoed lucht en zijne gasten lachten vroolijk om de aanmerkingen van den goedhartigen gastronoom.Nu echter stond Hipponicus op en bracht het gebruikelijke plengoffer met eene waardigheid, die hij als daidouchos te Eleusis niet plechtiger kon ten toon spreiden.„Aan den goeden Geest gewijd!”6sprak hij en goot eenige droppels ongemengden wijn uit de schaal op den grond, dronk toen zelf, liet den beker opnieuw vullen en bij de gasten, rechts beginnende, rondgaan. Gedurende dit plengoffer heerschte er eene plechtige stilte, slechts twee fluiten begeleidden dit met ernstige, gedempte tonen.Daarop werden de kleine tafels weggenomen en de vloer gereinigd7.Toen vervolgens de drinkbeker gebracht, het groote mengvat geplaatst en het nagerecht opgedragen was, met allerlei versnaperingen die den drinklust konden opwekken, alsmede hoofdtooisels en geurige kransen van rozen, viooltjes en myrthen binnengebracht waren, waarmede de gasten hunne hoofden omwonden, werd de Paëan8ter eere vanDionysusaangeheven en op het met bloemen bekranste altaar een offer van vermengde wijn in de vlam gegoten, ter eere van alle Olympische Goden.„Gij weet, waarde gasten en vrienden,” sprak weder Hipponicus, „wat het oude, schoone gebruik van ons verlangt. Wilt gij liever den symposiarch9kiezen of wel hem door het lot benoemen?”[281]Phidias, Ictinus, Anaxagoras en eenige anderen verklaarden zich er tegen, dat men hem door het lot aanwees, want dan moesten zij vreezen, naar zij zeiden, zelf benoemd te kunnen worden en zij gevoelden weinig roeping den post van ceremoniemeester op zich te nemen.„Als het noodig is,” zeide Protagoras, „een symposiarch te kiezen, dan weet ik niemand, wien we dit eerambt liever moesten aanbieden, dan aan den aanzienlijksten van zoovele aanzienlijke mannen, aan den grooten Pericles.”Deze bedankte met een glimlach voor die eer en zeide: „Kiest Socrates. Die verstaat het, verstandige gesprekken te leiden; zou hij dan ook geen symposion kunnen besturen?”Socrates echter antwoordde: „Ik weet niet of ik verstandige gesprekken kan leiden of niet; dit echter weet ik wel, dat ook wanneer dit werkelijk zoo was, het een onvergeefelijke aanmatiging van mij zou wezen, ’t zij bij een gesprek, ’t zij bij een symposion, demoeilijketaak der leiding op mij te nemen, in tegenwoordigheid van mijne leermeesteres Aspasia, wier heerlijke wijsheid allen hier aanwezigen genoeg bekend is. Ik geef toe, dat de gewoonte medebrengt, een symposiarch te kiezen en dat Aspasia eene vrouw is; maar ik weet niet, wat de kunne met de taak van een symposiarch te maken heeft? Hipponicus verlangt, dat dit symposion eenig in zijn soort zij; welaan, laten wij hem daarin behulpzaam zijn en kiezen we in plaats van een symposiarch eene symposiarche.”Op het eerste oogenblik schenen de gasten door deze woorden verbluft, doch weldra klonken van alle kanten levendige bijvalskreten.„Zonderling, maar misschien verstandig is het,” zei Aspasia, „iemand tot hoofd der tafel te kiezen, die zelf het drinken niet verstaat.”„Met welken wijn,” ging zij voort, „zijn tot nu toe onze bekers gevuld?”„Het is wijn van Thasos,” hernam Hipponicus,„Thasische wijn van de beste soort, zooals hij geplengd[282]wordt in het Prytaneüm10te Thasos. Den kostelijken geur heeft de wijn uit zich zelven, maar den zoeten smaak van het met honig gemengde weitemeel, dat men, naar een voortreffelijk gebruik, in vaten heeft gedaan.”„Honigzoete, geurig gekruide wijn van Thasos!” riep Aspasia, „gij zijt waardig op het welzijn gedronken te worden der beide mannen, wier overwinning met dit maal gevierd wordt! Mijne vrienden, ledigt uwe bekers op het welzijn van den gekransten choreeg en op dat van den gelauwerden dichter der Antigone!”Met geestdrift begroetten allen dezen dronk en ledigden hunne bekers, die op bevel der koningin van het feest opnieuw werden gevuld.„Thrax”11, riep Hipponicus, tot een der bedienende slaven, „breng de wijnkaart hier, die voor het symposion van heden bestemd is en geef ze aan de symposiarche.—Op dezelfde lijst, Aspasia, vindt ge de spelen en vermakelijkheden, waarover wij heden in dit huis beschikken kunnen. Moge het u behagen tot ons genoegen telkens datgene uit te kiezen wat u juist het schoonst en geschiktst voorkomt en het door een woord of een wenk als met een tooverstaf voor ons te bezweren.”„Wilt gij mij eene cither laten geven?” vroeg Aspasia. „Ik zal mij als symposiarche niets meer aanmatigen, dan den grondtoon voor de stemming en de harmonie aangeven.”Oogenblikkelijk liet Hipponicus een slaaf eene met edelgesteenten en ivoor rijk versierde cither binnen brengen. De schoone Milesische nam ze aan en begon bij de tonen de volgende verzen te zingen:[283]„Lachend, met bloemen getooid, welriekend van Syrischen nardus,Met Dionysischen dauw, schitterend, rooskleurig besproeid,Laat ons met klinkende stem onder ’t getokkel der snaren verkonden,Dat hij het schoonst is op aard, hij het hoogste: de lust!”Daarop liet zij de luit aan Socrates geven.Deze echter zeide:„Daar het ook tot de taak van den symposiarch behoort, raadsels ten genoege der gasten op te geven, heb ik aanstonds vermoed, dat Aspasia onze scherpzinnigheid met zulke dingen op de proef zou stellen. Wat zij daar juist, om den grondtoon voor ons symposion aan te geven, zooals zij zegt, van den lust des levens onder begeleiding der snaren heeft gezongen, wat is dat, wel beschouwd, anders dan een verleidelijk raadsel, dat zij ons voorlegt? Deze schoone Milesische schijnt mij inderdaad eene Sphinx12toe, met een afgrond naast zich, waarin zij ons allen zal storten, als wij hare raadsels niet kunnen oplossen. Hoe benijd ik thans den voortreffelijken Hipponicus! Want deze schijnt toch zeker wel het best van ons allen den lust en het vroolijke genot des levens te kennen en zoo wellicht alleen in staat dat raadsel van Aspasia in de rechte beteekenis te verklaren en op te lossen. Want wat iemand het best in de praktijk kent, dat zal hij wel het best kunnen onderwijzen.”Levendig en vroolijk hunne goedkeuring aan die woorden te kennen gevende, riepen allen:„Zoo is het! Hipponicus is de man, om ons over het genot en over den lust des levens te onderrichten.”„Wanneer dan de vervelende bespiegeling van[284]alle dingen bij dit symposion niet geheel vermeden kan worden,” begon Hipponicus met een schalkschen lach, „dan dank ik den Goden, dat het gesprek juist op dit en geen ander onderwerp gekomen is. Want dit is werkelijk, zooals Socrates zeide, eene zaak, waarover ik een woordje mag meespreken. Gij herinnert u nog wel, hoe ik straks mijn best heb gedaan, u aan het verstand te brengen, dat men bezwaarlijk het ergens ter wereld in de kunst van goed te eten en te drinken verder zou kunnen brengen, dan hier te Athene, als men maar wil. In het algemeen kan men de stelling uitspreken, dat op dezen bodem en onder dezen Helleenschen hemel de menschen geboren zijn, om gelukkig te zijn. Ik zal u echter ook bewijzen, dat het bij ons in Griekenland gemakkelijk is het aangenaamste leven met de wijsheid, de deugd of vroomheid of godenverheerlijking of wat gij ook noemen wilt, te verbinden. Want de Helleensche Goden verlangen al het mogelijke, alleen niet onthouding of verloochening van de vreugde en het genot des levens. Zelfs van mij verlangen zij dat niet, hoewel ik van een priesterlijk geslacht ben en jaarlijks éénmaal bij de viering der Eleusinische mysteriën het ambt van diadouchos moet waarnemen. Het overige deel van het jaar leef ik te Athene voor het vaderland en mijn genoegen, zonder dat het de Goden en niemand ter wereld zou invallen, mij daarvan een verwijt te maken. Als de arme stumpert Diopithes daarboven op den burg mij vijandig is en kwaad van mij spreekt, is het niet, omdat ik van eene keurige tafel en schoone vrouwen houd en er goed van leef, ’t geen hij ook wel gaarne zou doen, als hem de middelen er niet toe ontbraken, maar alleen omdat het Eleusische priestergeslacht het zijne, de Eumolpiden, de Eteobutaden, in luister en aanzien overschaduwd heeft.„Als Diopithes als een suffer leeft, dan doet hij dat uit vrijen wil; de Goden der Hellenen bekommeren zich daar niet om en, hoewel ik er eene betere tafel op nahoud, beroem ik mij toch[285]even vroom en den Goden even welgevallig te zijn als hij. Durft iemand beweren, dat ik geen vroom man ben en de Goden niet eer, zoo goed als iemand te Athene? Zeus Herkeios13heeft zijn altaar aan mijn huiselijken haard; in de nis achter de deur staat Hermes Strophaios, de goddelijke bewaker van den deurdrempel; vóór de deur staat het gewone Hecate-huisje14, en de kegelvormige zuil van Apollo Agyieus15den God der straten en daarnaast de laurier, den God gewijd, tot eene beschutting tegen tooverij en vallende ziekte, bij de deur zelve blijft van het eene Pyanepsiën-feest16tot het andere de olijftak, symbool der overwinning, hangen, dien men met witte wol omwonden in den Apollo-tempel bij dat feest wijden laat; het ontbreekt ook niet aan opschriften boven de deur, die het huis onder de hoede der Goden stellen, noch aan den gebruikelijken Medusa-kop aan den anderen kant, die al het booze van den ingang afweert. Ik verzuim noch de betamelijke godenoffers, noch de reinigingen en verzoeningen, noch de gebeden, noch de gaven, noch de rijkelijke bijdragen, om den luister der godenfeesten te verhoogen en het heeft mij kort geleden weder vijfduizend drachmen gekost, om het koor voor Sophocles’ Antigone zoo prachtig mogelijk uit te rusten. Wie durft dus opstaan en zeggen, dat ik geen vroom man ben en de Goden niet, naar oudvaderlijk gebruik, eer? Wij Grieken zijn een vroom volk en ik ben een Griek. Daarom vereer ik de Goden, zooals betamelijk is, maar ik vrees ze niet, ook al geniet ik het goede der aarde. Want in den Tartarus17[286]zijn er velen, die om verschillende overtredingen de zwaarste straffen lijden, maar ik herinner mij niet, dat er onder hen één is, die daar lijdt, omdat hij een gastronoom en man van de wereld geweest is. Is er één onder? Neen, geen enkele! Daarom nog eens: ik ben een vroom man en behoef de Goden niet te vreezen. Ik vrees niets ter wereld, behalve de dieven en inbrekers, die mij mijne schatten, mijne paarlen en edelgesteenten, mijne Perzische gouden dariken18zouden kunnen ontrooven.”Alle dischgenooten begonnen vroolijk te lachen bij deze laatste woorden van Hipponicus en klapten in de handen; hij echter vervolgde:„Daar bouwen ze wijselijk een schathuis voor de staatsgelden boven op den burg, onder de bescherming der schutsgodin dezer stad. Maar hoe zal een vaderlandlievend man, als een onzer, zijn zuur verdiend geld in veiligheid brengen? Ik ontken het niet, dat sedert ik zesduizend slaven in mijne zilvermijnen laat werken en mijne bezittingen dagelijks toenemen, ik mij wat ongerust maak.”—„Troost u, Hipponicus,” riep Pericles, „ik zal bij het volk mijn best doen, dat het u toegestaan wordt, een schathuis voor u zelven op de Acropolis te bouwen. Gij hebt dit, zoo al niet door iets anders, dan toch zeker door uwe prachtige rede verdiend, die gij straks gehouden hebt.”Wederom klapten alle dischgenooten in de handen en prezen Hipponicus en zijne rede.Alleen de dartele en onvermoeide drinkebroer Cratinus zeide tot den gastronoom:„Wanneer gij, edele Hipponicus, werkelijk de Goden niet vreest, maar alleen de dieven en niets anders ter wereld, dan de dieven, wat denkt gij dan van de waterzucht en de andere gevolgen van een vroom en tevens goed leven? En van het pootje, dat,[287]zooals ik helaas bij ondervinding weet, aan te rijke besproeiing met Dionysischen dauw pleegt verbonden te zijn? Hebt gij ook hiervoor geen vrees? Of vertrouwt gij op dit punt geheel en al uw vriend Hippocrates, den voortreffelijken arts dien gij wijselijk aan uwe tafel pleegt te noodigen?”„Gij hebt het geraden,” hernam Hipponicus, „in deze dingen verlaat ik mij geheel op Hippocrates, met wien ik, evenals met de Goden gaarne op een goeden voet sta. Hem laat ik het ook over tebeslissenof het pootje en waterzucht en dergelijke zaken werkelijk komen, van wat men noemt „het vette der aarde genieten.”„Niet geheel en al,” hernam Hippocrates glimlachend. „Het is wel is waar niet te ontkennen, dat de inspanning en vermoeienis, die met een goed leven gepaard gaan, waterzucht en dergelijke dingen veroorzaken kunnen. Wat het genot op zich zelf echter betreft—en om het zuivere begrip daarvan is het toch in ons onderhoud te doen—moet dit als een zeer geschikt hulpmiddel ter bevordering der gezondheid beschouwd worden. Het genot is namelijk eene eigenaardige lichaams- en zielsstemming, hetwelk de wangen kleurt, de oogen verheldert, de ademhaling gemakkelijker maakt, het bloed krachtig door de aderen drijft, het trage veerkracht geeft, het vloeibare stolt, alle levensgeesten opwekt, alle krachten vermeerdert en het geheele wezen van den mensch in een staat van schoone, heilzame harmonie brengt. Zelfs voor den kranke is de vreugde eene zoo heilzame artsenij, dat ik niet weet of onder alle kruiden, pleisters en dranken, die wij geneeskundigen bij zieken aanwenden een krachtiger middel is te vinden.”Lachend gaven alle gasten hun instemming te kennen met deze woorden, en alle dischgenooten deden eene gelofte, dat zij zich nooit aan een anderen arts dan Hippocrates zouden toevertrouwen.„Wijze geneesheer!” riep de halfdronken Cratinus, „gij hebt mij ten volle gerust gesteld. Nu is[288]het mij helder: hoe had ik, dien zij een vriend der flesch noemen, voornamelijk sedert ik eene comedie geschreven heb, waarin gevulde flesschen, mijne vriendinnen, het koor vormen, hoe had ik, zeg ik, de met genot van het drinken verbonden kwalen tot op dezen huidigen dag zoo gelukkig kunnen trotseeren, zoo niet de genezende kracht van het drinken op zich zelve mij op de been had gehouden?—Ware ik ceremoniemeester, in plaats van die schoone vreemdelinge, die zich vermoedelijk beter op de werken van de gulden Aphrodite verstaat, dan op die van Bacchus, dan zou ik oogenblikkelijk een dubbelen dronk instellen op den wijsten aller geneesheeren, den grooten Hippocrates!”„Thrax,” riep Aspasia den naast haar staanden slaaf toe, „geef Cratinus een beker, dubbel zoo groot als de onzen. En laat ons nu een dronk wijden ter eere van Hippocrates!”Toen nu allen ter eere van Hippocrates gedronken hadden en ook Cratinus zijn dubbelen beker geledigd had, nam Polus het woord:„Ik weet niet, hoe onder ons van daag over levensgenot kan gesproken worden, zonder vóór alles aan de woorden te denken, welke gij in het treurspel, welks overwinning wij vieren, uit den mond van den bode vernomen hebt:„Des menschen leven past het nooit te roemen,Nooit over ’t onheil dat hem trof te klagen.Want die het meest door rampen werd bezocht,Dien beurt het lot vaak uit zijn lijden op,En werpt hem die ’t gelukkigst scheen in ’t stof.Geen ziener die des stervelings einde kent.Doch alles is voorbij. Want als de vreugdDen mensch ontviel, leeft hij geen leven meer,Als een bezielde doode doolt hij rond.Al is zijn huis met schatten opgevuld,Al praalt hij in een vorstelijk gewaad.Zoo hem ’t genot ontbreekt, acht ik dit allesNiet hooger dan de schaduw van den rook!”[289]„Ik prijs de vreugde,” zei daarop Sophocles, „niet alleen omdat zij het leven aangenaam, maar ook, omdat zij het schoon maakt. In de diepte des levens heerscht veel sombers en verschrikkelijks en dikwijls is de vraag gerezen, of het niet beter was niet te leven dan wel. Daar wij nu echter leven, moeten we den afgrond des levens en zijne verschrikkingen, zoo goed mogelijk, trachten te bedekken met de bloemen der schoonheid en harer tweelingzuster, de vreugde. Nauw is de grens, die om het menschelijk leven is getrokken; maar binnen deze grens mensch te zijn is geoorloofd en tevens de reine menschheid in dien kleinen tijdkring schoon en edel te ontwikkelen. Mensch te zijn wil zeggen edel te zijn en zacht, en voor dat edele en beminnelijke zachte is de grens de liefelijke maat, waardoor hij zijn aanzijn goddelijk besteden kan. Even schoon als opgeruimd, even edel als zacht genoemd te worden, zij der Hellenen trots!”„Ik dank u voor deze uitspraak,” zei Pericles.„Men heeft mij in den oorlog soms te zacht en toegefelijk genoemd, doch ik geloofde juist als een Helleen te handelen. Als er weer gestreden moet worden, te land of ter zee, zal ik van het volk der Atheners den dichter der „Antigone” tot medestrateeg verzoeken.”—„Sophocles als strateeg?” riepen sommigen van het gezelschap.„Waarom niet?” zei Sophocles lachende. „Mijn vader toch was een wapensmid. Dit is een voorteeken, dat ik voor strateeg geboren ben.”„Veel geluk er mede!” riep Hipponicus. „Maar meent ge, Pericles, dat er spoedig weder krijgsvolk ingescheept zal worden en eene vloot zee zal bouwen?”„Het is best mogelijk,” hernam Pericles.„Het is mij wèl,” hernam Hipponicus, „maar ik hoop Pericles, dat gij u op geen ander admiraalschip lauweren zult verwerven, dan op datgene, wat ik als triërarch zal uitrusten.”[290]„Dat zal ik,” antwoordde Pericles. „Doch laten we niet de krijgshaftige stemming den boventoon laten voeren bij een zoo vreedzaam feest. Onvriendelijk zou het zijn, zoo wij niet vóór wij tot andere dingen overgaan, den wijzen Anaxagoras vroegen, of hij hetgeen hier over het genot is gezegd, verwerpt of goed keurt.”„Wanneer gij mijne meening verlangt te hooren,” zei Anaxagoras, „wil ik u die niet onthouden. Wat gij daar te berde hebt gebracht, bewijst dat het uw streven is van buiten af het schoone en goede en aangename tot u te brengen, zooveel maar mogelijk is. Maar ik beweer dat de ware, de rechte vreugde diegene is, welke niet van buiten komt, maar die welke men als zijn innigst werkelijk leven in zich zelven bezit. Geluk is niet hetzelfde als vreugde; en zoo weinig bestaat het geluk in de dingen buiten ons, dat het veel meer, ja het best zonder deze bestaat. Vrijwillig zich aan den algemeenen Wereldgeest te onderwerpen, den eigen wil te dooden, dat is wijsheid en deugd en de waarborg tevens der rechte vreugde, de vaste burgt der apathie, waarin de mensch zonder begeerten, zonder hartstocht, zich zelven genoegzaam, zich zelfs tegenover de machten van het noodlot overwinnelijk toont.”De woorden van Anaxagoras maakten een eigenaardigen indruk. Pericles hoorde ze met die belangstellende aandacht, welke hij steeds aan de uitspraken van zijn ouden vriend schonk. Over Aspasia’s voorhoofd echter vloog een licht wolkje. Haar oog ontmoette dat van Protagoras. Het was alsof de schoone vrouw en de sophist in elkanders oogen lazen, wat er in hunne ziel omging. En toen nu de schitterende redenaar in den zwijgenden kring rondzag, gereed om den wijsgeer te antwoorden, schenen de stralen uit Aspasia’s oogen zijne gedachten te bezielen, zijne woorden kracht en gloed te geven.