XIII.

[Inhoud]XIII.DIOPITHES EN HIPPARETE.Aspasia bevond zich verkleed in mannengewaad op het schip, dat den Atheenschen strateeg naar zijne vloot vóór Samos terugvoerde. Toen de triëre uit de haven roeide, in de open zee, schitterend in de stralen der zon, wierp de Milesische aan de zijde van haar vriend nog een blik naar het bloeiende Ionische strand. Troepen van kraanvogels en langhalzige zwanen vlogen over de beemden en lieten zich klapwiekend neder op den ruischenden oever. Aspasia’s blikken echter hingen aan de verdwijnende tinnen van hare vaderstad. Haar gemoed was doordrongen van het vaste gevoel, dat[357]zij hier op de plaats, waar zij het levenslicht had aanschouwd, den schoonsten triomf haars levens had gevierd en de betooverende keten der liefde vaster dan ooit, ja onverbreekbaar om den gevierdsten Helleenschen man van zijn tijd had geslagen. Ook Pericles staarde met helder schitterend oog terug naar het wijkend strand van Ionië: hij dacht aan de zoet doorleefde dagen en hoe zijne onvergelijkelijke vriendin als een vrouwelijke Antaeüs1uit de aanraking van haar geboortegrond, als ’t ware verdubbelde kracht tot overwinnende, onwederstaanbare bekoorlijkheid had verkregen.„Bijna zou ik kunnen klagen,” zei hij, „dat de uren van zaligheid, in Miletegesleten, voorbij zijn; maar hoe zou mij de gedachte niet bevredigen, dat ik u zelve, als den schoonsten buit, weder met mij voer?”„Overal,” hernam Aspasia, „zal ons het geluk en de liefde volgen; slechts ééne zaak laten wij achter, om ze misschien nimmer weder te vinden: de gelukkige eenzaamheid, die wij hier hebben genoten en de schoone vrijheid van alle knellende banden.”—Pericles boog het hoofd en zag peinzend vóór zich uit.„In Athene teruggekeerd,” vervolgde Aspasia, „zijt gij weder de staatsbestuurder, op wiens doen en laten aller oogen gericht zijn; zijt gij weder burger van Athene, door de strenge wet der overlevering gebonden, zijt gij weder Telesippe’s gemaal—en ik—ik ben weder de vreemde, de van vaderland beroofde, de van recht verstokene, ik ben weder, zooals uwe echtgenoote en hare vriendin zich uitdrukken, de hetaere van Milete.”—Pericles hief langzaam het hoofd op en zag zijne vriendin scherp in het gelaat. „Hebt gij iets anders verlangd Aspasia,” sprak hij, „hebt gij niet altijd den echt als eene slavernij bespot en het vrouwenvertrek[358]van den Athener als eene gevangenis?”„Ik herinner mij niet, Pericles,” hernam Aspasia, „dat gij mij werkelijk ooit gevraagd hebt, aan welken staat ik de voorkeur gaf, aan dien van hetaere of van Atheensche echtgenoote.”„En wanneer ik het deed,” zei Pericles, „wanneer ik u de keuze voorstelde, welk antwoord zoudt gij mij geven?”„Ik zou u zeggen,” hernam Aspasia, „dat ik noch het een noch het andere zou kiezen; dat ik vrijwillig noch hetaere zou willen zijn, noch de echtgenoote van een Athener.”Pericles was getroffen.„De echtgenoote van een Athener?” herhaalde hij toen; „gij schijnt dus niet elke echtverbintenis, maar alleen de Atheensche te versmaden; zeg mij toch, waar ter wereld het ideaal eener echtverbintenis te vinden is, die uwe goedkeuring wegdraagt?”„Ik weet het niet,” hernam Aspasia; „ik denk dat die wel nergens te vinden zal zijn; maar ik draag dat ideaal in mijn binnenste.”„En wat zou er noodig zijn, om datgene wat gij in uw binnenste draagt te verwezenlijken?” vroeg Pericles.„Wanneer er eene echtverbintenis zijn moet,” hernam Aspasia, „dan moet zij gegrondvest zijn op de wet der vrijheid en op de wet der liefde.”„En wat zou ik moeten doen,” vroeg Pericles, „om dit ideaal met u te verwezenlijken?”„Gij zoudt mij alle rechten der gade moeten toestaan,” antwoordde Aspasia, „zonder mij één van de rechten te ontnemen, die gij tot nu toe aan de geliefde hebt gegund.”„Gij wilt dus,” zei Pericles, „dat ik Telesippe verstooten en u in hare plaats als meesteres mijn huis zal binnenleiden? Dat is mij begrijpelijk; maar wat gij overigens verlangt is mij niet duidelijk. Wat bedoelt gij met de rechten, die ik u niet ontnemen mag?”„Boven alles het recht om tusschen mij en u[359]geene andere wet te erkennen, dan die der liefde,” antwoordde Aspasia. „Dan geniet ik dezelfde rechten als gij, evenals eene geliefde, dan ben ik niet de slavin, zooals de echtgenoote. Gij zijt de heer des huizes, niet de mijne; gij zijt tevreden met het offer van mijn hart, zonder mijn geest in boeien te slaan en mij tot de werkeloosheid eener dompige eenzaamheid in het vrouwenvertrek te doemen.”„Gij wilt mij derhalve u hart toewijden,” hernam Pericles; „de gaven en kracht van uw geest echter zullen, evenals thans, het goed van allen zijn. Gij wilt u niet ontzeggen in aanraking te blijven met alles, wat uwe verbeeldingskracht prikkelen, uw geest bezighouden en verrijken kan?”„Ja, dat is mijne meening,” riep Aspasia.„En wanneer wij de proef eens wilden nemen met zulk eene verbintenis,” zei Pericles, „weet gij of zoo’n proef mogelijk is, niet alleen uit het oogpunt van ’t gevestigd gebruik, maar ook uit het oogpunt der liefde zelve?”„Als ze u onmogelijk voorkomt, wie dwingt ons dan die te nemen?” hernam Aspasia glimlachend, terwijl zij haar vriend een teederen kus op het voorhoofd drukte, en aanstonds begon zij over andere dingen te spreken.—De weg naar Samos was spoedig afgelegd. Nadat Pericles hier eenige beschikkingen betreffende de vloot gemaakt had, beklom hij opnieuw eene triëre, om naar Chios te zeilen.„Hoe?” vroeg Aspasia schertsend, „koestert gij zoo groot verlangen uwe vroegere, schoone beminde terug te zien, die, zoo ik meen, bij den dichter Ion op Chios leeft?”Pericles beschouwde het als eene aardigheid en glimlachte.Ditmaal was Sophocles in het geleide van Pericles. De dichter was niet weinig verrast de Milesische in hare vroegere verkleeding op het schip van Pericles terug te zien.Zij was nu weder de bekoorlijke jongeling, wiens[360]geheim slechts aan weinige ingewijden bekend was.Op Chios, het vaderland der edelste druiven die onder Griekschen hemel rijpten, welks bewoners de rijkste lieden van geheel Hellas geheeten werden, leefde de treurspeldichter Ion, een geboren Chiër, die met zijne treurspelen te Athene reeds menigen lauwerkrans had weggedragen. Wel is waar werd er gemompeld, dat hij de Atheensche burgerij door eenige vaten Chiërwijn, die hij ter gelegenheid van de opvoering van zijn eerste stuk het volk aanbood, voor zich en zijne tragedie gunstig gestemd had. Hij was zooals reeds deze mildheid bewees een der rijkste mannen van Chios en oefende daarom een grooten, staatkundigen invloed op zijn vaderland uit.Met Pericles stond Ion op geen goeden voet, sinds beide mannen mededingers naar de bekoorlijke Chrysilla geweest waren, en de dichter was nog steeds op Pericles verstoord, ofschoon de schoone ten laatste de zijne was geworden en den rijken, in weelde levenden man naar zijn geboorteland was gevolgd. Pericles betreurde dien wrok in het gemoed van zijn eenigen medeminnaar; want hij moest voor Athene van Chios eenige belangrijke voordeelen trachten te verwerven en hij vreesde, dat de invloedrijke Ion uit persoonlijke vijandschap hem daarin in den weg zou staan.Sophocles nam op zich Ion met Pericles te verzoenen, en daar niemand tot middelaar zoo van nature geschikt was als de beminnelijke dichter der „Antigone,” die alle menschen voor zich innam, gelukte hem ook die poging bij zijn kunstbroeder Ion zoo uitnemend, dat deze Pericles benevens Sophocles tot zich noodde en het zich tot eene eer rekende de beide Atheensche strategen gastvrij te onthalen.Slechts van den eenen morgen tot den anderen kon Pericles op Chios vertoeven, en nadat het grootste deel van den dag aan politieke onderhandelingen was gewijd, maakte Pericles, door Sophocles vergezeld, zich gereed om aan de uitnoodiging van Ion gevolg te geven.[361]Maar niet zonder een derde begaven zij zich naar het huis van hun Chiïschen gastheer.Aspasia had er, niet zonder geheime bedoeling, op gestaan haar vriend ditmaal als slaaf verkleed te volgen en daar, werwaarts hij zich begaf, naar de gewoonte der slaven, die hunne heeren vergezelden, altijd in zijne nabijheid te blijven.De geheime bedoeling echter der Milesische was geene andere, dan de vernieuwde ontmoeting van Pericles en de schoone Chrysilla onschadelijk te maken en de aandacht haars vriends van Chrysilla en die der schoone van Pericles af te leiden. Pericles willigde het verzoek van Aspasia gaarne in en meende dat de reden daarvan alleen gelegen was in eene vergeeflijke nieuwsgierigheid zijner vriendin, om die Chrysilla eens te leeren kennen.Ion bewoonde een landgoed op de bekoorlijkste plek van het eerst steile, daarna zacht glooiende strand, rondom omringd door latten, die beladen waren met de rijpende gaven van Bacchus, beschenen door de koesterende zon.Hij voerde zijne gasten op een terras, dat op eene der liefelijkste vooruitspringende rotsen lag, door de zee omspoeld. Daarover slingerden zich de schoone wijnranken waaraan de Chiïsche druiven verleidelijk in dichte trossen hingen en tusschen welke aan het oog een verrukkelijk gezicht op de glinsterende zee en de bloeiende omliggende eilanden gegund werd.Naar dit liefelijke oord geleidde Ion zijne vrienden en nadat hunne oogen zich aan het bekoorlijk gezicht vergast hadden, verzocht hijhenzich neder te vlijen op mollige aanligbedden en verkwikte hen met kostelijke gaven. Het edelste Bacchusnat werd rondgediend in zilveren bekers.Chrysilla was ook tegenwoordig. Zij bloeide nog als eene roos, maar de bloei harer ledematen had zich in den loop van den tijd op Chios tot zulk eene weelderigheid ontwikkeld, dat de fijne kunstsmaak van den Athener de maat der schoonheid daarin miste. Zij geleek op eene trotsche, volle[362]roos. Maar de roos is wel de weelderigste en geurigste, niet de schoonste der bloemen.Ion, die in den grond een goedhartig man was en een groot minnaar van het genot, ontving Pericles zonder zijn vroegeren wrok en met ongeveinsde hartelijkheid.Hij hief den beker in de hoogte, gevuld met den vurigsten, schuimenden wijn zijner gaarde en stelde een dronk in op het welzijn van Pericles en zijn vriend, den beroemden, edelen Sophocles.Maar toen Ion in zijn opgewondenheid verder ging en de beide mannen prees om hunne krijgsdaden, die zij als strategen vóór Samos hadden verricht, wees Sophocles voor zijn deel dien lof af en zeide, dat die onverdeeld aan zijn vriend Pericles toekwam.„En toch,” vervolgde Sophocles tot Ion en eenige voorname bewoners van Chios, die door dezen uitgenoodigd waren, „zoudt gij onbillijk zijn, als gij in Pericles boven alles den staatsman en veldheer wildet bewonderen. Van den roem zijner ondernemingen en scheppingen gaat de roep door geheel Hellas, maar deze maakt slechts melding van die eigenschappen van den grooten man, die gerucht verwekken en in verren kring schitteren. Ik weet daarentegen van zijne edele, onopgemerkte deugden meer dan ooit te spreken, sedert ik zijn strijdmakker geweest ben vóór Samos. Van de overwinningen, die hij daar bevochten heeft, weet gij; doch gij weet niet dat, toen ieder der vijftig rijke Samiërs, die hij als gijzelaars naar Lemnos zond, hem heimelijk een talent voor zijne loslating liet bieden, hij deze aanbiedingen, zoowel als de sommen, waarmede de Perzische satraap hem zocht om te koopen, van de hand wees. Anderen vertellen u, hoevele vijandelijke schepen hij in den grond heeft geboord, hoevele vijanden hij gedood heeft—ik zal u echter zeggen hoevelen hij uit medelijden gespaard heeft, hoe spaarzaam hij was met het bloed der zijnen en hoe ik hem een paar maal schertsend tot de soldaten heb hooren zeggen, dat,[363]als het van hem afhing, zij eeuwig zouden leven. Hij vond „ijzeren handen” voor zijne schepen uit, opdat de handen van vleesch en bloed des te meer zouden gespaard worden. Gij weet dat hij een held is in de ure van den strijd; maar ik zeg u, dat hij een wijze is in de ure der rust en dat hij, als hij maar een oogenblik in het leger den tijd heeft, zijn soldaten wind en weer, zons- en maansverduisteringen en alle verschijnselen aan den hemel verklaarde, waarom velen hem voor een toovenaar hielden. Van zijne geleerdheid en wijsgeerigen zin hebben zij zoo’n hoogen dunk, dat velen thans voor zeker beweren, dat hij den Samischen vlootvoogd Melissus, een beroemd wijsgeer, meer door zijne groote krijgskunst, dan wel door zijne doodende sluitredenen op de vlucht heeft geslagen. Er was geen zachter en geen strenger, geen meer gevreesd en meer geliefd man in het leger dan hij, geen die meer zweeg, wanneer het spreken overbodig was en geen, die spraakzamer was, als het noodig was het zwijgen te verbreken. Dit wilde ik u van Pericles zeggen, opdat gij den edelen en voortreffelijken man als zoodanig moogt roemen, niet altijd alleen als strateeg en zeeheld; want in dit opzicht verdient hij wel is waar lof, maar niet onvoorwaardelijk, in zoover hij nadat hij zich vóór Samos zoo dapper had gekweten, te Milete naar ik hoor, zich minder moedig heeft betoond, ja zelfs zijne vloot en veldheersambt bijna vergeten had en eenige dagen langer dan noodig was in de baai daar voor anker heeft gelegen, wat ik als eene strategische fout beschouw.”Ion en de andere toehoorders lachten over deze slotwoorden van Sophocles; Pericles echter bedacht zich niet lang om de rede van zijn vriend te beantwoorden. Hij sprak het volgende:„Mijn ambtgenoot en vriend Sophocles hier wil u overreden, naar ik hoor, mij liever onder de wijzen dan onder de groote strategen te tellen. Gaarne zou ik, om hem niet met gelijke munt te[364]betalen, omgekeerd van hem beweren, dat hij eerder tot de groote strategen dan tot de wijzen behoort, doch het ligt te zeer voor de hand om het te kunnen ontkennen, dat hij met mij in hetzelfde geval verkeert: van de krijgskunst namelijk en van datgene wat tot het zeewezen behoort verstaat hij, om zoo te zeggen, al heel weinig. Hij zal zijn leven lang veel gemakkelijker de namen van alle Nereïden2der zee onthouden, dan de benamingen van de bestanddeelen van eene goedgebouwde Atheensche triëre. Maar hij heeft ons gedurende dezen zeetocht als strateeg een prachtigen paeän op Asclepius3gedicht, die op de geheele vloot gezongen wordt en die, zooals onze stuurlieden en roeiknechten verzekeren, ons bij stormen op zee reeds de voortreffelijkste diensten heeft bewezen. En evenals zijn paeän de opgestuwde golven bedaart en de Goden der zeevaart goedgunstig stemt, zoo is zijn geheele wezen met zachte olie te vergelijken, die al het ruwe glad maakt, al het woest verbolgene bedaart. De matrozen op zijn schip doen wat zij behooren te doen, ook wanneer hij een verkeerd teeken geeft en zij houden hem wel is waar voor een in het zeewezen onervaren, maar toch als een door de Goden geliefd man. Wanneer uit mijn mond woorden van wijsheid komen, naar de menschen meenen, dan gelooven zij tevens, dat ik ze aan den Clazomeniër Anaxagoras ontleend heb; wanneer echter Sophocles den mond opent, zijn allen overtuigd, dat de Goden zelven hem die woorden in den droom hebben ingegeven. Zulk een man, mijne vrienden van Chios, is mijn medestrateeg Sophocles. Ik meen hem geprezen te hebben en ik zou den Goden danken, zoo de lof, dien hij mij toegezwaaid heeft, even wel verdiend is, als die, welken ik hem in deze woorden toebreng.”[365]Zoo roemden, door de vurige gave van Bacchus opgewekt en ongeveinsde hartelijkheid onder het masker van goedhartige scherts verbergend, elkander de beide Atheensche scheepsbevelhebbers in den kring van vroolijke, krachtige mannen, onder de druiventrossen van het schoone terras van Ion.„Ik zou haast blozen,” zei Ion, „als men mannen vóór zich ziet als Pericles en Sophocles, die met ernstige bezigheden vervuld en onophoudelijk voor het algemeene nut werkzaam zijn terwijl men zelf in de afzondering alleen voor het genot en de Muzen leeft. Maar ik geloof, dat naast een roemrijk en schoon werken ook eene loffelijke en schoone ledigheid is. Deze heb ik verkozen.”„Zeker,” zeide Sophocles, „is eene ledigheid schoon te noemen, die schoone vruchten draagt. De Atheners hebben uwe treurspelen nog niet vergeten.”—„Noch uw Chiër-wijn!” voegde Pericles er bij.„Ik weet zeer goed,” hernam Ion, goedhartig glimlachend, „dat gij Atheners beweert, dat ik door mijn wijn uwe gunst voor mijn treurspel wilde koopen, maar gij moogt zeggen wat gij wilt, alleen niet, dat de wijn slecht geweest is. Want, als gij mijn Chiër niet roemt, dan beleedigt gij mij meer, dan wanneer gij mijne treurspelen berispt.”„Ziet me die treurspeldichters toch eens,” zei Pericles,„hoe opgeruimd en vroolijk zij van geest zijn, terwijl zij er van houden in hunne treurspelen zich met de somberste en verschrikkelijkste dingen bezig te houden: altijd spreken zij van den toorn der Goden, overouden vloek, overerfelijke schuld, vreeselijke beschikkingen van het noodlot en dergelijke akeligheden meer …”„Juist omdat wij opgeruimd van geest zijn,” hernam Sophocles, „verkeeren wij moedig met het sombere, wij worstelen daarmede en zouden het gaarne overweldigen. Moedig worstelen wij met die oude, blinde machten van het noodlot, om de menschelijke dingen, zoo goed wij kunnen, uit de betoovering eener duistere noodlottige macht te[366]bevrijden. In de heldere sterrennachten, die ik aan boord van mijne triëre vóór Samos doorbracht, heb ik mij in den geest dikwerf opgehouden met dien lijdenden, Thebaanschen grijsaard en hem gevolgd op zijn lijdensweg, hoe hij het eerst door vertwijfelend berouw of onvrijwillige schuld gedreven, zich van het licht der oogen heeft beroofd en rondzwerft in den vreemde, langzamerhand echter tot een reiner klaarheid en vrijheid gekomen, schuld en berouw ten laatste van zich werpt, vóór het einde zijns levens het grijze hoofd met de fierheid van den onschuldige omhoog heft en van een misdadiger de rechter wordt over hen, die niet onvrijwillig en onbewust zooals hij, niet door eene onverbiddelijke beschikking van het noodlot, maar uit eigen beweging door de verloochening van alle edele, menschelijke gevoelens misdreven hebben.”„Mijn beste vriend,” sprak Ion, „uit hetgeen gij daar over Oedipus zegt spreekt weder de oude, welbekende liefde voor uw geboortevlek, want daar was het toch, dat de grijze lijder tot zijne rust inging.”—„Gaarne beken ik u,” hernam Sophocles, „en ik zie er een gunstig teeken in voor mijne tragische dichtkunst, dat juist in dat vlek, waar ik geboren werd, die overoude, tragische verwikkelingen zich hebben opgelost.”„Eer vrij uwe geboorteplaats,” zei Pericles, „maar dit zult gij mij toch moeten toegeven, dat niet alleen uw vlek, maar geheel Athene de bodem is, waarop overoude verwikkelingen tot eene oplossing komen, oude schuld verzoend wordt, vroegere duisternis bezwijkt op de plaats der heldere Godin Pallas Athene! Op den gezegenden bodem van Athene heeft niet alleen die zwaar beproefde grijsaard, maar ook de jonge Orestes, voortgejaagd door de Furiën, delging van den vloek gevonden, ja, gij allen kent den afgrond in de nabijheid van den onvoltooiden tempel van den Olympischen Zeus en wij willen gaarne gelooven, wat de sage[367]meldt, dat in dezen afgrond de wateren van den Deucalionischen4vloed zich hebben neergestort.”—Onder deze en dergelijke gesprekken was de zon langzamerhand ter kimme gedaald; de zee was over eene groote uitgestrektheid met een purperen gloed getint, die zijn laatsten, gouden glans over het met wijnloof omkranste terras verspreidde. De gasten van Ion ademden met welbehagen de zachte, verfrisschende avondkoeltjes in die over de zee tot hen overwaaiden. Ion liet de bekers opnieuw vullen en het vocht in de zilveren schalen fonkelde, alsof ook daarin de purperen gloed der ondergaande zon zich afspiegelde.Pericles liet zijn beker door geene andere hand, dan door die van zijn slaaf vullen. Deze nam het ambt van schenker met eene bevalligheid waar, die aan het oog van Ion, van de schoone Chrysilla en de overige aanwezigen evenmin ontging, als de schoonheid der trekken van den jongeling. Hij scheen het zich tot taak gesteld te hebben, het ambt van schenker ook bij Sophocles te vervullen, wat de dichter glimlachend en met kennelijke vreugde liet welgevallen.„Uw schenker heeft maar ééne fout, Pericles,” zei hij.„En welke is die?” vroeg Pericles.„Dat hij bij het aanreiken van den beker zoo haastig is,” hernam de dichter; „men zou liever zien, dat hij daarbij een weinig draalde, om zich in de oogen te laten zien, die, naar mij dunkt, eene nadere beschouwing overwaard zijn.”De jongeling bloosde, toen hij na deze woorden van Sophocles aller blikken op zich gericht zag. Deze lachte om de verlegenheid van den knaap en riep met de woorden eens ouderen dichters:„Hoe schoon op purperwangen glanst des Eros’ licht!”[368]„Wat zegt gij van deze verzen van Phrynichus5? Hoe bevallen u die purperwangen?”„Mij bevallen zij niet,” hernam de jongeling, die spoedig zijne tegenwoordigheid van geest hernomen had. „Het komt mij voor, dat de dichters in hunne verzen zaken prijzen, die zij in de werkelijkheid volstrekt niet schoon zouden vinden. Ik geloof, dat eene wang met echt purper geverfd, leelijk zou zijn.”—„Hoe?” riep Sophocles, „dan zoudt gij toch ook de rozenvingeren van Eos6bij Homerus niet schoon kunnen vinden?”„Volstrekt niet,” hernam de jonge slaaf. „Als mijne vingers rood als rozen waren, zou Pericles, mijn meester, gelooven, dat ik mij met het sap der purperslak bezoedeld had en mij bevelen mijne handen te gaan wasschen.”„Och, dat alle hekelende kunstrechters slaven waren als gij!” riep Sophocles. Maar lachend plaagde Pericles hem, omdat hij als dichter nu eindelijk zijn beoordeelaar had gevonden.Verscheidene aardigheden werden er gewisseld; ook vurige blikken, door den gloed van Dionysus bezield, werden hier en daar geworpen en te midden daarvan deden de onzichtbaar rondzwevende minnegoodjes een klein, onschuldig, dartel spel van onderlinge ijverzucht ontbranden. Pericles vond, dat zijn vriend Sophocles het geheim van den schoonen slaaf te weinig eerbiedigde, en van dezen wederom meende hij, zijn ambt van schenker met grooteren ijver dan noodig was vervulde. Aspasia van haren kant dacht opgemerkt te hebben, dat[369]Chrysilla’s blikken die van Pericles telkens ontmoetten en dat deze de zijne somwijlen een tijdlang op de weelderige, bloeiende vormen van Ion’s vriendin deed rusten. Weldra echter veranderde de zaak. Chrysilla had werkelijk in den beginne met hare oogen Pericles gezocht, om uit ijdele, vrouwelijke nieuwsgierigheid uit te vorschen, of de macht harer bekoorlijkheden nog iets vermocht op den man, die haar eens zijne hulde had bewezen.Evenwel kon ook de schoone slaaf, die aller oogen tot zich trok, door haar niet onopgemerkt blijven en dezen van zijn kant scheen het er op gezet te hebben zijne vurigste blikken juist aan Chrysilla te wijden. Zoo gelukte het hem ten laatste de oogen van Ion’s vriendin bijna geheel van Pericles af te leiden en op zich te vestigen. In dit streven werd hij door Sophocles krachtig geholpen.Ion had in den beginne die wisseling van woorden en blikken tusschen Pericles en Chrysilla niet zonder eenig ongenoegen waargenomen en zag ten laatste met even weinig behagen de oplettendheid, die zijne vriendin aan den vreemden jongeling wijdde, doch tevens gaf hij aan zijne vriendin eenige reden tot bezorgdheid, doordat hij den indruk liet bemerken, dien de opgewekte geest en de schoonheid van dezen jongeling bijna geheimzinnig op hem maakten.Nieuwe bekers werden gebracht. Toen Sophocles wederom den zijne uit de hand van den schoonen schenker aannam, beschouwde hij den rand des bekers met een scherp oog en zei, tot den slaaf zich wendend:„Voor de eerste maal moet ik mij beklagen, dat gij niet oplettend genoeg uw ambt vervult. Aan den rand van dezen beker zie ik een klein pluisje, dat gij verzuimd hebt weg te nemen.”Glimlachend wilde de jongeling met zijne fijne vingertoppen over de plaats van den rand des bekers strijken, om het pluisje te verwijderen. Doch Sophocles liet dit niet toe, zeggende:[370]„Zulke dingen moeten niet met de vingers aangeraakt, maar liever met den adem van uw mond zacht weggeblazen worden.” Na deze woorden gesproken te hebben, reikte hij den jongeling den beker, die zich glimlachend bukte, om het pluisje, zooals de dichter wenschte er af te blazen. Deze echter hield den beker zoo, dat het hoofd van den jongeling zoo dicht mogelijk bij het zijne moest komen. Derhalve raakten de gouden lokken van den jongeling bijna onmiddellijk den boezem des dichters. Hij ademde het bedwelmende aroma in, dat daaruit opsteeg en ondervond de zachte aanraking op zijne wangen van het gebogen en weder opgeheven hoofd; hij zette daarop zijne lippen juist op de plaats van den beker, die door den adem van den rozenmond aangeroerd was.Met spiedend oog had Pericles het voorgevallene opgemerkt. „Mijn waarde Sophocles,” zei hij, „ik wist niet dat gij zoo’n haarklover waart, om zooveel drukte van zoo’n onbeduidend pluisje te maken.”„Beken liever,” hernam Sophocles, tevreden glimlachend, „dat gij nu inziet vroeger gedwaald te hebben, toen gij mij in gezelschap van deze allen stoutweg voor een zeer slecht strateeg en krijgskundige hebt uitgemaakt. Intusschen stel u gerust; ik heb de voldoening waarom het mij te doen was, en ik beloof u dat ik het bij dit kleine bewijs mijner groote talenten laten zal.”Zoo sprekende reikte Sophocles zijn vriend de hand en deze drukte ze hartelijk lachend. De schaduwen werden al langer en langer, maar nog laat in de schemering des avonds lieten de klank der bekers en een vroolijk, luidruchtig gesprek op het door de zee bespoelde terras van Ion zich hooren. In de zee was de purperglans allengs verdwenen, maar nog steeds fonkelde het in de steeds opnieuw gevulde, schuimende bekers op Chios.Het was zonderling, maar eindelijk was de schoone vroolijke, geestige schenker van Pericles het middelpunt van het geheele gesprek geworden. Ieder[371]wilde ten laatste alleen door hem zich den beker laten vullen. Ieder wilde een blik uit zijne vroolijke, bezielde oogen opvangen, ieder een geestig woord uit zijn mond vernemen. Toen Chrysilla eens den wensch naar een bijzonder mooien druiventros uitte, die van de latten afhing, haastte zich de vlugge en gedienstige schenker dien te plukken en de dame aan te bieden. Chrysilla bloosde, bloosde voor den slaaf—en niemand verwonderde zich daarover. Ion keurde het niet goed, maar vond het toch zeer verklaarbaar. En zoo draaide zich ten laatste alles om de verkleede Milesische. Ofschoon zij uit eene aardigheid verkozen had te dienen, heerschte zij toch …Eindelijk vroeg Ion, dien zijn eigen kostelijken wijn niet kariger dan zijne gasten had aangesproken, aan Pericles, of hij hem dien slaaf verkoopen wilde.