[Inhoud]XIX.HET KIND DES LICHTS EN DE PRIESTERS DER DUISTERNIS.Een zonderling contrast vormden gene Ionische uren van zaligheid en deze Peloponnesische tochten van Pericles en Aspasia! Ginds, aan Milete’s vroolijk strand, trok de zegevierende vrouwelijkheid met haar zachten arm een tooverkring om den Atheenschen held; hier te midden van statige bergkruinen openbaarde zich de mannelijke Dorische geest in velerlei zaken, die geschikt waren het gemoed ernstig te stemmen in Pericles’ ziel. Hier stortte de natuur zelve eene soort van ernstige huivering in zijn gemoed; hier spraken tot hem eeuwenoude overblijfsels van een heldhaftig verleden, tegenover welke de latere stervelingen zich alleen als een zwak en verbasterd geslacht moesten gevoelen.Hierwerd op plaatsen wier sagen aan de oude heldenwereld onmiddellijk zich aansloten, een eeredienst en een wedstrijd der mannelijkheid gehouden, in staat, zooals Aspasia te recht gevoelde, om in de ziel van den Griek gezindheden te wekken, aan te kweeken en te onderhouden, die de overwinning der schoonheid en vrouwelijkheid op elk gebied des levens eerder verhinderen dan bevorderen konden. In de bergachtige oorden der herders had Pericles een eenvoudig, als men wil, een idyllisch leven gezien, dat nog ongerept was door den adem der beschaving en dat beschouwingen, gevoelens, verwachtingen koesterde, die wellicht den ondergang van den echt Helleenschen geest afwachtten, om met een grauwen,[158]eentonigen nevel de vroolijke, Helleensche wereld te omhullen. Hier had zelfs de kunst van den Athener, in den tempel van den Olympischen Koning der Goden, haar hoogste en laatste schepping gewrocht en den triomf van het ernstig verhevene over het bevallig schoone, voor het oog van den Griek, zoo ’t scheen, voor eeuwig bezegeld.Bijna lijnrecht stond Aspasia tegenover deze aandoeningen en gevoelens, die Pericles koesterde. Want hunne karakters waren niet geheel gelijk, en hunne betrekking tot de buitenwereld was geheel verschillend. Aspasia was de naar alle kanten werkende, gevende, bezielende; Pericles, zonder afbreuk te doen aan zijne mannelijke kracht, was de echte Helleen, die elken indruk rondom zich opving en opnam in zijne edele ziel. Hij was, gelijk het Helleensche volk, met zijn ontvankelijk gemoed tusschen de uitersten geplaatst; en evenals het Helleensche volk en de Helleensche geest, doorleefde hij onder de afwisseling van deze invloeden en uitersten, eene ontwikkeling, eene inwendige geschiedenis, wier doel en einde nog niet te overzien waren; terwijl Aspasia onwrikbaar en onveranderlijk vast stond op den hechten grond van haar karakter als de betooverende voorvechtster van Helleensche levenslust en de alverwinnende kracht van het schoone.Was het niet te vreezen, dat door deze zachte tegenstelling, tot heden onder de rozengaarde der liefde en van het geluk verborgen, de schoone harmonie van het leven der liefde, dat het edele, schoone paar ten toppunt van geluk voerde, eenmaal zou kunnen worden verstoord?Wèl hing dat gevaar boven hunne hoofden, maar de rozen der liefde schenen voor dit paar onverwelkelijk te zijn en een onvergankelijken toovergeur te verspreiden.Nog altijd immers bleef Pericles de ontvankelijke en ontvangende, Aspasia de zegevierend werkende, de gevende.[159]In hunne gesprekken hadden zij wel is waar dikwijls verschil en niet zelden geloofde Pericles de geliefde vrouw tot zijne meening overgehaald en in zijne stemming gebracht te hebben, doch ten laatste bemerkte hij gewoonlijk, dat zij het was, die hem van gevoelen en stemming veranderd had, dat het onmogelijk was de machtige betoovering, die in de hand dezer onvergelijkelijke vrouw gelegd was, geheel en al van zich af te weren. Steeds liet hij zich door de schoone terugvoeren tot het standpunt van eene meer vrije en opgeruimde levensbeschouwing. Steeds opnieuw werd de schoone harmonie der beide zielen weder hersteld, steeds opnieuw verwezenlijkten zij het ideaal van het Helleensche leven op zijn glanspunt, en boden een schouwspel aan, waarop de Olympiërs met trots en blijdschap nederzagen.Aspasia verstond het voortreffelijk, om de nevelen weg te vagen van ’t voorhoofd van haar echtgenoot. Of zij voor altijd in staat zou zijn de nieuw ontspruitende kiemen van zijn inwendig leven te verstikken, den gang zijner innerlijke ontwikkeling tegen te gaan, dit was natuurlijk voor ’t oogenblik onmogelijk uit te maken.Zeker is ’t echter, dat Aspasia de gave had om de scherts van Anacreon’s liederen betooverend in den ernst te mengen, waarmede de hymnen van Pindarus Pericles hadden bezield, en te zorgen, dat tusschen hen beiden de echte Grieksche zin nog steeds zijn recht handhaafde.—In het kleine voorval met Alcamenes had het verleden eene vluchtige schaduw op het huwelijksgeluk van Pericles geworpen. Aspasia ademde ruimer, toen zij met haar gemaal, terugkeerende van Olympia naar Athene, den bodem van Peloponnesus achter den rug had. Zij vermoedde niet, welk verdriet haar op Attica’s bodem zelf, onmiddellijk vóór het bereiken van hun doel wachtte.Terwijl Phidias te Olympia zijn Zeus voor geheel Hellas schiep, gelijk hij vroeger te Athene de Pallas Athene alleen voor de Atheners had gebeiteld, was[160]zijn vroegere makker en vriend Ictinus in de AttischemysteriënstadEleusis werkzaam geweest, werwaarts hij ontboden was, om een nieuwen tempel voor Demeter te bouwen, ter viering der groote mysteriën.Daar de dagen voor de viering der mysteriën niet ver meer af waren, bevond zich Hipponicus, die bij deze plechtigheid de in zijn geslacht erfelijke waardigheid van daduchus bekleedde, juist te Eleusis, waar hij een landgoed bewoonde, zooals ook andere rijke Atheners in de omstreken van het schoon gelegen Eleusis bezaten. Want de stad lag niet ver van het strand nabij de vaart van Salamis en vlak tegenover dit eiland. Tegen de heuvels aan lagen de woningen der burgers en de groote tempelgebouwen met hun uitgestrekt en heilig gebied, waarin zij stonden.Pericles nam bij Hipponicus zijn intrek gedurende den tijd, dat hij te Eleusis zou vertoeven.De eerste dag was gewijd aan de bezichtiging van den nieuwen, grooten, door Ictinus voltooiden tempel, die, voor de viering der mysteriën ingericht, vele onderaardsche vertrekken enlabyrinthischegangen van ontzettende grootte bevatte; plaatsen bij uitnemendheid geschikt voor die geheimzinnige plechtigheden, die het alleen den ingewijden veroorloofd was te aanschouwen.De Eleusinische mysteriën waren nu een onderwerp, waartegen Aspasia zich terstond op de meest beslissende wijze met al de scherpte van haar geest en vernuft verklaarde. Haar scheen alles, wat zich aan het licht onttrok, wat de duisternis zocht, wat zich hulde in den sluier van het geheimzinnige, gepaard te gaan met bijgeloof en dweeperij, en zoo zag zij ook in deze mysteriën een gevaar voor den vrijen, naar het licht strevenden geest der Hellenen.Toen zij de vereering en het heilig ontzag der Atheners voor deze mysteriën laakte, zei Pericles: „Misschien is dit ontzag der Hellenen de zich heimelijk openbarende vereering van den menschelijken[161]geest in ’t algemeen voor de geheimen, die nog onopgelost in de diepte van zijne eigen ziel sluimeren. Wie weet, hoe vele openbaringen de menschelijke geest nog te voorschijn brengt uit deze heilige diepte!”„Ik wil niets hooren van openbaringen in de toekomst!” hernam Aspasia. „De openbaring van het tegenwoordige is de openbaring van het schoone menschelijke, en alles wat zou kunnen volgen, zou slechts iets minders zijn. Klemmen wij ons met hart en ziel en alle vezelen van ons wezen vast aan het schoone, vroolijke heden!”—Pericles wees Aspasia op den daduchus Hipponicus, en vroeg haar of dan deze man, wiens lichaamsgestalte al ronder en ronder werd en wiens blos zich al schitterender en schitterender voordeed, soms een spoor van dweepzucht vertoonde? En toch was hij niet alleen een ingewijde, maar zelfs bekleedde hij eene priesterwaardigheid te Eleus en behoorde tot hen, die de inwijding der mysten1voltrokken.Aspasia antwoordde, dat zij, welke anderen in het rijk van bijgeloof en dweepzucht binnenvoeren, niet zelden van een geheel andere meening waren, dan die zij anderen trachten op te dringen. „Somwijlen echter,” zeide zij, „gelijken ook de dragers en verkondigers van heilige geheimzinnigheden op de muildieren, die hier en daar volgens een oud gebruik tot drager van heilig tempelgereedschap of godenbeelden gebezigd worden en op wie niets van den goddelijken zegen nederdaalt, dien zij voor anderen op hun rug dragen en uitdeelen. De „onschuldige Hipponicus,” voegde Aspasiaer bij, „schijnt mij tot deze laatste soort te behooren.”Hipponicus was trotsch op zijne waardigheid van daduchus, omdat daaraan inderdaad eene eer onder het Helleensche volk verbonden was. Doch wat overigens er mede gepaard ging en wat ze van[162]hem eischte, daartoe gevoelde hij zich waarlijk niet door eene innerlijke aandrift gedrongen, noch door een persoonlijke neiging geroepen; de omstandigheid alleen, dat hij tot het geslacht behoorde, waaruit de daduchen van Eleusis plachten gekozen te worden en dat die keuze hem te beurt gevallen was, had hem met de priesterlijke waardigheid bekleed.Hij verdedigde tegenover Pericles’ gade de mysteriën, doch als eene zaak, die hij wel is waar vertegenwoordigde, maar zonder er zich veel aan gelegen te laten liggen.Afkeerig van wijsgeerige beschouwingen, stelde hij zich tevreden met Aspasia op een schilderij te wijzen, die den wand zijner eetzaal versierde. Deze schilderij was van de hand van Polygnotes en stelde het bezoek voor, dat de zwerver Odysseus in het rijk der schaduwen bracht. De Hades was afgeschilderd met al zijne verschrikkingen, en onder de bleeke schimmen bewoog zich onvervaard de nog levende vorst van Ithaca.2Toen Pericles met Aspasia de schilderij beschouwde, bemerkte hij als ingewijde aanstonds, dat sommige bijzonderheden toespelingen bevatten op de Eleusinische mysteriën. Hipponicus bevestigde dit en sprak tot Aspasia.„Zoo veel is mij wel geoorloofd te zeggen, dat de weg naar het heilige licht van Eleusis door den Hades voert en door de verschrikkingen des „erebos”. Wat echter de profanen betreft en hen, die hardnekkig versmaden zich te laten inwijden, hun lot in de onderwereld is voor de deskundigen op deze schilderij zeer aanschouwelijk voorgesteld.”Zoo sprak Hipponicus en ried Aspasia ernstig aan zich te laten inwijden; hij herinnerde haar tevens, dat, naar de algemeene overtuiging der Hellenen, zij die in de mysteriën van Demeter te Eleusis ingewijd zijn, na hun dood in zalige gewesten zullen wandelen: terwijl daarentegen den niet ingewijden[163]beschoren is ten eeuwigen tijde in akelige duisternis en eenzaamheid te smachten.„Ik heb dit dikwijls hooren beweren,” zei Aspasia, „en ’t klonk mij steeds in de ooren, alsof iemand op eene slecht gestemde cither onharmonische tonen aanslaat of over eene glasplaat met een puntig ijzer heen en weder krast. Het is verbazend, waaraan zelfs Helleensche ooren zich kunnen gewennen. Ik weet, dat er menschen zijn, die, als zij ’t einde van hun leven voelen naderen, zich nog spoedig doen inwijden, en velen haasten zich zelfs hunne kinderen reeds in prille jeugd dit heil deelachtig te doen worden.”„Ik ben zelf,” zei Pericles, „zooals bijna alle Atheners een ingewijde en gaarne zou ik bereid zijn, ook deze geheimzinnigheden evenals alle andere u mede te deelen.”—„Ik begrijp,” hernam Aspasia, „dat voor de dwazen het bijgeloof, voor de verstandigen de nieuwsgierigheid een voldoende reden is, om zich te laten inwijden. Op het recht van nieuwsgierigheid echter heb ik als vrouw dubbele aanspraak. Wat moet ik doen, Hipponicus, om de wijding deelachtig te worden?”„De zaak is eenvoudig,” zei Hipponicus. „Gij meldt u in het volgende jaar bij de viering der kleine Eleusinische mysteriën te Athene aan, gij ontvangt daar op de voorspraak van een reeds ingewijde, de kleinere wijding en begeeft u een half jaar later met den Eleusinischen feeststoet van Athene herwaarts naar Eleusis, om hier de groote wijding deelachtig te worden en de eigenlijke geheime plechtigheden te aanschouwen.”„Hoe?” riep Aspasia, „moet ik zoolang mijne nieuwsgierigheid bedwingen? Moet ik de kleine Eleusiniën afwachten en dan nog een half jaar zien verloopen, voor de geheimen mij geopenbaard zullen worden? Zijt gij niet daduchus, Hipponicus, en kunt gij als zoodanig voor mij de gunst niet verkrijgen, dat ik de kleinere wijding nu hier tegelijk met de grootere ontvang?”[164]„Onmogelijk!” hernam Hipponicus.„Wat verhindert u daarin?” vroeg Aspasia.„De tijd tusschen de beide wijdingen is vastgesteld door het heilige gebruik,” antwoordde de daduchus.„Gij kunt mij over dat heilige gebruik heen helpen!” bracht Aspasia in het midden.„De hiërophantes3is een van die strenge en ernstige mannen, zooals Diopithes te Athene,” hernam Hipponicus. „Zou ik mij den toorn van dien opperpriester op den hals willen halen?”Aspasia bleef bij haar verzoek volharden, maar de daduchus herhaalde zijn: „Onmogelijk.” Hij was een vijand van verwikkelingen enmoeilijkheden. Hij gevoelde niet den minsten lust de gansche Eleusinische priesterkaste tegen zich in ’t harnas te jagen. Hij hield van vrede en behagelijke rust.Den volgenden dag kwam de Eleusinische optocht van Athene naar Eleusis. Pericles en Aspasia bevonden zich met Hipponicus onder hen, die als toeschouwers de schare ontmoetten, toen deze bij vele duizenden den heiligen weg langs trok. Terwijl de blikken van Aspasia zweefden over de in den optocht gedragen heilige voorwerpen en over de schaar der mysten zelve, allen met mirt en klimop omkranst, korenaren en akkergereedschappen dragend, ter eere van Demeter, die de graanvruchten doet gedijen, ontmoetten haar eensklaps—want de aankomst van den Eleusinischen stoet greep in het schemerend avonduur plaats—in de bonte menigte van gezichten, de matte oogen en de slap hangende wangen van Telesippe.Telesippe’s gemaal, die door den invloed van Pericles telkens opnieuw tot Archon Basileus was gekozen, wien ook de leiding van de Eleusinische mysteriën was opgedragen, liep te midden der Atheensche priesters en overheidspersonen; Telesippe[165]stapte als Basilissa4en deelgenoote zijner godsdienstige waardigheden en verrichtingen, met fier opgericht hoofd aan zijne zijde.Vol waardigheid schreed de vrouw van den Archon Basileus voort in al den omvang harer welgedane gestalte, en toen haar blik, trotsch ter rechter en linker zijde dwalend, op haar vroegeren gemaal en de Milesische naast hem viel, toen richtte zij het hoofd nog hooger op en een trek van innige verachting vertoonde zich om hare dikke lippen. Zoo plechtig was haar uiterlijk, als stond zij nu wederom op het Lenaeën-feest als „de mystische gade van den God” in den tempel van Dionysus, aan het hoofd harer onderdanige priesteressen, geheimzinnige gebruiken volvoerend, die geen mannenoog mocht aanschouwen en waaromtrent zij de deelgenooten allerplechtigst de gelofte van stilzwijgendheid afnam.Toen Aspasia de vrouw zag, zoo fier in het bewustzijn harer priesterlijke waardigheid, en een pijl van de diepste minachting uit hare afgunstige oogen afschietend, ontwaakte de oude haat weder en de bittere spotlust in het gemoed van de Ionische.—„Zie eens,” zeide ze lachend tot Pericles, „zie eens, hoe zij daar praalt, met dat glimmend vet op hare ledematen, de waardige Telesippe! Nadat zij de echte vrouw van twee sterfelijke mannen is geweest, is zij nu zelfs de mystische gemalin van den God Dionysus geworden! ’t Zou mij echter zeer verwonderen, als de jeugdige God haar niet spoedig ook aan een ander overdeed en wel aan Silenus zijn dikbuikigen makker: want voor dezen schijnt zij geheel als geschapen!”Eenige woorden van deze bittere spotternij drongen door tot Telesippe’s oor. Nog beter echter werden zij gehoord door Elpinice en den ziener Lampon, die achter Telesippe in den optocht gingen, en die, evenals zij, op Pericles alsmede op de Milesische[166]in ’t voorbijgaan scherpe en loerende blikken gevestigd hadden. Blikken van met moeite onderdrukte verbittering werden op de vermetele geworpen, en eene stilzwijgende gelofte om de lang gezworen wraak te bespoedigen, rees tegelijkertijd in de drie gekrenkte gemoederen op.In den nacht stroomden langs het strand van den Eleusinischen zeeboezem defeestreien, aangevoerd door den God Iacchus met brandende toorts. Hier flonkerde het nachtelijk schijnsel over de met bloemen bezaaide dreven, en rondom den God slingerde zich de bezielde schare, den bodem stampend in den dans, de golvende lokken schuddend, doorstrengeld met den mirtekrans, en de zwellende, rijpende druif in dien krans. In tallooze bochten kronkelde zich de rei met de hoog gezwaaide fakkels. Een myst gaf telkens de fakkel aan den anderen. De mystische fakkelglans werd als heilig beschouwd en de daaraf spattende vonken als een louteringsmiddel van de zielen dergenen, die zij troffen.Met het aanbreken van den avond, die aan de voorafgaande feestviering een einde maakte en vóór de geheimenissen in den wijtempel plaats grepen, moesten de mysten zich door tal van reinigingen, geloften, gebeden en ander heilige gebruiken voor de wijding voorbereiden.Onophoudelijk had Aspasia inmiddels bij Hipponicus den wensch hernieuwd, om door zijne bemiddeling in de mysteriën te worden ingewijd.Hipponicus herinnerde haar, dat de viering der mysteriën onder het toezicht stond van den Archon Basileus, den echtgenoot van Telesippe, en dat, evenals de Archon Basileus het oppertoezicht over de Eleusinische priesters had, zoo zijne gemalin over de priesteressen van Eleusis als Basilessa gesteld was, tijdens de viering der mysteriën.Dit alles scheen de eigenzinnigheid van Aspasia nog meer te prikkelen: en toch zou ’t haar bezwaarlijk gelukt zijn den tegenstand van Hipponicus te verwinnen, ware ’t hem thans niet tegenover[167]de gade van Pericles gegaan, als Alcamenes te Olympia. Niet te vergeefs koesterde hij in zijn huis den gloed, die zijn hart reeds eenmaal had verzengd. Aspasia, gedachtig aan het voorval met Alcamenes, zou anders wel op hare hoede geweest zijn, om dit vuur opnieuw aan te blazen en een gevaar te vermijden, dat haar om Pericles’ wil noodlottig had kunnen zijn, maar zij had zich nu eenmaal in ’t hoofd gezet, datgene, wat zij wilde bestrijden, nauwkeurig te onderzoeken, ten eindehet mette grooter kracht te kunnen aantasten. Zij zag met voldoening den minnegloed van Hipponicus, dien zij overigens verachtte, opnieuw opvlammen; het was haar immers een waarborg, dat hij ten laatste haar vurig verlangen zou inwilligen.En zoo geschiedde het ook. De daduchus gaf eindelijk toe, om de kleinere wijding, die Aspasia reeds vóór een half jaar moest ontvangen hebben, haar thans toe te dienen. Hij wist den zoogenaamden mystagoog5voor zich te winnen, wiens plicht het vooral was bij de kleinere Eleusiniën te Athene de „duisterlingen” voor te bereiden en in den „tempel” binnen te leiden. De daduchus liet Aspasia, nadat de reinigings-ceremoniën afgeloopen waren, op de vacht van een aan Zeus geofferd lam staan, vervolgens onderrichtte haar de mystagoog in zekere gebruiken en formulieren, die zij in den tempel noodig had, om te bewijzen, dat zij ingewijd was, opdat haar de toegang met de mysten tot het binnenste van ’t heiligdom niet geweigerd zou worden. Eindelijk liet hij haar zweren, dat zij omtrent alles, wat zij in het huis der groote wijding zien en hooren zou, een onverbreekbaar stilzwijgen voor eeuwig zou in acht nemen.Niet te gelijk werden, toen de dagen der wijding gekomen waren, alle mysten binnen geleid, maar de eene afdeeling volgde op de andere.Onder de schare van mysten, die het eerst werd toegelaten, bevonden zich Pericles en Aspasia.[168]Een glimlach zweefde om de lippen van Aspasia toen zij met deze schaar, geleid door de mystagoog, het binnenste van ’t heiligdom betrad en den Hiërophantes, benevens de overige offerpriesters en helpers, in schitterend en veelbeteekenend gewaad gedost zag, met diademen op de vrij langs de schouders neergolvende lokken, statige grijsaards, eerbiedwaardig van uiterlijk, die daarenboven geheimzinnige symbolen ten toon droegen; te midden van hen de daduchus met eene fakkel in de hand.En nog bekoorlijker lachte de schoone Milesische, toen nu de „heilige heraut” zijne stem verhief voor de verzamelde mysten, met den eisch, dat ieder, die niet de wijdingen had ontvangen, zich zou verwijderen, alsmede ieder, wiens hand niet rein van schuld en niet waardig voorbereid was, om het heilige licht van Eleusis te aanschouwen; hen ten laatste nogmaals den plechtigen eed afnemende, een eeuwig zwijgen te bewaren over datgene, wat zij zouden hooren en zien. Hierop werd ieder afzonderlijk eene vraag in het oor gefluisterd, die alleen de myst kon begrijpen en die hij even zacht weder in het oor van den vrager beantwoordde, terwijl door een onzichtbaar koor de plechtige hymnus op de Godinnen van Eleusis aangeheven werd.En nog steeds zweefde die fijne glimlach om de geestige lippen van Aspasia, toen de mysten in het binnenste van den tempel waren binnengeleid en zekere heilige voorwerpen hun daar ’t eerst getoond werden, overblijfselen uit eeuwenoude tijden, zinnebeelden der zegeningen en mysteriën van den Eleusinischen eeredienst, hun tevens aangeboden om aan te raken en te kussen en met gewijd woord uit den mond van den Hiërophantes uitgelegd.En met denzelfden glimlach volgde Aspasia de mimische voorstellingen der heilige sagen, aanschouwelijk en aangrijpend om te zien in de geheimzinnige schemering van den tempel, begeleid door de liefelijke tonen van fluit- en snarenspel.Nu echter werd de schare van mysten langs[169]trappen naar onderaardsche gewelven en gangen gevoerd. Weldra zagen zij zich door eene volslagen duisternis omringd. De zwerftochten begonnen: een lang, moeitevol, doelloos ronddolen in het nachtelijk donker. Alleen de stem van den Hiërophantes weerklonk ernstig en waardig en strekte door zinrijke spreuken en waarschuwingen tot gids in dien donkeren, labyrinthischen zwerftocht.Plotseling hoorde men een dof gedreun, alsof de grondvesten der aarde trilden: het scheen gehuil, gesteen, geluid van ruischend water en geratel van den rollenden donder dooreen gemengd.—De straks nog rustige schare der mysten greep een angstige verbazing aan, zij begon te sidderen en te beven, het klamme angstzweet parelde zich op het voorhoofd.Steeds grooter echter werden de verschrikkingen; want bij het schijnsel van als bliksem, schitterende vlammen, die afwisselend uit den grond sloegen en wier roode, blauwe, witte of vale kleur schier verblindend was, zag men gruwzame spookgestalten, monsters der onderwereld door een vluchtigen glans verlicht. Gorgonen met ontzettende koppen, sluipende Echidnen6, vreeselijke Chimaeren7, die de gestalten van een leeuw, eene geit en eene slang in zich vereenigden, tandenknarsende Harpyen met gapende muilen, bleeke, bloeddorstige Emphusen met hondenkoppen, blaffende Scylla’s8en het huiveringwekkende beeld van Hecate. Doch steeds ontzettender werden de verschrikkingen. Eindelijk verscheen in een vaal licht Thanatos, de God des doods, zittend op doodsbeenderen, in donker, nachtelijk gewaad, het voorhoofd omkranst met affodil9,[170]met eene omlaag gehouden fakkel in de hand, naast hem een vale klepper, waarmede hij in vliegende vaart onmetelijke afstanden aflegt.Rondom hem waren zijne getrouwen gelegerd; Eurynomus de daemon der vernietiging, een der geesten van den Hades, wiens taak het was het vleesch der lijken tot op de beenderen af te knagen. Hij zat op zijn aas, gelijk een raaf of gier, en sloeg zijne tanden begeerig in het weeke vleesch.Verder op waren om den valen Thanatos te zien de Pest en de bleeke, uitgeteerde Honger, de furie van den oorlog Enyo, benevens de kranke, hartdoorknagende, Razernij der liefde en Ate, de Verbijstering, de noodlottige daemon der dwaasheid, der verblinding en der schuld.Aspasia lachte nog altijd, maar haar lach was niet langer bekoorlijker en haar gelaat marmerwit …Terwijl nu echter op een wenk van den Hiërophantes de daduchus zijne fakkel aan eene der uit den grond uitslaande vlammen ontstak, en steeds huiveringwekkender de melodieën der fluiten en van het onzichtbare koor klonken, geraakte de schaar der mysten in een somber, met mephilitische10dampen gevuld hol. Uit de verte vernam men een dof bruisen als van stroomend water en daartusschen het luid geblaf van een driekoppigen hond11.Toen nu de mysten den langen, donkeren hollen weg afgelegd hadden, zagen zij als in een droom eene groote eentoonige, sombere landouw voor zich, zoo ’t scheen van slaap verwekkende vochten doortrokken en omgeven door somber vlietende stroomen.Door den staf van den heiligen heraut bezworen, verstomde het geblaf van den driekoppigen helhond en de mysten-schaar zag zich omringd door[171]de schaduwen des doods, in. het rijk van Persephone12waar in het vale licht wilgen en zilverpopulieren stonden, bleek en onbewegelijk met treurig neerhangende twijgen.Daarop volgde de Asphodelus-weide, geheel overdekt met de treurige doodsbloem, wier bleeke knoppen als droomend op hooge stengels wiegelden.Over deze weiden zweefden de schimmen, de zielen der gestorvenen, heen en weder; zij geleken droombeelden of rook; zij waren niet tastbaar, zonder menschelijk geluid, alleen met een zacht, eentonig gegons de uitgestrekte ruimte des erebus vervullend. Zij waren zich slechts half bewust, als verzonken in gepeins en sluimerig, alleen tot volle bewustzijn te brengen door een gereikten dronk versch, rookend offerbloed.Nachtvogels fladderden in de lucht, ook zij waren somber en spookachtig. Als schimmen met doorschijnende lichamen, gleden ook de visschen traag en zonder geluid voort in de wateren der onderwereld. Deze stroomen echter, die het erebus omgaven, waren: de Acheron, de stroom des eeuwigen lijdens, de tranenstroom Cocytus13, de vuurstroom Pyriphlegeton14en de Styx, met zijne gitzwarte wateren.Door ’t schemerdonker der zwevende, ijle schimmenwereld gingen de mysten als in een droom, geleid door den heiligen heraut verder, totdat plotseling eene koperen reusachtige poort met het geweld des donders vóór hen opensprong.Over een koperen drempel betraden zij den Tartarus, de verblijfplaats van die zielen, welken het niet vergund was, in een half wakenden, half sluimerenden toestand, zonder leed of vreugde, over de Asphodelus-weide te zweven; maar zij, die door de wrekende Erinnyen nedergestort waren in den[172]dieperen jammervollen afgrond van den Hades.Eeuwig op het rondwentelend rad gebonden te zijn15—door eeuwig dreigende, hangende rotsblokken omringd te worden—naar eeuwig terugwijkende met vruchten beladen takken met eeuwig onverzadigde begeerte de handen uit te strekken16—met eeuwig vergeefsche krachtinspanning den steeds weder terugrollenden steen bergopwaarts te wentelen17—de altijd weder wegloopende wateren van vertwijfelende inspanning in een bodemloos vat te scheppen18—de steeds aangroeiende ingewanden aan den beet van een gier19en de ledematen aan de kronkelingen van de slangen der Erinnyen prijs te geven—een speelbal te zijn voor eeuwig in de handen der Stygische schrikgestalten: zoodanig was het lot van hen, die de schare der mysten op den jammervollen bodem huiveringwekkend aanschouwde.Talrijk waren zij, de beelden dier folteringen in de onderwereld; het talrijkste echter de beelden van een eeuwig vergeefsch, smartelijk worstelen en streven.