„Streng en hard,” begon hij, „klinken de woorden van den wijze uit Clazomenae te dezer plaatse,[291]waar zooeven nog onder den klank van vroolijke skoliën19het feestelijk genot om het met bloemen bekranste altaar van Dionysus heerschte! Maar ook hij—merkt dit wel op—ook hij, de strenge, harde wijze heeft van het genot als van ’s menschen hoogste doel gesproken. Slechts over de wegen, die daarheen voeren, denkt hij verschillend. En in der daad het genot heeft vele namen en vele vormen en vele zijn de paden, die heenvoeren naar zijne zonnige hoogte. Menigeen vindt zijne hoogste vreugde in de bedwelming der zinnen, anderen, door een hoogeren adel der ziel tot het schoone gedreven, verheffen zich tot de reiner sferen van het genot, en er is eene derde soort van die goddelijke menschen, die boven lucht en wolken in het eeuwige klare zonder begeerten wonen. Weet gij aan welke van die drie wijzen, om het genot na te jagen, ik de voorkeur geef? Aan geene, maar aan die, welke het verstaat, naar tijd en plaats, iedere dezer verschillende wegen te bewandelen. Wanneer de bekers tintelen en schoone oogen schitteren, laat ons dan de vroolijke wijsheid van Hipponicus volgen; wanneer voor onze oogen de wonderen van het schoone heerlijk zich vertoonen en het menschelijke zijn edelsten bloei ontvouwt, dan deelen wij de geestelijke vreugde van Sophocles, wanneer de hemel bewolkt is, wanneer onafwendbaar smart en onheil ons bedreigen, dan is het tijd kalm tot de schoon bekranste vreugde te zeggen: Vaarwel! en zich te omgorden met de goddelijke kalmte en rustige waardigheid van den wijzen Anaxagoras. Te kunnen ontberen is roemrijk—maar wij willen die kunst slechts daar uitoefenen, waar wij haar noodig hebben. Als het tijd is zich te verheugen, willen wij ons verheugen, als het tijd is te ontberen willen wij ontberen. Wie verstandig weet te genieten, hem zal ook de wijsheid der zelfverloochening niet ontbreken.[292]Hij zal de vreugde tot zijne slavin maken, niet zich zelven tot een slaaf der vreugde. Hij zal de omstandigheden aan zich, niet zich aan de omstandigheden onderwerpen. En wanneer datgene, wat door de wijsheid onzer vreugde als perk wordt gesteld, niets anders is dan de natuurlijke, rechte maat van het genot en het genot door overmaat verdwijnende, geen genot meer is, maar het tegendeel daarvan, zoodat het zijne grens en zijne maat niet buiten of naast zich, maar in zich heeft, waarom zouden wij dan nog van deugd spreken en onthouding, als van een zaak, die vreemd, ja zelfs vijandig aan het geluk zou zijn? Ontbering, onthouding, deugd zonder genot kan in de gedachte van den Helleen opkomen, nooit echter doordringen tot de diepte van zijn gemoed. Zelfs te werken in het zweet des aanschijns, handenarbeid te verrichtten om het dagelijksch brood, acht hij zijns onwaardig. Daarom werkt de slaaf, werkt de barbaar voor den Helleen. Het minder edele deel der menschheid moet zich voor het edeler deel opofferen, opdat het ideaal van waarachtig bestaan, den mensch waardig, verwezenlijkt worde. Ware ik wetgever, een nieuwe Lycurgus of Solon20en werden de tafelen der wet onbeschreven in mijne hand gelegd, ik zou ze aangrijpen en met gouden stift bovenaan deze woorden zetten:Gij stervelingen, weest schoon,—weest vrij—weest gelukkig!”Zoo sprak Protagoras, met onafgewenden blik op Aspasia gericht en verheugd over den glans van ingenomenheid, die onmiskenbaar uit haar gelaat hem tegenstraalde. Bijna elk van den kring hechtte zijne goedkeuring aan zijne woorden en Pericles zeide, dat hij Protagoras zou opdragen de eerstvolgende kolonie, die uit Athene zou gezonden worden, aan te voeren. Want hij scheen hem toe een staat in den Helleenschen geest te kunnen regelen.[293]„Gelukkige Protagoras,” begon nu Socrates, „gelukkige Protagoras, wien het vergund is het goud van Aspasia’s zwijgen in de klinkende munt van welsprekende taal om te zetten. Wanneer ik uwe woorden even goed begrepen heb, als gij de taal van Aspasia’s oogen, dan schijnt gij mij de wijsheid in zooverre als een middel ter bevordering van geluk te beschouwen, als men haar om zoo te zeggen, gereed houden en uit den zak kan halen, wanneer men juist niets beters bij de hand heeft—”„Wat is wijsheid?” riep Protagoras. „Vraag het duizend menschen en wat de een wijsheid noemt, heet bij den ander dwaasheid. Vraag hun echter wat vreugde is en droefheid, allen zullen het daaromtrent eens zijn.”„Gelooft gij dat werkelijk?” hernam Socrates. „Men kan er de proef van nemen …”„Vergun mij, Protagoras,” viel Aspasia in, „dat ik mij verstout Socrates te antwoorden; niet met woorden, want hoe zou ik mij vermeten, wanneer er woorden van wijsheid moeten gesproken worden, in Protagoras’ plaats te treden? Ik wil den eeuwigen twijfelaar en vrager met die middelen bestrijden, die mij als symposiarche, tot onderzoek zijner laatste tegenwerping ten dienste staan.”„Vooraf,” vervolgde zij, „bevochtig uwe lippen, die wellicht door het vuur van het gesprek droog geworden zijn, met frisschen dauw.”Op haar bevel werd nieuwe wijn in den krater21gemengd en den gasten in andere, grootere bekers geschonken.„Dit is wijn van Lesbos,” zei Hipponicus, „de bloem van den wijnstok. Hij is minder geurig dan de Thasische, doch zijn smaak is nog aangenamer.”„Hij is zacht en vurig te gelijk, als de ziel van zijne landgenoote Sappho,” riep Protagoras, even[294]met zijne lippen het vocht in de beker proevende.De beker werden geledigd op Aspasia’s bevel ter eere van de zachte en hartstochtelijke Lesbische zangster en op nieuw gevuld, terwijl de oogen der gasten al meer en meer begonnen te schitteren.„Laten wij nu,” begon Aspasia weder, „hen laten binnenkomen, die gereed staan, om ons op iets van datgene te vergasten, waaronder de menschen naar Protagoras’ meening het allen eens zijn, naar Socrates’ zienswijze echter niet.”Fluitspeelsters, danseressen en kunstenmaaksters kwamen de zaal binnen, allen jong, bekoorlijk, allen bekranst en met welriekende wateren besprenkeld en getooid in verleidelijk gewaad.Het fluitspel begon in weeke, zoete tonen en daarbij werden door de danseressen mimische dansen uitgevoerd. Wat Socrates bij Theodota had bewonderd dat had hij nu in veelvoudige mate in eene groep van bloeiende gestalten voor oogen. Nadat deze danseressen door hare kunst aller oogen hadden verrukt, oefende hetgeen thans de kunstenmaaksters volvoerden, eene betooverende en bedwelmende werking uit. Als dezen bij den klank der fluiten en de maat der muziek een aantal ballen in de hoogte wierpen en weder opvingen of den zoogenaamden kogelloop op een pottebakkersrad uitvoerden, lag in de bliksemsnelle bewegingen der jeugdige, slanke, lenige meisjesgestalten eene betooverende, ja bedwelmende bekoorlijkheid. Toen zij echter den verbazingwekkenden zwaardendans begonnen, toen zij tusschen de klingen, die met de punt naar boven in den grond gestoken waren, dansend heen en weder sprongen en over de blinkende zwaardspitsen naar voren en achteren oversloegen, toen gevoelden de opgewekte toeschouwers zich door een genot, met huivering gemengd, aangegrepen. Toen eene van die slanke, bekoorlijke meisjes in een licht, nauwsluitend gewaad, dat den vollen en reinen vorm des lichaams deed uitkomen, met de handen op den grond steunende in eene bevallige kromming naar achteren de voeten[295]over den rug en het hoofd heenstrekte, om daarmede uit het vóór haar staande mengvat een beker te vullen, dien zij met de teenen van den linkervoet bij het hengsel had gegrepen, terwijl zij met de teenen van den anderen voet het oor van het schepvat vasthield, of in diezelfde houding een pijl van den boog deed snorren—toen was het niet alleen de verbazende vaardigheid, die zij ten toon had gespreid, maar tevens het tot de hoogste vrijheid en bijna bovenmenschelijke vlugheid ontwikkelde schouwspel harer bloeiende ledematen, die de zinnen van Hipponicus’ gasten in eene soort van zwijmel bracht.Toen de dansen en spelen geëindigd waren en de danseressen, kunstenmaaksters en fluitspeelsters onder de levendigste toejuichingen der dischgenooten zich weder hadden verwijderd, zei Aspasia:„Het schijnt dat alles wat wij gezien hebben ons genoegen heeft gedaan en dat wij het volkomen eens zijn in deze soort van genot, terwijl wij toch vroeger, toen het de leer der wijsheid gold, het maar niet eens konden worden. De proef, waarop het aankwam, zooals gij zeidet, Socrates, is derhalve genomen—”„Gij weet zeer wel, Aspasia,” antwoordde Socrates, „dat niemand ter wereld zich liever laat onderrichten dan ik. Vergun mij nog één ding aan Protagoras te vragen. Wanneer er, zooals gij leert, verscheidene soorten van genot zijn en wij datgene, wat het genot verschaft, een goed noemen, dan zijn er nog wel andere goederen en onder deze een hoogste goed. Om echter juist dit uit andere goederen uit te vinden en ook het hoogste genot uit andere genietingen—want het genot is toch, zooals wij gezegd hebben, niet zelf het goede, maar wordt eerst door het bezit van het goede teweeg gebracht—zou daartoe een weinig verstond of oordeel of wijsheid noodig zijn of hoe men het ook noemen wil?”Glimlachend zei Aspasia:„Gij ziet, Protagoras, dat deze man u in de[296]engte drijft: doch het is mijn plicht te zorgen, dat de strijd niet al te heftig wordt. Reeds sedert een half uur heb ik een kleinen aanslag in den zin tegen den strijdlustigen Socrates. Het komt mij niet goed voor, dat Socrates op hetzelfde aanligbed met Anaxagoras aanligt en zoo steeds door den adem des meesters met nieuwen strijdlust aangeblazen wordt. Over het algemeen schijnt het mij toe, dat Hipponicus’ gasten zich grootendeels op een wijze geplaatst hebben, die gevaarlijk is voor het algemeen en gunstig voor heimelijke samenzweringen. Verscheidene malen heb ik opgemerkt, dat Phidias en Ictinus zacht samen fluisteren. Ook Cratinus zag ik vaker dan noodig was tot het oor van zijn buurman, Polygnotus, overbuigen. Krachtens mijne volmacht als symposiarche zal ik eene geheele verandering in de plaatsen brengen.”„Goed,” riepen de vroolijke dischgenooten. „Wij willen u gaarne gehoorzamen. Spreek, hoe denkt ge ons nu te plaatsen?”„Welaan,” zeide Aspasia. „Den gastronoom Hipponicus bevele Socrates op te staan en zette zich naast den wijzen Anaxagoras; de spraakzame Polus neme plaats naast den stillen Ictinus, de overmoedige Cratinus zal den zachten, vromen Sophocles tot buurman hebben. Phidias eindelijk moet met Polygnotus één aanligbed deelen. Hoe echter plaats ik Socrates? Onmogelijk kan ik hem in de nabijheid van Anaxagoras laten; integendeel ik moet deze beide kampioenen zoo ver mogelijk van elkander zetten. Wat blijft er anders over, dan dat ik u Protagoras, verzoek mijne plaats in te nemen, terwijl ik zelf ter beslechting van den strijd mij naast Socrates zal zetten.”Met deze woorden stond Aspasia op en plaatste zich onder op het aanligbed, waarop Socrates aanlag.Bereidwillig hadden inmiddels de dischgenooten de schikking van de symposiarche opgevolgd; alleen benijdden zij in stilte en luide Socrates zijne gezellin.[297]Op dezen zelven oefende de onmiddellijke nabijheid der schoone eene eigenaardige werking uit. Had straks de adem van Anaxagoras, zooals Aspasia zich uitdrukte, zijn strijdlust aangeblazen, de adem van de bekoorlijke vrouw stemde hem tot vrede en verzoening.„Wat is dat?” riep Aspasia, zich tot Socrates overbuigend en zijn krans beschouwend, „aan uw krans zijn reeds vele bladeren ontvallen. Dat geldt als een voorteeken van geheime minnesmart. Is het soms uw jongste vriend, de moedwillige Alcibiades, die u droefheid veroorzaakt? Doch, ik ben gekomen om u te woord te staan. Welke bezwaren waren het, Socrates, die gij nog uit den weg zoudt willen geruimd zien?”—Socrates, betooverd door den vurigen blik van Aspasia, bedwelmd door den adem van haar mond, opgewekt door het ruischen van haar gewaad bij ieder harer bewegingen, antwoordde:„Aspasia, ik had bezwaren—en zij stonden in mijn hoofd goed gerangschikt, als in slagorde. Maar men heeft juist, toen ik ze in de beste orde wilde doen oprukken, een schoonbekranste dam opgeworpen, zoodat het schijnt dat zij daarover willende springen, de beenen zouden breken. Wat ik bedenkelijk vind, Aspasia? Zal ik het u zeggen? Ik vind op dit oogenblik alleen dit bedenkelijk, dat gij naast mij zit.”Met een ietwat spottend lachenden blik zag Anaxagoras, die intusschen den beker flink had toegesproken, zwijgend naar den spreker, die zoo smadelijk de wapens strekte.„Gij ziet, Anaxagoras,” zei Socrates, „ik ben in den strijd voor eene goede zaak gevallen en gij, grijsaard, voor wien ik eigenlijk het zwaard had getrokken, moet thans mij, den jongen man, uit den strijd dragen. Wreek mij, als gij kunt, Anaxagoras!”„Waarom niet?” hernam Anaxagoras, nadat hij een dronk uit zijn beker genomen had, „ik gevoel mij in het geheel niet zoo zwak, als de oude[298]Priamus, om voor de jeugdige wijsheid van dezen Achilles sidderend te verstommen. Ik wil nog een woordje met u praten, Protagoras.”„Halt!” riep Aspasia, „wanneer het uwe bedoeling is ernstige woorden te spreken, vergun mij dan vooraf, dat ik mijn plicht als presidente der tafel vervulle en met een dronk van den vurigsten en kostelijksten aller wijnen, die tot nu toe geschonken werden, met het heerlijk druivensap van Chios, uwe tongen moge ontboeien.”Na deze woorden liet Aspasia den gezochtsten van alle Grieksche wijnen rondschenken.De bekers werden geledigd en nu was er niemand meer in het gezelschap, die niet hoog zweefde boven de sferen van het nuchtere verstand en zich niet overgegeven had aan de geweldige macht van den bezielden Dionysus.Anaxagoras ledigde zijn beker en begon eenigszins verward te spreken over genot en deugd, over kennis en den Wereldgeest.Om zijn geest nog meer op te wekken en te verhelderen bood Aspasia hem zelfs nog een beker van den krachtigen Chiër-wijn aan.Hij dronk dien uit en de taal van den wijze werd nog verwarder; hij begon te stotteren en met het hoofd geducht heen en weer te schudden.Ten laatste zonk het hoofd geheel op de borst. Nog eenige oogenblikken en de grijsaard lag in een rustigen sluimer.Een vroolijk gelach klonk er door de rijen der dischgenooten.„Wat hebt gij gedaan, Aspasia?” riepen zij: „de laatste voorvechter der strenge wijsheid hebt gij ontwapend en in slaap gewiegd!”„Bij het vroolijk symposion,” hernam Aspasia, „betaamt het der strenge wijsheid in te slapen. Maar niet zonder de Chariten is deze edele man ingesluimerd. Ziet, hoe schoon het gezicht is van den rustig ademenden grijsaard! Ik stel u voor, dat wij allen de kransen van onze hoofden nemen en ze op het hoofd en de schouders van den slapenden[299]nederleggen en op deze wijze de zoo schoon en vreedzaam ingesluimerde wijsheid begraven.”De gasten deden wat Aspasia voorsloeg en in weinig oogenblikken was het hoofd van den wijze onder bloemen begraven.Socrates ging voort met drinken zonder dronken te worden, om ongestraft de zonderlingste dingen, Aspasia, die naast hem zat, in ’t oor te kunnen fluisteren.De ernstige Phidias zei tot den knaap, die zijn beker vulde, dat hij hem tot model voor eene zijner ephebenbeelden op den fries van het Parthenon wilde gebruiken. Cratinus stiet heimelijke verwenschingen uit en zei tot zijn buurman Sophocles:„Die toovenares, die Circe, die Omphale zal aan mij denken! zij laat mij zelfs dien krachtigen Chiër uit den grooten beker drinken! Zoolang ik nuchteren was, merkte ik er niets van; nu echter is het mij duidelijk, waarop zij het gemunt heeft.”—Polygnotus verzekerde zijn buurman, dat hij, met uitzondering van de jeugdige Elpinice, nog nooit eene zoo schoon gevormde vrouw als Aspasia gezien had. „Pericles,” zei de purperroode Hipponicus met eene stem, die trilde van aandoening, „Pericles, gij weet dat ik u steeds in eere heb gehouden, dat ik u den innigsten dank verschuldigd ben, omdat gij vóór eenige jaren mij van de toen nog schoone, maar kijfzieke Telesippe hebt afgeholpen. Doe mij nog het genoegen mij toe te staan een schathuis op den burg te bouwen—want ik heb zesduizend slaven in het werk in de zilvermijnen en mijn vermogen neemt bij den dag toe en men is voor dieven niet veilig. En als uw pleegzoon Alcibiades grooter is … mijn dochtertje Hipparete … de schoonste aller Helleensche jonkvrouwen …„Het zij zoo,” zei Pericles met een vriendelijken glimlach.Hij was de eenige van het geheele gezelschap op wienBacchuszijne macht niet had kunnen uitoefenen; niet omdat hij minder gedronken had, maar omdat zijn gestel even sterk was, als zijne ziel[300]zacht. Hij sprak met Protagoras over de politiek, over veranderingen in de volksheerschappij te Athene, over het uitzenden van de kolonie, over de mogelijkheid dat een veldtocht op handen was. Protagoras echter was verstrooid, daar hij telkens vurige blikken sloeg op de schoone Milesische. Eindelijk verraste de stille Ictinus de dischgenooten door het aanheffen van een paeän opDionysus, die toen door allen in koor gezongen werd.Zoo heerschte er op het symposion ten huize van Hipponicus eene feestelijke stemming, die aangewakkerd werd door Bacchus’ heerlijke gaven, door zinnenstreelende bekoorlijkheden, door de betoovering, die er uitging van de schoone Milesische, eene stemming die gekruid werd door de bloem van den Helleenschen geest.Toen stond de welsprekende Protagoras op en stelde den volgenden toost in:„De symposiarche Aspasia heeft mij, zooals gij weet, hare plaats afgestaan. Ik maak van mijn recht gebruik, om voor een oogenblik mij hare waardigheid aan te matigen en u uit te noodigen dezen laatsten dronk aan Aspasia zelve te wijden. Hoog heeft zij als koningin der tafel de banier der schoone vreugde opgeheven, zegevierende heeft zij het rijk van den blijden levenslust tegen den ernst en de strengheid der wijsheid verdedigd, op gunstige oogenblikken heeft zij nu eens door Dionysus’ gaven, dan eens met de hulp van Eros en de Chariten, dan weder met de betoovering der zinnen den strijd tegen den vijand gevoerd, zij heeft met zoete bedwelming de vragen van den waarheidszoeker in slaap gesust en het grijze hoofd van den grijsaard, dien het jeugdig vuur had verlaten, onder bloemen begraven, zij heeft ons allen de hooge zee der Dionysische vreugde doen doorklieven. Zonder gevaar echter is de zachte dronkenschap voor de edele Hellenen en niet verderfelijk dringt zij tot in de diepten der hoofden, maar als dauw slaat haar zilveren nevel neder op de bladeren der kransen, waarmede wij verkoelend[301]ons voorhoofd omschaduwe! Derhalve, mijne vrienden, ledigt met mij dezen laatsten beker ter eere van de schoone en wijze koningin onzer tafel, de goddelijke Aspasia!”Zoo sprak Protagoras en de uitgelezen mannen beantwoordden dezen dronk met vuur. De groote mannen, die bij het maal van Hipponicus vereenigd waren als omkranste feestgenooten, vormden om Pericles en Aspasia eene groep die op het veld van den roem als de schitterendste sterren van Oud-Hellas fonkelden!—En toen de laatste bekers geledigd waren, namen de mannen met een warmen handdruk van elkander afscheid en verlieten het huis van Hipponicus, toen de morgen reeds grauwde.„Kunt ook gij instemmen met de lofspraak van Protagoras op de symposiarche?” vroeg Aspasia aan Pericles toen zij zich met hem alleen bevond.„Ik bewonder u thans nog meer,” zei Pericles; „maar vreest gij niet, dat ik wat minder liefheb?”„Waarom?” vroeg Aspasia.„Omdat gij altijd een woord hebt voor iedereen,” hernam hij; „wat hebt gij dan over voor Pericles?”„Mij zelve,” antwoordde Aspasia.Hij kuste haar op het voorhoofd en zij sloot hem in hare armen, in de volheid van haar geluk.„Ik weet niet,” zei Pericles, toen hij van haar afscheid nam, „ik zou van u gescheiden mij weder in het druk gewoel der daden willen storten of ongestoorder dan nu een heerlijke maand van liefde met u in idyllische rust doorleven.”„Wellicht,” hernam Aspasia, „verleenen u de Onsterfelijken het een of het ander of beide te gelijk ter goeder ure.”De Milesische sloot dien morgen hare moede, schoone oogen in het bewustzijn, dat zij haar doel weder eene schrede nader gekomen was. Zij dacht aan het oogenblik, toen zij vernederd het huis van Pericles moest verlaten; zij dacht aan de fiere Telesippe, die zich onaantastbaar waande en onschendbaar[302]in hare heerschappij aan den huiselijken haard—zij zeide in zich zelve, dat hare geheime en openlijke plannen der verwezenlijking naderden en dat zij in hare zending zou triompheeren, dat zij op de puinhoopen van het overgeleverde en het veroordeel de banier der vrijheid, der schoonheid en der vreugde voor eeuwig zou planten.

