[Inhoud]XX.DE SCHOOL VAN ASPASIA.Sedert den dag, waarop de jonge Alcibiades door een discus zijn kleinen makker in het Lyceüm had gewond, was eene reeks van jaren verloopen.De knaap was tot een bloeienden jongeling opgegroeid; want hij had zijn achttiende levensjaar bereikt. Hij was naar Atheensch gebruik met de andere jongelingen, die in ’t zelfde jaar mondig werden, in de volksvergadering voorgesteld, met speer en lans gewapend naar het heiligdom van Agraulus aan den voet der Acropolis gevoerd, hij had daar den plechtigen eed afgelegd, waarmede de nieuwe Atheensche burger zich aan het vaderland wijdde: hij had gezworen zijn wapenen nooit oneer aan te zullen doen en zijn medestrijder in den slag niet te verlaten, te strijden voor de heiligdommen, en, ’t geen allen het dierbaarst is, den Staat, eens onverminderd, ja zoo mogelijk vergroot in macht en eer, aan de nakomelingen achter te laten, dewettendoor het volk gegeven te gehoorzamen en niet te dulden, dat een ander ze schond of trachtte af te schaffen.Maar het vaderland, waaraan de jonge Alcibiades met dezen eed trouw zwoer, stelde voor het oogenblik slechts matige eischen aan zijn ijver en inspanning. De peribolen-dienst, dien de juist mondig verklaarde Atheensche jongelingen vervullen moesten, bestond in kleine tochten voor de inwendige veiligheid van het Attische land, en deze konden eerder als een genoegen dan als een last beschouwd worden.De staat liet den jongen zoon van Clinias voldoende tijd om de genietingen der gulden jeugd te smaken. Met hem was de jonge Callias opgegroeid, die zijn vader Hipponicus een schrielhans noemde, de jonge Demus, de om zijn schoonheid beroemde[186]zoon van Pyrilampes, die insgelijks van meening was, dat zijn vader Pyrilampes van zijne rijkdommen geen goed gebruik wist te maken. Xanthippus en Paralus werden soms door de luim van Alcibiades, die hun den roem van brave knapen te zijn niet gunde, als helpers bij een ondeugenden guitenstreek meegesleept, doch zij moesten zich steeds met een ondergeschikte rol vergenoegen. Want ten eerste ontbrak het den spruiten van Telesippe aan geest en vernuft, en ten andere waren hunne zakken niet zoo gevuld, als die der beide zonen van de rijkste mannen van Athene, noch als die van Alcibiades zelven, wien na zijn mondigheid ook het vrije bezit van zijn vaderlijk erfgoed ten deel was gevallen.Eene eigenaardige liefde had Alcibiades voor den jongen Manes opgevat, den knaap van vreemden afkomst, die Pericles uit den Samischen krijg had medegebracht en wien hij te zamen met zijne zonen en met dien van Clinias in zijn huis had laten opvoeden. Maar alle pogingen van Alcibiades om dezen droomerigen, stillen, eenigszins zwaarmoedigen jongeling in zijn vroolijken kring te lokken, mislukten ten eenenmale.Deze jongeling begon overigens in dien tijd, door eene zonderlinge soort van ziekte aangetast, het voorwerp van eene huiveringwekkende opmerkzaamheid te worden. In hem ontwikkelde zich die raadselachtige neiging, die bekend staat onder den naam van onbewust slaapwandelen of maanziekte. In het holst van den nacht, wanneer alles in sluimering lag verzonken, stond hij op van zijn leger en doorwandelde met gesloten oogen het door de maan verlichte Peristylium, vervolgens beklom hij het plat van het dak en liep daar eenigen tijd heen en weder, altijd met gesloten oogen, en keerde ten laatste naar zijne legerstede terug, even onbewust als hij ze verlaten had. De mare van den slaapwandelenden knaap in het huis van Pericles verbreidde zich in geheel Athene en men begon van dit oogenblik af hem met een zekeren[187]afschuw te aanschouwen, als iemand, die onder den invloed van daemonische machten stond.Had reeds Alcibiades als knaap de algemeene aandacht der Atheners getrokken, ’t was natuurlijk, dat hij nog meer van zich deed spreken, toen zijne kin behaard werd door „het zachte dons der mannelijkheid”. Zijne dolle streken waren het praatje van den dag, en daar hij vroegtijdig geleerd had, hoeveel bekoorlijks de naam van een aardigen deugniet aanbrengt, legde hij zich volstrekt geen dwang op, ja zelfs, wanneer hij een dollen streek had uitgevoerd, waarover de Atheners het hoofd schudden, deed hij dien in het vergeetboek geraken door een nog dolleren te doen. Hij wist immers, dat zelfs zij, die hem laakten, hem heimelijk bewonderden. Menigmaal scheen het, alsof hij eens wilde beproeven, of hij toch niet iets kon doen, wat de Atheners ernstig tegen hem zou kunnen verbitteren. Te vergeefs! Zijne handelingen mochten moedwillig en dartel zijn, als zij wilden, hij zelf bleef altijd geliefd.’t Was nog altijd de lievelingswensch van Hipponicus, dat de schoonste jonkvrouw van Griekenland, zijne dochter Hipparete, de gade mocht worden van den schoonsten Helleenschen jongeling. Hij betoonde zich daarom zoo vriendelijk en voorkomend mogelijk voor den jongen Alcibiades, noodigde hem herhaaldelijk aan tafel en behandelde hem bijna met de teederheid van een vader.Alcibiades maakte zich over hem vroolijk, evenals over ieder ter wereld, en plaagde hem met overmoedige scherts. Eens zond hem Hipponicus kostelijk toebereide visschen op een gouden schotel. Alcibiades hield den schotel en bedankte Hipponicus met de volgende woorden: „’t Is al te vriendelijk van u, dat ge mij behalve den gouden schotel ook nog zulke heerlijke visch daarbij hebt gezonden.”—Hipponicuslachtedat zijn buik schudde, en roemde bij de heele wereld de geestigheid van zijn aanstaanden schoonzoon.—De bevallige jonkvrouw Hipparete zelve, die door[188]haar vader reeds geleerd had den jongen Alcibiades als haar toekomstigen echtgenoot te beschouwen, was heimelijk voor den prachtigen jongeling in minnegloed ontstoken. Zij had hem eenige malen bij openbare feesten gezien. Hij echter spotte met het ingetogen meisje. Hij hield zich voor het oogenblik liever aan de schoone en geestige hetaeren, wier aantal in de stad der Atheners gedurig toenam.Inzonderheid was het Theodota, die den jongen man inwijdde in de mysteriën van het vroolijkste levensgenot. Een tiental jaren was ongeveer verstreken, sedert Alcamenes deze schoone van den rijken Corinthiër als loon voor zijne voortreffelijke marmergroep had bedongen. Thans was Theodota te Athene wellicht niet meer de bloeiendste, zeker echter nog de beroemdste onder hare vriendinnen.Zij was voor Alcibiades het middelpunt van een kring van de weelderigste verkwisting, en het dartelste onbeteugeldste levensgenot. Maar zij was alleen het middelpunt, terwijl de kring zelf zijne grenzen hoe langer hoe wijder uitbreidde.Diophites wreef zich vergenoegd de handen, zeggende: „Theodota richt gewis den veelbelovenden pleegzoon van Pericles ten gronde!”—Maar werkelijke gezondheid, werkelijke kracht en werkelijke schoonheid zijn, naar het schijnt soms onverwoestelijk. De teugellooze Alcibiades bloeide als eene roos in den morgendauw. Hij had dien blos op de wangen, dien de zedepredikers, volgens hun meening, aan den deugdzamen moeten toekennen, terwijl juist de deugdzamen niet zelden met die vale gelaatskleur en doffe oogen rondloopen, die de zedeprediker gewoonlijk als beeld gebruikt, wanneer hij met krachtige trekken den wellusteling wil schilderen.Theodota vervulde hare taak bij den levenslustigen jongeling in den beginne met blijde opgewektheid, doch langzamerhand begonnen in haar hart aandoeningen van een dieperen hartstocht levendig te worden. De ongelukkige! Zoo zeker als het ’t[189]meest benijdenswaardig geluk scheen, door Alcibiades bemind te worden, even zeker was het grootste ongeluk hem te beminnen!—De mondigverklaring van den jongen Alcibiades had weinige dagen na den terugkeer van Pericles en zijne gade van hunne Elische reis plaats gehad. Ofschoon nu de jonge man, in ’t bezit van zijn vaderlijk erfdeel, ophield een huisgenoot van Pericles te zijn, voerden toch de gewoonte en genegenheid benevens de betoovering, die Aspasia noodwendig op hem moest uitoefenen, hem dikwerf genoeg terug naar den drempel van het huis, waarin hij opgevoed was.Kan het bevreemden, dat de vermetele lieveling der Chariten durfde wagen, ook der nog altijd zegevierend schoone gade van Pericles eene soort van hulde te bieden, die hij in de school van Theodota geleerd had? Maar de schoone Milesische was nog steeds te jong, om den onontwikkelden mannelijken bloei verleidelijk, te verstandig om ze in ’t geheel begeerlijk te vinden, en veel te fier, om zich, zelfs de buitengewone schoonheid van den jongeling in aanmerking genomen, voor de zegekar van den baardeloozen vrouwenheld te laten spannen. Zij wist, dat geen vrouw, zelfs zij niet, dezen vluchtigen losbol inderdaad zou kunnen kortwieken, boeien en beheerschen. Grootscher dan het twijfelachtig genoegen ’t getal zijner veroveringen te vermeerderen en bekoorlijker tevens, was haar de gedachte, haar geslacht aan hem te wreken en hem voor eene loszinnigheid te straffen, die hij haar zelve niet mocht doen ondervinden. ’t Kwam haar daardoor niet in de gedachte, tegenover den jongeling dien moederlijk teederen, door ’t verschil in jaren gerechtvaardigden toon aan te nemen, waar onder dikwijls oudere vrouwen hare liefde verbergen, of de rol eener vertrouwde bij hem te zoeken. Zij beantwoordde de beleefdheden van den jongeling eenvoudig door er volstrekt geen acht op te slaan en hem wel is waar niet met moederlijke teederheid, maar toch met moederlijke ernst te behandelen.[190]Dit verbaasde den verwenden, zich zijner zegepralen bewusten veroveraar. Hij gevoelde eene heimelijke spijt, doch de hoogachting die hij der Milesische toedroeg, werd er niet door verminderd, integendeel zij nam er door toe, zonder dat hij er zich ten volle van bewust was. Zoo gevoelde hij zich telkens weder tot Aspasia getrokken en drong haar de rol van vertrouwelinge op, die zij volstrekt niet van plan geweest was te zoeken.Op zekeren dag verbreidde zich door Athene het bericht van een nieuwen streek van Alcibiades, die meer dan alle vorige geschikt was, om de aandacht te trekken en aller tongen in rep en roer te brengen. Er werd namelijk verteld, dat Alcibiades op een uitstapje, dat hij met de besten zijner vrienden naar Megara had gemaakt, zich daar onaangenaamheden op den hals gehaald, ten laatste zelfs een meisje geroofd en mede gevoerd had, hetwelk hij nu bij zich te Athene verborgen hield. Niet gering, zei men verder, was de verbittering der Megarensers, die toch reeds van ouds op de Atheners gebeten waren.Velen spraken reeds over openlijke vijandelijkheden, die ten gevolge van dezen streek der Atheensche jongelingen tusschen Athene en de naburige Dorische stad zouden uitbreken.Alcibiades loochende, wanneer hem er naar gevraagd werd, de zaak volstrekt niet, en vertelde ten laatste de geheele geschiedenis uitvoerig, ja met blijkbaar welbehagen, aan zijne moederlijke vriendin Aspasia.„Wij waren”—zoo sprak hij—„den vervelenden peribolendienst in de landelijke vlekken moede geworden, hoewel wij er ook soms eene kleine afwisseling in brachten, door, in plaats van op stroopers en roovers te loeren, liever jacht te maken op een Thracisch meisje in de boschjes van den Phelleus of op eene jeugdige schoone uit Acharnae.„Zoo besloot ik dan in gezelschap van mijne vrienden Callias en Demus nogmaals een klein zeetochtje[191]voor eenige dagen te ondernemen. Wij hadden ons reeds vóór geruimen tijd een fraai versierd, groot pleizierjacht op gezamelijke kosten laten bouwen, waarmede wij ook soms ter vischvangst gingen. Dit jacht bestegen wij en namen drie Ionische meisjes mede, die, behalve in schoonheid, ook in de muziek- en zangkunst uitmuntten; voorts een paar jachthonden, benevens jachtnetten en werpsprieten; want wij waren voornemens langs die kust te roeien en hier en daar aan land te gaan, om te jagen. Wij voeren door de zeeëngte van Salamis. De „Bacchante”—zoo heette onze bark—danstelustig op de golven.„De bont beschilderde voorsteven, die in een vergulden panther uitliep, waarop eene Bacchante reed, fonkelde in de stralen der zon. Den mast hadden wij, als een Thyrsus-staf met klimop en bloemen omwonden. De bodem van het vaartuig was met tapijten en mollige kussens bedekt. Wij praatten en schertsten en zongen; eene der drie schoonen blies op de fluit, de tweede bespeelde de cither en de derde sloeg het symbaal, zoodat de zee van gezang en muziek en opgeruimde vroolijkheid weerklonk, en wij de nieuwsgierige dolfijnen met de riemen op den kop moesten slaan, om hen te verdrijven en te beletten, dat zij ons jacht omver wierpen of vernielden.„Langs het strand varende, kwamen wij voorbij vele landhuizen. Vóór een van deze hielden wij een oogenblik stil, om de schoone, die het bewoonde, een serenade te brengen. Wij zongen en musiceerden vroolijk. De schoone was verheugd, toen zij het gezang uit de zee vernam en de sierlijk getooide jonge vrienden zag. Glimlachend stond zij op het terras van het huis; wij wierpen haar kransen en kushanden toe. Nu ging het weder verder zeewaarts. Brandend stak ons de zon, doch wij wisten ons te helpen. Wij spanden de oppergewaden onzer vriendinnen en onze eigene boven onze hoofden, om de zon af te weren. ’t Was een schoon gezicht, zooals het vaartuig met die wimpels en[192]zeilen getooid, de met purper getinte baren doorkliefde. ’t Scheen als zou men straks het heldere, verleidende lachen eener Sirene vernemen. Wij waren juist in de Halcyonische dagen, gedurende welke de windstilte heerscht en de ijsvogel broeidt. Wij hadden de zeeëngte van Salamis achter ons en het Megarische strand rechts voor oogen. Hier begonnen de kusten eenzaam en eentonig te worden; van tijd tot tijd drongen de tonen eener herdersfluit tot ons van de glooiende bergen en men zag kudden van runderen, lammeren en geiten grazen. Wij legden hier en daar aan en vermaakten ons op allerlei wijzen. Wij vingen visschen met angels, die wij van de rotsen aan lange koorden in de zee wierpen, en vingen eenige wilde ganzen, eenden en trapganzen met strikken.„Toen wij juist weder ons schip hadden bestegen, om de reis in de richting van Megara voort te zetten, ontmoette ons een pleizierjacht, dat in sierlijkheid en weelderigen tooi voor het onze volstrekt niet onderdeed. In dit prachtige vaartuig zat een bedaagd man, met een bekoorlijk schoon meisje aan zijne zijde. Het gezicht van dit meisje deed mij in fellen minnegloed ontsteken. Doch al te vluchtig was de ontmoeting. Snel gleden de beide vaartuigen langs elkander; de Megarische bark zeilde onmiddellijk om eene vooruitstekende rots en verdween uit onze oogen.„Wij gingen weder aan land op eene plaats, die ons bijzonder aanlokte. Daar was eenig kreupelhout, ’t geen onze honden aanstonds doorsnuffelden. Na weinige minuten joegen zij een haas op; wij grepen naar onze jachtnetten en sprieten en in de hoop, het dier machtig te worden, achtervolgden wij het en lieten onze vriendinnen in de nabijheid van het vaartuig achter. De haas werd door de honden uit het bosch in de velden en weilanden gedreven. Terwijl zij onder luid geblafvoortsnelden, brachten zij de herders en hunne kudde in rep en roer. De honden stoven zelfs midden door een kudde geiten, zoodat deze verschrikt uit elkander[193]vlogen en sommigen tot aan de zee afdwaalden. Vertoornd over de verstrooiing zijner kudde, greep de herder een scherpen steen, die juist voor zijne voeten lag, wierp hem naar een der honden en trof hem doodelijk aan den kop. Het was de trouwe Phylax, die alle eigenschappen bezat van een voortreffelijken jachthond.„Toen wij het voorgevallene uit de verte zagen, lieten wij den haas loopen en ijlden gloeiend van toorn, op den geitenhoeder los. Deze echter had inmiddels andere herders ter hulp geroepen en wij zagen, toen wij aankwamen, een dreigende menigte tegenover ons. Evenwel maakten wij aanstalten, om met onze jachtsprieten op hen los te gaan. Op dit oogenblik kwam een slaaf in allerijl uit het nabijgelegen landhuis aanloopen, om in naam van zijn heer te vragen, wat dit rumoer beteekende. Toen wij van den slaaf vernamen, dat de geitenhoeder in dienst was bij den heer van dat landgoed, verlangden wij met dezen te spreken, om voldoening voor het doodelijk gewonde dier te erlangen. Wij volgden den slaaf en toen wij het landgoed naderden, ’t welk een statig aanzien had en zich als het eigendom van een vermogend man voordeed, verbaasde het ons niet weinig, in den naast het huis gelegen tuin juist dienzelfden grijsaard en dat bekoorlijke kind te zien rondwandelen, die wij kort geleden op de zee hadden ontmoet. Wij verhaalden den man het gebeurde en zeiden, dat wij van plan waren ons op den herder te wreken. De oude man, als Megarenser een verklaarde vijand van de Atheners, antwoordde in onheusche bewoordingen. De herders, die in groote menigte ons op den voet gevolgd waren, beschuldigden ons met hevig misbaar hunne velden verwoest en hunne kudden verstrooid te hebben. Met behulp der huisslaven, die door wenken en teekenen van hun meester aangespoord waren geworden, onder smaadredenen en scheldwoorden op ons indringend, waren wij genoodzaakt voor de overmacht te zwichten en zonder eenige voldoening de plaats te verlaten.[194]„Hoe zeer ook door de omstandigheden opgewonden, had ik toch niet verzuimd eenige blikken op de jeugdige schoone te werpen, die zich nog steeds in den tuin bevond en met een gevoel van nieuwsgierigheid en schrik den twist had aanschouwd. Met mijne makkers teruggekeerd, deelde ik hun onmiddellijk mijn besluit mede, om mij op den nietswaardigen Megarenser te wreken. Het schoone kind hield ik voor een gekochte lievelingsslavin. Mijn plan was: mij met mijne vrienden een tijdlang in de nabijheid verborgen te houden en het oogenblik te bespieden, waarop het landhuis onbewaakt was en het meisje zich alleen in den tuin zou bevinden, dan haar ijlings te overvallen en haar te ontvoeren.„Eerder dan wij gehoopt hadden, vond ik de gewenschte gelegenheid. Voordat de tweede dag nog verloopen was, hadden wij het meisje ontdekt, aangegrepen, door een doek voor den mond het schreeuwen belet en in vliegenden haast op het onder eene rots verborgen schip gebracht.„Onder beschutting der ingevallen schemering ontvluchtten wij, met den liefelijken buit aan boord, en forsche roeislagen brachten ons snel van de Megarische kusten.”„En het meisje?” vroeg Aspasia.„Schikte zich in haar lot,” hernam Alcibiades, „hoewel zij niet, zooals wij gedacht hadden, eene gekochte lievelingsslavin was, maar eene vrij geborene, de nicht van dien verwenschten Megarenser. Simaetha1is haar naam en ik noem haar de bekoorlijkste der Helleensche—neen, niet der Helleensche vrouwen, maar toch zeker debekoorlijkste derHelleensche jonkvrouwen!”Megara! Dit woord had een eigenaardigen klank voor Aspasia’s oor. Met onmiskenbare teekenen van belangstelling had zij het verhaal van den koenen jongeling aangehoord.Zij vroeg met bijzondere nieuwsgierigheid naar[195]de eigenschappen van het meisje. Alcibiades schilderde haar schier in ideale trekken.Aspasia verlangde Simaetha te zien. De schaker was aanstonds bereid haar wensch in te willigen. Hij bracht Simaetha tot haar. Het meisje was beeldschoon, zoodat Aspasia zelve er verbaasd van stond. Maar het geheel geleek op een ongeslepen diamant. Immers zij was te Megara opgevoed. Het was tijd voor haar geworden, dat zij werd geschaakt zoo niet deze parel in de verborgenheid zonder glans of heerlijkheid zou te loor gaan.De rijke Megarenser had haar als een jong meisje in zijn huis opgenomen. Zij had het bij hem beter gehad dan eene slavin, maar niet zoo goed als eene dochter.Hij scheen, met het oog op haar veel belovende schoonheid, haar willens of onwillens, alleen tot een voorwerp om zijne lusten te bevredigen, te willen opvoeden. In geen enkel opzicht geleek de oude Megarenser op den edelen grijsaard van Milete, den bekendenPhilammon, dien Aspasia in het verhaal van de geschiedenis harer jeugd aan Pericles met zulk eene warmte had geprezen. Simaetha haatte hem en verklaarde, dat zij zich liever wilde dooden, dan ooit weder in het huis van haar opvoeder terug te keeren.Aspasia’s scherpe blik merkte de kiemen van vrouwelijke voortreffelijkheid van den hoogsten rang op in het karakter van het jonge meisje, dat nog nauwelijks haar zestiende levensjaar was ingetreden. Uit hare oogen schitterde evenveel geest, als schoonheid uit hare trekken. Aspasia brandde van begeerte om deze heerlijke kiemen te ontwikkelen. Spoedig was haar besluit genomen. Zij zeide tot Alcibiades:„Het meisje is uw eigendom: niet zoozeer door den roof, dien gij op haar gepleegd hebt, als wel door haar eigen bepaald uitgedrukten wil, om niet meer in het huis van den Megarenser terug te keeren. Maar gij zijt haar nog niet waardig. Voor knapen van uw soort zijn edele, bloeiende meisjes,[196]ja zelfs het onnoozele dochtertje van Hipponicus, veel te goed. Vrouwen van Theodota’s slag zijn voor u en uws gelijken bestemd: aan dezen moogt gij, om zoo te zeggen, de horens van uw overmoed afslijpen. Overigens zoudt gij u over het bezit van Simaetha, zooals zij nu is, maar half verheugen. Weldra zoudt gij haar moede worden; want onontwikkeld liggen in haar nog de kiemen van die eigenschappen, welke noodig zijn om niet de oververzadiging ten laatste de heerschappij te doen verkrijgen over de liefde. Vertrouw mij het kind eenigen tijd toe. Geef mij den schat, die gij buit gemaakt hebt, ter bewaring; beleg om zoo tezeggen, uwe bezitting op renten: gij zult ze, als de tijd om is, vertiendubbeld aan waarde uit mijne handen terug ontvangen.”Alcibiades was te jong en te lichtzinnig, dan dat het hem zwaar had kunnen vallen het verhavende meisje voor eenigen tijd zijn huis te doen verlaten en Aspasia toe te vertrouwen.„Ik ben bereid,” zeide hij, „mijn kostbaren schat bij u op renten te zetten. Ik weet vooruit, dat die renten mij rijkelijk schadeloos zullen stellen voor de korte ontbering, die toch immers niet eens eene volledige zal zijn, daar gij mij ongetwijfeld zult toestaan het schoone kind in uw huis te komen bezoeken.”„Waarom niet?” hernam Aspasia; „gij moogt gedurig getuige zijn van hare vorderingen.”Simaetha werd bij Aspasia gebracht. Pericles had in den beginne zijne toestemming geweigerd; doch zijn gemoed was zoo wonderlijk zacht en teeder, dat hij ten laatste op het herhaald aandringen van Aspasia haar verzoek inwilligde, evenwel onder voorwaarde, dat het meisje slechts zóó lang in zijn huis zou vertoeven, totdat over hare al of niet uitlevering zou zijn beslist. Waren de Megarensers niet zoo gehaat geweest te Athene, dan zou men de toegevendheid van Pericles, die, uit liefde voor Aspasia, aan het meisje eene wijkplaats in zijn huis verschafte, zonder twijfel scherper beoordeeld[197]hebben, dan thans geschiedde.Men was reeds sedert geruimen tijd te Athene begonnen te spreken van eene school van Aspasia, en meer dan ooit was er van nu af reden voor dien naam.Er waren thans inderdaad niet minder dan vier meisjes in den eersten bloei der jeugd, die in het huis van Aspasia onder de onmiddellijke hoede der Milesische leefden. Bij hare Milesische nichtjes, die reeds langeren tijd bij haar vertoefden, en de Arcadische Cora, die zij van hare Elische reis had medegebracht, had zich thans het meisje uit Megara gevoegd.Ten volle beantwoordde de naam van school aan de innerlijke bedoeling van Aspasia. Hare persoonlijke bemoeiingen, om de vrouwen te Athene te veredelen, te bevrijden, in één woord eene hervorming te dien opzichte tot stand te brengen, waren met een zeer twijfelachtigen uitslag bekroond. De krachtige drang harer ziel gunde haar echter geen rust. Zij was tot de overtuiging gekomen, dat het eene vergeefsche poging was de gerijpte en reeds gevormde vrouw te willen hervormen. In den ontluikenden leeftijd, meende zij, moest de kiem daartoe gelegd worden.Geen hetaeren wilde zij opvoeden, maar voorvechtsters en medearbeidsters, die door geest en schoonheid op gelijke wijze als zij zelve in staat zouden zijn invloed te oefenen. In de school, die zij stichtte, moest hare overlevering levendig gehouden en van daar uit verder verbreid worden. Door eene samenwerking van vereende krachten in haar geest moesten eindelijk de vooroordeelen vallen, en de volkomen zegepraal van geest, schoonheid en vrouwelijkheid behaald worden.De gedachte aan de vooroordeelen, die in een ander opzicht uit deze hare school zouden kunnen voortvloeien, hoewel niet bij haar op den voorgrond staande, was evenwel niet geheel vreemd bij de fiere, schrandere Milesische. Hare leerlingenkonden, evenals hare meesteres, machtige en[198]uitstekende mannen tot echtgenooten verkrijgen, de heerschappij van Pericles helpen verzekeren en bevestigen, en door haar invloed den tegenstand zijner vijanden bestrijden.Maar vond de gade van Pericles er geen bezwaar in, een aantal jeugdige, bekoorlijke meisjes onder de oogen van haar echtgenoot om zich te verzamelen? Deze fiere, koene, naar machtige doeleinden strevende ziel was verre verheven boven laffe overwegingen en kleingeestige gevoelens; zij joeg niet, als een gewone vrouw, enkel persoonlijke voordeelen na, maar voor eene grootsche gedachte leefde en werkte zij. En zij wist dat Aphrodite’s gordel nog altijd in hare macht was; dat hij in hare hand nog niets van zijne bekoorlijkheid had verloren. Zij wist, dat zij nog lang de meesteres onder hare leerlingen zou blijven en dat dezen eerst worden moesten, wat zij reeds was. En wat inzonderheid Pericles betrof, zij had de overtuiging, dat niets ter wereld de tooverketen kon verbreken of verzwakken, waarmede zij zijn hart had gekluisterd en die door de gewoonte al hechter en hechter was geworden.Eene gril der natuur had Aspasia de moederweelde ontzegd2. Zij verdroeg het zonder klagen. Was ’t haar niet vergund vrouwelijke telgen van haar schoot tot haar evenbeeld op te leiden, het lot had haar in die veel belovende bloeiende meisjes eene vergoeding gegeven,waaraanzij naar hartelust de tooverkracht harer vormende meesterhand kon beproeven.Muzen en de Chariten schenen van den Olympus neder te dalen en zich als ’t ware in Aspasia’s school als leermeesteressen aan te bieden. Daar werd de verheven leer verkondigd, hoe de natuur tot edele kunst gelouterd moest worden en de kunst weder tot natuur. Daar werd de eenheid van al het schoone begrepen en verwezenlijkt: daar werd de muziek,[199]een dans der zielen en de dans eene muziek der lichamen—daar werd de schoonheid poëzie en de poëzie betooverende schoonheid.Aspasia’s streven was ’t in hare leerlingen door de schoonheid en om de schoonheid den geest op te wekken en dien opgewekten geest te veredelen en vrij te maken.Als middel om den geest wakker te schudden diende haar echter niet alleen elke soort van kunst; ook de rijke hulpbronnen van wijsheid, kennis en wetenschap werden als vruchtbaar zaad op de vleugels der Eroten in de school van Aspasia binnengedragen. Uitgesloten alleen was het ernstige, het strenge, het sombere. Vroolijkheid bleef gepredikt als de hoogste wet der schoonheid en des levens.Wat Aspasia haren leerlingen boven alles leerde, was dit, hoe dwaas het was, allen invloed van hare bekoorlijkheden te verwachten. Zij toonde haar aan, dat deze nog lang niet op zich zelven alleen het beminnelijke uitmaakten. Zij zeide haar, dat schoonheid eene deugd is, die, als elke andere, geleerd, geoefend en aangekweekt moest worden. Zij maakte haar duidelijk, dat de geest de echte kruiderij is, die aan de schoonheid gepaard, haar frisch deed blijven. „Eene onnoozele schoonheid,” sprak zij, „veroudert spoedig en weldra verwelkt ook de bekoorlijkheid, die door de laagheid als een verpestende walm wordt omgeven. Niets vernietigt zoo snel den bloei, als een stompzinnig voortleven in geestdoodende alledaagschheid. Schoon te zijn, zeide zij, is geen toestand, maar een handelen, een werken. Schoonheid is de hoogste macht en haar invloed berust op de samensmelting der edelste vermogens—op eene bekoorlijke en harmonische ontwikkeling van lichaam en ziel. Zij is geen dood pronkstuk, geen onbewegelijk licht: integendeel, evenals het zonnerad, een levend stralenspel, een spattende vonkenregen.„Men kan zich de schoonheid niet onmiddellijk geven,” placht zij ook te zeggen, „maar men kan overal het leelijke uitroeien, temperen, verzachten.