XI.

[Inhoud]XI.SAMOS.„Dat had ik niet gedacht,” riep de oude Callipides te midden van eene der talrijke groepen Atheners, die, op de groote markt van den Piraeüs bij elkander staande, druk in gesprek waren, „dat had ik niet gedacht, toen ik onlangs voorbij de Athene Promachos op den burg ging. Ik zag de speer der Godin vol boomkrekels, die lustig piepten. Dat beteekent vrede, zei ik bij mij zelven. Doch ’t is waar, den volgenden dag is kort vóór den aanvang der volksvergadering eene wezel over de Pnyx geloopen—”„Gij wilt toch geen onheil krassen, oude uil?” riepen de anderen.„Samos is nu eenmaal het machtigste der met ons verbonden eilanden,” hernam de oude. „Het kan andere bondgenooten tot afval verleiden, het kan een opstand tegen ons verwekken, Sparta kan zich er in mengen, een algemeene Grieksche oorlog kan ontbranden. Er ligt, zooals men zegt, veel tonder opgehoopt. Wat raakt het ons of de Samiërs dan wel de Milesiërs Priëne1bezitten?”„Het aanzien van Athene moet opgehouden worden!” viel een jong man heftig hem in de rede, terwijl hij de hand uitstrekte en het hoofd oprichtte. „Samos en Milete zijn verplicht als leden van het[303]bond hunne geschillen ter beslissing aan Athene, het hoofd van het bond over te laten. Samos weigert dit. En daarom is Pericles in woede tegen de Samiërs ontstoken.”„En in zijne woede heeft hij in de volksvergadering den zachten Sophocles tot medestrateeg verzocht,” zei een der mannen lachend.„Om „de Antigone!” riepen anderen. „Daar heeft hij goed aan gedaan. Leve Sophocles!”„Gij weet er geen van allen iets van,” sprak de barbier Sporgilus, dien de nieuwsgierigheid en de onstuimigheid van den volkshoop naar de haven had gedreven.„Gij weet allen niets van deze zaak af; gij weet niet hoe dat geschil met Samos ontstaan is en wie dat aangewakkerd heeft.”„Leve Sporgilus!” riepen sommigen. „Hoort naar Sporgilus! Hij is een van hen, die ’s morgens precies weten wat Zeus ’s nachts met Hera verhandeld heeft.”„Moge ik een bult als eene vuist op mijn neus krijgen,” riep Sporgilus, „als het niet de zuivere waarheid is, wat ik u ga vertellen! Aspasia, de Milesische, heeft Pericles bepraat. Ik weet het precies—luistert slechts naar mij. Den dag, nadat het Milesische gezantschap aangekomen was, stond ik juist op de markt, toen de gezanten voorbijgingen en om zich keken, als menschen, die iets wilden vragen. En werkelijk, daar kwam een van hen op mij toe en zei: „Zeg eens, Atheensche vriend, kunt gij mij de woning van de jonge Milesische Aspasia wijzen?” De mannen dachten zeker, dat ik hen niet kende maar ik kende ze wel degelijk—terstond aan hunne nette manieren en kostbare kleeding zou ik ze herkend hebben, al had ik ze nooit gezien. Ik bewees hun zooveel mogelijk beleefdheid en beschreef hun haarfijn het huis van de Milesische en den weg daarheen, waarop zij mij zeer vriendelijk en beleefd hun dank betuigden en onverwijld den weg insloegen, dien ik hun gewezen had. De avond begon reeds te vallen. Zij slopen de woning van de Milesische binnen.[304]Bemerkt gij het nu? De gezanten zeg ik u hebben met de Milesische heimelijk onderhandeld; zij heeft daarna Pericles bepraat en hem in hevigen toorn doen ontsteken tegen de Samiërs.”„Daar hebt ge het!” riep een der omstanders. „Sporgilus weet dus werkelijk, wat Hera met Zeus gesproken heeft.—Doch—daar komt Pericles met zijn vriend Sophocles aan—hij drilt hem zeker voor zijn nieuw ambt.”In der daad zag men de beide mannen ter zijde op een tamelijk stille plaats tusschen de zuilen wandelen. Zij waren in een vertrouwelijk gesprek verdiept.„Waarachtig,” sprak Sophocles, „gij verrast de Atheners; men geloofde, dat Pericles in dit oogenblik eerder tot alles zou overgaan, dan hiertoe. Want hij scheen thans ten volle opgegaan te zijn in de werken des vredes, in de bevordering van de binnenlandsche welvaart en—in de liefde voor de schoone Aspasia …”„Mijn waarde vriend,” zei Pericles glimlachend, „is het dan te verwonderen, dat den strateeg de lauweren van zijne vrienden, die met truffel, beitel en stift arbeiden, geen rust laten? Reeds lang, ik beken het eerlijk, gevoelde ik mij in mijn binnenste onrustig en gejaagd. Ik gevoelde mij werkeloos onder die onverpoosd arbeidende mannen en soms schaamde ik mij bijna over die liefelijke rozebanden, die mij omstrengelden.”„Hoe?” hernam Sophocles, „dat gij inderdaad de onvermoeidste arbeider zijt onder de ijverigen, dat alles wat gedaan en geschapen wordt, slechts door u mogelijk wordt gemaakt, bevorderd en tot een goed einde gebracht, rekent gij dat dan voor niets?”„Het voldoet niet aan de eischen, die een van ons beiden zich zelven mag stellen,” hernam Pericles. „Ik wil niet alleen een medearbeider zijn, ik wil zelf iets volbrengen en ik kan als strateeg alleen naar het zwaard grijpen. Waarom zou ik alleen door het schoone vuur der eerzucht, dat[305]rondom mij ontbrand is, niet aangegrepen worden?”„En gij wilt ditmaal volstrekt uw krijgsroem met mij deelen?” vroeg de dichter na eene kleine pauze.„Liever dan—de gunst van een bekoorlijke vrouw!” antwoordde Pericles en sloeg een scherpen blik op zijn vriend.Deze ontroerde. „Nu begint er,” zoo sprak hij, „een licht voor mij op te gaan,—en het is een zonderling licht—waarom juist ik tot strateeg moest verkozen worden—”„Alles wat in de wereld geschiedt, beste vriend,” hernam Pericles glimlachend, „heeft niet ééne maar honderd oorzaken. Wie kan zeggen, welke de gewichtigste is?”—„Wilt ge niet liever mij achterlaten en de schoone met u naar Samos nemen?” vroeg de dichter.Pericles antwoordde slechts met een glimlach. Daarop zei hij: „Troost u; het is maar een klein reisje, dat we voor ons genoegen ondernemen, een zeetochtje van slechts weinige weken; want aan eene ernstige tegenweer van de Samiërs tegen het machtige Athene valt wel niet te denken. Samos2is eene prachtige stad, die u wel bevallen zal; Melissus, de bevelhebber van het Samische smaldeel, dat wij tegenover ons zullen hebben, is een waardig wijsgeer van de Eleatische3school, met wien gij ongetwijfeld met genoegen kennis zult maken en als wij Chios voorbij zeilen, willen wij uw vriend Ion een bezoek brengen, den treurspeldichter, die daar in eene aangename, bekoorlijke rust woont.”„Wilt gij Ion gaan bezoeken?” riep Sophocles uit. „Herinner u, dat hij niet erg op u gesteld is, sedert gij zijn medeminnaar bij de schoone Chrysilla zijt geweest.”[306]„Mijne verhouding tegenover iemand,” hernam Pericles, „wordt nooit aangewezen door de meening, die men omtrent mij koestert, maar daardoor hoe ik over hen denk. Ion is een flink man. Hij zal u met zijn besten inlandschen Chiër verwelkomen, hoewel gij zijn mededinger in den tragischen wedstrijd geweest zijt.”„En gij, ik herhaal het,” zei Sophocles, „zijn mededinger bij de schooneChrysilla, die thans, naar ik verneem, op Chios hem gezelschap houdt.”„Laat Chrysilla rusten,” hernam Pericles.De dichter schikte zich blijmoedig in zijn lot. Pericles begon hem over datgene, wat zijn nieuw ambt vereischte, te onderrichten.Als men in die dagen een beschreven blad in Sophocles’ handen zag, was het geen schets van een treurspel, geen reizang, geen loflied op Eros of Dionysus, maar de lijst van de manschap, die ter zee moest dienen, welke hij moest oproepen, van de rijke burgers, die hij aansporen moest alstriërarchenhunne schepen te leveren en ze uit te rusten.Uit de bekoorlijke eenzaamheid van zijn groenCephissus-dalzag hij zich door Pericles medegesleept naar tuighuizen der krijgshavens Zea en Munichia, in het rumoer van denPiraeüs, waar de vreeselijke zeedraken der Atheensche vloot uit hunne ramen weder in zee getrokken werden, in het leven en gedruis der arsenalen, waar het onophoudelijk dreunde van gehamer en geklop, rumoer en geraas. In den beginne deed het den smaakvollen dichter schier pijnlijk aan, steeds te verkeeren te midden van het geschreeuw der roeiers en matrozen, die toen nog weinig werk hadden en kibbelden om fluitspeelsters en elkander soms gaten in het hoofd sloegen. Zijn gehoorvlies werd verscheurd door het schelle fluitje van den bootsman, door het aangeven van de roeimaat, door schetterende fanfaren: want met die triëren, wier uitrusting gereed was, ondernamen hare triërarchen dagelijks kleine tochten in de golf om te onderzoeken,[307]welk schip het beste en snelste zeilde.Maar toen de dag der afvaart was aangebroken en men de schepen met hun drie rijen roeibanken, met hun hoog uitstekende, als zwanenhalzen gekromden voor- en achtersteven, prachtig geschilderd, met de van goud schitterende Pallasbeelden en andere versierselen, de dreigend toeloopende balken der kiel, vrij en koen in goed geordende rijen over de flauwe oppervlakte zag zweven en op het teeken eener trompet eene plechtige stilte volgde, gedurende welke de heraut met luider stemme van het verdek van het admiraalschip een gebed uitsprak, dat allen van de overige schepen naspraken en waaraan zelfs het volk op het strand deel nam en de rook der offers van het verdek der schepen in de blauwe morgenlucht opsteeg en het geheele leger uit gouden en zilveren bekers dankoffers plengde en den paeän aanhief en eindelijk de vloot zich in beweging zette, de wind de zeilen deed zwellen, de zee onder den slag van tallooze riemen opbruischte en de lange rij der vaartuigen, vergezeld door de zegewenschen van de achtergeblevenen, uit de haven de open zee koos—toen was de dichter Sophocles van ganscher harte strateeg geworden en met geen fierder zin kon zijn held Aiax uit Salamis tegen Troje zijn opgetrokken, dan hij thans zelf uit het vlek Colonos koers zette naar Samos.—Na verloop van eenige weken liep een snelzeiler met berichten van Pericles voor den raad en de volksvergadering den Piraeüs binnen. De bevelhebber van het schip, dat deze tijdingen overbracht, bezorgde heimelijk niet als triërarch, maar als persoonlijk vriend van den strateeg Pericles, een geschrift, dat niet voor het publiek bestemd was. Het was een schrijven van Pericles aan zijne vriendin Aspasia.De brief luidde als volgt:„Ik weet niet, vanwaar het kwam, dat mijne borst schier nooit fierder klopte, dan op het oogenblik, dat ik wederom de hooge zee onder mij voelde.[308]Toen ik op het verdek van het schip stond en de winden de Aegaeïsche zee mijn voorhoofd verkoelden, toen was het alsof met hen een adem van vrijheid mij tegenwoei en alsof ik mijzelven had wedergevonden. Wedergevonden? Een dwaas woord! Had ik mij dan verloren? Ik was het mij niet bewust—misschien u, Aspasia? Een oogenblik scheen het mij werkelijk toe, alsof ik in den laatsten tijd te weekelijk en te lijdelijk mij op het rozenleger der liefde had neergevlijd. Ik was bijna verstoord op u. Doch toen ik nadacht, zag ik in, dat ik u groot onrecht deed en dat juist integendeel datgene, wat van u uitgaat, nooit eene verslappende, maar steeds bewust of onbewust eene opwekkende, aandrijvende kracht, mij geheel beheerschte en mij heendreef uit het rustige Athene naar het woelige oorlogsveld.„Derhalve schaam ik mij niet langer over mijne liefde voor u noch over het verlangen, dat ik nu reeds koester om u weder te zien, hoewel die zoete begeerte mij bijna een leelijken trek had gespeeld.„Ik vond de Samiërs slecht uitgerust en slechts ten deele voorbereid. Ik schaamde mij haast over de gemakkelijke overwinning. Er scheen weldra niets meer te doen overig; ik maakte derhalve aanstalten om naar Athene terug te keeren, in de hoop dat bij de eenvoudigheid der middelen, waardoor dit gevolg bereikt was, de snelheid waarmede de overwinning bevochten werd, mij tot roem zou strekken. Zou tot die bespoedigde terugkeer ook niet het verlangen om datgene, wat ik te Athene achtergelaten had, zoodra mogelijk weder te zien, eenig aandeel hebben? Ik ben er mij zelven niet van bewust maar toch durf ik de mogelijkheid niet ontkennen. In alle gevalle bleek de haast, waarmede ik wilde terugkeeren, niet zoo voordeelig, als die, waarmede ik uitgetrokken was. Ik leerde, dat men in den oorlog met spoed uittrekken, maar behoedzaam terug moet keeren.„Doch waartoe zou ik u tijdingen mededeelen,[309]die zeker te Athene op aller lippen zijn? Onze vloot brandt van verlangen den vroeger verzuimden zeestrijd in te halen: zelfs de zachte Sophocles gloeit op dit oogenblik van het vuur van Ares4. Ik heb hem naar Chios en Lesbos gezonden om de schepen der bondgenooten te halen; andere versterkingen zijn in aantocht.„Zend mij berichten van u en de vrienden te Athene door dienzelfden mij bevrienden triërarch, die u dezen brief bezorgd heeft en houd u overtuigd, dat ik naar uwe berichten niet minder vurig verlang, dan gij naar de mijne. Zeg aan Phidias, dat hij zich niet door het rumoer des oorlogs in zijne rustige werken des vredes late storen. De schoonste vreugde zal het voor zijn vriend bij zijn terugkeer zijn wanneer dezen de hooge tempelzuilen van den burgt bijna voltooid tegenblinken.”Dit was dan de inhoud van Pericles’ brief aan Aspasia. De Milesische beantwoordde dien in dier voege:„Het verheugt mij, dat gij zoo snel van de gedachte zijt teruggekomen, dat het karakter van den fieren Pericles in den laatsten tijd door Aspasia verwijfd zou zijn geworden. Moet ik integendeel mij niet verwijten, dat ik door de voorspraak ten behoeve mijner landgenooten u voor een deel heb heengedreven naar wat gij het woelige veld des oorlogs noemt? Eene zoo kortstondige scheiding schijnt mij niet onvoordeelig toe; want het scheen dat gij den langen vrede reeds moede waart geworden, ja zelfs het genot en de liefde voor Aspasia. Schaam u echter niet over het verlangen om mij en uwe vrienden weder te zien. De begeerte om wat ons lief is geworden terug te zien is dan immers het sterkste, wanneer men het juist verlaten of verloren heeft. Ik vrees, dat gij de scheiding hoe langer zoo gemakkelijker zult verdragen, hoe langer ze duurt en ten laatste, evenals[310]Agamemnon vóór Troje, in steeds toenemende gemoedsrust voor Samos zult blijven liggen.„Mijn verlangen naar u daarentegen kan niet verflauwen door den tijd, daar het gevoed wordt door werkeloosheid en eenzaamheid. Gij hebt mij hier bijna zoo verlaten achtergelaten, alsof ik uw gemalin was; gij hebt den blijmoedigen Sophocles met u medegenomen en den welsprekenden Protagoras met eene kolonie naar het verre buitenland gezonden. Alleen Socrates is nog over en deze zoekt nog van tijd tot tijd mijn gezelschap. Maar of het uit wantrouwen tegen mij geschiedt of tegen zich zelven—hij waagt zich niet zonder een ander in mijne nabijheid en overschrijdt mijn drempel steeds in gezelschap van een vriend, die bijna zoo zonderling is als hij zelf. ’t Is de treurspeldichter Euripides, de jongere mededinger van Sophocles. Hij en Socrates zijn onafscheidelijke vrienden en men zegt zelfs, dat deze hem helpt bij zijne treurspelen, omdat zij zoo rijk zijn aan wijze spreuken. Maar dit is dwaasheid. Zij beiden zijn zoo gelijk van karakter, dat ik niet weet, wat de een van den ander zou kunnen ontleenen. Beiden vloeien zij over van wijsheid. Wat Socrates is onder de denkers, dat is Euripides onder de dichters: een peinzer en een zonderling. Bovendien is hij een boekenworm; hij heeft zich een groote boekerij aangeschaft en leeft daarin geheel voor de Muzen. Voor het overige ziet hij er uit als alle dichters; een oudachtig gezicht op een eeuwig jeugdig bewegelijk lichaam. Hij is afgetrokken, norsch en ruw in zijne manieren en gaat alleen met Socrates en de sophisten om. Intusschen heeft Socrates zoo’n invloed op hem uitgeoefend, dat hij begeerig werd mij te zien.„Deze man hier,” zei Socrates, terwijl hij mij voorstelde, „is de voortreffelijke treurspeldichter Euripides, dien gij, naar ik hoop, dubbel bewonderen zult, als gij hoort, dat zijn vader Mnesarchus een herbergier en zijne moeder Clito eene groentevrouw is geweest. Ook moet gij weten, dat hij[311]juist op den dag van den grooten zeeslag bij Salamis op dit eiland het eerste levenslicht heeft aanschouwd.”„Een roemrijk voorteeken,” zei ik.„Dat is mogelijk,” sprak Euripides zelf, „maar wat de Goden oorspronkelijk met mij bedoelden, is nog niet ten volle duidelijk.”„Toen vertelde hij mij uitvoerig—want nadat hij eens aan het praten raakte, werd hij tegen verwachting tamelijk spraakzaam—hoe zijn vader in een droomgezicht voorspeld was, dat zijn pas geboren zoontje eens als overwinnaar in roemrijke wedstrijden de zege zou behalen. Zijn vader had, als echt Helleen, gemeend, dat dit op de overwinningen te Olympia en Nemea doelde en had hem met de meeste zorgvuldigheid in de gymnastische kunsten laten onderrichten; ook had hij werkelijk reeds als knaap den palm bij de Panathenaeën weggedragen; maar hij had langzamerhand meer smaak gekregen in boekrollen dan in vuistriemen en werpschijven en was ten laatste in plaats van een gelauwerden athleet een mededinger in den tragischen wedstrijd geworden.„Hoe komt het toch,” vroeg ik hem, „dat gij in elk uwer treurspelen u zoo scherp en vinnig uitlaat tegen de vrouwen en dat men u algemeen voor een vrouwenhater houdt?”„Ik ben getrouwd,” luidde het korte antwoord.„Is dit een reden,” zei ik, „om alle vrouwen te haten, ook haar, met wie gij niet door dergelijke banden verbonden zijt?”„Socrates heeft mij tot u gebracht,” hernam hij, „om mij van mijn vrouwenhaat te genezen. Voorloopig acht ik ééne vrouw, de vrouw, die mij ter wereld bracht: de voormalige groentevrouw Clito—ik zeg voormalige, want thans heb ik haar overgehaald den groentenhandel aan kant te doen en een klein landgoed, dat mijn eigendom is, te besturen.”„Ik gaf mijn verlangen te kennen met deze vrouw kennis te maken.[312]„Als het u niet verveelt,” gaf hij ten antwoord, „de geschiedenis, hoe ik op Salamis gedurende den grooten slag in eene grot aan het strand geboren ben, te hooren vertellen—want dit verhaal spaart zij niemand, die haar komt bezoeken—is het gemakkelijk uw verlangen te bevredigen.”„Een paar dagen later zocht ik, vergezeld van eene slavin, het afgelegen, bescheiden landhuis op, waarin moeder Clito heerscht en welks stilte alleen door de welluidende trimeters5van haar dichterlijken zoon wordt gestoord, als hij, om geheel zijn eigen meester te zijn, zich in die landelijke eenzaamheid terugtrekt. Ik trof de goede vrouw aan te midden van haar kippen, eenden en biggetjes en zei haar, dat ik zeer gaarne de geschiedenis, hoe haar beroemde zoon op Salamis gedurende den grooten veldslag geboren was, wilde hooren.„Innig verheugd en met kennelijken trots zeide het moedertje:„Dat is eene geschiedenis, waarde vrouw, die zelfs de groote Themistocles6mij gaarne hoorde vertellen.”„Toen noodigde zij mij uit op eene zodenbank midden in den tuin plaats te nemen, nadat zij eerst de kippen en duiven, die daar zaten,weggejaagdhad.„O kind,” zei zij toen, „dat was een schrikkelijke dag, toen de scharen der Perzen op ons heilig Athene losstormden en alles te vuur en te zwaard vernielden en de menschen bij de altaren doodden en in pek gedoopte vuurpijlen van den Areopagus[313]naar de Acropolis slingerden, tot alle tempels daar in lichter laaie stonden en een dichte rook van zwarte wolken over de zee zich verspreidde. Maar terwijl de stad verbrandde en alle mannen zwoeren, dat zij met de wapenen in de hand onder de rookende puinhoopen wilden sterven en de vrouwen daartusschen weeklaagden en de stad van gejammer weerklonk, omdat Athene, het heilige Athene, verdelgd werd van den aardbodem, toen stond Themistocles op, Themistocles, de zeeheld en strekte de hand uit naar de zee en de vloot en riep: „Daar is Athene!” en dreef alles, wat weerbaar was, naar de schepen. En naast hem stond de langgebaarde priester van denErechtheüs-tempelop den burg, die verkondigde, dat er een hoogst belangrijk wonder was geschied: de heilige burgslang was van zelf uit den brandenden tempel verdwenen, een teeken, dat de schutsgodin der stad, Pallas Athene, zelve en alle Goden van daar waren gevloden en dat het vaderland van den Athener nergens anders was dan op zee, op de schepen der vloot van Themistocles.„Terwijl nu de mannen allen te scheep gingen, was het een jammerlijk gezicht hoe zich de vrouwen, de kinderen en grijsaards door elkander in de booten wierpen, die aan de kust gereed lagen en ook lager aan de straten van Salamis, waarvan er vele omsloegen, omdat zij de menigte vluchtelingen niet konden dragen.„Zelfs de honden wilden niet achterblijven in de verlaten stad: zij stortten zich in zee en zwommen langs de schepen hunner meesters, zoolang zij konden. Ge moet echter weten, kind, dat ik toen hoogst zwanger was en in dien toestand bereikte ik gelukkig met eene gansche schare het strand van Salamis en daar sloegen wij in eene rotsgrot op de kust, met eenige vrouwen en kinderen, ons nachtleger op. De nacht was bovenmate onrustig; want in die nachtelijke ure verzamelden zich om Salamis alle Grieksche zeilschepen en onophoudelijk weerklonk van schip tot schip den geheelen[314]nacht door het geroep der zeelieden, zoodat zelfs de onbezorgden onmogelijk een oog konden luiken. Het was juist toevallig de tijd van het Jacchus-feest, waarop het beeld van den God in het begin van den nacht bij fakkellicht in een grooten, plechtigen optocht van Aegina naar Eleusis over zee wordt gevoerd, en Themistocles had niet gewild, dat men deze plechtigheid om de benauwde tijden zou nalaten en juist toen de Grieken hunne schepen in orde schaarden, kwam het feestelijk getooide vaartuig met de heilige beelden de Aeäciden7van Aegina en bij den hellen schijn der fakkels schitterde de geheele burg, zoodat alle Grieken op de schepen nog meer werden aangevuurd, omdat zij zagen dat de Goden van hun vaderland nog heerschten. En toen de heldere morgen aanbrak en ik mij met de andere vrouwen naar het strand voortsleepte, zag men reeds de vereenigde schepen der Hellenen strijdvaardig staan, beschenen door den glans der fakkels en de geheele Euripus8wemelde en de groote vloot der Perzen kwam langzaam in een onafzienbare rij van den Phaleron aanzeilen.„Ik echter kon het daar niet meer uithouden; ik moest naar de grot terugkeeren. De barensweeën en de kommer overweldigden mij. En daar lag ik nu op een bed van zeegras, verlaten door een ieder, want de vrouwen, die haar nachtleger met mij gedeeld hadden, liepen allen weg; alle vrouwen en kinderen toch op Salamis wisten dat hare echtgenooten en vaders op de schepen waren en zij stonden daar allen dicht opeen op het hooge strand en keken naar de vaartuigen en wrongen de handen en smeekten tot de Goden. Daar hoorde ik opeens een trompetgeschal en een paeän hoorde ik zingen door vele duizende stemmen—uit de verte klonk het in gedempte tonen tot mijne legerstede door.[315]„Toen was het, alsof een vreeselijke orkaan in een dicht olijfwoud zich stortte en alsof duizende toppen kraakten—het was echter het gekraak der schepen die tegen elkander stietten en daar tusschen klonk steeds dof uit de verte het krijgsgeschreeuw der onzen en der barbaren. Hoe lang dit duurde weet ik niet en het gevecht kan ik u niet vertellen, kind, want ik zag niets; ik wentelde mij den geheelen dag door op mijn bed heen en weder, hulpeloos als ik daar lag en smachtte naar lafenis en verzonk ten laatste in eene sluimering, die wel mijne laatste had kunnen wezen.„Toen hoorde ik plotseling in mijne sluimering een luid gejubel van vrouwen en ik kreeg mijn bewustzijn weder en het kwam mij te binnen dat ik op Salamis lag. Maar menige jammerklacht mengde zich onder de jubelkreten; want niet alleen tallooze wrakken spoelden aan het strand van Salamis, maar ook lijken, onder welke menige vrouw haar zoon of man herkende. Ook velen der in het gevecht gewonden en velen van de bemanning van die schepen welke verbrijzeld waren en die dichter bij het strand van Salamis waren dan bij het Atheensche strand, redden zich op de eilanden en brachten de heugelijke tijding: de Pers is verslagen en vlucht in zijne hartader getroffen over de zee en ontvliedt de rookende puinhoopen van Athene en nog heden mogen wij terugkeeren in de bevrijde stad.—Verbeeld u eens kind, hoe het mij te moede werd, toen onverwacht, alsof de Goden het zoo bestierd hadden, mijn man Mnesarchus, die zich onder de gelanden bevond, de grot kwam binnenstormen, met den jubelkreet: „Athene is weer vrij! Athene is weer het onze!”—Zoo wou hij voortgaan met juichen en jubelen, toen—maar verbeeld u hoe hij mij verbaasd aankeek en naast mij het naakte, pasgeboren, schreiende knaapje. Hij kon geen woord uitbrengen, hij nam het kereltje in zijne armen en sprong er mede in de rondte in zijne uitgelaten vreugde over de zegepraal en zijn vaderschap, liep toen met het kind naar de zee[316]en wiesch het af en liep weer weg en bracht mij water en andere verkwikkingen, zoodat ik eindelijk hoewel langzaam, wat bijkwam van de doodelijke afmatting waarin ik verzonken was.„Den volgenden dag werd er op het eiland een groot zegefeest gevierd. Omkranste jongelingen dansten om de tropaeën, terwijl de Pers aftrok en met het rampzalig overschot zijner onmetelijke schare heenvluchtte naar het verre Oosten. Toen ging Mnesarchus met het pasgeboren knaapje op zijne armen midden door het feestelijk gewoel en toonde het aan alle Grieken en vertelde hoe het ter wereld was gekomen in de ure van den strijd. En toen Themistocles zelf naderde en de toedracht der zaak vernam zei hij:„Eere den Griekschen moeders, die ons nieuwe burgers baren nog gedurende den strijd, ter vergoeding voor diegenen, welke voor het vaderland gevallen zijn!”„Zoo sprak hij en hij beval aan Mnesarchus honderd drachmen uit te betalen. Toen heerschte er algemeene vroolijkheid en Mnesarchus noemde den knaap Euripides, ter herinnering dat hij geboren werd op den dag der overwinning in den Euripus, in de zeeëngte van Salamis.”„Zoo vertelde mij het eerlijke moedertje Clito, precies, zooals ik het hier voor u neergeschreven heb.”—Weinige dagen, nadat de brief van Aspasia aan Pericles verzonden was, kwamen krijgsberichten uit Samos en tegelijk een nieuw schrijven voor Aspasia. De inhoud daarvan luidde aldus:„Gij zijt onvergelijkelijk, Aspasia, en altijd dezelfde. Was het toeval of geschiede het met eene geheime bedoeling, dat gij mij in uw brief dat bekoorlijk verhaaltje van het moedertje van Salamis deedt? Toen uwe brieven mij met de verlangde versterking uit Athene gewerden, stond ik reeds met mijne vloot tegenover de Samische. Ik las het verhaal van uw moedertje en vol van Salaminische geestdrift gaf ik het teeken tot den aanval.[317]„Wij overwonnen. Maar ik zal mij wel wachten u eene schildering van dien slag te geven. Hoe zou ik het wagen tegenover dat beeld, waarmede gij mij zoo levendig de herinnering aan het heldenfeit van Salamis voor den geest hebt getooverd, met mijne onbeteekenende overwinning te pralen, waardoor de Samische vloot wel onschadelijk is gemaakt, doch het verzet der stad zelve nog niet is gefnuikt. Wij omsluiten haar te land en ter zee. Dit Samos is eene sterke stad en prachtig gelegen: maar zijn grootste, van oudsher beroemde tempel is, zooals gij weet, aan Hera, de Godin van den echt, gewijd en in dit heiligdom worden gansche troepen van die vogels gemest, die der Godin heilig, maar ons beiden gehaat zijn.„Ook Sophocles heeft uw brief gelezen, vooral het verhaal van uw moedertje heeft hem groot genoegen gedaan.„Daar hij zelf zich onder de bekranste jongelingen en knapen bevond, die bij het zegefeest, waarvan het moedertje spreekt, om de tropaeën dansten en Aeschylus onder de strijders, hebben deze drie treurspeldichters een belangrijk aandeel genomen aan de eer van Salamis—het geringste echter uw Euripides, die alleen de verdienste heeft toen geboren te zijn geworden.„Ik heb overigens ook nog bij Sophocles inlichtingen ingewonnen naar het karakter van Euripides en hem gevraagd naar zijne meening over diens vrouwenhaat. Sophocles antwoordde mij, dat Euripides de vrouwen slechts haatte, omdat hij ze liefhad. Want als hij ze niet liefhad en ze missen kon, dan zou hij zich niet om haar bekommeren en niet van haar spreken en het zou hem onverschillig zijn of zij goed zijn of slecht. Tot zooverre Sophocles: ik houd het er dus voor, dat de roem om Euripides van zijn vrouwenhaat te genezen, u niet veel moeite zal kosten.”Deze brief van Pericles beantwoordde Aspasia in dier voege:„Gij hebt met uwe overwinning vóór Samos den[318]Atheners reden gegeven tot groote blijdschap, waarmede ik in stilte van ganscher harte instemde; alleen hebt ge mijne vreugde aanmerkelijk verminderd door uwe bescheidenheid, waardoor gij mij eene schildering van uw zeegevecht hebt onthouden. Ik vind het over het algemeen zeer goed, dat gij uwe brieven aan mij niet met staats- en krijgszaken vult en u liever tot datgene bepaalt, wat uw eigen persoon betreft; maar men zegt, dat juist deze slag u in al uw glans en heerlijkheid heeft getoond, dat gij zelf het schip van den vlootvoogd der vijanden in den grond hebt geboord. Niet om de zaken is het mij te doen, maar om u, om het heldere beeld van uw wezen, zoodat ik u als met eigen oogen zie.„De bouw van het Parthenon vordert met eene haast ongeloofelijke snelheid. Waarlijk, uit eene welgevulde kas is het, zooals Callicrates pleegt te zeggen, goed bouwen.„Vóór eenige dagen heeft er op de Acropolis een ongeluk plaats gehad, dat veel opzien verwekte. Een werkman viel van een steiger en werd doodelijk gewond: en daar dit juist geschiedde op de plaats, die Diopithes als eene „onderaardsche,” als een ongelukspunt verklaard had, heeft de gemoederen en de tongen der bijgeloovigen te Athene geducht in beweging gebracht.