[Inhoud]XII.UREN VAN ZALIGHEID.Van Samos had Pericles met twee zijner galeien den kortsten tocht naar Milete gemaakt.De triërarch van het tweede schip was niemand anders dan Hipponicus. Deze had Pericles verzocht hem naar Milete te mogen vergezellen. Onder zijn geleide bevond zich de schoone hetaere Theodota.Zóó geraakte de verleidelijke danseres weder in de omgeving van Pericles en kon voor hem weder hare bekoorlijkheden ten toon spreiden.De Milesiërs ontvingen den Atheenschen strateeg met gejuich. Met schitterende feesten vierden zij zijne aankomst en met een gouden lauwerkrans vereerden zij den overwinnaar van Samos.Pericles voelde zich als door zwoelen adem aangewaaid toen hij Klein-Azië’s kusten betrad. Dit was toch het land der Artemis beelden met hun duizend borsten, met de reuzentempels, die de Helleensche schoone vormen met de kolossale, reusachtige afmetingen van het Oosten vereenigden, het land der Aphrodite-priesteressen, die zich aan het zingenot wijdden, het land der weekelijke, vrouwelijke melodieën, het land van de moeder der Goden, wier feestrijen op den Tmolus door orgiastische1woestheid en mystieke razernij van het Oosten zich kenmerkte, het land ook van haar pleegzoon, den vreugdegod Dionysus, die reeds door zijn karakter en uiterlijk, teeder en vrouwelijk van gestalte en toch vol moed en vuur, met weelderige lokken en rijken haardos door eene lydische mitra2getooid, in veelkleurig, wijd gewaad,[334]alsKlein-Azië’sechte zoon zich betoonde.En zoo ergens op de Ionische kusten van Azië, dan waaide deze zwoele adem, die den Athener Pericles trof in de straten van het rijke, prachtige, met rozen bezaaide Milete. Hier hoorde men over de Perzen en de satrapen te Sardes spreken als te Athene over de Megarensers enCorinthiërs. Men zag Perzen en ook andere Oosterlingen in de straten wandelen. Rijk en bont als het gevederte der Oostersche vogels en toch smaakvol was de kleeding der mannen van Milete en van de bekoorlijke, weelderige vrouwen. Kleederdrachten troffen hier de Atheners, die aan de Perzen, andere die aan de Egyptenaars waren ontleend; hij zag ze van de kleur van het viooltje en den hyacinth, hij zag ze zelfs in vuurroode kleedij. Hij zag de Milesiërs omhangen met de weefsels van Perzië, stralend van de edelgesteenten van Indië, druipende van Syrische zalven.Pericles en Hipponicus genoten gedurende hun oponthoud te Milete de gastvriendschap van den rijksten en aanzienlijksten burger, Artemidorus. Deze bracht hen naar zijn prachtig landgoed in de nabijheid der stad. Niet verre van dit landelijk verblijf lag een myrthenbosch, waarvan de sage meldde, dat in zijn lommerrijk geboomte, bevolkt door het gewiekte koor van zangers, somwijlen de Godin Aphrodite in hare heerlijke gestalte zich vertoonde.In de vertrekken van Artemidorus heerschte de pracht van het Oosten. Met bonte Perzische behangen prijkten de wanden: het huisraad schitterde van goud, het blonk van ivoor, het ademde een geur van sandelhout. Eene menigte schoone slavinnen zweefde door het huis. Er bevonden zich onder haar, die van de stranden der Kaspische zee geboortig, schitterend blank waren als de marmeren beelden, anderen bruin als de bronzen beelden in het huis van Artemidorus en nog meer anderen schitterend zwart, als de met goud ingelegde ebbenhouten tafels in zijne vertrekken. Met beelden en schilderijen was Artemidorus’ huis rijkelijk[335]versierd. Niets ontbrak er, wat het gemoed van den Aziatischen Griek in Aspasia’s vaderstad kon bevredigen.„Gij andere Grieken noemt ons Ionië een brandpunt van weelderigheid,” zei Artemidorus tot zijne gasten, toen hij hen aan eene kostelijke tafel onthaalde, „en, naar ik hoor, moeten in der daad onze Milesische schoonen voor de deugd van Atheensche mannen gevaarlijker zijn, dan de hoffelijke Milesiër voor de Atheensche vrouwen.”Pericles glimlachte.„Vergeet niet,” vervolgde Artemidorus, „dat ons Ionië niet alleen een brandpunt der weelderigheid is, maar ook de bakermat der dichtkunst, ja zelfs der wijsheid, daar wij u Hellenen, behalve schoone vrouwen, Thales3, Herodotus4en, zoo wij ons niet te veel aanmatigen, ook den grooten Homerus5hebben geschonken.”„Wie twijfelt er aan,” hernam Pericles, „dat de krachtige bloesem van den Helleenschen geest nooit en nergens afvalt, zelfs niet in de weelderigheid van het rozenleger der vreugde?”„Zeg liever, dat hij zich nergens schitterenderontwikkelt, dan juist daar!” riep Artemidorus. „Er is geen vooruitgang onder de menschen en volkeren zonder datgene wat onverdraagzame dwepers weelderig noemen.”Den avond van den tweeden dag voerde Artemidorus zijne gasten naar het myrthenbosch, nabij zijn prachtig landhuis gelegen, dat hij zelf op de wijze van een lusthof had doen aanleggen. De schoone Theodota was als geliefde en metgezellin van Hipponicus door den beleefden Artemidorus mede genoodigd. Zij wilde trachten door den vurigen gloed[336]harer donkere oogen den vriend van Aspasia in liefde te doen ontbranden.Onder geleide van hun gastheer doorwandelden Pericles, Hipponicus en Theodota de bekoorlijke dreven van den bloeienden myrthenhof. Daar het groote bosch zich over eene zachte glooiing uitstrekte, had men op verscheiden punten, waar de grond niet met boomen beplant was, een heerlijk gezicht op de stad, op de blauwe zee en de eilanden, die als een bolwerk vóór de vier havens van Milete lagen. Op zulke plaatsen liet de rijke Artemidorus door de slaven, die hem op den voet volgden, Oostersche tapijten spreiden of eene met purper behangen tent opslaan, om daar uit te rusten, verfrisschingen te gebruiken of naar de weeke toonen van Lydische fluiten te luisteren, die op last van Artemidorus met de nachtegalen in het woud wedijverden, om het oor te bekoren.De slaven en slavinnen bevolkten het bosch als Silenen, die hier en daar den wandelaars uit wijnzakken de volle bekers toereikten, of als Hebe’s6en nimfen uit bevallige horens hun bloemen en heerlijke vruchten aanboden. Drie der schoonste nimfen voerden op een open grasperk een bekoorlijken reidans uit, waarbij de Aziatische, bij de Cybele-feesten7gebruikelijke tamboerijn op luidruchtige wijze geslagen werd, zoodat eene zekere betoovering en bedwelming zich van de zinnen meester maakten.Een klein meer in het midden van het bosch was met allerlei gedaanten uit de Helleensche fabelleer bevolkt. Zeemeerminnen met vischstaarten zag men er, die zich met waterbloemen bekransten, en Sirenen8op rotsen uitgestrekt, die in een wedstrijd[337]met de Tritons9hare zoete, verleidelijke zangen deden hooren. Ook de waarzeggende, van gedaante wisselende grijsaard Proteus10ontbrak daar niet, die allen wie het verlangden, voorspellingen deed. Ook Pericles naderde hem en wenschte een orakel van hem te vernemen.„Ik zal, als het noodig is, niet verzuimen u vast te houden,” zei hij lachend, „zooals het gebruik is bij hen die u ondervragen, opdat gij niet in steeds nieuwe gedaantewisselingen den vrager moogt ontkomen.”Bereidwillig stond de grijsaard Pericles te woord en deelde hem de volgende orakelspreuk mede:„Daar waar de nachtegaal nestelt, de rozen het heerlijkste geurenKnellen goedgunstige Goôn in ijzeren banden uw geluk!Houd het, o held, slechts vast met sterke vuist, als gij thans mij doet!Zóó toch omklemd, ontsnapt nooit u het vluchtig geluk.”Pericles begreep niet, wat de grijze zeegod bedoelde. Toen hij na dit onderhoud met hem naar zijne vrienden omzag, waren zij verdwenen. Hij liep dus eenigen tijd alleen. De vogels, die van tak tot tak, van boom tot boom huppelden en daarbij hun liefelijk gekweel aanhieven, lokten hem al dieper en dieper in het woud. Maar ook eksters, spreeuwen enpapegaaienzaten hier en daar in ’t geboomte, die Pericles toeriepen en bespotten met de woorden: „Wees welkom!” en „verheug u” en „kom toch, kom toch!” Snaterend huppelden zij weldra naast den wandelaar voort. Thans echter meende Pericles, dat hij in plaats van enkele vogels een geheel koor van nachtegalen op eenigen afstand[338]vernam. Tegelijk drong een sterke rozengeur, als door zachte koeltjes uit de verte gedragen, tot hem door: het moest van eene groote, bloeiende rozengaarde komen. En, wat het opmerkelijkste was, onder die rozengeur scheen zich het aroma van Indische reukwateren te mengen. Half onwillekeurig vervolgde Pericles zijn weg in de richting, van waar de rozengeur en de heldere tonen der nachtegalen kwamen. Hij deed het zonder bedoeling en hij dacht niet meer aan de voorspelling van den grijzen zeegod. Hier en daar zag hij in de schemering van het woud uit de verte iets schitterends door de takken blinken. De vogels, die den wandelaar van tak tot tak huppelend en zingend als ’t ware hadden vergezeld, verstomden nu en schenen met schalksche blikken op hem neer te zien. En in plaats van hun gezang deed zich hier en daar in de toppen der boomen een sterker wiekgeklap en een zacht lachen hooren, als van zwevende liefdegoodjes, die zich ten koste van den wandelaar vroolijk maakten.Nu zag Pericles de weelderige rozengaarde zelve, wier geuren hem straks reeds bedwelmend waren toegewaaid. Tusschen de takken door zag hij nu duidelijker die schitterende gedaante blinken, als met purper, goud en verblindend wit gewaad omhangen. Hij naderde en het gelukte hem, juist van den kant, vanwaar hij kwam, zijn oog dieper in het loof te doen doordringen. Te midden nu van deze weelderige rozenpracht, zag hij het bekoorlijkste tooneel, dat men zich voorstellen kan.Omgeven door een schaar lieve knapen, in purperen kleeding, met gouden vleugels aan de schouders en gouden pijlen in zilveren kokers aan hunne zijde, stond eene vrouwelijke gestalte in sneeuwwit gewaad, met een gouden gordel om het midden en met rozenkransen omwoeld. Het gelaat der schoone kon Pericles onmogelijk duidelijk zien; want juist toen hij naderde waren de liefdegoodjes met overmoedigen ijver bezig het hoofd, de borst en het geheele lichaam der vrouw al dichter en[339]dichter metrozenkransente omwinden, dat het daaronder schier geheel verdween. Pericles dacht aan de legende, die zijn Milesische gastvriend hem had medegedeeld, dat in deze gaarde de Godin Aphrodite somwijlen zich in hare heerlijke gestalte vertoonde, en het kwam hem niet ongerijmd voor, dat die onder rozen schier bedolven schoone eene Godin was.Nadat de gevleugelde knapen de slanke vrouwengestalte geheel met rozenbanden omstrengeld hadden, trokken zij haar aan die zelfde banden op een leger van bloemen neder en bevestigden lachende de einden der kransen aan de stammen en struiken. Daarna bestrooiden zij de geboeide, terwijl zij vroolijk om haar heen dansten, steeds met rozen, die zij van zwaar beladen takken der dichte struiken afplukten.Bij het gezicht van den vreemdeling sprongen de kleine Eroten allen lachend weg en lieten de geketende achter. Pericles trad de priëel binnen. Nu klonk uit het bloemengraf de bede van de gevangene tot den vreemdeling, om haar te bevrijden.Pericles verbrak eene der rozenketenen, schoof de rozen ter zijde, die het hoofd en het aangezicht van de vrouw bedekten, en de stralende oogen van Aspasia schitterden hem tegen …Het gevoel, dat zich in het eerste oogenblik van Pericles meester maakte, was dat van ongekende vreugde. In het volgende oogenblik echter werd het gemengd met verbazing, die zulk eene verrassing bij hem moest opwekken. En reeds zweefde eene ernstige vraag op zijn lippen naar de omstandigheden, waardoor hem deze onverwachte vreugde was bereid.Doch nu stond Aspasia op, schudde de rozenketenen van zich af en zeide met hare zacht betooverende, zilveren stem:„Weet dan, dierbare Pericles, dat ook ik, evenals Socrates, mijn daemon heb, die in beslissende oogenblikken mij toefluistert, niet alleen wat ik[340]nalaten, maar ook wat ik doen moet. Deze daemon nu heeft, toen uw laatste schrijven van Samos mij meldde, dat de vrede gesloten, dat Theodota te Samos aangekomen was en gij van plan waart naar Milete te vertrekken, zich oogenblikkelijk in mij doen hooren en mij gelast onmiddellijk een schip te beklimmen en u te Samos of zoo gij daar niet meer waart te Milete op te zoeken. Wellicht wilde de daemon mij het schoonste, dubbele geluk doen smaken, Milete niet zonder u en u alleen te Milete weder te zien. Ik kwam te Milete, ik begaf mij naar uw gastvriend Artemidorus en hoorde van de verrassingen, die de schoone Theodota uit eigen beweging en op aansporen van anderen, u in deze gaarde, aan Aphrodite geheiligd, wilde bereiden. Ik hoorde van de maatregelen, die reeds met behulp van den grootmoedigen Artemidorus genomen waren, maar ik vond het beter in overleg met dien zelfden Artemidorus, de verrassende rol, welke Theodota wilde spelen, op dit tooneel zelve te vervullen. Artemidorus dus hebt gij het te danken, dat de liefdegoden niet Theodota, maar mij op deze plaats u geketend hebben overgeleverd.”„Voor mij,” hernam Pericles, „hebt gij de legende van de verschijning der Godin der liefde in dit woud bewaarheid; voor mij zijt gij de Godin der liefde, de Godin van het geluk, en boven alles, veroorloof mij dit er bij te voegen, de Godin der verrassingen.”„Is er wel een geluk denkbaar zonderverrassingen?” vroeg Aspasia.Een vertrouwelijk gesprek vereenigde de beide minnenden nog een geruimen tijd op die bekoorlijke plek. Zij hadden, zooals alle gelieven, na eene lange scheiding, elkander duizenden dingen te zeggen.Maar toen kussen de woorden dreigden te vervangen en de schemering inviel, sprongen plotseling weder de liefdegoden uit de struiken te voorschijn en wilden Pericles, met nieuwe kransen[341]die zij gevlochten hadden, eveneens omstrengelen en ketenen.„Pas op voor die kleinen!” zei Aspasia. „Het is tijd om heen te gaan en voor heden afscheid te nemen. Uw weg is ver; de mijne korter; want mij is door Artemidorus dat kleine, bekoorlijke tuinhuis ingeruimd, dat, weinige schreden van hier gelegen, alleen door het dichte myrthenbosch halverwege voor onze blikken verborgen is. Daarheen wil ik mij begeven. Keer gij echter, dierbare Pericles terug naar Artemidorus, naar uw vriend Hipponicus en naar de schoone Theodota, de verleidelijke Corinthische met hare vurige oogen!”Op deze woorden van Aspasia barstten de liefdegoden in een luid, vroolijk gelach uit, terwijl zij hunne ketenen nog vaster om Pericles wonden en deze stemde in met hunne vroolijkheid, en ten laatste ook Aspasia zelve. De liefdegoden echter vormden met Pericles en Aspasia eene bekoorlijke groep, die door rozen omwonden en door kleine Geniën11voortgetrokken, tusschen de myrthen- en rozenboschjes verdween. De stilte des nachts heerschte in het eenzame woud; alleen nog sloegen de nachtegalen en geurden de rozen.En Pericles vond een zoeter geluk bij Aspasia, dan hij ooit gesmaakt had bij de Corinthische met hare vurige oogen.Want niet het oogenblik, waarin een vurig minnend paar voor de eerste maal zich in onbeschrijfelijke zaligheid verliest, is het zoetste van het leven; dat echter is het, waarin de minnenden na lange scheiding, na lange ontbering elkander wedervinden. De weelde der eerste omhelzing is gelijk aan de vlam van het groene hout, dat niet zonder onaangenamen rook en heftig knetteren brandt; voor de minnenden echter, die elkander wedergevonden hebben, flikkert de vreugdevlam hoog en helder ongehinderd opwaarts.Toen op den morgen na dien nacht Pericles en[342]Aspasia hand in hand uit het tuinhuis van Artemidorus in de van dauw parelende gaarde traden, geleken zij zelven twee heerlijke gestalten, door den fonkelenden morgendauw besprenkeld. En evenmin als de zoete tonen in de kelen der vogels verstomd of de bedwelmende geuren der zwellende rozekelken verdwenen waren, zoo min was de liefde in beider minnende harten verkoeld.Zij klommen eene der kleine hoogten, van waar men een vrij gezicht had op de stad, de zee en het strand, op den kronkelenden Meander, die met palmen, laurieren en kuischlamstruiken omzoomd, als een zilveren koord zich slingerde door de velden, op den blauwen Latmus in het verschiet en het meer Biblis, waarover bontgevederde watervogels hunne wieken uitspreidden. Pericles echter liet zijne blikken weiden over de tinnen der stad, liet ze een oogenblik rusten op de trotsche Atheensche triremen in de haven en sloeg toen het oog ver over de zee, waar Samos lag, in nevelen gehuld, de plaats, waar hij een jaar zijns levens met mannelijken moed aan zijn vaderland had ten offer gebracht. Toen weder zijn blik op de schoon gebouwde stad vestigende, prees hij hare vroolijke, prachtige ligging en den opgewekten, levenslustigen geest harer bewoners.„Nog is Milete prachtig en zijne bewoners levenslustig,” hernam Aspasia. „Maar de vaderlandslievende burgers denken terug aan den tijd, toen Milete de beheerscher was dezer zee, toen het niet alleen rijk en weelderig, maar ook machtig en onafhankelijk was, toen het zijne koloniën uitzond tot op de verste kusten van den Pontus12. Deze tijd is voorbij: Milete is niet meer onafhankelijk en moet zich buigen voor het machtige, bloeiende Athene.”„Gij zegt dit bijna met bitterheid,” zei Pericles glimlachend, „maar bedenk toch, dat Milete, zoo het niet Atheensch was, Perzisch zou zijn geworden. Niet de stamverwante Helleen heeft uwe macht[343]gebroken, maar de Pers, toen hij deze kusten met zijne drommen heeft overdekt. En hadden niet Atheners daar ginds bij Marathon en Salamis gestreden, een Perzisch satraap heerschte nu te Milete, evenals te Sardes. Wees niet verstoord op de Atheensche vloot, die beschermend haren arm boven deze kusten houdt uitgestrekt.”„Dan moest ik dus,” antwoordde Aspasia, „in plaats van verbitterd te zijn op den Athener, dankbaar zijn voorhoofd kussen?”Tegelijk gaf zij Pericles een kus op het voorhoofd; deze hernam:„Uw gevleugelde liefdegoden hebben gisteren dit Milete op den aanvoerder der machtige Atheensche vloot gewroken.”„Laat het u geen berouw veroorzaken,” zeide Aspasia, „aan dit Milesisch strand eene week van uw werkzaam leven gewijd te hebben. Eer de plaats, die niet alleen als het vaderland der weelderigste rozen en der fijnste wol in de wereld, maar ook als dat van de schoonste sprookjes beroemd is. Of zou er voor teedere harten iets liefelijkers kunnen bedacht worden, dan onze Milesische fabel van Eros en Psyche13?”„Gij hebt gelijk,” hernam Pericles; „maar,” vervolgde hij schalks lachende, „zoover ik weet, is ook de fabel van de „Weduwe van Ephese” onder[344]deze hemelstreek gedicht, als het ten minste eene fabel heeten mag.”„Waarvan de strekking volgens de gewone opvatting is,” viel hem Aspasia in de rede, „dat de vrouwen meineedig, weifelmoedig en trouweloos zijn. Maar het is eene slechte fabel, die niet meer dan ééne beteekenis heeft, niet meer dan ééne waarheid in zich bevat. Vergun mij dat ik de weduwe van Ephese onder mijne bescherming neem. Zij werd haar dooden echtgenoot ontrouw. De liefde echter hangt zoozeer met het leven samen, dat eene liefde en trouw tot over het graf, een leven, dat zich aan een lijk laat koppelen, een onding is. De bloedelooze schimmen in den Hades mogen zich niet met het bloed van de levenden voeden.”Zoo spraken zij beiden vertrouwelijk en opgeruimd. Toen kwam Artemidorus en verweet Aspasia schertsend, dat zij hem zijn gast had ontnomen; nadat hij beiden tot een ontbijt had genoodigd, voerde hij hen op een sierlijken, met witte paarden bespannen wagen naar den overouden, beroemden tempel van Apollo en naar het heiligdom van de Cybrische Godin aan het vlakke strand der zee, door ruischend riet omzoomd en door gele halcyonen14bevolkt. Zij voeren langs de schoone zeekust en op den terugtocht bestegen zij eene boot, om zich over de zachte, donkerblauwe golven te laten roeien naar een boschrijk eiland, dat de slaven van Artemidorus aanstonds weder in een klein paradijs omschiepen, door bonte, mollige tapijten uit te spreiden en kostelijke gaven van elke soort aan te bieden.Zoo vervloog de dag even snel als de nacht voorbij was gegaan en wederom hoorden zij beiden elkander geheel toe in de eenzaamheid van den lusthof, die alleen door het gekweel der nachtegalen werd verstoord.Artemidorus had Aspasia nu geheel aan zijn gast afgestaan en het was niet alleen de begeerte om[345]Pericles eer te bewijzen, maar ook de overdadige grootmoedigheid, die hem eigen was, die hem zijne schoone landgenoote alle mogelijke hulp deden bieden, die zij noodig had, om haar vriend de idyllische eenzaamheid van den myrthenhof met de afwisselende betoovering van eene onuitputtelijk vindingrijke liefde te kruiden.En Aspasia maakte niet minder gebruik van deze hulpmiddelen, dan van diegene, welke de natuur zelve nog kwistiger dan de rijke Artemidorus in haar bekoorlijk, betooverend karakter en uiterlijk had nedergelegd.Het hoogste, edelste genot van den geest en der zinnen vierde in deze beide door de Goden beminde zielen zijn zeldzaam, zalig feest. Vele en groote dingen had Pericles geschapen en volbracht, tot veel schoons en onvergankelijks had Aspasia hem bezield, terwijl zij de brandende vonk van haar geest, de schoonheid, naar alle zijden deed spatten. Maar het schoonste en goddelijkste volbrachten beiden, terwijl zij elkander liefhadden en gelukkig waren: zoo gelukkig, als niet de gewone menschen konden worden, maar alleen zij, die het beeld der godheid in zich omdroegen. Over datgene, wat zijbezielden, schiepen, volbrachten, mochten de stervelingen zich verheugen; op hun reine liefde zagen de zalige Olympiërs zelven met voldoening neder. Het ideaal van het menschelijk geluk in de schoone vreugde des levens en der liefde te verwezenlijken, scheen in die Halcyonische15dagen van Milete beiden zelven als het beste deel hunner bestemming …Inderdaad genoten Pericles en Aspasia voor de eerste maal ten volle het geluk hunner liefde in deze eenzame plaats. Maar de schoonste wijkplaats van ongestoorde eenzaamheid, schooner en ongestoorder dan de bloemengaarde en het tuinhuis konden opleveren, had de tooverhand van Aspasia geschapen. Het open, platte dak van het huis,[346]door de toppen van hooge pijnboomen en cypressen omruischt, was door haar in eene kleine lustgaarde herschapen. Door bloeiend heestergewas en bloemen, die op hooge stengels wiegelden en den rand aan alle kanten omzoomden, en door purperkleurig linnen, waardoor men het geheele terras als een tent kon bedekken, was deze wijkplaats aan de oogen der buitenwereld onttrokken. In dit bloemenpriëel, van de wereld afgesloten, alleen voor de beide gelieven toegankelijk brachten zij zalige uren door. Hier genoten zij de veilige eenzaamheid van een gesloten vertrek, zonder de benauwde lucht daarmede verbonden. Zij hadden den vrijen aether boven zich en gevoelden den weldadigen adem van de zachte, geurige en verfrisschende koeltjes uit het woud. De eenzaamheid der myrthen, de eenzaamheid van het huis voldeden hun niet; evenals teedere duiven, vlogen zij naar het dak, naar dat zalige, zonnige plekje, en alleen wat met vleugels voorzien was, kon hen daarheen volgen; de duiven, de pauwen, de tjilpende vogels. Hier rustten zij te midden der bloemen, hier liet Aspasia haar vriend de zangen der dichters hooren, die in haar mond eene wonderlijke bekoorlijkheid kregen, hier snoerde zij hem bij den klank der snaren in het zilveren net harer tonen, met de betoovering harer smeltende stem, die het gemoed van den hoorder tot zaligheid stemden, hier vertelde zij hem liefelijke Milesische sprookjes, hier keuvelden zij nu eens onverstandig als kinderen, dan weder diepzinnig als oude wijsgeeren. Hier konden zij de purperen doeken om zich en over zich heen trekken en als Goden, in een Olympisch rooskleurig licht gehuld, in verheerlijkte gestalte onder eene vriendelijke schemering ademen. Of zij konden den helderen glans der zon naar binnen laten stroomen en de minnaar kon het gelaat en de gestalte der geliefde, door het verblindend witte licht bestraald, en door de terugkaatsing der groene heesters tooverachtig beschenen, in verhoogde bekoorlijkheid als een aetherisch wezen bewonderen.