XVII.

[Inhoud]XVII.HET MEISJE UIT ARCADIË1.Eenige jaren waren zoo voorbijgegaan. Aspasia had moedig gestreden, maar zij mocht zich niet beroemen gezegepraald te hebben. Het onstuimige tooneel in den Thesmophoriën-tempel was in de stad bekend geworden en Aspasia had de vernedering te verduren, die onder alle omstandigheden met eene nederlaag gepaard gaat. Het ontbrak overigens ook niet aan dezulken, die haar aanhingen: het grootste deel echter van haar geslacht was door nijd, verblinding en de boosaardige uitstrooisels harer vijandinnen op haar gebeten.Eene zwaarmoedige stemming maakte zich soms van Pericles meester. Hij dacht aan het onbewolkt geluk, dat hij met de Milesische in de korte, maar zalige, eenzaamheid aan hetIonischestrand had gesmaakt. Soms maakte zich een gevoel van hem meester, als moest hij nogmaals de zorgen van den dag afschudden en wegvluchten uit het woelige Athene, waar zijn beste oogenblikken door den hatelijken laster der menschen, die als het[87]gegons der bijen zijn hoofd omzweefden, verbitterd werden.Toen de tijding te Athene kwam dat Phidias in Elis zijn gouden en ivoren standbeeld van den Olympischen Zeus had voltooid, het grootste en verhevendste zijner werken, hoe bekoorde toen Pericles het denkbeeld om met Aspasia een kort uitstapje te maken naar het Dorische land! Maar Aspasia scheen de tocht al temoeilijkdoor het bergland van Argos en Arcadië, en slechts als een aangename scherts beschouwde zij de gedachte aan zulk eene reis, toen zij voor het eerst tusschen hen beide ter sprake gebracht werd.In het Atheensche volk was langzamerhand die afkeer tegen de gade van Pericles binnengeslopen, waarmede schoone en invloedrijke vrouwen, wier lot met dat van een hooggeplaatst man verbonden is, bijna altijd te kampen hebben. Men ging voort haar geheimen invloed op de politieke plannen en ondernemingen van Pericles toe te schrijven en te beweren dat zij Pericles opzette zich tot tyran van geheel Hellas op te werpen. Deuitgelateneblijspeldichters, aan wier spits Cratinus, de vriend van Polygnotus, stond, die nog sedert het feestmaal van Hipponicus op de Milesische gebeten was, spitsten hunne pijlen tegen haar al scherper en scherper. De Attische Muze geleek op de bij: zij droop van honig, doch zij verborg ook een scherpen angel.Pericles werd toornig en trachtte den overmoed der comedie te beperken.Deze poging werd ten aanschouwe der heele wereld aan den invloed van Aspasia toegeschreven.„Houden zij mij voor een ouden leeuw,” zeide Cratinus, „wien de tanden zijn uitgevallen en die alleen nog kwijlen kan?”En in zijne volgende comedie slingerde hij onbeschaamd voor de oogen der gezamelijke Atheners een gemeen scheldwoord naar Aspasia’s hoofd.Het schimpwoord van Cratinus was gruwzaam beleedigend,[88]bijna vernietigend. De afgunst der geheime en openlijke vijanden van Aspasia kon schier geen erger bedenken. De spotzieke menigte ving het begeerig op en herhaalde het. De grond van Athene begon te gloeien onder de voeten der Milesische …Van dien dag af was de reis naar Elis tusschen Pericles en Aspasia eene uitgemaakte zaak. Minder bezwaarlijk vond de diep gekrenkte thans, het Pelops-schiereiland2te betreden, dan op den brandenden bodem van Athene te vertoeven.Te Athene was de Milesische te zeer door belangstellenden en nieuwsgierigen omgeven, die als ’t ware in de stralen van haren geest en van hare schoonheid zich koesterden. In de ernstige, stille beemden van Argos, op de idyllische hoogten van Arcadië, zelfs in het