„Zegepralend wijst de onverzoenlijkeErechtheüs-priesterop zijne vervulde voorspelling en verkondigt nog meer rampen in de toekomst; hetgeen de Goden mogen verhoeden!„Hij ziet van den drempel van zijn oud heiligdom nog steeds donker en toornig op den wakkeren Callicrates neer en wenscht hem een zonnesteek toe. Doch de heetste pijlen van Apollo stuiten op het voorhoofd van den onvermoeide af. Pallas Athene dekt hem met haar schild. Hij tergt zijn tegenstander, waar hij kan, en wanneer zijne wangunstige blikken hem al te lastig worden, weet hij het zoo in te richten, dat zijne lieden eene stofwolk in de nabijheid van het Erechtheüm doen[319]opdwarrelen, die den priester noodzaakt, zich de oogen wrijvende, naar het binnenste van zijn tempel de wijk te nemen.„Nu is zelfs een muildier in den twist dezer beide mannen betrokken geworden. Onder de muildieren namelijk, die nu reeds eenige jaren bezig zijn dag aan dag de helling van de Acropolis op en neder te draven, steenen en andere vrachten op de hoogte te sleepen, bevond er zich een, dat deels door den ouderdom, deels door eene wonde, die hij bij het vervullen van zijn arbeid gekregen had, ongeschikt voor den arbeid geworden was. Zijn drijver wilde hem sparen en in den stal rustig laten staan. Het wakkere dier echter was daar mede niet te vreden en liet zich zelfs niet door slagen afhouden datgene te doen, wat het sedert zoo langen tijd gewoon was, en draafde met zijne makkers, zij het ook onbelast, de Acropolis op en af. En dit doet het nu getrouw dag aan dag en iedereen kent den „muilezel van Callicrates,” zooals men hem noemt, daar Callicrates het onbruikbaar gewordene, maar altijd toch wakkere dier onder zijne bescherming neemt. Daar deze muilezel echter op de Acropolis zonder werk losloopt en rondstappende soms het gebied van het Erechtheüm te nabij komt en zelfs eenige malen de heilige kruiden, die daar geplant zijn, met zijn onheiligen snuit heeft besnuffeld, haat Diopithes dezen trouwsten aller arbeiders van het Parthenon bijna nog meer dan Callicrates zelven en het is niet te voorzien, welke verwikkelingen uit deze zaak nog zullen voortspruiten.„Vaarwel, mijn held, en denk niet altijd alleen aan het verhaal van het moedertje, aan Salamis en Themistocles, maar ook eens aan uwe Aspasia. Noch Hera, noch alle pauwen van Samos zouden mij verhinderen tot u te snellen, als gij het wilt.”—Niet lang daarna ontving Aspasia van Pericles de volgende regelen:„Gij zijt verstoord op mij, omdat ik u de beschrijving[320]van het zeegevecht niet gegeven heb; gij verlangt dus mij vóór Samos te zien heerschen en handelen en het bevel voeren? Op zich zelf is een zeeslag misschien van alle schouwspelen het meest waard gezien te worden en ik beken u volmondig, dat ik, zoo dikwijls ik mij als strateeg ter zee met den vijand moet meten, hoezeer ook mijn plicht als aanvoerder mij geheel vervulde, toch steeds een blik van bewondering over had voor het schoone en geweldige gezicht, dat een strijd tusschen die met zeilen voorziene kolossen opleverde. De goede Clito heeft u alleen de bijomstandigheden van den slag van Salamis, niet het gevecht zelf verhaald, en daarom wil ik trachten u de geschiedenis van den strijd der schepen vóór Samos in korte trekken te schilderen, onder die voorwaarde evenwel, dat dit verhaal van krijgszaken het eenige zal zijn, ’t welk gij aangaande dezen veldtocht van mij zult ontvangen.„Bij het eiland Tragia ontmoette ik de van Milete komende Samische vloot. Een aanval verwachtende, nam zij onmiddellijk eene vaste stelling in een kring aan, om mij te verhinderen datgene te doen, wat steeds in een zeeslag mijn hoofddoel is, namelijk de vijandelijke schepen door eene snelle en onverwachte wending in de flank aan te tasten. Ik zond eenige kloeke zeilers vooruit, om deze kringvormige positie in verwarring te brengen en door schijnaanvallen en eene geveinsde vlucht hier en daar een vijandelijk vaartuig van zijn plaats te lokken. Ook stak er een tamelijk felle wind op, wat eveneens medewerkte om door den zwaren golfslag den gesloten kring der Samische vloot te verbreken.„Onze vloot stond van het begin af met vooruitspringende vleugels tegenover de vijandelijke linie en gereed om ieder schip, dat zich buiten den kring durfde wagen, in de flank aan te vallen.„Intusschen gelukte het den Samischen vlootvoogd, terwijl zijne voorhoede reeds in een vrij heeten strijd gewikkeld was, uit het daarachter[321]staande gedeelte van den wankelenden en half verbroken kring eene gesloten slagrij te vormen, waarmede hij plotseling, terwijl de schepen der voorhoede, op zijn bevel, zich terugtrokken, in dichte rijen naderde.„Een oogenblik bracht de aanval dezer gesloten phalanx9onze voorste gelederen in verwarring. De dikbuikige schepen der Samiërs met hunne trompvormig gebogen voorstevens en tallooze krachtig bewogen riemen zagen er als monsters uit, die op duizend pooten naar ons toekropen. Alleen was dit kruipen eer een vliegen, als de snelheid van den wind. Maar na weinige oogenblikken, toen ook ik de verstrooide schepen ijlings in orde had gesteld, stond onze phalanx evenzeer gesloten, als een ijzeren muur, tegenover de Samische.„Nu ontbrandde de eigenlijke strijd in woeste verbittering. Onder luid geschreeuw op elkander losgaande, drongen de voorste rijen der onzen en die der Samiërs onstuimig op elkander in, zoodat ieder Attisch vaartuig naar twee kanten zijn aanval richtte, ieder vijandelijk schip zich naar twee kanten verdedigde. Geleken de Samische schepen op dreigend vooruitstekende zwijnensnuiten, de onzen waren met zeeslangen te vergelijken, die tusschen die snuiten door vlug en met doodelijke beten rechts en links hare kronkelingen wisten te slingeren. In de dicht opeen gepakte rijen begonnen nu van schip tot schip de geweldige krijgswerktuigen te werken: de catapulten en schorpioenen10slingerden hun geschut en de vreeselijke dolfijnen11lange balken met zware, ijzeren punten, die, nederstortend op het vijandelijke vaartuig, met goed berekende juistheid nederdaalden en de mast verpletterden of het verdek verbrijzelden[322]en als met ijzeren klauwen het schip vasthielden en tot een buit van den aanvaller maakten. En terwijl de aandacht van het vijandelijk vaartuig door een hagel van pijlen, waarmede zijn verdek overstormd werd, werd beziggehouden, voeren stoute, lichte booten om het zeegevaarte heen, wier bemanning met bijlen zijne riemen vernielde.„En toen ten laatste de schepen kiel aan kiel gesloten waren en de hoog uitstekende boorden der onzen en der vijanden elkander raakten, vormden de vereenigde verdekken weldra een slagveld, waarop de zwaargewapenden met lans en zwaard, man tegen man, tegenover elkander stonden. De vermetelsten aarzelden niet aan boord der naaste vijandelijke vaartuigen te springen. Sommigen der onzen gelukte het hier en daar de vijandelijke bemanning neder te houwen, den triërarch gevangen te nemen, zich van het roer meester te maken en de weerlooze roeiers te dwingen het buitgemaakte vaartuig uit de Samische linie naar de Atheensche over te brengen.„Hoe roemrijk bij dergelijke waagstukken de heldhaftige zin zich ook openbaarde, ik keurde dien al te onstuimigen moed af, daar ik er steeds op bedacht ben, in den zeestrijd het bloed mijner dapperen zooveel mogelijk te sparen en meer de schepen dan de menschen tegen elkaar te doen strijden. Waarom zouden dezen elkander vermoorden, waar gene door stoute, snelle bewegingen in staat zijn den kamp te beslissen?„Ik voer tusschen de schepen der vloot door en riep den triërarchen toe, dat zij liever met de scheepsnebben en de ijzeren, puntige balken, dan met zwaard en lans moesten strijden en hun schip niet als een burgt, maar als wapen zouden beschouwen. Zij begrepen mij en daar de Samiërs talrijke onbruikbaar gemaakte schepen uit den slag brachten, doch met het overschot dichter opeen drongen, werd het ons te gemakkelijker, om de schepen te enteren en in de flank aan te tasten.„Thans werd het ons hoofddoel, om de vijandelijke[323]schepen in den grond te boren. Het was nu inderdaad een strijd der schepen zelve geworden. Benevens het geweld der in volle vaart aangebrachte scheepsnebben, benevens de kracht der ijzeren, puntige balken aan de kiel, bewezen de door mijzelve uitgevonden „ijzeren handen”12voortreffelijke diensten, daar zij menig Samisch vaartuig aangrepen en vast omkneld hielden in hare vreeselijke omarming. Onder het dof gekreun der tegen elkander botsende balken mengde zich het snerpend gekraak van splinterende riemen, wanneer in snelle, goed berekende vaart een vaartuig vlak langs het vijandelijke schoot en het uitstekend roeituig als dorre takken deed breken.„De Samiërs deinsden terug, zij geraakten in wanorde doch zij weken nog niet. Vertoornd over dien trots, verdrietig over den langen strijd, wilde ik juist het bevel geven eenige transportschepen met werk en rijs geladen, in brand te steken en in de vijandelijke rijen te zenden, om het overschot der weerbarstige Samische vloot teverbranden, toen plotseling een geweldig stuk steen naar den mast van mijn schip werd geslingerd. De mast werd niet getroffen, de stuurman echter wel, die oogenblikkelijk met verbrijzelden schedel van zijn stuurstoel afviel. Bij het nedervallen had de steenklomp tevens het roer zelf, met alles wat in de nabijheid zich bevond, verpletterd. De steen was van het admiraalschip der Samiërs geslingerd, waaruit ik opmaakte, dat de Samische vlootvoogd mij zelven tot een persoonlijken kamp uitdaagde. Doch met mijn ontredderd schip was weerstand onmogelijk. Snel en zonder dat de vijand het kon bemerken klom ik van den achtersteven van het schip langs een ladder in een boot en spoedde mij naar een ander vaartuig, de „Pharthenos”13, en terwijl het Samische admiraalschip mijn ontredderd schip bemachtigde om het, met mij zelven als krijgsgevangene,[324]naar de Samiërs meenden, buit te maken en mede te voeren, boorde ik met de „Pharthenos” in de flank van den Samiër, zoodat hij, lek geworden, water schepte en op zij vallend onder den waterspiegel verdween. De Samische vlootvoogd zelf was een der weinigen, die onder een pijlregen der onzen, die hun krachtigen zegekreet reeds deden weerschallen, ter nauwernood al zwemmend zich redden. Nu eerst weken de Samiërs en de zege was ons.Nog op den avond van denzelfden dag kwam de Samische opperbevelhebber, Melissus, onder veilig geleide op mijn schip, om met mij over de vredesvoorwaarden te onderhandelen; hij stelde echter zulke eischen, dat men mij voor overwonnen zou hebben moeten houden, als ik ze aangenomen had. Hij erkende wel dat de vloot der Samiërs verslagen was, maar gaf de verzekering, dat de stad echter in staat en voornemens was een lang beleg uit te houden. Bovendien was Phoenische hulp in aantocht en eene geldelijke ondersteuning was den Persischen satraap te Sardes aangeboden. Melissus lei bij dit geheele onderhoud eene wilskracht en hardnekkigheid aan den dag, zooals alleen een wijsgeer in staat is te ontwikkelen. Hij is van eene hooge gestalte, reeds op vrij gevorderden leeftijd en zijn voorhoofd draagt zoozeer den stempel van den diepzinnigen denker, dat het mij schier ongeloofelijk voorkwam, in hem den man te zien, die nog zooeven eene vloot tegen mij aangevoerd had en dien ik met de vlugheid eens jongelings door de met wrakken bezaaide golven had zien zwemmen. Weldra zag ik in hem alleen den in geheel Griekenland met roem overdekten wijze uit de school van Parmenides. Ik weet zelf niet hoe het kwam, dat ons gesprek langzamerhand en onmerkbaar in wijsgeerige overdenkingen overging. Waarheid is, dat hij mij ten laatste met groote levendigheid uiteen zette, dat, wanneer iets is, het eeuwig is; dat het eeuwige echter in ruimte onbegrensd was en het waarachtig eeuwige, één en[325]oneindig, alles in zich omvatte; want als er twee of meer oneindigheden waren, moesten zij elkander begrenzen en waren derhalve niet meer oneindig en het Al moest iets in zich zelf gelijksoortigs zijn; want ware er iets waarachtig ongelijksoortigs, dan bestond niet meer het ééne, maar het vele; het vele echter kon niet bestaan, want dat het bestond was slechts schijn en gold alleen voor de zinnelijke waarneming, niet voor de denkende bespiegeling van den geest.—„Toen toevallig eenige andere strategen en triërarchen binnenkwamen, die met groote nieuwsgierigheid en belangstelling den uitslag onzer vredesonderhandelingen verbeidden en nu hoorden dat de Samische vlootvoogd en ik ons over de onbegrensdheid van het Al en over de oneindigheid van het ongeschapen Zijn onderhielden, bleven zij geheel verbluft en met open mond staan, en wij zelven moesten lachen, als wij nagingen hoe wij zooeven nog met scheepsnebben en doodelijk geschut tegen elkander hadden gewoed, doch thans in een dergelijk onderwerp verdiept waren. Want daar ik dergelijke vertoogen, als Melissus hield, te Athene dikwijls uit den mond van Zeno had gehoord en deze Eleatische stellingen en strijdvragen mij steeds de grootste belangstelling hadden ingeboezemd, behoefde ik Melissus het antwoord niet schuldig te blijven en ons gesprek had inderdaad bijna het karakter van een wijsgeerigen strijd aangenomen.„Hoe veel beter zou het zijn,” zei ik tot Melissus, toen wij afscheid namen en ik hem de hand schudde, „als wij Hellenen allen, zooverre onze taal op de kusten en eilanden wordt gesproken, daar wij toch door één geestelijk streven verbonden zijn, ook door één zelfde staatkundig belang in den loop der tijden konden vereenigd worden!”„Een bliksemstraal schoot bij deze woorden uit het grauwe donkere oog van den Samiër.„Ongetwijfeld,” zeide hij met een bitteren, spottenden glimlach, „hoopt gij, dat het Athene zal zijn, dat allen Hellenen in zijn gebied lokt en hen[326]goedschiks of kwaadschiks tot ééne staat vereenigt?”„Ik begreep het gevoel van den vaderlandslievenden man, die met zooveel warmte voor de onafhankelijkheid van zijn eiland streed en ik waardeerde het.„Het is nu eenmaal het lot van alle welgemeende bedoelingen en gedachten, dat zij schipbreuk lijden op de klip van kleinere belangen, die toch eigenlijk zich moesten oplossen in de grootere. Het wordt met ondank beloond, als men de gedachte van een groot geheel in zijn hart opvat en daarvoor wil werken. Spoor ik de Hellenen aan tot eenheid, dan zien zij daarin alleen Atheensche veroveringszucht of zelfs eerzuchtige bedoelingen van mijzelven. Zoo gevoelt men zich met zijn besten wil en bedoelingen telkens gedwarsboomd door eene jammerlijke bekrompenheid. Daardoor heb ik soms oogenblikken, dat alle kracht en lust tot den arbeid mij ontzinken en ik troost zoek in de reine sfeer der gedachte, waar de geest in onbeperkte vlucht zich kan verheffen in de ongemeten ruimten van het geestelijke en ongeziene. Als ik in stilte des nachts op het verdek treed van mijn vaartuig, boven mij de met sterren bezaaide hemel zich welft—als de masten onbewegelijk zich verheffen en daar boven de oneindigheid het uitspansel zich uitbreidt—als geen geluid wordt gehoord, dan het zachte, welluidende kabbelen der golven, licht bewogen door den adem van den wind, tegen de kiel van het schip—dan rijst het beeld van Melissus op voor mijn geest en ik geloof niet langer aan, maar gevoel de waarheid van zijne oneindige, eeuwige eenheid van het Zijn.„Meer dan gij gelooven kunt, denk ik aan u, aan de vrienden te Athene en aan datgene, wat daar onder hunne handen der voltooiing nadert. Thans, nu hier, naar het schijnt, het moeilijkste volbracht is en eene wellicht lange, vervelende belegering mij bijna tot werkeloosheid veroordeelt, durf ik u mijn heimwee naar Athene wel bekennen, zonder mij daarvoor te schamen.[327]„Het ongeluk, dat de werkman bij den bouw van het Parthenon heeft getroffen, waaraan Diopithes op zoo kwaadwillige wijze eene rampzalige uitlegging heeft gegeven, is mij zeer ter harte gegaan. Ik heb Hippocrates doen verzoeken den gewonde, als hij nog leeft, te behandelen, en wanneer het ons gelukt hem te redden en Diopithes te beschamen, doe ik de gelofte uit dankbaarheid voor Pallas Hygieia14een altaar op de Acropolis op te richten.„Wat voorts het wakkere muildier van Callicrates aangaat, ik ben van meening, dat het beschouwd moet worden om zijne trouw en vlijt den staat der Atheners belangrijke diensten bewezen te hebben en om te voorkomen, dat de afgunst van Diopithes hem onheil zal berokkenen, heb ik hem de vrijheid bezorgd te snuffelen en te grazen, waar het hem lust, en alles wat hij aan het goed van een ander beschadigt of zich daarvantoeëigent, zal den eigenaars van staatswege vergoed worden.”Nog vóór Aspasia gelegenheid gevonden had dezen laatsten brief van Pericles te beantwoorden, ontving zij opnieuw eenige letteren van hem, die de bevestiging inhielden van het ongeluk, dat het Atheensche leger vóór Samos had getroffen, terwijl Pericles de Phoenische hulpvloot te gemoet was getrokken.Slechts met enkele woorden meldde Pericles deze zaak in zijn brief aan Aspasia. Daarna vervolgde hij aldus:„Kondt gij het voor mogelijk houden, dat onder ons Hellenen datgene nog steeds gebeuren kan, wat ik gezien heb, toen ik mij naar het leger begaf, dat de stad van de landzijde had ingesloten en door de uitvallen der Samiërs niet weinig geleden had? Luide jammerklachten klonken mij in het oor, toen ik het kamp binnentrad. Ik vond den priester van het leger juist bezig aan Zeus, den Redder15een offer te brengen. In den kring,[328]die zich rondom het altaar en den priester gevormd had, zag ik vijftig gevangen genomen Samiërs met gebonden handen staan. Ik vroeg wat er met deze menschen, die als offerdieren om het altaar stonden, moest geschieden. Toen vernam ik dat de ziener, die van staatswege aan het leger was toegevoegd, verklaard had, dat het de wil van Zeus den Redder was, dat hem ter eere de vijftig Samische krijgsgevangenen plechtig zouden worden geofferd. En men was juist op het punt den wil van Zeus te volbrengen. Ik trad op den priester en ziener toe en verklaarde ten aanhoore van het geheele leger, dat het een leugen was, dat de Goden der Hellenen ooit menschenoffers wilden en stelde mij daarmede tevreden door op de voorhoofden der vijftig Samiërs het teeken van een zwijnensnuit, zooals de voorsteven der Samische schepen voeren, af te drukken, ter vergelding van den smaad, dien zij kort te voren aan onze gevangenen hadden aangedaan, door in hun lichaam een uil16in te branden.„Nu belegeren wij opnieuw de stad en bestormen haar van de landzijde met stormrammen en werpgeschut.„De brieven, die ik van Telesippe ontvang, zijn vol klachten over den jongen Alcibiades”—Aspasia beantwoordde de letteren van Pericles op de volgende wijze:„Vele en gewichtige zaken, dierbare Pericles, hebben uwe beide laatste brieven mij medegedeeld. Vele dingen, waarbij ik van vreugde zou kunnen juichen, ook andere zaken die een bange vrees, zij het ook slechts eene voorbijgaande, voor u in mijne ziel opwekten. Maar waarom zou ik over de wisseling der fortuin al te zeer klagen, daar juist in deze wisseling de onveranderlijkheid van uw eigen, trouw beeld mij te duidelijker wordt afgespiegeld? Gij hebt mij, zooals ik wenschte, zonder het te weten, u zelven afgeschilderd. Hoe arm zijn[329]woorden en hoeveel vuriger zou een kus, op uw voorhoofd gedrukt, u zeggen wat ik gevoel! De tijd vliegt mij om, als ik aan u denk en de liederen van Sappho bij de klank der snaren zing.„Phidias en de zijnen zijn onvermoeid. Verdiept in hunne berekeningen en als door eene daemonische macht voortgezweept, luisteren zij slechts met een half oor naar de gebeurtenissen, die buiten hun werkkring, elders in de wereld plaats grijpen. Vergeef hethen: want ook zij arbeiden toch voor u en den roem van uw naam tot in de verste toekomst.„Over den jongen Alcibiades verneem ik telkens een en ander; want hij begint de aandacht van de Atheners tot zich te trekken. Er zijn er velen, die in de worstelschool of waar hij zich ook vertoont, zich om hem verdringen. Maar hij sluit zich alleen aan bij Socrates, wellicht omdat deze hem niet vleit. Toen hij onlangs door zijn paedagoog begeleid over straat ging, met een kwartel, zijn lievelingsvogel, in den mantel verborgen, drong er weder veel volk om hem heen. Terwijl hij nu genoodzaakt was hieraan zijn aandacht te wijden, ontvloog hem den kwartel. De jongeling werd daarover zoo driftig, dat half Athene op de been kwam, om den kwartel van Alcibiades weder op te vangen. Zóó zijn de Atheners! Intusschen, wanneer zij den jongen Alcibiades bederven, komt dit grootendeels ook daar van daan, dat hij de pleegzoon is van Pericles, den grooten Pericles, die na de zege bij Tragia meer dan ooit de held van den dag is.„Alleen Diopithes blijft heimelijk tegen u mokken, benevens de zuster van Cimon en uwe vrouw Telesippe. Op hunne zijde zijn de oude pruiken met hun ouderwetsche kleeding en de haarvlecht over de kruin samengebonden, de ijdele oude strijders bij Marathon17en afgeleefde grijsaards en zotte Spartanen-vrienden, die lang haar dragen,[330]het lichaam oefenen, honger lijden, zich nooit wasschen en met hun lompen knuppel op de steenen der straat ratelen; voorts verscheidene suffers, die meenen de wijsheid in pacht te hebben, en sterrekijkers, die barrevoets en met gescheurde mantels loopen, doch de wenkbrauwen bedenkelijk fronsen, den neus in den haveloozen, langen baard steken en er een deftigen onderkin op nahouden. Al deze lieden denken in uwe afwezigheid aan het spreekwoord: „als de wijnstok niet bewaakt wordt, is het goed druiven plukken.”18„Theodota zweert nog steeds, naar ik hoor, dat de zwaardvisch Pericles eens zeker in haar net zal spartelen. Geheime draden schijnen steeds tusschen deze vrouw en onze vijanden gesponnen te worden. Elpinice loopt zich de beenen onder haar lijf stuk, om hare vrienden en vriendinnen tegen mij op te zetten. Door hare en uwe vrouw word ik openlijk vervolgd; zij zien, dat ik weerloos en onbeschermd ben en houden mij voor eene lichte en zekere prooi.„Euripides schijnt het er op gezet te hebben te loochenstraffen, wat uw vriend Sophocles van hem gezegd heeft. Ik zie hem nog altijd somber, knorrig, ontevreden. Toch maakte hij mij in tegenwoordigheid van Socrates tot vertrouwde van zijn treurig levenslot. Hij gaf mij eene schildering van het karakter zijner gemalin, eene schildering, die ik u niet behoef te herhalen, daar de dierbare echtgenoote van dentreurspeldichterhet trouwe afbeeldsel is van uwe beminde Telesippe. Doch hoor nu eens, wat de dichter besloten heeft, om zich van dit ondragelijk gezelschap te ontslaan. Hij denkt zijne vrouw weg te zenden en eene betere, die meer aan de behoefte van zijn hart beantwoordt, voor haar in de plaats te nemen.—Dierbare held, wat zegt gij van zulk een mannelijk besluit van den dichter?”—[331]Na eenigen tijd schreef Pericles aan Aspasia:„Ik weet niet of ik den lof van edelmoedigheid verdien, dien gij mij toezwaait. Ik ben ten hoogste verbitterd op die koppige Samiërs en ik zal hen, als de tijd daarvoor gekomen is, geducht voor hunne hardnekkigheid doen boeten.„In de dagen van werkeloosheid en ongeduld is de edele, opgeruimde Sophocles mij een dubbel gewenschte vriend, terwijl hij zich overigens als medestrateeg voortreffelijk houdt. Steeds is hij bereid mij ten dienste te staan, het liefst bij vreedzame zendingen. Als bemiddelaar en onderhandelaar werkt hij met zoo’n wonderlijke macht, dat men hem voor een toovenaar zou houden; het verwondert mij trouwens niet want zijn karakter is zoo innemend, dat hij zonder uitzondering bij allen geliefd is. Hij staat mij getrouw ter zijde in mijne pogingen, om de verwildering der gemoederen tegen te gaan, die bij een langdurigen oorlog zoo licht zich van het krijgsvolk meester maakt. Nu eens moeten de wetten der menschelijkheid gehandhaafd, dan weder een ergerlijk vooroordeel uitgeroeid worden. Gij weet zelve, hoeveel in dit opzicht nog bij ons Atheensch volk te doen valt.„Wanneer een onweder losbreekt en de bliksem midden in ons kamp slaat, of de stuurman van mijn schip bij eene invallende zonsverduistering zijne zinnen verliest, dan moet ik alles, wat ik aangaande de oorzaak van dergelijke natuurverschijnselen van Anaxagoras geleerd heb, mij voor den geest halen, om de verschrikte en verslagen mannen tot bedaren te brengen.„Doch, ik vertel u hoe ik mijn best doe de vooroordeelen van anderen uit te roeien en ik vergeet, dat gij mij soms beschuldigt zelf er nog mede behebt te zijn. Gij vraagt den echtgenoot van Telesippe, wat hij zegt van het manhafte besluit van Euripides?—Ik zal u dat mondeling mededeelen, als ik weer in Athene ben teruggekeerd.”Zóó schreef Pericles.Negen maanden lang bood de trotsche eilandstad[332]hardnekkigen weerstand en menig bericht werd er van Samos naar Athene, van Pericles naar Aspasia gezonden.Ten laatste meldde de Atheensche veldheer aan zijne Milesische vriendin:„Samos is stormenderhand genomen, de trots van Melissus gebroken, de vrede gesloten. De Samiërs leveren hunne schepen uit en slechten de muren.„Toch is het mij niet mogelijk aanstonds naar Athene terug te keeren. Ik moet eerst nog naar het naburige Milete, waar velerlei zaken te regelen zijn.„Slechts kort is dit uitstel en wij zullen binnen weinige weken elkander wederzien.„Op de vloot heerscht groote vreugde en de triërarchen verblijden zich over de overwinning, voor een deel in gezelschap hunner vriendinnen, van welke reeds eenigen gedurende de langdurige belegering van Athene naar Samos zijn overgekomen. Deze schoonen hebben de gelofte afgelegd, na de verovering van Samos in de stad van den beroemden Hera-tempel nu op hare kosten een tempel te bouwen voor de Godin der Liefde. Het schijnt, dat zij vast besloten zijn die gelofte te houden. Vóór weinige dagen is ook Theodota hier gekomen, volgens den wensch van haar vriend Hipponicus, die even goed patriot als gastronoom is en zich op het schip, waarvan hem de triërarchie was aangewezen, niet door een ander liet vervangen, maar zelf den zeetocht heeft medegemaakt.„Vaarwel! Te Milete, uw vaderstad, zal ik voortdurend aan u denken!”Toen Aspasia den brief van Pericles had gelezen, dacht zij eene poos na.Daarop nam zij een stout besluit.Den volgenden dag zag men haar reisvaardig met eene slavin zich naar den Piraeus begeven en een vaartuig beklimmen, dat op het punt was uit de haven van Athene koers te zetten naar de Ionische kust.[333]1Priëne is eene stad in Ionië, bekend als de geboorteplaats van Bias, een der zeven wijzen van Griekenland.↑2Samos was de voornaamste stad van het eiland van dien naam.↑3Onder de Eleatische school verstaat men die wijsgeerige school, welke gesticht is door Xenophanes uit Colophon, die zich te Elea, eene stad in Beneden-Italië, vestigde. Parmenides, Zeno en de hier genoemde Melissus waren hare beroemdste vertegenwoordigers. Hunne hoofdstelling was, dat het wezen des heelals één, ondeelbaar en onveranderlijk is; dat dit alleen bestaat, terwijl de talrijke natuurverschijnselen slechts voor de gedachte aanwezig zijn.↑4Ares is de oorlogsgod, de zoon van Zeus en Hera, de Romeinsche Mars.↑5Trimetros beteekent uit drie maten bestaande, namelijk uit zes voeten (= drie dipodieën) in den jambischen (iambus, eene korte syllabe door eene lange gevolgd), trochaëschen (trochaeüs, eene lange syllabe door eene korte gevolgd) en anapaestischen rhythmus (anapaestus, twee korte syllaben door eene lange gevolgd); in de andere verssoorten bestaat hij uit drie voeten.Daar de trimetros bij de treurspeldichters zeer geliefd is, staat „trimeters” hier gelijk met „verzen”.↑6Themistocles was een der grootste veldheeren en staatslieden van Athene. Hij was de zoon van Neocles en werd in 514 v. C. te Athene geboren. Hij was de groote tegenstander van den onkreukbaren Aristides, wien hij door het schervengerecht uit Athene verdreef. Hij was de schepper der Atheensche zeemacht; deed de stad, die door de Perzen verwoest was, herbouwen en versterken; verbond de stad met de haven door lange muren, tot ook eindelijk hij door hetzelfde schervengerecht werd verdreven (472) en zelfs van hoogverraad werd beschuldigd. Zijne laatste levensjaren sleet hij bij den koning der Perzen, Artaxerxes, die hem rijkelijk beloonde en eerde. Hij stierf in 461 v. C.↑7Aeäciden zijn nakomelingen van Aeasus, den zoon van Zeus en Aegina naar welke laatste het eiland (Oenone) geheeten werd, die op Aegina als halfgod werd vereerd. Tot de beroemdste Aeäciden behoort Achilles, de zoon van Peleus en Thetis.↑8Euripos beteekent in het algemeen: zeeëngte, kanaal, in het bijzonder echter de zeeëngte tusschen Euboeä en het vasteland.↑9Slagorde.↑10Catapulten en schorpioenen (scorpio) waren belegeringswerktuigen, waarmede men steenen, pijlen enz. slingerde. De eerste schoten in horizontale, de laatste in boogvormige richting.↑11Dolphinus, in het Grieksch Delphis geheeten, was een krijgswerktuig van de gedaante van een dolfijn, dat van ijzer of lood gemaakt, door eene machine opgetrokken en vervolgens op een vijandelijk schip geslingerd werd.↑12Deze uitdrukking is woordelijk uit het Grieksch vertaald en komt overeen met ons „enterhaken”.↑13Het Grieksche pharthenos beteekent maagd.↑14De Godin der gezondheid (Hygieia).↑15Als zoodanig heeft Zeus den bijnaam: Soter.↑16De uil was aan de Godin Pallas Athene gewijd.↑17De naam Marathon-strijder (Marathonomachos) was zeer in zwang als vereerende titel voor den dappere en onversaagde.↑18Een Grieksch spreekwoord, ongeveer overeenkomende met ons: „als de kat uit is, vieren de muizen feest,” moedig zijn als er geen gevaar is, of iets dergelijks.↑