„Neen!” antwoordde Pericles, „ik ben van plan hem zijne vrijheid te geven en nog heden wil ik dat doen—op dit oogenblik! Hij zal voor het laatst deze kleederen gedragen hebben. Hier ten aanschouwe van u allen verklaar ik hem vrij!”—Alle aanwezigen gaven luide hunne goedkeuring over dit besluit te kennen. De bekers werden op de gezondheid van den schenker geledigd en zijne vrijlating met het bloed der edelste druif bezegeld.Eén echter van het vroolijke gezelschap, Pericles zelf, was op het einde ernstig en nadenkend geworden.„Gij hebt,” zei Aspasia lachend tot hem, toen zij van Ion weggingen, „mijne vrijlating met eene plechtigheid uitgesproken, die zelfs hen trof, die niet wisten, dat het maar een grap was.”„Het was geen grap,” hernam Pericles, „ik wil dat gij nooit meer mannenkleeding zult dragen, dat gij nooit meer u zelve vernedert.”„Ik ben verlangend te vernemen,” hernam Aspasia, „hoe gij het de vreemdeling en de zoogenaamde hetaere uit Milete besparen zult, zich te vernederen.”[372]„Dat zult gij vernemen,” zei Pericles.Den volgenden morgen keerde de Atheensche veldheer naar Samos terug en onverwijld gaf hij aan de vloot order den volgenden morgen zeilree te zijn, om eindelijk den terugkeer naar Athene aan te nemen.Met uitbundige blijdschap werd dit bevel begroet en fier met wimpels getooid, zeilde, onder het aanheffen van een donderenden zegezang, bij het krieken van den volgenden dag, het zegevierend Atheensch eskader uit de haven van Samos naar de hooge zee, westwaarts koers zettende, om na eene afwezigheid van elf maanden het vaderland terug te zien.„Ik denk,” zei Aspasia tot haar vriend op het oogenblik van hun vertrek, „dat gij het afgrijzen, ’t welk het verhaal van Artemidorus op den laatsten avond te Milete bij u opwekte, wel reeds op Chios zult overwonnen hebben en dat gij daartoe niet eerst, naar ge meendet, de Attische lucht noodig hebt.”„En toch,” hernam Pericles in vurige opgewondenheid, „is mijne ziel geheel vervuld van een heimwee naar het vaderlandsche strand en steeds klinken al luider en luider in mij eenige verzen, die ik uit den mond van Sophocles gehoord heb:„Ion’s zoon Melicertes, en gij lieflijke Leucathea,Vorstin der fonkelende zee, immer tot hulpe bereid,Nereus’ dochters, en gij, Poseidon, ruischende baren,Gij ook, Thracische wind, zachtste beheerscher der zee,Neemt in genade mij op en voert mij over het zilteZeenat zonder gevaar, naar het geliefde Atheen!”De vaart ging den eersten dag bij gunstigen wind en onder een onbewolkten hemel langs de eilanden van den blauwen Archipel. Voor de beide gelieven was deze vaart door de eilandenzee een[373]zalig genot. Wat zagen zij gaarne, terwijl het ranke vaartuig de baren ruischend doorkliefde van het boord van het schip in de donkerblauwe golven, die in den naasten kring van het schip groen als weilanden en verderop als in schitterend blauw gedoopt schenen en door de tallooze, verblindende zilveren stralen der zon werd beschenen. Meeuwen fladderden om den mast met hare lange, wit gerande vlerken, en in geheele drommen volgden dolfijnen het witte schuimend spoor, dat de kielen, den vloed doorklievend, achter zich lieten. In dartel spel, met de gespleten staarten om zich slaande, vermeiden zij zich in de zilte baren, scheerden over den zeespiegel, om dan weder hunne zwarte, schitterende lichamen in de golven te begraven.Bij het vallen van den nacht liet Pericles de vloot voor Tenos ankeren. Het eentonige gezang der roeiers verstomde en daarmee het ruischen der zee, door de kielen doorkliefd; in den reinen, helderen aether fonkelden de sterren en het maanlicht sloeg in het Oosten zijn gouden brug over de zee.Pericles stond peinzend op het verdek van zijn vaartuig, terwijl alles rondom hem in diepen sluimer verzonken lag.Daar schoof zich eene warme, zachte hand in de zijne.„Waarom staart gij zoo in gedachten op de zee?” vroeg Aspasia: „Koestert gij zoo’n vurig verlangen naar de ambrosische7dochters van Nereus, die met haar rozevoeten de kristallen diepten doorkruisen?”De zilveren klank harer stem wekte den droomer uit zijn gepeinzen.Pericles antwoordde met een kus en zij begonnen te minnekoozen, waarbij zij allengs, bij het heldere maanlicht, als in zoete droomen gewiegd, de geheele zee rondom zich vol leven zagen. Uit de diepten doemden de dochters van Nereus op, rijdend[374]op zeemonsters, en Tritons, die schetterende trompetters ter zee, bliezen op hunne mosselschelpen; te midden van hen verrees de zeenimf Galathea: zij hief haar purperen gewaad uit den vloed en liet het, door zachte koeltjes zwellende, als een zeil boven zich heen golven.Bij het grauwen van den morgen vernamen Pericles en Aspasia plotseling den klank van snaren in de verte. Het klonk hun als de lier van Orpheus8, die toch, naar de oude overlevering, toen de zanger den dood had gevonden, door de Maenaden9in de zee geworpen en door den vloed verder gestuwd was over deAegaeïschezee en welker tonen de zeevaarders somwijlen bij diepe windstilte over den waterspiegel vernamen. De klank derhalve van de onbeheerd ronddobberende lier van Orpheus scheen tot het oor van Pericles en Aspasia door te dringen, tot zij bemerkten, dat de tonen uit de triëre van Sophocles kwamen, die hen naderde, toen de vloot in de schemering van den morgen zich weder in beweging zette. De vrienden begroetten elkander en Sophocles nam de uitnoodiging van Pericles aan om hem een bezoek op zijn schip te brengen. Daar praatten zij over Athene, over het wederzien hunner vrienden, over het feest der Panathenaeën dat onmiddellijk na hunne terugkomst zou gevierd worden, en steeds hooger spande Aspasia de verwachting, waarmede Pericles en Sophocles de verrassingen verbeidden, die Phidias en de zijnen door hun rusteloozen arbeid in dat lange tijdsverloop aan hunne terugkeerende vrienden hadden bereid.Toen nu de dag ten volle was aangebroken en de eerste stralen de zeeverlichtten, doemde ter linker zijde het heilige Delos op, de „Ster der zee”, het eiland van Apollo, schitterend in de morgenzon, als ’t ware gekust door de stralen van den God,[375]aan wien het geheiligd was. Niet zonder innerlijke ontroering staarde Pericles op de overoude eerwaardige parel in den Archipel. Hij dacht aan den dag, toen, als een geschenk van den God, de rijke, gouden schat van dit eiland Athene binnenstroomde. Maar ook het scheepsvolk liet het goddelijk eiland niet zonder vereering aan zijne oogen voorbijgaan. Van de hooge boorden der geheele Atheensche vloot klonk een donderende paeän ter eere van Apollo, den beschermgod van den Ionischen stam, welk lied machtig rolde over den zeespiegel, beschenen door de vriendelijke stralen der morgenzon.Maar gezang en gejubel verdoofden van nu af niet meer op de schepen; eene vroolijke stemming heerschte overal; want nog heden zou men het vaderlandsche strand bereiken en hoe meer men de vurig gewenschte kusten naderde, des te gevleugelder schenen de triëren, gedreven door de zwellende zeilen en den dubbel krachtigen riemslag der roeiers, het zilte sop te doorklieven.De uren vlogen voorbij: reeds was men Tenos en Andros voorbij gestevend. In een zachten, zilveren glans verhieven zich ten noorden van Ceos de hoogten van Euboeä. Ter linkerzijde doemden grootsch en breed getakt, door dien zelfden zilverglans omstraald, de met pijnen begroeide bergen van Aegina op. Een zachte rijp scheen alles te bedekken, gelijk het fluweelen waas de donkere pruimen.Tusschen de beide eilanden echter, verre vooruitspringend op den achtergrond door een krans van eerwaardige hoogten omgord, rees uit de diepten der zee Attica’s gewijde kust.Tallooze oogen zochten haar—met blijde kreten werd zij begroet. Maar de afstand ter zee is bedriegelijk. Reeds was de zon ver naar het westen gedaald, vóór het uitspringend gebergte van Sunion was bereikt, steil zich verheffend, verblindend wit, door de baren omruischt, met den marmeren tempel van Pallas, die met zijne prachtige[376]zuilen eene lichtende stip is voor den zeevaarder.In een wijden kring zeilde de Atheensche vloot om deze gevaarlijke, zuidelijke kaap van Attica, koers zettende naar de prachtige Saronische golf, ter rechter zijde het vaderlandsche strand en de glinsterende tinnen van Athene, links de bergen van de Peloponnesus, waarachter de zon onderging. Toen was alles, van verre en op een afstand, door een gouden rozensluier bedekt. De bergtoppen en de aether daarboven, de zee en de schepen zelve, zij alle waren gehuld in het tooverlicht der laatste uren van den dag. Alles was purper en schitterde als goud. Alleen in het zuidwesten hadden zwarte wolken zich samengepakt. Plotseling schoten de bliksemstralen daaruit te voorschijn en de bergen van Argos stonden in eene zee van vuur. Rustig en grootsch verhieven zich daar tegenover ter rechterzijde de hoogten, die Athene omgeven: de lange bergketen van den Hymettus, de pyramidaal oploopende Pentelicon, de stout verrijzende rotsklomp van den Lycabettus.Thans echter verscheen de heilige, aan ieder Atheensch oog dierbare hoogte van de Acropolis, omgeven door de wijd uitgestrekte stad. Aller blikken wendden zich daarheen. Maar veranderd vonden zij de heilige hoogte; de marmerwitte tinnen, vreemd aan de zoo langen tijd afwezigen, schitterden door den lichten nevel heen in de laatste stralen der ondergaande zon.Niet naar het van verre wenkende hoofd en de flikkerende lansspits der reusachtige Athene Promachos richtte, als anders ditmaal de Atheensche schepeling van het boord van zijn schip het oog naar Sunion’s hoogte, maar aller oogen wendden zich naar die nieuwe, sneeuwwitte tinnen, die door de schemering heenblonken van den top der Acropolis.—En uit één mond klonk de kreet van boord tot boord: „Het Parthenon! Het Parthenon!”——Ter zelfder ure, dat de blikken der terugkeerende overwinnaars naar de hoogte van de Acropolis waren[377]gericht, greep juist daar, in het eerwaardige Erechtheüm nabij de stoute tinnen van het nieuwe Parthenon, eene geheimzinnige en bijna wondervolle gebeurtenis plaats.Het grootste en heerlijkste, om de vier jaren gevierde feest der Atheners, de Panathenaeën, naderde. Op dit feest werd aan de schutsgodin van Athene, de eeuwenlang vereerde Athene Polias, naar oudvaderlijk gebruik een schoon geweven kleed, de zoogenaamde peplos10ten geschenke gebracht. Deze peplos werd op de Acropolis zelve, in het heiligdom van Athene Polias, hetwelk gemeenschap had met het oude Erechtheüm, geweven. Vier meisjes van jeugdigen, bijna nog kinderlijken leeftijd werden uit de aanzienlijkste familiën van Athene gekozen, om die heilige peplos te helpen weven en bovendien nog eenige maanden lang in het gebied van den tempel te verblijven, ten einde onderscheidene andere heilige gebruiken te verrichten, die met den ouden, deels geheimzinnigen eeredienst in het Erechtheüm op den burg samenhingen. Twee dezer meisjes wierden gekozen om op een bepaalden nacht niet lang vóór de feestviering der Panathenaeën, van de Acropolis zich langs een geheimen onderaardschen weg iets onbekends, iets geheimzinnigs, dat niemand zien mocht en dat, naar het heette, zelfs de priesters niet kenden, naar eene grot in het heiligdom, nabij den Illisus gelegen, te dragen en vandaar iets even geheimzinnigs, onbekends naar het heiligdom van Athene Polias op den burg terug te brengen.Onder de jonge meisjes, die ditmaal tot het ambt van Arrhephoren—want zoo werden zij genaamd—verkozen waren, bevond zich het dochtertje van Hipponicus, Hipparete, van wier bevalligheid en zedigheid Hipponicus gesproken had toen hij bij gelegenheid van het feestmaal ter eere zijner choregie aan Pericles had voorgesteld, dit lieve kind voorloopig reeds aan den schoonen Alcibiades[378]te verloven. Inderdaad was Hipparete het toonbeeld van een echt Attischen, hoewel niet volkomen ontloken knop, die ondanks haar kinderlijkheid reeds iets verstandigs en waardigs ten toon spreidde.Met hare overige vriendinnen, die tot een gelijken dienst aan de Godin geroepen waren, vertoefde Hipparete nu op de Acropolis in het tempelgebied der Godin. De meisjes werden hier verpleegd als tot den tempel behoorende. Er was ook eene bijzondere ruimte, waar zij zich door het balspel vermaken konden. De priesteres van Athene Polias had het opzicht over haar. Daar echter het heiligdom der Godin met dat van Erechtheüs vereenigd was, leefden de meisjes ook onder het oog van Diopithes, den Erechtheüs-priester; zelfs was de priesteres van Athene Polias nevens hem slechts een onbeduidende schaduw in het gebied van het Erechtheüm.Hij gaf de meisjes talrijke aanwijzingen en vermaningen, het liefste en het meeste onderhield hij zich met het dochtertje van Hipponicus. Haar boven allen scheen hij zijne gunst te bewijzen, haar roemde hij steeds boven hare vriendinnetjes. Niet zelden sprak hij met haar in langdurige gesprekken over zaken, die haar vader, zijne huiselijke aangelegenheden en het verkeer met zijne gasten betroffen. Hipparete antwoordde hem met de onbevangenheid van een kind. Toen hij haar eens schertsend vroeg, of haar vader nog geen echtgenoot voor haar had gekozen, noemde zij zeer ernstig den pleegzoon van Pericles, den jongen Alcibiades, en zeide, dat haar vader haar aan dezen wilde verloven.„Aan den pleegzoon van Pericles?” riep Diopithes en zijne vriendelijke trekken namen plotseling eene afkeurende, schampere uitdrukking aan.De vijandelijke gezindheid jegens Pericles en allen, die hij als vrienden, raadgevers en dienaars van dezen man beschouwde, was sedert dat gesprek met den ziener Lampon onophoudelijk versterkt[379]geworden. Door de priesteres van Athene Polias, die een werktuig in zijne hand was, stond hij in betrekking met de zuster van Cimon en met de echtgenoote van Pericles, en vernam door haar steeds, wat er in de omgeving van zijn tegenstander voorviel.De avond, waarop het geheimzinnige gebruik zou verricht worden, was aangebroken. De beide uitverkoren meisjes Hipparete, en Lysiske werden uitgedost in kostbare, witte, met goud gestikte kleederen, die hare vaders voor dit doeleinde moesten bekostigen en die, wanneer zij gebruikt waren, het eigendom van het heiligdom bleven.Zoo rijk versierd werden de beide meisjes in het binnenste van het heiligdom van Athene Polias geleid en ontvingen daar van de priesteres in tegenwoordigheid van denErechtheüs-priester, benevens diegenen, die gekomen waren om de heilige plechtigheid als toeschouwer mede te vieren, onder verscheidene ceremoniën de beide bedekte kruiken, om ze van hier langs den geheimzinnigen weg naar de grot in het heiligdom te dragen. Met de linkerhand hielden zij de aarden kruiken tegen de borst, in de rechter droegen zij eene aangestoken fakkel. Vóór zij zich op weg begaven, gaf deErechtheüs-priesterhaar nauwkeurige aanwijzingen over hetgeen zij te doen hadden, vermaande haar iedere misdadige nieuwsgierigheid naar den inhoud der kruiken uit haar gemoed te verbannen en zich over niets, wat haar op weg of in de grot mocht ontmoeten, te beangstigen of in haren heiligen dienst te doen storen. Hij zei haar, dat zij onder de bescherming van den God Erechtheüs zich bevonden, den pleegzoon van de Godin van den dauw Herse, naar wier heiligdom zij zich begaven, en vermaande haar niet te versagen, ook al mocht de God zelf, zij het ook in slangengedaante, als reeds eenmaal in vroegere tijden aan de Arrhephoren, zich op haar weg vertoonen. Alleen dan, wanneer zij het heilige geheim schonden of haar heiligen plicht niet stipt verrichtten,[380]hadden zij den toorn van den God te duchten.Inelk ander geval echter hadden zij slechts gunst en heil van hem te wachten.De beide meisjes begaven zich op weg. In groote spanning en kinderlijk geloof had Hipparete naar de woorden van den priester geluisterd en was vol blijde hoop en vertrouwen. Minder goedsmoeds ging de jongere Lysiske naast haar. Zoo daalden zij beiden den onderaardschen weg af, waarin vele trappen gehouwen waren.Angstigzag Lysiske om zich heen, Hipparete sprak haar moed in.Eindelijk vroeg Lysiske wat er toch wel in die heilige kruiken verborgen mocht zijn.„Wat wij terug zullen brengen,” antwoordde Hipparete, „kan ik mij voorstellen. Wat kan de dauwgodin Herse anders geven dan dauw? Wellicht dus met dauw besproeide twijgen of bloemen.”„Maar wat wij daarheen brengen?” vroeg Lysiske weder.„Ik weet het niet,” hernam Hipparete. „Als wij iets vochtigs naar boven dragen, dan brengen wij vermoedelijk iets droogs of vurigs naar beneden; want evenals het daar beneden in de diepte vochtig is, zoo dor en droog is het op den bergtop.”„Neen,” zei de kleine Lysiske angstig, „wij dragen zeker een grooten uil naar beneden, zooals die daar boven in het metselwerk van het Erechtheüm krassen en brengen eene schrikkelijke slang terug, omdat de slangen zich gaarne in vochtige laagten ophouden.”„Wees niet bang voor slangen,” zei Hipparete, „gij weet toch, dat in hare gedaante zich de God Erechtheüs verbergt en dat deze ons beschut en ons zegent op dezen tocht.”De beide meisjes waren de talrijke trappen afgedaald, hadden het doel van haar tocht bereikt en traden nu door eene in de rotsen gehouwen poort het heiligdom binnen. De grot was verlicht door een lamp, die, vóór een steenen beeld der dauwgodin geplaatst, met eene roode vlam brandde.Onder de ceremoniën, die men haar geleerd had,[381]legden de beide meisjes hare kruiken vóór de Godin neder en waren op ’t punt de gereedstaande, eveneens dicht omhulde kruiken, op te nemen en weg te dragen.Juist sloegen de meisjes haar blikken naar den achtergrond der grot; daar zagen zij bij het schemerlicht eene reusachtige slang ineengerold liggen, met den kop half opgeheven.Lysiske schrikte, verbleekte, sidderde en wilde vluchten, Hipparete hield haar terug en gaf haar de kruik in de hand, waarmede deze beangst en zonder om te zien, haastig wegliep. Toen nam Hipparete de andere kruik en maakte zich gereed de grot te verlaten. Nu echter kwam uit den achtergrond der grot een sterke tocht, waardoor de fakkel van Hipparete en tevens de lamp werden uitgebluscht, zoodat het meisje in het pikdonker stond. Nu zou de vrees ook haar om het hart zijn geslagen, zoo niet op hetzelfde oogenblik uit den achtergrond eene vriendelijke stem haar in de ooren had geklonken, die haar vermaande onverschrokken te blijven, zooals zij tot nu toe geweest was.„Voor uw edelen moed en uwe vrome trouw,” klonk de stem, „verleent de God u, o kind, een geschenk, dat den zegen der Goden en het hoogste geluk u voor uw geheele leven waarborgt.”Op dit oogenblik begon de vlam van de lamp van zelf weder te ontbranden en de God rustte niet meer schrikaanjagend daar, maar in heroëngestalte op de plaats, waar straks de slang haar kop had opgeheven. Hij verlangde, dat het meisje hem naderde. Hipparete deed het onversaagd. Hij trok haar tot zich en drukte een kus op haar voorhoofd, dat die schitterende reinheid had welke men bij half ontloken bladeren waarneemt, wanneer zij juist na een warmen lenteregen uit de bruine knoppen zijn gebroken.„Hebt gij wel nooit hooren spreken,” vroeg hij, „van de goddelijke genade, die aan sterfelijke jonkvrouwen is ten deel gevallen? Hebt gij nooit gehoord[382]van Alcmene en Semele, van Danaë?”De lippen van den spreker trilden een weinig, toen hij die woorden sprak: ook zijn hand beefde, toen hij daarmede het rijkgelokte hoofd van het meisje streelde.„Hebt gij,” ging hij voort, „wel niet hooren spreken van die uitverkoren jonkvrouwen, tot wie Zeus nederdaalde en die niet verschrikten, als de God zich in zoete min tot haar nederboog?”Zoo sprekende sloeg hij zijn arm om het meisje, dat hevig verschrikte; maar zij herkreeg haar moed en luisterde weder geloovig, en in het reine kristal van haar oog spiegelde zich niets af dan de verwachting eener kinderlijke ziel, die de wonderlijke en zegenrijke geschenken te gemoet zag, waarmede de God beloofd had haar te zullen beloonen.Plotseling zei het meisje, in den donkeren hoek van de spelonk ziende:„De slang is toch nog altijd daar—alleen kleiner is zij thans, veel kleiner van gestalte …”Hipparete sprak deze woorden zeer bedaard en zonder de minste aandoening van angst. Men had haar ingeprent, dat zij voor slangen op haar weg niet bang moest zijn en zij vreesde ze ook niet. Zij wist dat daaronder de zegen aanbrengende GodErechtheüszich verborg. Zij had die veel grootere slang niet gevreesd, waarom zou zij die kleinere vreezen?De God echter aan hare zijde ontstelde. De valscheErechtheüsbegon te sidderen voor den toorn van den waarachtigen God. Strak staart hij naar dien hoek en ziet, dat daar in der daad eene slang zich kronkelt. Het vrome kind was overtuigd, dat haar geen leed wedervaren kon, dat zij onder de hoede stond van den GodErechtheüs; de God zelf echter sidderde onder zijn godenmasker, sidderde voor den kruipenden aardworm …Op dat oogenblik weerklinkt van buiten het gejubel van eene volksschare, die langs de grot trok; het was eene menigte, die van den Illisus naar de Piraeüs stormde met den jubelenden kreet: „De[383]vloot van Samos loopt de haven binnen! Pericles is daar! Lang leve Pericles, de Olympiër”.Met een somberen blik in de oogen en eene onheilspellende plooi om zijne lippen verheft zich de eerst door zijn angst, thans door zijn wrok ontmaskerde Erechtheüs-priester.Hij richt zich op en maakt zich gereed, om het kind spoedig uit de grot weg te voeren. Rustig neemt Hipparete, ook nu nog aan haar plicht denkend, de heilige kruik van den grond op. De priester neemt haar bij de hand en trekt haar door den donkeren gang voort. Daar, waar de geheime weg in het binnenste gedeelte van het Erechtheüm uitloopt verlaat hij haar, na streng bevolen te hebben, dat zij over alles wat zij in de grot gezien had, een diep stilzwijgen moest bewaren; dan alleen zou de zegen van den God haar niet onthouden worden.Hipparete ging den verlichten tempel binnen en legde de heilige kruik neder voor de voeten der Godin. Toen dacht zij zwijgend na over de verschijning van den God.En Diopithes?Hij zal heengaan en Erechtheüs trachten te verzoenen en vuriger dan ooit de vrees voor de oude Goden prediken.—Terwijl dit des avonds op de stille hoogte van de Acropolis voorviel, was de terugkeerende vloot den Piraeüs binnengeloopen. In dichte drommen was het Atheensche volk naar buiten gesneld, om de aankomenden te zien en te begroeten.Het was donker geworden, doch de kaden der haven schitterden van fakkels en te grootscher slechts was het schouwspel, toen bij den schijn der fakkels de honderd fiere triëren der zegevierende vloot op de golven kwamen aandrijven.Bijna romantisch schitterden bij den hellen schijn der hoog gezwaaide fakkels de hooge masten, de witte zeilen, de verguldePallasbeeldenen de grillige vormen der scheepsnebben, met de veroverde schilden getooid, met de sieradiën van vernielde[384]vijandelijke schepen en andere tropaeën rijkelijk omhangen.Luide, blijde jubelkreten klonken van de steenen kaden den krijgers in ’t oor.De ontscheping volgde. Toen ook de strategen aan land stapten, drong alles om Pericles heen. Hem gold de luidste jubelkreet der menigte en velen waren er, die bloemen op zijn pad strooiden en hem met kransen overlaadden.Om zich aan deze eerebetuigingen te onttrekken, nam Pericles de uitnoodiging van Hipponicus aan, die hem eene plaats aanbood in zijn, met edele Thessalische paarden bespannen wagen, die op den rijken gastronoom in den Piraeüs wachtte.Aspasia had zich van Pericles moeten scheiden. Een draagstoel wachtte haar, die zij met dicht gesluierd gelaat besteeg en waarin zij naar de stad gevoerd werd.Intusschen was de maan opgegaan en haar glans verspreidde zich over de zee, de kusten en de stad.Pericles had, in den wagen van Hipponicus zwijgend en in gepeinzen verzonken, de stad bereikt. Toen zag hij bij eene plotselinge kromming van den weg, den blik omhoog slaande, vlak vóór zich de toppen van den Acropolis.Hij was getroffen. Eene lichte huivering voer hem door de leden. Onmiddellijk vóór zijne oogen bevond zich hetgeen hij straks uit de schemerende verte had gezien. Verblindend wit bij het schijnsel der maan, scherp tegen den nachtelijken hemel uitkomend, grootsch in de pracht van marmeren gevels en zuilen, stond het pas voltooide werk van Ictinus en Phidias op de schitterende hoogte van de Acropolis.En de betoovering, die nog heden de ziel aangrijpt van hem, die voor de eerste maal op de puinhoopen van het Parthenon te Athenestaat, doortrilde in dat oogenblik de ziel van Pericles.[5]1Antaeüswas een reus, die zoodra hij zijne moeder, de aarde, aanraakte, nieuwe kracht kreeg. Hercules doodde hem door hem boven den grond te houden en zoo dood te drukken.↑2De Nereïden zijn dochters van Nereus, een zeegod en Doris; zij waren vijftig in getal.↑3Asclepius (Aesculapius), de zoon van Apollo en de nimf Coronis, de vader der beroemde geneesheeren Podalirius en Machaon, werd als de God der genees- en heelkunde vereerd.↑4In de Grieksche mythen wordt van een geweldigen zondvloed gewag gemaakt, waaraan alleen de vrome Deucalion en Pyrrha ontkwamen; hun zoon Hellen werd de stamvader der Grieken (Hellenen).↑5Phrynichus van Athene was een leerling van Thespis, een der eerste Grieksche treurspeldichters. In 511 v. C. behaalde hij voor het eerst den prijs in een tragischen wedstrijd; nog eenmaal in 476. Op hoogen ouderdom overleed hij wellicht aan het hof van Hiëro te Syracuse. Hij voerde vrouwenmaskers in en koorliederen, die nog al schoon schijnen geweest te zijn. Zijne stukken zijn alle verloren gegaan; de Ouden noemen vooral zijn „Phoenische vrouwen” en de „Verovering van Milete,” dat in 493 werd opgevoerd. Deze voorstelling schijnt zoo roerend geweest te zijn, dat het volk in tranen uitbarstte (zie Herod. VI. 21); daarom werd Phrynichus tot een zware geldboete veroordeeld, misschien ook omdat hij den Atheners scherp verweten had, dat zij hunne dochterstad niet hadden bijgestaan. Deze Phrynichus worde niet verward met een gelijknamigen blijspeldichter, die tijdens Aristophanes leefde.↑6„De dageraad,” steeds door Homerus de „rozenvingerige” geheeten.↑7Goddelijke, onsterfelijke.↑8Orpheus, een beroemd Thracisch zanger, had zijn zetel op de Rhodope, in het Haemus-gebergte. Zelfs de steenen roerde hij door zijn betooverend lied. Zijne gemalin heette Eurydice; beiden zijn door de zangen van oudere en nieuwere dichters vermaard.↑9Maenas beteekent: razend, dol; de Maenaden, de razenden, deBacchanten.↑10Op deze peplos waren de beroemdste heldenfeiten uit mythe en historie voorgesteld.↑