gewoel van Olympia zou zij, naar Pericles’ meening, wederom geheel en al uitsluitend voor zijn en haar geluk leven.Snel werden devoorbereidingsmaatregelenvoor de reis genomen, en weldra kon de zuster van Cimon, die van alle dingen het eerst op de hoogte was, aan het babbelziek Athene vertellen, dat Pericles op ’t punt stond naar Olympia te vertrekken en dat de verwijfde held zijne beminde Aspasia—die overigens wél deed zich aan de schande, waarmede zij te Athene overladen werd, te onttrekken—niet missen wilde. Er waren velen die zich vroolijk maakten over dat onafscheidelijk paar. Velen echter waren er ook, die het in stilte benijdden.…Een licht voertuig bracht de beide getrouwen tot aan den Isthmus3. Slaven en muildieren waren tot aan Corinthe vooruit gezonden, om vandaar in de reis over demoeilijkewegen van de Peloponnesus behulpzaam te zijn.Hoe vrij ademden beiden, toen zij het anders zoo geliefde Athene achter zich hadden!—Zij wisten niet, dat zij, uit Athene, als ’t ware vluchtend,[89]het hun beschoren lot niet vertraagden, maar integendeel bespoedigden …Van de prachtige land- en zeegezichten, die in onafgebroken afwisseling zich aan hun oog voordeden, tot aan de monumenten aan de kanten van den weg, de Hermes-zuilen en het Hecate-huisje aan de kruiswegen was alles voor het thans weder gelukkige paar opwekkend, alles belangrijk.Zij vonden den breeden weg van Eleusis vol reizigers. Men zag vrome, menschlievende lieden voor de beelden en kapellen der reisgoden vruchten en andere spijzen nederleggen, opdat arme en hongerige zwervers zich daaraan konden verkwikken. Hier en daar stonden ooftboomen aan den kant van den weg geplant, wier vruchten eveneens gemeen goed voor alle dorstigen waren. Ook aan herbergen ontbrak het niet.„Een reislievend volk zijn wij Hellenen,” zeide Pericles tot Aspasia. „Alom aangeknoopte banden van gastvrijheid en vroolijke feesten lokken van plaats tot plaats. Ook voor den reiziger is, zooals gij ziet, goed gezorgd.”Aan de berghellingen ter zijde van den weg ontsprong menige vroolijke bron uit de rotsen. In den reuzenstam des populiers, die de bron overschaduwde, had menig rustend wandelaar, om zijn dankbaar gemoed uit te storten, eene spreuk of een vers gesneden,somsook een wijgeschenk aan de takken opgehangen.Bloeiende, met tempels en zuilen prijkende steden en vlekken deden zich aan de blikken der beide reizigers op. Eerst Eleusis, de heilige stad der mysteriën, waar, op Pericles’ bemoeiing, juist een nieuw, fraai gebouw voor het vieren der mysteriën verrees. Vervolgens Megara, de stad der Doriërs, welks aanblik in Aspasia’s geest onaangename herinneringen terugriep. Haar vriendelijk gelaat verduisterde; zij zweeg, doch het onvergeten leed en de onverzoende smaad persten haar een traan van weemoed en smart af. Pericles begreep haar en zeide:[90]„Troost u! Uwe vijanden zijn ook de mijne. Megara zal boeten, voor wat het misdeed!”Aangekomen in het van menschen wemelende Corinthe, begaf Pericles zich naar het huis van zijn gastvriend Amynias, die hem en zijne gemalin met de hoogste eerbewijzen ontving.Al te verleidelijk blonk den aangekomenen de hoogte van de wijd en zijd uitziende Acrocorinthes, de Acropolis der stad Corinthe, tegen, de door bloemen en kruiden dicht bewassen rotsberg, steil afhellend naar de stad, een wachtpost van het Helleensche land. Van zijne kruin schitterde de oude, beroemde tempel van de Godin der liefde. Want evenals het van geest tintelende Athene zich onder de bescherming van de