Toen Pericles, na de overwinning van Hipponicus en het daarop gevolgd gesprek van Aspasia, eenige dagen door allerlei gevoelens, die de vrijheidsliefde der Milesische in hem opgewekt had, bestormd werd, werd telkens de gedachte bij hem levendig: „Ik zal aan de vriendelijke uitnoodiging van Theodota gehoor geven. Waarom zou die Milesische vrouw mij in kluisters slaan, die zij zelve niet kent?”—Doch als het beeld van Aspasia weder oprees voor zijn geest, als hij dacht aan de vrije fiere ziel van die vrouw, aan de mogelijkheid haar te zullen verliezen, dan week zijne begeerte naar Theodota naar den achtergrond. Naast den vurigen gloed, waarmede Pericles Aspasia beminde, kon die nieuwe opwelling geen stand houden. Vooruit gezien, ja vooruit berekend was deze uitwerking door Aspasia.—Maar Pericles ging voort met zich zelven te bestrijden en aan nieuwe opwekking tot dien strijd zou het hem niet ontbreken.

Hipponicus, die alles opofferde, om van den luister zijns rijkdoms en de pracht zijner feesten te doen spreken, had niet gerust, voordat Pericles en Aspasia er in toegestemd hadden ook op het zegemaal te zullen komen.

Toen de bepaalde dag gekomen was, zag men in het huis van Hipponicus de uitgelezenste hoofden, de schitterendste vertegenwoordigers van den Atheenschen roem vereenigd.

Pericles, Aspasia en de overige genoodigden waren nauwelijks binnengetreden, of Hipponicus liet hen de pracht van zijn huis zien. Hij leidde hen rond en toonde hun zijne vertrekken, zijne tuinen, zijne baden, zijne worstelplaats—een gymnasium in het klein—zijne vischvijvers, zijne schoone paarden, zijne honden, zijne zeldzame vogels, zijne[273]hanen en kwartels, die hij voor zijn genoegen hield, om ze met elkaar te laten vechten. Hij wees hun het grafteeken, dat hij voor een zijner gestorven honden van het Melitaeïsche ras had opgericht. Hij zeide, dat zijn huis eene herberg was, steeds vol gasten, dat hij dagelijks een dozijn parasiten aan zijne tafel spijzigde. „Die knapen,” zei hij, „zijn zoo vet gemest, dat het mij spijt, dat ik ze u vandaag niet kan laten zien. Want heden heb ik mij voorgenomen, alleen de uitstekendste mannen van Athene aan mijne tafel te vereenigen.”

Een zijner gasten vroeg hem naar zijne gemalin, eene vraag, die niet zeer bescheiden was. Hij antwoordde, dat zij wèl was, maar dat hij haar in de vrouwenvertrekken niet storen wilde. Iedereen toch wist, dat hij die vrouw alleen daarvoor gebruikte, om haar uit pronkzucht met allerlei edelgesteenten en paarlen te behangen en haar naar de nieuwste mode in een sierlijken wagen, met Sicyonische paarden bespannen, door de straten te laten rijden. Voor ’t overige hield de oude liefhebber—ook naar de nieuwste mode—er eene buitenlandsche vriendin op na, en men zeide dat tegenwoordig de beroemde Theodota het voorwerp zijner hulde was.

Ook over zijne kinderen sprak hij tot zijn gasten, over zijn zoontje Callias, die hij juist, naar hij zeide, naar Delphi had gezonden, om zijn hoofdhaar te laten afknippen en dat volgens een oud gebruik aan Apollo te wijden; voorts over zijn dochtertje Hipparete, wier schoonheid en innemend karakter hij niet genoeg kon prijzen en van wie hij zeer veel scheen te houden. „Dit kind,” zei hij, „groeit op tot de schoonste en edelste aller Atheensche jonkvrouwen en het zal moeilijk zijn eens een bruidegom, harer waardig, te vinden. Wat schoonheid betreft, ken ik geen knaap in Athene, van wien men voorspellen kan, dat hij als jongeling opgegroeid naast deze jonkvrouw zal kunnen gesteld worden, behalve uw Pleegzoon, Pericles, den kleinen Alcibiades. Ik heb hem een paar maal in[274]de worstelschool gezien en deze knaap mag gerust beweren, bijna onder de jongens te zijn, wat Hipparete is onder de meisjes. Wat hun leeftijd aangaat, geloof ik, dat zij niet veel zullen verschillen. Nu, wie weet, wat de Goden beschikken, als deze beide knoppen eens opengebroken zijn! Wat dunkt u, Pericles? Doch, er is nog tijd genoeg, om daarover te spreken.”