[200]Niet te dikwerf kunt gij in den spiegel zien: niet om op te merken hoe schoon gij zijt, maar om uwe leelijkheid te bespieden. Alleen dan zult gij ervaren dat niemand altijd schoon en niemand altijd leelijk is—dat de bloei van iedere schoonheid wel honderdmaal in den loop van den dag in gedaante en kleur verandert, dat zij, aan zich zelve overgelaten, geen stand kan houden, maar wankelt; dat eene schoonheid, die zich harer macht bewust, de hand in den schoot kan leggen, een droom is van zottinnen, en dat schoon te zijn eenemoeilijkekunst is zelfs voor de schoonsten. Laat onder geene vermomming het leelijke ingang bij u vinden! Want talloos zijn zijne gestalten, talloos zijne vormen! Het leelijke is een daemon, met wien wij iederen dag worstelen moeten, als hij ons niet besluipen en overweldigen zal. Het meest echter keert hij uit de hinderlaag der ziel zijne doodelijke wapenen tegen den bloei des lichaams.”Maar niet met vermanende woorden alleen, ook metterdaad ondersteunde Aspasia hare leerlingen in den strijd tegen dien sluwen, dreigenden daemon. Zij vorschte de kiemen en sporen van elke leelijkheid na, evenals de overheid den dief. Gelijk een schoolmeester een stok of roede, zoo had zij een kleinen, zilveren spiegel in de hand en hield dien de schuldige voor, wanneer slechts eene sprank van leelijkheid, naar lichaam of ziel, zich vertoonde. Zoo leerde zij die jeugdige meisjes zelfbeheersching, onderdrukking van iedere opkomende luim en hartstocht, rust, vroolijkheid, gelijkmatigheid van lichaam en ziel.Van de beide nichten van Aspasia legde de eene, Drosis, een schitterenden aanleg voor den mimischen dans aan den dag. Prasina daarentegen muntte voornamelijk uit door vaardigheid in zang en snarenspel. Doch Aspasia gedoogde niet, dat eene van beiden zich uitsluitend op de ontwikkeling van eene dergelijke eenzijdige kunst toelegde. Zij verlangde van ieder, dat zij niet door de beoefening van ééne bepaalde kunst, maar door eene harmonisch ontwikkelde[201]persoonlijkheid zou trachten te behagen. „Eenzijdige beoefening der kunst,” zeide zij, „geeft altijd aanleiding tot mindere ontwikkeling van het karakter zelf en zijne harmonische vorming.”Drosis was van nature betooverend door hare bevalligheid. Hare gestalte was slank en sierlijk, zoo aetherisch licht en zwevend, dat zij, door de velden wandelend, even als eene nimf, geen grashalm noch bloem scheen te kunnen knakken. Hare ledematen hadden die rankheid, die jeugdige fijnheid en bevallige teederheid, welke de zinnen nog veel meer bekoort dan plompe weelderigheid.Prasina was haar gelijk in schoonheid, maar zij bezat boven haar eene heldere zilveren stem, waarmede zij, de liederen vanSapphobij de luit zingend, ieders oor verrukte. Is er in ’t algemeen wel iets liefelijkers dan de heerlijke tonen van de stem van een zestienjarig meisje? Prasina’s stem overtrof in liefelijkheid, smeltende zachtheid en warmte de stemmen der nachtegalen in de Cephissus-dalen.Maar de bekoorlijke Drosis, de vurige Prasina, zij werden weldra door den heerlijk zich ontwikkelenden bloei van Simaetha overschaduwd. In Simaetha’s gestalte, in hare trekken was de edelste, Helleensche betooverende schoonheid van vormen in de zuiverste lijnen uitgedrukt. Trekken van deze verwonderlijke zuiverheid hadden zelfs de meesters der beeldhouwkunst zich nauwelijks kunnen voorstellen. Zij bezat die onbeschrijfelijke helderheid die glinsterende en toch ietwat mijmerende vochtigheid van ’t oog, die soms bij meisjes in den teederen bloei der jaren een wegsleependen invloed kan oefenen. Maar evenals in uiterlijk schoon, kwam ook in geest en gemoed Simaetha hare meesteres Aspasia het meest nabij. Innig verwant scheen zij haar door hare geheele ontwikkeling in gevoel en denken. Niet minder dan de Milesische beloofde zij eene verpersoonlijking van den echten levenslust en den schoonheidszin van den Helleenschen geest te worden. Met gloeiende geestdrift begreep zij terstond de gedachten van Aspasia. Zij overtrof in[202]helderheid van verstand hare medeleerlingen verre. Zij beminde de kunsten, en voor de beeldhouwkunst scheen zij het onvergelijkelijk scherpe kennersoog van Aspasia te bezitten. Ook daarin kwam zij met hare meesteres overeen, dat zij op geen enkele afzonderlijke kunstvaardigheid bijzonderen nadruk legde, maar allen gaven tot eene schoone harmonie ontwikkelde. Zoo was zij dan de parel van de school der Milesische, die haar bijna met de teederheid eener moeder liefhad en hare schoonste verwachtingen op haar stelde.En Cora, het meisje uit Arcadië? ’t Was moeilijk te zeggen of men haar tot de school van Aspasia mocht rekenen. Toen Aspasia haar uit haar Arcadisch geboorteland had weggevoerd, prikkelde haar juist de ruwheid der stof, om er hare vormende en ontbolsterende kunst aan te beproeven. Maar de ruwheid der stof scheen weldra grooter nog dan het meesterschap van Aspasia’s vormende kunst. Cora was doorgaans een voorwerp van spot bij hare speelgenootjes en men verlaagde haar bijna tot eene dienstmaagd. Maar toch had het meisje uit Arcadië ook iets in haar wezen, dat haar nooit geheel tot eene slavin liet vernederen. Niet bekoorlijk was zij, niet van edelen lichaamsbouw, niet opgewekt van geest, maar ernstig en peinzend, en het eigenaardige in haar wezen, dat zij mede naar Athene gebracht had, bleef onveranderd. Zijverraste, door stralen en vonken van geest en gemoed, die altijd iets oorspronkelijke en ongewoons hadden, en steeds eene bijzondere soort van belangstelling voor haar opwekten. Zij scheen als een wezen uit eene vreemde, tot heden nog onbekende wereld.Aspasia vond het raadzaam hare kweekelingen, tegen de Atheensche zeden en ondanks haar jeugdigen leeftijd in den vrijen, ontwikkelden omgang met de wereld en de menschen te brengen. Thans evenals vroeger bezochten haar huis mannen van uitnemenden geest, door wier gesprekken de zielen der meisjes vroegtijdig boven de platte alledaagschheid[203]verheven en in hoogere sferen opgevoerd werden. Maar ook bezoeken van vrouwen waren niet uitgesloten. Wie van die uitstekende mannen eene schoone vriendin in dezen kring wilde binnenleiden, dien werd het volgaarne toegestaan. Onder hen, die van die vrijheid gebruik maakten, bevond zich die jonge beeldhouwer en architect Callimachus, die een verwend beeldschoon, jong meisje, Philandra genaamd, van Corinthe naar Athene had gebracht. Hij hield hartelijk veel van het meisje en scheen besloten haar tot zijne echtgenoote te nemen. Doch Philandra, van nederige en arme afkomst en nog in hare prille jeugd, miste eene beschaving en ontwikkeling, die haren vriend waardig was. Hoe kon haar die beter ten deel vallen, dan door het verkeer met de omgeving van Aspasia? Deze achtte het natuurlijk niet beneden zich den kring harer school ook buiten hare woning uit te breiden.Philandra was eene schoonheid van weelderige, maar toch edele vormen. Zij verried een heftig, ja hartstochtelijk karakter en scheen door haar statig voorkomen ouder dan zij werkelijk was.Zoo was dan, om zoo te zeggen, een vrouwelijke Olympia in Aspasia’s woning neergedaald. De jonge Alcibiades placht de meisjes naar de Godinnen te noemen, met wie zij de meeste gelijkenis hadden. Kunstenaars werden in dezen Olympus tot het scheppen van schoone beelden ontvonkt, dichters tot zoetklinkende liederen bezield. Doch overmoed en al wat onedel was bleef verbannen uit dezen schoonen kring, Aspasia’s blik wist zelfs den koenen, hartstochtelijken Alcibiades in toom te houden en steeds hield de priesteres der schoonheid ook de teugels van de edele juiste maat in de hand. Altijd bleef Aspasia gedachtig, wat zij aan de eer van ’t huis haars gemaals verschuldigd was. En zij wist te voorkomen, dat de school, die zij om zich verzameld had, haar echtgenoot ooit de de minste aanleiding gaf tot verwijdering, die allicht tot eene noodlottige scheiding zou kunnen voeren.[204]Op zekeren dag noodigde de jonge Alcibiades Aspasia en hare meisjes tot een pleiziertochtje met zijn jacht uit. Aspasia nam de uitnoodiging van den jongen man aan, onder nadrukkelijke voorwaarde, dat hij niemand van zijne overmoedige makkers zou mede nemen.Op een zomermorgen, terwijl de frissche dauw zich parelde op blad en halm, besteeg Aspasia met Drosis, Prasina, Simaetha en Cora het schip van Alcibiades. Bij haar sloten zich nog Callimachus en Philandra aan, en in gezelschap van Philandra eene vriendin van haar, Pasicompsa geheeten, die, evenals Philandra zelve, bij Aspasia was ingeleid en door deze waardig geacht eene plaats onder hare leerlingen te nemen. Behalve de genoemden en eenige slaven, om te roeien, bevond zich niemand op het schip.Men voer het strand langs en geraakte weldra in de schoone bocht van Salamis. Links zag men de groene in den morgendauw schitterende eilanden, rechts het Attische strand met zijne aegaleïsche3heuvels.Niets vermag de ziel vriendelijker en harmonischer te stemmen dan een spelevaart over eene zonnige, blauwe zeegolf. En geen heerlijker azuur wordt er gevonden, dan dat van Salamis’ zeeboezem. Zoo smaakte dan ook het gezelschap van Alcibiades, zich wiegelend op de baren der zee onder dien heerlijken hemel, een onbeschrijfelijk, een zalig genot. Boven hunne hoofden het blauw van den aether, onder zich het hemelsblauw der zee, dreven zij als het ware tusschen twee hemelen, zich wiegelend in eene zalige azuur. Of dat van den aether dan wel dat van de zee bekoorlijker was, wisten zij niet en zij vroegen er ook niet naar; zij zagen alleen, dat somwijlen de vogels voor een oogenblik uit den blauwen aether in de zee neerdoken, als om hare bekoorlijkheid te onderzoeken, terwijl de[205]visschen daarentegen uit de blauwe zee somwijlen oprezen en voor een oogenblik met de koppen lustig in den blauwen aether voortzwommen, als om eene vluchtige, heerlijke teug daaruit in te zwelgen.Het gezelschap op het schip van Alcibiades geleek op de vroolijke visschen en vogels, die zich in de bekoorlijkheid van zee en aether verlustigden en verkwikten. Zij zogen in volle teugen al dat heerlijke in en dachten daarbij zoo weinig om de buitenwereld en zich zelven, als die vogels en visschen. De jeugdige, bevallige kweekelingen van Aspasia zagen van het scheepsboord omlaag naar de schoone zee, doch alleen om hare lieve gezichtjes daarin te spiegelen.AlleenCora zag, als zij in den vloed nederkeek, niet haar gezicht, maar de zee zelve. In haar gemoed alleen werd de betoovering der zee met levendigheid gevoeld.De andere meisjes spiegelden zich in de zee, de zee echter spiegelde zich in Cora.De indruk steeg in haar gemoed schier tot vrees.Want zij begon ten laatste met eene soort van angst in hare trekken naar de diepte der zee te luisteren. En toen men haar glimlachend vroeg, of zij soms de stemmen van verleidelijke Sirenen uit de diepte hoorde, bevestigde zij dit, waarover haar speelgenooten in een helderen lach uitbarstten, die verre over de zee klonk.Wellicht gelokt door de muziek dezer stemmen, werd het jacht door een dolfijn gevolgd, die geheel over den waterspiegel daarheen gleed. Een vogeltje, dat zich te ver van ’t land in de zee had gewaagd, zette zich een oogenblik, als om te rusten, op zijn rug, zonder dat hij het bemerkte.Juist toen de zilveren lach over Cora op het vaartuig van Alcibiades weerklonk, stevende een groote koopvaarder het jacht voorbij. Daar de koopvaarder zeer dicht langs het jacht voer, konden zijne bemanning en het gezelschap van Alcibiades elkander zeer goed opnemen. De mannen op de koopvaarder hadden een ruw, woest uiterlijk en wierpen[206]donkere blikken van onder hunne borstelige wenkbrauwen op het jacht van Alcibiades, bijna dreigend alshavikenop eene vlucht duiven. Daar echter de koopvaarder veel sneller roeide, liet hij weldra de bark achter zich en het vroolijke gezelschap sloeg geen acht meer op hem. Callimachus meende er een Megarisch schip in herkend te hebben.In eene kleine bocht werd geankerd en men besloot aan land te gaan, om zich daar eenigen tijd op het vriendelijk uitnoodigend strand te vermeien. ’t Was juist de plaats, waar men den in de rots uitgehouwen zetel van den Perzischen koning Xerxes toont, op eene helling der aegaleïsche bergen, den zetel, dien de groote koning, toen hij zijne vloot hier tot den beslissenden slag geschaard had, op het glooiende strand besteeg en vanwaar hij, eerst met fier vertrouwen op de overwinning, en vervolgens met steeds toenemende ontzetting de vreeselijke vernieling zijner macht bij Salamis had aanschouwd. Callimachus en Alcibiades geleidden Aspasia en de meisjes op den in de rots gehouwen zetel, en Alcibiades verlangde van Aspasia, dat zij als de waardigste daarop plaats zou nemen. Aspasia gaf aan de uitnoodiging gehoor. Callimachus zette zich aan hare zijde. De meisjes met Alcibiades vlijden zich in eene bekoorlijke groep om haar heen.Boschjes van zeegras en mirtestruiken, vol donkere en lichte bessen, schoten op tusschen de klippen.Er lag een wondervolle vrede over het zonnige land en de fonkelende zee uitgebreid. Dubbel bekoorlijk scheen van deze hooge plaats het tegenover hen opdoemend Salamis. Tusschen het eiland en het vaste land blauwde de zee, door geen windje gerimpeld. Zilverheldere, glinsterende strepen doorsneden hier en daar het diepe azuur, als schitterende bruggen. Geen geluid werd er vernomen in de gansche verte dan het ruischen van de in gelijkmatigenrhythmusaan- en terugklotsende golven[207]bij het strand en van tijd tot tijd het gekrijsch eener meeuw, die zweefde over de klippen.„Bij alle zeenimfen!” zei Alcibiades: „het is hier zoo vreedzaam, als aan het Siciliaansche strand. Men zou meenen, dat hier ergens in de nabijheid de verliefde CycloopPolyphemusmoest zitten, starend op de zee, waar het beeld van Galateä4, zich spiegelt in den vloed, terwijl zij met lichten voet daarover zweeft. De hond van den plompen herder loopt blaffend langs het strand haar te gemoet, doch de nimf overstelpt lachend den liefdebode met eene aanrollende schuimende golf zoodat hij druipstaartend terugloopt.”Inderdaad, hier heerschte eene zalige stilte, waarvan men niet gelooven kon, dat zij ooit verstoord was noch ooit verstoord kon worden.Aspasia wierp van haar in de rots gehouwen zetel een blik naar de bergen van de Peloponnesus.„Als ’t mogelijk is,” sprak zij, „al het onaangename en sombere, dat ik ginds aan gene zijde der bergen gezien en doorleefd heb, uit mijne ziel weg te vagen, dan moet het in deze ure zijn. Te glansrijk is de zee aan dit strand en den aether daarboven, dan dat hier ooit als ginds het sombere de overwinning zou kunnen behalen. Ik daag u moedig uit tot den strijd, ruwe sombere Peloponnesus!”„En ik met u!” riep Alcibiades en stak de vuist uit tegen de Argolische bergen.„En ook wij allen!” riepen de meisjes lachend.Op dit oogenblik viel Aspasia’s blik, rechts afdwalend, op het Megarisch vaartuig. Het scheen thans klein op den grooten afstand. Het scheen stil te liggen. Aspasia’s fiere, schier minachtende blik wendde zich er weldra van af. In hare oogen bliksemde thans iets van dien overmoed, die het hart des Perzischen konings vervulde, toen hij van dezen zetel op zijne vloot nederzag.[208]Een slaaf bracht op bevel van Alcibiades een zak met kostbare lafenis en weldra schuimden de bekers en een vroolijk rondgezang klonk over de golven. Bekoorlijk schalde het lied der vreugde over de schoone eenzame golven, en van verre werd het weerkaatst door den kalmen zeeboezem.Door den geest van Dionysus gedreven, verstrooiden de meisjes zich deels op het schelprijke strand, deels op de hellingen, waar, tusschen de rotsen, geurige kruiden opschoten. Zij geleken op fladderende vlinders, geplaagd, vervolgd door Alcibiades.Nu eens liepen zij onder luide kreten naar elkander, om een dood zeedier te bewonderen, een polyp of een dolfijn, die vroeger, het zilte nat doorklievend, de kleinere zeedieren schrik had aangejaagd of de dochters van Neres op zijn rug gedragen, doch thans door eene schuimende golf op het rotsachtige strand was geworpen. Dan weder gingen zij zitten en Alcibiades verhaalde de aandachtig luisterende meisjes zonderlinge jachtavonturen: bijvoorbeeld, hoe hij onlangs eens aan ’t strand een grooten polyp en een haas te gelijk had buit gemaakt, toen hij met de hengelroede een polyp uit het water op het land slingerde en deze juist op een haas neerviel, die in ’t gras sluimerend verscholen lag en onmiddellijk door de honderd armen van den polyp omkneld werd.Inmiddels onderhielden zich Aspasia en Callimachus.De verhouding van Callimachus tot de schoone gade van Pericles was van een zonderlingen aard. Hartelijke vriendschap verbond hem met Alcamenes, en door dezen ingelicht van alles, wat er tusschen een mededinger van Agoracrites en de schoone Milesische was voorgevallen, had hij uit Corinthe, vanwaar hij kwam, een vooroordeel, ja bijna een heimelijken wrok tegen Aspasia medegebracht. Na het heftige tooneel, dat tusschen Alcamenes en Aspasia te Olympia had plaats gegrepen en waarvan Callimachus eveneens kennis had gekregen, had hij met[209]zijn vriend eene soort van wraakverbond tegen de Milesische gesloten. Te Athene gekomen, kwam hij weldra met haar in aanraking, en, door hare betoovering aangetrokken, vergat hij ten halve, maar ook slechts ten halve, die wraakgedachten.Aspasia zelve bracht het gesprek op Alcamenes en roemde de vlucht zijner levendige phantasie.„Gij doet er wel aan,” zeide zij, „dat gij de vriendschap met dien man aanhoudt en mij dunkt, dat eene zekere verwantschap van zielen u tot elkander heeft gevoerd. Want, evenals hem, schijnt ook u eene levendige zucht te bezielen, om de kunst op eene nieuwe baan te leiden.”Aspasia zinspeelde met deze woorden op het feit, dat Callimachus de beitel niet meer voldeed, dat hij meer met de boor arbeidde en de détails zijner gewrochten met eene zoo schitterende kunstvaardigheid afwerkte, als men het vóór hem nog nooit gezien had.„Wanneer men mij toegeeft,” hernam Callimachus, „dat ik door een vlijtig gebruik der boor de beeldhouwkunst eene schrede vooruit hebt gebracht, dan zou ik nuttige diensten aan hare zusterkunst, de bouwkunst, kunnen bewijzen. Reeds lang ben ik met eene zaak bezig, die oppervlakkig, zeer licht en gemakkelijk is, inderdaad echter—gij zult er om lachen, als gij het hoort—mij maar volstrekt niet gelukken wil. Bij den vooruitgang der kunst geloof ik dat onze zuilen eene rijkere versiering noodig hebben. De Ionische krul is het uiterste, waartoe wij het gebracht hebben. Daarmede stellen wij ons sedert eeuwen tevreden. Ligt het niet voor de hand om met een stouten greep zich daarboven te verheffen en iets voortreffelijkers te scheppen?”„In het oosten,” antwoordde Aspasia, „zag ik bladeren en bloemen met keurigen smaak tot versiering der kapiteelen aangebracht. Wij zijn schuchter, zooals gij terecht opmerkt. Waarom durft gij niet uitvoeren, wat gij in ’t belang der kunst noodig acht?”„Zoudt gij wel gelooven,” hernam Callimachus,[210]„dat ik nu reeds sinds jaren mijn hersens met die zaak kwel? Honderde vormen heb ik uitgedacht, doch niet een enkele heeft mij tot heden volkomen voldaan.”„Waarom wilt gij een nieuwen vorm uitdenken en verzinnen en geheel en al uit u zelven scheppen?” vroeg Aspasia. „De natuur is eene voortreffelijke leermeesteres; haar moet de bouwmeester zoowel als de beeldhouwer haar geheim afzien. Houd uwe oogen open en gij zult vinden, wat gij zoekt. Gij behoeft het dan slechts goed op te vatten en met schranderen geest volkomen weder te geven.”Op dit oogenblik werd het gesprek van Aspasia en Callimachus gestoord door de meisjes, die kwamen aanloopen en vertelden, dat zij op eene verborgen, liefelijke plek van het strand een klein grafteeken hadden ontdekt. Zij wilden het Aspasia toonen.Aspasia en Callimachus gaven aan de uitnoodiging gehoor en lieten zich door de meisjes naar eene plaats voeren, waar het kleine grafteeken zich bevond. Het lag op ’t rotsachtig strand verborgen en was door overhangende klippen bijna bedekt. Het bestond uit een eenvoudigen, smallen steen, waarin een kort opschrift gebeiteld was. Boven de zerk stond een sierlijke korf, gevuld met verwelkte bloemen en kransen. Aspasia trachtte het opschrift te lezen en ontcijferde half een meisjesnaam, ’t geen haar echter moeilijk viel; want eene breedgebladerde acanthus5had met zijn prachtig loof niet alleen den gedenksteen zelven reeds bijna overdekt, maar slingerde zich zelfs om den korf. Zijn frisch, levend groen maakte eene treffende tegenstelling met de treurige verwelkte bloemen in den korf.Aspasia en de meisjes drukten hare verwondering uit op deze plaats een grafteeken te vinden. Callimachus echter zeide: „Mij was de aanwezigheid[211]van een klein monument te dezer plaatse niet onbekend.”Toen de meisjes hierop nieuwsgierig naar de herkomst daarvan vroegen, hernam Callimachus:„Hij, die dit grafteeken met den korf hier oprichtte, was mijn vriend en ik ben een der weinigen, wien hij de geschiedenis van dat monument heeft meegedeeld.„De vriend, van wien ik spreek,” vervolgde hij, „was een voortreffelijk Atheensch jongeling en oefende met grooten roem de kunst uit om aardewerk en grafurnen te beschilderen en verdiende hiermede tevens zijn levensonderhoud. Terwijl hij te Corinthe vertoeft, valt zijn oog op het bekoorlijkste bloemenmeisje van die stad en hij ontbrandt voor haar in vurige liefde. Maar ook een jonge Spartaan, die zich juist met eenige vrienden te Corinthe ophield, wordt verliefd op het meisje en wil haar bezitten. Door geweld en bedreigingen weet hij haar schrik aan te jagen en staat op ’t punt haar van Corinthe weg te voeren. De Athener in hartstochtelijken toorn ontstoken, daagt zijn mededinger tot een tweegevecht uit en doodt hem. Vervolgens, om den wraak der vrienden van den verslagene te ontvluchten, neemt hij het meisje, dat hem gewillig volgde, daar het zijn liefde beantwoordde, met zich mede, bestijgt in allerijl een vaartuig en vlucht met haar naar zijn vaderstad Athene.„Vroolijk vaart het geliefde paar langs het strand; het hart des jongelings vol zalig genot en het meisje stralend in den bloei harer jeugd en schoonheid, eener bruid gelijk. Zij bezit behalve hare bekoorlijkheid niets dan het bloemkorfje, met frissche bloemen gevuld, zooals zij op de markt te Corinthe juist in hare handen droeg, toen de minnaar haar weg voerde. De paarlen der zee bespatten ’t vaartuig en bevochtigen de rozen in het mandje. Maar toen de jongeling in de overmaat zijner vreugde een kus op de lippen van ’t meisje drukt, ontglijdt haar de bloemkorf en valt over boord in zee; het[212]meisje bukt zich haastig om dien weder te grijpen, doch zich te ver over boord uitstrekkende, verliest zij het evenwicht, de boot kantelt en zij stort in ’t water. Met een wanhoopskreet werpt zich de jongeling in zee, omvat, na langen tijd met de golven geworsteld te hebben, het midden van ’t meisje en zwemt met den dierbaren last naar het nabij gelegen strand. Met moeite klautert hij tegen eene klip op, het lichaam der geliefde met krachtige hand aan zijn borst gekneld. Nu vlijt hij haar neer op een vlakke plaats aan het strand. Hare oogen zijn gesloten, haar gelaat is bleek, te vergeefs, roept hij haar duizend liefdewoorden toe. Hij heeft slechts een lijk gered.„Den geheelen dag staart hij roerloos op de geliefde; vervolgens maakt hij zich gereed haar te begraven. Op de plaats, waar hij haar aan land heeft gebracht, delft hij eene groeve. Wat treft daar plotseling zijn oog tusschen de rotsen? De bloemkorf van het meisje is op de baren drijvend naar het strand gespoeld en rust nu daar, door de klippen teruggehouden. Hij daalt de rots af en droevig te moede heft hij zuchtend het sierlijke, met frissche bloemen gevulde mandje op en plaatst het, bevochtigd door zijne tranen, op het graf van ’t meisje. Hij gaat naar Athene en keert weldra terug naar de verscholen, door de zee omspoelde groeve, met dezen eenvoudigen gedenksteen. Hij legt dien op het graf en plaatst daarop weder het mandje met verwelkende bloemen. De verborgenheid der plaats beveiligt het voor heiligschennende handen en ook de acanthus heeft, zooals gij ziet, de rol van beschermer op zich genomen, daar hij den steen en den korf met de ranken van zijn heerlijk loof schier bedekt.”—Aandachtig hadden de meisjes naar het verhaal van Callimachus geluisterd en luide beklaagden zij het treurige lot van ’t jeugdige paar.Aspasia sprak na eene korte pauze:„Hoezeer uw verhaal, Callimachus, ook het gemoed tot medelijden stemt, kan ik toch den machtigen[213]indruk niet weren, dien deze eenvoudige steen, deze grafzerk, waarvoor de natuur veel meer dan de kunst heeft gedaan, op mij en zeker op allen, die hem zien, zal maken. Hoe sierlijk slingert het welig loof van den acanthus zich om den bevalligen, met verwelkte bloemen gevulden korf boven de wit marmeren zerk! Is dit niet eene dier meesterlijke groepen, welke der natuur als in eene spelende luim gelukt en die wel geen kunstenaar ooit zoo bekoorlijk kan verzinnen?”Callimachus antwoordde niet; maar eene gedachte vloog als een bliksemstraal door zijne ziel.Hij staarde een tijd lang op den met loof omslingerden korf; toen sprak hij, zich tot de Milesische wendende:„Inderdaad, Aspasia—deze liefelijk omkranste korf is eene van die groepen, waarvoor, zooals gij straks zeidet, de kunstenaar het oog geopend moet houden, omdat hij daarvan leeren kan.”„En omdat hij wellicht daarin vinden kan,” viel Aspasia hem glimlachend in de rede, „wat hij met vergeefsche inspanning lang heeft gezocht.”—In geestdrift begon nu Callimachus aanstonds uit te weiden over hetgeen zijne ziel vervulde.Terwijl hij aan de Milesische de in hem opgewekte gedachte van eene nieuwe zuilenversiering breeder ontvouwde, eene versiering, die werkelijk bestemd was in het rijk van ’t schoone eene blijvende plaats te verwinnen en wier roem met den naam van Callimachus voor altijd verbonden blijft6, verstrooiden zich de meisjes om bloemen te plukken, waarmede zij het graf van de jeugdige Corinthische wilden tooien.Weldra dartelden zij weder vroolijk langs het strand aan zeenimfen gelijk, onder wie Alcibiades de rol van den plagenden en ondeugenden Triton vervulde.[214]Langzamerhand echter begon de stroefheid en schuchterheid van Cora, die op eene eenzame plek van het strand was achtergebleven, op den vermetelen jongeling eene grootere bekoorlijkheid uit te oefenen, dan de vroolijke uitgelatenheid harer vriendinnen.Dat hij tegen haar zin een gesprek met haar aanknoopte, schertsend zich een tijd lang niet haar onderhield, merkte de betooverende Simaetha zonder de minste opwelling van ijverzucht op; want ook daarin was zij het evenbeeld harer meesteres, dat zij voor zulk een hartstocht slechts weinig ruimte had gelaten in hare fiere ziel. Ook zij scheen slechts voor die liefde vatbaar, welke niet gevaarlijk is voor de opgeruimdheid en kalme gemoedsrust. En bovendien, welk eene onbeduidende medeminnares was het herderskind, vergeleken bij die schitterendste parel van Aspasia’s school!Aan de wereld ontrukt vermaakten zij zich daar in vriendelijke afgescheidenheid, wier rust, naar ’t scheen, door niets ter wereld kon gestoord worden.—En toch waren op de onbezorgd zich vermeiende meisjes uit de verte vijandige, loerende oogen gericht.Toen het vroeger vermelde Megarische vaartuig het plezierjacht van Alcibiades voorbij was gevaren, hadden de mannen, die zich daarop bevonden, een bespiedenden blik op het schip van den Athener geworpen.Zoodra zij een eind weegs verwijderd waren, zei een van hen vertoornd en haastig tot zijne makkers:„Hebt gij dien Atheenschen jongeling wel gezien, die daar met jonge hetaeren op de zee dobbert? Dat is die onbeschaamde, nietswaardige meisjesroover Alcibiades! Ik herken hem! Meermalen heb ik hem te Athene gezien. En onder de jonge meisjes bevond zich Simaetha—de geschaakte Simaetha!”„Hoe!” riepen de Megarische mannen in heftigen[215]toorn ontstoken, „hoe? is dat die vermetele, die het meisje uit het landhuis van Psaumias voerde en zich nog steeds ongestraft in het bezit van den buit verheugt?”„Inderdaad,” hernam de andere, „verheugt hij zich nog ongestraft over zijn roof; want hij heeft eene machtige bescherming. Te vergeefs waren, zooals gij weet, alle bemoeiingen van Psaumias en zijne medeburgers, om de uitlevering van het meisje van de overmoedige Atheners te verkrijgen. Meenen die Atheensche honden niet van ouds dat zij met den Megarischen staat den spot mogen drijven? De tijd zal hun eenmaal leeren, dat zij ten onrechte de Dorische stad op hunne grenzen verachten. Voor het oogenblik echter, mijne vrienden, moeten wij ons, wat Simaetha betreft, de voldoening verschaffen, waartoe de gelegenheid zich thans aanbiedt.„Op dat plezierjacht bevinden zich, behalve dien baardeloozen meisjesroover, een ander ongewapend man en de weinige roeislaven, alleen vrouwen. Wij echter zijn mans genoeg, om het geheele schip, als wij het aanvallen, te veroveren: in ieder geval om Simaetha terug te nemen en haar met ons naar Megara te voeren.”Dit voorstel beviel aan de Megarische mannen. Terwijl zij dus raadpleegden, hoe zij het schip zouden aantasten, was het gezelschap van Alcibiades in de kleine baai geland. De Megarensers bemerkten dit uit de verte.„Des te beter!” zei hun aanvoerder. „Wij zullen hier ons schip aan ’t strand verbergen en onzen buit op het land vervolgen. Het meerendeel onzer zal het vaartuig verlaten, om ieder afzonderlijk naar land te sluipen en dan ons twee aan twee op het klippenrijke strand, waar zij verstrooid ronddolen, in hinderlaag leggen. ’t Zal ons gemakkelijk vallen op het juiste oogenblik te voorschijn te springen en van het meisje, waar het ons vooral om te doen is, ons meester te maken, zonder dat de beide Atheensche jongelingen en hunne roeislaven het verhinderen kunnen, ja misschien zonder[216]dat zij het bemerken. Want als wij van een oogenblik gebruik maken, dat Simaetha van hare vriendinnen gescheiden en de aandacht der mannen op iets anders gericht is, gelukt het ons wellicht Simaetha geheel ongemerkt op te lichten en wij zijn dan veilig voor elke vervolging. Zij weten dan niet, waar het meisje gebleven is, vóór wij onzen roof in veiligheid gebracht hebben. Moesten wij echter geweld gebruiken, dan ware het te vreezen,dat die jongelingen misschien van een voorbijvarend Atheensch vaartuig versterking kregen en men ons nog vóór wij het schip bereikt hebben, op zee zelve den buit weder afhandig maakte. Daarom laat ons voorzichtig zijn en uit onze hinderlaag op eene gunstige gelegenheid loeren!”Zóó sprak de bevelhebber van het Megarisch vaartuig en de mannen deden zooals hij bevolen had. Zij verborgen zich afzonderlijk of twee aan twee aan het strand en op de hellingen, en zagen uit hun schuilhoek met scherpen blik naar de argeloos ronddartelende meisjes.Lang wilde het gunstige oogenblik voor de Megarensers niet komen. Eindelijk brak het aan. Simaetha toch, benevens Drosis en Prasina, naderden bloemen plukkende en zich geen kwaad bewust, eene klip, waarachter eenigen der Megarensers zich verscholen hadden. Alcibiades was op grooten afstand met Cora bezig en Callimachus onderhield zich nog steeds met Aspasia bij het grafteeken van het Corinthische meisje.De Megarensers sprongen eensklaps te voorschijn en trachtten Simaetha te vangen.Zoodra deze de mannen, met hun woest uiterlijk, op zich zag afkomen, vluchtte zij onder angstgeschrei weg, gevolgd door Drosis en Prasina, die eveneens de lucht met kreten om hulp vervulden.Simaetha echter snelde hare speelgenootjes verre vooruit in hare haastige vlucht. Reeds had zij bijna de plaats bereikt, waar Alcibiades stond. Deze, zoowel als Callimachus, en de roeiers, die zich bij het schip bevonden, hoorden de angstkreten der[217]meisjes en snelden ijlings ter hulp. Alcibiades droeg altijd een dolk bij zich; onmiddellijk trok hij dien en stormde op de roovers los, gevolgd door de slaven, die zich met de roeispanen hadden gewapend.Doch de Megarensers wilden niet zonder buit het veld ruimen. Zij zetten, daar Simaetha hun ontsnapt was, hare vriendinnen Drosis en Prasina na en grepen haar, daar zij in hare angst, aan schuwe duiven gelijk, niet zoo spoedig hadden kunnen ontvluchten.Dewijl de Megarensers in ieder oponthoud gevaar zagen en om de straks gemelde redenen een openlijken strijd liever vermeden, sleurden zij Drosis en Prasina met zich voort naar het strand, wierpen zich met haar in het schip en voeren in aller ijl naar de baai van Megara, voordat Alcibiades en zijne helpers het jacht hadden kunnen beklimmen om hen te vervolgen.Toch wilde hij, gloeiend van toorn, zich onversaagd in zijn vaartuig werpen, om de roovers na te zetten. Doch toen hij zich hiertoe bereidde, hieven de meisjes een luid geschreeuw aan en jammerden, dat zij op het strand verlaten en misschien aan nog loerende vijanden werden prijs gegeven. Haar echter met zich in het schip te nemen, en zoo de vijanden te vervolgen, scheen Alcibiades niet minder ongeraden wegens den angst der meisjes, die dan zouden meenen, dat zij wellicht den vijand als buit in den mond werden gevoerd. Callimachus, de roeiers en bovenal Aspasia gaven hem in overweging de vervolging op te geven, daar die onmogelijk was en er middelen en wegen genoeg te vinden waren, om den overmoed der Megarensers te tuchtigen.Aspasia was bij ’t zien dier stoute daad der Megarensers verbleekt; maar spoedig verving een blos van gramschap hare ontsteltenis. Zij was nu ’t eerst weder tot zich zelven gekomen en rustig en kalm geworden; bijna lachend verzocht zij Alcibiades onverwijld den terugtocht aan te nemen.[218]Zonder dralen bestegen allen weder het vaartuig en zetten haastig koers naar Athene.„Wraak den Megarensers!” riep Alcibiades en slingerde, recht opstaande in het schip, terwijl hij van wal stiet, een beker tegen de scherpe klippen.„Evenals deze beker op de klip, zal Megara’s machtelooze trots en de trots van al zijne stamgenooten smadelijk verbroken worden op de harde rotsen van de Atheensche Acropolis!”—1In het Grieksch: Simaitha.↑2Niet historisch; Aspasia heeft Pericles een zoon, eveneens Pericles geheeten, geschonken.↑3Het Grieksche „aigialos” beteekent: „strand”; van dit woord is bovengenoemdadjectiefgevormd.↑4Polyphemus, de zoon van Poseidon en de nimf Thoösa, koesterde, volgens eene Siciliaansche legende, een onbeantwoorde liefde voor Galateä, de dochter van Neurens en Doris, daar deze de voorkeur gaf aan Acis den zoon van Faunus en Symaethis. Uit ijverzucht verpletterde Polyphemus hem waarop Acis door Galateä in een vloed of bron werd veranderd. (Fzons Acilius).De schrijfwijze Galatheä verdient afkeuring, omdat het Grieksch luidt: Galateia.↑5Acanthus bij ons „berenklauw” geheeten is eene plant, die deels als bijenkruid, deels om zijn fraaie, kronkelende bladstengels als rand om de tuinbedden geplant en op zuilen, vaatwerk en in borduursel nagebootst werd.↑6Er bestaat werkelijk een verhaal, dat Callimachus door het zien eener bloemenmand, als hierboven is beschreven, op de gedachte kwam het zoogenaamd Corinthische kapiteel te ontwerpen. Dit kapiteel bestond uit acht van buiten aangebrachte en acht binnen in geplaatste acanthusbladeren en bloemstengels, onder eene afgeronde dekplaat. Later werd deze zuil tot geheele kolonnaden gebruikt.↑