[347]Aspasia kleedde zich naar Milesisch gebruik, nu eens in het purper, dan weer in het zeeblauw, soms in vuurkleurig, niet zelden in saffraangeel gewaad. Zij hield er van haar vriend in telkens afwisselende gedaante te verschijnen. Zij ontleende gewaad, houding, gestalte, uitdrukking, gang nu eens aan deze dan weder aan gene Godin of Heroïne16, en op verlangen van Pericles voerde zij voor hem mimische dansen uit, die met deze afwisselende gedaanten overeenkwamen en die in kunstvaardigheid en bekoorlijkheid alles overtroffen, wat de schoone Theodota ooit ten toon had gespreid.Bij die verwisselingen van zijn onvergelijkelijke vriendin kon Pericles niet nalaten zich de verzen van den grijzen zeegod te herinneren, die deze hem had toegesproken, toen hij zonder het te weten den weg insloeg om Aspasia te vinden. Die verzen, welke hem het schoonste geluk beloofden en hem aanrieden:„Houd het, o held, slechts vast, met sterke vuist, als gij thans mij doet!„Zóó toch omklemd, ontsnapt nooit u het vluchtig geluk!”„Ik zal u moeten vasthouden, gelijk den voorspellenden, van gedaante verwisselenden Proteus, opdat gij mij niet in uwe metamorphosen ontsnapt,” zei Pericles schertsend tot Aspasia.„Hoe wilt gij het aanleggen om mij vast te houden?” vroeg de Milesische.„Dat wenschte ik gaarne van u zelve te hooren,” hernam Pericles.„Toch niet naar Atheensch gebruik in eene kooi, met stevige tralies?” vroeg Aspasia.„Wat voor kooi bedoelt gij?” zei Pericles.„Die kooi,” antwoordde Aspasia, „die gij mannen het vrouwenvertrek in uw huis pleegt te noemen.”„In die kooien,” zei Pericles na een korte pauze,[348]„zijn wellicht alleen Telesippe’s, doch geen Aspasia’s opgesloten te houden.”De Milesische antwoordde met een glimlach.Het was haar genoeg, dat woord daar los heen te hebben geworpen, om in de ziel van Pericles overdacht te worden.Het gebeurde eens, dat Pericles met Artemidorus, in Aspasia’s afwezigheid, over haar sprak.„De sagen en legenden van alle tijden,” zei Artemidorus, „berichten van tal van helden, die voor langer of korter tijd in de macht van schoone vrouwen zijn geraakt. Odysseus, die naar zijn huiselijken haard smachtte, hield de schoone nimf Calypso jaren lang in hare grot terug. Den vromen Aeneas wist de minnende Dido17te veroveren, zelfs den sterksten der sterken ketende de schrandere Omphale18een tijdlang aan haar spinrokken. Maar geene van al die vrouwen vermocht het, de geketende mannen voor altijd te boeien: hare betoovering week, de banden werden geslaakt, de ontevreden held trok het roestige zwaard of haalde de vergeten knots uit den schuilhoek te voorschijn, kalefaterde op een goeden dag zijn half verrot vaartuig weder en trok na een vluchtigen afscheidsgroet aan de schoone op nieuwe avonturen uit. Zoo zou ook Aspasia’s betoovering wel verdwijnen, als gij in deze vreugdevolle wijkplaats voortdurend met haar moest verkeeren.”„Voorzeker,” zeide Pericles, „als Aspasia Theodota was, als zij niets bezat dan de bekoorlijkheid van haar lichaam. Doch er zijn middelen, waardoor de minnaar voor altijd geboeid kan worden. Ik spreek van diegene welke gewone vrouwen aanwenden, in de meening dat zij door geveinsde preutschheid of door grillen en plagerijen en bezwaren, waarmede zij den geliefde kwellen, haar bezit zullen doen op prijs stellen. Er zijn bevoorrechte vrouwelijke naturen, wien het vergund is in weerwil[349]van onbeperkte overgave, waardoor het geluk der vrouwen doorgaans schipbreuk lijdt, juist door deze den geliefde met steeds vaster boeien te kluisteren. Moest ik dat onnoembare, waardoor haar dit gelukt, een naam geven, dan zou ik het slechts charis kunnen noemen: die wonderlijke vereeniging, van bekoorlijkheid en bevalligheid, vleiend zonder opdringen, het gemoed vervroolijkend als de lach der Olympische Goden. Deze charis, geloof ik, is de betoovering, die Aphrodite in haar gouden gordel bewaart. Duizend droeve wolken verdonkeren den hemel der geliefden: alleen de charis weet ze te verdrijven: alleen in de stralen der schitterende, opgeruimde blijmoedigheid der ziel verdwijnt al het droefgeestige. Alleen door haar adem wordt al het ruwe en harde verzacht. Haar wordt alles vergund en alles vergeven, omdat zij geene wonde slaat of ze heelt die oogenblikkelijk. Aspasia bezit deze blijmoedigheid van ziel, dezen charis, deze gordel van Aphrodite en daarmede alleen verijdelt zij spelende alle pogingen van Theodota. Want ik ken de vrouwen en weet, hoe zeldzaam, hoe eenig in de wereld datgene is, wat Aspasia bezit.”„Ik versta u volkomen,” zei Artemidorus; „wat gij zegt, heb ik dikwijls ondervonden. De proefsteen van de vrouwen en van haar toovermacht is niet het genot, dat zij verschaft, maar de kunst, hoe zij de tusschenruimten tusschen de oogenblikken van zalig genot weten aan te vullen.”„Aspasia verstaat het,” hernam Pericles, „ieder oogenblik eene schitterende vonk te laten opspatten, iets als een vuurpijl of ook als een schoone zeepbel, waarnaar men snel grijpen moet en dat het volgende oogenblik ons weer ontneemt. En dit alles doet Aspasia zonder inspanning, zonder dwang en gemaaktheid; zij doet het, omdat het haar van nature eigen is. En juist daarom, werkt zij onwederstaanbaar. De zalige uren der armen van geest zijn eene bekoring der zinnen, met doodelijke verveling verbonden; alleen uit de ziel welt datgene[350]op, wat aan het zoetste duurzame waarde schenkt.”De dag naderde, waarop Pericles met zijne beide schepen weder naar Samos moest terugkeeren, om vandaar nog een kort uitstapje naar Chinos te maken. De vriendelijke tegemoetkoming der Milesiërs had het Pericles gemakkelijk gemaakt, om het plan, waarom hij te Milete gekomen was, te volvoeren; en zoo was het hem mogelijk geweest slechts het geringste deel van den tijd, dien hij zich te Milete ophield, aan politieke onderhandelingen te besteden, terwijl hij het grootste deel aan zijn innerlijk geluk had kunnen wijden.De gastvrije Artemidorus gaf den Atheenschen veldheer vóór zijn vertrek een feestmaal, waaraan ook Aspasia deelnam.Aan dit feestmaal zei Pericles tot zijn gastheer Artemidorus:„Geen wonder, dat de geheime betoovering van deze hemelstreek ook mij heeft bekoord en ik zeven dagen lang schier onbewust mij aan eene gelukkige werkeloosheid heb overgegeven. Men bemerkt het, dat gij, Grieken van deze kust, nabij de vurigePhoeniciërswoont, die het eerst de Godin der liefde vereerden, en nabij dat Cyprische eiland, dat die weelderige Godin op haar zegetocht uit de Sidonische golf naar Hellas de eerste rustplaats heeft aangeboden. En evenals uit het Zuiden de feestelijke bezieling der Cyprische Godin, zoo dringt van het Noorden, van de hoogten van den Tmolus, het feestelijk geruisch van Dionysus en van zijne voedster Rhea tot u door. Zoo zijt gij als het ware omringd en omruischt van de golven der feestvreugde dier Goden van het genot. Evenals uit overvolle uiers de melk, zoo wordt hier de dauw der weelderigheid uit den hoorn des overvloeds van die Goden en uit de duizend zwellende borsten van Artemis over u uitgestort. U, Milesiërs, zullen de vreeslijke, dweepzieke Orgiën op den Tmolus wel niet alleen van hooren zeggen, bekend zijn. Het zou mij verwonderen, zoo niet de een of ander uwer door nieuwsgierigheid gedreven, ten tijde der feesten[351]zich in die geheimzinnige plaatsen van het naburige Lydië had gewaagd en, zij het dan ook misschien op een afstand, de razernij der Corybanten had gadegeslagen.”Bij deze woorden van Pericles toog er een wolk over het gelaat van Artemidorus en eene lichte zucht ontsnapte aan zijne borst, zoodat Pericles hem verwonderd en schier getroffen aanzag.„Mij zelven,” sprak Artemidorus, „heeft het noodlot eens daarheen gevoerd en ik zou u gaarne datgene, wat ik gezien en beleefd heb, verhalen, als er niet zoovele smartelijke herinneringen aan verbonden waren.”Deze woorden vermeerderden de belangstelling van Pericles en toen Artemidorus dit bemerkte, vervolgde hij:„Ik zie het wel, ik moet ook tegen mijn wil spreken en mijne onaangename gewaarwording rechtvaardigen door u eene mededeeling te doen, die de uitdrukking van uw gelaat, Pericles, van mij schijnt te verlangen. Welnu, luister:„Het is nog slechts weinige jaren geleden, dat ik den bekoorlijksten jongeling van Milete, mijn zoon mocht noemen. Hij was met alle gaven des geestes en des lichaams toegerust, doch tevens met eene onbeperkte verbeeldingskracht, die geen teugel kende, met een vurig, ja dweepziek gemoed. Het heeft nooit te Milete ontbroken aan jongelingen, die door de verhalen der razende orgiën op den Tmolus tot misdadige nieuwsgierigheid geprikkeld werden, en menigeen is aan de bewaking zijner zorgvuldige ouders ontsnapt, om zich bij die wilde rijen aan te sluiten; ja zelfs er waren tijden, waarin dat verlangen als eene soort pestziekte woedde. Ik overwoog, hoe ik eene dergelijke zinsverbijstering van mijn al te hartstochtelijken Chrysanthes zou afweren. Zooals ik gevreesd had, werd hij ook weldra door die ziekte aangegrepen. De tijd der Lydische feesten naderde. Chrysanthes was in het oogvallend stil en ingetrokken; zijne wangen verbleekten en hij zag er uit, alsof hij door[352]een heimelijk, koortsachtig ongeduld werd verteerd. Reeds was ik besloten hem als gevangene in huis te behandelen en oppassers bij hem te plaatsen, die ieder zijner schreden zouden bewaken. Toch deed de toestand, waarin ik hem zag, mij vreezen, dat hij zou ontsnappen en daarbij voegde zich de gedachte, dat de jongeling, ten gevolge van zijn geheel onbevredigd verlangen, in eene gevaarlijke zwaarmoedigheid of in eene doodelijke ziekte zou vervallen en dat het heilzamer zou zijn, wanneer ik de begeerte, naar het scheen, zijner steeds toenemende nieuwsgierigheid ten deele bevredigde, althans op eene wijze, die geen gevaar voor hem na zich sleepte. Ik deelde hem mede, dat ik mij met hem naar den Tmolus wilde begeven en met hem de mystieke gebruiken der Corybanten wenschte gade te slaan. In mijn gezelschap onder mijne onmiddellijke hoede, moest toch de jongeling voor elk gevaar beveiligd zijn.„Nog is Milete prachtig en zijne bewoners levenslustig.”„Nog is Milete prachtig en zijne bewoners levenslustig.”„Eene reis van verscheidene dagen bracht ons tot ons doel. Wij bestegen, begeleid door een slaaf, die levensmiddelen voor één dag droeg, den boschrijken, nog eenzamen Tmolus en wachtten het oogenblik af, waarop de wilde troep der Corybanten uit Sardes de berghelling zou bestijgen.„Het orgiastische lentefeest was reeds den vorigen dag daarmede begonnen, dat men den grooten pijnboom van den Tmolus had geveld en omwonden met kransen van de tallooze lenteviooltjes, die in de kloven van den Tmolus groeiden; den boom, zóó bekranst, sleepte men onder uitbundig gejubel naar den tempel van Cybele, om hem aan de alles voortbrengende moeder der Goden als lenteoffer te wijden.„Nog bleef het grootste en luidruchtigste deel van het feest over. Een dof geraas drong tot onze ooren door nog voor wij in de avondschemering de naderende schaar der Corybanten konden zien. Wij verborgen ons bij hare nadering in het dichte struikgewas, om ongemerkt getuigen te zijn van haar dolle waanzin.[353]„De zwerm naderde, het geraas werd oorverdoovend. Ieder dezer Corybanten, van welke verscheidene geheel naakt, andere slechts met het ruige vel van een wild dier om de lendenen bekleed waren, droeg een tamboerijn, waarop hij met alle geweld sloeg en een doffen toon deed hooren, of een rammelend bekken; sommigen bliezen op eene fluit of hoorn, anderen hadden zwaarden en schilden in de handen, die zij tegen elkander sloegen. Doch boven al dat gekletter van metaal en muziekinstrumenten klonk het geschreeuw, of liever het gebrul uit, dat een jubelzang ter eere van den verlorenen en nu wedergevonden jongeling Attis, den lieveling en bode van de alles voortbrengende moeder Rhea, moest voorstellen. Van den verloren en wedergevonden Attis zongen zij, maar het was de uit haar doodslaap ontwaakte, wild opbruisende teelkracht der natuur, die deze menschen niet alleen vierden, maar ook in zich zelven tot waanzinnige bedwelming lieten opbruisen. De schaar werd aangevoerd door Cybele-priesters, die helder brandende pijnfakkels in de eene hand, in de andere scherpgeslepen kromme messen droegen, die zij met de uitdrukking van dweepzucht, verwoed zwaaiden. De gang dezer menschen mocht geen loopen heeten, veeleer een woest springen en dansen onder allerlei verwringingen, onder begeleiding van een oorverdoovend geraas van zwaarden en muziekinstrumenten.„De gezichten van allen waren hoog rood; sommigen zelfs met donkerblauwe vlekken geteekend; de oogen schenen uit hunne kassen te zullen springen en velen stond het schuim op den mond. Daarbij schudden zij woest de lange, golvende lokken, die voor het meerendeel uit vreemde haren kunstig samengevoegd, om de slapen fladderden en die hen een half mannelijk half vrouwelijk uiterlijk gaven. De wilde of tamme dieren, die op weg in hunne handen waren gevallen, sleepten zij met zich mede. Aan de spits van den zwerm werd een panther gevoerd. Eenigen zagen wij met slangen,[354]die zij opgeraapt hadden, in de handen en speelden daarmede onbevreesd alsof het kransen of linten waren.„Terwijl de tierende schaar langs ons heenstormde, zag ik den jongen Chrysanthes naast mij door eene toenemende ontroering aangegrepen. Hij zweeg, maar zijn gelaat gloeide, zijn oog staarde wezenloos op de dolle feestvierende schaar en hij begon eenige bewegingen, die hij bij de razenden opmerkte, onbewust na te doen.„Niet verre van de plaats, waar wij in het geboomte verborgen waren, strekte zich eene groote vlakte uit, door reusachtige pijnboomen ingesloten en met allerlei kruiden begroeid. Hier hield de troep stil, doch niet om te rusten maar om nog doller te woeden. De meegesleepte dieren werden in het midden geplaatst, ook de priesters sloten zich daarbij aan en rondom hen schaarden zich de Corybanten.„Op een bezielend woord van den priester, stortten zij zich op den panther en de overige dieren, scheurden ze in stukken, eerst met de handen, vervolgens met de tanden, slurpten hun warm bloed en staken de overblijfsels van het bloedende vleesch aan hunne Thyrsusstaven19, als op spiesen. Toen begonnen zij, onder nog sterker geraas der pauken en cymbalen20en koperen werktuigen, in de rondte te dansen, de groote, alles voortbrengende moeder prijzende en de alles bezielende teelkracht, de onuitputtelijke kracht van genot en liefde, wier beeld voor hunne oogen werd ten toon gesteld.„De wilde dieren vloden voor het woest getier in de verwijderdste schuilhoeken; een leeuw stoof verschrikt in dolle vaart vlak langs mij en Chrysanthes door het geboomte. En waarlijk, de fanatieke kreten, het rookende offerbloed, het zwaaien der brandende fakkels en bovenal het geraas der tamboerijnen, moesten mensch en dier verschrikken of in de wildste[355]onstuimigheid brengen. Ik zelf verloor schier mijne bezinning. Toen deed Chrysanthes plotseling een poging om zich van mij los te rukken. Ontzet zag ik hem aan en bemerkte, dat hij in zijn geheele uiterlijk reeds aan die razenden gelijk was. Ik hield hem vast, maar reuzenkracht in zijne jeugdige leden ontwikkelend, maakte hij zich los en voortstormend sprong hij van een rotswand, zoo hoog en steil, dat alleen door een wonder zijne leden niet verbrijzeld werden, midden onder die razenden, en evenals de schuimende vloed een droppel, zoo verzwolg hem de dolle schaar.„Van schrik en ontzetting radeloos stond ik daarbij bijna zinneloos.„De woeste dans ging voort voor mijn benevelden blik. Sommigen stortten als dood neder, stonden weder op en begonnen opnieuw.„Wederom klonken kreten der zinneloozen, vergezeld van teekenen en wonderlijke gebaren, door het rumoer heen. En toen de razernij ten top was gestegen, traden eenigen uit den troep te voorschijn en trachtten hunne woorden te doen verstaan, waarvan echter slechts weinig verstaanbaars tot mijn oor doordrong.„Het duizelde mij voor de oogen, ik zag niets dan een woesten troep zich door elkander bewegen, waarin de dolsten zich met flikkerende klingen wondden, verminkten—ik dacht aan Chrysanthes—het werd nacht voor mijne oogen, ik zonk buiten kennis op den grond.„Toen ik mijn bewustzijn herkreeg, was de maan in al haar glans opgegaan, de Corybanten waren verder getrokken, het geluid van het tympanon21klonk uit de diepte van het woudgebergte, als de donder, die in de verte ratelt.„Ik begaf mij naar het naburige Sardes, den zetel van de priesterschap Cybele, omdat ik daar het eerst iets aangaande het lot van mijn Chrysanthes hoopte te vernemen, of ik soms den geliefden[356]verloren zoon mocht kunnen terugvinden.„En ik vond hem terug; het werd mij gebracht op eene baar, uit de pijnboomtakken van den Tmolus gevlochten, gewond, verminkt, bloedend.„De jongeling in den bloei zijner jaren en schoonheid lag daar voor mijne oogen, gelijk die met viooltjes omkranste pijnboom, geveld op den Tmolus door het mes der Corybanten, als een dankoffer aan de alles voortbrengende Godin …”Zoo luidde het verhaal van Artemidorus.De vroolijkheid van het feestmaal was verdwenen.Toen het afgeloopen was en Pericles zich met Aspasia alleen bevond, zeide hij:„Milete is schoon en het verhaal van Artemidorus zal mij de herinnering aan de zaligste dagen mijns levens, die de Goden mij ooit schonken, niet geheel en al treurig maken. Doch ik gevoel dat het tijd is den voet van dit gloeiend strand weder op het snelle schip te zetten, en mijne schier beklemde borst zal eerst weder ten volle vrij adem halen in de zachte, vaderlandsche Attische lucht!”1Orgiastisch beteekent: bezield, bezeten, daar de Orgiën of feesten ter eere van Dionysus zich door luidruchtigheid en uitgelatenheid kenmerkten. Vergelijknoot 1 pag. 145.↑2Mitra is in het algemeen een band, een hoofdband, die door de Grieksche vrouwen gedragen werd; voorts een tulband, die door de verwijfde Aziaten gedragen werd.↑3Thales een der zeven Wijzen van Griekenland, leefde ongeveer 640 v. C. Hij zou het eerst eene zonsverduistering voorspeld hebben. Hij verkondigde de leer, dat de stof eeuwig bezield en altijd in beweging is.↑4Herodotus „de vader der geschiedenis”, was te Halicarnassus in Carië omstreeks 484 v. C. geboren. Hij maakte talrijke reizen. Zijne ervaringen teekende hij op in negen boeken, die ieder naar eene der Muzen zijn genoemd. Hij munt uit door eenvoud en liefelijkheid van stijl. Herodotus stierf omstreeks 408 v. C., wellicht te Thurië, in Beneden Italië.↑5Vergelijknoot 1 pag. 32. Zeven plaatsen betwisten elkander de eer Homerus te hebben voortgebracht. Te weten: Smyrna, Rhodos, Colophon, Salamis, Chios, Argos, Athene.↑6Hebe, de dochter van Zeus en Hera, de Godin der jeugd, dikwijls als gemalin van Heracles voorkomende, was de schenkster der goden op den Olympus.↑7Cybele, ook Cybebe geheeten, was eene Phrygische Godin, de personificatie van het weelderige leven der natuur. Zij wordt ook geheeten: „de groote moeder der Goden” en dikwijls met Rhea geïdentificeerd. Hare begeleiders waren de dolle Corybanten, haar lieveling de jongeling Attis.↑8De Sirenen waren zeemonsters, die door verleidelijke liederen de voorbijvarenden tot zich lokten en hen dan doodden. Zij worden wel voorgesteld als vrouwen met vogelklauwen en vleugels.↑9Triton is de zoon van Poseidon en Amphitrite; vandaar in het algemeen een zeegod. Zijn attribuut is de mosselschelp, waarop hij blaast.↑10Proteus was een zeegod, die de robben Poseidon weidde. Als zijn verblijfplaats wordt het eiland Pharos, ook wel Karpathos, gemeld. Hij had de gave zich in allerlei gedaanten te kunnen veranderen.↑11Beschermgoden, geleigeesten, (genius.)↑12De Pontus bijgenaamd Euxinus, de gastvrije, is de Zwarte zee, vroeger om hare talrijke stormen Pentus Axinus, de onherbergzame, geheeten.↑13Psyche beteekent „ziel”. De fabel, juister de allegorie, waarop hier door den schrijver gedoeld wordt, komt voor bij Apuleins, een wijsgeerig schrijver die te Madaura in Numidië geboren was en lang te Rome verkeerde (in de tweede eeuw na C.). De inhoud daarvan was de volgende: Psyche eene koningsdochter was de schoonste van drie zusters, zoodat zij zelfs voor Aphrodite werd gehouden. Deze, hierover vertoornd, gelastte Eros een sterveling op haar te doen verlieven. Doch deze werd zelf op haar verliefd. De vader raadpleegde Apollo daaromtrent. Deze gaf de godspraak, dat men Psyche alleen op een berg moest achterlaten, want dat zij de gade van een monster moest worden. Dit geschiedde. Daar ontmoette zij telkens Eros in een paleis, dat voor haar was verrezen. Nieuwsgierig haren beminde meer van nabij te zien, naderde Psyche hem, ondanks zijn vroegere waarschuwing. Bij ongeluk liet zij een droppel heete olie op zijn schouder vallen. Eros, die sliep, ontwaakte en ontvlood haar. Troosteloos doolde Psyche overal rond, totdat zij eindelijk bij Aphrodite kwam, die haar als slavin hard behandelde. Nochtans steunde Eros haar in haren arbeid, zooals op haar tocht naar Persephone, in het schimmenrijk, waar zij levenloos door den benauwden damp ter neder stortte. Eros riep haar door aanraking zijner pijl in het leven terug. Eindelijk werd Aphrodite verzoend. Psyche ontving van Zeus de onsterfelijkheid en werd voor altijd met den geliefde vereenigd. Zij baarde hem eene dochter Hedone, (Voluptas, Cupido), het Genot. In deze allegorie wordt de onschuld, de val, de boete geschilderd en de redding der ziel door de kracht der liefde.↑14Halcyonen of Alcyonen zijn ijsvogels.↑15Halcyonische dagen zijn eigenlijk de zeven dagen vóór en na den kortsten dag, gedurende welke de ijsvogel zijn nest bouwt, daar de zee dan vrij van stormen is. Daaruit is de Grieksche spreekwijze ontstaan, beteekenende: kalme, diepe rust.↑16Heroïne beteekent eigenlijk heldin, het vrouwelijke van heros; voorts iedere voortreffelijke der stervelingen, eene halfgodin.↑17Dido of Elissa nam Aeneas, die op zijn tocht van Troje naar Italië door een vreeselijken storm geteisterd was, gastvrij op in het door haar gestichte Cartago.↑18Zienoot 2 pag. 259.↑19Thyrsus is de staf der Bacchanten, die met klimop en wijngaardloof omwonden was en uitliep in eene pijnboomnaald.↑20Metalen bekkens.↑21Eene pauk, eene tamboerijn, vooral bij de feesten ter eere van Cybele in gebruik.↑