Na deze en dergelijke gesprekken geleidde Hipponicus zijne gasten in de groote, prachtig versierde eetzaal. Hier stonden in een wijden kring de aanligbedden, waarop men gewoon was aan tafel aan te liggen. Het behoeft nauwelijks vermeld te worden, dat de daarover gespreide tapijten rijk en keurig bewerkt waren, dat de ronde kussens, waarop men den arm kon doen rusten, met bonte kleuren afgezet waren, dat de zilveren en gouden vazen, met edelgesteenten bezet, op de schenktafels meer nog door bevalligheid van vorm, dan door hare kostbaarheid de aandacht trokken, dat uit even sierlijke schalen de heerlijkste geuren opstegen die de geheele zaal met een bedwelmende, aangename lucht vervulden; dat de wanden beschilderd waren met beelden, vol levenslust en bekoorlijkheid. Daar waren groepen en tooneelen te zien, waarin tallooze liefdegoden waren voorgesteld, allen bevallig door duiven en musschen gedragen. Nog merkwaardiger was de vloer. Bij den eersten aanblik scheen zij bezaaid met den afval van een rijken disch: van vruchtenschillen in de meest afwisselende kleuren, beentjes, broodkruimels, afgesneden hanenkammen, bontkleurige vederen, kortom van overblijfsels van allerlei soort. Maar wanneer men de vloer nader beschouwde, zag men dat alle deze voorwerpen kunstig waren nagemaakt door ingelegde bonte steenen in het fijnste mozaïek. Groote, schoone beschilderde vaten waren tot verdere versiering op geschikte punten van de ruime zaal geplaatst. Tegenover den ingang van het vertrek stond een met bloemen bekranst altaar, waarop[275]eene vlam brandde, die de welriekendste geuren verspreidde.

Hipponicus noodigde de gasten naar vrije keus zich op de aanligbedden neder te vlijen. Eerst echter ging men zitten; slaven naderden met schoon gevormde, zilveren bekkens en kannen, om vóór het begin van het maal den gasten de schoenriemen los te maken, hun de zilveren bekkens onder de ontbloote voeten te houden en daarover den inhoud der zilveren kannen uit te gieten. Deze bevatten echter in plaats van water geurigen wijn, die sterk was gekruid door vermenging van welriekende olie en essencen. Eveneens werden de handen besprenkeld en vervolgens met fijne doeken afgedroogd.

De gasten van Hipponicus hadden, volgens de uitnoodiging van den gastheer, zich twee aan twee op de aanligbedden nedergezet, naar het toeval meêbracht of de vriendschap van een paar mannen, die gaarne naast elkander wilden blijven. De waarheidszoeker Socrates had plaats genomen naast den wijzen Anaxagoras; de beeldhouwer Phidias naast zijn vriend, den bouwmeester Ictinus; de dichter Sophocles naast den tooneelspeler Polus; de sophist Protagoras1naast den geneesheer Hippocrates2.

De sophist Protagoras vertoefde juist te Athene en had zijn intrek genomen bij zijn gastvriend Hipponicus. Zijne aankomst te Athene had groot opzien verwekt; want de roem van dezen man wies in Griekenland van dag tot dag. Hij was[276]een geboren Abderiet3derhalve een Thraciër en toch eigenlijk een Ioniër, want Abdera was eene kolonie der Ioniërs. In zijn vroegere jaren was hij pakdrager geweest, naar men zeide, totdat een wijs man zijne kundigheden ontdekte en ze tot ontwikkeling deed komen. Veel had hij rondgezworven, hij had zelfs uit de wijsheidsbron van het oosten geput en nu rees hij op aan den hemel van Hellas als een schitterend meteoor. Hij had verstand van alle mogelijke zaken: van de gymnastiek, de muziek, de redekunst, de dichtkunst, de kennis van hemel en aarde, de mathematische vakken, de ethiek, de politiek en overal waar hij kwam vond hij een buitengewonen toeloop van weetgierigen. Rijke jongelingen gaven de grootste sommen, om van zijn onderricht te genieten. Hij was eene prachtige verschijning, die het oog bekoorde, hij had de houding van een koning, ging prachtig gekleed, en wegsleepend was de kracht zijner welsprekendheid.

Deze Protagoras nu zette zich naast den jongen, doch zeer ervaren en scherpzinnigen arts Hippocrates neder, een neef van Pericles.

Door eene zonderlinge bestiering van het lot had de afgetrokken Polygnotus, die zich hier niet recht te huis gevoelde, den overmoedigen blijspeldichter Cratinus, ook als drinker befaamd, tot nabuur gekregen. Maar welk een hemelsbreed verschil er tusschen deze mannen bestond, één punt van aanraking en overeenstemming hadden zij toch gemeen. Zij waren de eenigen, die niet door vriendschapsbanden tot dit gezelschap behoorden en alleen aan de eerzuchtige begeerte van Hipponicus, om uitnemende mannen op elk gebied bij zich te zien, hunne uitnoodiging te danken hadden. Cratinus was een spotter, wiens geestigheid, den bliksem gelijk, het liefst de hoogst uitstekende[277]punten trof. Hij had immers in zijne laatste comedie zelfs Pericles en zijne schoone vriendin niet gespaard. Polygnotus echter, de vriend van Elpinice, voedde een heimelijken wrok tegen Phidias. En zoo keken dan ook Cratinus en Polygnotus elkander hoofdschuddend aan, toen zij Aspasia, op uitnoodiging van den gastheer, tusschen dezen en Pericles plaats zagen nemen op een afzonderlijk aanligbed, waarop zij, naar de gewoonte der vrouwen, rechtop zat, terwijl de mannen, met den linker arm op het kussen steunende, op hunne linkerzijde aanlagen. Cratinus en Polygnotus vroegen elkaar fluisterend, hoe het kwam, dat men hier eene vreemdelinge, eene hetaere, zulk eene eer bewees. De overige gasten dachten er anders over. Zij waren vrienden van Pericles, zij vormden de schitterende schare zijner getrouwen, zij kenden de uitnemendheid en de macht van Aspasia en verwonderden zich reeds niet meer over iets, als het de Milesische gold. Wat Protagoras betrof, deze zag Aspasia wel is waar heden voor het eerst, maar haar uiterlijk had hem van het eerste oogenblik af zoo geheel en al betooverd, dat iedere gedachte eerder bij hem zou opkomen, dan zich aan hare tegenwoordigheid te ergeren.

Op een wenk van Hipponicus werd nu voor elkaanligbedeene kleine tafel geplaatst; de spijzen werden deels opgedragen, deels rondgediend, en het maal begon.

Evenals het gezelschap van beroemde gasten in het huis van Hipponicus eenig was, zoo had deze zijn best gedaan, dat aan zijne tafel niets zou ontbreken, wat de Atheensche markt eere kon aandoen.

„Wanneer ik,” sprak Hipponicus, terwijl zijne gasten zich aan de heerlijke spijzen te goed deden, „mij heden het genoegen zie bereid, zulk eene schare van uitgelezen mannen aan mijne tafel te vereenigen, dan gevoelde ik mij verplicht, hen zoo kostelijk mogelijk te onthalen. Maar gij weet, hoe ver wij Atheners het ook in de andere kunsten mogen gebracht hebben, in de kunst van goed[278]te eten staan wij nog zeer ten achteren. En toch, meen ik, is de kunst van goed te eten volstrekt geen zaak, die mag verwaarloosd worden. Ik voor mij heb er altijd eene eer ingesteld voor een lekkerbek door te gaan en ik zou mij gelukkig prijzen, als ik iets kon bijdragen, om de Attische keuken tot een hoogere trap van volkomenheid te brengen. Ik zie een spottenden glimlach de lippen van sommigen plooien, alsof zij wilden zeggen, dat ons Athene iets dergelijks niet noodig heeft, dat het wel geroepen is in andere kunsten aan de spits der volken te staan, doch niet in deze kunst. Veroorlooft mij te zeggen, dat dit eene dwaling is. Want, als gij u op ons uitnemend marmer, op onze voortreffelijke kleiaarde en dergelijke dingen beroept, zal ik u gemakkelijk aantonen, dat gij ook zout en olie en azijn en aromatische kruiden, die toch altijd de krachtigste hulpmiddelen blijven in de handen van een kunstenaar in de kookkunst, onder geen hemelstreek beter vindt dan bij ons. Om van het Attische zout niet te spreken, dat in tweeërlei zin beroemd is, weet ieder dat niets te vergelijken is met de vrucht van den Attischen olijf, dat de kruiden van de Hymettus de geurigste zijn en dat juist daarom de honig van dien Hymettus de kostelijkste is, die ergens is te vinden.

„Ik betreur het, dat ik om een waarlijk uitmuntenden kok te hebben, er een uit Sicilië heb moeten ontbieden.

„Deze echter, Anacharsis genaamd, is nu werkelijk een meester van onovertroffen bekwaamheid en ik mocht hem wel den Phidias of Sophocles der kookkunst noemen.

„Niemand verstaat het zoo goed door voorgerechten den eetlust te prikkelen. De sausen, waarin hij ons de worstjes, de wildezwijnenlever, de kleine vogels en dergelijke heeft opgedischt, zullen zelfs den fijnsten kenner bevredigen. Wat zijn meesterschap betreft in het uithalen van tonijnen4, alen,[279]muraenen5en speenvarkentjes en ze op de scherpzinnigste wijze tot streeling van het verhemelte met lijsters, eieren en oesters op te vullen, daarvan kunt gij u heden zelf genoeg overtuigen. Zijne hazen en reeën, zijne patrijzen en fasanten zult gij even heerlijk vinden als zijne koeken met melk en honig toebereid en met allerlei vruchten gevuld.

„Gij hebt juist, ik herhaal het, de gelegenheid de kunst van dezen voortreffelijken man te waardeeren; maar gij allen—en ik mocht er wel bijvoegen, alle Atheners over het algemeen—gij zijt in uw gemoed steeds te zeer met andere zaken bezig, om met waren kennerssmaak dit te proeven en de waarde van deze kunst onbevooroordeeld te erkennen. Eigenlijk zijn slechts de parasiten van professie werkelijke, degelijke lekkerbekken en dankbare dischgenooten. Gelukkig groeit het aantal van die kunstlievende mannen, die er hun vak van maken, om op andermans kosten heerlijk te smullen, met den dag aan. Ik heb u reeds gezegd, dat ik dagelijks een dozijn van die lekkerbekken aan mijne tafel vereenig en ik kan ze niet missen; want het begint mij te vervelen al dat heerlijke geheel alleen te genieten. Gij moest eens zien, met welk een ernst die knapen hun vak opvatten, hoe zij smakken met de tong, hoe zij de wenkbrauwen optrekken, als mijn kok hen met een nieuwe uitvinding of met eene fijne, slechts voor den kenner merkbare verandering, in de spijzen verrast. Zóó zijt gij nu waarlijk niet; integendeel terwijl gij de grootste kunststukken van mijn voortreffelijken Anacharsis door uwe keel laat glijden, denkt de een dit, de ander aan wat anders, Pericles aan zijne staatszaken en aan eene nieuwe volksplanting, die hij wil overbrengen, Sophocles aan een nieuw treurspel, Phidias aan de friezen van het Parthenon, Polygnotus overdenkt, hoe men de wanden dezer eetzaal nog sierlijker had kunnen beschilderen en Socrates ontleedt in zich zelven een begrip, in[280]plaats van den patrijs, dien hij op zijn bord heeft.”

Aldus gaf Hipponicus zijn gemoed lucht en zijne gasten lachten vroolijk om de aanmerkingen van den goedhartigen gastronoom.

Nu echter stond Hipponicus op en bracht het gebruikelijke plengoffer met eene waardigheid, die hij als daidouchos te Eleusis niet plechtiger kon ten toon spreiden.

„Aan den goeden Geest gewijd!”6sprak hij en goot eenige droppels ongemengden wijn uit de schaal op den grond, dronk toen zelf, liet den beker opnieuw vullen en bij de gasten, rechts beginnende, rondgaan. Gedurende dit plengoffer heerschte er eene plechtige stilte, slechts twee fluiten begeleidden dit met ernstige, gedempte tonen.

Daarop werden de kleine tafels weggenomen en de vloer gereinigd7.

Toen vervolgens de drinkbeker gebracht, het groote mengvat geplaatst en het nagerecht opgedragen was, met allerlei versnaperingen die den drinklust konden opwekken, alsmede hoofdtooisels en geurige kransen van rozen, viooltjes en myrthen binnengebracht waren, waarmede de gasten hunne hoofden omwonden, werd de Paëan8ter eere vanDionysusaangeheven en op het met bloemen bekranste altaar een offer van vermengde wijn in de vlam gegoten, ter eere van alle Olympische Goden.

„Gij weet, waarde gasten en vrienden,” sprak weder Hipponicus, „wat het oude, schoone gebruik van ons verlangt. Wilt gij liever den symposiarch9kiezen of wel hem door het lot benoemen?”[281]

Phidias, Ictinus, Anaxagoras en eenige anderen verklaarden zich er tegen, dat men hem door het lot aanwees, want dan moesten zij vreezen, naar zij zeiden, zelf benoemd te kunnen worden en zij gevoelden weinig roeping den post van ceremoniemeester op zich te nemen.

„Als het noodig is,” zeide Protagoras, „een symposiarch te kiezen, dan weet ik niemand, wien we dit eerambt liever moesten aanbieden, dan aan den aanzienlijksten van zoovele aanzienlijke mannen, aan den grooten Pericles.”

Deze bedankte met een glimlach voor die eer en zeide: „Kiest Socrates. Die verstaat het, verstandige gesprekken te leiden; zou hij dan ook geen symposion kunnen besturen?”

Socrates echter antwoordde: „Ik weet niet of ik verstandige gesprekken kan leiden of niet; dit echter weet ik wel, dat ook wanneer dit werkelijk zoo was, het een onvergeefelijke aanmatiging van mij zou wezen, ’t zij bij een gesprek, ’t zij bij een symposion, demoeilijketaak der leiding op mij te nemen, in tegenwoordigheid van mijne leermeesteres Aspasia, wier heerlijke wijsheid allen hier aanwezigen genoeg bekend is. Ik geef toe, dat de gewoonte medebrengt, een symposiarch te kiezen en dat Aspasia eene vrouw is; maar ik weet niet, wat de kunne met de taak van een symposiarch te maken heeft? Hipponicus verlangt, dat dit symposion eenig in zijn soort zij; welaan, laten wij hem daarin behulpzaam zijn en kiezen we in plaats van een symposiarch eene symposiarche.”

Op het eerste oogenblik schenen de gasten door deze woorden verbluft, doch weldra klonken van alle kanten levendige bijvalskreten.

„Zonderling, maar misschien verstandig is het,” zei Aspasia, „iemand tot hoofd der tafel te kiezen, die zelf het drinken niet verstaat.”

„Met welken wijn,” ging zij voort, „zijn tot nu toe onze bekers gevuld?”

„Het is wijn van Thasos,” hernam Hipponicus,„Thasische wijn van de beste soort, zooals hij geplengd[282]wordt in het Prytaneüm10te Thasos. Den kostelijken geur heeft de wijn uit zich zelven, maar den zoeten smaak van het met honig gemengde weitemeel, dat men, naar een voortreffelijk gebruik, in vaten heeft gedaan.”

„Honigzoete, geurig gekruide wijn van Thasos!” riep Aspasia, „gij zijt waardig op het welzijn gedronken te worden der beide mannen, wier overwinning met dit maal gevierd wordt! Mijne vrienden, ledigt uwe bekers op het welzijn van den gekransten choreeg en op dat van den gelauwerden dichter der Antigone!”

Met geestdrift begroetten allen dezen dronk en ledigden hunne bekers, die op bevel der koningin van het feest opnieuw werden gevuld.

„Thrax”11, riep Hipponicus, tot een der bedienende slaven, „breng de wijnkaart hier, die voor het symposion van heden bestemd is en geef ze aan de symposiarche.—Op dezelfde lijst, Aspasia, vindt ge de spelen en vermakelijkheden, waarover wij heden in dit huis beschikken kunnen. Moge het u behagen tot ons genoegen telkens datgene uit te kiezen wat u juist het schoonst en geschiktst voorkomt en het door een woord of een wenk als met een tooverstaf voor ons te bezweren.”