schrandere Pallas Athene had gesteld, zoo had de rijke, genotlievende handelsstad tot schutsvrouw de vreugdeverspreidende Aphrodite gekozen. Evenals Pallas Athene daar, was hier Aphrodite de beheerscheres van den burg en gewapend stond zij in haar heiligdom. Van de hoogste rotskruin schitterden hare tempeltinnen verre over de zee, tevens als een baken voor de zeelieden. Duizend Hierodulen, dienaressen der Godin, bekoorlijke en goedgunstige dochters der vreugde, woonden in het tempelgebied op de berghoogte, die door aangelegde terrassen, zuilengaanderijen, tuinen, priëelen, baden en gastverblijven op eene zoo ver uitziende vlakte, tot een dubbel vriendelijk Eden omgeschapen was.Van deze hoogte nu, in het middelpunt van de Helleensche landen en zeeën zich verheffend, overzagen Pericles en Aspasia al die grillig gevormde, in eigenaardige kleurschakeering prijkende bergtoppen; zij zagen in het noorden de besneeuwde kruin van den Parnassus en verder oostwaarts den Helicon, zij begroetten Attica’s bergketens en met niet geringe blijdschap zagen zij zelfs de liefelijke, bekende rotshoogte van de Atheensche Acropolis door den reinen aether uit de verte opdoemen. Zuidwaarts weidde hun blik over de hoogten van Noord-Arcadië. Zij zagen tusschen de tallooze bergen[91]en dalen de blinkende zeeboezems en kusten, ook groenende of rotsgrauwe zeeëilanden, alles door de bekoorlijkheid van een onvergelijkelijk licht overgoten.In dit liefelijk gezicht werden Pericles en Aspasia eenigszins gestoord door den zwerm van Hierodulen, die in de nabijheid van het tempelgebied in de zuilengangen en priëelen omzwierven.„Gij hebt te Athene,” zei de Corinthische gastheer, die het paar vergezelde, terwijl hij een blik op deze schoonen sloeg, tot Pericles, „gij hebt zulk een soort van eeredienst nog niet en gij zult wellicht in deze priesteressen, die zich ten gunste van den tempelschat prijsgeven, geen heilige personen zien. Bij ons staat zulk priesterschap sedert langen tijd in hoog en eerwaardig aanzien. Deze gulle, vroolijke meisjes, die den dienst van Aphrodite vervullend, zich in haar gemoed tot de moeder der liefde zoeken te verheffen, zijn bij offers en andere godsdienstige plechtigheden tegenwoordig, nemen aan de feestelijke optochten der burgers deel en zingen daarbij een paeän ter eere van Aphrodite. Men wendt zich tot haar om voorspraak bij de Godin, de beschermvrouw onzer stad. Gij glimlacht? Nu, gij Atheners moogt meenen dat gij aan Pallas Athene meer te danken hebt. Bij u is de staat vermogend en invloedrijk, bij ons zijn het de enkele burgers. Ieder is een Croesus een koning op zich zelven en verheugt zich in de door handel en scheepvaart verworven goederen des levens. Wij streven niet naar macht en invloed in Griekenland, wij verspillen onze schatten niet aan den bouw van vestingwerken of vloten en dergelijke zaken, doch wij leven prettig en gelooven dat per slot van rekening toch alleen de individu leeft en het geheel maar een bloot begrip is. Het moge zijn, zooals het wil, en gij Atheners moogt nog zoo minachtend op ons nederzien, gij hebt toch den weg ingeslagen, die u nader tot ons brengt. Gij bemint en beoefent het schoone, waarmede toch altijd de liefde voor de aangenaamheden des levens[92]gepaard gaat.”Deze woorden van den Corinthiër maakten een diepen indruk op Pericles, zonder dat hij er veel acht op scheen te slaan. Hij staarde naar de bergen van de Peloponnesus en sprak na eenigen tijd met een lichten glimlach, zich tot Aspasia richtend:„Het