[Inhoud]XX.DE SCHOOL VAN ASPASIA.Sedert den dag, waarop de jonge Alcibiades door een discus zijn kleinen makker in het Lyceüm had gewond, was eene reeks van jaren verloopen.De knaap was tot een bloeienden jongeling opgegroeid; want hij had zijn achttiende levensjaar bereikt. Hij was naar Atheensch gebruik met de andere jongelingen, die in ’t zelfde jaar mondig werden, in de volksvergadering voorgesteld, met speer en lans gewapend naar het heiligdom van Agraulus aan den voet der Acropolis gevoerd, hij had daar den plechtigen eed afgelegd, waarmede de nieuwe Atheensche burger zich aan het vaderland wijdde: hij had gezworen zijn wapenen nooit oneer aan te zullen doen en zijn medestrijder in den slag niet te verlaten, te strijden voor de heiligdommen, en, ’t geen allen het dierbaarst is, den Staat, eens onverminderd, ja zoo mogelijk vergroot in macht en eer, aan de nakomelingen achter te laten, dewettendoor het volk gegeven te gehoorzamen en niet te dulden, dat een ander ze schond of trachtte af te schaffen.Maar het vaderland, waaraan de jonge Alcibiades met dezen eed trouw zwoer, stelde voor het oogenblik slechts matige eischen aan zijn ijver en inspanning. De peribolen-dienst, dien de juist mondig verklaarde Atheensche jongelingen vervullen moesten, bestond in kleine tochten voor de inwendige veiligheid van het Attische land, en deze konden eerder als een genoegen dan als een last beschouwd worden.De staat liet den jongen zoon van Clinias voldoende tijd om de genietingen der gulden jeugd te smaken. Met hem was de jonge Callias opgegroeid, die zijn vader Hipponicus een schrielhans noemde, de jonge Demus, de om zijn schoonheid beroemde[186]zoon van Pyrilampes, die insgelijks van meening was, dat zijn vader Pyrilampes van zijne rijkdommen geen goed gebruik wist te maken. Xanthippus en Paralus werden soms door de luim van Alcibiades, die hun den roem van brave knapen te zijn niet gunde, als helpers bij een ondeugenden guitenstreek meegesleept, doch zij moesten zich steeds met een ondergeschikte rol vergenoegen. Want ten eerste ontbrak het den spruiten van Telesippe aan geest en vernuft, en ten andere waren hunne zakken niet zoo gevuld, als die der beide zonen van de rijkste mannen van Athene, noch als die van Alcibiades zelven, wien na zijn mondigheid ook het vrije bezit van zijn vaderlijk erfgoed ten deel was gevallen.Eene eigenaardige liefde had Alcibiades voor den jongen Manes opgevat, den knaap van vreemden afkomst, die Pericles uit den Samischen krijg had medegebracht en wien hij te zamen met zijne zonen en met dien van Clinias in zijn huis had laten opvoeden. Maar alle pogingen van Alcibiades om dezen droomerigen, stillen, eenigszins zwaarmoedigen jongeling in zijn vroolijken kring te lokken, mislukten ten eenenmale.Deze jongeling begon overigens in dien tijd, door eene zonderlinge soort van ziekte aangetast, het voorwerp van eene huiveringwekkende opmerkzaamheid te worden. In hem ontwikkelde zich die raadselachtige neiging, die bekend staat onder den naam van onbewust slaapwandelen of maanziekte. In het holst van den nacht, wanneer alles in sluimering lag verzonken, stond hij op van zijn leger en doorwandelde met gesloten oogen het door de maan verlichte Peristylium, vervolgens beklom hij het plat van het dak en liep daar eenigen tijd heen en weder, altijd met gesloten oogen, en keerde ten laatste naar zijne legerstede terug, even onbewust als hij ze verlaten had. De mare van den slaapwandelenden knaap in het huis van Pericles verbreidde zich in geheel Athene en men begon van dit oogenblik af hem met een zekeren[187]afschuw te aanschouwen, als iemand, die onder den invloed van daemonische machten stond.Had reeds Alcibiades als knaap de algemeene aandacht der Atheners getrokken, ’t was natuurlijk, dat hij nog meer van zich deed spreken, toen zijne kin behaard werd door „het zachte dons der mannelijkheid”. Zijne dolle streken waren het praatje van den dag, en daar hij vroegtijdig geleerd had, hoeveel bekoorlijks de naam van een aardigen deugniet aanbrengt, legde hij zich volstrekt geen dwang op, ja zelfs, wanneer hij een dollen streek had uitgevoerd, waarover de Atheners het hoofd schudden, deed hij dien in het vergeetboek geraken door een nog dolleren te doen. Hij wist immers, dat zelfs zij, die hem laakten, hem heimelijk bewonderden. Menigmaal scheen het, alsof hij eens wilde beproeven, of hij toch niet iets kon doen, wat de Atheners ernstig tegen hem zou kunnen verbitteren. Te vergeefs! Zijne handelingen mochten moedwillig en dartel zijn, als zij wilden, hij zelf bleef altijd geliefd.’t Was nog altijd de lievelingswensch van Hipponicus, dat de schoonste jonkvrouw van Griekenland, zijne dochter Hipparete, de gade mocht worden van den schoonsten Helleenschen jongeling. Hij betoonde zich daarom zoo vriendelijk en voorkomend mogelijk voor den jongen Alcibiades, noodigde hem herhaaldelijk aan tafel en behandelde hem bijna met de teederheid van een vader.Alcibiades maakte zich over hem vroolijk, evenals over ieder ter wereld, en plaagde hem met overmoedige scherts. Eens zond hem Hipponicus kostelijk toebereide visschen op een gouden schotel. Alcibiades hield den schotel en bedankte Hipponicus met de volgende woorden: „’t Is al te vriendelijk van u, dat ge mij behalve den gouden schotel ook nog zulke heerlijke visch daarbij hebt gezonden.”—Hipponicuslachtedat zijn buik schudde, en roemde bij de heele wereld de geestigheid van zijn aanstaanden schoonzoon.—De bevallige jonkvrouw Hipparete zelve, die door[188]haar vader reeds geleerd had den jongen Alcibiades als haar toekomstigen echtgenoot te beschouwen, was heimelijk voor den prachtigen jongeling in minnegloed ontstoken. Zij had hem eenige malen bij openbare feesten gezien. Hij echter spotte met het ingetogen meisje. Hij hield zich voor het oogenblik liever aan de schoone en geestige hetaeren, wier aantal in de stad der Atheners gedurig toenam.Inzonderheid was het Theodota, die den jongen man inwijdde in de mysteriën van het vroolijkste levensgenot. Een tiental jaren was ongeveer verstreken, sedert Alcamenes deze schoone van den rijken Corinthiër als loon voor zijne voortreffelijke marmergroep had bedongen. Thans was Theodota te Athene wellicht niet meer de bloeiendste, zeker echter nog de beroemdste onder hare vriendinnen.Zij was voor Alcibiades het middelpunt van een kring van de weelderigste verkwisting, en het dartelste onbeteugeldste levensgenot. Maar zij was alleen het middelpunt, terwijl de kring zelf zijne grenzen hoe langer hoe wijder uitbreidde.Diophites wreef zich vergenoegd de handen, zeggende: „Theodota richt gewis den veelbelovenden pleegzoon van Pericles ten gronde!”—Maar werkelijke gezondheid, werkelijke kracht en werkelijke schoonheid zijn, naar het schijnt soms onverwoestelijk. De teugellooze Alcibiades bloeide als eene roos in den morgendauw. Hij had dien blos op de wangen, dien de zedepredikers, volgens hun meening, aan den deugdzamen moeten toekennen, terwijl juist de deugdzamen niet zelden met die vale gelaatskleur en doffe oogen rondloopen, die de zedeprediker gewoonlijk als beeld gebruikt, wanneer hij met krachtige trekken den wellusteling wil schilderen.Theodota vervulde hare taak bij den levenslustigen jongeling in den beginne met blijde opgewektheid, doch langzamerhand begonnen in haar hart aandoeningen van een dieperen hartstocht levendig te worden. De ongelukkige! Zoo zeker als het ’t[189]meest benijdenswaardig geluk scheen, door Alcibiades bemind te worden, even zeker was het grootste ongeluk hem te beminnen!—De mondigverklaring van den jongen Alcibiades had weinige dagen na den terugkeer van Pericles en zijne gade van hunne Elische reis plaats gehad. Ofschoon nu de jonge man, in ’t bezit van zijn vaderlijk erfdeel, ophield een huisgenoot van Pericles te zijn, voerden toch de gewoonte en genegenheid benevens de betoovering, die Aspasia noodwendig op hem moest uitoefenen, hem dikwerf genoeg terug naar den drempel van het huis, waarin hij opgevoed was.Kan het bevreemden, dat de vermetele lieveling der Chariten durfde wagen, ook der nog altijd zegevierend schoone gade van Pericles eene soort van hulde te bieden, die hij in de school van Theodota geleerd had? Maar de schoone Milesische was nog steeds te jong, om den onontwikkelden mannelijken bloei verleidelijk, te verstandig om ze in ’t geheel begeerlijk te vinden, en veel te fier, om zich, zelfs de buitengewone schoonheid van den jongeling in aanmerking genomen, voor de zegekar van den baardeloozen vrouwenheld te laten spannen. Zij wist, dat geen vrouw, zelfs zij niet, dezen vluchtigen losbol inderdaad zou kunnen kortwieken, boeien en beheerschen. Grootscher dan het twijfelachtig genoegen ’t getal zijner veroveringen te vermeerderen en bekoorlijker tevens, was haar de gedachte, haar geslacht aan hem te wreken en hem voor eene loszinnigheid te straffen, die hij haar zelve niet mocht doen ondervinden. ’t Kwam haar daardoor niet in de gedachte, tegenover den jongeling dien moederlijk teederen, door ’t verschil in jaren gerechtvaardigden toon aan te nemen, waar onder dikwijls oudere vrouwen hare liefde verbergen, of de rol eener vertrouwde bij hem te zoeken. Zij beantwoordde de beleefdheden van den jongeling eenvoudig door er volstrekt geen acht op te slaan en hem wel is waar niet met moederlijke teederheid, maar toch met moederlijke ernst te behandelen.[190]Dit verbaasde den verwenden, zich zijner zegepralen bewusten veroveraar. Hij gevoelde eene heimelijke spijt, doch de hoogachting die hij der Milesische toedroeg, werd er niet door verminderd, integendeel zij nam er door toe, zonder dat hij er zich ten volle van bewust was. Zoo gevoelde hij zich telkens weder tot Aspasia getrokken en drong haar de rol van vertrouwelinge op, die zij volstrekt niet van plan geweest was te zoeken.Op zekeren dag verbreidde zich door Athene het bericht van een nieuwen streek van Alcibiades, die meer dan alle vorige geschikt was, om de aandacht te trekken en aller tongen in rep en roer te brengen. Er werd namelijk verteld, dat Alcibiades op een uitstapje, dat hij met de besten zijner vrienden naar Megara had gemaakt, zich daar onaangenaamheden op den hals gehaald, ten laatste zelfs een meisje geroofd en mede gevoerd had, hetwelk hij nu bij zich te Athene verborgen hield. Niet gering, zei men verder, was de verbittering der Megarensers, die toch reeds van ouds op de Atheners gebeten waren.Velen spraken reeds over openlijke vijandelijkheden, die ten gevolge van dezen streek der Atheensche jongelingen tusschen Athene en de naburige Dorische stad zouden uitbreken.Alcibiades loochende, wanneer hem er naar gevraagd werd, de zaak volstrekt niet, en vertelde ten laatste de geheele geschiedenis uitvoerig, ja met blijkbaar welbehagen, aan zijne moederlijke vriendin Aspasia.„Wij waren”—zoo sprak hij—„den vervelenden peribolendienst in de landelijke vlekken moede geworden, hoewel wij er ook soms eene kleine afwisseling in brachten, door, in plaats van op stroopers en roovers te loeren, liever jacht te maken op een Thracisch meisje in de boschjes van den Phelleus of op eene jeugdige schoone uit Acharnae.„Zoo besloot ik dan in gezelschap van mijne vrienden Callias en Demus nogmaals een klein zeetochtje[191]voor eenige dagen te ondernemen. Wij hadden ons reeds vóór geruimen tijd een fraai versierd, groot pleizierjacht op gezamelijke kosten laten bouwen, waarmede wij ook soms ter vischvangst gingen. Dit jacht bestegen wij en namen drie Ionische meisjes mede, die, behalve in schoonheid, ook in de muziek- en zangkunst uitmuntten; voorts een paar jachthonden, benevens jachtnetten en werpsprieten; want wij waren voornemens langs die kust te roeien en hier en daar aan land te gaan, om te jagen. Wij voeren door de zeeëngte van Salamis. De „Bacchante”—zoo heette onze bark—danstelustig op de golven.„De bont beschilderde voorsteven, die in een vergulden panther uitliep, waarop eene Bacchante reed, fonkelde in de stralen der zon. Den mast hadden wij, als een Thyrsus-staf met klimop en bloemen omwonden. De bodem van het vaartuig was met tapijten en mollige kussens bedekt. Wij praatten en schertsten en zongen; eene der drie schoonen blies op de fluit, de tweede bespeelde de cither en de derde sloeg het symbaal, zoodat de zee van gezang en muziek en opgeruimde vroolijkheid weerklonk, en wij de nieuwsgierige dolfijnen met de riemen op den kop moesten slaan, om hen te verdrijven en te beletten, dat zij ons jacht omver wierpen of vernielden.„Langs het strand varende, kwamen wij voorbij vele landhuizen. Vóór een van deze hielden wij een oogenblik stil, om de schoone, die het bewoonde, een serenade te brengen. Wij zongen en musiceerden vroolijk. De schoone was verheugd, toen zij het gezang uit de zee vernam en de sierlijk getooide jonge vrienden zag. Glimlachend stond zij op het terras van het huis; wij wierpen haar kransen en kushanden toe. Nu ging het weder verder zeewaarts. Brandend stak ons de zon, doch wij wisten ons te helpen. Wij spanden de oppergewaden onzer vriendinnen en onze eigene boven onze hoofden, om de zon af te weren. ’t Was een schoon gezicht, zooals het vaartuig met die wimpels en[192]zeilen getooid, de met purper getinte baren doorkliefde. ’t Scheen als zou men straks het heldere, verleidende lachen eener Sirene vernemen. Wij waren juist in de Halcyonische dagen, gedurende welke de windstilte heerscht en de ijsvogel broeidt. Wij hadden de zeeëngte van Salamis achter ons en het Megarische strand rechts voor oogen. Hier begonnen de kusten eenzaam en eentonig te worden; van tijd tot tijd drongen de tonen eener herdersfluit tot ons van de glooiende bergen en men zag kudden van runderen, lammeren en geiten grazen. Wij legden hier en daar aan en vermaakten ons op allerlei wijzen. Wij vingen visschen met angels, die wij van de rotsen aan lange koorden in de zee wierpen, en vingen eenige wilde ganzen, eenden en trapganzen met strikken.„Toen wij juist weder ons schip hadden bestegen, om de reis in de richting van Megara voort te zetten, ontmoette ons een pleizierjacht, dat in sierlijkheid en weelderigen tooi voor het onze volstrekt niet onderdeed. In dit prachtige vaartuig zat een bedaagd man, met een bekoorlijk schoon meisje aan zijne zijde. Het gezicht van dit meisje deed mij in fellen minnegloed ontsteken. Doch al te vluchtig was de ontmoeting. Snel gleden de beide vaartuigen langs elkander; de Megarische bark zeilde onmiddellijk om eene vooruitstekende rots en verdween uit onze oogen.„Wij gingen weder aan land op eene plaats, die ons bijzonder aanlokte. Daar was eenig kreupelhout, ’t geen onze honden aanstonds doorsnuffelden. Na weinige minuten joegen zij een haas op; wij grepen naar onze jachtnetten en sprieten en in de hoop, het dier machtig te worden, achtervolgden wij het en lieten onze vriendinnen in de nabijheid van het vaartuig achter. De haas werd door de honden uit het bosch in de velden en weilanden gedreven. Terwijl zij onder luid geblafvoortsnelden, brachten zij de herders en hunne kudde in rep en roer. De honden stoven zelfs midden door een kudde geiten, zoodat deze verschrikt uit elkander[193]vlogen en sommigen tot aan de zee afdwaalden. Vertoornd over de verstrooiing zijner kudde, greep de herder een scherpen steen, die juist voor zijne voeten lag, wierp hem naar een der honden en trof hem doodelijk aan den kop. Het was de trouwe Phylax, die alle eigenschappen bezat van een voortreffelijken jachthond.„Toen wij het voorgevallene uit de verte zagen, lieten wij den haas loopen en ijlden gloeiend van toorn, op den geitenhoeder los. Deze echter had inmiddels andere herders ter hulp geroepen en wij zagen, toen wij aankwamen, een dreigende menigte tegenover ons. Evenwel maakten wij aanstalten, om met onze jachtsprieten op hen los te gaan. Op dit oogenblik kwam een slaaf in allerijl uit het nabijgelegen landhuis aanloopen, om in naam van zijn heer te vragen, wat dit rumoer beteekende. Toen wij van den slaaf vernamen, dat de geitenhoeder in dienst was bij den heer van dat landgoed, verlangden wij met dezen te spreken, om voldoening voor het doodelijk gewonde dier te erlangen. Wij volgden den slaaf en toen wij het landgoed naderden, ’t welk een statig aanzien had en zich als het eigendom van een vermogend man voordeed, verbaasde het ons niet weinig, in den naast het huis gelegen tuin juist dienzelfden grijsaard en dat bekoorlijke kind te zien rondwandelen, die wij kort geleden op de zee hadden ontmoet. Wij verhaalden den man het gebeurde en zeiden, dat wij van plan waren ons op den herder te wreken. De oude man, als Megarenser een verklaarde vijand van de Atheners, antwoordde in onheusche bewoordingen. De herders, die in groote menigte ons op den voet gevolgd waren, beschuldigden ons met hevig misbaar hunne velden verwoest en hunne kudden verstrooid te hebben. Met behulp der huisslaven, die door wenken en teekenen van hun meester aangespoord waren geworden, onder smaadredenen en scheldwoorden op ons indringend, waren wij genoodzaakt voor de overmacht te zwichten en zonder eenige voldoening de plaats te verlaten.[194]„Hoe zeer ook door de omstandigheden opgewonden, had ik toch niet verzuimd eenige blikken op de jeugdige schoone te werpen, die zich nog steeds in den tuin bevond en met een gevoel van nieuwsgierigheid en schrik den twist had aanschouwd. Met mijne makkers teruggekeerd, deelde ik hun onmiddellijk mijn besluit mede, om mij op den nietswaardigen Megarenser te wreken. Het schoone kind hield ik voor een gekochte lievelingsslavin. Mijn plan was: mij met mijne vrienden een tijdlang in de nabijheid verborgen te houden en het oogenblik te bespieden, waarop het landhuis onbewaakt was en het meisje zich alleen in den tuin zou bevinden, dan haar ijlings te overvallen en haar te ontvoeren.„Eerder dan wij gehoopt hadden, vond ik de gewenschte gelegenheid. Voordat de tweede dag nog verloopen was, hadden wij het meisje ontdekt, aangegrepen, door een doek voor den mond het schreeuwen belet en in vliegenden haast op het onder eene rots verborgen schip gebracht.„Onder beschutting der ingevallen schemering ontvluchtten wij, met den liefelijken buit aan boord, en forsche roeislagen brachten ons snel van de Megarische kusten.”„En het meisje?” vroeg Aspasia.„Schikte zich in haar lot,” hernam Alcibiades, „hoewel zij niet, zooals wij gedacht hadden, eene gekochte lievelingsslavin was, maar eene vrij geborene, de nicht van dien verwenschten Megarenser. Simaetha1is haar naam en ik noem haar de bekoorlijkste der Helleensche—neen, niet der Helleensche vrouwen, maar toch zeker debekoorlijkste derHelleensche jonkvrouwen!”Megara! Dit woord had een eigenaardigen klank voor Aspasia’s oor. Met onmiskenbare teekenen van belangstelling had zij het verhaal van den koenen jongeling aangehoord.Zij vroeg met bijzondere nieuwsgierigheid naar[195]de eigenschappen van het meisje. Alcibiades schilderde haar schier in ideale trekken.Aspasia verlangde Simaetha te zien. De schaker was aanstonds bereid haar wensch in te willigen. Hij bracht Simaetha tot haar. Het meisje was beeldschoon, zoodat Aspasia zelve er verbaasd van stond. Maar het geheel geleek op een ongeslepen diamant. Immers zij was te Megara opgevoed. Het was tijd voor haar geworden, dat zij werd geschaakt zoo niet deze parel in de verborgenheid zonder glans of heerlijkheid zou te loor gaan.De rijke Megarenser had haar als een jong meisje in zijn huis opgenomen. Zij had het bij hem beter gehad dan eene slavin, maar niet zoo goed als eene dochter.Hij scheen, met het oog op haar veel belovende schoonheid, haar willens of onwillens, alleen tot een voorwerp om zijne lusten te bevredigen, te willen opvoeden. In geen enkel opzicht geleek de oude Megarenser op den edelen grijsaard van Milete, den bekendenPhilammon, dien Aspasia in het verhaal van de geschiedenis harer jeugd aan Pericles met zulk eene warmte had geprezen. Simaetha haatte hem en verklaarde, dat zij zich liever wilde dooden, dan ooit weder in het huis van haar opvoeder terug te keeren.Aspasia’s scherpe blik merkte de kiemen van vrouwelijke voortreffelijkheid van den hoogsten rang op in het karakter van het jonge meisje, dat nog nauwelijks haar zestiende levensjaar was ingetreden. Uit hare oogen schitterde evenveel geest, als schoonheid uit hare trekken. Aspasia brandde van begeerte om deze heerlijke kiemen te ontwikkelen. Spoedig was haar besluit genomen. Zij zeide tot Alcibiades:„Het meisje is uw eigendom: niet zoozeer door den roof, dien gij op haar gepleegd hebt, als wel door haar eigen bepaald uitgedrukten wil, om niet meer in het huis van den Megarenser terug te keeren. Maar gij zijt haar nog niet waardig. Voor knapen van uw soort zijn edele, bloeiende meisjes,[196]ja zelfs het onnoozele dochtertje van Hipponicus, veel te goed. Vrouwen van Theodota’s slag zijn voor u en uws gelijken bestemd: aan dezen moogt gij, om zoo te zeggen, de horens van uw overmoed afslijpen. Overigens zoudt gij u over het bezit van Simaetha, zooals zij nu is, maar half verheugen. Weldra zoudt gij haar moede worden; want onontwikkeld liggen in haar nog de kiemen van die eigenschappen, welke noodig zijn om niet de oververzadiging ten laatste de heerschappij te doen verkrijgen over de liefde. Vertrouw mij het kind eenigen tijd toe. Geef mij den schat, die gij buit gemaakt hebt, ter bewaring; beleg om zoo tezeggen, uwe bezitting op renten: gij zult ze, als de tijd om is, vertiendubbeld aan waarde uit mijne handen terug ontvangen.”Alcibiades was te jong en te lichtzinnig, dan dat het hem zwaar had kunnen vallen het verhavende meisje voor eenigen tijd zijn huis te doen verlaten en Aspasia toe te vertrouwen.„Ik ben bereid,” zeide hij, „mijn kostbaren schat bij u op renten te zetten. Ik weet vooruit, dat die renten mij rijkelijk schadeloos zullen stellen voor de korte ontbering, die toch immers niet eens eene volledige zal zijn, daar gij mij ongetwijfeld zult toestaan het schoone kind in uw huis te komen bezoeken.”„Waarom niet?” hernam Aspasia; „gij moogt gedurig getuige zijn van hare vorderingen.”Simaetha werd bij Aspasia gebracht. Pericles had in den beginne zijne toestemming geweigerd; doch zijn gemoed was zoo wonderlijk zacht en teeder, dat hij ten laatste op het herhaald aandringen van Aspasia haar verzoek inwilligde, evenwel onder voorwaarde, dat het meisje slechts zóó lang in zijn huis zou vertoeven, totdat over hare al of niet uitlevering zou zijn beslist. Waren de Megarensers niet zoo gehaat geweest te Athene, dan zou men de toegevendheid van Pericles, die, uit liefde voor Aspasia, aan het meisje eene wijkplaats in zijn huis verschafte, zonder twijfel scherper beoordeeld[197]hebben, dan thans geschiedde.Men was reeds sedert geruimen tijd te Athene begonnen te spreken van eene school van Aspasia, en meer dan ooit was er van nu af reden voor dien naam.Er waren thans inderdaad niet minder dan vier meisjes in den eersten bloei der jeugd, die in het huis van Aspasia onder de onmiddellijke hoede der Milesische leefden. Bij hare Milesische nichtjes, die reeds langeren tijd bij haar vertoefden, en de Arcadische Cora, die zij van hare Elische reis had medegebracht, had zich thans het meisje uit Megara gevoegd.Ten volle beantwoordde de naam van school aan de innerlijke bedoeling van Aspasia. Hare persoonlijke bemoeiingen, om de vrouwen te Athene te veredelen, te bevrijden, in één woord eene hervorming te dien opzichte tot stand te brengen, waren met een zeer twijfelachtigen uitslag bekroond. De krachtige drang harer ziel gunde haar echter geen rust. Zij was tot de overtuiging gekomen, dat het eene vergeefsche poging was de gerijpte en reeds gevormde vrouw te willen hervormen. In den ontluikenden leeftijd, meende zij, moest de kiem daartoe gelegd worden.Geen hetaeren wilde zij opvoeden, maar voorvechtsters en medearbeidsters, die door geest en schoonheid op gelijke wijze als zij zelve in staat zouden zijn invloed te oefenen. In de school, die zij stichtte, moest hare overlevering levendig gehouden en van daar uit verder verbreid worden. Door eene samenwerking van vereende krachten in haar geest moesten eindelijk de vooroordeelen vallen, en de volkomen zegepraal van geest, schoonheid en vrouwelijkheid behaald worden.De gedachte aan de vooroordeelen, die in een ander opzicht uit deze hare school zouden kunnen voortvloeien, hoewel niet bij haar op den voorgrond staande, was evenwel niet geheel vreemd bij de fiere, schrandere Milesische. Hare leerlingenkonden, evenals hare meesteres, machtige en[198]uitstekende mannen tot echtgenooten verkrijgen, de heerschappij van Pericles helpen verzekeren en bevestigen, en door haar invloed den tegenstand zijner vijanden bestrijden.Maar vond de gade van Pericles er geen bezwaar in, een aantal jeugdige, bekoorlijke meisjes onder de oogen van haar echtgenoot om zich te verzamelen? Deze fiere, koene, naar machtige doeleinden strevende ziel was verre verheven boven laffe overwegingen en kleingeestige gevoelens; zij joeg niet, als een gewone vrouw, enkel persoonlijke voordeelen na, maar voor eene grootsche gedachte leefde en werkte zij. En zij wist dat Aphrodite’s gordel nog altijd in hare macht was; dat hij in hare hand nog niets van zijne bekoorlijkheid had verloren. Zij wist, dat zij nog lang de meesteres onder hare leerlingen zou blijven en dat dezen eerst worden moesten, wat zij reeds was. En wat inzonderheid Pericles betrof, zij had de overtuiging, dat niets ter wereld de tooverketen kon verbreken of verzwakken, waarmede zij zijn hart had gekluisterd en die door de gewoonte al hechter en hechter was geworden.Eene gril der natuur had Aspasia de moederweelde ontzegd2. Zij verdroeg het zonder klagen. Was ’t haar niet vergund vrouwelijke telgen van haar schoot tot haar evenbeeld op te leiden, het lot had haar in die veel belovende bloeiende meisjes eene vergoeding gegeven,waaraanzij naar hartelust de tooverkracht harer vormende meesterhand kon beproeven.Muzen en de Chariten schenen van den Olympus neder te dalen en zich als ’t ware in Aspasia’s school als leermeesteressen aan te bieden. Daar werd de verheven leer verkondigd, hoe de natuur tot edele kunst gelouterd moest worden en de kunst weder tot natuur. Daar werd de eenheid van al het schoone begrepen en verwezenlijkt: daar werd de muziek,[199]een dans der zielen en de dans eene muziek der lichamen—daar werd de schoonheid poëzie en de poëzie betooverende schoonheid.Aspasia’s streven was ’t in hare leerlingen door de schoonheid en om de schoonheid den geest op te wekken en dien opgewekten geest te veredelen en vrij te maken.Als middel om den geest wakker te schudden diende haar echter niet alleen elke soort van kunst; ook de rijke hulpbronnen van wijsheid, kennis en wetenschap werden als vruchtbaar zaad op de vleugels der Eroten in de school van Aspasia binnengedragen. Uitgesloten alleen was het ernstige, het strenge, het sombere. Vroolijkheid bleef gepredikt als de hoogste wet der schoonheid en des levens.Wat Aspasia haren leerlingen boven alles leerde, was dit, hoe dwaas het was, allen invloed van hare bekoorlijkheden te verwachten. Zij toonde haar aan, dat deze nog lang niet op zich zelven alleen het beminnelijke uitmaakten. Zij zeide haar, dat schoonheid eene deugd is, die, als elke andere, geleerd, geoefend en aangekweekt moest worden. Zij maakte haar duidelijk, dat de geest de echte kruiderij is, die aan de schoonheid gepaard, haar frisch deed blijven. „Eene onnoozele schoonheid,” sprak zij, „veroudert spoedig en weldra verwelkt ook de bekoorlijkheid, die door de laagheid als een verpestende walm wordt omgeven. Niets vernietigt zoo snel den bloei, als een stompzinnig voortleven in geestdoodende alledaagschheid. Schoon te zijn, zeide zij, is geen toestand, maar een handelen, een werken. Schoonheid is de hoogste macht en haar invloed berust op de samensmelting der edelste vermogens—op eene bekoorlijke en harmonische ontwikkeling van lichaam en ziel. Zij is geen dood pronkstuk, geen onbewegelijk licht: integendeel, evenals het zonnerad, een levend stralenspel, een spattende vonkenregen.„Men kan zich de schoonheid niet onmiddellijk geven,” placht zij ook te zeggen, „maar men kan overal het leelijke uitroeien, temperen, verzachten.