—Zóó werden de ingewijden door die verschrikkelijke diepten, door het lijden des levens en de huivering des doods rondgevoerd en hunne ziel was met angst en siddering vervuld.Plechtig klonk de stem van den Hiërophantes door al deze verschijningen en verschrikkingen heen, verklarend en vermanend.[173]Al vreeselijker en ontzettender werd de onderaardsche duisternis, al luider het geween en gesteun der boetelingen.De stroomen der onderwereld begonnen te bruisen, het geheele schimmenrijk scheen in ééne hartverscheurende zucht los te barsten; maar ook de schare van hen, die uit de bovenwereld neergedaald waren, scheen daarin te deelen en de stemmen aller schepselen zich te vereenigen in een oneindig, door de diepste ellende afgeperst: ach!—Toen scheen op eens een wonderbaar licht uit den schoot der diepste duisternis:Vriendelijke streken doemden op, overdekt met gouden bloemen: liefelijke stemmen weerklonken, zalige reien zweefden daarheen over de heerlijke velden.Hier glansde Persephone’s paleis in helder licht. Aan den drempel van het paleis stond, met de lyra in de hand, Orpheus, de overoude, heilige mysteriën-zanger, en zijn welluidende mond verkondde geheimzinnige zaken.Achter hem lonkte het knaapje Demophoön uit de knetterende vlammen, waarmede zijne goddelijke voedster Demeter hem tot schrik zijner sterfelijke moeder omgeven had, ongedeerd glimlachend den mysten toe.—Over de gouden poorten des tempels echter zweefde in vollen glans, verlicht door de helderste stralen, het symbool der gevleugelde Psyche, niet meer als eene schim in den Hades rondwarend, maar over Asphodelusweiden en Tartarus en Elysium20zich verheffend naar den haar verwanten, goddelijken aether.—Nu werden de mysten door de poort gevoerd om in waarheid ziende te worden. Hier werd voor hen het nog onuitgesproken gedeelte der geheimenissen onthuld. Hier verscheen hun, nochtans aan ieder naar de eigen kracht zijner oogen, in[174]luisterrijken glans: het volle, heilige licht van Eleusis.—Op den dag, die op de inwijding van Aspasia in de Eleusinischegeheimenissen, aan de zijde van haar gemaal Pericles met een groot deel der mysten, volgde, bevond de Milesische zich in een verwarde, eigenaardig veranderde stemming. Haar geheele wezen was door ontroering aangegrepen, haar zenuwgestel geschokt, zij was schier koortsachtig. In een levendig gesprek met Pericles over hetgeen zij met hem gezien en gehoord had, zocht zij de gestoorde harmonie van haar gemoed weder te verkrijgen. Want evenals er nachtvogels zijn enandernachtgebroedsel, wier oog de duisternis liefheeft en den helderen straal van licht niet kan verdragen, zoo zijn er van den anderen kant ook kinderen des lichts, die zich alleen in den gouden glans van het hun bekende en verwante element welbevindenen niet in de donkere afgronden van den nacht kunnen staren. Tot dezen behoorde Aspasia. Een blik in de duisternis echter, een staren in den zwarten nacht, kwam haar die tocht voor, en wat zich het heilige lichtvan Eleusis noemde, scheen haar geen licht, integendeel eene andere soort van duisternis; want het was somber en voerde door somberheden heen. Zij echter kon zich het licht alleen vroolijk denken. Voor haar gold als licht alleen datgene, wat schitterde en tot opgewektheid stemde te gelijk. Het vale, kille, spookachtige schemerdonker, waarna het oogverblindend schelle licht, dat de Hiërophantes van Eleusis in de diepten des levens deed vallen, scheen haar een snood contrast met het ware, rooskleurige licht. Goochelspel en ijdele bangmakerij noemde zij de aan tooverij grenzende phantastische kunsten der Eleusinische priesters.Zoo gevoelde zij zich dus aangedaan en geschokt, door eene pijnlijke onrust aangegrepen en meer dan ooit tot tegenspraak geprikkeld.’t Was intusschen in het van vreemdelingen, voornamelijk van Atheners, wemelende Eleusis geen[175]geheim gebleven, dat Aspasia aan de zijde van haar gemaal zich in de mysteriën had laten inwijden. Maar ook van de bijkomende omstandigheden dezer wijding waren zij, die met het scherpe oog der afgunst het doen en laten der Milesische naspeurden, al heel spoedig onderricht. De ergsten hare vijandinnen, nog onlangs op nieuw beleedigd en tot wraak aangezet, vertoefden te Eleusis, en Lampon liet zich niet onbetuigd, de brave, vol-ijverige Lampon, die het vertrouwen en de vriendschap van Telesippe in nog hoogere mate had weten te winnen, sedert zij de gade van een opperpriester was geworden, en die zich voortreffelijk leende tot een werktuig van de wraakzuchtige vrouw en haar intrigeerende vriendin. Den argeloozen mystagoog had Lampon weldra het geheim van het vermetel waagstuk ontlokt, waardoor Aspasia tegen alle heilige regelen in de mysteriën was binnengeleid. Door hem werden de vijandinnen op de hoogte dier zaak gebracht.Weldra werd de Archon Basileus, de handhaver der heilige wetten, van deze misdaad verwittigd en een onweder pakte zich samen boven het hoofd van Aspasia en haar medeplichtige, Hipponicus, die haar tegen de heilige gebruiken, tot hare wijding de behulpzame hand had geleend.Nog wist Aspasia niets van het dreigend gevaar, en eer zij daarvan in kennis werd gesteld, wedervoer haar ten huize van den daduchus een onaangenaam geval van gansch anderen aard.Aspasia zat met Pericles en hun gastheer Hipponicus aan het ontbijt. Het heilig gebruik verordende in den tijd der viering van de mysteriën eene zekere onthouding; des te meer vermaak schepte Aspasia er in, den ouden drinkenbroer Hipponicus door vroolijke drinkliederen en scoliën op te wekken, ten einde hem meer aan den bezielenden God Iacchus dan aan de strenge Persephone te doen denken. Hij sprak den beker vlijtig aan en al vuriger en vuriger begonnen zijne oogen te schitteren, terwijl de bekoorlijke vrouw tegen den somberen[176]ernst der mysteriën te velde trok en tegen al wat somber was in ’t algemeen, ook tegen het sombere begrip van plicht, waartegen zij het vroolijk recht des levens en der vreugde plaatste.Pericles verwijderde zich om een ambtgenoot, die zich te Eleusis bevond, op te zoeken en Aspasia begaf zich naar haar vertrek.Plotseling stond de dronken Hipponicus voor haar en begon haar verwijtingen toe te voegen.„Vrouw!” riep hij uit met dubbelslaande tong, „uw naam is ondank! Heb ik u niet te Megara uit moeilijke verwikkelingen gered? En wat was mijn loon daarvoor? En heb ik mij nu niet weder onverschrokken voor u in gevaar gestort, door u, tegen alle heilige gebruiken, in de groote mysteriën binnen te smokkelen? En zal ik ook daarvoor geen dank inoogsten, zelfs niet den geringsten? Eilieve, daar gij toch zoo vrijzinnig zijt, waarom zijt gij dan tegenover mij zoo preutsch? Vreest gij misschien uw man? Die is afwezig. Of het sombere begrip van plicht? Daar hebt gij zooeven nog den spot mee gedreven. Ben ik u soms niet jong of mooi genoeg? Neem dan dezen ring met dien kostbaren steen! Hij heeft twee talenten aan baar zilver gekost!—Weet gij dan, dat Pericles altijd van u houden zal? Zal hij u misschien niet eens evenals Telesippe verstooten? Alles in de wereld wentelt en draait bont dooreen! Verlaat u toch op niets! Tast toe! Neem den ring, mooi wijfje! Neem den ring met den steen, die twee talenten gekost heeft! Weet gij dan, lieve, hoe lang gij nog bekoorlijk zult zijn? Nog zijt gij het ontegenzeggelijk, maar de tijd komt, waarop gij oud en leelijk zult zijn!—Neem den ring, schatje, en geef er mij een kus voor!”Aspasia stiet, gloeiend van toorn, den dronken man naar de deur. Toen werd Hipponicus woedend en stotterend schreeuwde hij:„Wie zijt gij toch eigenlijk? Zeg, wie zijt gij dan toch? Een licht dametje uit Milete; bij Demeter! Een dametje uit Milete? Sedert wanneer wilt[177]gij eene Spartaansche vrouw zijn, eene eerzame, deftige matrone?—O, gij preutsche, die toch eens den jongen Alcamenes zonder eenige preutschheid tot model hebt gediend!”—Aspasia beefde en verbleekte van toorn om den dronken, schaamteloozen beleediger. Nogmaals duwde zij den waggelende achteruit, wierp snel haar oppergewaad om en ijlde uit het vertrek en uit het huis, haar echtgenoot Pericles te gemoet.Zij had nauwelijks het huis verlaten of de geslepen vriend van Diopithes, de ziener Lampon, trad het binnen.Hij was door Diopithes gezonden, die den vorigen dag te Eleusis was aangekomen.Toen zij, met doodelijken haat tegen Pericles en Aspasia bezield, het eerst de tijding van Aspasia’s onwettige inwijding vernamen, hadden zij onmiddellijk besloten, zoowel Aspasia zelve als den daduchus bij het heilige gerecht aan te klagen, en de meesten waren verheugd, dat zij thans, behalve de gehate vrouw, ook den zeer benijden Hipponicus in het verderf zouden kunnen storten.Maar Diopithes zelf, het eigenlijke hoofd dezer vijandelijke partij, was van eene andere meening. Hij verzon een plan, dat zijn sluwheid eer aandeed. Gaarne had hij Hipponicus de aanklacht en een veroordeelend vonnis gegund, maar hij berekende, dat de niet aangeklaagde en niet veroordeelde Hipponicus hunne partij nuttiger kon zijn, dan zoo hij aangeklaagd en veroordeeld was.„Als wij hem onmiddellijk aanklagen,” sprak hij, „zal de machtige Pericles hem met zijn geheelen invloed ter zijde staan, en hij zal, zoo al niet er ongestraft afkomen, dan toch veel lichter straf krijgen, dan wij wel wenschen. Wellicht zal hem eene geldboete opgelegd worden, hetgeen den rijksten man van Athene niet veel schaden zal. Hij zal die betalen en dezelfde blijven, die hij is. Anders evenwel wordt de zaak, als wij hem niet onverwijld tot verantwoording van zijn gedrag noodzaken, maar de aanklacht voorloopig als eene altijddurende bedreiging[178]boven zijn hoofd doen zweven. Wij zullen hem doen weten, dat wij zijn geheim kennen en dat het in onze macht is hem in het verderf te storten, zoodra wij willen. Dit zal hem bereidwillig en gedwee in alles maken. Hij zal als een man, die een behagelijke rust boven alles liefheeft en wien geen prijs te hoog is, om eene verlegenheid of verwikkeling te ontkomen, alleen uit angst voor ons, een werktuig, zonder eigen wil, zijn. Zijn invloed te Athene en de macht van zijn rijkdom is groot: beter is het dit water op ons rad, dan op dat van onze tegenstanders te leiden.”—Zoo sprak de snoode, sluweErechtheüs-priestertot zijne makkers en zond Lampon naar de woning van Hipponicus.De ziener trof den daduchus in een zonderlingen toestand aan. Hij vond hem dronken en tevens in den hevigsten toorn ontstoken, tengevolge van hetgeen zooeven tusschen hem en Pericles’ gade had plaats gehad.Desniettemin begon Lampon een gesprek met Hipponicus en zei hem ronduit, dat het bekend was geworden, hoe hij de gade van Pericles op eene wijze, die tegen de heilige regelen streed, in de mysteriën had binnengeleid.Bij deze woorden verschrikte de dronken Hipponicus zoozeer, dat hij bijna nuchter werd. Doch met verdubbelde heftigheid barstte zijn toorn tegen de Milesische los. Hij begon haar jammerend te verwenschen, als eene verleidster, die hem in het verderf wilde brengen.„Grijp haar!” riep hij, „radbraak haar, vil haar, doe met haar, wat gij wilt, zij verdient het!”—Met innig welgevallen vernam Lampon de uitdrukkingen van gramschap tegen Aspasia uit den mond van Hipponicus, en nadat hij eerst nog op eene sluwe wijze den toorn en de angst van den man tot het uiterste had doen stijgen, kwam hij met de verklaring voor den dag, dat zij, die van plan waren hemin staatvan beschuldiging te stellen, bereid waren zich in het geheim met hem[179]te verstaan. Hij vroeg hem of hij de uitnoodiging aannam, welke die mannen hem deden, om met hen over de zaak in onderhandeling te treden. Hipponicus haalde weder ruimer adem en beloofde reeds vooruit alles wat men van hem mocht verlangen. Onmiddellijk werd nu tusschen hem en Lampon plaats en uur voor het onderhoud vastgesteld.Terwijl dit gesprek tusschen Lampon en Hipponicus voorviel, ijlde Aspasia door de straten van Eleusis. Weldra echter moest zij haar snellen gang vertragen door de groote drukte en gewoel. ’t Kon niet anders of zij werd opgemerkt en herkend. Zij zag zich weldra het voorwerp der algemeene aandacht, ’t geen haar natuurlijk in verlegenheid en verwarring bracht.De in Eleusis verzamelde menigte was door de vijanden en vijandinnen van Aspasia op alle mogelijke wijze tegen Pericles’ gade opgeruid. De geruchten over hare onwettige wijding maakten de ronde onder het volk. Er waren bovendien menschen, die zich verstoutten luide te zeggen, dat Aspasia voorheen eene hetaere te Milete en te Megara was geweest, dat zij uit de laatste plaats met schimp en schande was weggejaagd en dat reeds om deze misdaad alleen hare inwijding eene goddelooze zaak was. Overdrijving en sprookjes van de zotste soort liepen, naar gewoonte, over haar van mond tot mond, en zaaiden minachting, ja zelfs verbittering in de gemoederen.Van dergelijke gezindheden was de menigte vervuld, door welke de gade van Pericles in angstige haast zich een doortocht trachtte te verschaffen.’t Ontbrak niet aan brutale lieden, die nieuwsgierig hare schreden volgden, ja zelfs, achter haar loopende zich beleedigende woorden lieten ontvallen, die haar oor bereiken en haar krenken moesten.„Wat is er voor nieuws in Athene?”—„Niets dan dat de vrouw daar speer en schild draagt, en dat de mannen verwijfd zijn.”—„Ja, ’t valt niet te ontkennen, dat Athene door[180]eene vrouw bestuurd wordt.”—„Door Pallas Athene bedoelt ge?”—„Neen, door eene Milesische hetaere. Pericles zal, zoo men zegt, weldra haar beeld op de Acropolis laten plaatsen.”—„Die arme Pericles! De vrouwen heeft hij nooit kunnen weerstaan. Hij is immers ook Elpinice’s minnaar geweest en men weet dat deze hem nog met hare verwelkte bekoorlijkheden betooverd heeft.”—„Is die Milesische dezelfde, met wie hij voor jaren eenmaal in Klein-Azië heeft rondgezworven?”—„Ja wel, dezelfde; ’t heette, dat hij met haar een bedevaart deed naar den onderrok van de heldenbedwingende Omphale21, welke rok, zooals men weet, in den tempel van Artemis te Ephese is opgehangen.”—„Maar hoe kwam ’t hem toch in de gedachte om diezelfde vrouw thans met zich naar de ruwe Peloponnesus te voeren, waar zij zich toch onmogelijk recht tehuis kan vinden? Het poesje, zegt een spreekwoord, ligt graag zacht.”„Inderdaad, men zegt, dat haar de muggen in Elis zeer lastig geweest zijn, en ik wed, dat de paardevliegen van Eleusis haar nog minder zullen aanstaan.”—„Waarachtig het gegons van deze schijnt haar zeer slecht te bevallen.”—„Ach, die teedere hoentjes uit Paphia’s22nest, die van hunne jeugd af op purperen dons hebben geslapen, die Ionische vrouwen met hare smeltende oogen en mollige armen, zonder beenderen in het lichaam, geheel molligheid en liefelijkheid—wat zouden zij in het krijgshafte Olympia of in het ernstige Eleusis te zoeken hebben?”—Zoo klonken de scherpe woorden en smaadredenen,[181]met opzet gesproken, in het steeds toenemend gewoel achter Aspasia.Toen dit een geruimen tijd zoo geduurd had, stond Aspasia plotseling stil en nam een snel besluit; zij sloeg den sluier, die haar gelaat bedekte, op, zoodat haar gezicht geheel zichtbaar was en wierp een kalmen en waardigen blik uit hare fonkelende oogen op de schare rondom haar.Toen opende zij den mond en sprak op de volgende wijze tot het haar omringend en haar aangapend volk:„Vóór jaren stond ik eens als eene hulpelooze vrouw in Megara’s straten, omringd door de menigte, onschuldig gehoond, onschuldig vervolgd met blikken en woorden. Met oogen, gloeiend van haat werd ik beschouwd; want het was een vijandig Dorisch volk, dat zich om mij drong. Met onbillijke woorden werd ik gesmaad, met snoode handen aangegrepen, want het was een ruw, woest Dorisch gepeupel, dat op mij aanviel. Heden omgeeft mij de menigte in Eleusis’ straten. Maar ik houd rustig enkalmmijn hoofd omhoog: want ’t zijn, meen ik, grootendeels Atheners, die mij omringen. Geen Dorisch volk is het, maar een Ionisch, welks scherpste pijl, zoo ik meen, de vermetele blik is, en het ondoordachte woord dat steeds vaardig aan de vlijmende tong ontglipt. Maar waarom dringt gij zoo om mij heen? Waarom gaapt gij mij zoo aan? Ik heb mij onwettig in die geheimenissen van Eleusis ingedrongen, meent gij? Weest toch niet al te kleingeestig, gij verlichte Atheners, en volgt niet al te bereidwillig de wenken en woorden van hen, die het licht haten en de duisternis liefhebben, en die u de duisternis voor licht verkoopen! Mannen van Athene! vereert niet al te zeer het sombere tweetal Godinnen23van Eleusis, en blijft gedachtig aan uwe schutsgodin Pallas Athene, de Godin des lichts, de ware en waardige beschermvrouw van het Attische land en volk[182]wier beeld stralenden, vroolijken glans alle nachtgebroedsel verjagend, hoog schittert op uw burg!”—Toen de vrouw van Pericles deze woorden gesproken had en het fonkelend oog onbevreesd over de haar omstuwende menigte liet weiden, zagen de mannen elkander aan, zeggende:„Zij is, bij de Goden een schoone vrouw, die Aspasia van Milete, en ter wille daarvan moet men haar veel vergeven!”24—Zoo spraken zij en weken een weinig uiteen, zoodat zij rustig haar weg kon vervolgen.—Maar de vrienden van Diopithes, die zich onder de menigte bevonden, waren nu nog feller op de Milesische gebeten en begaven zich naar denErechtheüs-priester, om hem te berichten, dat Aspasia met onbeschaamd voorhoofd voor het verzamelde volk met minachting over de heilige plechtigheden en de eerwaardige Godinnen van Eleusis gesproken had.Het uur voor het onderhoud bij Diopithes, waartoe men ook Hipponicus genoodigd had, was gekomen.Verscheidene mannen met een somber uiterlijk, verklaarde tegenstanders van Pericles, waren bij den priester verzameld.De angstvallige daduchus was zeer inschikkelijk en gedwee in alle zaken. Steunende op zijne verklaringen en op de toornige uitdrukkingen tegen Aspasia, waarvan Lampon getuige was geweest, rekende Diopithes hem voortaan onder ’t getal zijner bondgenooten en helpers.Om zijnentwil, heette het, zou men in eene volgens de Atheensche wetten hoogst gevaarlijke zaak de aanklacht tegen Aspasia zoolang verschuiven,[183]als hij zich die genadige behandeling waardig toonde. Om de vrouw van Pericles in het verderf te storten, meenden de samenzweerders, waren de vermetele, oneerbiedige uitdrukkingen voldoende, die zij voor het geheele volk over de Eleusinische Godinnen had durven uitspreken. Ieder oogenblik kon men wegens deze zaak alleen eene aanklacht van goddeloosheid en godsdienstverachting tegen haar indienen.Er waren mannen van de oligarchen-partij tegenwoordig, die zeiden, dat men verder moest gaan; dat men zich niet tevreden moest stellen de Milesische aan te vallen, die toch altijd slechts eene vrouw was, maar dat men zich eindelijk ook aan Pericles zelven eens moest wagen. Zij wezen op de verderfelijke veranderingen, die er door hem in den staat hadden plaats gegrepen, op de onbeperkte volksheerschappij die door zijne toegeeflijkheid zich had ontwikkeld en die door niets in toom gehouden werd dan door den persoonlijken invloed van den bij het volk geliefden strateeg. De belangen der Atheners waren alzoo aan de willekeur en het goedvinden van één enkele prijs gegeven. Anderen meenden, dat mannen als Anaxagoras, Socrates en de Sophisten de eigenlijke oorzaak waren van den rampzaligen toestand van den staat. Deze hadden de Atheners geleerd vrij te denken en oneerbiedig te spreken over de Goden en goddelijke zaken; deze vóór anderen moest men trachten uit te roeien. Bovendien waren er tegenstanders en benijders van Phidias en zijne school onder de aanhangers van Diopithes, die ook de vervolging tot hen wilden zien uitgestrekt.De oogen van Diopithes fonkelden bij de opnoeming van al deze mannen. Hem waren zij allen gelijkelijk gehaat.„Wij zullen ze allen weten te vatten,” zei hij, „allen van de rij af of te gelijk. Doch laat ons sluw de goede gelegenheid bespieden en de voor ons gunstige stemming der Atheners afwachten. Inmiddels echter moeten wij heimelijk naar een vast plan[184]te werk gaan, om ’t verderf dier schuldigen voor te bereiden.”Zoo sprak deErechtheüs-priester. Veel werd er vervolgens nog gewikt en gewogen, veel afgesproken door de bij Diopithes vergaderde mannen.Aspasia was dien dag niet in het huis van Hipponicus teruggekeerd; alleen Pericles begaf zich op den morgen van den volgenden dag, toen hij op ’t punt stond met zijne gade Eleusis te verlaten, nogmaals naar den daduchus.Hij riep hem ter verantwoording over de onbeschaamde beleediging, die hij Aspasia had aangedaan. Hipponicus verontschuldigde zich met zijne dronkenschap en opgewondenheid, waarvan Aspasia voor een deel althans zelve de schuld was, daar zij hem door Anacreontische liedjes en gesprekken bij het vroolijke maal tot Dionysische dartelheid geprikkeld had. Vervolgens beklaagde hij zich bitter over de verlegenheid en het gevaar, waarin hij door zijne medeplichtigheid aan de onwettige inwijding van Aspasia in de mysteriën geraakt was.Pericles had medelijden met deze verlegenheid en beloofde hem zijne bescherming. Doch Hipponicus was niet tot gerustheid te brengen.Toen Pericles desniettemin schouderophalend afscheid nam, volgde de daduchus hem tot aan de deur, keek telkens angstig rond en fluisterde zijn ouden vriend in ’t oor:„Wees op uw hoede, Pericles! Bij Diopithes werden gisteren in de schemering booze plannen gesmeed. Ook ik was daarbij;—gedwongen—; want het gold mijn hoofd.—Neem u in acht voor Diopithes en maak hem onschadelijk, zoo gij kunt. Men wil Aspasia en Anaxagoras en Phidias en u zelven in ’t verderf storten. Mij hebben zij in hunne macht, die ellendelingen—ik moest maar altijd met het hoofd ja knikken, op alles wat zij daar voorstelden—maar de honden en de raven mogen hen verscheuren, denErechtheüs-priesteren zijne geheelen aanhang!”[185]1Mystes is het Grieksche woord voor hem, die ingewijd is in de mysteriën. Het woord „musterion” zelf beteekent geheim. De hier verkondigde leer schijnt van een godsdienstig-staatkundigen aard geweest te zijn. Degenen, die den hoogsten graad in die mysteriën hadden verworven, heetten epopten, opzieners.↑2Ithaca tegenwoordig „Teaki”, eiland in de Ionische zee.↑3Hiërophantes is hij die de heilige offerplechtigheden onderwijst en bijzonder hij die in de Eleusinische mysteriën de profanen in de geheimenissen inwijdt; de opperpriester. Vergelijk Herodotus VII, 153.↑4Basilissa is het vrouwelijk van basileus, dus koningin, vooral echter in de beteekenis van: de echtgenoote van den Archon Basileus.↑5Mystagogos beteekent in het Grieksch eigenlijk hij, die de oningewijden binnenleidt; wij zouden zeggen: „de voorbereider”. Vergelijk Cic. Verr. 4. 59.↑6Echidna beteekent: adder; ook de slang Echidna, de moeder der Gorgonen; zie de volgende noot.↑7Chimaera beteekent: geit; voorts een fabelachtig monster van voren leeuw, in het midden geit, van achteren draak, voortgebracht, naar Hesiodus, door Typhaön en Echidna; het wordt ook voorgesteld met de drie koppen der genoemde dieren. De Chimaera werd door Bellerophon gedood.↑8Hier wordt natuurlijk niet de gevaarlijke klip Scylla bedoeld in de straat van Messina, maar een persoonlijk wezen. Scylla, eene dochter van Phorcys, die door Circe in een monster werd veranderd, welks onderlijf uit bassende honden bestond.↑9De affodil ofslaapleliewerd door de Ouden asphodelus, soms asphodilus geheeten. Het is een soort van lelieachtig gewas met knolvormigen wortel, die door de Ouden genuttigd werd. De smaak is bitter en scherp; de wortel saprijk.↑10Stinkende, verpestende.↑11De Cerberus, die volgens eene andere mythe honderd koppen had; hij bewaakte den Hades; hij werd door Heracles bedwongen. Hij was voortgebracht door Typhon en Echidna.↑12Persephone (Proserpina), de dochter van Demeter, werd door Hades (Pluto) geschaakt. De helft van het jaar bracht zij bij Hades, haar echtgenoot, door, de andere helft op den Olympus. Zij wordt beschouwd als de koningin van het schimmenrijk. Zij wordt ook Kora geheeten.↑13De naam Cocytus, in het Grieksch Kokutos geheeten, wordt afgeleid van een werkwoord, Kôkuô, dat jammeren, klagen, huilen beteekent.↑14Dit woord bestaat uit het Grieksche pur, vuur en phlegô, brandende vuurstroom.↑15Het zal niet overbodig zijn de personen, die Hamerling hier telkens bedoelt, aan te wijzen, omdat zonder die te kennen deze passage onbegrijpelijk is. Hier doelt Hamerling op Ixion, koning der Lapithen, die omdat hij Hera had willen onteeren in de onderwereld op een eeuwig ronddraaiend rad werd gebonden.↑16Tantalus, koning in Phyrgië, vader van Pelops en Niobe, stond in hoogen gunst bij de Goden; doch hij verklapte de geheimen, die hij aan hunne tafel vernam en werd tot straf door Zeus in de Tartarus geworpen, waar stroomend water en heerlijke vruchtboomen hem omringden, doch telkens wanneer hij, door dorst en honger gekweld, de handen er naar uitstrekte, weken zij buiten zijn bereik.↑17Hier heeft de schrijver Sisyphus op het oog, deze was de zoon van Aeölus, een doortrapte schelm, die van het Geranea-gebergte rotsblokken op de reizigers neerwierp en zich met den buit verrijkte. Zelfs verried hij de geheimen der Goden. Ook voor die misdaden werd hij tot gemelde straf in de onderwereld veroordeeld.↑18De Danaïden, dochters van Danaüs, die gedwongen met de zonen van Aegyptus huwden. Negen en veertig van de vijftig dochters vermoorden in den huwelijksnacht hare mannen, op aansporing van haar vader. Alleen Hypermnestra spaarde haar gemaal Lynkeus. Daarom werden zij tot bovengenoemde eeuwige straf veroordeeld.↑19Tityus, zoon van Zeus en Elara, dochter van Orchomenus of van Gaea had Leto (Latona) willen onteeren; vandaar zijne straf.↑20De woonplaats der gelukzaligen in het schimmenrijk: de Elyseesche velden.↑21Zie Deel Inoot 2 pag. 259.↑22Paphia, de Paphische d.i. Aphrodite, die te Paphos, eene stad op Cyprus, bijzonder werd vereerd.↑23Demeter en hare dochter Persephone. Zienoot 1 pag. 171.↑24Dit zijn nagenoeg dezelfde woorden, die de oudsten des volks, op Ilium’s muren gezeten, tot elkander spraken, toen zij de schoone Helena zagen. Zij komen voor in de Ilias, Boek III, vers 156–159, en luiden, volgens Vosmaer’s vertolking, aldus:„Niemand verbaas ’t voorwaar, dat ter wille van zulk eene vrouweGrieken en Troiers ’t leed zich troosten van alle die rampspoen.Machtig in schoonheid schijnt als dat der godinnen ’t aanschijn.”