„Wilt gij mij eene cither laten geven?” vroeg Aspasia. „Ik zal mij als symposiarche niets meer aanmatigen, dan den grondtoon voor de stemming en de harmonie aangeven.”

Oogenblikkelijk liet Hipponicus een slaaf eene met edelgesteenten en ivoor rijk versierde cither binnen brengen. De schoone Milesische nam ze aan en begon bij de tonen de volgende verzen te zingen:[283]

„Lachend, met bloemen getooid, welriekend van Syrischen nardus,Met Dionysischen dauw, schitterend, rooskleurig besproeid,Laat ons met klinkende stem onder ’t getokkel der snaren verkonden,Dat hij het schoonst is op aard, hij het hoogste: de lust!”

„Lachend, met bloemen getooid, welriekend van Syrischen nardus,

Met Dionysischen dauw, schitterend, rooskleurig besproeid,

Laat ons met klinkende stem onder ’t getokkel der snaren verkonden,

Dat hij het schoonst is op aard, hij het hoogste: de lust!”

Daarop liet zij de luit aan Socrates geven.

Deze echter zeide:

„Daar het ook tot de taak van den symposiarch behoort, raadsels ten genoege der gasten op te geven, heb ik aanstonds vermoed, dat Aspasia onze scherpzinnigheid met zulke dingen op de proef zou stellen. Wat zij daar juist, om den grondtoon voor ons symposion aan te geven, zooals zij zegt, van den lust des levens onder begeleiding der snaren heeft gezongen, wat is dat, wel beschouwd, anders dan een verleidelijk raadsel, dat zij ons voorlegt? Deze schoone Milesische schijnt mij inderdaad eene Sphinx12toe, met een afgrond naast zich, waarin zij ons allen zal storten, als wij hare raadsels niet kunnen oplossen. Hoe benijd ik thans den voortreffelijken Hipponicus! Want deze schijnt toch zeker wel het best van ons allen den lust en het vroolijke genot des levens te kennen en zoo wellicht alleen in staat dat raadsel van Aspasia in de rechte beteekenis te verklaren en op te lossen. Want wat iemand het best in de praktijk kent, dat zal hij wel het best kunnen onderwijzen.”

Levendig en vroolijk hunne goedkeuring aan die woorden te kennen gevende, riepen allen:

„Zoo is het! Hipponicus is de man, om ons over het genot en over den lust des levens te onderrichten.”

„Wanneer dan de vervelende bespiegeling van[284]alle dingen bij dit symposion niet geheel vermeden kan worden,” begon Hipponicus met een schalkschen lach, „dan dank ik den Goden, dat het gesprek juist op dit en geen ander onderwerp gekomen is. Want dit is werkelijk, zooals Socrates zeide, eene zaak, waarover ik een woordje mag meespreken. Gij herinnert u nog wel, hoe ik straks mijn best heb gedaan, u aan het verstand te brengen, dat men bezwaarlijk het ergens ter wereld in de kunst van goed te eten en te drinken verder zou kunnen brengen, dan hier te Athene, als men maar wil. In het algemeen kan men de stelling uitspreken, dat op dezen bodem en onder dezen Helleenschen hemel de menschen geboren zijn, om gelukkig te zijn. Ik zal u echter ook bewijzen, dat het bij ons in Griekenland gemakkelijk is het aangenaamste leven met de wijsheid, de deugd of vroomheid of godenverheerlijking of wat gij ook noemen wilt, te verbinden. Want de Helleensche Goden verlangen al het mogelijke, alleen niet onthouding of verloochening van de vreugde en het genot des levens. Zelfs van mij verlangen zij dat niet, hoewel ik van een priesterlijk geslacht ben en jaarlijks éénmaal bij de viering der Eleusinische mysteriën het ambt van diadouchos moet waarnemen. Het overige deel van het jaar leef ik te Athene voor het vaderland en mijn genoegen, zonder dat het de Goden en niemand ter wereld zou invallen, mij daarvan een verwijt te maken. Als de arme stumpert Diopithes daarboven op den burg mij vijandig is en kwaad van mij spreekt, is het niet, omdat ik van eene keurige tafel en schoone vrouwen houd en er goed van leef, ’t geen hij ook wel gaarne zou doen, als hem de middelen er niet toe ontbraken, maar alleen omdat het Eleusische priestergeslacht het zijne, de Eumolpiden, de Eteobutaden, in luister en aanzien overschaduwd heeft.

„Als Diopithes als een suffer leeft, dan doet hij dat uit vrijen wil; de Goden der Hellenen bekommeren zich daar niet om en, hoewel ik er eene betere tafel op nahoud, beroem ik mij toch[285]even vroom en den Goden even welgevallig te zijn als hij. Durft iemand beweren, dat ik geen vroom man ben en de Goden niet eer, zoo goed als iemand te Athene? Zeus Herkeios13heeft zijn altaar aan mijn huiselijken haard; in de nis achter de deur staat Hermes Strophaios, de goddelijke bewaker van den deurdrempel; vóór de deur staat het gewone Hecate-huisje14, en de kegelvormige zuil van Apollo Agyieus15den God der straten en daarnaast de laurier, den God gewijd, tot eene beschutting tegen tooverij en vallende ziekte, bij de deur zelve blijft van het eene Pyanepsiën-feest16tot het andere de olijftak, symbool der overwinning, hangen, dien men met witte wol omwonden in den Apollo-tempel bij dat feest wijden laat; het ontbreekt ook niet aan opschriften boven de deur, die het huis onder de hoede der Goden stellen, noch aan den gebruikelijken Medusa-kop aan den anderen kant, die al het booze van den ingang afweert. Ik verzuim noch de betamelijke godenoffers, noch de reinigingen en verzoeningen, noch de gebeden, noch de gaven, noch de rijkelijke bijdragen, om den luister der godenfeesten te verhoogen en het heeft mij kort geleden weder vijfduizend drachmen gekost, om het koor voor Sophocles’ Antigone zoo prachtig mogelijk uit te rusten. Wie durft dus opstaan en zeggen, dat ik geen vroom man ben en de Goden niet, naar oudvaderlijk gebruik, eer? Wij Grieken zijn een vroom volk en ik ben een Griek. Daarom vereer ik de Goden, zooals betamelijk is, maar ik vrees ze niet, ook al geniet ik het goede der aarde. Want in den Tartarus17[286]zijn er velen, die om verschillende overtredingen de zwaarste straffen lijden, maar ik herinner mij niet, dat er onder hen één is, die daar lijdt, omdat hij een gastronoom en man van de wereld geweest is. Is er één onder? Neen, geen enkele! Daarom nog eens: ik ben een vroom man en behoef de Goden niet te vreezen. Ik vrees niets ter wereld, behalve de dieven en inbrekers, die mij mijne schatten, mijne paarlen en edelgesteenten, mijne Perzische gouden dariken18zouden kunnen ontrooven.”

Alle dischgenooten begonnen vroolijk te lachen bij deze laatste woorden van Hipponicus en klapten in de handen; hij echter vervolgde:

„Daar bouwen ze wijselijk een schathuis voor de staatsgelden boven op den burg, onder de bescherming der schutsgodin dezer stad. Maar hoe zal een vaderlandlievend man, als een onzer, zijn zuur verdiend geld in veiligheid brengen? Ik ontken het niet, dat sedert ik zesduizend slaven in mijne zilvermijnen laat werken en mijne bezittingen dagelijks toenemen, ik mij wat ongerust maak.”—

„Troost u, Hipponicus,” riep Pericles, „ik zal bij het volk mijn best doen, dat het u toegestaan wordt, een schathuis voor u zelven op de Acropolis te bouwen. Gij hebt dit, zoo al niet door iets anders, dan toch zeker door uwe prachtige rede verdiend, die gij straks gehouden hebt.”

Wederom klapten alle dischgenooten in de handen en prezen Hipponicus en zijne rede.

Alleen de dartele en onvermoeide drinkebroer Cratinus zeide tot den gastronoom:

„Wanneer gij, edele Hipponicus, werkelijk de Goden niet vreest, maar alleen de dieven en niets anders ter wereld, dan de dieven, wat denkt gij dan van de waterzucht en de andere gevolgen van een vroom en tevens goed leven? En van het pootje, dat,[287]zooals ik helaas bij ondervinding weet, aan te rijke besproeiing met Dionysischen dauw pleegt verbonden te zijn? Hebt gij ook hiervoor geen vrees? Of vertrouwt gij op dit punt geheel en al uw vriend Hippocrates, den voortreffelijken arts dien gij wijselijk aan uwe tafel pleegt te noodigen?”

„Gij hebt het geraden,” hernam Hipponicus, „in deze dingen verlaat ik mij geheel op Hippocrates, met wien ik, evenals met de Goden gaarne op een goeden voet sta. Hem laat ik het ook over tebeslissenof het pootje en waterzucht en dergelijke zaken werkelijk komen, van wat men noemt „het vette der aarde genieten.”

„Niet geheel en al,” hernam Hippocrates glimlachend. „Het is wel is waar niet te ontkennen, dat de inspanning en vermoeienis, die met een goed leven gepaard gaan, waterzucht en dergelijke dingen veroorzaken kunnen. Wat het genot op zich zelf echter betreft—en om het zuivere begrip daarvan is het toch in ons onderhoud te doen—moet dit als een zeer geschikt hulpmiddel ter bevordering der gezondheid beschouwd worden. Het genot is namelijk eene eigenaardige lichaams- en zielsstemming, hetwelk de wangen kleurt, de oogen verheldert, de ademhaling gemakkelijker maakt, het bloed krachtig door de aderen drijft, het trage veerkracht geeft, het vloeibare stolt, alle levensgeesten opwekt, alle krachten vermeerdert en het geheele wezen van den mensch in een staat van schoone, heilzame harmonie brengt. Zelfs voor den kranke is de vreugde eene zoo heilzame artsenij, dat ik niet weet of onder alle kruiden, pleisters en dranken, die wij geneeskundigen bij zieken aanwenden een krachtiger middel is te vinden.”

Lachend gaven alle gasten hun instemming te kennen met deze woorden, en alle dischgenooten deden eene gelofte, dat zij zich nooit aan een anderen arts dan Hippocrates zouden toevertrouwen.

„Wijze geneesheer!” riep de halfdronken Cratinus, „gij hebt mij ten volle gerust gesteld. Nu is[288]het mij helder: hoe had ik, dien zij een vriend der flesch noemen, voornamelijk sedert ik eene comedie geschreven heb, waarin gevulde flesschen, mijne vriendinnen, het koor vormen, hoe had ik, zeg ik, de met genot van het drinken verbonden kwalen tot op dezen huidigen dag zoo gelukkig kunnen trotseeren, zoo niet de genezende kracht van het drinken op zich zelve mij op de been had gehouden?—Ware ik ceremoniemeester, in plaats van die schoone vreemdelinge, die zich vermoedelijk beter op de werken van de gulden Aphrodite verstaat, dan op die van Bacchus, dan zou ik oogenblikkelijk een dubbelen dronk instellen op den wijsten aller geneesheeren, den grooten Hippocrates!”

„Thrax,” riep Aspasia den naast haar staanden slaaf toe, „geef Cratinus een beker, dubbel zoo groot als de onzen. En laat ons nu een dronk wijden ter eere van Hippocrates!”

Toen nu allen ter eere van Hippocrates gedronken hadden en ook Cratinus zijn dubbelen beker geledigd had, nam Polus het woord:

„Ik weet niet, hoe onder ons van daag over levensgenot kan gesproken worden, zonder vóór alles aan de woorden te denken, welke gij in het treurspel, welks overwinning wij vieren, uit den mond van den bode vernomen hebt:

„Des menschen leven past het nooit te roemen,Nooit over ’t onheil dat hem trof te klagen.Want die het meest door rampen werd bezocht,Dien beurt het lot vaak uit zijn lijden op,En werpt hem die ’t gelukkigst scheen in ’t stof.Geen ziener die des stervelings einde kent.Doch alles is voorbij. Want als de vreugdDen mensch ontviel, leeft hij geen leven meer,Als een bezielde doode doolt hij rond.Al is zijn huis met schatten opgevuld,Al praalt hij in een vorstelijk gewaad.Zoo hem ’t genot ontbreekt, acht ik dit allesNiet hooger dan de schaduw van den rook!”

„Des menschen leven past het nooit te roemen,

Nooit over ’t onheil dat hem trof te klagen.

Want die het meest door rampen werd bezocht,

Dien beurt het lot vaak uit zijn lijden op,

En werpt hem die ’t gelukkigst scheen in ’t stof.

Geen ziener die des stervelings einde kent.

Doch alles is voorbij. Want als de vreugd

Den mensch ontviel, leeft hij geen leven meer,

Als een bezielde doode doolt hij rond.

Al is zijn huis met schatten opgevuld,

Al praalt hij in een vorstelijk gewaad.

Zoo hem ’t genot ontbreekt, acht ik dit alles

Niet hooger dan de schaduw van den rook!”

[289]

„Ik prijs de vreugde,” zei daarop Sophocles, „niet alleen omdat zij het leven aangenaam, maar ook, omdat zij het schoon maakt. In de diepte des levens heerscht veel sombers en verschrikkelijks en dikwijls is de vraag gerezen, of het niet beter was niet te leven dan wel. Daar wij nu echter leven, moeten we den afgrond des levens en zijne verschrikkingen, zoo goed mogelijk, trachten te bedekken met de bloemen der schoonheid en harer tweelingzuster, de vreugde. Nauw is de grens, die om het menschelijk leven is getrokken; maar binnen deze grens mensch te zijn is geoorloofd en tevens de reine menschheid in dien kleinen tijdkring schoon en edel te ontwikkelen. Mensch te zijn wil zeggen edel te zijn en zacht, en voor dat edele en beminnelijke zachte is de grens de liefelijke maat, waardoor hij zijn aanzijn goddelijk besteden kan. Even schoon als opgeruimd, even edel als zacht genoemd te worden, zij der Hellenen trots!”

„Ik dank u voor deze uitspraak,” zei Pericles.

„Men heeft mij in den oorlog soms te zacht en toegefelijk genoemd, doch ik geloofde juist als een Helleen te handelen. Als er weer gestreden moet worden, te land of ter zee, zal ik van het volk der Atheners den dichter der „Antigone” tot medestrateeg verzoeken.”—

„Sophocles als strateeg?” riepen sommigen van het gezelschap.

„Waarom niet?” zei Sophocles lachende. „Mijn vader toch was een wapensmid. Dit is een voorteeken, dat ik voor strateeg geboren ben.”

„Veel geluk er mede!” riep Hipponicus. „Maar meent ge, Pericles, dat er spoedig weder krijgsvolk ingescheept zal worden en eene vloot zee zal bouwen?”

„Het is best mogelijk,” hernam Pericles.

„Het is mij wèl,” hernam Hipponicus, „maar ik hoop Pericles, dat gij u op geen ander admiraalschip lauweren zult verwerven, dan op datgene, wat ik als triërarch zal uitrusten.”[290]

„Dat zal ik,” antwoordde Pericles. „Doch laten we niet de krijgshaftige stemming den boventoon laten voeren bij een zoo vreedzaam feest. Onvriendelijk zou het zijn, zoo wij niet vóór wij tot andere dingen overgaan, den wijzen Anaxagoras vroegen, of hij hetgeen hier over het genot is gezegd, verwerpt of goed keurt.”

„Wanneer gij mijne meening verlangt te hooren,” zei Anaxagoras, „wil ik u die niet onthouden. Wat gij daar te berde hebt gebracht, bewijst dat het uw streven is van buiten af het schoone en goede en aangename tot u te brengen, zooveel maar mogelijk is. Maar ik beweer dat de ware, de rechte vreugde diegene is, welke niet van buiten komt, maar die welke men als zijn innigst werkelijk leven in zich zelven bezit. Geluk is niet hetzelfde als vreugde; en zoo weinig bestaat het geluk in de dingen buiten ons, dat het veel meer, ja het best zonder deze bestaat. Vrijwillig zich aan den algemeenen Wereldgeest te onderwerpen, den eigen wil te dooden, dat is wijsheid en deugd en de waarborg tevens der rechte vreugde, de vaste burgt der apathie, waarin de mensch zonder begeerten, zonder hartstocht, zich zelven genoegzaam, zich zelfs tegenover de machten van het noodlot overwinnelijk toont.”