[200]Niet te dikwerf kunt gij in den spiegel zien: niet om op te merken hoe schoon gij zijt, maar om uwe leelijkheid te bespieden. Alleen dan zult gij ervaren dat niemand altijd schoon en niemand altijd leelijk is—dat de bloei van iedere schoonheid wel honderdmaal in den loop van den dag in gedaante en kleur verandert, dat zij, aan zich zelve overgelaten, geen stand kan houden, maar wankelt; dat eene schoonheid, die zich harer macht bewust, de hand in den schoot kan leggen, een droom is van zottinnen, en dat schoon te zijn eenemoeilijkekunst is zelfs voor de schoonsten. Laat onder geene vermomming het leelijke ingang bij u vinden! Want talloos zijn zijne gestalten, talloos zijne vormen! Het leelijke is een daemon, met wien wij iederen dag worstelen moeten, als hij ons niet besluipen en overweldigen zal. Het meest echter keert hij uit de hinderlaag der ziel zijne doodelijke wapenen tegen den bloei des lichaams.”Maar niet met vermanende woorden alleen, ook metterdaad ondersteunde Aspasia hare leerlingen in den strijd tegen dien sluwen, dreigenden daemon. Zij vorschte de kiemen en sporen van elke leelijkheid na, evenals de overheid den dief. Gelijk een schoolmeester een stok of roede, zoo had zij een kleinen, zilveren spiegel in de hand en hield dien de schuldige voor, wanneer slechts eene sprank van leelijkheid, naar lichaam of ziel, zich vertoonde. Zoo leerde zij die jeugdige meisjes zelfbeheersching, onderdrukking van iedere opkomende luim en hartstocht, rust, vroolijkheid, gelijkmatigheid van lichaam en ziel.Van de beide nichten van Aspasia legde de eene, Drosis, een schitterenden aanleg voor den mimischen dans aan den dag. Prasina daarentegen muntte voornamelijk uit door vaardigheid in zang en snarenspel. Doch Aspasia gedoogde niet, dat eene van beiden zich uitsluitend op de ontwikkeling van eene dergelijke eenzijdige kunst toelegde. Zij verlangde van ieder, dat zij niet door de beoefening van ééne bepaalde kunst, maar door eene harmonisch ontwikkelde[201]persoonlijkheid zou trachten te behagen. „Eenzijdige beoefening der kunst,” zeide zij, „geeft altijd aanleiding tot mindere ontwikkeling van het karakter zelf en zijne harmonische vorming.”Drosis was van nature betooverend door hare bevalligheid. Hare gestalte was slank en sierlijk, zoo aetherisch licht en zwevend, dat zij, door de velden wandelend, even als eene nimf, geen grashalm noch bloem scheen te kunnen knakken. Hare ledematen hadden die rankheid, die jeugdige fijnheid en bevallige teederheid, welke de zinnen nog veel meer bekoort dan plompe weelderigheid.Prasina was haar gelijk in schoonheid, maar zij bezat boven haar eene heldere zilveren stem, waarmede zij, de liederen vanSapphobij de luit zingend, ieders oor verrukte. Is er in ’t algemeen wel iets liefelijkers dan de heerlijke tonen van de stem van een zestienjarig meisje? Prasina’s stem overtrof in liefelijkheid, smeltende zachtheid en warmte de stemmen der nachtegalen in de Cephissus-dalen.Maar de bekoorlijke Drosis, de vurige Prasina, zij werden weldra door den heerlijk zich ontwikkelenden bloei van Simaetha overschaduwd. In Simaetha’s gestalte, in hare trekken was de edelste, Helleensche betooverende schoonheid van vormen in de zuiverste lijnen uitgedrukt. Trekken van deze verwonderlijke zuiverheid hadden zelfs de meesters der beeldhouwkunst zich nauwelijks kunnen voorstellen. Zij bezat die onbeschrijfelijke helderheid die glinsterende en toch ietwat mijmerende vochtigheid van ’t oog, die soms bij meisjes in den teederen bloei der jaren een wegsleependen invloed kan oefenen. Maar evenals in uiterlijk schoon, kwam ook in geest en gemoed Simaetha hare meesteres Aspasia het meest nabij. Innig verwant scheen zij haar door hare geheele ontwikkeling in gevoel en denken. Niet minder dan de Milesische beloofde zij eene verpersoonlijking van den echten levenslust en den schoonheidszin van den Helleenschen geest te worden. Met gloeiende geestdrift begreep zij terstond de gedachten van Aspasia. Zij overtrof in[202]helderheid van verstand hare medeleerlingen verre. Zij beminde de kunsten, en voor de beeldhouwkunst scheen zij het onvergelijkelijk scherpe kennersoog van Aspasia te bezitten. Ook daarin kwam zij met hare meesteres overeen, dat zij op geen enkele afzonderlijke kunstvaardigheid bijzonderen nadruk legde, maar allen gaven tot eene schoone harmonie ontwikkelde. Zoo was zij dan de parel van de school der Milesische, die haar bijna met de teederheid eener moeder liefhad en hare schoonste verwachtingen op haar stelde.En Cora, het meisje uit Arcadië? ’t Was moeilijk te zeggen of men haar tot de school van Aspasia mocht rekenen. Toen Aspasia haar uit haar Arcadisch geboorteland had weggevoerd, prikkelde haar juist de ruwheid der stof, om er hare vormende en ontbolsterende kunst aan te beproeven. Maar de ruwheid der stof scheen weldra grooter nog dan het meesterschap van Aspasia’s vormende kunst. Cora was doorgaans een voorwerp van spot bij hare speelgenootjes en men verlaagde haar bijna tot eene dienstmaagd. Maar toch had het meisje uit Arcadië ook iets in haar wezen, dat haar nooit geheel tot eene slavin liet vernederen. Niet bekoorlijk was zij, niet van edelen lichaamsbouw, niet opgewekt van geest, maar ernstig en peinzend, en het eigenaardige in haar wezen, dat zij mede naar Athene gebracht had, bleef onveranderd. Zijverraste, door stralen en vonken van geest en gemoed, die altijd iets oorspronkelijke en ongewoons hadden, en steeds eene bijzondere soort van belangstelling voor haar opwekten. Zij scheen als een wezen uit eene vreemde, tot heden nog onbekende wereld.Aspasia vond het raadzaam hare kweekelingen, tegen de Atheensche zeden en ondanks haar jeugdigen leeftijd in den vrijen, ontwikkelden omgang met de wereld en de menschen te brengen. Thans evenals vroeger bezochten haar huis mannen van uitnemenden geest, door wier gesprekken de zielen der meisjes vroegtijdig boven de platte alledaagschheid[203]verheven en in hoogere sferen opgevoerd werden. Maar ook bezoeken van vrouwen waren niet uitgesloten. Wie van die uitstekende mannen eene schoone vriendin in dezen kring wilde binnenleiden, dien werd het volgaarne toegestaan. Onder hen, die van die vrijheid gebruik maakten, bevond zich die jonge beeldhouwer en architect Callimachus, die een verwend beeldschoon, jong meisje, Philandra genaamd, van Corinthe naar Athene had gebracht. Hij hield hartelijk veel van het meisje en scheen besloten haar tot zijne echtgenoote te nemen. Doch Philandra, van nederige en arme afkomst en nog in hare prille jeugd, miste eene beschaving en ontwikkeling, die haren vriend waardig was. Hoe kon haar die beter ten deel vallen, dan door het verkeer met de omgeving van Aspasia? Deze achtte het natuurlijk niet beneden zich den kring harer school ook buiten hare woning uit te breiden.Philandra was eene schoonheid van weelderige, maar toch edele vormen. Zij verried een heftig, ja hartstochtelijk karakter en scheen door haar statig voorkomen ouder dan zij werkelijk was.Zoo was dan, om zoo te zeggen, een vrouwelijke Olympia in Aspasia’s woning neergedaald. De jonge Alcibiades placht de meisjes naar de Godinnen te noemen, met wie zij de meeste gelijkenis hadden. Kunstenaars werden in dezen Olympus tot het scheppen van schoone beelden ontvonkt, dichters tot zoetklinkende liederen bezield. Doch overmoed en al wat onedel was bleef verbannen uit dezen schoonen kring, Aspasia’s blik wist zelfs den koenen, hartstochtelijken Alcibiades in toom te houden en steeds hield de priesteres der schoonheid ook de teugels van de edele juiste maat in de hand. Altijd bleef Aspasia gedachtig, wat zij aan de eer van ’t huis haars gemaals verschuldigd was. En zij wist te voorkomen, dat de school, die zij om zich verzameld had, haar echtgenoot ooit de de minste aanleiding gaf tot verwijdering, die allicht tot eene noodlottige scheiding zou kunnen voeren.[204]Op zekeren dag noodigde de jonge Alcibiades Aspasia en hare meisjes tot een pleiziertochtje met zijn jacht uit. Aspasia nam de uitnoodiging van den jongen man aan, onder nadrukkelijke voorwaarde, dat hij niemand van zijne overmoedige makkers zou mede nemen.Op een zomermorgen, terwijl de frissche dauw zich parelde op blad en halm, besteeg Aspasia met Drosis, Prasina, Simaetha en Cora het schip van Alcibiades. Bij haar sloten zich nog Callimachus en Philandra aan, en in gezelschap van Philandra eene vriendin van haar, Pasicompsa geheeten, die, evenals Philandra zelve, bij Aspasia was ingeleid en door deze waardig geacht eene plaats onder hare leerlingen te nemen. Behalve de genoemden en eenige slaven, om te roeien, bevond zich niemand op het schip.Men voer het strand langs en geraakte weldra in de schoone bocht van Salamis. Links zag men de groene in den morgendauw schitterende eilanden, rechts het Attische strand met zijne aegaleïsche3heuvels.Niets vermag de ziel vriendelijker en harmonischer te stemmen dan een spelevaart over eene zonnige, blauwe zeegolf. En geen heerlijker azuur wordt er gevonden, dan dat van Salamis’ zeeboezem. Zoo smaakte dan ook het gezelschap van Alcibiades, zich wiegelend op de baren der zee onder dien heerlijken hemel, een onbeschrijfelijk, een zalig genot. Boven hunne hoofden het blauw van den aether, onder zich het hemelsblauw der zee, dreven zij als het ware tusschen twee hemelen, zich wiegelend in eene zalige azuur. Of dat van den aether dan wel dat van de zee bekoorlijker was, wisten zij niet en zij vroegen er ook niet naar; zij zagen alleen, dat somwijlen de vogels voor een oogenblik uit den blauwen aether in de zee neerdoken, als om hare bekoorlijkheid te onderzoeken, terwijl de[205]visschen daarentegen uit de blauwe zee somwijlen oprezen en voor een oogenblik met de koppen lustig in den blauwen aether voortzwommen, als om eene vluchtige, heerlijke teug daaruit in te zwelgen.Het gezelschap op het schip van Alcibiades geleek op de vroolijke visschen en vogels, die zich in de bekoorlijkheid van zee en aether verlustigden en verkwikten. Zij zogen in volle teugen al dat heerlijke in en dachten daarbij zoo weinig om de buitenwereld en zich zelven, als die vogels en visschen. De jeugdige, bevallige kweekelingen van Aspasia zagen van het scheepsboord omlaag naar de schoone zee, doch alleen om hare lieve gezichtjes daarin te spiegelen.AlleenCora zag, als zij in den vloed nederkeek, niet haar gezicht, maar de zee zelve. In haar gemoed alleen werd de betoovering der zee met levendigheid gevoeld.De andere meisjes spiegelden zich in de zee, de zee echter spiegelde zich in Cora.De indruk steeg in haar gemoed schier tot vrees.Want zij begon ten laatste met eene soort van angst in hare trekken naar de diepte der zee te luisteren. En toen men haar glimlachend vroeg, of zij soms de stemmen van verleidelijke Sirenen uit de diepte hoorde, bevestigde zij dit, waarover haar speelgenooten in een helderen lach uitbarstten, die verre over de zee klonk.Wellicht gelokt door de muziek dezer stemmen, werd het jacht door een dolfijn gevolgd, die geheel over den waterspiegel daarheen gleed. Een vogeltje, dat zich te ver van ’t land in de zee had gewaagd, zette zich een oogenblik, als om te rusten, op zijn rug, zonder dat hij het bemerkte.Juist toen de zilveren lach over Cora op het vaartuig van Alcibiades weerklonk, stevende een groote koopvaarder het jacht voorbij. Daar de koopvaarder zeer dicht langs het jacht voer, konden zijne bemanning en het gezelschap van Alcibiades elkander zeer goed opnemen. De mannen op de koopvaarder hadden een ruw, woest uiterlijk en wierpen[206]donkere blikken van onder hunne borstelige wenkbrauwen op het jacht van Alcibiades, bijna dreigend alshavikenop eene vlucht duiven. Daar echter de koopvaarder veel sneller roeide, liet hij weldra de bark achter zich en het vroolijke gezelschap sloeg geen acht meer op hem. Callimachus meende er een Megarisch schip in herkend te hebben.In eene kleine bocht werd geankerd en men besloot aan land te gaan, om zich daar eenigen tijd op het vriendelijk uitnoodigend strand te vermeien. ’t Was juist de plaats, waar men den in de rots uitgehouwen zetel van den Perzischen koning Xerxes toont, op eene helling der aegaleïsche bergen, den zetel, dien de groote koning, toen hij zijne vloot hier tot den beslissenden slag geschaard had, op het glooiende strand besteeg en vanwaar hij, eerst met fier vertrouwen op de overwinning, en vervolgens met steeds toenemende ontzetting de vreeselijke vernieling zijner macht bij Salamis had aanschouwd. Callimachus en Alcibiades geleidden Aspasia en de meisjes op den in de rots gehouwen zetel, en Alcibiades verlangde van Aspasia, dat zij als de waardigste daarop plaats zou nemen. Aspasia gaf aan de uitnoodiging gehoor. Callimachus zette zich aan hare zijde. De meisjes met Alcibiades vlijden zich in eene bekoorlijke groep om haar heen.Boschjes van zeegras en mirtestruiken, vol donkere en lichte bessen, schoten op tusschen de klippen.Er lag een wondervolle vrede over het zonnige land en de fonkelende zee uitgebreid. Dubbel bekoorlijk scheen van deze hooge plaats het tegenover hen opdoemend Salamis. Tusschen het eiland en het vaste land blauwde de zee, door geen windje gerimpeld. Zilverheldere, glinsterende strepen doorsneden hier en daar het diepe azuur, als schitterende bruggen. Geen geluid werd er vernomen in de gansche verte dan het ruischen van de in gelijkmatigenrhythmusaan- en terugklotsende golven[207]bij het strand en van tijd tot tijd het gekrijsch eener meeuw, die zweefde over de klippen.„Bij alle zeenimfen!” zei Alcibiades: „het is hier zoo vreedzaam, als aan het Siciliaansche strand. Men zou meenen, dat hier ergens in de nabijheid de verliefde CycloopPolyphemusmoest zitten, starend op de zee, waar het beeld van Galateä4, zich spiegelt in den vloed, terwijl zij met lichten voet daarover zweeft. De hond van den plompen herder loopt blaffend langs het strand haar te gemoet, doch de nimf overstelpt lachend den liefdebode met eene aanrollende schuimende golf zoodat hij druipstaartend terugloopt.”Inderdaad, hier heerschte eene zalige stilte, waarvan men niet gelooven kon, dat zij ooit verstoord was noch ooit verstoord kon worden.Aspasia wierp van haar in de rots gehouwen zetel een blik naar de bergen van de Peloponnesus.„Als ’t mogelijk is,” sprak zij, „al het onaangename en sombere, dat ik ginds aan gene zijde der bergen gezien en doorleefd heb, uit mijne ziel weg te vagen, dan moet het in deze ure zijn. Te glansrijk is de zee aan dit strand en den aether daarboven, dan dat hier ooit als ginds het sombere de overwinning zou kunnen behalen. Ik daag u moedig uit tot den strijd, ruwe sombere Peloponnesus!”„En ik met u!” riep Alcibiades en stak de vuist uit tegen de Argolische bergen.„En ook wij allen!” riepen de meisjes lachend.Op dit oogenblik viel Aspasia’s blik, rechts afdwalend, op het Megarisch vaartuig. Het scheen thans klein op den grooten afstand. Het scheen stil te liggen. Aspasia’s fiere, schier minachtende blik wendde zich er weldra van af. In hare oogen bliksemde thans iets van dien overmoed, die het hart des Perzischen konings vervulde, toen hij van dezen zetel op zijne vloot nederzag.[208]Een slaaf bracht op bevel van Alcibiades een zak met kostbare lafenis en weldra schuimden de bekers en een vroolijk rondgezang klonk over de golven. Bekoorlijk schalde het lied der vreugde over de schoone eenzame golven, en van verre werd het weerkaatst door den kalmen zeeboezem.Door den geest van Dionysus gedreven, verstrooiden de meisjes zich deels op het schelprijke strand, deels op de hellingen, waar, tusschen de rotsen, geurige kruiden opschoten. Zij geleken op fladderende vlinders, geplaagd, vervolgd door Alcibiades.Nu eens liepen zij onder luide kreten naar elkander, om een dood zeedier te bewonderen, een polyp of een dolfijn, die vroeger, het zilte nat doorklievend, de kleinere zeedieren schrik had aangejaagd of de dochters van Neres op zijn rug gedragen, doch thans door eene schuimende golf op het rotsachtige strand was geworpen. Dan weder gingen zij zitten en Alcibiades verhaalde de aandachtig luisterende meisjes zonderlinge jachtavonturen: bijvoorbeeld, hoe hij onlangs eens aan ’t strand een grooten polyp en een haas te gelijk had buit gemaakt, toen hij met de hengelroede een polyp uit het water op het land slingerde en deze juist op een haas neerviel, die in ’t gras sluimerend verscholen lag en onmiddellijk door de honderd armen van den polyp omkneld werd.Inmiddels onderhielden zich Aspasia en Callimachus.De verhouding van Callimachus tot de schoone gade van Pericles was van een zonderlingen aard. Hartelijke vriendschap verbond hem met Alcamenes, en door dezen ingelicht van alles, wat er tusschen een mededinger van Agoracrites en de schoone Milesische was voorgevallen, had hij uit Corinthe, vanwaar hij kwam, een vooroordeel, ja bijna een heimelijken wrok tegen Aspasia medegebracht. Na het heftige tooneel, dat tusschen Alcamenes en Aspasia te Olympia had plaats gegrepen en waarvan Callimachus eveneens kennis had gekregen, had hij met[209]zijn vriend eene soort van wraakverbond tegen de Milesische gesloten. Te Athene gekomen, kwam hij weldra met haar in aanraking, en, door hare betoovering aangetrokken, vergat hij ten halve, maar ook slechts ten halve, die wraakgedachten.Aspasia zelve bracht het gesprek op Alcamenes en roemde de vlucht zijner levendige phantasie.„Gij doet er wel aan,” zeide zij, „dat gij de vriendschap met dien man aanhoudt en mij dunkt, dat eene zekere verwantschap van zielen u tot elkander heeft gevoerd. Want, evenals hem, schijnt ook u eene levendige zucht te bezielen, om de kunst op eene nieuwe baan te leiden.”Aspasia zinspeelde met deze woorden op het feit, dat Callimachus de beitel niet meer voldeed, dat hij meer met de boor arbeidde en de détails zijner gewrochten met eene zoo schitterende kunstvaardigheid afwerkte, als men het vóór hem nog nooit gezien had.„Wanneer men mij toegeeft,” hernam Callimachus, „dat ik door een vlijtig gebruik der boor de beeldhouwkunst eene schrede vooruit hebt gebracht, dan zou ik nuttige diensten aan hare zusterkunst, de bouwkunst, kunnen bewijzen. Reeds lang ben ik met eene zaak bezig, die oppervlakkig, zeer licht en gemakkelijk is, inderdaad echter—gij zult er om lachen, als gij het hoort—mij maar volstrekt niet gelukken wil. Bij den vooruitgang der kunst geloof ik dat onze zuilen eene rijkere versiering noodig hebben. De Ionische krul is het uiterste, waartoe wij het gebracht hebben. Daarmede stellen wij ons sedert eeuwen tevreden. Ligt het niet voor de hand om met een stouten greep zich daarboven te verheffen en iets voortreffelijkers te scheppen?”„In het oosten,” antwoordde Aspasia, „zag ik bladeren en bloemen met keurigen smaak tot versiering der kapiteelen aangebracht. Wij zijn schuchter, zooals gij terecht opmerkt. Waarom durft gij niet uitvoeren, wat gij in ’t belang der kunst noodig acht?”„Zoudt gij wel gelooven,” hernam Callimachus,[210]„dat ik nu reeds sinds jaren mijn hersens met die zaak kwel? Honderde vormen heb ik uitgedacht, doch niet een enkele heeft mij tot heden volkomen voldaan.”„Waarom wilt gij een nieuwen vorm uitdenken en verzinnen en geheel en al uit u zelven scheppen?” vroeg Aspasia. „De natuur is eene voortreffelijke leermeesteres; haar moet de bouwmeester zoowel als de beeldhouwer haar geheim afzien. Houd uwe oogen open en gij zult vinden, wat gij zoekt. Gij behoeft het dan slechts goed op te vatten en met schranderen geest volkomen weder te geven.”Op dit oogenblik werd het gesprek van Aspasia en Callimachus gestoord door de meisjes, die kwamen aanloopen en vertelden, dat zij op eene verborgen, liefelijke plek van het strand een klein grafteeken hadden ontdekt. Zij wilden het Aspasia toonen.Aspasia en Callimachus gaven aan de uitnoodiging gehoor en lieten zich door de meisjes naar eene plaats voeren, waar het kleine grafteeken zich bevond. Het lag op ’t rotsachtig strand verborgen en was door overhangende klippen bijna bedekt. Het bestond uit een eenvoudigen, smallen steen, waarin een kort opschrift gebeiteld was. Boven de zerk stond een sierlijke korf, gevuld met verwelkte bloemen en kransen. Aspasia trachtte het opschrift te lezen en ontcijferde half een meisjesnaam, ’t geen haar echter moeilijk viel; want eene breedgebladerde acanthus5had met zijn prachtig loof niet alleen den gedenksteen zelven reeds bijna overdekt, maar slingerde zich zelfs om den korf. Zijn frisch, levend groen maakte eene treffende tegenstelling met de treurige verwelkte bloemen in den korf.Aspasia en de meisjes drukten hare verwondering uit op deze plaats een grafteeken te vinden. Callimachus echter zeide: „Mij was de aanwezigheid[211]van een klein monument te dezer plaatse niet onbekend.”Toen de meisjes hierop nieuwsgierig naar de herkomst daarvan vroegen, hernam Callimachus:„Hij, die dit grafteeken met den korf hier oprichtte, was mijn vriend en ik ben een der weinigen, wien hij de geschiedenis van dat monument heeft meegedeeld.„De vriend, van wien ik spreek,” vervolgde hij, „was een voortreffelijk Atheensch jongeling en oefende met grooten roem de kunst uit om aardewerk en grafurnen te beschilderen en verdiende hiermede tevens zijn levensonderhoud. Terwijl hij te Corinthe vertoeft, valt zijn oog op het bekoorlijkste bloemenmeisje van die stad en hij ontbrandt voor haar in vurige liefde. Maar ook een jonge Spartaan, die zich juist met eenige vrienden te Corinthe ophield, wordt verliefd op het meisje en wil haar bezitten. Door geweld en bedreigingen weet hij haar schrik aan te jagen en staat op ’t punt haar van Corinthe weg te voeren. De Athener in hartstochtelijken toorn ontstoken, daagt zijn mededinger tot een tweegevecht uit en doodt hem. Vervolgens, om den wraak der vrienden van den verslagene te ontvluchten, neemt hij het meisje, dat hem gewillig volgde, daar het zijn liefde beantwoordde, met zich mede, bestijgt in allerijl een vaartuig en vlucht met haar naar zijn vaderstad Athene.„Vroolijk vaart het geliefde paar langs het strand; het hart des jongelings vol zalig genot en het meisje stralend in den bloei harer jeugd en schoonheid, eener bruid gelijk. Zij bezit behalve hare bekoorlijkheid niets dan het bloemkorfje, met frissche bloemen gevuld, zooals zij op de markt te Corinthe juist in hare handen droeg, toen de minnaar haar weg voerde. De paarlen der zee bespatten ’t vaartuig en bevochtigen de rozen in het mandje. Maar toen de jongeling in de overmaat zijner vreugde een kus op de lippen van ’t meisje drukt, ontglijdt haar de bloemkorf en valt over boord in zee; het[212]meisje bukt zich haastig om dien weder te grijpen, doch zich te ver over boord uitstrekkende, verliest zij het evenwicht, de boot kantelt en zij stort in ’t water. Met een wanhoopskreet werpt zich de jongeling in zee, omvat, na langen tijd met de golven geworsteld te hebben, het midden van ’t meisje en zwemt met den dierbaren last naar het nabij gelegen strand. Met moeite klautert hij tegen eene klip op, het lichaam der geliefde met krachtige hand aan zijn borst gekneld. Nu vlijt hij haar neer op een vlakke plaats aan het strand. Hare oogen zijn gesloten, haar gelaat is bleek, te vergeefs, roept hij haar duizend liefdewoorden toe. Hij heeft slechts een lijk gered.„Den geheelen dag staart hij roerloos op de geliefde; vervolgens maakt hij zich gereed haar te begraven. Op de plaats, waar hij haar aan land heeft gebracht, delft hij eene groeve. Wat treft daar plotseling zijn oog tusschen de rotsen? De bloemkorf van het meisje is op de baren drijvend naar het strand gespoeld en rust nu daar, door de klippen teruggehouden. Hij daalt de rots af en droevig te moede heft hij zuchtend het sierlijke, met frissche bloemen gevulde mandje op en plaatst het, bevochtigd door zijne tranen, op het graf van ’t meisje. Hij gaat naar Athene en keert weldra terug naar de verscholen, door de zee omspoelde groeve, met dezen eenvoudigen gedenksteen. Hij legt dien op het graf en plaatst daarop weder het mandje met verwelkende bloemen. De verborgenheid der plaats beveiligt het voor heiligschennende handen en ook de acanthus heeft, zooals gij ziet, de rol van beschermer op zich genomen, daar hij den steen en den korf met de ranken van zijn heerlijk loof schier bedekt.”—Aandachtig hadden de meisjes naar het verhaal van Callimachus geluisterd en luide beklaagden zij het treurige lot van ’t jeugdige paar.Aspasia sprak na eene korte pauze:„Hoezeer uw verhaal, Callimachus, ook het gemoed tot medelijden stemt, kan ik toch den machtigen[213]indruk niet weren, dien deze eenvoudige steen, deze grafzerk, waarvoor de natuur veel meer dan de kunst heeft gedaan, op mij en zeker op allen, die hem zien, zal maken. Hoe sierlijk slingert het welig loof van den acanthus zich om den bevalligen, met verwelkte bloemen gevulden korf boven de wit marmeren zerk! Is dit niet eene dier meesterlijke groepen, welke der natuur als in eene spelende luim gelukt en die wel geen kunstenaar ooit zoo bekoorlijk kan verzinnen?”Callimachus antwoordde niet; maar eene gedachte vloog als een bliksemstraal door zijne ziel.Hij staarde een tijd lang op den met loof omslingerden korf; toen sprak hij, zich tot de Milesische wendende:„Inderdaad, Aspasia—deze liefelijk omkranste korf is eene van die groepen, waarvoor, zooals gij straks zeidet, de kunstenaar het oog geopend moet houden, omdat hij daarvan leeren kan.”„En omdat hij wellicht daarin vinden kan,” viel Aspasia hem glimlachend in de rede, „wat hij met vergeefsche inspanning lang heeft gezocht.”—In geestdrift begon nu Callimachus aanstonds uit te weiden over hetgeen zijne ziel vervulde.Terwijl hij aan de Milesische de in hem opgewekte gedachte van eene nieuwe zuilenversiering breeder ontvouwde, eene versiering, die werkelijk bestemd was in het rijk van ’t schoone eene blijvende plaats te verwinnen en wier roem met den naam van Callimachus voor altijd verbonden blijft6, verstrooiden zich de meisjes om bloemen te plukken, waarmede zij het graf van de jeugdige Corinthische wilden tooien.Weldra dartelden zij weder vroolijk langs het strand aan zeenimfen gelijk, onder wie Alcibiades de rol van den plagenden en ondeugenden Triton vervulde.[214]Langzamerhand echter begon de stroefheid en schuchterheid van Cora, die op eene eenzame plek van het strand was achtergebleven, op den vermetelen jongeling eene grootere bekoorlijkheid uit te oefenen, dan de vroolijke uitgelatenheid harer vriendinnen.Dat hij tegen haar zin een gesprek met haar aanknoopte, schertsend zich een tijd lang niet haar onderhield, merkte de betooverende Simaetha zonder de minste opwelling van ijverzucht op; want ook daarin was zij het evenbeeld harer meesteres, dat zij voor zulk een hartstocht slechts weinig ruimte had gelaten in hare fiere ziel. Ook zij scheen slechts voor die liefde vatbaar, welke niet gevaarlijk is voor de opgeruimdheid en kalme gemoedsrust. En bovendien, welk eene onbeduidende medeminnares was het herderskind, vergeleken bij die schitterendste parel van Aspasia’s school!Aan de wereld ontrukt vermaakten zij zich daar in vriendelijke afgescheidenheid, wier rust, naar ’t scheen, door niets ter wereld kon gestoord worden.—En toch waren op de onbezorgd zich vermeiende meisjes uit de verte vijandige, loerende oogen gericht.Toen het vroeger vermelde Megarische vaartuig het plezierjacht van Alcibiades voorbij was gevaren, hadden de mannen, die zich daarop bevonden, een bespiedenden blik op het schip van den Athener geworpen.Zoodra zij een eind weegs verwijderd waren, zei een van hen vertoornd en haastig tot zijne makkers:„Hebt gij dien Atheenschen jongeling wel gezien, die daar met jonge hetaeren op de zee dobbert? Dat is die onbeschaamde, nietswaardige meisjesroover Alcibiades! Ik herken hem! Meermalen heb ik hem te Athene gezien. En onder de jonge meisjes bevond zich Simaetha—de geschaakte Simaetha!”„Hoe!” riepen de Megarische mannen in heftigen[215]toorn ontstoken, „hoe? is dat die vermetele, die het meisje uit het landhuis van Psaumias voerde en zich nog steeds ongestraft in het bezit van den buit verheugt?”„Inderdaad,” hernam de andere, „verheugt hij zich nog ongestraft over zijn roof; want hij heeft eene machtige bescherming. Te vergeefs waren, zooals gij weet, alle bemoeiingen van Psaumias en zijne medeburgers, om de uitlevering van het meisje van de overmoedige Atheners te verkrijgen. Meenen die Atheensche honden niet van ouds dat zij met den Megarischen staat den spot mogen drijven? De tijd zal hun eenmaal leeren, dat zij ten onrechte de Dorische stad op hunne grenzen verachten. Voor het oogenblik echter, mijne vrienden, moeten wij ons, wat Simaetha betreft, de voldoening verschaffen, waartoe de gelegenheid zich thans aanbiedt.„Op dat plezierjacht bevinden zich, behalve dien baardeloozen meisjesroover, een ander ongewapend man en de weinige roeislaven, alleen vrouwen. Wij echter zijn mans genoeg, om het geheele schip, als wij het aanvallen, te veroveren: in ieder geval om Simaetha terug te nemen en haar met ons naar Megara te voeren.”Dit voorstel beviel aan de Megarische mannen. Terwijl zij dus raadpleegden, hoe zij het schip zouden aantasten, was het gezelschap van Alcibiades in de kleine baai geland. De Megarensers bemerkten dit uit de verte.„Des te beter!” zei hun aanvoerder. „Wij zullen hier ons schip aan ’t strand verbergen en onzen buit op het land vervolgen. Het meerendeel onzer zal het vaartuig verlaten, om ieder afzonderlijk naar land te sluipen en dan ons twee aan twee op het klippenrijke strand, waar zij verstrooid ronddolen, in hinderlaag leggen. ’t Zal ons gemakkelijk vallen op het juiste oogenblik te voorschijn te springen en van het meisje, waar het ons vooral om te doen is, ons meester te maken, zonder dat de beide Atheensche jongelingen en hunne roeislaven het verhinderen kunnen, ja misschien zonder[216]dat zij het bemerken. Want als wij van een oogenblik gebruik maken, dat Simaetha van hare vriendinnen gescheiden en de aandacht der mannen op iets anders gericht is, gelukt het ons wellicht Simaetha geheel ongemerkt op te lichten en wij zijn dan veilig voor elke vervolging. Zij weten dan niet, waar het meisje gebleven is, vóór wij onzen roof in veiligheid gebracht hebben. Moesten wij echter geweld gebruiken, dan ware het te vreezen,dat die jongelingen misschien van een voorbijvarend Atheensch vaartuig versterking kregen en men ons nog vóór wij het schip bereikt hebben, op zee zelve den buit weder afhandig maakte. Daarom laat ons voorzichtig zijn en uit onze hinderlaag op eene gunstige gelegenheid loeren!”Zóó sprak de bevelhebber van het Megarisch vaartuig en de mannen deden zooals hij bevolen had. Zij verborgen zich afzonderlijk of twee aan twee aan het strand en op de hellingen, en zagen uit hun schuilhoek met scherpen blik naar de argeloos ronddartelende meisjes.Lang wilde het gunstige oogenblik voor de Megarensers niet komen. Eindelijk brak het aan. Simaetha toch, benevens Drosis en Prasina, naderden bloemen plukkende en zich geen kwaad bewust, eene klip, waarachter eenigen der Megarensers zich verscholen hadden. Alcibiades was op grooten afstand met Cora bezig en Callimachus onderhield zich nog steeds met Aspasia bij het grafteeken van het Corinthische meisje.De Megarensers sprongen eensklaps te voorschijn en trachtten Simaetha te vangen.Zoodra deze de mannen, met hun woest uiterlijk, op zich zag afkomen, vluchtte zij onder angstgeschrei weg, gevolgd door Drosis en Prasina, die eveneens de lucht met kreten om hulp vervulden.Simaetha echter snelde hare speelgenootjes verre vooruit in hare haastige vlucht. Reeds had zij bijna de plaats bereikt, waar Alcibiades stond. Deze, zoowel als Callimachus, en de roeiers, die zich bij het schip bevonden, hoorden de angstkreten der[217]meisjes en snelden ijlings ter hulp. Alcibiades droeg altijd een dolk bij zich; onmiddellijk trok hij dien en stormde op de roovers los, gevolgd door de slaven, die zich met de roeispanen hadden gewapend.Doch de Megarensers wilden niet zonder buit het veld ruimen. Zij zetten, daar Simaetha hun ontsnapt was, hare vriendinnen Drosis en Prasina na en grepen haar, daar zij in hare angst, aan schuwe duiven gelijk, niet zoo spoedig hadden kunnen ontvluchten.Dewijl de Megarensers in ieder oponthoud gevaar zagen en om de straks gemelde redenen een openlijken strijd liever vermeden, sleurden zij Drosis en Prasina met zich voort naar het strand, wierpen zich met haar in het schip en voeren in aller ijl naar de baai van Megara, voordat Alcibiades en zijne helpers het jacht hadden kunnen beklimmen om hen te vervolgen.Toch wilde hij, gloeiend van toorn, zich onversaagd in zijn vaartuig werpen, om de roovers na te zetten. Doch toen hij zich hiertoe bereidde, hieven de meisjes een luid geschreeuw aan en jammerden, dat zij op het strand verlaten en misschien aan nog loerende vijanden werden prijs gegeven. Haar echter met zich in het schip te nemen, en zoo de vijanden te vervolgen, scheen Alcibiades niet minder ongeraden wegens den angst der meisjes, die dan zouden meenen, dat zij wellicht den vijand als buit in den mond werden gevoerd. Callimachus, de roeiers en bovenal Aspasia gaven hem in overweging de vervolging op te geven, daar die onmogelijk was en er middelen en wegen genoeg te vinden waren, om den overmoed der Megarensers te tuchtigen.Aspasia was bij ’t zien dier stoute daad der Megarensers verbleekt; maar spoedig verving een blos van gramschap hare ontsteltenis. Zij was nu ’t eerst weder tot zich zelven gekomen en rustig en kalm geworden; bijna lachend verzocht zij Alcibiades onverwijld den terugtocht aan te nemen.[218]Zonder dralen bestegen allen weder het vaartuig en zetten haastig koers naar Athene.„Wraak den Megarensers!” riep Alcibiades en slingerde, recht opstaande in het schip, terwijl hij van wal stiet, een beker tegen de scherpe klippen.„Evenals deze beker op de klip, zal Megara’s machtelooze trots en de trots van al zijne stamgenooten smadelijk verbroken worden op de harde rotsen van de Atheensche Acropolis!”—1In het Grieksch: Simaitha.↑2Niet historisch; Aspasia heeft Pericles een zoon, eveneens Pericles geheeten, geschonken.↑3Het Grieksche „aigialos” beteekent: „strand”; van dit woord is bovengenoemdadjectiefgevormd.↑4Polyphemus, de zoon van Poseidon en de nimf Thoösa, koesterde, volgens eene Siciliaansche legende, een onbeantwoorde liefde voor Galateä, de dochter van Neurens en Doris, daar deze de voorkeur gaf aan Acis den zoon van Faunus en Symaethis. Uit ijverzucht verpletterde Polyphemus hem waarop Acis door Galateä in een vloed of bron werd veranderd. (Fzons Acilius).De schrijfwijze Galatheä verdient afkeuring, omdat het Grieksch luidt: Galateia.↑5Acanthus bij ons „berenklauw” geheeten is eene plant, die deels als bijenkruid, deels om zijn fraaie, kronkelende bladstengels als rand om de tuinbedden geplant en op zuilen, vaatwerk en in borduursel nagebootst werd.↑6Er bestaat werkelijk een verhaal, dat Callimachus door het zien eener bloemenmand, als hierboven is beschreven, op de gedachte kwam het zoogenaamd Corinthische kapiteel te ontwerpen. Dit kapiteel bestond uit acht van buiten aangebrachte en acht binnen in geplaatste acanthusbladeren en bloemstengels, onder eene afgeronde dekplaat. Later werd deze zuil tot geheele kolonnaden gebruikt.↑
XX.DE SCHOOL VAN ASPASIA.
