XVI.

[Inhoud]XVI.DE VROUWEN OP HET THESMOPHORIËNFEEST1.„Dat is de schoonheid zelve!” riepen de Atheners, toen Phidias zijn nieuw metalen beeld van Pallas, dat de Lemniërs hem opgedragen hadden, voltooid had, en het voor de eerste maal voor de blikken der Atheners onthulde. Een roep van verbazing en verrassing klonk door geheel Athene.Wat wilde Phidias nu? Zooals hij de Godin in zijn jongste werk had voorgesteld, had geen Griek haar gedacht.Zij was zonder helm en zonder schild. Vrij golfden de krullende lokken om haar fier, maar niet minder liefelijk opgericht gelaat. Wonderschoon was de omtrek van dit gezicht; onvergelijkelijk teeder waren de wangen gevormd. Men meende haar te zien blozen. De beide geheel naakte armen waren, evenals de handen, modellen van den fijnsten en edelsten vorm. De opgeheven arm liet een deel der rechterzijde onbedekt zien, slechts licht plooide zich het gewaad om de heupen en hier als overal liet het de omtrekken der gestalte in volmaakte zuiverheid uitkomen.[60]Zoo eenstemmig de Atheners in den lof der schoonheid van deze nieuwste schepping van Phidias waren, even eenstemmig waren zij in hunne bewering, dat voor deze Pallas, Aspasia den kunstenaar tot model moest gediend hebben.Niet geheel dwaalden zij met deze bewering.Inderdaad, als reeds Theodota het verstond haar lichaam als eene kunstenaarsstof te behandelen, de gedaante van verscheidene Godinnen daarin op verrassende, indrukwekkende wijze voor te stellen voor deze verrichtingen in den dienst der kunst geheel Athene tot getuige had, zoo wist Aspasia dezelfde kunst in nog edeler en verhoogde mate ten toon te spreiden. Maar de eenige getuigen van de ontplooiing dier gaven waren Pericles en Phidias geweest.De ernstige Phidias ging zelfs zoo ver om voor een oogenblik toe te geven, dat de natuur menigmaal het ideaal nabij kon komen.In de Pallas van Aspasia echter had Phidias reeds niet meer de bloote natuur voor oogen. Wat hij daar zag was een schepping der nabootsende kunst, eene vreeselijke gestalte, uit den geest wedergeboren. Aspasia drukte op de natuurlijke stof harer schoonheid met kunstenaarsbewustzijn evengoed een bepaalden stempel, als Phidias naar eene bepaalde, inwendige beschouwing en bedoeling het marmer beitelde.Terwijl Phidias de bekoorlijke lieftalligheid van de schoone en wijze Aspasia in duurzaam metaal vereeuwigde, luisterde hij inderdaad naar de vermaning van Pericles om de wijsheid voor te stellen in het betooverende, alverwinnende gewaad der schoonheid.Reeds Alcamenes had iets nieuws en wonderschoons bereikt, toen hem vergund was, uit de levende bron van Aspasia’s schoonheid te putten. Phidias loste dezelfde vraag op, doch hij loste ze op als aller groote meester, als de verhevene, de onvergelijkelijke.Wat Phidias in zijne laatste Pallas gaf, was[61]Aspasia, maar verheven tot eene zoo reine en bovenmenschelijke hoogte, dat zij te gelijk als een ideaal zich voordeed, als een belichaamde droom der edelste beeldhouwersziel.Toen Socrates dit nieuwe beeldwerk zag, sprak hij op zijne zinrijke wijze:„Uit dit beeld zou de schoone Aspasia evenveel van den meester Phidias kunnen leeren, als de meester Phidias geleerd heeft van de schoone Aspasia.”Zonderling was het, dat de loftuitingen, waarmede de Atheners de Lemnische Pallas van Phidias overlaadden, hem ontstemden en knorrig maakten. Hij hoorde er niet gaarne van spreken. Hij had dit werk wellicht daarom minder lief omdat hij het niet geheel uit zich zelf geschapen had. Hij had, naar het scheen, met eene soort van half onbewusten onwil zich van zijne taak, die hem van buiten af opgedragen was, gekweten, en met wier volbrenging hij alleen zich van eene onrust zocht te bevrijden, die als door eene vreemde betoovering, in hem opgewekt was geworden.Nu scheen hij des te dieper in zich zelven te willen terugkeeren. Stiller en ernstiger dan ooit wandelde hij rond en verloor zich in de beschouwing van een verheven beeld, dat in de verborgen diepte zijner ziel hem tegenstraalde. Hij was weder geheel en al zich zelf geworden. Hij vermeed Aspasia, hij verkeerde nauwelijks meer met Pericles en op een goeden dag verliet hij stil en heimelijk Athene, om naar Elis te gaan, ten einde daar de grootsche gedachten zijner groote ziel teverwezenlijken.De onverzadelijkste en onvermoeidste bewonderaar der Lemnische Pallas bleef Socrates. Hij scheen zijne liefde voor de Milesische op de Godin van Phidias over te willen brengen. De natuurlijke Aspasia kwam hem niet meer volkomen voor, van het oogenblik af, waarop hij haar hooger ideaal in steen belichaamd zag. En toch kon men toen van hem zeggen, dat hij zijn tijd tusschen[62]die Pallas en haar levend model verdeelde. Dagelijks zag men hem zijne schreden naar de woning van Pericles richten, zelfs op gevaar af daar den welsprekenden Protagoras te ontmoeten.Hoe kwam het toch? Wanneer Socrates peinzend en, naar hij meende, zonder doel, door Athene’s straten wandelde, vond hij zich ten laatste onverwachts voor het huis van Pericles. Evenals in eenlabyrinthvan straten, scheen hij eenlabyrinthvan gevoelens te doorkruisen, waar hij geen uitgang vond en dat hem steeds weder op dezelfde plaats terugbracht.Zonder plan derhalve geschiedde het, als Socrates zijne schreden naar die woning richtte. Doch wat deed hij daar, als hij er zijns ondanks gekomen was? Verloor hij zich in huldebetoon? Gaf hij teekenen van een inwendig liefdevuur, dat hem verteerde? Had hij, evenals Protagoras, zich er aan gewend zijne wijsheid uit vreemde oogen te putten? Niets van dat alles. Hij streed met Aspasia. Hij gaf haar fijne zetten. Eens zelfs sprak hij in hare tegenwoordigheid uit—eene uitspraak, die sedert dikwijls herhaald en door de overlevering gewoonlijk aan Pericles is toegeschreven, die haar toch slechts aan Socrates had ontleend—: die vrouw is de beste, over wie men het minst spreekt. Hij zei haar bittere woorden en zelfs wanneer hij haar scheen te vleien, tintelde hij van die fijne ironie, die een kenmerk van zijn spreektrant uitmaakte.En Aspasia? Zij scheen des te zachter, vredelievender, beminnelijker en innemender, naarmate Socrates zijne vrijmoedige luim meer den vrijen teugel gaf. En omgekeerd: hoe zachter en verleidelijker Aspasia was, des te ontevredener en stuurscher werd de wijze Socrates.Wat wilden zij van elkander, deze beide zonderlingen? Streden zij samen den overouden, hardnekkigen tweestrijd der wijsheid en der schoonheid? Die zonderlinge strijd werd vooral gevoerd sinds de woordenwisseling, welke Socrates met[63]Protagoras in tegenwoordigheid van Pericles en Aspasia gehouden had.Aspasia deed het voorkomen dat zij geloofde dat Socrates ter wille van zijn lieveling Alcibiades het huis van Pericles bezocht. Zij ging in hare ondeugenden luim zoo ver, dat zij verzen tot hem richtte, waarin zij hem als aan een minnaar raad gaf. Socrates nam dat alles glimlachend op, zonder de minste gemelijkheid, of eene poging om zijne moedwillige vriendin te loochenstraffen. Hij toonde ook nooit, dat de schoone knaap, die nog steeds met eene bijna teedere liefde hem aanhing, hem te veel was. Tegenover den knaap was hij open, opgeruimd, vriendelijk, vertrouwelijk, zonder een spoor van die grilligheid en ironie, waarmede hij goedvond de vriendelijkste bejegening van de schoonste aller Helleensche vrouwen te beantwoorden.Talrijke gesprekken voerde Aspasia nog altijd met den vrouwenhater Euripides, die als treurspeldichter thans tot grootere beroemdheid geraakte. Zijne ernstige, bespiegelende Muze vond weerklank en hij werd weldra de lievelingsdichter van een tijdvak, dat zich van de onmiddellijke en naïeve beschouwing der zaken meer en meer tot eene ideale en verhevene opvatting gedreven gevoelde. Hij had rijke ervaring opgedaan en zoo vloeide zijn mond altijd over van hetgeen hij in zijn geest had doorleefd. Daarbij had hij een scherp, fier karakter, dat hem open en vrijmoedig deed uitspreken, wat hij dacht. Hij gaf niemand iets toe, zelfs niet aan het Atheensche volk, ’t geen ieder meende te moeten vleien. Toen men eens een zijner verzen uitfloot, welks inhoud het Atheensche volk niet beviel, trad hij op het tooneel om zich te verdedigen, en toen men hem toeriep, dat men dit vers niet wilde dulden, antwoordde hij, dat de dichter de onderwijzer van het volk was en niet het volk de onderwijzer van den dichter.Hij vleide ook Aspasia niet, en niemand zou het gewaagd hebben op den toon, dien hij aansloeg,[64]met haar over de vrouwen te spreken.Hij had zijne eerste vrouw verstooten en eene andere genomen: een feit, dat Aspasia, zooals vermeld wordt, in een brief aan Pericles met sluw overleg als een voorbeeld van mannelijken moed geprezen had.Op een goeden dag kwam Aspasia met Euripides toevallig over deze zaak te spreken, in tegenwoordigheid van haar echtgenoot en Socrates. Nadat zij hem opnieuw over zijn moedig besluit had geprezen, vroeg zij hem naar zijne nieuwe gade.„Zij is het tegendeel van de eerste,” antwoordde Euripides wrevelig, „maar daarom niet beter: zij heeft alleen de tegenovergestelde gebreken. De eerste was een domme, maar eerlijke ziel, die mij met eene huisbakken soort van liefde lastig viel; deze is een behaagzieke, die door lichtzinnigheid en grilligheid mij tot vertwijfeling brengt. Ik ben van den regen in den drop gekomen. Ik ben een ongelukskind en al het bittere geven mij de Goden achtereenvolgens te smaken.”„Ik hoorde van uwe vrouw zeggen,” hernam Aspasia, „dat zij schoon en beminnelijk is.”—„Ja wel, voor iedereen,” zei Euripides, „behalve voor mij. Zij zou het natuurlijk ook voor mij zijn, als ik besluiten kon hare slechte eigenschappen als even zoovele deugden te beschouwen.”—„Welke zijn dan die slechte eigenschappen, die gij haar toekent?” vroeg Aspasia.„Zij verwaarloost het huishouden,” antwoordde Euripides: „het garen aan den weefstoel vernielen de hoenders. Zij danst en houdt feestmalen bij hare vriendinnen; zij heeft de onfatsoenlijkheid aan de huisdeur te staan en op straat te gluren.”„Is dat alles?” vroeg Aspasia.„Neen!” antwoordde de dichter. „Zij is wispelturig, zij is luimig, zij is ontrouw, zij is leugenachtig, zij is volveinzerij, zij is valsch, zij is boosaardig, zij is nukkig, zij is onbillijk, zij is wreed, zij is wraakgierig, zij is nijdig, zij is eigenzinnig, zij is bijgeloovig, zij is dwaas, zij is sluw, zij is[65]babbelziek, zij is jaloersch, zij is ijdel, zij is behaagziek, zij is gewetenloos, zij is ongevoelig, zij is zielloos …”„Houd op!” viel hem Aspasia in de rede. „Het zou u zwaar vallen, dit alles afzonderlijk te bewijzen.”„Dit alles en nog meer!” hernam Euripides.„Wellicht betoont ge uwe vrouw te weinig liefde,” bracht Aspasia in ’t midden, „en maakt gij haar daardoor van u afkeerig!”„Ja, waarlijk!” riep Euripides met een hoonenden lach; „als men de vrouwen hoort, ontbreekt het den mannen altijd aan liefde. „Gij hebt geen hart, mijn vriend!” zei de adder tot den geitebok. Juisthettegendeel is waar! Ik zeg u, mijn ongeluk komt daar vandaan, dat ik mijne vrouw niet zoo behandel, als de meeste Atheners hunne vrouwen behandelen; dat ik mij te veel door haar laat beheerschen, dat ik mij door haar laat kwellen. Want mak als lammeren zijn de vrouwen, zoolang men ze kort houdt; doch aanstonds worden ze overmoedig, als men haar aanleiding geeft tot de meening, dat zij onmisbaar zijn. Ja, er is maar één enkel middel, om zich van eene vrouw, van haar hart, van hare liefde, van hare hoogachting, van hare toewijding te verzekeren: dit middel bestaat hierin, dat men haarverwaarloost. Wee den man, die zijne vrouw laat merken, dat hij haar niet missen kan! Zij zal hem den voet op den nek zetten. Eene vrouw lief te hebben is den boozen daemon in haar op te wekken. Wie echter zijne vrouw met eene vriendelijke koelheid te gemoet treedt en overigens zijn eigen weg gaat, wie haar bewijst, dat hij haar missen kan, die wordt gevleid en geliefkoosd, die wordt de wang gestreeld, die wordt de hand op den schouder gelegd met de vraag: „Wat zal mijn lief mannetje van avond eten?” die wordt vereerd als „de steun en heer des huizes en der familie,” hem wordt roerend dank betuigd voor iedere kruimel van genade, die hij laat vallen. Toonde echter dezelfde man zich teeder[66]en verliefd, dan zou hij haar binnen acht dagen vervelend toeschijnen, in een maand was hij veracht en in een jaar dood gekweld.”Glimlachend hoorden Pericles en Aspasia deze op gramstorigen toon uitgebrachte ontboezeming aan. Euripides echter vervolgde met gelijken wrevelen ernst en nadruk:„De Parce van de man is de vrouw. Zij is het, die zijne levensdraden spint—zwarte of gouden.”Pericles schrikte schier bij deze laatste woorden. Aspasia glimlachte.„Ik kan niet gelooven,” zeide Pericles, „dat de man in ’t algemeen zoo afhankelijk is van de vrouw.”„Hij zal het worden, als hij het nog niet is,” hernam Euripides. „Ik voorspel de toekomst. De macht der vrouw is schrikbarend aan het toenemen. Verstaat gij de dichters en beeldhouwers niet, die sedert overoude tijden het fabelachtige beeld der Sphinx hebben voorgesteld, eene raadselachtige vrouw, met zachten boezem doch scherpe klauwen? De Sphinx is de vrouw. Het verleidelijke schoone gelaat, den verleidelijk zachten boezem houdt zij ons voor, het overige echter van het lichaam is een dier met tijgerpooten en moorddadige klauwen.”„Zult gij het vrouwelijk geslacht niet overmoedig maken,” zei Aspasia, „als gij haar karakter door zulke vergelijkingen den stempel van het grootsche verleent?”„Grootsche misdaden,” hernam Euripides, „van een man kunnen bewondering wekken; eene vrouw met groote ondeugden boezemt altijd afschuw in. Want de misdaden van den man kunnen soms uit eene overmaat van op zichzelf roemrijke eigenschappen voortspruiten; de ondeugden eener vrouw echter komen altijd voort uit eene kleingeestige, tot eene overmaat gedreven zwakheid.”„En toch zien wij de vrouwen met deze kleingeestige zwakheden triomfeeren!” zeide Aspasia.„Niet voor altijd!” voerde Euripides haar tegemoet.[67]„De dag der wrake komt, die, met de vlammen van een gezonden en rechtmatigen hartstocht, de woeste flikkering van eene ziekelijke en zwakke neiging zal uitblusschen. Slechts zoolang wij mannen ons zwak toonen, zijn de vrouwen sterk. De vrouw is eene Sphinx; ja zeker! Doch men behoeft haar slechts de klauwen af te snijden, om haar onschadelijk te maken. Met onafgesneden klauwen is zij eene tijgerin; met afgesneden klauwen niets meer dan eene kat. Onze vaderen hebben goed gedaan, dat zij de vrouwen kort hielden. Wij mannen van dezen tijd zijn te weekelijk—ik zelf behoor tot dat getal—wij laten de vrouwen de klauwen groeien. Dat is niet goed …”Het voorhoofd van Aspasia rimpelde zich een weinig, toen de vergramde dichter deze woorden met krachtige stem uitstiet. Socrates bemerkte het en zeide:„Vergeet niet, mijn waarde, dat gij tot Aspasia spreekt.”„TotAspasia,” hernam Euripides, snel gevat, „maar nietvanAspasia. Ik spreek over de vrouwen. Aspasia is eene vrouw, maar de vrouwen zijn geen Aspasia’s …”Socrates liet het, zooals gemeld is, in zijne gesprekken met Pericles’ gade niet aan scherpe woorden ontbreken. Maar nooit was hij in den toon van Euripides vervallen. Wij gevoelen ons echter verplicht te zeggen, dat Euripides in zijne gesprekken met Aspasia het geheele vrouwelijke geslacht hoonde en onrecht aandeed, doch steeds Aspasia zelve met bereidwillige hoffelijkheid daarvan uitzonderde; terwijl Socrates omgekeerd zijne pijlen steeds alleen tegen de persoon van Aspasia afschoot, het geheele geslacht echter gaarne verdedigde.En zoo nam hij dan ook nu het schoone geslacht in bescherming tegenover den vrouwenhater Euripides, terwijl hij zeide:„Het komt mij een zonderling, maar onomstootelijk[68]feit voor, dat ieder man, als hij van de vrouw in het algemeen spreekt, toch altijd slechts zijne eigene op het oog heeft. Men moest alzoo, dunkt mij, alleen aan zulke mannen toestaan om over de vrouwen in het algemeen te spreken, die niet getrouwd zijn. Ik beroem mij een van die laatstgenoemden te zijn; en hoe verre mijn vriend Euripides in andere wijsheid mij achter zich moge laten, heb ik, omdat hij getrouwd is, het voordeel van grootere onpartijdigheid op hem vooruit. Daar voorts Pericles ook gehuwd en Aspasia zelve eene vrouw is, ben ik hier de eenige, die geroepen schijnt de partij op te nemen voor het door Euripides zoo fel gehoond geslacht. Mij ontbreekt het wel is waar aan welsprekendheid en ik zou Protagoras gaarne hier wenschen: deze zou niet in gebreke blijven ons de vrouw te prijzen als de schenkster der zoetste vreugde, als de bereidster van het schoonst geluk, als de beschermster van den goddelijken schat der schoonheid en van het genot op aarde, als de troosteres van den man, als de artsenij zijner kwalen. „Welk een pronkstuk,” zou hij uitroepen, „is eene schoone vrouw! Met ieder atoom harer persoonlijkheid verrukt zij. Geluk en zaligheid stralen uit van haar wezen …” Zoo zou Protagoras spreken. Euripides daarentegen beweert: de vrouwen zijn Sphinxen, zij hebben een bekoorlijk gelaat en een zachten boezem, doch scherpe klauwen. Zou het niet geoorloofd zijn omgekeerd te zeggen: de vrouwen hebben wel is waar scherpe klauwen, maar een bekoorlijk gelaat? Waarom zou men den grootsten nadruk niet liever op het goede der vrouwen, dan op het kwade leggen?—„Men moet haar de klauwen afsnijden,” zegt Euripides. Maar zou haar dit, behalve de mogelijkheid om te schaden, ook hare vijandelijke gezindheid ontnemen? Zou het niet veel practischer zijn, rechtstreeks op de verbetering harer gezindheden te werken? De klauwen worden dan van zelf onschadelijk. Hoevele deugden kan eene vrouw niet[69]ontwikkelen! Hoevele zegeningen weet zij niet om zich te verspreiden! Niet alleen door hetgeen, wat zij uitvoert of zegt of doet, maar reeds door hetgeen, wat zij is. De natuurlijke kampioenen van het schoone zijn de vrouwen: doch daar zij elke zaak, waarvoor zij strijden, doen triomfeeren—hoe heerlijk zou het zijn, als wij haar ook tot kampioenen van het goede en het ware konden winnen? Zoolang het licht van eene hoogere opvatting het hoofd der vrouwen niet verheldert, volgen zij natuurlijk alleen de aandrift van haren physischen aanleg, en deze aandriften zijn altijd ruw en baatzuchtig. Wellicht zullen de mannen in de toekomst er naar streven, om de vrouwen, door eigene overweging in plaats van slavinnen van onbestemde natuurdriften te zijn, tot priesteressen van het schoone en het goede te maken!”„Ja, dat ontbrak er nog maar aan, dat de slangen vleugels kregen!” riep Euripides met een spottenden lach. „Niet te verwonderen is het overigens,” ging hij voort, „dat deze hoop op verbetering der vrouwen uitgesproken wordt door een man, die in ’t algemeen alle menschelijk geluk van het verstand en van heldere begrippen verwacht. Ik zeg u echter, dat de waarde en de adel der vrouw niet in de ontwikkeling van haar verstand, maar in de ontwikkeling van haar hart, van haar gevoel berust!”„Dat kan wel zijn,” hernam Socrates, „maar nu doet zich de vraag op, of het hart en zijne gewaarwording ooit door zichzelf kan gevormd worden, dan wel of daartoe niet de invloed van een tot op zekere hoogte ontwikkeld verstand gevorderd wordt?”—Pericles drukte zijne ingenomenheid met Socrates’ woorden uit. Aspasia zweeg en toonde terstond minder belangstelling; want hoezeer ook enkele punten, die Socrates had aangeroerd, met hare eigene meening overeenstemden, kwam het haar toch voor, als had de droomer onder het masker zijner bescheidenheid zich durven vermeten, haar[70]een lesje te geven. Voor eene bevrijding van den geest, voor eene veredeling van haar geslacht te werken, was immers sinds lang haar streven geweest.Had zij niet openlijk zich zelve en haren vrienden op de Acropolis de gelofte gedaan, dit doel met alle krachten te bevorderen, nadat zij de gade van Pericles geworden was?Zij had woord gehouden. Het leven en de positie der vrouwen geheel en al te herscheppen was sinds dien tijd haar moedig pogen.Om dit doel echter te bereiken, had zij moeten trachten invloed te krijgen op de vrouwen van Athene, de rol van zuurdeeg moeten vervullen bij deze trage massa, degenen, die haar dwarsboomden, verzoenen, ze tot aanhangsters, leerlingen, vriendinnen moeten maken.Pericles had hare bedoelingen gesteund: want hij beminde haar. Hij verschafte haar gaarne elk soort van genoegen. Hij leidde haar, wanneer deze uitdrukking veroorloofd is, in de Atheensche kringen binnen. De Atheensche vrouwen waren van het gezelschap der mannen uitgesloten; maar zij hielden een vrij druk verkeer onder elkander. Schijnbaar argeloos mengde Aspasia zich in dit verkeer.Onder de schoone en waarlijk verstandige vrouwen, wien het gegeven is, de mannen in hare netten te lokken, worden er aangetroffen, wien het bovendien verleend is, trots den nijd, den haat, de ijverzucht, die zij opwekken, toch ook personen van haar eigen geslacht aan te trekken en voor zich in te nemen. Zooals van zelf spreekt, bereikten zij dit niet door overmatige vriendelijkheid en lieftalligheid of door praatjes en opgedrongen beleefdheden, maar door den eenvoud, waarmede zij den gevaarlijken glans harer voorrechten vrijwillig schijnen te temperen, en door de nauwkeurigste kennis der eigenaardigheden en grillen van haar, die zij voor zich willen winnen. Aspasia zocht vertrouwen in te boezemen; ongelijk aan de onverstandigen van hare sekse, wist zij, dat eene schoone vrouw in de meeste gevallen het zekerst[71]door een verstandig, rustig, kalm, waardig gedrag zoowel mannen als vrouwen inneemt. Zij richtte haar streven in de eerste plaats daarop, dat men gedwongen werd haar te achten; beminnelijk te schijnen zou dan vanzelf het geval zijn.Eerst nadat Aspasia door zulk eene houding, die bij haar volstrekt niet gemaakt maar eene zaak van haar vrouwelijke natuur was, den bodem voor hare ondernemingen had voorbereid, was zij met hare bedoelingen en plannen meer openlijk voor den dag gekomen.Na eenigen tijd waren de Atheensche vrouwen tegenover de gade van Pericles in een tal van partijen verdeeld.Er waren onverzoenlijken, die haar haatten en die met alle middelen van vrouwelijke vijandelijkheid zich openlijk en in het geheim tegen haar verzetten. Er waren er, die Aspasia eene soort van persoonlijke genegenheid niet weigerden, maar van meening waren, dat hare plannen te vermetel en onbepaald waren; er waren anderen, die wel is waar de persoon van Aspasia met afgunstige oogen beschouwden, doch door een innerlijken drang gedreven werden, om haar voetspoor te volgen en in vele opzichten te doen als zij. Doch er waren er ook, die zich geheel en al door Aspasia hadden laten overtuigen en winnen, doch die niet alleen den moed bezaten zich openlijk met hare leidsvrouw te verbinden tot een strijd voor de vertrapte rechten der vrouw.Tot de onverzoenlijkste en nog steedsgevaarlijkstevijandinnen van Aspasia behoorden, zooals licht te begrijpen is, de verstooten gemalin van Pericles en de zuster van Cimon.Deze laatste was gewoon als ’t ware boek te houden van het leven en de handelingen van Aspasia; zij vorschte uit en verbreidde wat Aspasia tot andere vrouwen sprak en niet zelden geschiedde het, dat deze woorden verdraaid van mond tot mond gingen, om de gemoederen der Atheners tegen de gade van Pericles op te hitsen.[72]Zoo geschiedde het op zekeren dag, dat Aspasia met eene pas gehuwde vrouw zich in tegenwoordigheid van haar echtgenoot onderhield. Het jeugdige paar verlangde van haar te vernemen, waarop het zekere geluk der liefde en van den echt berustte.Aspasia voelde den lust in zich opkomen, om eens den Socratischen redeneertrant te beproeven.„Wanneer uwe buurvrouw,” zeide zij tot de jonge vrouw, „een schooner kleed heeft dan gij, welk zoudt gij verkiezen: het uwe of het hare?”„Het hare,” antwoordde de jonge vrouw.„En wanneer uwe buurvrouw schooner kleinoodiën bezit dan gij,” vervolgde Aspasia, „aan welke zoudt gij de voorkeur geven?”„Aan de hare natuurlijk,” hernam de jonge vrouw.„En wanneer zij een beteren man heeft dan gij, aan welken zoudt gij de voorkeur geven, den uwen of dien van haar?”De jonge vrouw bloosde over deze onverwachte, verbijsterende vraag. Aspasia echter zei glimlachend:„In den natuurlijken loop der dingen zal de vrouw den beteren man, de man de betere vrouw voortrekken. Mij schijnt dus de zekerste waarborg voor het geluk in de liefde en den echt, dat de man trachte in ’t oog zijner vrouw de beste aller mannen, de vrouw wederkeerig in ’t oog van haar man de beste aller vrouwen te zijn.Velenvorderen van anderen de liefde als een plicht, wat zeer onbillijk is. Men moet ze trachten te verdienen en er naar streven ze voortdurend levendig te houden.”Wat Aspasia met deze woorden het jonge paar te denken gaf, was zeker niet zonder gezonden zin. Doch hoe werden zij niet verwrongen in den mond van Elpinice en consorten? Het onderhoud van Aspasia met het jonge echtpaar maakte eenige dagen lang bij de Atheners de ronde. Maar men vertelde niet, dat Aspasia als eenigen waarborg voor[73]onwankelbaar echtgeluk verklaard had, dat de man zijne vrouw voor de beminnelijkste aller vrouwen, de vrouw haar man voor den besten aller mannen moest houden; neen, men zeide, dat Aspasia de jonge Hipparchia in tegenwoordigheid van haar gemaal had opgezet, aan een vreemden man boven haar eigen echtgenoot de voorkeur te geven, als geene haar beter beviel.Aspasia besloot de Socratische methoden in hare gesprekken in het vervolg te laten varen en nog zorgvuldiger dan vroeger er op te letten, met welk soort van personen zij zich onderhield. De vijandinnen van Aspasia gingen echter zoover, dat zij opzettelijk met haar gesprekken aanknoopten, om haar onder den schijn van genegenheid uitspraken te ontlokken, die haar in de achting der Atheners zouden kunnen doen dalen. Aspasia doorzag zulk een plan gemakkelijk en wist de aanslagen dezer vijandinnen soms op eene wijze te verijdelen, die haar, behalve de voldoening haar doel bereikt te hebben, nog eene soort van vermakelijk genot verschafte.Zoo drong zich op een goeden dageenzekere Clitagora met geveinsde bewondering aan haar op. Aspasia echter wist, dat Clitagora tot de clique van Telesippe en de zuster van Cimon behoorde.Zij stelde Aspasia de vraag voor, door welke kunsten eene vrouw haar echtgenoot het best aan zich zou kunnen boeien?