[Inhoud]XI.SAMOS.„Dat had ik niet gedacht,” riep de oude Callipides te midden van eene der talrijke groepen Atheners, die, op de groote markt van den Piraeüs bij elkander staande, druk in gesprek waren, „dat had ik niet gedacht, toen ik onlangs voorbij de Athene Promachos op den burg ging. Ik zag de speer der Godin vol boomkrekels, die lustig piepten. Dat beteekent vrede, zei ik bij mij zelven. Doch ’t is waar, den volgenden dag is kort vóór den aanvang der volksvergadering eene wezel over de Pnyx geloopen—”„Gij wilt toch geen onheil krassen, oude uil?” riepen de anderen.„Samos is nu eenmaal het machtigste der met ons verbonden eilanden,” hernam de oude. „Het kan andere bondgenooten tot afval verleiden, het kan een opstand tegen ons verwekken, Sparta kan zich er in mengen, een algemeene Grieksche oorlog kan ontbranden. Er ligt, zooals men zegt, veel tonder opgehoopt. Wat raakt het ons of de Samiërs dan wel de Milesiërs Priëne1bezitten?”„Het aanzien van Athene moet opgehouden worden!” viel een jong man heftig hem in de rede, terwijl hij de hand uitstrekte en het hoofd oprichtte. „Samos en Milete zijn verplicht als leden van het[303]bond hunne geschillen ter beslissing aan Athene, het hoofd van het bond over te laten. Samos weigert dit. En daarom is Pericles in woede tegen de Samiërs ontstoken.”„En in zijne woede heeft hij in de volksvergadering den zachten Sophocles tot medestrateeg verzocht,” zei een der mannen lachend.„Om „de Antigone!” riepen anderen. „Daar heeft hij goed aan gedaan. Leve Sophocles!”„Gij weet er geen van allen iets van,” sprak de barbier Sporgilus, dien de nieuwsgierigheid en de onstuimigheid van den volkshoop naar de haven had gedreven.„Gij weet allen niets van deze zaak af; gij weet niet hoe dat geschil met Samos ontstaan is en wie dat aangewakkerd heeft.”„Leve Sporgilus!” riepen sommigen. „Hoort naar Sporgilus! Hij is een van hen, die ’s morgens precies weten wat Zeus ’s nachts met Hera verhandeld heeft.”„Moge ik een bult als eene vuist op mijn neus krijgen,” riep Sporgilus, „als het niet de zuivere waarheid is, wat ik u ga vertellen! Aspasia, de Milesische, heeft Pericles bepraat. Ik weet het precies—luistert slechts naar mij. Den dag, nadat het Milesische gezantschap aangekomen was, stond ik juist op de markt, toen de gezanten voorbijgingen en om zich keken, als menschen, die iets wilden vragen. En werkelijk, daar kwam een van hen op mij toe en zei: „Zeg eens, Atheensche vriend, kunt gij mij de woning van de jonge Milesische Aspasia wijzen?” De mannen dachten zeker, dat ik hen niet kende maar ik kende ze wel degelijk—terstond aan hunne nette manieren en kostbare kleeding zou ik ze herkend hebben, al had ik ze nooit gezien. Ik bewees hun zooveel mogelijk beleefdheid en beschreef hun haarfijn het huis van de Milesische en den weg daarheen, waarop zij mij zeer vriendelijk en beleefd hun dank betuigden en onverwijld den weg insloegen, dien ik hun gewezen had. De avond begon reeds te vallen. Zij slopen de woning van de Milesische binnen.[304]Bemerkt gij het nu? De gezanten zeg ik u hebben met de Milesische heimelijk onderhandeld; zij heeft daarna Pericles bepraat en hem in hevigen toorn doen ontsteken tegen de Samiërs.”„Daar hebt ge het!” riep een der omstanders. „Sporgilus weet dus werkelijk, wat Hera met Zeus gesproken heeft.—Doch—daar komt Pericles met zijn vriend Sophocles aan—hij drilt hem zeker voor zijn nieuw ambt.”In der daad zag men de beide mannen ter zijde op een tamelijk stille plaats tusschen de zuilen wandelen. Zij waren in een vertrouwelijk gesprek verdiept.„Waarachtig,” sprak Sophocles, „gij verrast de Atheners; men geloofde, dat Pericles in dit oogenblik eerder tot alles zou overgaan, dan hiertoe. Want hij scheen thans ten volle opgegaan te zijn in de werken des vredes, in de bevordering van de binnenlandsche welvaart en—in de liefde voor de schoone Aspasia …”„Mijn waarde vriend,” zei Pericles glimlachend, „is het dan te verwonderen, dat den strateeg de lauweren van zijne vrienden, die met truffel, beitel en stift arbeiden, geen rust laten? Reeds lang, ik beken het eerlijk, gevoelde ik mij in mijn binnenste onrustig en gejaagd. Ik gevoelde mij werkeloos onder die onverpoosd arbeidende mannen en soms schaamde ik mij bijna over die liefelijke rozebanden, die mij omstrengelden.”„Hoe?” hernam Sophocles, „dat gij inderdaad de onvermoeidste arbeider zijt onder de ijverigen, dat alles wat gedaan en geschapen wordt, slechts door u mogelijk wordt gemaakt, bevorderd en tot een goed einde gebracht, rekent gij dat dan voor niets?”„Het voldoet niet aan de eischen, die een van ons beiden zich zelven mag stellen,” hernam Pericles. „Ik wil niet alleen een medearbeider zijn, ik wil zelf iets volbrengen en ik kan als strateeg alleen naar het zwaard grijpen. Waarom zou ik alleen door het schoone vuur der eerzucht, dat[305]rondom mij ontbrand is, niet aangegrepen worden?”„En gij wilt ditmaal volstrekt uw krijgsroem met mij deelen?” vroeg de dichter na eene kleine pauze.„Liever dan—de gunst van een bekoorlijke vrouw!” antwoordde Pericles en sloeg een scherpen blik op zijn vriend.Deze ontroerde. „Nu begint er,” zoo sprak hij, „een licht voor mij op te gaan,—en het is een zonderling licht—waarom juist ik tot strateeg moest verkozen worden—”„Alles wat in de wereld geschiedt, beste vriend,” hernam Pericles glimlachend, „heeft niet ééne maar honderd oorzaken. Wie kan zeggen, welke de gewichtigste is?”—„Wilt ge niet liever mij achterlaten en de schoone met u naar Samos nemen?” vroeg de dichter.Pericles antwoordde slechts met een glimlach. Daarop zei hij: „Troost u; het is maar een klein reisje, dat we voor ons genoegen ondernemen, een zeetochtje van slechts weinige weken; want aan eene ernstige tegenweer van de Samiërs tegen het machtige Athene valt wel niet te denken. Samos2is eene prachtige stad, die u wel bevallen zal; Melissus, de bevelhebber van het Samische smaldeel, dat wij tegenover ons zullen hebben, is een waardig wijsgeer van de Eleatische3school, met wien gij ongetwijfeld met genoegen kennis zult maken en als wij Chios voorbij zeilen, willen wij uw vriend Ion een bezoek brengen, den treurspeldichter, die daar in eene aangename, bekoorlijke rust woont.”„Wilt gij Ion gaan bezoeken?” riep Sophocles uit. „Herinner u, dat hij niet erg op u gesteld is, sedert gij zijn medeminnaar bij de schoone Chrysilla zijt geweest.”[306]„Mijne verhouding tegenover iemand,” hernam Pericles, „wordt nooit aangewezen door de meening, die men omtrent mij koestert, maar daardoor hoe ik over hen denk. Ion is een flink man. Hij zal u met zijn besten inlandschen Chiër verwelkomen, hoewel gij zijn mededinger in den tragischen wedstrijd geweest zijt.”„En gij, ik herhaal het,” zei Sophocles, „zijn mededinger bij de schooneChrysilla, die thans, naar ik verneem, op Chios hem gezelschap houdt.”„Laat Chrysilla rusten,” hernam Pericles.De dichter schikte zich blijmoedig in zijn lot. Pericles begon hem over datgene, wat zijn nieuw ambt vereischte, te onderrichten.Als men in die dagen een beschreven blad in Sophocles’ handen zag, was het geen schets van een treurspel, geen reizang, geen loflied op Eros of Dionysus, maar de lijst van de manschap, die ter zee moest dienen, welke hij moest oproepen, van de rijke burgers, die hij aansporen moest alstriërarchenhunne schepen te leveren en ze uit te rusten.Uit de bekoorlijke eenzaamheid van zijn groenCephissus-dalzag hij zich door Pericles medegesleept naar tuighuizen der krijgshavens Zea en Munichia, in het rumoer van denPiraeüs, waar de vreeselijke zeedraken der Atheensche vloot uit hunne ramen weder in zee getrokken werden, in het leven en gedruis der arsenalen, waar het onophoudelijk dreunde van gehamer en geklop, rumoer en geraas. In den beginne deed het den smaakvollen dichter schier pijnlijk aan, steeds te verkeeren te midden van het geschreeuw der roeiers en matrozen, die toen nog weinig werk hadden en kibbelden om fluitspeelsters en elkander soms gaten in het hoofd sloegen. Zijn gehoorvlies werd verscheurd door het schelle fluitje van den bootsman, door het aangeven van de roeimaat, door schetterende fanfaren: want met die triëren, wier uitrusting gereed was, ondernamen hare triërarchen dagelijks kleine tochten in de golf om te onderzoeken,[307]welk schip het beste en snelste zeilde.Maar toen de dag der afvaart was aangebroken en men de schepen met hun drie rijen roeibanken, met hun hoog uitstekende, als zwanenhalzen gekromden voor- en achtersteven, prachtig geschilderd, met de van goud schitterende Pallasbeelden en andere versierselen, de dreigend toeloopende balken der kiel, vrij en koen in goed geordende rijen over de flauwe oppervlakte zag zweven en op het teeken eener trompet eene plechtige stilte volgde, gedurende welke de heraut met luider stemme van het verdek van het admiraalschip een gebed uitsprak, dat allen van de overige schepen naspraken en waaraan zelfs het volk op het strand deel nam en de rook der offers van het verdek der schepen in de blauwe morgenlucht opsteeg en het geheele leger uit gouden en zilveren bekers dankoffers plengde en den paeän aanhief en eindelijk de vloot zich in beweging zette, de wind de zeilen deed zwellen, de zee onder den slag van tallooze riemen opbruischte en de lange rij der vaartuigen, vergezeld door de zegewenschen van de achtergeblevenen, uit de haven de open zee koos—toen was de dichter Sophocles van ganscher harte strateeg geworden en met geen fierder zin kon zijn held Aiax uit Salamis tegen Troje zijn opgetrokken, dan hij thans zelf uit het vlek Colonos koers zette naar Samos.—Na verloop van eenige weken liep een snelzeiler met berichten van Pericles voor den raad en de volksvergadering den Piraeüs binnen. De bevelhebber van het schip, dat deze tijdingen overbracht, bezorgde heimelijk niet als triërarch, maar als persoonlijk vriend van den strateeg Pericles, een geschrift, dat niet voor het publiek bestemd was. Het was een schrijven van Pericles aan zijne vriendin Aspasia.De brief luidde als volgt:„Ik weet niet, vanwaar het kwam, dat mijne borst schier nooit fierder klopte, dan op het oogenblik, dat ik wederom de hooge zee onder mij voelde.[308]Toen ik op het verdek van het schip stond en de winden de Aegaeïsche zee mijn voorhoofd verkoelden, toen was het alsof met hen een adem van vrijheid mij tegenwoei en alsof ik mijzelven had wedergevonden. Wedergevonden? Een dwaas woord! Had ik mij dan verloren? Ik was het mij niet bewust—misschien u, Aspasia? Een oogenblik scheen het mij werkelijk toe, alsof ik in den laatsten tijd te weekelijk en te lijdelijk mij op het rozenleger der liefde had neergevlijd. Ik was bijna verstoord op u. Doch toen ik nadacht, zag ik in, dat ik u groot onrecht deed en dat juist integendeel datgene, wat van u uitgaat, nooit eene verslappende, maar steeds bewust of onbewust eene opwekkende, aandrijvende kracht, mij geheel beheerschte en mij heendreef uit het rustige Athene naar het woelige oorlogsveld.„Derhalve schaam ik mij niet langer over mijne liefde voor u noch over het verlangen, dat ik nu reeds koester om u weder te zien, hoewel die zoete begeerte mij bijna een leelijken trek had gespeeld.„Ik vond de Samiërs slecht uitgerust en slechts ten deele voorbereid. Ik schaamde mij haast over de gemakkelijke overwinning. Er scheen weldra niets meer te doen overig; ik maakte derhalve aanstalten om naar Athene terug te keeren, in de hoop dat bij de eenvoudigheid der middelen, waardoor dit gevolg bereikt was, de snelheid waarmede de overwinning bevochten werd, mij tot roem zou strekken. Zou tot die bespoedigde terugkeer ook niet het verlangen om datgene, wat ik te Athene achtergelaten had, zoodra mogelijk weder te zien, eenig aandeel hebben? Ik ben er mij zelven niet van bewust maar toch durf ik de mogelijkheid niet ontkennen. In alle gevalle bleek de haast, waarmede ik wilde terugkeeren, niet zoo voordeelig, als die, waarmede ik uitgetrokken was. Ik leerde, dat men in den oorlog met spoed uittrekken, maar behoedzaam terug moet keeren.„Doch waartoe zou ik u tijdingen mededeelen,[309]die zeker te Athene op aller lippen zijn? Onze vloot brandt van verlangen den vroeger verzuimden zeestrijd in te halen: zelfs de zachte Sophocles gloeit op dit oogenblik van het vuur van Ares4. Ik heb hem naar Chios en Lesbos gezonden om de schepen der bondgenooten te halen; andere versterkingen zijn in aantocht.„Zend mij berichten van u en de vrienden te Athene door dienzelfden mij bevrienden triërarch, die u dezen brief bezorgd heeft en houd u overtuigd, dat ik naar uwe berichten niet minder vurig verlang, dan gij naar de mijne. Zeg aan Phidias, dat hij zich niet door het rumoer des oorlogs in zijne rustige werken des vredes late storen. De schoonste vreugde zal het voor zijn vriend bij zijn terugkeer zijn wanneer dezen de hooge tempelzuilen van den burgt bijna voltooid tegenblinken.”Dit was dan de inhoud van Pericles’ brief aan Aspasia. De Milesische beantwoordde dien in dier voege:„Het verheugt mij, dat gij zoo snel van de gedachte zijt teruggekomen, dat het karakter van den fieren Pericles in den laatsten tijd door Aspasia verwijfd zou zijn geworden. Moet ik integendeel mij niet verwijten, dat ik door de voorspraak ten behoeve mijner landgenooten u voor een deel heb heengedreven naar wat gij het woelige veld des oorlogs noemt? Eene zoo kortstondige scheiding schijnt mij niet onvoordeelig toe; want het scheen dat gij den langen vrede reeds moede waart geworden, ja zelfs het genot en de liefde voor Aspasia. Schaam u echter niet over het verlangen om mij en uwe vrienden weder te zien. De begeerte om wat ons lief is geworden terug te zien is dan immers het sterkste, wanneer men het juist verlaten of verloren heeft. Ik vrees, dat gij de scheiding hoe langer zoo gemakkelijker zult verdragen, hoe langer ze duurt en ten laatste, evenals[310]Agamemnon vóór Troje, in steeds toenemende gemoedsrust voor Samos zult blijven liggen.„Mijn verlangen naar u daarentegen kan niet verflauwen door den tijd, daar het gevoed wordt door werkeloosheid en eenzaamheid. Gij hebt mij hier bijna zoo verlaten achtergelaten, alsof ik uw gemalin was; gij hebt den blijmoedigen Sophocles met u medegenomen en den welsprekenden Protagoras met eene kolonie naar het verre buitenland gezonden. Alleen Socrates is nog over en deze zoekt nog van tijd tot tijd mijn gezelschap. Maar of het uit wantrouwen tegen mij geschiedt of tegen zich zelven—hij waagt zich niet zonder een ander in mijne nabijheid en overschrijdt mijn drempel steeds in gezelschap van een vriend, die bijna zoo zonderling is als hij zelf. ’t Is de treurspeldichter Euripides, de jongere mededinger van Sophocles. Hij en Socrates zijn onafscheidelijke vrienden en men zegt zelfs, dat deze hem helpt bij zijne treurspelen, omdat zij zoo rijk zijn aan wijze spreuken. Maar dit is dwaasheid. Zij beiden zijn zoo gelijk van karakter, dat ik niet weet, wat de een van den ander zou kunnen ontleenen. Beiden vloeien zij over van wijsheid. Wat Socrates is onder de denkers, dat is Euripides onder de dichters: een peinzer en een zonderling. Bovendien is hij een boekenworm; hij heeft zich een groote boekerij aangeschaft en leeft daarin geheel voor de Muzen. Voor het overige ziet hij er uit als alle dichters; een oudachtig gezicht op een eeuwig jeugdig bewegelijk lichaam. Hij is afgetrokken, norsch en ruw in zijne manieren en gaat alleen met Socrates en de sophisten om. Intusschen heeft Socrates zoo’n invloed op hem uitgeoefend, dat hij begeerig werd mij te zien.„Deze man hier,” zei Socrates, terwijl hij mij voorstelde, „is de voortreffelijke treurspeldichter Euripides, dien gij, naar ik hoop, dubbel bewonderen zult, als gij hoort, dat zijn vader Mnesarchus een herbergier en zijne moeder Clito eene groentevrouw is geweest. Ook moet gij weten, dat hij[311]juist op den dag van den grooten zeeslag bij Salamis op dit eiland het eerste levenslicht heeft aanschouwd.”„Een roemrijk voorteeken,” zei ik.„Dat is mogelijk,” sprak Euripides zelf, „maar wat de Goden oorspronkelijk met mij bedoelden, is nog niet ten volle duidelijk.”„Toen vertelde hij mij uitvoerig—want nadat hij eens aan het praten raakte, werd hij tegen verwachting tamelijk spraakzaam—hoe zijn vader in een droomgezicht voorspeld was, dat zijn pas geboren zoontje eens als overwinnaar in roemrijke wedstrijden de zege zou behalen. Zijn vader had, als echt Helleen, gemeend, dat dit op de overwinningen te Olympia en Nemea doelde en had hem met de meeste zorgvuldigheid in de gymnastische kunsten laten onderrichten; ook had hij werkelijk reeds als knaap den palm bij de Panathenaeën weggedragen; maar hij had langzamerhand meer smaak gekregen in boekrollen dan in vuistriemen en werpschijven en was ten laatste in plaats van een gelauwerden athleet een mededinger in den tragischen wedstrijd geworden.„Hoe komt het toch,” vroeg ik hem, „dat gij in elk uwer treurspelen u zoo scherp en vinnig uitlaat tegen de vrouwen en dat men u algemeen voor een vrouwenhater houdt?”„Ik ben getrouwd,” luidde het korte antwoord.„Is dit een reden,” zei ik, „om alle vrouwen te haten, ook haar, met wie gij niet door dergelijke banden verbonden zijt?”„Socrates heeft mij tot u gebracht,” hernam hij, „om mij van mijn vrouwenhaat te genezen. Voorloopig acht ik ééne vrouw, de vrouw, die mij ter wereld bracht: de voormalige groentevrouw Clito—ik zeg voormalige, want thans heb ik haar overgehaald den groentenhandel aan kant te doen en een klein landgoed, dat mijn eigendom is, te besturen.”„Ik gaf mijn verlangen te kennen met deze vrouw kennis te maken.[312]„Als het u niet verveelt,” gaf hij ten antwoord, „de geschiedenis, hoe ik op Salamis gedurende den grooten slag in eene grot aan het strand geboren ben, te hooren vertellen—want dit verhaal spaart zij niemand, die haar komt bezoeken—is het gemakkelijk uw verlangen te bevredigen.”„Een paar dagen later zocht ik, vergezeld van eene slavin, het afgelegen, bescheiden landhuis op, waarin moeder Clito heerscht en welks stilte alleen door de welluidende trimeters5van haar dichterlijken zoon wordt gestoord, als hij, om geheel zijn eigen meester te zijn, zich in die landelijke eenzaamheid terugtrekt. Ik trof de goede vrouw aan te midden van haar kippen, eenden en biggetjes en zei haar, dat ik zeer gaarne de geschiedenis, hoe haar beroemde zoon op Salamis gedurende den grooten veldslag geboren was, wilde hooren.„Innig verheugd en met kennelijken trots zeide het moedertje:„Dat is eene geschiedenis, waarde vrouw, die zelfs de groote Themistocles6mij gaarne hoorde vertellen.”„Toen noodigde zij mij uit op eene zodenbank midden in den tuin plaats te nemen, nadat zij eerst de kippen en duiven, die daar zaten,weggejaagdhad.„O kind,” zei zij toen, „dat was een schrikkelijke dag, toen de scharen der Perzen op ons heilig Athene losstormden en alles te vuur en te zwaard vernielden en de menschen bij de altaren doodden en in pek gedoopte vuurpijlen van den Areopagus[313]naar de Acropolis slingerden, tot alle tempels daar in lichter laaie stonden en een dichte rook van zwarte wolken over de zee zich verspreidde. Maar terwijl de stad verbrandde en alle mannen zwoeren, dat zij met de wapenen in de hand onder de rookende puinhoopen wilden sterven en de vrouwen daartusschen weeklaagden en de stad van gejammer weerklonk, omdat Athene, het heilige Athene, verdelgd werd van den aardbodem, toen stond Themistocles op, Themistocles, de zeeheld en strekte de hand uit naar de zee en de vloot en riep: „Daar is Athene!” en dreef alles, wat weerbaar was, naar de schepen. En naast hem stond de langgebaarde priester van denErechtheüs-tempelop den burg, die verkondigde, dat er een hoogst belangrijk wonder was geschied: de heilige burgslang was van zelf uit den brandenden tempel verdwenen, een teeken, dat de schutsgodin der stad, Pallas Athene, zelve en alle Goden van daar waren gevloden en dat het vaderland van den Athener nergens anders was dan op zee, op de schepen der vloot van Themistocles.„Terwijl nu de mannen allen te scheep gingen, was het een jammerlijk gezicht hoe zich de vrouwen, de kinderen en grijsaards door elkander in de booten wierpen, die aan de kust gereed lagen en ook lager aan de straten van Salamis, waarvan er vele omsloegen, omdat zij de menigte vluchtelingen niet konden dragen.„Zelfs de honden wilden niet achterblijven in de verlaten stad: zij stortten zich in zee en zwommen langs de schepen hunner meesters, zoolang zij konden. Ge moet echter weten, kind, dat ik toen hoogst zwanger was en in dien toestand bereikte ik gelukkig met eene gansche schare het strand van Salamis en daar sloegen wij in eene rotsgrot op de kust, met eenige vrouwen en kinderen, ons nachtleger op. De nacht was bovenmate onrustig; want in die nachtelijke ure verzamelden zich om Salamis alle Grieksche zeilschepen en onophoudelijk weerklonk van schip tot schip den geheelen[314]nacht door het geroep der zeelieden, zoodat zelfs de onbezorgden onmogelijk een oog konden luiken. Het was juist toevallig de tijd van het Jacchus-feest, waarop het beeld van den God in het begin van den nacht bij fakkellicht in een grooten, plechtigen optocht van Aegina naar Eleusis over zee wordt gevoerd, en Themistocles had niet gewild, dat men deze plechtigheid om de benauwde tijden zou nalaten en juist toen de Grieken hunne schepen in orde schaarden, kwam het feestelijk getooide vaartuig met de heilige beelden de Aeäciden7van Aegina en bij den hellen schijn der fakkels schitterde de geheele burg, zoodat alle Grieken op de schepen nog meer werden aangevuurd, omdat zij zagen dat de Goden van hun vaderland nog heerschten. En toen de heldere morgen aanbrak en ik mij met de andere vrouwen naar het strand voortsleepte, zag men reeds de vereenigde schepen der Hellenen strijdvaardig staan, beschenen door den glans der fakkels en de geheele Euripus8wemelde en de groote vloot der Perzen kwam langzaam in een onafzienbare rij van den Phaleron aanzeilen.„Ik echter kon het daar niet meer uithouden; ik moest naar de grot terugkeeren. De barensweeën en de kommer overweldigden mij. En daar lag ik nu op een bed van zeegras, verlaten door een ieder, want de vrouwen, die haar nachtleger met mij gedeeld hadden, liepen allen weg; alle vrouwen en kinderen toch op Salamis wisten dat hare echtgenooten en vaders op de schepen waren en zij stonden daar allen dicht opeen op het hooge strand en keken naar de vaartuigen en wrongen de handen en smeekten tot de Goden. Daar hoorde ik opeens een trompetgeschal en een paeän hoorde ik zingen door vele duizende stemmen—uit de verte klonk het in gedempte tonen tot mijne legerstede door.[315]„Toen was het, alsof een vreeselijke orkaan in een dicht olijfwoud zich stortte en alsof duizende toppen kraakten—het was echter het gekraak der schepen die tegen elkander stietten en daar tusschen klonk steeds dof uit de verte het krijgsgeschreeuw der onzen en der barbaren. Hoe lang dit duurde weet ik niet en het gevecht kan ik u niet vertellen, kind, want ik zag niets; ik wentelde mij den geheelen dag door op mijn bed heen en weder, hulpeloos als ik daar lag en smachtte naar lafenis en verzonk ten laatste in eene sluimering, die wel mijne laatste had kunnen wezen.„Toen hoorde ik plotseling in mijne sluimering een luid gejubel van vrouwen en ik kreeg mijn bewustzijn weder en het kwam mij te binnen dat ik op Salamis lag. Maar menige jammerklacht mengde zich onder de jubelkreten; want niet alleen tallooze wrakken spoelden aan het strand van Salamis, maar ook lijken, onder welke menige vrouw haar zoon of man herkende. Ook velen der in het gevecht gewonden en velen van de bemanning van die schepen welke verbrijzeld waren en die dichter bij het strand van Salamis waren dan bij het Atheensche strand, redden zich op de eilanden en brachten de heugelijke tijding: de Pers is verslagen en vlucht in zijne hartader getroffen over de zee en ontvliedt de rookende puinhoopen van Athene en nog heden mogen wij terugkeeren in de bevrijde stad.—Verbeeld u eens kind, hoe het mij te moede werd, toen onverwacht, alsof de Goden het zoo bestierd hadden, mijn man Mnesarchus, die zich onder de gelanden bevond, de grot kwam binnenstormen, met den jubelkreet: „Athene is weer vrij! Athene is weer het onze!”—Zoo wou hij voortgaan met juichen en jubelen, toen—maar verbeeld u hoe hij mij verbaasd aankeek en naast mij het naakte, pasgeboren, schreiende knaapje. Hij kon geen woord uitbrengen, hij nam het kereltje in zijne armen en sprong er mede in de rondte in zijne uitgelaten vreugde over de zegepraal en zijn vaderschap, liep toen met het kind naar de zee[316]en wiesch het af en liep weer weg en bracht mij water en andere verkwikkingen, zoodat ik eindelijk hoewel langzaam, wat bijkwam van de doodelijke afmatting waarin ik verzonken was.„Den volgenden dag werd er op het eiland een groot zegefeest gevierd. Omkranste jongelingen dansten om de tropaeën, terwijl de Pers aftrok en met het rampzalig overschot zijner onmetelijke schare heenvluchtte naar het verre Oosten. Toen ging Mnesarchus met het pasgeboren knaapje op zijne armen midden door het feestelijk gewoel en toonde het aan alle Grieken en vertelde hoe het ter wereld was gekomen in de ure van den strijd. En toen Themistocles zelf naderde en de toedracht der zaak vernam zei hij:„Eere den Griekschen moeders, die ons nieuwe burgers baren nog gedurende den strijd, ter vergoeding voor diegenen, welke voor het vaderland gevallen zijn!”„Zoo sprak hij en hij beval aan Mnesarchus honderd drachmen uit te betalen. Toen heerschte er algemeene vroolijkheid en Mnesarchus noemde den knaap Euripides, ter herinnering dat hij geboren werd op den dag der overwinning in den Euripus, in de zeeëngte van Salamis.”„Zoo vertelde mij het eerlijke moedertje Clito, precies, zooals ik het hier voor u neergeschreven heb.”—Weinige dagen, nadat de brief van Aspasia aan Pericles verzonden was, kwamen krijgsberichten uit Samos en tegelijk een nieuw schrijven voor Aspasia. De inhoud daarvan luidde aldus:„Gij zijt onvergelijkelijk, Aspasia, en altijd dezelfde. Was het toeval of geschiede het met eene geheime bedoeling, dat gij mij in uw brief dat bekoorlijk verhaaltje van het moedertje van Salamis deedt? Toen uwe brieven mij met de verlangde versterking uit Athene gewerden, stond ik reeds met mijne vloot tegenover de Samische. Ik las het verhaal van uw moedertje en vol van Salaminische geestdrift gaf ik het teeken tot den aanval.[317]„Wij overwonnen. Maar ik zal mij wel wachten u eene schildering van dien slag te geven. Hoe zou ik het wagen tegenover dat beeld, waarmede gij mij zoo levendig de herinnering aan het heldenfeit van Salamis voor den geest hebt getooverd, met mijne onbeteekenende overwinning te pralen, waardoor de Samische vloot wel onschadelijk is gemaakt, doch het verzet der stad zelve nog niet is gefnuikt. Wij omsluiten haar te land en ter zee. Dit Samos is eene sterke stad en prachtig gelegen: maar zijn grootste, van oudsher beroemde tempel is, zooals gij weet, aan Hera, de Godin van den echt, gewijd en in dit heiligdom worden gansche troepen van die vogels gemest, die der Godin heilig, maar ons beiden gehaat zijn.„Ook Sophocles heeft uw brief gelezen, vooral het verhaal van uw moedertje heeft hem groot genoegen gedaan.„Daar hij zelf zich onder de bekranste jongelingen en knapen bevond, die bij het zegefeest, waarvan het moedertje spreekt, om de tropaeën dansten en Aeschylus onder de strijders, hebben deze drie treurspeldichters een belangrijk aandeel genomen aan de eer van Salamis—het geringste echter uw Euripides, die alleen de verdienste heeft toen geboren te zijn geworden.„Ik heb overigens ook nog bij Sophocles inlichtingen ingewonnen naar het karakter van Euripides en hem gevraagd naar zijne meening over diens vrouwenhaat. Sophocles antwoordde mij, dat Euripides de vrouwen slechts haatte, omdat hij ze liefhad. Want als hij ze niet liefhad en ze missen kon, dan zou hij zich niet om haar bekommeren en niet van haar spreken en het zou hem onverschillig zijn of zij goed zijn of slecht. Tot zooverre Sophocles: ik houd het er dus voor, dat de roem om Euripides van zijn vrouwenhaat te genezen, u niet veel moeite zal kosten.”Deze brief van Pericles beantwoordde Aspasia in dier voege:„Gij hebt met uwe overwinning vóór Samos den[318]Atheners reden gegeven tot groote blijdschap, waarmede ik in stilte van ganscher harte instemde; alleen hebt ge mijne vreugde aanmerkelijk verminderd door uwe bescheidenheid, waardoor gij mij eene schildering van uw zeegevecht hebt onthouden. Ik vind het over het algemeen zeer goed, dat gij uwe brieven aan mij niet met staats- en krijgszaken vult en u liever tot datgene bepaalt, wat uw eigen persoon betreft; maar men zegt, dat juist deze slag u in al uw glans en heerlijkheid heeft getoond, dat gij zelf het schip van den vlootvoogd der vijanden in den grond hebt geboord. Niet om de zaken is het mij te doen, maar om u, om het heldere beeld van uw wezen, zoodat ik u als met eigen oogen zie.„De bouw van het Parthenon vordert met eene haast ongeloofelijke snelheid. Waarlijk, uit eene welgevulde kas is het, zooals Callicrates pleegt te zeggen, goed bouwen.„Vóór eenige dagen heeft er op de Acropolis een ongeluk plaats gehad, dat veel opzien verwekte. Een werkman viel van een steiger en werd doodelijk gewond: en daar dit juist geschiedde op de plaats, die Diopithes als eene „onderaardsche,” als een ongelukspunt verklaard had, heeft de gemoederen en de tongen der bijgeloovigen te Athene geducht in beweging gebracht.