[Inhoud]XIII.DIOPITHES EN HIPPARETE.Aspasia bevond zich verkleed in mannengewaad op het schip, dat den Atheenschen strateeg naar zijne vloot vóór Samos terugvoerde. Toen de triëre uit de haven roeide, in de open zee, schitterend in de stralen der zon, wierp de Milesische aan de zijde van haar vriend nog een blik naar het bloeiende Ionische strand. Troepen van kraanvogels en langhalzige zwanen vlogen over de beemden en lieten zich klapwiekend neder op den ruischenden oever. Aspasia’s blikken echter hingen aan de verdwijnende tinnen van hare vaderstad. Haar gemoed was doordrongen van het vaste gevoel, dat[357]zij hier op de plaats, waar zij het levenslicht had aanschouwd, den schoonsten triomf haars levens had gevierd en de betooverende keten der liefde vaster dan ooit, ja onverbreekbaar om den gevierdsten Helleenschen man van zijn tijd had geslagen. Ook Pericles staarde met helder schitterend oog terug naar het wijkend strand van Ionië: hij dacht aan de zoet doorleefde dagen en hoe zijne onvergelijkelijke vriendin als een vrouwelijke Antaeüs1uit de aanraking van haar geboortegrond, als ’t ware verdubbelde kracht tot overwinnende, onwederstaanbare bekoorlijkheid had verkregen.„Bijna zou ik kunnen klagen,” zei hij, „dat de uren van zaligheid, in Miletegesleten, voorbij zijn; maar hoe zou mij de gedachte niet bevredigen, dat ik u zelve, als den schoonsten buit, weder met mij voer?”„Overal,” hernam Aspasia, „zal ons het geluk en de liefde volgen; slechts ééne zaak laten wij achter, om ze misschien nimmer weder te vinden: de gelukkige eenzaamheid, die wij hier hebben genoten en de schoone vrijheid van alle knellende banden.”—Pericles boog het hoofd en zag peinzend vóór zich uit.„In Athene teruggekeerd,” vervolgde Aspasia, „zijt gij weder de staatsbestuurder, op wiens doen en laten aller oogen gericht zijn; zijt gij weder burger van Athene, door de strenge wet der overlevering gebonden, zijt gij weder Telesippe’s gemaal—en ik—ik ben weder de vreemde, de van vaderland beroofde, de van recht verstokene, ik ben weder, zooals uwe echtgenoote en hare vriendin zich uitdrukken, de hetaere van Milete.”—Pericles hief langzaam het hoofd op en zag zijne vriendin scherp in het gelaat. „Hebt gij iets anders verlangd Aspasia,” sprak hij, „hebt gij niet altijd den echt als eene slavernij bespot en het vrouwenvertrek[358]van den Athener als eene gevangenis?”„Ik herinner mij niet, Pericles,” hernam Aspasia, „dat gij mij werkelijk ooit gevraagd hebt, aan welken staat ik de voorkeur gaf, aan dien van hetaere of van Atheensche echtgenoote.”„En wanneer ik het deed,” zei Pericles, „wanneer ik u de keuze voorstelde, welk antwoord zoudt gij mij geven?”„Ik zou u zeggen,” hernam Aspasia, „dat ik noch het een noch het andere zou kiezen; dat ik vrijwillig noch hetaere zou willen zijn, noch de echtgenoote van een Athener.”Pericles was getroffen.„De echtgenoote van een Athener?” herhaalde hij toen; „gij schijnt dus niet elke echtverbintenis, maar alleen de Atheensche te versmaden; zeg mij toch, waar ter wereld het ideaal eener echtverbintenis te vinden is, die uwe goedkeuring wegdraagt?”„Ik weet het niet,” hernam Aspasia; „ik denk dat die wel nergens te vinden zal zijn; maar ik draag dat ideaal in mijn binnenste.”„En wat zou er noodig zijn, om datgene wat gij in uw binnenste draagt te verwezenlijken?” vroeg Pericles.„Wanneer er eene echtverbintenis zijn moet,” hernam Aspasia, „dan moet zij gegrondvest zijn op de wet der vrijheid en op de wet der liefde.”„En wat zou ik moeten doen,” vroeg Pericles, „om dit ideaal met u te verwezenlijken?”„Gij zoudt mij alle rechten der gade moeten toestaan,” antwoordde Aspasia, „zonder mij één van de rechten te ontnemen, die gij tot nu toe aan de geliefde hebt gegund.”„Gij wilt dus,” zei Pericles, „dat ik Telesippe verstooten en u in hare plaats als meesteres mijn huis zal binnenleiden? Dat is mij begrijpelijk; maar wat gij overigens verlangt is mij niet duidelijk. Wat bedoelt gij met de rechten, die ik u niet ontnemen mag?”„Boven alles het recht om tusschen mij en u[359]geene andere wet te erkennen, dan die der liefde,” antwoordde Aspasia. „Dan geniet ik dezelfde rechten als gij, evenals eene geliefde, dan ben ik niet de slavin, zooals de echtgenoote. Gij zijt de heer des huizes, niet de mijne; gij zijt tevreden met het offer van mijn hart, zonder mijn geest in boeien te slaan en mij tot de werkeloosheid eener dompige eenzaamheid in het vrouwenvertrek te doemen.”„Gij wilt mij derhalve u hart toewijden,” hernam Pericles; „de gaven en kracht van uw geest echter zullen, evenals thans, het goed van allen zijn. Gij wilt u niet ontzeggen in aanraking te blijven met alles, wat uwe verbeeldingskracht prikkelen, uw geest bezighouden en verrijken kan?”„Ja, dat is mijne meening,” riep Aspasia.„En wanneer wij de proef eens wilden nemen met zulk eene verbintenis,” zei Pericles, „weet gij of zoo’n proef mogelijk is, niet alleen uit het oogpunt van ’t gevestigd gebruik, maar ook uit het oogpunt der liefde zelve?”„Als ze u onmogelijk voorkomt, wie dwingt ons dan die te nemen?” hernam Aspasia glimlachend, terwijl zij haar vriend een teederen kus op het voorhoofd drukte, en aanstonds begon zij over andere dingen te spreken.—De weg naar Samos was spoedig afgelegd. Nadat Pericles hier eenige beschikkingen betreffende de vloot gemaakt had, beklom hij opnieuw eene triëre, om naar Chios te zeilen.„Hoe?” vroeg Aspasia schertsend, „koestert gij zoo groot verlangen uwe vroegere, schoone beminde terug te zien, die, zoo ik meen, bij den dichter Ion op Chios leeft?”Pericles beschouwde het als eene aardigheid en glimlachte.Ditmaal was Sophocles in het geleide van Pericles. De dichter was niet weinig verrast de Milesische in hare vroegere verkleeding op het schip van Pericles terug te zien.Zij was nu weder de bekoorlijke jongeling, wiens[360]geheim slechts aan weinige ingewijden bekend was.Op Chios, het vaderland der edelste druiven die onder Griekschen hemel rijpten, welks bewoners de rijkste lieden van geheel Hellas geheeten werden, leefde de treurspeldichter Ion, een geboren Chiër, die met zijne treurspelen te Athene reeds menigen lauwerkrans had weggedragen. Wel is waar werd er gemompeld, dat hij de Atheensche burgerij door eenige vaten Chiërwijn, die hij ter gelegenheid van de opvoering van zijn eerste stuk het volk aanbood, voor zich en zijne tragedie gunstig gestemd had. Hij was zooals reeds deze mildheid bewees een der rijkste mannen van Chios en oefende daarom een grooten, staatkundigen invloed op zijn vaderland uit.Met Pericles stond Ion op geen goeden voet, sinds beide mannen mededingers naar de bekoorlijke Chrysilla geweest waren, en de dichter was nog steeds op Pericles verstoord, ofschoon de schoone ten laatste de zijne was geworden en den rijken, in weelde levenden man naar zijn geboorteland was gevolgd. Pericles betreurde dien wrok in het gemoed van zijn eenigen medeminnaar; want hij moest voor Athene van Chios eenige belangrijke voordeelen trachten te verwerven en hij vreesde, dat de invloedrijke Ion uit persoonlijke vijandschap hem daarin in den weg zou staan.Sophocles nam op zich Ion met Pericles te verzoenen, en daar niemand tot middelaar zoo van nature geschikt was als de beminnelijke dichter der „Antigone,” die alle menschen voor zich innam, gelukte hem ook die poging bij zijn kunstbroeder Ion zoo uitnemend, dat deze Pericles benevens Sophocles tot zich noodde en het zich tot eene eer rekende de beide Atheensche strategen gastvrij te onthalen.Slechts van den eenen morgen tot den anderen kon Pericles op Chios vertoeven, en nadat het grootste deel van den dag aan politieke onderhandelingen was gewijd, maakte Pericles, door Sophocles vergezeld, zich gereed om aan de uitnoodiging van Ion gevolg te geven.[361]Maar niet zonder een derde begaven zij zich naar het huis van hun Chiïschen gastheer.Aspasia had er, niet zonder geheime bedoeling, op gestaan haar vriend ditmaal als slaaf verkleed te volgen en daar, werwaarts hij zich begaf, naar de gewoonte der slaven, die hunne heeren vergezelden, altijd in zijne nabijheid te blijven.De geheime bedoeling echter der Milesische was geene andere, dan de vernieuwde ontmoeting van Pericles en de schoone Chrysilla onschadelijk te maken en de aandacht haars vriends van Chrysilla en die der schoone van Pericles af te leiden. Pericles willigde het verzoek van Aspasia gaarne in en meende dat de reden daarvan alleen gelegen was in eene vergeeflijke nieuwsgierigheid zijner vriendin, om die Chrysilla eens te leeren kennen.Ion bewoonde een landgoed op de bekoorlijkste plek van het eerst steile, daarna zacht glooiende strand, rondom omringd door latten, die beladen waren met de rijpende gaven van Bacchus, beschenen door de koesterende zon.Hij voerde zijne gasten op een terras, dat op eene der liefelijkste vooruitspringende rotsen lag, door de zee omspoeld. Daarover slingerden zich de schoone wijnranken waaraan de Chiïsche druiven verleidelijk in dichte trossen hingen en tusschen welke aan het oog een verrukkelijk gezicht op de glinsterende zee en de bloeiende omliggende eilanden gegund werd.Naar dit liefelijke oord geleidde Ion zijne vrienden en nadat hunne oogen zich aan het bekoorlijk gezicht vergast hadden, verzocht hijhenzich neder te vlijen op mollige aanligbedden en verkwikte hen met kostelijke gaven. Het edelste Bacchusnat werd rondgediend in zilveren bekers.Chrysilla was ook tegenwoordig. Zij bloeide nog als eene roos, maar de bloei harer ledematen had zich in den loop van den tijd op Chios tot zulk eene weelderigheid ontwikkeld, dat de fijne kunstsmaak van den Athener de maat der schoonheid daarin miste. Zij geleek op eene trotsche, volle[362]roos. Maar de roos is wel de weelderigste en geurigste, niet de schoonste der bloemen.Ion, die in den grond een goedhartig man was en een groot minnaar van het genot, ontving Pericles zonder zijn vroegeren wrok en met ongeveinsde hartelijkheid.Hij hief den beker in de hoogte, gevuld met den vurigsten, schuimenden wijn zijner gaarde en stelde een dronk in op het welzijn van Pericles en zijn vriend, den beroemden, edelen Sophocles.Maar toen Ion in zijn opgewondenheid verder ging en de beide mannen prees om hunne krijgsdaden, die zij als strategen vóór Samos hadden verricht, wees Sophocles voor zijn deel dien lof af en zeide, dat die onverdeeld aan zijn vriend Pericles toekwam.„En toch,” vervolgde Sophocles tot Ion en eenige voorname bewoners van Chios, die door dezen uitgenoodigd waren, „zoudt gij onbillijk zijn, als gij in Pericles boven alles den staatsman en veldheer wildet bewonderen. Van den roem zijner ondernemingen en scheppingen gaat de roep door geheel Hellas, maar deze maakt slechts melding van die eigenschappen van den grooten man, die gerucht verwekken en in verren kring schitteren. Ik weet daarentegen van zijne edele, onopgemerkte deugden meer dan ooit te spreken, sedert ik zijn strijdmakker geweest ben vóór Samos. Van de overwinningen, die hij daar bevochten heeft, weet gij; doch gij weet niet dat, toen ieder der vijftig rijke Samiërs, die hij als gijzelaars naar Lemnos zond, hem heimelijk een talent voor zijne loslating liet bieden, hij deze aanbiedingen, zoowel als de sommen, waarmede de Perzische satraap hem zocht om te koopen, van de hand wees. Anderen vertellen u, hoevele vijandelijke schepen hij in den grond heeft geboord, hoevele vijanden hij gedood heeft—ik zal u echter zeggen hoevelen hij uit medelijden gespaard heeft, hoe spaarzaam hij was met het bloed der zijnen en hoe ik hem een paar maal schertsend tot de soldaten heb hooren zeggen, dat,[363]als het van hem afhing, zij eeuwig zouden leven. Hij vond „ijzeren handen” voor zijne schepen uit, opdat de handen van vleesch en bloed des te meer zouden gespaard worden. Gij weet dat hij een held is in de ure van den strijd; maar ik zeg u, dat hij een wijze is in de ure der rust en dat hij, als hij maar een oogenblik in het leger den tijd heeft, zijn soldaten wind en weer, zons- en maansverduisteringen en alle verschijnselen aan den hemel verklaarde, waarom velen hem voor een toovenaar hielden. Van zijne geleerdheid en wijsgeerigen zin hebben zij zoo’n hoogen dunk, dat velen thans voor zeker beweren, dat hij den Samischen vlootvoogd Melissus, een beroemd wijsgeer, meer door zijne groote krijgskunst, dan wel door zijne doodende sluitredenen op de vlucht heeft geslagen. Er was geen zachter en geen strenger, geen meer gevreesd en meer geliefd man in het leger dan hij, geen die meer zweeg, wanneer het spreken overbodig was en geen, die spraakzamer was, als het noodig was het zwijgen te verbreken. Dit wilde ik u van Pericles zeggen, opdat gij den edelen en voortreffelijken man als zoodanig moogt roemen, niet altijd alleen als strateeg en zeeheld; want in dit opzicht verdient hij wel is waar lof, maar niet onvoorwaardelijk, in zoover hij nadat hij zich vóór Samos zoo dapper had gekweten, te Milete naar ik hoor, zich minder moedig heeft betoond, ja zelfs zijne vloot en veldheersambt bijna vergeten had en eenige dagen langer dan noodig was in de baai daar voor anker heeft gelegen, wat ik als eene strategische fout beschouw.”Ion en de andere toehoorders lachten over deze slotwoorden van Sophocles; Pericles echter bedacht zich niet lang om de rede van zijn vriend te beantwoorden. Hij sprak het volgende:„Mijn ambtgenoot en vriend Sophocles hier wil u overreden, naar ik hoor, mij liever onder de wijzen dan onder de groote strategen te tellen. Gaarne zou ik, om hem niet met gelijke munt te[364]betalen, omgekeerd van hem beweren, dat hij eerder tot de groote strategen dan tot de wijzen behoort, doch het ligt te zeer voor de hand om het te kunnen ontkennen, dat hij met mij in hetzelfde geval verkeert: van de krijgskunst namelijk en van datgene wat tot het zeewezen behoort verstaat hij, om zoo te zeggen, al heel weinig. Hij zal zijn leven lang veel gemakkelijker de namen van alle Nereïden2der zee onthouden, dan de benamingen van de bestanddeelen van eene goedgebouwde Atheensche triëre. Maar hij heeft ons gedurende dezen zeetocht als strateeg een prachtigen paeän op Asclepius3gedicht, die op de geheele vloot gezongen wordt en die, zooals onze stuurlieden en roeiknechten verzekeren, ons bij stormen op zee reeds de voortreffelijkste diensten heeft bewezen. En evenals zijn paeän de opgestuwde golven bedaart en de Goden der zeevaart goedgunstig stemt, zoo is zijn geheele wezen met zachte olie te vergelijken, die al het ruwe glad maakt, al het woest verbolgene bedaart. De matrozen op zijn schip doen wat zij behooren te doen, ook wanneer hij een verkeerd teeken geeft en zij houden hem wel is waar voor een in het zeewezen onervaren, maar toch als een door de Goden geliefd man. Wanneer uit mijn mond woorden van wijsheid komen, naar de menschen meenen, dan gelooven zij tevens, dat ik ze aan den Clazomeniër Anaxagoras ontleend heb; wanneer echter Sophocles den mond opent, zijn allen overtuigd, dat de Goden zelven hem die woorden in den droom hebben ingegeven. Zulk een man, mijne vrienden van Chios, is mijn medestrateeg Sophocles. Ik meen hem geprezen te hebben en ik zou den Goden danken, zoo de lof, dien hij mij toegezwaaid heeft, even wel verdiend is, als die, welken ik hem in deze woorden toebreng.”[365]Zoo roemden, door de vurige gave van Bacchus opgewekt en ongeveinsde hartelijkheid onder het masker van goedhartige scherts verbergend, elkander de beide Atheensche scheepsbevelhebbers in den kring van vroolijke, krachtige mannen, onder de druiventrossen van het schoone terras van Ion.„Ik zou haast blozen,” zei Ion, „als men mannen vóór zich ziet als Pericles en Sophocles, die met ernstige bezigheden vervuld en onophoudelijk voor het algemeene nut werkzaam zijn terwijl men zelf in de afzondering alleen voor het genot en de Muzen leeft. Maar ik geloof, dat naast een roemrijk en schoon werken ook eene loffelijke en schoone ledigheid is. Deze heb ik verkozen.”„Zeker,” zeide Sophocles, „is eene ledigheid schoon te noemen, die schoone vruchten draagt. De Atheners hebben uwe treurspelen nog niet vergeten.”—„Noch uw Chiër-wijn!” voegde Pericles er bij.„Ik weet zeer goed,” hernam Ion, goedhartig glimlachend, „dat gij Atheners beweert, dat ik door mijn wijn uwe gunst voor mijn treurspel wilde koopen, maar gij moogt zeggen wat gij wilt, alleen niet, dat de wijn slecht geweest is. Want, als gij mijn Chiër niet roemt, dan beleedigt gij mij meer, dan wanneer gij mijne treurspelen berispt.”„Ziet me die treurspeldichters toch eens,” zei Pericles,„hoe opgeruimd en vroolijk zij van geest zijn, terwijl zij er van houden in hunne treurspelen zich met de somberste en verschrikkelijkste dingen bezig te houden: altijd spreken zij van den toorn der Goden, overouden vloek, overerfelijke schuld, vreeselijke beschikkingen van het noodlot en dergelijke akeligheden meer …”„Juist omdat wij opgeruimd van geest zijn,” hernam Sophocles, „verkeeren wij moedig met het sombere, wij worstelen daarmede en zouden het gaarne overweldigen. Moedig worstelen wij met die oude, blinde machten van het noodlot, om de menschelijke dingen, zoo goed wij kunnen, uit de betoovering eener duistere noodlottige macht te[366]bevrijden. In de heldere sterrennachten, die ik aan boord van mijne triëre vóór Samos doorbracht, heb ik mij in den geest dikwerf opgehouden met dien lijdenden, Thebaanschen grijsaard en hem gevolgd op zijn lijdensweg, hoe hij het eerst door vertwijfelend berouw of onvrijwillige schuld gedreven, zich van het licht der oogen heeft beroofd en rondzwerft in den vreemde, langzamerhand echter tot een reiner klaarheid en vrijheid gekomen, schuld en berouw ten laatste van zich werpt, vóór het einde zijns levens het grijze hoofd met de fierheid van den onschuldige omhoog heft en van een misdadiger de rechter wordt over hen, die niet onvrijwillig en onbewust zooals hij, niet door eene onverbiddelijke beschikking van het noodlot, maar uit eigen beweging door de verloochening van alle edele, menschelijke gevoelens misdreven hebben.”„Mijn beste vriend,” sprak Ion, „uit hetgeen gij daar over Oedipus zegt spreekt weder de oude, welbekende liefde voor uw geboortevlek, want daar was het toch, dat de grijze lijder tot zijne rust inging.”—„Gaarne beken ik u,” hernam Sophocles, „en ik zie er een gunstig teeken in voor mijne tragische dichtkunst, dat juist in dat vlek, waar ik geboren werd, die overoude, tragische verwikkelingen zich hebben opgelost.”„Eer vrij uwe geboorteplaats,” zei Pericles, „maar dit zult gij mij toch moeten toegeven, dat niet alleen uw vlek, maar geheel Athene de bodem is, waarop overoude verwikkelingen tot eene oplossing komen, oude schuld verzoend wordt, vroegere duisternis bezwijkt op de plaats der heldere Godin Pallas Athene! Op den gezegenden bodem van Athene heeft niet alleen die zwaar beproefde grijsaard, maar ook de jonge Orestes, voortgejaagd door de Furiën, delging van den vloek gevonden, ja, gij allen kent den afgrond in de nabijheid van den onvoltooiden tempel van den Olympischen Zeus en wij willen gaarne gelooven, wat de sage[367]meldt, dat in dezen afgrond de wateren van den Deucalionischen4vloed zich hebben neergestort.”—Onder deze en dergelijke gesprekken was de zon langzamerhand ter kimme gedaald; de zee was over eene groote uitgestrektheid met een purperen gloed getint, die zijn laatsten, gouden glans over het met wijnloof omkranste terras verspreidde. De gasten van Ion ademden met welbehagen de zachte, verfrisschende avondkoeltjes in die over de zee tot hen overwaaiden. Ion liet de bekers opnieuw vullen en het vocht in de zilveren schalen fonkelde, alsof ook daarin de purperen gloed der ondergaande zon zich afspiegelde.Pericles liet zijn beker door geene andere hand, dan door die van zijn slaaf vullen. Deze nam het ambt van schenker met eene bevalligheid waar, die aan het oog van Ion, van de schoone Chrysilla en de overige aanwezigen evenmin ontging, als de schoonheid der trekken van den jongeling. Hij scheen het zich tot taak gesteld te hebben, het ambt van schenker ook bij Sophocles te vervullen, wat de dichter glimlachend en met kennelijke vreugde liet welgevallen.„Uw schenker heeft maar ééne fout, Pericles,” zei hij.„En welke is die?” vroeg Pericles.„Dat hij bij het aanreiken van den beker zoo haastig is,” hernam de dichter; „men zou liever zien, dat hij daarbij een weinig draalde, om zich in de oogen te laten zien, die, naar mij dunkt, eene nadere beschouwing overwaard zijn.”De jongeling bloosde, toen hij na deze woorden van Sophocles aller blikken op zich gericht zag. Deze lachte om de verlegenheid van den knaap en riep met de woorden eens ouderen dichters:„Hoe schoon op purperwangen glanst des Eros’ licht!”[368]„Wat zegt gij van deze verzen van Phrynichus5? Hoe bevallen u die purperwangen?”„Mij bevallen zij niet,” hernam de jongeling, die spoedig zijne tegenwoordigheid van geest hernomen had. „Het komt mij voor, dat de dichters in hunne verzen zaken prijzen, die zij in de werkelijkheid volstrekt niet schoon zouden vinden. Ik geloof, dat eene wang met echt purper geverfd, leelijk zou zijn.”—„Hoe?” riep Sophocles, „dan zoudt gij toch ook de rozenvingeren van Eos6bij Homerus niet schoon kunnen vinden?”„Volstrekt niet,” hernam de jonge slaaf. „Als mijne vingers rood als rozen waren, zou Pericles, mijn meester, gelooven, dat ik mij met het sap der purperslak bezoedeld had en mij bevelen mijne handen te gaan wasschen.”„Och, dat alle hekelende kunstrechters slaven waren als gij!” riep Sophocles. Maar lachend plaagde Pericles hem, omdat hij als dichter nu eindelijk zijn beoordeelaar had gevonden.Verscheidene aardigheden werden er gewisseld; ook vurige blikken, door den gloed van Dionysus bezield, werden hier en daar geworpen en te midden daarvan deden de onzichtbaar rondzwevende minnegoodjes een klein, onschuldig, dartel spel van onderlinge ijverzucht ontbranden. Pericles vond, dat zijn vriend Sophocles het geheim van den schoonen slaaf te weinig eerbiedigde, en van dezen wederom meende hij, zijn ambt van schenker met grooteren ijver dan noodig was vervulde. Aspasia van haren kant dacht opgemerkt te hebben, dat[369]Chrysilla’s blikken die van Pericles telkens ontmoetten en dat deze de zijne somwijlen een tijdlang op de weelderige, bloeiende vormen van Ion’s vriendin deed rusten. Weldra echter veranderde de zaak. Chrysilla had werkelijk in den beginne met hare oogen Pericles gezocht, om uit ijdele, vrouwelijke nieuwsgierigheid uit te vorschen, of de macht harer bekoorlijkheden nog iets vermocht op den man, die haar eens zijne hulde had bewezen.Evenwel kon ook de schoone slaaf, die aller oogen tot zich trok, door haar niet onopgemerkt blijven en dezen van zijn kant scheen het er op gezet te hebben zijne vurigste blikken juist aan Chrysilla te wijden. Zoo gelukte het hem ten laatste de oogen van Ion’s vriendin bijna geheel van Pericles af te leiden en op zich te vestigen. In dit streven werd hij door Sophocles krachtig geholpen.Ion had in den beginne die wisseling van woorden en blikken tusschen Pericles en Chrysilla niet zonder eenig ongenoegen waargenomen en zag ten laatste met even weinig behagen de oplettendheid, die zijne vriendin aan den vreemden jongeling wijdde, doch tevens gaf hij aan zijne vriendin eenige reden tot bezorgdheid, doordat hij den indruk liet bemerken, dien de opgewekte geest en de schoonheid van dezen jongeling bijna geheimzinnig op hem maakten.Nieuwe bekers werden gebracht. Toen Sophocles wederom den zijne uit de hand van den schoonen schenker aannam, beschouwde hij den rand des bekers met een scherp oog en zei, tot den slaaf zich wendend:„Voor de eerste maal moet ik mij beklagen, dat gij niet oplettend genoeg uw ambt vervult. Aan den rand van dezen beker zie ik een klein pluisje, dat gij verzuimd hebt weg te nemen.”Glimlachend wilde de jongeling met zijne fijne vingertoppen over de plaats van den rand des bekers strijken, om het pluisje te verwijderen. Doch Sophocles liet dit niet toe, zeggende:[370]„Zulke dingen moeten niet met de vingers aangeraakt, maar liever met den adem van uw mond zacht weggeblazen worden.” Na deze woorden gesproken te hebben, reikte hij den jongeling den beker, die zich glimlachend bukte, om het pluisje, zooals de dichter wenschte er af te blazen. Deze echter hield den beker zoo, dat het hoofd van den jongeling zoo dicht mogelijk bij het zijne moest komen. Derhalve raakten de gouden lokken van den jongeling bijna onmiddellijk den boezem des dichters. Hij ademde het bedwelmende aroma in, dat daaruit opsteeg en ondervond de zachte aanraking op zijne wangen van het gebogen en weder opgeheven hoofd; hij zette daarop zijne lippen juist op de plaats van den beker, die door den adem van den rozenmond aangeroerd was.Met spiedend oog had Pericles het voorgevallene opgemerkt. „Mijn waarde Sophocles,” zei hij, „ik wist niet dat gij zoo’n haarklover waart, om zooveel drukte van zoo’n onbeduidend pluisje te maken.”„Beken liever,” hernam Sophocles, tevreden glimlachend, „dat gij nu inziet vroeger gedwaald te hebben, toen gij mij in gezelschap van deze allen stoutweg voor een zeer slecht strateeg en krijgskundige hebt uitgemaakt. Intusschen stel u gerust; ik heb de voldoening waarom het mij te doen was, en ik beloof u dat ik het bij dit kleine bewijs mijner groote talenten laten zal.”Zoo sprekende reikte Sophocles zijn vriend de hand en deze drukte ze hartelijk lachend. De schaduwen werden al langer en langer, maar nog laat in de schemering des avonds lieten de klank der bekers en een vroolijk, luidruchtig gesprek op het door de zee bespoelde terras van Ion zich hooren. In de zee was de purperglans allengs verdwenen, maar nog steeds fonkelde het in de steeds opnieuw gevulde, schuimende bekers op Chios.Het was zonderling, maar eindelijk was de schoone vroolijke, geestige schenker van Pericles het middelpunt van het geheele gesprek geworden. Ieder[371]wilde ten laatste alleen door hem zich den beker laten vullen. Ieder wilde een blik uit zijne vroolijke, bezielde oogen opvangen, ieder een geestig woord uit zijn mond vernemen. Toen Chrysilla eens den wensch naar een bijzonder mooien druiventros uitte, die van de latten afhing, haastte zich de vlugge en gedienstige schenker dien te plukken en de dame aan te bieden. Chrysilla bloosde, bloosde voor den slaaf—en niemand verwonderde zich daarover. Ion keurde het niet goed, maar vond het toch zeer verklaarbaar. En zoo draaide zich ten laatste alles om de verkleede Milesische. Ofschoon zij uit eene aardigheid verkozen had te dienen, heerschte zij toch …Eindelijk vroeg Ion, dien zijn eigen kostelijken wijn niet kariger dan zijne gasten had aangesproken, aan Pericles, of hij hem dien slaaf verkoopen wilde.„Neen!” antwoordde Pericles, „ik ben van plan hem zijne vrijheid te geven en nog heden wil ik dat doen—op dit oogenblik! Hij zal voor het laatst deze kleederen gedragen hebben. Hier ten aanschouwe van u allen verklaar ik hem vrij!”—Alle aanwezigen gaven luide hunne goedkeuring over dit besluit te kennen. De bekers werden op de gezondheid van den schenker geledigd en zijne vrijlating met het bloed der edelste druif bezegeld.Eén echter van het vroolijke gezelschap, Pericles zelf, was op het einde ernstig en nadenkend geworden.„Gij hebt,” zei Aspasia lachend tot hem, toen zij van Ion weggingen, „mijne vrijlating met eene plechtigheid uitgesproken, die zelfs hen trof, die niet wisten, dat het maar een grap was.”„Het was geen grap,” hernam Pericles, „ik wil dat gij nooit meer mannenkleeding zult dragen, dat gij nooit meer u zelve vernedert.”„Ik ben verlangend te vernemen,” hernam Aspasia, „hoe gij het de vreemdeling en de zoogenaamde hetaere uit Milete besparen zult, zich te vernederen.”[372]„Dat zult gij vernemen,” zei Pericles.Den volgenden morgen keerde de Atheensche veldheer naar Samos terug en onverwijld gaf hij aan de vloot order den volgenden morgen zeilree te zijn, om eindelijk den terugkeer naar Athene aan te nemen.Met uitbundige blijdschap werd dit bevel begroet en fier met wimpels getooid, zeilde, onder het aanheffen van een donderenden zegezang, bij het krieken van den volgenden dag, het zegevierend Atheensch eskader uit de haven van Samos naar de hooge zee, westwaarts koers zettende, om na eene afwezigheid van elf maanden het vaderland terug te zien.„Ik denk,” zei Aspasia tot haar vriend op het oogenblik van hun vertrek, „dat gij het afgrijzen, ’t welk het verhaal van Artemidorus op den laatsten avond te Milete bij u opwekte, wel reeds op Chios zult overwonnen hebben en dat gij daartoe niet eerst, naar ge meendet, de Attische lucht noodig hebt.”„En toch,” hernam Pericles in vurige opgewondenheid, „is mijne ziel geheel vervuld van een heimwee naar het vaderlandsche strand en steeds klinken al luider en luider in mij eenige verzen, die ik uit den mond van Sophocles gehoord heb:„Ion’s zoon Melicertes, en gij lieflijke Leucathea,Vorstin der fonkelende zee, immer tot hulpe bereid,Nereus’ dochters, en gij, Poseidon, ruischende baren,Gij ook, Thracische wind, zachtste beheerscher der zee,Neemt in genade mij op en voert mij over het zilteZeenat zonder gevaar, naar het geliefde Atheen!”De vaart ging den eersten dag bij gunstigen wind en onder een onbewolkten hemel langs de eilanden van den blauwen Archipel. Voor de beide gelieven was deze vaart door de eilandenzee een[373]zalig genot. Wat zagen zij gaarne, terwijl het ranke vaartuig de baren ruischend doorkliefde van het boord van het schip in de donkerblauwe golven, die in den naasten kring van het schip groen als weilanden en verderop als in schitterend blauw gedoopt schenen en door de tallooze, verblindende zilveren stralen der zon werd beschenen. Meeuwen fladderden om den mast met hare lange, wit gerande vlerken, en in geheele drommen volgden dolfijnen het witte schuimend spoor, dat de kielen, den vloed doorklievend, achter zich lieten. In dartel spel, met de gespleten staarten om zich slaande, vermeiden zij zich in de zilte baren, scheerden over den zeespiegel, om dan weder hunne zwarte, schitterende lichamen in de golven te begraven.Bij het vallen van den nacht liet Pericles de vloot voor Tenos ankeren. Het eentonige gezang der roeiers verstomde en daarmee het ruischen der zee, door de kielen doorkliefd; in den reinen, helderen aether fonkelden de sterren en het maanlicht sloeg in het Oosten zijn gouden brug over de zee.Pericles stond peinzend op het verdek van zijn vaartuig, terwijl alles rondom hem in diepen sluimer verzonken lag.Daar schoof zich eene warme, zachte hand in de zijne.„Waarom staart gij zoo in gedachten op de zee?” vroeg Aspasia: „Koestert gij zoo’n vurig verlangen naar de ambrosische7dochters van Nereus, die met haar rozevoeten de kristallen diepten doorkruisen?”De zilveren klank harer stem wekte den droomer uit zijn gepeinzen.Pericles antwoordde met een kus en zij begonnen te minnekoozen, waarbij zij allengs, bij het heldere maanlicht, als in zoete droomen gewiegd, de geheele zee rondom zich vol leven zagen. Uit de diepten doemden de dochters van Nereus op, rijdend[374]op zeemonsters, en Tritons, die schetterende trompetters ter zee, bliezen op hunne mosselschelpen; te midden van hen verrees de zeenimf Galathea: zij hief haar purperen gewaad uit den vloed en liet het, door zachte koeltjes zwellende, als een zeil boven zich heen golven.Bij het grauwen van den morgen vernamen Pericles en Aspasia plotseling den klank van snaren in de verte. Het klonk hun als de lier van Orpheus8, die toch, naar de oude overlevering, toen de zanger den dood had gevonden, door de Maenaden9in de zee geworpen en door den vloed verder gestuwd was over deAegaeïschezee en welker tonen de zeevaarders somwijlen bij diepe windstilte over den waterspiegel vernamen. De klank derhalve van de onbeheerd ronddobberende lier van Orpheus scheen tot het oor van Pericles en Aspasia door te dringen, tot zij bemerkten, dat de tonen uit de triëre van Sophocles kwamen, die hen naderde, toen de vloot in de schemering van den morgen zich weder in beweging zette. De vrienden begroetten elkander en Sophocles nam de uitnoodiging van Pericles aan om hem een bezoek op zijn schip te brengen. Daar praatten zij over Athene, over het wederzien hunner vrienden, over het feest der Panathenaeën dat onmiddellijk na hunne terugkomst zou gevierd worden, en steeds hooger spande Aspasia de verwachting, waarmede Pericles en Sophocles de verrassingen verbeidden, die Phidias en de zijnen door hun rusteloozen arbeid in dat lange tijdsverloop aan hunne terugkeerende vrienden hadden bereid.Toen nu de dag ten volle was aangebroken en de eerste stralen de zeeverlichtten, doemde ter linker zijde het heilige Delos op, de „Ster der zee”, het eiland van Apollo, schitterend in de morgenzon, als ’t ware gekust door de stralen van den God,[375]aan wien het geheiligd was. Niet zonder innerlijke ontroering staarde Pericles op de overoude eerwaardige parel in den Archipel. Hij dacht aan den dag, toen, als een geschenk van den God, de rijke, gouden schat van dit eiland Athene binnenstroomde. Maar ook het scheepsvolk liet het goddelijk eiland niet zonder vereering aan zijne oogen voorbijgaan. Van de hooge boorden der geheele Atheensche vloot klonk een donderende paeän ter eere van Apollo, den beschermgod van den Ionischen stam, welk lied machtig rolde over den zeespiegel, beschenen door de vriendelijke stralen der morgenzon.Maar gezang en gejubel verdoofden van nu af niet meer op de schepen; eene vroolijke stemming heerschte overal; want nog heden zou men het vaderlandsche strand bereiken en hoe meer men de vurig gewenschte kusten naderde, des te gevleugelder schenen de triëren, gedreven door de zwellende zeilen en den dubbel krachtigen riemslag der roeiers, het zilte sop te doorklieven.De uren vlogen voorbij: reeds was men Tenos en Andros voorbij gestevend. In een zachten, zilveren glans verhieven zich ten noorden van Ceos de hoogten van Euboeä. Ter linkerzijde doemden grootsch en breed getakt, door dien zelfden zilverglans omstraald, de met pijnen begroeide bergen van Aegina op. Een zachte rijp scheen alles te bedekken, gelijk het fluweelen waas de donkere pruimen.Tusschen de beide eilanden echter, verre vooruitspringend op den achtergrond door een krans van eerwaardige hoogten omgord, rees uit de diepten der zee Attica’s gewijde kust.Tallooze oogen zochten haar—met blijde kreten werd zij begroet. Maar de afstand ter zee is bedriegelijk. Reeds was de zon ver naar het westen gedaald, vóór het uitspringend gebergte van Sunion was bereikt, steil zich verheffend, verblindend wit, door de baren omruischt, met den marmeren tempel van Pallas, die met zijne prachtige[376]zuilen eene lichtende stip is voor den zeevaarder.In een wijden kring zeilde de Atheensche vloot om deze gevaarlijke, zuidelijke kaap van Attica, koers zettende naar de prachtige Saronische golf, ter rechter zijde het vaderlandsche strand en de glinsterende tinnen van Athene, links de bergen van de Peloponnesus, waarachter de zon onderging. Toen was alles, van verre en op een afstand, door een gouden rozensluier bedekt. De bergtoppen en de aether daarboven, de zee en de schepen zelve, zij alle waren gehuld in het tooverlicht der laatste uren van den dag. Alles was purper en schitterde als goud. Alleen in het zuidwesten hadden zwarte wolken zich samengepakt. Plotseling schoten de bliksemstralen daaruit te voorschijn en de bergen van Argos stonden in eene zee van vuur. Rustig en grootsch verhieven zich daar tegenover ter rechterzijde de hoogten, die Athene omgeven: de lange bergketen van den Hymettus, de pyramidaal oploopende Pentelicon, de stout verrijzende rotsklomp van den Lycabettus.Thans echter verscheen de heilige, aan ieder Atheensch oog dierbare hoogte van de Acropolis, omgeven door de wijd uitgestrekte stad. Aller blikken wendden zich daarheen. Maar veranderd vonden zij de heilige hoogte; de marmerwitte tinnen, vreemd aan de zoo langen tijd afwezigen, schitterden door den lichten nevel heen in de laatste stralen der ondergaande zon.Niet naar het van verre wenkende hoofd en de flikkerende lansspits der reusachtige Athene Promachos richtte, als anders ditmaal de Atheensche schepeling van het boord van zijn schip het oog naar Sunion’s hoogte, maar aller oogen wendden zich naar die nieuwe, sneeuwwitte tinnen, die door de schemering heenblonken van den top der Acropolis.—En uit één mond klonk de kreet van boord tot boord: „Het Parthenon! Het Parthenon!”——Ter zelfder ure, dat de blikken der terugkeerende overwinnaars naar de hoogte van de Acropolis waren[377]gericht, greep juist daar, in het eerwaardige Erechtheüm nabij de stoute tinnen van het nieuwe Parthenon, eene geheimzinnige en bijna wondervolle gebeurtenis plaats.Het grootste en heerlijkste, om de vier jaren gevierde feest der Atheners, de Panathenaeën, naderde. Op dit feest werd aan de schutsgodin van Athene, de eeuwenlang vereerde Athene Polias, naar oudvaderlijk gebruik een schoon geweven kleed, de zoogenaamde peplos10ten geschenke gebracht. Deze peplos werd op de Acropolis zelve, in het heiligdom van Athene Polias, hetwelk gemeenschap had met het oude Erechtheüm, geweven. Vier meisjes van jeugdigen, bijna nog kinderlijken leeftijd werden uit de aanzienlijkste familiën van Athene gekozen, om die heilige peplos te helpen weven en bovendien nog eenige maanden lang in het gebied van den tempel te verblijven, ten einde onderscheidene andere heilige gebruiken te verrichten, die met den ouden, deels geheimzinnigen eeredienst in het Erechtheüm op den burg samenhingen. Twee dezer meisjes wierden gekozen om op een bepaalden nacht niet lang vóór de feestviering der Panathenaeën, van de Acropolis zich langs een geheimen onderaardschen weg iets onbekends, iets geheimzinnigs, dat niemand zien mocht en dat, naar het heette, zelfs de priesters niet kenden, naar eene grot in het heiligdom, nabij den Illisus gelegen, te dragen en vandaar iets even geheimzinnigs, onbekends naar het heiligdom van Athene Polias op den burg terug te brengen.Onder de jonge meisjes, die ditmaal tot het ambt van Arrhephoren—want zoo werden zij genaamd—verkozen waren, bevond zich het dochtertje van Hipponicus, Hipparete, van wier bevalligheid en zedigheid Hipponicus gesproken had toen hij bij gelegenheid van het feestmaal ter eere zijner choregie aan Pericles had voorgesteld, dit lieve kind voorloopig reeds aan den schoonen Alcibiades[378]te verloven. Inderdaad was Hipparete het toonbeeld van een echt Attischen, hoewel niet volkomen ontloken knop, die ondanks haar kinderlijkheid reeds iets verstandigs en waardigs ten toon spreidde.Met hare overige vriendinnen, die tot een gelijken dienst aan de Godin geroepen waren, vertoefde Hipparete nu op de Acropolis in het tempelgebied der Godin. De meisjes werden hier verpleegd als tot den tempel behoorende. Er was ook eene bijzondere ruimte, waar zij zich door het balspel vermaken konden. De priesteres van Athene Polias had het opzicht over haar. Daar echter het heiligdom der Godin met dat van Erechtheüs vereenigd was, leefden de meisjes ook onder het oog van Diopithes, den Erechtheüs-priester; zelfs was de priesteres van Athene Polias nevens hem slechts een onbeduidende schaduw in het gebied van het Erechtheüm.Hij gaf de meisjes talrijke aanwijzingen en vermaningen, het liefste en het meeste onderhield hij zich met het dochtertje van Hipponicus. Haar boven allen scheen hij zijne gunst te bewijzen, haar roemde hij steeds boven hare vriendinnetjes. Niet zelden sprak hij met haar in langdurige gesprekken over zaken, die haar vader, zijne huiselijke aangelegenheden en het verkeer met zijne gasten betroffen. Hipparete antwoordde hem met de onbevangenheid van een kind. Toen hij haar eens schertsend vroeg, of haar vader nog geen echtgenoot voor haar had gekozen, noemde zij zeer ernstig den pleegzoon van Pericles, den jongen Alcibiades, en zeide, dat haar vader haar aan dezen wilde verloven.„Aan den pleegzoon van Pericles?” riep Diopithes en zijne vriendelijke trekken namen plotseling eene afkeurende, schampere uitdrukking aan.De vijandelijke gezindheid jegens Pericles en allen, die hij als vrienden, raadgevers en dienaars van dezen man beschouwde, was sedert dat gesprek met den ziener Lampon onophoudelijk versterkt[379]geworden. Door de priesteres van Athene Polias, die een werktuig in zijne hand was, stond hij in betrekking met de zuster van Cimon en met de echtgenoote van Pericles, en vernam door haar steeds, wat er in de omgeving van zijn tegenstander voorviel.De avond, waarop het geheimzinnige gebruik zou verricht worden, was aangebroken. De beide uitverkoren meisjes Hipparete, en Lysiske werden uitgedost in kostbare, witte, met goud gestikte kleederen, die hare vaders voor dit doeleinde moesten bekostigen en die, wanneer zij gebruikt waren, het eigendom van het heiligdom bleven.Zoo rijk versierd werden de beide meisjes in het binnenste van het heiligdom van Athene Polias geleid en ontvingen daar van de priesteres in tegenwoordigheid van denErechtheüs-priester, benevens diegenen, die gekomen waren om de heilige plechtigheid als toeschouwer mede te vieren, onder verscheidene ceremoniën de beide bedekte kruiken, om ze van hier langs den geheimzinnigen weg naar de grot in het heiligdom te dragen. Met de linkerhand hielden zij de aarden kruiken tegen de borst, in de rechter droegen zij eene aangestoken fakkel. Vóór zij zich op weg begaven, gaf deErechtheüs-priesterhaar nauwkeurige aanwijzingen over hetgeen zij te doen hadden, vermaande haar iedere misdadige nieuwsgierigheid naar den inhoud der kruiken uit haar gemoed te verbannen en zich over niets, wat haar op weg of in de grot mocht ontmoeten, te beangstigen of in haren heiligen dienst te doen storen. Hij zei haar, dat zij onder de bescherming van den God Erechtheüs zich bevonden, den pleegzoon van de Godin van den dauw Herse, naar wier heiligdom zij zich begaven, en vermaande haar niet te versagen, ook al mocht de God zelf, zij het ook in slangengedaante, als reeds eenmaal in vroegere tijden aan de Arrhephoren, zich op haar weg vertoonen. Alleen dan, wanneer zij het heilige geheim schonden of haar heiligen plicht niet stipt verrichtten,[380]hadden zij den toorn van den God te duchten.Inelk ander geval echter hadden zij slechts gunst en heil van hem te wachten.De beide meisjes begaven zich op weg. In groote spanning en kinderlijk geloof had Hipparete naar de woorden van den priester geluisterd en was vol blijde hoop en vertrouwen. Minder goedsmoeds ging de jongere Lysiske naast haar. Zoo daalden zij beiden den onderaardschen weg af, waarin vele trappen gehouwen waren.Angstigzag Lysiske om zich heen, Hipparete sprak haar moed in.Eindelijk vroeg Lysiske wat er toch wel in die heilige kruiken verborgen mocht zijn.„Wat wij terug zullen brengen,” antwoordde Hipparete, „kan ik mij voorstellen. Wat kan de dauwgodin Herse anders geven dan dauw? Wellicht dus met dauw besproeide twijgen of bloemen.”„Maar wat wij daarheen brengen?” vroeg Lysiske weder.„Ik weet het niet,” hernam Hipparete. „Als wij iets vochtigs naar boven dragen, dan brengen wij vermoedelijk iets droogs of vurigs naar beneden; want evenals het daar beneden in de diepte vochtig is, zoo dor en droog is het op den bergtop.”„Neen,” zei de kleine Lysiske angstig, „wij dragen zeker een grooten uil naar beneden, zooals die daar boven in het metselwerk van het Erechtheüm krassen en brengen eene schrikkelijke slang terug, omdat de slangen zich gaarne in vochtige laagten ophouden.”„Wees niet bang voor slangen,” zei Hipparete, „gij weet toch, dat in hare gedaante zich de God Erechtheüs verbergt en dat deze ons beschut en ons zegent op dezen tocht.”De beide meisjes waren de talrijke trappen afgedaald, hadden het doel van haar tocht bereikt en traden nu door eene in de rotsen gehouwen poort het heiligdom binnen. De grot was verlicht door een lamp, die, vóór een steenen beeld der dauwgodin geplaatst, met eene roode vlam brandde.Onder de ceremoniën, die men haar geleerd had,[381]legden de beide meisjes hare kruiken vóór de Godin neder en waren op ’t punt de gereedstaande, eveneens dicht omhulde kruiken, op te nemen en weg te dragen.Juist sloegen de meisjes haar blikken naar den achtergrond der grot; daar zagen zij bij het schemerlicht eene reusachtige slang ineengerold liggen, met den kop half opgeheven.Lysiske schrikte, verbleekte, sidderde en wilde vluchten, Hipparete hield haar terug en gaf haar de kruik in de hand, waarmede deze beangst en zonder om te zien, haastig wegliep. Toen nam Hipparete de andere kruik en maakte zich gereed de grot te verlaten. Nu echter kwam uit den achtergrond der grot een sterke tocht, waardoor de fakkel van Hipparete en tevens de lamp werden uitgebluscht, zoodat het meisje in het pikdonker stond. Nu zou de vrees ook haar om het hart zijn geslagen, zoo niet op hetzelfde oogenblik uit den achtergrond eene vriendelijke stem haar in de ooren had geklonken, die haar vermaande onverschrokken te blijven, zooals zij tot nu toe geweest was.„Voor uw edelen moed en uwe vrome trouw,” klonk de stem, „verleent de God u, o kind, een geschenk, dat den zegen der Goden en het hoogste geluk u voor uw geheele leven waarborgt.”Op dit oogenblik begon de vlam van de lamp van zelf weder te ontbranden en de God rustte niet meer schrikaanjagend daar, maar in heroëngestalte op de plaats, waar straks de slang haar kop had opgeheven. Hij verlangde, dat het meisje hem naderde. Hipparete deed het onversaagd. Hij trok haar tot zich en drukte een kus op haar voorhoofd, dat die schitterende reinheid had welke men bij half ontloken bladeren waarneemt, wanneer zij juist na een warmen lenteregen uit de bruine knoppen zijn gebroken.„Hebt gij wel nooit hooren spreken,” vroeg hij, „van de goddelijke genade, die aan sterfelijke jonkvrouwen is ten deel gevallen? Hebt gij nooit gehoord[382]van Alcmene en Semele, van Danaë?”De lippen van den spreker trilden een weinig, toen hij die woorden sprak: ook zijn hand beefde, toen hij daarmede het rijkgelokte hoofd van het meisje streelde.„Hebt gij,” ging hij voort, „wel niet hooren spreken van die uitverkoren jonkvrouwen, tot wie Zeus nederdaalde en die niet verschrikten, als de God zich in zoete min tot haar nederboog?”Zoo sprekende sloeg hij zijn arm om het meisje, dat hevig verschrikte; maar zij herkreeg haar moed en luisterde weder geloovig, en in het reine kristal van haar oog spiegelde zich niets af dan de verwachting eener kinderlijke ziel, die de wonderlijke en zegenrijke geschenken te gemoet zag, waarmede de God beloofd had haar te zullen beloonen.Plotseling zei het meisje, in den donkeren hoek van de spelonk ziende:„De slang is toch nog altijd daar—alleen kleiner is zij thans, veel kleiner van gestalte …”Hipparete sprak deze woorden zeer bedaard en zonder de minste aandoening van angst. Men had haar ingeprent, dat zij voor slangen op haar weg niet bang moest zijn en zij vreesde ze ook niet. Zij wist dat daaronder de zegen aanbrengende GodErechtheüszich verborg. Zij had die veel grootere slang niet gevreesd, waarom zou zij die kleinere vreezen?De God echter aan hare zijde ontstelde. De valscheErechtheüsbegon te sidderen voor den toorn van den waarachtigen God. Strak staart hij naar dien hoek en ziet, dat daar in der daad eene slang zich kronkelt. Het vrome kind was overtuigd, dat haar geen leed wedervaren kon, dat zij onder de hoede stond van den GodErechtheüs; de God zelf echter sidderde onder zijn godenmasker, sidderde voor den kruipenden aardworm …Op dat oogenblik weerklinkt van buiten het gejubel van eene volksschare, die langs de grot trok; het was eene menigte, die van den Illisus naar de Piraeüs stormde met den jubelenden kreet: „De[383]vloot van Samos loopt de haven binnen! Pericles is daar! Lang leve Pericles, de Olympiër”.Met een somberen blik in de oogen en eene onheilspellende plooi om zijne lippen verheft zich de eerst door zijn angst, thans door zijn wrok ontmaskerde Erechtheüs-priester.Hij richt zich op en maakt zich gereed, om het kind spoedig uit de grot weg te voeren. Rustig neemt Hipparete, ook nu nog aan haar plicht denkend, de heilige kruik van den grond op. De priester neemt haar bij de hand en trekt haar door den donkeren gang voort. Daar, waar de geheime weg in het binnenste gedeelte van het Erechtheüm uitloopt verlaat hij haar, na streng bevolen te hebben, dat zij over alles wat zij in de grot gezien had, een diep stilzwijgen moest bewaren; dan alleen zou de zegen van den God haar niet onthouden worden.Hipparete ging den verlichten tempel binnen en legde de heilige kruik neder voor de voeten der Godin. Toen dacht zij zwijgend na over de verschijning van den God.En Diopithes?Hij zal heengaan en Erechtheüs trachten te verzoenen en vuriger dan ooit de vrees voor de oude Goden prediken.—Terwijl dit des avonds op de stille hoogte van de Acropolis voorviel, was de terugkeerende vloot den Piraeüs binnengeloopen. In dichte drommen was het Atheensche volk naar buiten gesneld, om de aankomenden te zien en te begroeten.Het was donker geworden, doch de kaden der haven schitterden van fakkels en te grootscher slechts was het schouwspel, toen bij den schijn der fakkels de honderd fiere triëren der zegevierende vloot op de golven kwamen aandrijven.Bijna romantisch schitterden bij den hellen schijn der hoog gezwaaide fakkels de hooge masten, de witte zeilen, de verguldePallasbeeldenen de grillige vormen der scheepsnebben, met de veroverde schilden getooid, met de sieradiën van vernielde[384]vijandelijke schepen en andere tropaeën rijkelijk omhangen.Luide, blijde jubelkreten klonken van de steenen kaden den krijgers in ’t oor.De ontscheping volgde. Toen ook de strategen aan land stapten, drong alles om Pericles heen. Hem gold de luidste jubelkreet der menigte en velen waren er, die bloemen op zijn pad strooiden en hem met kransen overlaadden.Om zich aan deze eerebetuigingen te onttrekken, nam Pericles de uitnoodiging van Hipponicus aan, die hem eene plaats aanbood in zijn, met edele Thessalische paarden bespannen wagen, die op den rijken gastronoom in den Piraeüs wachtte.Aspasia had zich van Pericles moeten scheiden. Een draagstoel wachtte haar, die zij met dicht gesluierd gelaat besteeg en waarin zij naar de stad gevoerd werd.Intusschen was de maan opgegaan en haar glans verspreidde zich over de zee, de kusten en de stad.Pericles had, in den wagen van Hipponicus zwijgend en in gepeinzen verzonken, de stad bereikt. Toen zag hij bij eene plotselinge kromming van den weg, den blik omhoog slaande, vlak vóór zich de toppen van den Acropolis.Hij was getroffen. Eene lichte huivering voer hem door de leden. Onmiddellijk vóór zijne oogen bevond zich hetgeen hij straks uit de schemerende verte had gezien. Verblindend wit bij het schijnsel der maan, scherp tegen den nachtelijken hemel uitkomend, grootsch in de pracht van marmeren gevels en zuilen, stond het pas voltooide werk van Ictinus en Phidias op de schitterende hoogte van de Acropolis.En de betoovering, die nog heden de ziel aangrijpt van hem, die voor de eerste maal op de puinhoopen van het Parthenon te Athenestaat, doortrilde in dat oogenblik de ziel van Pericles.[5]1Antaeüswas een reus, die zoodra hij zijne moeder, de aarde, aanraakte, nieuwe kracht kreeg. Hercules doodde hem door hem boven den grond te houden en zoo dood te drukken.↑2De Nereïden zijn dochters van Nereus, een zeegod en Doris; zij waren vijftig in getal.↑3Asclepius (Aesculapius), de zoon van Apollo en de nimf Coronis, de vader der beroemde geneesheeren Podalirius en Machaon, werd als de God der genees- en heelkunde vereerd.↑4In de Grieksche mythen wordt van een geweldigen zondvloed gewag gemaakt, waaraan alleen de vrome Deucalion en Pyrrha ontkwamen; hun zoon Hellen werd de stamvader der Grieken (Hellenen).↑5Phrynichus van Athene was een leerling van Thespis, een der eerste Grieksche treurspeldichters. In 511 v. C. behaalde hij voor het eerst den prijs in een tragischen wedstrijd; nog eenmaal in 476. Op hoogen ouderdom overleed hij wellicht aan het hof van Hiëro te Syracuse. Hij voerde vrouwenmaskers in en koorliederen, die nog al schoon schijnen geweest te zijn. Zijne stukken zijn alle verloren gegaan; de Ouden noemen vooral zijn „Phoenische vrouwen” en de „Verovering van Milete,” dat in 493 werd opgevoerd. Deze voorstelling schijnt zoo roerend geweest te zijn, dat het volk in tranen uitbarstte (zie Herod. VI. 21); daarom werd Phrynichus tot een zware geldboete veroordeeld, misschien ook omdat hij den Atheners scherp verweten had, dat zij hunne dochterstad niet hadden bijgestaan. Deze Phrynichus worde niet verward met een gelijknamigen blijspeldichter, die tijdens Aristophanes leefde.↑6„De dageraad,” steeds door Homerus de „rozenvingerige” geheeten.↑7Goddelijke, onsterfelijke.↑8Orpheus, een beroemd Thracisch zanger, had zijn zetel op de Rhodope, in het Haemus-gebergte. Zelfs de steenen roerde hij door zijn betooverend lied. Zijne gemalin heette Eurydice; beiden zijn door de zangen van oudere en nieuwere dichters vermaard.↑9Maenas beteekent: razend, dol; de Maenaden, de razenden, deBacchanten.↑10Op deze peplos waren de beroemdste heldenfeiten uit mythe en historie voorgesteld.↑

