[Inhoud]VIII.HET OFFER AAN DE CHARITEN.Geen scheppende en werkende geest gaat zoo geheel en al in zijn werk op, als die des beeldhouwers. Geen anderen weg betrad Phidias, dan die tusschen de Acropolis en zijne werkplaats liep. Hij zag zelfs in zijne nachtelijke droomen niets anders dan zijne godenbeelden, zijne groepen, zijne friezen en niet zelden vond hij, omdat zijn rustelooze geest en in den slaap evenals overdag werkzaam was, niet zonder verwondering bij zijn ontwaken zijne plannen verder gevorderd en gerijpt. Verscheidene zijner beelden waren oorspronkelijk droomgezichten geweest en hij kon beweren, dat hem Goden in den droom verschenen waren, evenals aan de helden van Homerus. De geheele wereld had slechts waarde voor hem, in zoover zij betrekking had op zijne kunstenaarsziel. Hij deed afstand van de genietingen des levens; hij was eenzaam en ongehuwd.Zijne ziel was vervuld met allerlei ontwerpen en zijn helder oog was de klare spiegel van zijn geest.Het was een bont gewemel van menschen en dingen in de zalen en pleinen van de werkplaatsen van Phidias. Steeds waren er ontwerpen te bedenken, te onderzoeken, te verwerpen, steeds opnieuw modellen in klei te vormen en de verhoudingen te berekenen. Naar de kleimodellen werd ook menig kunstwerk eerst door de steenhouwers uit het ruwe blok gehouwen en later aan de fijnere hand des kunstenaars ter volledige afwerking toevertrouwd.[219]Een puinhoop kon Phidias’ werkplaats genoemd worden, maar een puinhoop der wording, niet der vernietiging. Het was de chaos, doch niet de chaos van den ondergang, maar de chaos waaruit de schepping geboren werd. Brokken lagen overal verspreid maar niet als deelen van een geheel, dat bestaan had, maar als deelen, die op weg waren, om een geheel te worden.En over dien bajert zweefde de geest van Phidias. Deze geest bestuurde alles. Hij hield den vurigen Alcamenes en den strengen Agoracritus in bedwang en dreef hen tot eendrachtig samenwerken.Deze beide waren zijne machtigste armen; de eerste verleende hem bovendien zijne hulp door zijne welbespraaktheid. Wat Phidias eens had gezegd, in korte, wellicht raadselachtige woorden zich had laten ontvallen, dat herhaalde en verduidelijkte Alcamenes, prentte het in zijn geheugen en deelde het later weder mede.Juist liet hij zijn oog gaan over die jongeren en kunstenaars, wier arbeid bijzonder aan zijne zorgen was toevertrouwd. Overal berispte hij, vermaande hij, spoorde hij aan met de vurigheid, die hem eigen was, terwijl hij de bestanddeelen der gevelgroepen, friezen en metopenbeelden nauwkeurig beschouwde.„Wat doet gij daar, Dracyllus? Te zwak gewelfd om op een afstand uitwerking te doen is die borst; het veld van het onderlijf te weinig geleed, de kuiten te onduidelijk geteekend. De hoofdspieren te weinig, de mindere spieren te veel op den voorgrond geplaatst!—Charicles, gij spant hier de huid te strak, daar te slap over de spieren. Hier is zij niet los genoeg, bijna niet te verschuiven. Het moet schijnen, alsof men zelfs bij bronzen of marmeren beelden het vel tusschen zijne twee vingers kan nemen en een weinig naar boven kan trekken!—Uw God, Lycius, is schier niet te herkennen uit de plooien van zijn gewaad. Behoort gij soms ook tot die beeldhouwers,[220]wier Heracles1alleen aan de knots kenbaar is?—Ook uw bronnimf, Crinagoras, schijnt aan haar kruik gekend te moeten worden, in plaats dat gij het zachte, als ’t ware vloeibare harer leden over het diepst van haar wezen hadt uitgespreid.”Thans kwam hij bij eene groep van Parthenon-fries: jongelingen, die steigerende rossen optoomden.„Bij welke merrie, Lycius, hebt gij dien dikken kop, die stompe ooren gezien? Ook het geheel is te stijf, te houterig, te ouderwetsch! Zijt gij bij de Aegineten ter schole gegaan? Zulk ouderwetsch prulwerk zou zelfs Argeladas2niet goedgekeurd hebben!”—Zoo ging Alcamenes te werk, berispte nog dit en dat in het bijzonder en scheen in zijn vuur geneigd, om het beeld van den leerling stuk te slaan, hetgeen hem dikwijls overkwam, wanneer de toorn zich van hem meester maakte.Agoracritus naderde en nam, naar zijne gewoonte, den armen leerling tegen den driftigen Alcamenes in bescherming. Dezen steeg het bloed naar het hoofd en gaf hem een scherp antwoord.Op dit oogenblik echter naderde Phidias en onder zijne geleide een paar menschen, die in ’t geheel geen vreemdelingen waren in deze werkplaats.Hoe hadden Pericles en Aspasia zich het genot kunnen ontzeggen nu en dan een blik te gaan werpen op de rustige vorderingen van die grootsche ontwerpen?Zij waren gekomen en hadden den meester midden onder de schare zijner leerlingen gevonden, tusschen zijne kleimodellen, nog onvoltooide werken en half gehouwen marmerblokken; zij vonden hem minder spraakzaam, strenger, ingetrokkener, meer in zich zelven verdiept dan ooit te voren.[221]Toen Alcamenes de Milesische zag, deed hij zijn best onverschillig en opgeruimd te schijnen, en de nog niet geheel verkropte spijt te verbergen, die hij bij de vluchtige ontmoeting op de Agora had laten doorschemeren. De sombere Agoracritus echter deed volstrekt geen moeite om den wrok te verhelen, dien hij nog steeds tegen Aspasia koesterde. Hij ging op zij en sprak geen enkel woord tot de beide aanzienlijke bezoekers.Daar dezen bij hun binnentreden in de zaal nog iets van den woordenstrijd tusschen Alcamenes en Agoracritus hadden opgevangen, viel het gesprek terstond op dat zelfde onderwerp en de levendige Aspasia sprak het onverholen uit, dat zij het volkomen met Alcamenes eens was, als hij de laatste sporen der overlevering van het ouderwetsche uit de kunst wilde weggenomen zien. Bij de beschouwing der ontwerpen en kleimodellen voor de kolossale gevelgroepen, voor de friezen en metopenbeelden, vond zij menig pronkstuk nog te hard en streng en zelfs de hoogste bloeitijd der kunsten scheen haar toe te langzaam te komen.Onverholen sprak zij haar meening uit.„De schoone Aspasia,” zei Phidias met een ernstigen lach, „zou willen, dat alles wat wij maken, zoo sierlijk, weelderig en bekoorlijk is, als zij zelve. Maar vergeet niet, Aspasia, dat wij beeldhouwers verplicht zijn in onze scheppingen niet het bloot menschelijke, niet het alledaagsch schoone en bekoorlijke, maar het bovenmenschelijke, het goddelijke voor te stellen en te belichamen.”„Phidias heeft misschien gelijk,” zei Pericles, „wanneer hij zich datgene, wat Aspasia streng, stijf, ouderwetsch noemt, niet geheel wil laten ontnemen. Wie weet of het ideaal van het schoone in de beeldende kunst niet op de smalle grens ligt, die de kuische, jonkvrouwelijke schoonheid van de weelderige, vol ontwikkelde scheidt. De hoogste en laatste trap der ontwikkeling is toch ook de eerste der daling; datgene, wat het gemoed met de reinste, edelste betoovering genoegelijk aandoet en verkwikt,[222]moet dus een weinig aan deze zijde van dien hoogsten trap, niet daarop liggen.”„Ook al dat ik u, Phidias,” zei Aspasia, „nog zoo zeer tot het sierlijke, bekoorlijke en weelderige wilde aansporen en dat gij van uw kant de uwen tot dat zelfde doelwit opwektet, geloof ik toch, dat de juiste grens nog in langen tijd niet zou overschreden worden. Want zoover schijnen mij uwe leerlingen nog van het al te sierlijke en al te weeke verwijderd, dat zelfs, wanneer zij met alle krachten er zich op toelegden, zij het bezwaarlijk zouden bereiken. Ik zeg niet, dat gij langzaam zijt, maar de weg is lang.”„Wanneer ik de beelden van Phidias beschouw,” zei Pericles, het gesprek eene andere wending gevende, daar hij vreesde dat Phidias zich beleedigd mocht achten door Aspasia’s woorden, „of de zangen van Homerus hoor, dan vind ik, dat zij verheven zijn in hun bekoorlijkheid en bekoorlijk in hun verhevenheid. Zij zijn verheven, zooals ieder weet, en zij zijn bekoorlijk, zooals niemand loochent, en schoon noemen wij ze misschien juist hierom, omdat ze beide zaken in zich bevatten.”„Daar kan ik mij mede vereenigen,” zeide de steenhouwer Socrates, van zijn werk opziende, daar hij tot dusverre vlijtig aan een marmerblok, dat hem aangewezen was, had zitten beitelen. „Lang heb ik bij mij zelven nagedacht, wat toch de schoonheid is; nu zijn mij Pericles’ woorden als eene lichtstraal in mijne ziel gevallen.—Als het verhevene met het bekoorlijke verbonden, als eene liefelijke verhevenheid en eene verhevene liefelijkheid zou men alzoo het schoone kunnen beschrijven. En wanneer Aspasia en Pericles weder eens over de juiste grenzen der ontwikkeling in de kunsten spreken, zoo behoeven zij slechts te zeggen, dat het schoone om schoon te blijven, nooit alleen bekoorlijk en nooit alleen verheven, maar steeds beide te gelijk moet zijn. Gaven mij toch de Goden bij elken beitelslag, dien ik hier in Phidias’ werkplaats zal slaan, deze les gedachtig te zijn,[223]in ’t bijzonder als ik de hand leg aan het wijgeschenk, dat ik voornemens ben aan de Godin van Phidias op den dag, dat haar feestgebouw op Acropolis zal ingewijd worden, op te dragen.”„Hoe?” riep Aspasia uit, „de nadenkende steenhouwer zal nu ook als vrij scheppend beeldhouwer zijne krachten beproeven?”„Ja zeker,” hernam Socrates. „Wel is waar hebben Phidias en Alcamenes mij niets van het beeldwerk voor het nieuwe Parthenon opgedragen, om het zelfstandig uit te voeren, en toen ik verzocht mij zulken verhevener arbeid toe te vertrouwen, ben ik door Alcamenes met dien spottenden lach afgewezen, dien hij zoo meesterlijk verstaat. Bij Zeus, ik heb zoo goed als iemand van Phidias geleerd, den volkomen eironden vorm van het gelaat te teekenen, het hoofd klein, maar fijn en schoon geëvenredigd te vormen, voorhoofd en neus op bijna gelijke lijn te plaatsen, de wenkbrauwen in scherpe trekken te doen uitkomen, het oog rond en diep uit te hollen, de neusvleugels zacht af te doen loopen, de kin mollig te ronden, haar en baard golvend voor te stellen. Niet altijd wil ik ruwe marmerblokken houwen en gedachten van anderen, als een machinaal werkman helpen belichamen. Ik wil een wijgeschenk scheppen en trachten met kunstvaardige hand een zelfopgevat, helder, rein begrip in den steen door de beeldende kunst voor te stellen.”„Welk zelfopgevat, rein begrip is het dan, dat gij, zooals ge zegt, in het marmer wilt belichamen?” vroeg Aspasia.„Daar zult gij wel van hooren,” hernam Socrates, „het betaamt immers niet over den arbeid van een leerling te spreken, alvorens gij van het werk des meesters, van de Goddelijke Pallas Athene, zooveel gezien hebt, als heden daarvan te zien is.”Pericles en Aspasia verlangden zeer datgene van Phidias’ werk te zien, wat gereed was. Phidias echter zeide:„Gij zult thans slechts brokstukken daarvan zien,[224]want zooeven werd het kleimodel stuk gezaagd, zooals dat vereischt wordt voor kunstwerk in goud en ivoor.”Zij danste wat haar opgedragen was.Zij danste wat haar opgedragen was.Pericles en Aspasia echter zouden voorloopig voldaan zijn, als zij dit mochten zien en op hun verlangen geleidde Phidias hen met Socrates en Alcamenes naar eene der ruime zalen. Daar wees hij hun een houten voorwerp, waaromheen de gedaante der Godin uit goud en ivoor, evenals vleesch en vel, moest worden aangebracht. Naast de arbeiders, die bezig waren het kleimodel van het grootsche werk in stukken te zagen, zag men anderen, die olifantstanden, van uitnemende schoonheid en grootte, zooals Indië die voortbrengt, in dunne platen te zagen, waarvan elk weder zorgvuldig bewerkt moest worden om een der deelen van het model uit te maken.Pericles en Aspasia beschouwden met aandacht de geweldige brokstukken van den doorgezaagden Colossus.Ook deze brokstukken gaven aanleiding tot nadenken en gelukkigerwijze was juist het hoofd der Godin nog geheel en ongedeerd. Dit konden zij dus naar hartelust beschouwen en zich laten medeslepen door de hooge gedachtenvlucht des meesters, die zich in de heerlijke, diepzinnige trekken dezer nieuwe „Pallas Athene des vredes” openbaarde …Wat in dat beeld zich afspiegelde, was de geestelijke kracht, het was het licht van het heldere verstand, dat opstijgt uit de diepten.„Zoo schoon en diepzinnig, als het gelaat der Godin ons daar tegenstraalt,” zei Pericles, „schijnt zij ons waarlijk als eene die niet uit eene vrouw is geboren, maar voortgekomen is uit het hoofd van haar vader Zeus.”„In het hoofd echter,” viel Socrates in, die naar het rechte begrip der dingen steeds zocht en onmiddellijk van die opmerking partij trok, „in het hoofd zetelen, zooals bekend is, de gedachten. Wat is dus Pallas, die uit het hoofd haars vaders voortgekomen[225]is, anders dan de bezielde en belichaamde gedachte van Zeus? O, gij gelukkige, door de Goden rijk gezegende Phidias, die geroepen zijt het hoogste, dat er bestaat, de gedachte voor te stellen!—Ik arme stumpert, ik zoek naar haar mijn leven lang, de reine gedachte en zou haar gaarne door mijn peinzen uit het hoofd van Zeus in het mijne overbrengen, evenals eene spattende vonk, maar ik kan haar maar nooit vatten. En Phidias hier neemt slechts een beetje leem, een beetje klei en kneedt ze, en onder zijne handen ontstaat uit het leem een beeld, dat mij de oogen verblindt, wanneer ik het aanschouw en mij dwingt uit te roepen: „Dat is de gedachte—de gedachte van Zeus!”—Dat echter Phidias gelijk heeft, wanneer hij de gedachte, zooals hij die daar belichaamd heeft, Pallas Athene noemt, de schitterende schutsgodin van alle Grieken, vindt duidelijk zijne verklaring in de meeningen der wijzen over de gedachte en der dichters over Pallas Athene. Afgezien van de bekende geboorte uit het hoofd van Zeus, verzekeren de dichters aangaande Pallas Athene, dat zij maagdelijk, voorts ook dat zij van eene mannelijke en vrouwelijke natuur tevens is, geheel in tegenstelling met de Godin der liefde, die niets met de gedachte gemeen heeft, maar geheel opgaat in de schoone gewaarwordingen en in de onbewust voortbrengende werken der liefde. Wie echter zal loochenen, dat ook de gedachte maagdelijk en mannelijk en vrouwelijk te gelijk is? De gedachte is koel, als het licht der sterren, en blijft zelfgenoegzaam in hare reine, heldere sfeer; slechts haar tegenhanger, het gevoel, is enkel gloed en brengt voort en gaat op in de werken der liefde. En het ontzetting verspreidende Gorgonenhoofd, ’t welk de dichters en de beeldhouwers op het schild der Godin Pallas Athene plaatsen, wat is het toch anders, dan de afschuw van den overwonnen nacht, welke de zegevierende gedachte als tropee in haar schild voert? Zoo is het dan aan geen twijfel[226]onderhevig, dat Phidias de gedachte heeft willen voorstellen, opdat wij echter ook steeds mogen zeggen als het ons beter voorkomt, dat het hoofd daar vóór ons het hoofd is van de Godin Pallas Athene …”De ernstige Phidias glimlachte bij deze woorden; Alcamenes echter viel den spreker in de rede en klopte hem met goedkeurenden blik op de schouders en prees zijne woorden. Aspasia zei:„Wanneer Phidias, zooals gij beweert, Socrates, de macht der ijle gedachten heeft willen belichamen, heeft hij wellicht, terwijl hij ze schiep, niet eens aan die gedachte gedacht”—„Dat wedervaart andere vaders ook wel eens,” hernam Socrates.„U overkomt dat zeker nooit!” riep Alcamenes met schalkschen lach den denker aanziende.„Neen,” hernam Socrates, „maar waarom maakt gij u ten mijnen koste vroolijk? Denken is beter dan niet te denken. Mogen de Goden al hun lievelingen het beste in den droom beschikken, wij moeten steeds trachten ons met wakkere zinnen te behelpen. Gij hebt u ongetwijfeld er over verwonderd, Aspasia, dat ik u zoo dikwijls naar het wezen der liefde heb gevraagd. En toch kon ik niet anders. Evenals Phidias het zegevierend licht der gedachte in het beeld van Pallas Athene heeft belichaamd, zoo zou ik in een beeld van Eros de liefde willen teruggeven. Gij zult toch zeker niet beweren dat Eros een verachtelijke God is; vele wijzen noemen hem zelfs den oudsten en eersten van alle, en wanneer de liefde, naar het schijnt, boven alles een streven, een zoeken, een verlangen is, dan mag ik toch wel zeggen, dat die God eigenlijk de mijne is. Om echter nauwkeuriger met hem bekend te worden, ben ik, gelijk gij weet, dikwijls vragend en onderzoekend bij de menschen rondgegaan.”—„Dat is waar,” viel Alcamenes lachend in, „gij zijt meer op de Agora en op de zuilengaanderijen en andere openbare plaatsen te zien geweest, dan[227]hier in Phidias’ werkplaats. Deze man schijnt waarlijk door eene bijzondere onrust gedreven te worden. Eerst hakt hij een halven dag als een dolleman op zijne marmerblokken, dan laat hij eensklaps zijne gereedschappen vallen en staart peinzend een uur lang voor zich uit. Dan springt hij op en loopt weg en komt in een halven dag niet terug. Gij wilt een Eros beitelen? Nu, zeg dan toch wanneer? Weet gij wel, mijn waarde, dat onze meester Phidias u den traagsten zijner leerlingen noemt?”„Ik weet het,” hernam Socrates, „maar ik herinner mij ook, dat gij ook niet zelden den beitel wegwerpt en wegijlt, met of zonder voorwendsel, en, evenals ik, de liefde naloopt, naar men zegt, zonder toch eigenlijk veel naar haar begrip en karakter te vragen.”—„Gij hebt gelijk,” hernam Alcamenes lachend, „ik vraag in ’t geheel niet naar haar begrip. Maar wie zegt u, dat ik altijd de liefde naloop, als ik mij uit de werkplaats verwijder?”„Niet altijd gaat gij zelf weg,” zei Socrates, „soms zendt gij slechts een handlanger of zelfs den dollen Meno, als hij hier juist rondslentert, met briefjes aan de schoone Corinthische Theodota.”—Wederom lachte Alcamenes en Socrates vervolgde:„Mijn vriend Anaxagoras heeft den hartstocht der liefde eene ziekte genoemd: ik weet echter niet of zij eene gewone ziekte is en met artsenijen moet behandeld worden, of eene goddelijke, zooals de geestvervoering der dichters of de verrukking derDelphischepriesteres. Dat de God der liefde vleugels moet hebben en eene knapengestalte, weet ik: hoe ik hem overigens moet voorstellen, ernstig of vroolijk, met de oogen naar boven of naar beneden gericht,—waarlijk, ik zou gaarne willen weten, Aspasia, hoe gij het zoudt aanleggen de liefde voor te stellen, als gij een der onzen waart in deze werkplaats van Phidias.”„Ik zou het niet gaarne beproeven haar voor te stellen,” zei Aspasia. „De liefde is een gevoel,[228]en een gevoel heeft geene gestalte. Waarom wilt gij voorstellen, wat geene gedaante heeft? Stel in de plaats van de liefde, datgene wat de liefde opwekt, het beminnenswaardige, het schoone. Want dit heeft eene gestalte en is vleeschelijk zichtbaar en tastbaar en met alle zintuigen waarneembaar. En gij behoeft niet eerst lang te peinzen en rond te gaan bij de menschen, om er naar te vragen, maar slechts eenvoudig na te maken wat uw oog het schoonst en bekoorlijkst aandoet.”Socrates dacht eenige oogenblikken zwijgend na en sprak toen:„Niets is juister, dan wat gij zegt, Aspasia. Ik zal Eros laten varen en trachten de Chariten te beitelen. Want dezen zijn het toch ook nu weder, waarop gij al zoo dikwerf mijne aandacht vestigt, als op de eigenlijke Godinnen der schoonheid en bekoorlijkheid.Aphroditeis wel is waar schoon, maar zij is niet alleen de Godin der schoonheid, ook en veel meer de Godin der liefde: in haar wezen is de schoonheid reeds met de liefde gemengd; bij de Chariten echter is zij nog rein en vrij op zich zelve en, om mij zoo uit te drukken, zelfgenoegzaam in hare goddelijkheid. Ik zal dus de Chariten beeldhouwen en als wijgeschenk aan de Godin van Phidias op de burg plaatsen. Maar evenals vroeger de liefde, moet ik nu op alle mogelijke wijze de schoonheid onderzoeken. Waar vind ik nu het schoonste en bekoorlijkste te gelijk, om het „eenvoudig na te maken,” zooals Aspasia straks zeide?”„Wanneer gij het bekoorlijkste, dat men slechts zien kan, zoekt,” zei Alcamenes glimlachend, „dan kan ik u een goeden raad geven. Tracht de schoone Corinthische, van wie gij zooeven spraakt, te zien dansen.”„De Corinthische Theodota?” vroeg Socrates. „Ik heb de bevalligheid harer dansen meermalen hooren roemen. Maar wie zou ons het genoegen de Corinthische danseres te zien en te bewonderen, beter kunnen verschaffen, dan gij zelf, Alcamenes,[229]haar welsprekendste lofredenaar en vriend?”