[Inhoud]XII.UREN VAN ZALIGHEID.Van Samos had Pericles met twee zijner galeien den kortsten tocht naar Milete gemaakt.De triërarch van het tweede schip was niemand anders dan Hipponicus. Deze had Pericles verzocht hem naar Milete te mogen vergezellen. Onder zijn geleide bevond zich de schoone hetaere Theodota.Zóó geraakte de verleidelijke danseres weder in de omgeving van Pericles en kon voor hem weder hare bekoorlijkheden ten toon spreiden.De Milesiërs ontvingen den Atheenschen strateeg met gejuich. Met schitterende feesten vierden zij zijne aankomst en met een gouden lauwerkrans vereerden zij den overwinnaar van Samos.Pericles voelde zich als door zwoelen adem aangewaaid toen hij Klein-Azië’s kusten betrad. Dit was toch het land der Artemis beelden met hun duizend borsten, met de reuzentempels, die de Helleensche schoone vormen met de kolossale, reusachtige afmetingen van het Oosten vereenigden, het land der Aphrodite-priesteressen, die zich aan het zingenot wijdden, het land der weekelijke, vrouwelijke melodieën, het land van de moeder der Goden, wier feestrijen op den Tmolus door orgiastische1woestheid en mystieke razernij van het Oosten zich kenmerkte, het land ook van haar pleegzoon, den vreugdegod Dionysus, die reeds door zijn karakter en uiterlijk, teeder en vrouwelijk van gestalte en toch vol moed en vuur, met weelderige lokken en rijken haardos door eene lydische mitra2getooid, in veelkleurig, wijd gewaad,[334]alsKlein-Azië’sechte zoon zich betoonde.En zoo ergens op de Ionische kusten van Azië, dan waaide deze zwoele adem, die den Athener Pericles trof in de straten van het rijke, prachtige, met rozen bezaaide Milete. Hier hoorde men over de Perzen en de satrapen te Sardes spreken als te Athene over de Megarensers enCorinthiërs. Men zag Perzen en ook andere Oosterlingen in de straten wandelen. Rijk en bont als het gevederte der Oostersche vogels en toch smaakvol was de kleeding der mannen van Milete en van de bekoorlijke, weelderige vrouwen. Kleederdrachten troffen hier de Atheners, die aan de Perzen, andere die aan de Egyptenaars waren ontleend; hij zag ze van de kleur van het viooltje en den hyacinth, hij zag ze zelfs in vuurroode kleedij. Hij zag de Milesiërs omhangen met de weefsels van Perzië, stralend van de edelgesteenten van Indië, druipende van Syrische zalven.Pericles en Hipponicus genoten gedurende hun oponthoud te Milete de gastvriendschap van den rijksten en aanzienlijksten burger, Artemidorus. Deze bracht hen naar zijn prachtig landgoed in de nabijheid der stad. Niet verre van dit landelijk verblijf lag een myrthenbosch, waarvan de sage meldde, dat in zijn lommerrijk geboomte, bevolkt door het gewiekte koor van zangers, somwijlen de Godin Aphrodite in hare heerlijke gestalte zich vertoonde.In de vertrekken van Artemidorus heerschte de pracht van het Oosten. Met bonte Perzische behangen prijkten de wanden: het huisraad schitterde van goud, het blonk van ivoor, het ademde een geur van sandelhout. Eene menigte schoone slavinnen zweefde door het huis. Er bevonden zich onder haar, die van de stranden der Kaspische zee geboortig, schitterend blank waren als de marmeren beelden, anderen bruin als de bronzen beelden in het huis van Artemidorus en nog meer anderen schitterend zwart, als de met goud ingelegde ebbenhouten tafels in zijne vertrekken. Met beelden en schilderijen was Artemidorus’ huis rijkelijk[335]versierd. Niets ontbrak er, wat het gemoed van den Aziatischen Griek in Aspasia’s vaderstad kon bevredigen.„Gij andere Grieken noemt ons Ionië een brandpunt van weelderigheid,” zei Artemidorus tot zijne gasten, toen hij hen aan eene kostelijke tafel onthaalde, „en, naar ik hoor, moeten in der daad onze Milesische schoonen voor de deugd van Atheensche mannen gevaarlijker zijn, dan de hoffelijke Milesiër voor de Atheensche vrouwen.”Pericles glimlachte.„Vergeet niet,” vervolgde Artemidorus, „dat ons Ionië niet alleen een brandpunt der weelderigheid is, maar ook de bakermat der dichtkunst, ja zelfs der wijsheid, daar wij u Hellenen, behalve schoone vrouwen, Thales3, Herodotus4en, zoo wij ons niet te veel aanmatigen, ook den grooten Homerus5hebben geschonken.”„Wie twijfelt er aan,” hernam Pericles, „dat de krachtige bloesem van den Helleenschen geest nooit en nergens afvalt, zelfs niet in de weelderigheid van het rozenleger der vreugde?”„Zeg liever, dat hij zich nergens schitterenderontwikkelt, dan juist daar!” riep Artemidorus. „Er is geen vooruitgang onder de menschen en volkeren zonder datgene wat onverdraagzame dwepers weelderig noemen.”Den avond van den tweeden dag voerde Artemidorus zijne gasten naar het myrthenbosch, nabij zijn prachtig landhuis gelegen, dat hij zelf op de wijze van een lusthof had doen aanleggen. De schoone Theodota was als geliefde en metgezellin van Hipponicus door den beleefden Artemidorus mede genoodigd. Zij wilde trachten door den vurigen gloed[336]harer donkere oogen den vriend van Aspasia in liefde te doen ontbranden.Onder geleide van hun gastheer doorwandelden Pericles, Hipponicus en Theodota de bekoorlijke dreven van den bloeienden myrthenhof. Daar het groote bosch zich over eene zachte glooiing uitstrekte, had men op verscheiden punten, waar de grond niet met boomen beplant was, een heerlijk gezicht op de stad, op de blauwe zee en de eilanden, die als een bolwerk vóór de vier havens van Milete lagen. Op zulke plaatsen liet de rijke Artemidorus door de slaven, die hem op den voet volgden, Oostersche tapijten spreiden of eene met purper behangen tent opslaan, om daar uit te rusten, verfrisschingen te gebruiken of naar de weeke toonen van Lydische fluiten te luisteren, die op last van Artemidorus met de nachtegalen in het woud wedijverden, om het oor te bekoren.De slaven en slavinnen bevolkten het bosch als Silenen, die hier en daar den wandelaars uit wijnzakken de volle bekers toereikten, of als Hebe’s6en nimfen uit bevallige horens hun bloemen en heerlijke vruchten aanboden. Drie der schoonste nimfen voerden op een open grasperk een bekoorlijken reidans uit, waarbij de Aziatische, bij de Cybele-feesten7gebruikelijke tamboerijn op luidruchtige wijze geslagen werd, zoodat eene zekere betoovering en bedwelming zich van de zinnen meester maakten.Een klein meer in het midden van het bosch was met allerlei gedaanten uit de Helleensche fabelleer bevolkt. Zeemeerminnen met vischstaarten zag men er, die zich met waterbloemen bekransten, en Sirenen8op rotsen uitgestrekt, die in een wedstrijd[337]met de Tritons9hare zoete, verleidelijke zangen deden hooren. Ook de waarzeggende, van gedaante wisselende grijsaard Proteus10ontbrak daar niet, die allen wie het verlangden, voorspellingen deed. Ook Pericles naderde hem en wenschte een orakel van hem te vernemen.„Ik zal, als het noodig is, niet verzuimen u vast te houden,” zei hij lachend, „zooals het gebruik is bij hen die u ondervragen, opdat gij niet in steeds nieuwe gedaantewisselingen den vrager moogt ontkomen.”Bereidwillig stond de grijsaard Pericles te woord en deelde hem de volgende orakelspreuk mede:„Daar waar de nachtegaal nestelt, de rozen het heerlijkste geurenKnellen goedgunstige Goôn in ijzeren banden uw geluk!Houd het, o held, slechts vast met sterke vuist, als gij thans mij doet!Zóó toch omklemd, ontsnapt nooit u het vluchtig geluk.”Pericles begreep niet, wat de grijze zeegod bedoelde. Toen hij na dit onderhoud met hem naar zijne vrienden omzag, waren zij verdwenen. Hij liep dus eenigen tijd alleen. De vogels, die van tak tot tak, van boom tot boom huppelden en daarbij hun liefelijk gekweel aanhieven, lokten hem al dieper en dieper in het woud. Maar ook eksters, spreeuwen enpapegaaienzaten hier en daar in ’t geboomte, die Pericles toeriepen en bespotten met de woorden: „Wees welkom!” en „verheug u” en „kom toch, kom toch!” Snaterend huppelden zij weldra naast den wandelaar voort. Thans echter meende Pericles, dat hij in plaats van enkele vogels een geheel koor van nachtegalen op eenigen afstand[338]vernam. Tegelijk drong een sterke rozengeur, als door zachte koeltjes uit de verte gedragen, tot hem door: het moest van eene groote, bloeiende rozengaarde komen. En, wat het opmerkelijkste was, onder die rozengeur scheen zich het aroma van Indische reukwateren te mengen. Half onwillekeurig vervolgde Pericles zijn weg in de richting, van waar de rozengeur en de heldere tonen der nachtegalen kwamen. Hij deed het zonder bedoeling en hij dacht niet meer aan de voorspelling van den grijzen zeegod. Hier en daar zag hij in de schemering van het woud uit de verte iets schitterends door de takken blinken. De vogels, die den wandelaar van tak tot tak huppelend en zingend als ’t ware hadden vergezeld, verstomden nu en schenen met schalksche blikken op hem neer te zien. En in plaats van hun gezang deed zich hier en daar in de toppen der boomen een sterker wiekgeklap en een zacht lachen hooren, als van zwevende liefdegoodjes, die zich ten koste van den wandelaar vroolijk maakten.Nu zag Pericles de weelderige rozengaarde zelve, wier geuren hem straks reeds bedwelmend waren toegewaaid. Tusschen de takken door zag hij nu duidelijker die schitterende gedaante blinken, als met purper, goud en verblindend wit gewaad omhangen. Hij naderde en het gelukte hem, juist van den kant, vanwaar hij kwam, zijn oog dieper in het loof te doen doordringen. Te midden nu van deze weelderige rozenpracht, zag hij het bekoorlijkste tooneel, dat men zich voorstellen kan.Omgeven door een schaar lieve knapen, in purperen kleeding, met gouden vleugels aan de schouders en gouden pijlen in zilveren kokers aan hunne zijde, stond eene vrouwelijke gestalte in sneeuwwit gewaad, met een gouden gordel om het midden en met rozenkransen omwoeld. Het gelaat der schoone kon Pericles onmogelijk duidelijk zien; want juist toen hij naderde waren de liefdegoodjes met overmoedigen ijver bezig het hoofd, de borst en het geheele lichaam der vrouw al dichter en[339]dichter metrozenkransente omwinden, dat het daaronder schier geheel verdween. Pericles dacht aan de legende, die zijn Milesische gastvriend hem had medegedeeld, dat in deze gaarde de Godin Aphrodite somwijlen zich in hare heerlijke gestalte vertoonde, en het kwam hem niet ongerijmd voor, dat die onder rozen schier bedolven schoone eene Godin was.Nadat de gevleugelde knapen de slanke vrouwengestalte geheel met rozenbanden omstrengeld hadden, trokken zij haar aan die zelfde banden op een leger van bloemen neder en bevestigden lachende de einden der kransen aan de stammen en struiken. Daarna bestrooiden zij de geboeide, terwijl zij vroolijk om haar heen dansten, steeds met rozen, die zij van zwaar beladen takken der dichte struiken afplukten.Bij het gezicht van den vreemdeling sprongen de kleine Eroten allen lachend weg en lieten de geketende achter. Pericles trad de priëel binnen. Nu klonk uit het bloemengraf de bede van de gevangene tot den vreemdeling, om haar te bevrijden.Pericles verbrak eene der rozenketenen, schoof de rozen ter zijde, die het hoofd en het aangezicht van de vrouw bedekten, en de stralende oogen van Aspasia schitterden hem tegen …Het gevoel, dat zich in het eerste oogenblik van Pericles meester maakte, was dat van ongekende vreugde. In het volgende oogenblik echter werd het gemengd met verbazing, die zulk eene verrassing bij hem moest opwekken. En reeds zweefde eene ernstige vraag op zijn lippen naar de omstandigheden, waardoor hem deze onverwachte vreugde was bereid.Doch nu stond Aspasia op, schudde de rozenketenen van zich af en zeide met hare zacht betooverende, zilveren stem:„Weet dan, dierbare Pericles, dat ook ik, evenals Socrates, mijn daemon heb, die in beslissende oogenblikken mij toefluistert, niet alleen wat ik[340]nalaten, maar ook wat ik doen moet. Deze daemon nu heeft, toen uw laatste schrijven van Samos mij meldde, dat de vrede gesloten, dat Theodota te Samos aangekomen was en gij van plan waart naar Milete te vertrekken, zich oogenblikkelijk in mij doen hooren en mij gelast onmiddellijk een schip te beklimmen en u te Samos of zoo gij daar niet meer waart te Milete op te zoeken. Wellicht wilde de daemon mij het schoonste, dubbele geluk doen smaken, Milete niet zonder u en u alleen te Milete weder te zien. Ik kwam te Milete, ik begaf mij naar uw gastvriend Artemidorus en hoorde van de verrassingen, die de schoone Theodota uit eigen beweging en op aansporen van anderen, u in deze gaarde, aan Aphrodite geheiligd, wilde bereiden. Ik hoorde van de maatregelen, die reeds met behulp van den grootmoedigen Artemidorus genomen waren, maar ik vond het beter in overleg met dien zelfden Artemidorus, de verrassende rol, welke Theodota wilde spelen, op dit tooneel zelve te vervullen. Artemidorus dus hebt gij het te danken, dat de liefdegoden niet Theodota, maar mij op deze plaats u geketend hebben overgeleverd.”„Voor mij,” hernam Pericles, „hebt gij de legende van de verschijning der Godin der liefde in dit woud bewaarheid; voor mij zijt gij de Godin der liefde, de Godin van het geluk, en boven alles, veroorloof mij dit er bij te voegen, de Godin der verrassingen.”„Is er wel een geluk denkbaar zonderverrassingen?” vroeg Aspasia.Een vertrouwelijk gesprek vereenigde de beide minnenden nog een geruimen tijd op die bekoorlijke plek. Zij hadden, zooals alle gelieven, na eene lange scheiding, elkander duizenden dingen te zeggen.Maar toen kussen de woorden dreigden te vervangen en de schemering inviel, sprongen plotseling weder de liefdegoden uit de struiken te voorschijn en wilden Pericles, met nieuwe kransen[341]die zij gevlochten hadden, eveneens omstrengelen en ketenen.„Pas op voor die kleinen!” zei Aspasia. „Het is tijd om heen te gaan en voor heden afscheid te nemen. Uw weg is ver; de mijne korter; want mij is door Artemidorus dat kleine, bekoorlijke tuinhuis ingeruimd, dat, weinige schreden van hier gelegen, alleen door het dichte myrthenbosch halverwege voor onze blikken verborgen is. Daarheen wil ik mij begeven. Keer gij echter, dierbare Pericles terug naar Artemidorus, naar uw vriend Hipponicus en naar de schoone Theodota, de verleidelijke Corinthische met hare vurige oogen!”Op deze woorden van Aspasia barstten de liefdegoden in een luid, vroolijk gelach uit, terwijl zij hunne ketenen nog vaster om Pericles wonden en deze stemde in met hunne vroolijkheid, en ten laatste ook Aspasia zelve. De liefdegoden echter vormden met Pericles en Aspasia eene bekoorlijke groep, die door rozen omwonden en door kleine Geniën11voortgetrokken, tusschen de myrthen- en rozenboschjes verdween. De stilte des nachts heerschte in het eenzame woud; alleen nog sloegen de nachtegalen en geurden de rozen.En Pericles vond een zoeter geluk bij Aspasia, dan hij ooit gesmaakt had bij de Corinthische met hare vurige oogen.Want niet het oogenblik, waarin een vurig minnend paar voor de eerste maal zich in onbeschrijfelijke zaligheid verliest, is het zoetste van het leven; dat echter is het, waarin de minnenden na lange scheiding, na lange ontbering elkander wedervinden. De weelde der eerste omhelzing is gelijk aan de vlam van het groene hout, dat niet zonder onaangenamen rook en heftig knetteren brandt; voor de minnenden echter, die elkander wedergevonden hebben, flikkert de vreugdevlam hoog en helder ongehinderd opwaarts.Toen op den morgen na dien nacht Pericles en[342]Aspasia hand in hand uit het tuinhuis van Artemidorus in de van dauw parelende gaarde traden, geleken zij zelven twee heerlijke gestalten, door den fonkelenden morgendauw besprenkeld. En evenmin als de zoete tonen in de kelen der vogels verstomd of de bedwelmende geuren der zwellende rozekelken verdwenen waren, zoo min was de liefde in beider minnende harten verkoeld.Zij klommen eene der kleine hoogten, van waar men een vrij gezicht had op de stad, de zee en het strand, op den kronkelenden Meander, die met palmen, laurieren en kuischlamstruiken omzoomd, als een zilveren koord zich slingerde door de velden, op den blauwen Latmus in het verschiet en het meer Biblis, waarover bontgevederde watervogels hunne wieken uitspreidden. Pericles echter liet zijne blikken weiden over de tinnen der stad, liet ze een oogenblik rusten op de trotsche Atheensche triremen in de haven en sloeg toen het oog ver over de zee, waar Samos lag, in nevelen gehuld, de plaats, waar hij een jaar zijns levens met mannelijken moed aan zijn vaderland had ten offer gebracht. Toen weder zijn blik op de schoon gebouwde stad vestigende, prees hij hare vroolijke, prachtige ligging en den opgewekten, levenslustigen geest harer bewoners.„Nog is Milete prachtig en zijne bewoners levenslustig,” hernam Aspasia. „Maar de vaderlandslievende burgers denken terug aan den tijd, toen Milete de beheerscher was dezer zee, toen het niet alleen rijk en weelderig, maar ook machtig en onafhankelijk was, toen het zijne koloniën uitzond tot op de verste kusten van den Pontus12. Deze tijd is voorbij: Milete is niet meer onafhankelijk en moet zich buigen voor het machtige, bloeiende Athene.”„Gij zegt dit bijna met bitterheid,” zei Pericles glimlachend, „maar bedenk toch, dat Milete, zoo het niet Atheensch was, Perzisch zou zijn geworden. Niet de stamverwante Helleen heeft uwe macht[343]gebroken, maar de Pers, toen hij deze kusten met zijne drommen heeft overdekt. En hadden niet Atheners daar ginds bij Marathon en Salamis gestreden, een Perzisch satraap heerschte nu te Milete, evenals te Sardes. Wees niet verstoord op de Atheensche vloot, die beschermend haren arm boven deze kusten houdt uitgestrekt.”„Dan moest ik dus,” antwoordde Aspasia, „in plaats van verbitterd te zijn op den Athener, dankbaar zijn voorhoofd kussen?”Tegelijk gaf zij Pericles een kus op het voorhoofd; deze hernam:„Uw gevleugelde liefdegoden hebben gisteren dit Milete op den aanvoerder der machtige Atheensche vloot gewroken.”„Laat het u geen berouw veroorzaken,” zeide Aspasia, „aan dit Milesisch strand eene week van uw werkzaam leven gewijd te hebben. Eer de plaats, die niet alleen als het vaderland der weelderigste rozen en der fijnste wol in de wereld, maar ook als dat van de schoonste sprookjes beroemd is. Of zou er voor teedere harten iets liefelijkers kunnen bedacht worden, dan onze Milesische fabel van Eros en Psyche13?”„Gij hebt gelijk,” hernam Pericles; „maar,” vervolgde hij schalks lachende, „zoover ik weet, is ook de fabel van de „Weduwe van Ephese” onder[344]deze hemelstreek gedicht, als het ten minste eene fabel heeten mag.”„Waarvan de strekking volgens de gewone opvatting is,” viel hem Aspasia in de rede, „dat de vrouwen meineedig, weifelmoedig en trouweloos zijn. Maar het is eene slechte fabel, die niet meer dan ééne beteekenis heeft, niet meer dan ééne waarheid in zich bevat. Vergun mij dat ik de weduwe van Ephese onder mijne bescherming neem. Zij werd haar dooden echtgenoot ontrouw. De liefde echter hangt zoozeer met het leven samen, dat eene liefde en trouw tot over het graf, een leven, dat zich aan een lijk laat koppelen, een onding is. De bloedelooze schimmen in den Hades mogen zich niet met het bloed van de levenden voeden.”Zoo spraken zij beiden vertrouwelijk en opgeruimd. Toen kwam Artemidorus en verweet Aspasia schertsend, dat zij hem zijn gast had ontnomen; nadat hij beiden tot een ontbijt had genoodigd, voerde hij hen op een sierlijken, met witte paarden bespannen wagen naar den overouden, beroemden tempel van Apollo en naar het heiligdom van de Cybrische Godin aan het vlakke strand der zee, door ruischend riet omzoomd en door gele halcyonen14bevolkt. Zij voeren langs de schoone zeekust en op den terugtocht bestegen zij eene boot, om zich over de zachte, donkerblauwe golven te laten roeien naar een boschrijk eiland, dat de slaven van Artemidorus aanstonds weder in een klein paradijs omschiepen, door bonte, mollige tapijten uit te spreiden en kostelijke gaven van elke soort aan te bieden.Zoo vervloog de dag even snel als de nacht voorbij was gegaan en wederom hoorden zij beiden elkander geheel toe in de eenzaamheid van den lusthof, die alleen door het gekweel der nachtegalen werd verstoord.Artemidorus had Aspasia nu geheel aan zijn gast afgestaan en het was niet alleen de begeerte om[345]Pericles eer te bewijzen, maar ook de overdadige grootmoedigheid, die hem eigen was, die hem zijne schoone landgenoote alle mogelijke hulp deden bieden, die zij noodig had, om haar vriend de idyllische eenzaamheid van den myrthenhof met de afwisselende betoovering van eene onuitputtelijk vindingrijke liefde te kruiden.En Aspasia maakte niet minder gebruik van deze hulpmiddelen, dan van diegene, welke de natuur zelve nog kwistiger dan de rijke Artemidorus in haar bekoorlijk, betooverend karakter en uiterlijk had nedergelegd.Het hoogste, edelste genot van den geest en der zinnen vierde in deze beide door de Goden beminde zielen zijn zeldzaam, zalig feest. Vele en groote dingen had Pericles geschapen en volbracht, tot veel schoons en onvergankelijks had Aspasia hem bezield, terwijl zij de brandende vonk van haar geest, de schoonheid, naar alle zijden deed spatten. Maar het schoonste en goddelijkste volbrachten beiden, terwijl zij elkander liefhadden en gelukkig waren: zoo gelukkig, als niet de gewone menschen konden worden, maar alleen zij, die het beeld der godheid in zich omdroegen. Over datgene, wat zijbezielden, schiepen, volbrachten, mochten de stervelingen zich verheugen; op hun reine liefde zagen de zalige Olympiërs zelven met voldoening neder. Het ideaal van het menschelijk geluk in de schoone vreugde des levens en der liefde te verwezenlijken, scheen in die Halcyonische15dagen van Milete beiden zelven als het beste deel hunner bestemming …Inderdaad genoten Pericles en Aspasia voor de eerste maal ten volle het geluk hunner liefde in deze eenzame plaats. Maar de schoonste wijkplaats van ongestoorde eenzaamheid, schooner en ongestoorder dan de bloemengaarde en het tuinhuis konden opleveren, had de tooverhand van Aspasia geschapen. Het open, platte dak van het huis,[346]door de toppen van hooge pijnboomen en cypressen omruischt, was door haar in eene kleine lustgaarde herschapen. Door bloeiend heestergewas en bloemen, die op hooge stengels wiegelden en den rand aan alle kanten omzoomden, en door purperkleurig linnen, waardoor men het geheele terras als een tent kon bedekken, was deze wijkplaats aan de oogen der buitenwereld onttrokken. In dit bloemenpriëel, van de wereld afgesloten, alleen voor de beide gelieven toegankelijk brachten zij zalige uren door. Hier genoten zij de veilige eenzaamheid van een gesloten vertrek, zonder de benauwde lucht daarmede verbonden. Zij hadden den vrijen aether boven zich en gevoelden den weldadigen adem van de zachte, geurige en verfrisschende koeltjes uit het woud. De eenzaamheid der myrthen, de eenzaamheid van het huis voldeden hun niet; evenals teedere duiven, vlogen zij naar het dak, naar dat zalige, zonnige plekje, en alleen wat met vleugels voorzien was, kon hen daarheen volgen; de duiven, de pauwen, de tjilpende vogels. Hier rustten zij te midden der bloemen, hier liet Aspasia haar vriend de zangen der dichters hooren, die in haar mond eene wonderlijke bekoorlijkheid kregen, hier snoerde zij hem bij den klank der snaren in het zilveren net harer tonen, met de betoovering harer smeltende stem, die het gemoed van den hoorder tot zaligheid stemden, hier vertelde zij hem liefelijke Milesische sprookjes, hier keuvelden zij nu eens onverstandig als kinderen, dan weder diepzinnig als oude wijsgeeren. Hier konden zij de purperen doeken om zich en over zich heen trekken en als Goden, in een Olympisch rooskleurig licht gehuld, in verheerlijkte gestalte onder eene vriendelijke schemering ademen. Of zij konden den helderen glans der zon naar binnen laten stroomen en de minnaar kon het gelaat en de gestalte der geliefde, door het verblindend witte licht bestraald, en door de terugkaatsing der groene heesters tooverachtig beschenen, in verhoogde bekoorlijkheid als een aetherisch wezen bewonderen.