[Inhoud]XIX.HET KIND DES LICHTS EN DE PRIESTERS DER DUISTERNIS.Een zonderling contrast vormden gene Ionische uren van zaligheid en deze Peloponnesische tochten van Pericles en Aspasia! Ginds, aan Milete’s vroolijk strand, trok de zegevierende vrouwelijkheid met haar zachten arm een tooverkring om den Atheenschen held; hier te midden van statige bergkruinen openbaarde zich de mannelijke Dorische geest in velerlei zaken, die geschikt waren het gemoed ernstig te stemmen in Pericles’ ziel. Hier stortte de natuur zelve eene soort van ernstige huivering in zijn gemoed; hier spraken tot hem eeuwenoude overblijfsels van een heldhaftig verleden, tegenover welke de latere stervelingen zich alleen als een zwak en verbasterd geslacht moesten gevoelen.Hierwerd op plaatsen wier sagen aan de oude heldenwereld onmiddellijk zich aansloten, een eeredienst en een wedstrijd der mannelijkheid gehouden, in staat, zooals Aspasia te recht gevoelde, om in de ziel van den Griek gezindheden te wekken, aan te kweeken en te onderhouden, die de overwinning der schoonheid en vrouwelijkheid op elk gebied des levens eerder verhinderen dan bevorderen konden. In de bergachtige oorden der herders had Pericles een eenvoudig, als men wil, een idyllisch leven gezien, dat nog ongerept was door den adem der beschaving en dat beschouwingen, gevoelens, verwachtingen koesterde, die wellicht den ondergang van den echt Helleenschen geest afwachtten, om met een grauwen,[158]eentonigen nevel de vroolijke, Helleensche wereld te omhullen. Hier had zelfs de kunst van den Athener, in den tempel van den Olympischen Koning der Goden, haar hoogste en laatste schepping gewrocht en den triomf van het ernstig verhevene over het bevallig schoone, voor het oog van den Griek, zoo ’t scheen, voor eeuwig bezegeld.Bijna lijnrecht stond Aspasia tegenover deze aandoeningen en gevoelens, die Pericles koesterde. Want hunne karakters waren niet geheel gelijk, en hunne betrekking tot de buitenwereld was geheel verschillend. Aspasia was de naar alle kanten werkende, gevende, bezielende; Pericles, zonder afbreuk te doen aan zijne mannelijke kracht, was de echte Helleen, die elken indruk rondom zich opving en opnam in zijne edele ziel. Hij was, gelijk het Helleensche volk, met zijn ontvankelijk gemoed tusschen de uitersten geplaatst; en evenals het Helleensche volk en de Helleensche geest, doorleefde hij onder de afwisseling van deze invloeden en uitersten, eene ontwikkeling, eene inwendige geschiedenis, wier doel en einde nog niet te overzien waren; terwijl Aspasia onwrikbaar en onveranderlijk vast stond op den hechten grond van haar karakter als de betooverende voorvechtster van Helleensche levenslust en de alverwinnende kracht van het schoone.Was het niet te vreezen, dat door deze zachte tegenstelling, tot heden onder de rozengaarde der liefde en van het geluk verborgen, de schoone harmonie van het leven der liefde, dat het edele, schoone paar ten toppunt van geluk voerde, eenmaal zou kunnen worden verstoord?Wèl hing dat gevaar boven hunne hoofden, maar de rozen der liefde schenen voor dit paar onverwelkelijk te zijn en een onvergankelijken toovergeur te verspreiden.Nog altijd immers bleef Pericles de ontvankelijke en ontvangende, Aspasia de zegevierend werkende, de gevende.[159]In hunne gesprekken hadden zij wel is waar dikwijls verschil en niet zelden geloofde Pericles de geliefde vrouw tot zijne meening overgehaald en in zijne stemming gebracht te hebben, doch ten laatste bemerkte hij gewoonlijk, dat zij het was, die hem van gevoelen en stemming veranderd had, dat het onmogelijk was de machtige betoovering, die in de hand dezer onvergelijkelijke vrouw gelegd was, geheel en al van zich af te weren. Steeds liet hij zich door de schoone terugvoeren tot het standpunt van eene meer vrije en opgeruimde levensbeschouwing. Steeds opnieuw werd de schoone harmonie der beide zielen weder hersteld, steeds opnieuw verwezenlijkten zij het ideaal van het Helleensche leven op zijn glanspunt, en boden een schouwspel aan, waarop de Olympiërs met trots en blijdschap nederzagen.Aspasia verstond het voortreffelijk, om de nevelen weg te vagen van ’t voorhoofd van haar echtgenoot. Of zij voor altijd in staat zou zijn de nieuw ontspruitende kiemen van zijn inwendig leven te verstikken, den gang zijner innerlijke ontwikkeling tegen te gaan, dit was natuurlijk voor ’t oogenblik onmogelijk uit te maken.Zeker is ’t echter, dat Aspasia de gave had om de scherts van Anacreon’s liederen betooverend in den ernst te mengen, waarmede de hymnen van Pindarus Pericles hadden bezield, en te zorgen, dat tusschen hen beiden de echte Grieksche zin nog steeds zijn recht handhaafde.—In het kleine voorval met Alcamenes had het verleden eene vluchtige schaduw op het huwelijksgeluk van Pericles geworpen. Aspasia ademde ruimer, toen zij met haar gemaal, terugkeerende van Olympia naar Athene, den bodem van Peloponnesus achter den rug had. Zij vermoedde niet, welk verdriet haar op Attica’s bodem zelf, onmiddellijk vóór het bereiken van hun doel wachtte.Terwijl Phidias te Olympia zijn Zeus voor geheel Hellas schiep, gelijk hij vroeger te Athene de Pallas Athene alleen voor de Atheners had gebeiteld, was[160]zijn vroegere makker en vriend Ictinus in de AttischemysteriënstadEleusis werkzaam geweest, werwaarts hij ontboden was, om een nieuwen tempel voor Demeter te bouwen, ter viering der groote mysteriën.Daar de dagen voor de viering der mysteriën niet ver meer af waren, bevond zich Hipponicus, die bij deze plechtigheid de in zijn geslacht erfelijke waardigheid van daduchus bekleedde, juist te Eleusis, waar hij een landgoed bewoonde, zooals ook andere rijke Atheners in de omstreken van het schoon gelegen Eleusis bezaten. Want de stad lag niet ver van het strand nabij de vaart van Salamis en vlak tegenover dit eiland. Tegen de heuvels aan lagen de woningen der burgers en de groote tempelgebouwen met hun uitgestrekt en heilig gebied, waarin zij stonden.Pericles nam bij Hipponicus zijn intrek gedurende den tijd, dat hij te Eleusis zou vertoeven.De eerste dag was gewijd aan de bezichtiging van den nieuwen, grooten, door Ictinus voltooiden tempel, die, voor de viering der mysteriën ingericht, vele onderaardsche vertrekken enlabyrinthischegangen van ontzettende grootte bevatte; plaatsen bij uitnemendheid geschikt voor die geheimzinnige plechtigheden, die het alleen den ingewijden veroorloofd was te aanschouwen.De Eleusinische mysteriën waren nu een onderwerp, waartegen Aspasia zich terstond op de meest beslissende wijze met al de scherpte van haar geest en vernuft verklaarde. Haar scheen alles, wat zich aan het licht onttrok, wat de duisternis zocht, wat zich hulde in den sluier van het geheimzinnige, gepaard te gaan met bijgeloof en dweeperij, en zoo zag zij ook in deze mysteriën een gevaar voor den vrijen, naar het licht strevenden geest der Hellenen.Toen zij de vereering en het heilig ontzag der Atheners voor deze mysteriën laakte, zei Pericles: „Misschien is dit ontzag der Hellenen de zich heimelijk openbarende vereering van den menschelijken[161]geest in ’t algemeen voor de geheimen, die nog onopgelost in de diepte van zijne eigen ziel sluimeren. Wie weet, hoe vele openbaringen de menschelijke geest nog te voorschijn brengt uit deze heilige diepte!”„Ik wil niets hooren van openbaringen in de toekomst!” hernam Aspasia. „De openbaring van het tegenwoordige is de openbaring van het schoone menschelijke, en alles wat zou kunnen volgen, zou slechts iets minders zijn. Klemmen wij ons met hart en ziel en alle vezelen van ons wezen vast aan het schoone, vroolijke heden!”—Pericles wees Aspasia op den daduchus Hipponicus, en vroeg haar of dan deze man, wiens lichaamsgestalte al ronder en ronder werd en wiens blos zich al schitterender en schitterender voordeed, soms een spoor van dweepzucht vertoonde? En toch was hij niet alleen een ingewijde, maar zelfs bekleedde hij eene priesterwaardigheid te Eleus en behoorde tot hen, die de inwijding der mysten1voltrokken.Aspasia antwoordde, dat zij, welke anderen in het rijk van bijgeloof en dweepzucht binnenvoeren, niet zelden van een geheel andere meening waren, dan die zij anderen trachten op te dringen. „Somwijlen echter,” zeide zij, „gelijken ook de dragers en verkondigers van heilige geheimzinnigheden op de muildieren, die hier en daar volgens een oud gebruik tot drager van heilig tempelgereedschap of godenbeelden gebezigd worden en op wie niets van den goddelijken zegen nederdaalt, dien zij voor anderen op hun rug dragen en uitdeelen. De „onschuldige Hipponicus,” voegde Aspasiaer bij, „schijnt mij tot deze laatste soort te behooren.”Hipponicus was trotsch op zijne waardigheid van daduchus, omdat daaraan inderdaad eene eer onder het Helleensche volk verbonden was. Doch wat overigens er mede gepaard ging en wat ze van[162]hem eischte, daartoe gevoelde hij zich waarlijk niet door eene innerlijke aandrift gedrongen, noch door een persoonlijke neiging geroepen; de omstandigheid alleen, dat hij tot het geslacht behoorde, waaruit de daduchen van Eleusis plachten gekozen te worden en dat die keuze hem te beurt gevallen was, had hem met de priesterlijke waardigheid bekleed.Hij verdedigde tegenover Pericles’ gade de mysteriën, doch als eene zaak, die hij wel is waar vertegenwoordigde, maar zonder er zich veel aan gelegen te laten liggen.Afkeerig van wijsgeerige beschouwingen, stelde hij zich tevreden met Aspasia op een schilderij te wijzen, die den wand zijner eetzaal versierde. Deze schilderij was van de hand van Polygnotes en stelde het bezoek voor, dat de zwerver Odysseus in het rijk der schaduwen bracht. De Hades was afgeschilderd met al zijne verschrikkingen, en onder de bleeke schimmen bewoog zich onvervaard de nog levende vorst van Ithaca.2Toen Pericles met Aspasia de schilderij beschouwde, bemerkte hij als ingewijde aanstonds, dat sommige bijzonderheden toespelingen bevatten op de Eleusinische mysteriën. Hipponicus bevestigde dit en sprak tot Aspasia.„Zoo veel is mij wel geoorloofd te zeggen, dat de weg naar het heilige licht van Eleusis door den Hades voert en door de verschrikkingen des „erebos”. Wat echter de profanen betreft en hen, die hardnekkig versmaden zich te laten inwijden, hun lot in de onderwereld is voor de deskundigen op deze schilderij zeer aanschouwelijk voorgesteld.”Zoo sprak Hipponicus en ried Aspasia ernstig aan zich te laten inwijden; hij herinnerde haar tevens, dat, naar de algemeene overtuiging der Hellenen, zij die in de mysteriën van Demeter te Eleusis ingewijd zijn, na hun dood in zalige gewesten zullen wandelen: terwijl daarentegen den niet ingewijden[163]beschoren is ten eeuwigen tijde in akelige duisternis en eenzaamheid te smachten.„Ik heb dit dikwijls hooren beweren,” zei Aspasia, „en ’t klonk mij steeds in de ooren, alsof iemand op eene slecht gestemde cither onharmonische tonen aanslaat of over eene glasplaat met een puntig ijzer heen en weder krast. Het is verbazend, waaraan zelfs Helleensche ooren zich kunnen gewennen. Ik weet, dat er menschen zijn, die, als zij ’t einde van hun leven voelen naderen, zich nog spoedig doen inwijden, en velen haasten zich zelfs hunne kinderen reeds in prille jeugd dit heil deelachtig te doen worden.”„Ik ben zelf,” zei Pericles, „zooals bijna alle Atheners een ingewijde en gaarne zou ik bereid zijn, ook deze geheimzinnigheden evenals alle andere u mede te deelen.”—„Ik begrijp,” hernam Aspasia, „dat voor de dwazen het bijgeloof, voor de verstandigen de nieuwsgierigheid een voldoende reden is, om zich te laten inwijden. Op het recht van nieuwsgierigheid echter heb ik als vrouw dubbele aanspraak. Wat moet ik doen, Hipponicus, om de wijding deelachtig te worden?”„De zaak is eenvoudig,” zei Hipponicus. „Gij meldt u in het volgende jaar bij de viering der kleine Eleusinische mysteriën te Athene aan, gij ontvangt daar op de voorspraak van een reeds ingewijde, de kleinere wijding en begeeft u een half jaar later met den Eleusinischen feeststoet van Athene herwaarts naar Eleusis, om hier de groote wijding deelachtig te worden en de eigenlijke geheime plechtigheden te aanschouwen.”„Hoe?” riep Aspasia, „moet ik zoolang mijne nieuwsgierigheid bedwingen? Moet ik de kleine Eleusiniën afwachten en dan nog een half jaar zien verloopen, voor de geheimen mij geopenbaard zullen worden? Zijt gij niet daduchus, Hipponicus, en kunt gij als zoodanig voor mij de gunst niet verkrijgen, dat ik de kleinere wijding nu hier tegelijk met de grootere ontvang?”[164]„Onmogelijk!” hernam Hipponicus.„Wat verhindert u daarin?” vroeg Aspasia.„De tijd tusschen de beide wijdingen is vastgesteld door het heilige gebruik,” antwoordde de daduchus.„Gij kunt mij over dat heilige gebruik heen helpen!” bracht Aspasia in het midden.„De hiërophantes3is een van die strenge en ernstige mannen, zooals Diopithes te Athene,” hernam Hipponicus. „Zou ik mij den toorn van dien opperpriester op den hals willen halen?”Aspasia bleef bij haar verzoek volharden, maar de daduchus herhaalde zijn: „Onmogelijk.” Hij was een vijand van verwikkelingen enmoeilijkheden. Hij gevoelde niet den minsten lust de gansche Eleusinische priesterkaste tegen zich in ’t harnas te jagen. Hij hield van vrede en behagelijke rust.Den volgenden dag kwam de Eleusinische optocht van Athene naar Eleusis. Pericles en Aspasia bevonden zich met Hipponicus onder hen, die als toeschouwers de schare ontmoetten, toen deze bij vele duizenden den heiligen weg langs trok. Terwijl de blikken van Aspasia zweefden over de in den optocht gedragen heilige voorwerpen en over de schaar der mysten zelve, allen met mirt en klimop omkranst, korenaren en akkergereedschappen dragend, ter eere van Demeter, die de graanvruchten doet gedijen, ontmoetten haar eensklaps—want de aankomst van den Eleusinischen stoet greep in het schemerend avonduur plaats—in de bonte menigte van gezichten, de matte oogen en de slap hangende wangen van Telesippe.Telesippe’s gemaal, die door den invloed van Pericles telkens opnieuw tot Archon Basileus was gekozen, wien ook de leiding van de Eleusinische mysteriën was opgedragen, liep te midden der Atheensche priesters en overheidspersonen; Telesippe[165]stapte als Basilissa4en deelgenoote zijner godsdienstige waardigheden en verrichtingen, met fier opgericht hoofd aan zijne zijde.Vol waardigheid schreed de vrouw van den Archon Basileus voort in al den omvang harer welgedane gestalte, en toen haar blik, trotsch ter rechter en linker zijde dwalend, op haar vroegeren gemaal en de Milesische naast hem viel, toen richtte zij het hoofd nog hooger op en een trek van innige verachting vertoonde zich om hare dikke lippen. Zoo plechtig was haar uiterlijk, als stond zij nu wederom op het Lenaeën-feest als „de mystische gade van den God” in den tempel van Dionysus, aan het hoofd harer onderdanige priesteressen, geheimzinnige gebruiken volvoerend, die geen mannenoog mocht aanschouwen en waaromtrent zij de deelgenooten allerplechtigst de gelofte van stilzwijgendheid afnam.Toen Aspasia de vrouw zag, zoo fier in het bewustzijn harer priesterlijke waardigheid, en een pijl van de diepste minachting uit hare afgunstige oogen afschietend, ontwaakte de oude haat weder en de bittere spotlust in het gemoed van de Ionische.—„Zie eens,” zeide ze lachend tot Pericles, „zie eens, hoe zij daar praalt, met dat glimmend vet op hare ledematen, de waardige Telesippe! Nadat zij de echte vrouw van twee sterfelijke mannen is geweest, is zij nu zelfs de mystische gemalin van den God Dionysus geworden! ’t Zou mij echter zeer verwonderen, als de jeugdige God haar niet spoedig ook aan een ander overdeed en wel aan Silenus zijn dikbuikigen makker: want voor dezen schijnt zij geheel als geschapen!”Eenige woorden van deze bittere spotternij drongen door tot Telesippe’s oor. Nog beter echter werden zij gehoord door Elpinice en den ziener Lampon, die achter Telesippe in den optocht gingen, en die, evenals zij, op Pericles alsmede op de Milesische[166]in ’t voorbijgaan scherpe en loerende blikken gevestigd hadden. Blikken van met moeite onderdrukte verbittering werden op de vermetele geworpen, en eene stilzwijgende gelofte om de lang gezworen wraak te bespoedigen, rees tegelijkertijd in de drie gekrenkte gemoederen op.In den nacht stroomden langs het strand van den Eleusinischen zeeboezem defeestreien, aangevoerd door den God Iacchus met brandende toorts. Hier flonkerde het nachtelijk schijnsel over de met bloemen bezaaide dreven, en rondom den God slingerde zich de bezielde schare, den bodem stampend in den dans, de golvende lokken schuddend, doorstrengeld met den mirtekrans, en de zwellende, rijpende druif in dien krans. In tallooze bochten kronkelde zich de rei met de hoog gezwaaide fakkels. Een myst gaf telkens de fakkel aan den anderen. De mystische fakkelglans werd als heilig beschouwd en de daaraf spattende vonken als een louteringsmiddel van de zielen dergenen, die zij troffen.Met het aanbreken van den avond, die aan de voorafgaande feestviering een einde maakte en vóór de geheimenissen in den wijtempel plaats grepen, moesten de mysten zich door tal van reinigingen, geloften, gebeden en ander heilige gebruiken voor de wijding voorbereiden.Onophoudelijk had Aspasia inmiddels bij Hipponicus den wensch hernieuwd, om door zijne bemiddeling in de mysteriën te worden ingewijd.Hipponicus herinnerde haar, dat de viering der mysteriën onder het toezicht stond van den Archon Basileus, den echtgenoot van Telesippe, en dat, evenals de Archon Basileus het oppertoezicht over de Eleusinische priesters had, zoo zijne gemalin over de priesteressen van Eleusis als Basilessa gesteld was, tijdens de viering der mysteriën.Dit alles scheen de eigenzinnigheid van Aspasia nog meer te prikkelen: en toch zou ’t haar bezwaarlijk gelukt zijn den tegenstand van Hipponicus te verwinnen, ware ’t hem thans niet tegenover[167]de gade van Pericles gegaan, als Alcamenes te Olympia. Niet te vergeefs koesterde hij in zijn huis den gloed, die zijn hart reeds eenmaal had verzengd. Aspasia, gedachtig aan het voorval met Alcamenes, zou anders wel op hare hoede geweest zijn, om dit vuur opnieuw aan te blazen en een gevaar te vermijden, dat haar om Pericles’ wil noodlottig had kunnen zijn, maar zij had zich nu eenmaal in ’t hoofd gezet, datgene, wat zij wilde bestrijden, nauwkeurig te onderzoeken, ten eindehet mette grooter kracht te kunnen aantasten. Zij zag met voldoening den minnegloed van Hipponicus, dien zij overigens verachtte, opnieuw opvlammen; het was haar immers een waarborg, dat hij ten laatste haar vurig verlangen zou inwilligen.En zoo geschiedde het ook. De daduchus gaf eindelijk toe, om de kleinere wijding, die Aspasia reeds vóór een half jaar moest ontvangen hebben, haar thans toe te dienen. Hij wist den zoogenaamden mystagoog5voor zich te winnen, wiens plicht het vooral was bij de kleinere Eleusiniën te Athene de „duisterlingen” voor te bereiden en in den „tempel” binnen te leiden. De daduchus liet Aspasia, nadat de reinigings-ceremoniën afgeloopen waren, op de vacht van een aan Zeus geofferd lam staan, vervolgens onderrichtte haar de mystagoog in zekere gebruiken en formulieren, die zij in den tempel noodig had, om te bewijzen, dat zij ingewijd was, opdat haar de toegang met de mysten tot het binnenste van ’t heiligdom niet geweigerd zou worden. Eindelijk liet hij haar zweren, dat zij omtrent alles, wat zij in het huis der groote wijding zien en hooren zou, een onverbreekbaar stilzwijgen voor eeuwig zou in acht nemen.Niet te gelijk werden, toen de dagen der wijding gekomen waren, alle mysten binnen geleid, maar de eene afdeeling volgde op de andere.Onder de schare van mysten, die het eerst werd toegelaten, bevonden zich Pericles en Aspasia.[168]Een glimlach zweefde om de lippen van Aspasia toen zij met deze schaar, geleid door de mystagoog, het binnenste van ’t heiligdom betrad en den Hiërophantes, benevens de overige offerpriesters en helpers, in schitterend en veelbeteekenend gewaad gedost zag, met diademen op de vrij langs de schouders neergolvende lokken, statige grijsaards, eerbiedwaardig van uiterlijk, die daarenboven geheimzinnige symbolen ten toon droegen; te midden van hen de daduchus met eene fakkel in de hand.En nog bekoorlijker lachte de schoone Milesische, toen nu de „heilige heraut” zijne stem verhief voor de verzamelde mysten, met den eisch, dat ieder, die niet de wijdingen had ontvangen, zich zou verwijderen, alsmede ieder, wiens hand niet rein van schuld en niet waardig voorbereid was, om het heilige licht van Eleusis te aanschouwen; hen ten laatste nogmaals den plechtigen eed afnemende, een eeuwig zwijgen te bewaren over datgene, wat zij zouden hooren en zien. Hierop werd ieder afzonderlijk eene vraag in het oor gefluisterd, die alleen de myst kon begrijpen en die hij even zacht weder in het oor van den vrager beantwoordde, terwijl door een onzichtbaar koor de plechtige hymnus op de Godinnen van Eleusis aangeheven werd.En nog steeds zweefde die fijne glimlach om de geestige lippen van Aspasia, toen de mysten in het binnenste van den tempel waren binnengeleid en zekere heilige voorwerpen hun daar ’t eerst getoond werden, overblijfselen uit eeuwenoude tijden, zinnebeelden der zegeningen en mysteriën van den Eleusinischen eeredienst, hun tevens aangeboden om aan te raken en te kussen en met gewijd woord uit den mond van den Hiërophantes uitgelegd.En met denzelfden glimlach volgde Aspasia de mimische voorstellingen der heilige sagen, aanschouwelijk en aangrijpend om te zien in de geheimzinnige schemering van den tempel, begeleid door de liefelijke tonen van fluit- en snarenspel.Nu echter werd de schare van mysten langs[169]trappen naar onderaardsche gewelven en gangen gevoerd. Weldra zagen zij zich door eene volslagen duisternis omringd. De zwerftochten begonnen: een lang, moeitevol, doelloos ronddolen in het nachtelijk donker. Alleen de stem van den Hiërophantes weerklonk ernstig en waardig en strekte door zinrijke spreuken en waarschuwingen tot gids in dien donkeren, labyrinthischen zwerftocht.Plotseling hoorde men een dof gedreun, alsof de grondvesten der aarde trilden: het scheen gehuil, gesteen, geluid van ruischend water en geratel van den rollenden donder dooreen gemengd.—De straks nog rustige schare der mysten greep een angstige verbazing aan, zij begon te sidderen en te beven, het klamme angstzweet parelde zich op het voorhoofd.Steeds grooter echter werden de verschrikkingen; want bij het schijnsel van als bliksem, schitterende vlammen, die afwisselend uit den grond sloegen en wier roode, blauwe, witte of vale kleur schier verblindend was, zag men gruwzame spookgestalten, monsters der onderwereld door een vluchtigen glans verlicht. Gorgonen met ontzettende koppen, sluipende Echidnen6, vreeselijke Chimaeren7, die de gestalten van een leeuw, eene geit en eene slang in zich vereenigden, tandenknarsende Harpyen met gapende muilen, bleeke, bloeddorstige Emphusen met hondenkoppen, blaffende Scylla’s8en het huiveringwekkende beeld van Hecate. Doch steeds ontzettender werden de verschrikkingen. Eindelijk verscheen in een vaal licht Thanatos, de God des doods, zittend op doodsbeenderen, in donker, nachtelijk gewaad, het voorhoofd omkranst met affodil9,[170]met eene omlaag gehouden fakkel in de hand, naast hem een vale klepper, waarmede hij in vliegende vaart onmetelijke afstanden aflegt.Rondom hem waren zijne getrouwen gelegerd; Eurynomus de daemon der vernietiging, een der geesten van den Hades, wiens taak het was het vleesch der lijken tot op de beenderen af te knagen. Hij zat op zijn aas, gelijk een raaf of gier, en sloeg zijne tanden begeerig in het weeke vleesch.Verder op waren om den valen Thanatos te zien de Pest en de bleeke, uitgeteerde Honger, de furie van den oorlog Enyo, benevens de kranke, hartdoorknagende, Razernij der liefde en Ate, de Verbijstering, de noodlottige daemon der dwaasheid, der verblinding en der schuld.Aspasia lachte nog altijd, maar haar lach was niet langer bekoorlijker en haar gelaat marmerwit …Terwijl nu echter op een wenk van den Hiërophantes de daduchus zijne fakkel aan eene der uit den grond uitslaande vlammen ontstak, en steeds huiveringwekkender de melodieën der fluiten en van het onzichtbare koor klonken, geraakte de schaar der mysten in een somber, met mephilitische10dampen gevuld hol. Uit de verte vernam men een dof bruisen als van stroomend water en daartusschen het luid geblaf van een driekoppigen hond11.Toen nu de mysten den langen, donkeren hollen weg afgelegd hadden, zagen zij als in een droom eene groote eentoonige, sombere landouw voor zich, zoo ’t scheen van slaap verwekkende vochten doortrokken en omgeven door somber vlietende stroomen.Door den staf van den heiligen heraut bezworen, verstomde het geblaf van den driekoppigen helhond en de mysten-schaar zag zich omringd door[171]de schaduwen des doods, in. het rijk van Persephone12waar in het vale licht wilgen en zilverpopulieren stonden, bleek en onbewegelijk met treurig neerhangende twijgen.Daarop volgde de Asphodelus-weide, geheel overdekt met de treurige doodsbloem, wier bleeke knoppen als droomend op hooge stengels wiegelden.Over deze weiden zweefden de schimmen, de zielen der gestorvenen, heen en weder; zij geleken droombeelden of rook; zij waren niet tastbaar, zonder menschelijk geluid, alleen met een zacht, eentonig gegons de uitgestrekte ruimte des erebus vervullend. Zij waren zich slechts half bewust, als verzonken in gepeins en sluimerig, alleen tot volle bewustzijn te brengen door een gereikten dronk versch, rookend offerbloed.Nachtvogels fladderden in de lucht, ook zij waren somber en spookachtig. Als schimmen met doorschijnende lichamen, gleden ook de visschen traag en zonder geluid voort in de wateren der onderwereld. Deze stroomen echter, die het erebus omgaven, waren: de Acheron, de stroom des eeuwigen lijdens, de tranenstroom Cocytus13, de vuurstroom Pyriphlegeton14en de Styx, met zijne gitzwarte wateren.Door ’t schemerdonker der zwevende, ijle schimmenwereld gingen de mysten als in een droom, geleid door den heiligen heraut verder, totdat plotseling eene koperen reusachtige poort met het geweld des donders vóór hen opensprong.Over een koperen drempel betraden zij den Tartarus, de verblijfplaats van die zielen, welken het niet vergund was, in een half wakenden, half sluimerenden toestand, zonder leed of vreugde, over de Asphodelus-weide te zweven; maar zij, die door de wrekende Erinnyen nedergestort waren in den[172]dieperen jammervollen afgrond van den Hades.Eeuwig op het rondwentelend rad gebonden te zijn15—door eeuwig dreigende, hangende rotsblokken omringd te worden—naar eeuwig terugwijkende met vruchten beladen takken met eeuwig onverzadigde begeerte de handen uit te strekken16—met eeuwig vergeefsche krachtinspanning den steeds weder terugrollenden steen bergopwaarts te wentelen17—de altijd weder wegloopende wateren van vertwijfelende inspanning in een bodemloos vat te scheppen18—de steeds aangroeiende ingewanden aan den beet van een gier19en de ledematen aan de kronkelingen van de slangen der Erinnyen prijs te geven—een speelbal te zijn voor eeuwig in de handen der Stygische schrikgestalten: zoodanig was het lot van hen, die de schare der mysten op den jammervollen bodem huiveringwekkend aanschouwde.Talrijk waren zij, de beelden dier folteringen in de onderwereld; het talrijkste echter de beelden van een eeuwig vergeefsch, smartelijk worstelen en streven.