XIII.DIOPITHES EN HIPPARETE.

Aspasia bevond zich verkleed in mannengewaad op het schip, dat den Atheenschen strateeg naar zijne vloot vóór Samos terugvoerde. Toen de triëre uit de haven roeide, in de open zee, schitterend in de stralen der zon, wierp de Milesische aan de zijde van haar vriend nog een blik naar het bloeiende Ionische strand. Troepen van kraanvogels en langhalzige zwanen vlogen over de beemden en lieten zich klapwiekend neder op den ruischenden oever. Aspasia’s blikken echter hingen aan de verdwijnende tinnen van hare vaderstad. Haar gemoed was doordrongen van het vaste gevoel, dat[357]zij hier op de plaats, waar zij het levenslicht had aanschouwd, den schoonsten triomf haars levens had gevierd en de betooverende keten der liefde vaster dan ooit, ja onverbreekbaar om den gevierdsten Helleenschen man van zijn tijd had geslagen. Ook Pericles staarde met helder schitterend oog terug naar het wijkend strand van Ionië: hij dacht aan de zoet doorleefde dagen en hoe zijne onvergelijkelijke vriendin als een vrouwelijke Antaeüs1uit de aanraking van haar geboortegrond, als ’t ware verdubbelde kracht tot overwinnende, onwederstaanbare bekoorlijkheid had verkregen.„Bijna zou ik kunnen klagen,” zei hij, „dat de uren van zaligheid, in Miletegesleten, voorbij zijn; maar hoe zou mij de gedachte niet bevredigen, dat ik u zelve, als den schoonsten buit, weder met mij voer?”„Overal,” hernam Aspasia, „zal ons het geluk en de liefde volgen; slechts ééne zaak laten wij achter, om ze misschien nimmer weder te vinden: de gelukkige eenzaamheid, die wij hier hebben genoten en de schoone vrijheid van alle knellende banden.”—Pericles boog het hoofd en zag peinzend vóór zich uit.„In Athene teruggekeerd,” vervolgde Aspasia, „zijt gij weder de staatsbestuurder, op wiens doen en laten aller oogen gericht zijn; zijt gij weder burger van Athene, door de strenge wet der overlevering gebonden, zijt gij weder Telesippe’s gemaal—en ik—ik ben weder de vreemde, de van vaderland beroofde, de van recht verstokene, ik ben weder, zooals uwe echtgenoote en hare vriendin zich uitdrukken, de hetaere van Milete.”—Pericles hief langzaam het hoofd op en zag zijne vriendin scherp in het gelaat. „Hebt gij iets anders verlangd Aspasia,” sprak hij, „hebt gij niet altijd den echt als eene slavernij bespot en het vrouwenvertrek[358]van den Athener als eene gevangenis?”„Ik herinner mij niet, Pericles,” hernam Aspasia, „dat gij mij werkelijk ooit gevraagd hebt, aan welken staat ik de voorkeur gaf, aan dien van hetaere of van Atheensche echtgenoote.”„En wanneer ik het deed,” zei Pericles, „wanneer ik u de keuze voorstelde, welk antwoord zoudt gij mij geven?”„Ik zou u zeggen,” hernam Aspasia, „dat ik noch het een noch het andere zou kiezen; dat ik vrijwillig noch hetaere zou willen zijn, noch de echtgenoote van een Athener.”Pericles was getroffen.„De echtgenoote van een Athener?” herhaalde hij toen; „gij schijnt dus niet elke echtverbintenis, maar alleen de Atheensche te versmaden; zeg mij toch, waar ter wereld het ideaal eener echtverbintenis te vinden is, die uwe goedkeuring wegdraagt?”„Ik weet het niet,” hernam Aspasia; „ik denk dat die wel nergens te vinden zal zijn; maar ik draag dat ideaal in mijn binnenste.”„En wat zou er noodig zijn, om datgene wat gij in uw binnenste draagt te verwezenlijken?” vroeg Pericles.„Wanneer er eene echtverbintenis zijn moet,” hernam Aspasia, „dan moet zij gegrondvest zijn op de wet der vrijheid en op de wet der liefde.”„En wat zou ik moeten doen,” vroeg Pericles, „om dit ideaal met u te verwezenlijken?”„Gij zoudt mij alle rechten der gade moeten toestaan,” antwoordde Aspasia, „zonder mij één van de rechten te ontnemen, die gij tot nu toe aan de geliefde hebt gegund.”„Gij wilt dus,” zei Pericles, „dat ik Telesippe verstooten en u in hare plaats als meesteres mijn huis zal binnenleiden? Dat is mij begrijpelijk; maar wat gij overigens verlangt is mij niet duidelijk. Wat bedoelt gij met de rechten, die ik u niet ontnemen mag?”„Boven alles het recht om tusschen mij en u[359]geene andere wet te erkennen, dan die der liefde,” antwoordde Aspasia. „Dan geniet ik dezelfde rechten als gij, evenals eene geliefde, dan ben ik niet de slavin, zooals de echtgenoote. Gij zijt de heer des huizes, niet de mijne; gij zijt tevreden met het offer van mijn hart, zonder mijn geest in boeien te slaan en mij tot de werkeloosheid eener dompige eenzaamheid in het vrouwenvertrek te doemen.”„Gij wilt mij derhalve u hart toewijden,” hernam Pericles; „de gaven en kracht van uw geest echter zullen, evenals thans, het goed van allen zijn. Gij wilt u niet ontzeggen in aanraking te blijven met alles, wat uwe verbeeldingskracht prikkelen, uw geest bezighouden en verrijken kan?”„Ja, dat is mijne meening,” riep Aspasia.„En wanneer wij de proef eens wilden nemen met zulk eene verbintenis,” zei Pericles, „weet gij of zoo’n proef mogelijk is, niet alleen uit het oogpunt van ’t gevestigd gebruik, maar ook uit het oogpunt der liefde zelve?”„Als ze u onmogelijk voorkomt, wie dwingt ons dan die te nemen?” hernam Aspasia glimlachend, terwijl zij haar vriend een teederen kus op het voorhoofd drukte, en aanstonds begon zij over andere dingen te spreken.—De weg naar Samos was spoedig afgelegd. Nadat Pericles hier eenige beschikkingen betreffende de vloot gemaakt had, beklom hij opnieuw eene triëre, om naar Chios te zeilen.„Hoe?” vroeg Aspasia schertsend, „koestert gij zoo groot verlangen uwe vroegere, schoone beminde terug te zien, die, zoo ik meen, bij den dichter Ion op Chios leeft?”Pericles beschouwde het als eene aardigheid en glimlachte.Ditmaal was Sophocles in het geleide van Pericles. De dichter was niet weinig verrast de Milesische in hare vroegere verkleeding op het schip van Pericles terug te zien.Zij was nu weder de bekoorlijke jongeling, wiens[360]geheim slechts aan weinige ingewijden bekend was.Op Chios, het vaderland der edelste druiven die onder Griekschen hemel rijpten, welks bewoners de rijkste lieden van geheel Hellas geheeten werden, leefde de treurspeldichter Ion, een geboren Chiër, die met zijne treurspelen te Athene reeds menigen lauwerkrans had weggedragen. Wel is waar werd er gemompeld, dat hij de Atheensche burgerij door eenige vaten Chiërwijn, die hij ter gelegenheid van de opvoering van zijn eerste stuk het volk aanbood, voor zich en zijne tragedie gunstig gestemd had. Hij was zooals reeds deze mildheid bewees een der rijkste mannen van Chios en oefende daarom een grooten, staatkundigen invloed op zijn vaderland uit.Met Pericles stond Ion op geen goeden voet, sinds beide mannen mededingers naar de bekoorlijke Chrysilla geweest waren, en de dichter was nog steeds op Pericles verstoord, ofschoon de schoone ten laatste de zijne was geworden en den rijken, in weelde levenden man naar zijn geboorteland was gevolgd. Pericles betreurde dien wrok in het gemoed van zijn eenigen medeminnaar; want hij moest voor Athene van Chios eenige belangrijke voordeelen trachten te verwerven en hij vreesde, dat de invloedrijke Ion uit persoonlijke vijandschap hem daarin in den weg zou staan.Sophocles nam op zich Ion met Pericles te verzoenen, en daar niemand tot middelaar zoo van nature geschikt was als de beminnelijke dichter der „Antigone,” die alle menschen voor zich innam, gelukte hem ook die poging bij zijn kunstbroeder Ion zoo uitnemend, dat deze Pericles benevens Sophocles tot zich noodde en het zich tot eene eer rekende de beide Atheensche strategen gastvrij te onthalen.Slechts van den eenen morgen tot den anderen kon Pericles op Chios vertoeven, en nadat het grootste deel van den dag aan politieke onderhandelingen was gewijd, maakte Pericles, door Sophocles vergezeld, zich gereed om aan de uitnoodiging van Ion gevolg te geven.[361]Maar niet zonder een derde begaven zij zich naar het huis van hun Chiïschen gastheer.Aspasia had er, niet zonder geheime bedoeling, op gestaan haar vriend ditmaal als slaaf verkleed te volgen en daar, werwaarts hij zich begaf, naar de gewoonte der slaven, die hunne heeren vergezelden, altijd in zijne nabijheid te blijven.De geheime bedoeling echter der Milesische was geene andere, dan de vernieuwde ontmoeting van Pericles en de schoone Chrysilla onschadelijk te maken en de aandacht haars vriends van Chrysilla en die der schoone van Pericles af te leiden. Pericles willigde het verzoek van Aspasia gaarne in en meende dat de reden daarvan alleen gelegen was in eene vergeeflijke nieuwsgierigheid zijner vriendin, om die Chrysilla eens te leeren kennen.Ion bewoonde een landgoed op de bekoorlijkste plek van het eerst steile, daarna zacht glooiende strand, rondom omringd door latten, die beladen waren met de rijpende gaven van Bacchus, beschenen door de koesterende zon.Hij voerde zijne gasten op een terras, dat op eene der liefelijkste vooruitspringende rotsen lag, door de zee omspoeld. Daarover slingerden zich de schoone wijnranken waaraan de Chiïsche druiven verleidelijk in dichte trossen hingen en tusschen welke aan het oog een verrukkelijk gezicht op de glinsterende zee en de bloeiende omliggende eilanden gegund werd.Naar dit liefelijke oord geleidde Ion zijne vrienden en nadat hunne oogen zich aan het bekoorlijk gezicht vergast hadden, verzocht hijhenzich neder te vlijen op mollige aanligbedden en verkwikte hen met kostelijke gaven. Het edelste Bacchusnat werd rondgediend in zilveren bekers.Chrysilla was ook tegenwoordig. Zij bloeide nog als eene roos, maar de bloei harer ledematen had zich in den loop van den tijd op Chios tot zulk eene weelderigheid ontwikkeld, dat de fijne kunstsmaak van den Athener de maat der schoonheid daarin miste. Zij geleek op eene trotsche, volle[362]roos. Maar de roos is wel de weelderigste en geurigste, niet de schoonste der bloemen.Ion, die in den grond een goedhartig man was en een groot minnaar van het genot, ontving Pericles zonder zijn vroegeren wrok en met ongeveinsde hartelijkheid.Hij hief den beker in de hoogte, gevuld met den vurigsten, schuimenden wijn zijner gaarde en stelde een dronk in op het welzijn van Pericles en zijn vriend, den beroemden, edelen Sophocles.Maar toen Ion in zijn opgewondenheid verder ging en de beide mannen prees om hunne krijgsdaden, die zij als strategen vóór Samos hadden verricht, wees Sophocles voor zijn deel dien lof af en zeide, dat die onverdeeld aan zijn vriend Pericles toekwam.„En toch,” vervolgde Sophocles tot Ion en eenige voorname bewoners van Chios, die door dezen uitgenoodigd waren, „zoudt gij onbillijk zijn, als gij in Pericles boven alles den staatsman en veldheer wildet bewonderen. Van den roem zijner ondernemingen en scheppingen gaat de roep door geheel Hellas, maar deze maakt slechts melding van die eigenschappen van den grooten man, die gerucht verwekken en in verren kring schitteren. Ik weet daarentegen van zijne edele, onopgemerkte deugden meer dan ooit te spreken, sedert ik zijn strijdmakker geweest ben vóór Samos. Van de overwinningen, die hij daar bevochten heeft, weet gij; doch gij weet niet dat, toen ieder der vijftig rijke Samiërs, die hij als gijzelaars naar Lemnos zond, hem heimelijk een talent voor zijne loslating liet bieden, hij deze aanbiedingen, zoowel als de sommen, waarmede de Perzische satraap hem zocht om te koopen, van de hand wees. Anderen vertellen u, hoevele vijandelijke schepen hij in den grond heeft geboord, hoevele vijanden hij gedood heeft—ik zal u echter zeggen hoevelen hij uit medelijden gespaard heeft, hoe spaarzaam hij was met het bloed der zijnen en hoe ik hem een paar maal schertsend tot de soldaten heb hooren zeggen, dat,[363]als het van hem afhing, zij eeuwig zouden leven. Hij vond „ijzeren handen” voor zijne schepen uit, opdat de handen van vleesch en bloed des te meer zouden gespaard worden. Gij weet dat hij een held is in de ure van den strijd; maar ik zeg u, dat hij een wijze is in de ure der rust en dat hij, als hij maar een oogenblik in het leger den tijd heeft, zijn soldaten wind en weer, zons- en maansverduisteringen en alle verschijnselen aan den hemel verklaarde, waarom velen hem voor een toovenaar hielden. Van zijne geleerdheid en wijsgeerigen zin hebben zij zoo’n hoogen dunk, dat velen thans voor zeker beweren, dat hij den Samischen vlootvoogd Melissus, een beroemd wijsgeer, meer door zijne groote krijgskunst, dan wel door zijne doodende sluitredenen op de vlucht heeft geslagen. Er was geen zachter en geen strenger, geen meer gevreesd en meer geliefd man in het leger dan hij, geen die meer zweeg, wanneer het spreken overbodig was en geen, die spraakzamer was, als het noodig was het zwijgen te verbreken. Dit wilde ik u van Pericles zeggen, opdat gij den edelen en voortreffelijken man als zoodanig moogt roemen, niet altijd alleen als strateeg en zeeheld; want in dit opzicht verdient hij wel is waar lof, maar niet onvoorwaardelijk, in zoover hij nadat hij zich vóór Samos zoo dapper had gekweten, te Milete naar ik hoor, zich minder moedig heeft betoond, ja zelfs zijne vloot en veldheersambt bijna vergeten had en eenige dagen langer dan noodig was in de baai daar voor anker heeft gelegen, wat ik als eene strategische fout beschouw.”Ion en de andere toehoorders lachten over deze slotwoorden van Sophocles; Pericles echter bedacht zich niet lang om de rede van zijn vriend te beantwoorden. Hij sprak het volgende:„Mijn ambtgenoot en vriend Sophocles hier wil u overreden, naar ik hoor, mij liever onder de wijzen dan onder de groote strategen te tellen. Gaarne zou ik, om hem niet met gelijke munt te[364]betalen, omgekeerd van hem beweren, dat hij eerder tot de groote strategen dan tot de wijzen behoort, doch het ligt te zeer voor de hand om het te kunnen ontkennen, dat hij met mij in hetzelfde geval verkeert: van de krijgskunst namelijk en van datgene wat tot het zeewezen behoort verstaat hij, om zoo te zeggen, al heel weinig. Hij zal zijn leven lang veel gemakkelijker de namen van alle Nereïden2der zee onthouden, dan de benamingen van de bestanddeelen van eene goedgebouwde Atheensche triëre. Maar hij heeft ons gedurende dezen zeetocht als strateeg een prachtigen paeän op Asclepius3gedicht, die op de geheele vloot gezongen wordt en die, zooals onze stuurlieden en roeiknechten verzekeren, ons bij stormen op zee reeds de voortreffelijkste diensten heeft bewezen. En evenals zijn paeän de opgestuwde golven bedaart en de Goden der zeevaart goedgunstig stemt, zoo is zijn geheele wezen met zachte olie te vergelijken, die al het ruwe glad maakt, al het woest verbolgene bedaart. De matrozen op zijn schip doen wat zij behooren te doen, ook wanneer hij een verkeerd teeken geeft en zij houden hem wel is waar voor een in het zeewezen onervaren, maar toch als een door de Goden geliefd man. Wanneer uit mijn mond woorden van wijsheid komen, naar de menschen meenen, dan gelooven zij tevens, dat ik ze aan den Clazomeniër Anaxagoras ontleend heb; wanneer echter Sophocles den mond opent, zijn allen overtuigd, dat de Goden zelven hem die woorden in den droom hebben ingegeven. Zulk een man, mijne vrienden van Chios, is mijn medestrateeg Sophocles. Ik meen hem geprezen te hebben en ik zou den Goden danken, zoo de lof, dien hij mij toegezwaaid heeft, even wel verdiend is, als die, welken ik hem in deze woorden toebreng.”[365]Zoo roemden, door de vurige gave van Bacchus opgewekt en ongeveinsde hartelijkheid onder het masker van goedhartige scherts verbergend, elkander de beide Atheensche scheepsbevelhebbers in den kring van vroolijke, krachtige mannen, onder de druiventrossen van het schoone terras van Ion.„Ik zou haast blozen,” zei Ion, „als men mannen vóór zich ziet als Pericles en Sophocles, die met ernstige bezigheden vervuld en onophoudelijk voor het algemeene nut werkzaam zijn terwijl men zelf in de afzondering alleen voor het genot en de Muzen leeft. Maar ik geloof, dat naast een roemrijk en schoon werken ook eene loffelijke en schoone ledigheid is. Deze heb ik verkozen.”„Zeker,” zeide Sophocles, „is eene ledigheid schoon te noemen, die schoone vruchten draagt. De Atheners hebben uwe treurspelen nog niet vergeten.”—„Noch uw Chiër-wijn!” voegde Pericles er bij.„Ik weet zeer goed,” hernam Ion, goedhartig glimlachend, „dat gij Atheners beweert, dat ik door mijn wijn uwe gunst voor mijn treurspel wilde koopen, maar gij moogt zeggen wat gij wilt, alleen niet, dat de wijn slecht geweest is. Want, als gij mijn Chiër niet roemt, dan beleedigt gij mij meer, dan wanneer gij mijne treurspelen berispt.”„Ziet me die treurspeldichters toch eens,” zei Pericles,„hoe opgeruimd en vroolijk zij van geest zijn, terwijl zij er van houden in hunne treurspelen zich met de somberste en verschrikkelijkste dingen bezig te houden: altijd spreken zij van den toorn der Goden, overouden vloek, overerfelijke schuld, vreeselijke beschikkingen van het noodlot en dergelijke akeligheden meer …”„Juist omdat wij opgeruimd van geest zijn,” hernam Sophocles, „verkeeren wij moedig met het sombere, wij worstelen daarmede en zouden het gaarne overweldigen. Moedig worstelen wij met die oude, blinde machten van het noodlot, om de menschelijke dingen, zoo goed wij kunnen, uit de betoovering eener duistere noodlottige macht te[366]bevrijden. In de heldere sterrennachten, die ik aan boord van mijne triëre vóór Samos doorbracht, heb ik mij in den geest dikwerf opgehouden met dien lijdenden, Thebaanschen grijsaard en hem gevolgd op zijn lijdensweg, hoe hij het eerst door vertwijfelend berouw of onvrijwillige schuld gedreven, zich van het licht der oogen heeft beroofd en rondzwerft in den vreemde, langzamerhand echter tot een reiner klaarheid en vrijheid gekomen, schuld en berouw ten laatste van zich werpt, vóór het einde zijns levens het grijze hoofd met de fierheid van den onschuldige omhoog heft en van een misdadiger de rechter wordt over hen, die niet onvrijwillig en onbewust zooals hij, niet door eene onverbiddelijke beschikking van het noodlot, maar uit eigen beweging door de verloochening van alle edele, menschelijke gevoelens misdreven hebben.”„Mijn beste vriend,” sprak Ion, „uit hetgeen gij daar over Oedipus zegt spreekt weder de oude, welbekende liefde voor uw geboortevlek, want daar was het toch, dat de grijze lijder tot zijne rust inging.”—„Gaarne beken ik u,” hernam Sophocles, „en ik zie er een gunstig teeken in voor mijne tragische dichtkunst, dat juist in dat vlek, waar ik geboren werd, die overoude, tragische verwikkelingen zich hebben opgelost.”„Eer vrij uwe geboorteplaats,” zei Pericles, „maar dit zult gij mij toch moeten toegeven, dat niet alleen uw vlek, maar geheel Athene de bodem is, waarop overoude verwikkelingen tot eene oplossing komen, oude schuld verzoend wordt, vroegere duisternis bezwijkt op de plaats der heldere Godin Pallas Athene! Op den gezegenden bodem van Athene heeft niet alleen die zwaar beproefde grijsaard, maar ook de jonge Orestes, voortgejaagd door de Furiën, delging van den vloek gevonden, ja, gij allen kent den afgrond in de nabijheid van den onvoltooiden tempel van den Olympischen Zeus en wij willen gaarne gelooven, wat de sage[367]meldt, dat in dezen afgrond de wateren van den Deucalionischen4vloed zich hebben neergestort.”—Onder deze en dergelijke gesprekken was de zon langzamerhand ter kimme gedaald; de zee was over eene groote uitgestrektheid met een purperen gloed getint, die zijn laatsten, gouden glans over het met wijnloof omkranste terras verspreidde. De gasten van Ion ademden met welbehagen de zachte, verfrisschende avondkoeltjes in die over de zee tot hen overwaaiden. Ion liet de bekers opnieuw vullen en het vocht in de zilveren schalen fonkelde, alsof ook daarin de purperen gloed der ondergaande zon zich afspiegelde.Pericles liet zijn beker door geene andere hand, dan door die van zijn slaaf vullen. Deze nam het ambt van schenker met eene bevalligheid waar, die aan het oog van Ion, van de schoone Chrysilla en de overige aanwezigen evenmin ontging, als de schoonheid der trekken van den jongeling. Hij scheen het zich tot taak gesteld te hebben, het ambt van schenker ook bij Sophocles te vervullen, wat de dichter glimlachend en met kennelijke vreugde liet welgevallen.„Uw schenker heeft maar ééne fout, Pericles,” zei hij.„En welke is die?” vroeg Pericles.„Dat hij bij het aanreiken van den beker zoo haastig is,” hernam de dichter; „men zou liever zien, dat hij daarbij een weinig draalde, om zich in de oogen te laten zien, die, naar mij dunkt, eene nadere beschouwing overwaard zijn.”De jongeling bloosde, toen hij na deze woorden van Sophocles aller blikken op zich gericht zag. Deze lachte om de verlegenheid van den knaap en riep met de woorden eens ouderen dichters:„Hoe schoon op purperwangen glanst des Eros’ licht!”[368]„Wat zegt gij van deze verzen van Phrynichus5? Hoe bevallen u die purperwangen?”„Mij bevallen zij niet,” hernam de jongeling, die spoedig zijne tegenwoordigheid van geest hernomen had. „Het komt mij voor, dat de dichters in hunne verzen zaken prijzen, die zij in de werkelijkheid volstrekt niet schoon zouden vinden. Ik geloof, dat eene wang met echt purper geverfd, leelijk zou zijn.”—„Hoe?” riep Sophocles, „dan zoudt gij toch ook de rozenvingeren van Eos6bij Homerus niet schoon kunnen vinden?”„Volstrekt niet,” hernam de jonge slaaf. „Als mijne vingers rood als rozen waren, zou Pericles, mijn meester, gelooven, dat ik mij met het sap der purperslak bezoedeld had en mij bevelen mijne handen te gaan wasschen.”„Och, dat alle hekelende kunstrechters slaven waren als gij!” riep Sophocles. Maar lachend plaagde Pericles hem, omdat hij als dichter nu eindelijk zijn beoordeelaar had gevonden.Verscheidene aardigheden werden er gewisseld; ook vurige blikken, door den gloed van Dionysus bezield, werden hier en daar geworpen en te midden daarvan deden de onzichtbaar rondzwevende minnegoodjes een klein, onschuldig, dartel spel van onderlinge ijverzucht ontbranden. Pericles vond, dat zijn vriend Sophocles het geheim van den schoonen slaaf te weinig eerbiedigde, en van dezen wederom meende hij, zijn ambt van schenker met grooteren ijver dan noodig was vervulde. Aspasia van haren kant dacht opgemerkt te hebben, dat[369]Chrysilla’s blikken die van Pericles telkens ontmoetten en dat deze de zijne somwijlen een tijdlang op de weelderige, bloeiende vormen van Ion’s vriendin deed rusten. Weldra echter veranderde de zaak. Chrysilla had werkelijk in den beginne met hare oogen Pericles gezocht, om uit ijdele, vrouwelijke nieuwsgierigheid uit te vorschen, of de macht harer bekoorlijkheden nog iets vermocht op den man, die haar eens zijne hulde had bewezen.Evenwel kon ook de schoone slaaf, die aller oogen tot zich trok, door haar niet onopgemerkt blijven en dezen van zijn kant scheen het er op gezet te hebben zijne vurigste blikken juist aan Chrysilla te wijden. Zoo gelukte het hem ten laatste de oogen van Ion’s vriendin bijna geheel van Pericles af te leiden en op zich te vestigen. In dit streven werd hij door Sophocles krachtig geholpen.Ion had in den beginne die wisseling van woorden en blikken tusschen Pericles en Chrysilla niet zonder eenig ongenoegen waargenomen en zag ten laatste met even weinig behagen de oplettendheid, die zijne vriendin aan den vreemden jongeling wijdde, doch tevens gaf hij aan zijne vriendin eenige reden tot bezorgdheid, doordat hij den indruk liet bemerken, dien de opgewekte geest en de schoonheid van dezen jongeling bijna geheimzinnig op hem maakten.Nieuwe bekers werden gebracht. Toen Sophocles wederom den zijne uit de hand van den schoonen schenker aannam, beschouwde hij den rand des bekers met een scherp oog en zei, tot den slaaf zich wendend:„Voor de eerste maal moet ik mij beklagen, dat gij niet oplettend genoeg uw ambt vervult. Aan den rand van dezen beker zie ik een klein pluisje, dat gij verzuimd hebt weg te nemen.”Glimlachend wilde de jongeling met zijne fijne vingertoppen over de plaats van den rand des bekers strijken, om het pluisje te verwijderen. Doch Sophocles liet dit niet toe, zeggende:[370]„Zulke dingen moeten niet met de vingers aangeraakt, maar liever met den adem van uw mond zacht weggeblazen worden.” Na deze woorden gesproken te hebben, reikte hij den jongeling den beker, die zich glimlachend bukte, om het pluisje, zooals de dichter wenschte er af te blazen. Deze echter hield den beker zoo, dat het hoofd van den jongeling zoo dicht mogelijk bij het zijne moest komen. Derhalve raakten de gouden lokken van den jongeling bijna onmiddellijk den boezem des dichters. Hij ademde het bedwelmende aroma in, dat daaruit opsteeg en ondervond de zachte aanraking op zijne wangen van het gebogen en weder opgeheven hoofd; hij zette daarop zijne lippen juist op de plaats van den beker, die door den adem van den rozenmond aangeroerd was.Met spiedend oog had Pericles het voorgevallene opgemerkt. „Mijn waarde Sophocles,” zei hij, „ik wist niet dat gij zoo’n haarklover waart, om zooveel drukte van zoo’n onbeduidend pluisje te maken.”„Beken liever,” hernam Sophocles, tevreden glimlachend, „dat gij nu inziet vroeger gedwaald te hebben, toen gij mij in gezelschap van deze allen stoutweg voor een zeer slecht strateeg en krijgskundige hebt uitgemaakt. Intusschen stel u gerust; ik heb de voldoening waarom het mij te doen was, en ik beloof u dat ik het bij dit kleine bewijs mijner groote talenten laten zal.”Zoo sprekende reikte Sophocles zijn vriend de hand en deze drukte ze hartelijk lachend. De schaduwen werden al langer en langer, maar nog laat in de schemering des avonds lieten de klank der bekers en een vroolijk, luidruchtig gesprek op het door de zee bespoelde terras van Ion zich hooren. In de zee was de purperglans allengs verdwenen, maar nog steeds fonkelde het in de steeds opnieuw gevulde, schuimende bekers op Chios.Het was zonderling, maar eindelijk was de schoone vroolijke, geestige schenker van Pericles het middelpunt van het geheele gesprek geworden. Ieder[371]wilde ten laatste alleen door hem zich den beker laten vullen. Ieder wilde een blik uit zijne vroolijke, bezielde oogen opvangen, ieder een geestig woord uit zijn mond vernemen. Toen Chrysilla eens den wensch naar een bijzonder mooien druiventros uitte, die van de latten afhing, haastte zich de vlugge en gedienstige schenker dien te plukken en de dame aan te bieden. Chrysilla bloosde, bloosde voor den slaaf—en niemand verwonderde zich daarover. Ion keurde het niet goed, maar vond het toch zeer verklaarbaar. En zoo draaide zich ten laatste alles om de verkleede Milesische. Ofschoon zij uit eene aardigheid verkozen had te dienen, heerschte zij toch …Eindelijk vroeg Ion, dien zijn eigen kostelijken wijn niet kariger dan zijne gasten had aangesproken, aan Pericles, of hij hem dien slaaf verkoopen wilde.„Neen!” antwoordde Pericles, „ik ben van plan hem zijne vrijheid te geven en nog heden wil ik dat doen—op dit oogenblik! Hij zal voor het laatst deze kleederen gedragen hebben. Hier ten aanschouwe van u allen verklaar ik hem vrij!”—Alle aanwezigen gaven luide hunne goedkeuring over dit besluit te kennen. De bekers werden op de gezondheid van den schenker geledigd en zijne vrijlating met het bloed der edelste druif bezegeld.Eén echter van het vroolijke gezelschap, Pericles zelf, was op het einde ernstig en nadenkend geworden.„Gij hebt,” zei Aspasia lachend tot hem, toen zij van Ion weggingen, „mijne vrijlating met eene plechtigheid uitgesproken, die zelfs hen trof, die niet wisten, dat het maar een grap was.”„Het was geen grap,” hernam Pericles, „ik wil dat gij nooit meer mannenkleeding zult dragen, dat gij nooit meer u zelve vernedert.”„Ik ben verlangend te vernemen,” hernam Aspasia, „hoe gij het de vreemdeling en de zoogenaamde hetaere uit Milete besparen zult, zich te vernederen.”[372]„Dat zult gij vernemen,” zei Pericles.Den volgenden morgen keerde de Atheensche veldheer naar Samos terug en onverwijld gaf hij aan de vloot order den volgenden morgen zeilree te zijn, om eindelijk den terugkeer naar Athene aan te nemen.Met uitbundige blijdschap werd dit bevel begroet en fier met wimpels getooid, zeilde, onder het aanheffen van een donderenden zegezang, bij het krieken van den volgenden dag, het zegevierend Atheensch eskader uit de haven van Samos naar de hooge zee, westwaarts koers zettende, om na eene afwezigheid van elf maanden het vaderland terug te zien.„Ik denk,” zei Aspasia tot haar vriend op het oogenblik van hun vertrek, „dat gij het afgrijzen, ’t welk het verhaal van Artemidorus op den laatsten avond te Milete bij u opwekte, wel reeds op Chios zult overwonnen hebben en dat gij daartoe niet eerst, naar ge meendet, de Attische lucht noodig hebt.”„En toch,” hernam Pericles in vurige opgewondenheid, „is mijne ziel geheel vervuld van een heimwee naar het vaderlandsche strand en steeds klinken al luider en luider in mij eenige verzen, die ik uit den mond van Sophocles gehoord heb:„Ion’s zoon Melicertes, en gij lieflijke Leucathea,Vorstin der fonkelende zee, immer tot hulpe bereid,Nereus’ dochters, en gij, Poseidon, ruischende baren,Gij ook, Thracische wind, zachtste beheerscher der zee,Neemt in genade mij op en voert mij over het zilteZeenat zonder gevaar, naar het geliefde Atheen!”De vaart ging den eersten dag bij gunstigen wind en onder een onbewolkten hemel langs de eilanden van den blauwen Archipel. Voor de beide gelieven was deze vaart door de eilandenzee een[373]zalig genot. Wat zagen zij gaarne, terwijl het ranke vaartuig de baren ruischend doorkliefde van het boord van het schip in de donkerblauwe golven, die in den naasten kring van het schip groen als weilanden en verderop als in schitterend blauw gedoopt schenen en door de tallooze, verblindende zilveren stralen der zon werd beschenen. Meeuwen fladderden om den mast met hare lange, wit gerande vlerken, en in geheele drommen volgden dolfijnen het witte schuimend spoor, dat de kielen, den vloed doorklievend, achter zich lieten. In dartel spel, met de gespleten staarten om zich slaande, vermeiden zij zich in de zilte baren, scheerden over den zeespiegel, om dan weder hunne zwarte, schitterende lichamen in de golven te begraven.Bij het vallen van den nacht liet Pericles de vloot voor Tenos ankeren. Het eentonige gezang der roeiers verstomde en daarmee het ruischen der zee, door de kielen doorkliefd; in den reinen, helderen aether fonkelden de sterren en het maanlicht sloeg in het Oosten zijn gouden brug over de zee.Pericles stond peinzend op het verdek van zijn vaartuig, terwijl alles rondom hem in diepen sluimer verzonken lag.Daar schoof zich eene warme, zachte hand in de zijne.„Waarom staart gij zoo in gedachten op de zee?” vroeg Aspasia: „Koestert gij zoo’n vurig verlangen naar de ambrosische7dochters van Nereus, die met haar rozevoeten de kristallen diepten doorkruisen?”De zilveren klank harer stem wekte den droomer uit zijn gepeinzen.Pericles antwoordde met een kus en zij begonnen te minnekoozen, waarbij zij allengs, bij het heldere maanlicht, als in zoete droomen gewiegd, de geheele zee rondom zich vol leven zagen. Uit de diepten doemden de dochters van Nereus op, rijdend[374]op zeemonsters, en Tritons, die schetterende trompetters ter zee, bliezen op hunne mosselschelpen; te midden van hen verrees de zeenimf Galathea: zij hief haar purperen gewaad uit den vloed en liet het, door zachte koeltjes zwellende, als een zeil boven zich heen golven.Bij het grauwen van den morgen vernamen Pericles en Aspasia plotseling den klank van snaren in de verte. Het klonk hun als de lier van Orpheus8, die toch, naar de oude overlevering, toen de zanger den dood had gevonden, door de Maenaden9in de zee geworpen en door den vloed verder gestuwd was over deAegaeïschezee en welker tonen de zeevaarders somwijlen bij diepe windstilte over den waterspiegel vernamen. De klank derhalve van de onbeheerd ronddobberende lier van Orpheus scheen tot het oor van Pericles en Aspasia door te dringen, tot zij bemerkten, dat de tonen uit de triëre van Sophocles kwamen, die hen naderde, toen de vloot in de schemering van den morgen zich weder in beweging zette. De vrienden begroetten elkander en Sophocles nam de uitnoodiging van Pericles aan om hem een bezoek op zijn schip te brengen. Daar praatten zij over Athene, over het wederzien hunner vrienden, over het feest der Panathenaeën dat onmiddellijk na hunne terugkomst zou gevierd worden, en steeds hooger spande Aspasia de verwachting, waarmede Pericles en Sophocles de verrassingen verbeidden, die Phidias en de zijnen door hun rusteloozen arbeid in dat lange tijdsverloop aan hunne terugkeerende vrienden hadden bereid.Toen nu de dag ten volle was aangebroken en de eerste stralen de zeeverlichtten, doemde ter linker zijde het heilige Delos op, de „Ster der zee”, het eiland van Apollo, schitterend in de morgenzon, als ’t ware gekust door de stralen van den God,[375]aan wien het geheiligd was. Niet zonder innerlijke ontroering staarde Pericles op de overoude eerwaardige parel in den Archipel. Hij dacht aan den dag, toen, als een geschenk van den God, de rijke, gouden schat van dit eiland Athene binnenstroomde. Maar ook het scheepsvolk liet het goddelijk eiland niet zonder vereering aan zijne oogen voorbijgaan. Van de hooge boorden der geheele Atheensche vloot klonk een donderende paeän ter eere van Apollo, den beschermgod van den Ionischen stam, welk lied machtig rolde over den zeespiegel, beschenen door de vriendelijke stralen der morgenzon.Maar gezang en gejubel verdoofden van nu af niet meer op de schepen; eene vroolijke stemming heerschte overal; want nog heden zou men het vaderlandsche strand bereiken en hoe meer men de vurig gewenschte kusten naderde, des te gevleugelder schenen de triëren, gedreven door de zwellende zeilen en den dubbel krachtigen riemslag der roeiers, het zilte sop te doorklieven.De uren vlogen voorbij: reeds was men Tenos en Andros voorbij gestevend. In een zachten, zilveren glans verhieven zich ten noorden van Ceos de hoogten van Euboeä. Ter linkerzijde doemden grootsch en breed getakt, door dien zelfden zilverglans omstraald, de met pijnen begroeide bergen van Aegina op. Een zachte rijp scheen alles te bedekken, gelijk het fluweelen waas de donkere pruimen.Tusschen de beide eilanden echter, verre vooruitspringend op den achtergrond door een krans van eerwaardige hoogten omgord, rees uit de diepten der zee Attica’s gewijde kust.Tallooze oogen zochten haar—met blijde kreten werd zij begroet. Maar de afstand ter zee is bedriegelijk. Reeds was de zon ver naar het westen gedaald, vóór het uitspringend gebergte van Sunion was bereikt, steil zich verheffend, verblindend wit, door de baren omruischt, met den marmeren tempel van Pallas, die met zijne prachtige[376]zuilen eene lichtende stip is voor den zeevaarder.In een wijden kring zeilde de Atheensche vloot om deze gevaarlijke, zuidelijke kaap van Attica, koers zettende naar de prachtige Saronische golf, ter rechter zijde het vaderlandsche strand en de glinsterende tinnen van Athene, links de bergen van de Peloponnesus, waarachter de zon onderging. Toen was alles, van verre en op een afstand, door een gouden rozensluier bedekt. De bergtoppen en de aether daarboven, de zee en de schepen zelve, zij alle waren gehuld in het tooverlicht der laatste uren van den dag. Alles was purper en schitterde als goud. Alleen in het zuidwesten hadden zwarte wolken zich samengepakt. Plotseling schoten de bliksemstralen daaruit te voorschijn en de bergen van Argos stonden in eene zee van vuur. Rustig en grootsch verhieven zich daar tegenover ter rechterzijde de hoogten, die Athene omgeven: de lange bergketen van den Hymettus, de pyramidaal oploopende Pentelicon, de stout verrijzende rotsklomp van den Lycabettus.Thans echter verscheen de heilige, aan ieder Atheensch oog dierbare hoogte van de Acropolis, omgeven door de wijd uitgestrekte stad. Aller blikken wendden zich daarheen. Maar veranderd vonden zij de heilige hoogte; de marmerwitte tinnen, vreemd aan de zoo langen tijd afwezigen, schitterden door den lichten nevel heen in de laatste stralen der ondergaande zon.Niet naar het van verre wenkende hoofd en de flikkerende lansspits der reusachtige Athene Promachos richtte, als anders ditmaal de Atheensche schepeling van het boord van zijn schip het oog naar Sunion’s hoogte, maar aller oogen wendden zich naar die nieuwe, sneeuwwitte tinnen, die door de schemering heenblonken van den top der Acropolis.—En uit één mond klonk de kreet van boord tot boord: „Het Parthenon! Het Parthenon!”——Ter zelfder ure, dat de blikken der terugkeerende overwinnaars naar de hoogte van de Acropolis waren[377]gericht, greep juist daar, in het eerwaardige Erechtheüm nabij de stoute tinnen van het nieuwe Parthenon, eene geheimzinnige en bijna wondervolle gebeurtenis plaats.Het grootste en heerlijkste, om de vier jaren gevierde feest der Atheners, de Panathenaeën, naderde. Op dit feest werd aan de schutsgodin van Athene, de eeuwenlang vereerde Athene Polias, naar oudvaderlijk gebruik een schoon geweven kleed, de zoogenaamde peplos10ten geschenke gebracht. Deze peplos werd op de Acropolis zelve, in het heiligdom van Athene Polias, hetwelk gemeenschap had met het oude Erechtheüm, geweven. Vier meisjes van jeugdigen, bijna nog kinderlijken leeftijd werden uit de aanzienlijkste familiën van Athene gekozen, om die heilige peplos te helpen weven en bovendien nog eenige maanden lang in het gebied van den tempel te verblijven, ten einde onderscheidene andere heilige gebruiken te verrichten, die met den ouden, deels geheimzinnigen eeredienst in het Erechtheüm op den burg samenhingen. Twee dezer meisjes wierden gekozen om op een bepaalden nacht niet lang vóór de feestviering der Panathenaeën, van de Acropolis zich langs een geheimen onderaardschen weg iets onbekends, iets geheimzinnigs, dat niemand zien mocht en dat, naar het heette, zelfs de priesters niet kenden, naar eene grot in het heiligdom, nabij den Illisus gelegen, te dragen en vandaar iets even geheimzinnigs, onbekends naar het heiligdom van Athene Polias op den burg terug te brengen.Onder de jonge meisjes, die ditmaal tot het ambt van Arrhephoren—want zoo werden zij genaamd—verkozen waren, bevond zich het dochtertje van Hipponicus, Hipparete, van wier bevalligheid en zedigheid Hipponicus gesproken had toen hij bij gelegenheid van het feestmaal ter eere zijner choregie aan Pericles had voorgesteld, dit lieve kind voorloopig reeds aan den schoonen Alcibiades[378]te verloven. Inderdaad was Hipparete het toonbeeld van een echt Attischen, hoewel niet volkomen ontloken knop, die ondanks haar kinderlijkheid reeds iets verstandigs en waardigs ten toon spreidde.Met hare overige vriendinnen, die tot een gelijken dienst aan de Godin geroepen waren, vertoefde Hipparete nu op de Acropolis in het tempelgebied der Godin. De meisjes werden hier verpleegd als tot den tempel behoorende. Er was ook eene bijzondere ruimte, waar zij zich door het balspel vermaken konden. De priesteres van Athene Polias had het opzicht over haar. Daar echter het heiligdom der Godin met dat van Erechtheüs vereenigd was, leefden de meisjes ook onder het oog van Diopithes, den Erechtheüs-priester; zelfs was de priesteres van Athene Polias nevens hem slechts een onbeduidende schaduw in het gebied van het Erechtheüm.Hij gaf de meisjes talrijke aanwijzingen en vermaningen, het liefste en het meeste onderhield hij zich met het dochtertje van Hipponicus. Haar boven allen scheen hij zijne gunst te bewijzen, haar roemde hij steeds boven hare vriendinnetjes. Niet zelden sprak hij met haar in langdurige gesprekken over zaken, die haar vader, zijne huiselijke aangelegenheden en het verkeer met zijne gasten betroffen. Hipparete antwoordde hem met de onbevangenheid van een kind. Toen hij haar eens schertsend vroeg, of haar vader nog geen echtgenoot voor haar had gekozen, noemde zij zeer ernstig den pleegzoon van Pericles, den jongen Alcibiades, en zeide, dat haar vader haar aan dezen wilde verloven.„Aan den pleegzoon van Pericles?” riep Diopithes en zijne vriendelijke trekken namen plotseling eene afkeurende, schampere uitdrukking aan.De vijandelijke gezindheid jegens Pericles en allen, die hij als vrienden, raadgevers en dienaars van dezen man beschouwde, was sedert dat gesprek met den ziener Lampon onophoudelijk versterkt[379]geworden. Door de priesteres van Athene Polias, die een werktuig in zijne hand was, stond hij in betrekking met de zuster van Cimon en met de echtgenoote van Pericles, en vernam door haar steeds, wat er in de omgeving van zijn tegenstander voorviel.De avond, waarop het geheimzinnige gebruik zou verricht worden, was aangebroken. De beide uitverkoren meisjes Hipparete, en Lysiske werden uitgedost in kostbare, witte, met goud gestikte kleederen, die hare vaders voor dit doeleinde moesten bekostigen en die, wanneer zij gebruikt waren, het eigendom van het heiligdom bleven.Zoo rijk versierd werden de beide meisjes in het binnenste van het heiligdom van Athene Polias geleid en ontvingen daar van de priesteres in tegenwoordigheid van denErechtheüs-priester, benevens diegenen, die gekomen waren om de heilige plechtigheid als toeschouwer mede te vieren, onder verscheidene ceremoniën de beide bedekte kruiken, om ze van hier langs den geheimzinnigen weg naar de grot in het heiligdom te dragen. Met de linkerhand hielden zij de aarden kruiken tegen de borst, in de rechter droegen zij eene aangestoken fakkel. Vóór zij zich op weg begaven, gaf deErechtheüs-priesterhaar nauwkeurige aanwijzingen over hetgeen zij te doen hadden, vermaande haar iedere misdadige nieuwsgierigheid naar den inhoud der kruiken uit haar gemoed te verbannen en zich over niets, wat haar op weg of in de grot mocht ontmoeten, te beangstigen of in haren heiligen dienst te doen storen. Hij zei haar, dat zij onder de bescherming van den God Erechtheüs zich bevonden, den pleegzoon van de Godin van den dauw Herse, naar wier heiligdom zij zich begaven, en vermaande haar niet te versagen, ook al mocht de God zelf, zij het ook in slangengedaante, als reeds eenmaal in vroegere tijden aan de Arrhephoren, zich op haar weg vertoonen. Alleen dan, wanneer zij het heilige geheim schonden of haar heiligen plicht niet stipt verrichtten,[380]hadden zij den toorn van den God te duchten.Inelk ander geval echter hadden zij slechts gunst en heil van hem te wachten.De beide meisjes begaven zich op weg. In groote spanning en kinderlijk geloof had Hipparete naar de woorden van den priester geluisterd en was vol blijde hoop en vertrouwen. Minder goedsmoeds ging de jongere Lysiske naast haar. Zoo daalden zij beiden den onderaardschen weg af, waarin vele trappen gehouwen waren.Angstigzag Lysiske om zich heen, Hipparete sprak haar moed in.Eindelijk vroeg Lysiske wat er toch wel in die heilige kruiken verborgen mocht zijn.„Wat wij terug zullen brengen,” antwoordde Hipparete, „kan ik mij voorstellen. Wat kan de dauwgodin Herse anders geven dan dauw? Wellicht dus met dauw besproeide twijgen of bloemen.”„Maar wat wij daarheen brengen?” vroeg Lysiske weder.„Ik weet het niet,” hernam Hipparete. „Als wij iets vochtigs naar boven dragen, dan brengen wij vermoedelijk iets droogs of vurigs naar beneden; want evenals het daar beneden in de diepte vochtig is, zoo dor en droog is het op den bergtop.”„Neen,” zei de kleine Lysiske angstig, „wij dragen zeker een grooten uil naar beneden, zooals die daar boven in het metselwerk van het Erechtheüm krassen en brengen eene schrikkelijke slang terug, omdat de slangen zich gaarne in vochtige laagten ophouden.”„Wees niet bang voor slangen,” zei Hipparete, „gij weet toch, dat in hare gedaante zich de God Erechtheüs verbergt en dat deze ons beschut en ons zegent op dezen tocht.”De beide meisjes waren de talrijke trappen afgedaald, hadden het doel van haar tocht bereikt en traden nu door eene in de rotsen gehouwen poort het heiligdom binnen. De grot was verlicht door een lamp, die, vóór een steenen beeld der dauwgodin geplaatst, met eene roode vlam brandde.Onder de ceremoniën, die men haar geleerd had,[381]legden de beide meisjes hare kruiken vóór de Godin neder en waren op ’t punt de gereedstaande, eveneens dicht omhulde kruiken, op te nemen en weg te dragen.Juist sloegen de meisjes haar blikken naar den achtergrond der grot; daar zagen zij bij het schemerlicht eene reusachtige slang ineengerold liggen, met den kop half opgeheven.Lysiske schrikte, verbleekte, sidderde en wilde vluchten, Hipparete hield haar terug en gaf haar de kruik in de hand, waarmede deze beangst en zonder om te zien, haastig wegliep. Toen nam Hipparete de andere kruik en maakte zich gereed de grot te verlaten. Nu echter kwam uit den achtergrond der grot een sterke tocht, waardoor de fakkel van Hipparete en tevens de lamp werden uitgebluscht, zoodat het meisje in het pikdonker stond. Nu zou de vrees ook haar om het hart zijn geslagen, zoo niet op hetzelfde oogenblik uit den achtergrond eene vriendelijke stem haar in de ooren had geklonken, die haar vermaande onverschrokken te blijven, zooals zij tot nu toe geweest was.„Voor uw edelen moed en uwe vrome trouw,” klonk de stem, „verleent de God u, o kind, een geschenk, dat den zegen der Goden en het hoogste geluk u voor uw geheele leven waarborgt.”Op dit oogenblik begon de vlam van de lamp van zelf weder te ontbranden en de God rustte niet meer schrikaanjagend daar, maar in heroëngestalte op de plaats, waar straks de slang haar kop had opgeheven. Hij verlangde, dat het meisje hem naderde. Hipparete deed het onversaagd. Hij trok haar tot zich en drukte een kus op haar voorhoofd, dat die schitterende reinheid had welke men bij half ontloken bladeren waarneemt, wanneer zij juist na een warmen lenteregen uit de bruine knoppen zijn gebroken.„Hebt gij wel nooit hooren spreken,” vroeg hij, „van de goddelijke genade, die aan sterfelijke jonkvrouwen is ten deel gevallen? Hebt gij nooit gehoord[382]van Alcmene en Semele, van Danaë?”De lippen van den spreker trilden een weinig, toen hij die woorden sprak: ook zijn hand beefde, toen hij daarmede het rijkgelokte hoofd van het meisje streelde.„Hebt gij,” ging hij voort, „wel niet hooren spreken van die uitverkoren jonkvrouwen, tot wie Zeus nederdaalde en die niet verschrikten, als de God zich in zoete min tot haar nederboog?”Zoo sprekende sloeg hij zijn arm om het meisje, dat hevig verschrikte; maar zij herkreeg haar moed en luisterde weder geloovig, en in het reine kristal van haar oog spiegelde zich niets af dan de verwachting eener kinderlijke ziel, die de wonderlijke en zegenrijke geschenken te gemoet zag, waarmede de God beloofd had haar te zullen beloonen.Plotseling zei het meisje, in den donkeren hoek van de spelonk ziende:„De slang is toch nog altijd daar—alleen kleiner is zij thans, veel kleiner van gestalte …”Hipparete sprak deze woorden zeer bedaard en zonder de minste aandoening van angst. Men had haar ingeprent, dat zij voor slangen op haar weg niet bang moest zijn en zij vreesde ze ook niet. Zij wist dat daaronder de zegen aanbrengende GodErechtheüszich verborg. Zij had die veel grootere slang niet gevreesd, waarom zou zij die kleinere vreezen?De God echter aan hare zijde ontstelde. De valscheErechtheüsbegon te sidderen voor den toorn van den waarachtigen God. Strak staart hij naar dien hoek en ziet, dat daar in der daad eene slang zich kronkelt. Het vrome kind was overtuigd, dat haar geen leed wedervaren kon, dat zij onder de hoede stond van den GodErechtheüs; de God zelf echter sidderde onder zijn godenmasker, sidderde voor den kruipenden aardworm …Op dat oogenblik weerklinkt van buiten het gejubel van eene volksschare, die langs de grot trok; het was eene menigte, die van den Illisus naar de Piraeüs stormde met den jubelenden kreet: „De[383]vloot van Samos loopt de haven binnen! Pericles is daar! Lang leve Pericles, de Olympiër”.Met een somberen blik in de oogen en eene onheilspellende plooi om zijne lippen verheft zich de eerst door zijn angst, thans door zijn wrok ontmaskerde Erechtheüs-priester.Hij richt zich op en maakt zich gereed, om het kind spoedig uit de grot weg te voeren. Rustig neemt Hipparete, ook nu nog aan haar plicht denkend, de heilige kruik van den grond op. De priester neemt haar bij de hand en trekt haar door den donkeren gang voort. Daar, waar de geheime weg in het binnenste gedeelte van het Erechtheüm uitloopt verlaat hij haar, na streng bevolen te hebben, dat zij over alles wat zij in de grot gezien had, een diep stilzwijgen moest bewaren; dan alleen zou de zegen van den God haar niet onthouden worden.Hipparete ging den verlichten tempel binnen en legde de heilige kruik neder voor de voeten der Godin. Toen dacht zij zwijgend na over de verschijning van den God.En Diopithes?Hij zal heengaan en Erechtheüs trachten te verzoenen en vuriger dan ooit de vrees voor de oude Goden prediken.—Terwijl dit des avonds op de stille hoogte van de Acropolis voorviel, was de terugkeerende vloot den Piraeüs binnengeloopen. In dichte drommen was het Atheensche volk naar buiten gesneld, om de aankomenden te zien en te begroeten.Het was donker geworden, doch de kaden der haven schitterden van fakkels en te grootscher slechts was het schouwspel, toen bij den schijn der fakkels de honderd fiere triëren der zegevierende vloot op de golven kwamen aandrijven.Bijna romantisch schitterden bij den hellen schijn der hoog gezwaaide fakkels de hooge masten, de witte zeilen, de verguldePallasbeeldenen de grillige vormen der scheepsnebben, met de veroverde schilden getooid, met de sieradiën van vernielde[384]vijandelijke schepen en andere tropaeën rijkelijk omhangen.Luide, blijde jubelkreten klonken van de steenen kaden den krijgers in ’t oor.De ontscheping volgde. Toen ook de strategen aan land stapten, drong alles om Pericles heen. Hem gold de luidste jubelkreet der menigte en velen waren er, die bloemen op zijn pad strooiden en hem met kransen overlaadden.Om zich aan deze eerebetuigingen te onttrekken, nam Pericles de uitnoodiging van Hipponicus aan, die hem eene plaats aanbood in zijn, met edele Thessalische paarden bespannen wagen, die op den rijken gastronoom in den Piraeüs wachtte.Aspasia had zich van Pericles moeten scheiden. Een draagstoel wachtte haar, die zij met dicht gesluierd gelaat besteeg en waarin zij naar de stad gevoerd werd.Intusschen was de maan opgegaan en haar glans verspreidde zich over de zee, de kusten en de stad.Pericles had, in den wagen van Hipponicus zwijgend en in gepeinzen verzonken, de stad bereikt. Toen zag hij bij eene plotselinge kromming van den weg, den blik omhoog slaande, vlak vóór zich de toppen van den Acropolis.Hij was getroffen. Eene lichte huivering voer hem door de leden. Onmiddellijk vóór zijne oogen bevond zich hetgeen hij straks uit de schemerende verte had gezien. Verblindend wit bij het schijnsel der maan, scherp tegen den nachtelijken hemel uitkomend, grootsch in de pracht van marmeren gevels en zuilen, stond het pas voltooide werk van Ictinus en Phidias op de schitterende hoogte van de Acropolis.En de betoovering, die nog heden de ziel aangrijpt van hem, die voor de eerste maal op de puinhoopen van het Parthenon te Athenestaat, doortrilde in dat oogenblik de ziel van Pericles.[5]