[347]Aspasia kleedde zich naar Milesisch gebruik, nu eens in het purper, dan weer in het zeeblauw, soms in vuurkleurig, niet zelden in saffraangeel gewaad. Zij hield er van haar vriend in telkens afwisselende gedaante te verschijnen. Zij ontleende gewaad, houding, gestalte, uitdrukking, gang nu eens aan deze dan weder aan gene Godin of Heroïne16, en op verlangen van Pericles voerde zij voor hem mimische dansen uit, die met deze afwisselende gedaanten overeenkwamen en die in kunstvaardigheid en bekoorlijkheid alles overtroffen, wat de schoone Theodota ooit ten toon had gespreid.Bij die verwisselingen van zijn onvergelijkelijke vriendin kon Pericles niet nalaten zich de verzen van den grijzen zeegod te herinneren, die deze hem had toegesproken, toen hij zonder het te weten den weg insloeg om Aspasia te vinden. Die verzen, welke hem het schoonste geluk beloofden en hem aanrieden:„Houd het, o held, slechts vast, met sterke vuist, als gij thans mij doet!„Zóó toch omklemd, ontsnapt nooit u het vluchtig geluk!”„Ik zal u moeten vasthouden, gelijk den voorspellenden, van gedaante verwisselenden Proteus, opdat gij mij niet in uwe metamorphosen ontsnapt,” zei Pericles schertsend tot Aspasia.„Hoe wilt gij het aanleggen om mij vast te houden?” vroeg de Milesische.„Dat wenschte ik gaarne van u zelve te hooren,” hernam Pericles.„Toch niet naar Atheensch gebruik in eene kooi, met stevige tralies?” vroeg Aspasia.„Wat voor kooi bedoelt gij?” zei Pericles.„Die kooi,” antwoordde Aspasia, „die gij mannen het vrouwenvertrek in uw huis pleegt te noemen.”„In die kooien,” zei Pericles na een korte pauze,[348]„zijn wellicht alleen Telesippe’s, doch geen Aspasia’s opgesloten te houden.”De Milesische antwoordde met een glimlach.Het was haar genoeg, dat woord daar los heen te hebben geworpen, om in de ziel van Pericles overdacht te worden.Het gebeurde eens, dat Pericles met Artemidorus, in Aspasia’s afwezigheid, over haar sprak.„De sagen en legenden van alle tijden,” zei Artemidorus, „berichten van tal van helden, die voor langer of korter tijd in de macht van schoone vrouwen zijn geraakt. Odysseus, die naar zijn huiselijken haard smachtte, hield de schoone nimf Calypso jaren lang in hare grot terug. Den vromen Aeneas wist de minnende Dido17te veroveren, zelfs den sterksten der sterken ketende de schrandere Omphale18een tijdlang aan haar spinrokken. Maar geene van al die vrouwen vermocht het, de geketende mannen voor altijd te boeien: hare betoovering week, de banden werden geslaakt, de ontevreden held trok het roestige zwaard of haalde de vergeten knots uit den schuilhoek te voorschijn, kalefaterde op een goeden dag zijn half verrot vaartuig weder en trok na een vluchtigen afscheidsgroet aan de schoone op nieuwe avonturen uit. Zoo zou ook Aspasia’s betoovering wel verdwijnen, als gij in deze vreugdevolle wijkplaats voortdurend met haar moest verkeeren.”„Voorzeker,” zeide Pericles, „als Aspasia Theodota was, als zij niets bezat dan de bekoorlijkheid van haar lichaam. Doch er zijn middelen, waardoor de minnaar voor altijd geboeid kan worden. Ik spreek van diegene welke gewone vrouwen aanwenden, in de meening dat zij door geveinsde preutschheid of door grillen en plagerijen en bezwaren, waarmede zij den geliefde kwellen, haar bezit zullen doen op prijs stellen. Er zijn bevoorrechte vrouwelijke naturen, wien het vergund is in weerwil[349]van onbeperkte overgave, waardoor het geluk der vrouwen doorgaans schipbreuk lijdt, juist door deze den geliefde met steeds vaster boeien te kluisteren. Moest ik dat onnoembare, waardoor haar dit gelukt, een naam geven, dan zou ik het slechts charis kunnen noemen: die wonderlijke vereeniging, van bekoorlijkheid en bevalligheid, vleiend zonder opdringen, het gemoed vervroolijkend als de lach der Olympische Goden. Deze charis, geloof ik, is de betoovering, die Aphrodite in haar gouden gordel bewaart. Duizend droeve wolken verdonkeren den hemel der geliefden: alleen de charis weet ze te verdrijven: alleen in de stralen der schitterende, opgeruimde blijmoedigheid der ziel verdwijnt al het droefgeestige. Alleen door haar adem wordt al het ruwe en harde verzacht. Haar wordt alles vergund en alles vergeven, omdat zij geene wonde slaat of ze heelt die oogenblikkelijk. Aspasia bezit deze blijmoedigheid van ziel, dezen charis, deze gordel van Aphrodite en daarmede alleen verijdelt zij spelende alle pogingen van Theodota. Want ik ken de vrouwen en weet, hoe zeldzaam, hoe eenig in de wereld datgene is, wat Aspasia bezit.”„Ik versta u volkomen,” zei Artemidorus; „wat gij zegt, heb ik dikwijls ondervonden. De proefsteen van de vrouwen en van haar toovermacht is niet het genot, dat zij verschaft, maar de kunst, hoe zij de tusschenruimten tusschen de oogenblikken van zalig genot weten aan te vullen.”„Aspasia verstaat het,” hernam Pericles, „ieder oogenblik eene schitterende vonk te laten opspatten, iets als een vuurpijl of ook als een schoone zeepbel, waarnaar men snel grijpen moet en dat het volgende oogenblik ons weer ontneemt. En dit alles doet Aspasia zonder inspanning, zonder dwang en gemaaktheid; zij doet het, omdat het haar van nature eigen is. En juist daarom, werkt zij onwederstaanbaar. De zalige uren der armen van geest zijn eene bekoring der zinnen, met doodelijke verveling verbonden; alleen uit de ziel welt datgene[350]op, wat aan het zoetste duurzame waarde schenkt.”De dag naderde, waarop Pericles met zijne beide schepen weder naar Samos moest terugkeeren, om vandaar nog een kort uitstapje naar Chinos te maken. De vriendelijke tegemoetkoming der Milesiërs had het Pericles gemakkelijk gemaakt, om het plan, waarom hij te Milete gekomen was, te volvoeren; en zoo was het hem mogelijk geweest slechts het geringste deel van den tijd, dien hij zich te Milete ophield, aan politieke onderhandelingen te besteden, terwijl hij het grootste deel aan zijn innerlijk geluk had kunnen wijden.De gastvrije Artemidorus gaf den Atheenschen veldheer vóór zijn vertrek een feestmaal, waaraan ook Aspasia deelnam.Aan dit feestmaal zei Pericles tot zijn gastheer Artemidorus:„Geen wonder, dat de geheime betoovering van deze hemelstreek ook mij heeft bekoord en ik zeven dagen lang schier onbewust mij aan eene gelukkige werkeloosheid heb overgegeven. Men bemerkt het, dat gij, Grieken van deze kust, nabij de vurigePhoeniciërswoont, die het eerst de Godin der liefde vereerden, en nabij dat Cyprische eiland, dat die weelderige Godin op haar zegetocht uit de Sidonische golf naar Hellas de eerste rustplaats heeft aangeboden. En evenals uit het Zuiden de feestelijke bezieling der Cyprische Godin, zoo dringt van het Noorden, van de hoogten van den Tmolus, het feestelijk geruisch van Dionysus en van zijne voedster Rhea tot u door. Zoo zijt gij als het ware omringd en omruischt van de golven der feestvreugde dier Goden van het genot. Evenals uit overvolle uiers de melk, zoo wordt hier de dauw der weelderigheid uit den hoorn des overvloeds van die Goden en uit de duizend zwellende borsten van Artemis over u uitgestort. U, Milesiërs, zullen de vreeslijke, dweepzieke Orgiën op den Tmolus wel niet alleen van hooren zeggen, bekend zijn. Het zou mij verwonderen, zoo niet de een of ander uwer door nieuwsgierigheid gedreven, ten tijde der feesten[351]zich in die geheimzinnige plaatsen van het naburige Lydië had gewaagd en, zij het dan ook misschien op een afstand, de razernij der Corybanten had gadegeslagen.”Bij deze woorden van Pericles toog er een wolk over het gelaat van Artemidorus en eene lichte zucht ontsnapte aan zijne borst, zoodat Pericles hem verwonderd en schier getroffen aanzag.„Mij zelven,” sprak Artemidorus, „heeft het noodlot eens daarheen gevoerd en ik zou u gaarne datgene, wat ik gezien en beleefd heb, verhalen, als er niet zoovele smartelijke herinneringen aan verbonden waren.”Deze woorden vermeerderden de belangstelling van Pericles en toen Artemidorus dit bemerkte, vervolgde hij:„Ik zie het wel, ik moet ook tegen mijn wil spreken en mijne onaangename gewaarwording rechtvaardigen door u eene mededeeling te doen, die de uitdrukking van uw gelaat, Pericles, van mij schijnt te verlangen. Welnu, luister:„Het is nog slechts weinige jaren geleden, dat ik den bekoorlijksten jongeling van Milete, mijn zoon mocht noemen. Hij was met alle gaven des geestes en des lichaams toegerust, doch tevens met eene onbeperkte verbeeldingskracht, die geen teugel kende, met een vurig, ja dweepziek gemoed. Het heeft nooit te Milete ontbroken aan jongelingen, die door de verhalen der razende orgiën op den Tmolus tot misdadige nieuwsgierigheid geprikkeld werden, en menigeen is aan de bewaking zijner zorgvuldige ouders ontsnapt, om zich bij die wilde rijen aan te sluiten; ja zelfs er waren tijden, waarin dat verlangen als eene soort pestziekte woedde. Ik overwoog, hoe ik eene dergelijke zinsverbijstering van mijn al te hartstochtelijken Chrysanthes zou afweren. Zooals ik gevreesd had, werd hij ook weldra door die ziekte aangegrepen. De tijd der Lydische feesten naderde. Chrysanthes was in het oogvallend stil en ingetrokken; zijne wangen verbleekten en hij zag er uit, alsof hij door[352]een heimelijk, koortsachtig ongeduld werd verteerd. Reeds was ik besloten hem als gevangene in huis te behandelen en oppassers bij hem te plaatsen, die ieder zijner schreden zouden bewaken. Toch deed de toestand, waarin ik hem zag, mij vreezen, dat hij zou ontsnappen en daarbij voegde zich de gedachte, dat de jongeling, ten gevolge van zijn geheel onbevredigd verlangen, in eene gevaarlijke zwaarmoedigheid of in eene doodelijke ziekte zou vervallen en dat het heilzamer zou zijn, wanneer ik de begeerte, naar het scheen, zijner steeds toenemende nieuwsgierigheid ten deele bevredigde, althans op eene wijze, die geen gevaar voor hem na zich sleepte. Ik deelde hem mede, dat ik mij met hem naar den Tmolus wilde begeven en met hem de mystieke gebruiken der Corybanten wenschte gade te slaan. In mijn gezelschap onder mijne onmiddellijke hoede, moest toch de jongeling voor elk gevaar beveiligd zijn.„Nog is Milete prachtig en zijne bewoners levenslustig.”„Nog is Milete prachtig en zijne bewoners levenslustig.”„Eene reis van verscheidene dagen bracht ons tot ons doel. Wij bestegen, begeleid door een slaaf, die levensmiddelen voor één dag droeg, den boschrijken, nog eenzamen Tmolus en wachtten het oogenblik af, waarop de wilde troep der Corybanten uit Sardes de berghelling zou bestijgen.„Het orgiastische lentefeest was reeds den vorigen dag daarmede begonnen, dat men den grooten pijnboom van den Tmolus had geveld en omwonden met kransen van de tallooze lenteviooltjes, die in de kloven van den Tmolus groeiden; den boom, zóó bekranst, sleepte men onder uitbundig gejubel naar den tempel van Cybele, om hem aan de alles voortbrengende moeder der Goden als lenteoffer te wijden.„Nog bleef het grootste en luidruchtigste deel van het feest over. Een dof geraas drong tot onze ooren door nog voor wij in de avondschemering de naderende schaar der Corybanten konden zien. Wij verborgen ons bij hare nadering in het dichte struikgewas, om ongemerkt getuigen te zijn van haar dolle waanzin.[353]„De zwerm naderde, het geraas werd oorverdoovend. Ieder dezer Corybanten, van welke verscheidene geheel naakt, andere slechts met het ruige vel van een wild dier om de lendenen bekleed waren, droeg een tamboerijn, waarop hij met alle geweld sloeg en een doffen toon deed hooren, of een rammelend bekken; sommigen bliezen op eene fluit of hoorn, anderen hadden zwaarden en schilden in de handen, die zij tegen elkander sloegen. Doch boven al dat gekletter van metaal en muziekinstrumenten klonk het geschreeuw, of liever het gebrul uit, dat een jubelzang ter eere van den verlorenen en nu wedergevonden jongeling Attis, den lieveling en bode van de alles voortbrengende moeder Rhea, moest voorstellen. Van den verloren en wedergevonden Attis zongen zij, maar het was de uit haar doodslaap ontwaakte, wild opbruisende teelkracht der natuur, die deze menschen niet alleen vierden, maar ook in zich zelven tot waanzinnige bedwelming lieten opbruisen. De schaar werd aangevoerd door Cybele-priesters, die helder brandende pijnfakkels in de eene hand, in de andere scherpgeslepen kromme messen droegen, die zij met de uitdrukking van dweepzucht, verwoed zwaaiden. De gang dezer menschen mocht geen loopen heeten, veeleer een woest springen en dansen onder allerlei verwringingen, onder begeleiding van een oorverdoovend geraas van zwaarden en muziekinstrumenten.„De gezichten van allen waren hoog rood; sommigen zelfs met donkerblauwe vlekken geteekend; de oogen schenen uit hunne kassen te zullen springen en velen stond het schuim op den mond. Daarbij schudden zij woest de lange, golvende lokken, die voor het meerendeel uit vreemde haren kunstig samengevoegd, om de slapen fladderden en die hen een half mannelijk half vrouwelijk uiterlijk gaven. De wilde of tamme dieren, die op weg in hunne handen waren gevallen, sleepten zij met zich mede. Aan de spits van den zwerm werd een panther gevoerd. Eenigen zagen wij met slangen,[354]die zij opgeraapt hadden, in de handen en speelden daarmede onbevreesd alsof het kransen of linten waren.„Terwijl de tierende schaar langs ons heenstormde, zag ik den jongen Chrysanthes naast mij door eene toenemende ontroering aangegrepen. Hij zweeg, maar zijn gelaat gloeide, zijn oog staarde wezenloos op de dolle feestvierende schaar en hij begon eenige bewegingen, die hij bij de razenden opmerkte, onbewust na te doen.„Niet verre van de plaats, waar wij in het geboomte verborgen waren, strekte zich eene groote vlakte uit, door reusachtige pijnboomen ingesloten en met allerlei kruiden begroeid. Hier hield de troep stil, doch niet om te rusten maar om nog doller te woeden. De meegesleepte dieren werden in het midden geplaatst, ook de priesters sloten zich daarbij aan en rondom hen schaarden zich de Corybanten.„Op een bezielend woord van den priester, stortten zij zich op den panther en de overige dieren, scheurden ze in stukken, eerst met de handen, vervolgens met de tanden, slurpten hun warm bloed en staken de overblijfsels van het bloedende vleesch aan hunne Thyrsusstaven19, als op spiesen. Toen begonnen zij, onder nog sterker geraas der pauken en cymbalen20en koperen werktuigen, in de rondte te dansen, de groote, alles voortbrengende moeder prijzende en de alles bezielende teelkracht, de onuitputtelijke kracht van genot en liefde, wier beeld voor hunne oogen werd ten toon gesteld.„De wilde dieren vloden voor het woest getier in de verwijderdste schuilhoeken; een leeuw stoof verschrikt in dolle vaart vlak langs mij en Chrysanthes door het geboomte. En waarlijk, de fanatieke kreten, het rookende offerbloed, het zwaaien der brandende fakkels en bovenal het geraas der tamboerijnen, moesten mensch en dier verschrikken of in de wildste[355]onstuimigheid brengen. Ik zelf verloor schier mijne bezinning. Toen deed Chrysanthes plotseling een poging om zich van mij los te rukken. Ontzet zag ik hem aan en bemerkte, dat hij in zijn geheele uiterlijk reeds aan die razenden gelijk was. Ik hield hem vast, maar reuzenkracht in zijne jeugdige leden ontwikkelend, maakte hij zich los en voortstormend sprong hij van een rotswand, zoo hoog en steil, dat alleen door een wonder zijne leden niet verbrijzeld werden, midden onder die razenden, en evenals de schuimende vloed een droppel, zoo verzwolg hem de dolle schaar.„Van schrik en ontzetting radeloos stond ik daarbij bijna zinneloos.„De woeste dans ging voort voor mijn benevelden blik. Sommigen stortten als dood neder, stonden weder op en begonnen opnieuw.„Wederom klonken kreten der zinneloozen, vergezeld van teekenen en wonderlijke gebaren, door het rumoer heen. En toen de razernij ten top was gestegen, traden eenigen uit den troep te voorschijn en trachtten hunne woorden te doen verstaan, waarvan echter slechts weinig verstaanbaars tot mijn oor doordrong.„Het duizelde mij voor de oogen, ik zag niets dan een woesten troep zich door elkander bewegen, waarin de dolsten zich met flikkerende klingen wondden, verminkten—ik dacht aan Chrysanthes—het werd nacht voor mijne oogen, ik zonk buiten kennis op den grond.„Toen ik mijn bewustzijn herkreeg, was de maan in al haar glans opgegaan, de Corybanten waren verder getrokken, het geluid van het tympanon21klonk uit de diepte van het woudgebergte, als de donder, die in de verte ratelt.„Ik begaf mij naar het naburige Sardes, den zetel van de priesterschap Cybele, omdat ik daar het eerst iets aangaande het lot van mijn Chrysanthes hoopte te vernemen, of ik soms den geliefden[356]verloren zoon mocht kunnen terugvinden.„En ik vond hem terug; het werd mij gebracht op eene baar, uit de pijnboomtakken van den Tmolus gevlochten, gewond, verminkt, bloedend.„De jongeling in den bloei zijner jaren en schoonheid lag daar voor mijne oogen, gelijk die met viooltjes omkranste pijnboom, geveld op den Tmolus door het mes der Corybanten, als een dankoffer aan de alles voortbrengende Godin …”Zoo luidde het verhaal van Artemidorus.De vroolijkheid van het feestmaal was verdwenen.Toen het afgeloopen was en Pericles zich met Aspasia alleen bevond, zeide hij:„Milete is schoon en het verhaal van Artemidorus zal mij de herinnering aan de zaligste dagen mijns levens, die de Goden mij ooit schonken, niet geheel en al treurig maken. Doch ik gevoel dat het tijd is den voet van dit gloeiend strand weder op het snelle schip te zetten, en mijne schier beklemde borst zal eerst weder ten volle vrij adem halen in de zachte, vaderlandsche Attische lucht!”1Orgiastisch beteekent: bezield, bezeten, daar de Orgiën of feesten ter eere van Dionysus zich door luidruchtigheid en uitgelatenheid kenmerkten. Vergelijknoot 1 pag. 145.↑2Mitra is in het algemeen een band, een hoofdband, die door de Grieksche vrouwen gedragen werd; voorts een tulband, die door de verwijfde Aziaten gedragen werd.↑3Thales een der zeven Wijzen van Griekenland, leefde ongeveer 640 v. C. Hij zou het eerst eene zonsverduistering voorspeld hebben. Hij verkondigde de leer, dat de stof eeuwig bezield en altijd in beweging is.↑4Herodotus „de vader der geschiedenis”, was te Halicarnassus in Carië omstreeks 484 v. C. geboren. Hij maakte talrijke reizen. Zijne ervaringen teekende hij op in negen boeken, die ieder naar eene der Muzen zijn genoemd. Hij munt uit door eenvoud en liefelijkheid van stijl. Herodotus stierf omstreeks 408 v. C., wellicht te Thurië, in Beneden Italië.↑5Vergelijknoot 1 pag. 32. Zeven plaatsen betwisten elkander de eer Homerus te hebben voortgebracht. Te weten: Smyrna, Rhodos, Colophon, Salamis, Chios, Argos, Athene.↑6Hebe, de dochter van Zeus en Hera, de Godin der jeugd, dikwijls als gemalin van Heracles voorkomende, was de schenkster der goden op den Olympus.↑7Cybele, ook Cybebe geheeten, was eene Phrygische Godin, de personificatie van het weelderige leven der natuur. Zij wordt ook geheeten: „de groote moeder der Goden” en dikwijls met Rhea geïdentificeerd. Hare begeleiders waren de dolle Corybanten, haar lieveling de jongeling Attis.↑8De Sirenen waren zeemonsters, die door verleidelijke liederen de voorbijvarenden tot zich lokten en hen dan doodden. Zij worden wel voorgesteld als vrouwen met vogelklauwen en vleugels.↑9Triton is de zoon van Poseidon en Amphitrite; vandaar in het algemeen een zeegod. Zijn attribuut is de mosselschelp, waarop hij blaast.↑10Proteus was een zeegod, die de robben Poseidon weidde. Als zijn verblijfplaats wordt het eiland Pharos, ook wel Karpathos, gemeld. Hij had de gave zich in allerlei gedaanten te kunnen veranderen.↑11Beschermgoden, geleigeesten, (genius.)↑12De Pontus bijgenaamd Euxinus, de gastvrije, is de Zwarte zee, vroeger om hare talrijke stormen Pentus Axinus, de onherbergzame, geheeten.↑13Psyche beteekent „ziel”. De fabel, juister de allegorie, waarop hier door den schrijver gedoeld wordt, komt voor bij Apuleins, een wijsgeerig schrijver die te Madaura in Numidië geboren was en lang te Rome verkeerde (in de tweede eeuw na C.). De inhoud daarvan was de volgende: Psyche eene koningsdochter was de schoonste van drie zusters, zoodat zij zelfs voor Aphrodite werd gehouden. Deze, hierover vertoornd, gelastte Eros een sterveling op haar te doen verlieven. Doch deze werd zelf op haar verliefd. De vader raadpleegde Apollo daaromtrent. Deze gaf de godspraak, dat men Psyche alleen op een berg moest achterlaten, want dat zij de gade van een monster moest worden. Dit geschiedde. Daar ontmoette zij telkens Eros in een paleis, dat voor haar was verrezen. Nieuwsgierig haren beminde meer van nabij te zien, naderde Psyche hem, ondanks zijn vroegere waarschuwing. Bij ongeluk liet zij een droppel heete olie op zijn schouder vallen. Eros, die sliep, ontwaakte en ontvlood haar. Troosteloos doolde Psyche overal rond, totdat zij eindelijk bij Aphrodite kwam, die haar als slavin hard behandelde. Nochtans steunde Eros haar in haren arbeid, zooals op haar tocht naar Persephone, in het schimmenrijk, waar zij levenloos door den benauwden damp ter neder stortte. Eros riep haar door aanraking zijner pijl in het leven terug. Eindelijk werd Aphrodite verzoend. Psyche ontving van Zeus de onsterfelijkheid en werd voor altijd met den geliefde vereenigd. Zij baarde hem eene dochter Hedone, (Voluptas, Cupido), het Genot. In deze allegorie wordt de onschuld, de val, de boete geschilderd en de redding der ziel door de kracht der liefde.↑14Halcyonen of Alcyonen zijn ijsvogels.↑15Halcyonische dagen zijn eigenlijk de zeven dagen vóór en na den kortsten dag, gedurende welke de ijsvogel zijn nest bouwt, daar de zee dan vrij van stormen is. Daaruit is de Grieksche spreekwijze ontstaan, beteekenende: kalme, diepe rust.↑16Heroïne beteekent eigenlijk heldin, het vrouwelijke van heros; voorts iedere voortreffelijke der stervelingen, eene halfgodin.↑17Dido of Elissa nam Aeneas, die op zijn tocht van Troje naar Italië door een vreeselijken storm geteisterd was, gastvrij op in het door haar gestichte Cartago.↑18Zienoot 2 pag. 259.↑19Thyrsus is de staf der Bacchanten, die met klimop en wijngaardloof omwonden was en uitliep in eene pijnboomnaald.↑20Metalen bekkens.↑21Eene pauk, eene tamboerijn, vooral bij de feesten ter eere van Cybele in gebruik.↑
XII.UREN VAN ZALIGHEID.