„Waarom niet?” hernam Alcamenes opgeruimd. „Wie de hoogste bekoorlijkheid, die de gestalte eener vrouw in dansen, vol uitdrukking, kan ten toon spreiden, wil genieten, die moet naar Theodota gaan zien en ik zal een ieder, die het wenscht, zonder afgunst den toegang tot dit genot openstellen.”Deze woorden van Alcamenes waren niet zonder geheime boosaardigheid tegen Aspasia. Met opzet roemde hij in tegenwoordigheid van Pericles’ vrienden en Pericles zelven de bevalligheid en bekoorlijkheid van eene andere vrouw.De schoone danseres en hetaere Theodota was door toedoen van Alcamenes van Corinthe naar Athene overgekomen.De aanleiding daartoe was zeer eigenaardig geweest.Toen namelijk Alcamenes gemerkt had, dat hij van het bezit van Aspasia, waarvan hij zich vroeger zeker geloofde, moest afzien, was hij door eene heimelijke spijt en ergernis tegen de preutsche Aspasia aangegrepen. Maar hij was te jong, te opgeruimd, te luchthartig, dan dat om dit verlies het heimwee knagen zou aan zijn gemoed; zijn streven was slechts hierop gericht een werkelijk geluk, een werkelijk liefdegenot voor datgene, wat hij zich te vergeefs had voorgespiegeld, in de plaats te stellen.Een zeer rijk Corinthiër had hem een klein beeldwerk in marmer opgedragen. Alcamenes had zich van die opdracht gekweten en het voltooide werk naar Corinthe gezonden. De Corinthiër was verrukt over de bekoorlijkheid en zeldzame bewerking van dit stuk en schreef Alcamenes dat hij voor dit meesterwerk elke belooning, die hij maar wilde, kon ontvangen; wat ooit de wensch zijns harten geweest was, zou hem gegeven worden.Daarop schreef de jonge beeldhouwer met zijn gewonen overmoed aan den Corinthiër het volgende terug:[230]„Het is bekend, dat gij in uw rijk en weelderig Corinthe sedert lange tijden de schoonste „vriendinnen” hebt, die in geheel Hellas te vinden zijn. Daar gij mij voor mijne marmeren groep elken wensch wilt bevredigen, verzoek ik u mij die schoone, welke tegenwoordig te Corinthe den grootsten roep heeft, op uw kosten voor eene maand naar Athene te zenden en haar mede te deelen, dat zij voor die maand mij uitsluitend als model moet dienen voor mijne beeldwerken.”De rijke Corinthiër lachte, toen hij deze regels las en weinige dagen later bevond zich de schoonste hetaere van Corinthe, de danseres Theodota, te Athene bij Alcamenes.Alcamenes was er zeer mede in zijn schik en heugde zich een maand lang in het bezit van de geroemde schoone, op kosten van den rijken Corinthiër.Toen de maand verstreken was en de verplichtingen der schoone Theodota ophielden, gevoelde zij weinig lust naar Corinthe terug te keeren, zij had Athene lief gekregen en besloot daar te blijven.Alcamenes bleef voor haar eene bestendige vriendschap koesteren en roemde haar bij allen, die het hooren wilde, als de schoonste vrouw van Hellas.Hij verzuimde nooit er bij te voegen, dat zij bekoorlijker was, dan de alom geprezene Milesische Aspasia, die meer door sluwheid dan door schoonheid Pericles in hare netten had gevangen.Toen nu Alcamenes in tegenwoordigheid van Aspasia die woorden tot lof van Theodota tot Socrates sprak, begreep zij aanstonds de bedoeling van den gekrenkten jongen man. Zij bemerkte, dat hij heimelijk hare ergernis wilde opwekken door eene andere schoone te prijzen, vooral in de tegenwoordigheid van haar zelve en Pericles. Met de snelheid en gevatheid van den vrouwelijken geest had zij oogenblikkelijk hare gedachten geregeld en haar besluit genomen.Onder de overwegingen, die snel als de bliksem door haar geest gegaan waren, was ook deze geweest,[231]welken indruk wel de door Alcamenes gesproken woorden op het ontvankelijk gemoed van Pericles hadden gemaakt. Zij overdacht, dat Pericles op de gedachte kon komen, de schoone Corinthische te gaan zien en aan deze begeerte zou voldoen zonder het gezelschap zijner vriendin. Dat Pericles in hare afwezigheid Theodota zou ontmoeten, kwam haar niet wenschelijk voor; minder beducht was zij, als zij zelve bij die ontmoeting tegenwoordig ware. Zij wist wat zij tegenover alle andere vrouwen in de weegschaal kon leggen. Wat Alcamenes betrof, meende zij zijne booze handelwijze niet beter te kunnen straffen, dan door hem te toonen, hoe weinig zij om dergelijke plagerijen gaf.Bij deze afdoende gronden voor haar besluit kwam nog een laatste; zij zelve verlangde vurig de door Alcamenes zoo hoog geprezene Corinthische schoone te zien.Zoo was het tot geene geringe verbazing van Alcamenes, dat zij zelve zijn aanbod om ieder, die het verlangde tot haar te voeren, aannam.Opgeruimd en onbeschroomd sprak zij:„Als gij, Alcamenes, in staat zijt, ons den weg te openen tot het schoonste en bekoorlijkste, wat gij kent, tot de danseres Theodota, dan ware het dwaasheid van Pericles, Socrates, mij zelve en iedereen, die u hoort, u niet aanstonds aan uw woord te houden, en u niet uit te noodigen zonder dralen eene zoo aanlokkende belofte te vervullen.”„Ik onderstel,” hernam Alcamenes gevat, „dat gij, schoone Aspasia, zoowel uit uw eigen naam, als ook uit dien van Pericles en Socrates, hebt gesproken.”Pericles bedacht zich een oogenblik, doch verklaarde toen, dat hij geene bezwaren had tegen het verlangen der schoone Aspasia. „Wij gaan,” zeide hij, „dezen weg alleen in gezelschap van Socrates en om zijnentwil: een wijze te volgen, kon toch nooit iemand tot schande strekken.”„Onze vurige Alcamenes,” zei Socrates, „is een vriend van rassche en koene besluiten. Zie, hoe hij zich reeds verheugd de handen wrijft en naar zijn[232]Thessalischen hoed grijpt. Ik wed, dat hij ons nu geen rust meer laat, maar zich vast voorgenomen heeft, oogenblikkelijk langs den kortsten weg uit Phidias’ werkplaats naar de woning der schoone Theodota te voeren.”„Juist zoo,” antwoordde Alcamenes levendig. „Onze meester Phidias is onder ons laatste gesprek reeds weggeslopen. Ik raad u hem niet door uw afscheid te storen in zijne berekeningen en overpeinzingen. Hier in de nabijheid is een uitgang, de deur is open, de straat vrij, de woning van Theodota niet ver—laat ons gaan!”Het huis van Theodota was weldra bereikt.Men behoefde niet te vreezen, dat men de schoone ongelegen kwam. Alcamenes ging even binnen, om het gezelschap aan te kondigen. Hij keerde aanstonds terug en verzocht zijnen vrienden hem te volgen.Hij voerde hen in de binnenvertrekken vanTheodota. Deze waren met overdadige weelderigheid ingericht. Overal bevonden zich zachte aanligbedden met purperen kussens, de grond was met mollige tapijten bedekt; welriekende geuren stegen uit sierlijke schalen omhoog. Een bed met purperen behang werd door de bevallige liefdegoden gedragen. Sieraden en gewaad lagen in schilderachtige wanorde rondom verspreid. Zachte sandalen, haarbanden, kostbare gordels, blanketdoozen, zalfdoozen, ringvormige spiegels van blank gepolijst metaal met rijk versierde handvatsels, bekoorlijk schoone zonneschermen en veelkleurige, bladvormige waaiers, Cypria’s geheele tuighuis; te midden daarvan kleine kunstwerken uit brons of marmer, deels geschenken van Alcamenes, aarden werktuigen met goud en ivoor ingelegd, verwelkte en frissche kransen van allerlei soort: dat alles maakte in zijne bonte mengeling bij den eersten aanblik een overweldigenden indruk op de binnenkomenden, een indruk, die door de welriekende geuren van het vertrek werd versterkt, terwijl van een der mollige bedden de schoon versierde hetaere zelve opstond, om[233]haar gasten welkom te heeten.Theodota was schoon. Het haar was ravenzwart, het oog donker en vurig. De trekken waren fijn. Zij was sterk geblanket, de wenkbrauwen kunstig afgerond, de lippen rooskleuriger, dan zij in werkelijkheid waren. Zij droeg een gewaad met bloemen geborduurd en met rijken tooi beladen. Haar gewaad werd om het midden van haar lijf te zamen gehouden door een vergulden gordel met rijk versierden gesp en van allerlei smaakvolle en kunstige kostbaarheden voorzien. Haar hals, haar boezem, hare armen, ja zelfs hare voeten boven de enkels waren versierd met tooiselen, flonkerend van granaat of barnsteen. Ook het kleine, welgevormde oor prijkte met bellen van eene bekoorlijke schoonheid. Om het hoofd had zij een met paarlen bezaaiden metalen band.„Ik heb,” zei Alcamenes tot zijne bezoekers, „Theodota reeds verteld, waarom gij hierheen gekomen zijt en wat gij van haar verlangt.”„Alcamenes is wel dwaas,” zei Theodota glimlachend,„dat hij zoo opeens zulke aanzienlijke onverwachte gasten bij mij binnenleidt en mij geen tijd gunt om ze waardig te ontvangen.”„Gij hebt geen tijd daarvoor noodig,” zei Alcamenes, „gij zijt immers steeds dezelfde, en niet uwe woning geldt ons bezoek, maar u en uwe bekoorlijkheid en uwe kunst.—Een wijs en ernstig man ziet gij hier voor u,” vervolgde hij op Socrates wijzende, „en hij brandt van verlangen u te zien en uw dans te bewonderen. En meer nog aan dezen wijzen man, Theodota, hebt gij het te danken, dan aan mijne vurige woorden, dat heden zelfs de groote Pericles en de gevierde, kunstlievende Aspasia uit Milete over uw drempel gekomen zijn, om zich met eigen oogen van uwe beroemde kunst te overtuigen.”„Wat?” riep Theodota uit, „voor een wijze, voor een groot en vermaard staatsman en voor eene uitverkorene mijner kunne, die, naar het schijnt alle andere vrouwen van dezen tijd in schoonheid[234]overtreft, moet ik het wagen mij te vertoonen en het weinige, wat ik vermag aan het oordeel van zulke rechters onderwerpen?”„Maak u niet ongerust, Theodota,” zei Pericles, „Alcamenes heeft u geprezen en Alcamenes weet het schoone op te sporen.”„Inderdaad,” voegde Socrates er schalks lachend aan toe, met een zijdelingschen blik op Aspasia, „hem ontmoet het schoonste altijd het eerst.”—„Dan moge hij het verantwoorden,” zei Theodota. „Preutsch te zijn voor wien dan ook ter wereld en te weigeren mijne kunst ten toon te spreiden, mag mij niet in de gedachte komen. Gij wilt mij zien dansen, gelijk honderden voor u wenschten, en ik wil dat verlangen bevredigen. Beschouwt u als mijne meesters. Wat wilt gij dat ik dansen en u daarin zal voorstellen? Welke Godin? welke heldin? welke mythe of geschiedenis?” Zij wendde zich met deze vraag vooral tot Pericles. Deze echter antwoordde:„Vraag dat aan dezen wijze, want deze is opzettelijk hier gekomen met bepaalde bedoelingen, zoodat het hem zeker zeer gewenscht zal zijn de voorstelling van uw dans te mogen kiezen. Zeg het dus openhartig, Socrates, wat gij wenscht dat Theodota zal dansen.”„Wanneer gij en Theodota zelve,” hernam Socrates na eenige oogenblikken nagedacht te hebben, „de keuze aan mij overlaat, dan weet ik niets beter dan Theodota te verzoeken den strijd der drie Godinnen3om den prijs der schoonheid op den Ida te dansen.”„Wat een heerlijk genot als gij beurtelings als Aphrodite, Hera, en Pallas Athene verschijnt en ons toont, hoe ieder van haar met dezelfde en toch naar ieders karakter fijn veranderde middelen[235]den herder op den Ida zocht te betooveren en den prijs der schoonheid uit zijne hand trachtte machtig te worden. Alcamenes heeft mij beloofd dat ik hier zou ervaren, wat bekoorlijkheid is, en daarom willen wij Theodota noodzaken, zoo bevallig en bekoorlijk mogelijk te zijn en op zooveel verschillende wijzen, als maar denkbaar is.”—Nadat Theodota zich uit het vertrek had verwijderd, om aan haar gewaad en uiterlijk die verandering aan te brengen, die overeenkwam met den dans, dien zij zou voorstellen, zeide Socrates:„Wij zullen ons doel bereiken: want Theodota is niet als de meeste schoonen, die slechts terughoudend en droppelsgewijs afmeten, wat zij ons geven willen; maar zij zal ons, wat zij aan te bieden heeft, ruimschoots schenken en alles op eens als uit den hoorn van Amalthea4over ons uitstorten. Dan is de zaak afgedaan en kunnen wij naar huis terugkeeren. Ik zie wel, dat Theodota lief en zacht is, maar niet verstandig. Hoe zou Aspasia dansen, als zij wilde! Maar wie van ons, behalve de Olympiër Pericles, heeft haar ooit zien dansen?”—Nu kwam Theodota terug, korter gekleed en in een gewaad dat haar in de meest ongedwongen bewegingen niet belemmeren kon. Met haar trad een knaap binnen met eene lier en eene fluitspeelster. Deze begon te spelen en de knaap begeleidde haar met zijn snareninstrument. Onder die klanken echter begonnen zacht de bewegingen van Theodota zich te mengen en het was onmogelijk te zeggen, op welk oogenblik zij begonnen was te dansen.Zij danste, wat haar opgedragen was: eerst de strijd van Aphrodite om den appel, den eereprijs in de handen van Paris, dan die van Hera en vervolgens[236]die van Pallas. Het was dezelfde dans, driemaal herhaald, en toch steeds geheel verscheiden, overeenkomstig het wezen en karakter der Godinnen. Zij scheen driemaal geheel veranderd. Bewonderenswaardig was het te zien, welk eene afwisseling zij met hare levendige bewegingen, sprekende oogen en doelmatige gebaren in dien strijd wist te brengen. Nu eens scheen het verzoek een zacht smeeken, een zoet vleien, een bekoorlijk dringen, eene verleidelijke bekoring, eene belofte van den innigsten dank, dan weder een fier, der zege bewust bevel, een meer gebiedend verlangen, dan ook een vleiend aandringen soms eene listige poging om met verleidelijk geweld den kampprijs aan de hand des rechters te ontwringen. Daarbij kon zij iedere bekoorlijkheid van haar schoone gestalte in houding, beweging en gebaren doen uitkomen. En daar ieder fijn uitgedachte, elke sprekende trek driemaal voorkwam, steeds overeenkomstig het wezen der Godin, wist men niet, wat meer te bewonderen, de rijkdom harer vinding en de afwisseling van het geheel of de bekoorlijkheid en volkomenheid in elk gebaar en iederen trek.Nog moet vermeld worden dat Theodota onder het dansen hare vurige oogen vol van die afwisselende doch steeds smeekende uitdrukking schier onafgebroken op Pericles gevestigd hield. Hem maakte zij tot het doelwit harer mimiek, in hem scheen zij Paris te zien en uit zijne handen scheen zij den kampprijs te willen ontvangen.Toen Theodota haar dans geëindigd had, zwaaide Pericles haar hoogen lof toe over de bevalligheid en volkomenheid der kunst, waarmede zij zich van hare taak gekweten had.„De taak, die gij de schoone Theodota hebt opgedragen,” zei Alcamenes, „was niet zoo heel moeilijk: zij zou andere en veel zwaardere rollen tot uwe grootere verbazing vervuld hebben. Zij is in staat niet alleen de teederheid der duif en de woestheid van den leeuw, maar als het noodig[237]is, ook het zachte klateren eener beek of het opflikkeren van het vuur of het suizend trillen van een boom na te bootsen.”„Ik twijfel er niet aan,” zei Pericles, „dat zij ook in staat is, als die danser, dien ik onlangs gezien heb, zelfs de letters van het alphabet, de eene na de andere, door het gebarenspel harer wonderlijke lenige en teedere ledematen uit te drukken.”„En wat hebt gij ons van Theodota te zeggen,” vroeg Alcamenes, Socrates op den schouder kloppende, die gedurende den dans geen blik van de danseres had afgewend, en nu daar stond, naar het scheen, in diepe gedachten verzonken.„Ik zal leeren dansen!” hernam hij ernstig. „Ik kende tot heden slechts eene wijsheid van het hoofd en de gedachte; nu weet ik, dat er ook eene wijsheid der handen en voeten is.”De omstanders lachten en meenden dat de peinzer met zijne gewoneironiesprak. Doch Socrates ging voort:„De rhytmus is maat en maat is zedelijkheid. Zulk eene schoone rhytmus van het lichaam als ons Theodota getoond heeft, moet noodzakelijk ’s menschen geheele wezen met hart en liefde voor de schoone maat vervullen. Men moet, als men dit eens gezien heeft, noodzakelijk al wat plomp, ruw, gemeen en onbehouwen is verachten. Ik benijd u Theodota den schoonen rhytmus dien gij in uw lichaam en uwe ziel bezit.”„Ik verheug mij zeer,” hernam Theodota glimlachend, „als ik dien schoonen rhytmus werkelijk bezit en er anderen genot mede verschaffen kan; want het is mijne bezigheid en mijne kunst te behagen en genot te verschaffen. Deze kunst echter schijnt mij bij den dag in Griekenland moeilijker te worden. Voor uw door de kunst verwend oog, is de schoone natuur in de vrouw niet langer voldoende. Gij verlangt, o mannen, dat wij ons tooien met iedere bekoorlijkheid der kunst, zoo wij u willen aantrekken of aan ons boeien.—Intusschen,” voegde Theodota er met een bekoorlijk lachje bij,[238]„hoe zwaar gij ons vrouwen de kunst ook maken moogt om te bekoren, ik zal niet ophouden dit beroep als het schoonste, en met uw verlof, ook als het mijne te beschouwen.”„Klaarblijkelijk,” zei Socrates, „behoort gij niet tot die vrouwen, die slechts aan een enkelen man zoeken te behagen en die men gewoon is verliefden of minnenden te noemen.”„Neen, bij de Goden!” viel Alcamenes in; „tot deze behoort zij niet. Zij is de schrik van alle dweepzieke jongelingen, die over liefde bij haar komen zeuren. Gisteren nog beklaagden de jonge Damoetas zich bij mij, dat gij hem de deur gewezen hadt, Theodota, omdat hij u te zwaarmoedig geworden was.”„Ja, waarlijk,” hervatte Theodota. „Ik spot met de boeien niet alleen met die van Hymen, maar ook van Eros. Ik ben geen priesteres der liefde, maar een dochter der vreugde!”„Ik bewonder u, Theodota,” zei Socrates. „Want gij schijnt mij niet alleen het schoonste, maar ook het menschlievendste aller beroepen gekozen te hebben. Welk een zelfverloochening oefent gij uit, Theodota, welk een zelfopoffering. Gij versmaadt het de lafenis te zijn in den beker van een enkelen man, geëerd eene plaats in te nemen aan den huiselijken haard, gij verkiest het als een dun wolkje in de lucht te stijgen en heen te trekken over alle landen en u in een bloemenregen van vreugde over de hoofden der menschen uit te storten. Gij doet afstand van den huiselijken vrede, van de eer der gade, van het geluk der moeder en den troost des ouderdoms, alleen om de vermeerderde behoefte naar schoonheid en genot in den boezem der mannen van Hellas te bevredigen. En niet alleen Hymen’s keten veracht gij—gij tart zelfs met dartelen overmoed, ja schier met Prometheïsche5fierheid, de toorn van Eros, den[239]wraakgierigsten aller Goden. En het is u niet onbekend, hoe kort de bloei der schoonheid en der jeugd duurt. Toch staat gij daar, vol verloochening en zelfopoffering, als een bloeiende boom in de maand Maart en zegt: „Plukt ze maar allen en schudt ze af de bloesems mijner kortstondige lente en vlechte er wie wil een ruiker van voor weinige dagen. Ik wil geen vruchtboom zijn, ik wil alleen bloesems voortbrengen!”—Welk een opoffering, Theodota, welk een zelfverloochening! Mogen de Goden en menschen u daarvoor zegenen en de Chariten eenmaal uw lichaam onder rozen begraven!”Zoo sprak Socrates.Theodota bedankte hem met een bekoorlijken glimlach. Zij was maar al te goed vertrouwd met de eigenaardigheden der verschillende menschen, dan dat de taal van den zonderlingen man haar had kunnen bevreemden.„Gij schat mijne verdiensten te hoog,” zeide zij.„Ik heb nog lang niet alles gezegd,” hernam Socrates.„Dat moge u een rede zijn, eens weder te komen,” antwoordde Theodota.Zoo hielden zij beiden nog een poosje het gesprek gaande. Daar de anderen thans er zich in mengden, werd het onderhoud levendiger en Theodota vond gelegenheid om menigen vurigen blik op Pericles te slaan, menig veel beteekenend woord tot hem te richten.Pericles beantwoordde dit op vriendelijke wijze, die hem tegenover vrouwen eigen was.Aspasia nam de verhouding van beiden nauwkeurig waar maar zonder de hartstochtelijke verblinding van andere vrouwen. Zij zelve predikte de boodschap der vrije, vroolijke liefde en kantte zich openlijk tegen de slavernij aan, niet alleen in den echt, maar ook in de liefde. Bovendien wist zij,[240]dat eene vrouw, die ijverzucht verried, verloren was. Ook bleef zij zich van den afstand bewust, die Theodota van haar scheidde.Theodota vervulde, zorgeloos daarheen levende, hare nimfenbestemming. Aspasia zou nooit in zulk een beroep bevrediging kunnen vinden. Oneindig ver was zij verwijderd van die zelfopoffering, die de zonderlinge Socrates in zoo wonderlijke taal bij Theodota had geprezen.Zij offerden den bloesem harer lente niet aan het ruwe zingenot der menigte op, zij had een heerlijker doel gezocht en gevonden; zij werd bemind en beminde—ofschoon dan ook met die levenslustige, vrije opwekkende liefde, die zij predikte. En wat de middelen betrof, te betooveren, te boeien: Theodota schonk wat zij had zorgeloos weg en had weldra niets meer te geven. Aspasia’s rijk, diep, gemoed was onuitputtelijk.Toch achtte Aspasia het niet overbodig er op bedacht te zijn, hoe zij hare medeminnares de gelegenheid om zelfs eene vluchtige en voorbijgaande verovering te maken, zou kunnen ontnemen. Snel was in hare ziel een plan gerijpt en het bezoek bij de schoone Corinthische bleef niet zonder gevolg.Toen Pericles, Aspasia, Alcamenes en Socrates het huis van Theodota hadden verlaten, vroeg de beeldhouwer zijn vriend:„Welaan, beste Socrates, wat hebt ge voor uwe groep der Chariten bij den drievoudigen dans der bekoorlijke Theodota geleerd?”„Veel, wonderbaar veel,” antwoordde de aangesprokene. „Ik weet nu, wat de trits der Chariten beteekent, wat ieder voor zich zelve en wat allen te zamen uitdrukken. Maar het moet thans nog mijn geheim blijven; want het is tijd den beitel ter hand te nemen en het marmer te laten spreken. Gij zult ervaren, wat ik heden bij Theodota heb geleerd, wanneer de groep mijner Chariten voltooid op de Acropolis staat. Ontvang voorloopig mijn dank, dat gij mij vriendschappelijk op den weg hebt[241]geleid, dien ik bewandeld heb om der wille van die schoone en wijze vrouw, die mij gelast heeft aan de Chariten te offeren.”1Heracles, door de Romeinen Hercules genoemd, was een der beroemdste helden, van wie de legenden gewagen. Later werd hij heros d.i. halfgod. Zijne twaalf groote werken zijn bekend.↑2Ageladas—want dit is de gewone schrijfwijze—was een beroemd beeldhouwer te Argos. Hij was de leermeester van Phidias, Myron van Eleutharae en Polycletus van Sicyon. Zijn eerste onderricht echter in de beeldhouwkunst genoot Phidias van Hegias te Athene.↑3De lezer herinnere zich dat op de bruiloft van Peleus en de zeegodin Thetis alle Godheden genoodigd waren, behalve Eris, de Godin van den haat. Om zich te wreken wierp Eris in de bruiloftszaal een gouden appel met het opschrift „voor de schoonste”;Aphrodite, Hera en Athene maakten ieder aanspraak op dien prijs. Paris, de zoon van Priamus, werd tot scheidsrechter benoemd, en deze, verlokt door Aphrodite’s belofte hem de schoonste vrouw ter wereld als belooning te geven, kende haar den prijs toe. Deze vrouw was Helena, de gade van koning Menelaüs.↑4De hoorn van Amalthea beteekent zooveel als de hoorn des overvloeds. De reden hiervan is deze: Amalthea is de naam eener geit, die Zeus op Creta, toen hij door zijne moeder voor Cronos (Saturnus) verborgen werd zoogde. Tot loon daarvoor werd zij onder de sterren opgenomen. Zeus ontnam de geit één hoorn en gaf dien aan de dochters van Melisseus, die Rhea hadden bijgestaan, en vulde dien met alle mogelijke zegeningen en goede gaven.Eene andere lezing is, dat Amalthea eene nimf is, die met de melk eener geit Zeus voedde.↑5Prometheus, de weldoener der menschheid, ontstal den Goden het vuur en opende daardoor in menschen eene bron van eindeloos geluk. Tot straf deed Zeus hem door Bia (de kracht) en Kratos (het geweld) aan eene rots in den Caucasus[239]nagelen, waar een arend telkens zijne lever, die steeds weder aangroeide, kwam verslinden. Toch boog Prometheus zijn trots niet, toch bleef hij in opstand tegen de machtige Goden.V.d.beteekent Prometheïsch: onbuigzaam, onwrikbaar.↑