„Zegepralend wijst de onverzoenlijkeErechtheüs-priesterop zijne vervulde voorspelling en verkondigt nog meer rampen in de toekomst; hetgeen de Goden mogen verhoeden!„Hij ziet van den drempel van zijn oud heiligdom nog steeds donker en toornig op den wakkeren Callicrates neer en wenscht hem een zonnesteek toe. Doch de heetste pijlen van Apollo stuiten op het voorhoofd van den onvermoeide af. Pallas Athene dekt hem met haar schild. Hij tergt zijn tegenstander, waar hij kan, en wanneer zijne wangunstige blikken hem al te lastig worden, weet hij het zoo in te richten, dat zijne lieden eene stofwolk in de nabijheid van het Erechtheüm doen[319]opdwarrelen, die den priester noodzaakt, zich de oogen wrijvende, naar het binnenste van zijn tempel de wijk te nemen.„Nu is zelfs een muildier in den twist dezer beide mannen betrokken geworden. Onder de muildieren namelijk, die nu reeds eenige jaren bezig zijn dag aan dag de helling van de Acropolis op en neder te draven, steenen en andere vrachten op de hoogte te sleepen, bevond er zich een, dat deels door den ouderdom, deels door eene wonde, die hij bij het vervullen van zijn arbeid gekregen had, ongeschikt voor den arbeid geworden was. Zijn drijver wilde hem sparen en in den stal rustig laten staan. Het wakkere dier echter was daar mede niet te vreden en liet zich zelfs niet door slagen afhouden datgene te doen, wat het sedert zoo langen tijd gewoon was, en draafde met zijne makkers, zij het ook onbelast, de Acropolis op en af. En dit doet het nu getrouw dag aan dag en iedereen kent den „muilezel van Callicrates,” zooals men hem noemt, daar Callicrates het onbruikbaar gewordene, maar altijd toch wakkere dier onder zijne bescherming neemt. Daar deze muilezel echter op de Acropolis zonder werk losloopt en rondstappende soms het gebied van het Erechtheüm te nabij komt en zelfs eenige malen de heilige kruiden, die daar geplant zijn, met zijn onheiligen snuit heeft besnuffeld, haat Diopithes dezen trouwsten aller arbeiders van het Parthenon bijna nog meer dan Callicrates zelven en het is niet te voorzien, welke verwikkelingen uit deze zaak nog zullen voortspruiten.„Vaarwel, mijn held, en denk niet altijd alleen aan het verhaal van het moedertje, aan Salamis en Themistocles, maar ook eens aan uwe Aspasia. Noch Hera, noch alle pauwen van Samos zouden mij verhinderen tot u te snellen, als gij het wilt.”—Niet lang daarna ontving Aspasia van Pericles de volgende regelen:„Gij zijt verstoord op mij, omdat ik u de beschrijving[320]van het zeegevecht niet gegeven heb; gij verlangt dus mij vóór Samos te zien heerschen en handelen en het bevel voeren? Op zich zelf is een zeeslag misschien van alle schouwspelen het meest waard gezien te worden en ik beken u volmondig, dat ik, zoo dikwijls ik mij als strateeg ter zee met den vijand moet meten, hoezeer ook mijn plicht als aanvoerder mij geheel vervulde, toch steeds een blik van bewondering over had voor het schoone en geweldige gezicht, dat een strijd tusschen die met zeilen voorziene kolossen opleverde. De goede Clito heeft u alleen de bijomstandigheden van den slag van Salamis, niet het gevecht zelf verhaald, en daarom wil ik trachten u de geschiedenis van den strijd der schepen vóór Samos in korte trekken te schilderen, onder die voorwaarde evenwel, dat dit verhaal van krijgszaken het eenige zal zijn, ’t welk gij aangaande dezen veldtocht van mij zult ontvangen.„Bij het eiland Tragia ontmoette ik de van Milete komende Samische vloot. Een aanval verwachtende, nam zij onmiddellijk eene vaste stelling in een kring aan, om mij te verhinderen datgene te doen, wat steeds in een zeeslag mijn hoofddoel is, namelijk de vijandelijke schepen door eene snelle en onverwachte wending in de flank aan te tasten. Ik zond eenige kloeke zeilers vooruit, om deze kringvormige positie in verwarring te brengen en door schijnaanvallen en eene geveinsde vlucht hier en daar een vijandelijk vaartuig van zijn plaats te lokken. Ook stak er een tamelijk felle wind op, wat eveneens medewerkte om door den zwaren golfslag den gesloten kring der Samische vloot te verbreken.„Onze vloot stond van het begin af met vooruitspringende vleugels tegenover de vijandelijke linie en gereed om ieder schip, dat zich buiten den kring durfde wagen, in de flank aan te vallen.„Intusschen gelukte het den Samischen vlootvoogd, terwijl zijne voorhoede reeds in een vrij heeten strijd gewikkeld was, uit het daarachter[321]staande gedeelte van den wankelenden en half verbroken kring eene gesloten slagrij te vormen, waarmede hij plotseling, terwijl de schepen der voorhoede, op zijn bevel, zich terugtrokken, in dichte rijen naderde.„Een oogenblik bracht de aanval dezer gesloten phalanx9onze voorste gelederen in verwarring. De dikbuikige schepen der Samiërs met hunne trompvormig gebogen voorstevens en tallooze krachtig bewogen riemen zagen er als monsters uit, die op duizend pooten naar ons toekropen. Alleen was dit kruipen eer een vliegen, als de snelheid van den wind. Maar na weinige oogenblikken, toen ook ik de verstrooide schepen ijlings in orde had gesteld, stond onze phalanx evenzeer gesloten, als een ijzeren muur, tegenover de Samische.„Nu ontbrandde de eigenlijke strijd in woeste verbittering. Onder luid geschreeuw op elkander losgaande, drongen de voorste rijen der onzen en die der Samiërs onstuimig op elkander in, zoodat ieder Attisch vaartuig naar twee kanten zijn aanval richtte, ieder vijandelijk schip zich naar twee kanten verdedigde. Geleken de Samische schepen op dreigend vooruitstekende zwijnensnuiten, de onzen waren met zeeslangen te vergelijken, die tusschen die snuiten door vlug en met doodelijke beten rechts en links hare kronkelingen wisten te slingeren. In de dicht opeen gepakte rijen begonnen nu van schip tot schip de geweldige krijgswerktuigen te werken: de catapulten en schorpioenen10slingerden hun geschut en de vreeselijke dolfijnen11lange balken met zware, ijzeren punten, die, nederstortend op het vijandelijke vaartuig, met goed berekende juistheid nederdaalden en de mast verpletterden of het verdek verbrijzelden[322]en als met ijzeren klauwen het schip vasthielden en tot een buit van den aanvaller maakten. En terwijl de aandacht van het vijandelijk vaartuig door een hagel van pijlen, waarmede zijn verdek overstormd werd, werd beziggehouden, voeren stoute, lichte booten om het zeegevaarte heen, wier bemanning met bijlen zijne riemen vernielde.„En toen ten laatste de schepen kiel aan kiel gesloten waren en de hoog uitstekende boorden der onzen en der vijanden elkander raakten, vormden de vereenigde verdekken weldra een slagveld, waarop de zwaargewapenden met lans en zwaard, man tegen man, tegenover elkander stonden. De vermetelsten aarzelden niet aan boord der naaste vijandelijke vaartuigen te springen. Sommigen der onzen gelukte het hier en daar de vijandelijke bemanning neder te houwen, den triërarch gevangen te nemen, zich van het roer meester te maken en de weerlooze roeiers te dwingen het buitgemaakte vaartuig uit de Samische linie naar de Atheensche over te brengen.„Hoe roemrijk bij dergelijke waagstukken de heldhaftige zin zich ook openbaarde, ik keurde dien al te onstuimigen moed af, daar ik er steeds op bedacht ben, in den zeestrijd het bloed mijner dapperen zooveel mogelijk te sparen en meer de schepen dan de menschen tegen elkaar te doen strijden. Waarom zouden dezen elkander vermoorden, waar gene door stoute, snelle bewegingen in staat zijn den kamp te beslissen?„Ik voer tusschen de schepen der vloot door en riep den triërarchen toe, dat zij liever met de scheepsnebben en de ijzeren, puntige balken, dan met zwaard en lans moesten strijden en hun schip niet als een burgt, maar als wapen zouden beschouwen. Zij begrepen mij en daar de Samiërs talrijke onbruikbaar gemaakte schepen uit den slag brachten, doch met het overschot dichter opeen drongen, werd het ons te gemakkelijker, om de schepen te enteren en in de flank aan te tasten.„Thans werd het ons hoofddoel, om de vijandelijke[323]schepen in den grond te boren. Het was nu inderdaad een strijd der schepen zelve geworden. Benevens het geweld der in volle vaart aangebrachte scheepsnebben, benevens de kracht der ijzeren, puntige balken aan de kiel, bewezen de door mijzelve uitgevonden „ijzeren handen”12voortreffelijke diensten, daar zij menig Samisch vaartuig aangrepen en vast omkneld hielden in hare vreeselijke omarming. Onder het dof gekreun der tegen elkander botsende balken mengde zich het snerpend gekraak van splinterende riemen, wanneer in snelle, goed berekende vaart een vaartuig vlak langs het vijandelijke schoot en het uitstekend roeituig als dorre takken deed breken.„De Samiërs deinsden terug, zij geraakten in wanorde doch zij weken nog niet. Vertoornd over dien trots, verdrietig over den langen strijd, wilde ik juist het bevel geven eenige transportschepen met werk en rijs geladen, in brand te steken en in de vijandelijke rijen te zenden, om het overschot der weerbarstige Samische vloot teverbranden, toen plotseling een geweldig stuk steen naar den mast van mijn schip werd geslingerd. De mast werd niet getroffen, de stuurman echter wel, die oogenblikkelijk met verbrijzelden schedel van zijn stuurstoel afviel. Bij het nedervallen had de steenklomp tevens het roer zelf, met alles wat in de nabijheid zich bevond, verpletterd. De steen was van het admiraalschip der Samiërs geslingerd, waaruit ik opmaakte, dat de Samische vlootvoogd mij zelven tot een persoonlijken kamp uitdaagde. Doch met mijn ontredderd schip was weerstand onmogelijk. Snel en zonder dat de vijand het kon bemerken klom ik van den achtersteven van het schip langs een ladder in een boot en spoedde mij naar een ander vaartuig, de „Pharthenos”13, en terwijl het Samische admiraalschip mijn ontredderd schip bemachtigde om het, met mij zelven als krijgsgevangene,[324]naar de Samiërs meenden, buit te maken en mede te voeren, boorde ik met de „Pharthenos” in de flank van den Samiër, zoodat hij, lek geworden, water schepte en op zij vallend onder den waterspiegel verdween. De Samische vlootvoogd zelf was een der weinigen, die onder een pijlregen der onzen, die hun krachtigen zegekreet reeds deden weerschallen, ter nauwernood al zwemmend zich redden. Nu eerst weken de Samiërs en de zege was ons.Nog op den avond van denzelfden dag kwam de Samische opperbevelhebber, Melissus, onder veilig geleide op mijn schip, om met mij over de vredesvoorwaarden te onderhandelen; hij stelde echter zulke eischen, dat men mij voor overwonnen zou hebben moeten houden, als ik ze aangenomen had. Hij erkende wel dat de vloot der Samiërs verslagen was, maar gaf de verzekering, dat de stad echter in staat en voornemens was een lang beleg uit te houden. Bovendien was Phoenische hulp in aantocht en eene geldelijke ondersteuning was den Persischen satraap te Sardes aangeboden. Melissus lei bij dit geheele onderhoud eene wilskracht en hardnekkigheid aan den dag, zooals alleen een wijsgeer in staat is te ontwikkelen. Hij is van eene hooge gestalte, reeds op vrij gevorderden leeftijd en zijn voorhoofd draagt zoozeer den stempel van den diepzinnigen denker, dat het mij schier ongeloofelijk voorkwam, in hem den man te zien, die nog zooeven eene vloot tegen mij aangevoerd had en dien ik met de vlugheid eens jongelings door de met wrakken bezaaide golven had zien zwemmen. Weldra zag ik in hem alleen den in geheel Griekenland met roem overdekten wijze uit de school van Parmenides. Ik weet zelf niet hoe het kwam, dat ons gesprek langzamerhand en onmerkbaar in wijsgeerige overdenkingen overging. Waarheid is, dat hij mij ten laatste met groote levendigheid uiteen zette, dat, wanneer iets is, het eeuwig is; dat het eeuwige echter in ruimte onbegrensd was en het waarachtig eeuwige, één en[325]oneindig, alles in zich omvatte; want als er twee of meer oneindigheden waren, moesten zij elkander begrenzen en waren derhalve niet meer oneindig en het Al moest iets in zich zelf gelijksoortigs zijn; want ware er iets waarachtig ongelijksoortigs, dan bestond niet meer het ééne, maar het vele; het vele echter kon niet bestaan, want dat het bestond was slechts schijn en gold alleen voor de zinnelijke waarneming, niet voor de denkende bespiegeling van den geest.—„Toen toevallig eenige andere strategen en triërarchen binnenkwamen, die met groote nieuwsgierigheid en belangstelling den uitslag onzer vredesonderhandelingen verbeidden en nu hoorden dat de Samische vlootvoogd en ik ons over de onbegrensdheid van het Al en over de oneindigheid van het ongeschapen Zijn onderhielden, bleven zij geheel verbluft en met open mond staan, en wij zelven moesten lachen, als wij nagingen hoe wij zooeven nog met scheepsnebben en doodelijk geschut tegen elkander hadden gewoed, doch thans in een dergelijk onderwerp verdiept waren. Want daar ik dergelijke vertoogen, als Melissus hield, te Athene dikwijls uit den mond van Zeno had gehoord en deze Eleatische stellingen en strijdvragen mij steeds de grootste belangstelling hadden ingeboezemd, behoefde ik Melissus het antwoord niet schuldig te blijven en ons gesprek had inderdaad bijna het karakter van een wijsgeerigen strijd aangenomen.„Hoe veel beter zou het zijn,” zei ik tot Melissus, toen wij afscheid namen en ik hem de hand schudde, „als wij Hellenen allen, zooverre onze taal op de kusten en eilanden wordt gesproken, daar wij toch door één geestelijk streven verbonden zijn, ook door één zelfde staatkundig belang in den loop der tijden konden vereenigd worden!”„Een bliksemstraal schoot bij deze woorden uit het grauwe donkere oog van den Samiër.„Ongetwijfeld,” zeide hij met een bitteren, spottenden glimlach, „hoopt gij, dat het Athene zal zijn, dat allen Hellenen in zijn gebied lokt en hen[326]goedschiks of kwaadschiks tot ééne staat vereenigt?”„Ik begreep het gevoel van den vaderlandslievenden man, die met zooveel warmte voor de onafhankelijkheid van zijn eiland streed en ik waardeerde het.„Het is nu eenmaal het lot van alle welgemeende bedoelingen en gedachten, dat zij schipbreuk lijden op de klip van kleinere belangen, die toch eigenlijk zich moesten oplossen in de grootere. Het wordt met ondank beloond, als men de gedachte van een groot geheel in zijn hart opvat en daarvoor wil werken. Spoor ik de Hellenen aan tot eenheid, dan zien zij daarin alleen Atheensche veroveringszucht of zelfs eerzuchtige bedoelingen van mijzelven. Zoo gevoelt men zich met zijn besten wil en bedoelingen telkens gedwarsboomd door eene jammerlijke bekrompenheid. Daardoor heb ik soms oogenblikken, dat alle kracht en lust tot den arbeid mij ontzinken en ik troost zoek in de reine sfeer der gedachte, waar de geest in onbeperkte vlucht zich kan verheffen in de ongemeten ruimten van het geestelijke en ongeziene. Als ik in stilte des nachts op het verdek treed van mijn vaartuig, boven mij de met sterren bezaaide hemel zich welft—als de masten onbewegelijk zich verheffen en daar boven de oneindigheid het uitspansel zich uitbreidt—als geen geluid wordt gehoord, dan het zachte, welluidende kabbelen der golven, licht bewogen door den adem van den wind, tegen de kiel van het schip—dan rijst het beeld van Melissus op voor mijn geest en ik geloof niet langer aan, maar gevoel de waarheid van zijne oneindige, eeuwige eenheid van het Zijn.„Meer dan gij gelooven kunt, denk ik aan u, aan de vrienden te Athene en aan datgene, wat daar onder hunne handen der voltooiing nadert. Thans, nu hier, naar het schijnt, het moeilijkste volbracht is en eene wellicht lange, vervelende belegering mij bijna tot werkeloosheid veroordeelt, durf ik u mijn heimwee naar Athene wel bekennen, zonder mij daarvoor te schamen.[327]„Het ongeluk, dat de werkman bij den bouw van het Parthenon heeft getroffen, waaraan Diopithes op zoo kwaadwillige wijze eene rampzalige uitlegging heeft gegeven, is mij zeer ter harte gegaan. Ik heb Hippocrates doen verzoeken den gewonde, als hij nog leeft, te behandelen, en wanneer het ons gelukt hem te redden en Diopithes te beschamen, doe ik de gelofte uit dankbaarheid voor Pallas Hygieia14een altaar op de Acropolis op te richten.„Wat voorts het wakkere muildier van Callicrates aangaat, ik ben van meening, dat het beschouwd moet worden om zijne trouw en vlijt den staat der Atheners belangrijke diensten bewezen te hebben en om te voorkomen, dat de afgunst van Diopithes hem onheil zal berokkenen, heb ik hem de vrijheid bezorgd te snuffelen en te grazen, waar het hem lust, en alles wat hij aan het goed van een ander beschadigt of zich daarvantoeëigent, zal den eigenaars van staatswege vergoed worden.”Nog vóór Aspasia gelegenheid gevonden had dezen laatsten brief van Pericles te beantwoorden, ontving zij opnieuw eenige letteren van hem, die de bevestiging inhielden van het ongeluk, dat het Atheensche leger vóór Samos had getroffen, terwijl Pericles de Phoenische hulpvloot te gemoet was getrokken.Slechts met enkele woorden meldde Pericles deze zaak in zijn brief aan Aspasia. Daarna vervolgde hij aldus:„Kondt gij het voor mogelijk houden, dat onder ons Hellenen datgene nog steeds gebeuren kan, wat ik gezien heb, toen ik mij naar het leger begaf, dat de stad van de landzijde had ingesloten en door de uitvallen der Samiërs niet weinig geleden had? Luide jammerklachten klonken mij in het oor, toen ik het kamp binnentrad. Ik vond den priester van het leger juist bezig aan Zeus, den Redder15een offer te brengen. In den kring,[328]die zich rondom het altaar en den priester gevormd had, zag ik vijftig gevangen genomen Samiërs met gebonden handen staan. Ik vroeg wat er met deze menschen, die als offerdieren om het altaar stonden, moest geschieden. Toen vernam ik dat de ziener, die van staatswege aan het leger was toegevoegd, verklaard had, dat het de wil van Zeus den Redder was, dat hem ter eere de vijftig Samische krijgsgevangenen plechtig zouden worden geofferd. En men was juist op het punt den wil van Zeus te volbrengen. Ik trad op den priester en ziener toe en verklaarde ten aanhoore van het geheele leger, dat het een leugen was, dat de Goden der Hellenen ooit menschenoffers wilden en stelde mij daarmede tevreden door op de voorhoofden der vijftig Samiërs het teeken van een zwijnensnuit, zooals de voorsteven der Samische schepen voeren, af te drukken, ter vergelding van den smaad, dien zij kort te voren aan onze gevangenen hadden aangedaan, door in hun lichaam een uil16in te branden.„Nu belegeren wij opnieuw de stad en bestormen haar van de landzijde met stormrammen en werpgeschut.„De brieven, die ik van Telesippe ontvang, zijn vol klachten over den jongen Alcibiades”—Aspasia beantwoordde de letteren van Pericles op de volgende wijze:„Vele en gewichtige zaken, dierbare Pericles, hebben uwe beide laatste brieven mij medegedeeld. Vele dingen, waarbij ik van vreugde zou kunnen juichen, ook andere zaken die een bange vrees, zij het ook slechts eene voorbijgaande, voor u in mijne ziel opwekten. Maar waarom zou ik over de wisseling der fortuin al te zeer klagen, daar juist in deze wisseling de onveranderlijkheid van uw eigen, trouw beeld mij te duidelijker wordt afgespiegeld? Gij hebt mij, zooals ik wenschte, zonder het te weten, u zelven afgeschilderd. Hoe arm zijn[329]woorden en hoeveel vuriger zou een kus, op uw voorhoofd gedrukt, u zeggen wat ik gevoel! De tijd vliegt mij om, als ik aan u denk en de liederen van Sappho bij de klank der snaren zing.„Phidias en de zijnen zijn onvermoeid. Verdiept in hunne berekeningen en als door eene daemonische macht voortgezweept, luisteren zij slechts met een half oor naar de gebeurtenissen, die buiten hun werkkring, elders in de wereld plaats grijpen. Vergeef hethen: want ook zij arbeiden toch voor u en den roem van uw naam tot in de verste toekomst.„Over den jongen Alcibiades verneem ik telkens een en ander; want hij begint de aandacht van de Atheners tot zich te trekken. Er zijn er velen, die in de worstelschool of waar hij zich ook vertoont, zich om hem verdringen. Maar hij sluit zich alleen aan bij Socrates, wellicht omdat deze hem niet vleit. Toen hij onlangs door zijn paedagoog begeleid over straat ging, met een kwartel, zijn lievelingsvogel, in den mantel verborgen, drong er weder veel volk om hem heen. Terwijl hij nu genoodzaakt was hieraan zijn aandacht te wijden, ontvloog hem den kwartel. De jongeling werd daarover zoo driftig, dat half Athene op de been kwam, om den kwartel van Alcibiades weder op te vangen. Zóó zijn de Atheners! Intusschen, wanneer zij den jongen Alcibiades bederven, komt dit grootendeels ook daar van daan, dat hij de pleegzoon is van Pericles, den grooten Pericles, die na de zege bij Tragia meer dan ooit de held van den dag is.„Alleen Diopithes blijft heimelijk tegen u mokken, benevens de zuster van Cimon en uwe vrouw Telesippe. Op hunne zijde zijn de oude pruiken met hun ouderwetsche kleeding en de haarvlecht over de kruin samengebonden, de ijdele oude strijders bij Marathon17en afgeleefde grijsaards en zotte Spartanen-vrienden, die lang haar dragen,[330]het lichaam oefenen, honger lijden, zich nooit wasschen en met hun lompen knuppel op de steenen der straat ratelen; voorts verscheidene suffers, die meenen de wijsheid in pacht te hebben, en sterrekijkers, die barrevoets en met gescheurde mantels loopen, doch de wenkbrauwen bedenkelijk fronsen, den neus in den haveloozen, langen baard steken en er een deftigen onderkin op nahouden. Al deze lieden denken in uwe afwezigheid aan het spreekwoord: „als de wijnstok niet bewaakt wordt, is het goed druiven plukken.”18„Theodota zweert nog steeds, naar ik hoor, dat de zwaardvisch Pericles eens zeker in haar net zal spartelen. Geheime draden schijnen steeds tusschen deze vrouw en onze vijanden gesponnen te worden. Elpinice loopt zich de beenen onder haar lijf stuk, om hare vrienden en vriendinnen tegen mij op te zetten. Door hare en uwe vrouw word ik openlijk vervolgd; zij zien, dat ik weerloos en onbeschermd ben en houden mij voor eene lichte en zekere prooi.„Euripides schijnt het er op gezet te hebben te loochenstraffen, wat uw vriend Sophocles van hem gezegd heeft. Ik zie hem nog altijd somber, knorrig, ontevreden. Toch maakte hij mij in tegenwoordigheid van Socrates tot vertrouwde van zijn treurig levenslot. Hij gaf mij eene schildering van het karakter zijner gemalin, eene schildering, die ik u niet behoef te herhalen, daar de dierbare echtgenoote van dentreurspeldichterhet trouwe afbeeldsel is van uwe beminde Telesippe. Doch hoor nu eens, wat de dichter besloten heeft, om zich van dit ondragelijk gezelschap te ontslaan. Hij denkt zijne vrouw weg te zenden en eene betere, die meer aan de behoefte van zijn hart beantwoordt, voor haar in de plaats te nemen.—Dierbare held, wat zegt gij van zulk een mannelijk besluit van den dichter?”—[331]Na eenigen tijd schreef Pericles aan Aspasia:„Ik weet niet of ik den lof van edelmoedigheid verdien, dien gij mij toezwaait. Ik ben ten hoogste verbitterd op die koppige Samiërs en ik zal hen, als de tijd daarvoor gekomen is, geducht voor hunne hardnekkigheid doen boeten.„In de dagen van werkeloosheid en ongeduld is de edele, opgeruimde Sophocles mij een dubbel gewenschte vriend, terwijl hij zich overigens als medestrateeg voortreffelijk houdt. Steeds is hij bereid mij ten dienste te staan, het liefst bij vreedzame zendingen. Als bemiddelaar en onderhandelaar werkt hij met zoo’n wonderlijke macht, dat men hem voor een toovenaar zou houden; het verwondert mij trouwens niet want zijn karakter is zoo innemend, dat hij zonder uitzondering bij allen geliefd is. Hij staat mij getrouw ter zijde in mijne pogingen, om de verwildering der gemoederen tegen te gaan, die bij een langdurigen oorlog zoo licht zich van het krijgsvolk meester maakt. Nu eens moeten de wetten der menschelijkheid gehandhaafd, dan weder een ergerlijk vooroordeel uitgeroeid worden. Gij weet zelve, hoeveel in dit opzicht nog bij ons Atheensch volk te doen valt.„Wanneer een onweder losbreekt en de bliksem midden in ons kamp slaat, of de stuurman van mijn schip bij eene invallende zonsverduistering zijne zinnen verliest, dan moet ik alles, wat ik aangaande de oorzaak van dergelijke natuurverschijnselen van Anaxagoras geleerd heb, mij voor den geest halen, om de verschrikte en verslagen mannen tot bedaren te brengen.„Doch, ik vertel u hoe ik mijn best doe de vooroordeelen van anderen uit te roeien en ik vergeet, dat gij mij soms beschuldigt zelf er nog mede behebt te zijn. Gij vraagt den echtgenoot van Telesippe, wat hij zegt van het manhafte besluit van Euripides?—Ik zal u dat mondeling mededeelen, als ik weer in Athene ben teruggekeerd.”Zóó schreef Pericles.Negen maanden lang bood de trotsche eilandstad[332]hardnekkigen weerstand en menig bericht werd er van Samos naar Athene, van Pericles naar Aspasia gezonden.Ten laatste meldde de Atheensche veldheer aan zijne Milesische vriendin:„Samos is stormenderhand genomen, de trots van Melissus gebroken, de vrede gesloten. De Samiërs leveren hunne schepen uit en slechten de muren.„Toch is het mij niet mogelijk aanstonds naar Athene terug te keeren. Ik moet eerst nog naar het naburige Milete, waar velerlei zaken te regelen zijn.„Slechts kort is dit uitstel en wij zullen binnen weinige weken elkander wederzien.„Op de vloot heerscht groote vreugde en de triërarchen verblijden zich over de overwinning, voor een deel in gezelschap hunner vriendinnen, van welke reeds eenigen gedurende de langdurige belegering van Athene naar Samos zijn overgekomen. Deze schoonen hebben de gelofte afgelegd, na de verovering van Samos in de stad van den beroemden Hera-tempel nu op hare kosten een tempel te bouwen voor de Godin der Liefde. Het schijnt, dat zij vast besloten zijn die gelofte te houden. Vóór weinige dagen is ook Theodota hier gekomen, volgens den wensch van haar vriend Hipponicus, die even goed patriot als gastronoom is en zich op het schip, waarvan hem de triërarchie was aangewezen, niet door een ander liet vervangen, maar zelf den zeetocht heeft medegemaakt.„Vaarwel! Te Milete, uw vaderstad, zal ik voortdurend aan u denken!”Toen Aspasia den brief van Pericles had gelezen, dacht zij eene poos na.Daarop nam zij een stout besluit.Den volgenden dag zag men haar reisvaardig met eene slavin zich naar den Piraeus begeven en een vaartuig beklimmen, dat op het punt was uit de haven van Athene koers te zetten naar de Ionische kust.[333]1Priëne is eene stad in Ionië, bekend als de geboorteplaats van Bias, een der zeven wijzen van Griekenland.↑2Samos was de voornaamste stad van het eiland van dien naam.↑3Onder de Eleatische school verstaat men die wijsgeerige school, welke gesticht is door Xenophanes uit Colophon, die zich te Elea, eene stad in Beneden-Italië, vestigde. Parmenides, Zeno en de hier genoemde Melissus waren hare beroemdste vertegenwoordigers. Hunne hoofdstelling was, dat het wezen des heelals één, ondeelbaar en onveranderlijk is; dat dit alleen bestaat, terwijl de talrijke natuurverschijnselen slechts voor de gedachte aanwezig zijn.↑4Ares is de oorlogsgod, de zoon van Zeus en Hera, de Romeinsche Mars.↑5Trimetros beteekent uit drie maten bestaande, namelijk uit zes voeten (= drie dipodieën) in den jambischen (iambus, eene korte syllabe door eene lange gevolgd), trochaëschen (trochaeüs, eene lange syllabe door eene korte gevolgd) en anapaestischen rhythmus (anapaestus, twee korte syllaben door eene lange gevolgd); in de andere verssoorten bestaat hij uit drie voeten.Daar de trimetros bij de treurspeldichters zeer geliefd is, staat „trimeters” hier gelijk met „verzen”.↑6Themistocles was een der grootste veldheeren en staatslieden van Athene. Hij was de zoon van Neocles en werd in 514 v. C. te Athene geboren. Hij was de groote tegenstander van den onkreukbaren Aristides, wien hij door het schervengerecht uit Athene verdreef. Hij was de schepper der Atheensche zeemacht; deed de stad, die door de Perzen verwoest was, herbouwen en versterken; verbond de stad met de haven door lange muren, tot ook eindelijk hij door hetzelfde schervengerecht werd verdreven (472) en zelfs van hoogverraad werd beschuldigd. Zijne laatste levensjaren sleet hij bij den koning der Perzen, Artaxerxes, die hem rijkelijk beloonde en eerde. Hij stierf in 461 v. C.↑7Aeäciden zijn nakomelingen van Aeasus, den zoon van Zeus en Aegina naar welke laatste het eiland (Oenone) geheeten werd, die op Aegina als halfgod werd vereerd. Tot de beroemdste Aeäciden behoort Achilles, de zoon van Peleus en Thetis.↑8Euripos beteekent in het algemeen: zeeëngte, kanaal, in het bijzonder echter de zeeëngte tusschen Euboeä en het vasteland.↑9Slagorde.↑10Catapulten en schorpioenen (scorpio) waren belegeringswerktuigen, waarmede men steenen, pijlen enz. slingerde. De eerste schoten in horizontale, de laatste in boogvormige richting.↑11Dolphinus, in het Grieksch Delphis geheeten, was een krijgswerktuig van de gedaante van een dolfijn, dat van ijzer of lood gemaakt, door eene machine opgetrokken en vervolgens op een vijandelijk schip geslingerd werd.↑12Deze uitdrukking is woordelijk uit het Grieksch vertaald en komt overeen met ons „enterhaken”.↑13Het Grieksche pharthenos beteekent maagd.↑14De Godin der gezondheid (Hygieia).↑15Als zoodanig heeft Zeus den bijnaam: Soter.↑16De uil was aan de Godin Pallas Athene gewijd.↑17De naam Marathon-strijder (Marathonomachos) was zeer in zwang als vereerende titel voor den dappere en onversaagde.↑18Een Grieksch spreekwoord, ongeveer overeenkomende met ons: „als de kat uit is, vieren de muizen feest,” moedig zijn als er geen gevaar is, of iets dergelijks.↑