Sedert den dag, waarop de jonge Alcibiades door een discus zijn kleinen makker in het Lyceüm had gewond, was eene reeks van jaren verloopen.De knaap was tot een bloeienden jongeling opgegroeid; want hij had zijn achttiende levensjaar bereikt. Hij was naar Atheensch gebruik met de andere jongelingen, die in ’t zelfde jaar mondig werden, in de volksvergadering voorgesteld, met speer en lans gewapend naar het heiligdom van Agraulus aan den voet der Acropolis gevoerd, hij had daar den plechtigen eed afgelegd, waarmede de nieuwe Atheensche burger zich aan het vaderland wijdde: hij had gezworen zijn wapenen nooit oneer aan te zullen doen en zijn medestrijder in den slag niet te verlaten, te strijden voor de heiligdommen, en, ’t geen allen het dierbaarst is, den Staat, eens onverminderd, ja zoo mogelijk vergroot in macht en eer, aan de nakomelingen achter te laten, dewettendoor het volk gegeven te gehoorzamen en niet te dulden, dat een ander ze schond of trachtte af te schaffen.Maar het vaderland, waaraan de jonge Alcibiades met dezen eed trouw zwoer, stelde voor het oogenblik slechts matige eischen aan zijn ijver en inspanning. De peribolen-dienst, dien de juist mondig verklaarde Atheensche jongelingen vervullen moesten, bestond in kleine tochten voor de inwendige veiligheid van het Attische land, en deze konden eerder als een genoegen dan als een last beschouwd worden.De staat liet den jongen zoon van Clinias voldoende tijd om de genietingen der gulden jeugd te smaken. Met hem was de jonge Callias opgegroeid, die zijn vader Hipponicus een schrielhans noemde, de jonge Demus, de om zijn schoonheid beroemde[186]zoon van Pyrilampes, die insgelijks van meening was, dat zijn vader Pyrilampes van zijne rijkdommen geen goed gebruik wist te maken. Xanthippus en Paralus werden soms door de luim van Alcibiades, die hun den roem van brave knapen te zijn niet gunde, als helpers bij een ondeugenden guitenstreek meegesleept, doch zij moesten zich steeds met een ondergeschikte rol vergenoegen. Want ten eerste ontbrak het den spruiten van Telesippe aan geest en vernuft, en ten andere waren hunne zakken niet zoo gevuld, als die der beide zonen van de rijkste mannen van Athene, noch als die van Alcibiades zelven, wien na zijn mondigheid ook het vrije bezit van zijn vaderlijk erfgoed ten deel was gevallen.Eene eigenaardige liefde had Alcibiades voor den jongen Manes opgevat, den knaap van vreemden afkomst, die Pericles uit den Samischen krijg had medegebracht en wien hij te zamen met zijne zonen en met dien van Clinias in zijn huis had laten opvoeden. Maar alle pogingen van Alcibiades om dezen droomerigen, stillen, eenigszins zwaarmoedigen jongeling in zijn vroolijken kring te lokken, mislukten ten eenenmale.Deze jongeling begon overigens in dien tijd, door eene zonderlinge soort van ziekte aangetast, het voorwerp van eene huiveringwekkende opmerkzaamheid te worden. In hem ontwikkelde zich die raadselachtige neiging, die bekend staat onder den naam van onbewust slaapwandelen of maanziekte. In het holst van den nacht, wanneer alles in sluimering lag verzonken, stond hij op van zijn leger en doorwandelde met gesloten oogen het door de maan verlichte Peristylium, vervolgens beklom hij het plat van het dak en liep daar eenigen tijd heen en weder, altijd met gesloten oogen, en keerde ten laatste naar zijne legerstede terug, even onbewust als hij ze verlaten had. De mare van den slaapwandelenden knaap in het huis van Pericles verbreidde zich in geheel Athene en men begon van dit oogenblik af hem met een zekeren[187]afschuw te aanschouwen, als iemand, die onder den invloed van daemonische machten stond.Had reeds Alcibiades als knaap de algemeene aandacht der Atheners getrokken, ’t was natuurlijk, dat hij nog meer van zich deed spreken, toen zijne kin behaard werd door „het zachte dons der mannelijkheid”. Zijne dolle streken waren het praatje van den dag, en daar hij vroegtijdig geleerd had, hoeveel bekoorlijks de naam van een aardigen deugniet aanbrengt, legde hij zich volstrekt geen dwang op, ja zelfs, wanneer hij een dollen streek had uitgevoerd, waarover de Atheners het hoofd schudden, deed hij dien in het vergeetboek geraken door een nog dolleren te doen. Hij wist immers, dat zelfs zij, die hem laakten, hem heimelijk bewonderden. Menigmaal scheen het, alsof hij eens wilde beproeven, of hij toch niet iets kon doen, wat de Atheners ernstig tegen hem zou kunnen verbitteren. Te vergeefs! Zijne handelingen mochten moedwillig en dartel zijn, als zij wilden, hij zelf bleef altijd geliefd.’t Was nog altijd de lievelingswensch van Hipponicus, dat de schoonste jonkvrouw van Griekenland, zijne dochter Hipparete, de gade mocht worden van den schoonsten Helleenschen jongeling. Hij betoonde zich daarom zoo vriendelijk en voorkomend mogelijk voor den jongen Alcibiades, noodigde hem herhaaldelijk aan tafel en behandelde hem bijna met de teederheid van een vader.Alcibiades maakte zich over hem vroolijk, evenals over ieder ter wereld, en plaagde hem met overmoedige scherts. Eens zond hem Hipponicus kostelijk toebereide visschen op een gouden schotel. Alcibiades hield den schotel en bedankte Hipponicus met de volgende woorden: „’t Is al te vriendelijk van u, dat ge mij behalve den gouden schotel ook nog zulke heerlijke visch daarbij hebt gezonden.”—Hipponicuslachtedat zijn buik schudde, en roemde bij de heele wereld de geestigheid van zijn aanstaanden schoonzoon.—De bevallige jonkvrouw Hipparete zelve, die door[188]haar vader reeds geleerd had den jongen Alcibiades als haar toekomstigen echtgenoot te beschouwen, was heimelijk voor den prachtigen jongeling in minnegloed ontstoken. Zij had hem eenige malen bij openbare feesten gezien. Hij echter spotte met het ingetogen meisje. Hij hield zich voor het oogenblik liever aan de schoone en geestige hetaeren, wier aantal in de stad der Atheners gedurig toenam.Inzonderheid was het Theodota, die den jongen man inwijdde in de mysteriën van het vroolijkste levensgenot. Een tiental jaren was ongeveer verstreken, sedert Alcamenes deze schoone van den rijken Corinthiër als loon voor zijne voortreffelijke marmergroep had bedongen. Thans was Theodota te Athene wellicht niet meer de bloeiendste, zeker echter nog de beroemdste onder hare vriendinnen.Zij was voor Alcibiades het middelpunt van een kring van de weelderigste verkwisting, en het dartelste onbeteugeldste levensgenot. Maar zij was alleen het middelpunt, terwijl de kring zelf zijne grenzen hoe langer hoe wijder uitbreidde.Diophites wreef zich vergenoegd de handen, zeggende: „Theodota richt gewis den veelbelovenden pleegzoon van Pericles ten gronde!”—Maar werkelijke gezondheid, werkelijke kracht en werkelijke schoonheid zijn, naar het schijnt soms onverwoestelijk. De teugellooze Alcibiades bloeide als eene roos in den morgendauw. Hij had dien blos op de wangen, dien de zedepredikers, volgens hun meening, aan den deugdzamen moeten toekennen, terwijl juist de deugdzamen niet zelden met die vale gelaatskleur en doffe oogen rondloopen, die de zedeprediker gewoonlijk als beeld gebruikt, wanneer hij met krachtige trekken den wellusteling wil schilderen.Theodota vervulde hare taak bij den levenslustigen jongeling in den beginne met blijde opgewektheid, doch langzamerhand begonnen in haar hart aandoeningen van een dieperen hartstocht levendig te worden. De ongelukkige! Zoo zeker als het ’t[189]meest benijdenswaardig geluk scheen, door Alcibiades bemind te worden, even zeker was het grootste ongeluk hem te beminnen!—De mondigverklaring van den jongen Alcibiades had weinige dagen na den terugkeer van Pericles en zijne gade van hunne Elische reis plaats gehad. Ofschoon nu de jonge man, in ’t bezit van zijn vaderlijk erfdeel, ophield een huisgenoot van Pericles te zijn, voerden toch de gewoonte en genegenheid benevens de betoovering, die Aspasia noodwendig op hem moest uitoefenen, hem dikwerf genoeg terug naar den drempel van het huis, waarin hij opgevoed was.Kan het bevreemden, dat de vermetele lieveling der Chariten durfde wagen, ook der nog altijd zegevierend schoone gade van Pericles eene soort van hulde te bieden, die hij in de school van Theodota geleerd had? Maar de schoone Milesische was nog steeds te jong, om den onontwikkelden mannelijken bloei verleidelijk, te verstandig om ze in ’t geheel begeerlijk te vinden, en veel te fier, om zich, zelfs de buitengewone schoonheid van den jongeling in aanmerking genomen, voor de zegekar van den baardeloozen vrouwenheld te laten spannen. Zij wist, dat geen vrouw, zelfs zij niet, dezen vluchtigen losbol inderdaad zou kunnen kortwieken, boeien en beheerschen. Grootscher dan het twijfelachtig genoegen ’t getal zijner veroveringen te vermeerderen en bekoorlijker tevens, was haar de gedachte, haar geslacht aan hem te wreken en hem voor eene loszinnigheid te straffen, die hij haar zelve niet mocht doen ondervinden. ’t Kwam haar daardoor niet in de gedachte, tegenover den jongeling dien moederlijk teederen, door ’t verschil in jaren gerechtvaardigden toon aan te nemen, waar onder dikwijls oudere vrouwen hare liefde verbergen, of de rol eener vertrouwde bij hem te zoeken. Zij beantwoordde de beleefdheden van den jongeling eenvoudig door er volstrekt geen acht op te slaan en hem wel is waar niet met moederlijke teederheid, maar toch met moederlijke ernst te behandelen.[190]Dit verbaasde den verwenden, zich zijner zegepralen bewusten veroveraar. Hij gevoelde eene heimelijke spijt, doch de hoogachting die hij der Milesische toedroeg, werd er niet door verminderd, integendeel zij nam er door toe, zonder dat hij er zich ten volle van bewust was. Zoo gevoelde hij zich telkens weder tot Aspasia getrokken en drong haar de rol van vertrouwelinge op, die zij volstrekt niet van plan geweest was te zoeken.Op zekeren dag verbreidde zich door Athene het bericht van een nieuwen streek van Alcibiades, die meer dan alle vorige geschikt was, om de aandacht te trekken en aller tongen in rep en roer te brengen. Er werd namelijk verteld, dat Alcibiades op een uitstapje, dat hij met de besten zijner vrienden naar Megara had gemaakt, zich daar onaangenaamheden op den hals gehaald, ten laatste zelfs een meisje geroofd en mede gevoerd had, hetwelk hij nu bij zich te Athene verborgen hield. Niet gering, zei men verder, was de verbittering der Megarensers, die toch reeds van ouds op de Atheners gebeten waren.Velen spraken reeds over openlijke vijandelijkheden, die ten gevolge van dezen streek der Atheensche jongelingen tusschen Athene en de naburige Dorische stad zouden uitbreken.Alcibiades loochende, wanneer hem er naar gevraagd werd, de zaak volstrekt niet, en vertelde ten laatste de geheele geschiedenis uitvoerig, ja met blijkbaar welbehagen, aan zijne moederlijke vriendin Aspasia.„Wij waren”—zoo sprak hij—„den vervelenden peribolendienst in de landelijke vlekken moede geworden, hoewel wij er ook soms eene kleine afwisseling in brachten, door, in plaats van op stroopers en roovers te loeren, liever jacht te maken op een Thracisch meisje in de boschjes van den Phelleus of op eene jeugdige schoone uit Acharnae.„Zoo besloot ik dan in gezelschap van mijne vrienden Callias en Demus nogmaals een klein zeetochtje[191]voor eenige dagen te ondernemen. Wij hadden ons reeds vóór geruimen tijd een fraai versierd, groot pleizierjacht op gezamelijke kosten laten bouwen, waarmede wij ook soms ter vischvangst gingen. Dit jacht bestegen wij en namen drie Ionische meisjes mede, die, behalve in schoonheid, ook in de muziek- en zangkunst uitmuntten; voorts een paar jachthonden, benevens jachtnetten en werpsprieten; want wij waren voornemens langs die kust te roeien en hier en daar aan land te gaan, om te jagen. Wij voeren door de zeeëngte van Salamis. De „Bacchante”—zoo heette onze bark—danstelustig op de golven.„De bont beschilderde voorsteven, die in een vergulden panther uitliep, waarop eene Bacchante reed, fonkelde in de stralen der zon. Den mast hadden wij, als een Thyrsus-staf met klimop en bloemen omwonden. De bodem van het vaartuig was met tapijten en mollige kussens bedekt. Wij praatten en schertsten en zongen; eene der drie schoonen blies op de fluit, de tweede bespeelde de cither en de derde sloeg het symbaal, zoodat de zee van gezang en muziek en opgeruimde vroolijkheid weerklonk, en wij de nieuwsgierige dolfijnen met de riemen op den kop moesten slaan, om hen te verdrijven en te beletten, dat zij ons jacht omver wierpen of vernielden.„Langs het strand varende, kwamen wij voorbij vele landhuizen. Vóór een van deze hielden wij een oogenblik stil, om de schoone, die het bewoonde, een serenade te brengen. Wij zongen en musiceerden vroolijk. De schoone was verheugd, toen zij het gezang uit de zee vernam en de sierlijk getooide jonge vrienden zag. Glimlachend stond zij op het terras van het huis; wij wierpen haar kransen en kushanden toe. Nu ging het weder verder zeewaarts. Brandend stak ons de zon, doch wij wisten ons te helpen. Wij spanden de oppergewaden onzer vriendinnen en onze eigene boven onze hoofden, om de zon af te weren. ’t Was een schoon gezicht, zooals het vaartuig met die wimpels en[192]zeilen getooid, de met purper getinte baren doorkliefde. ’t Scheen als zou men straks het heldere, verleidende lachen eener Sirene vernemen. Wij waren juist in de Halcyonische dagen, gedurende welke de windstilte heerscht en de ijsvogel broeidt. Wij hadden de zeeëngte van Salamis achter ons en het Megarische strand rechts voor oogen. Hier begonnen de kusten eenzaam en eentonig te worden; van tijd tot tijd drongen de tonen eener herdersfluit tot ons van de glooiende bergen en men zag kudden van runderen, lammeren en geiten grazen. Wij legden hier en daar aan en vermaakten ons op allerlei wijzen. Wij vingen visschen met angels, die wij van de rotsen aan lange koorden in de zee wierpen, en vingen eenige wilde ganzen, eenden en trapganzen met strikken.„Toen wij juist weder ons schip hadden bestegen, om de reis in de richting van Megara voort te zetten, ontmoette ons een pleizierjacht, dat in sierlijkheid en weelderigen tooi voor het onze volstrekt niet onderdeed. In dit prachtige vaartuig zat een bedaagd man, met een bekoorlijk schoon meisje aan zijne zijde. Het gezicht van dit meisje deed mij in fellen minnegloed ontsteken. Doch al te vluchtig was de ontmoeting. Snel gleden de beide vaartuigen langs elkander; de Megarische bark zeilde onmiddellijk om eene vooruitstekende rots en verdween uit onze oogen.„Wij gingen weder aan land op eene plaats, die ons bijzonder aanlokte. Daar was eenig kreupelhout, ’t geen onze honden aanstonds doorsnuffelden. Na weinige minuten joegen zij een haas op; wij grepen naar onze jachtnetten en sprieten en in de hoop, het dier machtig te worden, achtervolgden wij het en lieten onze vriendinnen in de nabijheid van het vaartuig achter. De haas werd door de honden uit het bosch in de velden en weilanden gedreven. Terwijl zij onder luid geblafvoortsnelden, brachten zij de herders en hunne kudde in rep en roer. De honden stoven zelfs midden door een kudde geiten, zoodat deze verschrikt uit elkander[193]vlogen en sommigen tot aan de zee afdwaalden. Vertoornd over de verstrooiing zijner kudde, greep de herder een scherpen steen, die juist voor zijne voeten lag, wierp hem naar een der honden en trof hem doodelijk aan den kop. Het was de trouwe Phylax, die alle eigenschappen bezat van een voortreffelijken jachthond.„Toen wij het voorgevallene uit de verte zagen, lieten wij den haas loopen en ijlden gloeiend van toorn, op den geitenhoeder los. Deze echter had inmiddels andere herders ter hulp geroepen en wij zagen, toen wij aankwamen, een dreigende menigte tegenover ons. Evenwel maakten wij aanstalten, om met onze jachtsprieten op hen los te gaan. Op dit oogenblik kwam een slaaf in allerijl uit het nabijgelegen landhuis aanloopen, om in naam van zijn heer te vragen, wat dit rumoer beteekende. Toen wij van den slaaf vernamen, dat de geitenhoeder in dienst was bij den heer van dat landgoed, verlangden wij met dezen te spreken, om voldoening voor het doodelijk gewonde dier te erlangen. Wij volgden den slaaf en toen wij het landgoed naderden, ’t welk een statig aanzien had en zich als het eigendom van een vermogend man voordeed, verbaasde het ons niet weinig, in den naast het huis gelegen tuin juist dienzelfden grijsaard en dat bekoorlijke kind te zien rondwandelen, die wij kort geleden op de zee hadden ontmoet. Wij verhaalden den man het gebeurde en zeiden, dat wij van plan waren ons op den herder te wreken. De oude man, als Megarenser een verklaarde vijand van de Atheners, antwoordde in onheusche bewoordingen. De herders, die in groote menigte ons op den voet gevolgd waren, beschuldigden ons met hevig misbaar hunne velden verwoest en hunne kudden verstrooid te hebben. Met behulp der huisslaven, die door wenken en teekenen van hun meester aangespoord waren geworden, onder smaadredenen en scheldwoorden op ons indringend, waren wij genoodzaakt voor de overmacht te zwichten en zonder eenige voldoening de plaats te verlaten.[194]„Hoe zeer ook door de omstandigheden opgewonden, had ik toch niet verzuimd eenige blikken op de jeugdige schoone te werpen, die zich nog steeds in den tuin bevond en met een gevoel van nieuwsgierigheid en schrik den twist had aanschouwd. Met mijne makkers teruggekeerd, deelde ik hun onmiddellijk mijn besluit mede, om mij op den nietswaardigen Megarenser te wreken. Het schoone kind hield ik voor een gekochte lievelingsslavin. Mijn plan was: mij met mijne vrienden een tijdlang in de nabijheid verborgen te houden en het oogenblik te bespieden, waarop het landhuis onbewaakt was en het meisje zich alleen in den tuin zou bevinden, dan haar ijlings te overvallen en haar te ontvoeren.„Eerder dan wij gehoopt hadden, vond ik de gewenschte gelegenheid. Voordat de tweede dag nog verloopen was, hadden wij het meisje ontdekt, aangegrepen, door een doek voor den mond het schreeuwen belet en in vliegenden haast op het onder eene rots verborgen schip gebracht.„Onder beschutting der ingevallen schemering ontvluchtten wij, met den liefelijken buit aan boord, en forsche roeislagen brachten ons snel van de Megarische kusten.”„En het meisje?” vroeg Aspasia.„Schikte zich in haar lot,” hernam Alcibiades, „hoewel zij niet, zooals wij gedacht hadden, eene gekochte lievelingsslavin was, maar eene vrij geborene, de nicht van dien verwenschten Megarenser. Simaetha1is haar naam en ik noem haar de bekoorlijkste der Helleensche—neen, niet der Helleensche vrouwen, maar toch zeker debekoorlijkste derHelleensche jonkvrouwen!”Megara! Dit woord had een eigenaardigen klank voor Aspasia’s oor. Met onmiskenbare teekenen van belangstelling had zij het verhaal van den koenen jongeling aangehoord.Zij vroeg met bijzondere nieuwsgierigheid naar[195]de eigenschappen van het meisje. Alcibiades schilderde haar schier in ideale trekken.Aspasia verlangde Simaetha te zien. De schaker was aanstonds bereid haar wensch in te willigen. Hij bracht Simaetha tot haar. Het meisje was beeldschoon, zoodat Aspasia zelve er verbaasd van stond. Maar het geheel geleek op een ongeslepen diamant. Immers zij was te Megara opgevoed. Het was tijd voor haar geworden, dat zij werd geschaakt zoo niet deze parel in de verborgenheid zonder glans of heerlijkheid zou te loor gaan.De rijke Megarenser had haar als een jong meisje in zijn huis opgenomen. Zij had het bij hem beter gehad dan eene slavin, maar niet zoo goed als eene dochter.Hij scheen, met het oog op haar veel belovende schoonheid, haar willens of onwillens, alleen tot een voorwerp om zijne lusten te bevredigen, te willen opvoeden. In geen enkel opzicht geleek de oude Megarenser op den edelen grijsaard van Milete, den bekendenPhilammon, dien Aspasia in het verhaal van de geschiedenis harer jeugd aan Pericles met zulk eene warmte had geprezen. Simaetha haatte hem en verklaarde, dat zij zich liever wilde dooden, dan ooit weder in het huis van haar opvoeder terug te keeren.Aspasia’s scherpe blik merkte de kiemen van vrouwelijke voortreffelijkheid van den hoogsten rang op in het karakter van het jonge meisje, dat nog nauwelijks haar zestiende levensjaar was ingetreden. Uit hare oogen schitterde evenveel geest, als schoonheid uit hare trekken. Aspasia brandde van begeerte om deze heerlijke kiemen te ontwikkelen. Spoedig was haar besluit genomen. Zij zeide tot Alcibiades:„Het meisje is uw eigendom: niet zoozeer door den roof, dien gij op haar gepleegd hebt, als wel door haar eigen bepaald uitgedrukten wil, om niet meer in het huis van den Megarenser terug te keeren. Maar gij zijt haar nog niet waardig. Voor knapen van uw soort zijn edele, bloeiende meisjes,[196]ja zelfs het onnoozele dochtertje van Hipponicus, veel te goed. Vrouwen van Theodota’s slag zijn voor u en uws gelijken bestemd: aan dezen moogt gij, om zoo te zeggen, de horens van uw overmoed afslijpen. Overigens zoudt gij u over het bezit van Simaetha, zooals zij nu is, maar half verheugen. Weldra zoudt gij haar moede worden; want onontwikkeld liggen in haar nog de kiemen van die eigenschappen, welke noodig zijn om niet de oververzadiging ten laatste de heerschappij te doen verkrijgen over de liefde. Vertrouw mij het kind eenigen tijd toe. Geef mij den schat, die gij buit gemaakt hebt, ter bewaring; beleg om zoo tezeggen, uwe bezitting op renten: gij zult ze, als de tijd om is, vertiendubbeld aan waarde uit mijne handen terug ontvangen.”Alcibiades was te jong en te lichtzinnig, dan dat het hem zwaar had kunnen vallen het verhavende meisje voor eenigen tijd zijn huis te doen verlaten en Aspasia toe te vertrouwen.„Ik ben bereid,” zeide hij, „mijn kostbaren schat bij u op renten te zetten. Ik weet vooruit, dat die renten mij rijkelijk schadeloos zullen stellen voor de korte ontbering, die toch immers niet eens eene volledige zal zijn, daar gij mij ongetwijfeld zult toestaan het schoone kind in uw huis te komen bezoeken.”„Waarom niet?” hernam Aspasia; „gij moogt gedurig getuige zijn van hare vorderingen.”Simaetha werd bij Aspasia gebracht. Pericles had in den beginne zijne toestemming geweigerd; doch zijn gemoed was zoo wonderlijk zacht en teeder, dat hij ten laatste op het herhaald aandringen van Aspasia haar verzoek inwilligde, evenwel onder voorwaarde, dat het meisje slechts zóó lang in zijn huis zou vertoeven, totdat over hare al of niet uitlevering zou zijn beslist. Waren de Megarensers niet zoo gehaat geweest te Athene, dan zou men de toegevendheid van Pericles, die, uit liefde voor Aspasia, aan het meisje eene wijkplaats in zijn huis verschafte, zonder twijfel scherper beoordeeld[197]hebben, dan thans geschiedde.Men was reeds sedert geruimen tijd te Athene begonnen te spreken van eene school van Aspasia, en meer dan ooit was er van nu af reden voor dien naam.Er waren thans inderdaad niet minder dan vier meisjes in den eersten bloei der jeugd, die in het huis van Aspasia onder de onmiddellijke hoede der Milesische leefden. Bij hare Milesische nichtjes, die reeds langeren tijd bij haar vertoefden, en de Arcadische Cora, die zij van hare Elische reis had medegebracht, had zich thans het meisje uit Megara gevoegd.Ten volle beantwoordde de naam van school aan de innerlijke bedoeling van Aspasia. Hare persoonlijke bemoeiingen, om de vrouwen te Athene te veredelen, te bevrijden, in één woord eene hervorming te dien opzichte tot stand te brengen, waren met een zeer twijfelachtigen uitslag bekroond. De krachtige drang harer ziel gunde haar echter geen rust. Zij was tot de overtuiging gekomen, dat het eene vergeefsche poging was de gerijpte en reeds gevormde vrouw te willen hervormen. In den ontluikenden leeftijd, meende zij, moest de kiem daartoe gelegd worden.Geen hetaeren wilde zij opvoeden, maar voorvechtsters en medearbeidsters, die door geest en schoonheid op gelijke wijze als zij zelve in staat zouden zijn invloed te oefenen. In de school, die zij stichtte, moest hare overlevering levendig gehouden en van daar uit verder verbreid worden. Door eene samenwerking van vereende krachten in haar geest moesten eindelijk de vooroordeelen vallen, en de volkomen zegepraal van geest, schoonheid en vrouwelijkheid behaald worden.De gedachte aan de vooroordeelen, die in een ander opzicht uit deze hare school zouden kunnen voortvloeien, hoewel niet bij haar op den voorgrond staande, was evenwel niet geheel vreemd bij de fiere, schrandere Milesische. Hare leerlingenkonden, evenals hare meesteres, machtige en[198]uitstekende mannen tot echtgenooten verkrijgen, de heerschappij van Pericles helpen verzekeren en bevestigen, en door haar invloed den tegenstand zijner vijanden bestrijden.Maar vond de gade van Pericles er geen bezwaar in, een aantal jeugdige, bekoorlijke meisjes onder de oogen van haar echtgenoot om zich te verzamelen? Deze fiere, koene, naar machtige doeleinden strevende ziel was verre verheven boven laffe overwegingen en kleingeestige gevoelens; zij joeg niet, als een gewone vrouw, enkel persoonlijke voordeelen na, maar voor eene grootsche gedachte leefde en werkte zij. En zij wist dat Aphrodite’s gordel nog altijd in hare macht was; dat hij in hare hand nog niets van zijne bekoorlijkheid had verloren. Zij wist, dat zij nog lang de meesteres onder hare leerlingen zou blijven en dat dezen eerst worden moesten, wat zij reeds was. En wat inzonderheid Pericles betrof, zij had de overtuiging, dat niets ter wereld de tooverketen kon verbreken of verzwakken, waarmede zij zijn hart had gekluisterd en die door de gewoonte al hechter en hechter was geworden.Eene gril der natuur had Aspasia de moederweelde ontzegd2. Zij verdroeg het zonder klagen. Was ’t haar niet vergund vrouwelijke telgen van haar schoot tot haar evenbeeld op te leiden, het lot had haar in die veel belovende bloeiende meisjes eene vergoeding gegeven,waaraanzij naar hartelust de tooverkracht harer vormende meesterhand kon beproeven.Muzen en de Chariten schenen van den Olympus neder te dalen en zich als ’t ware in Aspasia’s school als leermeesteressen aan te bieden. Daar werd de verheven leer verkondigd, hoe de natuur tot edele kunst gelouterd moest worden en de kunst weder tot natuur. Daar werd de eenheid van al het schoone begrepen en verwezenlijkt: daar werd de muziek,[199]een dans der zielen en de dans eene muziek der lichamen—daar werd de schoonheid poëzie en de poëzie betooverende schoonheid.Aspasia’s streven was ’t in hare leerlingen door de schoonheid en om de schoonheid den geest op te wekken en dien opgewekten geest te veredelen en vrij te maken.Als middel om den geest wakker te schudden diende haar echter niet alleen elke soort van kunst; ook de rijke hulpbronnen van wijsheid, kennis en wetenschap werden als vruchtbaar zaad op de vleugels der Eroten in de school van Aspasia binnengedragen. Uitgesloten alleen was het ernstige, het strenge, het sombere. Vroolijkheid bleef gepredikt als de hoogste wet der schoonheid en des levens.Wat Aspasia haren leerlingen boven alles leerde, was dit, hoe dwaas het was, allen invloed van hare bekoorlijkheden te verwachten. Zij toonde haar aan, dat deze nog lang niet op zich zelven alleen het beminnelijke uitmaakten. Zij zeide haar, dat schoonheid eene deugd is, die, als elke andere, geleerd, geoefend en aangekweekt moest worden. Zij maakte haar duidelijk, dat de geest de echte kruiderij is, die aan de schoonheid gepaard, haar frisch deed blijven. „Eene onnoozele schoonheid,” sprak zij, „veroudert spoedig en weldra verwelkt ook de bekoorlijkheid, die door de laagheid als een verpestende walm wordt omgeven. Niets vernietigt zoo snel den bloei, als een stompzinnig voortleven in geestdoodende alledaagschheid. Schoon te zijn, zeide zij, is geen toestand, maar een handelen, een werken. Schoonheid is de hoogste macht en haar invloed berust op de samensmelting der edelste vermogens—op eene bekoorlijke en harmonische ontwikkeling van lichaam en ziel. Zij is geen dood pronkstuk, geen onbewegelijk licht: integendeel, evenals het zonnerad, een levend stralenspel, een spattende vonkenregen.„Men kan zich de schoonheid niet onmiddellijk geven,” placht zij ook te zeggen, „maar men kan overal het leelijke uitroeien, temperen, verzachten.[200]Niet te dikwerf kunt gij in den spiegel zien: niet om op te merken hoe schoon gij zijt, maar om uwe leelijkheid te bespieden. Alleen dan zult gij ervaren dat niemand altijd schoon en niemand altijd leelijk is—dat de bloei van iedere schoonheid wel honderdmaal in den loop van den dag in gedaante en kleur verandert, dat zij, aan zich zelve overgelaten, geen stand kan houden, maar wankelt; dat eene schoonheid, die zich harer macht bewust, de hand in den schoot kan leggen, een droom is van zottinnen, en dat schoon te zijn eenemoeilijkekunst is zelfs voor de schoonsten. Laat onder geene vermomming het leelijke ingang bij u vinden! Want talloos zijn zijne gestalten, talloos zijne vormen! Het leelijke is een daemon, met wien wij iederen dag worstelen moeten, als hij ons niet besluipen en overweldigen zal. Het meest echter keert hij uit de hinderlaag der ziel zijne doodelijke wapenen tegen den bloei des lichaams.”Maar niet met vermanende woorden alleen, ook metterdaad ondersteunde Aspasia hare leerlingen in den strijd tegen dien sluwen, dreigenden daemon. Zij vorschte de kiemen en sporen van elke leelijkheid na, evenals de overheid den dief. Gelijk een schoolmeester een stok of roede, zoo had zij een kleinen, zilveren spiegel in de hand en hield dien de schuldige voor, wanneer slechts eene sprank van leelijkheid, naar lichaam of ziel, zich vertoonde. Zoo leerde zij die jeugdige meisjes zelfbeheersching, onderdrukking van iedere opkomende luim en hartstocht, rust, vroolijkheid, gelijkmatigheid van lichaam en ziel.Van de beide nichten van Aspasia legde de eene, Drosis, een schitterenden aanleg voor den mimischen dans aan den dag. Prasina daarentegen muntte voornamelijk uit door vaardigheid in zang en snarenspel. Doch Aspasia gedoogde niet, dat eene van beiden zich uitsluitend op de ontwikkeling van eene dergelijke eenzijdige kunst toelegde. Zij verlangde van ieder, dat zij niet door de beoefening van ééne bepaalde kunst, maar door eene harmonisch ontwikkelde[201]persoonlijkheid zou trachten te behagen. „Eenzijdige beoefening der kunst,” zeide zij, „geeft altijd aanleiding tot mindere ontwikkeling van het karakter zelf en zijne harmonische vorming.”Drosis was van nature betooverend door hare bevalligheid. Hare gestalte was slank en sierlijk, zoo aetherisch licht en zwevend, dat zij, door de velden wandelend, even als eene nimf, geen grashalm noch bloem scheen te kunnen knakken. Hare ledematen hadden die rankheid, die jeugdige fijnheid en bevallige teederheid, welke de zinnen nog veel meer bekoort dan plompe weelderigheid.Prasina was haar gelijk in schoonheid, maar zij bezat boven haar eene heldere zilveren stem, waarmede zij, de liederen vanSapphobij de luit zingend, ieders oor verrukte. Is er in ’t algemeen wel iets liefelijkers dan de heerlijke tonen van de stem van een zestienjarig meisje? Prasina’s stem overtrof in liefelijkheid, smeltende zachtheid en warmte de stemmen der nachtegalen in de Cephissus-dalen.Maar de bekoorlijke Drosis, de vurige Prasina, zij werden weldra door den heerlijk zich ontwikkelenden bloei van Simaetha overschaduwd. In Simaetha’s gestalte, in hare trekken was de edelste, Helleensche betooverende schoonheid van vormen in de zuiverste lijnen uitgedrukt. Trekken van deze verwonderlijke zuiverheid hadden zelfs de meesters der beeldhouwkunst zich nauwelijks kunnen voorstellen. Zij bezat die onbeschrijfelijke helderheid die glinsterende en toch ietwat mijmerende vochtigheid van ’t oog, die soms bij meisjes in den teederen bloei der jaren een wegsleependen invloed kan oefenen. Maar evenals in uiterlijk schoon, kwam ook in geest en gemoed Simaetha hare meesteres Aspasia het meest nabij. Innig verwant scheen zij haar door hare geheele ontwikkeling in gevoel en denken. Niet minder dan de Milesische beloofde zij eene verpersoonlijking van den echten levenslust en den schoonheidszin van den Helleenschen geest te worden. Met gloeiende geestdrift begreep zij terstond de gedachten van Aspasia. Zij overtrof in[202]helderheid van verstand hare medeleerlingen verre. Zij beminde de kunsten, en voor de beeldhouwkunst scheen zij het onvergelijkelijk scherpe kennersoog van Aspasia te bezitten. Ook daarin kwam zij met hare meesteres overeen, dat zij op geen enkele afzonderlijke kunstvaardigheid bijzonderen nadruk legde, maar allen gaven tot eene schoone harmonie ontwikkelde. Zoo was zij dan de parel van de school der Milesische, die haar bijna met de teederheid eener moeder liefhad en hare schoonste verwachtingen op haar stelde.En Cora, het meisje uit Arcadië? ’t Was moeilijk te zeggen of men haar tot de school van Aspasia mocht rekenen. Toen Aspasia haar uit haar Arcadisch geboorteland had weggevoerd, prikkelde haar juist de ruwheid der stof, om er hare vormende en ontbolsterende kunst aan te beproeven. Maar de ruwheid der stof scheen weldra grooter nog dan het meesterschap van Aspasia’s vormende kunst. Cora was doorgaans een voorwerp van spot bij hare speelgenootjes en men verlaagde haar bijna tot eene dienstmaagd. Maar toch had het meisje uit Arcadië ook iets in haar wezen, dat haar nooit geheel tot eene slavin liet vernederen. Niet bekoorlijk was zij, niet van edelen lichaamsbouw, niet opgewekt van geest, maar ernstig en peinzend, en het eigenaardige in haar wezen, dat zij mede naar Athene gebracht had, bleef onveranderd. Zijverraste, door stralen en vonken van geest en gemoed, die altijd iets oorspronkelijke en ongewoons hadden, en steeds eene bijzondere soort van belangstelling voor haar opwekten. Zij scheen als een wezen uit eene vreemde, tot heden nog onbekende wereld.Aspasia vond het raadzaam hare kweekelingen, tegen de Atheensche zeden en ondanks haar jeugdigen leeftijd in den vrijen, ontwikkelden omgang met de wereld en de menschen te brengen. Thans evenals vroeger bezochten haar huis mannen van uitnemenden geest, door wier gesprekken de zielen der meisjes vroegtijdig boven de platte alledaagschheid[203]verheven en in hoogere sferen opgevoerd werden. Maar ook bezoeken van vrouwen waren niet uitgesloten. Wie van die uitstekende mannen eene schoone vriendin in dezen kring wilde binnenleiden, dien werd het volgaarne toegestaan. Onder hen, die van die vrijheid gebruik maakten, bevond zich die jonge beeldhouwer en architect Callimachus, die een verwend beeldschoon, jong meisje, Philandra genaamd, van Corinthe naar Athene had gebracht. Hij hield hartelijk veel van het meisje en scheen besloten haar tot zijne echtgenoote te nemen. Doch Philandra, van nederige en arme afkomst en nog in hare prille jeugd, miste eene beschaving en ontwikkeling, die haren vriend waardig was. Hoe kon haar die beter ten deel vallen, dan door het verkeer met de omgeving van Aspasia? Deze achtte het natuurlijk niet beneden zich den kring harer school ook buiten hare woning uit te breiden.Philandra was eene schoonheid van weelderige, maar toch edele vormen. Zij verried een heftig, ja hartstochtelijk karakter en scheen door haar statig voorkomen ouder dan zij werkelijk was.Zoo was dan, om zoo te zeggen, een vrouwelijke Olympia in Aspasia’s woning neergedaald. De jonge Alcibiades placht de meisjes naar de Godinnen te noemen, met wie zij de meeste gelijkenis hadden. Kunstenaars werden in dezen Olympus tot het scheppen van schoone beelden ontvonkt, dichters tot zoetklinkende liederen bezield. Doch overmoed en al wat onedel was bleef verbannen uit dezen schoonen kring, Aspasia’s blik wist zelfs den koenen, hartstochtelijken Alcibiades in toom te houden en steeds hield de priesteres der schoonheid ook de teugels van de edele juiste maat in de hand. Altijd bleef Aspasia gedachtig, wat zij aan de eer van ’t huis haars gemaals verschuldigd was. En zij wist te voorkomen, dat de school, die zij om zich verzameld had, haar echtgenoot ooit de de minste aanleiding gaf tot verwijdering, die allicht tot eene noodlottige scheiding zou kunnen voeren.