[Inhoud]VIII.HET OFFER AAN DE CHARITEN.Geen scheppende en werkende geest gaat zoo geheel en al in zijn werk op, als die des beeldhouwers. Geen anderen weg betrad Phidias, dan die tusschen de Acropolis en zijne werkplaats liep. Hij zag zelfs in zijne nachtelijke droomen niets anders dan zijne godenbeelden, zijne groepen, zijne friezen en niet zelden vond hij, omdat zijn rustelooze geest en in den slaap evenals overdag werkzaam was, niet zonder verwondering bij zijn ontwaken zijne plannen verder gevorderd en gerijpt. Verscheidene zijner beelden waren oorspronkelijk droomgezichten geweest en hij kon beweren, dat hem Goden in den droom verschenen waren, evenals aan de helden van Homerus. De geheele wereld had slechts waarde voor hem, in zoover zij betrekking had op zijne kunstenaarsziel. Hij deed afstand van de genietingen des levens; hij was eenzaam en ongehuwd.Zijne ziel was vervuld met allerlei ontwerpen en zijn helder oog was de klare spiegel van zijn geest.Het was een bont gewemel van menschen en dingen in de zalen en pleinen van de werkplaatsen van Phidias. Steeds waren er ontwerpen te bedenken, te onderzoeken, te verwerpen, steeds opnieuw modellen in klei te vormen en de verhoudingen te berekenen. Naar de kleimodellen werd ook menig kunstwerk eerst door de steenhouwers uit het ruwe blok gehouwen en later aan de fijnere hand des kunstenaars ter volledige afwerking toevertrouwd.[219]Een puinhoop kon Phidias’ werkplaats genoemd worden, maar een puinhoop der wording, niet der vernietiging. Het was de chaos, doch niet de chaos van den ondergang, maar de chaos waaruit de schepping geboren werd. Brokken lagen overal verspreid maar niet als deelen van een geheel, dat bestaan had, maar als deelen, die op weg waren, om een geheel te worden.En over dien bajert zweefde de geest van Phidias. Deze geest bestuurde alles. Hij hield den vurigen Alcamenes en den strengen Agoracritus in bedwang en dreef hen tot eendrachtig samenwerken.Deze beide waren zijne machtigste armen; de eerste verleende hem bovendien zijne hulp door zijne welbespraaktheid. Wat Phidias eens had gezegd, in korte, wellicht raadselachtige woorden zich had laten ontvallen, dat herhaalde en verduidelijkte Alcamenes, prentte het in zijn geheugen en deelde het later weder mede.Juist liet hij zijn oog gaan over die jongeren en kunstenaars, wier arbeid bijzonder aan zijne zorgen was toevertrouwd. Overal berispte hij, vermaande hij, spoorde hij aan met de vurigheid, die hem eigen was, terwijl hij de bestanddeelen der gevelgroepen, friezen en metopenbeelden nauwkeurig beschouwde.„Wat doet gij daar, Dracyllus? Te zwak gewelfd om op een afstand uitwerking te doen is die borst; het veld van het onderlijf te weinig geleed, de kuiten te onduidelijk geteekend. De hoofdspieren te weinig, de mindere spieren te veel op den voorgrond geplaatst!—Charicles, gij spant hier de huid te strak, daar te slap over de spieren. Hier is zij niet los genoeg, bijna niet te verschuiven. Het moet schijnen, alsof men zelfs bij bronzen of marmeren beelden het vel tusschen zijne twee vingers kan nemen en een weinig naar boven kan trekken!—Uw God, Lycius, is schier niet te herkennen uit de plooien van zijn gewaad. Behoort gij soms ook tot die beeldhouwers,[220]wier Heracles1alleen aan de knots kenbaar is?—Ook uw bronnimf, Crinagoras, schijnt aan haar kruik gekend te moeten worden, in plaats dat gij het zachte, als ’t ware vloeibare harer leden over het diepst van haar wezen hadt uitgespreid.”Thans kwam hij bij eene groep van Parthenon-fries: jongelingen, die steigerende rossen optoomden.„Bij welke merrie, Lycius, hebt gij dien dikken kop, die stompe ooren gezien? Ook het geheel is te stijf, te houterig, te ouderwetsch! Zijt gij bij de Aegineten ter schole gegaan? Zulk ouderwetsch prulwerk zou zelfs Argeladas2niet goedgekeurd hebben!”—Zoo ging Alcamenes te werk, berispte nog dit en dat in het bijzonder en scheen in zijn vuur geneigd, om het beeld van den leerling stuk te slaan, hetgeen hem dikwijls overkwam, wanneer de toorn zich van hem meester maakte.Agoracritus naderde en nam, naar zijne gewoonte, den armen leerling tegen den driftigen Alcamenes in bescherming. Dezen steeg het bloed naar het hoofd en gaf hem een scherp antwoord.Op dit oogenblik echter naderde Phidias en onder zijne geleide een paar menschen, die in ’t geheel geen vreemdelingen waren in deze werkplaats.Hoe hadden Pericles en Aspasia zich het genot kunnen ontzeggen nu en dan een blik te gaan werpen op de rustige vorderingen van die grootsche ontwerpen?Zij waren gekomen en hadden den meester midden onder de schare zijner leerlingen gevonden, tusschen zijne kleimodellen, nog onvoltooide werken en half gehouwen marmerblokken; zij vonden hem minder spraakzaam, strenger, ingetrokkener, meer in zich zelven verdiept dan ooit te voren.[221]Toen Alcamenes de Milesische zag, deed hij zijn best onverschillig en opgeruimd te schijnen, en de nog niet geheel verkropte spijt te verbergen, die hij bij de vluchtige ontmoeting op de Agora had laten doorschemeren. De sombere Agoracritus echter deed volstrekt geen moeite om den wrok te verhelen, dien hij nog steeds tegen Aspasia koesterde. Hij ging op zij en sprak geen enkel woord tot de beide aanzienlijke bezoekers.Daar dezen bij hun binnentreden in de zaal nog iets van den woordenstrijd tusschen Alcamenes en Agoracritus hadden opgevangen, viel het gesprek terstond op dat zelfde onderwerp en de levendige Aspasia sprak het onverholen uit, dat zij het volkomen met Alcamenes eens was, als hij de laatste sporen der overlevering van het ouderwetsche uit de kunst wilde weggenomen zien. Bij de beschouwing der ontwerpen en kleimodellen voor de kolossale gevelgroepen, voor de friezen en metopenbeelden, vond zij menig pronkstuk nog te hard en streng en zelfs de hoogste bloeitijd der kunsten scheen haar toe te langzaam te komen.Onverholen sprak zij haar meening uit.„De schoone Aspasia,” zei Phidias met een ernstigen lach, „zou willen, dat alles wat wij maken, zoo sierlijk, weelderig en bekoorlijk is, als zij zelve. Maar vergeet niet, Aspasia, dat wij beeldhouwers verplicht zijn in onze scheppingen niet het bloot menschelijke, niet het alledaagsch schoone en bekoorlijke, maar het bovenmenschelijke, het goddelijke voor te stellen en te belichamen.”„Phidias heeft misschien gelijk,” zei Pericles, „wanneer hij zich datgene, wat Aspasia streng, stijf, ouderwetsch noemt, niet geheel wil laten ontnemen. Wie weet of het ideaal van het schoone in de beeldende kunst niet op de smalle grens ligt, die de kuische, jonkvrouwelijke schoonheid van de weelderige, vol ontwikkelde scheidt. De hoogste en laatste trap der ontwikkeling is toch ook de eerste der daling; datgene, wat het gemoed met de reinste, edelste betoovering genoegelijk aandoet en verkwikt,[222]moet dus een weinig aan deze zijde van dien hoogsten trap, niet daarop liggen.”„Ook al dat ik u, Phidias,” zei Aspasia, „nog zoo zeer tot het sierlijke, bekoorlijke en weelderige wilde aansporen en dat gij van uw kant de uwen tot dat zelfde doelwit opwektet, geloof ik toch, dat de juiste grens nog in langen tijd niet zou overschreden worden. Want zoover schijnen mij uwe leerlingen nog van het al te sierlijke en al te weeke verwijderd, dat zelfs, wanneer zij met alle krachten er zich op toelegden, zij het bezwaarlijk zouden bereiken. Ik zeg niet, dat gij langzaam zijt, maar de weg is lang.”„Wanneer ik de beelden van Phidias beschouw,” zei Pericles, het gesprek eene andere wending gevende, daar hij vreesde dat Phidias zich beleedigd mocht achten door Aspasia’s woorden, „of de zangen van Homerus hoor, dan vind ik, dat zij verheven zijn in hun bekoorlijkheid en bekoorlijk in hun verhevenheid. Zij zijn verheven, zooals ieder weet, en zij zijn bekoorlijk, zooals niemand loochent, en schoon noemen wij ze misschien juist hierom, omdat ze beide zaken in zich bevatten.”„Daar kan ik mij mede vereenigen,” zeide de steenhouwer Socrates, van zijn werk opziende, daar hij tot dusverre vlijtig aan een marmerblok, dat hem aangewezen was, had zitten beitelen. „Lang heb ik bij mij zelven nagedacht, wat toch de schoonheid is; nu zijn mij Pericles’ woorden als eene lichtstraal in mijne ziel gevallen.—Als het verhevene met het bekoorlijke verbonden, als eene liefelijke verhevenheid en eene verhevene liefelijkheid zou men alzoo het schoone kunnen beschrijven. En wanneer Aspasia en Pericles weder eens over de juiste grenzen der ontwikkeling in de kunsten spreken, zoo behoeven zij slechts te zeggen, dat het schoone om schoon te blijven, nooit alleen bekoorlijk en nooit alleen verheven, maar steeds beide te gelijk moet zijn. Gaven mij toch de Goden bij elken beitelslag, dien ik hier in Phidias’ werkplaats zal slaan, deze les gedachtig te zijn,[223]in ’t bijzonder als ik de hand leg aan het wijgeschenk, dat ik voornemens ben aan de Godin van Phidias op den dag, dat haar feestgebouw op Acropolis zal ingewijd worden, op te dragen.”„Hoe?” riep Aspasia uit, „de nadenkende steenhouwer zal nu ook als vrij scheppend beeldhouwer zijne krachten beproeven?”„Ja zeker,” hernam Socrates. „Wel is waar hebben Phidias en Alcamenes mij niets van het beeldwerk voor het nieuwe Parthenon opgedragen, om het zelfstandig uit te voeren, en toen ik verzocht mij zulken verhevener arbeid toe te vertrouwen, ben ik door Alcamenes met dien spottenden lach afgewezen, dien hij zoo meesterlijk verstaat. Bij Zeus, ik heb zoo goed als iemand van Phidias geleerd, den volkomen eironden vorm van het gelaat te teekenen, het hoofd klein, maar fijn en schoon geëvenredigd te vormen, voorhoofd en neus op bijna gelijke lijn te plaatsen, de wenkbrauwen in scherpe trekken te doen uitkomen, het oog rond en diep uit te hollen, de neusvleugels zacht af te doen loopen, de kin mollig te ronden, haar en baard golvend voor te stellen. Niet altijd wil ik ruwe marmerblokken houwen en gedachten van anderen, als een machinaal werkman helpen belichamen. Ik wil een wijgeschenk scheppen en trachten met kunstvaardige hand een zelfopgevat, helder, rein begrip in den steen door de beeldende kunst voor te stellen.”„Welk zelfopgevat, rein begrip is het dan, dat gij, zooals ge zegt, in het marmer wilt belichamen?” vroeg Aspasia.„Daar zult gij wel van hooren,” hernam Socrates, „het betaamt immers niet over den arbeid van een leerling te spreken, alvorens gij van het werk des meesters, van de Goddelijke Pallas Athene, zooveel gezien hebt, als heden daarvan te zien is.”Pericles en Aspasia verlangden zeer datgene van Phidias’ werk te zien, wat gereed was. Phidias echter zeide:„Gij zult thans slechts brokstukken daarvan zien,[224]want zooeven werd het kleimodel stuk gezaagd, zooals dat vereischt wordt voor kunstwerk in goud en ivoor.”Zij danste wat haar opgedragen was.Zij danste wat haar opgedragen was.Pericles en Aspasia echter zouden voorloopig voldaan zijn, als zij dit mochten zien en op hun verlangen geleidde Phidias hen met Socrates en Alcamenes naar eene der ruime zalen. Daar wees hij hun een houten voorwerp, waaromheen de gedaante der Godin uit goud en ivoor, evenals vleesch en vel, moest worden aangebracht. Naast de arbeiders, die bezig waren het kleimodel van het grootsche werk in stukken te zagen, zag men anderen, die olifantstanden, van uitnemende schoonheid en grootte, zooals Indië die voortbrengt, in dunne platen te zagen, waarvan elk weder zorgvuldig bewerkt moest worden om een der deelen van het model uit te maken.Pericles en Aspasia beschouwden met aandacht de geweldige brokstukken van den doorgezaagden Colossus.Ook deze brokstukken gaven aanleiding tot nadenken en gelukkigerwijze was juist het hoofd der Godin nog geheel en ongedeerd. Dit konden zij dus naar hartelust beschouwen en zich laten medeslepen door de hooge gedachtenvlucht des meesters, die zich in de heerlijke, diepzinnige trekken dezer nieuwe „Pallas Athene des vredes” openbaarde …Wat in dat beeld zich afspiegelde, was de geestelijke kracht, het was het licht van het heldere verstand, dat opstijgt uit de diepten.„Zoo schoon en diepzinnig, als het gelaat der Godin ons daar tegenstraalt,” zei Pericles, „schijnt zij ons waarlijk als eene die niet uit eene vrouw is geboren, maar voortgekomen is uit het hoofd van haar vader Zeus.”„In het hoofd echter,” viel Socrates in, die naar het rechte begrip der dingen steeds zocht en onmiddellijk van die opmerking partij trok, „in het hoofd zetelen, zooals bekend is, de gedachten. Wat is dus Pallas, die uit het hoofd haars vaders voortgekomen[225]is, anders dan de bezielde en belichaamde gedachte van Zeus? O, gij gelukkige, door de Goden rijk gezegende Phidias, die geroepen zijt het hoogste, dat er bestaat, de gedachte voor te stellen!—Ik arme stumpert, ik zoek naar haar mijn leven lang, de reine gedachte en zou haar gaarne door mijn peinzen uit het hoofd van Zeus in het mijne overbrengen, evenals eene spattende vonk, maar ik kan haar maar nooit vatten. En Phidias hier neemt slechts een beetje leem, een beetje klei en kneedt ze, en onder zijne handen ontstaat uit het leem een beeld, dat mij de oogen verblindt, wanneer ik het aanschouw en mij dwingt uit te roepen: „Dat is de gedachte—de gedachte van Zeus!”—Dat echter Phidias gelijk heeft, wanneer hij de gedachte, zooals hij die daar belichaamd heeft, Pallas Athene noemt, de schitterende schutsgodin van alle Grieken, vindt duidelijk zijne verklaring in de meeningen der wijzen over de gedachte en der dichters over Pallas Athene. Afgezien van de bekende geboorte uit het hoofd van Zeus, verzekeren de dichters aangaande Pallas Athene, dat zij maagdelijk, voorts ook dat zij van eene mannelijke en vrouwelijke natuur tevens is, geheel in tegenstelling met de Godin der liefde, die niets met de gedachte gemeen heeft, maar geheel opgaat in de schoone gewaarwordingen en in de onbewust voortbrengende werken der liefde. Wie echter zal loochenen, dat ook de gedachte maagdelijk en mannelijk en vrouwelijk te gelijk is? De gedachte is koel, als het licht der sterren, en blijft zelfgenoegzaam in hare reine, heldere sfeer; slechts haar tegenhanger, het gevoel, is enkel gloed en brengt voort en gaat op in de werken der liefde. En het ontzetting verspreidende Gorgonenhoofd, ’t welk de dichters en de beeldhouwers op het schild der Godin Pallas Athene plaatsen, wat is het toch anders, dan de afschuw van den overwonnen nacht, welke de zegevierende gedachte als tropee in haar schild voert? Zoo is het dan aan geen twijfel[226]onderhevig, dat Phidias de gedachte heeft willen voorstellen, opdat wij echter ook steeds mogen zeggen als het ons beter voorkomt, dat het hoofd daar vóór ons het hoofd is van de Godin Pallas Athene …”De ernstige Phidias glimlachte bij deze woorden; Alcamenes echter viel den spreker in de rede en klopte hem met goedkeurenden blik op de schouders en prees zijne woorden. Aspasia zei:„Wanneer Phidias, zooals gij beweert, Socrates, de macht der ijle gedachten heeft willen belichamen, heeft hij wellicht, terwijl hij ze schiep, niet eens aan die gedachte gedacht”—„Dat wedervaart andere vaders ook wel eens,” hernam Socrates.„U overkomt dat zeker nooit!” riep Alcamenes met schalkschen lach den denker aanziende.„Neen,” hernam Socrates, „maar waarom maakt gij u ten mijnen koste vroolijk? Denken is beter dan niet te denken. Mogen de Goden al hun lievelingen het beste in den droom beschikken, wij moeten steeds trachten ons met wakkere zinnen te behelpen. Gij hebt u ongetwijfeld er over verwonderd, Aspasia, dat ik u zoo dikwijls naar het wezen der liefde heb gevraagd. En toch kon ik niet anders. Evenals Phidias het zegevierend licht der gedachte in het beeld van Pallas Athene heeft belichaamd, zoo zou ik in een beeld van Eros de liefde willen teruggeven. Gij zult toch zeker niet beweren dat Eros een verachtelijke God is; vele wijzen noemen hem zelfs den oudsten en eersten van alle, en wanneer de liefde, naar het schijnt, boven alles een streven, een zoeken, een verlangen is, dan mag ik toch wel zeggen, dat die God eigenlijk de mijne is. Om echter nauwkeuriger met hem bekend te worden, ben ik, gelijk gij weet, dikwijls vragend en onderzoekend bij de menschen rondgegaan.”—„Dat is waar,” viel Alcamenes lachend in, „gij zijt meer op de Agora en op de zuilengaanderijen en andere openbare plaatsen te zien geweest, dan[227]hier in Phidias’ werkplaats. Deze man schijnt waarlijk door eene bijzondere onrust gedreven te worden. Eerst hakt hij een halven dag als een dolleman op zijne marmerblokken, dan laat hij eensklaps zijne gereedschappen vallen en staart peinzend een uur lang voor zich uit. Dan springt hij op en loopt weg en komt in een halven dag niet terug. Gij wilt een Eros beitelen? Nu, zeg dan toch wanneer? Weet gij wel, mijn waarde, dat onze meester Phidias u den traagsten zijner leerlingen noemt?”„Ik weet het,” hernam Socrates, „maar ik herinner mij ook, dat gij ook niet zelden den beitel wegwerpt en wegijlt, met of zonder voorwendsel, en, evenals ik, de liefde naloopt, naar men zegt, zonder toch eigenlijk veel naar haar begrip en karakter te vragen.”—„Gij hebt gelijk,” hernam Alcamenes lachend, „ik vraag in ’t geheel niet naar haar begrip. Maar wie zegt u, dat ik altijd de liefde naloop, als ik mij uit de werkplaats verwijder?”„Niet altijd gaat gij zelf weg,” zei Socrates, „soms zendt gij slechts een handlanger of zelfs den dollen Meno, als hij hier juist rondslentert, met briefjes aan de schoone Corinthische Theodota.”—Wederom lachte Alcamenes en Socrates vervolgde:„Mijn vriend Anaxagoras heeft den hartstocht der liefde eene ziekte genoemd: ik weet echter niet of zij eene gewone ziekte is en met artsenijen moet behandeld worden, of eene goddelijke, zooals de geestvervoering der dichters of de verrukking derDelphischepriesteres. Dat de God der liefde vleugels moet hebben en eene knapengestalte, weet ik: hoe ik hem overigens moet voorstellen, ernstig of vroolijk, met de oogen naar boven of naar beneden gericht,—waarlijk, ik zou gaarne willen weten, Aspasia, hoe gij het zoudt aanleggen de liefde voor te stellen, als gij een der onzen waart in deze werkplaats van Phidias.”„Ik zou het niet gaarne beproeven haar voor te stellen,” zei Aspasia. „De liefde is een gevoel,[228]en een gevoel heeft geene gestalte. Waarom wilt gij voorstellen, wat geene gedaante heeft? Stel in de plaats van de liefde, datgene wat de liefde opwekt, het beminnenswaardige, het schoone. Want dit heeft eene gestalte en is vleeschelijk zichtbaar en tastbaar en met alle zintuigen waarneembaar. En gij behoeft niet eerst lang te peinzen en rond te gaan bij de menschen, om er naar te vragen, maar slechts eenvoudig na te maken wat uw oog het schoonst en bekoorlijkst aandoet.”Socrates dacht eenige oogenblikken zwijgend na en sprak toen:„Niets is juister, dan wat gij zegt, Aspasia. Ik zal Eros laten varen en trachten de Chariten te beitelen. Want dezen zijn het toch ook nu weder, waarop gij al zoo dikwerf mijne aandacht vestigt, als op de eigenlijke Godinnen der schoonheid en bekoorlijkheid.Aphroditeis wel is waar schoon, maar zij is niet alleen de Godin der schoonheid, ook en veel meer de Godin der liefde: in haar wezen is de schoonheid reeds met de liefde gemengd; bij de Chariten echter is zij nog rein en vrij op zich zelve en, om mij zoo uit te drukken, zelfgenoegzaam in hare goddelijkheid. Ik zal dus de Chariten beeldhouwen en als wijgeschenk aan de Godin van Phidias op de burg plaatsen. Maar evenals vroeger de liefde, moet ik nu op alle mogelijke wijze de schoonheid onderzoeken. Waar vind ik nu het schoonste en bekoorlijkste te gelijk, om het „eenvoudig na te maken,” zooals Aspasia straks zeide?”„Wanneer gij het bekoorlijkste, dat men slechts zien kan, zoekt,” zei Alcamenes glimlachend, „dan kan ik u een goeden raad geven. Tracht de schoone Corinthische, van wie gij zooeven spraakt, te zien dansen.”„De Corinthische Theodota?” vroeg Socrates. „Ik heb de bevalligheid harer dansen meermalen hooren roemen. Maar wie zou ons het genoegen de Corinthische danseres te zien en te bewonderen, beter kunnen verschaffen, dan gij zelf, Alcamenes,[229]haar welsprekendste lofredenaar en vriend?”