Van Samos had Pericles met twee zijner galeien den kortsten tocht naar Milete gemaakt.De triërarch van het tweede schip was niemand anders dan Hipponicus. Deze had Pericles verzocht hem naar Milete te mogen vergezellen. Onder zijn geleide bevond zich de schoone hetaere Theodota.Zóó geraakte de verleidelijke danseres weder in de omgeving van Pericles en kon voor hem weder hare bekoorlijkheden ten toon spreiden.De Milesiërs ontvingen den Atheenschen strateeg met gejuich. Met schitterende feesten vierden zij zijne aankomst en met een gouden lauwerkrans vereerden zij den overwinnaar van Samos.Pericles voelde zich als door zwoelen adem aangewaaid toen hij Klein-Azië’s kusten betrad. Dit was toch het land der Artemis beelden met hun duizend borsten, met de reuzentempels, die de Helleensche schoone vormen met de kolossale, reusachtige afmetingen van het Oosten vereenigden, het land der Aphrodite-priesteressen, die zich aan het zingenot wijdden, het land der weekelijke, vrouwelijke melodieën, het land van de moeder der Goden, wier feestrijen op den Tmolus door orgiastische1woestheid en mystieke razernij van het Oosten zich kenmerkte, het land ook van haar pleegzoon, den vreugdegod Dionysus, die reeds door zijn karakter en uiterlijk, teeder en vrouwelijk van gestalte en toch vol moed en vuur, met weelderige lokken en rijken haardos door eene lydische mitra2getooid, in veelkleurig, wijd gewaad,[334]alsKlein-Azië’sechte zoon zich betoonde.En zoo ergens op de Ionische kusten van Azië, dan waaide deze zwoele adem, die den Athener Pericles trof in de straten van het rijke, prachtige, met rozen bezaaide Milete. Hier hoorde men over de Perzen en de satrapen te Sardes spreken als te Athene over de Megarensers enCorinthiërs. Men zag Perzen en ook andere Oosterlingen in de straten wandelen. Rijk en bont als het gevederte der Oostersche vogels en toch smaakvol was de kleeding der mannen van Milete en van de bekoorlijke, weelderige vrouwen. Kleederdrachten troffen hier de Atheners, die aan de Perzen, andere die aan de Egyptenaars waren ontleend; hij zag ze van de kleur van het viooltje en den hyacinth, hij zag ze zelfs in vuurroode kleedij. Hij zag de Milesiërs omhangen met de weefsels van Perzië, stralend van de edelgesteenten van Indië, druipende van Syrische zalven.Pericles en Hipponicus genoten gedurende hun oponthoud te Milete de gastvriendschap van den rijksten en aanzienlijksten burger, Artemidorus. Deze bracht hen naar zijn prachtig landgoed in de nabijheid der stad. Niet verre van dit landelijk verblijf lag een myrthenbosch, waarvan de sage meldde, dat in zijn lommerrijk geboomte, bevolkt door het gewiekte koor van zangers, somwijlen de Godin Aphrodite in hare heerlijke gestalte zich vertoonde.In de vertrekken van Artemidorus heerschte de pracht van het Oosten. Met bonte Perzische behangen prijkten de wanden: het huisraad schitterde van goud, het blonk van ivoor, het ademde een geur van sandelhout. Eene menigte schoone slavinnen zweefde door het huis. Er bevonden zich onder haar, die van de stranden der Kaspische zee geboortig, schitterend blank waren als de marmeren beelden, anderen bruin als de bronzen beelden in het huis van Artemidorus en nog meer anderen schitterend zwart, als de met goud ingelegde ebbenhouten tafels in zijne vertrekken. Met beelden en schilderijen was Artemidorus’ huis rijkelijk[335]versierd. Niets ontbrak er, wat het gemoed van den Aziatischen Griek in Aspasia’s vaderstad kon bevredigen.„Gij andere Grieken noemt ons Ionië een brandpunt van weelderigheid,” zei Artemidorus tot zijne gasten, toen hij hen aan eene kostelijke tafel onthaalde, „en, naar ik hoor, moeten in der daad onze Milesische schoonen voor de deugd van Atheensche mannen gevaarlijker zijn, dan de hoffelijke Milesiër voor de Atheensche vrouwen.”Pericles glimlachte.„Vergeet niet,” vervolgde Artemidorus, „dat ons Ionië niet alleen een brandpunt der weelderigheid is, maar ook de bakermat der dichtkunst, ja zelfs der wijsheid, daar wij u Hellenen, behalve schoone vrouwen, Thales3, Herodotus4en, zoo wij ons niet te veel aanmatigen, ook den grooten Homerus5hebben geschonken.”„Wie twijfelt er aan,” hernam Pericles, „dat de krachtige bloesem van den Helleenschen geest nooit en nergens afvalt, zelfs niet in de weelderigheid van het rozenleger der vreugde?”„Zeg liever, dat hij zich nergens schitterenderontwikkelt, dan juist daar!” riep Artemidorus. „Er is geen vooruitgang onder de menschen en volkeren zonder datgene wat onverdraagzame dwepers weelderig noemen.”Den avond van den tweeden dag voerde Artemidorus zijne gasten naar het myrthenbosch, nabij zijn prachtig landhuis gelegen, dat hij zelf op de wijze van een lusthof had doen aanleggen. De schoone Theodota was als geliefde en metgezellin van Hipponicus door den beleefden Artemidorus mede genoodigd. Zij wilde trachten door den vurigen gloed[336]harer donkere oogen den vriend van Aspasia in liefde te doen ontbranden.Onder geleide van hun gastheer doorwandelden Pericles, Hipponicus en Theodota de bekoorlijke dreven van den bloeienden myrthenhof. Daar het groote bosch zich over eene zachte glooiing uitstrekte, had men op verscheiden punten, waar de grond niet met boomen beplant was, een heerlijk gezicht op de stad, op de blauwe zee en de eilanden, die als een bolwerk vóór de vier havens van Milete lagen. Op zulke plaatsen liet de rijke Artemidorus door de slaven, die hem op den voet volgden, Oostersche tapijten spreiden of eene met purper behangen tent opslaan, om daar uit te rusten, verfrisschingen te gebruiken of naar de weeke toonen van Lydische fluiten te luisteren, die op last van Artemidorus met de nachtegalen in het woud wedijverden, om het oor te bekoren.De slaven en slavinnen bevolkten het bosch als Silenen, die hier en daar den wandelaars uit wijnzakken de volle bekers toereikten, of als Hebe’s6en nimfen uit bevallige horens hun bloemen en heerlijke vruchten aanboden. Drie der schoonste nimfen voerden op een open grasperk een bekoorlijken reidans uit, waarbij de Aziatische, bij de Cybele-feesten7gebruikelijke tamboerijn op luidruchtige wijze geslagen werd, zoodat eene zekere betoovering en bedwelming zich van de zinnen meester maakten.Een klein meer in het midden van het bosch was met allerlei gedaanten uit de Helleensche fabelleer bevolkt. Zeemeerminnen met vischstaarten zag men er, die zich met waterbloemen bekransten, en Sirenen8op rotsen uitgestrekt, die in een wedstrijd[337]met de Tritons9hare zoete, verleidelijke zangen deden hooren. Ook de waarzeggende, van gedaante wisselende grijsaard Proteus10ontbrak daar niet, die allen wie het verlangden, voorspellingen deed. Ook Pericles naderde hem en wenschte een orakel van hem te vernemen.„Ik zal, als het noodig is, niet verzuimen u vast te houden,” zei hij lachend, „zooals het gebruik is bij hen die u ondervragen, opdat gij niet in steeds nieuwe gedaantewisselingen den vrager moogt ontkomen.”Bereidwillig stond de grijsaard Pericles te woord en deelde hem de volgende orakelspreuk mede:„Daar waar de nachtegaal nestelt, de rozen het heerlijkste geurenKnellen goedgunstige Goôn in ijzeren banden uw geluk!Houd het, o held, slechts vast met sterke vuist, als gij thans mij doet!Zóó toch omklemd, ontsnapt nooit u het vluchtig geluk.”Pericles begreep niet, wat de grijze zeegod bedoelde. Toen hij na dit onderhoud met hem naar zijne vrienden omzag, waren zij verdwenen. Hij liep dus eenigen tijd alleen. De vogels, die van tak tot tak, van boom tot boom huppelden en daarbij hun liefelijk gekweel aanhieven, lokten hem al dieper en dieper in het woud. Maar ook eksters, spreeuwen enpapegaaienzaten hier en daar in ’t geboomte, die Pericles toeriepen en bespotten met de woorden: „Wees welkom!” en „verheug u” en „kom toch, kom toch!” Snaterend huppelden zij weldra naast den wandelaar voort. Thans echter meende Pericles, dat hij in plaats van enkele vogels een geheel koor van nachtegalen op eenigen afstand[338]vernam. Tegelijk drong een sterke rozengeur, als door zachte koeltjes uit de verte gedragen, tot hem door: het moest van eene groote, bloeiende rozengaarde komen. En, wat het opmerkelijkste was, onder die rozengeur scheen zich het aroma van Indische reukwateren te mengen. Half onwillekeurig vervolgde Pericles zijn weg in de richting, van waar de rozengeur en de heldere tonen der nachtegalen kwamen. Hij deed het zonder bedoeling en hij dacht niet meer aan de voorspelling van den grijzen zeegod. Hier en daar zag hij in de schemering van het woud uit de verte iets schitterends door de takken blinken. De vogels, die den wandelaar van tak tot tak huppelend en zingend als ’t ware hadden vergezeld, verstomden nu en schenen met schalksche blikken op hem neer te zien. En in plaats van hun gezang deed zich hier en daar in de toppen der boomen een sterker wiekgeklap en een zacht lachen hooren, als van zwevende liefdegoodjes, die zich ten koste van den wandelaar vroolijk maakten.Nu zag Pericles de weelderige rozengaarde zelve, wier geuren hem straks reeds bedwelmend waren toegewaaid. Tusschen de takken door zag hij nu duidelijker die schitterende gedaante blinken, als met purper, goud en verblindend wit gewaad omhangen. Hij naderde en het gelukte hem, juist van den kant, vanwaar hij kwam, zijn oog dieper in het loof te doen doordringen. Te midden nu van deze weelderige rozenpracht, zag hij het bekoorlijkste tooneel, dat men zich voorstellen kan.Omgeven door een schaar lieve knapen, in purperen kleeding, met gouden vleugels aan de schouders en gouden pijlen in zilveren kokers aan hunne zijde, stond eene vrouwelijke gestalte in sneeuwwit gewaad, met een gouden gordel om het midden en met rozenkransen omwoeld. Het gelaat der schoone kon Pericles onmogelijk duidelijk zien; want juist toen hij naderde waren de liefdegoodjes met overmoedigen ijver bezig het hoofd, de borst en het geheele lichaam der vrouw al dichter en[339]dichter metrozenkransente omwinden, dat het daaronder schier geheel verdween. Pericles dacht aan de legende, die zijn Milesische gastvriend hem had medegedeeld, dat in deze gaarde de Godin Aphrodite somwijlen zich in hare heerlijke gestalte vertoonde, en het kwam hem niet ongerijmd voor, dat die onder rozen schier bedolven schoone eene Godin was.Nadat de gevleugelde knapen de slanke vrouwengestalte geheel met rozenbanden omstrengeld hadden, trokken zij haar aan die zelfde banden op een leger van bloemen neder en bevestigden lachende de einden der kransen aan de stammen en struiken. Daarna bestrooiden zij de geboeide, terwijl zij vroolijk om haar heen dansten, steeds met rozen, die zij van zwaar beladen takken der dichte struiken afplukten.Bij het gezicht van den vreemdeling sprongen de kleine Eroten allen lachend weg en lieten de geketende achter. Pericles trad de priëel binnen. Nu klonk uit het bloemengraf de bede van de gevangene tot den vreemdeling, om haar te bevrijden.Pericles verbrak eene der rozenketenen, schoof de rozen ter zijde, die het hoofd en het aangezicht van de vrouw bedekten, en de stralende oogen van Aspasia schitterden hem tegen …Het gevoel, dat zich in het eerste oogenblik van Pericles meester maakte, was dat van ongekende vreugde. In het volgende oogenblik echter werd het gemengd met verbazing, die zulk eene verrassing bij hem moest opwekken. En reeds zweefde eene ernstige vraag op zijn lippen naar de omstandigheden, waardoor hem deze onverwachte vreugde was bereid.Doch nu stond Aspasia op, schudde de rozenketenen van zich af en zeide met hare zacht betooverende, zilveren stem:„Weet dan, dierbare Pericles, dat ook ik, evenals Socrates, mijn daemon heb, die in beslissende oogenblikken mij toefluistert, niet alleen wat ik[340]nalaten, maar ook wat ik doen moet. Deze daemon nu heeft, toen uw laatste schrijven van Samos mij meldde, dat de vrede gesloten, dat Theodota te Samos aangekomen was en gij van plan waart naar Milete te vertrekken, zich oogenblikkelijk in mij doen hooren en mij gelast onmiddellijk een schip te beklimmen en u te Samos of zoo gij daar niet meer waart te Milete op te zoeken. Wellicht wilde de daemon mij het schoonste, dubbele geluk doen smaken, Milete niet zonder u en u alleen te Milete weder te zien. Ik kwam te Milete, ik begaf mij naar uw gastvriend Artemidorus en hoorde van de verrassingen, die de schoone Theodota uit eigen beweging en op aansporen van anderen, u in deze gaarde, aan Aphrodite geheiligd, wilde bereiden. Ik hoorde van de maatregelen, die reeds met behulp van den grootmoedigen Artemidorus genomen waren, maar ik vond het beter in overleg met dien zelfden Artemidorus, de verrassende rol, welke Theodota wilde spelen, op dit tooneel zelve te vervullen. Artemidorus dus hebt gij het te danken, dat de liefdegoden niet Theodota, maar mij op deze plaats u geketend hebben overgeleverd.”„Voor mij,” hernam Pericles, „hebt gij de legende van de verschijning der Godin der liefde in dit woud bewaarheid; voor mij zijt gij de Godin der liefde, de Godin van het geluk, en boven alles, veroorloof mij dit er bij te voegen, de Godin der verrassingen.”„Is er wel een geluk denkbaar zonderverrassingen?” vroeg Aspasia.Een vertrouwelijk gesprek vereenigde de beide minnenden nog een geruimen tijd op die bekoorlijke plek. Zij hadden, zooals alle gelieven, na eene lange scheiding, elkander duizenden dingen te zeggen.Maar toen kussen de woorden dreigden te vervangen en de schemering inviel, sprongen plotseling weder de liefdegoden uit de struiken te voorschijn en wilden Pericles, met nieuwe kransen[341]die zij gevlochten hadden, eveneens omstrengelen en ketenen.„Pas op voor die kleinen!” zei Aspasia. „Het is tijd om heen te gaan en voor heden afscheid te nemen. Uw weg is ver; de mijne korter; want mij is door Artemidorus dat kleine, bekoorlijke tuinhuis ingeruimd, dat, weinige schreden van hier gelegen, alleen door het dichte myrthenbosch halverwege voor onze blikken verborgen is. Daarheen wil ik mij begeven. Keer gij echter, dierbare Pericles terug naar Artemidorus, naar uw vriend Hipponicus en naar de schoone Theodota, de verleidelijke Corinthische met hare vurige oogen!”Op deze woorden van Aspasia barstten de liefdegoden in een luid, vroolijk gelach uit, terwijl zij hunne ketenen nog vaster om Pericles wonden en deze stemde in met hunne vroolijkheid, en ten laatste ook Aspasia zelve. De liefdegoden echter vormden met Pericles en Aspasia eene bekoorlijke groep, die door rozen omwonden en door kleine Geniën11voortgetrokken, tusschen de myrthen- en rozenboschjes verdween. De stilte des nachts heerschte in het eenzame woud; alleen nog sloegen de nachtegalen en geurden de rozen.En Pericles vond een zoeter geluk bij Aspasia, dan hij ooit gesmaakt had bij de Corinthische met hare vurige oogen.Want niet het oogenblik, waarin een vurig minnend paar voor de eerste maal zich in onbeschrijfelijke zaligheid verliest, is het zoetste van het leven; dat echter is het, waarin de minnenden na lange scheiding, na lange ontbering elkander wedervinden. De weelde der eerste omhelzing is gelijk aan de vlam van het groene hout, dat niet zonder onaangenamen rook en heftig knetteren brandt; voor de minnenden echter, die elkander wedergevonden hebben, flikkert de vreugdevlam hoog en helder ongehinderd opwaarts.Toen op den morgen na dien nacht Pericles en[342]Aspasia hand in hand uit het tuinhuis van Artemidorus in de van dauw parelende gaarde traden, geleken zij zelven twee heerlijke gestalten, door den fonkelenden morgendauw besprenkeld. En evenmin als de zoete tonen in de kelen der vogels verstomd of de bedwelmende geuren der zwellende rozekelken verdwenen waren, zoo min was de liefde in beider minnende harten verkoeld.Zij klommen eene der kleine hoogten, van waar men een vrij gezicht had op de stad, de zee en het strand, op den kronkelenden Meander, die met palmen, laurieren en kuischlamstruiken omzoomd, als een zilveren koord zich slingerde door de velden, op den blauwen Latmus in het verschiet en het meer Biblis, waarover bontgevederde watervogels hunne wieken uitspreidden. Pericles echter liet zijne blikken weiden over de tinnen der stad, liet ze een oogenblik rusten op de trotsche Atheensche triremen in de haven en sloeg toen het oog ver over de zee, waar Samos lag, in nevelen gehuld, de plaats, waar hij een jaar zijns levens met mannelijken moed aan zijn vaderland had ten offer gebracht. Toen weder zijn blik op de schoon gebouwde stad vestigende, prees hij hare vroolijke, prachtige ligging en den opgewekten, levenslustigen geest harer bewoners.„Nog is Milete prachtig en zijne bewoners levenslustig,” hernam Aspasia. „Maar de vaderlandslievende burgers denken terug aan den tijd, toen Milete de beheerscher was dezer zee, toen het niet alleen rijk en weelderig, maar ook machtig en onafhankelijk was, toen het zijne koloniën uitzond tot op de verste kusten van den Pontus12. Deze tijd is voorbij: Milete is niet meer onafhankelijk en moet zich buigen voor het machtige, bloeiende Athene.”„Gij zegt dit bijna met bitterheid,” zei Pericles glimlachend, „maar bedenk toch, dat Milete, zoo het niet Atheensch was, Perzisch zou zijn geworden. Niet de stamverwante Helleen heeft uwe macht[343]gebroken, maar de Pers, toen hij deze kusten met zijne drommen heeft overdekt. En hadden niet Atheners daar ginds bij Marathon en Salamis gestreden, een Perzisch satraap heerschte nu te Milete, evenals te Sardes. Wees niet verstoord op de Atheensche vloot, die beschermend haren arm boven deze kusten houdt uitgestrekt.”„Dan moest ik dus,” antwoordde Aspasia, „in plaats van verbitterd te zijn op den Athener, dankbaar zijn voorhoofd kussen?”Tegelijk gaf zij Pericles een kus op het voorhoofd; deze hernam:„Uw gevleugelde liefdegoden hebben gisteren dit Milete op den aanvoerder der machtige Atheensche vloot gewroken.”„Laat het u geen berouw veroorzaken,” zeide Aspasia, „aan dit Milesisch strand eene week van uw werkzaam leven gewijd te hebben. Eer de plaats, die niet alleen als het vaderland der weelderigste rozen en der fijnste wol in de wereld, maar ook als dat van de schoonste sprookjes beroemd is. Of zou er voor teedere harten iets liefelijkers kunnen bedacht worden, dan onze Milesische fabel van Eros en Psyche13?”„Gij hebt gelijk,” hernam Pericles; „maar,” vervolgde hij schalks lachende, „zoover ik weet, is ook de fabel van de „Weduwe van Ephese” onder[344]deze hemelstreek gedicht, als het ten minste eene fabel heeten mag.”„Waarvan de strekking volgens de gewone opvatting is,” viel hem Aspasia in de rede, „dat de vrouwen meineedig, weifelmoedig en trouweloos zijn. Maar het is eene slechte fabel, die niet meer dan ééne beteekenis heeft, niet meer dan ééne waarheid in zich bevat. Vergun mij dat ik de weduwe van Ephese onder mijne bescherming neem. Zij werd haar dooden echtgenoot ontrouw. De liefde echter hangt zoozeer met het leven samen, dat eene liefde en trouw tot over het graf, een leven, dat zich aan een lijk laat koppelen, een onding is. De bloedelooze schimmen in den Hades mogen zich niet met het bloed van de levenden voeden.”Zoo spraken zij beiden vertrouwelijk en opgeruimd. Toen kwam Artemidorus en verweet Aspasia schertsend, dat zij hem zijn gast had ontnomen; nadat hij beiden tot een ontbijt had genoodigd, voerde hij hen op een sierlijken, met witte paarden bespannen wagen naar den overouden, beroemden tempel van Apollo en naar het heiligdom van de Cybrische Godin aan het vlakke strand der zee, door ruischend riet omzoomd en door gele halcyonen14bevolkt. Zij voeren langs de schoone zeekust en op den terugtocht bestegen zij eene boot, om zich over de zachte, donkerblauwe golven te laten roeien naar een boschrijk eiland, dat de slaven van Artemidorus aanstonds weder in een klein paradijs omschiepen, door bonte, mollige tapijten uit te spreiden en kostelijke gaven van elke soort aan te bieden.Zoo vervloog de dag even snel als de nacht voorbij was gegaan en wederom hoorden zij beiden elkander geheel toe in de eenzaamheid van den lusthof, die alleen door het gekweel der nachtegalen werd verstoord.Artemidorus had Aspasia nu geheel aan zijn gast afgestaan en het was niet alleen de begeerte om[345]Pericles eer te bewijzen, maar ook de overdadige grootmoedigheid, die hem eigen was, die hem zijne schoone landgenoote alle mogelijke hulp deden bieden, die zij noodig had, om haar vriend de idyllische eenzaamheid van den myrthenhof met de afwisselende betoovering van eene onuitputtelijk vindingrijke liefde te kruiden.En Aspasia maakte niet minder gebruik van deze hulpmiddelen, dan van diegene, welke de natuur zelve nog kwistiger dan de rijke Artemidorus in haar bekoorlijk, betooverend karakter en uiterlijk had nedergelegd.Het hoogste, edelste genot van den geest en der zinnen vierde in deze beide door de Goden beminde zielen zijn zeldzaam, zalig feest. Vele en groote dingen had Pericles geschapen en volbracht, tot veel schoons en onvergankelijks had Aspasia hem bezield, terwijl zij de brandende vonk van haar geest, de schoonheid, naar alle zijden deed spatten. Maar het schoonste en goddelijkste volbrachten beiden, terwijl zij elkander liefhadden en gelukkig waren: zoo gelukkig, als niet de gewone menschen konden worden, maar alleen zij, die het beeld der godheid in zich omdroegen. Over datgene, wat zijbezielden, schiepen, volbrachten, mochten de stervelingen zich verheugen; op hun reine liefde zagen de zalige Olympiërs zelven met voldoening neder. Het ideaal van het menschelijk geluk in de schoone vreugde des levens en der liefde te verwezenlijken, scheen in die Halcyonische15dagen van Milete beiden zelven als het beste deel hunner bestemming …Inderdaad genoten Pericles en Aspasia voor de eerste maal ten volle het geluk hunner liefde in deze eenzame plaats. Maar de schoonste wijkplaats van ongestoorde eenzaamheid, schooner en ongestoorder dan de bloemengaarde en het tuinhuis konden opleveren, had de tooverhand van Aspasia geschapen. Het open, platte dak van het huis,[346]door de toppen van hooge pijnboomen en cypressen omruischt, was door haar in eene kleine lustgaarde herschapen. Door bloeiend heestergewas en bloemen, die op hooge stengels wiegelden en den rand aan alle kanten omzoomden, en door purperkleurig linnen, waardoor men het geheele terras als een tent kon bedekken, was deze wijkplaats aan de oogen der buitenwereld onttrokken. In dit bloemenpriëel, van de wereld afgesloten, alleen voor de beide gelieven toegankelijk brachten zij zalige uren door. Hier genoten zij de veilige eenzaamheid van een gesloten vertrek, zonder de benauwde lucht daarmede verbonden. Zij hadden den vrijen aether boven zich en gevoelden den weldadigen adem van de zachte, geurige en verfrisschende koeltjes uit het woud. De eenzaamheid der myrthen, de eenzaamheid van het huis voldeden hun niet; evenals teedere duiven, vlogen zij naar het dak, naar dat zalige, zonnige plekje, en alleen wat met vleugels voorzien was, kon hen daarheen volgen; de duiven, de pauwen, de tjilpende vogels. Hier rustten zij te midden der bloemen, hier liet Aspasia haar vriend de zangen der dichters hooren, die in haar mond eene wonderlijke bekoorlijkheid kregen, hier snoerde zij hem bij den klank der snaren in het zilveren net harer tonen, met de betoovering harer smeltende stem, die het gemoed van den hoorder tot zaligheid stemden, hier vertelde zij hem liefelijke Milesische sprookjes, hier keuvelden zij nu eens onverstandig als kinderen, dan weder diepzinnig als oude wijsgeeren. Hier konden zij de purperen doeken om zich en over zich heen trekken en als Goden, in een Olympisch rooskleurig licht gehuld, in verheerlijkte gestalte onder eene vriendelijke schemering ademen. Of zij konden den helderen glans der zon naar binnen laten stroomen en de minnaar kon het gelaat en de gestalte der geliefde, door het verblindend witte licht bestraald, en door de terugkaatsing der groene heesters tooverachtig beschenen, in verhoogde bekoorlijkheid als een aetherisch wezen bewonderen.[347]Aspasia kleedde zich naar Milesisch gebruik, nu eens in het purper, dan weer in het zeeblauw, soms in vuurkleurig, niet zelden in saffraangeel gewaad. Zij hield er van haar vriend in telkens afwisselende gedaante te verschijnen. Zij ontleende gewaad, houding, gestalte, uitdrukking, gang nu eens aan deze dan weder aan gene Godin of Heroïne16, en op verlangen van Pericles voerde zij voor hem mimische dansen uit, die met deze afwisselende gedaanten overeenkwamen en die in kunstvaardigheid en bekoorlijkheid alles overtroffen, wat de schoone Theodota ooit ten toon had gespreid.Bij die verwisselingen van zijn onvergelijkelijke vriendin kon Pericles niet nalaten zich de verzen van den grijzen zeegod te herinneren, die deze hem had toegesproken, toen hij zonder het te weten den weg insloeg om Aspasia te vinden. Die verzen, welke hem het schoonste geluk beloofden en hem aanrieden:„Houd het, o held, slechts vast, met sterke vuist, als gij thans mij doet!„Zóó toch omklemd, ontsnapt nooit u het vluchtig geluk!”„Ik zal u moeten vasthouden, gelijk den voorspellenden, van gedaante verwisselenden Proteus, opdat gij mij niet in uwe metamorphosen ontsnapt,” zei Pericles schertsend tot Aspasia.„Hoe wilt gij het aanleggen om mij vast te houden?” vroeg de Milesische.„Dat wenschte ik gaarne van u zelve te hooren,” hernam Pericles.„Toch niet naar Atheensch gebruik in eene kooi, met stevige tralies?” vroeg Aspasia.„Wat voor kooi bedoelt gij?” zei Pericles.„Die kooi,” antwoordde Aspasia, „die gij mannen het vrouwenvertrek in uw huis pleegt te noemen.”„In die kooien,” zei Pericles na een korte pauze,[348]„zijn wellicht alleen Telesippe’s, doch geen Aspasia’s opgesloten te houden.”De Milesische antwoordde met een glimlach.Het was haar genoeg, dat woord daar los heen te hebben geworpen, om in de ziel van Pericles overdacht te worden.Het gebeurde eens, dat Pericles met Artemidorus, in Aspasia’s afwezigheid, over haar sprak.„De sagen en legenden van alle tijden,” zei Artemidorus, „berichten van tal van helden, die voor langer of korter tijd in de macht van schoone vrouwen zijn geraakt. Odysseus, die naar zijn huiselijken haard smachtte, hield de schoone nimf Calypso jaren lang in hare grot terug. Den vromen Aeneas wist de minnende Dido17te veroveren, zelfs den sterksten der sterken ketende de schrandere Omphale18een tijdlang aan haar spinrokken. Maar geene van al die vrouwen vermocht het, de geketende mannen voor altijd te boeien: hare betoovering week, de banden werden geslaakt, de ontevreden held trok het roestige zwaard of haalde de vergeten knots uit den schuilhoek te voorschijn, kalefaterde op een goeden dag zijn half verrot vaartuig weder en trok na een vluchtigen afscheidsgroet aan de schoone op nieuwe avonturen uit. Zoo zou ook Aspasia’s betoovering wel verdwijnen, als gij in deze vreugdevolle wijkplaats voortdurend met haar moest verkeeren.”