[204]Op zekeren dag noodigde de jonge Alcibiades Aspasia en hare meisjes tot een pleiziertochtje met zijn jacht uit. Aspasia nam de uitnoodiging van den jongen man aan, onder nadrukkelijke voorwaarde, dat hij niemand van zijne overmoedige makkers zou mede nemen.Op een zomermorgen, terwijl de frissche dauw zich parelde op blad en halm, besteeg Aspasia met Drosis, Prasina, Simaetha en Cora het schip van Alcibiades. Bij haar sloten zich nog Callimachus en Philandra aan, en in gezelschap van Philandra eene vriendin van haar, Pasicompsa geheeten, die, evenals Philandra zelve, bij Aspasia was ingeleid en door deze waardig geacht eene plaats onder hare leerlingen te nemen. Behalve de genoemden en eenige slaven, om te roeien, bevond zich niemand op het schip.Men voer het strand langs en geraakte weldra in de schoone bocht van Salamis. Links zag men de groene in den morgendauw schitterende eilanden, rechts het Attische strand met zijne aegaleïsche3heuvels.Niets vermag de ziel vriendelijker en harmonischer te stemmen dan een spelevaart over eene zonnige, blauwe zeegolf. En geen heerlijker azuur wordt er gevonden, dan dat van Salamis’ zeeboezem. Zoo smaakte dan ook het gezelschap van Alcibiades, zich wiegelend op de baren der zee onder dien heerlijken hemel, een onbeschrijfelijk, een zalig genot. Boven hunne hoofden het blauw van den aether, onder zich het hemelsblauw der zee, dreven zij als het ware tusschen twee hemelen, zich wiegelend in eene zalige azuur. Of dat van den aether dan wel dat van de zee bekoorlijker was, wisten zij niet en zij vroegen er ook niet naar; zij zagen alleen, dat somwijlen de vogels voor een oogenblik uit den blauwen aether in de zee neerdoken, als om hare bekoorlijkheid te onderzoeken, terwijl de[205]visschen daarentegen uit de blauwe zee somwijlen oprezen en voor een oogenblik met de koppen lustig in den blauwen aether voortzwommen, als om eene vluchtige, heerlijke teug daaruit in te zwelgen.Het gezelschap op het schip van Alcibiades geleek op de vroolijke visschen en vogels, die zich in de bekoorlijkheid van zee en aether verlustigden en verkwikten. Zij zogen in volle teugen al dat heerlijke in en dachten daarbij zoo weinig om de buitenwereld en zich zelven, als die vogels en visschen. De jeugdige, bevallige kweekelingen van Aspasia zagen van het scheepsboord omlaag naar de schoone zee, doch alleen om hare lieve gezichtjes daarin te spiegelen.AlleenCora zag, als zij in den vloed nederkeek, niet haar gezicht, maar de zee zelve. In haar gemoed alleen werd de betoovering der zee met levendigheid gevoeld.De andere meisjes spiegelden zich in de zee, de zee echter spiegelde zich in Cora.De indruk steeg in haar gemoed schier tot vrees.Want zij begon ten laatste met eene soort van angst in hare trekken naar de diepte der zee te luisteren. En toen men haar glimlachend vroeg, of zij soms de stemmen van verleidelijke Sirenen uit de diepte hoorde, bevestigde zij dit, waarover haar speelgenooten in een helderen lach uitbarstten, die verre over de zee klonk.Wellicht gelokt door de muziek dezer stemmen, werd het jacht door een dolfijn gevolgd, die geheel over den waterspiegel daarheen gleed. Een vogeltje, dat zich te ver van ’t land in de zee had gewaagd, zette zich een oogenblik, als om te rusten, op zijn rug, zonder dat hij het bemerkte.Juist toen de zilveren lach over Cora op het vaartuig van Alcibiades weerklonk, stevende een groote koopvaarder het jacht voorbij. Daar de koopvaarder zeer dicht langs het jacht voer, konden zijne bemanning en het gezelschap van Alcibiades elkander zeer goed opnemen. De mannen op de koopvaarder hadden een ruw, woest uiterlijk en wierpen[206]donkere blikken van onder hunne borstelige wenkbrauwen op het jacht van Alcibiades, bijna dreigend alshavikenop eene vlucht duiven. Daar echter de koopvaarder veel sneller roeide, liet hij weldra de bark achter zich en het vroolijke gezelschap sloeg geen acht meer op hem. Callimachus meende er een Megarisch schip in herkend te hebben.In eene kleine bocht werd geankerd en men besloot aan land te gaan, om zich daar eenigen tijd op het vriendelijk uitnoodigend strand te vermeien. ’t Was juist de plaats, waar men den in de rots uitgehouwen zetel van den Perzischen koning Xerxes toont, op eene helling der aegaleïsche bergen, den zetel, dien de groote koning, toen hij zijne vloot hier tot den beslissenden slag geschaard had, op het glooiende strand besteeg en vanwaar hij, eerst met fier vertrouwen op de overwinning, en vervolgens met steeds toenemende ontzetting de vreeselijke vernieling zijner macht bij Salamis had aanschouwd. Callimachus en Alcibiades geleidden Aspasia en de meisjes op den in de rots gehouwen zetel, en Alcibiades verlangde van Aspasia, dat zij als de waardigste daarop plaats zou nemen. Aspasia gaf aan de uitnoodiging gehoor. Callimachus zette zich aan hare zijde. De meisjes met Alcibiades vlijden zich in eene bekoorlijke groep om haar heen.Boschjes van zeegras en mirtestruiken, vol donkere en lichte bessen, schoten op tusschen de klippen.Er lag een wondervolle vrede over het zonnige land en de fonkelende zee uitgebreid. Dubbel bekoorlijk scheen van deze hooge plaats het tegenover hen opdoemend Salamis. Tusschen het eiland en het vaste land blauwde de zee, door geen windje gerimpeld. Zilverheldere, glinsterende strepen doorsneden hier en daar het diepe azuur, als schitterende bruggen. Geen geluid werd er vernomen in de gansche verte dan het ruischen van de in gelijkmatigenrhythmusaan- en terugklotsende golven[207]bij het strand en van tijd tot tijd het gekrijsch eener meeuw, die zweefde over de klippen.„Bij alle zeenimfen!” zei Alcibiades: „het is hier zoo vreedzaam, als aan het Siciliaansche strand. Men zou meenen, dat hier ergens in de nabijheid de verliefde CycloopPolyphemusmoest zitten, starend op de zee, waar het beeld van Galateä4, zich spiegelt in den vloed, terwijl zij met lichten voet daarover zweeft. De hond van den plompen herder loopt blaffend langs het strand haar te gemoet, doch de nimf overstelpt lachend den liefdebode met eene aanrollende schuimende golf zoodat hij druipstaartend terugloopt.”Inderdaad, hier heerschte eene zalige stilte, waarvan men niet gelooven kon, dat zij ooit verstoord was noch ooit verstoord kon worden.Aspasia wierp van haar in de rots gehouwen zetel een blik naar de bergen van de Peloponnesus.„Als ’t mogelijk is,” sprak zij, „al het onaangename en sombere, dat ik ginds aan gene zijde der bergen gezien en doorleefd heb, uit mijne ziel weg te vagen, dan moet het in deze ure zijn. Te glansrijk is de zee aan dit strand en den aether daarboven, dan dat hier ooit als ginds het sombere de overwinning zou kunnen behalen. Ik daag u moedig uit tot den strijd, ruwe sombere Peloponnesus!”„En ik met u!” riep Alcibiades en stak de vuist uit tegen de Argolische bergen.„En ook wij allen!” riepen de meisjes lachend.Op dit oogenblik viel Aspasia’s blik, rechts afdwalend, op het Megarisch vaartuig. Het scheen thans klein op den grooten afstand. Het scheen stil te liggen. Aspasia’s fiere, schier minachtende blik wendde zich er weldra van af. In hare oogen bliksemde thans iets van dien overmoed, die het hart des Perzischen konings vervulde, toen hij van dezen zetel op zijne vloot nederzag.[208]Een slaaf bracht op bevel van Alcibiades een zak met kostbare lafenis en weldra schuimden de bekers en een vroolijk rondgezang klonk over de golven. Bekoorlijk schalde het lied der vreugde over de schoone eenzame golven, en van verre werd het weerkaatst door den kalmen zeeboezem.Door den geest van Dionysus gedreven, verstrooiden de meisjes zich deels op het schelprijke strand, deels op de hellingen, waar, tusschen de rotsen, geurige kruiden opschoten. Zij geleken op fladderende vlinders, geplaagd, vervolgd door Alcibiades.Nu eens liepen zij onder luide kreten naar elkander, om een dood zeedier te bewonderen, een polyp of een dolfijn, die vroeger, het zilte nat doorklievend, de kleinere zeedieren schrik had aangejaagd of de dochters van Neres op zijn rug gedragen, doch thans door eene schuimende golf op het rotsachtige strand was geworpen. Dan weder gingen zij zitten en Alcibiades verhaalde de aandachtig luisterende meisjes zonderlinge jachtavonturen: bijvoorbeeld, hoe hij onlangs eens aan ’t strand een grooten polyp en een haas te gelijk had buit gemaakt, toen hij met de hengelroede een polyp uit het water op het land slingerde en deze juist op een haas neerviel, die in ’t gras sluimerend verscholen lag en onmiddellijk door de honderd armen van den polyp omkneld werd.Inmiddels onderhielden zich Aspasia en Callimachus.De verhouding van Callimachus tot de schoone gade van Pericles was van een zonderlingen aard. Hartelijke vriendschap verbond hem met Alcamenes, en door dezen ingelicht van alles, wat er tusschen een mededinger van Agoracrites en de schoone Milesische was voorgevallen, had hij uit Corinthe, vanwaar hij kwam, een vooroordeel, ja bijna een heimelijken wrok tegen Aspasia medegebracht. Na het heftige tooneel, dat tusschen Alcamenes en Aspasia te Olympia had plaats gegrepen en waarvan Callimachus eveneens kennis had gekregen, had hij met[209]zijn vriend eene soort van wraakverbond tegen de Milesische gesloten. Te Athene gekomen, kwam hij weldra met haar in aanraking, en, door hare betoovering aangetrokken, vergat hij ten halve, maar ook slechts ten halve, die wraakgedachten.Aspasia zelve bracht het gesprek op Alcamenes en roemde de vlucht zijner levendige phantasie.„Gij doet er wel aan,” zeide zij, „dat gij de vriendschap met dien man aanhoudt en mij dunkt, dat eene zekere verwantschap van zielen u tot elkander heeft gevoerd. Want, evenals hem, schijnt ook u eene levendige zucht te bezielen, om de kunst op eene nieuwe baan te leiden.”Aspasia zinspeelde met deze woorden op het feit, dat Callimachus de beitel niet meer voldeed, dat hij meer met de boor arbeidde en de détails zijner gewrochten met eene zoo schitterende kunstvaardigheid afwerkte, als men het vóór hem nog nooit gezien had.„Wanneer men mij toegeeft,” hernam Callimachus, „dat ik door een vlijtig gebruik der boor de beeldhouwkunst eene schrede vooruit hebt gebracht, dan zou ik nuttige diensten aan hare zusterkunst, de bouwkunst, kunnen bewijzen. Reeds lang ben ik met eene zaak bezig, die oppervlakkig, zeer licht en gemakkelijk is, inderdaad echter—gij zult er om lachen, als gij het hoort—mij maar volstrekt niet gelukken wil. Bij den vooruitgang der kunst geloof ik dat onze zuilen eene rijkere versiering noodig hebben. De Ionische krul is het uiterste, waartoe wij het gebracht hebben. Daarmede stellen wij ons sedert eeuwen tevreden. Ligt het niet voor de hand om met een stouten greep zich daarboven te verheffen en iets voortreffelijkers te scheppen?”„In het oosten,” antwoordde Aspasia, „zag ik bladeren en bloemen met keurigen smaak tot versiering der kapiteelen aangebracht. Wij zijn schuchter, zooals gij terecht opmerkt. Waarom durft gij niet uitvoeren, wat gij in ’t belang der kunst noodig acht?”„Zoudt gij wel gelooven,” hernam Callimachus,[210]„dat ik nu reeds sinds jaren mijn hersens met die zaak kwel? Honderde vormen heb ik uitgedacht, doch niet een enkele heeft mij tot heden volkomen voldaan.”„Waarom wilt gij een nieuwen vorm uitdenken en verzinnen en geheel en al uit u zelven scheppen?” vroeg Aspasia. „De natuur is eene voortreffelijke leermeesteres; haar moet de bouwmeester zoowel als de beeldhouwer haar geheim afzien. Houd uwe oogen open en gij zult vinden, wat gij zoekt. Gij behoeft het dan slechts goed op te vatten en met schranderen geest volkomen weder te geven.”Op dit oogenblik werd het gesprek van Aspasia en Callimachus gestoord door de meisjes, die kwamen aanloopen en vertelden, dat zij op eene verborgen, liefelijke plek van het strand een klein grafteeken hadden ontdekt. Zij wilden het Aspasia toonen.Aspasia en Callimachus gaven aan de uitnoodiging gehoor en lieten zich door de meisjes naar eene plaats voeren, waar het kleine grafteeken zich bevond. Het lag op ’t rotsachtig strand verborgen en was door overhangende klippen bijna bedekt. Het bestond uit een eenvoudigen, smallen steen, waarin een kort opschrift gebeiteld was. Boven de zerk stond een sierlijke korf, gevuld met verwelkte bloemen en kransen. Aspasia trachtte het opschrift te lezen en ontcijferde half een meisjesnaam, ’t geen haar echter moeilijk viel; want eene breedgebladerde acanthus5had met zijn prachtig loof niet alleen den gedenksteen zelven reeds bijna overdekt, maar slingerde zich zelfs om den korf. Zijn frisch, levend groen maakte eene treffende tegenstelling met de treurige verwelkte bloemen in den korf.Aspasia en de meisjes drukten hare verwondering uit op deze plaats een grafteeken te vinden. Callimachus echter zeide: „Mij was de aanwezigheid[211]van een klein monument te dezer plaatse niet onbekend.”Toen de meisjes hierop nieuwsgierig naar de herkomst daarvan vroegen, hernam Callimachus:„Hij, die dit grafteeken met den korf hier oprichtte, was mijn vriend en ik ben een der weinigen, wien hij de geschiedenis van dat monument heeft meegedeeld.„De vriend, van wien ik spreek,” vervolgde hij, „was een voortreffelijk Atheensch jongeling en oefende met grooten roem de kunst uit om aardewerk en grafurnen te beschilderen en verdiende hiermede tevens zijn levensonderhoud. Terwijl hij te Corinthe vertoeft, valt zijn oog op het bekoorlijkste bloemenmeisje van die stad en hij ontbrandt voor haar in vurige liefde. Maar ook een jonge Spartaan, die zich juist met eenige vrienden te Corinthe ophield, wordt verliefd op het meisje en wil haar bezitten. Door geweld en bedreigingen weet hij haar schrik aan te jagen en staat op ’t punt haar van Corinthe weg te voeren. De Athener in hartstochtelijken toorn ontstoken, daagt zijn mededinger tot een tweegevecht uit en doodt hem. Vervolgens, om den wraak der vrienden van den verslagene te ontvluchten, neemt hij het meisje, dat hem gewillig volgde, daar het zijn liefde beantwoordde, met zich mede, bestijgt in allerijl een vaartuig en vlucht met haar naar zijn vaderstad Athene.„Vroolijk vaart het geliefde paar langs het strand; het hart des jongelings vol zalig genot en het meisje stralend in den bloei harer jeugd en schoonheid, eener bruid gelijk. Zij bezit behalve hare bekoorlijkheid niets dan het bloemkorfje, met frissche bloemen gevuld, zooals zij op de markt te Corinthe juist in hare handen droeg, toen de minnaar haar weg voerde. De paarlen der zee bespatten ’t vaartuig en bevochtigen de rozen in het mandje. Maar toen de jongeling in de overmaat zijner vreugde een kus op de lippen van ’t meisje drukt, ontglijdt haar de bloemkorf en valt over boord in zee; het[212]meisje bukt zich haastig om dien weder te grijpen, doch zich te ver over boord uitstrekkende, verliest zij het evenwicht, de boot kantelt en zij stort in ’t water. Met een wanhoopskreet werpt zich de jongeling in zee, omvat, na langen tijd met de golven geworsteld te hebben, het midden van ’t meisje en zwemt met den dierbaren last naar het nabij gelegen strand. Met moeite klautert hij tegen eene klip op, het lichaam der geliefde met krachtige hand aan zijn borst gekneld. Nu vlijt hij haar neer op een vlakke plaats aan het strand. Hare oogen zijn gesloten, haar gelaat is bleek, te vergeefs, roept hij haar duizend liefdewoorden toe. Hij heeft slechts een lijk gered.„Den geheelen dag staart hij roerloos op de geliefde; vervolgens maakt hij zich gereed haar te begraven. Op de plaats, waar hij haar aan land heeft gebracht, delft hij eene groeve. Wat treft daar plotseling zijn oog tusschen de rotsen? De bloemkorf van het meisje is op de baren drijvend naar het strand gespoeld en rust nu daar, door de klippen teruggehouden. Hij daalt de rots af en droevig te moede heft hij zuchtend het sierlijke, met frissche bloemen gevulde mandje op en plaatst het, bevochtigd door zijne tranen, op het graf van ’t meisje. Hij gaat naar Athene en keert weldra terug naar de verscholen, door de zee omspoelde groeve, met dezen eenvoudigen gedenksteen. Hij legt dien op het graf en plaatst daarop weder het mandje met verwelkende bloemen. De verborgenheid der plaats beveiligt het voor heiligschennende handen en ook de acanthus heeft, zooals gij ziet, de rol van beschermer op zich genomen, daar hij den steen en den korf met de ranken van zijn heerlijk loof schier bedekt.”—Aandachtig hadden de meisjes naar het verhaal van Callimachus geluisterd en luide beklaagden zij het treurige lot van ’t jeugdige paar.Aspasia sprak na eene korte pauze:„Hoezeer uw verhaal, Callimachus, ook het gemoed tot medelijden stemt, kan ik toch den machtigen[213]indruk niet weren, dien deze eenvoudige steen, deze grafzerk, waarvoor de natuur veel meer dan de kunst heeft gedaan, op mij en zeker op allen, die hem zien, zal maken. Hoe sierlijk slingert het welig loof van den acanthus zich om den bevalligen, met verwelkte bloemen gevulden korf boven de wit marmeren zerk! Is dit niet eene dier meesterlijke groepen, welke der natuur als in eene spelende luim gelukt en die wel geen kunstenaar ooit zoo bekoorlijk kan verzinnen?”Callimachus antwoordde niet; maar eene gedachte vloog als een bliksemstraal door zijne ziel.Hij staarde een tijd lang op den met loof omslingerden korf; toen sprak hij, zich tot de Milesische wendende:„Inderdaad, Aspasia—deze liefelijk omkranste korf is eene van die groepen, waarvoor, zooals gij straks zeidet, de kunstenaar het oog geopend moet houden, omdat hij daarvan leeren kan.”„En omdat hij wellicht daarin vinden kan,” viel Aspasia hem glimlachend in de rede, „wat hij met vergeefsche inspanning lang heeft gezocht.”—In geestdrift begon nu Callimachus aanstonds uit te weiden over hetgeen zijne ziel vervulde.Terwijl hij aan de Milesische de in hem opgewekte gedachte van eene nieuwe zuilenversiering breeder ontvouwde, eene versiering, die werkelijk bestemd was in het rijk van ’t schoone eene blijvende plaats te verwinnen en wier roem met den naam van Callimachus voor altijd verbonden blijft6, verstrooiden zich de meisjes om bloemen te plukken, waarmede zij het graf van de jeugdige Corinthische wilden tooien.Weldra dartelden zij weder vroolijk langs het strand aan zeenimfen gelijk, onder wie Alcibiades de rol van den plagenden en ondeugenden Triton vervulde.[214]Langzamerhand echter begon de stroefheid en schuchterheid van Cora, die op eene eenzame plek van het strand was achtergebleven, op den vermetelen jongeling eene grootere bekoorlijkheid uit te oefenen, dan de vroolijke uitgelatenheid harer vriendinnen.Dat hij tegen haar zin een gesprek met haar aanknoopte, schertsend zich een tijd lang niet haar onderhield, merkte de betooverende Simaetha zonder de minste opwelling van ijverzucht op; want ook daarin was zij het evenbeeld harer meesteres, dat zij voor zulk een hartstocht slechts weinig ruimte had gelaten in hare fiere ziel. Ook zij scheen slechts voor die liefde vatbaar, welke niet gevaarlijk is voor de opgeruimdheid en kalme gemoedsrust. En bovendien, welk eene onbeduidende medeminnares was het herderskind, vergeleken bij die schitterendste parel van Aspasia’s school!Aan de wereld ontrukt vermaakten zij zich daar in vriendelijke afgescheidenheid, wier rust, naar ’t scheen, door niets ter wereld kon gestoord worden.—En toch waren op de onbezorgd zich vermeiende meisjes uit de verte vijandige, loerende oogen gericht.Toen het vroeger vermelde Megarische vaartuig het plezierjacht van Alcibiades voorbij was gevaren, hadden de mannen, die zich daarop bevonden, een bespiedenden blik op het schip van den Athener geworpen.Zoodra zij een eind weegs verwijderd waren, zei een van hen vertoornd en haastig tot zijne makkers:„Hebt gij dien Atheenschen jongeling wel gezien, die daar met jonge hetaeren op de zee dobbert? Dat is die onbeschaamde, nietswaardige meisjesroover Alcibiades! Ik herken hem! Meermalen heb ik hem te Athene gezien. En onder de jonge meisjes bevond zich Simaetha—de geschaakte Simaetha!”„Hoe!” riepen de Megarische mannen in heftigen[215]toorn ontstoken, „hoe? is dat die vermetele, die het meisje uit het landhuis van Psaumias voerde en zich nog steeds ongestraft in het bezit van den buit verheugt?”„Inderdaad,” hernam de andere, „verheugt hij zich nog ongestraft over zijn roof; want hij heeft eene machtige bescherming. Te vergeefs waren, zooals gij weet, alle bemoeiingen van Psaumias en zijne medeburgers, om de uitlevering van het meisje van de overmoedige Atheners te verkrijgen. Meenen die Atheensche honden niet van ouds dat zij met den Megarischen staat den spot mogen drijven? De tijd zal hun eenmaal leeren, dat zij ten onrechte de Dorische stad op hunne grenzen verachten. Voor het oogenblik echter, mijne vrienden, moeten wij ons, wat Simaetha betreft, de voldoening verschaffen, waartoe de gelegenheid zich thans aanbiedt.„Op dat plezierjacht bevinden zich, behalve dien baardeloozen meisjesroover, een ander ongewapend man en de weinige roeislaven, alleen vrouwen. Wij echter zijn mans genoeg, om het geheele schip, als wij het aanvallen, te veroveren: in ieder geval om Simaetha terug te nemen en haar met ons naar Megara te voeren.”Dit voorstel beviel aan de Megarische mannen. Terwijl zij dus raadpleegden, hoe zij het schip zouden aantasten, was het gezelschap van Alcibiades in de kleine baai geland. De Megarensers bemerkten dit uit de verte.„Des te beter!” zei hun aanvoerder. „Wij zullen hier ons schip aan ’t strand verbergen en onzen buit op het land vervolgen. Het meerendeel onzer zal het vaartuig verlaten, om ieder afzonderlijk naar land te sluipen en dan ons twee aan twee op het klippenrijke strand, waar zij verstrooid ronddolen, in hinderlaag leggen. ’t Zal ons gemakkelijk vallen op het juiste oogenblik te voorschijn te springen en van het meisje, waar het ons vooral om te doen is, ons meester te maken, zonder dat de beide Atheensche jongelingen en hunne roeislaven het verhinderen kunnen, ja misschien zonder[216]dat zij het bemerken. Want als wij van een oogenblik gebruik maken, dat Simaetha van hare vriendinnen gescheiden en de aandacht der mannen op iets anders gericht is, gelukt het ons wellicht Simaetha geheel ongemerkt op te lichten en wij zijn dan veilig voor elke vervolging. Zij weten dan niet, waar het meisje gebleven is, vóór wij onzen roof in veiligheid gebracht hebben. Moesten wij echter geweld gebruiken, dan ware het te vreezen,dat die jongelingen misschien van een voorbijvarend Atheensch vaartuig versterking kregen en men ons nog vóór wij het schip bereikt hebben, op zee zelve den buit weder afhandig maakte. Daarom laat ons voorzichtig zijn en uit onze hinderlaag op eene gunstige gelegenheid loeren!”Zóó sprak de bevelhebber van het Megarisch vaartuig en de mannen deden zooals hij bevolen had. Zij verborgen zich afzonderlijk of twee aan twee aan het strand en op de hellingen, en zagen uit hun schuilhoek met scherpen blik naar de argeloos ronddartelende meisjes.Lang wilde het gunstige oogenblik voor de Megarensers niet komen. Eindelijk brak het aan. Simaetha toch, benevens Drosis en Prasina, naderden bloemen plukkende en zich geen kwaad bewust, eene klip, waarachter eenigen der Megarensers zich verscholen hadden. Alcibiades was op grooten afstand met Cora bezig en Callimachus onderhield zich nog steeds met Aspasia bij het grafteeken van het Corinthische meisje.De Megarensers sprongen eensklaps te voorschijn en trachtten Simaetha te vangen.Zoodra deze de mannen, met hun woest uiterlijk, op zich zag afkomen, vluchtte zij onder angstgeschrei weg, gevolgd door Drosis en Prasina, die eveneens de lucht met kreten om hulp vervulden.Simaetha echter snelde hare speelgenootjes verre vooruit in hare haastige vlucht. Reeds had zij bijna de plaats bereikt, waar Alcibiades stond. Deze, zoowel als Callimachus, en de roeiers, die zich bij het schip bevonden, hoorden de angstkreten der[217]meisjes en snelden ijlings ter hulp. Alcibiades droeg altijd een dolk bij zich; onmiddellijk trok hij dien en stormde op de roovers los, gevolgd door de slaven, die zich met de roeispanen hadden gewapend.Doch de Megarensers wilden niet zonder buit het veld ruimen. Zij zetten, daar Simaetha hun ontsnapt was, hare vriendinnen Drosis en Prasina na en grepen haar, daar zij in hare angst, aan schuwe duiven gelijk, niet zoo spoedig hadden kunnen ontvluchten.Dewijl de Megarensers in ieder oponthoud gevaar zagen en om de straks gemelde redenen een openlijken strijd liever vermeden, sleurden zij Drosis en Prasina met zich voort naar het strand, wierpen zich met haar in het schip en voeren in aller ijl naar de baai van Megara, voordat Alcibiades en zijne helpers het jacht hadden kunnen beklimmen om hen te vervolgen.Toch wilde hij, gloeiend van toorn, zich onversaagd in zijn vaartuig werpen, om de roovers na te zetten. Doch toen hij zich hiertoe bereidde, hieven de meisjes een luid geschreeuw aan en jammerden, dat zij op het strand verlaten en misschien aan nog loerende vijanden werden prijs gegeven. Haar echter met zich in het schip te nemen, en zoo de vijanden te vervolgen, scheen Alcibiades niet minder ongeraden wegens den angst der meisjes, die dan zouden meenen, dat zij wellicht den vijand als buit in den mond werden gevoerd. Callimachus, de roeiers en bovenal Aspasia gaven hem in overweging de vervolging op te geven, daar die onmogelijk was en er middelen en wegen genoeg te vinden waren, om den overmoed der Megarensers te tuchtigen.Aspasia was bij ’t zien dier stoute daad der Megarensers verbleekt; maar spoedig verving een blos van gramschap hare ontsteltenis. Zij was nu ’t eerst weder tot zich zelven gekomen en rustig en kalm geworden; bijna lachend verzocht zij Alcibiades onverwijld den terugtocht aan te nemen.[218]Zonder dralen bestegen allen weder het vaartuig en zetten haastig koers naar Athene.„Wraak den Megarensers!” riep Alcibiades en slingerde, recht opstaande in het schip, terwijl hij van wal stiet, een beker tegen de scherpe klippen.„Evenals deze beker op de klip, zal Megara’s machtelooze trots en de trots van al zijne stamgenooten smadelijk verbroken worden op de harde rotsen van de Atheensche Acropolis!”—
Sedert den dag, waarop de jonge Alcibiades door een discus zijn kleinen makker in het Lyceüm had gewond, was eene reeks van jaren verloopen.
De knaap was tot een bloeienden jongeling opgegroeid; want hij had zijn achttiende levensjaar bereikt. Hij was naar Atheensch gebruik met de andere jongelingen, die in ’t zelfde jaar mondig werden, in de volksvergadering voorgesteld, met speer en lans gewapend naar het heiligdom van Agraulus aan den voet der Acropolis gevoerd, hij had daar den plechtigen eed afgelegd, waarmede de nieuwe Atheensche burger zich aan het vaderland wijdde: hij had gezworen zijn wapenen nooit oneer aan te zullen doen en zijn medestrijder in den slag niet te verlaten, te strijden voor de heiligdommen, en, ’t geen allen het dierbaarst is, den Staat, eens onverminderd, ja zoo mogelijk vergroot in macht en eer, aan de nakomelingen achter te laten, dewettendoor het volk gegeven te gehoorzamen en niet te dulden, dat een ander ze schond of trachtte af te schaffen.
Maar het vaderland, waaraan de jonge Alcibiades met dezen eed trouw zwoer, stelde voor het oogenblik slechts matige eischen aan zijn ijver en inspanning. De peribolen-dienst, dien de juist mondig verklaarde Atheensche jongelingen vervullen moesten, bestond in kleine tochten voor de inwendige veiligheid van het Attische land, en deze konden eerder als een genoegen dan als een last beschouwd worden.
De staat liet den jongen zoon van Clinias voldoende tijd om de genietingen der gulden jeugd te smaken. Met hem was de jonge Callias opgegroeid, die zijn vader Hipponicus een schrielhans noemde, de jonge Demus, de om zijn schoonheid beroemde[186]zoon van Pyrilampes, die insgelijks van meening was, dat zijn vader Pyrilampes van zijne rijkdommen geen goed gebruik wist te maken. Xanthippus en Paralus werden soms door de luim van Alcibiades, die hun den roem van brave knapen te zijn niet gunde, als helpers bij een ondeugenden guitenstreek meegesleept, doch zij moesten zich steeds met een ondergeschikte rol vergenoegen. Want ten eerste ontbrak het den spruiten van Telesippe aan geest en vernuft, en ten andere waren hunne zakken niet zoo gevuld, als die der beide zonen van de rijkste mannen van Athene, noch als die van Alcibiades zelven, wien na zijn mondigheid ook het vrije bezit van zijn vaderlijk erfgoed ten deel was gevallen.
Eene eigenaardige liefde had Alcibiades voor den jongen Manes opgevat, den knaap van vreemden afkomst, die Pericles uit den Samischen krijg had medegebracht en wien hij te zamen met zijne zonen en met dien van Clinias in zijn huis had laten opvoeden. Maar alle pogingen van Alcibiades om dezen droomerigen, stillen, eenigszins zwaarmoedigen jongeling in zijn vroolijken kring te lokken, mislukten ten eenenmale.
Deze jongeling begon overigens in dien tijd, door eene zonderlinge soort van ziekte aangetast, het voorwerp van eene huiveringwekkende opmerkzaamheid te worden. In hem ontwikkelde zich die raadselachtige neiging, die bekend staat onder den naam van onbewust slaapwandelen of maanziekte. In het holst van den nacht, wanneer alles in sluimering lag verzonken, stond hij op van zijn leger en doorwandelde met gesloten oogen het door de maan verlichte Peristylium, vervolgens beklom hij het plat van het dak en liep daar eenigen tijd heen en weder, altijd met gesloten oogen, en keerde ten laatste naar zijne legerstede terug, even onbewust als hij ze verlaten had. De mare van den slaapwandelenden knaap in het huis van Pericles verbreidde zich in geheel Athene en men begon van dit oogenblik af hem met een zekeren[187]afschuw te aanschouwen, als iemand, die onder den invloed van daemonische machten stond.