„Waarom niet?” hernam Alcamenes opgeruimd. „Wie de hoogste bekoorlijkheid, die de gestalte eener vrouw in dansen, vol uitdrukking, kan ten toon spreiden, wil genieten, die moet naar Theodota gaan zien en ik zal een ieder, die het wenscht, zonder afgunst den toegang tot dit genot openstellen.”Deze woorden van Alcamenes waren niet zonder geheime boosaardigheid tegen Aspasia. Met opzet roemde hij in tegenwoordigheid van Pericles’ vrienden en Pericles zelven de bevalligheid en bekoorlijkheid van eene andere vrouw.De schoone danseres en hetaere Theodota was door toedoen van Alcamenes van Corinthe naar Athene overgekomen.De aanleiding daartoe was zeer eigenaardig geweest.Toen namelijk Alcamenes gemerkt had, dat hij van het bezit van Aspasia, waarvan hij zich vroeger zeker geloofde, moest afzien, was hij door eene heimelijke spijt en ergernis tegen de preutsche Aspasia aangegrepen. Maar hij was te jong, te opgeruimd, te luchthartig, dan dat om dit verlies het heimwee knagen zou aan zijn gemoed; zijn streven was slechts hierop gericht een werkelijk geluk, een werkelijk liefdegenot voor datgene, wat hij zich te vergeefs had voorgespiegeld, in de plaats te stellen.Een zeer rijk Corinthiër had hem een klein beeldwerk in marmer opgedragen. Alcamenes had zich van die opdracht gekweten en het voltooide werk naar Corinthe gezonden. De Corinthiër was verrukt over de bekoorlijkheid en zeldzame bewerking van dit stuk en schreef Alcamenes dat hij voor dit meesterwerk elke belooning, die hij maar wilde, kon ontvangen; wat ooit de wensch zijns harten geweest was, zou hem gegeven worden.Daarop schreef de jonge beeldhouwer met zijn gewonen overmoed aan den Corinthiër het volgende terug:[230]„Het is bekend, dat gij in uw rijk en weelderig Corinthe sedert lange tijden de schoonste „vriendinnen” hebt, die in geheel Hellas te vinden zijn. Daar gij mij voor mijne marmeren groep elken wensch wilt bevredigen, verzoek ik u mij die schoone, welke tegenwoordig te Corinthe den grootsten roep heeft, op uw kosten voor eene maand naar Athene te zenden en haar mede te deelen, dat zij voor die maand mij uitsluitend als model moet dienen voor mijne beeldwerken.”De rijke Corinthiër lachte, toen hij deze regels las en weinige dagen later bevond zich de schoonste hetaere van Corinthe, de danseres Theodota, te Athene bij Alcamenes.Alcamenes was er zeer mede in zijn schik en heugde zich een maand lang in het bezit van de geroemde schoone, op kosten van den rijken Corinthiër.Toen de maand verstreken was en de verplichtingen der schoone Theodota ophielden, gevoelde zij weinig lust naar Corinthe terug te keeren, zij had Athene lief gekregen en besloot daar te blijven.Alcamenes bleef voor haar eene bestendige vriendschap koesteren en roemde haar bij allen, die het hooren wilde, als de schoonste vrouw van Hellas.Hij verzuimde nooit er bij te voegen, dat zij bekoorlijker was, dan de alom geprezene Milesische Aspasia, die meer door sluwheid dan door schoonheid Pericles in hare netten had gevangen.Toen nu Alcamenes in tegenwoordigheid van Aspasia die woorden tot lof van Theodota tot Socrates sprak, begreep zij aanstonds de bedoeling van den gekrenkten jongen man. Zij bemerkte, dat hij heimelijk hare ergernis wilde opwekken door eene andere schoone te prijzen, vooral in de tegenwoordigheid van haar zelve en Pericles. Met de snelheid en gevatheid van den vrouwelijken geest had zij oogenblikkelijk hare gedachten geregeld en haar besluit genomen.Onder de overwegingen, die snel als de bliksem door haar geest gegaan waren, was ook deze geweest,[231]welken indruk wel de door Alcamenes gesproken woorden op het ontvankelijk gemoed van Pericles hadden gemaakt. Zij overdacht, dat Pericles op de gedachte kon komen, de schoone Corinthische te gaan zien en aan deze begeerte zou voldoen zonder het gezelschap zijner vriendin. Dat Pericles in hare afwezigheid Theodota zou ontmoeten, kwam haar niet wenschelijk voor; minder beducht was zij, als zij zelve bij die ontmoeting tegenwoordig ware. Zij wist wat zij tegenover alle andere vrouwen in de weegschaal kon leggen. Wat Alcamenes betrof, meende zij zijne booze handelwijze niet beter te kunnen straffen, dan door hem te toonen, hoe weinig zij om dergelijke plagerijen gaf.Bij deze afdoende gronden voor haar besluit kwam nog een laatste; zij zelve verlangde vurig de door Alcamenes zoo hoog geprezene Corinthische schoone te zien.Zoo was het tot geene geringe verbazing van Alcamenes, dat zij zelve zijn aanbod om ieder, die het verlangde tot haar te voeren, aannam.Opgeruimd en onbeschroomd sprak zij:„Als gij, Alcamenes, in staat zijt, ons den weg te openen tot het schoonste en bekoorlijkste, wat gij kent, tot de danseres Theodota, dan ware het dwaasheid van Pericles, Socrates, mij zelve en iedereen, die u hoort, u niet aanstonds aan uw woord te houden, en u niet uit te noodigen zonder dralen eene zoo aanlokkende belofte te vervullen.”„Ik onderstel,” hernam Alcamenes gevat, „dat gij, schoone Aspasia, zoowel uit uw eigen naam, als ook uit dien van Pericles en Socrates, hebt gesproken.”Pericles bedacht zich een oogenblik, doch verklaarde toen, dat hij geene bezwaren had tegen het verlangen der schoone Aspasia. „Wij gaan,” zeide hij, „dezen weg alleen in gezelschap van Socrates en om zijnentwil: een wijze te volgen, kon toch nooit iemand tot schande strekken.”„Onze vurige Alcamenes,” zei Socrates, „is een vriend van rassche en koene besluiten. Zie, hoe hij zich reeds verheugd de handen wrijft en naar zijn[232]Thessalischen hoed grijpt. Ik wed, dat hij ons nu geen rust meer laat, maar zich vast voorgenomen heeft, oogenblikkelijk langs den kortsten weg uit Phidias’ werkplaats naar de woning der schoone Theodota te voeren.”„Juist zoo,” antwoordde Alcamenes levendig. „Onze meester Phidias is onder ons laatste gesprek reeds weggeslopen. Ik raad u hem niet door uw afscheid te storen in zijne berekeningen en overpeinzingen. Hier in de nabijheid is een uitgang, de deur is open, de straat vrij, de woning van Theodota niet ver—laat ons gaan!”Het huis van Theodota was weldra bereikt.Men behoefde niet te vreezen, dat men de schoone ongelegen kwam. Alcamenes ging even binnen, om het gezelschap aan te kondigen. Hij keerde aanstonds terug en verzocht zijnen vrienden hem te volgen.Hij voerde hen in de binnenvertrekken vanTheodota. Deze waren met overdadige weelderigheid ingericht. Overal bevonden zich zachte aanligbedden met purperen kussens, de grond was met mollige tapijten bedekt; welriekende geuren stegen uit sierlijke schalen omhoog. Een bed met purperen behang werd door de bevallige liefdegoden gedragen. Sieraden en gewaad lagen in schilderachtige wanorde rondom verspreid. Zachte sandalen, haarbanden, kostbare gordels, blanketdoozen, zalfdoozen, ringvormige spiegels van blank gepolijst metaal met rijk versierde handvatsels, bekoorlijk schoone zonneschermen en veelkleurige, bladvormige waaiers, Cypria’s geheele tuighuis; te midden daarvan kleine kunstwerken uit brons of marmer, deels geschenken van Alcamenes, aarden werktuigen met goud en ivoor ingelegd, verwelkte en frissche kransen van allerlei soort: dat alles maakte in zijne bonte mengeling bij den eersten aanblik een overweldigenden indruk op de binnenkomenden, een indruk, die door de welriekende geuren van het vertrek werd versterkt, terwijl van een der mollige bedden de schoon versierde hetaere zelve opstond, om[233]haar gasten welkom te heeten.Theodota was schoon. Het haar was ravenzwart, het oog donker en vurig. De trekken waren fijn. Zij was sterk geblanket, de wenkbrauwen kunstig afgerond, de lippen rooskleuriger, dan zij in werkelijkheid waren. Zij droeg een gewaad met bloemen geborduurd en met rijken tooi beladen. Haar gewaad werd om het midden van haar lijf te zamen gehouden door een vergulden gordel met rijk versierden gesp en van allerlei smaakvolle en kunstige kostbaarheden voorzien. Haar hals, haar boezem, hare armen, ja zelfs hare voeten boven de enkels waren versierd met tooiselen, flonkerend van granaat of barnsteen. Ook het kleine, welgevormde oor prijkte met bellen van eene bekoorlijke schoonheid. Om het hoofd had zij een met paarlen bezaaiden metalen band.„Ik heb,” zei Alcamenes tot zijne bezoekers, „Theodota reeds verteld, waarom gij hierheen gekomen zijt en wat gij van haar verlangt.”„Alcamenes is wel dwaas,” zei Theodota glimlachend,„dat hij zoo opeens zulke aanzienlijke onverwachte gasten bij mij binnenleidt en mij geen tijd gunt om ze waardig te ontvangen.”„Gij hebt geen tijd daarvoor noodig,” zei Alcamenes, „gij zijt immers steeds dezelfde, en niet uwe woning geldt ons bezoek, maar u en uwe bekoorlijkheid en uwe kunst.—Een wijs en ernstig man ziet gij hier voor u,” vervolgde hij op Socrates wijzende, „en hij brandt van verlangen u te zien en uw dans te bewonderen. En meer nog aan dezen wijzen man, Theodota, hebt gij het te danken, dan aan mijne vurige woorden, dat heden zelfs de groote Pericles en de gevierde, kunstlievende Aspasia uit Milete over uw drempel gekomen zijn, om zich met eigen oogen van uwe beroemde kunst te overtuigen.”„Wat?” riep Theodota uit, „voor een wijze, voor een groot en vermaard staatsman en voor eene uitverkorene mijner kunne, die, naar het schijnt alle andere vrouwen van dezen tijd in schoonheid[234]overtreft, moet ik het wagen mij te vertoonen en het weinige, wat ik vermag aan het oordeel van zulke rechters onderwerpen?”„Maak u niet ongerust, Theodota,” zei Pericles, „Alcamenes heeft u geprezen en Alcamenes weet het schoone op te sporen.”„Inderdaad,” voegde Socrates er schalks lachend aan toe, met een zijdelingschen blik op Aspasia, „hem ontmoet het schoonste altijd het eerst.”—„Dan moge hij het verantwoorden,” zei Theodota. „Preutsch te zijn voor wien dan ook ter wereld en te weigeren mijne kunst ten toon te spreiden, mag mij niet in de gedachte komen. Gij wilt mij zien dansen, gelijk honderden voor u wenschten, en ik wil dat verlangen bevredigen. Beschouwt u als mijne meesters. Wat wilt gij dat ik dansen en u daarin zal voorstellen? Welke Godin? welke heldin? welke mythe of geschiedenis?” Zij wendde zich met deze vraag vooral tot Pericles. Deze echter antwoordde:„Vraag dat aan dezen wijze, want deze is opzettelijk hier gekomen met bepaalde bedoelingen, zoodat het hem zeker zeer gewenscht zal zijn de voorstelling van uw dans te mogen kiezen. Zeg het dus openhartig, Socrates, wat gij wenscht dat Theodota zal dansen.”„Wanneer gij en Theodota zelve,” hernam Socrates na eenige oogenblikken nagedacht te hebben, „de keuze aan mij overlaat, dan weet ik niets beter dan Theodota te verzoeken den strijd der drie Godinnen3om den prijs der schoonheid op den Ida te dansen.”„Wat een heerlijk genot als gij beurtelings als Aphrodite, Hera, en Pallas Athene verschijnt en ons toont, hoe ieder van haar met dezelfde en toch naar ieders karakter fijn veranderde middelen[235]den herder op den Ida zocht te betooveren en den prijs der schoonheid uit zijne hand trachtte machtig te worden. Alcamenes heeft mij beloofd dat ik hier zou ervaren, wat bekoorlijkheid is, en daarom willen wij Theodota noodzaken, zoo bevallig en bekoorlijk mogelijk te zijn en op zooveel verschillende wijzen, als maar denkbaar is.”—Nadat Theodota zich uit het vertrek had verwijderd, om aan haar gewaad en uiterlijk die verandering aan te brengen, die overeenkwam met den dans, dien zij zou voorstellen, zeide Socrates:„Wij zullen ons doel bereiken: want Theodota is niet als de meeste schoonen, die slechts terughoudend en droppelsgewijs afmeten, wat zij ons geven willen; maar zij zal ons, wat zij aan te bieden heeft, ruimschoots schenken en alles op eens als uit den hoorn van Amalthea4over ons uitstorten. Dan is de zaak afgedaan en kunnen wij naar huis terugkeeren. Ik zie wel, dat Theodota lief en zacht is, maar niet verstandig. Hoe zou Aspasia dansen, als zij wilde! Maar wie van ons, behalve de Olympiër Pericles, heeft haar ooit zien dansen?”—Nu kwam Theodota terug, korter gekleed en in een gewaad dat haar in de meest ongedwongen bewegingen niet belemmeren kon. Met haar trad een knaap binnen met eene lier en eene fluitspeelster. Deze begon te spelen en de knaap begeleidde haar met zijn snareninstrument. Onder die klanken echter begonnen zacht de bewegingen van Theodota zich te mengen en het was onmogelijk te zeggen, op welk oogenblik zij begonnen was te dansen.Zij danste, wat haar opgedragen was: eerst de strijd van Aphrodite om den appel, den eereprijs in de handen van Paris, dan die van Hera en vervolgens[236]die van Pallas. Het was dezelfde dans, driemaal herhaald, en toch steeds geheel verscheiden, overeenkomstig het wezen en karakter der Godinnen. Zij scheen driemaal geheel veranderd. Bewonderenswaardig was het te zien, welk eene afwisseling zij met hare levendige bewegingen, sprekende oogen en doelmatige gebaren in dien strijd wist te brengen. Nu eens scheen het verzoek een zacht smeeken, een zoet vleien, een bekoorlijk dringen, eene verleidelijke bekoring, eene belofte van den innigsten dank, dan weder een fier, der zege bewust bevel, een meer gebiedend verlangen, dan ook een vleiend aandringen soms eene listige poging om met verleidelijk geweld den kampprijs aan de hand des rechters te ontwringen. Daarbij kon zij iedere bekoorlijkheid van haar schoone gestalte in houding, beweging en gebaren doen uitkomen. En daar ieder fijn uitgedachte, elke sprekende trek driemaal voorkwam, steeds overeenkomstig het wezen der Godin, wist men niet, wat meer te bewonderen, de rijkdom harer vinding en de afwisseling van het geheel of de bekoorlijkheid en volkomenheid in elk gebaar en iederen trek.Nog moet vermeld worden dat Theodota onder het dansen hare vurige oogen vol van die afwisselende doch steeds smeekende uitdrukking schier onafgebroken op Pericles gevestigd hield. Hem maakte zij tot het doelwit harer mimiek, in hem scheen zij Paris te zien en uit zijne handen scheen zij den kampprijs te willen ontvangen.Toen Theodota haar dans geëindigd had, zwaaide Pericles haar hoogen lof toe over de bevalligheid en volkomenheid der kunst, waarmede zij zich van hare taak gekweten had.„De taak, die gij de schoone Theodota hebt opgedragen,” zei Alcamenes, „was niet zoo heel moeilijk: zij zou andere en veel zwaardere rollen tot uwe grootere verbazing vervuld hebben. Zij is in staat niet alleen de teederheid der duif en de woestheid van den leeuw, maar als het noodig[237]is, ook het zachte klateren eener beek of het opflikkeren van het vuur of het suizend trillen van een boom na te bootsen.”„Ik twijfel er niet aan,” zei Pericles, „dat zij ook in staat is, als die danser, dien ik onlangs gezien heb, zelfs de letters van het alphabet, de eene na de andere, door het gebarenspel harer wonderlijke lenige en teedere ledematen uit te drukken.”„En wat hebt gij ons van Theodota te zeggen,” vroeg Alcamenes, Socrates op den schouder kloppende, die gedurende den dans geen blik van de danseres had afgewend, en nu daar stond, naar het scheen, in diepe gedachten verzonken.„Ik zal leeren dansen!” hernam hij ernstig. „Ik kende tot heden slechts eene wijsheid van het hoofd en de gedachte; nu weet ik, dat er ook eene wijsheid der handen en voeten is.”De omstanders lachten en meenden dat de peinzer met zijne gewoneironiesprak. Doch Socrates ging voort:„De rhytmus is maat en maat is zedelijkheid. Zulk eene schoone rhytmus van het lichaam als ons Theodota getoond heeft, moet noodzakelijk ’s menschen geheele wezen met hart en liefde voor de schoone maat vervullen. Men moet, als men dit eens gezien heeft, noodzakelijk al wat plomp, ruw, gemeen en onbehouwen is verachten. Ik benijd u Theodota den schoonen rhytmus dien gij in uw lichaam en uwe ziel bezit.”„Ik verheug mij zeer,” hernam Theodota glimlachend, „als ik dien schoonen rhytmus werkelijk bezit en er anderen genot mede verschaffen kan; want het is mijne bezigheid en mijne kunst te behagen en genot te verschaffen. Deze kunst echter schijnt mij bij den dag in Griekenland moeilijker te worden. Voor uw door de kunst verwend oog, is de schoone natuur in de vrouw niet langer voldoende. Gij verlangt, o mannen, dat wij ons tooien met iedere bekoorlijkheid der kunst, zoo wij u willen aantrekken of aan ons boeien.—Intusschen,” voegde Theodota er met een bekoorlijk lachje bij,[238]„hoe zwaar gij ons vrouwen de kunst ook maken moogt om te bekoren, ik zal niet ophouden dit beroep als het schoonste, en met uw verlof, ook als het mijne te beschouwen.”„Klaarblijkelijk,” zei Socrates, „behoort gij niet tot die vrouwen, die slechts aan een enkelen man zoeken te behagen en die men gewoon is verliefden of minnenden te noemen.”„Neen, bij de Goden!” viel Alcamenes in; „tot deze behoort zij niet. Zij is de schrik van alle dweepzieke jongelingen, die over liefde bij haar komen zeuren. Gisteren nog beklaagden de jonge Damoetas zich bij mij, dat gij hem de deur gewezen hadt, Theodota, omdat hij u te zwaarmoedig geworden was.”„Ja, waarlijk,” hervatte Theodota. „Ik spot met de boeien niet alleen met die van Hymen, maar ook van Eros. Ik ben geen priesteres der liefde, maar een dochter der vreugde!”„Ik bewonder u, Theodota,” zei Socrates. „Want gij schijnt mij niet alleen het schoonste, maar ook het menschlievendste aller beroepen gekozen te hebben. Welk een zelfverloochening oefent gij uit, Theodota, welk een zelfopoffering. Gij versmaadt het de lafenis te zijn in den beker van een enkelen man, geëerd eene plaats in te nemen aan den huiselijken haard, gij verkiest het als een dun wolkje in de lucht te stijgen en heen te trekken over alle landen en u in een bloemenregen van vreugde over de hoofden der menschen uit te storten. Gij doet afstand van den huiselijken vrede, van de eer der gade, van het geluk der moeder en den troost des ouderdoms, alleen om de vermeerderde behoefte naar schoonheid en genot in den boezem der mannen van Hellas te bevredigen. En niet alleen Hymen’s keten veracht gij—gij tart zelfs met dartelen overmoed, ja schier met Prometheïsche5fierheid, de toorn van Eros, den[239]wraakgierigsten aller Goden. En het is u niet onbekend, hoe kort de bloei der schoonheid en der jeugd duurt. Toch staat gij daar, vol verloochening en zelfopoffering, als een bloeiende boom in de maand Maart en zegt: „Plukt ze maar allen en schudt ze af de bloesems mijner kortstondige lente en vlechte er wie wil een ruiker van voor weinige dagen. Ik wil geen vruchtboom zijn, ik wil alleen bloesems voortbrengen!”—Welk een opoffering, Theodota, welk een zelfverloochening! Mogen de Goden en menschen u daarvoor zegenen en de Chariten eenmaal uw lichaam onder rozen begraven!”Zoo sprak Socrates.Theodota bedankte hem met een bekoorlijken glimlach. Zij was maar al te goed vertrouwd met de eigenaardigheden der verschillende menschen, dan dat de taal van den zonderlingen man haar had kunnen bevreemden.„Gij schat mijne verdiensten te hoog,” zeide zij.„Ik heb nog lang niet alles gezegd,” hernam Socrates.„Dat moge u een rede zijn, eens weder te komen,” antwoordde Theodota.Zoo hielden zij beiden nog een poosje het gesprek gaande. Daar de anderen thans er zich in mengden, werd het onderhoud levendiger en Theodota vond gelegenheid om menigen vurigen blik op Pericles te slaan, menig veel beteekenend woord tot hem te richten.Pericles beantwoordde dit op vriendelijke wijze, die hem tegenover vrouwen eigen was.Aspasia nam de verhouding van beiden nauwkeurig waar maar zonder de hartstochtelijke verblinding van andere vrouwen. Zij zelve predikte de boodschap der vrije, vroolijke liefde en kantte zich openlijk tegen de slavernij aan, niet alleen in den echt, maar ook in de liefde. Bovendien wist zij,[240]dat eene vrouw, die ijverzucht verried, verloren was. Ook bleef zij zich van den afstand bewust, die Theodota van haar scheidde.Theodota vervulde, zorgeloos daarheen levende, hare nimfenbestemming. Aspasia zou nooit in zulk een beroep bevrediging kunnen vinden. Oneindig ver was zij verwijderd van die zelfopoffering, die de zonderlinge Socrates in zoo wonderlijke taal bij Theodota had geprezen.Zij offerden den bloesem harer lente niet aan het ruwe zingenot der menigte op, zij had een heerlijker doel gezocht en gevonden; zij werd bemind en beminde—ofschoon dan ook met die levenslustige, vrije opwekkende liefde, die zij predikte. En wat de middelen betrof, te betooveren, te boeien: Theodota schonk wat zij had zorgeloos weg en had weldra niets meer te geven. Aspasia’s rijk, diep, gemoed was onuitputtelijk.Toch achtte Aspasia het niet overbodig er op bedacht te zijn, hoe zij hare medeminnares de gelegenheid om zelfs eene vluchtige en voorbijgaande verovering te maken, zou kunnen ontnemen. Snel was in hare ziel een plan gerijpt en het bezoek bij de schoone Corinthische bleef niet zonder gevolg.Toen Pericles, Aspasia, Alcamenes en Socrates het huis van Theodota hadden verlaten, vroeg de beeldhouwer zijn vriend:„Welaan, beste Socrates, wat hebt ge voor uwe groep der Chariten bij den drievoudigen dans der bekoorlijke Theodota geleerd?”„Veel, wonderbaar veel,” antwoordde de aangesprokene. „Ik weet nu, wat de trits der Chariten beteekent, wat ieder voor zich zelve en wat allen te zamen uitdrukken. Maar het moet thans nog mijn geheim blijven; want het is tijd den beitel ter hand te nemen en het marmer te laten spreken. Gij zult ervaren, wat ik heden bij Theodota heb geleerd, wanneer de groep mijner Chariten voltooid op de Acropolis staat. Ontvang voorloopig mijn dank, dat gij mij vriendschappelijk op den weg hebt[241]geleid, dien ik bewandeld heb om der wille van die schoone en wijze vrouw, die mij gelast heeft aan de Chariten te offeren.”1Heracles, door de Romeinen Hercules genoemd, was een der beroemdste helden, van wie de legenden gewagen. Later werd hij heros d.i. halfgod. Zijne twaalf groote werken zijn bekend.↑2Ageladas—want dit is de gewone schrijfwijze—was een beroemd beeldhouwer te Argos. Hij was de leermeester van Phidias, Myron van Eleutharae en Polycletus van Sicyon. Zijn eerste onderricht echter in de beeldhouwkunst genoot Phidias van Hegias te Athene.↑3De lezer herinnere zich dat op de bruiloft van Peleus en de zeegodin Thetis alle Godheden genoodigd waren, behalve Eris, de Godin van den haat. Om zich te wreken wierp Eris in de bruiloftszaal een gouden appel met het opschrift „voor de schoonste”;Aphrodite, Hera en Athene maakten ieder aanspraak op dien prijs. Paris, de zoon van Priamus, werd tot scheidsrechter benoemd, en deze, verlokt door Aphrodite’s belofte hem de schoonste vrouw ter wereld als belooning te geven, kende haar den prijs toe. Deze vrouw was Helena, de gade van koning Menelaüs.↑4De hoorn van Amalthea beteekent zooveel als de hoorn des overvloeds. De reden hiervan is deze: Amalthea is de naam eener geit, die Zeus op Creta, toen hij door zijne moeder voor Cronos (Saturnus) verborgen werd zoogde. Tot loon daarvoor werd zij onder de sterren opgenomen. Zeus ontnam de geit één hoorn en gaf dien aan de dochters van Melisseus, die Rhea hadden bijgestaan, en vulde dien met alle mogelijke zegeningen en goede gaven.Eene andere lezing is, dat Amalthea eene nimf is, die met de melk eener geit Zeus voedde.↑5Prometheus, de weldoener der menschheid, ontstal den Goden het vuur en opende daardoor in menschen eene bron van eindeloos geluk. Tot straf deed Zeus hem door Bia (de kracht) en Kratos (het geweld) aan eene rots in den Caucasus[239]nagelen, waar een arend telkens zijne lever, die steeds weder aangroeide, kwam verslinden. Toch boog Prometheus zijn trots niet, toch bleef hij in opstand tegen de machtige Goden.V.d.beteekent Prometheïsch: onbuigzaam, onwrikbaar.↑
VIII.HET OFFER AAN DE CHARITEN.