XI.SAMOS.

„Dat had ik niet gedacht,” riep de oude Callipides te midden van eene der talrijke groepen Atheners, die, op de groote markt van den Piraeüs bij elkander staande, druk in gesprek waren, „dat had ik niet gedacht, toen ik onlangs voorbij de Athene Promachos op den burg ging. Ik zag de speer der Godin vol boomkrekels, die lustig piepten. Dat beteekent vrede, zei ik bij mij zelven. Doch ’t is waar, den volgenden dag is kort vóór den aanvang der volksvergadering eene wezel over de Pnyx geloopen—”„Gij wilt toch geen onheil krassen, oude uil?” riepen de anderen.„Samos is nu eenmaal het machtigste der met ons verbonden eilanden,” hernam de oude. „Het kan andere bondgenooten tot afval verleiden, het kan een opstand tegen ons verwekken, Sparta kan zich er in mengen, een algemeene Grieksche oorlog kan ontbranden. Er ligt, zooals men zegt, veel tonder opgehoopt. Wat raakt het ons of de Samiërs dan wel de Milesiërs Priëne1bezitten?”„Het aanzien van Athene moet opgehouden worden!” viel een jong man heftig hem in de rede, terwijl hij de hand uitstrekte en het hoofd oprichtte. „Samos en Milete zijn verplicht als leden van het[303]bond hunne geschillen ter beslissing aan Athene, het hoofd van het bond over te laten. Samos weigert dit. En daarom is Pericles in woede tegen de Samiërs ontstoken.”„En in zijne woede heeft hij in de volksvergadering den zachten Sophocles tot medestrateeg verzocht,” zei een der mannen lachend.„Om „de Antigone!” riepen anderen. „Daar heeft hij goed aan gedaan. Leve Sophocles!”„Gij weet er geen van allen iets van,” sprak de barbier Sporgilus, dien de nieuwsgierigheid en de onstuimigheid van den volkshoop naar de haven had gedreven.„Gij weet allen niets van deze zaak af; gij weet niet hoe dat geschil met Samos ontstaan is en wie dat aangewakkerd heeft.”„Leve Sporgilus!” riepen sommigen. „Hoort naar Sporgilus! Hij is een van hen, die ’s morgens precies weten wat Zeus ’s nachts met Hera verhandeld heeft.”„Moge ik een bult als eene vuist op mijn neus krijgen,” riep Sporgilus, „als het niet de zuivere waarheid is, wat ik u ga vertellen! Aspasia, de Milesische, heeft Pericles bepraat. Ik weet het precies—luistert slechts naar mij. Den dag, nadat het Milesische gezantschap aangekomen was, stond ik juist op de markt, toen de gezanten voorbijgingen en om zich keken, als menschen, die iets wilden vragen. En werkelijk, daar kwam een van hen op mij toe en zei: „Zeg eens, Atheensche vriend, kunt gij mij de woning van de jonge Milesische Aspasia wijzen?” De mannen dachten zeker, dat ik hen niet kende maar ik kende ze wel degelijk—terstond aan hunne nette manieren en kostbare kleeding zou ik ze herkend hebben, al had ik ze nooit gezien. Ik bewees hun zooveel mogelijk beleefdheid en beschreef hun haarfijn het huis van de Milesische en den weg daarheen, waarop zij mij zeer vriendelijk en beleefd hun dank betuigden en onverwijld den weg insloegen, dien ik hun gewezen had. De avond begon reeds te vallen. Zij slopen de woning van de Milesische binnen.[304]Bemerkt gij het nu? De gezanten zeg ik u hebben met de Milesische heimelijk onderhandeld; zij heeft daarna Pericles bepraat en hem in hevigen toorn doen ontsteken tegen de Samiërs.”„Daar hebt ge het!” riep een der omstanders. „Sporgilus weet dus werkelijk, wat Hera met Zeus gesproken heeft.—Doch—daar komt Pericles met zijn vriend Sophocles aan—hij drilt hem zeker voor zijn nieuw ambt.”In der daad zag men de beide mannen ter zijde op een tamelijk stille plaats tusschen de zuilen wandelen. Zij waren in een vertrouwelijk gesprek verdiept.„Waarachtig,” sprak Sophocles, „gij verrast de Atheners; men geloofde, dat Pericles in dit oogenblik eerder tot alles zou overgaan, dan hiertoe. Want hij scheen thans ten volle opgegaan te zijn in de werken des vredes, in de bevordering van de binnenlandsche welvaart en—in de liefde voor de schoone Aspasia …”„Mijn waarde vriend,” zei Pericles glimlachend, „is het dan te verwonderen, dat den strateeg de lauweren van zijne vrienden, die met truffel, beitel en stift arbeiden, geen rust laten? Reeds lang, ik beken het eerlijk, gevoelde ik mij in mijn binnenste onrustig en gejaagd. Ik gevoelde mij werkeloos onder die onverpoosd arbeidende mannen en soms schaamde ik mij bijna over die liefelijke rozebanden, die mij omstrengelden.”„Hoe?” hernam Sophocles, „dat gij inderdaad de onvermoeidste arbeider zijt onder de ijverigen, dat alles wat gedaan en geschapen wordt, slechts door u mogelijk wordt gemaakt, bevorderd en tot een goed einde gebracht, rekent gij dat dan voor niets?”„Het voldoet niet aan de eischen, die een van ons beiden zich zelven mag stellen,” hernam Pericles. „Ik wil niet alleen een medearbeider zijn, ik wil zelf iets volbrengen en ik kan als strateeg alleen naar het zwaard grijpen. Waarom zou ik alleen door het schoone vuur der eerzucht, dat[305]rondom mij ontbrand is, niet aangegrepen worden?”„En gij wilt ditmaal volstrekt uw krijgsroem met mij deelen?” vroeg de dichter na eene kleine pauze.„Liever dan—de gunst van een bekoorlijke vrouw!” antwoordde Pericles en sloeg een scherpen blik op zijn vriend.Deze ontroerde. „Nu begint er,” zoo sprak hij, „een licht voor mij op te gaan,—en het is een zonderling licht—waarom juist ik tot strateeg moest verkozen worden—”„Alles wat in de wereld geschiedt, beste vriend,” hernam Pericles glimlachend, „heeft niet ééne maar honderd oorzaken. Wie kan zeggen, welke de gewichtigste is?”—„Wilt ge niet liever mij achterlaten en de schoone met u naar Samos nemen?” vroeg de dichter.Pericles antwoordde slechts met een glimlach. Daarop zei hij: „Troost u; het is maar een klein reisje, dat we voor ons genoegen ondernemen, een zeetochtje van slechts weinige weken; want aan eene ernstige tegenweer van de Samiërs tegen het machtige Athene valt wel niet te denken. Samos2is eene prachtige stad, die u wel bevallen zal; Melissus, de bevelhebber van het Samische smaldeel, dat wij tegenover ons zullen hebben, is een waardig wijsgeer van de Eleatische3school, met wien gij ongetwijfeld met genoegen kennis zult maken en als wij Chios voorbij zeilen, willen wij uw vriend Ion een bezoek brengen, den treurspeldichter, die daar in eene aangename, bekoorlijke rust woont.”„Wilt gij Ion gaan bezoeken?” riep Sophocles uit. „Herinner u, dat hij niet erg op u gesteld is, sedert gij zijn medeminnaar bij de schoone Chrysilla zijt geweest.”[306]„Mijne verhouding tegenover iemand,” hernam Pericles, „wordt nooit aangewezen door de meening, die men omtrent mij koestert, maar daardoor hoe ik over hen denk. Ion is een flink man. Hij zal u met zijn besten inlandschen Chiër verwelkomen, hoewel gij zijn mededinger in den tragischen wedstrijd geweest zijt.”„En gij, ik herhaal het,” zei Sophocles, „zijn mededinger bij de schooneChrysilla, die thans, naar ik verneem, op Chios hem gezelschap houdt.”„Laat Chrysilla rusten,” hernam Pericles.De dichter schikte zich blijmoedig in zijn lot. Pericles begon hem over datgene, wat zijn nieuw ambt vereischte, te onderrichten.Als men in die dagen een beschreven blad in Sophocles’ handen zag, was het geen schets van een treurspel, geen reizang, geen loflied op Eros of Dionysus, maar de lijst van de manschap, die ter zee moest dienen, welke hij moest oproepen, van de rijke burgers, die hij aansporen moest alstriërarchenhunne schepen te leveren en ze uit te rusten.Uit de bekoorlijke eenzaamheid van zijn groenCephissus-dalzag hij zich door Pericles medegesleept naar tuighuizen der krijgshavens Zea en Munichia, in het rumoer van denPiraeüs, waar de vreeselijke zeedraken der Atheensche vloot uit hunne ramen weder in zee getrokken werden, in het leven en gedruis der arsenalen, waar het onophoudelijk dreunde van gehamer en geklop, rumoer en geraas. In den beginne deed het den smaakvollen dichter schier pijnlijk aan, steeds te verkeeren te midden van het geschreeuw der roeiers en matrozen, die toen nog weinig werk hadden en kibbelden om fluitspeelsters en elkander soms gaten in het hoofd sloegen. Zijn gehoorvlies werd verscheurd door het schelle fluitje van den bootsman, door het aangeven van de roeimaat, door schetterende fanfaren: want met die triëren, wier uitrusting gereed was, ondernamen hare triërarchen dagelijks kleine tochten in de golf om te onderzoeken,[307]welk schip het beste en snelste zeilde.Maar toen de dag der afvaart was aangebroken en men de schepen met hun drie rijen roeibanken, met hun hoog uitstekende, als zwanenhalzen gekromden voor- en achtersteven, prachtig geschilderd, met de van goud schitterende Pallasbeelden en andere versierselen, de dreigend toeloopende balken der kiel, vrij en koen in goed geordende rijen over de flauwe oppervlakte zag zweven en op het teeken eener trompet eene plechtige stilte volgde, gedurende welke de heraut met luider stemme van het verdek van het admiraalschip een gebed uitsprak, dat allen van de overige schepen naspraken en waaraan zelfs het volk op het strand deel nam en de rook der offers van het verdek der schepen in de blauwe morgenlucht opsteeg en het geheele leger uit gouden en zilveren bekers dankoffers plengde en den paeän aanhief en eindelijk de vloot zich in beweging zette, de wind de zeilen deed zwellen, de zee onder den slag van tallooze riemen opbruischte en de lange rij der vaartuigen, vergezeld door de zegewenschen van de achtergeblevenen, uit de haven de open zee koos—toen was de dichter Sophocles van ganscher harte strateeg geworden en met geen fierder zin kon zijn held Aiax uit Salamis tegen Troje zijn opgetrokken, dan hij thans zelf uit het vlek Colonos koers zette naar Samos.—Na verloop van eenige weken liep een snelzeiler met berichten van Pericles voor den raad en de volksvergadering den Piraeüs binnen. De bevelhebber van het schip, dat deze tijdingen overbracht, bezorgde heimelijk niet als triërarch, maar als persoonlijk vriend van den strateeg Pericles, een geschrift, dat niet voor het publiek bestemd was. Het was een schrijven van Pericles aan zijne vriendin Aspasia.De brief luidde als volgt:„Ik weet niet, vanwaar het kwam, dat mijne borst schier nooit fierder klopte, dan op het oogenblik, dat ik wederom de hooge zee onder mij voelde.[308]Toen ik op het verdek van het schip stond en de winden de Aegaeïsche zee mijn voorhoofd verkoelden, toen was het alsof met hen een adem van vrijheid mij tegenwoei en alsof ik mijzelven had wedergevonden. Wedergevonden? Een dwaas woord! Had ik mij dan verloren? Ik was het mij niet bewust—misschien u, Aspasia? Een oogenblik scheen het mij werkelijk toe, alsof ik in den laatsten tijd te weekelijk en te lijdelijk mij op het rozenleger der liefde had neergevlijd. Ik was bijna verstoord op u. Doch toen ik nadacht, zag ik in, dat ik u groot onrecht deed en dat juist integendeel datgene, wat van u uitgaat, nooit eene verslappende, maar steeds bewust of onbewust eene opwekkende, aandrijvende kracht, mij geheel beheerschte en mij heendreef uit het rustige Athene naar het woelige oorlogsveld.„Derhalve schaam ik mij niet langer over mijne liefde voor u noch over het verlangen, dat ik nu reeds koester om u weder te zien, hoewel die zoete begeerte mij bijna een leelijken trek had gespeeld.„Ik vond de Samiërs slecht uitgerust en slechts ten deele voorbereid. Ik schaamde mij haast over de gemakkelijke overwinning. Er scheen weldra niets meer te doen overig; ik maakte derhalve aanstalten om naar Athene terug te keeren, in de hoop dat bij de eenvoudigheid der middelen, waardoor dit gevolg bereikt was, de snelheid waarmede de overwinning bevochten werd, mij tot roem zou strekken. Zou tot die bespoedigde terugkeer ook niet het verlangen om datgene, wat ik te Athene achtergelaten had, zoodra mogelijk weder te zien, eenig aandeel hebben? Ik ben er mij zelven niet van bewust maar toch durf ik de mogelijkheid niet ontkennen. In alle gevalle bleek de haast, waarmede ik wilde terugkeeren, niet zoo voordeelig, als die, waarmede ik uitgetrokken was. Ik leerde, dat men in den oorlog met spoed uittrekken, maar behoedzaam terug moet keeren.„Doch waartoe zou ik u tijdingen mededeelen,[309]die zeker te Athene op aller lippen zijn? Onze vloot brandt van verlangen den vroeger verzuimden zeestrijd in te halen: zelfs de zachte Sophocles gloeit op dit oogenblik van het vuur van Ares4. Ik heb hem naar Chios en Lesbos gezonden om de schepen der bondgenooten te halen; andere versterkingen zijn in aantocht.„Zend mij berichten van u en de vrienden te Athene door dienzelfden mij bevrienden triërarch, die u dezen brief bezorgd heeft en houd u overtuigd, dat ik naar uwe berichten niet minder vurig verlang, dan gij naar de mijne. Zeg aan Phidias, dat hij zich niet door het rumoer des oorlogs in zijne rustige werken des vredes late storen. De schoonste vreugde zal het voor zijn vriend bij zijn terugkeer zijn wanneer dezen de hooge tempelzuilen van den burgt bijna voltooid tegenblinken.”Dit was dan de inhoud van Pericles’ brief aan Aspasia. De Milesische beantwoordde dien in dier voege:„Het verheugt mij, dat gij zoo snel van de gedachte zijt teruggekomen, dat het karakter van den fieren Pericles in den laatsten tijd door Aspasia verwijfd zou zijn geworden. Moet ik integendeel mij niet verwijten, dat ik door de voorspraak ten behoeve mijner landgenooten u voor een deel heb heengedreven naar wat gij het woelige veld des oorlogs noemt? Eene zoo kortstondige scheiding schijnt mij niet onvoordeelig toe; want het scheen dat gij den langen vrede reeds moede waart geworden, ja zelfs het genot en de liefde voor Aspasia. Schaam u echter niet over het verlangen om mij en uwe vrienden weder te zien. De begeerte om wat ons lief is geworden terug te zien is dan immers het sterkste, wanneer men het juist verlaten of verloren heeft. Ik vrees, dat gij de scheiding hoe langer zoo gemakkelijker zult verdragen, hoe langer ze duurt en ten laatste, evenals[310]Agamemnon vóór Troje, in steeds toenemende gemoedsrust voor Samos zult blijven liggen.„Mijn verlangen naar u daarentegen kan niet verflauwen door den tijd, daar het gevoed wordt door werkeloosheid en eenzaamheid. Gij hebt mij hier bijna zoo verlaten achtergelaten, alsof ik uw gemalin was; gij hebt den blijmoedigen Sophocles met u medegenomen en den welsprekenden Protagoras met eene kolonie naar het verre buitenland gezonden. Alleen Socrates is nog over en deze zoekt nog van tijd tot tijd mijn gezelschap. Maar of het uit wantrouwen tegen mij geschiedt of tegen zich zelven—hij waagt zich niet zonder een ander in mijne nabijheid en overschrijdt mijn drempel steeds in gezelschap van een vriend, die bijna zoo zonderling is als hij zelf. ’t Is de treurspeldichter Euripides, de jongere mededinger van Sophocles. Hij en Socrates zijn onafscheidelijke vrienden en men zegt zelfs, dat deze hem helpt bij zijne treurspelen, omdat zij zoo rijk zijn aan wijze spreuken. Maar dit is dwaasheid. Zij beiden zijn zoo gelijk van karakter, dat ik niet weet, wat de een van den ander zou kunnen ontleenen. Beiden vloeien zij over van wijsheid. Wat Socrates is onder de denkers, dat is Euripides onder de dichters: een peinzer en een zonderling. Bovendien is hij een boekenworm; hij heeft zich een groote boekerij aangeschaft en leeft daarin geheel voor de Muzen. Voor het overige ziet hij er uit als alle dichters; een oudachtig gezicht op een eeuwig jeugdig bewegelijk lichaam. Hij is afgetrokken, norsch en ruw in zijne manieren en gaat alleen met Socrates en de sophisten om. Intusschen heeft Socrates zoo’n invloed op hem uitgeoefend, dat hij begeerig werd mij te zien.„Deze man hier,” zei Socrates, terwijl hij mij voorstelde, „is de voortreffelijke treurspeldichter Euripides, dien gij, naar ik hoop, dubbel bewonderen zult, als gij hoort, dat zijn vader Mnesarchus een herbergier en zijne moeder Clito eene groentevrouw is geweest. Ook moet gij weten, dat hij[311]juist op den dag van den grooten zeeslag bij Salamis op dit eiland het eerste levenslicht heeft aanschouwd.”„Een roemrijk voorteeken,” zei ik.„Dat is mogelijk,” sprak Euripides zelf, „maar wat de Goden oorspronkelijk met mij bedoelden, is nog niet ten volle duidelijk.”„Toen vertelde hij mij uitvoerig—want nadat hij eens aan het praten raakte, werd hij tegen verwachting tamelijk spraakzaam—hoe zijn vader in een droomgezicht voorspeld was, dat zijn pas geboren zoontje eens als overwinnaar in roemrijke wedstrijden de zege zou behalen. Zijn vader had, als echt Helleen, gemeend, dat dit op de overwinningen te Olympia en Nemea doelde en had hem met de meeste zorgvuldigheid in de gymnastische kunsten laten onderrichten; ook had hij werkelijk reeds als knaap den palm bij de Panathenaeën weggedragen; maar hij had langzamerhand meer smaak gekregen in boekrollen dan in vuistriemen en werpschijven en was ten laatste in plaats van een gelauwerden athleet een mededinger in den tragischen wedstrijd geworden.„Hoe komt het toch,” vroeg ik hem, „dat gij in elk uwer treurspelen u zoo scherp en vinnig uitlaat tegen de vrouwen en dat men u algemeen voor een vrouwenhater houdt?”„Ik ben getrouwd,” luidde het korte antwoord.„Is dit een reden,” zei ik, „om alle vrouwen te haten, ook haar, met wie gij niet door dergelijke banden verbonden zijt?”„Socrates heeft mij tot u gebracht,” hernam hij, „om mij van mijn vrouwenhaat te genezen. Voorloopig acht ik ééne vrouw, de vrouw, die mij ter wereld bracht: de voormalige groentevrouw Clito—ik zeg voormalige, want thans heb ik haar overgehaald den groentenhandel aan kant te doen en een klein landgoed, dat mijn eigendom is, te besturen.”„Ik gaf mijn verlangen te kennen met deze vrouw kennis te maken.[312]„Als het u niet verveelt,” gaf hij ten antwoord, „de geschiedenis, hoe ik op Salamis gedurende den grooten slag in eene grot aan het strand geboren ben, te hooren vertellen—want dit verhaal spaart zij niemand, die haar komt bezoeken—is het gemakkelijk uw verlangen te bevredigen.”„Een paar dagen later zocht ik, vergezeld van eene slavin, het afgelegen, bescheiden landhuis op, waarin moeder Clito heerscht en welks stilte alleen door de welluidende trimeters5van haar dichterlijken zoon wordt gestoord, als hij, om geheel zijn eigen meester te zijn, zich in die landelijke eenzaamheid terugtrekt. Ik trof de goede vrouw aan te midden van haar kippen, eenden en biggetjes en zei haar, dat ik zeer gaarne de geschiedenis, hoe haar beroemde zoon op Salamis gedurende den grooten veldslag geboren was, wilde hooren.„Innig verheugd en met kennelijken trots zeide het moedertje:„Dat is eene geschiedenis, waarde vrouw, die zelfs de groote Themistocles6mij gaarne hoorde vertellen.”„Toen noodigde zij mij uit op eene zodenbank midden in den tuin plaats te nemen, nadat zij eerst de kippen en duiven, die daar zaten,weggejaagdhad.„O kind,” zei zij toen, „dat was een schrikkelijke dag, toen de scharen der Perzen op ons heilig Athene losstormden en alles te vuur en te zwaard vernielden en de menschen bij de altaren doodden en in pek gedoopte vuurpijlen van den Areopagus[313]naar de Acropolis slingerden, tot alle tempels daar in lichter laaie stonden en een dichte rook van zwarte wolken over de zee zich verspreidde. Maar terwijl de stad verbrandde en alle mannen zwoeren, dat zij met de wapenen in de hand onder de rookende puinhoopen wilden sterven en de vrouwen daartusschen weeklaagden en de stad van gejammer weerklonk, omdat Athene, het heilige Athene, verdelgd werd van den aardbodem, toen stond Themistocles op, Themistocles, de zeeheld en strekte de hand uit naar de zee en de vloot en riep: „Daar is Athene!” en dreef alles, wat weerbaar was, naar de schepen. En naast hem stond de langgebaarde priester van denErechtheüs-tempelop den burg, die verkondigde, dat er een hoogst belangrijk wonder was geschied: de heilige burgslang was van zelf uit den brandenden tempel verdwenen, een teeken, dat de schutsgodin der stad, Pallas Athene, zelve en alle Goden van daar waren gevloden en dat het vaderland van den Athener nergens anders was dan op zee, op de schepen der vloot van Themistocles.„Terwijl nu de mannen allen te scheep gingen, was het een jammerlijk gezicht hoe zich de vrouwen, de kinderen en grijsaards door elkander in de booten wierpen, die aan de kust gereed lagen en ook lager aan de straten van Salamis, waarvan er vele omsloegen, omdat zij de menigte vluchtelingen niet konden dragen.„Zelfs de honden wilden niet achterblijven in de verlaten stad: zij stortten zich in zee en zwommen langs de schepen hunner meesters, zoolang zij konden. Ge moet echter weten, kind, dat ik toen hoogst zwanger was en in dien toestand bereikte ik gelukkig met eene gansche schare het strand van Salamis en daar sloegen wij in eene rotsgrot op de kust, met eenige vrouwen en kinderen, ons nachtleger op. De nacht was bovenmate onrustig; want in die nachtelijke ure verzamelden zich om Salamis alle Grieksche zeilschepen en onophoudelijk weerklonk van schip tot schip den geheelen[314]nacht door het geroep der zeelieden, zoodat zelfs de onbezorgden onmogelijk een oog konden luiken. Het was juist toevallig de tijd van het Jacchus-feest, waarop het beeld van den God in het begin van den nacht bij fakkellicht in een grooten, plechtigen optocht van Aegina naar Eleusis over zee wordt gevoerd, en Themistocles had niet gewild, dat men deze plechtigheid om de benauwde tijden zou nalaten en juist toen de Grieken hunne schepen in orde schaarden, kwam het feestelijk getooide vaartuig met de heilige beelden de Aeäciden7van Aegina en bij den hellen schijn der fakkels schitterde de geheele burg, zoodat alle Grieken op de schepen nog meer werden aangevuurd, omdat zij zagen dat de Goden van hun vaderland nog heerschten. En toen de heldere morgen aanbrak en ik mij met de andere vrouwen naar het strand voortsleepte, zag men reeds de vereenigde schepen der Hellenen strijdvaardig staan, beschenen door den glans der fakkels en de geheele Euripus8wemelde en de groote vloot der Perzen kwam langzaam in een onafzienbare rij van den Phaleron aanzeilen.„Ik echter kon het daar niet meer uithouden; ik moest naar de grot terugkeeren. De barensweeën en de kommer overweldigden mij. En daar lag ik nu op een bed van zeegras, verlaten door een ieder, want de vrouwen, die haar nachtleger met mij gedeeld hadden, liepen allen weg; alle vrouwen en kinderen toch op Salamis wisten dat hare echtgenooten en vaders op de schepen waren en zij stonden daar allen dicht opeen op het hooge strand en keken naar de vaartuigen en wrongen de handen en smeekten tot de Goden. Daar hoorde ik opeens een trompetgeschal en een paeän hoorde ik zingen door vele duizende stemmen—uit de verte klonk het in gedempte tonen tot mijne legerstede door.[315]„Toen was het, alsof een vreeselijke orkaan in een dicht olijfwoud zich stortte en alsof duizende toppen kraakten—het was echter het gekraak der schepen die tegen elkander stietten en daar tusschen klonk steeds dof uit de verte het krijgsgeschreeuw der onzen en der barbaren. Hoe lang dit duurde weet ik niet en het gevecht kan ik u niet vertellen, kind, want ik zag niets; ik wentelde mij den geheelen dag door op mijn bed heen en weder, hulpeloos als ik daar lag en smachtte naar lafenis en verzonk ten laatste in eene sluimering, die wel mijne laatste had kunnen wezen.„Toen hoorde ik plotseling in mijne sluimering een luid gejubel van vrouwen en ik kreeg mijn bewustzijn weder en het kwam mij te binnen dat ik op Salamis lag. Maar menige jammerklacht mengde zich onder de jubelkreten; want niet alleen tallooze wrakken spoelden aan het strand van Salamis, maar ook lijken, onder welke menige vrouw haar zoon of man herkende. Ook velen der in het gevecht gewonden en velen van de bemanning van die schepen welke verbrijzeld waren en die dichter bij het strand van Salamis waren dan bij het Atheensche strand, redden zich op de eilanden en brachten de heugelijke tijding: de Pers is verslagen en vlucht in zijne hartader getroffen over de zee en ontvliedt de rookende puinhoopen van Athene en nog heden mogen wij terugkeeren in de bevrijde stad.—Verbeeld u eens kind, hoe het mij te moede werd, toen onverwacht, alsof de Goden het zoo bestierd hadden, mijn man Mnesarchus, die zich onder de gelanden bevond, de grot kwam binnenstormen, met den jubelkreet: „Athene is weer vrij! Athene is weer het onze!”—Zoo wou hij voortgaan met juichen en jubelen, toen—maar verbeeld u hoe hij mij verbaasd aankeek en naast mij het naakte, pasgeboren, schreiende knaapje. Hij kon geen woord uitbrengen, hij nam het kereltje in zijne armen en sprong er mede in de rondte in zijne uitgelaten vreugde over de zegepraal en zijn vaderschap, liep toen met het kind naar de zee[316]en wiesch het af en liep weer weg en bracht mij water en andere verkwikkingen, zoodat ik eindelijk hoewel langzaam, wat bijkwam van de doodelijke afmatting waarin ik verzonken was.„Den volgenden dag werd er op het eiland een groot zegefeest gevierd. Omkranste jongelingen dansten om de tropaeën, terwijl de Pers aftrok en met het rampzalig overschot zijner onmetelijke schare heenvluchtte naar het verre Oosten. Toen ging Mnesarchus met het pasgeboren knaapje op zijne armen midden door het feestelijk gewoel en toonde het aan alle Grieken en vertelde hoe het ter wereld was gekomen in de ure van den strijd. En toen Themistocles zelf naderde en de toedracht der zaak vernam zei hij:„Eere den Griekschen moeders, die ons nieuwe burgers baren nog gedurende den strijd, ter vergoeding voor diegenen, welke voor het vaderland gevallen zijn!”„Zoo sprak hij en hij beval aan Mnesarchus honderd drachmen uit te betalen. Toen heerschte er algemeene vroolijkheid en Mnesarchus noemde den knaap Euripides, ter herinnering dat hij geboren werd op den dag der overwinning in den Euripus, in de zeeëngte van Salamis.”„Zoo vertelde mij het eerlijke moedertje Clito, precies, zooals ik het hier voor u neergeschreven heb.”—Weinige dagen, nadat de brief van Aspasia aan Pericles verzonden was, kwamen krijgsberichten uit Samos en tegelijk een nieuw schrijven voor Aspasia. De inhoud daarvan luidde aldus:„Gij zijt onvergelijkelijk, Aspasia, en altijd dezelfde. Was het toeval of geschiede het met eene geheime bedoeling, dat gij mij in uw brief dat bekoorlijk verhaaltje van het moedertje van Salamis deedt? Toen uwe brieven mij met de verlangde versterking uit Athene gewerden, stond ik reeds met mijne vloot tegenover de Samische. Ik las het verhaal van uw moedertje en vol van Salaminische geestdrift gaf ik het teeken tot den aanval.[317]„Wij overwonnen. Maar ik zal mij wel wachten u eene schildering van dien slag te geven. Hoe zou ik het wagen tegenover dat beeld, waarmede gij mij zoo levendig de herinnering aan het heldenfeit van Salamis voor den geest hebt getooverd, met mijne onbeteekenende overwinning te pralen, waardoor de Samische vloot wel onschadelijk is gemaakt, doch het verzet der stad zelve nog niet is gefnuikt. Wij omsluiten haar te land en ter zee. Dit Samos is eene sterke stad en prachtig gelegen: maar zijn grootste, van oudsher beroemde tempel is, zooals gij weet, aan Hera, de Godin van den echt, gewijd en in dit heiligdom worden gansche troepen van die vogels gemest, die der Godin heilig, maar ons beiden gehaat zijn.„Ook Sophocles heeft uw brief gelezen, vooral het verhaal van uw moedertje heeft hem groot genoegen gedaan.„Daar hij zelf zich onder de bekranste jongelingen en knapen bevond, die bij het zegefeest, waarvan het moedertje spreekt, om de tropaeën dansten en Aeschylus onder de strijders, hebben deze drie treurspeldichters een belangrijk aandeel genomen aan de eer van Salamis—het geringste echter uw Euripides, die alleen de verdienste heeft toen geboren te zijn geworden.„Ik heb overigens ook nog bij Sophocles inlichtingen ingewonnen naar het karakter van Euripides en hem gevraagd naar zijne meening over diens vrouwenhaat. Sophocles antwoordde mij, dat Euripides de vrouwen slechts haatte, omdat hij ze liefhad. Want als hij ze niet liefhad en ze missen kon, dan zou hij zich niet om haar bekommeren en niet van haar spreken en het zou hem onverschillig zijn of zij goed zijn of slecht. Tot zooverre Sophocles: ik houd het er dus voor, dat de roem om Euripides van zijn vrouwenhaat te genezen, u niet veel moeite zal kosten.”Deze brief van Pericles beantwoordde Aspasia in dier voege:„Gij hebt met uwe overwinning vóór Samos den[318]Atheners reden gegeven tot groote blijdschap, waarmede ik in stilte van ganscher harte instemde; alleen hebt ge mijne vreugde aanmerkelijk verminderd door uwe bescheidenheid, waardoor gij mij eene schildering van uw zeegevecht hebt onthouden. Ik vind het over het algemeen zeer goed, dat gij uwe brieven aan mij niet met staats- en krijgszaken vult en u liever tot datgene bepaalt, wat uw eigen persoon betreft; maar men zegt, dat juist deze slag u in al uw glans en heerlijkheid heeft getoond, dat gij zelf het schip van den vlootvoogd der vijanden in den grond hebt geboord. Niet om de zaken is het mij te doen, maar om u, om het heldere beeld van uw wezen, zoodat ik u als met eigen oogen zie.„De bouw van het Parthenon vordert met eene haast ongeloofelijke snelheid. Waarlijk, uit eene welgevulde kas is het, zooals Callicrates pleegt te zeggen, goed bouwen.„Vóór eenige dagen heeft er op de Acropolis een ongeluk plaats gehad, dat veel opzien verwekte. Een werkman viel van een steiger en werd doodelijk gewond: en daar dit juist geschiedde op de plaats, die Diopithes als eene „onderaardsche,” als een ongelukspunt verklaard had, heeft de gemoederen en de tongen der bijgeloovigen te Athene geducht in beweging gebracht.„Zegepralend wijst de onverzoenlijkeErechtheüs-priesterop zijne vervulde voorspelling en verkondigt nog meer rampen in de toekomst; hetgeen de Goden mogen verhoeden!„Hij ziet van den drempel van zijn oud heiligdom nog steeds donker en toornig op den wakkeren Callicrates neer en wenscht hem een zonnesteek toe. Doch de heetste pijlen van Apollo stuiten op het voorhoofd van den onvermoeide af. Pallas Athene dekt hem met haar schild. Hij tergt zijn tegenstander, waar hij kan, en wanneer zijne wangunstige blikken hem al te lastig worden, weet hij het zoo in te richten, dat zijne lieden eene stofwolk in de nabijheid van het Erechtheüm doen[319]opdwarrelen, die den priester noodzaakt, zich de oogen wrijvende, naar het binnenste van zijn tempel de wijk te nemen.„Nu is zelfs een muildier in den twist dezer beide mannen betrokken geworden. Onder de muildieren namelijk, die nu reeds eenige jaren bezig zijn dag aan dag de helling van de Acropolis op en neder te draven, steenen en andere vrachten op de hoogte te sleepen, bevond er zich een, dat deels door den ouderdom, deels door eene wonde, die hij bij het vervullen van zijn arbeid gekregen had, ongeschikt voor den arbeid geworden was. Zijn drijver wilde hem sparen en in den stal rustig laten staan. Het wakkere dier echter was daar mede niet te vreden en liet zich zelfs niet door slagen afhouden datgene te doen, wat het sedert zoo langen tijd gewoon was, en draafde met zijne makkers, zij het ook onbelast, de Acropolis op en af. En dit doet het nu getrouw dag aan dag en iedereen kent den „muilezel van Callicrates,” zooals men hem noemt, daar Callicrates het onbruikbaar gewordene, maar altijd toch wakkere dier onder zijne bescherming neemt. Daar deze muilezel echter op de Acropolis zonder werk losloopt en rondstappende soms het gebied van het Erechtheüm te nabij komt en zelfs eenige malen de heilige kruiden, die daar geplant zijn, met zijn onheiligen snuit heeft besnuffeld, haat Diopithes dezen trouwsten aller arbeiders van het Parthenon bijna nog meer dan Callicrates zelven en het is niet te voorzien, welke verwikkelingen uit deze zaak nog zullen voortspruiten.„Vaarwel, mijn held, en denk niet altijd alleen aan het verhaal van het moedertje, aan Salamis en Themistocles, maar ook eens aan uwe Aspasia. Noch Hera, noch alle pauwen van Samos zouden mij verhinderen tot u te snellen, als gij het wilt.”—Niet lang daarna ontving Aspasia van Pericles de volgende regelen:„Gij zijt verstoord op mij, omdat ik u de beschrijving[320]van het zeegevecht niet gegeven heb; gij verlangt dus mij vóór Samos te zien heerschen en handelen en het bevel voeren? Op zich zelf is een zeeslag misschien van alle schouwspelen het meest waard gezien te worden en ik beken u volmondig, dat ik, zoo dikwijls ik mij als strateeg ter zee met den vijand moet meten, hoezeer ook mijn plicht als aanvoerder mij geheel vervulde, toch steeds een blik van bewondering over had voor het schoone en geweldige gezicht, dat een strijd tusschen die met zeilen voorziene kolossen opleverde. De goede Clito heeft u alleen de bijomstandigheden van den slag van Salamis, niet het gevecht zelf verhaald, en daarom wil ik trachten u de geschiedenis van den strijd der schepen vóór Samos in korte trekken te schilderen, onder die voorwaarde evenwel, dat dit verhaal van krijgszaken het eenige zal zijn, ’t welk gij aangaande dezen veldtocht van mij zult ontvangen.„Bij het eiland Tragia ontmoette ik de van Milete komende Samische vloot. Een aanval verwachtende, nam zij onmiddellijk eene vaste stelling in een kring aan, om mij te verhinderen datgene te doen, wat steeds in een zeeslag mijn hoofddoel is, namelijk de vijandelijke schepen door eene snelle en onverwachte wending in de flank aan te tasten. Ik zond eenige kloeke zeilers vooruit, om deze kringvormige positie in verwarring te brengen en door schijnaanvallen en eene geveinsde vlucht hier en daar een vijandelijk vaartuig van zijn plaats te lokken. Ook stak er een tamelijk felle wind op, wat eveneens medewerkte om door den zwaren golfslag den gesloten kring der Samische vloot te verbreken.„Onze vloot stond van het begin af met vooruitspringende vleugels tegenover de vijandelijke linie en gereed om ieder schip, dat zich buiten den kring durfde wagen, in de flank aan te vallen.„Intusschen gelukte het den Samischen vlootvoogd, terwijl zijne voorhoede reeds in een vrij heeten strijd gewikkeld was, uit het daarachter[321]staande gedeelte van den wankelenden en half verbroken kring eene gesloten slagrij te vormen, waarmede hij plotseling, terwijl de schepen der voorhoede, op zijn bevel, zich terugtrokken, in dichte rijen naderde.„Een oogenblik bracht de aanval dezer gesloten phalanx9onze voorste gelederen in verwarring. De dikbuikige schepen der Samiërs met hunne trompvormig gebogen voorstevens en tallooze krachtig bewogen riemen zagen er als monsters uit, die op duizend pooten naar ons toekropen. Alleen was dit kruipen eer een vliegen, als de snelheid van den wind. Maar na weinige oogenblikken, toen ook ik de verstrooide schepen ijlings in orde had gesteld, stond onze phalanx evenzeer gesloten, als een ijzeren muur, tegenover de Samische.„Nu ontbrandde de eigenlijke strijd in woeste verbittering. Onder luid geschreeuw op elkander losgaande, drongen de voorste rijen der onzen en die der Samiërs onstuimig op elkander in, zoodat ieder Attisch vaartuig naar twee kanten zijn aanval richtte, ieder vijandelijk schip zich naar twee kanten verdedigde. Geleken de Samische schepen op dreigend vooruitstekende zwijnensnuiten, de onzen waren met zeeslangen te vergelijken, die tusschen die snuiten door vlug en met doodelijke beten rechts en links hare kronkelingen wisten te slingeren. In de dicht opeen gepakte rijen begonnen nu van schip tot schip de geweldige krijgswerktuigen te werken: de catapulten en schorpioenen10slingerden hun geschut en de vreeselijke dolfijnen11lange balken met zware, ijzeren punten, die, nederstortend op het vijandelijke vaartuig, met goed berekende juistheid nederdaalden en de mast verpletterden of het verdek verbrijzelden[322]en als met ijzeren klauwen het schip vasthielden en tot een buit van den aanvaller maakten. En terwijl de aandacht van het vijandelijk vaartuig door een hagel van pijlen, waarmede zijn verdek overstormd werd, werd beziggehouden, voeren stoute, lichte booten om het zeegevaarte heen, wier bemanning met bijlen zijne riemen vernielde.„En toen ten laatste de schepen kiel aan kiel gesloten waren en de hoog uitstekende boorden der onzen en der vijanden elkander raakten, vormden de vereenigde verdekken weldra een slagveld, waarop de zwaargewapenden met lans en zwaard, man tegen man, tegenover elkander stonden. De vermetelsten aarzelden niet aan boord der naaste vijandelijke vaartuigen te springen. Sommigen der onzen gelukte het hier en daar de vijandelijke bemanning neder te houwen, den triërarch gevangen te nemen, zich van het roer meester te maken en de weerlooze roeiers te dwingen het buitgemaakte vaartuig uit de Samische linie naar de Atheensche over te brengen.„Hoe roemrijk bij dergelijke waagstukken de heldhaftige zin zich ook openbaarde, ik keurde dien al te onstuimigen moed af, daar ik er steeds op bedacht ben, in den zeestrijd het bloed mijner dapperen zooveel mogelijk te sparen en meer de schepen dan de menschen tegen elkaar te doen strijden. Waarom zouden dezen elkander vermoorden, waar gene door stoute, snelle bewegingen in staat zijn den kamp te beslissen?„Ik voer tusschen de schepen der vloot door en riep den triërarchen toe, dat zij liever met de scheepsnebben en de ijzeren, puntige balken, dan met zwaard en lans moesten strijden en hun schip niet als een burgt, maar als wapen zouden beschouwen. Zij begrepen mij en daar de Samiërs talrijke onbruikbaar gemaakte schepen uit den slag brachten, doch met het overschot dichter opeen drongen, werd het ons te gemakkelijker, om de schepen te enteren en in de flank aan te tasten.„Thans werd het ons hoofddoel, om de vijandelijke[323]schepen in den grond te boren. Het was nu inderdaad een strijd der schepen zelve geworden. Benevens het geweld der in volle vaart aangebrachte scheepsnebben, benevens de kracht der ijzeren, puntige balken aan de kiel, bewezen de door mijzelve uitgevonden „ijzeren handen”12voortreffelijke diensten, daar zij menig Samisch vaartuig aangrepen en vast omkneld hielden in hare vreeselijke omarming. Onder het dof gekreun der tegen elkander botsende balken mengde zich het snerpend gekraak van splinterende riemen, wanneer in snelle, goed berekende vaart een vaartuig vlak langs het vijandelijke schoot en het uitstekend roeituig als dorre takken deed breken.„De Samiërs deinsden terug, zij geraakten in wanorde doch zij weken nog niet. Vertoornd over dien trots, verdrietig over den langen strijd, wilde ik juist het bevel geven eenige transportschepen met werk en rijs geladen, in brand te steken en in de vijandelijke rijen te zenden, om het overschot der weerbarstige Samische vloot teverbranden, toen plotseling een geweldig stuk steen naar den mast van mijn schip werd geslingerd. De mast werd niet getroffen, de stuurman echter wel, die oogenblikkelijk met verbrijzelden schedel van zijn stuurstoel afviel. Bij het nedervallen had de steenklomp tevens het roer zelf, met alles wat in de nabijheid zich bevond, verpletterd. De steen was van het admiraalschip der Samiërs geslingerd, waaruit ik opmaakte, dat de Samische vlootvoogd mij zelven tot een persoonlijken kamp uitdaagde. Doch met mijn ontredderd schip was weerstand onmogelijk. Snel en zonder dat de vijand het kon bemerken klom ik van den achtersteven van het schip langs een ladder in een boot en spoedde mij naar een ander vaartuig, de „Pharthenos”13, en terwijl het Samische admiraalschip mijn ontredderd schip bemachtigde om het, met mij zelven als krijgsgevangene,[324]naar de Samiërs meenden, buit te maken en mede te voeren, boorde ik met de „Pharthenos” in de flank van den Samiër, zoodat hij, lek geworden, water schepte en op zij vallend onder den waterspiegel verdween. De Samische vlootvoogd zelf was een der weinigen, die onder een pijlregen der onzen, die hun krachtigen zegekreet reeds deden weerschallen, ter nauwernood al zwemmend zich redden. Nu eerst weken de Samiërs en de zege was ons.Nog op den avond van denzelfden dag kwam de Samische opperbevelhebber, Melissus, onder veilig geleide op mijn schip, om met mij over de vredesvoorwaarden te onderhandelen; hij stelde echter zulke eischen, dat men mij voor overwonnen zou hebben moeten houden, als ik ze aangenomen had. Hij erkende wel dat de vloot der Samiërs verslagen was, maar gaf de verzekering, dat de stad echter in staat en voornemens was een lang beleg uit te houden. Bovendien was Phoenische hulp in aantocht en eene geldelijke ondersteuning was den Persischen satraap te Sardes aangeboden. Melissus lei bij dit geheele onderhoud eene wilskracht en hardnekkigheid aan den dag, zooals alleen een wijsgeer in staat is te ontwikkelen. Hij is van eene hooge gestalte, reeds op vrij gevorderden leeftijd en zijn voorhoofd draagt zoozeer den stempel van den diepzinnigen denker, dat het mij schier ongeloofelijk voorkwam, in hem den man te zien, die nog zooeven eene vloot tegen mij aangevoerd had en dien ik met de vlugheid eens jongelings door de met wrakken bezaaide golven had zien zwemmen. Weldra zag ik in hem alleen den in geheel Griekenland met roem overdekten wijze uit de school van Parmenides. Ik weet zelf niet hoe het kwam, dat ons gesprek langzamerhand en onmerkbaar in wijsgeerige overdenkingen overging. Waarheid is, dat hij mij ten laatste met groote levendigheid uiteen zette, dat, wanneer iets is, het eeuwig is; dat het eeuwige echter in ruimte onbegrensd was en het waarachtig eeuwige, één en[325]oneindig, alles in zich omvatte; want als er twee of meer oneindigheden waren, moesten zij elkander begrenzen en waren derhalve niet meer oneindig en het Al moest iets in zich zelf gelijksoortigs zijn; want ware er iets waarachtig ongelijksoortigs, dan bestond niet meer het ééne, maar het vele; het vele echter kon niet bestaan, want dat het bestond was slechts schijn en gold alleen voor de zinnelijke waarneming, niet voor de denkende bespiegeling van den geest.—„Toen toevallig eenige andere strategen en triërarchen binnenkwamen, die met groote nieuwsgierigheid en belangstelling den uitslag onzer vredesonderhandelingen verbeidden en nu hoorden dat de Samische vlootvoogd en ik ons over de onbegrensdheid van het Al en over de oneindigheid van het ongeschapen Zijn onderhielden, bleven zij geheel verbluft en met open mond staan, en wij zelven moesten lachen, als wij nagingen hoe wij zooeven nog met scheepsnebben en doodelijk geschut tegen elkander hadden gewoed, doch thans in een dergelijk onderwerp verdiept waren. Want daar ik dergelijke vertoogen, als Melissus hield, te Athene dikwijls uit den mond van Zeno had gehoord en deze Eleatische stellingen en strijdvragen mij steeds de grootste belangstelling hadden ingeboezemd, behoefde ik Melissus het antwoord niet schuldig te blijven en ons gesprek had inderdaad bijna het karakter van een wijsgeerigen strijd aangenomen.„Hoe veel beter zou het zijn,” zei ik tot Melissus, toen wij afscheid namen en ik hem de hand schudde, „als wij Hellenen allen, zooverre onze taal op de kusten en eilanden wordt gesproken, daar wij toch door één geestelijk streven verbonden zijn, ook door één zelfde staatkundig belang in den loop der tijden konden vereenigd worden!”„Een bliksemstraal schoot bij deze woorden uit het grauwe donkere oog van den Samiër.„Ongetwijfeld,” zeide hij met een bitteren, spottenden glimlach, „hoopt gij, dat het Athene zal zijn, dat allen Hellenen in zijn gebied lokt en hen[326]goedschiks of kwaadschiks tot ééne staat vereenigt?”„Ik begreep het gevoel van den vaderlandslievenden man, die met zooveel warmte voor de onafhankelijkheid van zijn eiland streed en ik waardeerde het.„Het is nu eenmaal het lot van alle welgemeende bedoelingen en gedachten, dat zij schipbreuk lijden op de klip van kleinere belangen, die toch eigenlijk zich moesten oplossen in de grootere. Het wordt met ondank beloond, als men de gedachte van een groot geheel in zijn hart opvat en daarvoor wil werken. Spoor ik de Hellenen aan tot eenheid, dan zien zij daarin alleen Atheensche veroveringszucht of zelfs eerzuchtige bedoelingen van mijzelven. Zoo gevoelt men zich met zijn besten wil en bedoelingen telkens gedwarsboomd door eene jammerlijke bekrompenheid. Daardoor heb ik soms oogenblikken, dat alle kracht en lust tot den arbeid mij ontzinken en ik troost zoek in de reine sfeer der gedachte, waar de geest in onbeperkte vlucht zich kan verheffen in de ongemeten ruimten van het geestelijke en ongeziene. Als ik in stilte des nachts op het verdek treed van mijn vaartuig, boven mij de met sterren bezaaide hemel zich welft—als de masten onbewegelijk zich verheffen en daar boven de oneindigheid het uitspansel zich uitbreidt—als geen geluid wordt gehoord, dan het zachte, welluidende kabbelen der golven, licht bewogen door den adem van den wind, tegen de kiel van het schip—dan rijst het beeld van Melissus op voor mijn geest en ik geloof niet langer aan, maar gevoel de waarheid van zijne oneindige, eeuwige eenheid van het Zijn.„Meer dan gij gelooven kunt, denk ik aan u, aan de vrienden te Athene en aan datgene, wat daar onder hunne handen der voltooiing nadert. Thans, nu hier, naar het schijnt, het moeilijkste volbracht is en eene wellicht lange, vervelende belegering mij bijna tot werkeloosheid veroordeelt, durf ik u mijn heimwee naar Athene wel bekennen, zonder mij daarvoor te schamen.[327]„Het ongeluk, dat de werkman bij den bouw van het Parthenon heeft getroffen, waaraan Diopithes op zoo kwaadwillige wijze eene rampzalige uitlegging heeft gegeven, is mij zeer ter harte gegaan. Ik heb Hippocrates doen verzoeken den gewonde, als hij nog leeft, te behandelen, en wanneer het ons gelukt hem te redden en Diopithes te beschamen, doe ik de gelofte uit dankbaarheid voor Pallas Hygieia14een altaar op de Acropolis op te richten.„Wat voorts het wakkere muildier van Callicrates aangaat, ik ben van meening, dat het beschouwd moet worden om zijne trouw en vlijt den staat der Atheners belangrijke diensten bewezen te hebben en om te voorkomen, dat de afgunst van Diopithes hem onheil zal berokkenen, heb ik hem de vrijheid bezorgd te snuffelen en te grazen, waar het hem lust, en alles wat hij aan het goed van een ander beschadigt of zich daarvantoeëigent, zal den eigenaars van staatswege vergoed worden.”Nog vóór Aspasia gelegenheid gevonden had dezen laatsten brief van Pericles te beantwoorden, ontving zij opnieuw eenige letteren van hem, die de bevestiging inhielden van het ongeluk, dat het Atheensche leger vóór Samos had getroffen, terwijl Pericles de Phoenische hulpvloot te gemoet was getrokken.Slechts met enkele woorden meldde Pericles deze zaak in zijn brief aan Aspasia. Daarna vervolgde hij aldus:„Kondt gij het voor mogelijk houden, dat onder ons Hellenen datgene nog steeds gebeuren kan, wat ik gezien heb, toen ik mij naar het leger begaf, dat de stad van de landzijde had ingesloten en door de uitvallen der Samiërs niet weinig geleden had? Luide jammerklachten klonken mij in het oor, toen ik het kamp binnentrad. Ik vond den priester van het leger juist bezig aan Zeus, den Redder15een offer te brengen. In den kring,[328]die zich rondom het altaar en den priester gevormd had, zag ik vijftig gevangen genomen Samiërs met gebonden handen staan. Ik vroeg wat er met deze menschen, die als offerdieren om het altaar stonden, moest geschieden. Toen vernam ik dat de ziener, die van staatswege aan het leger was toegevoegd, verklaard had, dat het de wil van Zeus den Redder was, dat hem ter eere de vijftig Samische krijgsgevangenen plechtig zouden worden geofferd. En men was juist op het punt den wil van Zeus te volbrengen. Ik trad op den priester en ziener toe en verklaarde ten aanhoore van het geheele leger, dat het een leugen was, dat de Goden der Hellenen ooit menschenoffers wilden en stelde mij daarmede tevreden door op de voorhoofden der vijftig Samiërs het teeken van een zwijnensnuit, zooals de voorsteven der Samische schepen voeren, af te drukken, ter vergelding van den smaad, dien zij kort te voren aan onze gevangenen hadden aangedaan, door in hun lichaam een uil16in te branden.„Nu belegeren wij opnieuw de stad en bestormen haar van de landzijde met stormrammen en werpgeschut.„De brieven, die ik van Telesippe ontvang, zijn vol klachten over den jongen Alcibiades”—Aspasia beantwoordde de letteren van Pericles op de volgende wijze:„Vele en gewichtige zaken, dierbare Pericles, hebben uwe beide laatste brieven mij medegedeeld. Vele dingen, waarbij ik van vreugde zou kunnen juichen, ook andere zaken die een bange vrees, zij het ook slechts eene voorbijgaande, voor u in mijne ziel opwekten. Maar waarom zou ik over de wisseling der fortuin al te zeer klagen, daar juist in deze wisseling de onveranderlijkheid van uw eigen, trouw beeld mij te duidelijker wordt afgespiegeld? Gij hebt mij, zooals ik wenschte, zonder het te weten, u zelven afgeschilderd. Hoe arm zijn[329]woorden en hoeveel vuriger zou een kus, op uw voorhoofd gedrukt, u zeggen wat ik gevoel! De tijd vliegt mij om, als ik aan u denk en de liederen van Sappho bij de klank der snaren zing.„Phidias en de zijnen zijn onvermoeid. Verdiept in hunne berekeningen en als door eene daemonische macht voortgezweept, luisteren zij slechts met een half oor naar de gebeurtenissen, die buiten hun werkkring, elders in de wereld plaats grijpen. Vergeef hethen: want ook zij arbeiden toch voor u en den roem van uw naam tot in de verste toekomst.„Over den jongen Alcibiades verneem ik telkens een en ander; want hij begint de aandacht van de Atheners tot zich te trekken. Er zijn er velen, die in de worstelschool of waar hij zich ook vertoont, zich om hem verdringen. Maar hij sluit zich alleen aan bij Socrates, wellicht omdat deze hem niet vleit. Toen hij onlangs door zijn paedagoog begeleid over straat ging, met een kwartel, zijn lievelingsvogel, in den mantel verborgen, drong er weder veel volk om hem heen. Terwijl hij nu genoodzaakt was hieraan zijn aandacht te wijden, ontvloog hem den kwartel. De jongeling werd daarover zoo driftig, dat half Athene op de been kwam, om den kwartel van Alcibiades weder op te vangen. Zóó zijn de Atheners! Intusschen, wanneer zij den jongen Alcibiades bederven, komt dit grootendeels ook daar van daan, dat hij de pleegzoon is van Pericles, den grooten Pericles, die na de zege bij Tragia meer dan ooit de held van den dag is.„Alleen Diopithes blijft heimelijk tegen u mokken, benevens de zuster van Cimon en uwe vrouw Telesippe. Op hunne zijde zijn de oude pruiken met hun ouderwetsche kleeding en de haarvlecht over de kruin samengebonden, de ijdele oude strijders bij Marathon17en afgeleefde grijsaards en zotte Spartanen-vrienden, die lang haar dragen,[330]het lichaam oefenen, honger lijden, zich nooit wasschen en met hun lompen knuppel op de steenen der straat ratelen; voorts verscheidene suffers, die meenen de wijsheid in pacht te hebben, en sterrekijkers, die barrevoets en met gescheurde mantels loopen, doch de wenkbrauwen bedenkelijk fronsen, den neus in den haveloozen, langen baard steken en er een deftigen onderkin op nahouden. Al deze lieden denken in uwe afwezigheid aan het spreekwoord: „als de wijnstok niet bewaakt wordt, is het goed druiven plukken.”18„Theodota zweert nog steeds, naar ik hoor, dat de zwaardvisch Pericles eens zeker in haar net zal spartelen. Geheime draden schijnen steeds tusschen deze vrouw en onze vijanden gesponnen te worden. Elpinice loopt zich de beenen onder haar lijf stuk, om hare vrienden en vriendinnen tegen mij op te zetten. Door hare en uwe vrouw word ik openlijk vervolgd; zij zien, dat ik weerloos en onbeschermd ben en houden mij voor eene lichte en zekere prooi.„Euripides schijnt het er op gezet te hebben te loochenstraffen, wat uw vriend Sophocles van hem gezegd heeft. Ik zie hem nog altijd somber, knorrig, ontevreden. Toch maakte hij mij in tegenwoordigheid van Socrates tot vertrouwde van zijn treurig levenslot. Hij gaf mij eene schildering van het karakter zijner gemalin, eene schildering, die ik u niet behoef te herhalen, daar de dierbare echtgenoote van dentreurspeldichterhet trouwe afbeeldsel is van uwe beminde Telesippe. Doch hoor nu eens, wat de dichter besloten heeft, om zich van dit ondragelijk gezelschap te ontslaan. Hij denkt zijne vrouw weg te zenden en eene betere, die meer aan de behoefte van zijn hart beantwoordt, voor haar in de plaats te nemen.—Dierbare held, wat zegt gij van zulk een mannelijk besluit van den dichter?”—[331]Na eenigen tijd schreef Pericles aan Aspasia:„Ik weet niet of ik den lof van edelmoedigheid verdien, dien gij mij toezwaait. Ik ben ten hoogste verbitterd op die koppige Samiërs en ik zal hen, als de tijd daarvoor gekomen is, geducht voor hunne hardnekkigheid doen boeten.„In de dagen van werkeloosheid en ongeduld is de edele, opgeruimde Sophocles mij een dubbel gewenschte vriend, terwijl hij zich overigens als medestrateeg voortreffelijk houdt. Steeds is hij bereid mij ten dienste te staan, het liefst bij vreedzame zendingen. Als bemiddelaar en onderhandelaar werkt hij met zoo’n wonderlijke macht, dat men hem voor een toovenaar zou houden; het verwondert mij trouwens niet want zijn karakter is zoo innemend, dat hij zonder uitzondering bij allen geliefd is. Hij staat mij getrouw ter zijde in mijne pogingen, om de verwildering der gemoederen tegen te gaan, die bij een langdurigen oorlog zoo licht zich van het krijgsvolk meester maakt. Nu eens moeten de wetten der menschelijkheid gehandhaafd, dan weder een ergerlijk vooroordeel uitgeroeid worden. Gij weet zelve, hoeveel in dit opzicht nog bij ons Atheensch volk te doen valt.„Wanneer een onweder losbreekt en de bliksem midden in ons kamp slaat, of de stuurman van mijn schip bij eene invallende zonsverduistering zijne zinnen verliest, dan moet ik alles, wat ik aangaande de oorzaak van dergelijke natuurverschijnselen van Anaxagoras geleerd heb, mij voor den geest halen, om de verschrikte en verslagen mannen tot bedaren te brengen.„Doch, ik vertel u hoe ik mijn best doe de vooroordeelen van anderen uit te roeien en ik vergeet, dat gij mij soms beschuldigt zelf er nog mede behebt te zijn. Gij vraagt den echtgenoot van Telesippe, wat hij zegt van het manhafte besluit van Euripides?—Ik zal u dat mondeling mededeelen, als ik weer in Athene ben teruggekeerd.”Zóó schreef Pericles.Negen maanden lang bood de trotsche eilandstad[332]hardnekkigen weerstand en menig bericht werd er van Samos naar Athene, van Pericles naar Aspasia gezonden.Ten laatste meldde de Atheensche veldheer aan zijne Milesische vriendin:„Samos is stormenderhand genomen, de trots van Melissus gebroken, de vrede gesloten. De Samiërs leveren hunne schepen uit en slechten de muren.„Toch is het mij niet mogelijk aanstonds naar Athene terug te keeren. Ik moet eerst nog naar het naburige Milete, waar velerlei zaken te regelen zijn.„Slechts kort is dit uitstel en wij zullen binnen weinige weken elkander wederzien.„Op de vloot heerscht groote vreugde en de triërarchen verblijden zich over de overwinning, voor een deel in gezelschap hunner vriendinnen, van welke reeds eenigen gedurende de langdurige belegering van Athene naar Samos zijn overgekomen. Deze schoonen hebben de gelofte afgelegd, na de verovering van Samos in de stad van den beroemden Hera-tempel nu op hare kosten een tempel te bouwen voor de Godin der Liefde. Het schijnt, dat zij vast besloten zijn die gelofte te houden. Vóór weinige dagen is ook Theodota hier gekomen, volgens den wensch van haar vriend Hipponicus, die even goed patriot als gastronoom is en zich op het schip, waarvan hem de triërarchie was aangewezen, niet door een ander liet vervangen, maar zelf den zeetocht heeft medegemaakt.„Vaarwel! Te Milete, uw vaderstad, zal ik voortdurend aan u denken!”Toen Aspasia den brief van Pericles had gelezen, dacht zij eene poos na.Daarop nam zij een stout besluit.Den volgenden dag zag men haar reisvaardig met eene slavin zich naar den Piraeus begeven en een vaartuig beklimmen, dat op het punt was uit de haven van Athene koers te zetten naar de Ionische kust.[333]