„Voorzeker,” zeide Pericles, „als Aspasia Theodota was, als zij niets bezat dan de bekoorlijkheid van haar lichaam. Doch er zijn middelen, waardoor de minnaar voor altijd geboeid kan worden. Ik spreek van diegene welke gewone vrouwen aanwenden, in de meening dat zij door geveinsde preutschheid of door grillen en plagerijen en bezwaren, waarmede zij den geliefde kwellen, haar bezit zullen doen op prijs stellen. Er zijn bevoorrechte vrouwelijke naturen, wien het vergund is in weerwil[349]van onbeperkte overgave, waardoor het geluk der vrouwen doorgaans schipbreuk lijdt, juist door deze den geliefde met steeds vaster boeien te kluisteren. Moest ik dat onnoembare, waardoor haar dit gelukt, een naam geven, dan zou ik het slechts charis kunnen noemen: die wonderlijke vereeniging, van bekoorlijkheid en bevalligheid, vleiend zonder opdringen, het gemoed vervroolijkend als de lach der Olympische Goden. Deze charis, geloof ik, is de betoovering, die Aphrodite in haar gouden gordel bewaart. Duizend droeve wolken verdonkeren den hemel der geliefden: alleen de charis weet ze te verdrijven: alleen in de stralen der schitterende, opgeruimde blijmoedigheid der ziel verdwijnt al het droefgeestige. Alleen door haar adem wordt al het ruwe en harde verzacht. Haar wordt alles vergund en alles vergeven, omdat zij geene wonde slaat of ze heelt die oogenblikkelijk. Aspasia bezit deze blijmoedigheid van ziel, dezen charis, deze gordel van Aphrodite en daarmede alleen verijdelt zij spelende alle pogingen van Theodota. Want ik ken de vrouwen en weet, hoe zeldzaam, hoe eenig in de wereld datgene is, wat Aspasia bezit.”„Ik versta u volkomen,” zei Artemidorus; „wat gij zegt, heb ik dikwijls ondervonden. De proefsteen van de vrouwen en van haar toovermacht is niet het genot, dat zij verschaft, maar de kunst, hoe zij de tusschenruimten tusschen de oogenblikken van zalig genot weten aan te vullen.”„Aspasia verstaat het,” hernam Pericles, „ieder oogenblik eene schitterende vonk te laten opspatten, iets als een vuurpijl of ook als een schoone zeepbel, waarnaar men snel grijpen moet en dat het volgende oogenblik ons weer ontneemt. En dit alles doet Aspasia zonder inspanning, zonder dwang en gemaaktheid; zij doet het, omdat het haar van nature eigen is. En juist daarom, werkt zij onwederstaanbaar. De zalige uren der armen van geest zijn eene bekoring der zinnen, met doodelijke verveling verbonden; alleen uit de ziel welt datgene[350]op, wat aan het zoetste duurzame waarde schenkt.”De dag naderde, waarop Pericles met zijne beide schepen weder naar Samos moest terugkeeren, om vandaar nog een kort uitstapje naar Chinos te maken. De vriendelijke tegemoetkoming der Milesiërs had het Pericles gemakkelijk gemaakt, om het plan, waarom hij te Milete gekomen was, te volvoeren; en zoo was het hem mogelijk geweest slechts het geringste deel van den tijd, dien hij zich te Milete ophield, aan politieke onderhandelingen te besteden, terwijl hij het grootste deel aan zijn innerlijk geluk had kunnen wijden.De gastvrije Artemidorus gaf den Atheenschen veldheer vóór zijn vertrek een feestmaal, waaraan ook Aspasia deelnam.Aan dit feestmaal zei Pericles tot zijn gastheer Artemidorus:„Geen wonder, dat de geheime betoovering van deze hemelstreek ook mij heeft bekoord en ik zeven dagen lang schier onbewust mij aan eene gelukkige werkeloosheid heb overgegeven. Men bemerkt het, dat gij, Grieken van deze kust, nabij de vurigePhoeniciërswoont, die het eerst de Godin der liefde vereerden, en nabij dat Cyprische eiland, dat die weelderige Godin op haar zegetocht uit de Sidonische golf naar Hellas de eerste rustplaats heeft aangeboden. En evenals uit het Zuiden de feestelijke bezieling der Cyprische Godin, zoo dringt van het Noorden, van de hoogten van den Tmolus, het feestelijk geruisch van Dionysus en van zijne voedster Rhea tot u door. Zoo zijt gij als het ware omringd en omruischt van de golven der feestvreugde dier Goden van het genot. Evenals uit overvolle uiers de melk, zoo wordt hier de dauw der weelderigheid uit den hoorn des overvloeds van die Goden en uit de duizend zwellende borsten van Artemis over u uitgestort. U, Milesiërs, zullen de vreeslijke, dweepzieke Orgiën op den Tmolus wel niet alleen van hooren zeggen, bekend zijn. Het zou mij verwonderen, zoo niet de een of ander uwer door nieuwsgierigheid gedreven, ten tijde der feesten[351]zich in die geheimzinnige plaatsen van het naburige Lydië had gewaagd en, zij het dan ook misschien op een afstand, de razernij der Corybanten had gadegeslagen.”Bij deze woorden van Pericles toog er een wolk over het gelaat van Artemidorus en eene lichte zucht ontsnapte aan zijne borst, zoodat Pericles hem verwonderd en schier getroffen aanzag.„Mij zelven,” sprak Artemidorus, „heeft het noodlot eens daarheen gevoerd en ik zou u gaarne datgene, wat ik gezien en beleefd heb, verhalen, als er niet zoovele smartelijke herinneringen aan verbonden waren.”Deze woorden vermeerderden de belangstelling van Pericles en toen Artemidorus dit bemerkte, vervolgde hij:„Ik zie het wel, ik moet ook tegen mijn wil spreken en mijne onaangename gewaarwording rechtvaardigen door u eene mededeeling te doen, die de uitdrukking van uw gelaat, Pericles, van mij schijnt te verlangen. Welnu, luister:„Het is nog slechts weinige jaren geleden, dat ik den bekoorlijksten jongeling van Milete, mijn zoon mocht noemen. Hij was met alle gaven des geestes en des lichaams toegerust, doch tevens met eene onbeperkte verbeeldingskracht, die geen teugel kende, met een vurig, ja dweepziek gemoed. Het heeft nooit te Milete ontbroken aan jongelingen, die door de verhalen der razende orgiën op den Tmolus tot misdadige nieuwsgierigheid geprikkeld werden, en menigeen is aan de bewaking zijner zorgvuldige ouders ontsnapt, om zich bij die wilde rijen aan te sluiten; ja zelfs er waren tijden, waarin dat verlangen als eene soort pestziekte woedde. Ik overwoog, hoe ik eene dergelijke zinsverbijstering van mijn al te hartstochtelijken Chrysanthes zou afweren. Zooals ik gevreesd had, werd hij ook weldra door die ziekte aangegrepen. De tijd der Lydische feesten naderde. Chrysanthes was in het oogvallend stil en ingetrokken; zijne wangen verbleekten en hij zag er uit, alsof hij door[352]een heimelijk, koortsachtig ongeduld werd verteerd. Reeds was ik besloten hem als gevangene in huis te behandelen en oppassers bij hem te plaatsen, die ieder zijner schreden zouden bewaken. Toch deed de toestand, waarin ik hem zag, mij vreezen, dat hij zou ontsnappen en daarbij voegde zich de gedachte, dat de jongeling, ten gevolge van zijn geheel onbevredigd verlangen, in eene gevaarlijke zwaarmoedigheid of in eene doodelijke ziekte zou vervallen en dat het heilzamer zou zijn, wanneer ik de begeerte, naar het scheen, zijner steeds toenemende nieuwsgierigheid ten deele bevredigde, althans op eene wijze, die geen gevaar voor hem na zich sleepte. Ik deelde hem mede, dat ik mij met hem naar den Tmolus wilde begeven en met hem de mystieke gebruiken der Corybanten wenschte gade te slaan. In mijn gezelschap onder mijne onmiddellijke hoede, moest toch de jongeling voor elk gevaar beveiligd zijn.„Nog is Milete prachtig en zijne bewoners levenslustig.”„Nog is Milete prachtig en zijne bewoners levenslustig.”„Eene reis van verscheidene dagen bracht ons tot ons doel. Wij bestegen, begeleid door een slaaf, die levensmiddelen voor één dag droeg, den boschrijken, nog eenzamen Tmolus en wachtten het oogenblik af, waarop de wilde troep der Corybanten uit Sardes de berghelling zou bestijgen.„Het orgiastische lentefeest was reeds den vorigen dag daarmede begonnen, dat men den grooten pijnboom van den Tmolus had geveld en omwonden met kransen van de tallooze lenteviooltjes, die in de kloven van den Tmolus groeiden; den boom, zóó bekranst, sleepte men onder uitbundig gejubel naar den tempel van Cybele, om hem aan de alles voortbrengende moeder der Goden als lenteoffer te wijden.„Nog bleef het grootste en luidruchtigste deel van het feest over. Een dof geraas drong tot onze ooren door nog voor wij in de avondschemering de naderende schaar der Corybanten konden zien. Wij verborgen ons bij hare nadering in het dichte struikgewas, om ongemerkt getuigen te zijn van haar dolle waanzin.[353]„De zwerm naderde, het geraas werd oorverdoovend. Ieder dezer Corybanten, van welke verscheidene geheel naakt, andere slechts met het ruige vel van een wild dier om de lendenen bekleed waren, droeg een tamboerijn, waarop hij met alle geweld sloeg en een doffen toon deed hooren, of een rammelend bekken; sommigen bliezen op eene fluit of hoorn, anderen hadden zwaarden en schilden in de handen, die zij tegen elkander sloegen. Doch boven al dat gekletter van metaal en muziekinstrumenten klonk het geschreeuw, of liever het gebrul uit, dat een jubelzang ter eere van den verlorenen en nu wedergevonden jongeling Attis, den lieveling en bode van de alles voortbrengende moeder Rhea, moest voorstellen. Van den verloren en wedergevonden Attis zongen zij, maar het was de uit haar doodslaap ontwaakte, wild opbruisende teelkracht der natuur, die deze menschen niet alleen vierden, maar ook in zich zelven tot waanzinnige bedwelming lieten opbruisen. De schaar werd aangevoerd door Cybele-priesters, die helder brandende pijnfakkels in de eene hand, in de andere scherpgeslepen kromme messen droegen, die zij met de uitdrukking van dweepzucht, verwoed zwaaiden. De gang dezer menschen mocht geen loopen heeten, veeleer een woest springen en dansen onder allerlei verwringingen, onder begeleiding van een oorverdoovend geraas van zwaarden en muziekinstrumenten.„De gezichten van allen waren hoog rood; sommigen zelfs met donkerblauwe vlekken geteekend; de oogen schenen uit hunne kassen te zullen springen en velen stond het schuim op den mond. Daarbij schudden zij woest de lange, golvende lokken, die voor het meerendeel uit vreemde haren kunstig samengevoegd, om de slapen fladderden en die hen een half mannelijk half vrouwelijk uiterlijk gaven. De wilde of tamme dieren, die op weg in hunne handen waren gevallen, sleepten zij met zich mede. Aan de spits van den zwerm werd een panther gevoerd. Eenigen zagen wij met slangen,[354]die zij opgeraapt hadden, in de handen en speelden daarmede onbevreesd alsof het kransen of linten waren.„Terwijl de tierende schaar langs ons heenstormde, zag ik den jongen Chrysanthes naast mij door eene toenemende ontroering aangegrepen. Hij zweeg, maar zijn gelaat gloeide, zijn oog staarde wezenloos op de dolle feestvierende schaar en hij begon eenige bewegingen, die hij bij de razenden opmerkte, onbewust na te doen.„Niet verre van de plaats, waar wij in het geboomte verborgen waren, strekte zich eene groote vlakte uit, door reusachtige pijnboomen ingesloten en met allerlei kruiden begroeid. Hier hield de troep stil, doch niet om te rusten maar om nog doller te woeden. De meegesleepte dieren werden in het midden geplaatst, ook de priesters sloten zich daarbij aan en rondom hen schaarden zich de Corybanten.„Op een bezielend woord van den priester, stortten zij zich op den panther en de overige dieren, scheurden ze in stukken, eerst met de handen, vervolgens met de tanden, slurpten hun warm bloed en staken de overblijfsels van het bloedende vleesch aan hunne Thyrsusstaven19, als op spiesen. Toen begonnen zij, onder nog sterker geraas der pauken en cymbalen20en koperen werktuigen, in de rondte te dansen, de groote, alles voortbrengende moeder prijzende en de alles bezielende teelkracht, de onuitputtelijke kracht van genot en liefde, wier beeld voor hunne oogen werd ten toon gesteld.„De wilde dieren vloden voor het woest getier in de verwijderdste schuilhoeken; een leeuw stoof verschrikt in dolle vaart vlak langs mij en Chrysanthes door het geboomte. En waarlijk, de fanatieke kreten, het rookende offerbloed, het zwaaien der brandende fakkels en bovenal het geraas der tamboerijnen, moesten mensch en dier verschrikken of in de wildste[355]onstuimigheid brengen. Ik zelf verloor schier mijne bezinning. Toen deed Chrysanthes plotseling een poging om zich van mij los te rukken. Ontzet zag ik hem aan en bemerkte, dat hij in zijn geheele uiterlijk reeds aan die razenden gelijk was. Ik hield hem vast, maar reuzenkracht in zijne jeugdige leden ontwikkelend, maakte hij zich los en voortstormend sprong hij van een rotswand, zoo hoog en steil, dat alleen door een wonder zijne leden niet verbrijzeld werden, midden onder die razenden, en evenals de schuimende vloed een droppel, zoo verzwolg hem de dolle schaar.„Van schrik en ontzetting radeloos stond ik daarbij bijna zinneloos.„De woeste dans ging voort voor mijn benevelden blik. Sommigen stortten als dood neder, stonden weder op en begonnen opnieuw.„Wederom klonken kreten der zinneloozen, vergezeld van teekenen en wonderlijke gebaren, door het rumoer heen. En toen de razernij ten top was gestegen, traden eenigen uit den troep te voorschijn en trachtten hunne woorden te doen verstaan, waarvan echter slechts weinig verstaanbaars tot mijn oor doordrong.„Het duizelde mij voor de oogen, ik zag niets dan een woesten troep zich door elkander bewegen, waarin de dolsten zich met flikkerende klingen wondden, verminkten—ik dacht aan Chrysanthes—het werd nacht voor mijne oogen, ik zonk buiten kennis op den grond.„Toen ik mijn bewustzijn herkreeg, was de maan in al haar glans opgegaan, de Corybanten waren verder getrokken, het geluid van het tympanon21klonk uit de diepte van het woudgebergte, als de donder, die in de verte ratelt.„Ik begaf mij naar het naburige Sardes, den zetel van de priesterschap Cybele, omdat ik daar het eerst iets aangaande het lot van mijn Chrysanthes hoopte te vernemen, of ik soms den geliefden[356]verloren zoon mocht kunnen terugvinden.„En ik vond hem terug; het werd mij gebracht op eene baar, uit de pijnboomtakken van den Tmolus gevlochten, gewond, verminkt, bloedend.„De jongeling in den bloei zijner jaren en schoonheid lag daar voor mijne oogen, gelijk die met viooltjes omkranste pijnboom, geveld op den Tmolus door het mes der Corybanten, als een dankoffer aan de alles voortbrengende Godin …”Zoo luidde het verhaal van Artemidorus.De vroolijkheid van het feestmaal was verdwenen.Toen het afgeloopen was en Pericles zich met Aspasia alleen bevond, zeide hij:„Milete is schoon en het verhaal van Artemidorus zal mij de herinnering aan de zaligste dagen mijns levens, die de Goden mij ooit schonken, niet geheel en al treurig maken. Doch ik gevoel dat het tijd is den voet van dit gloeiend strand weder op het snelle schip te zetten, en mijne schier beklemde borst zal eerst weder ten volle vrij adem halen in de zachte, vaderlandsche Attische lucht!”
Van Samos had Pericles met twee zijner galeien den kortsten tocht naar Milete gemaakt.
De triërarch van het tweede schip was niemand anders dan Hipponicus. Deze had Pericles verzocht hem naar Milete te mogen vergezellen. Onder zijn geleide bevond zich de schoone hetaere Theodota.
Zóó geraakte de verleidelijke danseres weder in de omgeving van Pericles en kon voor hem weder hare bekoorlijkheden ten toon spreiden.
De Milesiërs ontvingen den Atheenschen strateeg met gejuich. Met schitterende feesten vierden zij zijne aankomst en met een gouden lauwerkrans vereerden zij den overwinnaar van Samos.
Pericles voelde zich als door zwoelen adem aangewaaid toen hij Klein-Azië’s kusten betrad. Dit was toch het land der Artemis beelden met hun duizend borsten, met de reuzentempels, die de Helleensche schoone vormen met de kolossale, reusachtige afmetingen van het Oosten vereenigden, het land der Aphrodite-priesteressen, die zich aan het zingenot wijdden, het land der weekelijke, vrouwelijke melodieën, het land van de moeder der Goden, wier feestrijen op den Tmolus door orgiastische1woestheid en mystieke razernij van het Oosten zich kenmerkte, het land ook van haar pleegzoon, den vreugdegod Dionysus, die reeds door zijn karakter en uiterlijk, teeder en vrouwelijk van gestalte en toch vol moed en vuur, met weelderige lokken en rijken haardos door eene lydische mitra2getooid, in veelkleurig, wijd gewaad,[334]alsKlein-Azië’sechte zoon zich betoonde.
En zoo ergens op de Ionische kusten van Azië, dan waaide deze zwoele adem, die den Athener Pericles trof in de straten van het rijke, prachtige, met rozen bezaaide Milete. Hier hoorde men over de Perzen en de satrapen te Sardes spreken als te Athene over de Megarensers enCorinthiërs. Men zag Perzen en ook andere Oosterlingen in de straten wandelen. Rijk en bont als het gevederte der Oostersche vogels en toch smaakvol was de kleeding der mannen van Milete en van de bekoorlijke, weelderige vrouwen. Kleederdrachten troffen hier de Atheners, die aan de Perzen, andere die aan de Egyptenaars waren ontleend; hij zag ze van de kleur van het viooltje en den hyacinth, hij zag ze zelfs in vuurroode kleedij. Hij zag de Milesiërs omhangen met de weefsels van Perzië, stralend van de edelgesteenten van Indië, druipende van Syrische zalven.
Pericles en Hipponicus genoten gedurende hun oponthoud te Milete de gastvriendschap van den rijksten en aanzienlijksten burger, Artemidorus. Deze bracht hen naar zijn prachtig landgoed in de nabijheid der stad. Niet verre van dit landelijk verblijf lag een myrthenbosch, waarvan de sage meldde, dat in zijn lommerrijk geboomte, bevolkt door het gewiekte koor van zangers, somwijlen de Godin Aphrodite in hare heerlijke gestalte zich vertoonde.
In de vertrekken van Artemidorus heerschte de pracht van het Oosten. Met bonte Perzische behangen prijkten de wanden: het huisraad schitterde van goud, het blonk van ivoor, het ademde een geur van sandelhout. Eene menigte schoone slavinnen zweefde door het huis. Er bevonden zich onder haar, die van de stranden der Kaspische zee geboortig, schitterend blank waren als de marmeren beelden, anderen bruin als de bronzen beelden in het huis van Artemidorus en nog meer anderen schitterend zwart, als de met goud ingelegde ebbenhouten tafels in zijne vertrekken. Met beelden en schilderijen was Artemidorus’ huis rijkelijk[335]versierd. Niets ontbrak er, wat het gemoed van den Aziatischen Griek in Aspasia’s vaderstad kon bevredigen.
„Gij andere Grieken noemt ons Ionië een brandpunt van weelderigheid,” zei Artemidorus tot zijne gasten, toen hij hen aan eene kostelijke tafel onthaalde, „en, naar ik hoor, moeten in der daad onze Milesische schoonen voor de deugd van Atheensche mannen gevaarlijker zijn, dan de hoffelijke Milesiër voor de Atheensche vrouwen.”
Pericles glimlachte.
„Vergeet niet,” vervolgde Artemidorus, „dat ons Ionië niet alleen een brandpunt der weelderigheid is, maar ook de bakermat der dichtkunst, ja zelfs der wijsheid, daar wij u Hellenen, behalve schoone vrouwen, Thales3, Herodotus4en, zoo wij ons niet te veel aanmatigen, ook den grooten Homerus5hebben geschonken.”
„Wie twijfelt er aan,” hernam Pericles, „dat de krachtige bloesem van den Helleenschen geest nooit en nergens afvalt, zelfs niet in de weelderigheid van het rozenleger der vreugde?”
„Zeg liever, dat hij zich nergens schitterenderontwikkelt, dan juist daar!” riep Artemidorus. „Er is geen vooruitgang onder de menschen en volkeren zonder datgene wat onverdraagzame dwepers weelderig noemen.”
Den avond van den tweeden dag voerde Artemidorus zijne gasten naar het myrthenbosch, nabij zijn prachtig landhuis gelegen, dat hij zelf op de wijze van een lusthof had doen aanleggen. De schoone Theodota was als geliefde en metgezellin van Hipponicus door den beleefden Artemidorus mede genoodigd. Zij wilde trachten door den vurigen gloed[336]harer donkere oogen den vriend van Aspasia in liefde te doen ontbranden.
Onder geleide van hun gastheer doorwandelden Pericles, Hipponicus en Theodota de bekoorlijke dreven van den bloeienden myrthenhof. Daar het groote bosch zich over eene zachte glooiing uitstrekte, had men op verscheiden punten, waar de grond niet met boomen beplant was, een heerlijk gezicht op de stad, op de blauwe zee en de eilanden, die als een bolwerk vóór de vier havens van Milete lagen. Op zulke plaatsen liet de rijke Artemidorus door de slaven, die hem op den voet volgden, Oostersche tapijten spreiden of eene met purper behangen tent opslaan, om daar uit te rusten, verfrisschingen te gebruiken of naar de weeke toonen van Lydische fluiten te luisteren, die op last van Artemidorus met de nachtegalen in het woud wedijverden, om het oor te bekoren.
De slaven en slavinnen bevolkten het bosch als Silenen, die hier en daar den wandelaars uit wijnzakken de volle bekers toereikten, of als Hebe’s6en nimfen uit bevallige horens hun bloemen en heerlijke vruchten aanboden. Drie der schoonste nimfen voerden op een open grasperk een bekoorlijken reidans uit, waarbij de Aziatische, bij de Cybele-feesten7gebruikelijke tamboerijn op luidruchtige wijze geslagen werd, zoodat eene zekere betoovering en bedwelming zich van de zinnen meester maakten.
Een klein meer in het midden van het bosch was met allerlei gedaanten uit de Helleensche fabelleer bevolkt. Zeemeerminnen met vischstaarten zag men er, die zich met waterbloemen bekransten, en Sirenen8op rotsen uitgestrekt, die in een wedstrijd[337]met de Tritons9hare zoete, verleidelijke zangen deden hooren. Ook de waarzeggende, van gedaante wisselende grijsaard Proteus10ontbrak daar niet, die allen wie het verlangden, voorspellingen deed. Ook Pericles naderde hem en wenschte een orakel van hem te vernemen.
„Ik zal, als het noodig is, niet verzuimen u vast te houden,” zei hij lachend, „zooals het gebruik is bij hen die u ondervragen, opdat gij niet in steeds nieuwe gedaantewisselingen den vrager moogt ontkomen.”
Bereidwillig stond de grijsaard Pericles te woord en deelde hem de volgende orakelspreuk mede:
„Daar waar de nachtegaal nestelt, de rozen het heerlijkste geurenKnellen goedgunstige Goôn in ijzeren banden uw geluk!Houd het, o held, slechts vast met sterke vuist, als gij thans mij doet!Zóó toch omklemd, ontsnapt nooit u het vluchtig geluk.”
„Daar waar de nachtegaal nestelt, de rozen het heerlijkste geuren
Knellen goedgunstige Goôn in ijzeren banden uw geluk!
Houd het, o held, slechts vast met sterke vuist, als gij thans mij doet!
Zóó toch omklemd, ontsnapt nooit u het vluchtig geluk.”
Pericles begreep niet, wat de grijze zeegod bedoelde. Toen hij na dit onderhoud met hem naar zijne vrienden omzag, waren zij verdwenen. Hij liep dus eenigen tijd alleen. De vogels, die van tak tot tak, van boom tot boom huppelden en daarbij hun liefelijk gekweel aanhieven, lokten hem al dieper en dieper in het woud. Maar ook eksters, spreeuwen enpapegaaienzaten hier en daar in ’t geboomte, die Pericles toeriepen en bespotten met de woorden: „Wees welkom!” en „verheug u” en „kom toch, kom toch!” Snaterend huppelden zij weldra naast den wandelaar voort. Thans echter meende Pericles, dat hij in plaats van enkele vogels een geheel koor van nachtegalen op eenigen afstand[338]vernam. Tegelijk drong een sterke rozengeur, als door zachte koeltjes uit de verte gedragen, tot hem door: het moest van eene groote, bloeiende rozengaarde komen. En, wat het opmerkelijkste was, onder die rozengeur scheen zich het aroma van Indische reukwateren te mengen. Half onwillekeurig vervolgde Pericles zijn weg in de richting, van waar de rozengeur en de heldere tonen der nachtegalen kwamen. Hij deed het zonder bedoeling en hij dacht niet meer aan de voorspelling van den grijzen zeegod. Hier en daar zag hij in de schemering van het woud uit de verte iets schitterends door de takken blinken. De vogels, die den wandelaar van tak tot tak huppelend en zingend als ’t ware hadden vergezeld, verstomden nu en schenen met schalksche blikken op hem neer te zien. En in plaats van hun gezang deed zich hier en daar in de toppen der boomen een sterker wiekgeklap en een zacht lachen hooren, als van zwevende liefdegoodjes, die zich ten koste van den wandelaar vroolijk maakten.
Nu zag Pericles de weelderige rozengaarde zelve, wier geuren hem straks reeds bedwelmend waren toegewaaid. Tusschen de takken door zag hij nu duidelijker die schitterende gedaante blinken, als met purper, goud en verblindend wit gewaad omhangen. Hij naderde en het gelukte hem, juist van den kant, vanwaar hij kwam, zijn oog dieper in het loof te doen doordringen. Te midden nu van deze weelderige rozenpracht, zag hij het bekoorlijkste tooneel, dat men zich voorstellen kan.
Omgeven door een schaar lieve knapen, in purperen kleeding, met gouden vleugels aan de schouders en gouden pijlen in zilveren kokers aan hunne zijde, stond eene vrouwelijke gestalte in sneeuwwit gewaad, met een gouden gordel om het midden en met rozenkransen omwoeld. Het gelaat der schoone kon Pericles onmogelijk duidelijk zien; want juist toen hij naderde waren de liefdegoodjes met overmoedigen ijver bezig het hoofd, de borst en het geheele lichaam der vrouw al dichter en[339]dichter metrozenkransente omwinden, dat het daaronder schier geheel verdween. Pericles dacht aan de legende, die zijn Milesische gastvriend hem had medegedeeld, dat in deze gaarde de Godin Aphrodite somwijlen zich in hare heerlijke gestalte vertoonde, en het kwam hem niet ongerijmd voor, dat die onder rozen schier bedolven schoone eene Godin was.
Nadat de gevleugelde knapen de slanke vrouwengestalte geheel met rozenbanden omstrengeld hadden, trokken zij haar aan die zelfde banden op een leger van bloemen neder en bevestigden lachende de einden der kransen aan de stammen en struiken. Daarna bestrooiden zij de geboeide, terwijl zij vroolijk om haar heen dansten, steeds met rozen, die zij van zwaar beladen takken der dichte struiken afplukten.
Bij het gezicht van den vreemdeling sprongen de kleine Eroten allen lachend weg en lieten de geketende achter. Pericles trad de priëel binnen. Nu klonk uit het bloemengraf de bede van de gevangene tot den vreemdeling, om haar te bevrijden.
Pericles verbrak eene der rozenketenen, schoof de rozen ter zijde, die het hoofd en het aangezicht van de vrouw bedekten, en de stralende oogen van Aspasia schitterden hem tegen …
Het gevoel, dat zich in het eerste oogenblik van Pericles meester maakte, was dat van ongekende vreugde. In het volgende oogenblik echter werd het gemengd met verbazing, die zulk eene verrassing bij hem moest opwekken. En reeds zweefde eene ernstige vraag op zijn lippen naar de omstandigheden, waardoor hem deze onverwachte vreugde was bereid.
Doch nu stond Aspasia op, schudde de rozenketenen van zich af en zeide met hare zacht betooverende, zilveren stem:
„Weet dan, dierbare Pericles, dat ook ik, evenals Socrates, mijn daemon heb, die in beslissende oogenblikken mij toefluistert, niet alleen wat ik[340]nalaten, maar ook wat ik doen moet. Deze daemon nu heeft, toen uw laatste schrijven van Samos mij meldde, dat de vrede gesloten, dat Theodota te Samos aangekomen was en gij van plan waart naar Milete te vertrekken, zich oogenblikkelijk in mij doen hooren en mij gelast onmiddellijk een schip te beklimmen en u te Samos of zoo gij daar niet meer waart te Milete op te zoeken. Wellicht wilde de daemon mij het schoonste, dubbele geluk doen smaken, Milete niet zonder u en u alleen te Milete weder te zien. Ik kwam te Milete, ik begaf mij naar uw gastvriend Artemidorus en hoorde van de verrassingen, die de schoone Theodota uit eigen beweging en op aansporen van anderen, u in deze gaarde, aan Aphrodite geheiligd, wilde bereiden. Ik hoorde van de maatregelen, die reeds met behulp van den grootmoedigen Artemidorus genomen waren, maar ik vond het beter in overleg met dien zelfden Artemidorus, de verrassende rol, welke Theodota wilde spelen, op dit tooneel zelve te vervullen. Artemidorus dus hebt gij het te danken, dat de liefdegoden niet Theodota, maar mij op deze plaats u geketend hebben overgeleverd.”