Geen scheppende en werkende geest gaat zoo geheel en al in zijn werk op, als die des beeldhouwers. Geen anderen weg betrad Phidias, dan die tusschen de Acropolis en zijne werkplaats liep. Hij zag zelfs in zijne nachtelijke droomen niets anders dan zijne godenbeelden, zijne groepen, zijne friezen en niet zelden vond hij, omdat zijn rustelooze geest en in den slaap evenals overdag werkzaam was, niet zonder verwondering bij zijn ontwaken zijne plannen verder gevorderd en gerijpt. Verscheidene zijner beelden waren oorspronkelijk droomgezichten geweest en hij kon beweren, dat hem Goden in den droom verschenen waren, evenals aan de helden van Homerus. De geheele wereld had slechts waarde voor hem, in zoover zij betrekking had op zijne kunstenaarsziel. Hij deed afstand van de genietingen des levens; hij was eenzaam en ongehuwd.Zijne ziel was vervuld met allerlei ontwerpen en zijn helder oog was de klare spiegel van zijn geest.Het was een bont gewemel van menschen en dingen in de zalen en pleinen van de werkplaatsen van Phidias. Steeds waren er ontwerpen te bedenken, te onderzoeken, te verwerpen, steeds opnieuw modellen in klei te vormen en de verhoudingen te berekenen. Naar de kleimodellen werd ook menig kunstwerk eerst door de steenhouwers uit het ruwe blok gehouwen en later aan de fijnere hand des kunstenaars ter volledige afwerking toevertrouwd.[219]Een puinhoop kon Phidias’ werkplaats genoemd worden, maar een puinhoop der wording, niet der vernietiging. Het was de chaos, doch niet de chaos van den ondergang, maar de chaos waaruit de schepping geboren werd. Brokken lagen overal verspreid maar niet als deelen van een geheel, dat bestaan had, maar als deelen, die op weg waren, om een geheel te worden.En over dien bajert zweefde de geest van Phidias. Deze geest bestuurde alles. Hij hield den vurigen Alcamenes en den strengen Agoracritus in bedwang en dreef hen tot eendrachtig samenwerken.Deze beide waren zijne machtigste armen; de eerste verleende hem bovendien zijne hulp door zijne welbespraaktheid. Wat Phidias eens had gezegd, in korte, wellicht raadselachtige woorden zich had laten ontvallen, dat herhaalde en verduidelijkte Alcamenes, prentte het in zijn geheugen en deelde het later weder mede.Juist liet hij zijn oog gaan over die jongeren en kunstenaars, wier arbeid bijzonder aan zijne zorgen was toevertrouwd. Overal berispte hij, vermaande hij, spoorde hij aan met de vurigheid, die hem eigen was, terwijl hij de bestanddeelen der gevelgroepen, friezen en metopenbeelden nauwkeurig beschouwde.„Wat doet gij daar, Dracyllus? Te zwak gewelfd om op een afstand uitwerking te doen is die borst; het veld van het onderlijf te weinig geleed, de kuiten te onduidelijk geteekend. De hoofdspieren te weinig, de mindere spieren te veel op den voorgrond geplaatst!—Charicles, gij spant hier de huid te strak, daar te slap over de spieren. Hier is zij niet los genoeg, bijna niet te verschuiven. Het moet schijnen, alsof men zelfs bij bronzen of marmeren beelden het vel tusschen zijne twee vingers kan nemen en een weinig naar boven kan trekken!—Uw God, Lycius, is schier niet te herkennen uit de plooien van zijn gewaad. Behoort gij soms ook tot die beeldhouwers,[220]wier Heracles1alleen aan de knots kenbaar is?—Ook uw bronnimf, Crinagoras, schijnt aan haar kruik gekend te moeten worden, in plaats dat gij het zachte, als ’t ware vloeibare harer leden over het diepst van haar wezen hadt uitgespreid.”Thans kwam hij bij eene groep van Parthenon-fries: jongelingen, die steigerende rossen optoomden.„Bij welke merrie, Lycius, hebt gij dien dikken kop, die stompe ooren gezien? Ook het geheel is te stijf, te houterig, te ouderwetsch! Zijt gij bij de Aegineten ter schole gegaan? Zulk ouderwetsch prulwerk zou zelfs Argeladas2niet goedgekeurd hebben!”—Zoo ging Alcamenes te werk, berispte nog dit en dat in het bijzonder en scheen in zijn vuur geneigd, om het beeld van den leerling stuk te slaan, hetgeen hem dikwijls overkwam, wanneer de toorn zich van hem meester maakte.Agoracritus naderde en nam, naar zijne gewoonte, den armen leerling tegen den driftigen Alcamenes in bescherming. Dezen steeg het bloed naar het hoofd en gaf hem een scherp antwoord.Op dit oogenblik echter naderde Phidias en onder zijne geleide een paar menschen, die in ’t geheel geen vreemdelingen waren in deze werkplaats.Hoe hadden Pericles en Aspasia zich het genot kunnen ontzeggen nu en dan een blik te gaan werpen op de rustige vorderingen van die grootsche ontwerpen?Zij waren gekomen en hadden den meester midden onder de schare zijner leerlingen gevonden, tusschen zijne kleimodellen, nog onvoltooide werken en half gehouwen marmerblokken; zij vonden hem minder spraakzaam, strenger, ingetrokkener, meer in zich zelven verdiept dan ooit te voren.[221]Toen Alcamenes de Milesische zag, deed hij zijn best onverschillig en opgeruimd te schijnen, en de nog niet geheel verkropte spijt te verbergen, die hij bij de vluchtige ontmoeting op de Agora had laten doorschemeren. De sombere Agoracritus echter deed volstrekt geen moeite om den wrok te verhelen, dien hij nog steeds tegen Aspasia koesterde. Hij ging op zij en sprak geen enkel woord tot de beide aanzienlijke bezoekers.Daar dezen bij hun binnentreden in de zaal nog iets van den woordenstrijd tusschen Alcamenes en Agoracritus hadden opgevangen, viel het gesprek terstond op dat zelfde onderwerp en de levendige Aspasia sprak het onverholen uit, dat zij het volkomen met Alcamenes eens was, als hij de laatste sporen der overlevering van het ouderwetsche uit de kunst wilde weggenomen zien. Bij de beschouwing der ontwerpen en kleimodellen voor de kolossale gevelgroepen, voor de friezen en metopenbeelden, vond zij menig pronkstuk nog te hard en streng en zelfs de hoogste bloeitijd der kunsten scheen haar toe te langzaam te komen.Onverholen sprak zij haar meening uit.„De schoone Aspasia,” zei Phidias met een ernstigen lach, „zou willen, dat alles wat wij maken, zoo sierlijk, weelderig en bekoorlijk is, als zij zelve. Maar vergeet niet, Aspasia, dat wij beeldhouwers verplicht zijn in onze scheppingen niet het bloot menschelijke, niet het alledaagsch schoone en bekoorlijke, maar het bovenmenschelijke, het goddelijke voor te stellen en te belichamen.”„Phidias heeft misschien gelijk,” zei Pericles, „wanneer hij zich datgene, wat Aspasia streng, stijf, ouderwetsch noemt, niet geheel wil laten ontnemen. Wie weet of het ideaal van het schoone in de beeldende kunst niet op de smalle grens ligt, die de kuische, jonkvrouwelijke schoonheid van de weelderige, vol ontwikkelde scheidt. De hoogste en laatste trap der ontwikkeling is toch ook de eerste der daling; datgene, wat het gemoed met de reinste, edelste betoovering genoegelijk aandoet en verkwikt,[222]moet dus een weinig aan deze zijde van dien hoogsten trap, niet daarop liggen.”„Ook al dat ik u, Phidias,” zei Aspasia, „nog zoo zeer tot het sierlijke, bekoorlijke en weelderige wilde aansporen en dat gij van uw kant de uwen tot dat zelfde doelwit opwektet, geloof ik toch, dat de juiste grens nog in langen tijd niet zou overschreden worden. Want zoover schijnen mij uwe leerlingen nog van het al te sierlijke en al te weeke verwijderd, dat zelfs, wanneer zij met alle krachten er zich op toelegden, zij het bezwaarlijk zouden bereiken. Ik zeg niet, dat gij langzaam zijt, maar de weg is lang.”„Wanneer ik de beelden van Phidias beschouw,” zei Pericles, het gesprek eene andere wending gevende, daar hij vreesde dat Phidias zich beleedigd mocht achten door Aspasia’s woorden, „of de zangen van Homerus hoor, dan vind ik, dat zij verheven zijn in hun bekoorlijkheid en bekoorlijk in hun verhevenheid. Zij zijn verheven, zooals ieder weet, en zij zijn bekoorlijk, zooals niemand loochent, en schoon noemen wij ze misschien juist hierom, omdat ze beide zaken in zich bevatten.”„Daar kan ik mij mede vereenigen,” zeide de steenhouwer Socrates, van zijn werk opziende, daar hij tot dusverre vlijtig aan een marmerblok, dat hem aangewezen was, had zitten beitelen. „Lang heb ik bij mij zelven nagedacht, wat toch de schoonheid is; nu zijn mij Pericles’ woorden als eene lichtstraal in mijne ziel gevallen.—Als het verhevene met het bekoorlijke verbonden, als eene liefelijke verhevenheid en eene verhevene liefelijkheid zou men alzoo het schoone kunnen beschrijven. En wanneer Aspasia en Pericles weder eens over de juiste grenzen der ontwikkeling in de kunsten spreken, zoo behoeven zij slechts te zeggen, dat het schoone om schoon te blijven, nooit alleen bekoorlijk en nooit alleen verheven, maar steeds beide te gelijk moet zijn. Gaven mij toch de Goden bij elken beitelslag, dien ik hier in Phidias’ werkplaats zal slaan, deze les gedachtig te zijn,[223]in ’t bijzonder als ik de hand leg aan het wijgeschenk, dat ik voornemens ben aan de Godin van Phidias op den dag, dat haar feestgebouw op Acropolis zal ingewijd worden, op te dragen.”„Hoe?” riep Aspasia uit, „de nadenkende steenhouwer zal nu ook als vrij scheppend beeldhouwer zijne krachten beproeven?”„Ja zeker,” hernam Socrates. „Wel is waar hebben Phidias en Alcamenes mij niets van het beeldwerk voor het nieuwe Parthenon opgedragen, om het zelfstandig uit te voeren, en toen ik verzocht mij zulken verhevener arbeid toe te vertrouwen, ben ik door Alcamenes met dien spottenden lach afgewezen, dien hij zoo meesterlijk verstaat. Bij Zeus, ik heb zoo goed als iemand van Phidias geleerd, den volkomen eironden vorm van het gelaat te teekenen, het hoofd klein, maar fijn en schoon geëvenredigd te vormen, voorhoofd en neus op bijna gelijke lijn te plaatsen, de wenkbrauwen in scherpe trekken te doen uitkomen, het oog rond en diep uit te hollen, de neusvleugels zacht af te doen loopen, de kin mollig te ronden, haar en baard golvend voor te stellen. Niet altijd wil ik ruwe marmerblokken houwen en gedachten van anderen, als een machinaal werkman helpen belichamen. Ik wil een wijgeschenk scheppen en trachten met kunstvaardige hand een zelfopgevat, helder, rein begrip in den steen door de beeldende kunst voor te stellen.”„Welk zelfopgevat, rein begrip is het dan, dat gij, zooals ge zegt, in het marmer wilt belichamen?” vroeg Aspasia.„Daar zult gij wel van hooren,” hernam Socrates, „het betaamt immers niet over den arbeid van een leerling te spreken, alvorens gij van het werk des meesters, van de Goddelijke Pallas Athene, zooveel gezien hebt, als heden daarvan te zien is.”Pericles en Aspasia verlangden zeer datgene van Phidias’ werk te zien, wat gereed was. Phidias echter zeide:„Gij zult thans slechts brokstukken daarvan zien,[224]want zooeven werd het kleimodel stuk gezaagd, zooals dat vereischt wordt voor kunstwerk in goud en ivoor.”Zij danste wat haar opgedragen was.Zij danste wat haar opgedragen was.Pericles en Aspasia echter zouden voorloopig voldaan zijn, als zij dit mochten zien en op hun verlangen geleidde Phidias hen met Socrates en Alcamenes naar eene der ruime zalen. Daar wees hij hun een houten voorwerp, waaromheen de gedaante der Godin uit goud en ivoor, evenals vleesch en vel, moest worden aangebracht. Naast de arbeiders, die bezig waren het kleimodel van het grootsche werk in stukken te zagen, zag men anderen, die olifantstanden, van uitnemende schoonheid en grootte, zooals Indië die voortbrengt, in dunne platen te zagen, waarvan elk weder zorgvuldig bewerkt moest worden om een der deelen van het model uit te maken.Pericles en Aspasia beschouwden met aandacht de geweldige brokstukken van den doorgezaagden Colossus.Ook deze brokstukken gaven aanleiding tot nadenken en gelukkigerwijze was juist het hoofd der Godin nog geheel en ongedeerd. Dit konden zij dus naar hartelust beschouwen en zich laten medeslepen door de hooge gedachtenvlucht des meesters, die zich in de heerlijke, diepzinnige trekken dezer nieuwe „Pallas Athene des vredes” openbaarde …Wat in dat beeld zich afspiegelde, was de geestelijke kracht, het was het licht van het heldere verstand, dat opstijgt uit de diepten.„Zoo schoon en diepzinnig, als het gelaat der Godin ons daar tegenstraalt,” zei Pericles, „schijnt zij ons waarlijk als eene die niet uit eene vrouw is geboren, maar voortgekomen is uit het hoofd van haar vader Zeus.”„In het hoofd echter,” viel Socrates in, die naar het rechte begrip der dingen steeds zocht en onmiddellijk van die opmerking partij trok, „in het hoofd zetelen, zooals bekend is, de gedachten. Wat is dus Pallas, die uit het hoofd haars vaders voortgekomen[225]is, anders dan de bezielde en belichaamde gedachte van Zeus? O, gij gelukkige, door de Goden rijk gezegende Phidias, die geroepen zijt het hoogste, dat er bestaat, de gedachte voor te stellen!—Ik arme stumpert, ik zoek naar haar mijn leven lang, de reine gedachte en zou haar gaarne door mijn peinzen uit het hoofd van Zeus in het mijne overbrengen, evenals eene spattende vonk, maar ik kan haar maar nooit vatten. En Phidias hier neemt slechts een beetje leem, een beetje klei en kneedt ze, en onder zijne handen ontstaat uit het leem een beeld, dat mij de oogen verblindt, wanneer ik het aanschouw en mij dwingt uit te roepen: „Dat is de gedachte—de gedachte van Zeus!”—Dat echter Phidias gelijk heeft, wanneer hij de gedachte, zooals hij die daar belichaamd heeft, Pallas Athene noemt, de schitterende schutsgodin van alle Grieken, vindt duidelijk zijne verklaring in de meeningen der wijzen over de gedachte en der dichters over Pallas Athene. Afgezien van de bekende geboorte uit het hoofd van Zeus, verzekeren de dichters aangaande Pallas Athene, dat zij maagdelijk, voorts ook dat zij van eene mannelijke en vrouwelijke natuur tevens is, geheel in tegenstelling met de Godin der liefde, die niets met de gedachte gemeen heeft, maar geheel opgaat in de schoone gewaarwordingen en in de onbewust voortbrengende werken der liefde. Wie echter zal loochenen, dat ook de gedachte maagdelijk en mannelijk en vrouwelijk te gelijk is? De gedachte is koel, als het licht der sterren, en blijft zelfgenoegzaam in hare reine, heldere sfeer; slechts haar tegenhanger, het gevoel, is enkel gloed en brengt voort en gaat op in de werken der liefde. En het ontzetting verspreidende Gorgonenhoofd, ’t welk de dichters en de beeldhouwers op het schild der Godin Pallas Athene plaatsen, wat is het toch anders, dan de afschuw van den overwonnen nacht, welke de zegevierende gedachte als tropee in haar schild voert? Zoo is het dan aan geen twijfel[226]onderhevig, dat Phidias de gedachte heeft willen voorstellen, opdat wij echter ook steeds mogen zeggen als het ons beter voorkomt, dat het hoofd daar vóór ons het hoofd is van de Godin Pallas Athene …”De ernstige Phidias glimlachte bij deze woorden; Alcamenes echter viel den spreker in de rede en klopte hem met goedkeurenden blik op de schouders en prees zijne woorden. Aspasia zei:„Wanneer Phidias, zooals gij beweert, Socrates, de macht der ijle gedachten heeft willen belichamen, heeft hij wellicht, terwijl hij ze schiep, niet eens aan die gedachte gedacht”—„Dat wedervaart andere vaders ook wel eens,” hernam Socrates.„U overkomt dat zeker nooit!” riep Alcamenes met schalkschen lach den denker aanziende.„Neen,” hernam Socrates, „maar waarom maakt gij u ten mijnen koste vroolijk? Denken is beter dan niet te denken. Mogen de Goden al hun lievelingen het beste in den droom beschikken, wij moeten steeds trachten ons met wakkere zinnen te behelpen. Gij hebt u ongetwijfeld er over verwonderd, Aspasia, dat ik u zoo dikwijls naar het wezen der liefde heb gevraagd. En toch kon ik niet anders. Evenals Phidias het zegevierend licht der gedachte in het beeld van Pallas Athene heeft belichaamd, zoo zou ik in een beeld van Eros de liefde willen teruggeven. Gij zult toch zeker niet beweren dat Eros een verachtelijke God is; vele wijzen noemen hem zelfs den oudsten en eersten van alle, en wanneer de liefde, naar het schijnt, boven alles een streven, een zoeken, een verlangen is, dan mag ik toch wel zeggen, dat die God eigenlijk de mijne is. Om echter nauwkeuriger met hem bekend te worden, ben ik, gelijk gij weet, dikwijls vragend en onderzoekend bij de menschen rondgegaan.”—„Dat is waar,” viel Alcamenes lachend in, „gij zijt meer op de Agora en op de zuilengaanderijen en andere openbare plaatsen te zien geweest, dan[227]hier in Phidias’ werkplaats. Deze man schijnt waarlijk door eene bijzondere onrust gedreven te worden. Eerst hakt hij een halven dag als een dolleman op zijne marmerblokken, dan laat hij eensklaps zijne gereedschappen vallen en staart peinzend een uur lang voor zich uit. Dan springt hij op en loopt weg en komt in een halven dag niet terug. Gij wilt een Eros beitelen? Nu, zeg dan toch wanneer? Weet gij wel, mijn waarde, dat onze meester Phidias u den traagsten zijner leerlingen noemt?”„Ik weet het,” hernam Socrates, „maar ik herinner mij ook, dat gij ook niet zelden den beitel wegwerpt en wegijlt, met of zonder voorwendsel, en, evenals ik, de liefde naloopt, naar men zegt, zonder toch eigenlijk veel naar haar begrip en karakter te vragen.”—„Gij hebt gelijk,” hernam Alcamenes lachend, „ik vraag in ’t geheel niet naar haar begrip. Maar wie zegt u, dat ik altijd de liefde naloop, als ik mij uit de werkplaats verwijder?”„Niet altijd gaat gij zelf weg,” zei Socrates, „soms zendt gij slechts een handlanger of zelfs den dollen Meno, als hij hier juist rondslentert, met briefjes aan de schoone Corinthische Theodota.”—Wederom lachte Alcamenes en Socrates vervolgde:„Mijn vriend Anaxagoras heeft den hartstocht der liefde eene ziekte genoemd: ik weet echter niet of zij eene gewone ziekte is en met artsenijen moet behandeld worden, of eene goddelijke, zooals de geestvervoering der dichters of de verrukking derDelphischepriesteres. Dat de God der liefde vleugels moet hebben en eene knapengestalte, weet ik: hoe ik hem overigens moet voorstellen, ernstig of vroolijk, met de oogen naar boven of naar beneden gericht,—waarlijk, ik zou gaarne willen weten, Aspasia, hoe gij het zoudt aanleggen de liefde voor te stellen, als gij een der onzen waart in deze werkplaats van Phidias.”„Ik zou het niet gaarne beproeven haar voor te stellen,” zei Aspasia. „De liefde is een gevoel,[228]en een gevoel heeft geene gestalte. Waarom wilt gij voorstellen, wat geene gedaante heeft? Stel in de plaats van de liefde, datgene wat de liefde opwekt, het beminnenswaardige, het schoone. Want dit heeft eene gestalte en is vleeschelijk zichtbaar en tastbaar en met alle zintuigen waarneembaar. En gij behoeft niet eerst lang te peinzen en rond te gaan bij de menschen, om er naar te vragen, maar slechts eenvoudig na te maken wat uw oog het schoonst en bekoorlijkst aandoet.”Socrates dacht eenige oogenblikken zwijgend na en sprak toen:„Niets is juister, dan wat gij zegt, Aspasia. Ik zal Eros laten varen en trachten de Chariten te beitelen. Want dezen zijn het toch ook nu weder, waarop gij al zoo dikwerf mijne aandacht vestigt, als op de eigenlijke Godinnen der schoonheid en bekoorlijkheid.Aphroditeis wel is waar schoon, maar zij is niet alleen de Godin der schoonheid, ook en veel meer de Godin der liefde: in haar wezen is de schoonheid reeds met de liefde gemengd; bij de Chariten echter is zij nog rein en vrij op zich zelve en, om mij zoo uit te drukken, zelfgenoegzaam in hare goddelijkheid. Ik zal dus de Chariten beeldhouwen en als wijgeschenk aan de Godin van Phidias op de burg plaatsen. Maar evenals vroeger de liefde, moet ik nu op alle mogelijke wijze de schoonheid onderzoeken. Waar vind ik nu het schoonste en bekoorlijkste te gelijk, om het „eenvoudig na te maken,” zooals Aspasia straks zeide?”„Wanneer gij het bekoorlijkste, dat men slechts zien kan, zoekt,” zei Alcamenes glimlachend, „dan kan ik u een goeden raad geven. Tracht de schoone Corinthische, van wie gij zooeven spraakt, te zien dansen.”„De Corinthische Theodota?” vroeg Socrates. „Ik heb de bevalligheid harer dansen meermalen hooren roemen. Maar wie zou ons het genoegen de Corinthische danseres te zien en te bewonderen, beter kunnen verschaffen, dan gij zelf, Alcamenes,[229]haar welsprekendste lofredenaar en vriend?”„Waarom niet?” hernam Alcamenes opgeruimd. „Wie de hoogste bekoorlijkheid, die de gestalte eener vrouw in dansen, vol uitdrukking, kan ten toon spreiden, wil genieten, die moet naar Theodota gaan zien en ik zal een ieder, die het wenscht, zonder afgunst den toegang tot dit genot openstellen.”Deze woorden van Alcamenes waren niet zonder geheime boosaardigheid tegen Aspasia. Met opzet roemde hij in tegenwoordigheid van Pericles’ vrienden en Pericles zelven de bevalligheid en bekoorlijkheid van eene andere vrouw.De schoone danseres en hetaere Theodota was door toedoen van Alcamenes van Corinthe naar Athene overgekomen.De aanleiding daartoe was zeer eigenaardig geweest.Toen namelijk Alcamenes gemerkt had, dat hij van het bezit van Aspasia, waarvan hij zich vroeger zeker geloofde, moest afzien, was hij door eene heimelijke spijt en ergernis tegen de preutsche Aspasia aangegrepen. Maar hij was te jong, te opgeruimd, te luchthartig, dan dat om dit verlies het heimwee knagen zou aan zijn gemoed; zijn streven was slechts hierop gericht een werkelijk geluk, een werkelijk liefdegenot voor datgene, wat hij zich te vergeefs had voorgespiegeld, in de plaats te stellen.Een zeer rijk Corinthiër had hem een klein beeldwerk in marmer opgedragen. Alcamenes had zich van die opdracht gekweten en het voltooide werk naar Corinthe gezonden. De Corinthiër was verrukt over de bekoorlijkheid en zeldzame bewerking van dit stuk en schreef Alcamenes dat hij voor dit meesterwerk elke belooning, die hij maar wilde, kon ontvangen; wat ooit de wensch zijns harten geweest was, zou hem gegeven worden.Daarop schreef de jonge beeldhouwer met zijn gewonen overmoed aan den Corinthiër het volgende terug:[230]„Het is bekend, dat gij in uw rijk en weelderig Corinthe sedert lange tijden de schoonste „vriendinnen” hebt, die in geheel Hellas te vinden zijn. Daar gij mij voor mijne marmeren groep elken wensch wilt bevredigen, verzoek ik u mij die schoone, welke tegenwoordig te Corinthe den grootsten roep heeft, op uw kosten voor eene maand naar Athene te zenden en haar mede te deelen, dat zij voor die maand mij uitsluitend als model moet dienen voor mijne beeldwerken.”De rijke Corinthiër lachte, toen hij deze regels las en weinige dagen later bevond zich de schoonste hetaere van Corinthe, de danseres Theodota, te Athene bij Alcamenes.Alcamenes was er zeer mede in zijn schik en heugde zich een maand lang in het bezit van de geroemde schoone, op kosten van den rijken Corinthiër.Toen de maand verstreken was en de verplichtingen der schoone Theodota ophielden, gevoelde zij weinig lust naar Corinthe terug te keeren, zij had Athene lief gekregen en besloot daar te blijven.Alcamenes bleef voor haar eene bestendige vriendschap koesteren en roemde haar bij allen, die het hooren wilde, als de schoonste vrouw van Hellas.Hij verzuimde nooit er bij te voegen, dat zij bekoorlijker was, dan de alom geprezene Milesische Aspasia, die meer door sluwheid dan door schoonheid Pericles in hare netten had gevangen.Toen nu Alcamenes in tegenwoordigheid van Aspasia die woorden tot lof van Theodota tot Socrates sprak, begreep zij aanstonds de bedoeling van den gekrenkten jongen man. Zij bemerkte, dat hij heimelijk hare ergernis wilde opwekken door eene andere schoone te prijzen, vooral in de tegenwoordigheid van haar zelve en Pericles. Met de snelheid en gevatheid van den vrouwelijken geest had zij oogenblikkelijk hare gedachten geregeld en haar besluit genomen.Onder de overwegingen, die snel als de bliksem door haar geest gegaan waren, was ook deze geweest,[231]welken indruk wel de door Alcamenes gesproken woorden op het ontvankelijk gemoed van Pericles hadden gemaakt. Zij overdacht, dat Pericles op de gedachte kon komen, de schoone Corinthische te gaan zien en aan deze begeerte zou voldoen zonder het gezelschap zijner vriendin. Dat Pericles in hare afwezigheid Theodota zou ontmoeten, kwam haar niet wenschelijk voor; minder beducht was zij, als zij zelve bij die ontmoeting tegenwoordig ware. Zij wist wat zij tegenover alle andere vrouwen in de weegschaal kon leggen. Wat Alcamenes betrof, meende zij zijne booze handelwijze niet beter te kunnen straffen, dan door hem te toonen, hoe weinig zij om dergelijke plagerijen gaf.Bij deze afdoende gronden voor haar besluit kwam nog een laatste; zij zelve verlangde vurig de door Alcamenes zoo hoog geprezene Corinthische schoone te zien.Zoo was het tot geene geringe verbazing van Alcamenes, dat zij zelve zijn aanbod om ieder, die het verlangde tot haar te voeren, aannam.Opgeruimd en onbeschroomd sprak zij:„Als gij, Alcamenes, in staat zijt, ons den weg te openen tot het schoonste en bekoorlijkste, wat gij kent, tot de danseres Theodota, dan ware het dwaasheid van Pericles, Socrates, mij zelve en iedereen, die u hoort, u niet aanstonds aan uw woord te houden, en u niet uit te noodigen zonder dralen eene zoo aanlokkende belofte te vervullen.”