—Zóó werden de ingewijden door die verschrikkelijke diepten, door het lijden des levens en de huivering des doods rondgevoerd en hunne ziel was met angst en siddering vervuld.Plechtig klonk de stem van den Hiërophantes door al deze verschijningen en verschrikkingen heen, verklarend en vermanend.[173]Al vreeselijker en ontzettender werd de onderaardsche duisternis, al luider het geween en gesteun der boetelingen.De stroomen der onderwereld begonnen te bruisen, het geheele schimmenrijk scheen in ééne hartverscheurende zucht los te barsten; maar ook de schare van hen, die uit de bovenwereld neergedaald waren, scheen daarin te deelen en de stemmen aller schepselen zich te vereenigen in een oneindig, door de diepste ellende afgeperst: ach!—Toen scheen op eens een wonderbaar licht uit den schoot der diepste duisternis:Vriendelijke streken doemden op, overdekt met gouden bloemen: liefelijke stemmen weerklonken, zalige reien zweefden daarheen over de heerlijke velden.Hier glansde Persephone’s paleis in helder licht. Aan den drempel van het paleis stond, met de lyra in de hand, Orpheus, de overoude, heilige mysteriën-zanger, en zijn welluidende mond verkondde geheimzinnige zaken.Achter hem lonkte het knaapje Demophoön uit de knetterende vlammen, waarmede zijne goddelijke voedster Demeter hem tot schrik zijner sterfelijke moeder omgeven had, ongedeerd glimlachend den mysten toe.—Over de gouden poorten des tempels echter zweefde in vollen glans, verlicht door de helderste stralen, het symbool der gevleugelde Psyche, niet meer als eene schim in den Hades rondwarend, maar over Asphodelusweiden en Tartarus en Elysium20zich verheffend naar den haar verwanten, goddelijken aether.—Nu werden de mysten door de poort gevoerd om in waarheid ziende te worden. Hier werd voor hen het nog onuitgesproken gedeelte der geheimenissen onthuld. Hier verscheen hun, nochtans aan ieder naar de eigen kracht zijner oogen, in[174]luisterrijken glans: het volle, heilige licht van Eleusis.—Op den dag, die op de inwijding van Aspasia in de Eleusinischegeheimenissen, aan de zijde van haar gemaal Pericles met een groot deel der mysten, volgde, bevond de Milesische zich in een verwarde, eigenaardig veranderde stemming. Haar geheele wezen was door ontroering aangegrepen, haar zenuwgestel geschokt, zij was schier koortsachtig. In een levendig gesprek met Pericles over hetgeen zij met hem gezien en gehoord had, zocht zij de gestoorde harmonie van haar gemoed weder te verkrijgen. Want evenals er nachtvogels zijn enandernachtgebroedsel, wier oog de duisternis liefheeft en den helderen straal van licht niet kan verdragen, zoo zijn er van den anderen kant ook kinderen des lichts, die zich alleen in den gouden glans van het hun bekende en verwante element welbevindenen niet in de donkere afgronden van den nacht kunnen staren. Tot dezen behoorde Aspasia. Een blik in de duisternis echter, een staren in den zwarten nacht, kwam haar die tocht voor, en wat zich het heilige lichtvan Eleusis noemde, scheen haar geen licht, integendeel eene andere soort van duisternis; want het was somber en voerde door somberheden heen. Zij echter kon zich het licht alleen vroolijk denken. Voor haar gold als licht alleen datgene, wat schitterde en tot opgewektheid stemde te gelijk. Het vale, kille, spookachtige schemerdonker, waarna het oogverblindend schelle licht, dat de Hiërophantes van Eleusis in de diepten des levens deed vallen, scheen haar een snood contrast met het ware, rooskleurige licht. Goochelspel en ijdele bangmakerij noemde zij de aan tooverij grenzende phantastische kunsten der Eleusinische priesters.Zoo gevoelde zij zich dus aangedaan en geschokt, door eene pijnlijke onrust aangegrepen en meer dan ooit tot tegenspraak geprikkeld.’t Was intusschen in het van vreemdelingen, voornamelijk van Atheners, wemelende Eleusis geen[175]geheim gebleven, dat Aspasia aan de zijde van haar gemaal zich in de mysteriën had laten inwijden. Maar ook van de bijkomende omstandigheden dezer wijding waren zij, die met het scherpe oog der afgunst het doen en laten der Milesische naspeurden, al heel spoedig onderricht. De ergsten hare vijandinnen, nog onlangs op nieuw beleedigd en tot wraak aangezet, vertoefden te Eleusis, en Lampon liet zich niet onbetuigd, de brave, vol-ijverige Lampon, die het vertrouwen en de vriendschap van Telesippe in nog hoogere mate had weten te winnen, sedert zij de gade van een opperpriester was geworden, en die zich voortreffelijk leende tot een werktuig van de wraakzuchtige vrouw en haar intrigeerende vriendin. Den argeloozen mystagoog had Lampon weldra het geheim van het vermetel waagstuk ontlokt, waardoor Aspasia tegen alle heilige regelen in de mysteriën was binnengeleid. Door hem werden de vijandinnen op de hoogte dier zaak gebracht.Weldra werd de Archon Basileus, de handhaver der heilige wetten, van deze misdaad verwittigd en een onweder pakte zich samen boven het hoofd van Aspasia en haar medeplichtige, Hipponicus, die haar tegen de heilige gebruiken, tot hare wijding de behulpzame hand had geleend.Nog wist Aspasia niets van het dreigend gevaar, en eer zij daarvan in kennis werd gesteld, wedervoer haar ten huize van den daduchus een onaangenaam geval van gansch anderen aard.Aspasia zat met Pericles en hun gastheer Hipponicus aan het ontbijt. Het heilig gebruik verordende in den tijd der viering van de mysteriën eene zekere onthouding; des te meer vermaak schepte Aspasia er in, den ouden drinkenbroer Hipponicus door vroolijke drinkliederen en scoliën op te wekken, ten einde hem meer aan den bezielenden God Iacchus dan aan de strenge Persephone te doen denken. Hij sprak den beker vlijtig aan en al vuriger en vuriger begonnen zijne oogen te schitteren, terwijl de bekoorlijke vrouw tegen den somberen[176]ernst der mysteriën te velde trok en tegen al wat somber was in ’t algemeen, ook tegen het sombere begrip van plicht, waartegen zij het vroolijk recht des levens en der vreugde plaatste.Pericles verwijderde zich om een ambtgenoot, die zich te Eleusis bevond, op te zoeken en Aspasia begaf zich naar haar vertrek.Plotseling stond de dronken Hipponicus voor haar en begon haar verwijtingen toe te voegen.„Vrouw!” riep hij uit met dubbelslaande tong, „uw naam is ondank! Heb ik u niet te Megara uit moeilijke verwikkelingen gered? En wat was mijn loon daarvoor? En heb ik mij nu niet weder onverschrokken voor u in gevaar gestort, door u, tegen alle heilige gebruiken, in de groote mysteriën binnen te smokkelen? En zal ik ook daarvoor geen dank inoogsten, zelfs niet den geringsten? Eilieve, daar gij toch zoo vrijzinnig zijt, waarom zijt gij dan tegenover mij zoo preutsch? Vreest gij misschien uw man? Die is afwezig. Of het sombere begrip van plicht? Daar hebt gij zooeven nog den spot mee gedreven. Ben ik u soms niet jong of mooi genoeg? Neem dan dezen ring met dien kostbaren steen! Hij heeft twee talenten aan baar zilver gekost!—Weet gij dan, dat Pericles altijd van u houden zal? Zal hij u misschien niet eens evenals Telesippe verstooten? Alles in de wereld wentelt en draait bont dooreen! Verlaat u toch op niets! Tast toe! Neem den ring, mooi wijfje! Neem den ring met den steen, die twee talenten gekost heeft! Weet gij dan, lieve, hoe lang gij nog bekoorlijk zult zijn? Nog zijt gij het ontegenzeggelijk, maar de tijd komt, waarop gij oud en leelijk zult zijn!—Neem den ring, schatje, en geef er mij een kus voor!”Aspasia stiet, gloeiend van toorn, den dronken man naar de deur. Toen werd Hipponicus woedend en stotterend schreeuwde hij:„Wie zijt gij toch eigenlijk? Zeg, wie zijt gij dan toch? Een licht dametje uit Milete; bij Demeter! Een dametje uit Milete? Sedert wanneer wilt[177]gij eene Spartaansche vrouw zijn, eene eerzame, deftige matrone?—O, gij preutsche, die toch eens den jongen Alcamenes zonder eenige preutschheid tot model hebt gediend!”—Aspasia beefde en verbleekte van toorn om den dronken, schaamteloozen beleediger. Nogmaals duwde zij den waggelende achteruit, wierp snel haar oppergewaad om en ijlde uit het vertrek en uit het huis, haar echtgenoot Pericles te gemoet.Zij had nauwelijks het huis verlaten of de geslepen vriend van Diopithes, de ziener Lampon, trad het binnen.Hij was door Diopithes gezonden, die den vorigen dag te Eleusis was aangekomen.Toen zij, met doodelijken haat tegen Pericles en Aspasia bezield, het eerst de tijding van Aspasia’s onwettige inwijding vernamen, hadden zij onmiddellijk besloten, zoowel Aspasia zelve als den daduchus bij het heilige gerecht aan te klagen, en de meesten waren verheugd, dat zij thans, behalve de gehate vrouw, ook den zeer benijden Hipponicus in het verderf zouden kunnen storten.Maar Diopithes zelf, het eigenlijke hoofd dezer vijandelijke partij, was van eene andere meening. Hij verzon een plan, dat zijn sluwheid eer aandeed. Gaarne had hij Hipponicus de aanklacht en een veroordeelend vonnis gegund, maar hij berekende, dat de niet aangeklaagde en niet veroordeelde Hipponicus hunne partij nuttiger kon zijn, dan zoo hij aangeklaagd en veroordeeld was.„Als wij hem onmiddellijk aanklagen,” sprak hij, „zal de machtige Pericles hem met zijn geheelen invloed ter zijde staan, en hij zal, zoo al niet er ongestraft afkomen, dan toch veel lichter straf krijgen, dan wij wel wenschen. Wellicht zal hem eene geldboete opgelegd worden, hetgeen den rijksten man van Athene niet veel schaden zal. Hij zal die betalen en dezelfde blijven, die hij is. Anders evenwel wordt de zaak, als wij hem niet onverwijld tot verantwoording van zijn gedrag noodzaken, maar de aanklacht voorloopig als eene altijddurende bedreiging[178]boven zijn hoofd doen zweven. Wij zullen hem doen weten, dat wij zijn geheim kennen en dat het in onze macht is hem in het verderf te storten, zoodra wij willen. Dit zal hem bereidwillig en gedwee in alles maken. Hij zal als een man, die een behagelijke rust boven alles liefheeft en wien geen prijs te hoog is, om eene verlegenheid of verwikkeling te ontkomen, alleen uit angst voor ons, een werktuig, zonder eigen wil, zijn. Zijn invloed te Athene en de macht van zijn rijkdom is groot: beter is het dit water op ons rad, dan op dat van onze tegenstanders te leiden.”—Zoo sprak de snoode, sluweErechtheüs-priestertot zijne makkers en zond Lampon naar de woning van Hipponicus.De ziener trof den daduchus in een zonderlingen toestand aan. Hij vond hem dronken en tevens in den hevigsten toorn ontstoken, tengevolge van hetgeen zooeven tusschen hem en Pericles’ gade had plaats gehad.Desniettemin begon Lampon een gesprek met Hipponicus en zei hem ronduit, dat het bekend was geworden, hoe hij de gade van Pericles op eene wijze, die tegen de heilige regelen streed, in de mysteriën had binnengeleid.Bij deze woorden verschrikte de dronken Hipponicus zoozeer, dat hij bijna nuchter werd. Doch met verdubbelde heftigheid barstte zijn toorn tegen de Milesische los. Hij begon haar jammerend te verwenschen, als eene verleidster, die hem in het verderf wilde brengen.„Grijp haar!” riep hij, „radbraak haar, vil haar, doe met haar, wat gij wilt, zij verdient het!”—Met innig welgevallen vernam Lampon de uitdrukkingen van gramschap tegen Aspasia uit den mond van Hipponicus, en nadat hij eerst nog op eene sluwe wijze den toorn en de angst van den man tot het uiterste had doen stijgen, kwam hij met de verklaring voor den dag, dat zij, die van plan waren hemin staatvan beschuldiging te stellen, bereid waren zich in het geheim met hem[179]te verstaan. Hij vroeg hem of hij de uitnoodiging aannam, welke die mannen hem deden, om met hen over de zaak in onderhandeling te treden. Hipponicus haalde weder ruimer adem en beloofde reeds vooruit alles wat men van hem mocht verlangen. Onmiddellijk werd nu tusschen hem en Lampon plaats en uur voor het onderhoud vastgesteld.Terwijl dit gesprek tusschen Lampon en Hipponicus voorviel, ijlde Aspasia door de straten van Eleusis. Weldra echter moest zij haar snellen gang vertragen door de groote drukte en gewoel. ’t Kon niet anders of zij werd opgemerkt en herkend. Zij zag zich weldra het voorwerp der algemeene aandacht, ’t geen haar natuurlijk in verlegenheid en verwarring bracht.De in Eleusis verzamelde menigte was door de vijanden en vijandinnen van Aspasia op alle mogelijke wijze tegen Pericles’ gade opgeruid. De geruchten over hare onwettige wijding maakten de ronde onder het volk. Er waren bovendien menschen, die zich verstoutten luide te zeggen, dat Aspasia voorheen eene hetaere te Milete en te Megara was geweest, dat zij uit de laatste plaats met schimp en schande was weggejaagd en dat reeds om deze misdaad alleen hare inwijding eene goddelooze zaak was. Overdrijving en sprookjes van de zotste soort liepen, naar gewoonte, over haar van mond tot mond, en zaaiden minachting, ja zelfs verbittering in de gemoederen.Van dergelijke gezindheden was de menigte vervuld, door welke de gade van Pericles in angstige haast zich een doortocht trachtte te verschaffen.’t Ontbrak niet aan brutale lieden, die nieuwsgierig hare schreden volgden, ja zelfs, achter haar loopende zich beleedigende woorden lieten ontvallen, die haar oor bereiken en haar krenken moesten.„Wat is er voor nieuws in Athene?”—„Niets dan dat de vrouw daar speer en schild draagt, en dat de mannen verwijfd zijn.”—„Ja, ’t valt niet te ontkennen, dat Athene door[180]eene vrouw bestuurd wordt.”—„Door Pallas Athene bedoelt ge?”—„Neen, door eene Milesische hetaere. Pericles zal, zoo men zegt, weldra haar beeld op de Acropolis laten plaatsen.”—„Die arme Pericles! De vrouwen heeft hij nooit kunnen weerstaan. Hij is immers ook Elpinice’s minnaar geweest en men weet dat deze hem nog met hare verwelkte bekoorlijkheden betooverd heeft.”—„Is die Milesische dezelfde, met wie hij voor jaren eenmaal in Klein-Azië heeft rondgezworven?”—„Ja wel, dezelfde; ’t heette, dat hij met haar een bedevaart deed naar den onderrok van de heldenbedwingende Omphale21, welke rok, zooals men weet, in den tempel van Artemis te Ephese is opgehangen.”—„Maar hoe kwam ’t hem toch in de gedachte om diezelfde vrouw thans met zich naar de ruwe Peloponnesus te voeren, waar zij zich toch onmogelijk recht tehuis kan vinden? Het poesje, zegt een spreekwoord, ligt graag zacht.”„Inderdaad, men zegt, dat haar de muggen in Elis zeer lastig geweest zijn, en ik wed, dat de paardevliegen van Eleusis haar nog minder zullen aanstaan.”—„Waarachtig het gegons van deze schijnt haar zeer slecht te bevallen.”—„Ach, die teedere hoentjes uit Paphia’s22nest, die van hunne jeugd af op purperen dons hebben geslapen, die Ionische vrouwen met hare smeltende oogen en mollige armen, zonder beenderen in het lichaam, geheel molligheid en liefelijkheid—wat zouden zij in het krijgshafte Olympia of in het ernstige Eleusis te zoeken hebben?”—Zoo klonken de scherpe woorden en smaadredenen,[181]met opzet gesproken, in het steeds toenemend gewoel achter Aspasia.Toen dit een geruimen tijd zoo geduurd had, stond Aspasia plotseling stil en nam een snel besluit; zij sloeg den sluier, die haar gelaat bedekte, op, zoodat haar gezicht geheel zichtbaar was en wierp een kalmen en waardigen blik uit hare fonkelende oogen op de schare rondom haar.Toen opende zij den mond en sprak op de volgende wijze tot het haar omringend en haar aangapend volk:„Vóór jaren stond ik eens als eene hulpelooze vrouw in Megara’s straten, omringd door de menigte, onschuldig gehoond, onschuldig vervolgd met blikken en woorden. Met oogen, gloeiend van haat werd ik beschouwd; want het was een vijandig Dorisch volk, dat zich om mij drong. Met onbillijke woorden werd ik gesmaad, met snoode handen aangegrepen, want het was een ruw, woest Dorisch gepeupel, dat op mij aanviel. Heden omgeeft mij de menigte in Eleusis’ straten. Maar ik houd rustig enkalmmijn hoofd omhoog: want ’t zijn, meen ik, grootendeels Atheners, die mij omringen. Geen Dorisch volk is het, maar een Ionisch, welks scherpste pijl, zoo ik meen, de vermetele blik is, en het ondoordachte woord dat steeds vaardig aan de vlijmende tong ontglipt. Maar waarom dringt gij zoo om mij heen? Waarom gaapt gij mij zoo aan? Ik heb mij onwettig in die geheimenissen van Eleusis ingedrongen, meent gij? Weest toch niet al te kleingeestig, gij verlichte Atheners, en volgt niet al te bereidwillig de wenken en woorden van hen, die het licht haten en de duisternis liefhebben, en die u de duisternis voor licht verkoopen! Mannen van Athene! vereert niet al te zeer het sombere tweetal Godinnen23van Eleusis, en blijft gedachtig aan uwe schutsgodin Pallas Athene, de Godin des lichts, de ware en waardige beschermvrouw van het Attische land en volk[182]wier beeld stralenden, vroolijken glans alle nachtgebroedsel verjagend, hoog schittert op uw burg!”—Toen de vrouw van Pericles deze woorden gesproken had en het fonkelend oog onbevreesd over de haar omstuwende menigte liet weiden, zagen de mannen elkander aan, zeggende:„Zij is, bij de Goden een schoone vrouw, die Aspasia van Milete, en ter wille daarvan moet men haar veel vergeven!”24—Zoo spraken zij en weken een weinig uiteen, zoodat zij rustig haar weg kon vervolgen.—Maar de vrienden van Diopithes, die zich onder de menigte bevonden, waren nu nog feller op de Milesische gebeten en begaven zich naar denErechtheüs-priester, om hem te berichten, dat Aspasia met onbeschaamd voorhoofd voor het verzamelde volk met minachting over de heilige plechtigheden en de eerwaardige Godinnen van Eleusis gesproken had.Het uur voor het onderhoud bij Diopithes, waartoe men ook Hipponicus genoodigd had, was gekomen.Verscheidene mannen met een somber uiterlijk, verklaarde tegenstanders van Pericles, waren bij den priester verzameld.De angstvallige daduchus was zeer inschikkelijk en gedwee in alle zaken. Steunende op zijne verklaringen en op de toornige uitdrukkingen tegen Aspasia, waarvan Lampon getuige was geweest, rekende Diopithes hem voortaan onder ’t getal zijner bondgenooten en helpers.Om zijnentwil, heette het, zou men in eene volgens de Atheensche wetten hoogst gevaarlijke zaak de aanklacht tegen Aspasia zoolang verschuiven,[183]als hij zich die genadige behandeling waardig toonde. Om de vrouw van Pericles in het verderf te storten, meenden de samenzweerders, waren de vermetele, oneerbiedige uitdrukkingen voldoende, die zij voor het geheele volk over de Eleusinische Godinnen had durven uitspreken. Ieder oogenblik kon men wegens deze zaak alleen eene aanklacht van goddeloosheid en godsdienstverachting tegen haar indienen.Er waren mannen van de oligarchen-partij tegenwoordig, die zeiden, dat men verder moest gaan; dat men zich niet tevreden moest stellen de Milesische aan te vallen, die toch altijd slechts eene vrouw was, maar dat men zich eindelijk ook aan Pericles zelven eens moest wagen. Zij wezen op de verderfelijke veranderingen, die er door hem in den staat hadden plaats gegrepen, op de onbeperkte volksheerschappij die door zijne toegeeflijkheid zich had ontwikkeld en die door niets in toom gehouden werd dan door den persoonlijken invloed van den bij het volk geliefden strateeg. De belangen der Atheners waren alzoo aan de willekeur en het goedvinden van één enkele prijs gegeven. Anderen meenden, dat mannen als Anaxagoras, Socrates en de Sophisten de eigenlijke oorzaak waren van den rampzaligen toestand van den staat. Deze hadden de Atheners geleerd vrij te denken en oneerbiedig te spreken over de Goden en goddelijke zaken; deze vóór anderen moest men trachten uit te roeien. Bovendien waren er tegenstanders en benijders van Phidias en zijne school onder de aanhangers van Diopithes, die ook de vervolging tot hen wilden zien uitgestrekt.De oogen van Diopithes fonkelden bij de opnoeming van al deze mannen. Hem waren zij allen gelijkelijk gehaat.„Wij zullen ze allen weten te vatten,” zei hij, „allen van de rij af of te gelijk. Doch laat ons sluw de goede gelegenheid bespieden en de voor ons gunstige stemming der Atheners afwachten. Inmiddels echter moeten wij heimelijk naar een vast plan[184]te werk gaan, om ’t verderf dier schuldigen voor te bereiden.”Zoo sprak deErechtheüs-priester. Veel werd er vervolgens nog gewikt en gewogen, veel afgesproken door de bij Diopithes vergaderde mannen.Aspasia was dien dag niet in het huis van Hipponicus teruggekeerd; alleen Pericles begaf zich op den morgen van den volgenden dag, toen hij op ’t punt stond met zijne gade Eleusis te verlaten, nogmaals naar den daduchus.Hij riep hem ter verantwoording over de onbeschaamde beleediging, die hij Aspasia had aangedaan. Hipponicus verontschuldigde zich met zijne dronkenschap en opgewondenheid, waarvan Aspasia voor een deel althans zelve de schuld was, daar zij hem door Anacreontische liedjes en gesprekken bij het vroolijke maal tot Dionysische dartelheid geprikkeld had. Vervolgens beklaagde hij zich bitter over de verlegenheid en het gevaar, waarin hij door zijne medeplichtigheid aan de onwettige inwijding van Aspasia in de mysteriën geraakt was.Pericles had medelijden met deze verlegenheid en beloofde hem zijne bescherming. Doch Hipponicus was niet tot gerustheid te brengen.Toen Pericles desniettemin schouderophalend afscheid nam, volgde de daduchus hem tot aan de deur, keek telkens angstig rond en fluisterde zijn ouden vriend in ’t oor:„Wees op uw hoede, Pericles! Bij Diopithes werden gisteren in de schemering booze plannen gesmeed. Ook ik was daarbij;—gedwongen—; want het gold mijn hoofd.—Neem u in acht voor Diopithes en maak hem onschadelijk, zoo gij kunt. Men wil Aspasia en Anaxagoras en Phidias en u zelven in ’t verderf storten. Mij hebben zij in hunne macht, die ellendelingen—ik moest maar altijd met het hoofd ja knikken, op alles wat zij daar voorstelden—maar de honden en de raven mogen hen verscheuren, denErechtheüs-priesteren zijne geheelen aanhang!”[185]1Mystes is het Grieksche woord voor hem, die ingewijd is in de mysteriën. Het woord „musterion” zelf beteekent geheim. De hier verkondigde leer schijnt van een godsdienstig-staatkundigen aard geweest te zijn. Degenen, die den hoogsten graad in die mysteriën hadden verworven, heetten epopten, opzieners.↑2Ithaca tegenwoordig „Teaki”, eiland in de Ionische zee.↑3Hiërophantes is hij die de heilige offerplechtigheden onderwijst en bijzonder hij die in de Eleusinische mysteriën de profanen in de geheimenissen inwijdt; de opperpriester. Vergelijk Herodotus VII, 153.↑4Basilissa is het vrouwelijk van basileus, dus koningin, vooral echter in de beteekenis van: de echtgenoote van den Archon Basileus.↑5Mystagogos beteekent in het Grieksch eigenlijk hij, die de oningewijden binnenleidt; wij zouden zeggen: „de voorbereider”. Vergelijk Cic. Verr. 4. 59.↑6Echidna beteekent: adder; ook de slang Echidna, de moeder der Gorgonen; zie de volgende noot.↑7Chimaera beteekent: geit; voorts een fabelachtig monster van voren leeuw, in het midden geit, van achteren draak, voortgebracht, naar Hesiodus, door Typhaön en Echidna; het wordt ook voorgesteld met de drie koppen der genoemde dieren. De Chimaera werd door Bellerophon gedood.↑8Hier wordt natuurlijk niet de gevaarlijke klip Scylla bedoeld in de straat van Messina, maar een persoonlijk wezen. Scylla, eene dochter van Phorcys, die door Circe in een monster werd veranderd, welks onderlijf uit bassende honden bestond.↑9De affodil ofslaapleliewerd door de Ouden asphodelus, soms asphodilus geheeten. Het is een soort van lelieachtig gewas met knolvormigen wortel, die door de Ouden genuttigd werd. De smaak is bitter en scherp; de wortel saprijk.↑10Stinkende, verpestende.↑11De Cerberus, die volgens eene andere mythe honderd koppen had; hij bewaakte den Hades; hij werd door Heracles bedwongen. Hij was voortgebracht door Typhon en Echidna.↑12Persephone (Proserpina), de dochter van Demeter, werd door Hades (Pluto) geschaakt. De helft van het jaar bracht zij bij Hades, haar echtgenoot, door, de andere helft op den Olympus. Zij wordt beschouwd als de koningin van het schimmenrijk. Zij wordt ook Kora geheeten.↑13De naam Cocytus, in het Grieksch Kokutos geheeten, wordt afgeleid van een werkwoord, Kôkuô, dat jammeren, klagen, huilen beteekent.↑14Dit woord bestaat uit het Grieksche pur, vuur en phlegô, brandende vuurstroom.↑15Het zal niet overbodig zijn de personen, die Hamerling hier telkens bedoelt, aan te wijzen, omdat zonder die te kennen deze passage onbegrijpelijk is. Hier doelt Hamerling op Ixion, koning der Lapithen, die omdat hij Hera had willen onteeren in de onderwereld op een eeuwig ronddraaiend rad werd gebonden.↑16Tantalus, koning in Phyrgië, vader van Pelops en Niobe, stond in hoogen gunst bij de Goden; doch hij verklapte de geheimen, die hij aan hunne tafel vernam en werd tot straf door Zeus in de Tartarus geworpen, waar stroomend water en heerlijke vruchtboomen hem omringden, doch telkens wanneer hij, door dorst en honger gekweld, de handen er naar uitstrekte, weken zij buiten zijn bereik.↑17Hier heeft de schrijver Sisyphus op het oog, deze was de zoon van Aeölus, een doortrapte schelm, die van het Geranea-gebergte rotsblokken op de reizigers neerwierp en zich met den buit verrijkte. Zelfs verried hij de geheimen der Goden. Ook voor die misdaden werd hij tot gemelde straf in de onderwereld veroordeeld.↑18De Danaïden, dochters van Danaüs, die gedwongen met de zonen van Aegyptus huwden. Negen en veertig van de vijftig dochters vermoorden in den huwelijksnacht hare mannen, op aansporing van haar vader. Alleen Hypermnestra spaarde haar gemaal Lynkeus. Daarom werden zij tot bovengenoemde eeuwige straf veroordeeld.↑19Tityus, zoon van Zeus en Elara, dochter van Orchomenus of van Gaea had Leto (Latona) willen onteeren; vandaar zijne straf.↑20De woonplaats der gelukzaligen in het schimmenrijk: de Elyseesche velden.↑21Zie Deel Inoot 2 pag. 259.↑22Paphia, de Paphische d.i. Aphrodite, die te Paphos, eene stad op Cyprus, bijzonder werd vereerd.↑23Demeter en hare dochter Persephone. Zienoot 1 pag. 171.↑24Dit zijn nagenoeg dezelfde woorden, die de oudsten des volks, op Ilium’s muren gezeten, tot elkander spraken, toen zij de schoone Helena zagen. Zij komen voor in de Ilias, Boek III, vers 156–159, en luiden, volgens Vosmaer’s vertolking, aldus:„Niemand verbaas ’t voorwaar, dat ter wille van zulk eene vrouweGrieken en Troiers ’t leed zich troosten van alle die rampspoen.Machtig in schoonheid schijnt als dat der godinnen ’t aanschijn.”
XIX.HET KIND DES LICHTS EN DE PRIESTERS DER DUISTERNIS.