Aspasia bevond zich verkleed in mannengewaad op het schip, dat den Atheenschen strateeg naar zijne vloot vóór Samos terugvoerde. Toen de triëre uit de haven roeide, in de open zee, schitterend in de stralen der zon, wierp de Milesische aan de zijde van haar vriend nog een blik naar het bloeiende Ionische strand. Troepen van kraanvogels en langhalzige zwanen vlogen over de beemden en lieten zich klapwiekend neder op den ruischenden oever. Aspasia’s blikken echter hingen aan de verdwijnende tinnen van hare vaderstad. Haar gemoed was doordrongen van het vaste gevoel, dat[357]zij hier op de plaats, waar zij het levenslicht had aanschouwd, den schoonsten triomf haars levens had gevierd en de betooverende keten der liefde vaster dan ooit, ja onverbreekbaar om den gevierdsten Helleenschen man van zijn tijd had geslagen. Ook Pericles staarde met helder schitterend oog terug naar het wijkend strand van Ionië: hij dacht aan de zoet doorleefde dagen en hoe zijne onvergelijkelijke vriendin als een vrouwelijke Antaeüs1uit de aanraking van haar geboortegrond, als ’t ware verdubbelde kracht tot overwinnende, onwederstaanbare bekoorlijkheid had verkregen.