„Ik onderstel,” hernam Alcamenes gevat, „dat gij, schoone Aspasia, zoowel uit uw eigen naam, als ook uit dien van Pericles en Socrates, hebt gesproken.”Pericles bedacht zich een oogenblik, doch verklaarde toen, dat hij geene bezwaren had tegen het verlangen der schoone Aspasia. „Wij gaan,” zeide hij, „dezen weg alleen in gezelschap van Socrates en om zijnentwil: een wijze te volgen, kon toch nooit iemand tot schande strekken.”„Onze vurige Alcamenes,” zei Socrates, „is een vriend van rassche en koene besluiten. Zie, hoe hij zich reeds verheugd de handen wrijft en naar zijn[232]Thessalischen hoed grijpt. Ik wed, dat hij ons nu geen rust meer laat, maar zich vast voorgenomen heeft, oogenblikkelijk langs den kortsten weg uit Phidias’ werkplaats naar de woning der schoone Theodota te voeren.”„Juist zoo,” antwoordde Alcamenes levendig. „Onze meester Phidias is onder ons laatste gesprek reeds weggeslopen. Ik raad u hem niet door uw afscheid te storen in zijne berekeningen en overpeinzingen. Hier in de nabijheid is een uitgang, de deur is open, de straat vrij, de woning van Theodota niet ver—laat ons gaan!”Het huis van Theodota was weldra bereikt.Men behoefde niet te vreezen, dat men de schoone ongelegen kwam. Alcamenes ging even binnen, om het gezelschap aan te kondigen. Hij keerde aanstonds terug en verzocht zijnen vrienden hem te volgen.Hij voerde hen in de binnenvertrekken vanTheodota. Deze waren met overdadige weelderigheid ingericht. Overal bevonden zich zachte aanligbedden met purperen kussens, de grond was met mollige tapijten bedekt; welriekende geuren stegen uit sierlijke schalen omhoog. Een bed met purperen behang werd door de bevallige liefdegoden gedragen. Sieraden en gewaad lagen in schilderachtige wanorde rondom verspreid. Zachte sandalen, haarbanden, kostbare gordels, blanketdoozen, zalfdoozen, ringvormige spiegels van blank gepolijst metaal met rijk versierde handvatsels, bekoorlijk schoone zonneschermen en veelkleurige, bladvormige waaiers, Cypria’s geheele tuighuis; te midden daarvan kleine kunstwerken uit brons of marmer, deels geschenken van Alcamenes, aarden werktuigen met goud en ivoor ingelegd, verwelkte en frissche kransen van allerlei soort: dat alles maakte in zijne bonte mengeling bij den eersten aanblik een overweldigenden indruk op de binnenkomenden, een indruk, die door de welriekende geuren van het vertrek werd versterkt, terwijl van een der mollige bedden de schoon versierde hetaere zelve opstond, om[233]haar gasten welkom te heeten.Theodota was schoon. Het haar was ravenzwart, het oog donker en vurig. De trekken waren fijn. Zij was sterk geblanket, de wenkbrauwen kunstig afgerond, de lippen rooskleuriger, dan zij in werkelijkheid waren. Zij droeg een gewaad met bloemen geborduurd en met rijken tooi beladen. Haar gewaad werd om het midden van haar lijf te zamen gehouden door een vergulden gordel met rijk versierden gesp en van allerlei smaakvolle en kunstige kostbaarheden voorzien. Haar hals, haar boezem, hare armen, ja zelfs hare voeten boven de enkels waren versierd met tooiselen, flonkerend van granaat of barnsteen. Ook het kleine, welgevormde oor prijkte met bellen van eene bekoorlijke schoonheid. Om het hoofd had zij een met paarlen bezaaiden metalen band.„Ik heb,” zei Alcamenes tot zijne bezoekers, „Theodota reeds verteld, waarom gij hierheen gekomen zijt en wat gij van haar verlangt.”„Alcamenes is wel dwaas,” zei Theodota glimlachend,„dat hij zoo opeens zulke aanzienlijke onverwachte gasten bij mij binnenleidt en mij geen tijd gunt om ze waardig te ontvangen.”„Gij hebt geen tijd daarvoor noodig,” zei Alcamenes, „gij zijt immers steeds dezelfde, en niet uwe woning geldt ons bezoek, maar u en uwe bekoorlijkheid en uwe kunst.—Een wijs en ernstig man ziet gij hier voor u,” vervolgde hij op Socrates wijzende, „en hij brandt van verlangen u te zien en uw dans te bewonderen. En meer nog aan dezen wijzen man, Theodota, hebt gij het te danken, dan aan mijne vurige woorden, dat heden zelfs de groote Pericles en de gevierde, kunstlievende Aspasia uit Milete over uw drempel gekomen zijn, om zich met eigen oogen van uwe beroemde kunst te overtuigen.”„Wat?” riep Theodota uit, „voor een wijze, voor een groot en vermaard staatsman en voor eene uitverkorene mijner kunne, die, naar het schijnt alle andere vrouwen van dezen tijd in schoonheid[234]overtreft, moet ik het wagen mij te vertoonen en het weinige, wat ik vermag aan het oordeel van zulke rechters onderwerpen?”„Maak u niet ongerust, Theodota,” zei Pericles, „Alcamenes heeft u geprezen en Alcamenes weet het schoone op te sporen.”„Inderdaad,” voegde Socrates er schalks lachend aan toe, met een zijdelingschen blik op Aspasia, „hem ontmoet het schoonste altijd het eerst.”—„Dan moge hij het verantwoorden,” zei Theodota. „Preutsch te zijn voor wien dan ook ter wereld en te weigeren mijne kunst ten toon te spreiden, mag mij niet in de gedachte komen. Gij wilt mij zien dansen, gelijk honderden voor u wenschten, en ik wil dat verlangen bevredigen. Beschouwt u als mijne meesters. Wat wilt gij dat ik dansen en u daarin zal voorstellen? Welke Godin? welke heldin? welke mythe of geschiedenis?” Zij wendde zich met deze vraag vooral tot Pericles. Deze echter antwoordde:„Vraag dat aan dezen wijze, want deze is opzettelijk hier gekomen met bepaalde bedoelingen, zoodat het hem zeker zeer gewenscht zal zijn de voorstelling van uw dans te mogen kiezen. Zeg het dus openhartig, Socrates, wat gij wenscht dat Theodota zal dansen.”„Wanneer gij en Theodota zelve,” hernam Socrates na eenige oogenblikken nagedacht te hebben, „de keuze aan mij overlaat, dan weet ik niets beter dan Theodota te verzoeken den strijd der drie Godinnen3om den prijs der schoonheid op den Ida te dansen.”„Wat een heerlijk genot als gij beurtelings als Aphrodite, Hera, en Pallas Athene verschijnt en ons toont, hoe ieder van haar met dezelfde en toch naar ieders karakter fijn veranderde middelen[235]den herder op den Ida zocht te betooveren en den prijs der schoonheid uit zijne hand trachtte machtig te worden. Alcamenes heeft mij beloofd dat ik hier zou ervaren, wat bekoorlijkheid is, en daarom willen wij Theodota noodzaken, zoo bevallig en bekoorlijk mogelijk te zijn en op zooveel verschillende wijzen, als maar denkbaar is.”—Nadat Theodota zich uit het vertrek had verwijderd, om aan haar gewaad en uiterlijk die verandering aan te brengen, die overeenkwam met den dans, dien zij zou voorstellen, zeide Socrates:„Wij zullen ons doel bereiken: want Theodota is niet als de meeste schoonen, die slechts terughoudend en droppelsgewijs afmeten, wat zij ons geven willen; maar zij zal ons, wat zij aan te bieden heeft, ruimschoots schenken en alles op eens als uit den hoorn van Amalthea4over ons uitstorten. Dan is de zaak afgedaan en kunnen wij naar huis terugkeeren. Ik zie wel, dat Theodota lief en zacht is, maar niet verstandig. Hoe zou Aspasia dansen, als zij wilde! Maar wie van ons, behalve de Olympiër Pericles, heeft haar ooit zien dansen?”—Nu kwam Theodota terug, korter gekleed en in een gewaad dat haar in de meest ongedwongen bewegingen niet belemmeren kon. Met haar trad een knaap binnen met eene lier en eene fluitspeelster. Deze begon te spelen en de knaap begeleidde haar met zijn snareninstrument. Onder die klanken echter begonnen zacht de bewegingen van Theodota zich te mengen en het was onmogelijk te zeggen, op welk oogenblik zij begonnen was te dansen.Zij danste, wat haar opgedragen was: eerst de strijd van Aphrodite om den appel, den eereprijs in de handen van Paris, dan die van Hera en vervolgens[236]die van Pallas. Het was dezelfde dans, driemaal herhaald, en toch steeds geheel verscheiden, overeenkomstig het wezen en karakter der Godinnen. Zij scheen driemaal geheel veranderd. Bewonderenswaardig was het te zien, welk eene afwisseling zij met hare levendige bewegingen, sprekende oogen en doelmatige gebaren in dien strijd wist te brengen. Nu eens scheen het verzoek een zacht smeeken, een zoet vleien, een bekoorlijk dringen, eene verleidelijke bekoring, eene belofte van den innigsten dank, dan weder een fier, der zege bewust bevel, een meer gebiedend verlangen, dan ook een vleiend aandringen soms eene listige poging om met verleidelijk geweld den kampprijs aan de hand des rechters te ontwringen. Daarbij kon zij iedere bekoorlijkheid van haar schoone gestalte in houding, beweging en gebaren doen uitkomen. En daar ieder fijn uitgedachte, elke sprekende trek driemaal voorkwam, steeds overeenkomstig het wezen der Godin, wist men niet, wat meer te bewonderen, de rijkdom harer vinding en de afwisseling van het geheel of de bekoorlijkheid en volkomenheid in elk gebaar en iederen trek.Nog moet vermeld worden dat Theodota onder het dansen hare vurige oogen vol van die afwisselende doch steeds smeekende uitdrukking schier onafgebroken op Pericles gevestigd hield. Hem maakte zij tot het doelwit harer mimiek, in hem scheen zij Paris te zien en uit zijne handen scheen zij den kampprijs te willen ontvangen.Toen Theodota haar dans geëindigd had, zwaaide Pericles haar hoogen lof toe over de bevalligheid en volkomenheid der kunst, waarmede zij zich van hare taak gekweten had.„De taak, die gij de schoone Theodota hebt opgedragen,” zei Alcamenes, „was niet zoo heel moeilijk: zij zou andere en veel zwaardere rollen tot uwe grootere verbazing vervuld hebben. Zij is in staat niet alleen de teederheid der duif en de woestheid van den leeuw, maar als het noodig[237]is, ook het zachte klateren eener beek of het opflikkeren van het vuur of het suizend trillen van een boom na te bootsen.”„Ik twijfel er niet aan,” zei Pericles, „dat zij ook in staat is, als die danser, dien ik onlangs gezien heb, zelfs de letters van het alphabet, de eene na de andere, door het gebarenspel harer wonderlijke lenige en teedere ledematen uit te drukken.”„En wat hebt gij ons van Theodota te zeggen,” vroeg Alcamenes, Socrates op den schouder kloppende, die gedurende den dans geen blik van de danseres had afgewend, en nu daar stond, naar het scheen, in diepe gedachten verzonken.„Ik zal leeren dansen!” hernam hij ernstig. „Ik kende tot heden slechts eene wijsheid van het hoofd en de gedachte; nu weet ik, dat er ook eene wijsheid der handen en voeten is.”De omstanders lachten en meenden dat de peinzer met zijne gewoneironiesprak. Doch Socrates ging voort:„De rhytmus is maat en maat is zedelijkheid. Zulk eene schoone rhytmus van het lichaam als ons Theodota getoond heeft, moet noodzakelijk ’s menschen geheele wezen met hart en liefde voor de schoone maat vervullen. Men moet, als men dit eens gezien heeft, noodzakelijk al wat plomp, ruw, gemeen en onbehouwen is verachten. Ik benijd u Theodota den schoonen rhytmus dien gij in uw lichaam en uwe ziel bezit.”„Ik verheug mij zeer,” hernam Theodota glimlachend, „als ik dien schoonen rhytmus werkelijk bezit en er anderen genot mede verschaffen kan; want het is mijne bezigheid en mijne kunst te behagen en genot te verschaffen. Deze kunst echter schijnt mij bij den dag in Griekenland moeilijker te worden. Voor uw door de kunst verwend oog, is de schoone natuur in de vrouw niet langer voldoende. Gij verlangt, o mannen, dat wij ons tooien met iedere bekoorlijkheid der kunst, zoo wij u willen aantrekken of aan ons boeien.—Intusschen,” voegde Theodota er met een bekoorlijk lachje bij,[238]„hoe zwaar gij ons vrouwen de kunst ook maken moogt om te bekoren, ik zal niet ophouden dit beroep als het schoonste, en met uw verlof, ook als het mijne te beschouwen.”„Klaarblijkelijk,” zei Socrates, „behoort gij niet tot die vrouwen, die slechts aan een enkelen man zoeken te behagen en die men gewoon is verliefden of minnenden te noemen.”„Neen, bij de Goden!” viel Alcamenes in; „tot deze behoort zij niet. Zij is de schrik van alle dweepzieke jongelingen, die over liefde bij haar komen zeuren. Gisteren nog beklaagden de jonge Damoetas zich bij mij, dat gij hem de deur gewezen hadt, Theodota, omdat hij u te zwaarmoedig geworden was.”„Ja, waarlijk,” hervatte Theodota. „Ik spot met de boeien niet alleen met die van Hymen, maar ook van Eros. Ik ben geen priesteres der liefde, maar een dochter der vreugde!”„Ik bewonder u, Theodota,” zei Socrates. „Want gij schijnt mij niet alleen het schoonste, maar ook het menschlievendste aller beroepen gekozen te hebben. Welk een zelfverloochening oefent gij uit, Theodota, welk een zelfopoffering. Gij versmaadt het de lafenis te zijn in den beker van een enkelen man, geëerd eene plaats in te nemen aan den huiselijken haard, gij verkiest het als een dun wolkje in de lucht te stijgen en heen te trekken over alle landen en u in een bloemenregen van vreugde over de hoofden der menschen uit te storten. Gij doet afstand van den huiselijken vrede, van de eer der gade, van het geluk der moeder en den troost des ouderdoms, alleen om de vermeerderde behoefte naar schoonheid en genot in den boezem der mannen van Hellas te bevredigen. En niet alleen Hymen’s keten veracht gij—gij tart zelfs met dartelen overmoed, ja schier met Prometheïsche5fierheid, de toorn van Eros, den[239]wraakgierigsten aller Goden. En het is u niet onbekend, hoe kort de bloei der schoonheid en der jeugd duurt. Toch staat gij daar, vol verloochening en zelfopoffering, als een bloeiende boom in de maand Maart en zegt: „Plukt ze maar allen en schudt ze af de bloesems mijner kortstondige lente en vlechte er wie wil een ruiker van voor weinige dagen. Ik wil geen vruchtboom zijn, ik wil alleen bloesems voortbrengen!”—Welk een opoffering, Theodota, welk een zelfverloochening! Mogen de Goden en menschen u daarvoor zegenen en de Chariten eenmaal uw lichaam onder rozen begraven!”Zoo sprak Socrates.Theodota bedankte hem met een bekoorlijken glimlach. Zij was maar al te goed vertrouwd met de eigenaardigheden der verschillende menschen, dan dat de taal van den zonderlingen man haar had kunnen bevreemden.„Gij schat mijne verdiensten te hoog,” zeide zij.„Ik heb nog lang niet alles gezegd,” hernam Socrates.„Dat moge u een rede zijn, eens weder te komen,” antwoordde Theodota.Zoo hielden zij beiden nog een poosje het gesprek gaande. Daar de anderen thans er zich in mengden, werd het onderhoud levendiger en Theodota vond gelegenheid om menigen vurigen blik op Pericles te slaan, menig veel beteekenend woord tot hem te richten.Pericles beantwoordde dit op vriendelijke wijze, die hem tegenover vrouwen eigen was.Aspasia nam de verhouding van beiden nauwkeurig waar maar zonder de hartstochtelijke verblinding van andere vrouwen. Zij zelve predikte de boodschap der vrije, vroolijke liefde en kantte zich openlijk tegen de slavernij aan, niet alleen in den echt, maar ook in de liefde. Bovendien wist zij,[240]dat eene vrouw, die ijverzucht verried, verloren was. Ook bleef zij zich van den afstand bewust, die Theodota van haar scheidde.Theodota vervulde, zorgeloos daarheen levende, hare nimfenbestemming. Aspasia zou nooit in zulk een beroep bevrediging kunnen vinden. Oneindig ver was zij verwijderd van die zelfopoffering, die de zonderlinge Socrates in zoo wonderlijke taal bij Theodota had geprezen.Zij offerden den bloesem harer lente niet aan het ruwe zingenot der menigte op, zij had een heerlijker doel gezocht en gevonden; zij werd bemind en beminde—ofschoon dan ook met die levenslustige, vrije opwekkende liefde, die zij predikte. En wat de middelen betrof, te betooveren, te boeien: Theodota schonk wat zij had zorgeloos weg en had weldra niets meer te geven. Aspasia’s rijk, diep, gemoed was onuitputtelijk.Toch achtte Aspasia het niet overbodig er op bedacht te zijn, hoe zij hare medeminnares de gelegenheid om zelfs eene vluchtige en voorbijgaande verovering te maken, zou kunnen ontnemen. Snel was in hare ziel een plan gerijpt en het bezoek bij de schoone Corinthische bleef niet zonder gevolg.Toen Pericles, Aspasia, Alcamenes en Socrates het huis van Theodota hadden verlaten, vroeg de beeldhouwer zijn vriend:„Welaan, beste Socrates, wat hebt ge voor uwe groep der Chariten bij den drievoudigen dans der bekoorlijke Theodota geleerd?”„Veel, wonderbaar veel,” antwoordde de aangesprokene. „Ik weet nu, wat de trits der Chariten beteekent, wat ieder voor zich zelve en wat allen te zamen uitdrukken. Maar het moet thans nog mijn geheim blijven; want het is tijd den beitel ter hand te nemen en het marmer te laten spreken. Gij zult ervaren, wat ik heden bij Theodota heb geleerd, wanneer de groep mijner Chariten voltooid op de Acropolis staat. Ontvang voorloopig mijn dank, dat gij mij vriendschappelijk op den weg hebt[241]geleid, dien ik bewandeld heb om der wille van die schoone en wijze vrouw, die mij gelast heeft aan de Chariten te offeren.”
Geen scheppende en werkende geest gaat zoo geheel en al in zijn werk op, als die des beeldhouwers. Geen anderen weg betrad Phidias, dan die tusschen de Acropolis en zijne werkplaats liep. Hij zag zelfs in zijne nachtelijke droomen niets anders dan zijne godenbeelden, zijne groepen, zijne friezen en niet zelden vond hij, omdat zijn rustelooze geest en in den slaap evenals overdag werkzaam was, niet zonder verwondering bij zijn ontwaken zijne plannen verder gevorderd en gerijpt. Verscheidene zijner beelden waren oorspronkelijk droomgezichten geweest en hij kon beweren, dat hem Goden in den droom verschenen waren, evenals aan de helden van Homerus. De geheele wereld had slechts waarde voor hem, in zoover zij betrekking had op zijne kunstenaarsziel. Hij deed afstand van de genietingen des levens; hij was eenzaam en ongehuwd.
Zijne ziel was vervuld met allerlei ontwerpen en zijn helder oog was de klare spiegel van zijn geest.
Het was een bont gewemel van menschen en dingen in de zalen en pleinen van de werkplaatsen van Phidias. Steeds waren er ontwerpen te bedenken, te onderzoeken, te verwerpen, steeds opnieuw modellen in klei te vormen en de verhoudingen te berekenen. Naar de kleimodellen werd ook menig kunstwerk eerst door de steenhouwers uit het ruwe blok gehouwen en later aan de fijnere hand des kunstenaars ter volledige afwerking toevertrouwd.[219]Een puinhoop kon Phidias’ werkplaats genoemd worden, maar een puinhoop der wording, niet der vernietiging. Het was de chaos, doch niet de chaos van den ondergang, maar de chaos waaruit de schepping geboren werd. Brokken lagen overal verspreid maar niet als deelen van een geheel, dat bestaan had, maar als deelen, die op weg waren, om een geheel te worden.
En over dien bajert zweefde de geest van Phidias. Deze geest bestuurde alles. Hij hield den vurigen Alcamenes en den strengen Agoracritus in bedwang en dreef hen tot eendrachtig samenwerken.
Deze beide waren zijne machtigste armen; de eerste verleende hem bovendien zijne hulp door zijne welbespraaktheid. Wat Phidias eens had gezegd, in korte, wellicht raadselachtige woorden zich had laten ontvallen, dat herhaalde en verduidelijkte Alcamenes, prentte het in zijn geheugen en deelde het later weder mede.
Juist liet hij zijn oog gaan over die jongeren en kunstenaars, wier arbeid bijzonder aan zijne zorgen was toevertrouwd. Overal berispte hij, vermaande hij, spoorde hij aan met de vurigheid, die hem eigen was, terwijl hij de bestanddeelen der gevelgroepen, friezen en metopenbeelden nauwkeurig beschouwde.
„Wat doet gij daar, Dracyllus? Te zwak gewelfd om op een afstand uitwerking te doen is die borst; het veld van het onderlijf te weinig geleed, de kuiten te onduidelijk geteekend. De hoofdspieren te weinig, de mindere spieren te veel op den voorgrond geplaatst!—Charicles, gij spant hier de huid te strak, daar te slap over de spieren. Hier is zij niet los genoeg, bijna niet te verschuiven. Het moet schijnen, alsof men zelfs bij bronzen of marmeren beelden het vel tusschen zijne twee vingers kan nemen en een weinig naar boven kan trekken!—Uw God, Lycius, is schier niet te herkennen uit de plooien van zijn gewaad. Behoort gij soms ook tot die beeldhouwers,[220]wier Heracles1alleen aan de knots kenbaar is?—Ook uw bronnimf, Crinagoras, schijnt aan haar kruik gekend te moeten worden, in plaats dat gij het zachte, als ’t ware vloeibare harer leden over het diepst van haar wezen hadt uitgespreid.”
Thans kwam hij bij eene groep van Parthenon-fries: jongelingen, die steigerende rossen optoomden.
„Bij welke merrie, Lycius, hebt gij dien dikken kop, die stompe ooren gezien? Ook het geheel is te stijf, te houterig, te ouderwetsch! Zijt gij bij de Aegineten ter schole gegaan? Zulk ouderwetsch prulwerk zou zelfs Argeladas2niet goedgekeurd hebben!”—Zoo ging Alcamenes te werk, berispte nog dit en dat in het bijzonder en scheen in zijn vuur geneigd, om het beeld van den leerling stuk te slaan, hetgeen hem dikwijls overkwam, wanneer de toorn zich van hem meester maakte.
Agoracritus naderde en nam, naar zijne gewoonte, den armen leerling tegen den driftigen Alcamenes in bescherming. Dezen steeg het bloed naar het hoofd en gaf hem een scherp antwoord.
Op dit oogenblik echter naderde Phidias en onder zijne geleide een paar menschen, die in ’t geheel geen vreemdelingen waren in deze werkplaats.
Hoe hadden Pericles en Aspasia zich het genot kunnen ontzeggen nu en dan een blik te gaan werpen op de rustige vorderingen van die grootsche ontwerpen?
Zij waren gekomen en hadden den meester midden onder de schare zijner leerlingen gevonden, tusschen zijne kleimodellen, nog onvoltooide werken en half gehouwen marmerblokken; zij vonden hem minder spraakzaam, strenger, ingetrokkener, meer in zich zelven verdiept dan ooit te voren.[221]
Toen Alcamenes de Milesische zag, deed hij zijn best onverschillig en opgeruimd te schijnen, en de nog niet geheel verkropte spijt te verbergen, die hij bij de vluchtige ontmoeting op de Agora had laten doorschemeren. De sombere Agoracritus echter deed volstrekt geen moeite om den wrok te verhelen, dien hij nog steeds tegen Aspasia koesterde. Hij ging op zij en sprak geen enkel woord tot de beide aanzienlijke bezoekers.