Had reeds Alcibiades als knaap de algemeene aandacht der Atheners getrokken, ’t was natuurlijk, dat hij nog meer van zich deed spreken, toen zijne kin behaard werd door „het zachte dons der mannelijkheid”. Zijne dolle streken waren het praatje van den dag, en daar hij vroegtijdig geleerd had, hoeveel bekoorlijks de naam van een aardigen deugniet aanbrengt, legde hij zich volstrekt geen dwang op, ja zelfs, wanneer hij een dollen streek had uitgevoerd, waarover de Atheners het hoofd schudden, deed hij dien in het vergeetboek geraken door een nog dolleren te doen. Hij wist immers, dat zelfs zij, die hem laakten, hem heimelijk bewonderden. Menigmaal scheen het, alsof hij eens wilde beproeven, of hij toch niet iets kon doen, wat de Atheners ernstig tegen hem zou kunnen verbitteren. Te vergeefs! Zijne handelingen mochten moedwillig en dartel zijn, als zij wilden, hij zelf bleef altijd geliefd.
’t Was nog altijd de lievelingswensch van Hipponicus, dat de schoonste jonkvrouw van Griekenland, zijne dochter Hipparete, de gade mocht worden van den schoonsten Helleenschen jongeling. Hij betoonde zich daarom zoo vriendelijk en voorkomend mogelijk voor den jongen Alcibiades, noodigde hem herhaaldelijk aan tafel en behandelde hem bijna met de teederheid van een vader.
Alcibiades maakte zich over hem vroolijk, evenals over ieder ter wereld, en plaagde hem met overmoedige scherts. Eens zond hem Hipponicus kostelijk toebereide visschen op een gouden schotel. Alcibiades hield den schotel en bedankte Hipponicus met de volgende woorden: „’t Is al te vriendelijk van u, dat ge mij behalve den gouden schotel ook nog zulke heerlijke visch daarbij hebt gezonden.”—Hipponicuslachtedat zijn buik schudde, en roemde bij de heele wereld de geestigheid van zijn aanstaanden schoonzoon.—
De bevallige jonkvrouw Hipparete zelve, die door[188]haar vader reeds geleerd had den jongen Alcibiades als haar toekomstigen echtgenoot te beschouwen, was heimelijk voor den prachtigen jongeling in minnegloed ontstoken. Zij had hem eenige malen bij openbare feesten gezien. Hij echter spotte met het ingetogen meisje. Hij hield zich voor het oogenblik liever aan de schoone en geestige hetaeren, wier aantal in de stad der Atheners gedurig toenam.
Inzonderheid was het Theodota, die den jongen man inwijdde in de mysteriën van het vroolijkste levensgenot. Een tiental jaren was ongeveer verstreken, sedert Alcamenes deze schoone van den rijken Corinthiër als loon voor zijne voortreffelijke marmergroep had bedongen. Thans was Theodota te Athene wellicht niet meer de bloeiendste, zeker echter nog de beroemdste onder hare vriendinnen.
Zij was voor Alcibiades het middelpunt van een kring van de weelderigste verkwisting, en het dartelste onbeteugeldste levensgenot. Maar zij was alleen het middelpunt, terwijl de kring zelf zijne grenzen hoe langer hoe wijder uitbreidde.
Diophites wreef zich vergenoegd de handen, zeggende: „Theodota richt gewis den veelbelovenden pleegzoon van Pericles ten gronde!”—
Maar werkelijke gezondheid, werkelijke kracht en werkelijke schoonheid zijn, naar het schijnt soms onverwoestelijk. De teugellooze Alcibiades bloeide als eene roos in den morgendauw. Hij had dien blos op de wangen, dien de zedepredikers, volgens hun meening, aan den deugdzamen moeten toekennen, terwijl juist de deugdzamen niet zelden met die vale gelaatskleur en doffe oogen rondloopen, die de zedeprediker gewoonlijk als beeld gebruikt, wanneer hij met krachtige trekken den wellusteling wil schilderen.
Theodota vervulde hare taak bij den levenslustigen jongeling in den beginne met blijde opgewektheid, doch langzamerhand begonnen in haar hart aandoeningen van een dieperen hartstocht levendig te worden. De ongelukkige! Zoo zeker als het ’t[189]meest benijdenswaardig geluk scheen, door Alcibiades bemind te worden, even zeker was het grootste ongeluk hem te beminnen!—
De mondigverklaring van den jongen Alcibiades had weinige dagen na den terugkeer van Pericles en zijne gade van hunne Elische reis plaats gehad. Ofschoon nu de jonge man, in ’t bezit van zijn vaderlijk erfdeel, ophield een huisgenoot van Pericles te zijn, voerden toch de gewoonte en genegenheid benevens de betoovering, die Aspasia noodwendig op hem moest uitoefenen, hem dikwerf genoeg terug naar den drempel van het huis, waarin hij opgevoed was.
Kan het bevreemden, dat de vermetele lieveling der Chariten durfde wagen, ook der nog altijd zegevierend schoone gade van Pericles eene soort van hulde te bieden, die hij in de school van Theodota geleerd had? Maar de schoone Milesische was nog steeds te jong, om den onontwikkelden mannelijken bloei verleidelijk, te verstandig om ze in ’t geheel begeerlijk te vinden, en veel te fier, om zich, zelfs de buitengewone schoonheid van den jongeling in aanmerking genomen, voor de zegekar van den baardeloozen vrouwenheld te laten spannen. Zij wist, dat geen vrouw, zelfs zij niet, dezen vluchtigen losbol inderdaad zou kunnen kortwieken, boeien en beheerschen. Grootscher dan het twijfelachtig genoegen ’t getal zijner veroveringen te vermeerderen en bekoorlijker tevens, was haar de gedachte, haar geslacht aan hem te wreken en hem voor eene loszinnigheid te straffen, die hij haar zelve niet mocht doen ondervinden. ’t Kwam haar daardoor niet in de gedachte, tegenover den jongeling dien moederlijk teederen, door ’t verschil in jaren gerechtvaardigden toon aan te nemen, waar onder dikwijls oudere vrouwen hare liefde verbergen, of de rol eener vertrouwde bij hem te zoeken. Zij beantwoordde de beleefdheden van den jongeling eenvoudig door er volstrekt geen acht op te slaan en hem wel is waar niet met moederlijke teederheid, maar toch met moederlijke ernst te behandelen.[190]Dit verbaasde den verwenden, zich zijner zegepralen bewusten veroveraar. Hij gevoelde eene heimelijke spijt, doch de hoogachting die hij der Milesische toedroeg, werd er niet door verminderd, integendeel zij nam er door toe, zonder dat hij er zich ten volle van bewust was. Zoo gevoelde hij zich telkens weder tot Aspasia getrokken en drong haar de rol van vertrouwelinge op, die zij volstrekt niet van plan geweest was te zoeken.
Op zekeren dag verbreidde zich door Athene het bericht van een nieuwen streek van Alcibiades, die meer dan alle vorige geschikt was, om de aandacht te trekken en aller tongen in rep en roer te brengen. Er werd namelijk verteld, dat Alcibiades op een uitstapje, dat hij met de besten zijner vrienden naar Megara had gemaakt, zich daar onaangenaamheden op den hals gehaald, ten laatste zelfs een meisje geroofd en mede gevoerd had, hetwelk hij nu bij zich te Athene verborgen hield. Niet gering, zei men verder, was de verbittering der Megarensers, die toch reeds van ouds op de Atheners gebeten waren.
Velen spraken reeds over openlijke vijandelijkheden, die ten gevolge van dezen streek der Atheensche jongelingen tusschen Athene en de naburige Dorische stad zouden uitbreken.
Alcibiades loochende, wanneer hem er naar gevraagd werd, de zaak volstrekt niet, en vertelde ten laatste de geheele geschiedenis uitvoerig, ja met blijkbaar welbehagen, aan zijne moederlijke vriendin Aspasia.
„Wij waren”—zoo sprak hij—„den vervelenden peribolendienst in de landelijke vlekken moede geworden, hoewel wij er ook soms eene kleine afwisseling in brachten, door, in plaats van op stroopers en roovers te loeren, liever jacht te maken op een Thracisch meisje in de boschjes van den Phelleus of op eene jeugdige schoone uit Acharnae.
„Zoo besloot ik dan in gezelschap van mijne vrienden Callias en Demus nogmaals een klein zeetochtje[191]voor eenige dagen te ondernemen. Wij hadden ons reeds vóór geruimen tijd een fraai versierd, groot pleizierjacht op gezamelijke kosten laten bouwen, waarmede wij ook soms ter vischvangst gingen. Dit jacht bestegen wij en namen drie Ionische meisjes mede, die, behalve in schoonheid, ook in de muziek- en zangkunst uitmuntten; voorts een paar jachthonden, benevens jachtnetten en werpsprieten; want wij waren voornemens langs die kust te roeien en hier en daar aan land te gaan, om te jagen. Wij voeren door de zeeëngte van Salamis. De „Bacchante”—zoo heette onze bark—danstelustig op de golven.
„De bont beschilderde voorsteven, die in een vergulden panther uitliep, waarop eene Bacchante reed, fonkelde in de stralen der zon. Den mast hadden wij, als een Thyrsus-staf met klimop en bloemen omwonden. De bodem van het vaartuig was met tapijten en mollige kussens bedekt. Wij praatten en schertsten en zongen; eene der drie schoonen blies op de fluit, de tweede bespeelde de cither en de derde sloeg het symbaal, zoodat de zee van gezang en muziek en opgeruimde vroolijkheid weerklonk, en wij de nieuwsgierige dolfijnen met de riemen op den kop moesten slaan, om hen te verdrijven en te beletten, dat zij ons jacht omver wierpen of vernielden.
„Langs het strand varende, kwamen wij voorbij vele landhuizen. Vóór een van deze hielden wij een oogenblik stil, om de schoone, die het bewoonde, een serenade te brengen. Wij zongen en musiceerden vroolijk. De schoone was verheugd, toen zij het gezang uit de zee vernam en de sierlijk getooide jonge vrienden zag. Glimlachend stond zij op het terras van het huis; wij wierpen haar kransen en kushanden toe. Nu ging het weder verder zeewaarts. Brandend stak ons de zon, doch wij wisten ons te helpen. Wij spanden de oppergewaden onzer vriendinnen en onze eigene boven onze hoofden, om de zon af te weren. ’t Was een schoon gezicht, zooals het vaartuig met die wimpels en[192]zeilen getooid, de met purper getinte baren doorkliefde. ’t Scheen als zou men straks het heldere, verleidende lachen eener Sirene vernemen. Wij waren juist in de Halcyonische dagen, gedurende welke de windstilte heerscht en de ijsvogel broeidt. Wij hadden de zeeëngte van Salamis achter ons en het Megarische strand rechts voor oogen. Hier begonnen de kusten eenzaam en eentonig te worden; van tijd tot tijd drongen de tonen eener herdersfluit tot ons van de glooiende bergen en men zag kudden van runderen, lammeren en geiten grazen. Wij legden hier en daar aan en vermaakten ons op allerlei wijzen. Wij vingen visschen met angels, die wij van de rotsen aan lange koorden in de zee wierpen, en vingen eenige wilde ganzen, eenden en trapganzen met strikken.
„Toen wij juist weder ons schip hadden bestegen, om de reis in de richting van Megara voort te zetten, ontmoette ons een pleizierjacht, dat in sierlijkheid en weelderigen tooi voor het onze volstrekt niet onderdeed. In dit prachtige vaartuig zat een bedaagd man, met een bekoorlijk schoon meisje aan zijne zijde. Het gezicht van dit meisje deed mij in fellen minnegloed ontsteken. Doch al te vluchtig was de ontmoeting. Snel gleden de beide vaartuigen langs elkander; de Megarische bark zeilde onmiddellijk om eene vooruitstekende rots en verdween uit onze oogen.
„Wij gingen weder aan land op eene plaats, die ons bijzonder aanlokte. Daar was eenig kreupelhout, ’t geen onze honden aanstonds doorsnuffelden. Na weinige minuten joegen zij een haas op; wij grepen naar onze jachtnetten en sprieten en in de hoop, het dier machtig te worden, achtervolgden wij het en lieten onze vriendinnen in de nabijheid van het vaartuig achter. De haas werd door de honden uit het bosch in de velden en weilanden gedreven. Terwijl zij onder luid geblafvoortsnelden, brachten zij de herders en hunne kudde in rep en roer. De honden stoven zelfs midden door een kudde geiten, zoodat deze verschrikt uit elkander[193]vlogen en sommigen tot aan de zee afdwaalden. Vertoornd over de verstrooiing zijner kudde, greep de herder een scherpen steen, die juist voor zijne voeten lag, wierp hem naar een der honden en trof hem doodelijk aan den kop. Het was de trouwe Phylax, die alle eigenschappen bezat van een voortreffelijken jachthond.
„Toen wij het voorgevallene uit de verte zagen, lieten wij den haas loopen en ijlden gloeiend van toorn, op den geitenhoeder los. Deze echter had inmiddels andere herders ter hulp geroepen en wij zagen, toen wij aankwamen, een dreigende menigte tegenover ons. Evenwel maakten wij aanstalten, om met onze jachtsprieten op hen los te gaan. Op dit oogenblik kwam een slaaf in allerijl uit het nabijgelegen landhuis aanloopen, om in naam van zijn heer te vragen, wat dit rumoer beteekende. Toen wij van den slaaf vernamen, dat de geitenhoeder in dienst was bij den heer van dat landgoed, verlangden wij met dezen te spreken, om voldoening voor het doodelijk gewonde dier te erlangen. Wij volgden den slaaf en toen wij het landgoed naderden, ’t welk een statig aanzien had en zich als het eigendom van een vermogend man voordeed, verbaasde het ons niet weinig, in den naast het huis gelegen tuin juist dienzelfden grijsaard en dat bekoorlijke kind te zien rondwandelen, die wij kort geleden op de zee hadden ontmoet. Wij verhaalden den man het gebeurde en zeiden, dat wij van plan waren ons op den herder te wreken. De oude man, als Megarenser een verklaarde vijand van de Atheners, antwoordde in onheusche bewoordingen. De herders, die in groote menigte ons op den voet gevolgd waren, beschuldigden ons met hevig misbaar hunne velden verwoest en hunne kudden verstrooid te hebben. Met behulp der huisslaven, die door wenken en teekenen van hun meester aangespoord waren geworden, onder smaadredenen en scheldwoorden op ons indringend, waren wij genoodzaakt voor de overmacht te zwichten en zonder eenige voldoening de plaats te verlaten.[194]
„Hoe zeer ook door de omstandigheden opgewonden, had ik toch niet verzuimd eenige blikken op de jeugdige schoone te werpen, die zich nog steeds in den tuin bevond en met een gevoel van nieuwsgierigheid en schrik den twist had aanschouwd. Met mijne makkers teruggekeerd, deelde ik hun onmiddellijk mijn besluit mede, om mij op den nietswaardigen Megarenser te wreken. Het schoone kind hield ik voor een gekochte lievelingsslavin. Mijn plan was: mij met mijne vrienden een tijdlang in de nabijheid verborgen te houden en het oogenblik te bespieden, waarop het landhuis onbewaakt was en het meisje zich alleen in den tuin zou bevinden, dan haar ijlings te overvallen en haar te ontvoeren.
„Eerder dan wij gehoopt hadden, vond ik de gewenschte gelegenheid. Voordat de tweede dag nog verloopen was, hadden wij het meisje ontdekt, aangegrepen, door een doek voor den mond het schreeuwen belet en in vliegenden haast op het onder eene rots verborgen schip gebracht.
„Onder beschutting der ingevallen schemering ontvluchtten wij, met den liefelijken buit aan boord, en forsche roeislagen brachten ons snel van de Megarische kusten.”
„En het meisje?” vroeg Aspasia.
„Schikte zich in haar lot,” hernam Alcibiades, „hoewel zij niet, zooals wij gedacht hadden, eene gekochte lievelingsslavin was, maar eene vrij geborene, de nicht van dien verwenschten Megarenser. Simaetha1is haar naam en ik noem haar de bekoorlijkste der Helleensche—neen, niet der Helleensche vrouwen, maar toch zeker debekoorlijkste derHelleensche jonkvrouwen!”
Megara! Dit woord had een eigenaardigen klank voor Aspasia’s oor. Met onmiskenbare teekenen van belangstelling had zij het verhaal van den koenen jongeling aangehoord.
Zij vroeg met bijzondere nieuwsgierigheid naar[195]de eigenschappen van het meisje. Alcibiades schilderde haar schier in ideale trekken.
Aspasia verlangde Simaetha te zien. De schaker was aanstonds bereid haar wensch in te willigen. Hij bracht Simaetha tot haar. Het meisje was beeldschoon, zoodat Aspasia zelve er verbaasd van stond. Maar het geheel geleek op een ongeslepen diamant. Immers zij was te Megara opgevoed. Het was tijd voor haar geworden, dat zij werd geschaakt zoo niet deze parel in de verborgenheid zonder glans of heerlijkheid zou te loor gaan.
De rijke Megarenser had haar als een jong meisje in zijn huis opgenomen. Zij had het bij hem beter gehad dan eene slavin, maar niet zoo goed als eene dochter.
Hij scheen, met het oog op haar veel belovende schoonheid, haar willens of onwillens, alleen tot een voorwerp om zijne lusten te bevredigen, te willen opvoeden. In geen enkel opzicht geleek de oude Megarenser op den edelen grijsaard van Milete, den bekendenPhilammon, dien Aspasia in het verhaal van de geschiedenis harer jeugd aan Pericles met zulk eene warmte had geprezen. Simaetha haatte hem en verklaarde, dat zij zich liever wilde dooden, dan ooit weder in het huis van haar opvoeder terug te keeren.
Aspasia’s scherpe blik merkte de kiemen van vrouwelijke voortreffelijkheid van den hoogsten rang op in het karakter van het jonge meisje, dat nog nauwelijks haar zestiende levensjaar was ingetreden. Uit hare oogen schitterde evenveel geest, als schoonheid uit hare trekken. Aspasia brandde van begeerte om deze heerlijke kiemen te ontwikkelen. Spoedig was haar besluit genomen. Zij zeide tot Alcibiades:
„Het meisje is uw eigendom: niet zoozeer door den roof, dien gij op haar gepleegd hebt, als wel door haar eigen bepaald uitgedrukten wil, om niet meer in het huis van den Megarenser terug te keeren. Maar gij zijt haar nog niet waardig. Voor knapen van uw soort zijn edele, bloeiende meisjes,[196]ja zelfs het onnoozele dochtertje van Hipponicus, veel te goed. Vrouwen van Theodota’s slag zijn voor u en uws gelijken bestemd: aan dezen moogt gij, om zoo te zeggen, de horens van uw overmoed afslijpen. Overigens zoudt gij u over het bezit van Simaetha, zooals zij nu is, maar half verheugen. Weldra zoudt gij haar moede worden; want onontwikkeld liggen in haar nog de kiemen van die eigenschappen, welke noodig zijn om niet de oververzadiging ten laatste de heerschappij te doen verkrijgen over de liefde. Vertrouw mij het kind eenigen tijd toe. Geef mij den schat, die gij buit gemaakt hebt, ter bewaring; beleg om zoo tezeggen, uwe bezitting op renten: gij zult ze, als de tijd om is, vertiendubbeld aan waarde uit mijne handen terug ontvangen.”
Alcibiades was te jong en te lichtzinnig, dan dat het hem zwaar had kunnen vallen het verhavende meisje voor eenigen tijd zijn huis te doen verlaten en Aspasia toe te vertrouwen.
„Ik ben bereid,” zeide hij, „mijn kostbaren schat bij u op renten te zetten. Ik weet vooruit, dat die renten mij rijkelijk schadeloos zullen stellen voor de korte ontbering, die toch immers niet eens eene volledige zal zijn, daar gij mij ongetwijfeld zult toestaan het schoone kind in uw huis te komen bezoeken.”
„Waarom niet?” hernam Aspasia; „gij moogt gedurig getuige zijn van hare vorderingen.”
Simaetha werd bij Aspasia gebracht. Pericles had in den beginne zijne toestemming geweigerd; doch zijn gemoed was zoo wonderlijk zacht en teeder, dat hij ten laatste op het herhaald aandringen van Aspasia haar verzoek inwilligde, evenwel onder voorwaarde, dat het meisje slechts zóó lang in zijn huis zou vertoeven, totdat over hare al of niet uitlevering zou zijn beslist. Waren de Megarensers niet zoo gehaat geweest te Athene, dan zou men de toegevendheid van Pericles, die, uit liefde voor Aspasia, aan het meisje eene wijkplaats in zijn huis verschafte, zonder twijfel scherper beoordeeld[197]hebben, dan thans geschiedde.
Men was reeds sedert geruimen tijd te Athene begonnen te spreken van eene school van Aspasia, en meer dan ooit was er van nu af reden voor dien naam.
Er waren thans inderdaad niet minder dan vier meisjes in den eersten bloei der jeugd, die in het huis van Aspasia onder de onmiddellijke hoede der Milesische leefden. Bij hare Milesische nichtjes, die reeds langeren tijd bij haar vertoefden, en de Arcadische Cora, die zij van hare Elische reis had medegebracht, had zich thans het meisje uit Megara gevoegd.
Ten volle beantwoordde de naam van school aan de innerlijke bedoeling van Aspasia. Hare persoonlijke bemoeiingen, om de vrouwen te Athene te veredelen, te bevrijden, in één woord eene hervorming te dien opzichte tot stand te brengen, waren met een zeer twijfelachtigen uitslag bekroond. De krachtige drang harer ziel gunde haar echter geen rust. Zij was tot de overtuiging gekomen, dat het eene vergeefsche poging was de gerijpte en reeds gevormde vrouw te willen hervormen. In den ontluikenden leeftijd, meende zij, moest de kiem daartoe gelegd worden.
Geen hetaeren wilde zij opvoeden, maar voorvechtsters en medearbeidsters, die door geest en schoonheid op gelijke wijze als zij zelve in staat zouden zijn invloed te oefenen. In de school, die zij stichtte, moest hare overlevering levendig gehouden en van daar uit verder verbreid worden. Door eene samenwerking van vereende krachten in haar geest moesten eindelijk de vooroordeelen vallen, en de volkomen zegepraal van geest, schoonheid en vrouwelijkheid behaald worden.
De gedachte aan de vooroordeelen, die in een ander opzicht uit deze hare school zouden kunnen voortvloeien, hoewel niet bij haar op den voorgrond staande, was evenwel niet geheel vreemd bij de fiere, schrandere Milesische. Hare leerlingenkonden, evenals hare meesteres, machtige en[198]uitstekende mannen tot echtgenooten verkrijgen, de heerschappij van Pericles helpen verzekeren en bevestigen, en door haar invloed den tegenstand zijner vijanden bestrijden.
Maar vond de gade van Pericles er geen bezwaar in, een aantal jeugdige, bekoorlijke meisjes onder de oogen van haar echtgenoot om zich te verzamelen? Deze fiere, koene, naar machtige doeleinden strevende ziel was verre verheven boven laffe overwegingen en kleingeestige gevoelens; zij joeg niet, als een gewone vrouw, enkel persoonlijke voordeelen na, maar voor eene grootsche gedachte leefde en werkte zij. En zij wist dat Aphrodite’s gordel nog altijd in hare macht was; dat hij in hare hand nog niets van zijne bekoorlijkheid had verloren. Zij wist, dat zij nog lang de meesteres onder hare leerlingen zou blijven en dat dezen eerst worden moesten, wat zij reeds was. En wat inzonderheid Pericles betrof, zij had de overtuiging, dat niets ter wereld de tooverketen kon verbreken of verzwakken, waarmede zij zijn hart had gekluisterd en die door de gewoonte al hechter en hechter was geworden.
Eene gril der natuur had Aspasia de moederweelde ontzegd2. Zij verdroeg het zonder klagen. Was ’t haar niet vergund vrouwelijke telgen van haar schoot tot haar evenbeeld op te leiden, het lot had haar in die veel belovende bloeiende meisjes eene vergoeding gegeven,waaraanzij naar hartelust de tooverkracht harer vormende meesterhand kon beproeven.
Muzen en de Chariten schenen van den Olympus neder te dalen en zich als ’t ware in Aspasia’s school als leermeesteressen aan te bieden. Daar werd de verheven leer verkondigd, hoe de natuur tot edele kunst gelouterd moest worden en de kunst weder tot natuur. Daar werd de eenheid van al het schoone begrepen en verwezenlijkt: daar werd de muziek,[199]een dans der zielen en de dans eene muziek der lichamen—daar werd de schoonheid poëzie en de poëzie betooverende schoonheid.
Aspasia’s streven was ’t in hare leerlingen door de schoonheid en om de schoonheid den geest op te wekken en dien opgewekten geest te veredelen en vrij te maken.
Als middel om den geest wakker te schudden diende haar echter niet alleen elke soort van kunst; ook de rijke hulpbronnen van wijsheid, kennis en wetenschap werden als vruchtbaar zaad op de vleugels der Eroten in de school van Aspasia binnengedragen. Uitgesloten alleen was het ernstige, het strenge, het sombere. Vroolijkheid bleef gepredikt als de hoogste wet der schoonheid en des levens.
Wat Aspasia haren leerlingen boven alles leerde, was dit, hoe dwaas het was, allen invloed van hare bekoorlijkheden te verwachten. Zij toonde haar aan, dat deze nog lang niet op zich zelven alleen het beminnelijke uitmaakten. Zij zeide haar, dat schoonheid eene deugd is, die, als elke andere, geleerd, geoefend en aangekweekt moest worden. Zij maakte haar duidelijk, dat de geest de echte kruiderij is, die aan de schoonheid gepaard, haar frisch deed blijven. „Eene onnoozele schoonheid,” sprak zij, „veroudert spoedig en weldra verwelkt ook de bekoorlijkheid, die door de laagheid als een verpestende walm wordt omgeven. Niets vernietigt zoo snel den bloei, als een stompzinnig voortleven in geestdoodende alledaagschheid. Schoon te zijn, zeide zij, is geen toestand, maar een handelen, een werken. Schoonheid is de hoogste macht en haar invloed berust op de samensmelting der edelste vermogens—op eene bekoorlijke en harmonische ontwikkeling van lichaam en ziel. Zij is geen dood pronkstuk, geen onbewegelijk licht: integendeel, evenals het zonnerad, een levend stralenspel, een spattende vonkenregen.
„Men kan zich de schoonheid niet onmiddellijk geven,” placht zij ook te zeggen, „maar men kan overal het leelijke uitroeien, temperen, verzachten.[200]Niet te dikwerf kunt gij in den spiegel zien: niet om op te merken hoe schoon gij zijt, maar om uwe leelijkheid te bespieden. Alleen dan zult gij ervaren dat niemand altijd schoon en niemand altijd leelijk is—dat de bloei van iedere schoonheid wel honderdmaal in den loop van den dag in gedaante en kleur verandert, dat zij, aan zich zelve overgelaten, geen stand kan houden, maar wankelt; dat eene schoonheid, die zich harer macht bewust, de hand in den schoot kan leggen, een droom is van zottinnen, en dat schoon te zijn eenemoeilijkekunst is zelfs voor de schoonsten. Laat onder geene vermomming het leelijke ingang bij u vinden! Want talloos zijn zijne gestalten, talloos zijne vormen! Het leelijke is een daemon, met wien wij iederen dag worstelen moeten, als hij ons niet besluipen en overweldigen zal. Het meest echter keert hij uit de hinderlaag der ziel zijne doodelijke wapenen tegen den bloei des lichaams.”
Maar niet met vermanende woorden alleen, ook metterdaad ondersteunde Aspasia hare leerlingen in den strijd tegen dien sluwen, dreigenden daemon. Zij vorschte de kiemen en sporen van elke leelijkheid na, evenals de overheid den dief. Gelijk een schoolmeester een stok of roede, zoo had zij een kleinen, zilveren spiegel in de hand en hield dien de schuldige voor, wanneer slechts eene sprank van leelijkheid, naar lichaam of ziel, zich vertoonde. Zoo leerde zij die jeugdige meisjes zelfbeheersching, onderdrukking van iedere opkomende luim en hartstocht, rust, vroolijkheid, gelijkmatigheid van lichaam en ziel.
Van de beide nichten van Aspasia legde de eene, Drosis, een schitterenden aanleg voor den mimischen dans aan den dag. Prasina daarentegen muntte voornamelijk uit door vaardigheid in zang en snarenspel. Doch Aspasia gedoogde niet, dat eene van beiden zich uitsluitend op de ontwikkeling van eene dergelijke eenzijdige kunst toelegde. Zij verlangde van ieder, dat zij niet door de beoefening van ééne bepaalde kunst, maar door eene harmonisch ontwikkelde[201]persoonlijkheid zou trachten te behagen. „Eenzijdige beoefening der kunst,” zeide zij, „geeft altijd aanleiding tot mindere ontwikkeling van het karakter zelf en zijne harmonische vorming.”
Drosis was van nature betooverend door hare bevalligheid. Hare gestalte was slank en sierlijk, zoo aetherisch licht en zwevend, dat zij, door de velden wandelend, even als eene nimf, geen grashalm noch bloem scheen te kunnen knakken. Hare ledematen hadden die rankheid, die jeugdige fijnheid en bevallige teederheid, welke de zinnen nog veel meer bekoort dan plompe weelderigheid.
Prasina was haar gelijk in schoonheid, maar zij bezat boven haar eene heldere zilveren stem, waarmede zij, de liederen vanSapphobij de luit zingend, ieders oor verrukte. Is er in ’t algemeen wel iets liefelijkers dan de heerlijke tonen van de stem van een zestienjarig meisje? Prasina’s stem overtrof in liefelijkheid, smeltende zachtheid en warmte de stemmen der nachtegalen in de Cephissus-dalen.
Maar de bekoorlijke Drosis, de vurige Prasina, zij werden weldra door den heerlijk zich ontwikkelenden bloei van Simaetha overschaduwd. In Simaetha’s gestalte, in hare trekken was de edelste, Helleensche betooverende schoonheid van vormen in de zuiverste lijnen uitgedrukt. Trekken van deze verwonderlijke zuiverheid hadden zelfs de meesters der beeldhouwkunst zich nauwelijks kunnen voorstellen. Zij bezat die onbeschrijfelijke helderheid die glinsterende en toch ietwat mijmerende vochtigheid van ’t oog, die soms bij meisjes in den teederen bloei der jaren een wegsleependen invloed kan oefenen. Maar evenals in uiterlijk schoon, kwam ook in geest en gemoed Simaetha hare meesteres Aspasia het meest nabij. Innig verwant scheen zij haar door hare geheele ontwikkeling in gevoel en denken. Niet minder dan de Milesische beloofde zij eene verpersoonlijking van den echten levenslust en den schoonheidszin van den Helleenschen geest te worden. Met gloeiende geestdrift begreep zij terstond de gedachten van Aspasia. Zij overtrof in[202]helderheid van verstand hare medeleerlingen verre. Zij beminde de kunsten, en voor de beeldhouwkunst scheen zij het onvergelijkelijk scherpe kennersoog van Aspasia te bezitten. Ook daarin kwam zij met hare meesteres overeen, dat zij op geen enkele afzonderlijke kunstvaardigheid bijzonderen nadruk legde, maar allen gaven tot eene schoone harmonie ontwikkelde. Zoo was zij dan de parel van de school der Milesische, die haar bijna met de teederheid eener moeder liefhad en hare schoonste verwachtingen op haar stelde.
En Cora, het meisje uit Arcadië? ’t Was moeilijk te zeggen of men haar tot de school van Aspasia mocht rekenen. Toen Aspasia haar uit haar Arcadisch geboorteland had weggevoerd, prikkelde haar juist de ruwheid der stof, om er hare vormende en ontbolsterende kunst aan te beproeven. Maar de ruwheid der stof scheen weldra grooter nog dan het meesterschap van Aspasia’s vormende kunst. Cora was doorgaans een voorwerp van spot bij hare speelgenootjes en men verlaagde haar bijna tot eene dienstmaagd. Maar toch had het meisje uit Arcadië ook iets in haar wezen, dat haar nooit geheel tot eene slavin liet vernederen. Niet bekoorlijk was zij, niet van edelen lichaamsbouw, niet opgewekt van geest, maar ernstig en peinzend, en het eigenaardige in haar wezen, dat zij mede naar Athene gebracht had, bleef onveranderd. Zijverraste, door stralen en vonken van geest en gemoed, die altijd iets oorspronkelijke en ongewoons hadden, en steeds eene bijzondere soort van belangstelling voor haar opwekten. Zij scheen als een wezen uit eene vreemde, tot heden nog onbekende wereld.
Aspasia vond het raadzaam hare kweekelingen, tegen de Atheensche zeden en ondanks haar jeugdigen leeftijd in den vrijen, ontwikkelden omgang met de wereld en de menschen te brengen. Thans evenals vroeger bezochten haar huis mannen van uitnemenden geest, door wier gesprekken de zielen der meisjes vroegtijdig boven de platte alledaagschheid[203]verheven en in hoogere sferen opgevoerd werden. Maar ook bezoeken van vrouwen waren niet uitgesloten. Wie van die uitstekende mannen eene schoone vriendin in dezen kring wilde binnenleiden, dien werd het volgaarne toegestaan. Onder hen, die van die vrijheid gebruik maakten, bevond zich die jonge beeldhouwer en architect Callimachus, die een verwend beeldschoon, jong meisje, Philandra genaamd, van Corinthe naar Athene had gebracht. Hij hield hartelijk veel van het meisje en scheen besloten haar tot zijne echtgenoote te nemen. Doch Philandra, van nederige en arme afkomst en nog in hare prille jeugd, miste eene beschaving en ontwikkeling, die haren vriend waardig was. Hoe kon haar die beter ten deel vallen, dan door het verkeer met de omgeving van Aspasia? Deze achtte het natuurlijk niet beneden zich den kring harer school ook buiten hare woning uit te breiden.
Philandra was eene schoonheid van weelderige, maar toch edele vormen. Zij verried een heftig, ja hartstochtelijk karakter en scheen door haar statig voorkomen ouder dan zij werkelijk was.
Zoo was dan, om zoo te zeggen, een vrouwelijke Olympia in Aspasia’s woning neergedaald. De jonge Alcibiades placht de meisjes naar de Godinnen te noemen, met wie zij de meeste gelijkenis hadden. Kunstenaars werden in dezen Olympus tot het scheppen van schoone beelden ontvonkt, dichters tot zoetklinkende liederen bezield. Doch overmoed en al wat onedel was bleef verbannen uit dezen schoonen kring, Aspasia’s blik wist zelfs den koenen, hartstochtelijken Alcibiades in toom te houden en steeds hield de priesteres der schoonheid ook de teugels van de edele juiste maat in de hand. Altijd bleef Aspasia gedachtig, wat zij aan de eer van ’t huis haars gemaals verschuldigd was. En zij wist te voorkomen, dat de school, die zij om zich verzameld had, haar echtgenoot ooit de de minste aanleiding gaf tot verwijdering, die allicht tot eene noodlottige scheiding zou kunnen voeren.[204]
Op zekeren dag noodigde de jonge Alcibiades Aspasia en hare meisjes tot een pleiziertochtje met zijn jacht uit. Aspasia nam de uitnoodiging van den jongen man aan, onder nadrukkelijke voorwaarde, dat hij niemand van zijne overmoedige makkers zou mede nemen.