„Voor mij,” hernam Pericles, „hebt gij de legende van de verschijning der Godin der liefde in dit woud bewaarheid; voor mij zijt gij de Godin der liefde, de Godin van het geluk, en boven alles, veroorloof mij dit er bij te voegen, de Godin der verrassingen.”
„Is er wel een geluk denkbaar zonderverrassingen?” vroeg Aspasia.
Een vertrouwelijk gesprek vereenigde de beide minnenden nog een geruimen tijd op die bekoorlijke plek. Zij hadden, zooals alle gelieven, na eene lange scheiding, elkander duizenden dingen te zeggen.
Maar toen kussen de woorden dreigden te vervangen en de schemering inviel, sprongen plotseling weder de liefdegoden uit de struiken te voorschijn en wilden Pericles, met nieuwe kransen[341]die zij gevlochten hadden, eveneens omstrengelen en ketenen.
„Pas op voor die kleinen!” zei Aspasia. „Het is tijd om heen te gaan en voor heden afscheid te nemen. Uw weg is ver; de mijne korter; want mij is door Artemidorus dat kleine, bekoorlijke tuinhuis ingeruimd, dat, weinige schreden van hier gelegen, alleen door het dichte myrthenbosch halverwege voor onze blikken verborgen is. Daarheen wil ik mij begeven. Keer gij echter, dierbare Pericles terug naar Artemidorus, naar uw vriend Hipponicus en naar de schoone Theodota, de verleidelijke Corinthische met hare vurige oogen!”
Op deze woorden van Aspasia barstten de liefdegoden in een luid, vroolijk gelach uit, terwijl zij hunne ketenen nog vaster om Pericles wonden en deze stemde in met hunne vroolijkheid, en ten laatste ook Aspasia zelve. De liefdegoden echter vormden met Pericles en Aspasia eene bekoorlijke groep, die door rozen omwonden en door kleine Geniën11voortgetrokken, tusschen de myrthen- en rozenboschjes verdween. De stilte des nachts heerschte in het eenzame woud; alleen nog sloegen de nachtegalen en geurden de rozen.
En Pericles vond een zoeter geluk bij Aspasia, dan hij ooit gesmaakt had bij de Corinthische met hare vurige oogen.
Want niet het oogenblik, waarin een vurig minnend paar voor de eerste maal zich in onbeschrijfelijke zaligheid verliest, is het zoetste van het leven; dat echter is het, waarin de minnenden na lange scheiding, na lange ontbering elkander wedervinden. De weelde der eerste omhelzing is gelijk aan de vlam van het groene hout, dat niet zonder onaangenamen rook en heftig knetteren brandt; voor de minnenden echter, die elkander wedergevonden hebben, flikkert de vreugdevlam hoog en helder ongehinderd opwaarts.
Toen op den morgen na dien nacht Pericles en[342]Aspasia hand in hand uit het tuinhuis van Artemidorus in de van dauw parelende gaarde traden, geleken zij zelven twee heerlijke gestalten, door den fonkelenden morgendauw besprenkeld. En evenmin als de zoete tonen in de kelen der vogels verstomd of de bedwelmende geuren der zwellende rozekelken verdwenen waren, zoo min was de liefde in beider minnende harten verkoeld.
Zij klommen eene der kleine hoogten, van waar men een vrij gezicht had op de stad, de zee en het strand, op den kronkelenden Meander, die met palmen, laurieren en kuischlamstruiken omzoomd, als een zilveren koord zich slingerde door de velden, op den blauwen Latmus in het verschiet en het meer Biblis, waarover bontgevederde watervogels hunne wieken uitspreidden. Pericles echter liet zijne blikken weiden over de tinnen der stad, liet ze een oogenblik rusten op de trotsche Atheensche triremen in de haven en sloeg toen het oog ver over de zee, waar Samos lag, in nevelen gehuld, de plaats, waar hij een jaar zijns levens met mannelijken moed aan zijn vaderland had ten offer gebracht. Toen weder zijn blik op de schoon gebouwde stad vestigende, prees hij hare vroolijke, prachtige ligging en den opgewekten, levenslustigen geest harer bewoners.
„Nog is Milete prachtig en zijne bewoners levenslustig,” hernam Aspasia. „Maar de vaderlandslievende burgers denken terug aan den tijd, toen Milete de beheerscher was dezer zee, toen het niet alleen rijk en weelderig, maar ook machtig en onafhankelijk was, toen het zijne koloniën uitzond tot op de verste kusten van den Pontus12. Deze tijd is voorbij: Milete is niet meer onafhankelijk en moet zich buigen voor het machtige, bloeiende Athene.”
„Gij zegt dit bijna met bitterheid,” zei Pericles glimlachend, „maar bedenk toch, dat Milete, zoo het niet Atheensch was, Perzisch zou zijn geworden. Niet de stamverwante Helleen heeft uwe macht[343]gebroken, maar de Pers, toen hij deze kusten met zijne drommen heeft overdekt. En hadden niet Atheners daar ginds bij Marathon en Salamis gestreden, een Perzisch satraap heerschte nu te Milete, evenals te Sardes. Wees niet verstoord op de Atheensche vloot, die beschermend haren arm boven deze kusten houdt uitgestrekt.”
„Dan moest ik dus,” antwoordde Aspasia, „in plaats van verbitterd te zijn op den Athener, dankbaar zijn voorhoofd kussen?”
Tegelijk gaf zij Pericles een kus op het voorhoofd; deze hernam:
„Uw gevleugelde liefdegoden hebben gisteren dit Milete op den aanvoerder der machtige Atheensche vloot gewroken.”
„Laat het u geen berouw veroorzaken,” zeide Aspasia, „aan dit Milesisch strand eene week van uw werkzaam leven gewijd te hebben. Eer de plaats, die niet alleen als het vaderland der weelderigste rozen en der fijnste wol in de wereld, maar ook als dat van de schoonste sprookjes beroemd is. Of zou er voor teedere harten iets liefelijkers kunnen bedacht worden, dan onze Milesische fabel van Eros en Psyche13?”
„Gij hebt gelijk,” hernam Pericles; „maar,” vervolgde hij schalks lachende, „zoover ik weet, is ook de fabel van de „Weduwe van Ephese” onder[344]deze hemelstreek gedicht, als het ten minste eene fabel heeten mag.”
„Waarvan de strekking volgens de gewone opvatting is,” viel hem Aspasia in de rede, „dat de vrouwen meineedig, weifelmoedig en trouweloos zijn. Maar het is eene slechte fabel, die niet meer dan ééne beteekenis heeft, niet meer dan ééne waarheid in zich bevat. Vergun mij dat ik de weduwe van Ephese onder mijne bescherming neem. Zij werd haar dooden echtgenoot ontrouw. De liefde echter hangt zoozeer met het leven samen, dat eene liefde en trouw tot over het graf, een leven, dat zich aan een lijk laat koppelen, een onding is. De bloedelooze schimmen in den Hades mogen zich niet met het bloed van de levenden voeden.”
Zoo spraken zij beiden vertrouwelijk en opgeruimd. Toen kwam Artemidorus en verweet Aspasia schertsend, dat zij hem zijn gast had ontnomen; nadat hij beiden tot een ontbijt had genoodigd, voerde hij hen op een sierlijken, met witte paarden bespannen wagen naar den overouden, beroemden tempel van Apollo en naar het heiligdom van de Cybrische Godin aan het vlakke strand der zee, door ruischend riet omzoomd en door gele halcyonen14bevolkt. Zij voeren langs de schoone zeekust en op den terugtocht bestegen zij eene boot, om zich over de zachte, donkerblauwe golven te laten roeien naar een boschrijk eiland, dat de slaven van Artemidorus aanstonds weder in een klein paradijs omschiepen, door bonte, mollige tapijten uit te spreiden en kostelijke gaven van elke soort aan te bieden.
Zoo vervloog de dag even snel als de nacht voorbij was gegaan en wederom hoorden zij beiden elkander geheel toe in de eenzaamheid van den lusthof, die alleen door het gekweel der nachtegalen werd verstoord.
Artemidorus had Aspasia nu geheel aan zijn gast afgestaan en het was niet alleen de begeerte om[345]Pericles eer te bewijzen, maar ook de overdadige grootmoedigheid, die hem eigen was, die hem zijne schoone landgenoote alle mogelijke hulp deden bieden, die zij noodig had, om haar vriend de idyllische eenzaamheid van den myrthenhof met de afwisselende betoovering van eene onuitputtelijk vindingrijke liefde te kruiden.
En Aspasia maakte niet minder gebruik van deze hulpmiddelen, dan van diegene, welke de natuur zelve nog kwistiger dan de rijke Artemidorus in haar bekoorlijk, betooverend karakter en uiterlijk had nedergelegd.
Het hoogste, edelste genot van den geest en der zinnen vierde in deze beide door de Goden beminde zielen zijn zeldzaam, zalig feest. Vele en groote dingen had Pericles geschapen en volbracht, tot veel schoons en onvergankelijks had Aspasia hem bezield, terwijl zij de brandende vonk van haar geest, de schoonheid, naar alle zijden deed spatten. Maar het schoonste en goddelijkste volbrachten beiden, terwijl zij elkander liefhadden en gelukkig waren: zoo gelukkig, als niet de gewone menschen konden worden, maar alleen zij, die het beeld der godheid in zich omdroegen. Over datgene, wat zijbezielden, schiepen, volbrachten, mochten de stervelingen zich verheugen; op hun reine liefde zagen de zalige Olympiërs zelven met voldoening neder. Het ideaal van het menschelijk geluk in de schoone vreugde des levens en der liefde te verwezenlijken, scheen in die Halcyonische15dagen van Milete beiden zelven als het beste deel hunner bestemming …
Inderdaad genoten Pericles en Aspasia voor de eerste maal ten volle het geluk hunner liefde in deze eenzame plaats. Maar de schoonste wijkplaats van ongestoorde eenzaamheid, schooner en ongestoorder dan de bloemengaarde en het tuinhuis konden opleveren, had de tooverhand van Aspasia geschapen. Het open, platte dak van het huis,[346]door de toppen van hooge pijnboomen en cypressen omruischt, was door haar in eene kleine lustgaarde herschapen. Door bloeiend heestergewas en bloemen, die op hooge stengels wiegelden en den rand aan alle kanten omzoomden, en door purperkleurig linnen, waardoor men het geheele terras als een tent kon bedekken, was deze wijkplaats aan de oogen der buitenwereld onttrokken. In dit bloemenpriëel, van de wereld afgesloten, alleen voor de beide gelieven toegankelijk brachten zij zalige uren door. Hier genoten zij de veilige eenzaamheid van een gesloten vertrek, zonder de benauwde lucht daarmede verbonden. Zij hadden den vrijen aether boven zich en gevoelden den weldadigen adem van de zachte, geurige en verfrisschende koeltjes uit het woud. De eenzaamheid der myrthen, de eenzaamheid van het huis voldeden hun niet; evenals teedere duiven, vlogen zij naar het dak, naar dat zalige, zonnige plekje, en alleen wat met vleugels voorzien was, kon hen daarheen volgen; de duiven, de pauwen, de tjilpende vogels. Hier rustten zij te midden der bloemen, hier liet Aspasia haar vriend de zangen der dichters hooren, die in haar mond eene wonderlijke bekoorlijkheid kregen, hier snoerde zij hem bij den klank der snaren in het zilveren net harer tonen, met de betoovering harer smeltende stem, die het gemoed van den hoorder tot zaligheid stemden, hier vertelde zij hem liefelijke Milesische sprookjes, hier keuvelden zij nu eens onverstandig als kinderen, dan weder diepzinnig als oude wijsgeeren. Hier konden zij de purperen doeken om zich en over zich heen trekken en als Goden, in een Olympisch rooskleurig licht gehuld, in verheerlijkte gestalte onder eene vriendelijke schemering ademen. Of zij konden den helderen glans der zon naar binnen laten stroomen en de minnaar kon het gelaat en de gestalte der geliefde, door het verblindend witte licht bestraald, en door de terugkaatsing der groene heesters tooverachtig beschenen, in verhoogde bekoorlijkheid als een aetherisch wezen bewonderen.[347]
Aspasia kleedde zich naar Milesisch gebruik, nu eens in het purper, dan weer in het zeeblauw, soms in vuurkleurig, niet zelden in saffraangeel gewaad. Zij hield er van haar vriend in telkens afwisselende gedaante te verschijnen. Zij ontleende gewaad, houding, gestalte, uitdrukking, gang nu eens aan deze dan weder aan gene Godin of Heroïne16, en op verlangen van Pericles voerde zij voor hem mimische dansen uit, die met deze afwisselende gedaanten overeenkwamen en die in kunstvaardigheid en bekoorlijkheid alles overtroffen, wat de schoone Theodota ooit ten toon had gespreid.
Bij die verwisselingen van zijn onvergelijkelijke vriendin kon Pericles niet nalaten zich de verzen van den grijzen zeegod te herinneren, die deze hem had toegesproken, toen hij zonder het te weten den weg insloeg om Aspasia te vinden. Die verzen, welke hem het schoonste geluk beloofden en hem aanrieden:
„Houd het, o held, slechts vast, met sterke vuist, als gij thans mij doet!„Zóó toch omklemd, ontsnapt nooit u het vluchtig geluk!”
„Houd het, o held, slechts vast, met sterke vuist, als gij thans mij doet!
„Zóó toch omklemd, ontsnapt nooit u het vluchtig geluk!”
„Ik zal u moeten vasthouden, gelijk den voorspellenden, van gedaante verwisselenden Proteus, opdat gij mij niet in uwe metamorphosen ontsnapt,” zei Pericles schertsend tot Aspasia.
„Hoe wilt gij het aanleggen om mij vast te houden?” vroeg de Milesische.
„Dat wenschte ik gaarne van u zelve te hooren,” hernam Pericles.
„Toch niet naar Atheensch gebruik in eene kooi, met stevige tralies?” vroeg Aspasia.
„Wat voor kooi bedoelt gij?” zei Pericles.
„Die kooi,” antwoordde Aspasia, „die gij mannen het vrouwenvertrek in uw huis pleegt te noemen.”
„In die kooien,” zei Pericles na een korte pauze,[348]„zijn wellicht alleen Telesippe’s, doch geen Aspasia’s opgesloten te houden.”
De Milesische antwoordde met een glimlach.
Het was haar genoeg, dat woord daar los heen te hebben geworpen, om in de ziel van Pericles overdacht te worden.
Het gebeurde eens, dat Pericles met Artemidorus, in Aspasia’s afwezigheid, over haar sprak.
„De sagen en legenden van alle tijden,” zei Artemidorus, „berichten van tal van helden, die voor langer of korter tijd in de macht van schoone vrouwen zijn geraakt. Odysseus, die naar zijn huiselijken haard smachtte, hield de schoone nimf Calypso jaren lang in hare grot terug. Den vromen Aeneas wist de minnende Dido17te veroveren, zelfs den sterksten der sterken ketende de schrandere Omphale18een tijdlang aan haar spinrokken. Maar geene van al die vrouwen vermocht het, de geketende mannen voor altijd te boeien: hare betoovering week, de banden werden geslaakt, de ontevreden held trok het roestige zwaard of haalde de vergeten knots uit den schuilhoek te voorschijn, kalefaterde op een goeden dag zijn half verrot vaartuig weder en trok na een vluchtigen afscheidsgroet aan de schoone op nieuwe avonturen uit. Zoo zou ook Aspasia’s betoovering wel verdwijnen, als gij in deze vreugdevolle wijkplaats voortdurend met haar moest verkeeren.”
„Voorzeker,” zeide Pericles, „als Aspasia Theodota was, als zij niets bezat dan de bekoorlijkheid van haar lichaam. Doch er zijn middelen, waardoor de minnaar voor altijd geboeid kan worden. Ik spreek van diegene welke gewone vrouwen aanwenden, in de meening dat zij door geveinsde preutschheid of door grillen en plagerijen en bezwaren, waarmede zij den geliefde kwellen, haar bezit zullen doen op prijs stellen. Er zijn bevoorrechte vrouwelijke naturen, wien het vergund is in weerwil[349]van onbeperkte overgave, waardoor het geluk der vrouwen doorgaans schipbreuk lijdt, juist door deze den geliefde met steeds vaster boeien te kluisteren. Moest ik dat onnoembare, waardoor haar dit gelukt, een naam geven, dan zou ik het slechts charis kunnen noemen: die wonderlijke vereeniging, van bekoorlijkheid en bevalligheid, vleiend zonder opdringen, het gemoed vervroolijkend als de lach der Olympische Goden. Deze charis, geloof ik, is de betoovering, die Aphrodite in haar gouden gordel bewaart. Duizend droeve wolken verdonkeren den hemel der geliefden: alleen de charis weet ze te verdrijven: alleen in de stralen der schitterende, opgeruimde blijmoedigheid der ziel verdwijnt al het droefgeestige. Alleen door haar adem wordt al het ruwe en harde verzacht. Haar wordt alles vergund en alles vergeven, omdat zij geene wonde slaat of ze heelt die oogenblikkelijk. Aspasia bezit deze blijmoedigheid van ziel, dezen charis, deze gordel van Aphrodite en daarmede alleen verijdelt zij spelende alle pogingen van Theodota. Want ik ken de vrouwen en weet, hoe zeldzaam, hoe eenig in de wereld datgene is, wat Aspasia bezit.”
„Ik versta u volkomen,” zei Artemidorus; „wat gij zegt, heb ik dikwijls ondervonden. De proefsteen van de vrouwen en van haar toovermacht is niet het genot, dat zij verschaft, maar de kunst, hoe zij de tusschenruimten tusschen de oogenblikken van zalig genot weten aan te vullen.”
„Aspasia verstaat het,” hernam Pericles, „ieder oogenblik eene schitterende vonk te laten opspatten, iets als een vuurpijl of ook als een schoone zeepbel, waarnaar men snel grijpen moet en dat het volgende oogenblik ons weer ontneemt. En dit alles doet Aspasia zonder inspanning, zonder dwang en gemaaktheid; zij doet het, omdat het haar van nature eigen is. En juist daarom, werkt zij onwederstaanbaar. De zalige uren der armen van geest zijn eene bekoring der zinnen, met doodelijke verveling verbonden; alleen uit de ziel welt datgene[350]op, wat aan het zoetste duurzame waarde schenkt.”
De dag naderde, waarop Pericles met zijne beide schepen weder naar Samos moest terugkeeren, om vandaar nog een kort uitstapje naar Chinos te maken. De vriendelijke tegemoetkoming der Milesiërs had het Pericles gemakkelijk gemaakt, om het plan, waarom hij te Milete gekomen was, te volvoeren; en zoo was het hem mogelijk geweest slechts het geringste deel van den tijd, dien hij zich te Milete ophield, aan politieke onderhandelingen te besteden, terwijl hij het grootste deel aan zijn innerlijk geluk had kunnen wijden.
De gastvrije Artemidorus gaf den Atheenschen veldheer vóór zijn vertrek een feestmaal, waaraan ook Aspasia deelnam.
Aan dit feestmaal zei Pericles tot zijn gastheer Artemidorus:
„Geen wonder, dat de geheime betoovering van deze hemelstreek ook mij heeft bekoord en ik zeven dagen lang schier onbewust mij aan eene gelukkige werkeloosheid heb overgegeven. Men bemerkt het, dat gij, Grieken van deze kust, nabij de vurigePhoeniciërswoont, die het eerst de Godin der liefde vereerden, en nabij dat Cyprische eiland, dat die weelderige Godin op haar zegetocht uit de Sidonische golf naar Hellas de eerste rustplaats heeft aangeboden. En evenals uit het Zuiden de feestelijke bezieling der Cyprische Godin, zoo dringt van het Noorden, van de hoogten van den Tmolus, het feestelijk geruisch van Dionysus en van zijne voedster Rhea tot u door. Zoo zijt gij als het ware omringd en omruischt van de golven der feestvreugde dier Goden van het genot. Evenals uit overvolle uiers de melk, zoo wordt hier de dauw der weelderigheid uit den hoorn des overvloeds van die Goden en uit de duizend zwellende borsten van Artemis over u uitgestort. U, Milesiërs, zullen de vreeslijke, dweepzieke Orgiën op den Tmolus wel niet alleen van hooren zeggen, bekend zijn. Het zou mij verwonderen, zoo niet de een of ander uwer door nieuwsgierigheid gedreven, ten tijde der feesten[351]zich in die geheimzinnige plaatsen van het naburige Lydië had gewaagd en, zij het dan ook misschien op een afstand, de razernij der Corybanten had gadegeslagen.”
Bij deze woorden van Pericles toog er een wolk over het gelaat van Artemidorus en eene lichte zucht ontsnapte aan zijne borst, zoodat Pericles hem verwonderd en schier getroffen aanzag.
„Mij zelven,” sprak Artemidorus, „heeft het noodlot eens daarheen gevoerd en ik zou u gaarne datgene, wat ik gezien en beleefd heb, verhalen, als er niet zoovele smartelijke herinneringen aan verbonden waren.”
Deze woorden vermeerderden de belangstelling van Pericles en toen Artemidorus dit bemerkte, vervolgde hij:
„Ik zie het wel, ik moet ook tegen mijn wil spreken en mijne onaangename gewaarwording rechtvaardigen door u eene mededeeling te doen, die de uitdrukking van uw gelaat, Pericles, van mij schijnt te verlangen. Welnu, luister:
„Het is nog slechts weinige jaren geleden, dat ik den bekoorlijksten jongeling van Milete, mijn zoon mocht noemen. Hij was met alle gaven des geestes en des lichaams toegerust, doch tevens met eene onbeperkte verbeeldingskracht, die geen teugel kende, met een vurig, ja dweepziek gemoed. Het heeft nooit te Milete ontbroken aan jongelingen, die door de verhalen der razende orgiën op den Tmolus tot misdadige nieuwsgierigheid geprikkeld werden, en menigeen is aan de bewaking zijner zorgvuldige ouders ontsnapt, om zich bij die wilde rijen aan te sluiten; ja zelfs er waren tijden, waarin dat verlangen als eene soort pestziekte woedde. Ik overwoog, hoe ik eene dergelijke zinsverbijstering van mijn al te hartstochtelijken Chrysanthes zou afweren. Zooals ik gevreesd had, werd hij ook weldra door die ziekte aangegrepen. De tijd der Lydische feesten naderde. Chrysanthes was in het oogvallend stil en ingetrokken; zijne wangen verbleekten en hij zag er uit, alsof hij door[352]een heimelijk, koortsachtig ongeduld werd verteerd. Reeds was ik besloten hem als gevangene in huis te behandelen en oppassers bij hem te plaatsen, die ieder zijner schreden zouden bewaken. Toch deed de toestand, waarin ik hem zag, mij vreezen, dat hij zou ontsnappen en daarbij voegde zich de gedachte, dat de jongeling, ten gevolge van zijn geheel onbevredigd verlangen, in eene gevaarlijke zwaarmoedigheid of in eene doodelijke ziekte zou vervallen en dat het heilzamer zou zijn, wanneer ik de begeerte, naar het scheen, zijner steeds toenemende nieuwsgierigheid ten deele bevredigde, althans op eene wijze, die geen gevaar voor hem na zich sleepte. Ik deelde hem mede, dat ik mij met hem naar den Tmolus wilde begeven en met hem de mystieke gebruiken der Corybanten wenschte gade te slaan. In mijn gezelschap onder mijne onmiddellijke hoede, moest toch de jongeling voor elk gevaar beveiligd zijn.
„Nog is Milete prachtig en zijne bewoners levenslustig.”„Nog is Milete prachtig en zijne bewoners levenslustig.”
„Nog is Milete prachtig en zijne bewoners levenslustig.”
„Eene reis van verscheidene dagen bracht ons tot ons doel. Wij bestegen, begeleid door een slaaf, die levensmiddelen voor één dag droeg, den boschrijken, nog eenzamen Tmolus en wachtten het oogenblik af, waarop de wilde troep der Corybanten uit Sardes de berghelling zou bestijgen.
„Het orgiastische lentefeest was reeds den vorigen dag daarmede begonnen, dat men den grooten pijnboom van den Tmolus had geveld en omwonden met kransen van de tallooze lenteviooltjes, die in de kloven van den Tmolus groeiden; den boom, zóó bekranst, sleepte men onder uitbundig gejubel naar den tempel van Cybele, om hem aan de alles voortbrengende moeder der Goden als lenteoffer te wijden.
„Nog bleef het grootste en luidruchtigste deel van het feest over. Een dof geraas drong tot onze ooren door nog voor wij in de avondschemering de naderende schaar der Corybanten konden zien. Wij verborgen ons bij hare nadering in het dichte struikgewas, om ongemerkt getuigen te zijn van haar dolle waanzin.[353]
„De zwerm naderde, het geraas werd oorverdoovend. Ieder dezer Corybanten, van welke verscheidene geheel naakt, andere slechts met het ruige vel van een wild dier om de lendenen bekleed waren, droeg een tamboerijn, waarop hij met alle geweld sloeg en een doffen toon deed hooren, of een rammelend bekken; sommigen bliezen op eene fluit of hoorn, anderen hadden zwaarden en schilden in de handen, die zij tegen elkander sloegen. Doch boven al dat gekletter van metaal en muziekinstrumenten klonk het geschreeuw, of liever het gebrul uit, dat een jubelzang ter eere van den verlorenen en nu wedergevonden jongeling Attis, den lieveling en bode van de alles voortbrengende moeder Rhea, moest voorstellen. Van den verloren en wedergevonden Attis zongen zij, maar het was de uit haar doodslaap ontwaakte, wild opbruisende teelkracht der natuur, die deze menschen niet alleen vierden, maar ook in zich zelven tot waanzinnige bedwelming lieten opbruisen. De schaar werd aangevoerd door Cybele-priesters, die helder brandende pijnfakkels in de eene hand, in de andere scherpgeslepen kromme messen droegen, die zij met de uitdrukking van dweepzucht, verwoed zwaaiden. De gang dezer menschen mocht geen loopen heeten, veeleer een woest springen en dansen onder allerlei verwringingen, onder begeleiding van een oorverdoovend geraas van zwaarden en muziekinstrumenten.
„De gezichten van allen waren hoog rood; sommigen zelfs met donkerblauwe vlekken geteekend; de oogen schenen uit hunne kassen te zullen springen en velen stond het schuim op den mond. Daarbij schudden zij woest de lange, golvende lokken, die voor het meerendeel uit vreemde haren kunstig samengevoegd, om de slapen fladderden en die hen een half mannelijk half vrouwelijk uiterlijk gaven. De wilde of tamme dieren, die op weg in hunne handen waren gevallen, sleepten zij met zich mede. Aan de spits van den zwerm werd een panther gevoerd. Eenigen zagen wij met slangen,[354]die zij opgeraapt hadden, in de handen en speelden daarmede onbevreesd alsof het kransen of linten waren.