Daar dezen bij hun binnentreden in de zaal nog iets van den woordenstrijd tusschen Alcamenes en Agoracritus hadden opgevangen, viel het gesprek terstond op dat zelfde onderwerp en de levendige Aspasia sprak het onverholen uit, dat zij het volkomen met Alcamenes eens was, als hij de laatste sporen der overlevering van het ouderwetsche uit de kunst wilde weggenomen zien. Bij de beschouwing der ontwerpen en kleimodellen voor de kolossale gevelgroepen, voor de friezen en metopenbeelden, vond zij menig pronkstuk nog te hard en streng en zelfs de hoogste bloeitijd der kunsten scheen haar toe te langzaam te komen.
Onverholen sprak zij haar meening uit.
„De schoone Aspasia,” zei Phidias met een ernstigen lach, „zou willen, dat alles wat wij maken, zoo sierlijk, weelderig en bekoorlijk is, als zij zelve. Maar vergeet niet, Aspasia, dat wij beeldhouwers verplicht zijn in onze scheppingen niet het bloot menschelijke, niet het alledaagsch schoone en bekoorlijke, maar het bovenmenschelijke, het goddelijke voor te stellen en te belichamen.”
„Phidias heeft misschien gelijk,” zei Pericles, „wanneer hij zich datgene, wat Aspasia streng, stijf, ouderwetsch noemt, niet geheel wil laten ontnemen. Wie weet of het ideaal van het schoone in de beeldende kunst niet op de smalle grens ligt, die de kuische, jonkvrouwelijke schoonheid van de weelderige, vol ontwikkelde scheidt. De hoogste en laatste trap der ontwikkeling is toch ook de eerste der daling; datgene, wat het gemoed met de reinste, edelste betoovering genoegelijk aandoet en verkwikt,[222]moet dus een weinig aan deze zijde van dien hoogsten trap, niet daarop liggen.”
„Ook al dat ik u, Phidias,” zei Aspasia, „nog zoo zeer tot het sierlijke, bekoorlijke en weelderige wilde aansporen en dat gij van uw kant de uwen tot dat zelfde doelwit opwektet, geloof ik toch, dat de juiste grens nog in langen tijd niet zou overschreden worden. Want zoover schijnen mij uwe leerlingen nog van het al te sierlijke en al te weeke verwijderd, dat zelfs, wanneer zij met alle krachten er zich op toelegden, zij het bezwaarlijk zouden bereiken. Ik zeg niet, dat gij langzaam zijt, maar de weg is lang.”
„Wanneer ik de beelden van Phidias beschouw,” zei Pericles, het gesprek eene andere wending gevende, daar hij vreesde dat Phidias zich beleedigd mocht achten door Aspasia’s woorden, „of de zangen van Homerus hoor, dan vind ik, dat zij verheven zijn in hun bekoorlijkheid en bekoorlijk in hun verhevenheid. Zij zijn verheven, zooals ieder weet, en zij zijn bekoorlijk, zooals niemand loochent, en schoon noemen wij ze misschien juist hierom, omdat ze beide zaken in zich bevatten.”
„Daar kan ik mij mede vereenigen,” zeide de steenhouwer Socrates, van zijn werk opziende, daar hij tot dusverre vlijtig aan een marmerblok, dat hem aangewezen was, had zitten beitelen. „Lang heb ik bij mij zelven nagedacht, wat toch de schoonheid is; nu zijn mij Pericles’ woorden als eene lichtstraal in mijne ziel gevallen.—Als het verhevene met het bekoorlijke verbonden, als eene liefelijke verhevenheid en eene verhevene liefelijkheid zou men alzoo het schoone kunnen beschrijven. En wanneer Aspasia en Pericles weder eens over de juiste grenzen der ontwikkeling in de kunsten spreken, zoo behoeven zij slechts te zeggen, dat het schoone om schoon te blijven, nooit alleen bekoorlijk en nooit alleen verheven, maar steeds beide te gelijk moet zijn. Gaven mij toch de Goden bij elken beitelslag, dien ik hier in Phidias’ werkplaats zal slaan, deze les gedachtig te zijn,[223]in ’t bijzonder als ik de hand leg aan het wijgeschenk, dat ik voornemens ben aan de Godin van Phidias op den dag, dat haar feestgebouw op Acropolis zal ingewijd worden, op te dragen.”
„Hoe?” riep Aspasia uit, „de nadenkende steenhouwer zal nu ook als vrij scheppend beeldhouwer zijne krachten beproeven?”
„Ja zeker,” hernam Socrates. „Wel is waar hebben Phidias en Alcamenes mij niets van het beeldwerk voor het nieuwe Parthenon opgedragen, om het zelfstandig uit te voeren, en toen ik verzocht mij zulken verhevener arbeid toe te vertrouwen, ben ik door Alcamenes met dien spottenden lach afgewezen, dien hij zoo meesterlijk verstaat. Bij Zeus, ik heb zoo goed als iemand van Phidias geleerd, den volkomen eironden vorm van het gelaat te teekenen, het hoofd klein, maar fijn en schoon geëvenredigd te vormen, voorhoofd en neus op bijna gelijke lijn te plaatsen, de wenkbrauwen in scherpe trekken te doen uitkomen, het oog rond en diep uit te hollen, de neusvleugels zacht af te doen loopen, de kin mollig te ronden, haar en baard golvend voor te stellen. Niet altijd wil ik ruwe marmerblokken houwen en gedachten van anderen, als een machinaal werkman helpen belichamen. Ik wil een wijgeschenk scheppen en trachten met kunstvaardige hand een zelfopgevat, helder, rein begrip in den steen door de beeldende kunst voor te stellen.”
„Welk zelfopgevat, rein begrip is het dan, dat gij, zooals ge zegt, in het marmer wilt belichamen?” vroeg Aspasia.
„Daar zult gij wel van hooren,” hernam Socrates, „het betaamt immers niet over den arbeid van een leerling te spreken, alvorens gij van het werk des meesters, van de Goddelijke Pallas Athene, zooveel gezien hebt, als heden daarvan te zien is.”
Pericles en Aspasia verlangden zeer datgene van Phidias’ werk te zien, wat gereed was. Phidias echter zeide:
„Gij zult thans slechts brokstukken daarvan zien,[224]want zooeven werd het kleimodel stuk gezaagd, zooals dat vereischt wordt voor kunstwerk in goud en ivoor.”
Zij danste wat haar opgedragen was.Zij danste wat haar opgedragen was.
Zij danste wat haar opgedragen was.
Pericles en Aspasia echter zouden voorloopig voldaan zijn, als zij dit mochten zien en op hun verlangen geleidde Phidias hen met Socrates en Alcamenes naar eene der ruime zalen. Daar wees hij hun een houten voorwerp, waaromheen de gedaante der Godin uit goud en ivoor, evenals vleesch en vel, moest worden aangebracht. Naast de arbeiders, die bezig waren het kleimodel van het grootsche werk in stukken te zagen, zag men anderen, die olifantstanden, van uitnemende schoonheid en grootte, zooals Indië die voortbrengt, in dunne platen te zagen, waarvan elk weder zorgvuldig bewerkt moest worden om een der deelen van het model uit te maken.
Pericles en Aspasia beschouwden met aandacht de geweldige brokstukken van den doorgezaagden Colossus.
Ook deze brokstukken gaven aanleiding tot nadenken en gelukkigerwijze was juist het hoofd der Godin nog geheel en ongedeerd. Dit konden zij dus naar hartelust beschouwen en zich laten medeslepen door de hooge gedachtenvlucht des meesters, die zich in de heerlijke, diepzinnige trekken dezer nieuwe „Pallas Athene des vredes” openbaarde …
Wat in dat beeld zich afspiegelde, was de geestelijke kracht, het was het licht van het heldere verstand, dat opstijgt uit de diepten.
„Zoo schoon en diepzinnig, als het gelaat der Godin ons daar tegenstraalt,” zei Pericles, „schijnt zij ons waarlijk als eene die niet uit eene vrouw is geboren, maar voortgekomen is uit het hoofd van haar vader Zeus.”
„In het hoofd echter,” viel Socrates in, die naar het rechte begrip der dingen steeds zocht en onmiddellijk van die opmerking partij trok, „in het hoofd zetelen, zooals bekend is, de gedachten. Wat is dus Pallas, die uit het hoofd haars vaders voortgekomen[225]is, anders dan de bezielde en belichaamde gedachte van Zeus? O, gij gelukkige, door de Goden rijk gezegende Phidias, die geroepen zijt het hoogste, dat er bestaat, de gedachte voor te stellen!—Ik arme stumpert, ik zoek naar haar mijn leven lang, de reine gedachte en zou haar gaarne door mijn peinzen uit het hoofd van Zeus in het mijne overbrengen, evenals eene spattende vonk, maar ik kan haar maar nooit vatten. En Phidias hier neemt slechts een beetje leem, een beetje klei en kneedt ze, en onder zijne handen ontstaat uit het leem een beeld, dat mij de oogen verblindt, wanneer ik het aanschouw en mij dwingt uit te roepen: „Dat is de gedachte—de gedachte van Zeus!”—Dat echter Phidias gelijk heeft, wanneer hij de gedachte, zooals hij die daar belichaamd heeft, Pallas Athene noemt, de schitterende schutsgodin van alle Grieken, vindt duidelijk zijne verklaring in de meeningen der wijzen over de gedachte en der dichters over Pallas Athene. Afgezien van de bekende geboorte uit het hoofd van Zeus, verzekeren de dichters aangaande Pallas Athene, dat zij maagdelijk, voorts ook dat zij van eene mannelijke en vrouwelijke natuur tevens is, geheel in tegenstelling met de Godin der liefde, die niets met de gedachte gemeen heeft, maar geheel opgaat in de schoone gewaarwordingen en in de onbewust voortbrengende werken der liefde. Wie echter zal loochenen, dat ook de gedachte maagdelijk en mannelijk en vrouwelijk te gelijk is? De gedachte is koel, als het licht der sterren, en blijft zelfgenoegzaam in hare reine, heldere sfeer; slechts haar tegenhanger, het gevoel, is enkel gloed en brengt voort en gaat op in de werken der liefde. En het ontzetting verspreidende Gorgonenhoofd, ’t welk de dichters en de beeldhouwers op het schild der Godin Pallas Athene plaatsen, wat is het toch anders, dan de afschuw van den overwonnen nacht, welke de zegevierende gedachte als tropee in haar schild voert? Zoo is het dan aan geen twijfel[226]onderhevig, dat Phidias de gedachte heeft willen voorstellen, opdat wij echter ook steeds mogen zeggen als het ons beter voorkomt, dat het hoofd daar vóór ons het hoofd is van de Godin Pallas Athene …”
De ernstige Phidias glimlachte bij deze woorden; Alcamenes echter viel den spreker in de rede en klopte hem met goedkeurenden blik op de schouders en prees zijne woorden. Aspasia zei:
„Wanneer Phidias, zooals gij beweert, Socrates, de macht der ijle gedachten heeft willen belichamen, heeft hij wellicht, terwijl hij ze schiep, niet eens aan die gedachte gedacht”—
„Dat wedervaart andere vaders ook wel eens,” hernam Socrates.
„U overkomt dat zeker nooit!” riep Alcamenes met schalkschen lach den denker aanziende.
„Neen,” hernam Socrates, „maar waarom maakt gij u ten mijnen koste vroolijk? Denken is beter dan niet te denken. Mogen de Goden al hun lievelingen het beste in den droom beschikken, wij moeten steeds trachten ons met wakkere zinnen te behelpen. Gij hebt u ongetwijfeld er over verwonderd, Aspasia, dat ik u zoo dikwijls naar het wezen der liefde heb gevraagd. En toch kon ik niet anders. Evenals Phidias het zegevierend licht der gedachte in het beeld van Pallas Athene heeft belichaamd, zoo zou ik in een beeld van Eros de liefde willen teruggeven. Gij zult toch zeker niet beweren dat Eros een verachtelijke God is; vele wijzen noemen hem zelfs den oudsten en eersten van alle, en wanneer de liefde, naar het schijnt, boven alles een streven, een zoeken, een verlangen is, dan mag ik toch wel zeggen, dat die God eigenlijk de mijne is. Om echter nauwkeuriger met hem bekend te worden, ben ik, gelijk gij weet, dikwijls vragend en onderzoekend bij de menschen rondgegaan.”—
„Dat is waar,” viel Alcamenes lachend in, „gij zijt meer op de Agora en op de zuilengaanderijen en andere openbare plaatsen te zien geweest, dan[227]hier in Phidias’ werkplaats. Deze man schijnt waarlijk door eene bijzondere onrust gedreven te worden. Eerst hakt hij een halven dag als een dolleman op zijne marmerblokken, dan laat hij eensklaps zijne gereedschappen vallen en staart peinzend een uur lang voor zich uit. Dan springt hij op en loopt weg en komt in een halven dag niet terug. Gij wilt een Eros beitelen? Nu, zeg dan toch wanneer? Weet gij wel, mijn waarde, dat onze meester Phidias u den traagsten zijner leerlingen noemt?”
„Ik weet het,” hernam Socrates, „maar ik herinner mij ook, dat gij ook niet zelden den beitel wegwerpt en wegijlt, met of zonder voorwendsel, en, evenals ik, de liefde naloopt, naar men zegt, zonder toch eigenlijk veel naar haar begrip en karakter te vragen.”—
„Gij hebt gelijk,” hernam Alcamenes lachend, „ik vraag in ’t geheel niet naar haar begrip. Maar wie zegt u, dat ik altijd de liefde naloop, als ik mij uit de werkplaats verwijder?”
„Niet altijd gaat gij zelf weg,” zei Socrates, „soms zendt gij slechts een handlanger of zelfs den dollen Meno, als hij hier juist rondslentert, met briefjes aan de schoone Corinthische Theodota.”—
Wederom lachte Alcamenes en Socrates vervolgde:
„Mijn vriend Anaxagoras heeft den hartstocht der liefde eene ziekte genoemd: ik weet echter niet of zij eene gewone ziekte is en met artsenijen moet behandeld worden, of eene goddelijke, zooals de geestvervoering der dichters of de verrukking derDelphischepriesteres. Dat de God der liefde vleugels moet hebben en eene knapengestalte, weet ik: hoe ik hem overigens moet voorstellen, ernstig of vroolijk, met de oogen naar boven of naar beneden gericht,—waarlijk, ik zou gaarne willen weten, Aspasia, hoe gij het zoudt aanleggen de liefde voor te stellen, als gij een der onzen waart in deze werkplaats van Phidias.”
„Ik zou het niet gaarne beproeven haar voor te stellen,” zei Aspasia. „De liefde is een gevoel,[228]en een gevoel heeft geene gestalte. Waarom wilt gij voorstellen, wat geene gedaante heeft? Stel in de plaats van de liefde, datgene wat de liefde opwekt, het beminnenswaardige, het schoone. Want dit heeft eene gestalte en is vleeschelijk zichtbaar en tastbaar en met alle zintuigen waarneembaar. En gij behoeft niet eerst lang te peinzen en rond te gaan bij de menschen, om er naar te vragen, maar slechts eenvoudig na te maken wat uw oog het schoonst en bekoorlijkst aandoet.”
Socrates dacht eenige oogenblikken zwijgend na en sprak toen:
„Niets is juister, dan wat gij zegt, Aspasia. Ik zal Eros laten varen en trachten de Chariten te beitelen. Want dezen zijn het toch ook nu weder, waarop gij al zoo dikwerf mijne aandacht vestigt, als op de eigenlijke Godinnen der schoonheid en bekoorlijkheid.Aphroditeis wel is waar schoon, maar zij is niet alleen de Godin der schoonheid, ook en veel meer de Godin der liefde: in haar wezen is de schoonheid reeds met de liefde gemengd; bij de Chariten echter is zij nog rein en vrij op zich zelve en, om mij zoo uit te drukken, zelfgenoegzaam in hare goddelijkheid. Ik zal dus de Chariten beeldhouwen en als wijgeschenk aan de Godin van Phidias op de burg plaatsen. Maar evenals vroeger de liefde, moet ik nu op alle mogelijke wijze de schoonheid onderzoeken. Waar vind ik nu het schoonste en bekoorlijkste te gelijk, om het „eenvoudig na te maken,” zooals Aspasia straks zeide?”
„Wanneer gij het bekoorlijkste, dat men slechts zien kan, zoekt,” zei Alcamenes glimlachend, „dan kan ik u een goeden raad geven. Tracht de schoone Corinthische, van wie gij zooeven spraakt, te zien dansen.”
„De Corinthische Theodota?” vroeg Socrates. „Ik heb de bevalligheid harer dansen meermalen hooren roemen. Maar wie zou ons het genoegen de Corinthische danseres te zien en te bewonderen, beter kunnen verschaffen, dan gij zelf, Alcamenes,[229]haar welsprekendste lofredenaar en vriend?”
„Waarom niet?” hernam Alcamenes opgeruimd. „Wie de hoogste bekoorlijkheid, die de gestalte eener vrouw in dansen, vol uitdrukking, kan ten toon spreiden, wil genieten, die moet naar Theodota gaan zien en ik zal een ieder, die het wenscht, zonder afgunst den toegang tot dit genot openstellen.”
Deze woorden van Alcamenes waren niet zonder geheime boosaardigheid tegen Aspasia. Met opzet roemde hij in tegenwoordigheid van Pericles’ vrienden en Pericles zelven de bevalligheid en bekoorlijkheid van eene andere vrouw.
De schoone danseres en hetaere Theodota was door toedoen van Alcamenes van Corinthe naar Athene overgekomen.
De aanleiding daartoe was zeer eigenaardig geweest.
Toen namelijk Alcamenes gemerkt had, dat hij van het bezit van Aspasia, waarvan hij zich vroeger zeker geloofde, moest afzien, was hij door eene heimelijke spijt en ergernis tegen de preutsche Aspasia aangegrepen. Maar hij was te jong, te opgeruimd, te luchthartig, dan dat om dit verlies het heimwee knagen zou aan zijn gemoed; zijn streven was slechts hierop gericht een werkelijk geluk, een werkelijk liefdegenot voor datgene, wat hij zich te vergeefs had voorgespiegeld, in de plaats te stellen.
Een zeer rijk Corinthiër had hem een klein beeldwerk in marmer opgedragen. Alcamenes had zich van die opdracht gekweten en het voltooide werk naar Corinthe gezonden. De Corinthiër was verrukt over de bekoorlijkheid en zeldzame bewerking van dit stuk en schreef Alcamenes dat hij voor dit meesterwerk elke belooning, die hij maar wilde, kon ontvangen; wat ooit de wensch zijns harten geweest was, zou hem gegeven worden.
Daarop schreef de jonge beeldhouwer met zijn gewonen overmoed aan den Corinthiër het volgende terug:[230]
„Het is bekend, dat gij in uw rijk en weelderig Corinthe sedert lange tijden de schoonste „vriendinnen” hebt, die in geheel Hellas te vinden zijn. Daar gij mij voor mijne marmeren groep elken wensch wilt bevredigen, verzoek ik u mij die schoone, welke tegenwoordig te Corinthe den grootsten roep heeft, op uw kosten voor eene maand naar Athene te zenden en haar mede te deelen, dat zij voor die maand mij uitsluitend als model moet dienen voor mijne beeldwerken.”
De rijke Corinthiër lachte, toen hij deze regels las en weinige dagen later bevond zich de schoonste hetaere van Corinthe, de danseres Theodota, te Athene bij Alcamenes.
Alcamenes was er zeer mede in zijn schik en heugde zich een maand lang in het bezit van de geroemde schoone, op kosten van den rijken Corinthiër.
Toen de maand verstreken was en de verplichtingen der schoone Theodota ophielden, gevoelde zij weinig lust naar Corinthe terug te keeren, zij had Athene lief gekregen en besloot daar te blijven.
Alcamenes bleef voor haar eene bestendige vriendschap koesteren en roemde haar bij allen, die het hooren wilde, als de schoonste vrouw van Hellas.
Hij verzuimde nooit er bij te voegen, dat zij bekoorlijker was, dan de alom geprezene Milesische Aspasia, die meer door sluwheid dan door schoonheid Pericles in hare netten had gevangen.
Toen nu Alcamenes in tegenwoordigheid van Aspasia die woorden tot lof van Theodota tot Socrates sprak, begreep zij aanstonds de bedoeling van den gekrenkten jongen man. Zij bemerkte, dat hij heimelijk hare ergernis wilde opwekken door eene andere schoone te prijzen, vooral in de tegenwoordigheid van haar zelve en Pericles. Met de snelheid en gevatheid van den vrouwelijken geest had zij oogenblikkelijk hare gedachten geregeld en haar besluit genomen.
Onder de overwegingen, die snel als de bliksem door haar geest gegaan waren, was ook deze geweest,[231]welken indruk wel de door Alcamenes gesproken woorden op het ontvankelijk gemoed van Pericles hadden gemaakt. Zij overdacht, dat Pericles op de gedachte kon komen, de schoone Corinthische te gaan zien en aan deze begeerte zou voldoen zonder het gezelschap zijner vriendin. Dat Pericles in hare afwezigheid Theodota zou ontmoeten, kwam haar niet wenschelijk voor; minder beducht was zij, als zij zelve bij die ontmoeting tegenwoordig ware. Zij wist wat zij tegenover alle andere vrouwen in de weegschaal kon leggen. Wat Alcamenes betrof, meende zij zijne booze handelwijze niet beter te kunnen straffen, dan door hem te toonen, hoe weinig zij om dergelijke plagerijen gaf.
Bij deze afdoende gronden voor haar besluit kwam nog een laatste; zij zelve verlangde vurig de door Alcamenes zoo hoog geprezene Corinthische schoone te zien.
Zoo was het tot geene geringe verbazing van Alcamenes, dat zij zelve zijn aanbod om ieder, die het verlangde tot haar te voeren, aannam.
Opgeruimd en onbeschroomd sprak zij:
„Als gij, Alcamenes, in staat zijt, ons den weg te openen tot het schoonste en bekoorlijkste, wat gij kent, tot de danseres Theodota, dan ware het dwaasheid van Pericles, Socrates, mij zelve en iedereen, die u hoort, u niet aanstonds aan uw woord te houden, en u niet uit te noodigen zonder dralen eene zoo aanlokkende belofte te vervullen.”
„Ik onderstel,” hernam Alcamenes gevat, „dat gij, schoone Aspasia, zoowel uit uw eigen naam, als ook uit dien van Pericles en Socrates, hebt gesproken.”
Pericles bedacht zich een oogenblik, doch verklaarde toen, dat hij geene bezwaren had tegen het verlangen der schoone Aspasia. „Wij gaan,” zeide hij, „dezen weg alleen in gezelschap van Socrates en om zijnentwil: een wijze te volgen, kon toch nooit iemand tot schande strekken.”
„Onze vurige Alcamenes,” zei Socrates, „is een vriend van rassche en koene besluiten. Zie, hoe hij zich reeds verheugd de handen wrijft en naar zijn[232]Thessalischen hoed grijpt. Ik wed, dat hij ons nu geen rust meer laat, maar zich vast voorgenomen heeft, oogenblikkelijk langs den kortsten weg uit Phidias’ werkplaats naar de woning der schoone Theodota te voeren.”
„Juist zoo,” antwoordde Alcamenes levendig. „Onze meester Phidias is onder ons laatste gesprek reeds weggeslopen. Ik raad u hem niet door uw afscheid te storen in zijne berekeningen en overpeinzingen. Hier in de nabijheid is een uitgang, de deur is open, de straat vrij, de woning van Theodota niet ver—laat ons gaan!”
Het huis van Theodota was weldra bereikt.
Men behoefde niet te vreezen, dat men de schoone ongelegen kwam. Alcamenes ging even binnen, om het gezelschap aan te kondigen. Hij keerde aanstonds terug en verzocht zijnen vrienden hem te volgen.
Hij voerde hen in de binnenvertrekken vanTheodota. Deze waren met overdadige weelderigheid ingericht. Overal bevonden zich zachte aanligbedden met purperen kussens, de grond was met mollige tapijten bedekt; welriekende geuren stegen uit sierlijke schalen omhoog. Een bed met purperen behang werd door de bevallige liefdegoden gedragen. Sieraden en gewaad lagen in schilderachtige wanorde rondom verspreid. Zachte sandalen, haarbanden, kostbare gordels, blanketdoozen, zalfdoozen, ringvormige spiegels van blank gepolijst metaal met rijk versierde handvatsels, bekoorlijk schoone zonneschermen en veelkleurige, bladvormige waaiers, Cypria’s geheele tuighuis; te midden daarvan kleine kunstwerken uit brons of marmer, deels geschenken van Alcamenes, aarden werktuigen met goud en ivoor ingelegd, verwelkte en frissche kransen van allerlei soort: dat alles maakte in zijne bonte mengeling bij den eersten aanblik een overweldigenden indruk op de binnenkomenden, een indruk, die door de welriekende geuren van het vertrek werd versterkt, terwijl van een der mollige bedden de schoon versierde hetaere zelve opstond, om[233]haar gasten welkom te heeten.