„De krachtigste van alle kunsten, waardoor eene sluwe vrouw den argeloozen echtgenoot aan zich en aan den huiselijken haard boeien kan,” hernam Aspasia met gewichtig gelaat, „is de kookkunst. Mij is eene vrouw bekend, die als eene Godin door haar man wordt vereerd, alleen om de lekkernijen, die zij hem dagelijks voorzet. Haar meesterstuk is de zachte en lichte sesamee2, die zij uitsesamusmeelmet honig en olie in de pan gereed[74]maakt. Zij neemt gepelde gerst, stampt ze fijn in een vijzel, schudt het meel in een pot, giet er olie bij, roert deze brij, terwijl zij langzaam kookt, bestendig om, besproeit ze van tijd tot tijd met bouillon van hoenders of geiten- en lamsvleesch, ziet toe dat zij niet overkookt en wanneer ze gaar is, laat zij ze opdragen. Ook hare hazenpasteien van bastaardnachtegaals en andere kleine vogels zijn voortreffelijk. Welk man zou zich aan de verleiding van zulke dingen kunnen onttrekken? Er zijn ook mannen, die met de zoogenaamde Cappadocische3koeken dweepen. Men kneedt ze het best met honig, snijdt het deeg in dunne platen, die, als ze de pan maar ruiken, oprollen. Deze rolletjes worden dan in wijn gedoopt en moeten geheel heet op tafel komen.”Op die wijze ging Aspasia voort de regels van eene lekkere keuken uiteen te zetten tot verbazing van een deel harer toehoorderessen en tot ergernis van een ander deel, dat in deze uitweidingen niets vond, wat dienen kon, om Aspasia in de openbare meening te schaden en den roep van hare lichtzinnigheid of hare gevaarlijke beginselen te bewijzen.De onaangename tegenstand, die de pogingen van Aspasia in de vrouwenwereld van Athene voor een deel ondervonden deed haar des te liever de gelegenheid aangrijpen, die zich voordeed, om een paar verweesde dochtertjes van haar oudere, te Milete gestorven zuster bij zich aan huis te nemen. In deze teedere, doch gunstig begaafde en ontwikkelde meisjes, Drosis en Prasina geheeten, van welk de eene vijftien jaar en de ander slechts een jaar telde, geloofde Aspasia geschikte voorwerpen te vinden voor de verwezenlijking harer gedachten over de vorming van de Helleensche vrouw tot geestelijke en persoonlijke vrijheid. Men mocht gelooven, dat zij eens de school, waaruit zij kwamen, eer zouden aandoen en de zaak van Aspasia,[75]die tegelijk de zaak van het geheele vrouwelijke geslacht was, tot overwinning zou helpen voeren.Intusschen, Aspasia was ongeduldig; zij was zeer geneigd om ver reikende plannen op te vatten, die natuurlijk eerst langzaam konden rijpen, doch zij wenschte die door koene, snelwerkende maatregelen te bereiken.Zulk een doortastenden maatregel nu beproefde zij om de teugels der heerschappij over haar geslacht te Athene zoo mogelijk in eens in hare macht te brengen.Onder de talrijke godsdienstige feesten der Atheners was er ook een, dat uitsluitend door vrouwen gevierd werd en dat op strenge straffe geen man bij mocht wonen. Dit was het Thesmophoriën-feest; ter eere van Demeter, die niet alleen als de Godin van den akkerbouw, maar ook als die van den echt werd vereerd, wegens de verwantschap, die de begrippen van zaaien en voortbrengen, oogst en geboorte samen verbindt.De heilige gebruiken van dit feest werden niet aan bepaalde priesteressen opgelegd, maar aan vrouwen, die telkens uit de verschillende stammen werden gekozen. Een zekeren tijd van te voren moesten de vrouwen door onthouding zich tot de deelneming aan dit feest voorbereiden. Zij sliepen op kruiden, welke men de kracht toeschreef het bloed te verkoelen en de onthouding gemakkelijker te maken. Tot deze behoorden de kuischlamstruik en een zekere soort van netels. De viering zelve bestond in feestelijke omgangen, in vergaderingen in den Thesmophoriën-tempel, benevens in overgeleverde gebruiken, waaronder ernst en scherts en plagerijen elkander afwisselden.Vier dagen lang duurde het feest. Op den eersten dag ging men naar het kustplaatsje Halimus en vierde in een zich daar bevindende tempel van Demeter zekere mysteriën. Op den tweeden dag keerde men naar Athene terug; op den derden waren de vrouwen van het krieken van den dag tot aan den avond in den Thesmophoriën-tempel[76]vergaderd. Demeter en Persephone en andere Godheden werden aangeroepen en haar ter eere dansen uitgevoerd. In de pauzen zaten de vrouwen op kuischlam en andere kruiden, zooeven vermeld, en onderhielden zich met gesprekken en plagerijen, die bij deze gelegenheid gebruikelijk waren. Zij nuttigden gedurende haar verblijf in den tempel geen spijs, maar stelden zich voor deze onthouding schadeloos door het heerlijke offermaal, waarmede den volgenden dag de geheele plechtigheid besloten werd.Men denke zich de vrouwen van Athene, doorgaans opgesloten in de enge omgeving van haren huiselijken kring, onder de oogen harer mannen, en nu vier dagen lang met strenge uitsluiting der mannen aan zich zelven overgelaten, tot eene geweldige schaar vereenigd, feestelijke omgangen houdend, vervolgens in een tempel verzameld, met dansen en heilige gebruiken bezig, op heilige kruiden zittend en babbelend naar hartelust—men denke zich deze snaterende vrouwenvergadering en men zal licht inzien, dat zij wel geschikt was niet alleen de vrouwelijke tongen, maar met de tong tevens den vrouwelijken geest los te maken en hem tegen de oudvaderlijke beperkingen in beweging te brengen.Dit Thesmophoriën-feest nu was teruggekeerd.Wederom zaten de vrouwen van Athene in de pauzen tusschen de dansen en de feestzangen te babbelen op kuischlam in denThesmophoriën-tempel. Wederom snaterden de stemmen luid en zacht door elkander. Waarover werd al niet in de verschillende groepen der vrouwen, die op den grond zaten, gesproken! Dezen onderhielden zich over de slechte gewoonten harer mannen, genen over de ondeugden harer slavinnen of klaagden er over, dat de kinderen van den tegenwoordigen tijd veel lastiger en uitgelatener waren dan in vroegere tijden: sommigen kibbelden over de beste manier om sesamus-koeken klaar te maken; anderen vertelden elkander van toovermiddelen, om in het[77]kraambed te gebruiken, of deelden jongere lotgenooten raadgevingen mede over het bereiden van liefdedranken; er waren er zelfs, die elkander heimelijk in het oor fluisterden, hoe men zwangerschap huichelen en ter wille van den echtgenoot een ander kind kon onderschuiven. Sommigen verhaalden elkander spookgeschiedenissen of verhalen van Thessalische heksen of sprookjes of de nieuwste familiegeheimen van deze of gene vriendin. Nog anderen spraken over Aspasia en dit gesprek werd allengs het levendigste, dat in den tempel gevoerd werd.„Aspasia heeft gelijk,” zeide eene jonge, wakkere vrouw, wier frisch uiterlijk gunstig tegen de verwelkte en geblankette gezichten der meesten rondom haar uitkwam.„Aspasia heeft gelijk, wij moeten de mannen dwingen ons zoo te behandelen, als Pericles Aspasia doet.”„Dat willen wij!” riepen eenige aanhangsters der Milesische. „Wij moeten hen dwingen het huiselijk en het echtelijk leven met ons zoo in te richten als Pericles met Aspasia doet.”„Ik heb met mijn man reeds een begin gemaakt,” riep eene levendige, kleine vrouw, Chariclea geheeten. „Mijn Diagoras heeft er zich reeds aan gewend, mij telkens als hij thuis komt en uitgaat, een zoen te geven, evenals met Pericles en Aspasia het geval is.”„Ontvangt gij ook bezoeken van wijsgeeren en dient gij beeldhouwers ook tot model?” vroeg op spottenden toon eene van die vrouwen, wier wangen het meest verlept en geblanket waren.„Waarom zouden Aspasia en Chariclea het niet doen, als hare mannen het toestaan?” riep eene andere der vrouwen. „Ook wij zullen het doen en onze mannen dwingen het goed te vinden.”„Niet ieder man is tot hoorndrager geboren!” zei de eerste spreekster met een boosaardigen lach.„Wilt gij beweren,” riep Chariclea toornig, terwijl zij zich voor die vrouw plaatste, met hare[78]handen in de zijde, „wilt gij beweren, dat ik mijn man tot een hoorndrager maak?”„Nog zal ik het van u niet zeggen,” hernam gene, „maar uweleermeesteresAspasia zal u dit wellicht nog leeren!”Toen deze bittere woorden waren gevallen, trad eene gesluierde vrouw van eene slanke en edele gestalte plotseling uit den kring van haar, die getuigen van dit gesprek waren geweest, te voorschijn, sloeg stijf vóór de vinnige spreekster den sluier terug en wierp een vlammenden blik op haar.„Aspasia!” riepen sommigen en snel verbreidde zich deze naam verder en er ontstond eene opschudding, die tot in de verste kringen zich voortplantte. De geheeleThesmophoriën-tempelgeraakte in oproer. „Wat is er te doen?” riepen de verst verwijderden. „Is er soms een man binnengeslopen?”„Aspasia!” klonk het antwoord. „Aspasia is hier!”Op dit bericht drongen alle vrouwen zich om haar heen en weldra bevond zich de Milesische in het middelpunt van de geheele vergadering.Zij was gekomen, omgeven van de schaar harer geestverwanten, te midden van welke zij, bovendien gesluierd om niet herkend te worden, voor de oogen der groote menigte tot op dit oogenblik verborgen was gebleven.Door deze geestverwanten werd zij ook nu als door eene lijfwacht omgeven, toen zij met opgerichte gestalte een toornigen blik op de vermetele vestigde.Terwijl Aspasia zoo voor hare vijandin stond, drong eene van hare partij zich voor haar en duwde de andere de volgende hoonende woorden toe:„Gij hebt gelijk! Niet ieder man is voor hoorndrager geboren. Gij moest dat weten! Ik ken u precies! Gij zijtCritylla, die door uw eersten man Xanthias verstooten zijt, omdat hij ontdekte, dat gij in het nachtelijk uur een rendezvous met uw boel voor de deur hadt, bij den laurierboom die het[79]altaar van den stratenbeschermenden Apollo overschaduwt!”—Het gelaat van Critylla werd met een donker rood overtogen en zij maakte aanstalten, om hare vijandin aan te vliegen. Maar zij werd door den aanhang van Aspasia teruggedrongen; daarop sprak deze het volgende:„Deze vrouw heeft mijn echtgenoot gehoond—gehoond alleen daarom, omdat hij de eerste is van alle Atheners, die de waarde der vrouw in zijne gade eert en haar niet tot slavin vernedert. Wanneer mannen als Pericles alleen ter wille van de liefde en de achting die zij hunne vrouwen bewijzen, spot en hoon moeten verdragen, niet alleen uit den mond der mannen, maar zelfs van den kant van het vrouwelijk geslacht, hoe kunt gij dan hopen, dat uwe echtgenooten zullen besluiten het voorbeeld van den edelsten der mannen te volgen?”„Zoo is het inderdaad!” zeiden de vrouwen uit den kring, terwijl zij elkander aanzagen. „Crityllaheeft zich vergrepen, door Pericles en Diagoras te beschimpen. Gaven de Goden, dat alle mannen waren als deze!”„De mannen zijn, zooals gij ze verdient!” vervolgde Aspasia. „Beproeft het maar eens, den onweerstaanbaren invloed, die aan het vrouwelijke geslacht verleend is, te gebruiken! Gij hebt tot heden verwaarloosd die macht in u te ontwikkelen, ja, het schijnt mij, dat gij die niet eens hebt gekend. Uwe slavernij is eene vrijwillige. Gij praalt met den titel van meesteressen des huizes en gij wordt korter gehouden dan slavinnen—want slavinnen mogen toch vrij zich op de straat of op de markt vertoonen. Gij zijt gevangen! Is dat niet zoo?”„Zoo is het inderdaad!” riep eene der vrouwen in den kring. „Mijn man heeft eens, toen hij voor een paar dagen op reis was, mij in het vrouwenvertrek opgesloten en de deuren daarvan met zijncachetverzegeld.”„De mijne,” riep eene andere, „heeft een grooten[80]Molosser-hond gekocht, die aan de deur wacht moet houden, alleen opdat geen minnaar in zijne afwezigheid binnen moge sluipen.”„Niet eens het huishouden is u zonder voorbehoud toevertrouwd,” ging Aspasia voort.„Volkomen waar!” viel weder eene der vrouwen levendig in; „mijn man draagt den sleutel der provisiekamer altijd bij zich.”„Loopen zij niet zelven op de markt, om vleesch en groenten in te koopen?” riep eene tweede.„Ja, zelfs wanneer het oorlogstijd is,” riep eene derde, „en de mannen gewapend loopen, kan men den een of ander van hen geharnast en met het Gorgo-schild aan den arm op de markt om eieren en groenten zien pingelen, of hij brengt te paard pekelvleesch in zijn metalen helm naar huis.”—„En daar zij u niet eens aan den huiselijken haard het gezag hebben gelaten,” sprak Aspasia, het woord weder opvattende, „is het niet te verwonderen, dat zij u nog veel minder veroorloven in openbare aangelegenheden een woord mede te spreken. Komen zij van de Pnyx waar over vrede en oorlog gehandeld is, durft gij het dan in uw hoofd krijgen te vragen, wat daar beslist is?”„Waarachtig niet!” riepen de vrouwen. „Wat raakt het u!” heet het dan. „Blijf bij uw spinnewiel en zwijg!”„En als gij niet zwijgt?”„Dan is het nog erger!”„Mijn man,” zeide eene der vrouwen, „zeurt tot vervelens toe mij die oude, flauwe spreuk voor: het schoonste sieraad der vrouw is stilzwijgen!”„Die kennen we ook, die spreuk! Zij is in den mond van alle mannen!” klonk het in den kring.„Waartoe hebben wij dan eene tong?” vroeg eene van haar en zij voegde er bij: „Soms alleen tot kussen, likken en trekkebekken?”De vrouwen lachten onbeschaamd over die woorden; want zij waren onder elkaar.Aspasia echter ging voort:„Zij willen dat gij onontwikkeld en dom zult[81]zijn; want dan alleen kunnen zij u overheerschen. Van het oogenblik af, waarop gij verstandig en wijs, waarop gij u van de macht bewust wordt, die aan het vrouwelijk geslacht boven het mannelijke gegeven is, van dat oogenblik is het uit met hunne tyrannie. Gij meent reeds alles gedaan te hebben, als gij uw huis rein houdt, als gij uwe kinderen wascht en zoogt, als gij er op let, dat de wol aan uw kleed niet door de mot verteerd en het garen aan den weefstoel niet door de hoenders vernield wordt, en wanneer iemand uwer nog iets wil doen om haar man te behagen, dan meent zij met een crocusgeel kleed en puntschoenen, een doorzichtig oppergewaad en met zalfdoosjes en eenige cinnaber4dit doel te zullen bereiken. Maar alleen in de handen van haar, die ook een weinig geest bezitten, is lichamelijke schoonheid en versiering een voor de mannen gevaarlijk wapen. Waardoor echter kunt gij datgene, wat ik een weinig geest noemde, verwerven, dan door een vrijer verkeer in de wereld, waarvan de mannen als met een ijzeren muur u afsluiten? Het moet u in het vervolg veroorloofd zijn de duffe gemoederen met den instroomenden adem der vrijheid te reinigen en te verfrisschen, de buitenwereld op u te laten werken en, evenals gij de indrukken der wereld en der gebeurtenissen in u opneemt, moet gij wederkeerig in de wereld en het leven invloed uitoefenen met de alles veredelende vrijheid van den ontwikkelden, vrouwelijken geest. De vrouwelijke geest moet met den mannelijken in de wereld zich tot eene vereende kracht verbinden. Dan zal niet alleen het huwelijk en het geheele huiselijke leven hervormd worden, dan zullen de kunsten tot haar schoonsten bloei geraken, dan zal de oorlog en al het ruwe onder de menschen een einde nemen. Laat ons een verbond sluiten, eene vreedzame samenzwering maken en elkander de gelofte afleggen, dat wij met alles wat[82]in ons is, voor het recht van ons geslacht willen strijden, om die macht vrij te ontwikkelen, welke tot onze roeping behoort.”Eene levendige toejuiching begroette deze woorden van Aspasia van den kant van een groot deel der vergadering; toen echter volgde zulk een luid en verward geluid van stemmen, dat men niets duidelijks meer onderscheiden kon, daar de vrouwen onder elkander het onderwerp met heftigheid begonnen te behandelen en allen eensklaps tegelijk spraken. ’t Was alsof een trekkende troep luid snaterende en krijschende vogels zich in den Thesmophoriën-tempel had neergelaten.Eindelijk echter zag men eene spichtige, schoon nog levendige en krachtige gestalte, door den dicht opeen gedrongen hoop met de armen zich baan maken en zich naar het midden van den kring, waar Aspasia stond, heendringen. De witte doek, die haar hoofd omhulde, verborg ook het grootste deel van haar gezicht, zoodat men haar niet aanstonds kon herkennen. Toen zij echter in ’t midden van den kring bleef staan en haar oog met eene boosaardige uitdrukking op Aspasia vestigde, herkende men de scherpe, schier manlijke trekken der fiere zuster van Cimon.Elpinice was gevreesd in geheel Athene, gevreesd door al hare geslachtgenooten. Zij heerschte door de macht harer tong, door hare bijna manlijke wilskracht, door den wijden kring harer relatiën. Daarom ontstond er onmiddellijk een angstig stilzwijgen, toen de zuster van Cimon met de volgende woorden Aspasia te lijf ging:„Met welk recht verstout zich hier de vreemdeling het woord te nemen in den kring van geboren Atheensche vrouwen?”Deze vraag van Elpinice maakte plotseling een diepen indruk, en vele der vrouwen, goedkeurend met het hoofd knikkend, verwonderden zich dat deze gedachte niet terstond bij haar opgekomen was.Elpinice echter vervolgde:„Hoe durft de Milesische het wagen ons de[83]les te willen lezen? Wil zij zich soms met ons op ééne lijn stellen? Is zij met ons opgegroeid? Heeft zij onze zeden, onze gebruiken gevolgd, onze heiligdommen van kindsbeen af met ons vereerd? Wij zijn Atheensche vrouwen; wij hebben op ons achtste jaar het heilige gewaad der Arrhephoren gedragen, wij hebben tien jaar lang het offermeel in den tempel van Artemis gemalen, wij zijn bij het Braurons feest5als bloeiende jonkvrouwen aan die zelfde Godin gewijd, wij hebben als korfdraagsters den feeststoet der Panathenaeën gevolgd. En deze hier? Uit den vreemde is zij gekomen, door geen Goden begeleid, zonder zegen van Goden, eene gelukzoekster, misdadig en geslepen, en nu wil zij zich in onzen kring dringen, omdat zij een Atheensch man zoo heeft weten te begoochelen, dat hij haar tegen wet en zeden in zijn huis heeft opgenomen?”Rustig, maar niet zonder een spottenden glimlach, antwoordde Aspasia:„Gij hebt gelijk! Ik ben niet opgegroeid in de muffe eenzaamheid van een Atheensch vrouwenvertrek; ik heb niet uw Braurons feesten in saffraankleurig rokje medegevierd, ik heb niet bij uwe Panathenaeën eene feestkorf over het hoofd en een snoer van verdroogde vijgen om den hals gedragen, ik heb niet medegehuild op de daken bij uwe Adonis-feesten6. Ik heb hier niet als Atheensche burgeres tot Atheensche burgeressen, ik heb als vrouw tot vrouwen gesproken!”„Mannenverleidster! Goddelooze slang!” riep Elpinice nog heftiger vertoornd uit, „waagt gij het[84]onze tempel te betreden, onze heiligdommen met uwe tegenwoordigheid te ontwijden?”Deze woorden werden met onstuimigheid uitgestooten. De korte haartjes op Elpinice’s bovenlip rezen te berge. De vriendinnen van Elpinice, die zich om haar vereenigd hadden, namen tegenover de Milesische eene dreigende houding aan.Maar ook Aspasia’s geestverwanten schaarden zich nauwer om haar leidsvrouw, bereid om haar te verdedigen. En niet gering was het getal dergenen in den Thesmophoriën-tempel, die nog de partij van Pericles’ gade kozen.Wederom gonsde een verward, levendig rumoer van stemmen en menig heftig woord dreigde een hartstochtelijken strijd der partijen aan te wakkeren.Toen wist de onverschrokken zuster van Cimon zich nogmaals gehoor te verschaffen, om de krachtigste harer troeven uit te spelen.„Denkt aan Telesippe!” riep zij met luider stemme; „herinnert u, hoe deze vreemde gelukzoekster, deze Milesische hetaere eene Atheensche, wettige vrouw van haar haard, van de vrucht van haren schoot, van haar echtgenoot heeft verdrongen! Wie uwer gelooft zich veilig tegen de boeleerkunsten van deze vrouw, als het haar in den zin komt ook de mannen van andere vrouwen te verleiden? Vóór gij luistert naar het gesis van deze slang, herinnert u, dat zij gif in haar mond verbergt!—„Ziet haar ginds,” viel Elpinice zich zelve in de rede, de oogen naar een hoek van den tempel wendend, „ziet ginds Telesippe! Ziet haar in rouw en droefheid verzonken—ziet haar bleek gelaat—ziet hoe haar de tranen langs de kaken rollen alleen bij de herinnering aan hare kinderen!”—De hoofden van alle vrouwen keerden zich om en volgden Elpinice’s blikken, en zij zagen naar de verstooten vrouw van Pericles, die op eenigen afstand stond en bleek van gramschap en spijt naar Aspasia blikte.Elpinice echter ging voort:[85]„Weet gij, wat zij van ons Atheensche vrouwen denkt? Behoef ik het u te zeggen? Heeft zij zelve het u niet gezegd? Zij houdt ons voor dwaas, voor onwetend, voor onervaren, de liefde van een man onwaardig, en genadig wil zij zich vernederen om ons te leeren, zich in haren trots zeker bewust, dat wij toch nooit kunnen worden als zij zelve de schoone, de wijze, en onvergelijkelijke, de alles betooverende Milesische, met wie zelfs de schoonsten van u zich nimmer kunnen meten!”Deze taal van Elpinice had eene ongeloofelijke uitwerking op de geheele vergadering der vrouwen. Veranderd was plotseling de stemming, zelfs in de harten dergenen, die tot nu toe Aspasia genegen waren geweest.Elpinice nam opnieuw het woord:„Weet gij, wat hare vrienden, de trouwe aanhangers van Pericles, van haar zeggen, en wat reeds alle mannen van Athene onder elkander herhalen? Aspasia is de beminnelijkste vrouw van Athene—ja, de eenige beminnelijke vrouw van Athene—naar Milete moet men gaan, zeggen zij, als men schoone en betooverende vrouwen vinden wil!”Bij deze woorden brak de woede der vrouwen en hare met boosaardige sluwheid aangewakkerde gramschap in lichte vlammen uit. Men begon met woest getier, met opgeheven armen op Aspasia los te gaan. Deze echter stond rustig en richtte hare fiere, ongebogen gestalte nog hooger op; zij sprak, bleek van toorn, doch met een blik van onbeschrijfelijke minachting:„Bedaart wat, gij knollen-, peterselie- en komkommerwijven!Bedaartwat, gij appel-, kaas- en boterwijven!—Waarom schreeuwt en tiert gij zoo, waarom dringt gij op mij aan? Denkt gij mij ook nog te krabben en te bijten?”De weinige trouw en moedig gebleven volgelingen van Aspasia wierpen zich tusschen beiden, er ontstond een wild rumoer en bijna eene vechtpartij onder de vrouwen. Eenigen van Elpinice’s[86]partij maakten aanstalten, om Aspasia de oogen met de nagels uit te krabben; anderen trokken de scherpe gespen van hare kleederen en gingen daarmede dreigend op de vijandin los. Deze echter verliet onder de bescherming dergenen, die zich nog dapper om haar schaarden, haastig den Thesmophoriën-tempel.Zóó eindigde de poging van Aspasia om de vrouwen van Athene door den geest te bevrijden.1De Thesmophoriën is een feest, uitsluitend door vrouwen gevierd, ter eere van Demeter (Ceres), als stichtster van het maatschappelijk en burgerlijk leven. Het woord Thesmophoros beteekent: wetten en instellingen gevend; met den naam de beide Thesmophoren worden dan ook Demeter en hare dochter Persephone (Proserpina) aangeduid.↑2De sesamus is een Oostersch peulgewas, uit welks vrucht olie geperst wordt; het zaad wordt als rijst gebruikt. Het gerecht daarvan op de boven beschreven wijze bereid, heet in het Grieksch sesamee of sesamis.↑3Cappadocië is een landschap in het Oosten van Klein-Azië, tusschen de rivieren de Halys en de Euphraat gelegen.↑4Eene roode verfstof: drakenbloed, vermiljoen, in het Grieksch cinnabaris of cinnabari geheeten.↑5Van Ephesischen oorsprong of uit de Chersonesus Taurica is de vereering van Artemis (Diana) te Brauron in Attica, werwaarts Iphigenia de zuster van Orestes haar beeld zou gebracht hebben. Als zoodanig heet Artemis Brauronia of Tauropolos; dit laatste verklaart men „op een stier rijdend” (taurus = stier) of de woeste.↑6Adonis, een schoon jongeling, naar de Grieksche sage, door een everzwijn gedood, was door Aphrodite (Venus) vurig bemind. Op haar verzoek stond Zeus toe, dat Adonis een derde deel van het jaar bij haar mocht verwijlen, het tweede deel bij Persephone in de onderwereld en over het derde zou hij vrije beschikking hebben. Ter zijner eere werden in Juli of in het laatste van de lente de Adonis-feesten vooral door vrouwen gevierd; het feest was tweeledig: eerst een treurfeest, waarin zijn dood beweend, dan een vreugdefeest, waarbij zijn terugkeer tot Aphrodite gevierd werd. In het Oosten werd het meer zinnebeeldig opgevat.↑