De woorden van Anaxagoras maakten een eigenaardigen indruk. Pericles hoorde ze met die belangstellende aandacht, welke hij steeds aan de uitspraken van zijn ouden vriend schonk. Over Aspasia’s voorhoofd echter vloog een licht wolkje. Haar oog ontmoette dat van Protagoras. Het was alsof de schoone vrouw en de sophist in elkanders oogen lazen, wat er in hunne ziel omging. En toen nu de schitterende redenaar in den zwijgenden kring rondzag, gereed om den wijsgeer te antwoorden, schenen de stralen uit Aspasia’s oogen zijne gedachten te bezielen, zijne woorden kracht en gloed te geven.

„Streng en hard,” begon hij, „klinken de woorden van den wijze uit Clazomenae te dezer plaatse,[291]waar zooeven nog onder den klank van vroolijke skoliën19het feestelijk genot om het met bloemen bekranste altaar van Dionysus heerschte! Maar ook hij—merkt dit wel op—ook hij, de strenge, harde wijze heeft van het genot als van ’s menschen hoogste doel gesproken. Slechts over de wegen, die daarheen voeren, denkt hij verschillend. En in der daad het genot heeft vele namen en vele vormen en vele zijn de paden, die heenvoeren naar zijne zonnige hoogte. Menigeen vindt zijne hoogste vreugde in de bedwelming der zinnen, anderen, door een hoogeren adel der ziel tot het schoone gedreven, verheffen zich tot de reiner sferen van het genot, en er is eene derde soort van die goddelijke menschen, die boven lucht en wolken in het eeuwige klare zonder begeerten wonen. Weet gij aan welke van die drie wijzen, om het genot na te jagen, ik de voorkeur geef? Aan geene, maar aan die, welke het verstaat, naar tijd en plaats, iedere dezer verschillende wegen te bewandelen. Wanneer de bekers tintelen en schoone oogen schitteren, laat ons dan de vroolijke wijsheid van Hipponicus volgen; wanneer voor onze oogen de wonderen van het schoone heerlijk zich vertoonen en het menschelijke zijn edelsten bloei ontvouwt, dan deelen wij de geestelijke vreugde van Sophocles, wanneer de hemel bewolkt is, wanneer onafwendbaar smart en onheil ons bedreigen, dan is het tijd kalm tot de schoon bekranste vreugde te zeggen: Vaarwel! en zich te omgorden met de goddelijke kalmte en rustige waardigheid van den wijzen Anaxagoras. Te kunnen ontberen is roemrijk—maar wij willen die kunst slechts daar uitoefenen, waar wij haar noodig hebben. Als het tijd is zich te verheugen, willen wij ons verheugen, als het tijd is te ontberen willen wij ontberen. Wie verstandig weet te genieten, hem zal ook de wijsheid der zelfverloochening niet ontbreken.[292]Hij zal de vreugde tot zijne slavin maken, niet zich zelven tot een slaaf der vreugde. Hij zal de omstandigheden aan zich, niet zich aan de omstandigheden onderwerpen. En wanneer datgene, wat door de wijsheid onzer vreugde als perk wordt gesteld, niets anders is dan de natuurlijke, rechte maat van het genot en het genot door overmaat verdwijnende, geen genot meer is, maar het tegendeel daarvan, zoodat het zijne grens en zijne maat niet buiten of naast zich, maar in zich heeft, waarom zouden wij dan nog van deugd spreken en onthouding, als van een zaak, die vreemd, ja zelfs vijandig aan het geluk zou zijn? Ontbering, onthouding, deugd zonder genot kan in de gedachte van den Helleen opkomen, nooit echter doordringen tot de diepte van zijn gemoed. Zelfs te werken in het zweet des aanschijns, handenarbeid te verrichtten om het dagelijksch brood, acht hij zijns onwaardig. Daarom werkt de slaaf, werkt de barbaar voor den Helleen. Het minder edele deel der menschheid moet zich voor het edeler deel opofferen, opdat het ideaal van waarachtig bestaan, den mensch waardig, verwezenlijkt worde. Ware ik wetgever, een nieuwe Lycurgus of Solon20en werden de tafelen der wet onbeschreven in mijne hand gelegd, ik zou ze aangrijpen en met gouden stift bovenaan deze woorden zetten:

Gij stervelingen, weest schoon,—weest vrij—weest gelukkig!”

Zoo sprak Protagoras, met onafgewenden blik op Aspasia gericht en verheugd over den glans van ingenomenheid, die onmiskenbaar uit haar gelaat hem tegenstraalde. Bijna elk van den kring hechtte zijne goedkeuring aan zijne woorden en Pericles zeide, dat hij Protagoras zou opdragen de eerstvolgende kolonie, die uit Athene zou gezonden worden, aan te voeren. Want hij scheen hem toe een staat in den Helleenschen geest te kunnen regelen.[293]

„Gelukkige Protagoras,” begon nu Socrates, „gelukkige Protagoras, wien het vergund is het goud van Aspasia’s zwijgen in de klinkende munt van welsprekende taal om te zetten. Wanneer ik uwe woorden even goed begrepen heb, als gij de taal van Aspasia’s oogen, dan schijnt gij mij de wijsheid in zooverre als een middel ter bevordering van geluk te beschouwen, als men haar om zoo te zeggen, gereed houden en uit den zak kan halen, wanneer men juist niets beters bij de hand heeft—”

„Wat is wijsheid?” riep Protagoras. „Vraag het duizend menschen en wat de een wijsheid noemt, heet bij den ander dwaasheid. Vraag hun echter wat vreugde is en droefheid, allen zullen het daaromtrent eens zijn.”

„Gelooft gij dat werkelijk?” hernam Socrates. „Men kan er de proef van nemen …”

„Vergun mij, Protagoras,” viel Aspasia in, „dat ik mij verstout Socrates te antwoorden; niet met woorden, want hoe zou ik mij vermeten, wanneer er woorden van wijsheid moeten gesproken worden, in Protagoras’ plaats te treden? Ik wil den eeuwigen twijfelaar en vrager met die middelen bestrijden, die mij als symposiarche, tot onderzoek zijner laatste tegenwerping ten dienste staan.”

„Vooraf,” vervolgde zij, „bevochtig uwe lippen, die wellicht door het vuur van het gesprek droog geworden zijn, met frisschen dauw.”

Op haar bevel werd nieuwe wijn in den krater21gemengd en den gasten in andere, grootere bekers geschonken.

„Dit is wijn van Lesbos,” zei Hipponicus, „de bloem van den wijnstok. Hij is minder geurig dan de Thasische, doch zijn smaak is nog aangenamer.”

„Hij is zacht en vurig te gelijk, als de ziel van zijne landgenoote Sappho,” riep Protagoras, even[294]met zijne lippen het vocht in de beker proevende.

De beker werden geledigd op Aspasia’s bevel ter eere van de zachte en hartstochtelijke Lesbische zangster en op nieuw gevuld, terwijl de oogen der gasten al meer en meer begonnen te schitteren.

„Laten wij nu,” begon Aspasia weder, „hen laten binnenkomen, die gereed staan, om ons op iets van datgene te vergasten, waaronder de menschen naar Protagoras’ meening het allen eens zijn, naar Socrates’ zienswijze echter niet.”

Fluitspeelsters, danseressen en kunstenmaaksters kwamen de zaal binnen, allen jong, bekoorlijk, allen bekranst en met welriekende wateren besprenkeld en getooid in verleidelijk gewaad.

Het fluitspel begon in weeke, zoete tonen en daarbij werden door de danseressen mimische dansen uitgevoerd. Wat Socrates bij Theodota had bewonderd dat had hij nu in veelvoudige mate in eene groep van bloeiende gestalten voor oogen. Nadat deze danseressen door hare kunst aller oogen hadden verrukt, oefende hetgeen thans de kunstenmaaksters volvoerden, eene betooverende en bedwelmende werking uit. Als dezen bij den klank der fluiten en de maat der muziek een aantal ballen in de hoogte wierpen en weder opvingen of den zoogenaamden kogelloop op een pottebakkersrad uitvoerden, lag in de bliksemsnelle bewegingen der jeugdige, slanke, lenige meisjesgestalten eene betooverende, ja bedwelmende bekoorlijkheid. Toen zij echter den verbazingwekkenden zwaardendans begonnen, toen zij tusschen de klingen, die met de punt naar boven in den grond gestoken waren, dansend heen en weder sprongen en over de blinkende zwaardspitsen naar voren en achteren oversloegen, toen gevoelden de opgewekte toeschouwers zich door een genot, met huivering gemengd, aangegrepen. Toen eene van die slanke, bekoorlijke meisjes in een licht, nauwsluitend gewaad, dat den vollen en reinen vorm des lichaams deed uitkomen, met de handen op den grond steunende in eene bevallige kromming naar achteren de voeten[295]over den rug en het hoofd heenstrekte, om daarmede uit het vóór haar staande mengvat een beker te vullen, dien zij met de teenen van den linkervoet bij het hengsel had gegrepen, terwijl zij met de teenen van den anderen voet het oor van het schepvat vasthield, of in diezelfde houding een pijl van den boog deed snorren—toen was het niet alleen de verbazende vaardigheid, die zij ten toon had gespreid, maar tevens het tot de hoogste vrijheid en bijna bovenmenschelijke vlugheid ontwikkelde schouwspel harer bloeiende ledematen, die de zinnen van Hipponicus’ gasten in eene soort van zwijmel bracht.

Toen de dansen en spelen geëindigd waren en de danseressen, kunstenmaaksters en fluitspeelsters onder de levendigste toejuichingen der dischgenooten zich weder hadden verwijderd, zei Aspasia:

„Het schijnt dat alles wat wij gezien hebben ons genoegen heeft gedaan en dat wij het volkomen eens zijn in deze soort van genot, terwijl wij toch vroeger, toen het de leer der wijsheid gold, het maar niet eens konden worden. De proef, waarop het aankwam, zooals gij zeidet, Socrates, is derhalve genomen—”

„Gij weet zeer wel, Aspasia,” antwoordde Socrates, „dat niemand ter wereld zich liever laat onderrichten dan ik. Vergun mij nog één ding aan Protagoras te vragen. Wanneer er, zooals gij leert, verscheidene soorten van genot zijn en wij datgene, wat het genot verschaft, een goed noemen, dan zijn er nog wel andere goederen en onder deze een hoogste goed. Om echter juist dit uit andere goederen uit te vinden en ook het hoogste genot uit andere genietingen—want het genot is toch, zooals wij gezegd hebben, niet zelf het goede, maar wordt eerst door het bezit van het goede teweeg gebracht—zou daartoe een weinig verstond of oordeel of wijsheid noodig zijn of hoe men het ook noemen wil?”

Glimlachend zei Aspasia:

„Gij ziet, Protagoras, dat deze man u in de[296]engte drijft: doch het is mijn plicht te zorgen, dat de strijd niet al te heftig wordt. Reeds sedert een half uur heb ik een kleinen aanslag in den zin tegen den strijdlustigen Socrates. Het komt mij niet goed voor, dat Socrates op hetzelfde aanligbed met Anaxagoras aanligt en zoo steeds door den adem des meesters met nieuwen strijdlust aangeblazen wordt. Over het algemeen schijnt het mij toe, dat Hipponicus’ gasten zich grootendeels op een wijze geplaatst hebben, die gevaarlijk is voor het algemeen en gunstig voor heimelijke samenzweringen. Verscheidene malen heb ik opgemerkt, dat Phidias en Ictinus zacht samen fluisteren. Ook Cratinus zag ik vaker dan noodig was tot het oor van zijn buurman, Polygnotus, overbuigen. Krachtens mijne volmacht als symposiarche zal ik eene geheele verandering in de plaatsen brengen.”

„Goed,” riepen de vroolijke dischgenooten. „Wij willen u gaarne gehoorzamen. Spreek, hoe denkt ge ons nu te plaatsen?”

„Welaan,” zeide Aspasia. „Den gastronoom Hipponicus bevele Socrates op te staan en zette zich naast den wijzen Anaxagoras; de spraakzame Polus neme plaats naast den stillen Ictinus, de overmoedige Cratinus zal den zachten, vromen Sophocles tot buurman hebben. Phidias eindelijk moet met Polygnotus één aanligbed deelen. Hoe echter plaats ik Socrates? Onmogelijk kan ik hem in de nabijheid van Anaxagoras laten; integendeel ik moet deze beide kampioenen zoo ver mogelijk van elkander zetten. Wat blijft er anders over, dan dat ik u Protagoras, verzoek mijne plaats in te nemen, terwijl ik zelf ter beslechting van den strijd mij naast Socrates zal zetten.”

Met deze woorden stond Aspasia op en plaatste zich onder op het aanligbed, waarop Socrates aanlag.

Bereidwillig hadden inmiddels de dischgenooten de schikking van de symposiarche opgevolgd; alleen benijdden zij in stilte en luide Socrates zijne gezellin.[297]

Op dezen zelven oefende de onmiddellijke nabijheid der schoone eene eigenaardige werking uit. Had straks de adem van Anaxagoras, zooals Aspasia zich uitdrukte, zijn strijdlust aangeblazen, de adem van de bekoorlijke vrouw stemde hem tot vrede en verzoening.

„Wat is dat?” riep Aspasia, zich tot Socrates overbuigend en zijn krans beschouwend, „aan uw krans zijn reeds vele bladeren ontvallen. Dat geldt als een voorteeken van geheime minnesmart. Is het soms uw jongste vriend, de moedwillige Alcibiades, die u droefheid veroorzaakt? Doch, ik ben gekomen om u te woord te staan. Welke bezwaren waren het, Socrates, die gij nog uit den weg zoudt willen geruimd zien?”—

Socrates, betooverd door den vurigen blik van Aspasia, bedwelmd door den adem van haar mond, opgewekt door het ruischen van haar gewaad bij ieder harer bewegingen, antwoordde:

„Aspasia, ik had bezwaren—en zij stonden in mijn hoofd goed gerangschikt, als in slagorde. Maar men heeft juist, toen ik ze in de beste orde wilde doen oprukken, een schoonbekranste dam opgeworpen, zoodat het schijnt dat zij daarover willende springen, de beenen zouden breken. Wat ik bedenkelijk vind, Aspasia? Zal ik het u zeggen? Ik vind op dit oogenblik alleen dit bedenkelijk, dat gij naast mij zit.”

Met een ietwat spottend lachenden blik zag Anaxagoras, die intusschen den beker flink had toegesproken, zwijgend naar den spreker, die zoo smadelijk de wapens strekte.

„Gij ziet, Anaxagoras,” zei Socrates, „ik ben in den strijd voor eene goede zaak gevallen en gij, grijsaard, voor wien ik eigenlijk het zwaard had getrokken, moet thans mij, den jongen man, uit den strijd dragen. Wreek mij, als gij kunt, Anaxagoras!”

„Waarom niet?” hernam Anaxagoras, nadat hij een dronk uit zijn beker genomen had, „ik gevoel mij in het geheel niet zoo zwak, als de oude[298]Priamus, om voor de jeugdige wijsheid van dezen Achilles sidderend te verstommen. Ik wil nog een woordje met u praten, Protagoras.”

„Halt!” riep Aspasia, „wanneer het uwe bedoeling is ernstige woorden te spreken, vergun mij dan vooraf, dat ik mijn plicht als presidente der tafel vervulle en met een dronk van den vurigsten en kostelijksten aller wijnen, die tot nu toe geschonken werden, met het heerlijk druivensap van Chios, uwe tongen moge ontboeien.”

Na deze woorden liet Aspasia den gezochtsten van alle Grieksche wijnen rondschenken.

De bekers werden geledigd en nu was er niemand meer in het gezelschap, die niet hoog zweefde boven de sferen van het nuchtere verstand en zich niet overgegeven had aan de geweldige macht van den bezielden Dionysus.