„Bijna zou ik kunnen klagen,” zei hij, „dat de uren van zaligheid, in Miletegesleten, voorbij zijn; maar hoe zou mij de gedachte niet bevredigen, dat ik u zelve, als den schoonsten buit, weder met mij voer?”

„Overal,” hernam Aspasia, „zal ons het geluk en de liefde volgen; slechts ééne zaak laten wij achter, om ze misschien nimmer weder te vinden: de gelukkige eenzaamheid, die wij hier hebben genoten en de schoone vrijheid van alle knellende banden.”—

Pericles boog het hoofd en zag peinzend vóór zich uit.

„In Athene teruggekeerd,” vervolgde Aspasia, „zijt gij weder de staatsbestuurder, op wiens doen en laten aller oogen gericht zijn; zijt gij weder burger van Athene, door de strenge wet der overlevering gebonden, zijt gij weder Telesippe’s gemaal—en ik—ik ben weder de vreemde, de van vaderland beroofde, de van recht verstokene, ik ben weder, zooals uwe echtgenoote en hare vriendin zich uitdrukken, de hetaere van Milete.”—

Pericles hief langzaam het hoofd op en zag zijne vriendin scherp in het gelaat. „Hebt gij iets anders verlangd Aspasia,” sprak hij, „hebt gij niet altijd den echt als eene slavernij bespot en het vrouwenvertrek[358]van den Athener als eene gevangenis?”

„Ik herinner mij niet, Pericles,” hernam Aspasia, „dat gij mij werkelijk ooit gevraagd hebt, aan welken staat ik de voorkeur gaf, aan dien van hetaere of van Atheensche echtgenoote.”

„En wanneer ik het deed,” zei Pericles, „wanneer ik u de keuze voorstelde, welk antwoord zoudt gij mij geven?”

„Ik zou u zeggen,” hernam Aspasia, „dat ik noch het een noch het andere zou kiezen; dat ik vrijwillig noch hetaere zou willen zijn, noch de echtgenoote van een Athener.”

Pericles was getroffen.

„De echtgenoote van een Athener?” herhaalde hij toen; „gij schijnt dus niet elke echtverbintenis, maar alleen de Atheensche te versmaden; zeg mij toch, waar ter wereld het ideaal eener echtverbintenis te vinden is, die uwe goedkeuring wegdraagt?”

„Ik weet het niet,” hernam Aspasia; „ik denk dat die wel nergens te vinden zal zijn; maar ik draag dat ideaal in mijn binnenste.”

„En wat zou er noodig zijn, om datgene wat gij in uw binnenste draagt te verwezenlijken?” vroeg Pericles.

„Wanneer er eene echtverbintenis zijn moet,” hernam Aspasia, „dan moet zij gegrondvest zijn op de wet der vrijheid en op de wet der liefde.”

„En wat zou ik moeten doen,” vroeg Pericles, „om dit ideaal met u te verwezenlijken?”

„Gij zoudt mij alle rechten der gade moeten toestaan,” antwoordde Aspasia, „zonder mij één van de rechten te ontnemen, die gij tot nu toe aan de geliefde hebt gegund.”

„Gij wilt dus,” zei Pericles, „dat ik Telesippe verstooten en u in hare plaats als meesteres mijn huis zal binnenleiden? Dat is mij begrijpelijk; maar wat gij overigens verlangt is mij niet duidelijk. Wat bedoelt gij met de rechten, die ik u niet ontnemen mag?”

„Boven alles het recht om tusschen mij en u[359]geene andere wet te erkennen, dan die der liefde,” antwoordde Aspasia. „Dan geniet ik dezelfde rechten als gij, evenals eene geliefde, dan ben ik niet de slavin, zooals de echtgenoote. Gij zijt de heer des huizes, niet de mijne; gij zijt tevreden met het offer van mijn hart, zonder mijn geest in boeien te slaan en mij tot de werkeloosheid eener dompige eenzaamheid in het vrouwenvertrek te doemen.”

„Gij wilt mij derhalve u hart toewijden,” hernam Pericles; „de gaven en kracht van uw geest echter zullen, evenals thans, het goed van allen zijn. Gij wilt u niet ontzeggen in aanraking te blijven met alles, wat uwe verbeeldingskracht prikkelen, uw geest bezighouden en verrijken kan?”

„Ja, dat is mijne meening,” riep Aspasia.

„En wanneer wij de proef eens wilden nemen met zulk eene verbintenis,” zei Pericles, „weet gij of zoo’n proef mogelijk is, niet alleen uit het oogpunt van ’t gevestigd gebruik, maar ook uit het oogpunt der liefde zelve?”

„Als ze u onmogelijk voorkomt, wie dwingt ons dan die te nemen?” hernam Aspasia glimlachend, terwijl zij haar vriend een teederen kus op het voorhoofd drukte, en aanstonds begon zij over andere dingen te spreken.—

De weg naar Samos was spoedig afgelegd. Nadat Pericles hier eenige beschikkingen betreffende de vloot gemaakt had, beklom hij opnieuw eene triëre, om naar Chios te zeilen.

„Hoe?” vroeg Aspasia schertsend, „koestert gij zoo groot verlangen uwe vroegere, schoone beminde terug te zien, die, zoo ik meen, bij den dichter Ion op Chios leeft?”

Pericles beschouwde het als eene aardigheid en glimlachte.