„Dat had ik niet gedacht,” riep de oude Callipides te midden van eene der talrijke groepen Atheners, die, op de groote markt van den Piraeüs bij elkander staande, druk in gesprek waren, „dat had ik niet gedacht, toen ik onlangs voorbij de Athene Promachos op den burg ging. Ik zag de speer der Godin vol boomkrekels, die lustig piepten. Dat beteekent vrede, zei ik bij mij zelven. Doch ’t is waar, den volgenden dag is kort vóór den aanvang der volksvergadering eene wezel over de Pnyx geloopen—”

„Gij wilt toch geen onheil krassen, oude uil?” riepen de anderen.

„Samos is nu eenmaal het machtigste der met ons verbonden eilanden,” hernam de oude. „Het kan andere bondgenooten tot afval verleiden, het kan een opstand tegen ons verwekken, Sparta kan zich er in mengen, een algemeene Grieksche oorlog kan ontbranden. Er ligt, zooals men zegt, veel tonder opgehoopt. Wat raakt het ons of de Samiërs dan wel de Milesiërs Priëne1bezitten?”

„Het aanzien van Athene moet opgehouden worden!” viel een jong man heftig hem in de rede, terwijl hij de hand uitstrekte en het hoofd oprichtte. „Samos en Milete zijn verplicht als leden van het[303]bond hunne geschillen ter beslissing aan Athene, het hoofd van het bond over te laten. Samos weigert dit. En daarom is Pericles in woede tegen de Samiërs ontstoken.”

„En in zijne woede heeft hij in de volksvergadering den zachten Sophocles tot medestrateeg verzocht,” zei een der mannen lachend.

„Om „de Antigone!” riepen anderen. „Daar heeft hij goed aan gedaan. Leve Sophocles!”

„Gij weet er geen van allen iets van,” sprak de barbier Sporgilus, dien de nieuwsgierigheid en de onstuimigheid van den volkshoop naar de haven had gedreven.„Gij weet allen niets van deze zaak af; gij weet niet hoe dat geschil met Samos ontstaan is en wie dat aangewakkerd heeft.”

„Leve Sporgilus!” riepen sommigen. „Hoort naar Sporgilus! Hij is een van hen, die ’s morgens precies weten wat Zeus ’s nachts met Hera verhandeld heeft.”

„Moge ik een bult als eene vuist op mijn neus krijgen,” riep Sporgilus, „als het niet de zuivere waarheid is, wat ik u ga vertellen! Aspasia, de Milesische, heeft Pericles bepraat. Ik weet het precies—luistert slechts naar mij. Den dag, nadat het Milesische gezantschap aangekomen was, stond ik juist op de markt, toen de gezanten voorbijgingen en om zich keken, als menschen, die iets wilden vragen. En werkelijk, daar kwam een van hen op mij toe en zei: „Zeg eens, Atheensche vriend, kunt gij mij de woning van de jonge Milesische Aspasia wijzen?” De mannen dachten zeker, dat ik hen niet kende maar ik kende ze wel degelijk—terstond aan hunne nette manieren en kostbare kleeding zou ik ze herkend hebben, al had ik ze nooit gezien. Ik bewees hun zooveel mogelijk beleefdheid en beschreef hun haarfijn het huis van de Milesische en den weg daarheen, waarop zij mij zeer vriendelijk en beleefd hun dank betuigden en onverwijld den weg insloegen, dien ik hun gewezen had. De avond begon reeds te vallen. Zij slopen de woning van de Milesische binnen.[304]Bemerkt gij het nu? De gezanten zeg ik u hebben met de Milesische heimelijk onderhandeld; zij heeft daarna Pericles bepraat en hem in hevigen toorn doen ontsteken tegen de Samiërs.”

„Daar hebt ge het!” riep een der omstanders. „Sporgilus weet dus werkelijk, wat Hera met Zeus gesproken heeft.—Doch—daar komt Pericles met zijn vriend Sophocles aan—hij drilt hem zeker voor zijn nieuw ambt.”

In der daad zag men de beide mannen ter zijde op een tamelijk stille plaats tusschen de zuilen wandelen. Zij waren in een vertrouwelijk gesprek verdiept.

„Waarachtig,” sprak Sophocles, „gij verrast de Atheners; men geloofde, dat Pericles in dit oogenblik eerder tot alles zou overgaan, dan hiertoe. Want hij scheen thans ten volle opgegaan te zijn in de werken des vredes, in de bevordering van de binnenlandsche welvaart en—in de liefde voor de schoone Aspasia …”

„Mijn waarde vriend,” zei Pericles glimlachend, „is het dan te verwonderen, dat den strateeg de lauweren van zijne vrienden, die met truffel, beitel en stift arbeiden, geen rust laten? Reeds lang, ik beken het eerlijk, gevoelde ik mij in mijn binnenste onrustig en gejaagd. Ik gevoelde mij werkeloos onder die onverpoosd arbeidende mannen en soms schaamde ik mij bijna over die liefelijke rozebanden, die mij omstrengelden.”

„Hoe?” hernam Sophocles, „dat gij inderdaad de onvermoeidste arbeider zijt onder de ijverigen, dat alles wat gedaan en geschapen wordt, slechts door u mogelijk wordt gemaakt, bevorderd en tot een goed einde gebracht, rekent gij dat dan voor niets?”

„Het voldoet niet aan de eischen, die een van ons beiden zich zelven mag stellen,” hernam Pericles. „Ik wil niet alleen een medearbeider zijn, ik wil zelf iets volbrengen en ik kan als strateeg alleen naar het zwaard grijpen. Waarom zou ik alleen door het schoone vuur der eerzucht, dat[305]rondom mij ontbrand is, niet aangegrepen worden?”

„En gij wilt ditmaal volstrekt uw krijgsroem met mij deelen?” vroeg de dichter na eene kleine pauze.

„Liever dan—de gunst van een bekoorlijke vrouw!” antwoordde Pericles en sloeg een scherpen blik op zijn vriend.

Deze ontroerde. „Nu begint er,” zoo sprak hij, „een licht voor mij op te gaan,—en het is een zonderling licht—waarom juist ik tot strateeg moest verkozen worden—”

„Alles wat in de wereld geschiedt, beste vriend,” hernam Pericles glimlachend, „heeft niet ééne maar honderd oorzaken. Wie kan zeggen, welke de gewichtigste is?”—

„Wilt ge niet liever mij achterlaten en de schoone met u naar Samos nemen?” vroeg de dichter.

Pericles antwoordde slechts met een glimlach. Daarop zei hij: „Troost u; het is maar een klein reisje, dat we voor ons genoegen ondernemen, een zeetochtje van slechts weinige weken; want aan eene ernstige tegenweer van de Samiërs tegen het machtige Athene valt wel niet te denken. Samos2is eene prachtige stad, die u wel bevallen zal; Melissus, de bevelhebber van het Samische smaldeel, dat wij tegenover ons zullen hebben, is een waardig wijsgeer van de Eleatische3school, met wien gij ongetwijfeld met genoegen kennis zult maken en als wij Chios voorbij zeilen, willen wij uw vriend Ion een bezoek brengen, den treurspeldichter, die daar in eene aangename, bekoorlijke rust woont.”

„Wilt gij Ion gaan bezoeken?” riep Sophocles uit. „Herinner u, dat hij niet erg op u gesteld is, sedert gij zijn medeminnaar bij de schoone Chrysilla zijt geweest.”[306]

„Mijne verhouding tegenover iemand,” hernam Pericles, „wordt nooit aangewezen door de meening, die men omtrent mij koestert, maar daardoor hoe ik over hen denk. Ion is een flink man. Hij zal u met zijn besten inlandschen Chiër verwelkomen, hoewel gij zijn mededinger in den tragischen wedstrijd geweest zijt.”

„En gij, ik herhaal het,” zei Sophocles, „zijn mededinger bij de schooneChrysilla, die thans, naar ik verneem, op Chios hem gezelschap houdt.”

„Laat Chrysilla rusten,” hernam Pericles.

De dichter schikte zich blijmoedig in zijn lot. Pericles begon hem over datgene, wat zijn nieuw ambt vereischte, te onderrichten.

Als men in die dagen een beschreven blad in Sophocles’ handen zag, was het geen schets van een treurspel, geen reizang, geen loflied op Eros of Dionysus, maar de lijst van de manschap, die ter zee moest dienen, welke hij moest oproepen, van de rijke burgers, die hij aansporen moest alstriërarchenhunne schepen te leveren en ze uit te rusten.

Uit de bekoorlijke eenzaamheid van zijn groenCephissus-dalzag hij zich door Pericles medegesleept naar tuighuizen der krijgshavens Zea en Munichia, in het rumoer van denPiraeüs, waar de vreeselijke zeedraken der Atheensche vloot uit hunne ramen weder in zee getrokken werden, in het leven en gedruis der arsenalen, waar het onophoudelijk dreunde van gehamer en geklop, rumoer en geraas. In den beginne deed het den smaakvollen dichter schier pijnlijk aan, steeds te verkeeren te midden van het geschreeuw der roeiers en matrozen, die toen nog weinig werk hadden en kibbelden om fluitspeelsters en elkander soms gaten in het hoofd sloegen. Zijn gehoorvlies werd verscheurd door het schelle fluitje van den bootsman, door het aangeven van de roeimaat, door schetterende fanfaren: want met die triëren, wier uitrusting gereed was, ondernamen hare triërarchen dagelijks kleine tochten in de golf om te onderzoeken,[307]welk schip het beste en snelste zeilde.