Theodota was schoon. Het haar was ravenzwart, het oog donker en vurig. De trekken waren fijn. Zij was sterk geblanket, de wenkbrauwen kunstig afgerond, de lippen rooskleuriger, dan zij in werkelijkheid waren. Zij droeg een gewaad met bloemen geborduurd en met rijken tooi beladen. Haar gewaad werd om het midden van haar lijf te zamen gehouden door een vergulden gordel met rijk versierden gesp en van allerlei smaakvolle en kunstige kostbaarheden voorzien. Haar hals, haar boezem, hare armen, ja zelfs hare voeten boven de enkels waren versierd met tooiselen, flonkerend van granaat of barnsteen. Ook het kleine, welgevormde oor prijkte met bellen van eene bekoorlijke schoonheid. Om het hoofd had zij een met paarlen bezaaiden metalen band.
„Ik heb,” zei Alcamenes tot zijne bezoekers, „Theodota reeds verteld, waarom gij hierheen gekomen zijt en wat gij van haar verlangt.”
„Alcamenes is wel dwaas,” zei Theodota glimlachend,„dat hij zoo opeens zulke aanzienlijke onverwachte gasten bij mij binnenleidt en mij geen tijd gunt om ze waardig te ontvangen.”
„Gij hebt geen tijd daarvoor noodig,” zei Alcamenes, „gij zijt immers steeds dezelfde, en niet uwe woning geldt ons bezoek, maar u en uwe bekoorlijkheid en uwe kunst.—Een wijs en ernstig man ziet gij hier voor u,” vervolgde hij op Socrates wijzende, „en hij brandt van verlangen u te zien en uw dans te bewonderen. En meer nog aan dezen wijzen man, Theodota, hebt gij het te danken, dan aan mijne vurige woorden, dat heden zelfs de groote Pericles en de gevierde, kunstlievende Aspasia uit Milete over uw drempel gekomen zijn, om zich met eigen oogen van uwe beroemde kunst te overtuigen.”
„Wat?” riep Theodota uit, „voor een wijze, voor een groot en vermaard staatsman en voor eene uitverkorene mijner kunne, die, naar het schijnt alle andere vrouwen van dezen tijd in schoonheid[234]overtreft, moet ik het wagen mij te vertoonen en het weinige, wat ik vermag aan het oordeel van zulke rechters onderwerpen?”
„Maak u niet ongerust, Theodota,” zei Pericles, „Alcamenes heeft u geprezen en Alcamenes weet het schoone op te sporen.”
„Inderdaad,” voegde Socrates er schalks lachend aan toe, met een zijdelingschen blik op Aspasia, „hem ontmoet het schoonste altijd het eerst.”—
„Dan moge hij het verantwoorden,” zei Theodota. „Preutsch te zijn voor wien dan ook ter wereld en te weigeren mijne kunst ten toon te spreiden, mag mij niet in de gedachte komen. Gij wilt mij zien dansen, gelijk honderden voor u wenschten, en ik wil dat verlangen bevredigen. Beschouwt u als mijne meesters. Wat wilt gij dat ik dansen en u daarin zal voorstellen? Welke Godin? welke heldin? welke mythe of geschiedenis?” Zij wendde zich met deze vraag vooral tot Pericles. Deze echter antwoordde:
„Vraag dat aan dezen wijze, want deze is opzettelijk hier gekomen met bepaalde bedoelingen, zoodat het hem zeker zeer gewenscht zal zijn de voorstelling van uw dans te mogen kiezen. Zeg het dus openhartig, Socrates, wat gij wenscht dat Theodota zal dansen.”
„Wanneer gij en Theodota zelve,” hernam Socrates na eenige oogenblikken nagedacht te hebben, „de keuze aan mij overlaat, dan weet ik niets beter dan Theodota te verzoeken den strijd der drie Godinnen3om den prijs der schoonheid op den Ida te dansen.”
„Wat een heerlijk genot als gij beurtelings als Aphrodite, Hera, en Pallas Athene verschijnt en ons toont, hoe ieder van haar met dezelfde en toch naar ieders karakter fijn veranderde middelen[235]den herder op den Ida zocht te betooveren en den prijs der schoonheid uit zijne hand trachtte machtig te worden. Alcamenes heeft mij beloofd dat ik hier zou ervaren, wat bekoorlijkheid is, en daarom willen wij Theodota noodzaken, zoo bevallig en bekoorlijk mogelijk te zijn en op zooveel verschillende wijzen, als maar denkbaar is.”—
Nadat Theodota zich uit het vertrek had verwijderd, om aan haar gewaad en uiterlijk die verandering aan te brengen, die overeenkwam met den dans, dien zij zou voorstellen, zeide Socrates:
„Wij zullen ons doel bereiken: want Theodota is niet als de meeste schoonen, die slechts terughoudend en droppelsgewijs afmeten, wat zij ons geven willen; maar zij zal ons, wat zij aan te bieden heeft, ruimschoots schenken en alles op eens als uit den hoorn van Amalthea4over ons uitstorten. Dan is de zaak afgedaan en kunnen wij naar huis terugkeeren. Ik zie wel, dat Theodota lief en zacht is, maar niet verstandig. Hoe zou Aspasia dansen, als zij wilde! Maar wie van ons, behalve de Olympiër Pericles, heeft haar ooit zien dansen?”—
Nu kwam Theodota terug, korter gekleed en in een gewaad dat haar in de meest ongedwongen bewegingen niet belemmeren kon. Met haar trad een knaap binnen met eene lier en eene fluitspeelster. Deze begon te spelen en de knaap begeleidde haar met zijn snareninstrument. Onder die klanken echter begonnen zacht de bewegingen van Theodota zich te mengen en het was onmogelijk te zeggen, op welk oogenblik zij begonnen was te dansen.
Zij danste, wat haar opgedragen was: eerst de strijd van Aphrodite om den appel, den eereprijs in de handen van Paris, dan die van Hera en vervolgens[236]die van Pallas. Het was dezelfde dans, driemaal herhaald, en toch steeds geheel verscheiden, overeenkomstig het wezen en karakter der Godinnen. Zij scheen driemaal geheel veranderd. Bewonderenswaardig was het te zien, welk eene afwisseling zij met hare levendige bewegingen, sprekende oogen en doelmatige gebaren in dien strijd wist te brengen. Nu eens scheen het verzoek een zacht smeeken, een zoet vleien, een bekoorlijk dringen, eene verleidelijke bekoring, eene belofte van den innigsten dank, dan weder een fier, der zege bewust bevel, een meer gebiedend verlangen, dan ook een vleiend aandringen soms eene listige poging om met verleidelijk geweld den kampprijs aan de hand des rechters te ontwringen. Daarbij kon zij iedere bekoorlijkheid van haar schoone gestalte in houding, beweging en gebaren doen uitkomen. En daar ieder fijn uitgedachte, elke sprekende trek driemaal voorkwam, steeds overeenkomstig het wezen der Godin, wist men niet, wat meer te bewonderen, de rijkdom harer vinding en de afwisseling van het geheel of de bekoorlijkheid en volkomenheid in elk gebaar en iederen trek.
Nog moet vermeld worden dat Theodota onder het dansen hare vurige oogen vol van die afwisselende doch steeds smeekende uitdrukking schier onafgebroken op Pericles gevestigd hield. Hem maakte zij tot het doelwit harer mimiek, in hem scheen zij Paris te zien en uit zijne handen scheen zij den kampprijs te willen ontvangen.
Toen Theodota haar dans geëindigd had, zwaaide Pericles haar hoogen lof toe over de bevalligheid en volkomenheid der kunst, waarmede zij zich van hare taak gekweten had.
„De taak, die gij de schoone Theodota hebt opgedragen,” zei Alcamenes, „was niet zoo heel moeilijk: zij zou andere en veel zwaardere rollen tot uwe grootere verbazing vervuld hebben. Zij is in staat niet alleen de teederheid der duif en de woestheid van den leeuw, maar als het noodig[237]is, ook het zachte klateren eener beek of het opflikkeren van het vuur of het suizend trillen van een boom na te bootsen.”
„Ik twijfel er niet aan,” zei Pericles, „dat zij ook in staat is, als die danser, dien ik onlangs gezien heb, zelfs de letters van het alphabet, de eene na de andere, door het gebarenspel harer wonderlijke lenige en teedere ledematen uit te drukken.”
„En wat hebt gij ons van Theodota te zeggen,” vroeg Alcamenes, Socrates op den schouder kloppende, die gedurende den dans geen blik van de danseres had afgewend, en nu daar stond, naar het scheen, in diepe gedachten verzonken.
„Ik zal leeren dansen!” hernam hij ernstig. „Ik kende tot heden slechts eene wijsheid van het hoofd en de gedachte; nu weet ik, dat er ook eene wijsheid der handen en voeten is.”
De omstanders lachten en meenden dat de peinzer met zijne gewoneironiesprak. Doch Socrates ging voort:
„De rhytmus is maat en maat is zedelijkheid. Zulk eene schoone rhytmus van het lichaam als ons Theodota getoond heeft, moet noodzakelijk ’s menschen geheele wezen met hart en liefde voor de schoone maat vervullen. Men moet, als men dit eens gezien heeft, noodzakelijk al wat plomp, ruw, gemeen en onbehouwen is verachten. Ik benijd u Theodota den schoonen rhytmus dien gij in uw lichaam en uwe ziel bezit.”
„Ik verheug mij zeer,” hernam Theodota glimlachend, „als ik dien schoonen rhytmus werkelijk bezit en er anderen genot mede verschaffen kan; want het is mijne bezigheid en mijne kunst te behagen en genot te verschaffen. Deze kunst echter schijnt mij bij den dag in Griekenland moeilijker te worden. Voor uw door de kunst verwend oog, is de schoone natuur in de vrouw niet langer voldoende. Gij verlangt, o mannen, dat wij ons tooien met iedere bekoorlijkheid der kunst, zoo wij u willen aantrekken of aan ons boeien.—Intusschen,” voegde Theodota er met een bekoorlijk lachje bij,[238]„hoe zwaar gij ons vrouwen de kunst ook maken moogt om te bekoren, ik zal niet ophouden dit beroep als het schoonste, en met uw verlof, ook als het mijne te beschouwen.”
„Klaarblijkelijk,” zei Socrates, „behoort gij niet tot die vrouwen, die slechts aan een enkelen man zoeken te behagen en die men gewoon is verliefden of minnenden te noemen.”
„Neen, bij de Goden!” viel Alcamenes in; „tot deze behoort zij niet. Zij is de schrik van alle dweepzieke jongelingen, die over liefde bij haar komen zeuren. Gisteren nog beklaagden de jonge Damoetas zich bij mij, dat gij hem de deur gewezen hadt, Theodota, omdat hij u te zwaarmoedig geworden was.”
„Ja, waarlijk,” hervatte Theodota. „Ik spot met de boeien niet alleen met die van Hymen, maar ook van Eros. Ik ben geen priesteres der liefde, maar een dochter der vreugde!”
„Ik bewonder u, Theodota,” zei Socrates. „Want gij schijnt mij niet alleen het schoonste, maar ook het menschlievendste aller beroepen gekozen te hebben. Welk een zelfverloochening oefent gij uit, Theodota, welk een zelfopoffering. Gij versmaadt het de lafenis te zijn in den beker van een enkelen man, geëerd eene plaats in te nemen aan den huiselijken haard, gij verkiest het als een dun wolkje in de lucht te stijgen en heen te trekken over alle landen en u in een bloemenregen van vreugde over de hoofden der menschen uit te storten. Gij doet afstand van den huiselijken vrede, van de eer der gade, van het geluk der moeder en den troost des ouderdoms, alleen om de vermeerderde behoefte naar schoonheid en genot in den boezem der mannen van Hellas te bevredigen. En niet alleen Hymen’s keten veracht gij—gij tart zelfs met dartelen overmoed, ja schier met Prometheïsche5fierheid, de toorn van Eros, den[239]wraakgierigsten aller Goden. En het is u niet onbekend, hoe kort de bloei der schoonheid en der jeugd duurt. Toch staat gij daar, vol verloochening en zelfopoffering, als een bloeiende boom in de maand Maart en zegt: „Plukt ze maar allen en schudt ze af de bloesems mijner kortstondige lente en vlechte er wie wil een ruiker van voor weinige dagen. Ik wil geen vruchtboom zijn, ik wil alleen bloesems voortbrengen!”—Welk een opoffering, Theodota, welk een zelfverloochening! Mogen de Goden en menschen u daarvoor zegenen en de Chariten eenmaal uw lichaam onder rozen begraven!”
Zoo sprak Socrates.
Theodota bedankte hem met een bekoorlijken glimlach. Zij was maar al te goed vertrouwd met de eigenaardigheden der verschillende menschen, dan dat de taal van den zonderlingen man haar had kunnen bevreemden.
„Gij schat mijne verdiensten te hoog,” zeide zij.
„Ik heb nog lang niet alles gezegd,” hernam Socrates.
„Dat moge u een rede zijn, eens weder te komen,” antwoordde Theodota.
Zoo hielden zij beiden nog een poosje het gesprek gaande. Daar de anderen thans er zich in mengden, werd het onderhoud levendiger en Theodota vond gelegenheid om menigen vurigen blik op Pericles te slaan, menig veel beteekenend woord tot hem te richten.
Pericles beantwoordde dit op vriendelijke wijze, die hem tegenover vrouwen eigen was.
Aspasia nam de verhouding van beiden nauwkeurig waar maar zonder de hartstochtelijke verblinding van andere vrouwen. Zij zelve predikte de boodschap der vrije, vroolijke liefde en kantte zich openlijk tegen de slavernij aan, niet alleen in den echt, maar ook in de liefde. Bovendien wist zij,[240]dat eene vrouw, die ijverzucht verried, verloren was. Ook bleef zij zich van den afstand bewust, die Theodota van haar scheidde.
Theodota vervulde, zorgeloos daarheen levende, hare nimfenbestemming. Aspasia zou nooit in zulk een beroep bevrediging kunnen vinden. Oneindig ver was zij verwijderd van die zelfopoffering, die de zonderlinge Socrates in zoo wonderlijke taal bij Theodota had geprezen.
Zij offerden den bloesem harer lente niet aan het ruwe zingenot der menigte op, zij had een heerlijker doel gezocht en gevonden; zij werd bemind en beminde—ofschoon dan ook met die levenslustige, vrije opwekkende liefde, die zij predikte. En wat de middelen betrof, te betooveren, te boeien: Theodota schonk wat zij had zorgeloos weg en had weldra niets meer te geven. Aspasia’s rijk, diep, gemoed was onuitputtelijk.
Toch achtte Aspasia het niet overbodig er op bedacht te zijn, hoe zij hare medeminnares de gelegenheid om zelfs eene vluchtige en voorbijgaande verovering te maken, zou kunnen ontnemen. Snel was in hare ziel een plan gerijpt en het bezoek bij de schoone Corinthische bleef niet zonder gevolg.
Toen Pericles, Aspasia, Alcamenes en Socrates het huis van Theodota hadden verlaten, vroeg de beeldhouwer zijn vriend:
„Welaan, beste Socrates, wat hebt ge voor uwe groep der Chariten bij den drievoudigen dans der bekoorlijke Theodota geleerd?”
„Veel, wonderbaar veel,” antwoordde de aangesprokene. „Ik weet nu, wat de trits der Chariten beteekent, wat ieder voor zich zelve en wat allen te zamen uitdrukken. Maar het moet thans nog mijn geheim blijven; want het is tijd den beitel ter hand te nemen en het marmer te laten spreken. Gij zult ervaren, wat ik heden bij Theodota heb geleerd, wanneer de groep mijner Chariten voltooid op de Acropolis staat. Ontvang voorloopig mijn dank, dat gij mij vriendschappelijk op den weg hebt[241]geleid, dien ik bewandeld heb om der wille van die schoone en wijze vrouw, die mij gelast heeft aan de Chariten te offeren.”
1Heracles, door de Romeinen Hercules genoemd, was een der beroemdste helden, van wie de legenden gewagen. Later werd hij heros d.i. halfgod. Zijne twaalf groote werken zijn bekend.↑2Ageladas—want dit is de gewone schrijfwijze—was een beroemd beeldhouwer te Argos. Hij was de leermeester van Phidias, Myron van Eleutharae en Polycletus van Sicyon. Zijn eerste onderricht echter in de beeldhouwkunst genoot Phidias van Hegias te Athene.↑3De lezer herinnere zich dat op de bruiloft van Peleus en de zeegodin Thetis alle Godheden genoodigd waren, behalve Eris, de Godin van den haat. Om zich te wreken wierp Eris in de bruiloftszaal een gouden appel met het opschrift „voor de schoonste”;Aphrodite, Hera en Athene maakten ieder aanspraak op dien prijs. Paris, de zoon van Priamus, werd tot scheidsrechter benoemd, en deze, verlokt door Aphrodite’s belofte hem de schoonste vrouw ter wereld als belooning te geven, kende haar den prijs toe. Deze vrouw was Helena, de gade van koning Menelaüs.↑4De hoorn van Amalthea beteekent zooveel als de hoorn des overvloeds. De reden hiervan is deze: Amalthea is de naam eener geit, die Zeus op Creta, toen hij door zijne moeder voor Cronos (Saturnus) verborgen werd zoogde. Tot loon daarvoor werd zij onder de sterren opgenomen. Zeus ontnam de geit één hoorn en gaf dien aan de dochters van Melisseus, die Rhea hadden bijgestaan, en vulde dien met alle mogelijke zegeningen en goede gaven.Eene andere lezing is, dat Amalthea eene nimf is, die met de melk eener geit Zeus voedde.↑5Prometheus, de weldoener der menschheid, ontstal den Goden het vuur en opende daardoor in menschen eene bron van eindeloos geluk. Tot straf deed Zeus hem door Bia (de kracht) en Kratos (het geweld) aan eene rots in den Caucasus[239]nagelen, waar een arend telkens zijne lever, die steeds weder aangroeide, kwam verslinden. Toch boog Prometheus zijn trots niet, toch bleef hij in opstand tegen de machtige Goden.V.d.beteekent Prometheïsch: onbuigzaam, onwrikbaar.↑
1Heracles, door de Romeinen Hercules genoemd, was een der beroemdste helden, van wie de legenden gewagen. Later werd hij heros d.i. halfgod. Zijne twaalf groote werken zijn bekend.↑2Ageladas—want dit is de gewone schrijfwijze—was een beroemd beeldhouwer te Argos. Hij was de leermeester van Phidias, Myron van Eleutharae en Polycletus van Sicyon. Zijn eerste onderricht echter in de beeldhouwkunst genoot Phidias van Hegias te Athene.↑3De lezer herinnere zich dat op de bruiloft van Peleus en de zeegodin Thetis alle Godheden genoodigd waren, behalve Eris, de Godin van den haat. Om zich te wreken wierp Eris in de bruiloftszaal een gouden appel met het opschrift „voor de schoonste”;Aphrodite, Hera en Athene maakten ieder aanspraak op dien prijs. Paris, de zoon van Priamus, werd tot scheidsrechter benoemd, en deze, verlokt door Aphrodite’s belofte hem de schoonste vrouw ter wereld als belooning te geven, kende haar den prijs toe. Deze vrouw was Helena, de gade van koning Menelaüs.↑4De hoorn van Amalthea beteekent zooveel als de hoorn des overvloeds. De reden hiervan is deze: Amalthea is de naam eener geit, die Zeus op Creta, toen hij door zijne moeder voor Cronos (Saturnus) verborgen werd zoogde. Tot loon daarvoor werd zij onder de sterren opgenomen. Zeus ontnam de geit één hoorn en gaf dien aan de dochters van Melisseus, die Rhea hadden bijgestaan, en vulde dien met alle mogelijke zegeningen en goede gaven.Eene andere lezing is, dat Amalthea eene nimf is, die met de melk eener geit Zeus voedde.↑5Prometheus, de weldoener der menschheid, ontstal den Goden het vuur en opende daardoor in menschen eene bron van eindeloos geluk. Tot straf deed Zeus hem door Bia (de kracht) en Kratos (het geweld) aan eene rots in den Caucasus[239]nagelen, waar een arend telkens zijne lever, die steeds weder aangroeide, kwam verslinden. Toch boog Prometheus zijn trots niet, toch bleef hij in opstand tegen de machtige Goden.V.d.beteekent Prometheïsch: onbuigzaam, onwrikbaar.↑
1Heracles, door de Romeinen Hercules genoemd, was een der beroemdste helden, van wie de legenden gewagen. Later werd hij heros d.i. halfgod. Zijne twaalf groote werken zijn bekend.↑
1Heracles, door de Romeinen Hercules genoemd, was een der beroemdste helden, van wie de legenden gewagen. Later werd hij heros d.i. halfgod. Zijne twaalf groote werken zijn bekend.↑
2Ageladas—want dit is de gewone schrijfwijze—was een beroemd beeldhouwer te Argos. Hij was de leermeester van Phidias, Myron van Eleutharae en Polycletus van Sicyon. Zijn eerste onderricht echter in de beeldhouwkunst genoot Phidias van Hegias te Athene.↑
2Ageladas—want dit is de gewone schrijfwijze—was een beroemd beeldhouwer te Argos. Hij was de leermeester van Phidias, Myron van Eleutharae en Polycletus van Sicyon. Zijn eerste onderricht echter in de beeldhouwkunst genoot Phidias van Hegias te Athene.↑
3De lezer herinnere zich dat op de bruiloft van Peleus en de zeegodin Thetis alle Godheden genoodigd waren, behalve Eris, de Godin van den haat. Om zich te wreken wierp Eris in de bruiloftszaal een gouden appel met het opschrift „voor de schoonste”;Aphrodite, Hera en Athene maakten ieder aanspraak op dien prijs. Paris, de zoon van Priamus, werd tot scheidsrechter benoemd, en deze, verlokt door Aphrodite’s belofte hem de schoonste vrouw ter wereld als belooning te geven, kende haar den prijs toe. Deze vrouw was Helena, de gade van koning Menelaüs.↑
3De lezer herinnere zich dat op de bruiloft van Peleus en de zeegodin Thetis alle Godheden genoodigd waren, behalve Eris, de Godin van den haat. Om zich te wreken wierp Eris in de bruiloftszaal een gouden appel met het opschrift „voor de schoonste”;Aphrodite, Hera en Athene maakten ieder aanspraak op dien prijs. Paris, de zoon van Priamus, werd tot scheidsrechter benoemd, en deze, verlokt door Aphrodite’s belofte hem de schoonste vrouw ter wereld als belooning te geven, kende haar den prijs toe. Deze vrouw was Helena, de gade van koning Menelaüs.↑
4De hoorn van Amalthea beteekent zooveel als de hoorn des overvloeds. De reden hiervan is deze: Amalthea is de naam eener geit, die Zeus op Creta, toen hij door zijne moeder voor Cronos (Saturnus) verborgen werd zoogde. Tot loon daarvoor werd zij onder de sterren opgenomen. Zeus ontnam de geit één hoorn en gaf dien aan de dochters van Melisseus, die Rhea hadden bijgestaan, en vulde dien met alle mogelijke zegeningen en goede gaven.Eene andere lezing is, dat Amalthea eene nimf is, die met de melk eener geit Zeus voedde.↑
4De hoorn van Amalthea beteekent zooveel als de hoorn des overvloeds. De reden hiervan is deze: Amalthea is de naam eener geit, die Zeus op Creta, toen hij door zijne moeder voor Cronos (Saturnus) verborgen werd zoogde. Tot loon daarvoor werd zij onder de sterren opgenomen. Zeus ontnam de geit één hoorn en gaf dien aan de dochters van Melisseus, die Rhea hadden bijgestaan, en vulde dien met alle mogelijke zegeningen en goede gaven.
Eene andere lezing is, dat Amalthea eene nimf is, die met de melk eener geit Zeus voedde.↑
5Prometheus, de weldoener der menschheid, ontstal den Goden het vuur en opende daardoor in menschen eene bron van eindeloos geluk. Tot straf deed Zeus hem door Bia (de kracht) en Kratos (het geweld) aan eene rots in den Caucasus[239]nagelen, waar een arend telkens zijne lever, die steeds weder aangroeide, kwam verslinden. Toch boog Prometheus zijn trots niet, toch bleef hij in opstand tegen de machtige Goden.V.d.beteekent Prometheïsch: onbuigzaam, onwrikbaar.↑
5Prometheus, de weldoener der menschheid, ontstal den Goden het vuur en opende daardoor in menschen eene bron van eindeloos geluk. Tot straf deed Zeus hem door Bia (de kracht) en Kratos (het geweld) aan eene rots in den Caucasus[239]nagelen, waar een arend telkens zijne lever, die steeds weder aangroeide, kwam verslinden. Toch boog Prometheus zijn trots niet, toch bleef hij in opstand tegen de machtige Goden.V.d.beteekent Prometheïsch: onbuigzaam, onwrikbaar.↑