Een zonderling contrast vormden gene Ionische uren van zaligheid en deze Peloponnesische tochten van Pericles en Aspasia! Ginds, aan Milete’s vroolijk strand, trok de zegevierende vrouwelijkheid met haar zachten arm een tooverkring om den Atheenschen held; hier te midden van statige bergkruinen openbaarde zich de mannelijke Dorische geest in velerlei zaken, die geschikt waren het gemoed ernstig te stemmen in Pericles’ ziel. Hier stortte de natuur zelve eene soort van ernstige huivering in zijn gemoed; hier spraken tot hem eeuwenoude overblijfsels van een heldhaftig verleden, tegenover welke de latere stervelingen zich alleen als een zwak en verbasterd geslacht moesten gevoelen.Hierwerd op plaatsen wier sagen aan de oude heldenwereld onmiddellijk zich aansloten, een eeredienst en een wedstrijd der mannelijkheid gehouden, in staat, zooals Aspasia te recht gevoelde, om in de ziel van den Griek gezindheden te wekken, aan te kweeken en te onderhouden, die de overwinning der schoonheid en vrouwelijkheid op elk gebied des levens eerder verhinderen dan bevorderen konden. In de bergachtige oorden der herders had Pericles een eenvoudig, als men wil, een idyllisch leven gezien, dat nog ongerept was door den adem der beschaving en dat beschouwingen, gevoelens, verwachtingen koesterde, die wellicht den ondergang van den echt Helleenschen geest afwachtten, om met een grauwen,[158]eentonigen nevel de vroolijke, Helleensche wereld te omhullen. Hier had zelfs de kunst van den Athener, in den tempel van den Olympischen Koning der Goden, haar hoogste en laatste schepping gewrocht en den triomf van het ernstig verhevene over het bevallig schoone, voor het oog van den Griek, zoo ’t scheen, voor eeuwig bezegeld.Bijna lijnrecht stond Aspasia tegenover deze aandoeningen en gevoelens, die Pericles koesterde. Want hunne karakters waren niet geheel gelijk, en hunne betrekking tot de buitenwereld was geheel verschillend. Aspasia was de naar alle kanten werkende, gevende, bezielende; Pericles, zonder afbreuk te doen aan zijne mannelijke kracht, was de echte Helleen, die elken indruk rondom zich opving en opnam in zijne edele ziel. Hij was, gelijk het Helleensche volk, met zijn ontvankelijk gemoed tusschen de uitersten geplaatst; en evenals het Helleensche volk en de Helleensche geest, doorleefde hij onder de afwisseling van deze invloeden en uitersten, eene ontwikkeling, eene inwendige geschiedenis, wier doel en einde nog niet te overzien waren; terwijl Aspasia onwrikbaar en onveranderlijk vast stond op den hechten grond van haar karakter als de betooverende voorvechtster van Helleensche levenslust en de alverwinnende kracht van het schoone.Was het niet te vreezen, dat door deze zachte tegenstelling, tot heden onder de rozengaarde der liefde en van het geluk verborgen, de schoone harmonie van het leven der liefde, dat het edele, schoone paar ten toppunt van geluk voerde, eenmaal zou kunnen worden verstoord?Wèl hing dat gevaar boven hunne hoofden, maar de rozen der liefde schenen voor dit paar onverwelkelijk te zijn en een onvergankelijken toovergeur te verspreiden.Nog altijd immers bleef Pericles de ontvankelijke en ontvangende, Aspasia de zegevierend werkende, de gevende.[159]In hunne gesprekken hadden zij wel is waar dikwijls verschil en niet zelden geloofde Pericles de geliefde vrouw tot zijne meening overgehaald en in zijne stemming gebracht te hebben, doch ten laatste bemerkte hij gewoonlijk, dat zij het was, die hem van gevoelen en stemming veranderd had, dat het onmogelijk was de machtige betoovering, die in de hand dezer onvergelijkelijke vrouw gelegd was, geheel en al van zich af te weren. Steeds liet hij zich door de schoone terugvoeren tot het standpunt van eene meer vrije en opgeruimde levensbeschouwing. Steeds opnieuw werd de schoone harmonie der beide zielen weder hersteld, steeds opnieuw verwezenlijkten zij het ideaal van het Helleensche leven op zijn glanspunt, en boden een schouwspel aan, waarop de Olympiërs met trots en blijdschap nederzagen.Aspasia verstond het voortreffelijk, om de nevelen weg te vagen van ’t voorhoofd van haar echtgenoot. Of zij voor altijd in staat zou zijn de nieuw ontspruitende kiemen van zijn inwendig leven te verstikken, den gang zijner innerlijke ontwikkeling tegen te gaan, dit was natuurlijk voor ’t oogenblik onmogelijk uit te maken.Zeker is ’t echter, dat Aspasia de gave had om de scherts van Anacreon’s liederen betooverend in den ernst te mengen, waarmede de hymnen van Pindarus Pericles hadden bezield, en te zorgen, dat tusschen hen beiden de echte Grieksche zin nog steeds zijn recht handhaafde.—In het kleine voorval met Alcamenes had het verleden eene vluchtige schaduw op het huwelijksgeluk van Pericles geworpen. Aspasia ademde ruimer, toen zij met haar gemaal, terugkeerende van Olympia naar Athene, den bodem van Peloponnesus achter den rug had. Zij vermoedde niet, welk verdriet haar op Attica’s bodem zelf, onmiddellijk vóór het bereiken van hun doel wachtte.Terwijl Phidias te Olympia zijn Zeus voor geheel Hellas schiep, gelijk hij vroeger te Athene de Pallas Athene alleen voor de Atheners had gebeiteld, was[160]zijn vroegere makker en vriend Ictinus in de AttischemysteriënstadEleusis werkzaam geweest, werwaarts hij ontboden was, om een nieuwen tempel voor Demeter te bouwen, ter viering der groote mysteriën.Daar de dagen voor de viering der mysteriën niet ver meer af waren, bevond zich Hipponicus, die bij deze plechtigheid de in zijn geslacht erfelijke waardigheid van daduchus bekleedde, juist te Eleusis, waar hij een landgoed bewoonde, zooals ook andere rijke Atheners in de omstreken van het schoon gelegen Eleusis bezaten. Want de stad lag niet ver van het strand nabij de vaart van Salamis en vlak tegenover dit eiland. Tegen de heuvels aan lagen de woningen der burgers en de groote tempelgebouwen met hun uitgestrekt en heilig gebied, waarin zij stonden.Pericles nam bij Hipponicus zijn intrek gedurende den tijd, dat hij te Eleusis zou vertoeven.De eerste dag was gewijd aan de bezichtiging van den nieuwen, grooten, door Ictinus voltooiden tempel, die, voor de viering der mysteriën ingericht, vele onderaardsche vertrekken enlabyrinthischegangen van ontzettende grootte bevatte; plaatsen bij uitnemendheid geschikt voor die geheimzinnige plechtigheden, die het alleen den ingewijden veroorloofd was te aanschouwen.De Eleusinische mysteriën waren nu een onderwerp, waartegen Aspasia zich terstond op de meest beslissende wijze met al de scherpte van haar geest en vernuft verklaarde. Haar scheen alles, wat zich aan het licht onttrok, wat de duisternis zocht, wat zich hulde in den sluier van het geheimzinnige, gepaard te gaan met bijgeloof en dweeperij, en zoo zag zij ook in deze mysteriën een gevaar voor den vrijen, naar het licht strevenden geest der Hellenen.Toen zij de vereering en het heilig ontzag der Atheners voor deze mysteriën laakte, zei Pericles: „Misschien is dit ontzag der Hellenen de zich heimelijk openbarende vereering van den menschelijken[161]geest in ’t algemeen voor de geheimen, die nog onopgelost in de diepte van zijne eigen ziel sluimeren. Wie weet, hoe vele openbaringen de menschelijke geest nog te voorschijn brengt uit deze heilige diepte!”„Ik wil niets hooren van openbaringen in de toekomst!” hernam Aspasia. „De openbaring van het tegenwoordige is de openbaring van het schoone menschelijke, en alles wat zou kunnen volgen, zou slechts iets minders zijn. Klemmen wij ons met hart en ziel en alle vezelen van ons wezen vast aan het schoone, vroolijke heden!”—Pericles wees Aspasia op den daduchus Hipponicus, en vroeg haar of dan deze man, wiens lichaamsgestalte al ronder en ronder werd en wiens blos zich al schitterender en schitterender voordeed, soms een spoor van dweepzucht vertoonde? En toch was hij niet alleen een ingewijde, maar zelfs bekleedde hij eene priesterwaardigheid te Eleus en behoorde tot hen, die de inwijding der mysten1voltrokken.Aspasia antwoordde, dat zij, welke anderen in het rijk van bijgeloof en dweepzucht binnenvoeren, niet zelden van een geheel andere meening waren, dan die zij anderen trachten op te dringen. „Somwijlen echter,” zeide zij, „gelijken ook de dragers en verkondigers van heilige geheimzinnigheden op de muildieren, die hier en daar volgens een oud gebruik tot drager van heilig tempelgereedschap of godenbeelden gebezigd worden en op wie niets van den goddelijken zegen nederdaalt, dien zij voor anderen op hun rug dragen en uitdeelen. De „onschuldige Hipponicus,” voegde Aspasiaer bij, „schijnt mij tot deze laatste soort te behooren.”Hipponicus was trotsch op zijne waardigheid van daduchus, omdat daaraan inderdaad eene eer onder het Helleensche volk verbonden was. Doch wat overigens er mede gepaard ging en wat ze van[162]hem eischte, daartoe gevoelde hij zich waarlijk niet door eene innerlijke aandrift gedrongen, noch door een persoonlijke neiging geroepen; de omstandigheid alleen, dat hij tot het geslacht behoorde, waaruit de daduchen van Eleusis plachten gekozen te worden en dat die keuze hem te beurt gevallen was, had hem met de priesterlijke waardigheid bekleed.Hij verdedigde tegenover Pericles’ gade de mysteriën, doch als eene zaak, die hij wel is waar vertegenwoordigde, maar zonder er zich veel aan gelegen te laten liggen.Afkeerig van wijsgeerige beschouwingen, stelde hij zich tevreden met Aspasia op een schilderij te wijzen, die den wand zijner eetzaal versierde. Deze schilderij was van de hand van Polygnotes en stelde het bezoek voor, dat de zwerver Odysseus in het rijk der schaduwen bracht. De Hades was afgeschilderd met al zijne verschrikkingen, en onder de bleeke schimmen bewoog zich onvervaard de nog levende vorst van Ithaca.2Toen Pericles met Aspasia de schilderij beschouwde, bemerkte hij als ingewijde aanstonds, dat sommige bijzonderheden toespelingen bevatten op de Eleusinische mysteriën. Hipponicus bevestigde dit en sprak tot Aspasia.„Zoo veel is mij wel geoorloofd te zeggen, dat de weg naar het heilige licht van Eleusis door den Hades voert en door de verschrikkingen des „erebos”. Wat echter de profanen betreft en hen, die hardnekkig versmaden zich te laten inwijden, hun lot in de onderwereld is voor de deskundigen op deze schilderij zeer aanschouwelijk voorgesteld.”Zoo sprak Hipponicus en ried Aspasia ernstig aan zich te laten inwijden; hij herinnerde haar tevens, dat, naar de algemeene overtuiging der Hellenen, zij die in de mysteriën van Demeter te Eleusis ingewijd zijn, na hun dood in zalige gewesten zullen wandelen: terwijl daarentegen den niet ingewijden[163]beschoren is ten eeuwigen tijde in akelige duisternis en eenzaamheid te smachten.„Ik heb dit dikwijls hooren beweren,” zei Aspasia, „en ’t klonk mij steeds in de ooren, alsof iemand op eene slecht gestemde cither onharmonische tonen aanslaat of over eene glasplaat met een puntig ijzer heen en weder krast. Het is verbazend, waaraan zelfs Helleensche ooren zich kunnen gewennen. Ik weet, dat er menschen zijn, die, als zij ’t einde van hun leven voelen naderen, zich nog spoedig doen inwijden, en velen haasten zich zelfs hunne kinderen reeds in prille jeugd dit heil deelachtig te doen worden.”„Ik ben zelf,” zei Pericles, „zooals bijna alle Atheners een ingewijde en gaarne zou ik bereid zijn, ook deze geheimzinnigheden evenals alle andere u mede te deelen.”—„Ik begrijp,” hernam Aspasia, „dat voor de dwazen het bijgeloof, voor de verstandigen de nieuwsgierigheid een voldoende reden is, om zich te laten inwijden. Op het recht van nieuwsgierigheid echter heb ik als vrouw dubbele aanspraak. Wat moet ik doen, Hipponicus, om de wijding deelachtig te worden?”„De zaak is eenvoudig,” zei Hipponicus. „Gij meldt u in het volgende jaar bij de viering der kleine Eleusinische mysteriën te Athene aan, gij ontvangt daar op de voorspraak van een reeds ingewijde, de kleinere wijding en begeeft u een half jaar later met den Eleusinischen feeststoet van Athene herwaarts naar Eleusis, om hier de groote wijding deelachtig te worden en de eigenlijke geheime plechtigheden te aanschouwen.”„Hoe?” riep Aspasia, „moet ik zoolang mijne nieuwsgierigheid bedwingen? Moet ik de kleine Eleusiniën afwachten en dan nog een half jaar zien verloopen, voor de geheimen mij geopenbaard zullen worden? Zijt gij niet daduchus, Hipponicus, en kunt gij als zoodanig voor mij de gunst niet verkrijgen, dat ik de kleinere wijding nu hier tegelijk met de grootere ontvang?”[164]„Onmogelijk!” hernam Hipponicus.„Wat verhindert u daarin?” vroeg Aspasia.„De tijd tusschen de beide wijdingen is vastgesteld door het heilige gebruik,” antwoordde de daduchus.„Gij kunt mij over dat heilige gebruik heen helpen!” bracht Aspasia in het midden.„De hiërophantes3is een van die strenge en ernstige mannen, zooals Diopithes te Athene,” hernam Hipponicus. „Zou ik mij den toorn van dien opperpriester op den hals willen halen?”Aspasia bleef bij haar verzoek volharden, maar de daduchus herhaalde zijn: „Onmogelijk.” Hij was een vijand van verwikkelingen enmoeilijkheden. Hij gevoelde niet den minsten lust de gansche Eleusinische priesterkaste tegen zich in ’t harnas te jagen. Hij hield van vrede en behagelijke rust.Den volgenden dag kwam de Eleusinische optocht van Athene naar Eleusis. Pericles en Aspasia bevonden zich met Hipponicus onder hen, die als toeschouwers de schare ontmoetten, toen deze bij vele duizenden den heiligen weg langs trok. Terwijl de blikken van Aspasia zweefden over de in den optocht gedragen heilige voorwerpen en over de schaar der mysten zelve, allen met mirt en klimop omkranst, korenaren en akkergereedschappen dragend, ter eere van Demeter, die de graanvruchten doet gedijen, ontmoetten haar eensklaps—want de aankomst van den Eleusinischen stoet greep in het schemerend avonduur plaats—in de bonte menigte van gezichten, de matte oogen en de slap hangende wangen van Telesippe.Telesippe’s gemaal, die door den invloed van Pericles telkens opnieuw tot Archon Basileus was gekozen, wien ook de leiding van de Eleusinische mysteriën was opgedragen, liep te midden der Atheensche priesters en overheidspersonen; Telesippe[165]stapte als Basilissa4en deelgenoote zijner godsdienstige waardigheden en verrichtingen, met fier opgericht hoofd aan zijne zijde.Vol waardigheid schreed de vrouw van den Archon Basileus voort in al den omvang harer welgedane gestalte, en toen haar blik, trotsch ter rechter en linker zijde dwalend, op haar vroegeren gemaal en de Milesische naast hem viel, toen richtte zij het hoofd nog hooger op en een trek van innige verachting vertoonde zich om hare dikke lippen. Zoo plechtig was haar uiterlijk, als stond zij nu wederom op het Lenaeën-feest als „de mystische gade van den God” in den tempel van Dionysus, aan het hoofd harer onderdanige priesteressen, geheimzinnige gebruiken volvoerend, die geen mannenoog mocht aanschouwen en waaromtrent zij de deelgenooten allerplechtigst de gelofte van stilzwijgendheid afnam.Toen Aspasia de vrouw zag, zoo fier in het bewustzijn harer priesterlijke waardigheid, en een pijl van de diepste minachting uit hare afgunstige oogen afschietend, ontwaakte de oude haat weder en de bittere spotlust in het gemoed van de Ionische.—„Zie eens,” zeide ze lachend tot Pericles, „zie eens, hoe zij daar praalt, met dat glimmend vet op hare ledematen, de waardige Telesippe! Nadat zij de echte vrouw van twee sterfelijke mannen is geweest, is zij nu zelfs de mystische gemalin van den God Dionysus geworden! ’t Zou mij echter zeer verwonderen, als de jeugdige God haar niet spoedig ook aan een ander overdeed en wel aan Silenus zijn dikbuikigen makker: want voor dezen schijnt zij geheel als geschapen!”Eenige woorden van deze bittere spotternij drongen door tot Telesippe’s oor. Nog beter echter werden zij gehoord door Elpinice en den ziener Lampon, die achter Telesippe in den optocht gingen, en die, evenals zij, op Pericles alsmede op de Milesische[166]in ’t voorbijgaan scherpe en loerende blikken gevestigd hadden. Blikken van met moeite onderdrukte verbittering werden op de vermetele geworpen, en eene stilzwijgende gelofte om de lang gezworen wraak te bespoedigen, rees tegelijkertijd in de drie gekrenkte gemoederen op.In den nacht stroomden langs het strand van den Eleusinischen zeeboezem defeestreien, aangevoerd door den God Iacchus met brandende toorts. Hier flonkerde het nachtelijk schijnsel over de met bloemen bezaaide dreven, en rondom den God slingerde zich de bezielde schare, den bodem stampend in den dans, de golvende lokken schuddend, doorstrengeld met den mirtekrans, en de zwellende, rijpende druif in dien krans. In tallooze bochten kronkelde zich de rei met de hoog gezwaaide fakkels. Een myst gaf telkens de fakkel aan den anderen. De mystische fakkelglans werd als heilig beschouwd en de daaraf spattende vonken als een louteringsmiddel van de zielen dergenen, die zij troffen.Met het aanbreken van den avond, die aan de voorafgaande feestviering een einde maakte en vóór de geheimenissen in den wijtempel plaats grepen, moesten de mysten zich door tal van reinigingen, geloften, gebeden en ander heilige gebruiken voor de wijding voorbereiden.Onophoudelijk had Aspasia inmiddels bij Hipponicus den wensch hernieuwd, om door zijne bemiddeling in de mysteriën te worden ingewijd.Hipponicus herinnerde haar, dat de viering der mysteriën onder het toezicht stond van den Archon Basileus, den echtgenoot van Telesippe, en dat, evenals de Archon Basileus het oppertoezicht over de Eleusinische priesters had, zoo zijne gemalin over de priesteressen van Eleusis als Basilessa gesteld was, tijdens de viering der mysteriën.Dit alles scheen de eigenzinnigheid van Aspasia nog meer te prikkelen: en toch zou ’t haar bezwaarlijk gelukt zijn den tegenstand van Hipponicus te verwinnen, ware ’t hem thans niet tegenover[167]de gade van Pericles gegaan, als Alcamenes te Olympia. Niet te vergeefs koesterde hij in zijn huis den gloed, die zijn hart reeds eenmaal had verzengd. Aspasia, gedachtig aan het voorval met Alcamenes, zou anders wel op hare hoede geweest zijn, om dit vuur opnieuw aan te blazen en een gevaar te vermijden, dat haar om Pericles’ wil noodlottig had kunnen zijn, maar zij had zich nu eenmaal in ’t hoofd gezet, datgene, wat zij wilde bestrijden, nauwkeurig te onderzoeken, ten eindehet mette grooter kracht te kunnen aantasten. Zij zag met voldoening den minnegloed van Hipponicus, dien zij overigens verachtte, opnieuw opvlammen; het was haar immers een waarborg, dat hij ten laatste haar vurig verlangen zou inwilligen.En zoo geschiedde het ook. De daduchus gaf eindelijk toe, om de kleinere wijding, die Aspasia reeds vóór een half jaar moest ontvangen hebben, haar thans toe te dienen. Hij wist den zoogenaamden mystagoog5voor zich te winnen, wiens plicht het vooral was bij de kleinere Eleusiniën te Athene de „duisterlingen” voor te bereiden en in den „tempel” binnen te leiden. De daduchus liet Aspasia, nadat de reinigings-ceremoniën afgeloopen waren, op de vacht van een aan Zeus geofferd lam staan, vervolgens onderrichtte haar de mystagoog in zekere gebruiken en formulieren, die zij in den tempel noodig had, om te bewijzen, dat zij ingewijd was, opdat haar de toegang met de mysten tot het binnenste van ’t heiligdom niet geweigerd zou worden. Eindelijk liet hij haar zweren, dat zij omtrent alles, wat zij in het huis der groote wijding zien en hooren zou, een onverbreekbaar stilzwijgen voor eeuwig zou in acht nemen.Niet te gelijk werden, toen de dagen der wijding gekomen waren, alle mysten binnen geleid, maar de eene afdeeling volgde op de andere.Onder de schare van mysten, die het eerst werd toegelaten, bevonden zich Pericles en Aspasia.[168]Een glimlach zweefde om de lippen van Aspasia toen zij met deze schaar, geleid door de mystagoog, het binnenste van ’t heiligdom betrad en den Hiërophantes, benevens de overige offerpriesters en helpers, in schitterend en veelbeteekenend gewaad gedost zag, met diademen op de vrij langs de schouders neergolvende lokken, statige grijsaards, eerbiedwaardig van uiterlijk, die daarenboven geheimzinnige symbolen ten toon droegen; te midden van hen de daduchus met eene fakkel in de hand.En nog bekoorlijker lachte de schoone Milesische, toen nu de „heilige heraut” zijne stem verhief voor de verzamelde mysten, met den eisch, dat ieder, die niet de wijdingen had ontvangen, zich zou verwijderen, alsmede ieder, wiens hand niet rein van schuld en niet waardig voorbereid was, om het heilige licht van Eleusis te aanschouwen; hen ten laatste nogmaals den plechtigen eed afnemende, een eeuwig zwijgen te bewaren over datgene, wat zij zouden hooren en zien. Hierop werd ieder afzonderlijk eene vraag in het oor gefluisterd, die alleen de myst kon begrijpen en die hij even zacht weder in het oor van den vrager beantwoordde, terwijl door een onzichtbaar koor de plechtige hymnus op de Godinnen van Eleusis aangeheven werd.En nog steeds zweefde die fijne glimlach om de geestige lippen van Aspasia, toen de mysten in het binnenste van den tempel waren binnengeleid en zekere heilige voorwerpen hun daar ’t eerst getoond werden, overblijfselen uit eeuwenoude tijden, zinnebeelden der zegeningen en mysteriën van den Eleusinischen eeredienst, hun tevens aangeboden om aan te raken en te kussen en met gewijd woord uit den mond van den Hiërophantes uitgelegd.En met denzelfden glimlach volgde Aspasia de mimische voorstellingen der heilige sagen, aanschouwelijk en aangrijpend om te zien in de geheimzinnige schemering van den tempel, begeleid door de liefelijke tonen van fluit- en snarenspel.Nu echter werd de schare van mysten langs[169]trappen naar onderaardsche gewelven en gangen gevoerd. Weldra zagen zij zich door eene volslagen duisternis omringd. De zwerftochten begonnen: een lang, moeitevol, doelloos ronddolen in het nachtelijk donker. Alleen de stem van den Hiërophantes weerklonk ernstig en waardig en strekte door zinrijke spreuken en waarschuwingen tot gids in dien donkeren, labyrinthischen zwerftocht.Plotseling hoorde men een dof gedreun, alsof de grondvesten der aarde trilden: het scheen gehuil, gesteen, geluid van ruischend water en geratel van den rollenden donder dooreen gemengd.—De straks nog rustige schare der mysten greep een angstige verbazing aan, zij begon te sidderen en te beven, het klamme angstzweet parelde zich op het voorhoofd.Steeds grooter echter werden de verschrikkingen; want bij het schijnsel van als bliksem, schitterende vlammen, die afwisselend uit den grond sloegen en wier roode, blauwe, witte of vale kleur schier verblindend was, zag men gruwzame spookgestalten, monsters der onderwereld door een vluchtigen glans verlicht. Gorgonen met ontzettende koppen, sluipende Echidnen6, vreeselijke Chimaeren7, die de gestalten van een leeuw, eene geit en eene slang in zich vereenigden, tandenknarsende Harpyen met gapende muilen, bleeke, bloeddorstige Emphusen met hondenkoppen, blaffende Scylla’s8en het huiveringwekkende beeld van Hecate. Doch steeds ontzettender werden de verschrikkingen. Eindelijk verscheen in een vaal licht Thanatos, de God des doods, zittend op doodsbeenderen, in donker, nachtelijk gewaad, het voorhoofd omkranst met affodil9,[170]met eene omlaag gehouden fakkel in de hand, naast hem een vale klepper, waarmede hij in vliegende vaart onmetelijke afstanden aflegt.Rondom hem waren zijne getrouwen gelegerd; Eurynomus de daemon der vernietiging, een der geesten van den Hades, wiens taak het was het vleesch der lijken tot op de beenderen af te knagen. Hij zat op zijn aas, gelijk een raaf of gier, en sloeg zijne tanden begeerig in het weeke vleesch.Verder op waren om den valen Thanatos te zien de Pest en de bleeke, uitgeteerde Honger, de furie van den oorlog Enyo, benevens de kranke, hartdoorknagende, Razernij der liefde en Ate, de Verbijstering, de noodlottige daemon der dwaasheid, der verblinding en der schuld.Aspasia lachte nog altijd, maar haar lach was niet langer bekoorlijker en haar gelaat marmerwit …Terwijl nu echter op een wenk van den Hiërophantes de daduchus zijne fakkel aan eene der uit den grond uitslaande vlammen ontstak, en steeds huiveringwekkender de melodieën der fluiten en van het onzichtbare koor klonken, geraakte de schaar der mysten in een somber, met mephilitische10dampen gevuld hol. Uit de verte vernam men een dof bruisen als van stroomend water en daartusschen het luid geblaf van een driekoppigen hond11.Toen nu de mysten den langen, donkeren hollen weg afgelegd hadden, zagen zij als in een droom eene groote eentoonige, sombere landouw voor zich, zoo ’t scheen van slaap verwekkende vochten doortrokken en omgeven door somber vlietende stroomen.Door den staf van den heiligen heraut bezworen, verstomde het geblaf van den driekoppigen helhond en de mysten-schaar zag zich omringd door[171]de schaduwen des doods, in. het rijk van Persephone12waar in het vale licht wilgen en zilverpopulieren stonden, bleek en onbewegelijk met treurig neerhangende twijgen.Daarop volgde de Asphodelus-weide, geheel overdekt met de treurige doodsbloem, wier bleeke knoppen als droomend op hooge stengels wiegelden.Over deze weiden zweefden de schimmen, de zielen der gestorvenen, heen en weder; zij geleken droombeelden of rook; zij waren niet tastbaar, zonder menschelijk geluid, alleen met een zacht, eentonig gegons de uitgestrekte ruimte des erebus vervullend. Zij waren zich slechts half bewust, als verzonken in gepeins en sluimerig, alleen tot volle bewustzijn te brengen door een gereikten dronk versch, rookend offerbloed.Nachtvogels fladderden in de lucht, ook zij waren somber en spookachtig. Als schimmen met doorschijnende lichamen, gleden ook de visschen traag en zonder geluid voort in de wateren der onderwereld. Deze stroomen echter, die het erebus omgaven, waren: de Acheron, de stroom des eeuwigen lijdens, de tranenstroom Cocytus13, de vuurstroom Pyriphlegeton14en de Styx, met zijne gitzwarte wateren.Door ’t schemerdonker der zwevende, ijle schimmenwereld gingen de mysten als in een droom, geleid door den heiligen heraut verder, totdat plotseling eene koperen reusachtige poort met het geweld des donders vóór hen opensprong.Over een koperen drempel betraden zij den Tartarus, de verblijfplaats van die zielen, welken het niet vergund was, in een half wakenden, half sluimerenden toestand, zonder leed of vreugde, over de Asphodelus-weide te zweven; maar zij, die door de wrekende Erinnyen nedergestort waren in den[172]dieperen jammervollen afgrond van den Hades.Eeuwig op het rondwentelend rad gebonden te zijn15—door eeuwig dreigende, hangende rotsblokken omringd te worden—naar eeuwig terugwijkende met vruchten beladen takken met eeuwig onverzadigde begeerte de handen uit te strekken16—met eeuwig vergeefsche krachtinspanning den steeds weder terugrollenden steen bergopwaarts te wentelen17—de altijd weder wegloopende wateren van vertwijfelende inspanning in een bodemloos vat te scheppen18—de steeds aangroeiende ingewanden aan den beet van een gier19en de ledematen aan de kronkelingen van de slangen der Erinnyen prijs te geven—een speelbal te zijn voor eeuwig in de handen der Stygische schrikgestalten: zoodanig was het lot van hen, die de schare der mysten op den jammervollen bodem huiveringwekkend aanschouwde.Talrijk waren zij, de beelden dier folteringen in de onderwereld; het talrijkste echter de beelden van een eeuwig vergeefsch, smartelijk worstelen en streven.—Zóó werden de ingewijden door die verschrikkelijke diepten, door het lijden des levens en de huivering des doods rondgevoerd en hunne ziel was met angst en siddering vervuld.Plechtig klonk de stem van den Hiërophantes door al deze verschijningen en verschrikkingen heen, verklarend en vermanend.[173]Al vreeselijker en ontzettender werd de onderaardsche duisternis, al luider het geween en gesteun der boetelingen.De stroomen der onderwereld begonnen te bruisen, het geheele schimmenrijk scheen in ééne hartverscheurende zucht los te barsten; maar ook de schare van hen, die uit de bovenwereld neergedaald waren, scheen daarin te deelen en de stemmen aller schepselen zich te vereenigen in een oneindig, door de diepste ellende afgeperst: ach!—Toen scheen op eens een wonderbaar licht uit den schoot der diepste duisternis:Vriendelijke streken doemden op, overdekt met gouden bloemen: liefelijke stemmen weerklonken, zalige reien zweefden daarheen over de heerlijke velden.Hier glansde Persephone’s paleis in helder licht. Aan den drempel van het paleis stond, met de lyra in de hand, Orpheus, de overoude, heilige mysteriën-zanger, en zijn welluidende mond verkondde geheimzinnige zaken.Achter hem lonkte het knaapje Demophoön uit de knetterende vlammen, waarmede zijne goddelijke voedster Demeter hem tot schrik zijner sterfelijke moeder omgeven had, ongedeerd glimlachend den mysten toe.—Over de gouden poorten des tempels echter zweefde in vollen glans, verlicht door de helderste stralen, het symbool der gevleugelde Psyche, niet meer als eene schim in den Hades rondwarend, maar over Asphodelusweiden en Tartarus en Elysium20zich verheffend naar den haar verwanten, goddelijken aether.—Nu werden de mysten door de poort gevoerd om in waarheid ziende te worden. Hier werd voor hen het nog onuitgesproken gedeelte der geheimenissen onthuld. Hier verscheen hun, nochtans aan ieder naar de eigen kracht zijner oogen, in[174]luisterrijken glans: het volle, heilige licht van Eleusis.