Maar toen de dag der afvaart was aangebroken en men de schepen met hun drie rijen roeibanken, met hun hoog uitstekende, als zwanenhalzen gekromden voor- en achtersteven, prachtig geschilderd, met de van goud schitterende Pallasbeelden en andere versierselen, de dreigend toeloopende balken der kiel, vrij en koen in goed geordende rijen over de flauwe oppervlakte zag zweven en op het teeken eener trompet eene plechtige stilte volgde, gedurende welke de heraut met luider stemme van het verdek van het admiraalschip een gebed uitsprak, dat allen van de overige schepen naspraken en waaraan zelfs het volk op het strand deel nam en de rook der offers van het verdek der schepen in de blauwe morgenlucht opsteeg en het geheele leger uit gouden en zilveren bekers dankoffers plengde en den paeän aanhief en eindelijk de vloot zich in beweging zette, de wind de zeilen deed zwellen, de zee onder den slag van tallooze riemen opbruischte en de lange rij der vaartuigen, vergezeld door de zegewenschen van de achtergeblevenen, uit de haven de open zee koos—toen was de dichter Sophocles van ganscher harte strateeg geworden en met geen fierder zin kon zijn held Aiax uit Salamis tegen Troje zijn opgetrokken, dan hij thans zelf uit het vlek Colonos koers zette naar Samos.—

Na verloop van eenige weken liep een snelzeiler met berichten van Pericles voor den raad en de volksvergadering den Piraeüs binnen. De bevelhebber van het schip, dat deze tijdingen overbracht, bezorgde heimelijk niet als triërarch, maar als persoonlijk vriend van den strateeg Pericles, een geschrift, dat niet voor het publiek bestemd was. Het was een schrijven van Pericles aan zijne vriendin Aspasia.

De brief luidde als volgt:

„Ik weet niet, vanwaar het kwam, dat mijne borst schier nooit fierder klopte, dan op het oogenblik, dat ik wederom de hooge zee onder mij voelde.[308]Toen ik op het verdek van het schip stond en de winden de Aegaeïsche zee mijn voorhoofd verkoelden, toen was het alsof met hen een adem van vrijheid mij tegenwoei en alsof ik mijzelven had wedergevonden. Wedergevonden? Een dwaas woord! Had ik mij dan verloren? Ik was het mij niet bewust—misschien u, Aspasia? Een oogenblik scheen het mij werkelijk toe, alsof ik in den laatsten tijd te weekelijk en te lijdelijk mij op het rozenleger der liefde had neergevlijd. Ik was bijna verstoord op u. Doch toen ik nadacht, zag ik in, dat ik u groot onrecht deed en dat juist integendeel datgene, wat van u uitgaat, nooit eene verslappende, maar steeds bewust of onbewust eene opwekkende, aandrijvende kracht, mij geheel beheerschte en mij heendreef uit het rustige Athene naar het woelige oorlogsveld.

„Derhalve schaam ik mij niet langer over mijne liefde voor u noch over het verlangen, dat ik nu reeds koester om u weder te zien, hoewel die zoete begeerte mij bijna een leelijken trek had gespeeld.

„Ik vond de Samiërs slecht uitgerust en slechts ten deele voorbereid. Ik schaamde mij haast over de gemakkelijke overwinning. Er scheen weldra niets meer te doen overig; ik maakte derhalve aanstalten om naar Athene terug te keeren, in de hoop dat bij de eenvoudigheid der middelen, waardoor dit gevolg bereikt was, de snelheid waarmede de overwinning bevochten werd, mij tot roem zou strekken. Zou tot die bespoedigde terugkeer ook niet het verlangen om datgene, wat ik te Athene achtergelaten had, zoodra mogelijk weder te zien, eenig aandeel hebben? Ik ben er mij zelven niet van bewust maar toch durf ik de mogelijkheid niet ontkennen. In alle gevalle bleek de haast, waarmede ik wilde terugkeeren, niet zoo voordeelig, als die, waarmede ik uitgetrokken was. Ik leerde, dat men in den oorlog met spoed uittrekken, maar behoedzaam terug moet keeren.

„Doch waartoe zou ik u tijdingen mededeelen,[309]die zeker te Athene op aller lippen zijn? Onze vloot brandt van verlangen den vroeger verzuimden zeestrijd in te halen: zelfs de zachte Sophocles gloeit op dit oogenblik van het vuur van Ares4. Ik heb hem naar Chios en Lesbos gezonden om de schepen der bondgenooten te halen; andere versterkingen zijn in aantocht.

„Zend mij berichten van u en de vrienden te Athene door dienzelfden mij bevrienden triërarch, die u dezen brief bezorgd heeft en houd u overtuigd, dat ik naar uwe berichten niet minder vurig verlang, dan gij naar de mijne. Zeg aan Phidias, dat hij zich niet door het rumoer des oorlogs in zijne rustige werken des vredes late storen. De schoonste vreugde zal het voor zijn vriend bij zijn terugkeer zijn wanneer dezen de hooge tempelzuilen van den burgt bijna voltooid tegenblinken.”

Dit was dan de inhoud van Pericles’ brief aan Aspasia. De Milesische beantwoordde dien in dier voege:

„Het verheugt mij, dat gij zoo snel van de gedachte zijt teruggekomen, dat het karakter van den fieren Pericles in den laatsten tijd door Aspasia verwijfd zou zijn geworden. Moet ik integendeel mij niet verwijten, dat ik door de voorspraak ten behoeve mijner landgenooten u voor een deel heb heengedreven naar wat gij het woelige veld des oorlogs noemt? Eene zoo kortstondige scheiding schijnt mij niet onvoordeelig toe; want het scheen dat gij den langen vrede reeds moede waart geworden, ja zelfs het genot en de liefde voor Aspasia. Schaam u echter niet over het verlangen om mij en uwe vrienden weder te zien. De begeerte om wat ons lief is geworden terug te zien is dan immers het sterkste, wanneer men het juist verlaten of verloren heeft. Ik vrees, dat gij de scheiding hoe langer zoo gemakkelijker zult verdragen, hoe langer ze duurt en ten laatste, evenals[310]Agamemnon vóór Troje, in steeds toenemende gemoedsrust voor Samos zult blijven liggen.

„Mijn verlangen naar u daarentegen kan niet verflauwen door den tijd, daar het gevoed wordt door werkeloosheid en eenzaamheid. Gij hebt mij hier bijna zoo verlaten achtergelaten, alsof ik uw gemalin was; gij hebt den blijmoedigen Sophocles met u medegenomen en den welsprekenden Protagoras met eene kolonie naar het verre buitenland gezonden. Alleen Socrates is nog over en deze zoekt nog van tijd tot tijd mijn gezelschap. Maar of het uit wantrouwen tegen mij geschiedt of tegen zich zelven—hij waagt zich niet zonder een ander in mijne nabijheid en overschrijdt mijn drempel steeds in gezelschap van een vriend, die bijna zoo zonderling is als hij zelf. ’t Is de treurspeldichter Euripides, de jongere mededinger van Sophocles. Hij en Socrates zijn onafscheidelijke vrienden en men zegt zelfs, dat deze hem helpt bij zijne treurspelen, omdat zij zoo rijk zijn aan wijze spreuken. Maar dit is dwaasheid. Zij beiden zijn zoo gelijk van karakter, dat ik niet weet, wat de een van den ander zou kunnen ontleenen. Beiden vloeien zij over van wijsheid. Wat Socrates is onder de denkers, dat is Euripides onder de dichters: een peinzer en een zonderling. Bovendien is hij een boekenworm; hij heeft zich een groote boekerij aangeschaft en leeft daarin geheel voor de Muzen. Voor het overige ziet hij er uit als alle dichters; een oudachtig gezicht op een eeuwig jeugdig bewegelijk lichaam. Hij is afgetrokken, norsch en ruw in zijne manieren en gaat alleen met Socrates en de sophisten om. Intusschen heeft Socrates zoo’n invloed op hem uitgeoefend, dat hij begeerig werd mij te zien.

„Deze man hier,” zei Socrates, terwijl hij mij voorstelde, „is de voortreffelijke treurspeldichter Euripides, dien gij, naar ik hoop, dubbel bewonderen zult, als gij hoort, dat zijn vader Mnesarchus een herbergier en zijne moeder Clito eene groentevrouw is geweest. Ook moet gij weten, dat hij[311]juist op den dag van den grooten zeeslag bij Salamis op dit eiland het eerste levenslicht heeft aanschouwd.”

„Een roemrijk voorteeken,” zei ik.

„Dat is mogelijk,” sprak Euripides zelf, „maar wat de Goden oorspronkelijk met mij bedoelden, is nog niet ten volle duidelijk.”

„Toen vertelde hij mij uitvoerig—want nadat hij eens aan het praten raakte, werd hij tegen verwachting tamelijk spraakzaam—hoe zijn vader in een droomgezicht voorspeld was, dat zijn pas geboren zoontje eens als overwinnaar in roemrijke wedstrijden de zege zou behalen. Zijn vader had, als echt Helleen, gemeend, dat dit op de overwinningen te Olympia en Nemea doelde en had hem met de meeste zorgvuldigheid in de gymnastische kunsten laten onderrichten; ook had hij werkelijk reeds als knaap den palm bij de Panathenaeën weggedragen; maar hij had langzamerhand meer smaak gekregen in boekrollen dan in vuistriemen en werpschijven en was ten laatste in plaats van een gelauwerden athleet een mededinger in den tragischen wedstrijd geworden.

„Hoe komt het toch,” vroeg ik hem, „dat gij in elk uwer treurspelen u zoo scherp en vinnig uitlaat tegen de vrouwen en dat men u algemeen voor een vrouwenhater houdt?”

„Ik ben getrouwd,” luidde het korte antwoord.

„Is dit een reden,” zei ik, „om alle vrouwen te haten, ook haar, met wie gij niet door dergelijke banden verbonden zijt?”

„Socrates heeft mij tot u gebracht,” hernam hij, „om mij van mijn vrouwenhaat te genezen. Voorloopig acht ik ééne vrouw, de vrouw, die mij ter wereld bracht: de voormalige groentevrouw Clito—ik zeg voormalige, want thans heb ik haar overgehaald den groentenhandel aan kant te doen en een klein landgoed, dat mijn eigendom is, te besturen.”

„Ik gaf mijn verlangen te kennen met deze vrouw kennis te maken.[312]

„Als het u niet verveelt,” gaf hij ten antwoord, „de geschiedenis, hoe ik op Salamis gedurende den grooten slag in eene grot aan het strand geboren ben, te hooren vertellen—want dit verhaal spaart zij niemand, die haar komt bezoeken—is het gemakkelijk uw verlangen te bevredigen.”

„Een paar dagen later zocht ik, vergezeld van eene slavin, het afgelegen, bescheiden landhuis op, waarin moeder Clito heerscht en welks stilte alleen door de welluidende trimeters5van haar dichterlijken zoon wordt gestoord, als hij, om geheel zijn eigen meester te zijn, zich in die landelijke eenzaamheid terugtrekt. Ik trof de goede vrouw aan te midden van haar kippen, eenden en biggetjes en zei haar, dat ik zeer gaarne de geschiedenis, hoe haar beroemde zoon op Salamis gedurende den grooten veldslag geboren was, wilde hooren.

„Innig verheugd en met kennelijken trots zeide het moedertje:

„Dat is eene geschiedenis, waarde vrouw, die zelfs de groote Themistocles6mij gaarne hoorde vertellen.”

„Toen noodigde zij mij uit op eene zodenbank midden in den tuin plaats te nemen, nadat zij eerst de kippen en duiven, die daar zaten,weggejaagdhad.

„O kind,” zei zij toen, „dat was een schrikkelijke dag, toen de scharen der Perzen op ons heilig Athene losstormden en alles te vuur en te zwaard vernielden en de menschen bij de altaren doodden en in pek gedoopte vuurpijlen van den Areopagus[313]naar de Acropolis slingerden, tot alle tempels daar in lichter laaie stonden en een dichte rook van zwarte wolken over de zee zich verspreidde. Maar terwijl de stad verbrandde en alle mannen zwoeren, dat zij met de wapenen in de hand onder de rookende puinhoopen wilden sterven en de vrouwen daartusschen weeklaagden en de stad van gejammer weerklonk, omdat Athene, het heilige Athene, verdelgd werd van den aardbodem, toen stond Themistocles op, Themistocles, de zeeheld en strekte de hand uit naar de zee en de vloot en riep: „Daar is Athene!” en dreef alles, wat weerbaar was, naar de schepen. En naast hem stond de langgebaarde priester van denErechtheüs-tempelop den burg, die verkondigde, dat er een hoogst belangrijk wonder was geschied: de heilige burgslang was van zelf uit den brandenden tempel verdwenen, een teeken, dat de schutsgodin der stad, Pallas Athene, zelve en alle Goden van daar waren gevloden en dat het vaderland van den Athener nergens anders was dan op zee, op de schepen der vloot van Themistocles.

„Terwijl nu de mannen allen te scheep gingen, was het een jammerlijk gezicht hoe zich de vrouwen, de kinderen en grijsaards door elkander in de booten wierpen, die aan de kust gereed lagen en ook lager aan de straten van Salamis, waarvan er vele omsloegen, omdat zij de menigte vluchtelingen niet konden dragen.

„Zelfs de honden wilden niet achterblijven in de verlaten stad: zij stortten zich in zee en zwommen langs de schepen hunner meesters, zoolang zij konden. Ge moet echter weten, kind, dat ik toen hoogst zwanger was en in dien toestand bereikte ik gelukkig met eene gansche schare het strand van Salamis en daar sloegen wij in eene rotsgrot op de kust, met eenige vrouwen en kinderen, ons nachtleger op. De nacht was bovenmate onrustig; want in die nachtelijke ure verzamelden zich om Salamis alle Grieksche zeilschepen en onophoudelijk weerklonk van schip tot schip den geheelen[314]nacht door het geroep der zeelieden, zoodat zelfs de onbezorgden onmogelijk een oog konden luiken. Het was juist toevallig de tijd van het Jacchus-feest, waarop het beeld van den God in het begin van den nacht bij fakkellicht in een grooten, plechtigen optocht van Aegina naar Eleusis over zee wordt gevoerd, en Themistocles had niet gewild, dat men deze plechtigheid om de benauwde tijden zou nalaten en juist toen de Grieken hunne schepen in orde schaarden, kwam het feestelijk getooide vaartuig met de heilige beelden de Aeäciden7van Aegina en bij den hellen schijn der fakkels schitterde de geheele burg, zoodat alle Grieken op de schepen nog meer werden aangevuurd, omdat zij zagen dat de Goden van hun vaderland nog heerschten. En toen de heldere morgen aanbrak en ik mij met de andere vrouwen naar het strand voortsleepte, zag men reeds de vereenigde schepen der Hellenen strijdvaardig staan, beschenen door den glans der fakkels en de geheele Euripus8wemelde en de groote vloot der Perzen kwam langzaam in een onafzienbare rij van den Phaleron aanzeilen.

„Ik echter kon het daar niet meer uithouden; ik moest naar de grot terugkeeren. De barensweeën en de kommer overweldigden mij. En daar lag ik nu op een bed van zeegras, verlaten door een ieder, want de vrouwen, die haar nachtleger met mij gedeeld hadden, liepen allen weg; alle vrouwen en kinderen toch op Salamis wisten dat hare echtgenooten en vaders op de schepen waren en zij stonden daar allen dicht opeen op het hooge strand en keken naar de vaartuigen en wrongen de handen en smeekten tot de Goden. Daar hoorde ik opeens een trompetgeschal en een paeän hoorde ik zingen door vele duizende stemmen—uit de verte klonk het in gedempte tonen tot mijne legerstede door.[315]

„Toen was het, alsof een vreeselijke orkaan in een dicht olijfwoud zich stortte en alsof duizende toppen kraakten—het was echter het gekraak der schepen die tegen elkander stietten en daar tusschen klonk steeds dof uit de verte het krijgsgeschreeuw der onzen en der barbaren. Hoe lang dit duurde weet ik niet en het gevecht kan ik u niet vertellen, kind, want ik zag niets; ik wentelde mij den geheelen dag door op mijn bed heen en weder, hulpeloos als ik daar lag en smachtte naar lafenis en verzonk ten laatste in eene sluimering, die wel mijne laatste had kunnen wezen.

„Toen hoorde ik plotseling in mijne sluimering een luid gejubel van vrouwen en ik kreeg mijn bewustzijn weder en het kwam mij te binnen dat ik op Salamis lag. Maar menige jammerklacht mengde zich onder de jubelkreten; want niet alleen tallooze wrakken spoelden aan het strand van Salamis, maar ook lijken, onder welke menige vrouw haar zoon of man herkende. Ook velen der in het gevecht gewonden en velen van de bemanning van die schepen welke verbrijzeld waren en die dichter bij het strand van Salamis waren dan bij het Atheensche strand, redden zich op de eilanden en brachten de heugelijke tijding: de Pers is verslagen en vlucht in zijne hartader getroffen over de zee en ontvliedt de rookende puinhoopen van Athene en nog heden mogen wij terugkeeren in de bevrijde stad.—Verbeeld u eens kind, hoe het mij te moede werd, toen onverwacht, alsof de Goden het zoo bestierd hadden, mijn man Mnesarchus, die zich onder de gelanden bevond, de grot kwam binnenstormen, met den jubelkreet: „Athene is weer vrij! Athene is weer het onze!”—Zoo wou hij voortgaan met juichen en jubelen, toen—maar verbeeld u hoe hij mij verbaasd aankeek en naast mij het naakte, pasgeboren, schreiende knaapje. Hij kon geen woord uitbrengen, hij nam het kereltje in zijne armen en sprong er mede in de rondte in zijne uitgelaten vreugde over de zegepraal en zijn vaderschap, liep toen met het kind naar de zee[316]en wiesch het af en liep weer weg en bracht mij water en andere verkwikkingen, zoodat ik eindelijk hoewel langzaam, wat bijkwam van de doodelijke afmatting waarin ik verzonken was.

„Den volgenden dag werd er op het eiland een groot zegefeest gevierd. Omkranste jongelingen dansten om de tropaeën, terwijl de Pers aftrok en met het rampzalig overschot zijner onmetelijke schare heenvluchtte naar het verre Oosten. Toen ging Mnesarchus met het pasgeboren knaapje op zijne armen midden door het feestelijk gewoel en toonde het aan alle Grieken en vertelde hoe het ter wereld was gekomen in de ure van den strijd. En toen Themistocles zelf naderde en de toedracht der zaak vernam zei hij:

„Eere den Griekschen moeders, die ons nieuwe burgers baren nog gedurende den strijd, ter vergoeding voor diegenen, welke voor het vaderland gevallen zijn!”

„Zoo sprak hij en hij beval aan Mnesarchus honderd drachmen uit te betalen. Toen heerschte er algemeene vroolijkheid en Mnesarchus noemde den knaap Euripides, ter herinnering dat hij geboren werd op den dag der overwinning in den Euripus, in de zeeëngte van Salamis.”

„Zoo vertelde mij het eerlijke moedertje Clito, precies, zooals ik het hier voor u neergeschreven heb.”—

Weinige dagen, nadat de brief van Aspasia aan Pericles verzonden was, kwamen krijgsberichten uit Samos en tegelijk een nieuw schrijven voor Aspasia. De inhoud daarvan luidde aldus:

„Gij zijt onvergelijkelijk, Aspasia, en altijd dezelfde. Was het toeval of geschiede het met eene geheime bedoeling, dat gij mij in uw brief dat bekoorlijk verhaaltje van het moedertje van Salamis deedt? Toen uwe brieven mij met de verlangde versterking uit Athene gewerden, stond ik reeds met mijne vloot tegenover de Samische. Ik las het verhaal van uw moedertje en vol van Salaminische geestdrift gaf ik het teeken tot den aanval.[317]

„Wij overwonnen. Maar ik zal mij wel wachten u eene schildering van dien slag te geven. Hoe zou ik het wagen tegenover dat beeld, waarmede gij mij zoo levendig de herinnering aan het heldenfeit van Salamis voor den geest hebt getooverd, met mijne onbeteekenende overwinning te pralen, waardoor de Samische vloot wel onschadelijk is gemaakt, doch het verzet der stad zelve nog niet is gefnuikt. Wij omsluiten haar te land en ter zee. Dit Samos is eene sterke stad en prachtig gelegen: maar zijn grootste, van oudsher beroemde tempel is, zooals gij weet, aan Hera, de Godin van den echt, gewijd en in dit heiligdom worden gansche troepen van die vogels gemest, die der Godin heilig, maar ons beiden gehaat zijn.

„Ook Sophocles heeft uw brief gelezen, vooral het verhaal van uw moedertje heeft hem groot genoegen gedaan.

„Daar hij zelf zich onder de bekranste jongelingen en knapen bevond, die bij het zegefeest, waarvan het moedertje spreekt, om de tropaeën dansten en Aeschylus onder de strijders, hebben deze drie treurspeldichters een belangrijk aandeel genomen aan de eer van Salamis—het geringste echter uw Euripides, die alleen de verdienste heeft toen geboren te zijn geworden.

„Ik heb overigens ook nog bij Sophocles inlichtingen ingewonnen naar het karakter van Euripides en hem gevraagd naar zijne meening over diens vrouwenhaat. Sophocles antwoordde mij, dat Euripides de vrouwen slechts haatte, omdat hij ze liefhad. Want als hij ze niet liefhad en ze missen kon, dan zou hij zich niet om haar bekommeren en niet van haar spreken en het zou hem onverschillig zijn of zij goed zijn of slecht. Tot zooverre Sophocles: ik houd het er dus voor, dat de roem om Euripides van zijn vrouwenhaat te genezen, u niet veel moeite zal kosten.”

Deze brief van Pericles beantwoordde Aspasia in dier voege:

„Gij hebt met uwe overwinning vóór Samos den[318]Atheners reden gegeven tot groote blijdschap, waarmede ik in stilte van ganscher harte instemde; alleen hebt ge mijne vreugde aanmerkelijk verminderd door uwe bescheidenheid, waardoor gij mij eene schildering van uw zeegevecht hebt onthouden. Ik vind het over het algemeen zeer goed, dat gij uwe brieven aan mij niet met staats- en krijgszaken vult en u liever tot datgene bepaalt, wat uw eigen persoon betreft; maar men zegt, dat juist deze slag u in al uw glans en heerlijkheid heeft getoond, dat gij zelf het schip van den vlootvoogd der vijanden in den grond hebt geboord. Niet om de zaken is het mij te doen, maar om u, om het heldere beeld van uw wezen, zoodat ik u als met eigen oogen zie.

„De bouw van het Parthenon vordert met eene haast ongeloofelijke snelheid. Waarlijk, uit eene welgevulde kas is het, zooals Callicrates pleegt te zeggen, goed bouwen.

„Vóór eenige dagen heeft er op de Acropolis een ongeluk plaats gehad, dat veel opzien verwekte. Een werkman viel van een steiger en werd doodelijk gewond: en daar dit juist geschiedde op de plaats, die Diopithes als eene „onderaardsche,” als een ongelukspunt verklaard had, heeft de gemoederen en de tongen der bijgeloovigen te Athene geducht in beweging gebracht.

„Zegepralend wijst de onverzoenlijkeErechtheüs-priesterop zijne vervulde voorspelling en verkondigt nog meer rampen in de toekomst; hetgeen de Goden mogen verhoeden!

„Hij ziet van den drempel van zijn oud heiligdom nog steeds donker en toornig op den wakkeren Callicrates neer en wenscht hem een zonnesteek toe. Doch de heetste pijlen van Apollo stuiten op het voorhoofd van den onvermoeide af. Pallas Athene dekt hem met haar schild. Hij tergt zijn tegenstander, waar hij kan, en wanneer zijne wangunstige blikken hem al te lastig worden, weet hij het zoo in te richten, dat zijne lieden eene stofwolk in de nabijheid van het Erechtheüm doen[319]opdwarrelen, die den priester noodzaakt, zich de oogen wrijvende, naar het binnenste van zijn tempel de wijk te nemen.

„Nu is zelfs een muildier in den twist dezer beide mannen betrokken geworden. Onder de muildieren namelijk, die nu reeds eenige jaren bezig zijn dag aan dag de helling van de Acropolis op en neder te draven, steenen en andere vrachten op de hoogte te sleepen, bevond er zich een, dat deels door den ouderdom, deels door eene wonde, die hij bij het vervullen van zijn arbeid gekregen had, ongeschikt voor den arbeid geworden was. Zijn drijver wilde hem sparen en in den stal rustig laten staan. Het wakkere dier echter was daar mede niet te vreden en liet zich zelfs niet door slagen afhouden datgene te doen, wat het sedert zoo langen tijd gewoon was, en draafde met zijne makkers, zij het ook onbelast, de Acropolis op en af. En dit doet het nu getrouw dag aan dag en iedereen kent den „muilezel van Callicrates,” zooals men hem noemt, daar Callicrates het onbruikbaar gewordene, maar altijd toch wakkere dier onder zijne bescherming neemt. Daar deze muilezel echter op de Acropolis zonder werk losloopt en rondstappende soms het gebied van het Erechtheüm te nabij komt en zelfs eenige malen de heilige kruiden, die daar geplant zijn, met zijn onheiligen snuit heeft besnuffeld, haat Diopithes dezen trouwsten aller arbeiders van het Parthenon bijna nog meer dan Callicrates zelven en het is niet te voorzien, welke verwikkelingen uit deze zaak nog zullen voortspruiten.

„Vaarwel, mijn held, en denk niet altijd alleen aan het verhaal van het moedertje, aan Salamis en Themistocles, maar ook eens aan uwe Aspasia. Noch Hera, noch alle pauwen van Samos zouden mij verhinderen tot u te snellen, als gij het wilt.”—

Niet lang daarna ontving Aspasia van Pericles de volgende regelen:

„Gij zijt verstoord op mij, omdat ik u de beschrijving[320]van het zeegevecht niet gegeven heb; gij verlangt dus mij vóór Samos te zien heerschen en handelen en het bevel voeren? Op zich zelf is een zeeslag misschien van alle schouwspelen het meest waard gezien te worden en ik beken u volmondig, dat ik, zoo dikwijls ik mij als strateeg ter zee met den vijand moet meten, hoezeer ook mijn plicht als aanvoerder mij geheel vervulde, toch steeds een blik van bewondering over had voor het schoone en geweldige gezicht, dat een strijd tusschen die met zeilen voorziene kolossen opleverde. De goede Clito heeft u alleen de bijomstandigheden van den slag van Salamis, niet het gevecht zelf verhaald, en daarom wil ik trachten u de geschiedenis van den strijd der schepen vóór Samos in korte trekken te schilderen, onder die voorwaarde evenwel, dat dit verhaal van krijgszaken het eenige zal zijn, ’t welk gij aangaande dezen veldtocht van mij zult ontvangen.

„Bij het eiland Tragia ontmoette ik de van Milete komende Samische vloot. Een aanval verwachtende, nam zij onmiddellijk eene vaste stelling in een kring aan, om mij te verhinderen datgene te doen, wat steeds in een zeeslag mijn hoofddoel is, namelijk de vijandelijke schepen door eene snelle en onverwachte wending in de flank aan te tasten. Ik zond eenige kloeke zeilers vooruit, om deze kringvormige positie in verwarring te brengen en door schijnaanvallen en eene geveinsde vlucht hier en daar een vijandelijk vaartuig van zijn plaats te lokken. Ook stak er een tamelijk felle wind op, wat eveneens medewerkte om door den zwaren golfslag den gesloten kring der Samische vloot te verbreken.

„Onze vloot stond van het begin af met vooruitspringende vleugels tegenover de vijandelijke linie en gereed om ieder schip, dat zich buiten den kring durfde wagen, in de flank aan te vallen.

„Intusschen gelukte het den Samischen vlootvoogd, terwijl zijne voorhoede reeds in een vrij heeten strijd gewikkeld was, uit het daarachter[321]staande gedeelte van den wankelenden en half verbroken kring eene gesloten slagrij te vormen, waarmede hij plotseling, terwijl de schepen der voorhoede, op zijn bevel, zich terugtrokken, in dichte rijen naderde.

„Een oogenblik bracht de aanval dezer gesloten phalanx9onze voorste gelederen in verwarring. De dikbuikige schepen der Samiërs met hunne trompvormig gebogen voorstevens en tallooze krachtig bewogen riemen zagen er als monsters uit, die op duizend pooten naar ons toekropen. Alleen was dit kruipen eer een vliegen, als de snelheid van den wind. Maar na weinige oogenblikken, toen ook ik de verstrooide schepen ijlings in orde had gesteld, stond onze phalanx evenzeer gesloten, als een ijzeren muur, tegenover de Samische.

„Nu ontbrandde de eigenlijke strijd in woeste verbittering. Onder luid geschreeuw op elkander losgaande, drongen de voorste rijen der onzen en die der Samiërs onstuimig op elkander in, zoodat ieder Attisch vaartuig naar twee kanten zijn aanval richtte, ieder vijandelijk schip zich naar twee kanten verdedigde. Geleken de Samische schepen op dreigend vooruitstekende zwijnensnuiten, de onzen waren met zeeslangen te vergelijken, die tusschen die snuiten door vlug en met doodelijke beten rechts en links hare kronkelingen wisten te slingeren. In de dicht opeen gepakte rijen begonnen nu van schip tot schip de geweldige krijgswerktuigen te werken: de catapulten en schorpioenen10slingerden hun geschut en de vreeselijke dolfijnen11lange balken met zware, ijzeren punten, die, nederstortend op het vijandelijke vaartuig, met goed berekende juistheid nederdaalden en de mast verpletterden of het verdek verbrijzelden[322]en als met ijzeren klauwen het schip vasthielden en tot een buit van den aanvaller maakten. En terwijl de aandacht van het vijandelijk vaartuig door een hagel van pijlen, waarmede zijn verdek overstormd werd, werd beziggehouden, voeren stoute, lichte booten om het zeegevaarte heen, wier bemanning met bijlen zijne riemen vernielde.

„En toen ten laatste de schepen kiel aan kiel gesloten waren en de hoog uitstekende boorden der onzen en der vijanden elkander raakten, vormden de vereenigde verdekken weldra een slagveld, waarop de zwaargewapenden met lans en zwaard, man tegen man, tegenover elkander stonden. De vermetelsten aarzelden niet aan boord der naaste vijandelijke vaartuigen te springen. Sommigen der onzen gelukte het hier en daar de vijandelijke bemanning neder te houwen, den triërarch gevangen te nemen, zich van het roer meester te maken en de weerlooze roeiers te dwingen het buitgemaakte vaartuig uit de Samische linie naar de Atheensche over te brengen.

„Hoe roemrijk bij dergelijke waagstukken de heldhaftige zin zich ook openbaarde, ik keurde dien al te onstuimigen moed af, daar ik er steeds op bedacht ben, in den zeestrijd het bloed mijner dapperen zooveel mogelijk te sparen en meer de schepen dan de menschen tegen elkaar te doen strijden. Waarom zouden dezen elkander vermoorden, waar gene door stoute, snelle bewegingen in staat zijn den kamp te beslissen?

„Ik voer tusschen de schepen der vloot door en riep den triërarchen toe, dat zij liever met de scheepsnebben en de ijzeren, puntige balken, dan met zwaard en lans moesten strijden en hun schip niet als een burgt, maar als wapen zouden beschouwen. Zij begrepen mij en daar de Samiërs talrijke onbruikbaar gemaakte schepen uit den slag brachten, doch met het overschot dichter opeen drongen, werd het ons te gemakkelijker, om de schepen te enteren en in de flank aan te tasten.

„Thans werd het ons hoofddoel, om de vijandelijke[323]schepen in den grond te boren. Het was nu inderdaad een strijd der schepen zelve geworden. Benevens het geweld der in volle vaart aangebrachte scheepsnebben, benevens de kracht der ijzeren, puntige balken aan de kiel, bewezen de door mijzelve uitgevonden „ijzeren handen”12voortreffelijke diensten, daar zij menig Samisch vaartuig aangrepen en vast omkneld hielden in hare vreeselijke omarming. Onder het dof gekreun der tegen elkander botsende balken mengde zich het snerpend gekraak van splinterende riemen, wanneer in snelle, goed berekende vaart een vaartuig vlak langs het vijandelijke schoot en het uitstekend roeituig als dorre takken deed breken.