[Inhoud]XVI.DE VROUWEN OP HET THESMOPHORIËNFEEST1.„Dat is de schoonheid zelve!” riepen de Atheners, toen Phidias zijn nieuw metalen beeld van Pallas, dat de Lemniërs hem opgedragen hadden, voltooid had, en het voor de eerste maal voor de blikken der Atheners onthulde. Een roep van verbazing en verrassing klonk door geheel Athene.Wat wilde Phidias nu? Zooals hij de Godin in zijn jongste werk had voorgesteld, had geen Griek haar gedacht.Zij was zonder helm en zonder schild. Vrij golfden de krullende lokken om haar fier, maar niet minder liefelijk opgericht gelaat. Wonderschoon was de omtrek van dit gezicht; onvergelijkelijk teeder waren de wangen gevormd. Men meende haar te zien blozen. De beide geheel naakte armen waren, evenals de handen, modellen van den fijnsten en edelsten vorm. De opgeheven arm liet een deel der rechterzijde onbedekt zien, slechts licht plooide zich het gewaad om de heupen en hier als overal liet het de omtrekken der gestalte in volmaakte zuiverheid uitkomen.[60]Zoo eenstemmig de Atheners in den lof der schoonheid van deze nieuwste schepping van Phidias waren, even eenstemmig waren zij in hunne bewering, dat voor deze Pallas, Aspasia den kunstenaar tot model moest gediend hebben.Niet geheel dwaalden zij met deze bewering.Inderdaad, als reeds Theodota het verstond haar lichaam als eene kunstenaarsstof te behandelen, de gedaante van verscheidene Godinnen daarin op verrassende, indrukwekkende wijze voor te stellen voor deze verrichtingen in den dienst der kunst geheel Athene tot getuige had, zoo wist Aspasia dezelfde kunst in nog edeler en verhoogde mate ten toon te spreiden. Maar de eenige getuigen van de ontplooiing dier gaven waren Pericles en Phidias geweest.De ernstige Phidias ging zelfs zoo ver om voor een oogenblik toe te geven, dat de natuur menigmaal het ideaal nabij kon komen.In de Pallas van Aspasia echter had Phidias reeds niet meer de bloote natuur voor oogen. Wat hij daar zag was een schepping der nabootsende kunst, eene vreeselijke gestalte, uit den geest wedergeboren. Aspasia drukte op de natuurlijke stof harer schoonheid met kunstenaarsbewustzijn evengoed een bepaalden stempel, als Phidias naar eene bepaalde, inwendige beschouwing en bedoeling het marmer beitelde.Terwijl Phidias de bekoorlijke lieftalligheid van de schoone en wijze Aspasia in duurzaam metaal vereeuwigde, luisterde hij inderdaad naar de vermaning van Pericles om de wijsheid voor te stellen in het betooverende, alverwinnende gewaad der schoonheid.Reeds Alcamenes had iets nieuws en wonderschoons bereikt, toen hem vergund was, uit de levende bron van Aspasia’s schoonheid te putten. Phidias loste dezelfde vraag op, doch hij loste ze op als aller groote meester, als de verhevene, de onvergelijkelijke.Wat Phidias in zijne laatste Pallas gaf, was[61]Aspasia, maar verheven tot eene zoo reine en bovenmenschelijke hoogte, dat zij te gelijk als een ideaal zich voordeed, als een belichaamde droom der edelste beeldhouwersziel.Toen Socrates dit nieuwe beeldwerk zag, sprak hij op zijne zinrijke wijze:„Uit dit beeld zou de schoone Aspasia evenveel van den meester Phidias kunnen leeren, als de meester Phidias geleerd heeft van de schoone Aspasia.”Zonderling was het, dat de loftuitingen, waarmede de Atheners de Lemnische Pallas van Phidias overlaadden, hem ontstemden en knorrig maakten. Hij hoorde er niet gaarne van spreken. Hij had dit werk wellicht daarom minder lief omdat hij het niet geheel uit zich zelf geschapen had. Hij had, naar het scheen, met eene soort van half onbewusten onwil zich van zijne taak, die hem van buiten af opgedragen was, gekweten, en met wier volbrenging hij alleen zich van eene onrust zocht te bevrijden, die als door eene vreemde betoovering, in hem opgewekt was geworden.Nu scheen hij des te dieper in zich zelven te willen terugkeeren. Stiller en ernstiger dan ooit wandelde hij rond en verloor zich in de beschouwing van een verheven beeld, dat in de verborgen diepte zijner ziel hem tegenstraalde. Hij was weder geheel en al zich zelf geworden. Hij vermeed Aspasia, hij verkeerde nauwelijks meer met Pericles en op een goeden dag verliet hij stil en heimelijk Athene, om naar Elis te gaan, ten einde daar de grootsche gedachten zijner groote ziel teverwezenlijken.De onverzadelijkste en onvermoeidste bewonderaar der Lemnische Pallas bleef Socrates. Hij scheen zijne liefde voor de Milesische op de Godin van Phidias over te willen brengen. De natuurlijke Aspasia kwam hem niet meer volkomen voor, van het oogenblik af, waarop hij haar hooger ideaal in steen belichaamd zag. En toch kon men toen van hem zeggen, dat hij zijn tijd tusschen[62]die Pallas en haar levend model verdeelde. Dagelijks zag men hem zijne schreden naar de woning van Pericles richten, zelfs op gevaar af daar den welsprekenden Protagoras te ontmoeten.Hoe kwam het toch? Wanneer Socrates peinzend en, naar hij meende, zonder doel, door Athene’s straten wandelde, vond hij zich ten laatste onverwachts voor het huis van Pericles. Evenals in eenlabyrinthvan straten, scheen hij eenlabyrinthvan gevoelens te doorkruisen, waar hij geen uitgang vond en dat hem steeds weder op dezelfde plaats terugbracht.Zonder plan derhalve geschiedde het, als Socrates zijne schreden naar die woning richtte. Doch wat deed hij daar, als hij er zijns ondanks gekomen was? Verloor hij zich in huldebetoon? Gaf hij teekenen van een inwendig liefdevuur, dat hem verteerde? Had hij, evenals Protagoras, zich er aan gewend zijne wijsheid uit vreemde oogen te putten? Niets van dat alles. Hij streed met Aspasia. Hij gaf haar fijne zetten. Eens zelfs sprak hij in hare tegenwoordigheid uit—eene uitspraak, die sedert dikwijls herhaald en door de overlevering gewoonlijk aan Pericles is toegeschreven, die haar toch slechts aan Socrates had ontleend—: die vrouw is de beste, over wie men het minst spreekt. Hij zei haar bittere woorden en zelfs wanneer hij haar scheen te vleien, tintelde hij van die fijne ironie, die een kenmerk van zijn spreektrant uitmaakte.En Aspasia? Zij scheen des te zachter, vredelievender, beminnelijker en innemender, naarmate Socrates zijne vrijmoedige luim meer den vrijen teugel gaf. En omgekeerd: hoe zachter en verleidelijker Aspasia was, des te ontevredener en stuurscher werd de wijze Socrates.Wat wilden zij van elkander, deze beide zonderlingen? Streden zij samen den overouden, hardnekkigen tweestrijd der wijsheid en der schoonheid? Die zonderlinge strijd werd vooral gevoerd sinds de woordenwisseling, welke Socrates met[63]Protagoras in tegenwoordigheid van Pericles en Aspasia gehouden had.Aspasia deed het voorkomen dat zij geloofde dat Socrates ter wille van zijn lieveling Alcibiades het huis van Pericles bezocht. Zij ging in hare ondeugenden luim zoo ver, dat zij verzen tot hem richtte, waarin zij hem als aan een minnaar raad gaf. Socrates nam dat alles glimlachend op, zonder de minste gemelijkheid, of eene poging om zijne moedwillige vriendin te loochenstraffen. Hij toonde ook nooit, dat de schoone knaap, die nog steeds met eene bijna teedere liefde hem aanhing, hem te veel was. Tegenover den knaap was hij open, opgeruimd, vriendelijk, vertrouwelijk, zonder een spoor van die grilligheid en ironie, waarmede hij goedvond de vriendelijkste bejegening van de schoonste aller Helleensche vrouwen te beantwoorden.Talrijke gesprekken voerde Aspasia nog altijd met den vrouwenhater Euripides, die als treurspeldichter thans tot grootere beroemdheid geraakte. Zijne ernstige, bespiegelende Muze vond weerklank en hij werd weldra de lievelingsdichter van een tijdvak, dat zich van de onmiddellijke en naïeve beschouwing der zaken meer en meer tot eene ideale en verhevene opvatting gedreven gevoelde. Hij had rijke ervaring opgedaan en zoo vloeide zijn mond altijd over van hetgeen hij in zijn geest had doorleefd. Daarbij had hij een scherp, fier karakter, dat hem open en vrijmoedig deed uitspreken, wat hij dacht. Hij gaf niemand iets toe, zelfs niet aan het Atheensche volk, ’t geen ieder meende te moeten vleien. Toen men eens een zijner verzen uitfloot, welks inhoud het Atheensche volk niet beviel, trad hij op het tooneel om zich te verdedigen, en toen men hem toeriep, dat men dit vers niet wilde dulden, antwoordde hij, dat de dichter de onderwijzer van het volk was en niet het volk de onderwijzer van den dichter.Hij vleide ook Aspasia niet, en niemand zou het gewaagd hebben op den toon, dien hij aansloeg,[64]met haar over de vrouwen te spreken.Hij had zijne eerste vrouw verstooten en eene andere genomen: een feit, dat Aspasia, zooals vermeld wordt, in een brief aan Pericles met sluw overleg als een voorbeeld van mannelijken moed geprezen had.Op een goeden dag kwam Aspasia met Euripides toevallig over deze zaak te spreken, in tegenwoordigheid van haar echtgenoot en Socrates. Nadat zij hem opnieuw over zijn moedig besluit had geprezen, vroeg zij hem naar zijne nieuwe gade.„Zij is het tegendeel van de eerste,” antwoordde Euripides wrevelig, „maar daarom niet beter: zij heeft alleen de tegenovergestelde gebreken. De eerste was een domme, maar eerlijke ziel, die mij met eene huisbakken soort van liefde lastig viel; deze is een behaagzieke, die door lichtzinnigheid en grilligheid mij tot vertwijfeling brengt. Ik ben van den regen in den drop gekomen. Ik ben een ongelukskind en al het bittere geven mij de Goden achtereenvolgens te smaken.”„Ik hoorde van uwe vrouw zeggen,” hernam Aspasia, „dat zij schoon en beminnelijk is.”—„Ja wel, voor iedereen,” zei Euripides, „behalve voor mij. Zij zou het natuurlijk ook voor mij zijn, als ik besluiten kon hare slechte eigenschappen als even zoovele deugden te beschouwen.”—„Welke zijn dan die slechte eigenschappen, die gij haar toekent?” vroeg Aspasia.„Zij verwaarloost het huishouden,” antwoordde Euripides: „het garen aan den weefstoel vernielen de hoenders. Zij danst en houdt feestmalen bij hare vriendinnen; zij heeft de onfatsoenlijkheid aan de huisdeur te staan en op straat te gluren.”„Is dat alles?” vroeg Aspasia.„Neen!” antwoordde de dichter. „Zij is wispelturig, zij is luimig, zij is ontrouw, zij is leugenachtig, zij is volveinzerij, zij is valsch, zij is boosaardig, zij is nukkig, zij is onbillijk, zij is wreed, zij is wraakgierig, zij is nijdig, zij is eigenzinnig, zij is bijgeloovig, zij is dwaas, zij is sluw, zij is[65]babbelziek, zij is jaloersch, zij is ijdel, zij is behaagziek, zij is gewetenloos, zij is ongevoelig, zij is zielloos …”„Houd op!” viel hem Aspasia in de rede. „Het zou u zwaar vallen, dit alles afzonderlijk te bewijzen.”„Dit alles en nog meer!” hernam Euripides.„Wellicht betoont ge uwe vrouw te weinig liefde,” bracht Aspasia in ’t midden, „en maakt gij haar daardoor van u afkeerig!”„Ja, waarlijk!” riep Euripides met een hoonenden lach; „als men de vrouwen hoort, ontbreekt het den mannen altijd aan liefde. „Gij hebt geen hart, mijn vriend!” zei de adder tot den geitebok. Juisthettegendeel is waar! Ik zeg u, mijn ongeluk komt daar vandaan, dat ik mijne vrouw niet zoo behandel, als de meeste Atheners hunne vrouwen behandelen; dat ik mij te veel door haar laat beheerschen, dat ik mij door haar laat kwellen. Want mak als lammeren zijn de vrouwen, zoolang men ze kort houdt; doch aanstonds worden ze overmoedig, als men haar aanleiding geeft tot de meening, dat zij onmisbaar zijn. Ja, er is maar één enkel middel, om zich van eene vrouw, van haar hart, van hare liefde, van hare hoogachting, van hare toewijding te verzekeren: dit middel bestaat hierin, dat men haarverwaarloost. Wee den man, die zijne vrouw laat merken, dat hij haar niet missen kan! Zij zal hem den voet op den nek zetten. Eene vrouw lief te hebben is den boozen daemon in haar op te wekken. Wie echter zijne vrouw met eene vriendelijke koelheid te gemoet treedt en overigens zijn eigen weg gaat, wie haar bewijst, dat hij haar missen kan, die wordt gevleid en geliefkoosd, die wordt de wang gestreeld, die wordt de hand op den schouder gelegd met de vraag: „Wat zal mijn lief mannetje van avond eten?” die wordt vereerd als „de steun en heer des huizes en der familie,” hem wordt roerend dank betuigd voor iedere kruimel van genade, die hij laat vallen. Toonde echter dezelfde man zich teeder[66]en verliefd, dan zou hij haar binnen acht dagen vervelend toeschijnen, in een maand was hij veracht en in een jaar dood gekweld.”Glimlachend hoorden Pericles en Aspasia deze op gramstorigen toon uitgebrachte ontboezeming aan. Euripides echter vervolgde met gelijken wrevelen ernst en nadruk:„De Parce van de man is de vrouw. Zij is het, die zijne levensdraden spint—zwarte of gouden.”Pericles schrikte schier bij deze laatste woorden. Aspasia glimlachte.„Ik kan niet gelooven,” zeide Pericles, „dat de man in ’t algemeen zoo afhankelijk is van de vrouw.”„Hij zal het worden, als hij het nog niet is,” hernam Euripides. „Ik voorspel de toekomst. De macht der vrouw is schrikbarend aan het toenemen. Verstaat gij de dichters en beeldhouwers niet, die sedert overoude tijden het fabelachtige beeld der Sphinx hebben voorgesteld, eene raadselachtige vrouw, met zachten boezem doch scherpe klauwen? De Sphinx is de vrouw. Het verleidelijke schoone gelaat, den verleidelijk zachten boezem houdt zij ons voor, het overige echter van het lichaam is een dier met tijgerpooten en moorddadige klauwen.”„Zult gij het vrouwelijk geslacht niet overmoedig maken,” zei Aspasia, „als gij haar karakter door zulke vergelijkingen den stempel van het grootsche verleent?”„Grootsche misdaden,” hernam Euripides, „van een man kunnen bewondering wekken; eene vrouw met groote ondeugden boezemt altijd afschuw in. Want de misdaden van den man kunnen soms uit eene overmaat van op zichzelf roemrijke eigenschappen voortspruiten; de ondeugden eener vrouw echter komen altijd voort uit eene kleingeestige, tot eene overmaat gedreven zwakheid.”„En toch zien wij de vrouwen met deze kleingeestige zwakheden triomfeeren!” zeide Aspasia.„Niet voor altijd!” voerde Euripides haar tegemoet.[67]„De dag der wrake komt, die, met de vlammen van een gezonden en rechtmatigen hartstocht, de woeste flikkering van eene ziekelijke en zwakke neiging zal uitblusschen. Slechts zoolang wij mannen ons zwak toonen, zijn de vrouwen sterk. De vrouw is eene Sphinx; ja zeker! Doch men behoeft haar slechts de klauwen af te snijden, om haar onschadelijk te maken. Met onafgesneden klauwen is zij eene tijgerin; met afgesneden klauwen niets meer dan eene kat. Onze vaderen hebben goed gedaan, dat zij de vrouwen kort hielden. Wij mannen van dezen tijd zijn te weekelijk—ik zelf behoor tot dat getal—wij laten de vrouwen de klauwen groeien. Dat is niet goed …”Het voorhoofd van Aspasia rimpelde zich een weinig, toen de vergramde dichter deze woorden met krachtige stem uitstiet. Socrates bemerkte het en zeide:„Vergeet niet, mijn waarde, dat gij tot Aspasia spreekt.”„TotAspasia,” hernam Euripides, snel gevat, „maar nietvanAspasia. Ik spreek over de vrouwen. Aspasia is eene vrouw, maar de vrouwen zijn geen Aspasia’s …”Socrates liet het, zooals gemeld is, in zijne gesprekken met Pericles’ gade niet aan scherpe woorden ontbreken. Maar nooit was hij in den toon van Euripides vervallen. Wij gevoelen ons echter verplicht te zeggen, dat Euripides in zijne gesprekken met Aspasia het geheele vrouwelijke geslacht hoonde en onrecht aandeed, doch steeds Aspasia zelve met bereidwillige hoffelijkheid daarvan uitzonderde; terwijl Socrates omgekeerd zijne pijlen steeds alleen tegen de persoon van Aspasia afschoot, het geheele geslacht echter gaarne verdedigde.En zoo nam hij dan ook nu het schoone geslacht in bescherming tegenover den vrouwenhater Euripides, terwijl hij zeide:„Het komt mij een zonderling, maar onomstootelijk[68]feit voor, dat ieder man, als hij van de vrouw in het algemeen spreekt, toch altijd slechts zijne eigene op het oog heeft. Men moest alzoo, dunkt mij, alleen aan zulke mannen toestaan om over de vrouwen in het algemeen te spreken, die niet getrouwd zijn. Ik beroem mij een van die laatstgenoemden te zijn; en hoe verre mijn vriend Euripides in andere wijsheid mij achter zich moge laten, heb ik, omdat hij getrouwd is, het voordeel van grootere onpartijdigheid op hem vooruit. Daar voorts Pericles ook gehuwd en Aspasia zelve eene vrouw is, ben ik hier de eenige, die geroepen schijnt de partij op te nemen voor het door Euripides zoo fel gehoond geslacht. Mij ontbreekt het wel is waar aan welsprekendheid en ik zou Protagoras gaarne hier wenschen: deze zou niet in gebreke blijven ons de vrouw te prijzen als de schenkster der zoetste vreugde, als de bereidster van het schoonst geluk, als de beschermster van den goddelijken schat der schoonheid en van het genot op aarde, als de troosteres van den man, als de artsenij zijner kwalen. „Welk een pronkstuk,” zou hij uitroepen, „is eene schoone vrouw! Met ieder atoom harer persoonlijkheid verrukt zij. Geluk en zaligheid stralen uit van haar wezen …” Zoo zou Protagoras spreken. Euripides daarentegen beweert: de vrouwen zijn Sphinxen, zij hebben een bekoorlijk gelaat en een zachten boezem, doch scherpe klauwen. Zou het niet geoorloofd zijn omgekeerd te zeggen: de vrouwen hebben wel is waar scherpe klauwen, maar een bekoorlijk gelaat? Waarom zou men den grootsten nadruk niet liever op het goede der vrouwen, dan op het kwade leggen?—„Men moet haar de klauwen afsnijden,” zegt Euripides. Maar zou haar dit, behalve de mogelijkheid om te schaden, ook hare vijandelijke gezindheid ontnemen? Zou het niet veel practischer zijn, rechtstreeks op de verbetering harer gezindheden te werken? De klauwen worden dan van zelf onschadelijk. Hoevele deugden kan eene vrouw niet[69]ontwikkelen! Hoevele zegeningen weet zij niet om zich te verspreiden! Niet alleen door hetgeen, wat zij uitvoert of zegt of doet, maar reeds door hetgeen, wat zij is. De natuurlijke kampioenen van het schoone zijn de vrouwen: doch daar zij elke zaak, waarvoor zij strijden, doen triomfeeren—hoe heerlijk zou het zijn, als wij haar ook tot kampioenen van het goede en het ware konden winnen? Zoolang het licht van eene hoogere opvatting het hoofd der vrouwen niet verheldert, volgen zij natuurlijk alleen de aandrift van haren physischen aanleg, en deze aandriften zijn altijd ruw en baatzuchtig. Wellicht zullen de mannen in de toekomst er naar streven, om de vrouwen, door eigene overweging in plaats van slavinnen van onbestemde natuurdriften te zijn, tot priesteressen van het schoone en het goede te maken!”„Ja, dat ontbrak er nog maar aan, dat de slangen vleugels kregen!” riep Euripides met een spottenden lach. „Niet te verwonderen is het overigens,” ging hij voort, „dat deze hoop op verbetering der vrouwen uitgesproken wordt door een man, die in ’t algemeen alle menschelijk geluk van het verstand en van heldere begrippen verwacht. Ik zeg u echter, dat de waarde en de adel der vrouw niet in de ontwikkeling van haar verstand, maar in de ontwikkeling van haar hart, van haar gevoel berust!”„Dat kan wel zijn,” hernam Socrates, „maar nu doet zich de vraag op, of het hart en zijne gewaarwording ooit door zichzelf kan gevormd worden, dan wel of daartoe niet de invloed van een tot op zekere hoogte ontwikkeld verstand gevorderd wordt?”—Pericles drukte zijne ingenomenheid met Socrates’ woorden uit. Aspasia zweeg en toonde terstond minder belangstelling; want hoezeer ook enkele punten, die Socrates had aangeroerd, met hare eigene meening overeenstemden, kwam het haar toch voor, als had de droomer onder het masker zijner bescheidenheid zich durven vermeten, haar[70]een lesje te geven. Voor eene bevrijding van den geest, voor eene veredeling van haar geslacht te werken, was immers sinds lang haar streven geweest.Had zij niet openlijk zich zelve en haren vrienden op de Acropolis de gelofte gedaan, dit doel met alle krachten te bevorderen, nadat zij de gade van Pericles geworden was?Zij had woord gehouden. Het leven en de positie der vrouwen geheel en al te herscheppen was sinds dien tijd haar moedig pogen.Om dit doel echter te bereiken, had zij moeten trachten invloed te krijgen op de vrouwen van Athene, de rol van zuurdeeg moeten vervullen bij deze trage massa, degenen, die haar dwarsboomden, verzoenen, ze tot aanhangsters, leerlingen, vriendinnen moeten maken.Pericles had hare bedoelingen gesteund: want hij beminde haar. Hij verschafte haar gaarne elk soort van genoegen. Hij leidde haar, wanneer deze uitdrukking veroorloofd is, in de Atheensche kringen binnen. De Atheensche vrouwen waren van het gezelschap der mannen uitgesloten; maar zij hielden een vrij druk verkeer onder elkander. Schijnbaar argeloos mengde Aspasia zich in dit verkeer.Onder de schoone en waarlijk verstandige vrouwen, wien het gegeven is, de mannen in hare netten te lokken, worden er aangetroffen, wien het bovendien verleend is, trots den nijd, den haat, de ijverzucht, die zij opwekken, toch ook personen van haar eigen geslacht aan te trekken en voor zich in te nemen. Zooals van zelf spreekt, bereikten zij dit niet door overmatige vriendelijkheid en lieftalligheid of door praatjes en opgedrongen beleefdheden, maar door den eenvoud, waarmede zij den gevaarlijken glans harer voorrechten vrijwillig schijnen te temperen, en door de nauwkeurigste kennis der eigenaardigheden en grillen van haar, die zij voor zich willen winnen. Aspasia zocht vertrouwen in te boezemen; ongelijk aan de onverstandigen van hare sekse, wist zij, dat eene schoone vrouw in de meeste gevallen het zekerst[71]door een verstandig, rustig, kalm, waardig gedrag zoowel mannen als vrouwen inneemt. Zij richtte haar streven in de eerste plaats daarop, dat men gedwongen werd haar te achten; beminnelijk te schijnen zou dan vanzelf het geval zijn.Eerst nadat Aspasia door zulk eene houding, die bij haar volstrekt niet gemaakt maar eene zaak van haar vrouwelijke natuur was, den bodem voor hare ondernemingen had voorbereid, was zij met hare bedoelingen en plannen meer openlijk voor den dag gekomen.Na eenigen tijd waren de Atheensche vrouwen tegenover de gade van Pericles in een tal van partijen verdeeld.Er waren onverzoenlijken, die haar haatten en die met alle middelen van vrouwelijke vijandelijkheid zich openlijk en in het geheim tegen haar verzetten. Er waren er, die Aspasia eene soort van persoonlijke genegenheid niet weigerden, maar van meening waren, dat hare plannen te vermetel en onbepaald waren; er waren anderen, die wel is waar de persoon van Aspasia met afgunstige oogen beschouwden, doch door een innerlijken drang gedreven werden, om haar voetspoor te volgen en in vele opzichten te doen als zij. Doch er waren er ook, die zich geheel en al door Aspasia hadden laten overtuigen en winnen, doch die niet alleen den moed bezaten zich openlijk met hare leidsvrouw te verbinden tot een strijd voor de vertrapte rechten der vrouw.Tot de onverzoenlijkste en nog steedsgevaarlijkstevijandinnen van Aspasia behoorden, zooals licht te begrijpen is, de verstooten gemalin van Pericles en de zuster van Cimon.Deze laatste was gewoon als ’t ware boek te houden van het leven en de handelingen van Aspasia; zij vorschte uit en verbreidde wat Aspasia tot andere vrouwen sprak en niet zelden geschiedde het, dat deze woorden verdraaid van mond tot mond gingen, om de gemoederen der Atheners tegen de gade van Pericles op te hitsen.[72]Zoo geschiedde het op zekeren dag, dat Aspasia met eene pas gehuwde vrouw zich in tegenwoordigheid van haar echtgenoot onderhield. Het jeugdige paar verlangde van haar te vernemen, waarop het zekere geluk der liefde en van den echt berustte.Aspasia voelde den lust in zich opkomen, om eens den Socratischen redeneertrant te beproeven.„Wanneer uwe buurvrouw,” zeide zij tot de jonge vrouw, „een schooner kleed heeft dan gij, welk zoudt gij verkiezen: het uwe of het hare?”„Het hare,” antwoordde de jonge vrouw.„En wanneer uwe buurvrouw schooner kleinoodiën bezit dan gij,” vervolgde Aspasia, „aan welke zoudt gij de voorkeur geven?”„Aan de hare natuurlijk,” hernam de jonge vrouw.„En wanneer zij een beteren man heeft dan gij, aan welken zoudt gij de voorkeur geven, den uwen of dien van haar?”De jonge vrouw bloosde over deze onverwachte, verbijsterende vraag. Aspasia echter zei glimlachend:„In den natuurlijken loop der dingen zal de vrouw den beteren man, de man de betere vrouw voortrekken. Mij schijnt dus de zekerste waarborg voor het geluk in de liefde en den echt, dat de man trachte in ’t oog zijner vrouw de beste aller mannen, de vrouw wederkeerig in ’t oog van haar man de beste aller vrouwen te zijn.Velenvorderen van anderen de liefde als een plicht, wat zeer onbillijk is. Men moet ze trachten te verdienen en er naar streven ze voortdurend levendig te houden.”Wat Aspasia met deze woorden het jonge paar te denken gaf, was zeker niet zonder gezonden zin. Doch hoe werden zij niet verwrongen in den mond van Elpinice en consorten? Het onderhoud van Aspasia met het jonge echtpaar maakte eenige dagen lang bij de Atheners de ronde. Maar men vertelde niet, dat Aspasia als eenigen waarborg voor[73]onwankelbaar echtgeluk verklaard had, dat de man zijne vrouw voor de beminnelijkste aller vrouwen, de vrouw haar man voor den besten aller mannen moest houden; neen, men zeide, dat Aspasia de jonge Hipparchia in tegenwoordigheid van haar gemaal had opgezet, aan een vreemden man boven haar eigen echtgenoot de voorkeur te geven, als geene haar beter beviel.Aspasia besloot de Socratische methoden in hare gesprekken in het vervolg te laten varen en nog zorgvuldiger dan vroeger er op te letten, met welk soort van personen zij zich onderhield. De vijandinnen van Aspasia gingen echter zoover, dat zij opzettelijk met haar gesprekken aanknoopten, om haar onder den schijn van genegenheid uitspraken te ontlokken, die haar in de achting der Atheners zouden kunnen doen dalen. Aspasia doorzag zulk een plan gemakkelijk en wist de aanslagen dezer vijandinnen soms op eene wijze te verijdelen, die haar, behalve de voldoening haar doel bereikt te hebben, nog eene soort van vermakelijk genot verschafte.Zoo drong zich op een goeden dageenzekere Clitagora met geveinsde bewondering aan haar op. Aspasia echter wist, dat Clitagora tot de clique van Telesippe en de zuster van Cimon behoorde.Zij stelde Aspasia de vraag voor, door welke kunsten eene vrouw haar echtgenoot het best aan zich zou kunnen boeien?