Ditmaal was Sophocles in het geleide van Pericles. De dichter was niet weinig verrast de Milesische in hare vroegere verkleeding op het schip van Pericles terug te zien.

Zij was nu weder de bekoorlijke jongeling, wiens[360]geheim slechts aan weinige ingewijden bekend was.

Op Chios, het vaderland der edelste druiven die onder Griekschen hemel rijpten, welks bewoners de rijkste lieden van geheel Hellas geheeten werden, leefde de treurspeldichter Ion, een geboren Chiër, die met zijne treurspelen te Athene reeds menigen lauwerkrans had weggedragen. Wel is waar werd er gemompeld, dat hij de Atheensche burgerij door eenige vaten Chiërwijn, die hij ter gelegenheid van de opvoering van zijn eerste stuk het volk aanbood, voor zich en zijne tragedie gunstig gestemd had. Hij was zooals reeds deze mildheid bewees een der rijkste mannen van Chios en oefende daarom een grooten, staatkundigen invloed op zijn vaderland uit.

Met Pericles stond Ion op geen goeden voet, sinds beide mannen mededingers naar de bekoorlijke Chrysilla geweest waren, en de dichter was nog steeds op Pericles verstoord, ofschoon de schoone ten laatste de zijne was geworden en den rijken, in weelde levenden man naar zijn geboorteland was gevolgd. Pericles betreurde dien wrok in het gemoed van zijn eenigen medeminnaar; want hij moest voor Athene van Chios eenige belangrijke voordeelen trachten te verwerven en hij vreesde, dat de invloedrijke Ion uit persoonlijke vijandschap hem daarin in den weg zou staan.

Sophocles nam op zich Ion met Pericles te verzoenen, en daar niemand tot middelaar zoo van nature geschikt was als de beminnelijke dichter der „Antigone,” die alle menschen voor zich innam, gelukte hem ook die poging bij zijn kunstbroeder Ion zoo uitnemend, dat deze Pericles benevens Sophocles tot zich noodde en het zich tot eene eer rekende de beide Atheensche strategen gastvrij te onthalen.

Slechts van den eenen morgen tot den anderen kon Pericles op Chios vertoeven, en nadat het grootste deel van den dag aan politieke onderhandelingen was gewijd, maakte Pericles, door Sophocles vergezeld, zich gereed om aan de uitnoodiging van Ion gevolg te geven.[361]

Maar niet zonder een derde begaven zij zich naar het huis van hun Chiïschen gastheer.

Aspasia had er, niet zonder geheime bedoeling, op gestaan haar vriend ditmaal als slaaf verkleed te volgen en daar, werwaarts hij zich begaf, naar de gewoonte der slaven, die hunne heeren vergezelden, altijd in zijne nabijheid te blijven.

De geheime bedoeling echter der Milesische was geene andere, dan de vernieuwde ontmoeting van Pericles en de schoone Chrysilla onschadelijk te maken en de aandacht haars vriends van Chrysilla en die der schoone van Pericles af te leiden. Pericles willigde het verzoek van Aspasia gaarne in en meende dat de reden daarvan alleen gelegen was in eene vergeeflijke nieuwsgierigheid zijner vriendin, om die Chrysilla eens te leeren kennen.

Ion bewoonde een landgoed op de bekoorlijkste plek van het eerst steile, daarna zacht glooiende strand, rondom omringd door latten, die beladen waren met de rijpende gaven van Bacchus, beschenen door de koesterende zon.

Hij voerde zijne gasten op een terras, dat op eene der liefelijkste vooruitspringende rotsen lag, door de zee omspoeld. Daarover slingerden zich de schoone wijnranken waaraan de Chiïsche druiven verleidelijk in dichte trossen hingen en tusschen welke aan het oog een verrukkelijk gezicht op de glinsterende zee en de bloeiende omliggende eilanden gegund werd.

Naar dit liefelijke oord geleidde Ion zijne vrienden en nadat hunne oogen zich aan het bekoorlijk gezicht vergast hadden, verzocht hijhenzich neder te vlijen op mollige aanligbedden en verkwikte hen met kostelijke gaven. Het edelste Bacchusnat werd rondgediend in zilveren bekers.

Chrysilla was ook tegenwoordig. Zij bloeide nog als eene roos, maar de bloei harer ledematen had zich in den loop van den tijd op Chios tot zulk eene weelderigheid ontwikkeld, dat de fijne kunstsmaak van den Athener de maat der schoonheid daarin miste. Zij geleek op eene trotsche, volle[362]roos. Maar de roos is wel de weelderigste en geurigste, niet de schoonste der bloemen.

Ion, die in den grond een goedhartig man was en een groot minnaar van het genot, ontving Pericles zonder zijn vroegeren wrok en met ongeveinsde hartelijkheid.

Hij hief den beker in de hoogte, gevuld met den vurigsten, schuimenden wijn zijner gaarde en stelde een dronk in op het welzijn van Pericles en zijn vriend, den beroemden, edelen Sophocles.

Maar toen Ion in zijn opgewondenheid verder ging en de beide mannen prees om hunne krijgsdaden, die zij als strategen vóór Samos hadden verricht, wees Sophocles voor zijn deel dien lof af en zeide, dat die onverdeeld aan zijn vriend Pericles toekwam.

„En toch,” vervolgde Sophocles tot Ion en eenige voorname bewoners van Chios, die door dezen uitgenoodigd waren, „zoudt gij onbillijk zijn, als gij in Pericles boven alles den staatsman en veldheer wildet bewonderen. Van den roem zijner ondernemingen en scheppingen gaat de roep door geheel Hellas, maar deze maakt slechts melding van die eigenschappen van den grooten man, die gerucht verwekken en in verren kring schitteren. Ik weet daarentegen van zijne edele, onopgemerkte deugden meer dan ooit te spreken, sedert ik zijn strijdmakker geweest ben vóór Samos. Van de overwinningen, die hij daar bevochten heeft, weet gij; doch gij weet niet dat, toen ieder der vijftig rijke Samiërs, die hij als gijzelaars naar Lemnos zond, hem heimelijk een talent voor zijne loslating liet bieden, hij deze aanbiedingen, zoowel als de sommen, waarmede de Perzische satraap hem zocht om te koopen, van de hand wees. Anderen vertellen u, hoevele vijandelijke schepen hij in den grond heeft geboord, hoevele vijanden hij gedood heeft—ik zal u echter zeggen hoevelen hij uit medelijden gespaard heeft, hoe spaarzaam hij was met het bloed der zijnen en hoe ik hem een paar maal schertsend tot de soldaten heb hooren zeggen, dat,[363]als het van hem afhing, zij eeuwig zouden leven. Hij vond „ijzeren handen” voor zijne schepen uit, opdat de handen van vleesch en bloed des te meer zouden gespaard worden. Gij weet dat hij een held is in de ure van den strijd; maar ik zeg u, dat hij een wijze is in de ure der rust en dat hij, als hij maar een oogenblik in het leger den tijd heeft, zijn soldaten wind en weer, zons- en maansverduisteringen en alle verschijnselen aan den hemel verklaarde, waarom velen hem voor een toovenaar hielden. Van zijne geleerdheid en wijsgeerigen zin hebben zij zoo’n hoogen dunk, dat velen thans voor zeker beweren, dat hij den Samischen vlootvoogd Melissus, een beroemd wijsgeer, meer door zijne groote krijgskunst, dan wel door zijne doodende sluitredenen op de vlucht heeft geslagen. Er was geen zachter en geen strenger, geen meer gevreesd en meer geliefd man in het leger dan hij, geen die meer zweeg, wanneer het spreken overbodig was en geen, die spraakzamer was, als het noodig was het zwijgen te verbreken. Dit wilde ik u van Pericles zeggen, opdat gij den edelen en voortreffelijken man als zoodanig moogt roemen, niet altijd alleen als strateeg en zeeheld; want in dit opzicht verdient hij wel is waar lof, maar niet onvoorwaardelijk, in zoover hij nadat hij zich vóór Samos zoo dapper had gekweten, te Milete naar ik hoor, zich minder moedig heeft betoond, ja zelfs zijne vloot en veldheersambt bijna vergeten had en eenige dagen langer dan noodig was in de baai daar voor anker heeft gelegen, wat ik als eene strategische fout beschouw.”

Ion en de andere toehoorders lachten over deze slotwoorden van Sophocles; Pericles echter bedacht zich niet lang om de rede van zijn vriend te beantwoorden. Hij sprak het volgende:

„Mijn ambtgenoot en vriend Sophocles hier wil u overreden, naar ik hoor, mij liever onder de wijzen dan onder de groote strategen te tellen. Gaarne zou ik, om hem niet met gelijke munt te[364]betalen, omgekeerd van hem beweren, dat hij eerder tot de groote strategen dan tot de wijzen behoort, doch het ligt te zeer voor de hand om het te kunnen ontkennen, dat hij met mij in hetzelfde geval verkeert: van de krijgskunst namelijk en van datgene wat tot het zeewezen behoort verstaat hij, om zoo te zeggen, al heel weinig. Hij zal zijn leven lang veel gemakkelijker de namen van alle Nereïden2der zee onthouden, dan de benamingen van de bestanddeelen van eene goedgebouwde Atheensche triëre. Maar hij heeft ons gedurende dezen zeetocht als strateeg een prachtigen paeän op Asclepius3gedicht, die op de geheele vloot gezongen wordt en die, zooals onze stuurlieden en roeiknechten verzekeren, ons bij stormen op zee reeds de voortreffelijkste diensten heeft bewezen. En evenals zijn paeän de opgestuwde golven bedaart en de Goden der zeevaart goedgunstig stemt, zoo is zijn geheele wezen met zachte olie te vergelijken, die al het ruwe glad maakt, al het woest verbolgene bedaart. De matrozen op zijn schip doen wat zij behooren te doen, ook wanneer hij een verkeerd teeken geeft en zij houden hem wel is waar voor een in het zeewezen onervaren, maar toch als een door de Goden geliefd man. Wanneer uit mijn mond woorden van wijsheid komen, naar de menschen meenen, dan gelooven zij tevens, dat ik ze aan den Clazomeniër Anaxagoras ontleend heb; wanneer echter Sophocles den mond opent, zijn allen overtuigd, dat de Goden zelven hem die woorden in den droom hebben ingegeven. Zulk een man, mijne vrienden van Chios, is mijn medestrateeg Sophocles. Ik meen hem geprezen te hebben en ik zou den Goden danken, zoo de lof, dien hij mij toegezwaaid heeft, even wel verdiend is, als die, welken ik hem in deze woorden toebreng.”[365]

Zoo roemden, door de vurige gave van Bacchus opgewekt en ongeveinsde hartelijkheid onder het masker van goedhartige scherts verbergend, elkander de beide Atheensche scheepsbevelhebbers in den kring van vroolijke, krachtige mannen, onder de druiventrossen van het schoone terras van Ion.

„Ik zou haast blozen,” zei Ion, „als men mannen vóór zich ziet als Pericles en Sophocles, die met ernstige bezigheden vervuld en onophoudelijk voor het algemeene nut werkzaam zijn terwijl men zelf in de afzondering alleen voor het genot en de Muzen leeft. Maar ik geloof, dat naast een roemrijk en schoon werken ook eene loffelijke en schoone ledigheid is. Deze heb ik verkozen.”

„Zeker,” zeide Sophocles, „is eene ledigheid schoon te noemen, die schoone vruchten draagt. De Atheners hebben uwe treurspelen nog niet vergeten.”—

„Noch uw Chiër-wijn!” voegde Pericles er bij.

„Ik weet zeer goed,” hernam Ion, goedhartig glimlachend, „dat gij Atheners beweert, dat ik door mijn wijn uwe gunst voor mijn treurspel wilde koopen, maar gij moogt zeggen wat gij wilt, alleen niet, dat de wijn slecht geweest is. Want, als gij mijn Chiër niet roemt, dan beleedigt gij mij meer, dan wanneer gij mijne treurspelen berispt.”

„Ziet me die treurspeldichters toch eens,” zei Pericles,„hoe opgeruimd en vroolijk zij van geest zijn, terwijl zij er van houden in hunne treurspelen zich met de somberste en verschrikkelijkste dingen bezig te houden: altijd spreken zij van den toorn der Goden, overouden vloek, overerfelijke schuld, vreeselijke beschikkingen van het noodlot en dergelijke akeligheden meer …”

„Juist omdat wij opgeruimd van geest zijn,” hernam Sophocles, „verkeeren wij moedig met het sombere, wij worstelen daarmede en zouden het gaarne overweldigen. Moedig worstelen wij met die oude, blinde machten van het noodlot, om de menschelijke dingen, zoo goed wij kunnen, uit de betoovering eener duistere noodlottige macht te[366]bevrijden. In de heldere sterrennachten, die ik aan boord van mijne triëre vóór Samos doorbracht, heb ik mij in den geest dikwerf opgehouden met dien lijdenden, Thebaanschen grijsaard en hem gevolgd op zijn lijdensweg, hoe hij het eerst door vertwijfelend berouw of onvrijwillige schuld gedreven, zich van het licht der oogen heeft beroofd en rondzwerft in den vreemde, langzamerhand echter tot een reiner klaarheid en vrijheid gekomen, schuld en berouw ten laatste van zich werpt, vóór het einde zijns levens het grijze hoofd met de fierheid van den onschuldige omhoog heft en van een misdadiger de rechter wordt over hen, die niet onvrijwillig en onbewust zooals hij, niet door eene onverbiddelijke beschikking van het noodlot, maar uit eigen beweging door de verloochening van alle edele, menschelijke gevoelens misdreven hebben.”

„Mijn beste vriend,” sprak Ion, „uit hetgeen gij daar over Oedipus zegt spreekt weder de oude, welbekende liefde voor uw geboortevlek, want daar was het toch, dat de grijze lijder tot zijne rust inging.”—

„Gaarne beken ik u,” hernam Sophocles, „en ik zie er een gunstig teeken in voor mijne tragische dichtkunst, dat juist in dat vlek, waar ik geboren werd, die overoude, tragische verwikkelingen zich hebben opgelost.”

„Eer vrij uwe geboorteplaats,” zei Pericles, „maar dit zult gij mij toch moeten toegeven, dat niet alleen uw vlek, maar geheel Athene de bodem is, waarop overoude verwikkelingen tot eene oplossing komen, oude schuld verzoend wordt, vroegere duisternis bezwijkt op de plaats der heldere Godin Pallas Athene! Op den gezegenden bodem van Athene heeft niet alleen die zwaar beproefde grijsaard, maar ook de jonge Orestes, voortgejaagd door de Furiën, delging van den vloek gevonden, ja, gij allen kent den afgrond in de nabijheid van den onvoltooiden tempel van den Olympischen Zeus en wij willen gaarne gelooven, wat de sage[367]meldt, dat in dezen afgrond de wateren van den Deucalionischen4vloed zich hebben neergestort.”—

Onder deze en dergelijke gesprekken was de zon langzamerhand ter kimme gedaald; de zee was over eene groote uitgestrektheid met een purperen gloed getint, die zijn laatsten, gouden glans over het met wijnloof omkranste terras verspreidde. De gasten van Ion ademden met welbehagen de zachte, verfrisschende avondkoeltjes in die over de zee tot hen overwaaiden. Ion liet de bekers opnieuw vullen en het vocht in de zilveren schalen fonkelde, alsof ook daarin de purperen gloed der ondergaande zon zich afspiegelde.

Pericles liet zijn beker door geene andere hand, dan door die van zijn slaaf vullen. Deze nam het ambt van schenker met eene bevalligheid waar, die aan het oog van Ion, van de schoone Chrysilla en de overige aanwezigen evenmin ontging, als de schoonheid der trekken van den jongeling. Hij scheen het zich tot taak gesteld te hebben, het ambt van schenker ook bij Sophocles te vervullen, wat de dichter glimlachend en met kennelijke vreugde liet welgevallen.

„Uw schenker heeft maar ééne fout, Pericles,” zei hij.

„En welke is die?” vroeg Pericles.

„Dat hij bij het aanreiken van den beker zoo haastig is,” hernam de dichter; „men zou liever zien, dat hij daarbij een weinig draalde, om zich in de oogen te laten zien, die, naar mij dunkt, eene nadere beschouwing overwaard zijn.”

De jongeling bloosde, toen hij na deze woorden van Sophocles aller blikken op zich gericht zag. Deze lachte om de verlegenheid van den knaap en riep met de woorden eens ouderen dichters:

„Hoe schoon op purperwangen glanst des Eros’ licht!”

„Hoe schoon op purperwangen glanst des Eros’ licht!”

[368]

„Wat zegt gij van deze verzen van Phrynichus5? Hoe bevallen u die purperwangen?”

„Mij bevallen zij niet,” hernam de jongeling, die spoedig zijne tegenwoordigheid van geest hernomen had. „Het komt mij voor, dat de dichters in hunne verzen zaken prijzen, die zij in de werkelijkheid volstrekt niet schoon zouden vinden. Ik geloof, dat eene wang met echt purper geverfd, leelijk zou zijn.”—

„Hoe?” riep Sophocles, „dan zoudt gij toch ook de rozenvingeren van Eos6bij Homerus niet schoon kunnen vinden?”

„Volstrekt niet,” hernam de jonge slaaf. „Als mijne vingers rood als rozen waren, zou Pericles, mijn meester, gelooven, dat ik mij met het sap der purperslak bezoedeld had en mij bevelen mijne handen te gaan wasschen.”

„Och, dat alle hekelende kunstrechters slaven waren als gij!” riep Sophocles. Maar lachend plaagde Pericles hem, omdat hij als dichter nu eindelijk zijn beoordeelaar had gevonden.

Verscheidene aardigheden werden er gewisseld; ook vurige blikken, door den gloed van Dionysus bezield, werden hier en daar geworpen en te midden daarvan deden de onzichtbaar rondzwevende minnegoodjes een klein, onschuldig, dartel spel van onderlinge ijverzucht ontbranden. Pericles vond, dat zijn vriend Sophocles het geheim van den schoonen slaaf te weinig eerbiedigde, en van dezen wederom meende hij, zijn ambt van schenker met grooteren ijver dan noodig was vervulde. Aspasia van haren kant dacht opgemerkt te hebben, dat[369]Chrysilla’s blikken die van Pericles telkens ontmoetten en dat deze de zijne somwijlen een tijdlang op de weelderige, bloeiende vormen van Ion’s vriendin deed rusten. Weldra echter veranderde de zaak. Chrysilla had werkelijk in den beginne met hare oogen Pericles gezocht, om uit ijdele, vrouwelijke nieuwsgierigheid uit te vorschen, of de macht harer bekoorlijkheden nog iets vermocht op den man, die haar eens zijne hulde had bewezen.

Evenwel kon ook de schoone slaaf, die aller oogen tot zich trok, door haar niet onopgemerkt blijven en dezen van zijn kant scheen het er op gezet te hebben zijne vurigste blikken juist aan Chrysilla te wijden. Zoo gelukte het hem ten laatste de oogen van Ion’s vriendin bijna geheel van Pericles af te leiden en op zich te vestigen. In dit streven werd hij door Sophocles krachtig geholpen.

Ion had in den beginne die wisseling van woorden en blikken tusschen Pericles en Chrysilla niet zonder eenig ongenoegen waargenomen en zag ten laatste met even weinig behagen de oplettendheid, die zijne vriendin aan den vreemden jongeling wijdde, doch tevens gaf hij aan zijne vriendin eenige reden tot bezorgdheid, doordat hij den indruk liet bemerken, dien de opgewekte geest en de schoonheid van dezen jongeling bijna geheimzinnig op hem maakten.

Nieuwe bekers werden gebracht. Toen Sophocles wederom den zijne uit de hand van den schoonen schenker aannam, beschouwde hij den rand des bekers met een scherp oog en zei, tot den slaaf zich wendend:

„Voor de eerste maal moet ik mij beklagen, dat gij niet oplettend genoeg uw ambt vervult. Aan den rand van dezen beker zie ik een klein pluisje, dat gij verzuimd hebt weg te nemen.”

Glimlachend wilde de jongeling met zijne fijne vingertoppen over de plaats van den rand des bekers strijken, om het pluisje te verwijderen. Doch Sophocles liet dit niet toe, zeggende:[370]

„Zulke dingen moeten niet met de vingers aangeraakt, maar liever met den adem van uw mond zacht weggeblazen worden.” Na deze woorden gesproken te hebben, reikte hij den jongeling den beker, die zich glimlachend bukte, om het pluisje, zooals de dichter wenschte er af te blazen. Deze echter hield den beker zoo, dat het hoofd van den jongeling zoo dicht mogelijk bij het zijne moest komen. Derhalve raakten de gouden lokken van den jongeling bijna onmiddellijk den boezem des dichters. Hij ademde het bedwelmende aroma in, dat daaruit opsteeg en ondervond de zachte aanraking op zijne wangen van het gebogen en weder opgeheven hoofd; hij zette daarop zijne lippen juist op de plaats van den beker, die door den adem van den rozenmond aangeroerd was.

Met spiedend oog had Pericles het voorgevallene opgemerkt. „Mijn waarde Sophocles,” zei hij, „ik wist niet dat gij zoo’n haarklover waart, om zooveel drukte van zoo’n onbeduidend pluisje te maken.”

„Beken liever,” hernam Sophocles, tevreden glimlachend, „dat gij nu inziet vroeger gedwaald te hebben, toen gij mij in gezelschap van deze allen stoutweg voor een zeer slecht strateeg en krijgskundige hebt uitgemaakt. Intusschen stel u gerust; ik heb de voldoening waarom het mij te doen was, en ik beloof u dat ik het bij dit kleine bewijs mijner groote talenten laten zal.”

Zoo sprekende reikte Sophocles zijn vriend de hand en deze drukte ze hartelijk lachend. De schaduwen werden al langer en langer, maar nog laat in de schemering des avonds lieten de klank der bekers en een vroolijk, luidruchtig gesprek op het door de zee bespoelde terras van Ion zich hooren. In de zee was de purperglans allengs verdwenen, maar nog steeds fonkelde het in de steeds opnieuw gevulde, schuimende bekers op Chios.

Het was zonderling, maar eindelijk was de schoone vroolijke, geestige schenker van Pericles het middelpunt van het geheele gesprek geworden. Ieder[371]wilde ten laatste alleen door hem zich den beker laten vullen. Ieder wilde een blik uit zijne vroolijke, bezielde oogen opvangen, ieder een geestig woord uit zijn mond vernemen. Toen Chrysilla eens den wensch naar een bijzonder mooien druiventros uitte, die van de latten afhing, haastte zich de vlugge en gedienstige schenker dien te plukken en de dame aan te bieden. Chrysilla bloosde, bloosde voor den slaaf—en niemand verwonderde zich daarover. Ion keurde het niet goed, maar vond het toch zeer verklaarbaar. En zoo draaide zich ten laatste alles om de verkleede Milesische. Ofschoon zij uit eene aardigheid verkozen had te dienen, heerschte zij toch …

Eindelijk vroeg Ion, dien zijn eigen kostelijken wijn niet kariger dan zijne gasten had aangesproken, aan Pericles, of hij hem dien slaaf verkoopen wilde.

„Neen!” antwoordde Pericles, „ik ben van plan hem zijne vrijheid te geven en nog heden wil ik dat doen—op dit oogenblik! Hij zal voor het laatst deze kleederen gedragen hebben. Hier ten aanschouwe van u allen verklaar ik hem vrij!”—

Alle aanwezigen gaven luide hunne goedkeuring over dit besluit te kennen. De bekers werden op de gezondheid van den schenker geledigd en zijne vrijlating met het bloed der edelste druif bezegeld.

Eén echter van het vroolijke gezelschap, Pericles zelf, was op het einde ernstig en nadenkend geworden.

„Gij hebt,” zei Aspasia lachend tot hem, toen zij van Ion weggingen, „mijne vrijlating met eene plechtigheid uitgesproken, die zelfs hen trof, die niet wisten, dat het maar een grap was.”

„Het was geen grap,” hernam Pericles, „ik wil dat gij nooit meer mannenkleeding zult dragen, dat gij nooit meer u zelve vernedert.”

„Ik ben verlangend te vernemen,” hernam Aspasia, „hoe gij het de vreemdeling en de zoogenaamde hetaere uit Milete besparen zult, zich te vernederen.”[372]

„Dat zult gij vernemen,” zei Pericles.

Den volgenden morgen keerde de Atheensche veldheer naar Samos terug en onverwijld gaf hij aan de vloot order den volgenden morgen zeilree te zijn, om eindelijk den terugkeer naar Athene aan te nemen.

Met uitbundige blijdschap werd dit bevel begroet en fier met wimpels getooid, zeilde, onder het aanheffen van een donderenden zegezang, bij het krieken van den volgenden dag, het zegevierend Atheensch eskader uit de haven van Samos naar de hooge zee, westwaarts koers zettende, om na eene afwezigheid van elf maanden het vaderland terug te zien.

„Ik denk,” zei Aspasia tot haar vriend op het oogenblik van hun vertrek, „dat gij het afgrijzen, ’t welk het verhaal van Artemidorus op den laatsten avond te Milete bij u opwekte, wel reeds op Chios zult overwonnen hebben en dat gij daartoe niet eerst, naar ge meendet, de Attische lucht noodig hebt.”

„En toch,” hernam Pericles in vurige opgewondenheid, „is mijne ziel geheel vervuld van een heimwee naar het vaderlandsche strand en steeds klinken al luider en luider in mij eenige verzen, die ik uit den mond van Sophocles gehoord heb:

„Ion’s zoon Melicertes, en gij lieflijke Leucathea,Vorstin der fonkelende zee, immer tot hulpe bereid,Nereus’ dochters, en gij, Poseidon, ruischende baren,Gij ook, Thracische wind, zachtste beheerscher der zee,Neemt in genade mij op en voert mij over het zilteZeenat zonder gevaar, naar het geliefde Atheen!”

„Ion’s zoon Melicertes, en gij lieflijke Leucathea,

Vorstin der fonkelende zee, immer tot hulpe bereid,

Nereus’ dochters, en gij, Poseidon, ruischende baren,

Gij ook, Thracische wind, zachtste beheerscher der zee,

Neemt in genade mij op en voert mij over het zilte

Zeenat zonder gevaar, naar het geliefde Atheen!”

De vaart ging den eersten dag bij gunstigen wind en onder een onbewolkten hemel langs de eilanden van den blauwen Archipel. Voor de beide gelieven was deze vaart door de eilandenzee een[373]zalig genot. Wat zagen zij gaarne, terwijl het ranke vaartuig de baren ruischend doorkliefde van het boord van het schip in de donkerblauwe golven, die in den naasten kring van het schip groen als weilanden en verderop als in schitterend blauw gedoopt schenen en door de tallooze, verblindende zilveren stralen der zon werd beschenen. Meeuwen fladderden om den mast met hare lange, wit gerande vlerken, en in geheele drommen volgden dolfijnen het witte schuimend spoor, dat de kielen, den vloed doorklievend, achter zich lieten. In dartel spel, met de gespleten staarten om zich slaande, vermeiden zij zich in de zilte baren, scheerden over den zeespiegel, om dan weder hunne zwarte, schitterende lichamen in de golven te begraven.

Bij het vallen van den nacht liet Pericles de vloot voor Tenos ankeren. Het eentonige gezang der roeiers verstomde en daarmee het ruischen der zee, door de kielen doorkliefd; in den reinen, helderen aether fonkelden de sterren en het maanlicht sloeg in het Oosten zijn gouden brug over de zee.

Pericles stond peinzend op het verdek van zijn vaartuig, terwijl alles rondom hem in diepen sluimer verzonken lag.

Daar schoof zich eene warme, zachte hand in de zijne.

„Waarom staart gij zoo in gedachten op de zee?” vroeg Aspasia: „Koestert gij zoo’n vurig verlangen naar de ambrosische7dochters van Nereus, die met haar rozevoeten de kristallen diepten doorkruisen?”

De zilveren klank harer stem wekte den droomer uit zijn gepeinzen.

Pericles antwoordde met een kus en zij begonnen te minnekoozen, waarbij zij allengs, bij het heldere maanlicht, als in zoete droomen gewiegd, de geheele zee rondom zich vol leven zagen. Uit de diepten doemden de dochters van Nereus op, rijdend[374]op zeemonsters, en Tritons, die schetterende trompetters ter zee, bliezen op hunne mosselschelpen; te midden van hen verrees de zeenimf Galathea: zij hief haar purperen gewaad uit den vloed en liet het, door zachte koeltjes zwellende, als een zeil boven zich heen golven.

Bij het grauwen van den morgen vernamen Pericles en Aspasia plotseling den klank van snaren in de verte. Het klonk hun als de lier van Orpheus8, die toch, naar de oude overlevering, toen de zanger den dood had gevonden, door de Maenaden9in de zee geworpen en door den vloed verder gestuwd was over deAegaeïschezee en welker tonen de zeevaarders somwijlen bij diepe windstilte over den waterspiegel vernamen. De klank derhalve van de onbeheerd ronddobberende lier van Orpheus scheen tot het oor van Pericles en Aspasia door te dringen, tot zij bemerkten, dat de tonen uit de triëre van Sophocles kwamen, die hen naderde, toen de vloot in de schemering van den morgen zich weder in beweging zette. De vrienden begroetten elkander en Sophocles nam de uitnoodiging van Pericles aan om hem een bezoek op zijn schip te brengen. Daar praatten zij over Athene, over het wederzien hunner vrienden, over het feest der Panathenaeën dat onmiddellijk na hunne terugkomst zou gevierd worden, en steeds hooger spande Aspasia de verwachting, waarmede Pericles en Sophocles de verrassingen verbeidden, die Phidias en de zijnen door hun rusteloozen arbeid in dat lange tijdsverloop aan hunne terugkeerende vrienden hadden bereid.