„Terwijl de tierende schaar langs ons heenstormde, zag ik den jongen Chrysanthes naast mij door eene toenemende ontroering aangegrepen. Hij zweeg, maar zijn gelaat gloeide, zijn oog staarde wezenloos op de dolle feestvierende schaar en hij begon eenige bewegingen, die hij bij de razenden opmerkte, onbewust na te doen.
„Niet verre van de plaats, waar wij in het geboomte verborgen waren, strekte zich eene groote vlakte uit, door reusachtige pijnboomen ingesloten en met allerlei kruiden begroeid. Hier hield de troep stil, doch niet om te rusten maar om nog doller te woeden. De meegesleepte dieren werden in het midden geplaatst, ook de priesters sloten zich daarbij aan en rondom hen schaarden zich de Corybanten.
„Op een bezielend woord van den priester, stortten zij zich op den panther en de overige dieren, scheurden ze in stukken, eerst met de handen, vervolgens met de tanden, slurpten hun warm bloed en staken de overblijfsels van het bloedende vleesch aan hunne Thyrsusstaven19, als op spiesen. Toen begonnen zij, onder nog sterker geraas der pauken en cymbalen20en koperen werktuigen, in de rondte te dansen, de groote, alles voortbrengende moeder prijzende en de alles bezielende teelkracht, de onuitputtelijke kracht van genot en liefde, wier beeld voor hunne oogen werd ten toon gesteld.
„De wilde dieren vloden voor het woest getier in de verwijderdste schuilhoeken; een leeuw stoof verschrikt in dolle vaart vlak langs mij en Chrysanthes door het geboomte. En waarlijk, de fanatieke kreten, het rookende offerbloed, het zwaaien der brandende fakkels en bovenal het geraas der tamboerijnen, moesten mensch en dier verschrikken of in de wildste[355]onstuimigheid brengen. Ik zelf verloor schier mijne bezinning. Toen deed Chrysanthes plotseling een poging om zich van mij los te rukken. Ontzet zag ik hem aan en bemerkte, dat hij in zijn geheele uiterlijk reeds aan die razenden gelijk was. Ik hield hem vast, maar reuzenkracht in zijne jeugdige leden ontwikkelend, maakte hij zich los en voortstormend sprong hij van een rotswand, zoo hoog en steil, dat alleen door een wonder zijne leden niet verbrijzeld werden, midden onder die razenden, en evenals de schuimende vloed een droppel, zoo verzwolg hem de dolle schaar.
„Van schrik en ontzetting radeloos stond ik daarbij bijna zinneloos.
„De woeste dans ging voort voor mijn benevelden blik. Sommigen stortten als dood neder, stonden weder op en begonnen opnieuw.
„Wederom klonken kreten der zinneloozen, vergezeld van teekenen en wonderlijke gebaren, door het rumoer heen. En toen de razernij ten top was gestegen, traden eenigen uit den troep te voorschijn en trachtten hunne woorden te doen verstaan, waarvan echter slechts weinig verstaanbaars tot mijn oor doordrong.
„Het duizelde mij voor de oogen, ik zag niets dan een woesten troep zich door elkander bewegen, waarin de dolsten zich met flikkerende klingen wondden, verminkten—ik dacht aan Chrysanthes—het werd nacht voor mijne oogen, ik zonk buiten kennis op den grond.
„Toen ik mijn bewustzijn herkreeg, was de maan in al haar glans opgegaan, de Corybanten waren verder getrokken, het geluid van het tympanon21klonk uit de diepte van het woudgebergte, als de donder, die in de verte ratelt.
„Ik begaf mij naar het naburige Sardes, den zetel van de priesterschap Cybele, omdat ik daar het eerst iets aangaande het lot van mijn Chrysanthes hoopte te vernemen, of ik soms den geliefden[356]verloren zoon mocht kunnen terugvinden.
„En ik vond hem terug; het werd mij gebracht op eene baar, uit de pijnboomtakken van den Tmolus gevlochten, gewond, verminkt, bloedend.
„De jongeling in den bloei zijner jaren en schoonheid lag daar voor mijne oogen, gelijk die met viooltjes omkranste pijnboom, geveld op den Tmolus door het mes der Corybanten, als een dankoffer aan de alles voortbrengende Godin …”
Zoo luidde het verhaal van Artemidorus.
De vroolijkheid van het feestmaal was verdwenen.
Toen het afgeloopen was en Pericles zich met Aspasia alleen bevond, zeide hij:
„Milete is schoon en het verhaal van Artemidorus zal mij de herinnering aan de zaligste dagen mijns levens, die de Goden mij ooit schonken, niet geheel en al treurig maken. Doch ik gevoel dat het tijd is den voet van dit gloeiend strand weder op het snelle schip te zetten, en mijne schier beklemde borst zal eerst weder ten volle vrij adem halen in de zachte, vaderlandsche Attische lucht!”
1Orgiastisch beteekent: bezield, bezeten, daar de Orgiën of feesten ter eere van Dionysus zich door luidruchtigheid en uitgelatenheid kenmerkten. Vergelijknoot 1 pag. 145.↑2Mitra is in het algemeen een band, een hoofdband, die door de Grieksche vrouwen gedragen werd; voorts een tulband, die door de verwijfde Aziaten gedragen werd.↑3Thales een der zeven Wijzen van Griekenland, leefde ongeveer 640 v. C. Hij zou het eerst eene zonsverduistering voorspeld hebben. Hij verkondigde de leer, dat de stof eeuwig bezield en altijd in beweging is.↑4Herodotus „de vader der geschiedenis”, was te Halicarnassus in Carië omstreeks 484 v. C. geboren. Hij maakte talrijke reizen. Zijne ervaringen teekende hij op in negen boeken, die ieder naar eene der Muzen zijn genoemd. Hij munt uit door eenvoud en liefelijkheid van stijl. Herodotus stierf omstreeks 408 v. C., wellicht te Thurië, in Beneden Italië.↑5Vergelijknoot 1 pag. 32. Zeven plaatsen betwisten elkander de eer Homerus te hebben voortgebracht. Te weten: Smyrna, Rhodos, Colophon, Salamis, Chios, Argos, Athene.↑6Hebe, de dochter van Zeus en Hera, de Godin der jeugd, dikwijls als gemalin van Heracles voorkomende, was de schenkster der goden op den Olympus.↑7Cybele, ook Cybebe geheeten, was eene Phrygische Godin, de personificatie van het weelderige leven der natuur. Zij wordt ook geheeten: „de groote moeder der Goden” en dikwijls met Rhea geïdentificeerd. Hare begeleiders waren de dolle Corybanten, haar lieveling de jongeling Attis.↑8De Sirenen waren zeemonsters, die door verleidelijke liederen de voorbijvarenden tot zich lokten en hen dan doodden. Zij worden wel voorgesteld als vrouwen met vogelklauwen en vleugels.↑9Triton is de zoon van Poseidon en Amphitrite; vandaar in het algemeen een zeegod. Zijn attribuut is de mosselschelp, waarop hij blaast.↑10Proteus was een zeegod, die de robben Poseidon weidde. Als zijn verblijfplaats wordt het eiland Pharos, ook wel Karpathos, gemeld. Hij had de gave zich in allerlei gedaanten te kunnen veranderen.↑11Beschermgoden, geleigeesten, (genius.)↑12De Pontus bijgenaamd Euxinus, de gastvrije, is de Zwarte zee, vroeger om hare talrijke stormen Pentus Axinus, de onherbergzame, geheeten.↑13Psyche beteekent „ziel”. De fabel, juister de allegorie, waarop hier door den schrijver gedoeld wordt, komt voor bij Apuleins, een wijsgeerig schrijver die te Madaura in Numidië geboren was en lang te Rome verkeerde (in de tweede eeuw na C.). De inhoud daarvan was de volgende: Psyche eene koningsdochter was de schoonste van drie zusters, zoodat zij zelfs voor Aphrodite werd gehouden. Deze, hierover vertoornd, gelastte Eros een sterveling op haar te doen verlieven. Doch deze werd zelf op haar verliefd. De vader raadpleegde Apollo daaromtrent. Deze gaf de godspraak, dat men Psyche alleen op een berg moest achterlaten, want dat zij de gade van een monster moest worden. Dit geschiedde. Daar ontmoette zij telkens Eros in een paleis, dat voor haar was verrezen. Nieuwsgierig haren beminde meer van nabij te zien, naderde Psyche hem, ondanks zijn vroegere waarschuwing. Bij ongeluk liet zij een droppel heete olie op zijn schouder vallen. Eros, die sliep, ontwaakte en ontvlood haar. Troosteloos doolde Psyche overal rond, totdat zij eindelijk bij Aphrodite kwam, die haar als slavin hard behandelde. Nochtans steunde Eros haar in haren arbeid, zooals op haar tocht naar Persephone, in het schimmenrijk, waar zij levenloos door den benauwden damp ter neder stortte. Eros riep haar door aanraking zijner pijl in het leven terug. Eindelijk werd Aphrodite verzoend. Psyche ontving van Zeus de onsterfelijkheid en werd voor altijd met den geliefde vereenigd. Zij baarde hem eene dochter Hedone, (Voluptas, Cupido), het Genot. In deze allegorie wordt de onschuld, de val, de boete geschilderd en de redding der ziel door de kracht der liefde.↑14Halcyonen of Alcyonen zijn ijsvogels.↑15Halcyonische dagen zijn eigenlijk de zeven dagen vóór en na den kortsten dag, gedurende welke de ijsvogel zijn nest bouwt, daar de zee dan vrij van stormen is. Daaruit is de Grieksche spreekwijze ontstaan, beteekenende: kalme, diepe rust.↑16Heroïne beteekent eigenlijk heldin, het vrouwelijke van heros; voorts iedere voortreffelijke der stervelingen, eene halfgodin.↑17Dido of Elissa nam Aeneas, die op zijn tocht van Troje naar Italië door een vreeselijken storm geteisterd was, gastvrij op in het door haar gestichte Cartago.↑18Zienoot 2 pag. 259.↑19Thyrsus is de staf der Bacchanten, die met klimop en wijngaardloof omwonden was en uitliep in eene pijnboomnaald.↑20Metalen bekkens.↑21Eene pauk, eene tamboerijn, vooral bij de feesten ter eere van Cybele in gebruik.↑
1Orgiastisch beteekent: bezield, bezeten, daar de Orgiën of feesten ter eere van Dionysus zich door luidruchtigheid en uitgelatenheid kenmerkten. Vergelijknoot 1 pag. 145.↑2Mitra is in het algemeen een band, een hoofdband, die door de Grieksche vrouwen gedragen werd; voorts een tulband, die door de verwijfde Aziaten gedragen werd.↑3Thales een der zeven Wijzen van Griekenland, leefde ongeveer 640 v. C. Hij zou het eerst eene zonsverduistering voorspeld hebben. Hij verkondigde de leer, dat de stof eeuwig bezield en altijd in beweging is.↑4Herodotus „de vader der geschiedenis”, was te Halicarnassus in Carië omstreeks 484 v. C. geboren. Hij maakte talrijke reizen. Zijne ervaringen teekende hij op in negen boeken, die ieder naar eene der Muzen zijn genoemd. Hij munt uit door eenvoud en liefelijkheid van stijl. Herodotus stierf omstreeks 408 v. C., wellicht te Thurië, in Beneden Italië.↑5Vergelijknoot 1 pag. 32. Zeven plaatsen betwisten elkander de eer Homerus te hebben voortgebracht. Te weten: Smyrna, Rhodos, Colophon, Salamis, Chios, Argos, Athene.↑6Hebe, de dochter van Zeus en Hera, de Godin der jeugd, dikwijls als gemalin van Heracles voorkomende, was de schenkster der goden op den Olympus.↑7Cybele, ook Cybebe geheeten, was eene Phrygische Godin, de personificatie van het weelderige leven der natuur. Zij wordt ook geheeten: „de groote moeder der Goden” en dikwijls met Rhea geïdentificeerd. Hare begeleiders waren de dolle Corybanten, haar lieveling de jongeling Attis.↑8De Sirenen waren zeemonsters, die door verleidelijke liederen de voorbijvarenden tot zich lokten en hen dan doodden. Zij worden wel voorgesteld als vrouwen met vogelklauwen en vleugels.↑9Triton is de zoon van Poseidon en Amphitrite; vandaar in het algemeen een zeegod. Zijn attribuut is de mosselschelp, waarop hij blaast.↑10Proteus was een zeegod, die de robben Poseidon weidde. Als zijn verblijfplaats wordt het eiland Pharos, ook wel Karpathos, gemeld. Hij had de gave zich in allerlei gedaanten te kunnen veranderen.↑11Beschermgoden, geleigeesten, (genius.)↑12De Pontus bijgenaamd Euxinus, de gastvrije, is de Zwarte zee, vroeger om hare talrijke stormen Pentus Axinus, de onherbergzame, geheeten.↑13Psyche beteekent „ziel”. De fabel, juister de allegorie, waarop hier door den schrijver gedoeld wordt, komt voor bij Apuleins, een wijsgeerig schrijver die te Madaura in Numidië geboren was en lang te Rome verkeerde (in de tweede eeuw na C.). De inhoud daarvan was de volgende: Psyche eene koningsdochter was de schoonste van drie zusters, zoodat zij zelfs voor Aphrodite werd gehouden. Deze, hierover vertoornd, gelastte Eros een sterveling op haar te doen verlieven. Doch deze werd zelf op haar verliefd. De vader raadpleegde Apollo daaromtrent. Deze gaf de godspraak, dat men Psyche alleen op een berg moest achterlaten, want dat zij de gade van een monster moest worden. Dit geschiedde. Daar ontmoette zij telkens Eros in een paleis, dat voor haar was verrezen. Nieuwsgierig haren beminde meer van nabij te zien, naderde Psyche hem, ondanks zijn vroegere waarschuwing. Bij ongeluk liet zij een droppel heete olie op zijn schouder vallen. Eros, die sliep, ontwaakte en ontvlood haar. Troosteloos doolde Psyche overal rond, totdat zij eindelijk bij Aphrodite kwam, die haar als slavin hard behandelde. Nochtans steunde Eros haar in haren arbeid, zooals op haar tocht naar Persephone, in het schimmenrijk, waar zij levenloos door den benauwden damp ter neder stortte. Eros riep haar door aanraking zijner pijl in het leven terug. Eindelijk werd Aphrodite verzoend. Psyche ontving van Zeus de onsterfelijkheid en werd voor altijd met den geliefde vereenigd. Zij baarde hem eene dochter Hedone, (Voluptas, Cupido), het Genot. In deze allegorie wordt de onschuld, de val, de boete geschilderd en de redding der ziel door de kracht der liefde.↑14Halcyonen of Alcyonen zijn ijsvogels.↑15Halcyonische dagen zijn eigenlijk de zeven dagen vóór en na den kortsten dag, gedurende welke de ijsvogel zijn nest bouwt, daar de zee dan vrij van stormen is. Daaruit is de Grieksche spreekwijze ontstaan, beteekenende: kalme, diepe rust.↑16Heroïne beteekent eigenlijk heldin, het vrouwelijke van heros; voorts iedere voortreffelijke der stervelingen, eene halfgodin.↑17Dido of Elissa nam Aeneas, die op zijn tocht van Troje naar Italië door een vreeselijken storm geteisterd was, gastvrij op in het door haar gestichte Cartago.↑18Zienoot 2 pag. 259.↑19Thyrsus is de staf der Bacchanten, die met klimop en wijngaardloof omwonden was en uitliep in eene pijnboomnaald.↑20Metalen bekkens.↑21Eene pauk, eene tamboerijn, vooral bij de feesten ter eere van Cybele in gebruik.↑
1Orgiastisch beteekent: bezield, bezeten, daar de Orgiën of feesten ter eere van Dionysus zich door luidruchtigheid en uitgelatenheid kenmerkten. Vergelijknoot 1 pag. 145.↑
1Orgiastisch beteekent: bezield, bezeten, daar de Orgiën of feesten ter eere van Dionysus zich door luidruchtigheid en uitgelatenheid kenmerkten. Vergelijknoot 1 pag. 145.↑
2Mitra is in het algemeen een band, een hoofdband, die door de Grieksche vrouwen gedragen werd; voorts een tulband, die door de verwijfde Aziaten gedragen werd.↑
2Mitra is in het algemeen een band, een hoofdband, die door de Grieksche vrouwen gedragen werd; voorts een tulband, die door de verwijfde Aziaten gedragen werd.↑
3Thales een der zeven Wijzen van Griekenland, leefde ongeveer 640 v. C. Hij zou het eerst eene zonsverduistering voorspeld hebben. Hij verkondigde de leer, dat de stof eeuwig bezield en altijd in beweging is.↑
3Thales een der zeven Wijzen van Griekenland, leefde ongeveer 640 v. C. Hij zou het eerst eene zonsverduistering voorspeld hebben. Hij verkondigde de leer, dat de stof eeuwig bezield en altijd in beweging is.↑
4Herodotus „de vader der geschiedenis”, was te Halicarnassus in Carië omstreeks 484 v. C. geboren. Hij maakte talrijke reizen. Zijne ervaringen teekende hij op in negen boeken, die ieder naar eene der Muzen zijn genoemd. Hij munt uit door eenvoud en liefelijkheid van stijl. Herodotus stierf omstreeks 408 v. C., wellicht te Thurië, in Beneden Italië.↑
4Herodotus „de vader der geschiedenis”, was te Halicarnassus in Carië omstreeks 484 v. C. geboren. Hij maakte talrijke reizen. Zijne ervaringen teekende hij op in negen boeken, die ieder naar eene der Muzen zijn genoemd. Hij munt uit door eenvoud en liefelijkheid van stijl. Herodotus stierf omstreeks 408 v. C., wellicht te Thurië, in Beneden Italië.↑
5Vergelijknoot 1 pag. 32. Zeven plaatsen betwisten elkander de eer Homerus te hebben voortgebracht. Te weten: Smyrna, Rhodos, Colophon, Salamis, Chios, Argos, Athene.↑
5Vergelijknoot 1 pag. 32. Zeven plaatsen betwisten elkander de eer Homerus te hebben voortgebracht. Te weten: Smyrna, Rhodos, Colophon, Salamis, Chios, Argos, Athene.↑
6Hebe, de dochter van Zeus en Hera, de Godin der jeugd, dikwijls als gemalin van Heracles voorkomende, was de schenkster der goden op den Olympus.↑
6Hebe, de dochter van Zeus en Hera, de Godin der jeugd, dikwijls als gemalin van Heracles voorkomende, was de schenkster der goden op den Olympus.↑
7Cybele, ook Cybebe geheeten, was eene Phrygische Godin, de personificatie van het weelderige leven der natuur. Zij wordt ook geheeten: „de groote moeder der Goden” en dikwijls met Rhea geïdentificeerd. Hare begeleiders waren de dolle Corybanten, haar lieveling de jongeling Attis.↑
7Cybele, ook Cybebe geheeten, was eene Phrygische Godin, de personificatie van het weelderige leven der natuur. Zij wordt ook geheeten: „de groote moeder der Goden” en dikwijls met Rhea geïdentificeerd. Hare begeleiders waren de dolle Corybanten, haar lieveling de jongeling Attis.↑
8De Sirenen waren zeemonsters, die door verleidelijke liederen de voorbijvarenden tot zich lokten en hen dan doodden. Zij worden wel voorgesteld als vrouwen met vogelklauwen en vleugels.↑
8De Sirenen waren zeemonsters, die door verleidelijke liederen de voorbijvarenden tot zich lokten en hen dan doodden. Zij worden wel voorgesteld als vrouwen met vogelklauwen en vleugels.↑
9Triton is de zoon van Poseidon en Amphitrite; vandaar in het algemeen een zeegod. Zijn attribuut is de mosselschelp, waarop hij blaast.↑
9Triton is de zoon van Poseidon en Amphitrite; vandaar in het algemeen een zeegod. Zijn attribuut is de mosselschelp, waarop hij blaast.↑
10Proteus was een zeegod, die de robben Poseidon weidde. Als zijn verblijfplaats wordt het eiland Pharos, ook wel Karpathos, gemeld. Hij had de gave zich in allerlei gedaanten te kunnen veranderen.↑
10Proteus was een zeegod, die de robben Poseidon weidde. Als zijn verblijfplaats wordt het eiland Pharos, ook wel Karpathos, gemeld. Hij had de gave zich in allerlei gedaanten te kunnen veranderen.↑
11Beschermgoden, geleigeesten, (genius.)↑
11Beschermgoden, geleigeesten, (genius.)↑
12De Pontus bijgenaamd Euxinus, de gastvrije, is de Zwarte zee, vroeger om hare talrijke stormen Pentus Axinus, de onherbergzame, geheeten.↑
12De Pontus bijgenaamd Euxinus, de gastvrije, is de Zwarte zee, vroeger om hare talrijke stormen Pentus Axinus, de onherbergzame, geheeten.↑
13Psyche beteekent „ziel”. De fabel, juister de allegorie, waarop hier door den schrijver gedoeld wordt, komt voor bij Apuleins, een wijsgeerig schrijver die te Madaura in Numidië geboren was en lang te Rome verkeerde (in de tweede eeuw na C.). De inhoud daarvan was de volgende: Psyche eene koningsdochter was de schoonste van drie zusters, zoodat zij zelfs voor Aphrodite werd gehouden. Deze, hierover vertoornd, gelastte Eros een sterveling op haar te doen verlieven. Doch deze werd zelf op haar verliefd. De vader raadpleegde Apollo daaromtrent. Deze gaf de godspraak, dat men Psyche alleen op een berg moest achterlaten, want dat zij de gade van een monster moest worden. Dit geschiedde. Daar ontmoette zij telkens Eros in een paleis, dat voor haar was verrezen. Nieuwsgierig haren beminde meer van nabij te zien, naderde Psyche hem, ondanks zijn vroegere waarschuwing. Bij ongeluk liet zij een droppel heete olie op zijn schouder vallen. Eros, die sliep, ontwaakte en ontvlood haar. Troosteloos doolde Psyche overal rond, totdat zij eindelijk bij Aphrodite kwam, die haar als slavin hard behandelde. Nochtans steunde Eros haar in haren arbeid, zooals op haar tocht naar Persephone, in het schimmenrijk, waar zij levenloos door den benauwden damp ter neder stortte. Eros riep haar door aanraking zijner pijl in het leven terug. Eindelijk werd Aphrodite verzoend. Psyche ontving van Zeus de onsterfelijkheid en werd voor altijd met den geliefde vereenigd. Zij baarde hem eene dochter Hedone, (Voluptas, Cupido), het Genot. In deze allegorie wordt de onschuld, de val, de boete geschilderd en de redding der ziel door de kracht der liefde.↑
13Psyche beteekent „ziel”. De fabel, juister de allegorie, waarop hier door den schrijver gedoeld wordt, komt voor bij Apuleins, een wijsgeerig schrijver die te Madaura in Numidië geboren was en lang te Rome verkeerde (in de tweede eeuw na C.). De inhoud daarvan was de volgende: Psyche eene koningsdochter was de schoonste van drie zusters, zoodat zij zelfs voor Aphrodite werd gehouden. Deze, hierover vertoornd, gelastte Eros een sterveling op haar te doen verlieven. Doch deze werd zelf op haar verliefd. De vader raadpleegde Apollo daaromtrent. Deze gaf de godspraak, dat men Psyche alleen op een berg moest achterlaten, want dat zij de gade van een monster moest worden. Dit geschiedde. Daar ontmoette zij telkens Eros in een paleis, dat voor haar was verrezen. Nieuwsgierig haren beminde meer van nabij te zien, naderde Psyche hem, ondanks zijn vroegere waarschuwing. Bij ongeluk liet zij een droppel heete olie op zijn schouder vallen. Eros, die sliep, ontwaakte en ontvlood haar. Troosteloos doolde Psyche overal rond, totdat zij eindelijk bij Aphrodite kwam, die haar als slavin hard behandelde. Nochtans steunde Eros haar in haren arbeid, zooals op haar tocht naar Persephone, in het schimmenrijk, waar zij levenloos door den benauwden damp ter neder stortte. Eros riep haar door aanraking zijner pijl in het leven terug. Eindelijk werd Aphrodite verzoend. Psyche ontving van Zeus de onsterfelijkheid en werd voor altijd met den geliefde vereenigd. Zij baarde hem eene dochter Hedone, (Voluptas, Cupido), het Genot. In deze allegorie wordt de onschuld, de val, de boete geschilderd en de redding der ziel door de kracht der liefde.↑
14Halcyonen of Alcyonen zijn ijsvogels.↑
14Halcyonen of Alcyonen zijn ijsvogels.↑
15Halcyonische dagen zijn eigenlijk de zeven dagen vóór en na den kortsten dag, gedurende welke de ijsvogel zijn nest bouwt, daar de zee dan vrij van stormen is. Daaruit is de Grieksche spreekwijze ontstaan, beteekenende: kalme, diepe rust.↑
15Halcyonische dagen zijn eigenlijk de zeven dagen vóór en na den kortsten dag, gedurende welke de ijsvogel zijn nest bouwt, daar de zee dan vrij van stormen is. Daaruit is de Grieksche spreekwijze ontstaan, beteekenende: kalme, diepe rust.↑
16Heroïne beteekent eigenlijk heldin, het vrouwelijke van heros; voorts iedere voortreffelijke der stervelingen, eene halfgodin.↑
16Heroïne beteekent eigenlijk heldin, het vrouwelijke van heros; voorts iedere voortreffelijke der stervelingen, eene halfgodin.↑
17Dido of Elissa nam Aeneas, die op zijn tocht van Troje naar Italië door een vreeselijken storm geteisterd was, gastvrij op in het door haar gestichte Cartago.↑
17Dido of Elissa nam Aeneas, die op zijn tocht van Troje naar Italië door een vreeselijken storm geteisterd was, gastvrij op in het door haar gestichte Cartago.↑
18Zienoot 2 pag. 259.↑
18Zienoot 2 pag. 259.↑
19Thyrsus is de staf der Bacchanten, die met klimop en wijngaardloof omwonden was en uitliep in eene pijnboomnaald.↑
19Thyrsus is de staf der Bacchanten, die met klimop en wijngaardloof omwonden was en uitliep in eene pijnboomnaald.↑
20Metalen bekkens.↑
20Metalen bekkens.↑
21Eene pauk, eene tamboerijn, vooral bij de feesten ter eere van Cybele in gebruik.↑
21Eene pauk, eene tamboerijn, vooral bij de feesten ter eere van Cybele in gebruik.↑