„De krachtigste van alle kunsten, waardoor eene sluwe vrouw den argeloozen echtgenoot aan zich en aan den huiselijken haard boeien kan,” hernam Aspasia met gewichtig gelaat, „is de kookkunst. Mij is eene vrouw bekend, die als eene Godin door haar man wordt vereerd, alleen om de lekkernijen, die zij hem dagelijks voorzet. Haar meesterstuk is de zachte en lichte sesamee2, die zij uitsesamusmeelmet honig en olie in de pan gereed[74]maakt. Zij neemt gepelde gerst, stampt ze fijn in een vijzel, schudt het meel in een pot, giet er olie bij, roert deze brij, terwijl zij langzaam kookt, bestendig om, besproeit ze van tijd tot tijd met bouillon van hoenders of geiten- en lamsvleesch, ziet toe dat zij niet overkookt en wanneer ze gaar is, laat zij ze opdragen. Ook hare hazenpasteien van bastaardnachtegaals en andere kleine vogels zijn voortreffelijk. Welk man zou zich aan de verleiding van zulke dingen kunnen onttrekken? Er zijn ook mannen, die met de zoogenaamde Cappadocische3koeken dweepen. Men kneedt ze het best met honig, snijdt het deeg in dunne platen, die, als ze de pan maar ruiken, oprollen. Deze rolletjes worden dan in wijn gedoopt en moeten geheel heet op tafel komen.”Op die wijze ging Aspasia voort de regels van eene lekkere keuken uiteen te zetten tot verbazing van een deel harer toehoorderessen en tot ergernis van een ander deel, dat in deze uitweidingen niets vond, wat dienen kon, om Aspasia in de openbare meening te schaden en den roep van hare lichtzinnigheid of hare gevaarlijke beginselen te bewijzen.De onaangename tegenstand, die de pogingen van Aspasia in de vrouwenwereld van Athene voor een deel ondervonden deed haar des te liever de gelegenheid aangrijpen, die zich voordeed, om een paar verweesde dochtertjes van haar oudere, te Milete gestorven zuster bij zich aan huis te nemen. In deze teedere, doch gunstig begaafde en ontwikkelde meisjes, Drosis en Prasina geheeten, van welk de eene vijftien jaar en de ander slechts een jaar telde, geloofde Aspasia geschikte voorwerpen te vinden voor de verwezenlijking harer gedachten over de vorming van de Helleensche vrouw tot geestelijke en persoonlijke vrijheid. Men mocht gelooven, dat zij eens de school, waaruit zij kwamen, eer zouden aandoen en de zaak van Aspasia,[75]die tegelijk de zaak van het geheele vrouwelijke geslacht was, tot overwinning zou helpen voeren.Intusschen, Aspasia was ongeduldig; zij was zeer geneigd om ver reikende plannen op te vatten, die natuurlijk eerst langzaam konden rijpen, doch zij wenschte die door koene, snelwerkende maatregelen te bereiken.Zulk een doortastenden maatregel nu beproefde zij om de teugels der heerschappij over haar geslacht te Athene zoo mogelijk in eens in hare macht te brengen.Onder de talrijke godsdienstige feesten der Atheners was er ook een, dat uitsluitend door vrouwen gevierd werd en dat op strenge straffe geen man bij mocht wonen. Dit was het Thesmophoriën-feest; ter eere van Demeter, die niet alleen als de Godin van den akkerbouw, maar ook als die van den echt werd vereerd, wegens de verwantschap, die de begrippen van zaaien en voortbrengen, oogst en geboorte samen verbindt.De heilige gebruiken van dit feest werden niet aan bepaalde priesteressen opgelegd, maar aan vrouwen, die telkens uit de verschillende stammen werden gekozen. Een zekeren tijd van te voren moesten de vrouwen door onthouding zich tot de deelneming aan dit feest voorbereiden. Zij sliepen op kruiden, welke men de kracht toeschreef het bloed te verkoelen en de onthouding gemakkelijker te maken. Tot deze behoorden de kuischlamstruik en een zekere soort van netels. De viering zelve bestond in feestelijke omgangen, in vergaderingen in den Thesmophoriën-tempel, benevens in overgeleverde gebruiken, waaronder ernst en scherts en plagerijen elkander afwisselden.Vier dagen lang duurde het feest. Op den eersten dag ging men naar het kustplaatsje Halimus en vierde in een zich daar bevindende tempel van Demeter zekere mysteriën. Op den tweeden dag keerde men naar Athene terug; op den derden waren de vrouwen van het krieken van den dag tot aan den avond in den Thesmophoriën-tempel[76]vergaderd. Demeter en Persephone en andere Godheden werden aangeroepen en haar ter eere dansen uitgevoerd. In de pauzen zaten de vrouwen op kuischlam en andere kruiden, zooeven vermeld, en onderhielden zich met gesprekken en plagerijen, die bij deze gelegenheid gebruikelijk waren. Zij nuttigden gedurende haar verblijf in den tempel geen spijs, maar stelden zich voor deze onthouding schadeloos door het heerlijke offermaal, waarmede den volgenden dag de geheele plechtigheid besloten werd.Men denke zich de vrouwen van Athene, doorgaans opgesloten in de enge omgeving van haren huiselijken kring, onder de oogen harer mannen, en nu vier dagen lang met strenge uitsluiting der mannen aan zich zelven overgelaten, tot eene geweldige schaar vereenigd, feestelijke omgangen houdend, vervolgens in een tempel verzameld, met dansen en heilige gebruiken bezig, op heilige kruiden zittend en babbelend naar hartelust—men denke zich deze snaterende vrouwenvergadering en men zal licht inzien, dat zij wel geschikt was niet alleen de vrouwelijke tongen, maar met de tong tevens den vrouwelijken geest los te maken en hem tegen de oudvaderlijke beperkingen in beweging te brengen.Dit Thesmophoriën-feest nu was teruggekeerd.Wederom zaten de vrouwen van Athene in de pauzen tusschen de dansen en de feestzangen te babbelen op kuischlam in denThesmophoriën-tempel. Wederom snaterden de stemmen luid en zacht door elkander. Waarover werd al niet in de verschillende groepen der vrouwen, die op den grond zaten, gesproken! Dezen onderhielden zich over de slechte gewoonten harer mannen, genen over de ondeugden harer slavinnen of klaagden er over, dat de kinderen van den tegenwoordigen tijd veel lastiger en uitgelatener waren dan in vroegere tijden: sommigen kibbelden over de beste manier om sesamus-koeken klaar te maken; anderen vertelden elkander van toovermiddelen, om in het[77]kraambed te gebruiken, of deelden jongere lotgenooten raadgevingen mede over het bereiden van liefdedranken; er waren er zelfs, die elkander heimelijk in het oor fluisterden, hoe men zwangerschap huichelen en ter wille van den echtgenoot een ander kind kon onderschuiven. Sommigen verhaalden elkander spookgeschiedenissen of verhalen van Thessalische heksen of sprookjes of de nieuwste familiegeheimen van deze of gene vriendin. Nog anderen spraken over Aspasia en dit gesprek werd allengs het levendigste, dat in den tempel gevoerd werd.„Aspasia heeft gelijk,” zeide eene jonge, wakkere vrouw, wier frisch uiterlijk gunstig tegen de verwelkte en geblankette gezichten der meesten rondom haar uitkwam.„Aspasia heeft gelijk, wij moeten de mannen dwingen ons zoo te behandelen, als Pericles Aspasia doet.”„Dat willen wij!” riepen eenige aanhangsters der Milesische. „Wij moeten hen dwingen het huiselijk en het echtelijk leven met ons zoo in te richten als Pericles met Aspasia doet.”„Ik heb met mijn man reeds een begin gemaakt,” riep eene levendige, kleine vrouw, Chariclea geheeten. „Mijn Diagoras heeft er zich reeds aan gewend, mij telkens als hij thuis komt en uitgaat, een zoen te geven, evenals met Pericles en Aspasia het geval is.”„Ontvangt gij ook bezoeken van wijsgeeren en dient gij beeldhouwers ook tot model?” vroeg op spottenden toon eene van die vrouwen, wier wangen het meest verlept en geblanket waren.„Waarom zouden Aspasia en Chariclea het niet doen, als hare mannen het toestaan?” riep eene andere der vrouwen. „Ook wij zullen het doen en onze mannen dwingen het goed te vinden.”„Niet ieder man is tot hoorndrager geboren!” zei de eerste spreekster met een boosaardigen lach.„Wilt gij beweren,” riep Chariclea toornig, terwijl zij zich voor die vrouw plaatste, met hare[78]handen in de zijde, „wilt gij beweren, dat ik mijn man tot een hoorndrager maak?”„Nog zal ik het van u niet zeggen,” hernam gene, „maar uweleermeesteresAspasia zal u dit wellicht nog leeren!”Toen deze bittere woorden waren gevallen, trad eene gesluierde vrouw van eene slanke en edele gestalte plotseling uit den kring van haar, die getuigen van dit gesprek waren geweest, te voorschijn, sloeg stijf vóór de vinnige spreekster den sluier terug en wierp een vlammenden blik op haar.„Aspasia!” riepen sommigen en snel verbreidde zich deze naam verder en er ontstond eene opschudding, die tot in de verste kringen zich voortplantte. De geheeleThesmophoriën-tempelgeraakte in oproer. „Wat is er te doen?” riepen de verst verwijderden. „Is er soms een man binnengeslopen?”„Aspasia!” klonk het antwoord. „Aspasia is hier!”Op dit bericht drongen alle vrouwen zich om haar heen en weldra bevond zich de Milesische in het middelpunt van de geheele vergadering.Zij was gekomen, omgeven van de schaar harer geestverwanten, te midden van welke zij, bovendien gesluierd om niet herkend te worden, voor de oogen der groote menigte tot op dit oogenblik verborgen was gebleven.Door deze geestverwanten werd zij ook nu als door eene lijfwacht omgeven, toen zij met opgerichte gestalte een toornigen blik op de vermetele vestigde.Terwijl Aspasia zoo voor hare vijandin stond, drong eene van hare partij zich voor haar en duwde de andere de volgende hoonende woorden toe:„Gij hebt gelijk! Niet ieder man is voor hoorndrager geboren. Gij moest dat weten! Ik ken u precies! Gij zijtCritylla, die door uw eersten man Xanthias verstooten zijt, omdat hij ontdekte, dat gij in het nachtelijk uur een rendezvous met uw boel voor de deur hadt, bij den laurierboom die het[79]altaar van den stratenbeschermenden Apollo overschaduwt!”—Het gelaat van Critylla werd met een donker rood overtogen en zij maakte aanstalten, om hare vijandin aan te vliegen. Maar zij werd door den aanhang van Aspasia teruggedrongen; daarop sprak deze het volgende:„Deze vrouw heeft mijn echtgenoot gehoond—gehoond alleen daarom, omdat hij de eerste is van alle Atheners, die de waarde der vrouw in zijne gade eert en haar niet tot slavin vernedert. Wanneer mannen als Pericles alleen ter wille van de liefde en de achting die zij hunne vrouwen bewijzen, spot en hoon moeten verdragen, niet alleen uit den mond der mannen, maar zelfs van den kant van het vrouwelijk geslacht, hoe kunt gij dan hopen, dat uwe echtgenooten zullen besluiten het voorbeeld van den edelsten der mannen te volgen?”„Zoo is het inderdaad!” zeiden de vrouwen uit den kring, terwijl zij elkander aanzagen. „Crityllaheeft zich vergrepen, door Pericles en Diagoras te beschimpen. Gaven de Goden, dat alle mannen waren als deze!”„De mannen zijn, zooals gij ze verdient!” vervolgde Aspasia. „Beproeft het maar eens, den onweerstaanbaren invloed, die aan het vrouwelijke geslacht verleend is, te gebruiken! Gij hebt tot heden verwaarloosd die macht in u te ontwikkelen, ja, het schijnt mij, dat gij die niet eens hebt gekend. Uwe slavernij is eene vrijwillige. Gij praalt met den titel van meesteressen des huizes en gij wordt korter gehouden dan slavinnen—want slavinnen mogen toch vrij zich op de straat of op de markt vertoonen. Gij zijt gevangen! Is dat niet zoo?”„Zoo is het inderdaad!” riep eene der vrouwen in den kring. „Mijn man heeft eens, toen hij voor een paar dagen op reis was, mij in het vrouwenvertrek opgesloten en de deuren daarvan met zijncachetverzegeld.”„De mijne,” riep eene andere, „heeft een grooten[80]Molosser-hond gekocht, die aan de deur wacht moet houden, alleen opdat geen minnaar in zijne afwezigheid binnen moge sluipen.”„Niet eens het huishouden is u zonder voorbehoud toevertrouwd,” ging Aspasia voort.„Volkomen waar!” viel weder eene der vrouwen levendig in; „mijn man draagt den sleutel der provisiekamer altijd bij zich.”„Loopen zij niet zelven op de markt, om vleesch en groenten in te koopen?” riep eene tweede.„Ja, zelfs wanneer het oorlogstijd is,” riep eene derde, „en de mannen gewapend loopen, kan men den een of ander van hen geharnast en met het Gorgo-schild aan den arm op de markt om eieren en groenten zien pingelen, of hij brengt te paard pekelvleesch in zijn metalen helm naar huis.”—„En daar zij u niet eens aan den huiselijken haard het gezag hebben gelaten,” sprak Aspasia, het woord weder opvattende, „is het niet te verwonderen, dat zij u nog veel minder veroorloven in openbare aangelegenheden een woord mede te spreken. Komen zij van de Pnyx waar over vrede en oorlog gehandeld is, durft gij het dan in uw hoofd krijgen te vragen, wat daar beslist is?”„Waarachtig niet!” riepen de vrouwen. „Wat raakt het u!” heet het dan. „Blijf bij uw spinnewiel en zwijg!”„En als gij niet zwijgt?”„Dan is het nog erger!”„Mijn man,” zeide eene der vrouwen, „zeurt tot vervelens toe mij die oude, flauwe spreuk voor: het schoonste sieraad der vrouw is stilzwijgen!”„Die kennen we ook, die spreuk! Zij is in den mond van alle mannen!” klonk het in den kring.„Waartoe hebben wij dan eene tong?” vroeg eene van haar en zij voegde er bij: „Soms alleen tot kussen, likken en trekkebekken?”De vrouwen lachten onbeschaamd over die woorden; want zij waren onder elkaar.Aspasia echter ging voort:„Zij willen dat gij onontwikkeld en dom zult[81]zijn; want dan alleen kunnen zij u overheerschen. Van het oogenblik af, waarop gij verstandig en wijs, waarop gij u van de macht bewust wordt, die aan het vrouwelijk geslacht boven het mannelijke gegeven is, van dat oogenblik is het uit met hunne tyrannie. Gij meent reeds alles gedaan te hebben, als gij uw huis rein houdt, als gij uwe kinderen wascht en zoogt, als gij er op let, dat de wol aan uw kleed niet door de mot verteerd en het garen aan den weefstoel niet door de hoenders vernield wordt, en wanneer iemand uwer nog iets wil doen om haar man te behagen, dan meent zij met een crocusgeel kleed en puntschoenen, een doorzichtig oppergewaad en met zalfdoosjes en eenige cinnaber4dit doel te zullen bereiken. Maar alleen in de handen van haar, die ook een weinig geest bezitten, is lichamelijke schoonheid en versiering een voor de mannen gevaarlijk wapen. Waardoor echter kunt gij datgene, wat ik een weinig geest noemde, verwerven, dan door een vrijer verkeer in de wereld, waarvan de mannen als met een ijzeren muur u afsluiten? Het moet u in het vervolg veroorloofd zijn de duffe gemoederen met den instroomenden adem der vrijheid te reinigen en te verfrisschen, de buitenwereld op u te laten werken en, evenals gij de indrukken der wereld en der gebeurtenissen in u opneemt, moet gij wederkeerig in de wereld en het leven invloed uitoefenen met de alles veredelende vrijheid van den ontwikkelden, vrouwelijken geest. De vrouwelijke geest moet met den mannelijken in de wereld zich tot eene vereende kracht verbinden. Dan zal niet alleen het huwelijk en het geheele huiselijke leven hervormd worden, dan zullen de kunsten tot haar schoonsten bloei geraken, dan zal de oorlog en al het ruwe onder de menschen een einde nemen. Laat ons een verbond sluiten, eene vreedzame samenzwering maken en elkander de gelofte afleggen, dat wij met alles wat[82]in ons is, voor het recht van ons geslacht willen strijden, om die macht vrij te ontwikkelen, welke tot onze roeping behoort.”Eene levendige toejuiching begroette deze woorden van Aspasia van den kant van een groot deel der vergadering; toen echter volgde zulk een luid en verward geluid van stemmen, dat men niets duidelijks meer onderscheiden kon, daar de vrouwen onder elkander het onderwerp met heftigheid begonnen te behandelen en allen eensklaps tegelijk spraken. ’t Was alsof een trekkende troep luid snaterende en krijschende vogels zich in den Thesmophoriën-tempel had neergelaten.Eindelijk echter zag men eene spichtige, schoon nog levendige en krachtige gestalte, door den dicht opeen gedrongen hoop met de armen zich baan maken en zich naar het midden van den kring, waar Aspasia stond, heendringen. De witte doek, die haar hoofd omhulde, verborg ook het grootste deel van haar gezicht, zoodat men haar niet aanstonds kon herkennen. Toen zij echter in ’t midden van den kring bleef staan en haar oog met eene boosaardige uitdrukking op Aspasia vestigde, herkende men de scherpe, schier manlijke trekken der fiere zuster van Cimon.Elpinice was gevreesd in geheel Athene, gevreesd door al hare geslachtgenooten. Zij heerschte door de macht harer tong, door hare bijna manlijke wilskracht, door den wijden kring harer relatiën. Daarom ontstond er onmiddellijk een angstig stilzwijgen, toen de zuster van Cimon met de volgende woorden Aspasia te lijf ging:„Met welk recht verstout zich hier de vreemdeling het woord te nemen in den kring van geboren Atheensche vrouwen?”Deze vraag van Elpinice maakte plotseling een diepen indruk, en vele der vrouwen, goedkeurend met het hoofd knikkend, verwonderden zich dat deze gedachte niet terstond bij haar opgekomen was.Elpinice echter vervolgde:„Hoe durft de Milesische het wagen ons de[83]les te willen lezen? Wil zij zich soms met ons op ééne lijn stellen? Is zij met ons opgegroeid? Heeft zij onze zeden, onze gebruiken gevolgd, onze heiligdommen van kindsbeen af met ons vereerd? Wij zijn Atheensche vrouwen; wij hebben op ons achtste jaar het heilige gewaad der Arrhephoren gedragen, wij hebben tien jaar lang het offermeel in den tempel van Artemis gemalen, wij zijn bij het Braurons feest5als bloeiende jonkvrouwen aan die zelfde Godin gewijd, wij hebben als korfdraagsters den feeststoet der Panathenaeën gevolgd. En deze hier? Uit den vreemde is zij gekomen, door geen Goden begeleid, zonder zegen van Goden, eene gelukzoekster, misdadig en geslepen, en nu wil zij zich in onzen kring dringen, omdat zij een Atheensch man zoo heeft weten te begoochelen, dat hij haar tegen wet en zeden in zijn huis heeft opgenomen?”Rustig, maar niet zonder een spottenden glimlach, antwoordde Aspasia:„Gij hebt gelijk! Ik ben niet opgegroeid in de muffe eenzaamheid van een Atheensch vrouwenvertrek; ik heb niet uw Braurons feesten in saffraankleurig rokje medegevierd, ik heb niet bij uwe Panathenaeën eene feestkorf over het hoofd en een snoer van verdroogde vijgen om den hals gedragen, ik heb niet medegehuild op de daken bij uwe Adonis-feesten6. Ik heb hier niet als Atheensche burgeres tot Atheensche burgeressen, ik heb als vrouw tot vrouwen gesproken!”„Mannenverleidster! Goddelooze slang!” riep Elpinice nog heftiger vertoornd uit, „waagt gij het[84]onze tempel te betreden, onze heiligdommen met uwe tegenwoordigheid te ontwijden?”Deze woorden werden met onstuimigheid uitgestooten. De korte haartjes op Elpinice’s bovenlip rezen te berge. De vriendinnen van Elpinice, die zich om haar vereenigd hadden, namen tegenover de Milesische eene dreigende houding aan.Maar ook Aspasia’s geestverwanten schaarden zich nauwer om haar leidsvrouw, bereid om haar te verdedigen. En niet gering was het getal dergenen in den Thesmophoriën-tempel, die nog de partij van Pericles’ gade kozen.Wederom gonsde een verward, levendig rumoer van stemmen en menig heftig woord dreigde een hartstochtelijken strijd der partijen aan te wakkeren.Toen wist de onverschrokken zuster van Cimon zich nogmaals gehoor te verschaffen, om de krachtigste harer troeven uit te spelen.„Denkt aan Telesippe!” riep zij met luider stemme; „herinnert u, hoe deze vreemde gelukzoekster, deze Milesische hetaere eene Atheensche, wettige vrouw van haar haard, van de vrucht van haren schoot, van haar echtgenoot heeft verdrongen! Wie uwer gelooft zich veilig tegen de boeleerkunsten van deze vrouw, als het haar in den zin komt ook de mannen van andere vrouwen te verleiden? Vóór gij luistert naar het gesis van deze slang, herinnert u, dat zij gif in haar mond verbergt!—„Ziet haar ginds,” viel Elpinice zich zelve in de rede, de oogen naar een hoek van den tempel wendend, „ziet ginds Telesippe! Ziet haar in rouw en droefheid verzonken—ziet haar bleek gelaat—ziet hoe haar de tranen langs de kaken rollen alleen bij de herinnering aan hare kinderen!”—De hoofden van alle vrouwen keerden zich om en volgden Elpinice’s blikken, en zij zagen naar de verstooten vrouw van Pericles, die op eenigen afstand stond en bleek van gramschap en spijt naar Aspasia blikte.Elpinice echter ging voort:[85]„Weet gij, wat zij van ons Atheensche vrouwen denkt? Behoef ik het u te zeggen? Heeft zij zelve het u niet gezegd? Zij houdt ons voor dwaas, voor onwetend, voor onervaren, de liefde van een man onwaardig, en genadig wil zij zich vernederen om ons te leeren, zich in haren trots zeker bewust, dat wij toch nooit kunnen worden als zij zelve de schoone, de wijze, en onvergelijkelijke, de alles betooverende Milesische, met wie zelfs de schoonsten van u zich nimmer kunnen meten!”Deze taal van Elpinice had eene ongeloofelijke uitwerking op de geheele vergadering der vrouwen. Veranderd was plotseling de stemming, zelfs in de harten dergenen, die tot nu toe Aspasia genegen waren geweest.Elpinice nam opnieuw het woord:„Weet gij, wat hare vrienden, de trouwe aanhangers van Pericles, van haar zeggen, en wat reeds alle mannen van Athene onder elkander herhalen? Aspasia is de beminnelijkste vrouw van Athene—ja, de eenige beminnelijke vrouw van Athene—naar Milete moet men gaan, zeggen zij, als men schoone en betooverende vrouwen vinden wil!”Bij deze woorden brak de woede der vrouwen en hare met boosaardige sluwheid aangewakkerde gramschap in lichte vlammen uit. Men begon met woest getier, met opgeheven armen op Aspasia los te gaan. Deze echter stond rustig en richtte hare fiere, ongebogen gestalte nog hooger op; zij sprak, bleek van toorn, doch met een blik van onbeschrijfelijke minachting:„Bedaart wat, gij knollen-, peterselie- en komkommerwijven!Bedaartwat, gij appel-, kaas- en boterwijven!—Waarom schreeuwt en tiert gij zoo, waarom dringt gij op mij aan? Denkt gij mij ook nog te krabben en te bijten?”De weinige trouw en moedig gebleven volgelingen van Aspasia wierpen zich tusschen beiden, er ontstond een wild rumoer en bijna eene vechtpartij onder de vrouwen. Eenigen van Elpinice’s[86]partij maakten aanstalten, om Aspasia de oogen met de nagels uit te krabben; anderen trokken de scherpe gespen van hare kleederen en gingen daarmede dreigend op de vijandin los. Deze echter verliet onder de bescherming dergenen, die zich nog dapper om haar schaarden, haastig den Thesmophoriën-tempel.Zóó eindigde de poging van Aspasia om de vrouwen van Athene door den geest te bevrijden.1De Thesmophoriën is een feest, uitsluitend door vrouwen gevierd, ter eere van Demeter (Ceres), als stichtster van het maatschappelijk en burgerlijk leven. Het woord Thesmophoros beteekent: wetten en instellingen gevend; met den naam de beide Thesmophoren worden dan ook Demeter en hare dochter Persephone (Proserpina) aangeduid.↑2De sesamus is een Oostersch peulgewas, uit welks vrucht olie geperst wordt; het zaad wordt als rijst gebruikt. Het gerecht daarvan op de boven beschreven wijze bereid, heet in het Grieksch sesamee of sesamis.↑3Cappadocië is een landschap in het Oosten van Klein-Azië, tusschen de rivieren de Halys en de Euphraat gelegen.↑4Eene roode verfstof: drakenbloed, vermiljoen, in het Grieksch cinnabaris of cinnabari geheeten.↑5Van Ephesischen oorsprong of uit de Chersonesus Taurica is de vereering van Artemis (Diana) te Brauron in Attica, werwaarts Iphigenia de zuster van Orestes haar beeld zou gebracht hebben. Als zoodanig heet Artemis Brauronia of Tauropolos; dit laatste verklaart men „op een stier rijdend” (taurus = stier) of de woeste.↑6Adonis, een schoon jongeling, naar de Grieksche sage, door een everzwijn gedood, was door Aphrodite (Venus) vurig bemind. Op haar verzoek stond Zeus toe, dat Adonis een derde deel van het jaar bij haar mocht verwijlen, het tweede deel bij Persephone in de onderwereld en over het derde zou hij vrije beschikking hebben. Ter zijner eere werden in Juli of in het laatste van de lente de Adonis-feesten vooral door vrouwen gevierd; het feest was tweeledig: eerst een treurfeest, waarin zijn dood beweend, dan een vreugdefeest, waarbij zijn terugkeer tot Aphrodite gevierd werd. In het Oosten werd het meer zinnebeeldig opgevat.↑