—Op den dag, die op de inwijding van Aspasia in de Eleusinischegeheimenissen, aan de zijde van haar gemaal Pericles met een groot deel der mysten, volgde, bevond de Milesische zich in een verwarde, eigenaardig veranderde stemming. Haar geheele wezen was door ontroering aangegrepen, haar zenuwgestel geschokt, zij was schier koortsachtig. In een levendig gesprek met Pericles over hetgeen zij met hem gezien en gehoord had, zocht zij de gestoorde harmonie van haar gemoed weder te verkrijgen. Want evenals er nachtvogels zijn enandernachtgebroedsel, wier oog de duisternis liefheeft en den helderen straal van licht niet kan verdragen, zoo zijn er van den anderen kant ook kinderen des lichts, die zich alleen in den gouden glans van het hun bekende en verwante element welbevindenen niet in de donkere afgronden van den nacht kunnen staren. Tot dezen behoorde Aspasia. Een blik in de duisternis echter, een staren in den zwarten nacht, kwam haar die tocht voor, en wat zich het heilige lichtvan Eleusis noemde, scheen haar geen licht, integendeel eene andere soort van duisternis; want het was somber en voerde door somberheden heen. Zij echter kon zich het licht alleen vroolijk denken. Voor haar gold als licht alleen datgene, wat schitterde en tot opgewektheid stemde te gelijk. Het vale, kille, spookachtige schemerdonker, waarna het oogverblindend schelle licht, dat de Hiërophantes van Eleusis in de diepten des levens deed vallen, scheen haar een snood contrast met het ware, rooskleurige licht. Goochelspel en ijdele bangmakerij noemde zij de aan tooverij grenzende phantastische kunsten der Eleusinische priesters.Zoo gevoelde zij zich dus aangedaan en geschokt, door eene pijnlijke onrust aangegrepen en meer dan ooit tot tegenspraak geprikkeld.’t Was intusschen in het van vreemdelingen, voornamelijk van Atheners, wemelende Eleusis geen[175]geheim gebleven, dat Aspasia aan de zijde van haar gemaal zich in de mysteriën had laten inwijden. Maar ook van de bijkomende omstandigheden dezer wijding waren zij, die met het scherpe oog der afgunst het doen en laten der Milesische naspeurden, al heel spoedig onderricht. De ergsten hare vijandinnen, nog onlangs op nieuw beleedigd en tot wraak aangezet, vertoefden te Eleusis, en Lampon liet zich niet onbetuigd, de brave, vol-ijverige Lampon, die het vertrouwen en de vriendschap van Telesippe in nog hoogere mate had weten te winnen, sedert zij de gade van een opperpriester was geworden, en die zich voortreffelijk leende tot een werktuig van de wraakzuchtige vrouw en haar intrigeerende vriendin. Den argeloozen mystagoog had Lampon weldra het geheim van het vermetel waagstuk ontlokt, waardoor Aspasia tegen alle heilige regelen in de mysteriën was binnengeleid. Door hem werden de vijandinnen op de hoogte dier zaak gebracht.Weldra werd de Archon Basileus, de handhaver der heilige wetten, van deze misdaad verwittigd en een onweder pakte zich samen boven het hoofd van Aspasia en haar medeplichtige, Hipponicus, die haar tegen de heilige gebruiken, tot hare wijding de behulpzame hand had geleend.Nog wist Aspasia niets van het dreigend gevaar, en eer zij daarvan in kennis werd gesteld, wedervoer haar ten huize van den daduchus een onaangenaam geval van gansch anderen aard.Aspasia zat met Pericles en hun gastheer Hipponicus aan het ontbijt. Het heilig gebruik verordende in den tijd der viering van de mysteriën eene zekere onthouding; des te meer vermaak schepte Aspasia er in, den ouden drinkenbroer Hipponicus door vroolijke drinkliederen en scoliën op te wekken, ten einde hem meer aan den bezielenden God Iacchus dan aan de strenge Persephone te doen denken. Hij sprak den beker vlijtig aan en al vuriger en vuriger begonnen zijne oogen te schitteren, terwijl de bekoorlijke vrouw tegen den somberen[176]ernst der mysteriën te velde trok en tegen al wat somber was in ’t algemeen, ook tegen het sombere begrip van plicht, waartegen zij het vroolijk recht des levens en der vreugde plaatste.Pericles verwijderde zich om een ambtgenoot, die zich te Eleusis bevond, op te zoeken en Aspasia begaf zich naar haar vertrek.Plotseling stond de dronken Hipponicus voor haar en begon haar verwijtingen toe te voegen.„Vrouw!” riep hij uit met dubbelslaande tong, „uw naam is ondank! Heb ik u niet te Megara uit moeilijke verwikkelingen gered? En wat was mijn loon daarvoor? En heb ik mij nu niet weder onverschrokken voor u in gevaar gestort, door u, tegen alle heilige gebruiken, in de groote mysteriën binnen te smokkelen? En zal ik ook daarvoor geen dank inoogsten, zelfs niet den geringsten? Eilieve, daar gij toch zoo vrijzinnig zijt, waarom zijt gij dan tegenover mij zoo preutsch? Vreest gij misschien uw man? Die is afwezig. Of het sombere begrip van plicht? Daar hebt gij zooeven nog den spot mee gedreven. Ben ik u soms niet jong of mooi genoeg? Neem dan dezen ring met dien kostbaren steen! Hij heeft twee talenten aan baar zilver gekost!—Weet gij dan, dat Pericles altijd van u houden zal? Zal hij u misschien niet eens evenals Telesippe verstooten? Alles in de wereld wentelt en draait bont dooreen! Verlaat u toch op niets! Tast toe! Neem den ring, mooi wijfje! Neem den ring met den steen, die twee talenten gekost heeft! Weet gij dan, lieve, hoe lang gij nog bekoorlijk zult zijn? Nog zijt gij het ontegenzeggelijk, maar de tijd komt, waarop gij oud en leelijk zult zijn!—Neem den ring, schatje, en geef er mij een kus voor!”Aspasia stiet, gloeiend van toorn, den dronken man naar de deur. Toen werd Hipponicus woedend en stotterend schreeuwde hij:„Wie zijt gij toch eigenlijk? Zeg, wie zijt gij dan toch? Een licht dametje uit Milete; bij Demeter! Een dametje uit Milete? Sedert wanneer wilt[177]gij eene Spartaansche vrouw zijn, eene eerzame, deftige matrone?—O, gij preutsche, die toch eens den jongen Alcamenes zonder eenige preutschheid tot model hebt gediend!”—Aspasia beefde en verbleekte van toorn om den dronken, schaamteloozen beleediger. Nogmaals duwde zij den waggelende achteruit, wierp snel haar oppergewaad om en ijlde uit het vertrek en uit het huis, haar echtgenoot Pericles te gemoet.Zij had nauwelijks het huis verlaten of de geslepen vriend van Diopithes, de ziener Lampon, trad het binnen.Hij was door Diopithes gezonden, die den vorigen dag te Eleusis was aangekomen.Toen zij, met doodelijken haat tegen Pericles en Aspasia bezield, het eerst de tijding van Aspasia’s onwettige inwijding vernamen, hadden zij onmiddellijk besloten, zoowel Aspasia zelve als den daduchus bij het heilige gerecht aan te klagen, en de meesten waren verheugd, dat zij thans, behalve de gehate vrouw, ook den zeer benijden Hipponicus in het verderf zouden kunnen storten.Maar Diopithes zelf, het eigenlijke hoofd dezer vijandelijke partij, was van eene andere meening. Hij verzon een plan, dat zijn sluwheid eer aandeed. Gaarne had hij Hipponicus de aanklacht en een veroordeelend vonnis gegund, maar hij berekende, dat de niet aangeklaagde en niet veroordeelde Hipponicus hunne partij nuttiger kon zijn, dan zoo hij aangeklaagd en veroordeeld was.„Als wij hem onmiddellijk aanklagen,” sprak hij, „zal de machtige Pericles hem met zijn geheelen invloed ter zijde staan, en hij zal, zoo al niet er ongestraft afkomen, dan toch veel lichter straf krijgen, dan wij wel wenschen. Wellicht zal hem eene geldboete opgelegd worden, hetgeen den rijksten man van Athene niet veel schaden zal. Hij zal die betalen en dezelfde blijven, die hij is. Anders evenwel wordt de zaak, als wij hem niet onverwijld tot verantwoording van zijn gedrag noodzaken, maar de aanklacht voorloopig als eene altijddurende bedreiging[178]boven zijn hoofd doen zweven. Wij zullen hem doen weten, dat wij zijn geheim kennen en dat het in onze macht is hem in het verderf te storten, zoodra wij willen. Dit zal hem bereidwillig en gedwee in alles maken. Hij zal als een man, die een behagelijke rust boven alles liefheeft en wien geen prijs te hoog is, om eene verlegenheid of verwikkeling te ontkomen, alleen uit angst voor ons, een werktuig, zonder eigen wil, zijn. Zijn invloed te Athene en de macht van zijn rijkdom is groot: beter is het dit water op ons rad, dan op dat van onze tegenstanders te leiden.”—Zoo sprak de snoode, sluweErechtheüs-priestertot zijne makkers en zond Lampon naar de woning van Hipponicus.De ziener trof den daduchus in een zonderlingen toestand aan. Hij vond hem dronken en tevens in den hevigsten toorn ontstoken, tengevolge van hetgeen zooeven tusschen hem en Pericles’ gade had plaats gehad.Desniettemin begon Lampon een gesprek met Hipponicus en zei hem ronduit, dat het bekend was geworden, hoe hij de gade van Pericles op eene wijze, die tegen de heilige regelen streed, in de mysteriën had binnengeleid.Bij deze woorden verschrikte de dronken Hipponicus zoozeer, dat hij bijna nuchter werd. Doch met verdubbelde heftigheid barstte zijn toorn tegen de Milesische los. Hij begon haar jammerend te verwenschen, als eene verleidster, die hem in het verderf wilde brengen.„Grijp haar!” riep hij, „radbraak haar, vil haar, doe met haar, wat gij wilt, zij verdient het!”—Met innig welgevallen vernam Lampon de uitdrukkingen van gramschap tegen Aspasia uit den mond van Hipponicus, en nadat hij eerst nog op eene sluwe wijze den toorn en de angst van den man tot het uiterste had doen stijgen, kwam hij met de verklaring voor den dag, dat zij, die van plan waren hemin staatvan beschuldiging te stellen, bereid waren zich in het geheim met hem[179]te verstaan. Hij vroeg hem of hij de uitnoodiging aannam, welke die mannen hem deden, om met hen over de zaak in onderhandeling te treden. Hipponicus haalde weder ruimer adem en beloofde reeds vooruit alles wat men van hem mocht verlangen. Onmiddellijk werd nu tusschen hem en Lampon plaats en uur voor het onderhoud vastgesteld.Terwijl dit gesprek tusschen Lampon en Hipponicus voorviel, ijlde Aspasia door de straten van Eleusis. Weldra echter moest zij haar snellen gang vertragen door de groote drukte en gewoel. ’t Kon niet anders of zij werd opgemerkt en herkend. Zij zag zich weldra het voorwerp der algemeene aandacht, ’t geen haar natuurlijk in verlegenheid en verwarring bracht.De in Eleusis verzamelde menigte was door de vijanden en vijandinnen van Aspasia op alle mogelijke wijze tegen Pericles’ gade opgeruid. De geruchten over hare onwettige wijding maakten de ronde onder het volk. Er waren bovendien menschen, die zich verstoutten luide te zeggen, dat Aspasia voorheen eene hetaere te Milete en te Megara was geweest, dat zij uit de laatste plaats met schimp en schande was weggejaagd en dat reeds om deze misdaad alleen hare inwijding eene goddelooze zaak was. Overdrijving en sprookjes van de zotste soort liepen, naar gewoonte, over haar van mond tot mond, en zaaiden minachting, ja zelfs verbittering in de gemoederen.Van dergelijke gezindheden was de menigte vervuld, door welke de gade van Pericles in angstige haast zich een doortocht trachtte te verschaffen.’t Ontbrak niet aan brutale lieden, die nieuwsgierig hare schreden volgden, ja zelfs, achter haar loopende zich beleedigende woorden lieten ontvallen, die haar oor bereiken en haar krenken moesten.„Wat is er voor nieuws in Athene?”—„Niets dan dat de vrouw daar speer en schild draagt, en dat de mannen verwijfd zijn.”—„Ja, ’t valt niet te ontkennen, dat Athene door[180]eene vrouw bestuurd wordt.”—„Door Pallas Athene bedoelt ge?”—„Neen, door eene Milesische hetaere. Pericles zal, zoo men zegt, weldra haar beeld op de Acropolis laten plaatsen.”—„Die arme Pericles! De vrouwen heeft hij nooit kunnen weerstaan. Hij is immers ook Elpinice’s minnaar geweest en men weet dat deze hem nog met hare verwelkte bekoorlijkheden betooverd heeft.”—„Is die Milesische dezelfde, met wie hij voor jaren eenmaal in Klein-Azië heeft rondgezworven?”—„Ja wel, dezelfde; ’t heette, dat hij met haar een bedevaart deed naar den onderrok van de heldenbedwingende Omphale21, welke rok, zooals men weet, in den tempel van Artemis te Ephese is opgehangen.”—„Maar hoe kwam ’t hem toch in de gedachte om diezelfde vrouw thans met zich naar de ruwe Peloponnesus te voeren, waar zij zich toch onmogelijk recht tehuis kan vinden? Het poesje, zegt een spreekwoord, ligt graag zacht.”„Inderdaad, men zegt, dat haar de muggen in Elis zeer lastig geweest zijn, en ik wed, dat de paardevliegen van Eleusis haar nog minder zullen aanstaan.”—„Waarachtig het gegons van deze schijnt haar zeer slecht te bevallen.”—„Ach, die teedere hoentjes uit Paphia’s22nest, die van hunne jeugd af op purperen dons hebben geslapen, die Ionische vrouwen met hare smeltende oogen en mollige armen, zonder beenderen in het lichaam, geheel molligheid en liefelijkheid—wat zouden zij in het krijgshafte Olympia of in het ernstige Eleusis te zoeken hebben?”—Zoo klonken de scherpe woorden en smaadredenen,[181]met opzet gesproken, in het steeds toenemend gewoel achter Aspasia.Toen dit een geruimen tijd zoo geduurd had, stond Aspasia plotseling stil en nam een snel besluit; zij sloeg den sluier, die haar gelaat bedekte, op, zoodat haar gezicht geheel zichtbaar was en wierp een kalmen en waardigen blik uit hare fonkelende oogen op de schare rondom haar.Toen opende zij den mond en sprak op de volgende wijze tot het haar omringend en haar aangapend volk:„Vóór jaren stond ik eens als eene hulpelooze vrouw in Megara’s straten, omringd door de menigte, onschuldig gehoond, onschuldig vervolgd met blikken en woorden. Met oogen, gloeiend van haat werd ik beschouwd; want het was een vijandig Dorisch volk, dat zich om mij drong. Met onbillijke woorden werd ik gesmaad, met snoode handen aangegrepen, want het was een ruw, woest Dorisch gepeupel, dat op mij aanviel. Heden omgeeft mij de menigte in Eleusis’ straten. Maar ik houd rustig enkalmmijn hoofd omhoog: want ’t zijn, meen ik, grootendeels Atheners, die mij omringen. Geen Dorisch volk is het, maar een Ionisch, welks scherpste pijl, zoo ik meen, de vermetele blik is, en het ondoordachte woord dat steeds vaardig aan de vlijmende tong ontglipt. Maar waarom dringt gij zoo om mij heen? Waarom gaapt gij mij zoo aan? Ik heb mij onwettig in die geheimenissen van Eleusis ingedrongen, meent gij? Weest toch niet al te kleingeestig, gij verlichte Atheners, en volgt niet al te bereidwillig de wenken en woorden van hen, die het licht haten en de duisternis liefhebben, en die u de duisternis voor licht verkoopen! Mannen van Athene! vereert niet al te zeer het sombere tweetal Godinnen23van Eleusis, en blijft gedachtig aan uwe schutsgodin Pallas Athene, de Godin des lichts, de ware en waardige beschermvrouw van het Attische land en volk[182]wier beeld stralenden, vroolijken glans alle nachtgebroedsel verjagend, hoog schittert op uw burg!”—Toen de vrouw van Pericles deze woorden gesproken had en het fonkelend oog onbevreesd over de haar omstuwende menigte liet weiden, zagen de mannen elkander aan, zeggende:„Zij is, bij de Goden een schoone vrouw, die Aspasia van Milete, en ter wille daarvan moet men haar veel vergeven!”24—Zoo spraken zij en weken een weinig uiteen, zoodat zij rustig haar weg kon vervolgen.—Maar de vrienden van Diopithes, die zich onder de menigte bevonden, waren nu nog feller op de Milesische gebeten en begaven zich naar denErechtheüs-priester, om hem te berichten, dat Aspasia met onbeschaamd voorhoofd voor het verzamelde volk met minachting over de heilige plechtigheden en de eerwaardige Godinnen van Eleusis gesproken had.Het uur voor het onderhoud bij Diopithes, waartoe men ook Hipponicus genoodigd had, was gekomen.Verscheidene mannen met een somber uiterlijk, verklaarde tegenstanders van Pericles, waren bij den priester verzameld.De angstvallige daduchus was zeer inschikkelijk en gedwee in alle zaken. Steunende op zijne verklaringen en op de toornige uitdrukkingen tegen Aspasia, waarvan Lampon getuige was geweest, rekende Diopithes hem voortaan onder ’t getal zijner bondgenooten en helpers.Om zijnentwil, heette het, zou men in eene volgens de Atheensche wetten hoogst gevaarlijke zaak de aanklacht tegen Aspasia zoolang verschuiven,[183]als hij zich die genadige behandeling waardig toonde. Om de vrouw van Pericles in het verderf te storten, meenden de samenzweerders, waren de vermetele, oneerbiedige uitdrukkingen voldoende, die zij voor het geheele volk over de Eleusinische Godinnen had durven uitspreken. Ieder oogenblik kon men wegens deze zaak alleen eene aanklacht van goddeloosheid en godsdienstverachting tegen haar indienen.Er waren mannen van de oligarchen-partij tegenwoordig, die zeiden, dat men verder moest gaan; dat men zich niet tevreden moest stellen de Milesische aan te vallen, die toch altijd slechts eene vrouw was, maar dat men zich eindelijk ook aan Pericles zelven eens moest wagen. Zij wezen op de verderfelijke veranderingen, die er door hem in den staat hadden plaats gegrepen, op de onbeperkte volksheerschappij die door zijne toegeeflijkheid zich had ontwikkeld en die door niets in toom gehouden werd dan door den persoonlijken invloed van den bij het volk geliefden strateeg. De belangen der Atheners waren alzoo aan de willekeur en het goedvinden van één enkele prijs gegeven. Anderen meenden, dat mannen als Anaxagoras, Socrates en de Sophisten de eigenlijke oorzaak waren van den rampzaligen toestand van den staat. Deze hadden de Atheners geleerd vrij te denken en oneerbiedig te spreken over de Goden en goddelijke zaken; deze vóór anderen moest men trachten uit te roeien. Bovendien waren er tegenstanders en benijders van Phidias en zijne school onder de aanhangers van Diopithes, die ook de vervolging tot hen wilden zien uitgestrekt.De oogen van Diopithes fonkelden bij de opnoeming van al deze mannen. Hem waren zij allen gelijkelijk gehaat.„Wij zullen ze allen weten te vatten,” zei hij, „allen van de rij af of te gelijk. Doch laat ons sluw de goede gelegenheid bespieden en de voor ons gunstige stemming der Atheners afwachten. Inmiddels echter moeten wij heimelijk naar een vast plan[184]te werk gaan, om ’t verderf dier schuldigen voor te bereiden.”Zoo sprak deErechtheüs-priester. Veel werd er vervolgens nog gewikt en gewogen, veel afgesproken door de bij Diopithes vergaderde mannen.Aspasia was dien dag niet in het huis van Hipponicus teruggekeerd; alleen Pericles begaf zich op den morgen van den volgenden dag, toen hij op ’t punt stond met zijne gade Eleusis te verlaten, nogmaals naar den daduchus.Hij riep hem ter verantwoording over de onbeschaamde beleediging, die hij Aspasia had aangedaan. Hipponicus verontschuldigde zich met zijne dronkenschap en opgewondenheid, waarvan Aspasia voor een deel althans zelve de schuld was, daar zij hem door Anacreontische liedjes en gesprekken bij het vroolijke maal tot Dionysische dartelheid geprikkeld had. Vervolgens beklaagde hij zich bitter over de verlegenheid en het gevaar, waarin hij door zijne medeplichtigheid aan de onwettige inwijding van Aspasia in de mysteriën geraakt was.Pericles had medelijden met deze verlegenheid en beloofde hem zijne bescherming. Doch Hipponicus was niet tot gerustheid te brengen.Toen Pericles desniettemin schouderophalend afscheid nam, volgde de daduchus hem tot aan de deur, keek telkens angstig rond en fluisterde zijn ouden vriend in ’t oor:„Wees op uw hoede, Pericles! Bij Diopithes werden gisteren in de schemering booze plannen gesmeed. Ook ik was daarbij;—gedwongen—; want het gold mijn hoofd.—Neem u in acht voor Diopithes en maak hem onschadelijk, zoo gij kunt. Men wil Aspasia en Anaxagoras en Phidias en u zelven in ’t verderf storten. Mij hebben zij in hunne macht, die ellendelingen—ik moest maar altijd met het hoofd ja knikken, op alles wat zij daar voorstelden—maar de honden en de raven mogen hen verscheuren, denErechtheüs-priesteren zijne geheelen aanhang!”[185]
Een zonderling contrast vormden gene Ionische uren van zaligheid en deze Peloponnesische tochten van Pericles en Aspasia! Ginds, aan Milete’s vroolijk strand, trok de zegevierende vrouwelijkheid met haar zachten arm een tooverkring om den Atheenschen held; hier te midden van statige bergkruinen openbaarde zich de mannelijke Dorische geest in velerlei zaken, die geschikt waren het gemoed ernstig te stemmen in Pericles’ ziel. Hier stortte de natuur zelve eene soort van ernstige huivering in zijn gemoed; hier spraken tot hem eeuwenoude overblijfsels van een heldhaftig verleden, tegenover welke de latere stervelingen zich alleen als een zwak en verbasterd geslacht moesten gevoelen.Hierwerd op plaatsen wier sagen aan de oude heldenwereld onmiddellijk zich aansloten, een eeredienst en een wedstrijd der mannelijkheid gehouden, in staat, zooals Aspasia te recht gevoelde, om in de ziel van den Griek gezindheden te wekken, aan te kweeken en te onderhouden, die de overwinning der schoonheid en vrouwelijkheid op elk gebied des levens eerder verhinderen dan bevorderen konden. In de bergachtige oorden der herders had Pericles een eenvoudig, als men wil, een idyllisch leven gezien, dat nog ongerept was door den adem der beschaving en dat beschouwingen, gevoelens, verwachtingen koesterde, die wellicht den ondergang van den echt Helleenschen geest afwachtten, om met een grauwen,[158]eentonigen nevel de vroolijke, Helleensche wereld te omhullen. Hier had zelfs de kunst van den Athener, in den tempel van den Olympischen Koning der Goden, haar hoogste en laatste schepping gewrocht en den triomf van het ernstig verhevene over het bevallig schoone, voor het oog van den Griek, zoo ’t scheen, voor eeuwig bezegeld.
Bijna lijnrecht stond Aspasia tegenover deze aandoeningen en gevoelens, die Pericles koesterde. Want hunne karakters waren niet geheel gelijk, en hunne betrekking tot de buitenwereld was geheel verschillend. Aspasia was de naar alle kanten werkende, gevende, bezielende; Pericles, zonder afbreuk te doen aan zijne mannelijke kracht, was de echte Helleen, die elken indruk rondom zich opving en opnam in zijne edele ziel. Hij was, gelijk het Helleensche volk, met zijn ontvankelijk gemoed tusschen de uitersten geplaatst; en evenals het Helleensche volk en de Helleensche geest, doorleefde hij onder de afwisseling van deze invloeden en uitersten, eene ontwikkeling, eene inwendige geschiedenis, wier doel en einde nog niet te overzien waren; terwijl Aspasia onwrikbaar en onveranderlijk vast stond op den hechten grond van haar karakter als de betooverende voorvechtster van Helleensche levenslust en de alverwinnende kracht van het schoone.
Was het niet te vreezen, dat door deze zachte tegenstelling, tot heden onder de rozengaarde der liefde en van het geluk verborgen, de schoone harmonie van het leven der liefde, dat het edele, schoone paar ten toppunt van geluk voerde, eenmaal zou kunnen worden verstoord?
Wèl hing dat gevaar boven hunne hoofden, maar de rozen der liefde schenen voor dit paar onverwelkelijk te zijn en een onvergankelijken toovergeur te verspreiden.
Nog altijd immers bleef Pericles de ontvankelijke en ontvangende, Aspasia de zegevierend werkende, de gevende.[159]
In hunne gesprekken hadden zij wel is waar dikwijls verschil en niet zelden geloofde Pericles de geliefde vrouw tot zijne meening overgehaald en in zijne stemming gebracht te hebben, doch ten laatste bemerkte hij gewoonlijk, dat zij het was, die hem van gevoelen en stemming veranderd had, dat het onmogelijk was de machtige betoovering, die in de hand dezer onvergelijkelijke vrouw gelegd was, geheel en al van zich af te weren. Steeds liet hij zich door de schoone terugvoeren tot het standpunt van eene meer vrije en opgeruimde levensbeschouwing. Steeds opnieuw werd de schoone harmonie der beide zielen weder hersteld, steeds opnieuw verwezenlijkten zij het ideaal van het Helleensche leven op zijn glanspunt, en boden een schouwspel aan, waarop de Olympiërs met trots en blijdschap nederzagen.
Aspasia verstond het voortreffelijk, om de nevelen weg te vagen van ’t voorhoofd van haar echtgenoot. Of zij voor altijd in staat zou zijn de nieuw ontspruitende kiemen van zijn inwendig leven te verstikken, den gang zijner innerlijke ontwikkeling tegen te gaan, dit was natuurlijk voor ’t oogenblik onmogelijk uit te maken.
Zeker is ’t echter, dat Aspasia de gave had om de scherts van Anacreon’s liederen betooverend in den ernst te mengen, waarmede de hymnen van Pindarus Pericles hadden bezield, en te zorgen, dat tusschen hen beiden de echte Grieksche zin nog steeds zijn recht handhaafde.—
In het kleine voorval met Alcamenes had het verleden eene vluchtige schaduw op het huwelijksgeluk van Pericles geworpen. Aspasia ademde ruimer, toen zij met haar gemaal, terugkeerende van Olympia naar Athene, den bodem van Peloponnesus achter den rug had. Zij vermoedde niet, welk verdriet haar op Attica’s bodem zelf, onmiddellijk vóór het bereiken van hun doel wachtte.
Terwijl Phidias te Olympia zijn Zeus voor geheel Hellas schiep, gelijk hij vroeger te Athene de Pallas Athene alleen voor de Atheners had gebeiteld, was[160]zijn vroegere makker en vriend Ictinus in de AttischemysteriënstadEleusis werkzaam geweest, werwaarts hij ontboden was, om een nieuwen tempel voor Demeter te bouwen, ter viering der groote mysteriën.
Daar de dagen voor de viering der mysteriën niet ver meer af waren, bevond zich Hipponicus, die bij deze plechtigheid de in zijn geslacht erfelijke waardigheid van daduchus bekleedde, juist te Eleusis, waar hij een landgoed bewoonde, zooals ook andere rijke Atheners in de omstreken van het schoon gelegen Eleusis bezaten. Want de stad lag niet ver van het strand nabij de vaart van Salamis en vlak tegenover dit eiland. Tegen de heuvels aan lagen de woningen der burgers en de groote tempelgebouwen met hun uitgestrekt en heilig gebied, waarin zij stonden.
Pericles nam bij Hipponicus zijn intrek gedurende den tijd, dat hij te Eleusis zou vertoeven.
De eerste dag was gewijd aan de bezichtiging van den nieuwen, grooten, door Ictinus voltooiden tempel, die, voor de viering der mysteriën ingericht, vele onderaardsche vertrekken enlabyrinthischegangen van ontzettende grootte bevatte; plaatsen bij uitnemendheid geschikt voor die geheimzinnige plechtigheden, die het alleen den ingewijden veroorloofd was te aanschouwen.
De Eleusinische mysteriën waren nu een onderwerp, waartegen Aspasia zich terstond op de meest beslissende wijze met al de scherpte van haar geest en vernuft verklaarde. Haar scheen alles, wat zich aan het licht onttrok, wat de duisternis zocht, wat zich hulde in den sluier van het geheimzinnige, gepaard te gaan met bijgeloof en dweeperij, en zoo zag zij ook in deze mysteriën een gevaar voor den vrijen, naar het licht strevenden geest der Hellenen.
Toen zij de vereering en het heilig ontzag der Atheners voor deze mysteriën laakte, zei Pericles: „Misschien is dit ontzag der Hellenen de zich heimelijk openbarende vereering van den menschelijken[161]geest in ’t algemeen voor de geheimen, die nog onopgelost in de diepte van zijne eigen ziel sluimeren. Wie weet, hoe vele openbaringen de menschelijke geest nog te voorschijn brengt uit deze heilige diepte!”
„Ik wil niets hooren van openbaringen in de toekomst!” hernam Aspasia. „De openbaring van het tegenwoordige is de openbaring van het schoone menschelijke, en alles wat zou kunnen volgen, zou slechts iets minders zijn. Klemmen wij ons met hart en ziel en alle vezelen van ons wezen vast aan het schoone, vroolijke heden!”—
Pericles wees Aspasia op den daduchus Hipponicus, en vroeg haar of dan deze man, wiens lichaamsgestalte al ronder en ronder werd en wiens blos zich al schitterender en schitterender voordeed, soms een spoor van dweepzucht vertoonde? En toch was hij niet alleen een ingewijde, maar zelfs bekleedde hij eene priesterwaardigheid te Eleus en behoorde tot hen, die de inwijding der mysten1voltrokken.
Aspasia antwoordde, dat zij, welke anderen in het rijk van bijgeloof en dweepzucht binnenvoeren, niet zelden van een geheel andere meening waren, dan die zij anderen trachten op te dringen. „Somwijlen echter,” zeide zij, „gelijken ook de dragers en verkondigers van heilige geheimzinnigheden op de muildieren, die hier en daar volgens een oud gebruik tot drager van heilig tempelgereedschap of godenbeelden gebezigd worden en op wie niets van den goddelijken zegen nederdaalt, dien zij voor anderen op hun rug dragen en uitdeelen. De „onschuldige Hipponicus,” voegde Aspasiaer bij, „schijnt mij tot deze laatste soort te behooren.”
Hipponicus was trotsch op zijne waardigheid van daduchus, omdat daaraan inderdaad eene eer onder het Helleensche volk verbonden was. Doch wat overigens er mede gepaard ging en wat ze van[162]hem eischte, daartoe gevoelde hij zich waarlijk niet door eene innerlijke aandrift gedrongen, noch door een persoonlijke neiging geroepen; de omstandigheid alleen, dat hij tot het geslacht behoorde, waaruit de daduchen van Eleusis plachten gekozen te worden en dat die keuze hem te beurt gevallen was, had hem met de priesterlijke waardigheid bekleed.
Hij verdedigde tegenover Pericles’ gade de mysteriën, doch als eene zaak, die hij wel is waar vertegenwoordigde, maar zonder er zich veel aan gelegen te laten liggen.
Afkeerig van wijsgeerige beschouwingen, stelde hij zich tevreden met Aspasia op een schilderij te wijzen, die den wand zijner eetzaal versierde. Deze schilderij was van de hand van Polygnotes en stelde het bezoek voor, dat de zwerver Odysseus in het rijk der schaduwen bracht. De Hades was afgeschilderd met al zijne verschrikkingen, en onder de bleeke schimmen bewoog zich onvervaard de nog levende vorst van Ithaca.2
Toen Pericles met Aspasia de schilderij beschouwde, bemerkte hij als ingewijde aanstonds, dat sommige bijzonderheden toespelingen bevatten op de Eleusinische mysteriën. Hipponicus bevestigde dit en sprak tot Aspasia.
„Zoo veel is mij wel geoorloofd te zeggen, dat de weg naar het heilige licht van Eleusis door den Hades voert en door de verschrikkingen des „erebos”. Wat echter de profanen betreft en hen, die hardnekkig versmaden zich te laten inwijden, hun lot in de onderwereld is voor de deskundigen op deze schilderij zeer aanschouwelijk voorgesteld.”
Zoo sprak Hipponicus en ried Aspasia ernstig aan zich te laten inwijden; hij herinnerde haar tevens, dat, naar de algemeene overtuiging der Hellenen, zij die in de mysteriën van Demeter te Eleusis ingewijd zijn, na hun dood in zalige gewesten zullen wandelen: terwijl daarentegen den niet ingewijden[163]beschoren is ten eeuwigen tijde in akelige duisternis en eenzaamheid te smachten.
„Ik heb dit dikwijls hooren beweren,” zei Aspasia, „en ’t klonk mij steeds in de ooren, alsof iemand op eene slecht gestemde cither onharmonische tonen aanslaat of over eene glasplaat met een puntig ijzer heen en weder krast. Het is verbazend, waaraan zelfs Helleensche ooren zich kunnen gewennen. Ik weet, dat er menschen zijn, die, als zij ’t einde van hun leven voelen naderen, zich nog spoedig doen inwijden, en velen haasten zich zelfs hunne kinderen reeds in prille jeugd dit heil deelachtig te doen worden.”
„Ik ben zelf,” zei Pericles, „zooals bijna alle Atheners een ingewijde en gaarne zou ik bereid zijn, ook deze geheimzinnigheden evenals alle andere u mede te deelen.”—
„Ik begrijp,” hernam Aspasia, „dat voor de dwazen het bijgeloof, voor de verstandigen de nieuwsgierigheid een voldoende reden is, om zich te laten inwijden. Op het recht van nieuwsgierigheid echter heb ik als vrouw dubbele aanspraak. Wat moet ik doen, Hipponicus, om de wijding deelachtig te worden?”
„De zaak is eenvoudig,” zei Hipponicus. „Gij meldt u in het volgende jaar bij de viering der kleine Eleusinische mysteriën te Athene aan, gij ontvangt daar op de voorspraak van een reeds ingewijde, de kleinere wijding en begeeft u een half jaar later met den Eleusinischen feeststoet van Athene herwaarts naar Eleusis, om hier de groote wijding deelachtig te worden en de eigenlijke geheime plechtigheden te aanschouwen.”
„Hoe?” riep Aspasia, „moet ik zoolang mijne nieuwsgierigheid bedwingen? Moet ik de kleine Eleusiniën afwachten en dan nog een half jaar zien verloopen, voor de geheimen mij geopenbaard zullen worden? Zijt gij niet daduchus, Hipponicus, en kunt gij als zoodanig voor mij de gunst niet verkrijgen, dat ik de kleinere wijding nu hier tegelijk met de grootere ontvang?”[164]
„Onmogelijk!” hernam Hipponicus.
„Wat verhindert u daarin?” vroeg Aspasia.
„De tijd tusschen de beide wijdingen is vastgesteld door het heilige gebruik,” antwoordde de daduchus.
„Gij kunt mij over dat heilige gebruik heen helpen!” bracht Aspasia in het midden.
„De hiërophantes3is een van die strenge en ernstige mannen, zooals Diopithes te Athene,” hernam Hipponicus. „Zou ik mij den toorn van dien opperpriester op den hals willen halen?”