Toen nu de dag ten volle was aangebroken en de eerste stralen de zeeverlichtten, doemde ter linker zijde het heilige Delos op, de „Ster der zee”, het eiland van Apollo, schitterend in de morgenzon, als ’t ware gekust door de stralen van den God,[375]aan wien het geheiligd was. Niet zonder innerlijke ontroering staarde Pericles op de overoude eerwaardige parel in den Archipel. Hij dacht aan den dag, toen, als een geschenk van den God, de rijke, gouden schat van dit eiland Athene binnenstroomde. Maar ook het scheepsvolk liet het goddelijk eiland niet zonder vereering aan zijne oogen voorbijgaan. Van de hooge boorden der geheele Atheensche vloot klonk een donderende paeän ter eere van Apollo, den beschermgod van den Ionischen stam, welk lied machtig rolde over den zeespiegel, beschenen door de vriendelijke stralen der morgenzon.

Maar gezang en gejubel verdoofden van nu af niet meer op de schepen; eene vroolijke stemming heerschte overal; want nog heden zou men het vaderlandsche strand bereiken en hoe meer men de vurig gewenschte kusten naderde, des te gevleugelder schenen de triëren, gedreven door de zwellende zeilen en den dubbel krachtigen riemslag der roeiers, het zilte sop te doorklieven.

De uren vlogen voorbij: reeds was men Tenos en Andros voorbij gestevend. In een zachten, zilveren glans verhieven zich ten noorden van Ceos de hoogten van Euboeä. Ter linkerzijde doemden grootsch en breed getakt, door dien zelfden zilverglans omstraald, de met pijnen begroeide bergen van Aegina op. Een zachte rijp scheen alles te bedekken, gelijk het fluweelen waas de donkere pruimen.

Tusschen de beide eilanden echter, verre vooruitspringend op den achtergrond door een krans van eerwaardige hoogten omgord, rees uit de diepten der zee Attica’s gewijde kust.

Tallooze oogen zochten haar—met blijde kreten werd zij begroet. Maar de afstand ter zee is bedriegelijk. Reeds was de zon ver naar het westen gedaald, vóór het uitspringend gebergte van Sunion was bereikt, steil zich verheffend, verblindend wit, door de baren omruischt, met den marmeren tempel van Pallas, die met zijne prachtige[376]zuilen eene lichtende stip is voor den zeevaarder.

In een wijden kring zeilde de Atheensche vloot om deze gevaarlijke, zuidelijke kaap van Attica, koers zettende naar de prachtige Saronische golf, ter rechter zijde het vaderlandsche strand en de glinsterende tinnen van Athene, links de bergen van de Peloponnesus, waarachter de zon onderging. Toen was alles, van verre en op een afstand, door een gouden rozensluier bedekt. De bergtoppen en de aether daarboven, de zee en de schepen zelve, zij alle waren gehuld in het tooverlicht der laatste uren van den dag. Alles was purper en schitterde als goud. Alleen in het zuidwesten hadden zwarte wolken zich samengepakt. Plotseling schoten de bliksemstralen daaruit te voorschijn en de bergen van Argos stonden in eene zee van vuur. Rustig en grootsch verhieven zich daar tegenover ter rechterzijde de hoogten, die Athene omgeven: de lange bergketen van den Hymettus, de pyramidaal oploopende Pentelicon, de stout verrijzende rotsklomp van den Lycabettus.

Thans echter verscheen de heilige, aan ieder Atheensch oog dierbare hoogte van de Acropolis, omgeven door de wijd uitgestrekte stad. Aller blikken wendden zich daarheen. Maar veranderd vonden zij de heilige hoogte; de marmerwitte tinnen, vreemd aan de zoo langen tijd afwezigen, schitterden door den lichten nevel heen in de laatste stralen der ondergaande zon.

Niet naar het van verre wenkende hoofd en de flikkerende lansspits der reusachtige Athene Promachos richtte, als anders ditmaal de Atheensche schepeling van het boord van zijn schip het oog naar Sunion’s hoogte, maar aller oogen wendden zich naar die nieuwe, sneeuwwitte tinnen, die door de schemering heenblonken van den top der Acropolis.—

En uit één mond klonk de kreet van boord tot boord: „Het Parthenon! Het Parthenon!”——

Ter zelfder ure, dat de blikken der terugkeerende overwinnaars naar de hoogte van de Acropolis waren[377]gericht, greep juist daar, in het eerwaardige Erechtheüm nabij de stoute tinnen van het nieuwe Parthenon, eene geheimzinnige en bijna wondervolle gebeurtenis plaats.

Het grootste en heerlijkste, om de vier jaren gevierde feest der Atheners, de Panathenaeën, naderde. Op dit feest werd aan de schutsgodin van Athene, de eeuwenlang vereerde Athene Polias, naar oudvaderlijk gebruik een schoon geweven kleed, de zoogenaamde peplos10ten geschenke gebracht. Deze peplos werd op de Acropolis zelve, in het heiligdom van Athene Polias, hetwelk gemeenschap had met het oude Erechtheüm, geweven. Vier meisjes van jeugdigen, bijna nog kinderlijken leeftijd werden uit de aanzienlijkste familiën van Athene gekozen, om die heilige peplos te helpen weven en bovendien nog eenige maanden lang in het gebied van den tempel te verblijven, ten einde onderscheidene andere heilige gebruiken te verrichten, die met den ouden, deels geheimzinnigen eeredienst in het Erechtheüm op den burg samenhingen. Twee dezer meisjes wierden gekozen om op een bepaalden nacht niet lang vóór de feestviering der Panathenaeën, van de Acropolis zich langs een geheimen onderaardschen weg iets onbekends, iets geheimzinnigs, dat niemand zien mocht en dat, naar het heette, zelfs de priesters niet kenden, naar eene grot in het heiligdom, nabij den Illisus gelegen, te dragen en vandaar iets even geheimzinnigs, onbekends naar het heiligdom van Athene Polias op den burg terug te brengen.

Onder de jonge meisjes, die ditmaal tot het ambt van Arrhephoren—want zoo werden zij genaamd—verkozen waren, bevond zich het dochtertje van Hipponicus, Hipparete, van wier bevalligheid en zedigheid Hipponicus gesproken had toen hij bij gelegenheid van het feestmaal ter eere zijner choregie aan Pericles had voorgesteld, dit lieve kind voorloopig reeds aan den schoonen Alcibiades[378]te verloven. Inderdaad was Hipparete het toonbeeld van een echt Attischen, hoewel niet volkomen ontloken knop, die ondanks haar kinderlijkheid reeds iets verstandigs en waardigs ten toon spreidde.

Met hare overige vriendinnen, die tot een gelijken dienst aan de Godin geroepen waren, vertoefde Hipparete nu op de Acropolis in het tempelgebied der Godin. De meisjes werden hier verpleegd als tot den tempel behoorende. Er was ook eene bijzondere ruimte, waar zij zich door het balspel vermaken konden. De priesteres van Athene Polias had het opzicht over haar. Daar echter het heiligdom der Godin met dat van Erechtheüs vereenigd was, leefden de meisjes ook onder het oog van Diopithes, den Erechtheüs-priester; zelfs was de priesteres van Athene Polias nevens hem slechts een onbeduidende schaduw in het gebied van het Erechtheüm.

Hij gaf de meisjes talrijke aanwijzingen en vermaningen, het liefste en het meeste onderhield hij zich met het dochtertje van Hipponicus. Haar boven allen scheen hij zijne gunst te bewijzen, haar roemde hij steeds boven hare vriendinnetjes. Niet zelden sprak hij met haar in langdurige gesprekken over zaken, die haar vader, zijne huiselijke aangelegenheden en het verkeer met zijne gasten betroffen. Hipparete antwoordde hem met de onbevangenheid van een kind. Toen hij haar eens schertsend vroeg, of haar vader nog geen echtgenoot voor haar had gekozen, noemde zij zeer ernstig den pleegzoon van Pericles, den jongen Alcibiades, en zeide, dat haar vader haar aan dezen wilde verloven.

„Aan den pleegzoon van Pericles?” riep Diopithes en zijne vriendelijke trekken namen plotseling eene afkeurende, schampere uitdrukking aan.

De vijandelijke gezindheid jegens Pericles en allen, die hij als vrienden, raadgevers en dienaars van dezen man beschouwde, was sedert dat gesprek met den ziener Lampon onophoudelijk versterkt[379]geworden. Door de priesteres van Athene Polias, die een werktuig in zijne hand was, stond hij in betrekking met de zuster van Cimon en met de echtgenoote van Pericles, en vernam door haar steeds, wat er in de omgeving van zijn tegenstander voorviel.

De avond, waarop het geheimzinnige gebruik zou verricht worden, was aangebroken. De beide uitverkoren meisjes Hipparete, en Lysiske werden uitgedost in kostbare, witte, met goud gestikte kleederen, die hare vaders voor dit doeleinde moesten bekostigen en die, wanneer zij gebruikt waren, het eigendom van het heiligdom bleven.

Zoo rijk versierd werden de beide meisjes in het binnenste van het heiligdom van Athene Polias geleid en ontvingen daar van de priesteres in tegenwoordigheid van denErechtheüs-priester, benevens diegenen, die gekomen waren om de heilige plechtigheid als toeschouwer mede te vieren, onder verscheidene ceremoniën de beide bedekte kruiken, om ze van hier langs den geheimzinnigen weg naar de grot in het heiligdom te dragen. Met de linkerhand hielden zij de aarden kruiken tegen de borst, in de rechter droegen zij eene aangestoken fakkel. Vóór zij zich op weg begaven, gaf deErechtheüs-priesterhaar nauwkeurige aanwijzingen over hetgeen zij te doen hadden, vermaande haar iedere misdadige nieuwsgierigheid naar den inhoud der kruiken uit haar gemoed te verbannen en zich over niets, wat haar op weg of in de grot mocht ontmoeten, te beangstigen of in haren heiligen dienst te doen storen. Hij zei haar, dat zij onder de bescherming van den God Erechtheüs zich bevonden, den pleegzoon van de Godin van den dauw Herse, naar wier heiligdom zij zich begaven, en vermaande haar niet te versagen, ook al mocht de God zelf, zij het ook in slangengedaante, als reeds eenmaal in vroegere tijden aan de Arrhephoren, zich op haar weg vertoonen. Alleen dan, wanneer zij het heilige geheim schonden of haar heiligen plicht niet stipt verrichtten,[380]hadden zij den toorn van den God te duchten.Inelk ander geval echter hadden zij slechts gunst en heil van hem te wachten.

De beide meisjes begaven zich op weg. In groote spanning en kinderlijk geloof had Hipparete naar de woorden van den priester geluisterd en was vol blijde hoop en vertrouwen. Minder goedsmoeds ging de jongere Lysiske naast haar. Zoo daalden zij beiden den onderaardschen weg af, waarin vele trappen gehouwen waren.Angstigzag Lysiske om zich heen, Hipparete sprak haar moed in.

Eindelijk vroeg Lysiske wat er toch wel in die heilige kruiken verborgen mocht zijn.

„Wat wij terug zullen brengen,” antwoordde Hipparete, „kan ik mij voorstellen. Wat kan de dauwgodin Herse anders geven dan dauw? Wellicht dus met dauw besproeide twijgen of bloemen.”

„Maar wat wij daarheen brengen?” vroeg Lysiske weder.

„Ik weet het niet,” hernam Hipparete. „Als wij iets vochtigs naar boven dragen, dan brengen wij vermoedelijk iets droogs of vurigs naar beneden; want evenals het daar beneden in de diepte vochtig is, zoo dor en droog is het op den bergtop.”

„Neen,” zei de kleine Lysiske angstig, „wij dragen zeker een grooten uil naar beneden, zooals die daar boven in het metselwerk van het Erechtheüm krassen en brengen eene schrikkelijke slang terug, omdat de slangen zich gaarne in vochtige laagten ophouden.”

„Wees niet bang voor slangen,” zei Hipparete, „gij weet toch, dat in hare gedaante zich de God Erechtheüs verbergt en dat deze ons beschut en ons zegent op dezen tocht.”

De beide meisjes waren de talrijke trappen afgedaald, hadden het doel van haar tocht bereikt en traden nu door eene in de rotsen gehouwen poort het heiligdom binnen. De grot was verlicht door een lamp, die, vóór een steenen beeld der dauwgodin geplaatst, met eene roode vlam brandde.

Onder de ceremoniën, die men haar geleerd had,[381]legden de beide meisjes hare kruiken vóór de Godin neder en waren op ’t punt de gereedstaande, eveneens dicht omhulde kruiken, op te nemen en weg te dragen.

Juist sloegen de meisjes haar blikken naar den achtergrond der grot; daar zagen zij bij het schemerlicht eene reusachtige slang ineengerold liggen, met den kop half opgeheven.

Lysiske schrikte, verbleekte, sidderde en wilde vluchten, Hipparete hield haar terug en gaf haar de kruik in de hand, waarmede deze beangst en zonder om te zien, haastig wegliep. Toen nam Hipparete de andere kruik en maakte zich gereed de grot te verlaten. Nu echter kwam uit den achtergrond der grot een sterke tocht, waardoor de fakkel van Hipparete en tevens de lamp werden uitgebluscht, zoodat het meisje in het pikdonker stond. Nu zou de vrees ook haar om het hart zijn geslagen, zoo niet op hetzelfde oogenblik uit den achtergrond eene vriendelijke stem haar in de ooren had geklonken, die haar vermaande onverschrokken te blijven, zooals zij tot nu toe geweest was.

„Voor uw edelen moed en uwe vrome trouw,” klonk de stem, „verleent de God u, o kind, een geschenk, dat den zegen der Goden en het hoogste geluk u voor uw geheele leven waarborgt.”

Op dit oogenblik begon de vlam van de lamp van zelf weder te ontbranden en de God rustte niet meer schrikaanjagend daar, maar in heroëngestalte op de plaats, waar straks de slang haar kop had opgeheven. Hij verlangde, dat het meisje hem naderde. Hipparete deed het onversaagd. Hij trok haar tot zich en drukte een kus op haar voorhoofd, dat die schitterende reinheid had welke men bij half ontloken bladeren waarneemt, wanneer zij juist na een warmen lenteregen uit de bruine knoppen zijn gebroken.

„Hebt gij wel nooit hooren spreken,” vroeg hij, „van de goddelijke genade, die aan sterfelijke jonkvrouwen is ten deel gevallen? Hebt gij nooit gehoord[382]van Alcmene en Semele, van Danaë?”

De lippen van den spreker trilden een weinig, toen hij die woorden sprak: ook zijn hand beefde, toen hij daarmede het rijkgelokte hoofd van het meisje streelde.

„Hebt gij,” ging hij voort, „wel niet hooren spreken van die uitverkoren jonkvrouwen, tot wie Zeus nederdaalde en die niet verschrikten, als de God zich in zoete min tot haar nederboog?”

Zoo sprekende sloeg hij zijn arm om het meisje, dat hevig verschrikte; maar zij herkreeg haar moed en luisterde weder geloovig, en in het reine kristal van haar oog spiegelde zich niets af dan de verwachting eener kinderlijke ziel, die de wonderlijke en zegenrijke geschenken te gemoet zag, waarmede de God beloofd had haar te zullen beloonen.

Plotseling zei het meisje, in den donkeren hoek van de spelonk ziende:

„De slang is toch nog altijd daar—alleen kleiner is zij thans, veel kleiner van gestalte …”

Hipparete sprak deze woorden zeer bedaard en zonder de minste aandoening van angst. Men had haar ingeprent, dat zij voor slangen op haar weg niet bang moest zijn en zij vreesde ze ook niet. Zij wist dat daaronder de zegen aanbrengende GodErechtheüszich verborg. Zij had die veel grootere slang niet gevreesd, waarom zou zij die kleinere vreezen?

De God echter aan hare zijde ontstelde. De valscheErechtheüsbegon te sidderen voor den toorn van den waarachtigen God. Strak staart hij naar dien hoek en ziet, dat daar in der daad eene slang zich kronkelt. Het vrome kind was overtuigd, dat haar geen leed wedervaren kon, dat zij onder de hoede stond van den GodErechtheüs; de God zelf echter sidderde onder zijn godenmasker, sidderde voor den kruipenden aardworm …

Op dat oogenblik weerklinkt van buiten het gejubel van eene volksschare, die langs de grot trok; het was eene menigte, die van den Illisus naar de Piraeüs stormde met den jubelenden kreet: „De[383]vloot van Samos loopt de haven binnen! Pericles is daar! Lang leve Pericles, de Olympiër”.

Met een somberen blik in de oogen en eene onheilspellende plooi om zijne lippen verheft zich de eerst door zijn angst, thans door zijn wrok ontmaskerde Erechtheüs-priester.

Hij richt zich op en maakt zich gereed, om het kind spoedig uit de grot weg te voeren. Rustig neemt Hipparete, ook nu nog aan haar plicht denkend, de heilige kruik van den grond op. De priester neemt haar bij de hand en trekt haar door den donkeren gang voort. Daar, waar de geheime weg in het binnenste gedeelte van het Erechtheüm uitloopt verlaat hij haar, na streng bevolen te hebben, dat zij over alles wat zij in de grot gezien had, een diep stilzwijgen moest bewaren; dan alleen zou de zegen van den God haar niet onthouden worden.

Hipparete ging den verlichten tempel binnen en legde de heilige kruik neder voor de voeten der Godin. Toen dacht zij zwijgend na over de verschijning van den God.

En Diopithes?

Hij zal heengaan en Erechtheüs trachten te verzoenen en vuriger dan ooit de vrees voor de oude Goden prediken.—

Terwijl dit des avonds op de stille hoogte van de Acropolis voorviel, was de terugkeerende vloot den Piraeüs binnengeloopen. In dichte drommen was het Atheensche volk naar buiten gesneld, om de aankomenden te zien en te begroeten.

Het was donker geworden, doch de kaden der haven schitterden van fakkels en te grootscher slechts was het schouwspel, toen bij den schijn der fakkels de honderd fiere triëren der zegevierende vloot op de golven kwamen aandrijven.

Bijna romantisch schitterden bij den hellen schijn der hoog gezwaaide fakkels de hooge masten, de witte zeilen, de verguldePallasbeeldenen de grillige vormen der scheepsnebben, met de veroverde schilden getooid, met de sieradiën van vernielde[384]vijandelijke schepen en andere tropaeën rijkelijk omhangen.

Luide, blijde jubelkreten klonken van de steenen kaden den krijgers in ’t oor.

De ontscheping volgde. Toen ook de strategen aan land stapten, drong alles om Pericles heen. Hem gold de luidste jubelkreet der menigte en velen waren er, die bloemen op zijn pad strooiden en hem met kransen overlaadden.

Om zich aan deze eerebetuigingen te onttrekken, nam Pericles de uitnoodiging van Hipponicus aan, die hem eene plaats aanbood in zijn, met edele Thessalische paarden bespannen wagen, die op den rijken gastronoom in den Piraeüs wachtte.

Aspasia had zich van Pericles moeten scheiden. Een draagstoel wachtte haar, die zij met dicht gesluierd gelaat besteeg en waarin zij naar de stad gevoerd werd.

Intusschen was de maan opgegaan en haar glans verspreidde zich over de zee, de kusten en de stad.

Pericles had, in den wagen van Hipponicus zwijgend en in gepeinzen verzonken, de stad bereikt. Toen zag hij bij eene plotselinge kromming van den weg, den blik omhoog slaande, vlak vóór zich de toppen van den Acropolis.

Hij was getroffen. Eene lichte huivering voer hem door de leden. Onmiddellijk vóór zijne oogen bevond zich hetgeen hij straks uit de schemerende verte had gezien. Verblindend wit bij het schijnsel der maan, scherp tegen den nachtelijken hemel uitkomend, grootsch in de pracht van marmeren gevels en zuilen, stond het pas voltooide werk van Ictinus en Phidias op de schitterende hoogte van de Acropolis.

En de betoovering, die nog heden de ziel aangrijpt van hem, die voor de eerste maal op de puinhoopen van het Parthenon te Athenestaat, doortrilde in dat oogenblik de ziel van Pericles.[5]

1Antaeüswas een reus, die zoodra hij zijne moeder, de aarde, aanraakte, nieuwe kracht kreeg. Hercules doodde hem door hem boven den grond te houden en zoo dood te drukken.↑2De Nereïden zijn dochters van Nereus, een zeegod en Doris; zij waren vijftig in getal.↑3Asclepius (Aesculapius), de zoon van Apollo en de nimf Coronis, de vader der beroemde geneesheeren Podalirius en Machaon, werd als de God der genees- en heelkunde vereerd.↑4In de Grieksche mythen wordt van een geweldigen zondvloed gewag gemaakt, waaraan alleen de vrome Deucalion en Pyrrha ontkwamen; hun zoon Hellen werd de stamvader der Grieken (Hellenen).↑5Phrynichus van Athene was een leerling van Thespis, een der eerste Grieksche treurspeldichters. In 511 v. C. behaalde hij voor het eerst den prijs in een tragischen wedstrijd; nog eenmaal in 476. Op hoogen ouderdom overleed hij wellicht aan het hof van Hiëro te Syracuse. Hij voerde vrouwenmaskers in en koorliederen, die nog al schoon schijnen geweest te zijn. Zijne stukken zijn alle verloren gegaan; de Ouden noemen vooral zijn „Phoenische vrouwen” en de „Verovering van Milete,” dat in 493 werd opgevoerd. Deze voorstelling schijnt zoo roerend geweest te zijn, dat het volk in tranen uitbarstte (zie Herod. VI. 21); daarom werd Phrynichus tot een zware geldboete veroordeeld, misschien ook omdat hij den Atheners scherp verweten had, dat zij hunne dochterstad niet hadden bijgestaan. Deze Phrynichus worde niet verward met een gelijknamigen blijspeldichter, die tijdens Aristophanes leefde.↑6„De dageraad,” steeds door Homerus de „rozenvingerige” geheeten.↑7Goddelijke, onsterfelijke.↑8Orpheus, een beroemd Thracisch zanger, had zijn zetel op de Rhodope, in het Haemus-gebergte. Zelfs de steenen roerde hij door zijn betooverend lied. Zijne gemalin heette Eurydice; beiden zijn door de zangen van oudere en nieuwere dichters vermaard.↑9Maenas beteekent: razend, dol; de Maenaden, de razenden, deBacchanten.↑10Op deze peplos waren de beroemdste heldenfeiten uit mythe en historie voorgesteld.↑

1Antaeüswas een reus, die zoodra hij zijne moeder, de aarde, aanraakte, nieuwe kracht kreeg. Hercules doodde hem door hem boven den grond te houden en zoo dood te drukken.↑2De Nereïden zijn dochters van Nereus, een zeegod en Doris; zij waren vijftig in getal.↑3Asclepius (Aesculapius), de zoon van Apollo en de nimf Coronis, de vader der beroemde geneesheeren Podalirius en Machaon, werd als de God der genees- en heelkunde vereerd.↑4In de Grieksche mythen wordt van een geweldigen zondvloed gewag gemaakt, waaraan alleen de vrome Deucalion en Pyrrha ontkwamen; hun zoon Hellen werd de stamvader der Grieken (Hellenen).↑5Phrynichus van Athene was een leerling van Thespis, een der eerste Grieksche treurspeldichters. In 511 v. C. behaalde hij voor het eerst den prijs in een tragischen wedstrijd; nog eenmaal in 476. Op hoogen ouderdom overleed hij wellicht aan het hof van Hiëro te Syracuse. Hij voerde vrouwenmaskers in en koorliederen, die nog al schoon schijnen geweest te zijn. Zijne stukken zijn alle verloren gegaan; de Ouden noemen vooral zijn „Phoenische vrouwen” en de „Verovering van Milete,” dat in 493 werd opgevoerd. Deze voorstelling schijnt zoo roerend geweest te zijn, dat het volk in tranen uitbarstte (zie Herod. VI. 21); daarom werd Phrynichus tot een zware geldboete veroordeeld, misschien ook omdat hij den Atheners scherp verweten had, dat zij hunne dochterstad niet hadden bijgestaan. Deze Phrynichus worde niet verward met een gelijknamigen blijspeldichter, die tijdens Aristophanes leefde.↑6„De dageraad,” steeds door Homerus de „rozenvingerige” geheeten.↑7Goddelijke, onsterfelijke.↑8Orpheus, een beroemd Thracisch zanger, had zijn zetel op de Rhodope, in het Haemus-gebergte. Zelfs de steenen roerde hij door zijn betooverend lied. Zijne gemalin heette Eurydice; beiden zijn door de zangen van oudere en nieuwere dichters vermaard.↑9Maenas beteekent: razend, dol; de Maenaden, de razenden, deBacchanten.↑10Op deze peplos waren de beroemdste heldenfeiten uit mythe en historie voorgesteld.↑

1Antaeüswas een reus, die zoodra hij zijne moeder, de aarde, aanraakte, nieuwe kracht kreeg. Hercules doodde hem door hem boven den grond te houden en zoo dood te drukken.↑

1Antaeüswas een reus, die zoodra hij zijne moeder, de aarde, aanraakte, nieuwe kracht kreeg. Hercules doodde hem door hem boven den grond te houden en zoo dood te drukken.↑

2De Nereïden zijn dochters van Nereus, een zeegod en Doris; zij waren vijftig in getal.↑

2De Nereïden zijn dochters van Nereus, een zeegod en Doris; zij waren vijftig in getal.↑

3Asclepius (Aesculapius), de zoon van Apollo en de nimf Coronis, de vader der beroemde geneesheeren Podalirius en Machaon, werd als de God der genees- en heelkunde vereerd.↑

3Asclepius (Aesculapius), de zoon van Apollo en de nimf Coronis, de vader der beroemde geneesheeren Podalirius en Machaon, werd als de God der genees- en heelkunde vereerd.↑

4In de Grieksche mythen wordt van een geweldigen zondvloed gewag gemaakt, waaraan alleen de vrome Deucalion en Pyrrha ontkwamen; hun zoon Hellen werd de stamvader der Grieken (Hellenen).↑

4In de Grieksche mythen wordt van een geweldigen zondvloed gewag gemaakt, waaraan alleen de vrome Deucalion en Pyrrha ontkwamen; hun zoon Hellen werd de stamvader der Grieken (Hellenen).↑

5Phrynichus van Athene was een leerling van Thespis, een der eerste Grieksche treurspeldichters. In 511 v. C. behaalde hij voor het eerst den prijs in een tragischen wedstrijd; nog eenmaal in 476. Op hoogen ouderdom overleed hij wellicht aan het hof van Hiëro te Syracuse. Hij voerde vrouwenmaskers in en koorliederen, die nog al schoon schijnen geweest te zijn. Zijne stukken zijn alle verloren gegaan; de Ouden noemen vooral zijn „Phoenische vrouwen” en de „Verovering van Milete,” dat in 493 werd opgevoerd. Deze voorstelling schijnt zoo roerend geweest te zijn, dat het volk in tranen uitbarstte (zie Herod. VI. 21); daarom werd Phrynichus tot een zware geldboete veroordeeld, misschien ook omdat hij den Atheners scherp verweten had, dat zij hunne dochterstad niet hadden bijgestaan. Deze Phrynichus worde niet verward met een gelijknamigen blijspeldichter, die tijdens Aristophanes leefde.↑

5Phrynichus van Athene was een leerling van Thespis, een der eerste Grieksche treurspeldichters. In 511 v. C. behaalde hij voor het eerst den prijs in een tragischen wedstrijd; nog eenmaal in 476. Op hoogen ouderdom overleed hij wellicht aan het hof van Hiëro te Syracuse. Hij voerde vrouwenmaskers in en koorliederen, die nog al schoon schijnen geweest te zijn. Zijne stukken zijn alle verloren gegaan; de Ouden noemen vooral zijn „Phoenische vrouwen” en de „Verovering van Milete,” dat in 493 werd opgevoerd. Deze voorstelling schijnt zoo roerend geweest te zijn, dat het volk in tranen uitbarstte (zie Herod. VI. 21); daarom werd Phrynichus tot een zware geldboete veroordeeld, misschien ook omdat hij den Atheners scherp verweten had, dat zij hunne dochterstad niet hadden bijgestaan. Deze Phrynichus worde niet verward met een gelijknamigen blijspeldichter, die tijdens Aristophanes leefde.↑

6„De dageraad,” steeds door Homerus de „rozenvingerige” geheeten.↑

6„De dageraad,” steeds door Homerus de „rozenvingerige” geheeten.↑

7Goddelijke, onsterfelijke.↑

7Goddelijke, onsterfelijke.↑

8Orpheus, een beroemd Thracisch zanger, had zijn zetel op de Rhodope, in het Haemus-gebergte. Zelfs de steenen roerde hij door zijn betooverend lied. Zijne gemalin heette Eurydice; beiden zijn door de zangen van oudere en nieuwere dichters vermaard.↑

8Orpheus, een beroemd Thracisch zanger, had zijn zetel op de Rhodope, in het Haemus-gebergte. Zelfs de steenen roerde hij door zijn betooverend lied. Zijne gemalin heette Eurydice; beiden zijn door de zangen van oudere en nieuwere dichters vermaard.↑

9Maenas beteekent: razend, dol; de Maenaden, de razenden, deBacchanten.↑

9Maenas beteekent: razend, dol; de Maenaden, de razenden, deBacchanten.↑

10Op deze peplos waren de beroemdste heldenfeiten uit mythe en historie voorgesteld.↑

10Op deze peplos waren de beroemdste heldenfeiten uit mythe en historie voorgesteld.↑


Back to IndexNext