XVI.DE VROUWEN OP HET THESMOPHORIËNFEEST1.

„Dat is de schoonheid zelve!” riepen de Atheners, toen Phidias zijn nieuw metalen beeld van Pallas, dat de Lemniërs hem opgedragen hadden, voltooid had, en het voor de eerste maal voor de blikken der Atheners onthulde. Een roep van verbazing en verrassing klonk door geheel Athene.Wat wilde Phidias nu? Zooals hij de Godin in zijn jongste werk had voorgesteld, had geen Griek haar gedacht.Zij was zonder helm en zonder schild. Vrij golfden de krullende lokken om haar fier, maar niet minder liefelijk opgericht gelaat. Wonderschoon was de omtrek van dit gezicht; onvergelijkelijk teeder waren de wangen gevormd. Men meende haar te zien blozen. De beide geheel naakte armen waren, evenals de handen, modellen van den fijnsten en edelsten vorm. De opgeheven arm liet een deel der rechterzijde onbedekt zien, slechts licht plooide zich het gewaad om de heupen en hier als overal liet het de omtrekken der gestalte in volmaakte zuiverheid uitkomen.[60]Zoo eenstemmig de Atheners in den lof der schoonheid van deze nieuwste schepping van Phidias waren, even eenstemmig waren zij in hunne bewering, dat voor deze Pallas, Aspasia den kunstenaar tot model moest gediend hebben.Niet geheel dwaalden zij met deze bewering.Inderdaad, als reeds Theodota het verstond haar lichaam als eene kunstenaarsstof te behandelen, de gedaante van verscheidene Godinnen daarin op verrassende, indrukwekkende wijze voor te stellen voor deze verrichtingen in den dienst der kunst geheel Athene tot getuige had, zoo wist Aspasia dezelfde kunst in nog edeler en verhoogde mate ten toon te spreiden. Maar de eenige getuigen van de ontplooiing dier gaven waren Pericles en Phidias geweest.De ernstige Phidias ging zelfs zoo ver om voor een oogenblik toe te geven, dat de natuur menigmaal het ideaal nabij kon komen.In de Pallas van Aspasia echter had Phidias reeds niet meer de bloote natuur voor oogen. Wat hij daar zag was een schepping der nabootsende kunst, eene vreeselijke gestalte, uit den geest wedergeboren. Aspasia drukte op de natuurlijke stof harer schoonheid met kunstenaarsbewustzijn evengoed een bepaalden stempel, als Phidias naar eene bepaalde, inwendige beschouwing en bedoeling het marmer beitelde.Terwijl Phidias de bekoorlijke lieftalligheid van de schoone en wijze Aspasia in duurzaam metaal vereeuwigde, luisterde hij inderdaad naar de vermaning van Pericles om de wijsheid voor te stellen in het betooverende, alverwinnende gewaad der schoonheid.Reeds Alcamenes had iets nieuws en wonderschoons bereikt, toen hem vergund was, uit de levende bron van Aspasia’s schoonheid te putten. Phidias loste dezelfde vraag op, doch hij loste ze op als aller groote meester, als de verhevene, de onvergelijkelijke.Wat Phidias in zijne laatste Pallas gaf, was[61]Aspasia, maar verheven tot eene zoo reine en bovenmenschelijke hoogte, dat zij te gelijk als een ideaal zich voordeed, als een belichaamde droom der edelste beeldhouwersziel.Toen Socrates dit nieuwe beeldwerk zag, sprak hij op zijne zinrijke wijze:„Uit dit beeld zou de schoone Aspasia evenveel van den meester Phidias kunnen leeren, als de meester Phidias geleerd heeft van de schoone Aspasia.”Zonderling was het, dat de loftuitingen, waarmede de Atheners de Lemnische Pallas van Phidias overlaadden, hem ontstemden en knorrig maakten. Hij hoorde er niet gaarne van spreken. Hij had dit werk wellicht daarom minder lief omdat hij het niet geheel uit zich zelf geschapen had. Hij had, naar het scheen, met eene soort van half onbewusten onwil zich van zijne taak, die hem van buiten af opgedragen was, gekweten, en met wier volbrenging hij alleen zich van eene onrust zocht te bevrijden, die als door eene vreemde betoovering, in hem opgewekt was geworden.Nu scheen hij des te dieper in zich zelven te willen terugkeeren. Stiller en ernstiger dan ooit wandelde hij rond en verloor zich in de beschouwing van een verheven beeld, dat in de verborgen diepte zijner ziel hem tegenstraalde. Hij was weder geheel en al zich zelf geworden. Hij vermeed Aspasia, hij verkeerde nauwelijks meer met Pericles en op een goeden dag verliet hij stil en heimelijk Athene, om naar Elis te gaan, ten einde daar de grootsche gedachten zijner groote ziel teverwezenlijken.De onverzadelijkste en onvermoeidste bewonderaar der Lemnische Pallas bleef Socrates. Hij scheen zijne liefde voor de Milesische op de Godin van Phidias over te willen brengen. De natuurlijke Aspasia kwam hem niet meer volkomen voor, van het oogenblik af, waarop hij haar hooger ideaal in steen belichaamd zag. En toch kon men toen van hem zeggen, dat hij zijn tijd tusschen[62]die Pallas en haar levend model verdeelde. Dagelijks zag men hem zijne schreden naar de woning van Pericles richten, zelfs op gevaar af daar den welsprekenden Protagoras te ontmoeten.Hoe kwam het toch? Wanneer Socrates peinzend en, naar hij meende, zonder doel, door Athene’s straten wandelde, vond hij zich ten laatste onverwachts voor het huis van Pericles. Evenals in eenlabyrinthvan straten, scheen hij eenlabyrinthvan gevoelens te doorkruisen, waar hij geen uitgang vond en dat hem steeds weder op dezelfde plaats terugbracht.Zonder plan derhalve geschiedde het, als Socrates zijne schreden naar die woning richtte. Doch wat deed hij daar, als hij er zijns ondanks gekomen was? Verloor hij zich in huldebetoon? Gaf hij teekenen van een inwendig liefdevuur, dat hem verteerde? Had hij, evenals Protagoras, zich er aan gewend zijne wijsheid uit vreemde oogen te putten? Niets van dat alles. Hij streed met Aspasia. Hij gaf haar fijne zetten. Eens zelfs sprak hij in hare tegenwoordigheid uit—eene uitspraak, die sedert dikwijls herhaald en door de overlevering gewoonlijk aan Pericles is toegeschreven, die haar toch slechts aan Socrates had ontleend—: die vrouw is de beste, over wie men het minst spreekt. Hij zei haar bittere woorden en zelfs wanneer hij haar scheen te vleien, tintelde hij van die fijne ironie, die een kenmerk van zijn spreektrant uitmaakte.En Aspasia? Zij scheen des te zachter, vredelievender, beminnelijker en innemender, naarmate Socrates zijne vrijmoedige luim meer den vrijen teugel gaf. En omgekeerd: hoe zachter en verleidelijker Aspasia was, des te ontevredener en stuurscher werd de wijze Socrates.Wat wilden zij van elkander, deze beide zonderlingen? Streden zij samen den overouden, hardnekkigen tweestrijd der wijsheid en der schoonheid? Die zonderlinge strijd werd vooral gevoerd sinds de woordenwisseling, welke Socrates met[63]Protagoras in tegenwoordigheid van Pericles en Aspasia gehouden had.Aspasia deed het voorkomen dat zij geloofde dat Socrates ter wille van zijn lieveling Alcibiades het huis van Pericles bezocht. Zij ging in hare ondeugenden luim zoo ver, dat zij verzen tot hem richtte, waarin zij hem als aan een minnaar raad gaf. Socrates nam dat alles glimlachend op, zonder de minste gemelijkheid, of eene poging om zijne moedwillige vriendin te loochenstraffen. Hij toonde ook nooit, dat de schoone knaap, die nog steeds met eene bijna teedere liefde hem aanhing, hem te veel was. Tegenover den knaap was hij open, opgeruimd, vriendelijk, vertrouwelijk, zonder een spoor van die grilligheid en ironie, waarmede hij goedvond de vriendelijkste bejegening van de schoonste aller Helleensche vrouwen te beantwoorden.Talrijke gesprekken voerde Aspasia nog altijd met den vrouwenhater Euripides, die als treurspeldichter thans tot grootere beroemdheid geraakte. Zijne ernstige, bespiegelende Muze vond weerklank en hij werd weldra de lievelingsdichter van een tijdvak, dat zich van de onmiddellijke en naïeve beschouwing der zaken meer en meer tot eene ideale en verhevene opvatting gedreven gevoelde. Hij had rijke ervaring opgedaan en zoo vloeide zijn mond altijd over van hetgeen hij in zijn geest had doorleefd. Daarbij had hij een scherp, fier karakter, dat hem open en vrijmoedig deed uitspreken, wat hij dacht. Hij gaf niemand iets toe, zelfs niet aan het Atheensche volk, ’t geen ieder meende te moeten vleien. Toen men eens een zijner verzen uitfloot, welks inhoud het Atheensche volk niet beviel, trad hij op het tooneel om zich te verdedigen, en toen men hem toeriep, dat men dit vers niet wilde dulden, antwoordde hij, dat de dichter de onderwijzer van het volk was en niet het volk de onderwijzer van den dichter.Hij vleide ook Aspasia niet, en niemand zou het gewaagd hebben op den toon, dien hij aansloeg,[64]met haar over de vrouwen te spreken.Hij had zijne eerste vrouw verstooten en eene andere genomen: een feit, dat Aspasia, zooals vermeld wordt, in een brief aan Pericles met sluw overleg als een voorbeeld van mannelijken moed geprezen had.Op een goeden dag kwam Aspasia met Euripides toevallig over deze zaak te spreken, in tegenwoordigheid van haar echtgenoot en Socrates. Nadat zij hem opnieuw over zijn moedig besluit had geprezen, vroeg zij hem naar zijne nieuwe gade.„Zij is het tegendeel van de eerste,” antwoordde Euripides wrevelig, „maar daarom niet beter: zij heeft alleen de tegenovergestelde gebreken. De eerste was een domme, maar eerlijke ziel, die mij met eene huisbakken soort van liefde lastig viel; deze is een behaagzieke, die door lichtzinnigheid en grilligheid mij tot vertwijfeling brengt. Ik ben van den regen in den drop gekomen. Ik ben een ongelukskind en al het bittere geven mij de Goden achtereenvolgens te smaken.”„Ik hoorde van uwe vrouw zeggen,” hernam Aspasia, „dat zij schoon en beminnelijk is.”—„Ja wel, voor iedereen,” zei Euripides, „behalve voor mij. Zij zou het natuurlijk ook voor mij zijn, als ik besluiten kon hare slechte eigenschappen als even zoovele deugden te beschouwen.”—„Welke zijn dan die slechte eigenschappen, die gij haar toekent?” vroeg Aspasia.„Zij verwaarloost het huishouden,” antwoordde Euripides: „het garen aan den weefstoel vernielen de hoenders. Zij danst en houdt feestmalen bij hare vriendinnen; zij heeft de onfatsoenlijkheid aan de huisdeur te staan en op straat te gluren.”„Is dat alles?” vroeg Aspasia.„Neen!” antwoordde de dichter. „Zij is wispelturig, zij is luimig, zij is ontrouw, zij is leugenachtig, zij is volveinzerij, zij is valsch, zij is boosaardig, zij is nukkig, zij is onbillijk, zij is wreed, zij is wraakgierig, zij is nijdig, zij is eigenzinnig, zij is bijgeloovig, zij is dwaas, zij is sluw, zij is[65]babbelziek, zij is jaloersch, zij is ijdel, zij is behaagziek, zij is gewetenloos, zij is ongevoelig, zij is zielloos …”„Houd op!” viel hem Aspasia in de rede. „Het zou u zwaar vallen, dit alles afzonderlijk te bewijzen.”„Dit alles en nog meer!” hernam Euripides.„Wellicht betoont ge uwe vrouw te weinig liefde,” bracht Aspasia in ’t midden, „en maakt gij haar daardoor van u afkeerig!”„Ja, waarlijk!” riep Euripides met een hoonenden lach; „als men de vrouwen hoort, ontbreekt het den mannen altijd aan liefde. „Gij hebt geen hart, mijn vriend!” zei de adder tot den geitebok. Juisthettegendeel is waar! Ik zeg u, mijn ongeluk komt daar vandaan, dat ik mijne vrouw niet zoo behandel, als de meeste Atheners hunne vrouwen behandelen; dat ik mij te veel door haar laat beheerschen, dat ik mij door haar laat kwellen. Want mak als lammeren zijn de vrouwen, zoolang men ze kort houdt; doch aanstonds worden ze overmoedig, als men haar aanleiding geeft tot de meening, dat zij onmisbaar zijn. Ja, er is maar één enkel middel, om zich van eene vrouw, van haar hart, van hare liefde, van hare hoogachting, van hare toewijding te verzekeren: dit middel bestaat hierin, dat men haarverwaarloost. Wee den man, die zijne vrouw laat merken, dat hij haar niet missen kan! Zij zal hem den voet op den nek zetten. Eene vrouw lief te hebben is den boozen daemon in haar op te wekken. Wie echter zijne vrouw met eene vriendelijke koelheid te gemoet treedt en overigens zijn eigen weg gaat, wie haar bewijst, dat hij haar missen kan, die wordt gevleid en geliefkoosd, die wordt de wang gestreeld, die wordt de hand op den schouder gelegd met de vraag: „Wat zal mijn lief mannetje van avond eten?” die wordt vereerd als „de steun en heer des huizes en der familie,” hem wordt roerend dank betuigd voor iedere kruimel van genade, die hij laat vallen. Toonde echter dezelfde man zich teeder[66]en verliefd, dan zou hij haar binnen acht dagen vervelend toeschijnen, in een maand was hij veracht en in een jaar dood gekweld.”Glimlachend hoorden Pericles en Aspasia deze op gramstorigen toon uitgebrachte ontboezeming aan. Euripides echter vervolgde met gelijken wrevelen ernst en nadruk:„De Parce van de man is de vrouw. Zij is het, die zijne levensdraden spint—zwarte of gouden.”Pericles schrikte schier bij deze laatste woorden. Aspasia glimlachte.„Ik kan niet gelooven,” zeide Pericles, „dat de man in ’t algemeen zoo afhankelijk is van de vrouw.”„Hij zal het worden, als hij het nog niet is,” hernam Euripides. „Ik voorspel de toekomst. De macht der vrouw is schrikbarend aan het toenemen. Verstaat gij de dichters en beeldhouwers niet, die sedert overoude tijden het fabelachtige beeld der Sphinx hebben voorgesteld, eene raadselachtige vrouw, met zachten boezem doch scherpe klauwen? De Sphinx is de vrouw. Het verleidelijke schoone gelaat, den verleidelijk zachten boezem houdt zij ons voor, het overige echter van het lichaam is een dier met tijgerpooten en moorddadige klauwen.”„Zult gij het vrouwelijk geslacht niet overmoedig maken,” zei Aspasia, „als gij haar karakter door zulke vergelijkingen den stempel van het grootsche verleent?”„Grootsche misdaden,” hernam Euripides, „van een man kunnen bewondering wekken; eene vrouw met groote ondeugden boezemt altijd afschuw in. Want de misdaden van den man kunnen soms uit eene overmaat van op zichzelf roemrijke eigenschappen voortspruiten; de ondeugden eener vrouw echter komen altijd voort uit eene kleingeestige, tot eene overmaat gedreven zwakheid.”„En toch zien wij de vrouwen met deze kleingeestige zwakheden triomfeeren!” zeide Aspasia.„Niet voor altijd!” voerde Euripides haar tegemoet.[67]„De dag der wrake komt, die, met de vlammen van een gezonden en rechtmatigen hartstocht, de woeste flikkering van eene ziekelijke en zwakke neiging zal uitblusschen. Slechts zoolang wij mannen ons zwak toonen, zijn de vrouwen sterk. De vrouw is eene Sphinx; ja zeker! Doch men behoeft haar slechts de klauwen af te snijden, om haar onschadelijk te maken. Met onafgesneden klauwen is zij eene tijgerin; met afgesneden klauwen niets meer dan eene kat. Onze vaderen hebben goed gedaan, dat zij de vrouwen kort hielden. Wij mannen van dezen tijd zijn te weekelijk—ik zelf behoor tot dat getal—wij laten de vrouwen de klauwen groeien. Dat is niet goed …”Het voorhoofd van Aspasia rimpelde zich een weinig, toen de vergramde dichter deze woorden met krachtige stem uitstiet. Socrates bemerkte het en zeide:„Vergeet niet, mijn waarde, dat gij tot Aspasia spreekt.”„TotAspasia,” hernam Euripides, snel gevat, „maar nietvanAspasia. Ik spreek over de vrouwen. Aspasia is eene vrouw, maar de vrouwen zijn geen Aspasia’s …”Socrates liet het, zooals gemeld is, in zijne gesprekken met Pericles’ gade niet aan scherpe woorden ontbreken. Maar nooit was hij in den toon van Euripides vervallen. Wij gevoelen ons echter verplicht te zeggen, dat Euripides in zijne gesprekken met Aspasia het geheele vrouwelijke geslacht hoonde en onrecht aandeed, doch steeds Aspasia zelve met bereidwillige hoffelijkheid daarvan uitzonderde; terwijl Socrates omgekeerd zijne pijlen steeds alleen tegen de persoon van Aspasia afschoot, het geheele geslacht echter gaarne verdedigde.En zoo nam hij dan ook nu het schoone geslacht in bescherming tegenover den vrouwenhater Euripides, terwijl hij zeide:„Het komt mij een zonderling, maar onomstootelijk[68]feit voor, dat ieder man, als hij van de vrouw in het algemeen spreekt, toch altijd slechts zijne eigene op het oog heeft. Men moest alzoo, dunkt mij, alleen aan zulke mannen toestaan om over de vrouwen in het algemeen te spreken, die niet getrouwd zijn. Ik beroem mij een van die laatstgenoemden te zijn; en hoe verre mijn vriend Euripides in andere wijsheid mij achter zich moge laten, heb ik, omdat hij getrouwd is, het voordeel van grootere onpartijdigheid op hem vooruit. Daar voorts Pericles ook gehuwd en Aspasia zelve eene vrouw is, ben ik hier de eenige, die geroepen schijnt de partij op te nemen voor het door Euripides zoo fel gehoond geslacht. Mij ontbreekt het wel is waar aan welsprekendheid en ik zou Protagoras gaarne hier wenschen: deze zou niet in gebreke blijven ons de vrouw te prijzen als de schenkster der zoetste vreugde, als de bereidster van het schoonst geluk, als de beschermster van den goddelijken schat der schoonheid en van het genot op aarde, als de troosteres van den man, als de artsenij zijner kwalen. „Welk een pronkstuk,” zou hij uitroepen, „is eene schoone vrouw! Met ieder atoom harer persoonlijkheid verrukt zij. Geluk en zaligheid stralen uit van haar wezen …” Zoo zou Protagoras spreken. Euripides daarentegen beweert: de vrouwen zijn Sphinxen, zij hebben een bekoorlijk gelaat en een zachten boezem, doch scherpe klauwen. Zou het niet geoorloofd zijn omgekeerd te zeggen: de vrouwen hebben wel is waar scherpe klauwen, maar een bekoorlijk gelaat? Waarom zou men den grootsten nadruk niet liever op het goede der vrouwen, dan op het kwade leggen?—„Men moet haar de klauwen afsnijden,” zegt Euripides. Maar zou haar dit, behalve de mogelijkheid om te schaden, ook hare vijandelijke gezindheid ontnemen? Zou het niet veel practischer zijn, rechtstreeks op de verbetering harer gezindheden te werken? De klauwen worden dan van zelf onschadelijk. Hoevele deugden kan eene vrouw niet[69]ontwikkelen! Hoevele zegeningen weet zij niet om zich te verspreiden! Niet alleen door hetgeen, wat zij uitvoert of zegt of doet, maar reeds door hetgeen, wat zij is. De natuurlijke kampioenen van het schoone zijn de vrouwen: doch daar zij elke zaak, waarvoor zij strijden, doen triomfeeren—hoe heerlijk zou het zijn, als wij haar ook tot kampioenen van het goede en het ware konden winnen? Zoolang het licht van eene hoogere opvatting het hoofd der vrouwen niet verheldert, volgen zij natuurlijk alleen de aandrift van haren physischen aanleg, en deze aandriften zijn altijd ruw en baatzuchtig. Wellicht zullen de mannen in de toekomst er naar streven, om de vrouwen, door eigene overweging in plaats van slavinnen van onbestemde natuurdriften te zijn, tot priesteressen van het schoone en het goede te maken!”„Ja, dat ontbrak er nog maar aan, dat de slangen vleugels kregen!” riep Euripides met een spottenden lach. „Niet te verwonderen is het overigens,” ging hij voort, „dat deze hoop op verbetering der vrouwen uitgesproken wordt door een man, die in ’t algemeen alle menschelijk geluk van het verstand en van heldere begrippen verwacht. Ik zeg u echter, dat de waarde en de adel der vrouw niet in de ontwikkeling van haar verstand, maar in de ontwikkeling van haar hart, van haar gevoel berust!”„Dat kan wel zijn,” hernam Socrates, „maar nu doet zich de vraag op, of het hart en zijne gewaarwording ooit door zichzelf kan gevormd worden, dan wel of daartoe niet de invloed van een tot op zekere hoogte ontwikkeld verstand gevorderd wordt?”—Pericles drukte zijne ingenomenheid met Socrates’ woorden uit. Aspasia zweeg en toonde terstond minder belangstelling; want hoezeer ook enkele punten, die Socrates had aangeroerd, met hare eigene meening overeenstemden, kwam het haar toch voor, als had de droomer onder het masker zijner bescheidenheid zich durven vermeten, haar[70]een lesje te geven. Voor eene bevrijding van den geest, voor eene veredeling van haar geslacht te werken, was immers sinds lang haar streven geweest.Had zij niet openlijk zich zelve en haren vrienden op de Acropolis de gelofte gedaan, dit doel met alle krachten te bevorderen, nadat zij de gade van Pericles geworden was?Zij had woord gehouden. Het leven en de positie der vrouwen geheel en al te herscheppen was sinds dien tijd haar moedig pogen.Om dit doel echter te bereiken, had zij moeten trachten invloed te krijgen op de vrouwen van Athene, de rol van zuurdeeg moeten vervullen bij deze trage massa, degenen, die haar dwarsboomden, verzoenen, ze tot aanhangsters, leerlingen, vriendinnen moeten maken.Pericles had hare bedoelingen gesteund: want hij beminde haar. Hij verschafte haar gaarne elk soort van genoegen. Hij leidde haar, wanneer deze uitdrukking veroorloofd is, in de Atheensche kringen binnen. De Atheensche vrouwen waren van het gezelschap der mannen uitgesloten; maar zij hielden een vrij druk verkeer onder elkander. Schijnbaar argeloos mengde Aspasia zich in dit verkeer.Onder de schoone en waarlijk verstandige vrouwen, wien het gegeven is, de mannen in hare netten te lokken, worden er aangetroffen, wien het bovendien verleend is, trots den nijd, den haat, de ijverzucht, die zij opwekken, toch ook personen van haar eigen geslacht aan te trekken en voor zich in te nemen. Zooals van zelf spreekt, bereikten zij dit niet door overmatige vriendelijkheid en lieftalligheid of door praatjes en opgedrongen beleefdheden, maar door den eenvoud, waarmede zij den gevaarlijken glans harer voorrechten vrijwillig schijnen te temperen, en door de nauwkeurigste kennis der eigenaardigheden en grillen van haar, die zij voor zich willen winnen. Aspasia zocht vertrouwen in te boezemen; ongelijk aan de onverstandigen van hare sekse, wist zij, dat eene schoone vrouw in de meeste gevallen het zekerst[71]door een verstandig, rustig, kalm, waardig gedrag zoowel mannen als vrouwen inneemt. Zij richtte haar streven in de eerste plaats daarop, dat men gedwongen werd haar te achten; beminnelijk te schijnen zou dan vanzelf het geval zijn.Eerst nadat Aspasia door zulk eene houding, die bij haar volstrekt niet gemaakt maar eene zaak van haar vrouwelijke natuur was, den bodem voor hare ondernemingen had voorbereid, was zij met hare bedoelingen en plannen meer openlijk voor den dag gekomen.Na eenigen tijd waren de Atheensche vrouwen tegenover de gade van Pericles in een tal van partijen verdeeld.Er waren onverzoenlijken, die haar haatten en die met alle middelen van vrouwelijke vijandelijkheid zich openlijk en in het geheim tegen haar verzetten. Er waren er, die Aspasia eene soort van persoonlijke genegenheid niet weigerden, maar van meening waren, dat hare plannen te vermetel en onbepaald waren; er waren anderen, die wel is waar de persoon van Aspasia met afgunstige oogen beschouwden, doch door een innerlijken drang gedreven werden, om haar voetspoor te volgen en in vele opzichten te doen als zij. Doch er waren er ook, die zich geheel en al door Aspasia hadden laten overtuigen en winnen, doch die niet alleen den moed bezaten zich openlijk met hare leidsvrouw te verbinden tot een strijd voor de vertrapte rechten der vrouw.Tot de onverzoenlijkste en nog steedsgevaarlijkstevijandinnen van Aspasia behoorden, zooals licht te begrijpen is, de verstooten gemalin van Pericles en de zuster van Cimon.Deze laatste was gewoon als ’t ware boek te houden van het leven en de handelingen van Aspasia; zij vorschte uit en verbreidde wat Aspasia tot andere vrouwen sprak en niet zelden geschiedde het, dat deze woorden verdraaid van mond tot mond gingen, om de gemoederen der Atheners tegen de gade van Pericles op te hitsen.[72]Zoo geschiedde het op zekeren dag, dat Aspasia met eene pas gehuwde vrouw zich in tegenwoordigheid van haar echtgenoot onderhield. Het jeugdige paar verlangde van haar te vernemen, waarop het zekere geluk der liefde en van den echt berustte.Aspasia voelde den lust in zich opkomen, om eens den Socratischen redeneertrant te beproeven.„Wanneer uwe buurvrouw,” zeide zij tot de jonge vrouw, „een schooner kleed heeft dan gij, welk zoudt gij verkiezen: het uwe of het hare?”„Het hare,” antwoordde de jonge vrouw.„En wanneer uwe buurvrouw schooner kleinoodiën bezit dan gij,” vervolgde Aspasia, „aan welke zoudt gij de voorkeur geven?”„Aan de hare natuurlijk,” hernam de jonge vrouw.„En wanneer zij een beteren man heeft dan gij, aan welken zoudt gij de voorkeur geven, den uwen of dien van haar?”De jonge vrouw bloosde over deze onverwachte, verbijsterende vraag. Aspasia echter zei glimlachend:„In den natuurlijken loop der dingen zal de vrouw den beteren man, de man de betere vrouw voortrekken. Mij schijnt dus de zekerste waarborg voor het geluk in de liefde en den echt, dat de man trachte in ’t oog zijner vrouw de beste aller mannen, de vrouw wederkeerig in ’t oog van haar man de beste aller vrouwen te zijn.Velenvorderen van anderen de liefde als een plicht, wat zeer onbillijk is. Men moet ze trachten te verdienen en er naar streven ze voortdurend levendig te houden.”Wat Aspasia met deze woorden het jonge paar te denken gaf, was zeker niet zonder gezonden zin. Doch hoe werden zij niet verwrongen in den mond van Elpinice en consorten? Het onderhoud van Aspasia met het jonge echtpaar maakte eenige dagen lang bij de Atheners de ronde. Maar men vertelde niet, dat Aspasia als eenigen waarborg voor[73]onwankelbaar echtgeluk verklaard had, dat de man zijne vrouw voor de beminnelijkste aller vrouwen, de vrouw haar man voor den besten aller mannen moest houden; neen, men zeide, dat Aspasia de jonge Hipparchia in tegenwoordigheid van haar gemaal had opgezet, aan een vreemden man boven haar eigen echtgenoot de voorkeur te geven, als geene haar beter beviel.Aspasia besloot de Socratische methoden in hare gesprekken in het vervolg te laten varen en nog zorgvuldiger dan vroeger er op te letten, met welk soort van personen zij zich onderhield. De vijandinnen van Aspasia gingen echter zoover, dat zij opzettelijk met haar gesprekken aanknoopten, om haar onder den schijn van genegenheid uitspraken te ontlokken, die haar in de achting der Atheners zouden kunnen doen dalen. Aspasia doorzag zulk een plan gemakkelijk en wist de aanslagen dezer vijandinnen soms op eene wijze te verijdelen, die haar, behalve de voldoening haar doel bereikt te hebben, nog eene soort van vermakelijk genot verschafte.Zoo drong zich op een goeden dageenzekere Clitagora met geveinsde bewondering aan haar op. Aspasia echter wist, dat Clitagora tot de clique van Telesippe en de zuster van Cimon behoorde.Zij stelde Aspasia de vraag voor, door welke kunsten eene vrouw haar echtgenoot het best aan zich zou kunnen boeien?„De krachtigste van alle kunsten, waardoor eene sluwe vrouw den argeloozen echtgenoot aan zich en aan den huiselijken haard boeien kan,” hernam Aspasia met gewichtig gelaat, „is de kookkunst. Mij is eene vrouw bekend, die als eene Godin door haar man wordt vereerd, alleen om de lekkernijen, die zij hem dagelijks voorzet. Haar meesterstuk is de zachte en lichte sesamee2, die zij uitsesamusmeelmet honig en olie in de pan gereed[74]maakt. Zij neemt gepelde gerst, stampt ze fijn in een vijzel, schudt het meel in een pot, giet er olie bij, roert deze brij, terwijl zij langzaam kookt, bestendig om, besproeit ze van tijd tot tijd met bouillon van hoenders of geiten- en lamsvleesch, ziet toe dat zij niet overkookt en wanneer ze gaar is, laat zij ze opdragen. Ook hare hazenpasteien van bastaardnachtegaals en andere kleine vogels zijn voortreffelijk. Welk man zou zich aan de verleiding van zulke dingen kunnen onttrekken? Er zijn ook mannen, die met de zoogenaamde Cappadocische3koeken dweepen. Men kneedt ze het best met honig, snijdt het deeg in dunne platen, die, als ze de pan maar ruiken, oprollen. Deze rolletjes worden dan in wijn gedoopt en moeten geheel heet op tafel komen.”Op die wijze ging Aspasia voort de regels van eene lekkere keuken uiteen te zetten tot verbazing van een deel harer toehoorderessen en tot ergernis van een ander deel, dat in deze uitweidingen niets vond, wat dienen kon, om Aspasia in de openbare meening te schaden en den roep van hare lichtzinnigheid of hare gevaarlijke beginselen te bewijzen.De onaangename tegenstand, die de pogingen van Aspasia in de vrouwenwereld van Athene voor een deel ondervonden deed haar des te liever de gelegenheid aangrijpen, die zich voordeed, om een paar verweesde dochtertjes van haar oudere, te Milete gestorven zuster bij zich aan huis te nemen. In deze teedere, doch gunstig begaafde en ontwikkelde meisjes, Drosis en Prasina geheeten, van welk de eene vijftien jaar en de ander slechts een jaar telde, geloofde Aspasia geschikte voorwerpen te vinden voor de verwezenlijking harer gedachten over de vorming van de Helleensche vrouw tot geestelijke en persoonlijke vrijheid. Men mocht gelooven, dat zij eens de school, waaruit zij kwamen, eer zouden aandoen en de zaak van Aspasia,[75]die tegelijk de zaak van het geheele vrouwelijke geslacht was, tot overwinning zou helpen voeren.Intusschen, Aspasia was ongeduldig; zij was zeer geneigd om ver reikende plannen op te vatten, die natuurlijk eerst langzaam konden rijpen, doch zij wenschte die door koene, snelwerkende maatregelen te bereiken.Zulk een doortastenden maatregel nu beproefde zij om de teugels der heerschappij over haar geslacht te Athene zoo mogelijk in eens in hare macht te brengen.Onder de talrijke godsdienstige feesten der Atheners was er ook een, dat uitsluitend door vrouwen gevierd werd en dat op strenge straffe geen man bij mocht wonen. Dit was het Thesmophoriën-feest; ter eere van Demeter, die niet alleen als de Godin van den akkerbouw, maar ook als die van den echt werd vereerd, wegens de verwantschap, die de begrippen van zaaien en voortbrengen, oogst en geboorte samen verbindt.De heilige gebruiken van dit feest werden niet aan bepaalde priesteressen opgelegd, maar aan vrouwen, die telkens uit de verschillende stammen werden gekozen. Een zekeren tijd van te voren moesten de vrouwen door onthouding zich tot de deelneming aan dit feest voorbereiden. Zij sliepen op kruiden, welke men de kracht toeschreef het bloed te verkoelen en de onthouding gemakkelijker te maken. Tot deze behoorden de kuischlamstruik en een zekere soort van netels. De viering zelve bestond in feestelijke omgangen, in vergaderingen in den Thesmophoriën-tempel, benevens in overgeleverde gebruiken, waaronder ernst en scherts en plagerijen elkander afwisselden.Vier dagen lang duurde het feest. Op den eersten dag ging men naar het kustplaatsje Halimus en vierde in een zich daar bevindende tempel van Demeter zekere mysteriën. Op den tweeden dag keerde men naar Athene terug; op den derden waren de vrouwen van het krieken van den dag tot aan den avond in den Thesmophoriën-tempel[76]vergaderd. Demeter en Persephone en andere Godheden werden aangeroepen en haar ter eere dansen uitgevoerd. In de pauzen zaten de vrouwen op kuischlam en andere kruiden, zooeven vermeld, en onderhielden zich met gesprekken en plagerijen, die bij deze gelegenheid gebruikelijk waren. Zij nuttigden gedurende haar verblijf in den tempel geen spijs, maar stelden zich voor deze onthouding schadeloos door het heerlijke offermaal, waarmede den volgenden dag de geheele plechtigheid besloten werd.Men denke zich de vrouwen van Athene, doorgaans opgesloten in de enge omgeving van haren huiselijken kring, onder de oogen harer mannen, en nu vier dagen lang met strenge uitsluiting der mannen aan zich zelven overgelaten, tot eene geweldige schaar vereenigd, feestelijke omgangen houdend, vervolgens in een tempel verzameld, met dansen en heilige gebruiken bezig, op heilige kruiden zittend en babbelend naar hartelust—men denke zich deze snaterende vrouwenvergadering en men zal licht inzien, dat zij wel geschikt was niet alleen de vrouwelijke tongen, maar met de tong tevens den vrouwelijken geest los te maken en hem tegen de oudvaderlijke beperkingen in beweging te brengen.Dit Thesmophoriën-feest nu was teruggekeerd.Wederom zaten de vrouwen van Athene in de pauzen tusschen de dansen en de feestzangen te babbelen op kuischlam in denThesmophoriën-tempel. Wederom snaterden de stemmen luid en zacht door elkander. Waarover werd al niet in de verschillende groepen der vrouwen, die op den grond zaten, gesproken! Dezen onderhielden zich over de slechte gewoonten harer mannen, genen over de ondeugden harer slavinnen of klaagden er over, dat de kinderen van den tegenwoordigen tijd veel lastiger en uitgelatener waren dan in vroegere tijden: sommigen kibbelden over de beste manier om sesamus-koeken klaar te maken; anderen vertelden elkander van toovermiddelen, om in het[77]kraambed te gebruiken, of deelden jongere lotgenooten raadgevingen mede over het bereiden van liefdedranken; er waren er zelfs, die elkander heimelijk in het oor fluisterden, hoe men zwangerschap huichelen en ter wille van den echtgenoot een ander kind kon onderschuiven. Sommigen verhaalden elkander spookgeschiedenissen of verhalen van Thessalische heksen of sprookjes of de nieuwste familiegeheimen van deze of gene vriendin. Nog anderen spraken over Aspasia en dit gesprek werd allengs het levendigste, dat in den tempel gevoerd werd.„Aspasia heeft gelijk,” zeide eene jonge, wakkere vrouw, wier frisch uiterlijk gunstig tegen de verwelkte en geblankette gezichten der meesten rondom haar uitkwam.„Aspasia heeft gelijk, wij moeten de mannen dwingen ons zoo te behandelen, als Pericles Aspasia doet.”„Dat willen wij!” riepen eenige aanhangsters der Milesische. „Wij moeten hen dwingen het huiselijk en het echtelijk leven met ons zoo in te richten als Pericles met Aspasia doet.”„Ik heb met mijn man reeds een begin gemaakt,” riep eene levendige, kleine vrouw, Chariclea geheeten. „Mijn Diagoras heeft er zich reeds aan gewend, mij telkens als hij thuis komt en uitgaat, een zoen te geven, evenals met Pericles en Aspasia het geval is.”„Ontvangt gij ook bezoeken van wijsgeeren en dient gij beeldhouwers ook tot model?” vroeg op spottenden toon eene van die vrouwen, wier wangen het meest verlept en geblanket waren.„Waarom zouden Aspasia en Chariclea het niet doen, als hare mannen het toestaan?” riep eene andere der vrouwen. „Ook wij zullen het doen en onze mannen dwingen het goed te vinden.”„Niet ieder man is tot hoorndrager geboren!” zei de eerste spreekster met een boosaardigen lach.„Wilt gij beweren,” riep Chariclea toornig, terwijl zij zich voor die vrouw plaatste, met hare[78]handen in de zijde, „wilt gij beweren, dat ik mijn man tot een hoorndrager maak?”„Nog zal ik het van u niet zeggen,” hernam gene, „maar uweleermeesteresAspasia zal u dit wellicht nog leeren!”Toen deze bittere woorden waren gevallen, trad eene gesluierde vrouw van eene slanke en edele gestalte plotseling uit den kring van haar, die getuigen van dit gesprek waren geweest, te voorschijn, sloeg stijf vóór de vinnige spreekster den sluier terug en wierp een vlammenden blik op haar.„Aspasia!” riepen sommigen en snel verbreidde zich deze naam verder en er ontstond eene opschudding, die tot in de verste kringen zich voortplantte. De geheeleThesmophoriën-tempelgeraakte in oproer. „Wat is er te doen?” riepen de verst verwijderden. „Is er soms een man binnengeslopen?”„Aspasia!” klonk het antwoord. „Aspasia is hier!”Op dit bericht drongen alle vrouwen zich om haar heen en weldra bevond zich de Milesische in het middelpunt van de geheele vergadering.Zij was gekomen, omgeven van de schaar harer geestverwanten, te midden van welke zij, bovendien gesluierd om niet herkend te worden, voor de oogen der groote menigte tot op dit oogenblik verborgen was gebleven.Door deze geestverwanten werd zij ook nu als door eene lijfwacht omgeven, toen zij met opgerichte gestalte een toornigen blik op de vermetele vestigde.Terwijl Aspasia zoo voor hare vijandin stond, drong eene van hare partij zich voor haar en duwde de andere de volgende hoonende woorden toe:„Gij hebt gelijk! Niet ieder man is voor hoorndrager geboren. Gij moest dat weten! Ik ken u precies! Gij zijtCritylla, die door uw eersten man Xanthias verstooten zijt, omdat hij ontdekte, dat gij in het nachtelijk uur een rendezvous met uw boel voor de deur hadt, bij den laurierboom die het[79]altaar van den stratenbeschermenden Apollo overschaduwt!”—Het gelaat van Critylla werd met een donker rood overtogen en zij maakte aanstalten, om hare vijandin aan te vliegen. Maar zij werd door den aanhang van Aspasia teruggedrongen; daarop sprak deze het volgende:„Deze vrouw heeft mijn echtgenoot gehoond—gehoond alleen daarom, omdat hij de eerste is van alle Atheners, die de waarde der vrouw in zijne gade eert en haar niet tot slavin vernedert. Wanneer mannen als Pericles alleen ter wille van de liefde en de achting die zij hunne vrouwen bewijzen, spot en hoon moeten verdragen, niet alleen uit den mond der mannen, maar zelfs van den kant van het vrouwelijk geslacht, hoe kunt gij dan hopen, dat uwe echtgenooten zullen besluiten het voorbeeld van den edelsten der mannen te volgen?”„Zoo is het inderdaad!” zeiden de vrouwen uit den kring, terwijl zij elkander aanzagen. „Crityllaheeft zich vergrepen, door Pericles en Diagoras te beschimpen. Gaven de Goden, dat alle mannen waren als deze!”„De mannen zijn, zooals gij ze verdient!” vervolgde Aspasia. „Beproeft het maar eens, den onweerstaanbaren invloed, die aan het vrouwelijke geslacht verleend is, te gebruiken! Gij hebt tot heden verwaarloosd die macht in u te ontwikkelen, ja, het schijnt mij, dat gij die niet eens hebt gekend. Uwe slavernij is eene vrijwillige. Gij praalt met den titel van meesteressen des huizes en gij wordt korter gehouden dan slavinnen—want slavinnen mogen toch vrij zich op de straat of op de markt vertoonen. Gij zijt gevangen! Is dat niet zoo?”„Zoo is het inderdaad!” riep eene der vrouwen in den kring. „Mijn man heeft eens, toen hij voor een paar dagen op reis was, mij in het vrouwenvertrek opgesloten en de deuren daarvan met zijncachetverzegeld.”„De mijne,” riep eene andere, „heeft een grooten[80]Molosser-hond gekocht, die aan de deur wacht moet houden, alleen opdat geen minnaar in zijne afwezigheid binnen moge sluipen.”„Niet eens het huishouden is u zonder voorbehoud toevertrouwd,” ging Aspasia voort.„Volkomen waar!” viel weder eene der vrouwen levendig in; „mijn man draagt den sleutel der provisiekamer altijd bij zich.”„Loopen zij niet zelven op de markt, om vleesch en groenten in te koopen?” riep eene tweede.„Ja, zelfs wanneer het oorlogstijd is,” riep eene derde, „en de mannen gewapend loopen, kan men den een of ander van hen geharnast en met het Gorgo-schild aan den arm op de markt om eieren en groenten zien pingelen, of hij brengt te paard pekelvleesch in zijn metalen helm naar huis.”—„En daar zij u niet eens aan den huiselijken haard het gezag hebben gelaten,” sprak Aspasia, het woord weder opvattende, „is het niet te verwonderen, dat zij u nog veel minder veroorloven in openbare aangelegenheden een woord mede te spreken. Komen zij van de Pnyx waar over vrede en oorlog gehandeld is, durft gij het dan in uw hoofd krijgen te vragen, wat daar beslist is?”„Waarachtig niet!” riepen de vrouwen. „Wat raakt het u!” heet het dan. „Blijf bij uw spinnewiel en zwijg!”„En als gij niet zwijgt?”„Dan is het nog erger!”„Mijn man,” zeide eene der vrouwen, „zeurt tot vervelens toe mij die oude, flauwe spreuk voor: het schoonste sieraad der vrouw is stilzwijgen!”„Die kennen we ook, die spreuk! Zij is in den mond van alle mannen!” klonk het in den kring.„Waartoe hebben wij dan eene tong?” vroeg eene van haar en zij voegde er bij: „Soms alleen tot kussen, likken en trekkebekken?”De vrouwen lachten onbeschaamd over die woorden; want zij waren onder elkaar.Aspasia echter ging voort:„Zij willen dat gij onontwikkeld en dom zult[81]zijn; want dan alleen kunnen zij u overheerschen. Van het oogenblik af, waarop gij verstandig en wijs, waarop gij u van de macht bewust wordt, die aan het vrouwelijk geslacht boven het mannelijke gegeven is, van dat oogenblik is het uit met hunne tyrannie. Gij meent reeds alles gedaan te hebben, als gij uw huis rein houdt, als gij uwe kinderen wascht en zoogt, als gij er op let, dat de wol aan uw kleed niet door de mot verteerd en het garen aan den weefstoel niet door de hoenders vernield wordt, en wanneer iemand uwer nog iets wil doen om haar man te behagen, dan meent zij met een crocusgeel kleed en puntschoenen, een doorzichtig oppergewaad en met zalfdoosjes en eenige cinnaber4dit doel te zullen bereiken. Maar alleen in de handen van haar, die ook een weinig geest bezitten, is lichamelijke schoonheid en versiering een voor de mannen gevaarlijk wapen. Waardoor echter kunt gij datgene, wat ik een weinig geest noemde, verwerven, dan door een vrijer verkeer in de wereld, waarvan de mannen als met een ijzeren muur u afsluiten? Het moet u in het vervolg veroorloofd zijn de duffe gemoederen met den instroomenden adem der vrijheid te reinigen en te verfrisschen, de buitenwereld op u te laten werken en, evenals gij de indrukken der wereld en der gebeurtenissen in u opneemt, moet gij wederkeerig in de wereld en het leven invloed uitoefenen met de alles veredelende vrijheid van den ontwikkelden, vrouwelijken geest. De vrouwelijke geest moet met den mannelijken in de wereld zich tot eene vereende kracht verbinden. Dan zal niet alleen het huwelijk en het geheele huiselijke leven hervormd worden, dan zullen de kunsten tot haar schoonsten bloei geraken, dan zal de oorlog en al het ruwe onder de menschen een einde nemen. Laat ons een verbond sluiten, eene vreedzame samenzwering maken en elkander de gelofte afleggen, dat wij met alles wat[82]in ons is, voor het recht van ons geslacht willen strijden, om die macht vrij te ontwikkelen, welke tot onze roeping behoort.”Eene levendige toejuiching begroette deze woorden van Aspasia van den kant van een groot deel der vergadering; toen echter volgde zulk een luid en verward geluid van stemmen, dat men niets duidelijks meer onderscheiden kon, daar de vrouwen onder elkander het onderwerp met heftigheid begonnen te behandelen en allen eensklaps tegelijk spraken. ’t Was alsof een trekkende troep luid snaterende en krijschende vogels zich in den Thesmophoriën-tempel had neergelaten.Eindelijk echter zag men eene spichtige, schoon nog levendige en krachtige gestalte, door den dicht opeen gedrongen hoop met de armen zich baan maken en zich naar het midden van den kring, waar Aspasia stond, heendringen. De witte doek, die haar hoofd omhulde, verborg ook het grootste deel van haar gezicht, zoodat men haar niet aanstonds kon herkennen. Toen zij echter in ’t midden van den kring bleef staan en haar oog met eene boosaardige uitdrukking op Aspasia vestigde, herkende men de scherpe, schier manlijke trekken der fiere zuster van Cimon.Elpinice was gevreesd in geheel Athene, gevreesd door al hare geslachtgenooten. Zij heerschte door de macht harer tong, door hare bijna manlijke wilskracht, door den wijden kring harer relatiën. Daarom ontstond er onmiddellijk een angstig stilzwijgen, toen de zuster van Cimon met de volgende woorden Aspasia te lijf ging:„Met welk recht verstout zich hier de vreemdeling het woord te nemen in den kring van geboren Atheensche vrouwen?”Deze vraag van Elpinice maakte plotseling een diepen indruk, en vele der vrouwen, goedkeurend met het hoofd knikkend, verwonderden zich dat deze gedachte niet terstond bij haar opgekomen was.Elpinice echter vervolgde:„Hoe durft de Milesische het wagen ons de[83]les te willen lezen? Wil zij zich soms met ons op ééne lijn stellen? Is zij met ons opgegroeid? Heeft zij onze zeden, onze gebruiken gevolgd, onze heiligdommen van kindsbeen af met ons vereerd? Wij zijn Atheensche vrouwen; wij hebben op ons achtste jaar het heilige gewaad der Arrhephoren gedragen, wij hebben tien jaar lang het offermeel in den tempel van Artemis gemalen, wij zijn bij het Braurons feest5als bloeiende jonkvrouwen aan die zelfde Godin gewijd, wij hebben als korfdraagsters den feeststoet der Panathenaeën gevolgd. En deze hier? Uit den vreemde is zij gekomen, door geen Goden begeleid, zonder zegen van Goden, eene gelukzoekster, misdadig en geslepen, en nu wil zij zich in onzen kring dringen, omdat zij een Atheensch man zoo heeft weten te begoochelen, dat hij haar tegen wet en zeden in zijn huis heeft opgenomen?”Rustig, maar niet zonder een spottenden glimlach, antwoordde Aspasia:„Gij hebt gelijk! Ik ben niet opgegroeid in de muffe eenzaamheid van een Atheensch vrouwenvertrek; ik heb niet uw Braurons feesten in saffraankleurig rokje medegevierd, ik heb niet bij uwe Panathenaeën eene feestkorf over het hoofd en een snoer van verdroogde vijgen om den hals gedragen, ik heb niet medegehuild op de daken bij uwe Adonis-feesten6. Ik heb hier niet als Atheensche burgeres tot Atheensche burgeressen, ik heb als vrouw tot vrouwen gesproken!”„Mannenverleidster! Goddelooze slang!” riep Elpinice nog heftiger vertoornd uit, „waagt gij het[84]onze tempel te betreden, onze heiligdommen met uwe tegenwoordigheid te ontwijden?”Deze woorden werden met onstuimigheid uitgestooten. De korte haartjes op Elpinice’s bovenlip rezen te berge. De vriendinnen van Elpinice, die zich om haar vereenigd hadden, namen tegenover de Milesische eene dreigende houding aan.Maar ook Aspasia’s geestverwanten schaarden zich nauwer om haar leidsvrouw, bereid om haar te verdedigen. En niet gering was het getal dergenen in den Thesmophoriën-tempel, die nog de partij van Pericles’ gade kozen.Wederom gonsde een verward, levendig rumoer van stemmen en menig heftig woord dreigde een hartstochtelijken strijd der partijen aan te wakkeren.Toen wist de onverschrokken zuster van Cimon zich nogmaals gehoor te verschaffen, om de krachtigste harer troeven uit te spelen.„Denkt aan Telesippe!” riep zij met luider stemme; „herinnert u, hoe deze vreemde gelukzoekster, deze Milesische hetaere eene Atheensche, wettige vrouw van haar haard, van de vrucht van haren schoot, van haar echtgenoot heeft verdrongen! Wie uwer gelooft zich veilig tegen de boeleerkunsten van deze vrouw, als het haar in den zin komt ook de mannen van andere vrouwen te verleiden? Vóór gij luistert naar het gesis van deze slang, herinnert u, dat zij gif in haar mond verbergt!—„Ziet haar ginds,” viel Elpinice zich zelve in de rede, de oogen naar een hoek van den tempel wendend, „ziet ginds Telesippe! Ziet haar in rouw en droefheid verzonken—ziet haar bleek gelaat—ziet hoe haar de tranen langs de kaken rollen alleen bij de herinnering aan hare kinderen!”—De hoofden van alle vrouwen keerden zich om en volgden Elpinice’s blikken, en zij zagen naar de verstooten vrouw van Pericles, die op eenigen afstand stond en bleek van gramschap en spijt naar Aspasia blikte.Elpinice echter ging voort:[85]„Weet gij, wat zij van ons Atheensche vrouwen denkt? Behoef ik het u te zeggen? Heeft zij zelve het u niet gezegd? Zij houdt ons voor dwaas, voor onwetend, voor onervaren, de liefde van een man onwaardig, en genadig wil zij zich vernederen om ons te leeren, zich in haren trots zeker bewust, dat wij toch nooit kunnen worden als zij zelve de schoone, de wijze, en onvergelijkelijke, de alles betooverende Milesische, met wie zelfs de schoonsten van u zich nimmer kunnen meten!”Deze taal van Elpinice had eene ongeloofelijke uitwerking op de geheele vergadering der vrouwen. Veranderd was plotseling de stemming, zelfs in de harten dergenen, die tot nu toe Aspasia genegen waren geweest.Elpinice nam opnieuw het woord:„Weet gij, wat hare vrienden, de trouwe aanhangers van Pericles, van haar zeggen, en wat reeds alle mannen van Athene onder elkander herhalen? Aspasia is de beminnelijkste vrouw van Athene—ja, de eenige beminnelijke vrouw van Athene—naar Milete moet men gaan, zeggen zij, als men schoone en betooverende vrouwen vinden wil!”Bij deze woorden brak de woede der vrouwen en hare met boosaardige sluwheid aangewakkerde gramschap in lichte vlammen uit. Men begon met woest getier, met opgeheven armen op Aspasia los te gaan. Deze echter stond rustig en richtte hare fiere, ongebogen gestalte nog hooger op; zij sprak, bleek van toorn, doch met een blik van onbeschrijfelijke minachting:„Bedaart wat, gij knollen-, peterselie- en komkommerwijven!Bedaartwat, gij appel-, kaas- en boterwijven!—Waarom schreeuwt en tiert gij zoo, waarom dringt gij op mij aan? Denkt gij mij ook nog te krabben en te bijten?”De weinige trouw en moedig gebleven volgelingen van Aspasia wierpen zich tusschen beiden, er ontstond een wild rumoer en bijna eene vechtpartij onder de vrouwen. Eenigen van Elpinice’s[86]partij maakten aanstalten, om Aspasia de oogen met de nagels uit te krabben; anderen trokken de scherpe gespen van hare kleederen en gingen daarmede dreigend op de vijandin los. Deze echter verliet onder de bescherming dergenen, die zich nog dapper om haar schaarden, haastig den Thesmophoriën-tempel.Zóó eindigde de poging van Aspasia om de vrouwen van Athene door den geest te bevrijden.