Aspasia bleef bij haar verzoek volharden, maar de daduchus herhaalde zijn: „Onmogelijk.” Hij was een vijand van verwikkelingen enmoeilijkheden. Hij gevoelde niet den minsten lust de gansche Eleusinische priesterkaste tegen zich in ’t harnas te jagen. Hij hield van vrede en behagelijke rust.
Den volgenden dag kwam de Eleusinische optocht van Athene naar Eleusis. Pericles en Aspasia bevonden zich met Hipponicus onder hen, die als toeschouwers de schare ontmoetten, toen deze bij vele duizenden den heiligen weg langs trok. Terwijl de blikken van Aspasia zweefden over de in den optocht gedragen heilige voorwerpen en over de schaar der mysten zelve, allen met mirt en klimop omkranst, korenaren en akkergereedschappen dragend, ter eere van Demeter, die de graanvruchten doet gedijen, ontmoetten haar eensklaps—want de aankomst van den Eleusinischen stoet greep in het schemerend avonduur plaats—in de bonte menigte van gezichten, de matte oogen en de slap hangende wangen van Telesippe.
Telesippe’s gemaal, die door den invloed van Pericles telkens opnieuw tot Archon Basileus was gekozen, wien ook de leiding van de Eleusinische mysteriën was opgedragen, liep te midden der Atheensche priesters en overheidspersonen; Telesippe[165]stapte als Basilissa4en deelgenoote zijner godsdienstige waardigheden en verrichtingen, met fier opgericht hoofd aan zijne zijde.
Vol waardigheid schreed de vrouw van den Archon Basileus voort in al den omvang harer welgedane gestalte, en toen haar blik, trotsch ter rechter en linker zijde dwalend, op haar vroegeren gemaal en de Milesische naast hem viel, toen richtte zij het hoofd nog hooger op en een trek van innige verachting vertoonde zich om hare dikke lippen. Zoo plechtig was haar uiterlijk, als stond zij nu wederom op het Lenaeën-feest als „de mystische gade van den God” in den tempel van Dionysus, aan het hoofd harer onderdanige priesteressen, geheimzinnige gebruiken volvoerend, die geen mannenoog mocht aanschouwen en waaromtrent zij de deelgenooten allerplechtigst de gelofte van stilzwijgendheid afnam.
Toen Aspasia de vrouw zag, zoo fier in het bewustzijn harer priesterlijke waardigheid, en een pijl van de diepste minachting uit hare afgunstige oogen afschietend, ontwaakte de oude haat weder en de bittere spotlust in het gemoed van de Ionische.—
„Zie eens,” zeide ze lachend tot Pericles, „zie eens, hoe zij daar praalt, met dat glimmend vet op hare ledematen, de waardige Telesippe! Nadat zij de echte vrouw van twee sterfelijke mannen is geweest, is zij nu zelfs de mystische gemalin van den God Dionysus geworden! ’t Zou mij echter zeer verwonderen, als de jeugdige God haar niet spoedig ook aan een ander overdeed en wel aan Silenus zijn dikbuikigen makker: want voor dezen schijnt zij geheel als geschapen!”
Eenige woorden van deze bittere spotternij drongen door tot Telesippe’s oor. Nog beter echter werden zij gehoord door Elpinice en den ziener Lampon, die achter Telesippe in den optocht gingen, en die, evenals zij, op Pericles alsmede op de Milesische[166]in ’t voorbijgaan scherpe en loerende blikken gevestigd hadden. Blikken van met moeite onderdrukte verbittering werden op de vermetele geworpen, en eene stilzwijgende gelofte om de lang gezworen wraak te bespoedigen, rees tegelijkertijd in de drie gekrenkte gemoederen op.
In den nacht stroomden langs het strand van den Eleusinischen zeeboezem defeestreien, aangevoerd door den God Iacchus met brandende toorts. Hier flonkerde het nachtelijk schijnsel over de met bloemen bezaaide dreven, en rondom den God slingerde zich de bezielde schare, den bodem stampend in den dans, de golvende lokken schuddend, doorstrengeld met den mirtekrans, en de zwellende, rijpende druif in dien krans. In tallooze bochten kronkelde zich de rei met de hoog gezwaaide fakkels. Een myst gaf telkens de fakkel aan den anderen. De mystische fakkelglans werd als heilig beschouwd en de daaraf spattende vonken als een louteringsmiddel van de zielen dergenen, die zij troffen.
Met het aanbreken van den avond, die aan de voorafgaande feestviering een einde maakte en vóór de geheimenissen in den wijtempel plaats grepen, moesten de mysten zich door tal van reinigingen, geloften, gebeden en ander heilige gebruiken voor de wijding voorbereiden.
Onophoudelijk had Aspasia inmiddels bij Hipponicus den wensch hernieuwd, om door zijne bemiddeling in de mysteriën te worden ingewijd.
Hipponicus herinnerde haar, dat de viering der mysteriën onder het toezicht stond van den Archon Basileus, den echtgenoot van Telesippe, en dat, evenals de Archon Basileus het oppertoezicht over de Eleusinische priesters had, zoo zijne gemalin over de priesteressen van Eleusis als Basilessa gesteld was, tijdens de viering der mysteriën.
Dit alles scheen de eigenzinnigheid van Aspasia nog meer te prikkelen: en toch zou ’t haar bezwaarlijk gelukt zijn den tegenstand van Hipponicus te verwinnen, ware ’t hem thans niet tegenover[167]de gade van Pericles gegaan, als Alcamenes te Olympia. Niet te vergeefs koesterde hij in zijn huis den gloed, die zijn hart reeds eenmaal had verzengd. Aspasia, gedachtig aan het voorval met Alcamenes, zou anders wel op hare hoede geweest zijn, om dit vuur opnieuw aan te blazen en een gevaar te vermijden, dat haar om Pericles’ wil noodlottig had kunnen zijn, maar zij had zich nu eenmaal in ’t hoofd gezet, datgene, wat zij wilde bestrijden, nauwkeurig te onderzoeken, ten eindehet mette grooter kracht te kunnen aantasten. Zij zag met voldoening den minnegloed van Hipponicus, dien zij overigens verachtte, opnieuw opvlammen; het was haar immers een waarborg, dat hij ten laatste haar vurig verlangen zou inwilligen.
En zoo geschiedde het ook. De daduchus gaf eindelijk toe, om de kleinere wijding, die Aspasia reeds vóór een half jaar moest ontvangen hebben, haar thans toe te dienen. Hij wist den zoogenaamden mystagoog5voor zich te winnen, wiens plicht het vooral was bij de kleinere Eleusiniën te Athene de „duisterlingen” voor te bereiden en in den „tempel” binnen te leiden. De daduchus liet Aspasia, nadat de reinigings-ceremoniën afgeloopen waren, op de vacht van een aan Zeus geofferd lam staan, vervolgens onderrichtte haar de mystagoog in zekere gebruiken en formulieren, die zij in den tempel noodig had, om te bewijzen, dat zij ingewijd was, opdat haar de toegang met de mysten tot het binnenste van ’t heiligdom niet geweigerd zou worden. Eindelijk liet hij haar zweren, dat zij omtrent alles, wat zij in het huis der groote wijding zien en hooren zou, een onverbreekbaar stilzwijgen voor eeuwig zou in acht nemen.
Niet te gelijk werden, toen de dagen der wijding gekomen waren, alle mysten binnen geleid, maar de eene afdeeling volgde op de andere.
Onder de schare van mysten, die het eerst werd toegelaten, bevonden zich Pericles en Aspasia.[168]
Een glimlach zweefde om de lippen van Aspasia toen zij met deze schaar, geleid door de mystagoog, het binnenste van ’t heiligdom betrad en den Hiërophantes, benevens de overige offerpriesters en helpers, in schitterend en veelbeteekenend gewaad gedost zag, met diademen op de vrij langs de schouders neergolvende lokken, statige grijsaards, eerbiedwaardig van uiterlijk, die daarenboven geheimzinnige symbolen ten toon droegen; te midden van hen de daduchus met eene fakkel in de hand.
En nog bekoorlijker lachte de schoone Milesische, toen nu de „heilige heraut” zijne stem verhief voor de verzamelde mysten, met den eisch, dat ieder, die niet de wijdingen had ontvangen, zich zou verwijderen, alsmede ieder, wiens hand niet rein van schuld en niet waardig voorbereid was, om het heilige licht van Eleusis te aanschouwen; hen ten laatste nogmaals den plechtigen eed afnemende, een eeuwig zwijgen te bewaren over datgene, wat zij zouden hooren en zien. Hierop werd ieder afzonderlijk eene vraag in het oor gefluisterd, die alleen de myst kon begrijpen en die hij even zacht weder in het oor van den vrager beantwoordde, terwijl door een onzichtbaar koor de plechtige hymnus op de Godinnen van Eleusis aangeheven werd.
En nog steeds zweefde die fijne glimlach om de geestige lippen van Aspasia, toen de mysten in het binnenste van den tempel waren binnengeleid en zekere heilige voorwerpen hun daar ’t eerst getoond werden, overblijfselen uit eeuwenoude tijden, zinnebeelden der zegeningen en mysteriën van den Eleusinischen eeredienst, hun tevens aangeboden om aan te raken en te kussen en met gewijd woord uit den mond van den Hiërophantes uitgelegd.
En met denzelfden glimlach volgde Aspasia de mimische voorstellingen der heilige sagen, aanschouwelijk en aangrijpend om te zien in de geheimzinnige schemering van den tempel, begeleid door de liefelijke tonen van fluit- en snarenspel.
Nu echter werd de schare van mysten langs[169]trappen naar onderaardsche gewelven en gangen gevoerd. Weldra zagen zij zich door eene volslagen duisternis omringd. De zwerftochten begonnen: een lang, moeitevol, doelloos ronddolen in het nachtelijk donker. Alleen de stem van den Hiërophantes weerklonk ernstig en waardig en strekte door zinrijke spreuken en waarschuwingen tot gids in dien donkeren, labyrinthischen zwerftocht.
Plotseling hoorde men een dof gedreun, alsof de grondvesten der aarde trilden: het scheen gehuil, gesteen, geluid van ruischend water en geratel van den rollenden donder dooreen gemengd.—De straks nog rustige schare der mysten greep een angstige verbazing aan, zij begon te sidderen en te beven, het klamme angstzweet parelde zich op het voorhoofd.
Steeds grooter echter werden de verschrikkingen; want bij het schijnsel van als bliksem, schitterende vlammen, die afwisselend uit den grond sloegen en wier roode, blauwe, witte of vale kleur schier verblindend was, zag men gruwzame spookgestalten, monsters der onderwereld door een vluchtigen glans verlicht. Gorgonen met ontzettende koppen, sluipende Echidnen6, vreeselijke Chimaeren7, die de gestalten van een leeuw, eene geit en eene slang in zich vereenigden, tandenknarsende Harpyen met gapende muilen, bleeke, bloeddorstige Emphusen met hondenkoppen, blaffende Scylla’s8en het huiveringwekkende beeld van Hecate. Doch steeds ontzettender werden de verschrikkingen. Eindelijk verscheen in een vaal licht Thanatos, de God des doods, zittend op doodsbeenderen, in donker, nachtelijk gewaad, het voorhoofd omkranst met affodil9,[170]met eene omlaag gehouden fakkel in de hand, naast hem een vale klepper, waarmede hij in vliegende vaart onmetelijke afstanden aflegt.
Rondom hem waren zijne getrouwen gelegerd; Eurynomus de daemon der vernietiging, een der geesten van den Hades, wiens taak het was het vleesch der lijken tot op de beenderen af te knagen. Hij zat op zijn aas, gelijk een raaf of gier, en sloeg zijne tanden begeerig in het weeke vleesch.
Verder op waren om den valen Thanatos te zien de Pest en de bleeke, uitgeteerde Honger, de furie van den oorlog Enyo, benevens de kranke, hartdoorknagende, Razernij der liefde en Ate, de Verbijstering, de noodlottige daemon der dwaasheid, der verblinding en der schuld.
Aspasia lachte nog altijd, maar haar lach was niet langer bekoorlijker en haar gelaat marmerwit …
Terwijl nu echter op een wenk van den Hiërophantes de daduchus zijne fakkel aan eene der uit den grond uitslaande vlammen ontstak, en steeds huiveringwekkender de melodieën der fluiten en van het onzichtbare koor klonken, geraakte de schaar der mysten in een somber, met mephilitische10dampen gevuld hol. Uit de verte vernam men een dof bruisen als van stroomend water en daartusschen het luid geblaf van een driekoppigen hond11.
Toen nu de mysten den langen, donkeren hollen weg afgelegd hadden, zagen zij als in een droom eene groote eentoonige, sombere landouw voor zich, zoo ’t scheen van slaap verwekkende vochten doortrokken en omgeven door somber vlietende stroomen.
Door den staf van den heiligen heraut bezworen, verstomde het geblaf van den driekoppigen helhond en de mysten-schaar zag zich omringd door[171]de schaduwen des doods, in. het rijk van Persephone12waar in het vale licht wilgen en zilverpopulieren stonden, bleek en onbewegelijk met treurig neerhangende twijgen.
Daarop volgde de Asphodelus-weide, geheel overdekt met de treurige doodsbloem, wier bleeke knoppen als droomend op hooge stengels wiegelden.
Over deze weiden zweefden de schimmen, de zielen der gestorvenen, heen en weder; zij geleken droombeelden of rook; zij waren niet tastbaar, zonder menschelijk geluid, alleen met een zacht, eentonig gegons de uitgestrekte ruimte des erebus vervullend. Zij waren zich slechts half bewust, als verzonken in gepeins en sluimerig, alleen tot volle bewustzijn te brengen door een gereikten dronk versch, rookend offerbloed.
Nachtvogels fladderden in de lucht, ook zij waren somber en spookachtig. Als schimmen met doorschijnende lichamen, gleden ook de visschen traag en zonder geluid voort in de wateren der onderwereld. Deze stroomen echter, die het erebus omgaven, waren: de Acheron, de stroom des eeuwigen lijdens, de tranenstroom Cocytus13, de vuurstroom Pyriphlegeton14en de Styx, met zijne gitzwarte wateren.
Door ’t schemerdonker der zwevende, ijle schimmenwereld gingen de mysten als in een droom, geleid door den heiligen heraut verder, totdat plotseling eene koperen reusachtige poort met het geweld des donders vóór hen opensprong.
Over een koperen drempel betraden zij den Tartarus, de verblijfplaats van die zielen, welken het niet vergund was, in een half wakenden, half sluimerenden toestand, zonder leed of vreugde, over de Asphodelus-weide te zweven; maar zij, die door de wrekende Erinnyen nedergestort waren in den[172]dieperen jammervollen afgrond van den Hades.
Eeuwig op het rondwentelend rad gebonden te zijn15—door eeuwig dreigende, hangende rotsblokken omringd te worden—naar eeuwig terugwijkende met vruchten beladen takken met eeuwig onverzadigde begeerte de handen uit te strekken16—met eeuwig vergeefsche krachtinspanning den steeds weder terugrollenden steen bergopwaarts te wentelen17—de altijd weder wegloopende wateren van vertwijfelende inspanning in een bodemloos vat te scheppen18—de steeds aangroeiende ingewanden aan den beet van een gier19en de ledematen aan de kronkelingen van de slangen der Erinnyen prijs te geven—een speelbal te zijn voor eeuwig in de handen der Stygische schrikgestalten: zoodanig was het lot van hen, die de schare der mysten op den jammervollen bodem huiveringwekkend aanschouwde.
Talrijk waren zij, de beelden dier folteringen in de onderwereld; het talrijkste echter de beelden van een eeuwig vergeefsch, smartelijk worstelen en streven.—
Zóó werden de ingewijden door die verschrikkelijke diepten, door het lijden des levens en de huivering des doods rondgevoerd en hunne ziel was met angst en siddering vervuld.
Plechtig klonk de stem van den Hiërophantes door al deze verschijningen en verschrikkingen heen, verklarend en vermanend.[173]
Al vreeselijker en ontzettender werd de onderaardsche duisternis, al luider het geween en gesteun der boetelingen.
De stroomen der onderwereld begonnen te bruisen, het geheele schimmenrijk scheen in ééne hartverscheurende zucht los te barsten; maar ook de schare van hen, die uit de bovenwereld neergedaald waren, scheen daarin te deelen en de stemmen aller schepselen zich te vereenigen in een oneindig, door de diepste ellende afgeperst: ach!—
Toen scheen op eens een wonderbaar licht uit den schoot der diepste duisternis:
Vriendelijke streken doemden op, overdekt met gouden bloemen: liefelijke stemmen weerklonken, zalige reien zweefden daarheen over de heerlijke velden.
Hier glansde Persephone’s paleis in helder licht. Aan den drempel van het paleis stond, met de lyra in de hand, Orpheus, de overoude, heilige mysteriën-zanger, en zijn welluidende mond verkondde geheimzinnige zaken.
Achter hem lonkte het knaapje Demophoön uit de knetterende vlammen, waarmede zijne goddelijke voedster Demeter hem tot schrik zijner sterfelijke moeder omgeven had, ongedeerd glimlachend den mysten toe.—
Over de gouden poorten des tempels echter zweefde in vollen glans, verlicht door de helderste stralen, het symbool der gevleugelde Psyche, niet meer als eene schim in den Hades rondwarend, maar over Asphodelusweiden en Tartarus en Elysium20zich verheffend naar den haar verwanten, goddelijken aether.—
Nu werden de mysten door de poort gevoerd om in waarheid ziende te worden. Hier werd voor hen het nog onuitgesproken gedeelte der geheimenissen onthuld. Hier verscheen hun, nochtans aan ieder naar de eigen kracht zijner oogen, in[174]luisterrijken glans: het volle, heilige licht van Eleusis.—
Op den dag, die op de inwijding van Aspasia in de Eleusinischegeheimenissen, aan de zijde van haar gemaal Pericles met een groot deel der mysten, volgde, bevond de Milesische zich in een verwarde, eigenaardig veranderde stemming. Haar geheele wezen was door ontroering aangegrepen, haar zenuwgestel geschokt, zij was schier koortsachtig. In een levendig gesprek met Pericles over hetgeen zij met hem gezien en gehoord had, zocht zij de gestoorde harmonie van haar gemoed weder te verkrijgen. Want evenals er nachtvogels zijn enandernachtgebroedsel, wier oog de duisternis liefheeft en den helderen straal van licht niet kan verdragen, zoo zijn er van den anderen kant ook kinderen des lichts, die zich alleen in den gouden glans van het hun bekende en verwante element welbevindenen niet in de donkere afgronden van den nacht kunnen staren. Tot dezen behoorde Aspasia. Een blik in de duisternis echter, een staren in den zwarten nacht, kwam haar die tocht voor, en wat zich het heilige lichtvan Eleusis noemde, scheen haar geen licht, integendeel eene andere soort van duisternis; want het was somber en voerde door somberheden heen. Zij echter kon zich het licht alleen vroolijk denken. Voor haar gold als licht alleen datgene, wat schitterde en tot opgewektheid stemde te gelijk. Het vale, kille, spookachtige schemerdonker, waarna het oogverblindend schelle licht, dat de Hiërophantes van Eleusis in de diepten des levens deed vallen, scheen haar een snood contrast met het ware, rooskleurige licht. Goochelspel en ijdele bangmakerij noemde zij de aan tooverij grenzende phantastische kunsten der Eleusinische priesters.
Zoo gevoelde zij zich dus aangedaan en geschokt, door eene pijnlijke onrust aangegrepen en meer dan ooit tot tegenspraak geprikkeld.
’t Was intusschen in het van vreemdelingen, voornamelijk van Atheners, wemelende Eleusis geen[175]geheim gebleven, dat Aspasia aan de zijde van haar gemaal zich in de mysteriën had laten inwijden. Maar ook van de bijkomende omstandigheden dezer wijding waren zij, die met het scherpe oog der afgunst het doen en laten der Milesische naspeurden, al heel spoedig onderricht. De ergsten hare vijandinnen, nog onlangs op nieuw beleedigd en tot wraak aangezet, vertoefden te Eleusis, en Lampon liet zich niet onbetuigd, de brave, vol-ijverige Lampon, die het vertrouwen en de vriendschap van Telesippe in nog hoogere mate had weten te winnen, sedert zij de gade van een opperpriester was geworden, en die zich voortreffelijk leende tot een werktuig van de wraakzuchtige vrouw en haar intrigeerende vriendin. Den argeloozen mystagoog had Lampon weldra het geheim van het vermetel waagstuk ontlokt, waardoor Aspasia tegen alle heilige regelen in de mysteriën was binnengeleid. Door hem werden de vijandinnen op de hoogte dier zaak gebracht.
Weldra werd de Archon Basileus, de handhaver der heilige wetten, van deze misdaad verwittigd en een onweder pakte zich samen boven het hoofd van Aspasia en haar medeplichtige, Hipponicus, die haar tegen de heilige gebruiken, tot hare wijding de behulpzame hand had geleend.
Nog wist Aspasia niets van het dreigend gevaar, en eer zij daarvan in kennis werd gesteld, wedervoer haar ten huize van den daduchus een onaangenaam geval van gansch anderen aard.
Aspasia zat met Pericles en hun gastheer Hipponicus aan het ontbijt. Het heilig gebruik verordende in den tijd der viering van de mysteriën eene zekere onthouding; des te meer vermaak schepte Aspasia er in, den ouden drinkenbroer Hipponicus door vroolijke drinkliederen en scoliën op te wekken, ten einde hem meer aan den bezielenden God Iacchus dan aan de strenge Persephone te doen denken. Hij sprak den beker vlijtig aan en al vuriger en vuriger begonnen zijne oogen te schitteren, terwijl de bekoorlijke vrouw tegen den somberen[176]ernst der mysteriën te velde trok en tegen al wat somber was in ’t algemeen, ook tegen het sombere begrip van plicht, waartegen zij het vroolijk recht des levens en der vreugde plaatste.
Pericles verwijderde zich om een ambtgenoot, die zich te Eleusis bevond, op te zoeken en Aspasia begaf zich naar haar vertrek.
Plotseling stond de dronken Hipponicus voor haar en begon haar verwijtingen toe te voegen.
„Vrouw!” riep hij uit met dubbelslaande tong, „uw naam is ondank! Heb ik u niet te Megara uit moeilijke verwikkelingen gered? En wat was mijn loon daarvoor? En heb ik mij nu niet weder onverschrokken voor u in gevaar gestort, door u, tegen alle heilige gebruiken, in de groote mysteriën binnen te smokkelen? En zal ik ook daarvoor geen dank inoogsten, zelfs niet den geringsten? Eilieve, daar gij toch zoo vrijzinnig zijt, waarom zijt gij dan tegenover mij zoo preutsch? Vreest gij misschien uw man? Die is afwezig. Of het sombere begrip van plicht? Daar hebt gij zooeven nog den spot mee gedreven. Ben ik u soms niet jong of mooi genoeg? Neem dan dezen ring met dien kostbaren steen! Hij heeft twee talenten aan baar zilver gekost!—Weet gij dan, dat Pericles altijd van u houden zal? Zal hij u misschien niet eens evenals Telesippe verstooten? Alles in de wereld wentelt en draait bont dooreen! Verlaat u toch op niets! Tast toe! Neem den ring, mooi wijfje! Neem den ring met den steen, die twee talenten gekost heeft! Weet gij dan, lieve, hoe lang gij nog bekoorlijk zult zijn? Nog zijt gij het ontegenzeggelijk, maar de tijd komt, waarop gij oud en leelijk zult zijn!—Neem den ring, schatje, en geef er mij een kus voor!”
Aspasia stiet, gloeiend van toorn, den dronken man naar de deur. Toen werd Hipponicus woedend en stotterend schreeuwde hij:
„Wie zijt gij toch eigenlijk? Zeg, wie zijt gij dan toch? Een licht dametje uit Milete; bij Demeter! Een dametje uit Milete? Sedert wanneer wilt[177]gij eene Spartaansche vrouw zijn, eene eerzame, deftige matrone?—O, gij preutsche, die toch eens den jongen Alcamenes zonder eenige preutschheid tot model hebt gediend!”—
Aspasia beefde en verbleekte van toorn om den dronken, schaamteloozen beleediger. Nogmaals duwde zij den waggelende achteruit, wierp snel haar oppergewaad om en ijlde uit het vertrek en uit het huis, haar echtgenoot Pericles te gemoet.
Zij had nauwelijks het huis verlaten of de geslepen vriend van Diopithes, de ziener Lampon, trad het binnen.
Hij was door Diopithes gezonden, die den vorigen dag te Eleusis was aangekomen.
Toen zij, met doodelijken haat tegen Pericles en Aspasia bezield, het eerst de tijding van Aspasia’s onwettige inwijding vernamen, hadden zij onmiddellijk besloten, zoowel Aspasia zelve als den daduchus bij het heilige gerecht aan te klagen, en de meesten waren verheugd, dat zij thans, behalve de gehate vrouw, ook den zeer benijden Hipponicus in het verderf zouden kunnen storten.
Maar Diopithes zelf, het eigenlijke hoofd dezer vijandelijke partij, was van eene andere meening. Hij verzon een plan, dat zijn sluwheid eer aandeed. Gaarne had hij Hipponicus de aanklacht en een veroordeelend vonnis gegund, maar hij berekende, dat de niet aangeklaagde en niet veroordeelde Hipponicus hunne partij nuttiger kon zijn, dan zoo hij aangeklaagd en veroordeeld was.
„Als wij hem onmiddellijk aanklagen,” sprak hij, „zal de machtige Pericles hem met zijn geheelen invloed ter zijde staan, en hij zal, zoo al niet er ongestraft afkomen, dan toch veel lichter straf krijgen, dan wij wel wenschen. Wellicht zal hem eene geldboete opgelegd worden, hetgeen den rijksten man van Athene niet veel schaden zal. Hij zal die betalen en dezelfde blijven, die hij is. Anders evenwel wordt de zaak, als wij hem niet onverwijld tot verantwoording van zijn gedrag noodzaken, maar de aanklacht voorloopig als eene altijddurende bedreiging[178]boven zijn hoofd doen zweven. Wij zullen hem doen weten, dat wij zijn geheim kennen en dat het in onze macht is hem in het verderf te storten, zoodra wij willen. Dit zal hem bereidwillig en gedwee in alles maken. Hij zal als een man, die een behagelijke rust boven alles liefheeft en wien geen prijs te hoog is, om eene verlegenheid of verwikkeling te ontkomen, alleen uit angst voor ons, een werktuig, zonder eigen wil, zijn. Zijn invloed te Athene en de macht van zijn rijkdom is groot: beter is het dit water op ons rad, dan op dat van onze tegenstanders te leiden.”—Zoo sprak de snoode, sluweErechtheüs-priestertot zijne makkers en zond Lampon naar de woning van Hipponicus.
De ziener trof den daduchus in een zonderlingen toestand aan. Hij vond hem dronken en tevens in den hevigsten toorn ontstoken, tengevolge van hetgeen zooeven tusschen hem en Pericles’ gade had plaats gehad.
Desniettemin begon Lampon een gesprek met Hipponicus en zei hem ronduit, dat het bekend was geworden, hoe hij de gade van Pericles op eene wijze, die tegen de heilige regelen streed, in de mysteriën had binnengeleid.
Bij deze woorden verschrikte de dronken Hipponicus zoozeer, dat hij bijna nuchter werd. Doch met verdubbelde heftigheid barstte zijn toorn tegen de Milesische los. Hij begon haar jammerend te verwenschen, als eene verleidster, die hem in het verderf wilde brengen.
„Grijp haar!” riep hij, „radbraak haar, vil haar, doe met haar, wat gij wilt, zij verdient het!”—
Met innig welgevallen vernam Lampon de uitdrukkingen van gramschap tegen Aspasia uit den mond van Hipponicus, en nadat hij eerst nog op eene sluwe wijze den toorn en de angst van den man tot het uiterste had doen stijgen, kwam hij met de verklaring voor den dag, dat zij, die van plan waren hemin staatvan beschuldiging te stellen, bereid waren zich in het geheim met hem[179]te verstaan. Hij vroeg hem of hij de uitnoodiging aannam, welke die mannen hem deden, om met hen over de zaak in onderhandeling te treden. Hipponicus haalde weder ruimer adem en beloofde reeds vooruit alles wat men van hem mocht verlangen. Onmiddellijk werd nu tusschen hem en Lampon plaats en uur voor het onderhoud vastgesteld.
Terwijl dit gesprek tusschen Lampon en Hipponicus voorviel, ijlde Aspasia door de straten van Eleusis. Weldra echter moest zij haar snellen gang vertragen door de groote drukte en gewoel. ’t Kon niet anders of zij werd opgemerkt en herkend. Zij zag zich weldra het voorwerp der algemeene aandacht, ’t geen haar natuurlijk in verlegenheid en verwarring bracht.
De in Eleusis verzamelde menigte was door de vijanden en vijandinnen van Aspasia op alle mogelijke wijze tegen Pericles’ gade opgeruid. De geruchten over hare onwettige wijding maakten de ronde onder het volk. Er waren bovendien menschen, die zich verstoutten luide te zeggen, dat Aspasia voorheen eene hetaere te Milete en te Megara was geweest, dat zij uit de laatste plaats met schimp en schande was weggejaagd en dat reeds om deze misdaad alleen hare inwijding eene goddelooze zaak was. Overdrijving en sprookjes van de zotste soort liepen, naar gewoonte, over haar van mond tot mond, en zaaiden minachting, ja zelfs verbittering in de gemoederen.
Van dergelijke gezindheden was de menigte vervuld, door welke de gade van Pericles in angstige haast zich een doortocht trachtte te verschaffen.
’t Ontbrak niet aan brutale lieden, die nieuwsgierig hare schreden volgden, ja zelfs, achter haar loopende zich beleedigende woorden lieten ontvallen, die haar oor bereiken en haar krenken moesten.
„Wat is er voor nieuws in Athene?”—
„Niets dan dat de vrouw daar speer en schild draagt, en dat de mannen verwijfd zijn.”—
„Ja, ’t valt niet te ontkennen, dat Athene door[180]eene vrouw bestuurd wordt.”—
„Door Pallas Athene bedoelt ge?”—
„Neen, door eene Milesische hetaere. Pericles zal, zoo men zegt, weldra haar beeld op de Acropolis laten plaatsen.”—
„Die arme Pericles! De vrouwen heeft hij nooit kunnen weerstaan. Hij is immers ook Elpinice’s minnaar geweest en men weet dat deze hem nog met hare verwelkte bekoorlijkheden betooverd heeft.”—
„Is die Milesische dezelfde, met wie hij voor jaren eenmaal in Klein-Azië heeft rondgezworven?”—
„Ja wel, dezelfde; ’t heette, dat hij met haar een bedevaart deed naar den onderrok van de heldenbedwingende Omphale21, welke rok, zooals men weet, in den tempel van Artemis te Ephese is opgehangen.”—
„Maar hoe kwam ’t hem toch in de gedachte om diezelfde vrouw thans met zich naar de ruwe Peloponnesus te voeren, waar zij zich toch onmogelijk recht tehuis kan vinden? Het poesje, zegt een spreekwoord, ligt graag zacht.”