Op een zomermorgen, terwijl de frissche dauw zich parelde op blad en halm, besteeg Aspasia met Drosis, Prasina, Simaetha en Cora het schip van Alcibiades. Bij haar sloten zich nog Callimachus en Philandra aan, en in gezelschap van Philandra eene vriendin van haar, Pasicompsa geheeten, die, evenals Philandra zelve, bij Aspasia was ingeleid en door deze waardig geacht eene plaats onder hare leerlingen te nemen. Behalve de genoemden en eenige slaven, om te roeien, bevond zich niemand op het schip.
Men voer het strand langs en geraakte weldra in de schoone bocht van Salamis. Links zag men de groene in den morgendauw schitterende eilanden, rechts het Attische strand met zijne aegaleïsche3heuvels.
Niets vermag de ziel vriendelijker en harmonischer te stemmen dan een spelevaart over eene zonnige, blauwe zeegolf. En geen heerlijker azuur wordt er gevonden, dan dat van Salamis’ zeeboezem. Zoo smaakte dan ook het gezelschap van Alcibiades, zich wiegelend op de baren der zee onder dien heerlijken hemel, een onbeschrijfelijk, een zalig genot. Boven hunne hoofden het blauw van den aether, onder zich het hemelsblauw der zee, dreven zij als het ware tusschen twee hemelen, zich wiegelend in eene zalige azuur. Of dat van den aether dan wel dat van de zee bekoorlijker was, wisten zij niet en zij vroegen er ook niet naar; zij zagen alleen, dat somwijlen de vogels voor een oogenblik uit den blauwen aether in de zee neerdoken, als om hare bekoorlijkheid te onderzoeken, terwijl de[205]visschen daarentegen uit de blauwe zee somwijlen oprezen en voor een oogenblik met de koppen lustig in den blauwen aether voortzwommen, als om eene vluchtige, heerlijke teug daaruit in te zwelgen.
Het gezelschap op het schip van Alcibiades geleek op de vroolijke visschen en vogels, die zich in de bekoorlijkheid van zee en aether verlustigden en verkwikten. Zij zogen in volle teugen al dat heerlijke in en dachten daarbij zoo weinig om de buitenwereld en zich zelven, als die vogels en visschen. De jeugdige, bevallige kweekelingen van Aspasia zagen van het scheepsboord omlaag naar de schoone zee, doch alleen om hare lieve gezichtjes daarin te spiegelen.AlleenCora zag, als zij in den vloed nederkeek, niet haar gezicht, maar de zee zelve. In haar gemoed alleen werd de betoovering der zee met levendigheid gevoeld.
De andere meisjes spiegelden zich in de zee, de zee echter spiegelde zich in Cora.
De indruk steeg in haar gemoed schier tot vrees.Want zij begon ten laatste met eene soort van angst in hare trekken naar de diepte der zee te luisteren. En toen men haar glimlachend vroeg, of zij soms de stemmen van verleidelijke Sirenen uit de diepte hoorde, bevestigde zij dit, waarover haar speelgenooten in een helderen lach uitbarstten, die verre over de zee klonk.
Wellicht gelokt door de muziek dezer stemmen, werd het jacht door een dolfijn gevolgd, die geheel over den waterspiegel daarheen gleed. Een vogeltje, dat zich te ver van ’t land in de zee had gewaagd, zette zich een oogenblik, als om te rusten, op zijn rug, zonder dat hij het bemerkte.
Juist toen de zilveren lach over Cora op het vaartuig van Alcibiades weerklonk, stevende een groote koopvaarder het jacht voorbij. Daar de koopvaarder zeer dicht langs het jacht voer, konden zijne bemanning en het gezelschap van Alcibiades elkander zeer goed opnemen. De mannen op de koopvaarder hadden een ruw, woest uiterlijk en wierpen[206]donkere blikken van onder hunne borstelige wenkbrauwen op het jacht van Alcibiades, bijna dreigend alshavikenop eene vlucht duiven. Daar echter de koopvaarder veel sneller roeide, liet hij weldra de bark achter zich en het vroolijke gezelschap sloeg geen acht meer op hem. Callimachus meende er een Megarisch schip in herkend te hebben.
In eene kleine bocht werd geankerd en men besloot aan land te gaan, om zich daar eenigen tijd op het vriendelijk uitnoodigend strand te vermeien. ’t Was juist de plaats, waar men den in de rots uitgehouwen zetel van den Perzischen koning Xerxes toont, op eene helling der aegaleïsche bergen, den zetel, dien de groote koning, toen hij zijne vloot hier tot den beslissenden slag geschaard had, op het glooiende strand besteeg en vanwaar hij, eerst met fier vertrouwen op de overwinning, en vervolgens met steeds toenemende ontzetting de vreeselijke vernieling zijner macht bij Salamis had aanschouwd. Callimachus en Alcibiades geleidden Aspasia en de meisjes op den in de rots gehouwen zetel, en Alcibiades verlangde van Aspasia, dat zij als de waardigste daarop plaats zou nemen. Aspasia gaf aan de uitnoodiging gehoor. Callimachus zette zich aan hare zijde. De meisjes met Alcibiades vlijden zich in eene bekoorlijke groep om haar heen.
Boschjes van zeegras en mirtestruiken, vol donkere en lichte bessen, schoten op tusschen de klippen.
Er lag een wondervolle vrede over het zonnige land en de fonkelende zee uitgebreid. Dubbel bekoorlijk scheen van deze hooge plaats het tegenover hen opdoemend Salamis. Tusschen het eiland en het vaste land blauwde de zee, door geen windje gerimpeld. Zilverheldere, glinsterende strepen doorsneden hier en daar het diepe azuur, als schitterende bruggen. Geen geluid werd er vernomen in de gansche verte dan het ruischen van de in gelijkmatigenrhythmusaan- en terugklotsende golven[207]bij het strand en van tijd tot tijd het gekrijsch eener meeuw, die zweefde over de klippen.
„Bij alle zeenimfen!” zei Alcibiades: „het is hier zoo vreedzaam, als aan het Siciliaansche strand. Men zou meenen, dat hier ergens in de nabijheid de verliefde CycloopPolyphemusmoest zitten, starend op de zee, waar het beeld van Galateä4, zich spiegelt in den vloed, terwijl zij met lichten voet daarover zweeft. De hond van den plompen herder loopt blaffend langs het strand haar te gemoet, doch de nimf overstelpt lachend den liefdebode met eene aanrollende schuimende golf zoodat hij druipstaartend terugloopt.”
Inderdaad, hier heerschte eene zalige stilte, waarvan men niet gelooven kon, dat zij ooit verstoord was noch ooit verstoord kon worden.
Aspasia wierp van haar in de rots gehouwen zetel een blik naar de bergen van de Peloponnesus.
„Als ’t mogelijk is,” sprak zij, „al het onaangename en sombere, dat ik ginds aan gene zijde der bergen gezien en doorleefd heb, uit mijne ziel weg te vagen, dan moet het in deze ure zijn. Te glansrijk is de zee aan dit strand en den aether daarboven, dan dat hier ooit als ginds het sombere de overwinning zou kunnen behalen. Ik daag u moedig uit tot den strijd, ruwe sombere Peloponnesus!”
„En ik met u!” riep Alcibiades en stak de vuist uit tegen de Argolische bergen.
„En ook wij allen!” riepen de meisjes lachend.
Op dit oogenblik viel Aspasia’s blik, rechts afdwalend, op het Megarisch vaartuig. Het scheen thans klein op den grooten afstand. Het scheen stil te liggen. Aspasia’s fiere, schier minachtende blik wendde zich er weldra van af. In hare oogen bliksemde thans iets van dien overmoed, die het hart des Perzischen konings vervulde, toen hij van dezen zetel op zijne vloot nederzag.[208]
Een slaaf bracht op bevel van Alcibiades een zak met kostbare lafenis en weldra schuimden de bekers en een vroolijk rondgezang klonk over de golven. Bekoorlijk schalde het lied der vreugde over de schoone eenzame golven, en van verre werd het weerkaatst door den kalmen zeeboezem.
Door den geest van Dionysus gedreven, verstrooiden de meisjes zich deels op het schelprijke strand, deels op de hellingen, waar, tusschen de rotsen, geurige kruiden opschoten. Zij geleken op fladderende vlinders, geplaagd, vervolgd door Alcibiades.
Nu eens liepen zij onder luide kreten naar elkander, om een dood zeedier te bewonderen, een polyp of een dolfijn, die vroeger, het zilte nat doorklievend, de kleinere zeedieren schrik had aangejaagd of de dochters van Neres op zijn rug gedragen, doch thans door eene schuimende golf op het rotsachtige strand was geworpen. Dan weder gingen zij zitten en Alcibiades verhaalde de aandachtig luisterende meisjes zonderlinge jachtavonturen: bijvoorbeeld, hoe hij onlangs eens aan ’t strand een grooten polyp en een haas te gelijk had buit gemaakt, toen hij met de hengelroede een polyp uit het water op het land slingerde en deze juist op een haas neerviel, die in ’t gras sluimerend verscholen lag en onmiddellijk door de honderd armen van den polyp omkneld werd.
Inmiddels onderhielden zich Aspasia en Callimachus.
De verhouding van Callimachus tot de schoone gade van Pericles was van een zonderlingen aard. Hartelijke vriendschap verbond hem met Alcamenes, en door dezen ingelicht van alles, wat er tusschen een mededinger van Agoracrites en de schoone Milesische was voorgevallen, had hij uit Corinthe, vanwaar hij kwam, een vooroordeel, ja bijna een heimelijken wrok tegen Aspasia medegebracht. Na het heftige tooneel, dat tusschen Alcamenes en Aspasia te Olympia had plaats gegrepen en waarvan Callimachus eveneens kennis had gekregen, had hij met[209]zijn vriend eene soort van wraakverbond tegen de Milesische gesloten. Te Athene gekomen, kwam hij weldra met haar in aanraking, en, door hare betoovering aangetrokken, vergat hij ten halve, maar ook slechts ten halve, die wraakgedachten.
Aspasia zelve bracht het gesprek op Alcamenes en roemde de vlucht zijner levendige phantasie.
„Gij doet er wel aan,” zeide zij, „dat gij de vriendschap met dien man aanhoudt en mij dunkt, dat eene zekere verwantschap van zielen u tot elkander heeft gevoerd. Want, evenals hem, schijnt ook u eene levendige zucht te bezielen, om de kunst op eene nieuwe baan te leiden.”
Aspasia zinspeelde met deze woorden op het feit, dat Callimachus de beitel niet meer voldeed, dat hij meer met de boor arbeidde en de détails zijner gewrochten met eene zoo schitterende kunstvaardigheid afwerkte, als men het vóór hem nog nooit gezien had.
„Wanneer men mij toegeeft,” hernam Callimachus, „dat ik door een vlijtig gebruik der boor de beeldhouwkunst eene schrede vooruit hebt gebracht, dan zou ik nuttige diensten aan hare zusterkunst, de bouwkunst, kunnen bewijzen. Reeds lang ben ik met eene zaak bezig, die oppervlakkig, zeer licht en gemakkelijk is, inderdaad echter—gij zult er om lachen, als gij het hoort—mij maar volstrekt niet gelukken wil. Bij den vooruitgang der kunst geloof ik dat onze zuilen eene rijkere versiering noodig hebben. De Ionische krul is het uiterste, waartoe wij het gebracht hebben. Daarmede stellen wij ons sedert eeuwen tevreden. Ligt het niet voor de hand om met een stouten greep zich daarboven te verheffen en iets voortreffelijkers te scheppen?”
„In het oosten,” antwoordde Aspasia, „zag ik bladeren en bloemen met keurigen smaak tot versiering der kapiteelen aangebracht. Wij zijn schuchter, zooals gij terecht opmerkt. Waarom durft gij niet uitvoeren, wat gij in ’t belang der kunst noodig acht?”
„Zoudt gij wel gelooven,” hernam Callimachus,[210]„dat ik nu reeds sinds jaren mijn hersens met die zaak kwel? Honderde vormen heb ik uitgedacht, doch niet een enkele heeft mij tot heden volkomen voldaan.”
„Waarom wilt gij een nieuwen vorm uitdenken en verzinnen en geheel en al uit u zelven scheppen?” vroeg Aspasia. „De natuur is eene voortreffelijke leermeesteres; haar moet de bouwmeester zoowel als de beeldhouwer haar geheim afzien. Houd uwe oogen open en gij zult vinden, wat gij zoekt. Gij behoeft het dan slechts goed op te vatten en met schranderen geest volkomen weder te geven.”
Op dit oogenblik werd het gesprek van Aspasia en Callimachus gestoord door de meisjes, die kwamen aanloopen en vertelden, dat zij op eene verborgen, liefelijke plek van het strand een klein grafteeken hadden ontdekt. Zij wilden het Aspasia toonen.
Aspasia en Callimachus gaven aan de uitnoodiging gehoor en lieten zich door de meisjes naar eene plaats voeren, waar het kleine grafteeken zich bevond. Het lag op ’t rotsachtig strand verborgen en was door overhangende klippen bijna bedekt. Het bestond uit een eenvoudigen, smallen steen, waarin een kort opschrift gebeiteld was. Boven de zerk stond een sierlijke korf, gevuld met verwelkte bloemen en kransen. Aspasia trachtte het opschrift te lezen en ontcijferde half een meisjesnaam, ’t geen haar echter moeilijk viel; want eene breedgebladerde acanthus5had met zijn prachtig loof niet alleen den gedenksteen zelven reeds bijna overdekt, maar slingerde zich zelfs om den korf. Zijn frisch, levend groen maakte eene treffende tegenstelling met de treurige verwelkte bloemen in den korf.
Aspasia en de meisjes drukten hare verwondering uit op deze plaats een grafteeken te vinden. Callimachus echter zeide: „Mij was de aanwezigheid[211]van een klein monument te dezer plaatse niet onbekend.”
Toen de meisjes hierop nieuwsgierig naar de herkomst daarvan vroegen, hernam Callimachus:
„Hij, die dit grafteeken met den korf hier oprichtte, was mijn vriend en ik ben een der weinigen, wien hij de geschiedenis van dat monument heeft meegedeeld.
„De vriend, van wien ik spreek,” vervolgde hij, „was een voortreffelijk Atheensch jongeling en oefende met grooten roem de kunst uit om aardewerk en grafurnen te beschilderen en verdiende hiermede tevens zijn levensonderhoud. Terwijl hij te Corinthe vertoeft, valt zijn oog op het bekoorlijkste bloemenmeisje van die stad en hij ontbrandt voor haar in vurige liefde. Maar ook een jonge Spartaan, die zich juist met eenige vrienden te Corinthe ophield, wordt verliefd op het meisje en wil haar bezitten. Door geweld en bedreigingen weet hij haar schrik aan te jagen en staat op ’t punt haar van Corinthe weg te voeren. De Athener in hartstochtelijken toorn ontstoken, daagt zijn mededinger tot een tweegevecht uit en doodt hem. Vervolgens, om den wraak der vrienden van den verslagene te ontvluchten, neemt hij het meisje, dat hem gewillig volgde, daar het zijn liefde beantwoordde, met zich mede, bestijgt in allerijl een vaartuig en vlucht met haar naar zijn vaderstad Athene.
„Vroolijk vaart het geliefde paar langs het strand; het hart des jongelings vol zalig genot en het meisje stralend in den bloei harer jeugd en schoonheid, eener bruid gelijk. Zij bezit behalve hare bekoorlijkheid niets dan het bloemkorfje, met frissche bloemen gevuld, zooals zij op de markt te Corinthe juist in hare handen droeg, toen de minnaar haar weg voerde. De paarlen der zee bespatten ’t vaartuig en bevochtigen de rozen in het mandje. Maar toen de jongeling in de overmaat zijner vreugde een kus op de lippen van ’t meisje drukt, ontglijdt haar de bloemkorf en valt over boord in zee; het[212]meisje bukt zich haastig om dien weder te grijpen, doch zich te ver over boord uitstrekkende, verliest zij het evenwicht, de boot kantelt en zij stort in ’t water. Met een wanhoopskreet werpt zich de jongeling in zee, omvat, na langen tijd met de golven geworsteld te hebben, het midden van ’t meisje en zwemt met den dierbaren last naar het nabij gelegen strand. Met moeite klautert hij tegen eene klip op, het lichaam der geliefde met krachtige hand aan zijn borst gekneld. Nu vlijt hij haar neer op een vlakke plaats aan het strand. Hare oogen zijn gesloten, haar gelaat is bleek, te vergeefs, roept hij haar duizend liefdewoorden toe. Hij heeft slechts een lijk gered.
„Den geheelen dag staart hij roerloos op de geliefde; vervolgens maakt hij zich gereed haar te begraven. Op de plaats, waar hij haar aan land heeft gebracht, delft hij eene groeve. Wat treft daar plotseling zijn oog tusschen de rotsen? De bloemkorf van het meisje is op de baren drijvend naar het strand gespoeld en rust nu daar, door de klippen teruggehouden. Hij daalt de rots af en droevig te moede heft hij zuchtend het sierlijke, met frissche bloemen gevulde mandje op en plaatst het, bevochtigd door zijne tranen, op het graf van ’t meisje. Hij gaat naar Athene en keert weldra terug naar de verscholen, door de zee omspoelde groeve, met dezen eenvoudigen gedenksteen. Hij legt dien op het graf en plaatst daarop weder het mandje met verwelkende bloemen. De verborgenheid der plaats beveiligt het voor heiligschennende handen en ook de acanthus heeft, zooals gij ziet, de rol van beschermer op zich genomen, daar hij den steen en den korf met de ranken van zijn heerlijk loof schier bedekt.”—
Aandachtig hadden de meisjes naar het verhaal van Callimachus geluisterd en luide beklaagden zij het treurige lot van ’t jeugdige paar.
Aspasia sprak na eene korte pauze:
„Hoezeer uw verhaal, Callimachus, ook het gemoed tot medelijden stemt, kan ik toch den machtigen[213]indruk niet weren, dien deze eenvoudige steen, deze grafzerk, waarvoor de natuur veel meer dan de kunst heeft gedaan, op mij en zeker op allen, die hem zien, zal maken. Hoe sierlijk slingert het welig loof van den acanthus zich om den bevalligen, met verwelkte bloemen gevulden korf boven de wit marmeren zerk! Is dit niet eene dier meesterlijke groepen, welke der natuur als in eene spelende luim gelukt en die wel geen kunstenaar ooit zoo bekoorlijk kan verzinnen?”
Callimachus antwoordde niet; maar eene gedachte vloog als een bliksemstraal door zijne ziel.
Hij staarde een tijd lang op den met loof omslingerden korf; toen sprak hij, zich tot de Milesische wendende:
„Inderdaad, Aspasia—deze liefelijk omkranste korf is eene van die groepen, waarvoor, zooals gij straks zeidet, de kunstenaar het oog geopend moet houden, omdat hij daarvan leeren kan.”
„En omdat hij wellicht daarin vinden kan,” viel Aspasia hem glimlachend in de rede, „wat hij met vergeefsche inspanning lang heeft gezocht.”—
In geestdrift begon nu Callimachus aanstonds uit te weiden over hetgeen zijne ziel vervulde.
Terwijl hij aan de Milesische de in hem opgewekte gedachte van eene nieuwe zuilenversiering breeder ontvouwde, eene versiering, die werkelijk bestemd was in het rijk van ’t schoone eene blijvende plaats te verwinnen en wier roem met den naam van Callimachus voor altijd verbonden blijft6, verstrooiden zich de meisjes om bloemen te plukken, waarmede zij het graf van de jeugdige Corinthische wilden tooien.
Weldra dartelden zij weder vroolijk langs het strand aan zeenimfen gelijk, onder wie Alcibiades de rol van den plagenden en ondeugenden Triton vervulde.[214]
Langzamerhand echter begon de stroefheid en schuchterheid van Cora, die op eene eenzame plek van het strand was achtergebleven, op den vermetelen jongeling eene grootere bekoorlijkheid uit te oefenen, dan de vroolijke uitgelatenheid harer vriendinnen.
Dat hij tegen haar zin een gesprek met haar aanknoopte, schertsend zich een tijd lang niet haar onderhield, merkte de betooverende Simaetha zonder de minste opwelling van ijverzucht op; want ook daarin was zij het evenbeeld harer meesteres, dat zij voor zulk een hartstocht slechts weinig ruimte had gelaten in hare fiere ziel. Ook zij scheen slechts voor die liefde vatbaar, welke niet gevaarlijk is voor de opgeruimdheid en kalme gemoedsrust. En bovendien, welk eene onbeduidende medeminnares was het herderskind, vergeleken bij die schitterendste parel van Aspasia’s school!
Aan de wereld ontrukt vermaakten zij zich daar in vriendelijke afgescheidenheid, wier rust, naar ’t scheen, door niets ter wereld kon gestoord worden.—
En toch waren op de onbezorgd zich vermeiende meisjes uit de verte vijandige, loerende oogen gericht.
Toen het vroeger vermelde Megarische vaartuig het plezierjacht van Alcibiades voorbij was gevaren, hadden de mannen, die zich daarop bevonden, een bespiedenden blik op het schip van den Athener geworpen.
Zoodra zij een eind weegs verwijderd waren, zei een van hen vertoornd en haastig tot zijne makkers:
„Hebt gij dien Atheenschen jongeling wel gezien, die daar met jonge hetaeren op de zee dobbert? Dat is die onbeschaamde, nietswaardige meisjesroover Alcibiades! Ik herken hem! Meermalen heb ik hem te Athene gezien. En onder de jonge meisjes bevond zich Simaetha—de geschaakte Simaetha!”
„Hoe!” riepen de Megarische mannen in heftigen[215]toorn ontstoken, „hoe? is dat die vermetele, die het meisje uit het landhuis van Psaumias voerde en zich nog steeds ongestraft in het bezit van den buit verheugt?”
„Inderdaad,” hernam de andere, „verheugt hij zich nog ongestraft over zijn roof; want hij heeft eene machtige bescherming. Te vergeefs waren, zooals gij weet, alle bemoeiingen van Psaumias en zijne medeburgers, om de uitlevering van het meisje van de overmoedige Atheners te verkrijgen. Meenen die Atheensche honden niet van ouds dat zij met den Megarischen staat den spot mogen drijven? De tijd zal hun eenmaal leeren, dat zij ten onrechte de Dorische stad op hunne grenzen verachten. Voor het oogenblik echter, mijne vrienden, moeten wij ons, wat Simaetha betreft, de voldoening verschaffen, waartoe de gelegenheid zich thans aanbiedt.
„Op dat plezierjacht bevinden zich, behalve dien baardeloozen meisjesroover, een ander ongewapend man en de weinige roeislaven, alleen vrouwen. Wij echter zijn mans genoeg, om het geheele schip, als wij het aanvallen, te veroveren: in ieder geval om Simaetha terug te nemen en haar met ons naar Megara te voeren.”
Dit voorstel beviel aan de Megarische mannen. Terwijl zij dus raadpleegden, hoe zij het schip zouden aantasten, was het gezelschap van Alcibiades in de kleine baai geland. De Megarensers bemerkten dit uit de verte.
„Des te beter!” zei hun aanvoerder. „Wij zullen hier ons schip aan ’t strand verbergen en onzen buit op het land vervolgen. Het meerendeel onzer zal het vaartuig verlaten, om ieder afzonderlijk naar land te sluipen en dan ons twee aan twee op het klippenrijke strand, waar zij verstrooid ronddolen, in hinderlaag leggen. ’t Zal ons gemakkelijk vallen op het juiste oogenblik te voorschijn te springen en van het meisje, waar het ons vooral om te doen is, ons meester te maken, zonder dat de beide Atheensche jongelingen en hunne roeislaven het verhinderen kunnen, ja misschien zonder[216]dat zij het bemerken. Want als wij van een oogenblik gebruik maken, dat Simaetha van hare vriendinnen gescheiden en de aandacht der mannen op iets anders gericht is, gelukt het ons wellicht Simaetha geheel ongemerkt op te lichten en wij zijn dan veilig voor elke vervolging. Zij weten dan niet, waar het meisje gebleven is, vóór wij onzen roof in veiligheid gebracht hebben. Moesten wij echter geweld gebruiken, dan ware het te vreezen,dat die jongelingen misschien van een voorbijvarend Atheensch vaartuig versterking kregen en men ons nog vóór wij het schip bereikt hebben, op zee zelve den buit weder afhandig maakte. Daarom laat ons voorzichtig zijn en uit onze hinderlaag op eene gunstige gelegenheid loeren!”
Zóó sprak de bevelhebber van het Megarisch vaartuig en de mannen deden zooals hij bevolen had. Zij verborgen zich afzonderlijk of twee aan twee aan het strand en op de hellingen, en zagen uit hun schuilhoek met scherpen blik naar de argeloos ronddartelende meisjes.
Lang wilde het gunstige oogenblik voor de Megarensers niet komen. Eindelijk brak het aan. Simaetha toch, benevens Drosis en Prasina, naderden bloemen plukkende en zich geen kwaad bewust, eene klip, waarachter eenigen der Megarensers zich verscholen hadden. Alcibiades was op grooten afstand met Cora bezig en Callimachus onderhield zich nog steeds met Aspasia bij het grafteeken van het Corinthische meisje.
De Megarensers sprongen eensklaps te voorschijn en trachtten Simaetha te vangen.
Zoodra deze de mannen, met hun woest uiterlijk, op zich zag afkomen, vluchtte zij onder angstgeschrei weg, gevolgd door Drosis en Prasina, die eveneens de lucht met kreten om hulp vervulden.
Simaetha echter snelde hare speelgenootjes verre vooruit in hare haastige vlucht. Reeds had zij bijna de plaats bereikt, waar Alcibiades stond. Deze, zoowel als Callimachus, en de roeiers, die zich bij het schip bevonden, hoorden de angstkreten der[217]meisjes en snelden ijlings ter hulp. Alcibiades droeg altijd een dolk bij zich; onmiddellijk trok hij dien en stormde op de roovers los, gevolgd door de slaven, die zich met de roeispanen hadden gewapend.
Doch de Megarensers wilden niet zonder buit het veld ruimen. Zij zetten, daar Simaetha hun ontsnapt was, hare vriendinnen Drosis en Prasina na en grepen haar, daar zij in hare angst, aan schuwe duiven gelijk, niet zoo spoedig hadden kunnen ontvluchten.
Dewijl de Megarensers in ieder oponthoud gevaar zagen en om de straks gemelde redenen een openlijken strijd liever vermeden, sleurden zij Drosis en Prasina met zich voort naar het strand, wierpen zich met haar in het schip en voeren in aller ijl naar de baai van Megara, voordat Alcibiades en zijne helpers het jacht hadden kunnen beklimmen om hen te vervolgen.
Toch wilde hij, gloeiend van toorn, zich onversaagd in zijn vaartuig werpen, om de roovers na te zetten. Doch toen hij zich hiertoe bereidde, hieven de meisjes een luid geschreeuw aan en jammerden, dat zij op het strand verlaten en misschien aan nog loerende vijanden werden prijs gegeven. Haar echter met zich in het schip te nemen, en zoo de vijanden te vervolgen, scheen Alcibiades niet minder ongeraden wegens den angst der meisjes, die dan zouden meenen, dat zij wellicht den vijand als buit in den mond werden gevoerd. Callimachus, de roeiers en bovenal Aspasia gaven hem in overweging de vervolging op te geven, daar die onmogelijk was en er middelen en wegen genoeg te vinden waren, om den overmoed der Megarensers te tuchtigen.
Aspasia was bij ’t zien dier stoute daad der Megarensers verbleekt; maar spoedig verving een blos van gramschap hare ontsteltenis. Zij was nu ’t eerst weder tot zich zelven gekomen en rustig en kalm geworden; bijna lachend verzocht zij Alcibiades onverwijld den terugtocht aan te nemen.[218]Zonder dralen bestegen allen weder het vaartuig en zetten haastig koers naar Athene.
„Wraak den Megarensers!” riep Alcibiades en slingerde, recht opstaande in het schip, terwijl hij van wal stiet, een beker tegen de scherpe klippen.
„Evenals deze beker op de klip, zal Megara’s machtelooze trots en de trots van al zijne stamgenooten smadelijk verbroken worden op de harde rotsen van de Atheensche Acropolis!”—
1In het Grieksch: Simaitha.↑2Niet historisch; Aspasia heeft Pericles een zoon, eveneens Pericles geheeten, geschonken.↑3Het Grieksche „aigialos” beteekent: „strand”; van dit woord is bovengenoemdadjectiefgevormd.↑4Polyphemus, de zoon van Poseidon en de nimf Thoösa, koesterde, volgens eene Siciliaansche legende, een onbeantwoorde liefde voor Galateä, de dochter van Neurens en Doris, daar deze de voorkeur gaf aan Acis den zoon van Faunus en Symaethis. Uit ijverzucht verpletterde Polyphemus hem waarop Acis door Galateä in een vloed of bron werd veranderd. (Fzons Acilius).De schrijfwijze Galatheä verdient afkeuring, omdat het Grieksch luidt: Galateia.↑5Acanthus bij ons „berenklauw” geheeten is eene plant, die deels als bijenkruid, deels om zijn fraaie, kronkelende bladstengels als rand om de tuinbedden geplant en op zuilen, vaatwerk en in borduursel nagebootst werd.↑6Er bestaat werkelijk een verhaal, dat Callimachus door het zien eener bloemenmand, als hierboven is beschreven, op de gedachte kwam het zoogenaamd Corinthische kapiteel te ontwerpen. Dit kapiteel bestond uit acht van buiten aangebrachte en acht binnen in geplaatste acanthusbladeren en bloemstengels, onder eene afgeronde dekplaat. Later werd deze zuil tot geheele kolonnaden gebruikt.↑
1In het Grieksch: Simaitha.↑2Niet historisch; Aspasia heeft Pericles een zoon, eveneens Pericles geheeten, geschonken.↑3Het Grieksche „aigialos” beteekent: „strand”; van dit woord is bovengenoemdadjectiefgevormd.↑4Polyphemus, de zoon van Poseidon en de nimf Thoösa, koesterde, volgens eene Siciliaansche legende, een onbeantwoorde liefde voor Galateä, de dochter van Neurens en Doris, daar deze de voorkeur gaf aan Acis den zoon van Faunus en Symaethis. Uit ijverzucht verpletterde Polyphemus hem waarop Acis door Galateä in een vloed of bron werd veranderd. (Fzons Acilius).De schrijfwijze Galatheä verdient afkeuring, omdat het Grieksch luidt: Galateia.↑5Acanthus bij ons „berenklauw” geheeten is eene plant, die deels als bijenkruid, deels om zijn fraaie, kronkelende bladstengels als rand om de tuinbedden geplant en op zuilen, vaatwerk en in borduursel nagebootst werd.↑6Er bestaat werkelijk een verhaal, dat Callimachus door het zien eener bloemenmand, als hierboven is beschreven, op de gedachte kwam het zoogenaamd Corinthische kapiteel te ontwerpen. Dit kapiteel bestond uit acht van buiten aangebrachte en acht binnen in geplaatste acanthusbladeren en bloemstengels, onder eene afgeronde dekplaat. Later werd deze zuil tot geheele kolonnaden gebruikt.↑
1In het Grieksch: Simaitha.↑
1In het Grieksch: Simaitha.↑
2Niet historisch; Aspasia heeft Pericles een zoon, eveneens Pericles geheeten, geschonken.↑
2Niet historisch; Aspasia heeft Pericles een zoon, eveneens Pericles geheeten, geschonken.↑
3Het Grieksche „aigialos” beteekent: „strand”; van dit woord is bovengenoemdadjectiefgevormd.↑
3Het Grieksche „aigialos” beteekent: „strand”; van dit woord is bovengenoemdadjectiefgevormd.↑
4Polyphemus, de zoon van Poseidon en de nimf Thoösa, koesterde, volgens eene Siciliaansche legende, een onbeantwoorde liefde voor Galateä, de dochter van Neurens en Doris, daar deze de voorkeur gaf aan Acis den zoon van Faunus en Symaethis. Uit ijverzucht verpletterde Polyphemus hem waarop Acis door Galateä in een vloed of bron werd veranderd. (Fzons Acilius).De schrijfwijze Galatheä verdient afkeuring, omdat het Grieksch luidt: Galateia.↑
4Polyphemus, de zoon van Poseidon en de nimf Thoösa, koesterde, volgens eene Siciliaansche legende, een onbeantwoorde liefde voor Galateä, de dochter van Neurens en Doris, daar deze de voorkeur gaf aan Acis den zoon van Faunus en Symaethis. Uit ijverzucht verpletterde Polyphemus hem waarop Acis door Galateä in een vloed of bron werd veranderd. (Fzons Acilius).
De schrijfwijze Galatheä verdient afkeuring, omdat het Grieksch luidt: Galateia.↑
5Acanthus bij ons „berenklauw” geheeten is eene plant, die deels als bijenkruid, deels om zijn fraaie, kronkelende bladstengels als rand om de tuinbedden geplant en op zuilen, vaatwerk en in borduursel nagebootst werd.↑
5Acanthus bij ons „berenklauw” geheeten is eene plant, die deels als bijenkruid, deels om zijn fraaie, kronkelende bladstengels als rand om de tuinbedden geplant en op zuilen, vaatwerk en in borduursel nagebootst werd.↑
6Er bestaat werkelijk een verhaal, dat Callimachus door het zien eener bloemenmand, als hierboven is beschreven, op de gedachte kwam het zoogenaamd Corinthische kapiteel te ontwerpen. Dit kapiteel bestond uit acht van buiten aangebrachte en acht binnen in geplaatste acanthusbladeren en bloemstengels, onder eene afgeronde dekplaat. Later werd deze zuil tot geheele kolonnaden gebruikt.↑
6Er bestaat werkelijk een verhaal, dat Callimachus door het zien eener bloemenmand, als hierboven is beschreven, op de gedachte kwam het zoogenaamd Corinthische kapiteel te ontwerpen. Dit kapiteel bestond uit acht van buiten aangebrachte en acht binnen in geplaatste acanthusbladeren en bloemstengels, onder eene afgeronde dekplaat. Later werd deze zuil tot geheele kolonnaden gebruikt.↑