„Dat is de schoonheid zelve!” riepen de Atheners, toen Phidias zijn nieuw metalen beeld van Pallas, dat de Lemniërs hem opgedragen hadden, voltooid had, en het voor de eerste maal voor de blikken der Atheners onthulde. Een roep van verbazing en verrassing klonk door geheel Athene.

Wat wilde Phidias nu? Zooals hij de Godin in zijn jongste werk had voorgesteld, had geen Griek haar gedacht.

Zij was zonder helm en zonder schild. Vrij golfden de krullende lokken om haar fier, maar niet minder liefelijk opgericht gelaat. Wonderschoon was de omtrek van dit gezicht; onvergelijkelijk teeder waren de wangen gevormd. Men meende haar te zien blozen. De beide geheel naakte armen waren, evenals de handen, modellen van den fijnsten en edelsten vorm. De opgeheven arm liet een deel der rechterzijde onbedekt zien, slechts licht plooide zich het gewaad om de heupen en hier als overal liet het de omtrekken der gestalte in volmaakte zuiverheid uitkomen.[60]

Zoo eenstemmig de Atheners in den lof der schoonheid van deze nieuwste schepping van Phidias waren, even eenstemmig waren zij in hunne bewering, dat voor deze Pallas, Aspasia den kunstenaar tot model moest gediend hebben.

Niet geheel dwaalden zij met deze bewering.

Inderdaad, als reeds Theodota het verstond haar lichaam als eene kunstenaarsstof te behandelen, de gedaante van verscheidene Godinnen daarin op verrassende, indrukwekkende wijze voor te stellen voor deze verrichtingen in den dienst der kunst geheel Athene tot getuige had, zoo wist Aspasia dezelfde kunst in nog edeler en verhoogde mate ten toon te spreiden. Maar de eenige getuigen van de ontplooiing dier gaven waren Pericles en Phidias geweest.

De ernstige Phidias ging zelfs zoo ver om voor een oogenblik toe te geven, dat de natuur menigmaal het ideaal nabij kon komen.

In de Pallas van Aspasia echter had Phidias reeds niet meer de bloote natuur voor oogen. Wat hij daar zag was een schepping der nabootsende kunst, eene vreeselijke gestalte, uit den geest wedergeboren. Aspasia drukte op de natuurlijke stof harer schoonheid met kunstenaarsbewustzijn evengoed een bepaalden stempel, als Phidias naar eene bepaalde, inwendige beschouwing en bedoeling het marmer beitelde.

Terwijl Phidias de bekoorlijke lieftalligheid van de schoone en wijze Aspasia in duurzaam metaal vereeuwigde, luisterde hij inderdaad naar de vermaning van Pericles om de wijsheid voor te stellen in het betooverende, alverwinnende gewaad der schoonheid.

Reeds Alcamenes had iets nieuws en wonderschoons bereikt, toen hem vergund was, uit de levende bron van Aspasia’s schoonheid te putten. Phidias loste dezelfde vraag op, doch hij loste ze op als aller groote meester, als de verhevene, de onvergelijkelijke.

Wat Phidias in zijne laatste Pallas gaf, was[61]Aspasia, maar verheven tot eene zoo reine en bovenmenschelijke hoogte, dat zij te gelijk als een ideaal zich voordeed, als een belichaamde droom der edelste beeldhouwersziel.

Toen Socrates dit nieuwe beeldwerk zag, sprak hij op zijne zinrijke wijze:

„Uit dit beeld zou de schoone Aspasia evenveel van den meester Phidias kunnen leeren, als de meester Phidias geleerd heeft van de schoone Aspasia.”

Zonderling was het, dat de loftuitingen, waarmede de Atheners de Lemnische Pallas van Phidias overlaadden, hem ontstemden en knorrig maakten. Hij hoorde er niet gaarne van spreken. Hij had dit werk wellicht daarom minder lief omdat hij het niet geheel uit zich zelf geschapen had. Hij had, naar het scheen, met eene soort van half onbewusten onwil zich van zijne taak, die hem van buiten af opgedragen was, gekweten, en met wier volbrenging hij alleen zich van eene onrust zocht te bevrijden, die als door eene vreemde betoovering, in hem opgewekt was geworden.

Nu scheen hij des te dieper in zich zelven te willen terugkeeren. Stiller en ernstiger dan ooit wandelde hij rond en verloor zich in de beschouwing van een verheven beeld, dat in de verborgen diepte zijner ziel hem tegenstraalde. Hij was weder geheel en al zich zelf geworden. Hij vermeed Aspasia, hij verkeerde nauwelijks meer met Pericles en op een goeden dag verliet hij stil en heimelijk Athene, om naar Elis te gaan, ten einde daar de grootsche gedachten zijner groote ziel teverwezenlijken.

De onverzadelijkste en onvermoeidste bewonderaar der Lemnische Pallas bleef Socrates. Hij scheen zijne liefde voor de Milesische op de Godin van Phidias over te willen brengen. De natuurlijke Aspasia kwam hem niet meer volkomen voor, van het oogenblik af, waarop hij haar hooger ideaal in steen belichaamd zag. En toch kon men toen van hem zeggen, dat hij zijn tijd tusschen[62]die Pallas en haar levend model verdeelde. Dagelijks zag men hem zijne schreden naar de woning van Pericles richten, zelfs op gevaar af daar den welsprekenden Protagoras te ontmoeten.