„Inderdaad, men zegt, dat haar de muggen in Elis zeer lastig geweest zijn, en ik wed, dat de paardevliegen van Eleusis haar nog minder zullen aanstaan.”—
„Waarachtig het gegons van deze schijnt haar zeer slecht te bevallen.”—
„Ach, die teedere hoentjes uit Paphia’s22nest, die van hunne jeugd af op purperen dons hebben geslapen, die Ionische vrouwen met hare smeltende oogen en mollige armen, zonder beenderen in het lichaam, geheel molligheid en liefelijkheid—wat zouden zij in het krijgshafte Olympia of in het ernstige Eleusis te zoeken hebben?”—
Zoo klonken de scherpe woorden en smaadredenen,[181]met opzet gesproken, in het steeds toenemend gewoel achter Aspasia.
Toen dit een geruimen tijd zoo geduurd had, stond Aspasia plotseling stil en nam een snel besluit; zij sloeg den sluier, die haar gelaat bedekte, op, zoodat haar gezicht geheel zichtbaar was en wierp een kalmen en waardigen blik uit hare fonkelende oogen op de schare rondom haar.
Toen opende zij den mond en sprak op de volgende wijze tot het haar omringend en haar aangapend volk:
„Vóór jaren stond ik eens als eene hulpelooze vrouw in Megara’s straten, omringd door de menigte, onschuldig gehoond, onschuldig vervolgd met blikken en woorden. Met oogen, gloeiend van haat werd ik beschouwd; want het was een vijandig Dorisch volk, dat zich om mij drong. Met onbillijke woorden werd ik gesmaad, met snoode handen aangegrepen, want het was een ruw, woest Dorisch gepeupel, dat op mij aanviel. Heden omgeeft mij de menigte in Eleusis’ straten. Maar ik houd rustig enkalmmijn hoofd omhoog: want ’t zijn, meen ik, grootendeels Atheners, die mij omringen. Geen Dorisch volk is het, maar een Ionisch, welks scherpste pijl, zoo ik meen, de vermetele blik is, en het ondoordachte woord dat steeds vaardig aan de vlijmende tong ontglipt. Maar waarom dringt gij zoo om mij heen? Waarom gaapt gij mij zoo aan? Ik heb mij onwettig in die geheimenissen van Eleusis ingedrongen, meent gij? Weest toch niet al te kleingeestig, gij verlichte Atheners, en volgt niet al te bereidwillig de wenken en woorden van hen, die het licht haten en de duisternis liefhebben, en die u de duisternis voor licht verkoopen! Mannen van Athene! vereert niet al te zeer het sombere tweetal Godinnen23van Eleusis, en blijft gedachtig aan uwe schutsgodin Pallas Athene, de Godin des lichts, de ware en waardige beschermvrouw van het Attische land en volk[182]wier beeld stralenden, vroolijken glans alle nachtgebroedsel verjagend, hoog schittert op uw burg!”—
Toen de vrouw van Pericles deze woorden gesproken had en het fonkelend oog onbevreesd over de haar omstuwende menigte liet weiden, zagen de mannen elkander aan, zeggende:
„Zij is, bij de Goden een schoone vrouw, die Aspasia van Milete, en ter wille daarvan moet men haar veel vergeven!”24—
Zoo spraken zij en weken een weinig uiteen, zoodat zij rustig haar weg kon vervolgen.—
Maar de vrienden van Diopithes, die zich onder de menigte bevonden, waren nu nog feller op de Milesische gebeten en begaven zich naar denErechtheüs-priester, om hem te berichten, dat Aspasia met onbeschaamd voorhoofd voor het verzamelde volk met minachting over de heilige plechtigheden en de eerwaardige Godinnen van Eleusis gesproken had.
Het uur voor het onderhoud bij Diopithes, waartoe men ook Hipponicus genoodigd had, was gekomen.
Verscheidene mannen met een somber uiterlijk, verklaarde tegenstanders van Pericles, waren bij den priester verzameld.
De angstvallige daduchus was zeer inschikkelijk en gedwee in alle zaken. Steunende op zijne verklaringen en op de toornige uitdrukkingen tegen Aspasia, waarvan Lampon getuige was geweest, rekende Diopithes hem voortaan onder ’t getal zijner bondgenooten en helpers.
Om zijnentwil, heette het, zou men in eene volgens de Atheensche wetten hoogst gevaarlijke zaak de aanklacht tegen Aspasia zoolang verschuiven,[183]als hij zich die genadige behandeling waardig toonde. Om de vrouw van Pericles in het verderf te storten, meenden de samenzweerders, waren de vermetele, oneerbiedige uitdrukkingen voldoende, die zij voor het geheele volk over de Eleusinische Godinnen had durven uitspreken. Ieder oogenblik kon men wegens deze zaak alleen eene aanklacht van goddeloosheid en godsdienstverachting tegen haar indienen.
Er waren mannen van de oligarchen-partij tegenwoordig, die zeiden, dat men verder moest gaan; dat men zich niet tevreden moest stellen de Milesische aan te vallen, die toch altijd slechts eene vrouw was, maar dat men zich eindelijk ook aan Pericles zelven eens moest wagen. Zij wezen op de verderfelijke veranderingen, die er door hem in den staat hadden plaats gegrepen, op de onbeperkte volksheerschappij die door zijne toegeeflijkheid zich had ontwikkeld en die door niets in toom gehouden werd dan door den persoonlijken invloed van den bij het volk geliefden strateeg. De belangen der Atheners waren alzoo aan de willekeur en het goedvinden van één enkele prijs gegeven. Anderen meenden, dat mannen als Anaxagoras, Socrates en de Sophisten de eigenlijke oorzaak waren van den rampzaligen toestand van den staat. Deze hadden de Atheners geleerd vrij te denken en oneerbiedig te spreken over de Goden en goddelijke zaken; deze vóór anderen moest men trachten uit te roeien. Bovendien waren er tegenstanders en benijders van Phidias en zijne school onder de aanhangers van Diopithes, die ook de vervolging tot hen wilden zien uitgestrekt.
De oogen van Diopithes fonkelden bij de opnoeming van al deze mannen. Hem waren zij allen gelijkelijk gehaat.
„Wij zullen ze allen weten te vatten,” zei hij, „allen van de rij af of te gelijk. Doch laat ons sluw de goede gelegenheid bespieden en de voor ons gunstige stemming der Atheners afwachten. Inmiddels echter moeten wij heimelijk naar een vast plan[184]te werk gaan, om ’t verderf dier schuldigen voor te bereiden.”
Zoo sprak deErechtheüs-priester. Veel werd er vervolgens nog gewikt en gewogen, veel afgesproken door de bij Diopithes vergaderde mannen.
Aspasia was dien dag niet in het huis van Hipponicus teruggekeerd; alleen Pericles begaf zich op den morgen van den volgenden dag, toen hij op ’t punt stond met zijne gade Eleusis te verlaten, nogmaals naar den daduchus.
Hij riep hem ter verantwoording over de onbeschaamde beleediging, die hij Aspasia had aangedaan. Hipponicus verontschuldigde zich met zijne dronkenschap en opgewondenheid, waarvan Aspasia voor een deel althans zelve de schuld was, daar zij hem door Anacreontische liedjes en gesprekken bij het vroolijke maal tot Dionysische dartelheid geprikkeld had. Vervolgens beklaagde hij zich bitter over de verlegenheid en het gevaar, waarin hij door zijne medeplichtigheid aan de onwettige inwijding van Aspasia in de mysteriën geraakt was.
Pericles had medelijden met deze verlegenheid en beloofde hem zijne bescherming. Doch Hipponicus was niet tot gerustheid te brengen.
Toen Pericles desniettemin schouderophalend afscheid nam, volgde de daduchus hem tot aan de deur, keek telkens angstig rond en fluisterde zijn ouden vriend in ’t oor:
„Wees op uw hoede, Pericles! Bij Diopithes werden gisteren in de schemering booze plannen gesmeed. Ook ik was daarbij;—gedwongen—; want het gold mijn hoofd.—Neem u in acht voor Diopithes en maak hem onschadelijk, zoo gij kunt. Men wil Aspasia en Anaxagoras en Phidias en u zelven in ’t verderf storten. Mij hebben zij in hunne macht, die ellendelingen—ik moest maar altijd met het hoofd ja knikken, op alles wat zij daar voorstelden—maar de honden en de raven mogen hen verscheuren, denErechtheüs-priesteren zijne geheelen aanhang!”[185]
1Mystes is het Grieksche woord voor hem, die ingewijd is in de mysteriën. Het woord „musterion” zelf beteekent geheim. De hier verkondigde leer schijnt van een godsdienstig-staatkundigen aard geweest te zijn. Degenen, die den hoogsten graad in die mysteriën hadden verworven, heetten epopten, opzieners.↑2Ithaca tegenwoordig „Teaki”, eiland in de Ionische zee.↑3Hiërophantes is hij die de heilige offerplechtigheden onderwijst en bijzonder hij die in de Eleusinische mysteriën de profanen in de geheimenissen inwijdt; de opperpriester. Vergelijk Herodotus VII, 153.↑4Basilissa is het vrouwelijk van basileus, dus koningin, vooral echter in de beteekenis van: de echtgenoote van den Archon Basileus.↑5Mystagogos beteekent in het Grieksch eigenlijk hij, die de oningewijden binnenleidt; wij zouden zeggen: „de voorbereider”. Vergelijk Cic. Verr. 4. 59.↑6Echidna beteekent: adder; ook de slang Echidna, de moeder der Gorgonen; zie de volgende noot.↑7Chimaera beteekent: geit; voorts een fabelachtig monster van voren leeuw, in het midden geit, van achteren draak, voortgebracht, naar Hesiodus, door Typhaön en Echidna; het wordt ook voorgesteld met de drie koppen der genoemde dieren. De Chimaera werd door Bellerophon gedood.↑8Hier wordt natuurlijk niet de gevaarlijke klip Scylla bedoeld in de straat van Messina, maar een persoonlijk wezen. Scylla, eene dochter van Phorcys, die door Circe in een monster werd veranderd, welks onderlijf uit bassende honden bestond.↑9De affodil ofslaapleliewerd door de Ouden asphodelus, soms asphodilus geheeten. Het is een soort van lelieachtig gewas met knolvormigen wortel, die door de Ouden genuttigd werd. De smaak is bitter en scherp; de wortel saprijk.↑10Stinkende, verpestende.↑11De Cerberus, die volgens eene andere mythe honderd koppen had; hij bewaakte den Hades; hij werd door Heracles bedwongen. Hij was voortgebracht door Typhon en Echidna.↑12Persephone (Proserpina), de dochter van Demeter, werd door Hades (Pluto) geschaakt. De helft van het jaar bracht zij bij Hades, haar echtgenoot, door, de andere helft op den Olympus. Zij wordt beschouwd als de koningin van het schimmenrijk. Zij wordt ook Kora geheeten.↑13De naam Cocytus, in het Grieksch Kokutos geheeten, wordt afgeleid van een werkwoord, Kôkuô, dat jammeren, klagen, huilen beteekent.↑14Dit woord bestaat uit het Grieksche pur, vuur en phlegô, brandende vuurstroom.↑15Het zal niet overbodig zijn de personen, die Hamerling hier telkens bedoelt, aan te wijzen, omdat zonder die te kennen deze passage onbegrijpelijk is. Hier doelt Hamerling op Ixion, koning der Lapithen, die omdat hij Hera had willen onteeren in de onderwereld op een eeuwig ronddraaiend rad werd gebonden.↑16Tantalus, koning in Phyrgië, vader van Pelops en Niobe, stond in hoogen gunst bij de Goden; doch hij verklapte de geheimen, die hij aan hunne tafel vernam en werd tot straf door Zeus in de Tartarus geworpen, waar stroomend water en heerlijke vruchtboomen hem omringden, doch telkens wanneer hij, door dorst en honger gekweld, de handen er naar uitstrekte, weken zij buiten zijn bereik.↑17Hier heeft de schrijver Sisyphus op het oog, deze was de zoon van Aeölus, een doortrapte schelm, die van het Geranea-gebergte rotsblokken op de reizigers neerwierp en zich met den buit verrijkte. Zelfs verried hij de geheimen der Goden. Ook voor die misdaden werd hij tot gemelde straf in de onderwereld veroordeeld.↑18De Danaïden, dochters van Danaüs, die gedwongen met de zonen van Aegyptus huwden. Negen en veertig van de vijftig dochters vermoorden in den huwelijksnacht hare mannen, op aansporing van haar vader. Alleen Hypermnestra spaarde haar gemaal Lynkeus. Daarom werden zij tot bovengenoemde eeuwige straf veroordeeld.↑19Tityus, zoon van Zeus en Elara, dochter van Orchomenus of van Gaea had Leto (Latona) willen onteeren; vandaar zijne straf.↑20De woonplaats der gelukzaligen in het schimmenrijk: de Elyseesche velden.↑21Zie Deel Inoot 2 pag. 259.↑22Paphia, de Paphische d.i. Aphrodite, die te Paphos, eene stad op Cyprus, bijzonder werd vereerd.↑23Demeter en hare dochter Persephone. Zienoot 1 pag. 171.↑24Dit zijn nagenoeg dezelfde woorden, die de oudsten des volks, op Ilium’s muren gezeten, tot elkander spraken, toen zij de schoone Helena zagen. Zij komen voor in de Ilias, Boek III, vers 156–159, en luiden, volgens Vosmaer’s vertolking, aldus:„Niemand verbaas ’t voorwaar, dat ter wille van zulk eene vrouweGrieken en Troiers ’t leed zich troosten van alle die rampspoen.Machtig in schoonheid schijnt als dat der godinnen ’t aanschijn.”
1Mystes is het Grieksche woord voor hem, die ingewijd is in de mysteriën. Het woord „musterion” zelf beteekent geheim. De hier verkondigde leer schijnt van een godsdienstig-staatkundigen aard geweest te zijn. Degenen, die den hoogsten graad in die mysteriën hadden verworven, heetten epopten, opzieners.↑2Ithaca tegenwoordig „Teaki”, eiland in de Ionische zee.↑3Hiërophantes is hij die de heilige offerplechtigheden onderwijst en bijzonder hij die in de Eleusinische mysteriën de profanen in de geheimenissen inwijdt; de opperpriester. Vergelijk Herodotus VII, 153.↑4Basilissa is het vrouwelijk van basileus, dus koningin, vooral echter in de beteekenis van: de echtgenoote van den Archon Basileus.↑5Mystagogos beteekent in het Grieksch eigenlijk hij, die de oningewijden binnenleidt; wij zouden zeggen: „de voorbereider”. Vergelijk Cic. Verr. 4. 59.↑6Echidna beteekent: adder; ook de slang Echidna, de moeder der Gorgonen; zie de volgende noot.↑7Chimaera beteekent: geit; voorts een fabelachtig monster van voren leeuw, in het midden geit, van achteren draak, voortgebracht, naar Hesiodus, door Typhaön en Echidna; het wordt ook voorgesteld met de drie koppen der genoemde dieren. De Chimaera werd door Bellerophon gedood.↑8Hier wordt natuurlijk niet de gevaarlijke klip Scylla bedoeld in de straat van Messina, maar een persoonlijk wezen. Scylla, eene dochter van Phorcys, die door Circe in een monster werd veranderd, welks onderlijf uit bassende honden bestond.↑9De affodil ofslaapleliewerd door de Ouden asphodelus, soms asphodilus geheeten. Het is een soort van lelieachtig gewas met knolvormigen wortel, die door de Ouden genuttigd werd. De smaak is bitter en scherp; de wortel saprijk.↑10Stinkende, verpestende.↑11De Cerberus, die volgens eene andere mythe honderd koppen had; hij bewaakte den Hades; hij werd door Heracles bedwongen. Hij was voortgebracht door Typhon en Echidna.↑12Persephone (Proserpina), de dochter van Demeter, werd door Hades (Pluto) geschaakt. De helft van het jaar bracht zij bij Hades, haar echtgenoot, door, de andere helft op den Olympus. Zij wordt beschouwd als de koningin van het schimmenrijk. Zij wordt ook Kora geheeten.↑13De naam Cocytus, in het Grieksch Kokutos geheeten, wordt afgeleid van een werkwoord, Kôkuô, dat jammeren, klagen, huilen beteekent.↑14Dit woord bestaat uit het Grieksche pur, vuur en phlegô, brandende vuurstroom.↑15Het zal niet overbodig zijn de personen, die Hamerling hier telkens bedoelt, aan te wijzen, omdat zonder die te kennen deze passage onbegrijpelijk is. Hier doelt Hamerling op Ixion, koning der Lapithen, die omdat hij Hera had willen onteeren in de onderwereld op een eeuwig ronddraaiend rad werd gebonden.↑16Tantalus, koning in Phyrgië, vader van Pelops en Niobe, stond in hoogen gunst bij de Goden; doch hij verklapte de geheimen, die hij aan hunne tafel vernam en werd tot straf door Zeus in de Tartarus geworpen, waar stroomend water en heerlijke vruchtboomen hem omringden, doch telkens wanneer hij, door dorst en honger gekweld, de handen er naar uitstrekte, weken zij buiten zijn bereik.↑17Hier heeft de schrijver Sisyphus op het oog, deze was de zoon van Aeölus, een doortrapte schelm, die van het Geranea-gebergte rotsblokken op de reizigers neerwierp en zich met den buit verrijkte. Zelfs verried hij de geheimen der Goden. Ook voor die misdaden werd hij tot gemelde straf in de onderwereld veroordeeld.↑18De Danaïden, dochters van Danaüs, die gedwongen met de zonen van Aegyptus huwden. Negen en veertig van de vijftig dochters vermoorden in den huwelijksnacht hare mannen, op aansporing van haar vader. Alleen Hypermnestra spaarde haar gemaal Lynkeus. Daarom werden zij tot bovengenoemde eeuwige straf veroordeeld.↑19Tityus, zoon van Zeus en Elara, dochter van Orchomenus of van Gaea had Leto (Latona) willen onteeren; vandaar zijne straf.↑20De woonplaats der gelukzaligen in het schimmenrijk: de Elyseesche velden.↑21Zie Deel Inoot 2 pag. 259.↑22Paphia, de Paphische d.i. Aphrodite, die te Paphos, eene stad op Cyprus, bijzonder werd vereerd.↑23Demeter en hare dochter Persephone. Zienoot 1 pag. 171.↑24Dit zijn nagenoeg dezelfde woorden, die de oudsten des volks, op Ilium’s muren gezeten, tot elkander spraken, toen zij de schoone Helena zagen. Zij komen voor in de Ilias, Boek III, vers 156–159, en luiden, volgens Vosmaer’s vertolking, aldus:„Niemand verbaas ’t voorwaar, dat ter wille van zulk eene vrouweGrieken en Troiers ’t leed zich troosten van alle die rampspoen.Machtig in schoonheid schijnt als dat der godinnen ’t aanschijn.”
1Mystes is het Grieksche woord voor hem, die ingewijd is in de mysteriën. Het woord „musterion” zelf beteekent geheim. De hier verkondigde leer schijnt van een godsdienstig-staatkundigen aard geweest te zijn. Degenen, die den hoogsten graad in die mysteriën hadden verworven, heetten epopten, opzieners.↑
1Mystes is het Grieksche woord voor hem, die ingewijd is in de mysteriën. Het woord „musterion” zelf beteekent geheim. De hier verkondigde leer schijnt van een godsdienstig-staatkundigen aard geweest te zijn. Degenen, die den hoogsten graad in die mysteriën hadden verworven, heetten epopten, opzieners.↑
2Ithaca tegenwoordig „Teaki”, eiland in de Ionische zee.↑
2Ithaca tegenwoordig „Teaki”, eiland in de Ionische zee.↑
3Hiërophantes is hij die de heilige offerplechtigheden onderwijst en bijzonder hij die in de Eleusinische mysteriën de profanen in de geheimenissen inwijdt; de opperpriester. Vergelijk Herodotus VII, 153.↑
3Hiërophantes is hij die de heilige offerplechtigheden onderwijst en bijzonder hij die in de Eleusinische mysteriën de profanen in de geheimenissen inwijdt; de opperpriester. Vergelijk Herodotus VII, 153.↑
4Basilissa is het vrouwelijk van basileus, dus koningin, vooral echter in de beteekenis van: de echtgenoote van den Archon Basileus.↑
4Basilissa is het vrouwelijk van basileus, dus koningin, vooral echter in de beteekenis van: de echtgenoote van den Archon Basileus.↑
5Mystagogos beteekent in het Grieksch eigenlijk hij, die de oningewijden binnenleidt; wij zouden zeggen: „de voorbereider”. Vergelijk Cic. Verr. 4. 59.↑
5Mystagogos beteekent in het Grieksch eigenlijk hij, die de oningewijden binnenleidt; wij zouden zeggen: „de voorbereider”. Vergelijk Cic. Verr. 4. 59.↑
6Echidna beteekent: adder; ook de slang Echidna, de moeder der Gorgonen; zie de volgende noot.↑
6Echidna beteekent: adder; ook de slang Echidna, de moeder der Gorgonen; zie de volgende noot.↑
7Chimaera beteekent: geit; voorts een fabelachtig monster van voren leeuw, in het midden geit, van achteren draak, voortgebracht, naar Hesiodus, door Typhaön en Echidna; het wordt ook voorgesteld met de drie koppen der genoemde dieren. De Chimaera werd door Bellerophon gedood.↑
7Chimaera beteekent: geit; voorts een fabelachtig monster van voren leeuw, in het midden geit, van achteren draak, voortgebracht, naar Hesiodus, door Typhaön en Echidna; het wordt ook voorgesteld met de drie koppen der genoemde dieren. De Chimaera werd door Bellerophon gedood.↑
8Hier wordt natuurlijk niet de gevaarlijke klip Scylla bedoeld in de straat van Messina, maar een persoonlijk wezen. Scylla, eene dochter van Phorcys, die door Circe in een monster werd veranderd, welks onderlijf uit bassende honden bestond.↑
8Hier wordt natuurlijk niet de gevaarlijke klip Scylla bedoeld in de straat van Messina, maar een persoonlijk wezen. Scylla, eene dochter van Phorcys, die door Circe in een monster werd veranderd, welks onderlijf uit bassende honden bestond.↑
9De affodil ofslaapleliewerd door de Ouden asphodelus, soms asphodilus geheeten. Het is een soort van lelieachtig gewas met knolvormigen wortel, die door de Ouden genuttigd werd. De smaak is bitter en scherp; de wortel saprijk.↑
9De affodil ofslaapleliewerd door de Ouden asphodelus, soms asphodilus geheeten. Het is een soort van lelieachtig gewas met knolvormigen wortel, die door de Ouden genuttigd werd. De smaak is bitter en scherp; de wortel saprijk.↑
10Stinkende, verpestende.↑
10Stinkende, verpestende.↑
11De Cerberus, die volgens eene andere mythe honderd koppen had; hij bewaakte den Hades; hij werd door Heracles bedwongen. Hij was voortgebracht door Typhon en Echidna.↑
11De Cerberus, die volgens eene andere mythe honderd koppen had; hij bewaakte den Hades; hij werd door Heracles bedwongen. Hij was voortgebracht door Typhon en Echidna.↑
12Persephone (Proserpina), de dochter van Demeter, werd door Hades (Pluto) geschaakt. De helft van het jaar bracht zij bij Hades, haar echtgenoot, door, de andere helft op den Olympus. Zij wordt beschouwd als de koningin van het schimmenrijk. Zij wordt ook Kora geheeten.↑
12Persephone (Proserpina), de dochter van Demeter, werd door Hades (Pluto) geschaakt. De helft van het jaar bracht zij bij Hades, haar echtgenoot, door, de andere helft op den Olympus. Zij wordt beschouwd als de koningin van het schimmenrijk. Zij wordt ook Kora geheeten.↑
13De naam Cocytus, in het Grieksch Kokutos geheeten, wordt afgeleid van een werkwoord, Kôkuô, dat jammeren, klagen, huilen beteekent.↑
13De naam Cocytus, in het Grieksch Kokutos geheeten, wordt afgeleid van een werkwoord, Kôkuô, dat jammeren, klagen, huilen beteekent.↑
14Dit woord bestaat uit het Grieksche pur, vuur en phlegô, brandende vuurstroom.↑
14Dit woord bestaat uit het Grieksche pur, vuur en phlegô, brandende vuurstroom.↑
15Het zal niet overbodig zijn de personen, die Hamerling hier telkens bedoelt, aan te wijzen, omdat zonder die te kennen deze passage onbegrijpelijk is. Hier doelt Hamerling op Ixion, koning der Lapithen, die omdat hij Hera had willen onteeren in de onderwereld op een eeuwig ronddraaiend rad werd gebonden.↑
15Het zal niet overbodig zijn de personen, die Hamerling hier telkens bedoelt, aan te wijzen, omdat zonder die te kennen deze passage onbegrijpelijk is. Hier doelt Hamerling op Ixion, koning der Lapithen, die omdat hij Hera had willen onteeren in de onderwereld op een eeuwig ronddraaiend rad werd gebonden.↑
16Tantalus, koning in Phyrgië, vader van Pelops en Niobe, stond in hoogen gunst bij de Goden; doch hij verklapte de geheimen, die hij aan hunne tafel vernam en werd tot straf door Zeus in de Tartarus geworpen, waar stroomend water en heerlijke vruchtboomen hem omringden, doch telkens wanneer hij, door dorst en honger gekweld, de handen er naar uitstrekte, weken zij buiten zijn bereik.↑
16Tantalus, koning in Phyrgië, vader van Pelops en Niobe, stond in hoogen gunst bij de Goden; doch hij verklapte de geheimen, die hij aan hunne tafel vernam en werd tot straf door Zeus in de Tartarus geworpen, waar stroomend water en heerlijke vruchtboomen hem omringden, doch telkens wanneer hij, door dorst en honger gekweld, de handen er naar uitstrekte, weken zij buiten zijn bereik.↑
17Hier heeft de schrijver Sisyphus op het oog, deze was de zoon van Aeölus, een doortrapte schelm, die van het Geranea-gebergte rotsblokken op de reizigers neerwierp en zich met den buit verrijkte. Zelfs verried hij de geheimen der Goden. Ook voor die misdaden werd hij tot gemelde straf in de onderwereld veroordeeld.↑
17Hier heeft de schrijver Sisyphus op het oog, deze was de zoon van Aeölus, een doortrapte schelm, die van het Geranea-gebergte rotsblokken op de reizigers neerwierp en zich met den buit verrijkte. Zelfs verried hij de geheimen der Goden. Ook voor die misdaden werd hij tot gemelde straf in de onderwereld veroordeeld.↑
18De Danaïden, dochters van Danaüs, die gedwongen met de zonen van Aegyptus huwden. Negen en veertig van de vijftig dochters vermoorden in den huwelijksnacht hare mannen, op aansporing van haar vader. Alleen Hypermnestra spaarde haar gemaal Lynkeus. Daarom werden zij tot bovengenoemde eeuwige straf veroordeeld.↑
18De Danaïden, dochters van Danaüs, die gedwongen met de zonen van Aegyptus huwden. Negen en veertig van de vijftig dochters vermoorden in den huwelijksnacht hare mannen, op aansporing van haar vader. Alleen Hypermnestra spaarde haar gemaal Lynkeus. Daarom werden zij tot bovengenoemde eeuwige straf veroordeeld.↑
19Tityus, zoon van Zeus en Elara, dochter van Orchomenus of van Gaea had Leto (Latona) willen onteeren; vandaar zijne straf.↑
19Tityus, zoon van Zeus en Elara, dochter van Orchomenus of van Gaea had Leto (Latona) willen onteeren; vandaar zijne straf.↑
20De woonplaats der gelukzaligen in het schimmenrijk: de Elyseesche velden.↑
20De woonplaats der gelukzaligen in het schimmenrijk: de Elyseesche velden.↑
21Zie Deel Inoot 2 pag. 259.↑
21Zie Deel Inoot 2 pag. 259.↑
22Paphia, de Paphische d.i. Aphrodite, die te Paphos, eene stad op Cyprus, bijzonder werd vereerd.↑
22Paphia, de Paphische d.i. Aphrodite, die te Paphos, eene stad op Cyprus, bijzonder werd vereerd.↑
23Demeter en hare dochter Persephone. Zienoot 1 pag. 171.↑
23Demeter en hare dochter Persephone. Zienoot 1 pag. 171.↑
24Dit zijn nagenoeg dezelfde woorden, die de oudsten des volks, op Ilium’s muren gezeten, tot elkander spraken, toen zij de schoone Helena zagen. Zij komen voor in de Ilias, Boek III, vers 156–159, en luiden, volgens Vosmaer’s vertolking, aldus:„Niemand verbaas ’t voorwaar, dat ter wille van zulk eene vrouweGrieken en Troiers ’t leed zich troosten van alle die rampspoen.Machtig in schoonheid schijnt als dat der godinnen ’t aanschijn.”
24Dit zijn nagenoeg dezelfde woorden, die de oudsten des volks, op Ilium’s muren gezeten, tot elkander spraken, toen zij de schoone Helena zagen. Zij komen voor in de Ilias, Boek III, vers 156–159, en luiden, volgens Vosmaer’s vertolking, aldus:
„Niemand verbaas ’t voorwaar, dat ter wille van zulk eene vrouweGrieken en Troiers ’t leed zich troosten van alle die rampspoen.Machtig in schoonheid schijnt als dat der godinnen ’t aanschijn.”
„Niemand verbaas ’t voorwaar, dat ter wille van zulk eene vrouweGrieken en Troiers ’t leed zich troosten van alle die rampspoen.Machtig in schoonheid schijnt als dat der godinnen ’t aanschijn.”
„Niemand verbaas ’t voorwaar, dat ter wille van zulk eene vrouweGrieken en Troiers ’t leed zich troosten van alle die rampspoen.Machtig in schoonheid schijnt als dat der godinnen ’t aanschijn.”
„Niemand verbaas ’t voorwaar, dat ter wille van zulk eene vrouweGrieken en Troiers ’t leed zich troosten van alle die rampspoen.Machtig in schoonheid schijnt als dat der godinnen ’t aanschijn.”
„Niemand verbaas ’t voorwaar, dat ter wille van zulk eene vrouwe
Grieken en Troiers ’t leed zich troosten van alle die rampspoen.
Machtig in schoonheid schijnt als dat der godinnen ’t aanschijn.”