Anaxagoras ledigde zijn beker en begon eenigszins verward te spreken over genot en deugd, over kennis en den Wereldgeest.

Om zijn geest nog meer op te wekken en te verhelderen bood Aspasia hem zelfs nog een beker van den krachtigen Chiër-wijn aan.

Hij dronk dien uit en de taal van den wijze werd nog verwarder; hij begon te stotteren en met het hoofd geducht heen en weer te schudden.

Ten laatste zonk het hoofd geheel op de borst. Nog eenige oogenblikken en de grijsaard lag in een rustigen sluimer.

Een vroolijk gelach klonk er door de rijen der dischgenooten.

„Wat hebt gij gedaan, Aspasia?” riepen zij: „de laatste voorvechter der strenge wijsheid hebt gij ontwapend en in slaap gewiegd!”

„Bij het vroolijk symposion,” hernam Aspasia, „betaamt het der strenge wijsheid in te slapen. Maar niet zonder de Chariten is deze edele man ingesluimerd. Ziet, hoe schoon het gezicht is van den rustig ademenden grijsaard! Ik stel u voor, dat wij allen de kransen van onze hoofden nemen en ze op het hoofd en de schouders van den slapenden[299]nederleggen en op deze wijze de zoo schoon en vreedzaam ingesluimerde wijsheid begraven.”

De gasten deden wat Aspasia voorsloeg en in weinig oogenblikken was het hoofd van den wijze onder bloemen begraven.

Socrates ging voort met drinken zonder dronken te worden, om ongestraft de zonderlingste dingen, Aspasia, die naast hem zat, in ’t oor te kunnen fluisteren.

De ernstige Phidias zei tot den knaap, die zijn beker vulde, dat hij hem tot model voor eene zijner ephebenbeelden op den fries van het Parthenon wilde gebruiken. Cratinus stiet heimelijke verwenschingen uit en zei tot zijn buurman Sophocles:

„Die toovenares, die Circe, die Omphale zal aan mij denken! zij laat mij zelfs dien krachtigen Chiër uit den grooten beker drinken! Zoolang ik nuchteren was, merkte ik er niets van; nu echter is het mij duidelijk, waarop zij het gemunt heeft.”—Polygnotus verzekerde zijn buurman, dat hij, met uitzondering van de jeugdige Elpinice, nog nooit eene zoo schoon gevormde vrouw als Aspasia gezien had. „Pericles,” zei de purperroode Hipponicus met eene stem, die trilde van aandoening, „Pericles, gij weet dat ik u steeds in eere heb gehouden, dat ik u den innigsten dank verschuldigd ben, omdat gij vóór eenige jaren mij van de toen nog schoone, maar kijfzieke Telesippe hebt afgeholpen. Doe mij nog het genoegen mij toe te staan een schathuis op den burg te bouwen—want ik heb zesduizend slaven in het werk in de zilvermijnen en mijn vermogen neemt bij den dag toe en men is voor dieven niet veilig. En als uw pleegzoon Alcibiades grooter is … mijn dochtertje Hipparete … de schoonste aller Helleensche jonkvrouwen …

„Het zij zoo,” zei Pericles met een vriendelijken glimlach.

Hij was de eenige van het geheele gezelschap op wienBacchuszijne macht niet had kunnen uitoefenen; niet omdat hij minder gedronken had, maar omdat zijn gestel even sterk was, als zijne ziel[300]zacht. Hij sprak met Protagoras over de politiek, over veranderingen in de volksheerschappij te Athene, over het uitzenden van de kolonie, over de mogelijkheid dat een veldtocht op handen was. Protagoras echter was verstrooid, daar hij telkens vurige blikken sloeg op de schoone Milesische. Eindelijk verraste de stille Ictinus de dischgenooten door het aanheffen van een paeän opDionysus, die toen door allen in koor gezongen werd.

Zoo heerschte er op het symposion ten huize van Hipponicus eene feestelijke stemming, die aangewakkerd werd door Bacchus’ heerlijke gaven, door zinnenstreelende bekoorlijkheden, door de betoovering, die er uitging van de schoone Milesische, eene stemming die gekruid werd door de bloem van den Helleenschen geest.

Toen stond de welsprekende Protagoras op en stelde den volgenden toost in:

„De symposiarche Aspasia heeft mij, zooals gij weet, hare plaats afgestaan. Ik maak van mijn recht gebruik, om voor een oogenblik mij hare waardigheid aan te matigen en u uit te noodigen dezen laatsten dronk aan Aspasia zelve te wijden. Hoog heeft zij als koningin der tafel de banier der schoone vreugde opgeheven, zegevierende heeft zij het rijk van den blijden levenslust tegen den ernst en de strengheid der wijsheid verdedigd, op gunstige oogenblikken heeft zij nu eens door Dionysus’ gaven, dan eens met de hulp van Eros en de Chariten, dan weder met de betoovering der zinnen den strijd tegen den vijand gevoerd, zij heeft met zoete bedwelming de vragen van den waarheidszoeker in slaap gesust en het grijze hoofd van den grijsaard, dien het jeugdig vuur had verlaten, onder bloemen begraven, zij heeft ons allen de hooge zee der Dionysische vreugde doen doorklieven. Zonder gevaar echter is de zachte dronkenschap voor de edele Hellenen en niet verderfelijk dringt zij tot in de diepten der hoofden, maar als dauw slaat haar zilveren nevel neder op de bladeren der kransen, waarmede wij verkoelend[301]ons voorhoofd omschaduwe! Derhalve, mijne vrienden, ledigt met mij dezen laatsten beker ter eere van de schoone en wijze koningin onzer tafel, de goddelijke Aspasia!”

Zoo sprak Protagoras en de uitgelezen mannen beantwoordden dezen dronk met vuur. De groote mannen, die bij het maal van Hipponicus vereenigd waren als omkranste feestgenooten, vormden om Pericles en Aspasia eene groep die op het veld van den roem als de schitterendste sterren van Oud-Hellas fonkelden!—

En toen de laatste bekers geledigd waren, namen de mannen met een warmen handdruk van elkander afscheid en verlieten het huis van Hipponicus, toen de morgen reeds grauwde.

„Kunt ook gij instemmen met de lofspraak van Protagoras op de symposiarche?” vroeg Aspasia aan Pericles toen zij zich met hem alleen bevond.

„Ik bewonder u thans nog meer,” zei Pericles; „maar vreest gij niet, dat ik wat minder liefheb?”

„Waarom?” vroeg Aspasia.

„Omdat gij altijd een woord hebt voor iedereen,” hernam hij; „wat hebt gij dan over voor Pericles?”

„Mij zelve,” antwoordde Aspasia.

Hij kuste haar op het voorhoofd en zij sloot hem in hare armen, in de volheid van haar geluk.

„Ik weet niet,” zei Pericles, toen hij van haar afscheid nam, „ik zou van u gescheiden mij weder in het druk gewoel der daden willen storten of ongestoorder dan nu een heerlijke maand van liefde met u in idyllische rust doorleven.”

„Wellicht,” hernam Aspasia, „verleenen u de Onsterfelijken het een of het ander of beide te gelijk ter goeder ure.”

De Milesische sloot dien morgen hare moede, schoone oogen in het bewustzijn, dat zij haar doel weder eene schrede nader gekomen was. Zij dacht aan het oogenblik, toen zij vernederd het huis van Pericles moest verlaten; zij dacht aan de fiere Telesippe, die zich onaantastbaar waande en onschendbaar[302]in hare heerschappij aan den huiselijken haard—zij zeide in zich zelve, dat hare geheime en openlijke plannen der verwezenlijking naderden en dat zij in hare zending zou triompheeren, dat zij op de puinhoopen van het overgeleverde en het veroordeel de banier der vrijheid, der schoonheid en der vreugde voor eeuwig zou planten.

1Behalve hetgeen de schrijver aangaande Protagoras mededeelt, is het nog vermeldenswaard, dat Protagoras voor een leerling gehouden wordt van Democritus, wiens atomenleer hij echter niet toegedaan was. Protagoras, vanatheïsme(asebia) beschuldigd, moest Athene verlaten en zijne geschriften werden openlijk verbrand. Zijne hoofdstelling is: de mensch is de maat van alles.Men wil dat hij op zeventigjarigen ouderdom verdronken is.↑2Hippocrates was de beroemdste arts der Oudheid, omstreeks 460 v. C. op het eiland Cos geboren, zoon van Heraclides en Phaenarete. Door zijn vader, arts en priester in het geslacht der Asclepiaden, onderricht, verliet Hippocrates zijn vaderland, hield zich geruimen tijd op Thasos en in Tessalië op en, naar men beweert, zou hij in 377 te Larissa gestorven zijn, waar een grafteeken voor hem werd opgericht. De talrijke geschriften, die onder zijn naam tot ons gekomen zijn, zijn niet alle echt. Veel moet op rekening gesteld worden van zijne zonen Thessalus en Draco, zijn schoonzoon Polybus en latere geneesheeren uit den tijd der Ptolomaeën. Hippocrates was tevens een uitstekend wiskundige.↑3Abdera, aan de monding van den Nestus, omstreeks 656 v. C. gegrondvest, was befaamd om de stompzinnigheid zijner inwoners. Hippocrates zocht de oorzaak daarvan in hunne verwijfdheid. V.d. dat „Abderiet” een scheldnaam is, één of beide deze eigenschappen uitdrukkende.↑4Eene soort van zeevisch, eigenlijk thunnos geheeten.↑5Muraena is een schoon gevlekte zeeaal, door de Ouden zeer hoog gewaardeerd.↑6Men plengde bij het einde van den hoofdmaaltijd òf aan den goeden Geest (Daemon) òf aan de Gezondheid (Hugieia).↑7Men herinnere zich, dat de Grieken vrij ongemanierd beentjes, schillen enz. op den grond wierpen. Anders is deze uitdrukking moeilijk te verstaan.↑8Paëan is eigenlijk een plechtig, veelstemmig lied ter eere van Apollo, om hem te smeeken eene ziekte af te wenden; v.d. komt het woord voor als een bijnaam van den God: redder. Voorts beteekent het in het algemeen: een zegezang, een loflied.↑9Symposiarchos of koning van het symposion beteekent ongeveer president van de tafel; we meenden dat woord het best door ceremoniemeester over te zetten, daar zijne functiën vrij wel met die van den titularis in onze dagen overeenkomen. Wij hebben de vrijheid genomen van dit symposiarchos, naar het Grieksch, een vrouwelijke symposiarche te vormen, omdat dit van vele andere ons nog het best voldeed. Voorts houde men in het oog, dat symposion, hoewel eigenlijk een drinkgelag, de eigenlijke maaltijd werd, waar de gasten door muziek, dans en allerlei voorstellingen onderhouden werden.↑10Prutaneion (Prytaneüm) is het openbare gebouw in de vrije Grieksche steden, waarvan steeds het vuur werd onderhouden ter eere van Hestia, de Godin van den huiselijken haard; te Athene mochten daarin de prytanen (zienoot 1 pag. 76), de buitenlandsche gezanten en ook verdienstelijke burgers spijzigen. Vandaar dat Socrates, gevraagd zijnde welke straf hij zich waardig keurde, antwoordde: „In het prytaneüm op staatskosten te worden onderhouden.”↑11Thrax beteekent eigenlijk Thraciër; de slaaf werd zoo naar zijn vaderland genoemd.↑12De Sphinx, een monster met het lichaam van een leeuw en een vrouwelijk hoofd, verscheen in de nabijheid van Thebe en stortte ieder in den afgrond, die het raadsel niet kon oplossen: „Welk is het wezen, dat ’s morgens op vier, ’s middags op twee en ’s avonds op drie voeten gaat.” Oedipus loste het raadsel op, daar hij meende dat de mensch bedoeld werd in zijne verschillende levensperioden.↑13Herkeios beteekent: tot den hof, het huis behoorend; Zeus had, als beschermer van het huis, in den voorhof zijn altaar; v.d. had hij den bijnaam Herkeios, beschermgod des huizes.↑14Hecate is de Godin van het maanlicht, soms ook van de onderwereld, van verschijningen, spoken en betoovering; vooral op kruiswegen werd zij vereerd. Zoo werd zij ook in de huizen aangeroepen, om tooverij en dergelijke zaken af te weren.↑15Agyieus beteekent beschermer der straten (aguia); Apollo als beschermgod daarvan had een zuilvormig altaar voor de huisdeur, waarop reukoffers gebrand werden.↑16De Pyanepsiën was een feest te Athene ter eere van Apollo, waarop men een gerecht van peulvruchten of boonen bereidde: de maand waarin dat feest gevierd werd, heette Pyanepsion, dat is van half October tot half November.↑17Tartarus komt bij de oude dichters vooreerst als persoon voor verbonden met Gaea, de vader van Typhoeüs. Voorts beteekent het: een donkere afgrond en doorgaans, zooals hier, „de onderwereld”, „het schimmenrijk”.↑18Een daricus („Dara”, in ’t Perzisch, = vorst) bedroeg twintig zilveren drachmen, ongeveer f9,—.↑19Skoliën(eigenl. schuin, niet volgens de rij) is een lied, dat op symposia bij beurten door de gasten gezongen werd: een tafellied.↑20Lycurgus was Sparta’s beroemdste wetgever. Hij leefde ongeveer in 888 v. C. Na vele reizen gedaan en talrijke onderzoekingen in het werk gesteld te hebben, keerde Lycurgus naar Sparta terug en gaf zijne wetten in de „Rhetra” vervat.↑21Krater is een „mengvat”; de Grieken dronken doorgaans met water vermengden wijn; de verhouding van het water tot den wijn was gewoonlijk als 3 : 1, soms als 2 : 1, zelden als 3 : 2. Het drinken van onvermengden wijn achtte men een barbaar en drinker waardig.↑