Hoe kwam het toch? Wanneer Socrates peinzend en, naar hij meende, zonder doel, door Athene’s straten wandelde, vond hij zich ten laatste onverwachts voor het huis van Pericles. Evenals in eenlabyrinthvan straten, scheen hij eenlabyrinthvan gevoelens te doorkruisen, waar hij geen uitgang vond en dat hem steeds weder op dezelfde plaats terugbracht.

Zonder plan derhalve geschiedde het, als Socrates zijne schreden naar die woning richtte. Doch wat deed hij daar, als hij er zijns ondanks gekomen was? Verloor hij zich in huldebetoon? Gaf hij teekenen van een inwendig liefdevuur, dat hem verteerde? Had hij, evenals Protagoras, zich er aan gewend zijne wijsheid uit vreemde oogen te putten? Niets van dat alles. Hij streed met Aspasia. Hij gaf haar fijne zetten. Eens zelfs sprak hij in hare tegenwoordigheid uit—eene uitspraak, die sedert dikwijls herhaald en door de overlevering gewoonlijk aan Pericles is toegeschreven, die haar toch slechts aan Socrates had ontleend—: die vrouw is de beste, over wie men het minst spreekt. Hij zei haar bittere woorden en zelfs wanneer hij haar scheen te vleien, tintelde hij van die fijne ironie, die een kenmerk van zijn spreektrant uitmaakte.

En Aspasia? Zij scheen des te zachter, vredelievender, beminnelijker en innemender, naarmate Socrates zijne vrijmoedige luim meer den vrijen teugel gaf. En omgekeerd: hoe zachter en verleidelijker Aspasia was, des te ontevredener en stuurscher werd de wijze Socrates.

Wat wilden zij van elkander, deze beide zonderlingen? Streden zij samen den overouden, hardnekkigen tweestrijd der wijsheid en der schoonheid? Die zonderlinge strijd werd vooral gevoerd sinds de woordenwisseling, welke Socrates met[63]Protagoras in tegenwoordigheid van Pericles en Aspasia gehouden had.

Aspasia deed het voorkomen dat zij geloofde dat Socrates ter wille van zijn lieveling Alcibiades het huis van Pericles bezocht. Zij ging in hare ondeugenden luim zoo ver, dat zij verzen tot hem richtte, waarin zij hem als aan een minnaar raad gaf. Socrates nam dat alles glimlachend op, zonder de minste gemelijkheid, of eene poging om zijne moedwillige vriendin te loochenstraffen. Hij toonde ook nooit, dat de schoone knaap, die nog steeds met eene bijna teedere liefde hem aanhing, hem te veel was. Tegenover den knaap was hij open, opgeruimd, vriendelijk, vertrouwelijk, zonder een spoor van die grilligheid en ironie, waarmede hij goedvond de vriendelijkste bejegening van de schoonste aller Helleensche vrouwen te beantwoorden.

Talrijke gesprekken voerde Aspasia nog altijd met den vrouwenhater Euripides, die als treurspeldichter thans tot grootere beroemdheid geraakte. Zijne ernstige, bespiegelende Muze vond weerklank en hij werd weldra de lievelingsdichter van een tijdvak, dat zich van de onmiddellijke en naïeve beschouwing der zaken meer en meer tot eene ideale en verhevene opvatting gedreven gevoelde. Hij had rijke ervaring opgedaan en zoo vloeide zijn mond altijd over van hetgeen hij in zijn geest had doorleefd. Daarbij had hij een scherp, fier karakter, dat hem open en vrijmoedig deed uitspreken, wat hij dacht. Hij gaf niemand iets toe, zelfs niet aan het Atheensche volk, ’t geen ieder meende te moeten vleien. Toen men eens een zijner verzen uitfloot, welks inhoud het Atheensche volk niet beviel, trad hij op het tooneel om zich te verdedigen, en toen men hem toeriep, dat men dit vers niet wilde dulden, antwoordde hij, dat de dichter de onderwijzer van het volk was en niet het volk de onderwijzer van den dichter.

Hij vleide ook Aspasia niet, en niemand zou het gewaagd hebben op den toon, dien hij aansloeg,[64]met haar over de vrouwen te spreken.

Hij had zijne eerste vrouw verstooten en eene andere genomen: een feit, dat Aspasia, zooals vermeld wordt, in een brief aan Pericles met sluw overleg als een voorbeeld van mannelijken moed geprezen had.

Op een goeden dag kwam Aspasia met Euripides toevallig over deze zaak te spreken, in tegenwoordigheid van haar echtgenoot en Socrates. Nadat zij hem opnieuw over zijn moedig besluit had geprezen, vroeg zij hem naar zijne nieuwe gade.

„Zij is het tegendeel van de eerste,” antwoordde Euripides wrevelig, „maar daarom niet beter: zij heeft alleen de tegenovergestelde gebreken. De eerste was een domme, maar eerlijke ziel, die mij met eene huisbakken soort van liefde lastig viel; deze is een behaagzieke, die door lichtzinnigheid en grilligheid mij tot vertwijfeling brengt. Ik ben van den regen in den drop gekomen. Ik ben een ongelukskind en al het bittere geven mij de Goden achtereenvolgens te smaken.”

„Ik hoorde van uwe vrouw zeggen,” hernam Aspasia, „dat zij schoon en beminnelijk is.”—

„Ja wel, voor iedereen,” zei Euripides, „behalve voor mij. Zij zou het natuurlijk ook voor mij zijn, als ik besluiten kon hare slechte eigenschappen als even zoovele deugden te beschouwen.”—

„Welke zijn dan die slechte eigenschappen, die gij haar toekent?” vroeg Aspasia.

„Zij verwaarloost het huishouden,” antwoordde Euripides: „het garen aan den weefstoel vernielen de hoenders. Zij danst en houdt feestmalen bij hare vriendinnen; zij heeft de onfatsoenlijkheid aan de huisdeur te staan en op straat te gluren.”

„Is dat alles?” vroeg Aspasia.

„Neen!” antwoordde de dichter. „Zij is wispelturig, zij is luimig, zij is ontrouw, zij is leugenachtig, zij is volveinzerij, zij is valsch, zij is boosaardig, zij is nukkig, zij is onbillijk, zij is wreed, zij is wraakgierig, zij is nijdig, zij is eigenzinnig, zij is bijgeloovig, zij is dwaas, zij is sluw, zij is[65]babbelziek, zij is jaloersch, zij is ijdel, zij is behaagziek, zij is gewetenloos, zij is ongevoelig, zij is zielloos …”

„Houd op!” viel hem Aspasia in de rede. „Het zou u zwaar vallen, dit alles afzonderlijk te bewijzen.”

„Dit alles en nog meer!” hernam Euripides.

„Wellicht betoont ge uwe vrouw te weinig liefde,” bracht Aspasia in ’t midden, „en maakt gij haar daardoor van u afkeerig!”

„Ja, waarlijk!” riep Euripides met een hoonenden lach; „als men de vrouwen hoort, ontbreekt het den mannen altijd aan liefde. „Gij hebt geen hart, mijn vriend!” zei de adder tot den geitebok. Juisthettegendeel is waar! Ik zeg u, mijn ongeluk komt daar vandaan, dat ik mijne vrouw niet zoo behandel, als de meeste Atheners hunne vrouwen behandelen; dat ik mij te veel door haar laat beheerschen, dat ik mij door haar laat kwellen. Want mak als lammeren zijn de vrouwen, zoolang men ze kort houdt; doch aanstonds worden ze overmoedig, als men haar aanleiding geeft tot de meening, dat zij onmisbaar zijn. Ja, er is maar één enkel middel, om zich van eene vrouw, van haar hart, van hare liefde, van hare hoogachting, van hare toewijding te verzekeren: dit middel bestaat hierin, dat men haarverwaarloost. Wee den man, die zijne vrouw laat merken, dat hij haar niet missen kan! Zij zal hem den voet op den nek zetten. Eene vrouw lief te hebben is den boozen daemon in haar op te wekken. Wie echter zijne vrouw met eene vriendelijke koelheid te gemoet treedt en overigens zijn eigen weg gaat, wie haar bewijst, dat hij haar missen kan, die wordt gevleid en geliefkoosd, die wordt de wang gestreeld, die wordt de hand op den schouder gelegd met de vraag: „Wat zal mijn lief mannetje van avond eten?” die wordt vereerd als „de steun en heer des huizes en der familie,” hem wordt roerend dank betuigd voor iedere kruimel van genade, die hij laat vallen. Toonde echter dezelfde man zich teeder[66]en verliefd, dan zou hij haar binnen acht dagen vervelend toeschijnen, in een maand was hij veracht en in een jaar dood gekweld.”

Glimlachend hoorden Pericles en Aspasia deze op gramstorigen toon uitgebrachte ontboezeming aan. Euripides echter vervolgde met gelijken wrevelen ernst en nadruk:

„De Parce van de man is de vrouw. Zij is het, die zijne levensdraden spint—zwarte of gouden.”

Pericles schrikte schier bij deze laatste woorden. Aspasia glimlachte.

„Ik kan niet gelooven,” zeide Pericles, „dat de man in ’t algemeen zoo afhankelijk is van de vrouw.”

„Hij zal het worden, als hij het nog niet is,” hernam Euripides. „Ik voorspel de toekomst. De macht der vrouw is schrikbarend aan het toenemen. Verstaat gij de dichters en beeldhouwers niet, die sedert overoude tijden het fabelachtige beeld der Sphinx hebben voorgesteld, eene raadselachtige vrouw, met zachten boezem doch scherpe klauwen? De Sphinx is de vrouw. Het verleidelijke schoone gelaat, den verleidelijk zachten boezem houdt zij ons voor, het overige echter van het lichaam is een dier met tijgerpooten en moorddadige klauwen.”

„Zult gij het vrouwelijk geslacht niet overmoedig maken,” zei Aspasia, „als gij haar karakter door zulke vergelijkingen den stempel van het grootsche verleent?”

„Grootsche misdaden,” hernam Euripides, „van een man kunnen bewondering wekken; eene vrouw met groote ondeugden boezemt altijd afschuw in. Want de misdaden van den man kunnen soms uit eene overmaat van op zichzelf roemrijke eigenschappen voortspruiten; de ondeugden eener vrouw echter komen altijd voort uit eene kleingeestige, tot eene overmaat gedreven zwakheid.”

„En toch zien wij de vrouwen met deze kleingeestige zwakheden triomfeeren!” zeide Aspasia.

„Niet voor altijd!” voerde Euripides haar tegemoet.[67]„De dag der wrake komt, die, met de vlammen van een gezonden en rechtmatigen hartstocht, de woeste flikkering van eene ziekelijke en zwakke neiging zal uitblusschen. Slechts zoolang wij mannen ons zwak toonen, zijn de vrouwen sterk. De vrouw is eene Sphinx; ja zeker! Doch men behoeft haar slechts de klauwen af te snijden, om haar onschadelijk te maken. Met onafgesneden klauwen is zij eene tijgerin; met afgesneden klauwen niets meer dan eene kat. Onze vaderen hebben goed gedaan, dat zij de vrouwen kort hielden. Wij mannen van dezen tijd zijn te weekelijk—ik zelf behoor tot dat getal—wij laten de vrouwen de klauwen groeien. Dat is niet goed …”

Het voorhoofd van Aspasia rimpelde zich een weinig, toen de vergramde dichter deze woorden met krachtige stem uitstiet. Socrates bemerkte het en zeide:

„Vergeet niet, mijn waarde, dat gij tot Aspasia spreekt.”

„TotAspasia,” hernam Euripides, snel gevat, „maar nietvanAspasia. Ik spreek over de vrouwen. Aspasia is eene vrouw, maar de vrouwen zijn geen Aspasia’s …”

Socrates liet het, zooals gemeld is, in zijne gesprekken met Pericles’ gade niet aan scherpe woorden ontbreken. Maar nooit was hij in den toon van Euripides vervallen. Wij gevoelen ons echter verplicht te zeggen, dat Euripides in zijne gesprekken met Aspasia het geheele vrouwelijke geslacht hoonde en onrecht aandeed, doch steeds Aspasia zelve met bereidwillige hoffelijkheid daarvan uitzonderde; terwijl Socrates omgekeerd zijne pijlen steeds alleen tegen de persoon van Aspasia afschoot, het geheele geslacht echter gaarne verdedigde.

En zoo nam hij dan ook nu het schoone geslacht in bescherming tegenover den vrouwenhater Euripides, terwijl hij zeide:

„Het komt mij een zonderling, maar onomstootelijk[68]feit voor, dat ieder man, als hij van de vrouw in het algemeen spreekt, toch altijd slechts zijne eigene op het oog heeft. Men moest alzoo, dunkt mij, alleen aan zulke mannen toestaan om over de vrouwen in het algemeen te spreken, die niet getrouwd zijn. Ik beroem mij een van die laatstgenoemden te zijn; en hoe verre mijn vriend Euripides in andere wijsheid mij achter zich moge laten, heb ik, omdat hij getrouwd is, het voordeel van grootere onpartijdigheid op hem vooruit. Daar voorts Pericles ook gehuwd en Aspasia zelve eene vrouw is, ben ik hier de eenige, die geroepen schijnt de partij op te nemen voor het door Euripides zoo fel gehoond geslacht. Mij ontbreekt het wel is waar aan welsprekendheid en ik zou Protagoras gaarne hier wenschen: deze zou niet in gebreke blijven ons de vrouw te prijzen als de schenkster der zoetste vreugde, als de bereidster van het schoonst geluk, als de beschermster van den goddelijken schat der schoonheid en van het genot op aarde, als de troosteres van den man, als de artsenij zijner kwalen. „Welk een pronkstuk,” zou hij uitroepen, „is eene schoone vrouw! Met ieder atoom harer persoonlijkheid verrukt zij. Geluk en zaligheid stralen uit van haar wezen …” Zoo zou Protagoras spreken. Euripides daarentegen beweert: de vrouwen zijn Sphinxen, zij hebben een bekoorlijk gelaat en een zachten boezem, doch scherpe klauwen. Zou het niet geoorloofd zijn omgekeerd te zeggen: de vrouwen hebben wel is waar scherpe klauwen, maar een bekoorlijk gelaat? Waarom zou men den grootsten nadruk niet liever op het goede der vrouwen, dan op het kwade leggen?—„Men moet haar de klauwen afsnijden,” zegt Euripides. Maar zou haar dit, behalve de mogelijkheid om te schaden, ook hare vijandelijke gezindheid ontnemen? Zou het niet veel practischer zijn, rechtstreeks op de verbetering harer gezindheden te werken? De klauwen worden dan van zelf onschadelijk. Hoevele deugden kan eene vrouw niet[69]ontwikkelen! Hoevele zegeningen weet zij niet om zich te verspreiden! Niet alleen door hetgeen, wat zij uitvoert of zegt of doet, maar reeds door hetgeen, wat zij is. De natuurlijke kampioenen van het schoone zijn de vrouwen: doch daar zij elke zaak, waarvoor zij strijden, doen triomfeeren—hoe heerlijk zou het zijn, als wij haar ook tot kampioenen van het goede en het ware konden winnen? Zoolang het licht van eene hoogere opvatting het hoofd der vrouwen niet verheldert, volgen zij natuurlijk alleen de aandrift van haren physischen aanleg, en deze aandriften zijn altijd ruw en baatzuchtig. Wellicht zullen de mannen in de toekomst er naar streven, om de vrouwen, door eigene overweging in plaats van slavinnen van onbestemde natuurdriften te zijn, tot priesteressen van het schoone en het goede te maken!”

„Ja, dat ontbrak er nog maar aan, dat de slangen vleugels kregen!” riep Euripides met een spottenden lach. „Niet te verwonderen is het overigens,” ging hij voort, „dat deze hoop op verbetering der vrouwen uitgesproken wordt door een man, die in ’t algemeen alle menschelijk geluk van het verstand en van heldere begrippen verwacht. Ik zeg u echter, dat de waarde en de adel der vrouw niet in de ontwikkeling van haar verstand, maar in de ontwikkeling van haar hart, van haar gevoel berust!”

„Dat kan wel zijn,” hernam Socrates, „maar nu doet zich de vraag op, of het hart en zijne gewaarwording ooit door zichzelf kan gevormd worden, dan wel of daartoe niet de invloed van een tot op zekere hoogte ontwikkeld verstand gevorderd wordt?”—

Pericles drukte zijne ingenomenheid met Socrates’ woorden uit. Aspasia zweeg en toonde terstond minder belangstelling; want hoezeer ook enkele punten, die Socrates had aangeroerd, met hare eigene meening overeenstemden, kwam het haar toch voor, als had de droomer onder het masker zijner bescheidenheid zich durven vermeten, haar[70]een lesje te geven. Voor eene bevrijding van den geest, voor eene veredeling van haar geslacht te werken, was immers sinds lang haar streven geweest.

Had zij niet openlijk zich zelve en haren vrienden op de Acropolis de gelofte gedaan, dit doel met alle krachten te bevorderen, nadat zij de gade van Pericles geworden was?

Zij had woord gehouden. Het leven en de positie der vrouwen geheel en al te herscheppen was sinds dien tijd haar moedig pogen.

Om dit doel echter te bereiken, had zij moeten trachten invloed te krijgen op de vrouwen van Athene, de rol van zuurdeeg moeten vervullen bij deze trage massa, degenen, die haar dwarsboomden, verzoenen, ze tot aanhangsters, leerlingen, vriendinnen moeten maken.

Pericles had hare bedoelingen gesteund: want hij beminde haar. Hij verschafte haar gaarne elk soort van genoegen. Hij leidde haar, wanneer deze uitdrukking veroorloofd is, in de Atheensche kringen binnen. De Atheensche vrouwen waren van het gezelschap der mannen uitgesloten; maar zij hielden een vrij druk verkeer onder elkander. Schijnbaar argeloos mengde Aspasia zich in dit verkeer.

Onder de schoone en waarlijk verstandige vrouwen, wien het gegeven is, de mannen in hare netten te lokken, worden er aangetroffen, wien het bovendien verleend is, trots den nijd, den haat, de ijverzucht, die zij opwekken, toch ook personen van haar eigen geslacht aan te trekken en voor zich in te nemen. Zooals van zelf spreekt, bereikten zij dit niet door overmatige vriendelijkheid en lieftalligheid of door praatjes en opgedrongen beleefdheden, maar door den eenvoud, waarmede zij den gevaarlijken glans harer voorrechten vrijwillig schijnen te temperen, en door de nauwkeurigste kennis der eigenaardigheden en grillen van haar, die zij voor zich willen winnen. Aspasia zocht vertrouwen in te boezemen; ongelijk aan de onverstandigen van hare sekse, wist zij, dat eene schoone vrouw in de meeste gevallen het zekerst[71]door een verstandig, rustig, kalm, waardig gedrag zoowel mannen als vrouwen inneemt. Zij richtte haar streven in de eerste plaats daarop, dat men gedwongen werd haar te achten; beminnelijk te schijnen zou dan vanzelf het geval zijn.

Eerst nadat Aspasia door zulk eene houding, die bij haar volstrekt niet gemaakt maar eene zaak van haar vrouwelijke natuur was, den bodem voor hare ondernemingen had voorbereid, was zij met hare bedoelingen en plannen meer openlijk voor den dag gekomen.

Na eenigen tijd waren de Atheensche vrouwen tegenover de gade van Pericles in een tal van partijen verdeeld.

Er waren onverzoenlijken, die haar haatten en die met alle middelen van vrouwelijke vijandelijkheid zich openlijk en in het geheim tegen haar verzetten. Er waren er, die Aspasia eene soort van persoonlijke genegenheid niet weigerden, maar van meening waren, dat hare plannen te vermetel en onbepaald waren; er waren anderen, die wel is waar de persoon van Aspasia met afgunstige oogen beschouwden, doch door een innerlijken drang gedreven werden, om haar voetspoor te volgen en in vele opzichten te doen als zij. Doch er waren er ook, die zich geheel en al door Aspasia hadden laten overtuigen en winnen, doch die niet alleen den moed bezaten zich openlijk met hare leidsvrouw te verbinden tot een strijd voor de vertrapte rechten der vrouw.

Tot de onverzoenlijkste en nog steedsgevaarlijkstevijandinnen van Aspasia behoorden, zooals licht te begrijpen is, de verstooten gemalin van Pericles en de zuster van Cimon.

Deze laatste was gewoon als ’t ware boek te houden van het leven en de handelingen van Aspasia; zij vorschte uit en verbreidde wat Aspasia tot andere vrouwen sprak en niet zelden geschiedde het, dat deze woorden verdraaid van mond tot mond gingen, om de gemoederen der Atheners tegen de gade van Pericles op te hitsen.[72]

Zoo geschiedde het op zekeren dag, dat Aspasia met eene pas gehuwde vrouw zich in tegenwoordigheid van haar echtgenoot onderhield. Het jeugdige paar verlangde van haar te vernemen, waarop het zekere geluk der liefde en van den echt berustte.

Aspasia voelde den lust in zich opkomen, om eens den Socratischen redeneertrant te beproeven.

„Wanneer uwe buurvrouw,” zeide zij tot de jonge vrouw, „een schooner kleed heeft dan gij, welk zoudt gij verkiezen: het uwe of het hare?”

„Het hare,” antwoordde de jonge vrouw.

„En wanneer uwe buurvrouw schooner kleinoodiën bezit dan gij,” vervolgde Aspasia, „aan welke zoudt gij de voorkeur geven?”

„Aan de hare natuurlijk,” hernam de jonge vrouw.

„En wanneer zij een beteren man heeft dan gij, aan welken zoudt gij de voorkeur geven, den uwen of dien van haar?”

De jonge vrouw bloosde over deze onverwachte, verbijsterende vraag. Aspasia echter zei glimlachend:

„In den natuurlijken loop der dingen zal de vrouw den beteren man, de man de betere vrouw voortrekken. Mij schijnt dus de zekerste waarborg voor het geluk in de liefde en den echt, dat de man trachte in ’t oog zijner vrouw de beste aller mannen, de vrouw wederkeerig in ’t oog van haar man de beste aller vrouwen te zijn.Velenvorderen van anderen de liefde als een plicht, wat zeer onbillijk is. Men moet ze trachten te verdienen en er naar streven ze voortdurend levendig te houden.”

Wat Aspasia met deze woorden het jonge paar te denken gaf, was zeker niet zonder gezonden zin. Doch hoe werden zij niet verwrongen in den mond van Elpinice en consorten? Het onderhoud van Aspasia met het jonge echtpaar maakte eenige dagen lang bij de Atheners de ronde. Maar men vertelde niet, dat Aspasia als eenigen waarborg voor[73]onwankelbaar echtgeluk verklaard had, dat de man zijne vrouw voor de beminnelijkste aller vrouwen, de vrouw haar man voor den besten aller mannen moest houden; neen, men zeide, dat Aspasia de jonge Hipparchia in tegenwoordigheid van haar gemaal had opgezet, aan een vreemden man boven haar eigen echtgenoot de voorkeur te geven, als geene haar beter beviel.

Aspasia besloot de Socratische methoden in hare gesprekken in het vervolg te laten varen en nog zorgvuldiger dan vroeger er op te letten, met welk soort van personen zij zich onderhield. De vijandinnen van Aspasia gingen echter zoover, dat zij opzettelijk met haar gesprekken aanknoopten, om haar onder den schijn van genegenheid uitspraken te ontlokken, die haar in de achting der Atheners zouden kunnen doen dalen. Aspasia doorzag zulk een plan gemakkelijk en wist de aanslagen dezer vijandinnen soms op eene wijze te verijdelen, die haar, behalve de voldoening haar doel bereikt te hebben, nog eene soort van vermakelijk genot verschafte.

Zoo drong zich op een goeden dageenzekere Clitagora met geveinsde bewondering aan haar op. Aspasia echter wist, dat Clitagora tot de clique van Telesippe en de zuster van Cimon behoorde.

Zij stelde Aspasia de vraag voor, door welke kunsten eene vrouw haar echtgenoot het best aan zich zou kunnen boeien?

„De krachtigste van alle kunsten, waardoor eene sluwe vrouw den argeloozen echtgenoot aan zich en aan den huiselijken haard boeien kan,” hernam Aspasia met gewichtig gelaat, „is de kookkunst. Mij is eene vrouw bekend, die als eene Godin door haar man wordt vereerd, alleen om de lekkernijen, die zij hem dagelijks voorzet. Haar meesterstuk is de zachte en lichte sesamee2, die zij uitsesamusmeelmet honig en olie in de pan gereed[74]maakt. Zij neemt gepelde gerst, stampt ze fijn in een vijzel, schudt het meel in een pot, giet er olie bij, roert deze brij, terwijl zij langzaam kookt, bestendig om, besproeit ze van tijd tot tijd met bouillon van hoenders of geiten- en lamsvleesch, ziet toe dat zij niet overkookt en wanneer ze gaar is, laat zij ze opdragen. Ook hare hazenpasteien van bastaardnachtegaals en andere kleine vogels zijn voortreffelijk. Welk man zou zich aan de verleiding van zulke dingen kunnen onttrekken? Er zijn ook mannen, die met de zoogenaamde Cappadocische3koeken dweepen. Men kneedt ze het best met honig, snijdt het deeg in dunne platen, die, als ze de pan maar ruiken, oprollen. Deze rolletjes worden dan in wijn gedoopt en moeten geheel heet op tafel komen.”

Op die wijze ging Aspasia voort de regels van eene lekkere keuken uiteen te zetten tot verbazing van een deel harer toehoorderessen en tot ergernis van een ander deel, dat in deze uitweidingen niets vond, wat dienen kon, om Aspasia in de openbare meening te schaden en den roep van hare lichtzinnigheid of hare gevaarlijke beginselen te bewijzen.

De onaangename tegenstand, die de pogingen van Aspasia in de vrouwenwereld van Athene voor een deel ondervonden deed haar des te liever de gelegenheid aangrijpen, die zich voordeed, om een paar verweesde dochtertjes van haar oudere, te Milete gestorven zuster bij zich aan huis te nemen. In deze teedere, doch gunstig begaafde en ontwikkelde meisjes, Drosis en Prasina geheeten, van welk de eene vijftien jaar en de ander slechts een jaar telde, geloofde Aspasia geschikte voorwerpen te vinden voor de verwezenlijking harer gedachten over de vorming van de Helleensche vrouw tot geestelijke en persoonlijke vrijheid. Men mocht gelooven, dat zij eens de school, waaruit zij kwamen, eer zouden aandoen en de zaak van Aspasia,[75]die tegelijk de zaak van het geheele vrouwelijke geslacht was, tot overwinning zou helpen voeren.

Intusschen, Aspasia was ongeduldig; zij was zeer geneigd om ver reikende plannen op te vatten, die natuurlijk eerst langzaam konden rijpen, doch zij wenschte die door koene, snelwerkende maatregelen te bereiken.

Zulk een doortastenden maatregel nu beproefde zij om de teugels der heerschappij over haar geslacht te Athene zoo mogelijk in eens in hare macht te brengen.

Onder de talrijke godsdienstige feesten der Atheners was er ook een, dat uitsluitend door vrouwen gevierd werd en dat op strenge straffe geen man bij mocht wonen. Dit was het Thesmophoriën-feest; ter eere van Demeter, die niet alleen als de Godin van den akkerbouw, maar ook als die van den echt werd vereerd, wegens de verwantschap, die de begrippen van zaaien en voortbrengen, oogst en geboorte samen verbindt.

De heilige gebruiken van dit feest werden niet aan bepaalde priesteressen opgelegd, maar aan vrouwen, die telkens uit de verschillende stammen werden gekozen. Een zekeren tijd van te voren moesten de vrouwen door onthouding zich tot de deelneming aan dit feest voorbereiden. Zij sliepen op kruiden, welke men de kracht toeschreef het bloed te verkoelen en de onthouding gemakkelijker te maken. Tot deze behoorden de kuischlamstruik en een zekere soort van netels. De viering zelve bestond in feestelijke omgangen, in vergaderingen in den Thesmophoriën-tempel, benevens in overgeleverde gebruiken, waaronder ernst en scherts en plagerijen elkander afwisselden.