„De Samiërs deinsden terug, zij geraakten in wanorde doch zij weken nog niet. Vertoornd over dien trots, verdrietig over den langen strijd, wilde ik juist het bevel geven eenige transportschepen met werk en rijs geladen, in brand te steken en in de vijandelijke rijen te zenden, om het overschot der weerbarstige Samische vloot teverbranden, toen plotseling een geweldig stuk steen naar den mast van mijn schip werd geslingerd. De mast werd niet getroffen, de stuurman echter wel, die oogenblikkelijk met verbrijzelden schedel van zijn stuurstoel afviel. Bij het nedervallen had de steenklomp tevens het roer zelf, met alles wat in de nabijheid zich bevond, verpletterd. De steen was van het admiraalschip der Samiërs geslingerd, waaruit ik opmaakte, dat de Samische vlootvoogd mij zelven tot een persoonlijken kamp uitdaagde. Doch met mijn ontredderd schip was weerstand onmogelijk. Snel en zonder dat de vijand het kon bemerken klom ik van den achtersteven van het schip langs een ladder in een boot en spoedde mij naar een ander vaartuig, de „Pharthenos”13, en terwijl het Samische admiraalschip mijn ontredderd schip bemachtigde om het, met mij zelven als krijgsgevangene,[324]naar de Samiërs meenden, buit te maken en mede te voeren, boorde ik met de „Pharthenos” in de flank van den Samiër, zoodat hij, lek geworden, water schepte en op zij vallend onder den waterspiegel verdween. De Samische vlootvoogd zelf was een der weinigen, die onder een pijlregen der onzen, die hun krachtigen zegekreet reeds deden weerschallen, ter nauwernood al zwemmend zich redden. Nu eerst weken de Samiërs en de zege was ons.

Nog op den avond van denzelfden dag kwam de Samische opperbevelhebber, Melissus, onder veilig geleide op mijn schip, om met mij over de vredesvoorwaarden te onderhandelen; hij stelde echter zulke eischen, dat men mij voor overwonnen zou hebben moeten houden, als ik ze aangenomen had. Hij erkende wel dat de vloot der Samiërs verslagen was, maar gaf de verzekering, dat de stad echter in staat en voornemens was een lang beleg uit te houden. Bovendien was Phoenische hulp in aantocht en eene geldelijke ondersteuning was den Persischen satraap te Sardes aangeboden. Melissus lei bij dit geheele onderhoud eene wilskracht en hardnekkigheid aan den dag, zooals alleen een wijsgeer in staat is te ontwikkelen. Hij is van eene hooge gestalte, reeds op vrij gevorderden leeftijd en zijn voorhoofd draagt zoozeer den stempel van den diepzinnigen denker, dat het mij schier ongeloofelijk voorkwam, in hem den man te zien, die nog zooeven eene vloot tegen mij aangevoerd had en dien ik met de vlugheid eens jongelings door de met wrakken bezaaide golven had zien zwemmen. Weldra zag ik in hem alleen den in geheel Griekenland met roem overdekten wijze uit de school van Parmenides. Ik weet zelf niet hoe het kwam, dat ons gesprek langzamerhand en onmerkbaar in wijsgeerige overdenkingen overging. Waarheid is, dat hij mij ten laatste met groote levendigheid uiteen zette, dat, wanneer iets is, het eeuwig is; dat het eeuwige echter in ruimte onbegrensd was en het waarachtig eeuwige, één en[325]oneindig, alles in zich omvatte; want als er twee of meer oneindigheden waren, moesten zij elkander begrenzen en waren derhalve niet meer oneindig en het Al moest iets in zich zelf gelijksoortigs zijn; want ware er iets waarachtig ongelijksoortigs, dan bestond niet meer het ééne, maar het vele; het vele echter kon niet bestaan, want dat het bestond was slechts schijn en gold alleen voor de zinnelijke waarneming, niet voor de denkende bespiegeling van den geest.—

„Toen toevallig eenige andere strategen en triërarchen binnenkwamen, die met groote nieuwsgierigheid en belangstelling den uitslag onzer vredesonderhandelingen verbeidden en nu hoorden dat de Samische vlootvoogd en ik ons over de onbegrensdheid van het Al en over de oneindigheid van het ongeschapen Zijn onderhielden, bleven zij geheel verbluft en met open mond staan, en wij zelven moesten lachen, als wij nagingen hoe wij zooeven nog met scheepsnebben en doodelijk geschut tegen elkander hadden gewoed, doch thans in een dergelijk onderwerp verdiept waren. Want daar ik dergelijke vertoogen, als Melissus hield, te Athene dikwijls uit den mond van Zeno had gehoord en deze Eleatische stellingen en strijdvragen mij steeds de grootste belangstelling hadden ingeboezemd, behoefde ik Melissus het antwoord niet schuldig te blijven en ons gesprek had inderdaad bijna het karakter van een wijsgeerigen strijd aangenomen.

„Hoe veel beter zou het zijn,” zei ik tot Melissus, toen wij afscheid namen en ik hem de hand schudde, „als wij Hellenen allen, zooverre onze taal op de kusten en eilanden wordt gesproken, daar wij toch door één geestelijk streven verbonden zijn, ook door één zelfde staatkundig belang in den loop der tijden konden vereenigd worden!”

„Een bliksemstraal schoot bij deze woorden uit het grauwe donkere oog van den Samiër.

„Ongetwijfeld,” zeide hij met een bitteren, spottenden glimlach, „hoopt gij, dat het Athene zal zijn, dat allen Hellenen in zijn gebied lokt en hen[326]goedschiks of kwaadschiks tot ééne staat vereenigt?”

„Ik begreep het gevoel van den vaderlandslievenden man, die met zooveel warmte voor de onafhankelijkheid van zijn eiland streed en ik waardeerde het.

„Het is nu eenmaal het lot van alle welgemeende bedoelingen en gedachten, dat zij schipbreuk lijden op de klip van kleinere belangen, die toch eigenlijk zich moesten oplossen in de grootere. Het wordt met ondank beloond, als men de gedachte van een groot geheel in zijn hart opvat en daarvoor wil werken. Spoor ik de Hellenen aan tot eenheid, dan zien zij daarin alleen Atheensche veroveringszucht of zelfs eerzuchtige bedoelingen van mijzelven. Zoo gevoelt men zich met zijn besten wil en bedoelingen telkens gedwarsboomd door eene jammerlijke bekrompenheid. Daardoor heb ik soms oogenblikken, dat alle kracht en lust tot den arbeid mij ontzinken en ik troost zoek in de reine sfeer der gedachte, waar de geest in onbeperkte vlucht zich kan verheffen in de ongemeten ruimten van het geestelijke en ongeziene. Als ik in stilte des nachts op het verdek treed van mijn vaartuig, boven mij de met sterren bezaaide hemel zich welft—als de masten onbewegelijk zich verheffen en daar boven de oneindigheid het uitspansel zich uitbreidt—als geen geluid wordt gehoord, dan het zachte, welluidende kabbelen der golven, licht bewogen door den adem van den wind, tegen de kiel van het schip—dan rijst het beeld van Melissus op voor mijn geest en ik geloof niet langer aan, maar gevoel de waarheid van zijne oneindige, eeuwige eenheid van het Zijn.

„Meer dan gij gelooven kunt, denk ik aan u, aan de vrienden te Athene en aan datgene, wat daar onder hunne handen der voltooiing nadert. Thans, nu hier, naar het schijnt, het moeilijkste volbracht is en eene wellicht lange, vervelende belegering mij bijna tot werkeloosheid veroordeelt, durf ik u mijn heimwee naar Athene wel bekennen, zonder mij daarvoor te schamen.[327]

„Het ongeluk, dat de werkman bij den bouw van het Parthenon heeft getroffen, waaraan Diopithes op zoo kwaadwillige wijze eene rampzalige uitlegging heeft gegeven, is mij zeer ter harte gegaan. Ik heb Hippocrates doen verzoeken den gewonde, als hij nog leeft, te behandelen, en wanneer het ons gelukt hem te redden en Diopithes te beschamen, doe ik de gelofte uit dankbaarheid voor Pallas Hygieia14een altaar op de Acropolis op te richten.

„Wat voorts het wakkere muildier van Callicrates aangaat, ik ben van meening, dat het beschouwd moet worden om zijne trouw en vlijt den staat der Atheners belangrijke diensten bewezen te hebben en om te voorkomen, dat de afgunst van Diopithes hem onheil zal berokkenen, heb ik hem de vrijheid bezorgd te snuffelen en te grazen, waar het hem lust, en alles wat hij aan het goed van een ander beschadigt of zich daarvantoeëigent, zal den eigenaars van staatswege vergoed worden.”

Nog vóór Aspasia gelegenheid gevonden had dezen laatsten brief van Pericles te beantwoorden, ontving zij opnieuw eenige letteren van hem, die de bevestiging inhielden van het ongeluk, dat het Atheensche leger vóór Samos had getroffen, terwijl Pericles de Phoenische hulpvloot te gemoet was getrokken.

Slechts met enkele woorden meldde Pericles deze zaak in zijn brief aan Aspasia. Daarna vervolgde hij aldus:

„Kondt gij het voor mogelijk houden, dat onder ons Hellenen datgene nog steeds gebeuren kan, wat ik gezien heb, toen ik mij naar het leger begaf, dat de stad van de landzijde had ingesloten en door de uitvallen der Samiërs niet weinig geleden had? Luide jammerklachten klonken mij in het oor, toen ik het kamp binnentrad. Ik vond den priester van het leger juist bezig aan Zeus, den Redder15een offer te brengen. In den kring,[328]die zich rondom het altaar en den priester gevormd had, zag ik vijftig gevangen genomen Samiërs met gebonden handen staan. Ik vroeg wat er met deze menschen, die als offerdieren om het altaar stonden, moest geschieden. Toen vernam ik dat de ziener, die van staatswege aan het leger was toegevoegd, verklaard had, dat het de wil van Zeus den Redder was, dat hem ter eere de vijftig Samische krijgsgevangenen plechtig zouden worden geofferd. En men was juist op het punt den wil van Zeus te volbrengen. Ik trad op den priester en ziener toe en verklaarde ten aanhoore van het geheele leger, dat het een leugen was, dat de Goden der Hellenen ooit menschenoffers wilden en stelde mij daarmede tevreden door op de voorhoofden der vijftig Samiërs het teeken van een zwijnensnuit, zooals de voorsteven der Samische schepen voeren, af te drukken, ter vergelding van den smaad, dien zij kort te voren aan onze gevangenen hadden aangedaan, door in hun lichaam een uil16in te branden.

„Nu belegeren wij opnieuw de stad en bestormen haar van de landzijde met stormrammen en werpgeschut.

„De brieven, die ik van Telesippe ontvang, zijn vol klachten over den jongen Alcibiades”—

Aspasia beantwoordde de letteren van Pericles op de volgende wijze:

„Vele en gewichtige zaken, dierbare Pericles, hebben uwe beide laatste brieven mij medegedeeld. Vele dingen, waarbij ik van vreugde zou kunnen juichen, ook andere zaken die een bange vrees, zij het ook slechts eene voorbijgaande, voor u in mijne ziel opwekten. Maar waarom zou ik over de wisseling der fortuin al te zeer klagen, daar juist in deze wisseling de onveranderlijkheid van uw eigen, trouw beeld mij te duidelijker wordt afgespiegeld? Gij hebt mij, zooals ik wenschte, zonder het te weten, u zelven afgeschilderd. Hoe arm zijn[329]woorden en hoeveel vuriger zou een kus, op uw voorhoofd gedrukt, u zeggen wat ik gevoel! De tijd vliegt mij om, als ik aan u denk en de liederen van Sappho bij de klank der snaren zing.

„Phidias en de zijnen zijn onvermoeid. Verdiept in hunne berekeningen en als door eene daemonische macht voortgezweept, luisteren zij slechts met een half oor naar de gebeurtenissen, die buiten hun werkkring, elders in de wereld plaats grijpen. Vergeef hethen: want ook zij arbeiden toch voor u en den roem van uw naam tot in de verste toekomst.

„Over den jongen Alcibiades verneem ik telkens een en ander; want hij begint de aandacht van de Atheners tot zich te trekken. Er zijn er velen, die in de worstelschool of waar hij zich ook vertoont, zich om hem verdringen. Maar hij sluit zich alleen aan bij Socrates, wellicht omdat deze hem niet vleit. Toen hij onlangs door zijn paedagoog begeleid over straat ging, met een kwartel, zijn lievelingsvogel, in den mantel verborgen, drong er weder veel volk om hem heen. Terwijl hij nu genoodzaakt was hieraan zijn aandacht te wijden, ontvloog hem den kwartel. De jongeling werd daarover zoo driftig, dat half Athene op de been kwam, om den kwartel van Alcibiades weder op te vangen. Zóó zijn de Atheners! Intusschen, wanneer zij den jongen Alcibiades bederven, komt dit grootendeels ook daar van daan, dat hij de pleegzoon is van Pericles, den grooten Pericles, die na de zege bij Tragia meer dan ooit de held van den dag is.

„Alleen Diopithes blijft heimelijk tegen u mokken, benevens de zuster van Cimon en uwe vrouw Telesippe. Op hunne zijde zijn de oude pruiken met hun ouderwetsche kleeding en de haarvlecht over de kruin samengebonden, de ijdele oude strijders bij Marathon17en afgeleefde grijsaards en zotte Spartanen-vrienden, die lang haar dragen,[330]het lichaam oefenen, honger lijden, zich nooit wasschen en met hun lompen knuppel op de steenen der straat ratelen; voorts verscheidene suffers, die meenen de wijsheid in pacht te hebben, en sterrekijkers, die barrevoets en met gescheurde mantels loopen, doch de wenkbrauwen bedenkelijk fronsen, den neus in den haveloozen, langen baard steken en er een deftigen onderkin op nahouden. Al deze lieden denken in uwe afwezigheid aan het spreekwoord: „als de wijnstok niet bewaakt wordt, is het goed druiven plukken.”18

„Theodota zweert nog steeds, naar ik hoor, dat de zwaardvisch Pericles eens zeker in haar net zal spartelen. Geheime draden schijnen steeds tusschen deze vrouw en onze vijanden gesponnen te worden. Elpinice loopt zich de beenen onder haar lijf stuk, om hare vrienden en vriendinnen tegen mij op te zetten. Door hare en uwe vrouw word ik openlijk vervolgd; zij zien, dat ik weerloos en onbeschermd ben en houden mij voor eene lichte en zekere prooi.

„Euripides schijnt het er op gezet te hebben te loochenstraffen, wat uw vriend Sophocles van hem gezegd heeft. Ik zie hem nog altijd somber, knorrig, ontevreden. Toch maakte hij mij in tegenwoordigheid van Socrates tot vertrouwde van zijn treurig levenslot. Hij gaf mij eene schildering van het karakter zijner gemalin, eene schildering, die ik u niet behoef te herhalen, daar de dierbare echtgenoote van dentreurspeldichterhet trouwe afbeeldsel is van uwe beminde Telesippe. Doch hoor nu eens, wat de dichter besloten heeft, om zich van dit ondragelijk gezelschap te ontslaan. Hij denkt zijne vrouw weg te zenden en eene betere, die meer aan de behoefte van zijn hart beantwoordt, voor haar in de plaats te nemen.—Dierbare held, wat zegt gij van zulk een mannelijk besluit van den dichter?”—[331]

Na eenigen tijd schreef Pericles aan Aspasia:

„Ik weet niet of ik den lof van edelmoedigheid verdien, dien gij mij toezwaait. Ik ben ten hoogste verbitterd op die koppige Samiërs en ik zal hen, als de tijd daarvoor gekomen is, geducht voor hunne hardnekkigheid doen boeten.

„In de dagen van werkeloosheid en ongeduld is de edele, opgeruimde Sophocles mij een dubbel gewenschte vriend, terwijl hij zich overigens als medestrateeg voortreffelijk houdt. Steeds is hij bereid mij ten dienste te staan, het liefst bij vreedzame zendingen. Als bemiddelaar en onderhandelaar werkt hij met zoo’n wonderlijke macht, dat men hem voor een toovenaar zou houden; het verwondert mij trouwens niet want zijn karakter is zoo innemend, dat hij zonder uitzondering bij allen geliefd is. Hij staat mij getrouw ter zijde in mijne pogingen, om de verwildering der gemoederen tegen te gaan, die bij een langdurigen oorlog zoo licht zich van het krijgsvolk meester maakt. Nu eens moeten de wetten der menschelijkheid gehandhaafd, dan weder een ergerlijk vooroordeel uitgeroeid worden. Gij weet zelve, hoeveel in dit opzicht nog bij ons Atheensch volk te doen valt.

„Wanneer een onweder losbreekt en de bliksem midden in ons kamp slaat, of de stuurman van mijn schip bij eene invallende zonsverduistering zijne zinnen verliest, dan moet ik alles, wat ik aangaande de oorzaak van dergelijke natuurverschijnselen van Anaxagoras geleerd heb, mij voor den geest halen, om de verschrikte en verslagen mannen tot bedaren te brengen.

„Doch, ik vertel u hoe ik mijn best doe de vooroordeelen van anderen uit te roeien en ik vergeet, dat gij mij soms beschuldigt zelf er nog mede behebt te zijn. Gij vraagt den echtgenoot van Telesippe, wat hij zegt van het manhafte besluit van Euripides?—Ik zal u dat mondeling mededeelen, als ik weer in Athene ben teruggekeerd.”

Zóó schreef Pericles.

Negen maanden lang bood de trotsche eilandstad[332]hardnekkigen weerstand en menig bericht werd er van Samos naar Athene, van Pericles naar Aspasia gezonden.

Ten laatste meldde de Atheensche veldheer aan zijne Milesische vriendin:

„Samos is stormenderhand genomen, de trots van Melissus gebroken, de vrede gesloten. De Samiërs leveren hunne schepen uit en slechten de muren.

„Toch is het mij niet mogelijk aanstonds naar Athene terug te keeren. Ik moet eerst nog naar het naburige Milete, waar velerlei zaken te regelen zijn.

„Slechts kort is dit uitstel en wij zullen binnen weinige weken elkander wederzien.

„Op de vloot heerscht groote vreugde en de triërarchen verblijden zich over de overwinning, voor een deel in gezelschap hunner vriendinnen, van welke reeds eenigen gedurende de langdurige belegering van Athene naar Samos zijn overgekomen. Deze schoonen hebben de gelofte afgelegd, na de verovering van Samos in de stad van den beroemden Hera-tempel nu op hare kosten een tempel te bouwen voor de Godin der Liefde. Het schijnt, dat zij vast besloten zijn die gelofte te houden. Vóór weinige dagen is ook Theodota hier gekomen, volgens den wensch van haar vriend Hipponicus, die even goed patriot als gastronoom is en zich op het schip, waarvan hem de triërarchie was aangewezen, niet door een ander liet vervangen, maar zelf den zeetocht heeft medegemaakt.

„Vaarwel! Te Milete, uw vaderstad, zal ik voortdurend aan u denken!”

Toen Aspasia den brief van Pericles had gelezen, dacht zij eene poos na.

Daarop nam zij een stout besluit.

Den volgenden dag zag men haar reisvaardig met eene slavin zich naar den Piraeus begeven en een vaartuig beklimmen, dat op het punt was uit de haven van Athene koers te zetten naar de Ionische kust.[333]

1Priëne is eene stad in Ionië, bekend als de geboorteplaats van Bias, een der zeven wijzen van Griekenland.↑2Samos was de voornaamste stad van het eiland van dien naam.↑3Onder de Eleatische school verstaat men die wijsgeerige school, welke gesticht is door Xenophanes uit Colophon, die zich te Elea, eene stad in Beneden-Italië, vestigde. Parmenides, Zeno en de hier genoemde Melissus waren hare beroemdste vertegenwoordigers. Hunne hoofdstelling was, dat het wezen des heelals één, ondeelbaar en onveranderlijk is; dat dit alleen bestaat, terwijl de talrijke natuurverschijnselen slechts voor de gedachte aanwezig zijn.↑4Ares is de oorlogsgod, de zoon van Zeus en Hera, de Romeinsche Mars.↑5Trimetros beteekent uit drie maten bestaande, namelijk uit zes voeten (= drie dipodieën) in den jambischen (iambus, eene korte syllabe door eene lange gevolgd), trochaëschen (trochaeüs, eene lange syllabe door eene korte gevolgd) en anapaestischen rhythmus (anapaestus, twee korte syllaben door eene lange gevolgd); in de andere verssoorten bestaat hij uit drie voeten.Daar de trimetros bij de treurspeldichters zeer geliefd is, staat „trimeters” hier gelijk met „verzen”.↑6Themistocles was een der grootste veldheeren en staatslieden van Athene. Hij was de zoon van Neocles en werd in 514 v. C. te Athene geboren. Hij was de groote tegenstander van den onkreukbaren Aristides, wien hij door het schervengerecht uit Athene verdreef. Hij was de schepper der Atheensche zeemacht; deed de stad, die door de Perzen verwoest was, herbouwen en versterken; verbond de stad met de haven door lange muren, tot ook eindelijk hij door hetzelfde schervengerecht werd verdreven (472) en zelfs van hoogverraad werd beschuldigd. Zijne laatste levensjaren sleet hij bij den koning der Perzen, Artaxerxes, die hem rijkelijk beloonde en eerde. Hij stierf in 461 v. C.↑7Aeäciden zijn nakomelingen van Aeasus, den zoon van Zeus en Aegina naar welke laatste het eiland (Oenone) geheeten werd, die op Aegina als halfgod werd vereerd. Tot de beroemdste Aeäciden behoort Achilles, de zoon van Peleus en Thetis.↑8Euripos beteekent in het algemeen: zeeëngte, kanaal, in het bijzonder echter de zeeëngte tusschen Euboeä en het vasteland.↑9Slagorde.↑10Catapulten en schorpioenen (scorpio) waren belegeringswerktuigen, waarmede men steenen, pijlen enz. slingerde. De eerste schoten in horizontale, de laatste in boogvormige richting.↑11Dolphinus, in het Grieksch Delphis geheeten, was een krijgswerktuig van de gedaante van een dolfijn, dat van ijzer of lood gemaakt, door eene machine opgetrokken en vervolgens op een vijandelijk schip geslingerd werd.↑12Deze uitdrukking is woordelijk uit het Grieksch vertaald en komt overeen met ons „enterhaken”.↑13Het Grieksche pharthenos beteekent maagd.↑14De Godin der gezondheid (Hygieia).↑15Als zoodanig heeft Zeus den bijnaam: Soter.↑16De uil was aan de Godin Pallas Athene gewijd.↑17De naam Marathon-strijder (Marathonomachos) was zeer in zwang als vereerende titel voor den dappere en onversaagde.↑18Een Grieksch spreekwoord, ongeveer overeenkomende met ons: „als de kat uit is, vieren de muizen feest,” moedig zijn als er geen gevaar is, of iets dergelijks.↑

1Priëne is eene stad in Ionië, bekend als de geboorteplaats van Bias, een der zeven wijzen van Griekenland.↑2Samos was de voornaamste stad van het eiland van dien naam.↑3Onder de Eleatische school verstaat men die wijsgeerige school, welke gesticht is door Xenophanes uit Colophon, die zich te Elea, eene stad in Beneden-Italië, vestigde. Parmenides, Zeno en de hier genoemde Melissus waren hare beroemdste vertegenwoordigers. Hunne hoofdstelling was, dat het wezen des heelals één, ondeelbaar en onveranderlijk is; dat dit alleen bestaat, terwijl de talrijke natuurverschijnselen slechts voor de gedachte aanwezig zijn.↑4Ares is de oorlogsgod, de zoon van Zeus en Hera, de Romeinsche Mars.↑5Trimetros beteekent uit drie maten bestaande, namelijk uit zes voeten (= drie dipodieën) in den jambischen (iambus, eene korte syllabe door eene lange gevolgd), trochaëschen (trochaeüs, eene lange syllabe door eene korte gevolgd) en anapaestischen rhythmus (anapaestus, twee korte syllaben door eene lange gevolgd); in de andere verssoorten bestaat hij uit drie voeten.Daar de trimetros bij de treurspeldichters zeer geliefd is, staat „trimeters” hier gelijk met „verzen”.↑6Themistocles was een der grootste veldheeren en staatslieden van Athene. Hij was de zoon van Neocles en werd in 514 v. C. te Athene geboren. Hij was de groote tegenstander van den onkreukbaren Aristides, wien hij door het schervengerecht uit Athene verdreef. Hij was de schepper der Atheensche zeemacht; deed de stad, die door de Perzen verwoest was, herbouwen en versterken; verbond de stad met de haven door lange muren, tot ook eindelijk hij door hetzelfde schervengerecht werd verdreven (472) en zelfs van hoogverraad werd beschuldigd. Zijne laatste levensjaren sleet hij bij den koning der Perzen, Artaxerxes, die hem rijkelijk beloonde en eerde. Hij stierf in 461 v. C.↑7Aeäciden zijn nakomelingen van Aeasus, den zoon van Zeus en Aegina naar welke laatste het eiland (Oenone) geheeten werd, die op Aegina als halfgod werd vereerd. Tot de beroemdste Aeäciden behoort Achilles, de zoon van Peleus en Thetis.↑8Euripos beteekent in het algemeen: zeeëngte, kanaal, in het bijzonder echter de zeeëngte tusschen Euboeä en het vasteland.↑9Slagorde.↑10Catapulten en schorpioenen (scorpio) waren belegeringswerktuigen, waarmede men steenen, pijlen enz. slingerde. De eerste schoten in horizontale, de laatste in boogvormige richting.↑11Dolphinus, in het Grieksch Delphis geheeten, was een krijgswerktuig van de gedaante van een dolfijn, dat van ijzer of lood gemaakt, door eene machine opgetrokken en vervolgens op een vijandelijk schip geslingerd werd.↑12Deze uitdrukking is woordelijk uit het Grieksch vertaald en komt overeen met ons „enterhaken”.↑13Het Grieksche pharthenos beteekent maagd.↑14De Godin der gezondheid (Hygieia).↑15Als zoodanig heeft Zeus den bijnaam: Soter.↑16De uil was aan de Godin Pallas Athene gewijd.↑17De naam Marathon-strijder (Marathonomachos) was zeer in zwang als vereerende titel voor den dappere en onversaagde.↑18Een Grieksch spreekwoord, ongeveer overeenkomende met ons: „als de kat uit is, vieren de muizen feest,” moedig zijn als er geen gevaar is, of iets dergelijks.↑

1Priëne is eene stad in Ionië, bekend als de geboorteplaats van Bias, een der zeven wijzen van Griekenland.↑

1Priëne is eene stad in Ionië, bekend als de geboorteplaats van Bias, een der zeven wijzen van Griekenland.↑

2Samos was de voornaamste stad van het eiland van dien naam.↑

2Samos was de voornaamste stad van het eiland van dien naam.↑

3Onder de Eleatische school verstaat men die wijsgeerige school, welke gesticht is door Xenophanes uit Colophon, die zich te Elea, eene stad in Beneden-Italië, vestigde. Parmenides, Zeno en de hier genoemde Melissus waren hare beroemdste vertegenwoordigers. Hunne hoofdstelling was, dat het wezen des heelals één, ondeelbaar en onveranderlijk is; dat dit alleen bestaat, terwijl de talrijke natuurverschijnselen slechts voor de gedachte aanwezig zijn.↑

3Onder de Eleatische school verstaat men die wijsgeerige school, welke gesticht is door Xenophanes uit Colophon, die zich te Elea, eene stad in Beneden-Italië, vestigde. Parmenides, Zeno en de hier genoemde Melissus waren hare beroemdste vertegenwoordigers. Hunne hoofdstelling was, dat het wezen des heelals één, ondeelbaar en onveranderlijk is; dat dit alleen bestaat, terwijl de talrijke natuurverschijnselen slechts voor de gedachte aanwezig zijn.↑

4Ares is de oorlogsgod, de zoon van Zeus en Hera, de Romeinsche Mars.↑

4Ares is de oorlogsgod, de zoon van Zeus en Hera, de Romeinsche Mars.↑

5Trimetros beteekent uit drie maten bestaande, namelijk uit zes voeten (= drie dipodieën) in den jambischen (iambus, eene korte syllabe door eene lange gevolgd), trochaëschen (trochaeüs, eene lange syllabe door eene korte gevolgd) en anapaestischen rhythmus (anapaestus, twee korte syllaben door eene lange gevolgd); in de andere verssoorten bestaat hij uit drie voeten.Daar de trimetros bij de treurspeldichters zeer geliefd is, staat „trimeters” hier gelijk met „verzen”.↑

5Trimetros beteekent uit drie maten bestaande, namelijk uit zes voeten (= drie dipodieën) in den jambischen (iambus, eene korte syllabe door eene lange gevolgd), trochaëschen (trochaeüs, eene lange syllabe door eene korte gevolgd) en anapaestischen rhythmus (anapaestus, twee korte syllaben door eene lange gevolgd); in de andere verssoorten bestaat hij uit drie voeten.

Daar de trimetros bij de treurspeldichters zeer geliefd is, staat „trimeters” hier gelijk met „verzen”.↑

6Themistocles was een der grootste veldheeren en staatslieden van Athene. Hij was de zoon van Neocles en werd in 514 v. C. te Athene geboren. Hij was de groote tegenstander van den onkreukbaren Aristides, wien hij door het schervengerecht uit Athene verdreef. Hij was de schepper der Atheensche zeemacht; deed de stad, die door de Perzen verwoest was, herbouwen en versterken; verbond de stad met de haven door lange muren, tot ook eindelijk hij door hetzelfde schervengerecht werd verdreven (472) en zelfs van hoogverraad werd beschuldigd. Zijne laatste levensjaren sleet hij bij den koning der Perzen, Artaxerxes, die hem rijkelijk beloonde en eerde. Hij stierf in 461 v. C.↑

6Themistocles was een der grootste veldheeren en staatslieden van Athene. Hij was de zoon van Neocles en werd in 514 v. C. te Athene geboren. Hij was de groote tegenstander van den onkreukbaren Aristides, wien hij door het schervengerecht uit Athene verdreef. Hij was de schepper der Atheensche zeemacht; deed de stad, die door de Perzen verwoest was, herbouwen en versterken; verbond de stad met de haven door lange muren, tot ook eindelijk hij door hetzelfde schervengerecht werd verdreven (472) en zelfs van hoogverraad werd beschuldigd. Zijne laatste levensjaren sleet hij bij den koning der Perzen, Artaxerxes, die hem rijkelijk beloonde en eerde. Hij stierf in 461 v. C.↑

7Aeäciden zijn nakomelingen van Aeasus, den zoon van Zeus en Aegina naar welke laatste het eiland (Oenone) geheeten werd, die op Aegina als halfgod werd vereerd. Tot de beroemdste Aeäciden behoort Achilles, de zoon van Peleus en Thetis.↑

7Aeäciden zijn nakomelingen van Aeasus, den zoon van Zeus en Aegina naar welke laatste het eiland (Oenone) geheeten werd, die op Aegina als halfgod werd vereerd. Tot de beroemdste Aeäciden behoort Achilles, de zoon van Peleus en Thetis.↑

8Euripos beteekent in het algemeen: zeeëngte, kanaal, in het bijzonder echter de zeeëngte tusschen Euboeä en het vasteland.↑

8Euripos beteekent in het algemeen: zeeëngte, kanaal, in het bijzonder echter de zeeëngte tusschen Euboeä en het vasteland.↑

9Slagorde.↑

9Slagorde.↑

10Catapulten en schorpioenen (scorpio) waren belegeringswerktuigen, waarmede men steenen, pijlen enz. slingerde. De eerste schoten in horizontale, de laatste in boogvormige richting.↑

10Catapulten en schorpioenen (scorpio) waren belegeringswerktuigen, waarmede men steenen, pijlen enz. slingerde. De eerste schoten in horizontale, de laatste in boogvormige richting.↑

11Dolphinus, in het Grieksch Delphis geheeten, was een krijgswerktuig van de gedaante van een dolfijn, dat van ijzer of lood gemaakt, door eene machine opgetrokken en vervolgens op een vijandelijk schip geslingerd werd.↑

11Dolphinus, in het Grieksch Delphis geheeten, was een krijgswerktuig van de gedaante van een dolfijn, dat van ijzer of lood gemaakt, door eene machine opgetrokken en vervolgens op een vijandelijk schip geslingerd werd.↑

12Deze uitdrukking is woordelijk uit het Grieksch vertaald en komt overeen met ons „enterhaken”.↑

12Deze uitdrukking is woordelijk uit het Grieksch vertaald en komt overeen met ons „enterhaken”.↑

13Het Grieksche pharthenos beteekent maagd.↑

13Het Grieksche pharthenos beteekent maagd.↑

14De Godin der gezondheid (Hygieia).↑

14De Godin der gezondheid (Hygieia).↑

15Als zoodanig heeft Zeus den bijnaam: Soter.↑

15Als zoodanig heeft Zeus den bijnaam: Soter.↑

16De uil was aan de Godin Pallas Athene gewijd.↑

16De uil was aan de Godin Pallas Athene gewijd.↑

17De naam Marathon-strijder (Marathonomachos) was zeer in zwang als vereerende titel voor den dappere en onversaagde.↑

17De naam Marathon-strijder (Marathonomachos) was zeer in zwang als vereerende titel voor den dappere en onversaagde.↑

18Een Grieksch spreekwoord, ongeveer overeenkomende met ons: „als de kat uit is, vieren de muizen feest,” moedig zijn als er geen gevaar is, of iets dergelijks.↑

18Een Grieksch spreekwoord, ongeveer overeenkomende met ons: „als de kat uit is, vieren de muizen feest,” moedig zijn als er geen gevaar is, of iets dergelijks.↑


Back to IndexNext