1Behalve hetgeen de schrijver aangaande Protagoras mededeelt, is het nog vermeldenswaard, dat Protagoras voor een leerling gehouden wordt van Democritus, wiens atomenleer hij echter niet toegedaan was. Protagoras, vanatheïsme(asebia) beschuldigd, moest Athene verlaten en zijne geschriften werden openlijk verbrand. Zijne hoofdstelling is: de mensch is de maat van alles.Men wil dat hij op zeventigjarigen ouderdom verdronken is.↑2Hippocrates was de beroemdste arts der Oudheid, omstreeks 460 v. C. op het eiland Cos geboren, zoon van Heraclides en Phaenarete. Door zijn vader, arts en priester in het geslacht der Asclepiaden, onderricht, verliet Hippocrates zijn vaderland, hield zich geruimen tijd op Thasos en in Tessalië op en, naar men beweert, zou hij in 377 te Larissa gestorven zijn, waar een grafteeken voor hem werd opgericht. De talrijke geschriften, die onder zijn naam tot ons gekomen zijn, zijn niet alle echt. Veel moet op rekening gesteld worden van zijne zonen Thessalus en Draco, zijn schoonzoon Polybus en latere geneesheeren uit den tijd der Ptolomaeën. Hippocrates was tevens een uitstekend wiskundige.↑3Abdera, aan de monding van den Nestus, omstreeks 656 v. C. gegrondvest, was befaamd om de stompzinnigheid zijner inwoners. Hippocrates zocht de oorzaak daarvan in hunne verwijfdheid. V.d. dat „Abderiet” een scheldnaam is, één of beide deze eigenschappen uitdrukkende.↑4Eene soort van zeevisch, eigenlijk thunnos geheeten.↑5Muraena is een schoon gevlekte zeeaal, door de Ouden zeer hoog gewaardeerd.↑6Men plengde bij het einde van den hoofdmaaltijd òf aan den goeden Geest (Daemon) òf aan de Gezondheid (Hugieia).↑7Men herinnere zich, dat de Grieken vrij ongemanierd beentjes, schillen enz. op den grond wierpen. Anders is deze uitdrukking moeilijk te verstaan.↑8Paëan is eigenlijk een plechtig, veelstemmig lied ter eere van Apollo, om hem te smeeken eene ziekte af te wenden; v.d. komt het woord voor als een bijnaam van den God: redder. Voorts beteekent het in het algemeen: een zegezang, een loflied.↑9Symposiarchos of koning van het symposion beteekent ongeveer president van de tafel; we meenden dat woord het best door ceremoniemeester over te zetten, daar zijne functiën vrij wel met die van den titularis in onze dagen overeenkomen. Wij hebben de vrijheid genomen van dit symposiarchos, naar het Grieksch, een vrouwelijke symposiarche te vormen, omdat dit van vele andere ons nog het best voldeed. Voorts houde men in het oog, dat symposion, hoewel eigenlijk een drinkgelag, de eigenlijke maaltijd werd, waar de gasten door muziek, dans en allerlei voorstellingen onderhouden werden.↑10Prutaneion (Prytaneüm) is het openbare gebouw in de vrije Grieksche steden, waarvan steeds het vuur werd onderhouden ter eere van Hestia, de Godin van den huiselijken haard; te Athene mochten daarin de prytanen (zienoot 1 pag. 76), de buitenlandsche gezanten en ook verdienstelijke burgers spijzigen. Vandaar dat Socrates, gevraagd zijnde welke straf hij zich waardig keurde, antwoordde: „In het prytaneüm op staatskosten te worden onderhouden.”↑11Thrax beteekent eigenlijk Thraciër; de slaaf werd zoo naar zijn vaderland genoemd.↑12De Sphinx, een monster met het lichaam van een leeuw en een vrouwelijk hoofd, verscheen in de nabijheid van Thebe en stortte ieder in den afgrond, die het raadsel niet kon oplossen: „Welk is het wezen, dat ’s morgens op vier, ’s middags op twee en ’s avonds op drie voeten gaat.” Oedipus loste het raadsel op, daar hij meende dat de mensch bedoeld werd in zijne verschillende levensperioden.↑13Herkeios beteekent: tot den hof, het huis behoorend; Zeus had, als beschermer van het huis, in den voorhof zijn altaar; v.d. had hij den bijnaam Herkeios, beschermgod des huizes.↑14Hecate is de Godin van het maanlicht, soms ook van de onderwereld, van verschijningen, spoken en betoovering; vooral op kruiswegen werd zij vereerd. Zoo werd zij ook in de huizen aangeroepen, om tooverij en dergelijke zaken af te weren.↑15Agyieus beteekent beschermer der straten (aguia); Apollo als beschermgod daarvan had een zuilvormig altaar voor de huisdeur, waarop reukoffers gebrand werden.↑16De Pyanepsiën was een feest te Athene ter eere van Apollo, waarop men een gerecht van peulvruchten of boonen bereidde: de maand waarin dat feest gevierd werd, heette Pyanepsion, dat is van half October tot half November.↑17Tartarus komt bij de oude dichters vooreerst als persoon voor verbonden met Gaea, de vader van Typhoeüs. Voorts beteekent het: een donkere afgrond en doorgaans, zooals hier, „de onderwereld”, „het schimmenrijk”.↑18Een daricus („Dara”, in ’t Perzisch, = vorst) bedroeg twintig zilveren drachmen, ongeveer f9,—.↑19Skoliën(eigenl. schuin, niet volgens de rij) is een lied, dat op symposia bij beurten door de gasten gezongen werd: een tafellied.↑20Lycurgus was Sparta’s beroemdste wetgever. Hij leefde ongeveer in 888 v. C. Na vele reizen gedaan en talrijke onderzoekingen in het werk gesteld te hebben, keerde Lycurgus naar Sparta terug en gaf zijne wetten in de „Rhetra” vervat.↑21Krater is een „mengvat”; de Grieken dronken doorgaans met water vermengden wijn; de verhouding van het water tot den wijn was gewoonlijk als 3 : 1, soms als 2 : 1, zelden als 3 : 2. Het drinken van onvermengden wijn achtte men een barbaar en drinker waardig.↑

1Behalve hetgeen de schrijver aangaande Protagoras mededeelt, is het nog vermeldenswaard, dat Protagoras voor een leerling gehouden wordt van Democritus, wiens atomenleer hij echter niet toegedaan was. Protagoras, vanatheïsme(asebia) beschuldigd, moest Athene verlaten en zijne geschriften werden openlijk verbrand. Zijne hoofdstelling is: de mensch is de maat van alles.Men wil dat hij op zeventigjarigen ouderdom verdronken is.↑

1Behalve hetgeen de schrijver aangaande Protagoras mededeelt, is het nog vermeldenswaard, dat Protagoras voor een leerling gehouden wordt van Democritus, wiens atomenleer hij echter niet toegedaan was. Protagoras, vanatheïsme(asebia) beschuldigd, moest Athene verlaten en zijne geschriften werden openlijk verbrand. Zijne hoofdstelling is: de mensch is de maat van alles.

Men wil dat hij op zeventigjarigen ouderdom verdronken is.↑

2Hippocrates was de beroemdste arts der Oudheid, omstreeks 460 v. C. op het eiland Cos geboren, zoon van Heraclides en Phaenarete. Door zijn vader, arts en priester in het geslacht der Asclepiaden, onderricht, verliet Hippocrates zijn vaderland, hield zich geruimen tijd op Thasos en in Tessalië op en, naar men beweert, zou hij in 377 te Larissa gestorven zijn, waar een grafteeken voor hem werd opgericht. De talrijke geschriften, die onder zijn naam tot ons gekomen zijn, zijn niet alle echt. Veel moet op rekening gesteld worden van zijne zonen Thessalus en Draco, zijn schoonzoon Polybus en latere geneesheeren uit den tijd der Ptolomaeën. Hippocrates was tevens een uitstekend wiskundige.↑

2Hippocrates was de beroemdste arts der Oudheid, omstreeks 460 v. C. op het eiland Cos geboren, zoon van Heraclides en Phaenarete. Door zijn vader, arts en priester in het geslacht der Asclepiaden, onderricht, verliet Hippocrates zijn vaderland, hield zich geruimen tijd op Thasos en in Tessalië op en, naar men beweert, zou hij in 377 te Larissa gestorven zijn, waar een grafteeken voor hem werd opgericht. De talrijke geschriften, die onder zijn naam tot ons gekomen zijn, zijn niet alle echt. Veel moet op rekening gesteld worden van zijne zonen Thessalus en Draco, zijn schoonzoon Polybus en latere geneesheeren uit den tijd der Ptolomaeën. Hippocrates was tevens een uitstekend wiskundige.↑

3Abdera, aan de monding van den Nestus, omstreeks 656 v. C. gegrondvest, was befaamd om de stompzinnigheid zijner inwoners. Hippocrates zocht de oorzaak daarvan in hunne verwijfdheid. V.d. dat „Abderiet” een scheldnaam is, één of beide deze eigenschappen uitdrukkende.↑

3Abdera, aan de monding van den Nestus, omstreeks 656 v. C. gegrondvest, was befaamd om de stompzinnigheid zijner inwoners. Hippocrates zocht de oorzaak daarvan in hunne verwijfdheid. V.d. dat „Abderiet” een scheldnaam is, één of beide deze eigenschappen uitdrukkende.↑

4Eene soort van zeevisch, eigenlijk thunnos geheeten.↑

4Eene soort van zeevisch, eigenlijk thunnos geheeten.↑

5Muraena is een schoon gevlekte zeeaal, door de Ouden zeer hoog gewaardeerd.↑

5Muraena is een schoon gevlekte zeeaal, door de Ouden zeer hoog gewaardeerd.↑

6Men plengde bij het einde van den hoofdmaaltijd òf aan den goeden Geest (Daemon) òf aan de Gezondheid (Hugieia).↑

6Men plengde bij het einde van den hoofdmaaltijd òf aan den goeden Geest (Daemon) òf aan de Gezondheid (Hugieia).↑

7Men herinnere zich, dat de Grieken vrij ongemanierd beentjes, schillen enz. op den grond wierpen. Anders is deze uitdrukking moeilijk te verstaan.↑

7Men herinnere zich, dat de Grieken vrij ongemanierd beentjes, schillen enz. op den grond wierpen. Anders is deze uitdrukking moeilijk te verstaan.↑

8Paëan is eigenlijk een plechtig, veelstemmig lied ter eere van Apollo, om hem te smeeken eene ziekte af te wenden; v.d. komt het woord voor als een bijnaam van den God: redder. Voorts beteekent het in het algemeen: een zegezang, een loflied.↑

8Paëan is eigenlijk een plechtig, veelstemmig lied ter eere van Apollo, om hem te smeeken eene ziekte af te wenden; v.d. komt het woord voor als een bijnaam van den God: redder. Voorts beteekent het in het algemeen: een zegezang, een loflied.↑

9Symposiarchos of koning van het symposion beteekent ongeveer president van de tafel; we meenden dat woord het best door ceremoniemeester over te zetten, daar zijne functiën vrij wel met die van den titularis in onze dagen overeenkomen. Wij hebben de vrijheid genomen van dit symposiarchos, naar het Grieksch, een vrouwelijke symposiarche te vormen, omdat dit van vele andere ons nog het best voldeed. Voorts houde men in het oog, dat symposion, hoewel eigenlijk een drinkgelag, de eigenlijke maaltijd werd, waar de gasten door muziek, dans en allerlei voorstellingen onderhouden werden.↑

9Symposiarchos of koning van het symposion beteekent ongeveer president van de tafel; we meenden dat woord het best door ceremoniemeester over te zetten, daar zijne functiën vrij wel met die van den titularis in onze dagen overeenkomen. Wij hebben de vrijheid genomen van dit symposiarchos, naar het Grieksch, een vrouwelijke symposiarche te vormen, omdat dit van vele andere ons nog het best voldeed. Voorts houde men in het oog, dat symposion, hoewel eigenlijk een drinkgelag, de eigenlijke maaltijd werd, waar de gasten door muziek, dans en allerlei voorstellingen onderhouden werden.↑

10Prutaneion (Prytaneüm) is het openbare gebouw in de vrije Grieksche steden, waarvan steeds het vuur werd onderhouden ter eere van Hestia, de Godin van den huiselijken haard; te Athene mochten daarin de prytanen (zienoot 1 pag. 76), de buitenlandsche gezanten en ook verdienstelijke burgers spijzigen. Vandaar dat Socrates, gevraagd zijnde welke straf hij zich waardig keurde, antwoordde: „In het prytaneüm op staatskosten te worden onderhouden.”↑

10Prutaneion (Prytaneüm) is het openbare gebouw in de vrije Grieksche steden, waarvan steeds het vuur werd onderhouden ter eere van Hestia, de Godin van den huiselijken haard; te Athene mochten daarin de prytanen (zienoot 1 pag. 76), de buitenlandsche gezanten en ook verdienstelijke burgers spijzigen. Vandaar dat Socrates, gevraagd zijnde welke straf hij zich waardig keurde, antwoordde: „In het prytaneüm op staatskosten te worden onderhouden.”↑

11Thrax beteekent eigenlijk Thraciër; de slaaf werd zoo naar zijn vaderland genoemd.↑

11Thrax beteekent eigenlijk Thraciër; de slaaf werd zoo naar zijn vaderland genoemd.↑

12De Sphinx, een monster met het lichaam van een leeuw en een vrouwelijk hoofd, verscheen in de nabijheid van Thebe en stortte ieder in den afgrond, die het raadsel niet kon oplossen: „Welk is het wezen, dat ’s morgens op vier, ’s middags op twee en ’s avonds op drie voeten gaat.” Oedipus loste het raadsel op, daar hij meende dat de mensch bedoeld werd in zijne verschillende levensperioden.↑

12De Sphinx, een monster met het lichaam van een leeuw en een vrouwelijk hoofd, verscheen in de nabijheid van Thebe en stortte ieder in den afgrond, die het raadsel niet kon oplossen: „Welk is het wezen, dat ’s morgens op vier, ’s middags op twee en ’s avonds op drie voeten gaat.” Oedipus loste het raadsel op, daar hij meende dat de mensch bedoeld werd in zijne verschillende levensperioden.↑

13Herkeios beteekent: tot den hof, het huis behoorend; Zeus had, als beschermer van het huis, in den voorhof zijn altaar; v.d. had hij den bijnaam Herkeios, beschermgod des huizes.↑

13Herkeios beteekent: tot den hof, het huis behoorend; Zeus had, als beschermer van het huis, in den voorhof zijn altaar; v.d. had hij den bijnaam Herkeios, beschermgod des huizes.↑

14Hecate is de Godin van het maanlicht, soms ook van de onderwereld, van verschijningen, spoken en betoovering; vooral op kruiswegen werd zij vereerd. Zoo werd zij ook in de huizen aangeroepen, om tooverij en dergelijke zaken af te weren.↑

14Hecate is de Godin van het maanlicht, soms ook van de onderwereld, van verschijningen, spoken en betoovering; vooral op kruiswegen werd zij vereerd. Zoo werd zij ook in de huizen aangeroepen, om tooverij en dergelijke zaken af te weren.↑

15Agyieus beteekent beschermer der straten (aguia); Apollo als beschermgod daarvan had een zuilvormig altaar voor de huisdeur, waarop reukoffers gebrand werden.↑

15Agyieus beteekent beschermer der straten (aguia); Apollo als beschermgod daarvan had een zuilvormig altaar voor de huisdeur, waarop reukoffers gebrand werden.↑

16De Pyanepsiën was een feest te Athene ter eere van Apollo, waarop men een gerecht van peulvruchten of boonen bereidde: de maand waarin dat feest gevierd werd, heette Pyanepsion, dat is van half October tot half November.↑

16De Pyanepsiën was een feest te Athene ter eere van Apollo, waarop men een gerecht van peulvruchten of boonen bereidde: de maand waarin dat feest gevierd werd, heette Pyanepsion, dat is van half October tot half November.↑

17Tartarus komt bij de oude dichters vooreerst als persoon voor verbonden met Gaea, de vader van Typhoeüs. Voorts beteekent het: een donkere afgrond en doorgaans, zooals hier, „de onderwereld”, „het schimmenrijk”.↑

17Tartarus komt bij de oude dichters vooreerst als persoon voor verbonden met Gaea, de vader van Typhoeüs. Voorts beteekent het: een donkere afgrond en doorgaans, zooals hier, „de onderwereld”, „het schimmenrijk”.↑

18Een daricus („Dara”, in ’t Perzisch, = vorst) bedroeg twintig zilveren drachmen, ongeveer f9,—.↑

18Een daricus („Dara”, in ’t Perzisch, = vorst) bedroeg twintig zilveren drachmen, ongeveer f9,—.↑

19Skoliën(eigenl. schuin, niet volgens de rij) is een lied, dat op symposia bij beurten door de gasten gezongen werd: een tafellied.↑

19Skoliën(eigenl. schuin, niet volgens de rij) is een lied, dat op symposia bij beurten door de gasten gezongen werd: een tafellied.↑

20Lycurgus was Sparta’s beroemdste wetgever. Hij leefde ongeveer in 888 v. C. Na vele reizen gedaan en talrijke onderzoekingen in het werk gesteld te hebben, keerde Lycurgus naar Sparta terug en gaf zijne wetten in de „Rhetra” vervat.↑

20Lycurgus was Sparta’s beroemdste wetgever. Hij leefde ongeveer in 888 v. C. Na vele reizen gedaan en talrijke onderzoekingen in het werk gesteld te hebben, keerde Lycurgus naar Sparta terug en gaf zijne wetten in de „Rhetra” vervat.↑

21Krater is een „mengvat”; de Grieken dronken doorgaans met water vermengden wijn; de verhouding van het water tot den wijn was gewoonlijk als 3 : 1, soms als 2 : 1, zelden als 3 : 2. Het drinken van onvermengden wijn achtte men een barbaar en drinker waardig.↑

21Krater is een „mengvat”; de Grieken dronken doorgaans met water vermengden wijn; de verhouding van het water tot den wijn was gewoonlijk als 3 : 1, soms als 2 : 1, zelden als 3 : 2. Het drinken van onvermengden wijn achtte men een barbaar en drinker waardig.↑


Back to IndexNext