Vier dagen lang duurde het feest. Op den eersten dag ging men naar het kustplaatsje Halimus en vierde in een zich daar bevindende tempel van Demeter zekere mysteriën. Op den tweeden dag keerde men naar Athene terug; op den derden waren de vrouwen van het krieken van den dag tot aan den avond in den Thesmophoriën-tempel[76]vergaderd. Demeter en Persephone en andere Godheden werden aangeroepen en haar ter eere dansen uitgevoerd. In de pauzen zaten de vrouwen op kuischlam en andere kruiden, zooeven vermeld, en onderhielden zich met gesprekken en plagerijen, die bij deze gelegenheid gebruikelijk waren. Zij nuttigden gedurende haar verblijf in den tempel geen spijs, maar stelden zich voor deze onthouding schadeloos door het heerlijke offermaal, waarmede den volgenden dag de geheele plechtigheid besloten werd.

Men denke zich de vrouwen van Athene, doorgaans opgesloten in de enge omgeving van haren huiselijken kring, onder de oogen harer mannen, en nu vier dagen lang met strenge uitsluiting der mannen aan zich zelven overgelaten, tot eene geweldige schaar vereenigd, feestelijke omgangen houdend, vervolgens in een tempel verzameld, met dansen en heilige gebruiken bezig, op heilige kruiden zittend en babbelend naar hartelust—men denke zich deze snaterende vrouwenvergadering en men zal licht inzien, dat zij wel geschikt was niet alleen de vrouwelijke tongen, maar met de tong tevens den vrouwelijken geest los te maken en hem tegen de oudvaderlijke beperkingen in beweging te brengen.

Dit Thesmophoriën-feest nu was teruggekeerd.

Wederom zaten de vrouwen van Athene in de pauzen tusschen de dansen en de feestzangen te babbelen op kuischlam in denThesmophoriën-tempel. Wederom snaterden de stemmen luid en zacht door elkander. Waarover werd al niet in de verschillende groepen der vrouwen, die op den grond zaten, gesproken! Dezen onderhielden zich over de slechte gewoonten harer mannen, genen over de ondeugden harer slavinnen of klaagden er over, dat de kinderen van den tegenwoordigen tijd veel lastiger en uitgelatener waren dan in vroegere tijden: sommigen kibbelden over de beste manier om sesamus-koeken klaar te maken; anderen vertelden elkander van toovermiddelen, om in het[77]kraambed te gebruiken, of deelden jongere lotgenooten raadgevingen mede over het bereiden van liefdedranken; er waren er zelfs, die elkander heimelijk in het oor fluisterden, hoe men zwangerschap huichelen en ter wille van den echtgenoot een ander kind kon onderschuiven. Sommigen verhaalden elkander spookgeschiedenissen of verhalen van Thessalische heksen of sprookjes of de nieuwste familiegeheimen van deze of gene vriendin. Nog anderen spraken over Aspasia en dit gesprek werd allengs het levendigste, dat in den tempel gevoerd werd.

„Aspasia heeft gelijk,” zeide eene jonge, wakkere vrouw, wier frisch uiterlijk gunstig tegen de verwelkte en geblankette gezichten der meesten rondom haar uitkwam.

„Aspasia heeft gelijk, wij moeten de mannen dwingen ons zoo te behandelen, als Pericles Aspasia doet.”

„Dat willen wij!” riepen eenige aanhangsters der Milesische. „Wij moeten hen dwingen het huiselijk en het echtelijk leven met ons zoo in te richten als Pericles met Aspasia doet.”

„Ik heb met mijn man reeds een begin gemaakt,” riep eene levendige, kleine vrouw, Chariclea geheeten. „Mijn Diagoras heeft er zich reeds aan gewend, mij telkens als hij thuis komt en uitgaat, een zoen te geven, evenals met Pericles en Aspasia het geval is.”

„Ontvangt gij ook bezoeken van wijsgeeren en dient gij beeldhouwers ook tot model?” vroeg op spottenden toon eene van die vrouwen, wier wangen het meest verlept en geblanket waren.

„Waarom zouden Aspasia en Chariclea het niet doen, als hare mannen het toestaan?” riep eene andere der vrouwen. „Ook wij zullen het doen en onze mannen dwingen het goed te vinden.”

„Niet ieder man is tot hoorndrager geboren!” zei de eerste spreekster met een boosaardigen lach.

„Wilt gij beweren,” riep Chariclea toornig, terwijl zij zich voor die vrouw plaatste, met hare[78]handen in de zijde, „wilt gij beweren, dat ik mijn man tot een hoorndrager maak?”

„Nog zal ik het van u niet zeggen,” hernam gene, „maar uweleermeesteresAspasia zal u dit wellicht nog leeren!”

Toen deze bittere woorden waren gevallen, trad eene gesluierde vrouw van eene slanke en edele gestalte plotseling uit den kring van haar, die getuigen van dit gesprek waren geweest, te voorschijn, sloeg stijf vóór de vinnige spreekster den sluier terug en wierp een vlammenden blik op haar.

„Aspasia!” riepen sommigen en snel verbreidde zich deze naam verder en er ontstond eene opschudding, die tot in de verste kringen zich voortplantte. De geheeleThesmophoriën-tempelgeraakte in oproer. „Wat is er te doen?” riepen de verst verwijderden. „Is er soms een man binnengeslopen?”

„Aspasia!” klonk het antwoord. „Aspasia is hier!”

Op dit bericht drongen alle vrouwen zich om haar heen en weldra bevond zich de Milesische in het middelpunt van de geheele vergadering.

Zij was gekomen, omgeven van de schaar harer geestverwanten, te midden van welke zij, bovendien gesluierd om niet herkend te worden, voor de oogen der groote menigte tot op dit oogenblik verborgen was gebleven.

Door deze geestverwanten werd zij ook nu als door eene lijfwacht omgeven, toen zij met opgerichte gestalte een toornigen blik op de vermetele vestigde.

Terwijl Aspasia zoo voor hare vijandin stond, drong eene van hare partij zich voor haar en duwde de andere de volgende hoonende woorden toe:

„Gij hebt gelijk! Niet ieder man is voor hoorndrager geboren. Gij moest dat weten! Ik ken u precies! Gij zijtCritylla, die door uw eersten man Xanthias verstooten zijt, omdat hij ontdekte, dat gij in het nachtelijk uur een rendezvous met uw boel voor de deur hadt, bij den laurierboom die het[79]altaar van den stratenbeschermenden Apollo overschaduwt!”—

Het gelaat van Critylla werd met een donker rood overtogen en zij maakte aanstalten, om hare vijandin aan te vliegen. Maar zij werd door den aanhang van Aspasia teruggedrongen; daarop sprak deze het volgende:

„Deze vrouw heeft mijn echtgenoot gehoond—gehoond alleen daarom, omdat hij de eerste is van alle Atheners, die de waarde der vrouw in zijne gade eert en haar niet tot slavin vernedert. Wanneer mannen als Pericles alleen ter wille van de liefde en de achting die zij hunne vrouwen bewijzen, spot en hoon moeten verdragen, niet alleen uit den mond der mannen, maar zelfs van den kant van het vrouwelijk geslacht, hoe kunt gij dan hopen, dat uwe echtgenooten zullen besluiten het voorbeeld van den edelsten der mannen te volgen?”

„Zoo is het inderdaad!” zeiden de vrouwen uit den kring, terwijl zij elkander aanzagen. „Crityllaheeft zich vergrepen, door Pericles en Diagoras te beschimpen. Gaven de Goden, dat alle mannen waren als deze!”

„De mannen zijn, zooals gij ze verdient!” vervolgde Aspasia. „Beproeft het maar eens, den onweerstaanbaren invloed, die aan het vrouwelijke geslacht verleend is, te gebruiken! Gij hebt tot heden verwaarloosd die macht in u te ontwikkelen, ja, het schijnt mij, dat gij die niet eens hebt gekend. Uwe slavernij is eene vrijwillige. Gij praalt met den titel van meesteressen des huizes en gij wordt korter gehouden dan slavinnen—want slavinnen mogen toch vrij zich op de straat of op de markt vertoonen. Gij zijt gevangen! Is dat niet zoo?”

„Zoo is het inderdaad!” riep eene der vrouwen in den kring. „Mijn man heeft eens, toen hij voor een paar dagen op reis was, mij in het vrouwenvertrek opgesloten en de deuren daarvan met zijncachetverzegeld.”

„De mijne,” riep eene andere, „heeft een grooten[80]Molosser-hond gekocht, die aan de deur wacht moet houden, alleen opdat geen minnaar in zijne afwezigheid binnen moge sluipen.”

„Niet eens het huishouden is u zonder voorbehoud toevertrouwd,” ging Aspasia voort.

„Volkomen waar!” viel weder eene der vrouwen levendig in; „mijn man draagt den sleutel der provisiekamer altijd bij zich.”

„Loopen zij niet zelven op de markt, om vleesch en groenten in te koopen?” riep eene tweede.

„Ja, zelfs wanneer het oorlogstijd is,” riep eene derde, „en de mannen gewapend loopen, kan men den een of ander van hen geharnast en met het Gorgo-schild aan den arm op de markt om eieren en groenten zien pingelen, of hij brengt te paard pekelvleesch in zijn metalen helm naar huis.”—

„En daar zij u niet eens aan den huiselijken haard het gezag hebben gelaten,” sprak Aspasia, het woord weder opvattende, „is het niet te verwonderen, dat zij u nog veel minder veroorloven in openbare aangelegenheden een woord mede te spreken. Komen zij van de Pnyx waar over vrede en oorlog gehandeld is, durft gij het dan in uw hoofd krijgen te vragen, wat daar beslist is?”

„Waarachtig niet!” riepen de vrouwen. „Wat raakt het u!” heet het dan. „Blijf bij uw spinnewiel en zwijg!”

„En als gij niet zwijgt?”

„Dan is het nog erger!”

„Mijn man,” zeide eene der vrouwen, „zeurt tot vervelens toe mij die oude, flauwe spreuk voor: het schoonste sieraad der vrouw is stilzwijgen!”

„Die kennen we ook, die spreuk! Zij is in den mond van alle mannen!” klonk het in den kring.

„Waartoe hebben wij dan eene tong?” vroeg eene van haar en zij voegde er bij: „Soms alleen tot kussen, likken en trekkebekken?”

De vrouwen lachten onbeschaamd over die woorden; want zij waren onder elkaar.

Aspasia echter ging voort:

„Zij willen dat gij onontwikkeld en dom zult[81]zijn; want dan alleen kunnen zij u overheerschen. Van het oogenblik af, waarop gij verstandig en wijs, waarop gij u van de macht bewust wordt, die aan het vrouwelijk geslacht boven het mannelijke gegeven is, van dat oogenblik is het uit met hunne tyrannie. Gij meent reeds alles gedaan te hebben, als gij uw huis rein houdt, als gij uwe kinderen wascht en zoogt, als gij er op let, dat de wol aan uw kleed niet door de mot verteerd en het garen aan den weefstoel niet door de hoenders vernield wordt, en wanneer iemand uwer nog iets wil doen om haar man te behagen, dan meent zij met een crocusgeel kleed en puntschoenen, een doorzichtig oppergewaad en met zalfdoosjes en eenige cinnaber4dit doel te zullen bereiken. Maar alleen in de handen van haar, die ook een weinig geest bezitten, is lichamelijke schoonheid en versiering een voor de mannen gevaarlijk wapen. Waardoor echter kunt gij datgene, wat ik een weinig geest noemde, verwerven, dan door een vrijer verkeer in de wereld, waarvan de mannen als met een ijzeren muur u afsluiten? Het moet u in het vervolg veroorloofd zijn de duffe gemoederen met den instroomenden adem der vrijheid te reinigen en te verfrisschen, de buitenwereld op u te laten werken en, evenals gij de indrukken der wereld en der gebeurtenissen in u opneemt, moet gij wederkeerig in de wereld en het leven invloed uitoefenen met de alles veredelende vrijheid van den ontwikkelden, vrouwelijken geest. De vrouwelijke geest moet met den mannelijken in de wereld zich tot eene vereende kracht verbinden. Dan zal niet alleen het huwelijk en het geheele huiselijke leven hervormd worden, dan zullen de kunsten tot haar schoonsten bloei geraken, dan zal de oorlog en al het ruwe onder de menschen een einde nemen. Laat ons een verbond sluiten, eene vreedzame samenzwering maken en elkander de gelofte afleggen, dat wij met alles wat[82]in ons is, voor het recht van ons geslacht willen strijden, om die macht vrij te ontwikkelen, welke tot onze roeping behoort.”

Eene levendige toejuiching begroette deze woorden van Aspasia van den kant van een groot deel der vergadering; toen echter volgde zulk een luid en verward geluid van stemmen, dat men niets duidelijks meer onderscheiden kon, daar de vrouwen onder elkander het onderwerp met heftigheid begonnen te behandelen en allen eensklaps tegelijk spraken. ’t Was alsof een trekkende troep luid snaterende en krijschende vogels zich in den Thesmophoriën-tempel had neergelaten.

Eindelijk echter zag men eene spichtige, schoon nog levendige en krachtige gestalte, door den dicht opeen gedrongen hoop met de armen zich baan maken en zich naar het midden van den kring, waar Aspasia stond, heendringen. De witte doek, die haar hoofd omhulde, verborg ook het grootste deel van haar gezicht, zoodat men haar niet aanstonds kon herkennen. Toen zij echter in ’t midden van den kring bleef staan en haar oog met eene boosaardige uitdrukking op Aspasia vestigde, herkende men de scherpe, schier manlijke trekken der fiere zuster van Cimon.

Elpinice was gevreesd in geheel Athene, gevreesd door al hare geslachtgenooten. Zij heerschte door de macht harer tong, door hare bijna manlijke wilskracht, door den wijden kring harer relatiën. Daarom ontstond er onmiddellijk een angstig stilzwijgen, toen de zuster van Cimon met de volgende woorden Aspasia te lijf ging:

„Met welk recht verstout zich hier de vreemdeling het woord te nemen in den kring van geboren Atheensche vrouwen?”

Deze vraag van Elpinice maakte plotseling een diepen indruk, en vele der vrouwen, goedkeurend met het hoofd knikkend, verwonderden zich dat deze gedachte niet terstond bij haar opgekomen was.

Elpinice echter vervolgde:

„Hoe durft de Milesische het wagen ons de[83]les te willen lezen? Wil zij zich soms met ons op ééne lijn stellen? Is zij met ons opgegroeid? Heeft zij onze zeden, onze gebruiken gevolgd, onze heiligdommen van kindsbeen af met ons vereerd? Wij zijn Atheensche vrouwen; wij hebben op ons achtste jaar het heilige gewaad der Arrhephoren gedragen, wij hebben tien jaar lang het offermeel in den tempel van Artemis gemalen, wij zijn bij het Braurons feest5als bloeiende jonkvrouwen aan die zelfde Godin gewijd, wij hebben als korfdraagsters den feeststoet der Panathenaeën gevolgd. En deze hier? Uit den vreemde is zij gekomen, door geen Goden begeleid, zonder zegen van Goden, eene gelukzoekster, misdadig en geslepen, en nu wil zij zich in onzen kring dringen, omdat zij een Atheensch man zoo heeft weten te begoochelen, dat hij haar tegen wet en zeden in zijn huis heeft opgenomen?”

Rustig, maar niet zonder een spottenden glimlach, antwoordde Aspasia:

„Gij hebt gelijk! Ik ben niet opgegroeid in de muffe eenzaamheid van een Atheensch vrouwenvertrek; ik heb niet uw Braurons feesten in saffraankleurig rokje medegevierd, ik heb niet bij uwe Panathenaeën eene feestkorf over het hoofd en een snoer van verdroogde vijgen om den hals gedragen, ik heb niet medegehuild op de daken bij uwe Adonis-feesten6. Ik heb hier niet als Atheensche burgeres tot Atheensche burgeressen, ik heb als vrouw tot vrouwen gesproken!”

„Mannenverleidster! Goddelooze slang!” riep Elpinice nog heftiger vertoornd uit, „waagt gij het[84]onze tempel te betreden, onze heiligdommen met uwe tegenwoordigheid te ontwijden?”

Deze woorden werden met onstuimigheid uitgestooten. De korte haartjes op Elpinice’s bovenlip rezen te berge. De vriendinnen van Elpinice, die zich om haar vereenigd hadden, namen tegenover de Milesische eene dreigende houding aan.

Maar ook Aspasia’s geestverwanten schaarden zich nauwer om haar leidsvrouw, bereid om haar te verdedigen. En niet gering was het getal dergenen in den Thesmophoriën-tempel, die nog de partij van Pericles’ gade kozen.

Wederom gonsde een verward, levendig rumoer van stemmen en menig heftig woord dreigde een hartstochtelijken strijd der partijen aan te wakkeren.

Toen wist de onverschrokken zuster van Cimon zich nogmaals gehoor te verschaffen, om de krachtigste harer troeven uit te spelen.

„Denkt aan Telesippe!” riep zij met luider stemme; „herinnert u, hoe deze vreemde gelukzoekster, deze Milesische hetaere eene Atheensche, wettige vrouw van haar haard, van de vrucht van haren schoot, van haar echtgenoot heeft verdrongen! Wie uwer gelooft zich veilig tegen de boeleerkunsten van deze vrouw, als het haar in den zin komt ook de mannen van andere vrouwen te verleiden? Vóór gij luistert naar het gesis van deze slang, herinnert u, dat zij gif in haar mond verbergt!—

„Ziet haar ginds,” viel Elpinice zich zelve in de rede, de oogen naar een hoek van den tempel wendend, „ziet ginds Telesippe! Ziet haar in rouw en droefheid verzonken—ziet haar bleek gelaat—ziet hoe haar de tranen langs de kaken rollen alleen bij de herinnering aan hare kinderen!”—

De hoofden van alle vrouwen keerden zich om en volgden Elpinice’s blikken, en zij zagen naar de verstooten vrouw van Pericles, die op eenigen afstand stond en bleek van gramschap en spijt naar Aspasia blikte.

Elpinice echter ging voort:[85]

„Weet gij, wat zij van ons Atheensche vrouwen denkt? Behoef ik het u te zeggen? Heeft zij zelve het u niet gezegd? Zij houdt ons voor dwaas, voor onwetend, voor onervaren, de liefde van een man onwaardig, en genadig wil zij zich vernederen om ons te leeren, zich in haren trots zeker bewust, dat wij toch nooit kunnen worden als zij zelve de schoone, de wijze, en onvergelijkelijke, de alles betooverende Milesische, met wie zelfs de schoonsten van u zich nimmer kunnen meten!”

Deze taal van Elpinice had eene ongeloofelijke uitwerking op de geheele vergadering der vrouwen. Veranderd was plotseling de stemming, zelfs in de harten dergenen, die tot nu toe Aspasia genegen waren geweest.

Elpinice nam opnieuw het woord:

„Weet gij, wat hare vrienden, de trouwe aanhangers van Pericles, van haar zeggen, en wat reeds alle mannen van Athene onder elkander herhalen? Aspasia is de beminnelijkste vrouw van Athene—ja, de eenige beminnelijke vrouw van Athene—naar Milete moet men gaan, zeggen zij, als men schoone en betooverende vrouwen vinden wil!”

Bij deze woorden brak de woede der vrouwen en hare met boosaardige sluwheid aangewakkerde gramschap in lichte vlammen uit. Men begon met woest getier, met opgeheven armen op Aspasia los te gaan. Deze echter stond rustig en richtte hare fiere, ongebogen gestalte nog hooger op; zij sprak, bleek van toorn, doch met een blik van onbeschrijfelijke minachting:

„Bedaart wat, gij knollen-, peterselie- en komkommerwijven!Bedaartwat, gij appel-, kaas- en boterwijven!—Waarom schreeuwt en tiert gij zoo, waarom dringt gij op mij aan? Denkt gij mij ook nog te krabben en te bijten?”

De weinige trouw en moedig gebleven volgelingen van Aspasia wierpen zich tusschen beiden, er ontstond een wild rumoer en bijna eene vechtpartij onder de vrouwen. Eenigen van Elpinice’s[86]partij maakten aanstalten, om Aspasia de oogen met de nagels uit te krabben; anderen trokken de scherpe gespen van hare kleederen en gingen daarmede dreigend op de vijandin los. Deze echter verliet onder de bescherming dergenen, die zich nog dapper om haar schaarden, haastig den Thesmophoriën-tempel.

Zóó eindigde de poging van Aspasia om de vrouwen van Athene door den geest te bevrijden.

1De Thesmophoriën is een feest, uitsluitend door vrouwen gevierd, ter eere van Demeter (Ceres), als stichtster van het maatschappelijk en burgerlijk leven. Het woord Thesmophoros beteekent: wetten en instellingen gevend; met den naam de beide Thesmophoren worden dan ook Demeter en hare dochter Persephone (Proserpina) aangeduid.↑2De sesamus is een Oostersch peulgewas, uit welks vrucht olie geperst wordt; het zaad wordt als rijst gebruikt. Het gerecht daarvan op de boven beschreven wijze bereid, heet in het Grieksch sesamee of sesamis.↑3Cappadocië is een landschap in het Oosten van Klein-Azië, tusschen de rivieren de Halys en de Euphraat gelegen.↑4Eene roode verfstof: drakenbloed, vermiljoen, in het Grieksch cinnabaris of cinnabari geheeten.↑5Van Ephesischen oorsprong of uit de Chersonesus Taurica is de vereering van Artemis (Diana) te Brauron in Attica, werwaarts Iphigenia de zuster van Orestes haar beeld zou gebracht hebben. Als zoodanig heet Artemis Brauronia of Tauropolos; dit laatste verklaart men „op een stier rijdend” (taurus = stier) of de woeste.↑6Adonis, een schoon jongeling, naar de Grieksche sage, door een everzwijn gedood, was door Aphrodite (Venus) vurig bemind. Op haar verzoek stond Zeus toe, dat Adonis een derde deel van het jaar bij haar mocht verwijlen, het tweede deel bij Persephone in de onderwereld en over het derde zou hij vrije beschikking hebben. Ter zijner eere werden in Juli of in het laatste van de lente de Adonis-feesten vooral door vrouwen gevierd; het feest was tweeledig: eerst een treurfeest, waarin zijn dood beweend, dan een vreugdefeest, waarbij zijn terugkeer tot Aphrodite gevierd werd. In het Oosten werd het meer zinnebeeldig opgevat.↑

1De Thesmophoriën is een feest, uitsluitend door vrouwen gevierd, ter eere van Demeter (Ceres), als stichtster van het maatschappelijk en burgerlijk leven. Het woord Thesmophoros beteekent: wetten en instellingen gevend; met den naam de beide Thesmophoren worden dan ook Demeter en hare dochter Persephone (Proserpina) aangeduid.↑2De sesamus is een Oostersch peulgewas, uit welks vrucht olie geperst wordt; het zaad wordt als rijst gebruikt. Het gerecht daarvan op de boven beschreven wijze bereid, heet in het Grieksch sesamee of sesamis.↑3Cappadocië is een landschap in het Oosten van Klein-Azië, tusschen de rivieren de Halys en de Euphraat gelegen.↑4Eene roode verfstof: drakenbloed, vermiljoen, in het Grieksch cinnabaris of cinnabari geheeten.↑5Van Ephesischen oorsprong of uit de Chersonesus Taurica is de vereering van Artemis (Diana) te Brauron in Attica, werwaarts Iphigenia de zuster van Orestes haar beeld zou gebracht hebben. Als zoodanig heet Artemis Brauronia of Tauropolos; dit laatste verklaart men „op een stier rijdend” (taurus = stier) of de woeste.↑6Adonis, een schoon jongeling, naar de Grieksche sage, door een everzwijn gedood, was door Aphrodite (Venus) vurig bemind. Op haar verzoek stond Zeus toe, dat Adonis een derde deel van het jaar bij haar mocht verwijlen, het tweede deel bij Persephone in de onderwereld en over het derde zou hij vrije beschikking hebben. Ter zijner eere werden in Juli of in het laatste van de lente de Adonis-feesten vooral door vrouwen gevierd; het feest was tweeledig: eerst een treurfeest, waarin zijn dood beweend, dan een vreugdefeest, waarbij zijn terugkeer tot Aphrodite gevierd werd. In het Oosten werd het meer zinnebeeldig opgevat.↑

1De Thesmophoriën is een feest, uitsluitend door vrouwen gevierd, ter eere van Demeter (Ceres), als stichtster van het maatschappelijk en burgerlijk leven. Het woord Thesmophoros beteekent: wetten en instellingen gevend; met den naam de beide Thesmophoren worden dan ook Demeter en hare dochter Persephone (Proserpina) aangeduid.↑

1De Thesmophoriën is een feest, uitsluitend door vrouwen gevierd, ter eere van Demeter (Ceres), als stichtster van het maatschappelijk en burgerlijk leven. Het woord Thesmophoros beteekent: wetten en instellingen gevend; met den naam de beide Thesmophoren worden dan ook Demeter en hare dochter Persephone (Proserpina) aangeduid.↑

2De sesamus is een Oostersch peulgewas, uit welks vrucht olie geperst wordt; het zaad wordt als rijst gebruikt. Het gerecht daarvan op de boven beschreven wijze bereid, heet in het Grieksch sesamee of sesamis.↑

2De sesamus is een Oostersch peulgewas, uit welks vrucht olie geperst wordt; het zaad wordt als rijst gebruikt. Het gerecht daarvan op de boven beschreven wijze bereid, heet in het Grieksch sesamee of sesamis.↑

3Cappadocië is een landschap in het Oosten van Klein-Azië, tusschen de rivieren de Halys en de Euphraat gelegen.↑

3Cappadocië is een landschap in het Oosten van Klein-Azië, tusschen de rivieren de Halys en de Euphraat gelegen.↑

4Eene roode verfstof: drakenbloed, vermiljoen, in het Grieksch cinnabaris of cinnabari geheeten.↑

4Eene roode verfstof: drakenbloed, vermiljoen, in het Grieksch cinnabaris of cinnabari geheeten.↑

5Van Ephesischen oorsprong of uit de Chersonesus Taurica is de vereering van Artemis (Diana) te Brauron in Attica, werwaarts Iphigenia de zuster van Orestes haar beeld zou gebracht hebben. Als zoodanig heet Artemis Brauronia of Tauropolos; dit laatste verklaart men „op een stier rijdend” (taurus = stier) of de woeste.↑

5Van Ephesischen oorsprong of uit de Chersonesus Taurica is de vereering van Artemis (Diana) te Brauron in Attica, werwaarts Iphigenia de zuster van Orestes haar beeld zou gebracht hebben. Als zoodanig heet Artemis Brauronia of Tauropolos; dit laatste verklaart men „op een stier rijdend” (taurus = stier) of de woeste.↑

6Adonis, een schoon jongeling, naar de Grieksche sage, door een everzwijn gedood, was door Aphrodite (Venus) vurig bemind. Op haar verzoek stond Zeus toe, dat Adonis een derde deel van het jaar bij haar mocht verwijlen, het tweede deel bij Persephone in de onderwereld en over het derde zou hij vrije beschikking hebben. Ter zijner eere werden in Juli of in het laatste van de lente de Adonis-feesten vooral door vrouwen gevierd; het feest was tweeledig: eerst een treurfeest, waarin zijn dood beweend, dan een vreugdefeest, waarbij zijn terugkeer tot Aphrodite gevierd werd. In het Oosten werd het meer zinnebeeldig opgevat.↑

6Adonis, een schoon jongeling, naar de Grieksche sage, door een everzwijn gedood, was door Aphrodite (Venus) vurig bemind. Op haar verzoek stond Zeus toe, dat Adonis een derde deel van het jaar bij haar mocht verwijlen, het tweede deel bij Persephone in de onderwereld en over het derde zou hij vrije beschikking hebben. Ter zijner eere werden in Juli of in het laatste van de lente de Adonis-feesten vooral door vrouwen gevierd; het feest was tweeledig: eerst een treurfeest, waarin zijn dood beweend, dan een vreugdefeest, waarbij zijn terugkeer tot Aphrodite gevierd werd. In het Oosten werd het meer zinnebeeldig opgevat.↑


Back to IndexNext