is opmerkelijk, dat ons juist hier, als ’t ware aan den drempel van den ernstige, strenge Peloponnesus, nog het beeld van de hoogste weelderigheid van het Helleensche leven tegenstraalt. Wie zou kunnen gelooven, wanneer men van het vroolijke, kunstlievende, gedachtenrijke Athene komt, of als hier in het genotlievende Corinthe door verleidelijke Hierodulen omgeven, op de hoogte van den Aphrodite tempel staat, dat op zoo’n geringen afstand aan gene zijde van den Isthmus en die somber zich verheffende bergen, op Arcadië’s hooglanden, een onbedorven herdersvolk in oudvaderlijken eenvoud leeft?Dattegenover die plaatsen van een schoonen genotvollen lediggang, daar boven aan genen kant der bergen de ruwe Spartaan en de sombere, mokkende Messeniër, ruigharigen leeuwen of wolven gelijk, in afschuwelijke kloven of donkere wouden op leven en dood elkander bekampen? Welk een worstelplaats van wilde heldhaftige kracht is van overoude tijden die strook lands aan gene zijde der opdoemende bergen! Uit burgten, gebouwd uit op elkander gestapelde rotsblokken, trokken de Argivische vorsten tegen Ilium op. Op de paden van de Peloponnesus betraden Heracles enPerseushun heldenbaan, doodden leeuwen en bestreden het slangengebroed in de kloven en de verderfaanbrengende vogels in de lucht. En worstelt niet nog ten huidigen dage op de velden van Pelop’s schiereilanden, op den Isthmus te Nemea, te Olympia, mannelijke kracht en moed om den prijs?Stroomenniet derwaarts de mannen van geheel Hellas, tuk op den lauwertak van lichaamskracht? Somber, dreigend en ruw schijnt[93]deze Peloponnesus, en de wateren van den Styx4besproeien niet te vergeefs zijn woest bergland. Maar wij willen hare verschrikkingen trotseeren, wij willen ons in het hol van den leeuw wagen. En als wij weekelijk en verwijfd worden, willen wij met nieuwen kracht ons sterken in die ruwere lucht.”„Sedert wanneer,” zei Aspasia glimlachend, „is Pericles een bewonderaar, ja zelfs een benijder van de ruwe en eenvoudige mannen van gene zijde van den Isthmus geworden? Troost u maar, dierbare vriend! Laat hen daar worstelen en strijden, zooveel zij willen. Over hunne sombere berghoogten schittert niet als over Athene’s Acropolis het zegevierende licht van Pallas Athene!”—Onder een sterk geleide braken de reizigers den volgenden morgen van Corinthe op, om met blijden moed hun tocht door het Dorische land over de Argolische bergen te beginnen. Aspasia weigerde doorgaans van den draagstoel gebruik te maken, dien Pericles uit liefderijke zorg voor haar had laten gereed maken en die door slaven of muildieren over de moeilijke plaatsen van het gebergte kon gedragen worden. Zij gaf er de voorkeur aan, om op een muildier naast haar echtgenoot te rijden. En zoo trokken zij dan, onder vertrouwelijken kout, door de suizende bergwouden, den loop der beken te gemoet, die zich in de kloven nederstortten, bereikten over steile hellingen en boschrijke toppen de vrije bergvlakten, soms ook door bergpassen en dalen, waar oleander- en lentiscusstruiken en wilde pereboomen over het donkere pad hun schaduwrijke twijgen in elkander strengelden.Op zulke sombere wegen sloeg nochtans de moedige Aspasia soms een angstig bespiedenden blik in het struikgewas, om te zien of niet de donkere gestalte van een roover daaruit te voorschijn[94]zou springen. Dan glimlachte Pericles en zeide, met een blik op het goedgewapende met de wegen vertrouwde gevolg van inlanders, die hij tot begeleiding door het gebergte had medegenomen:„Vrees niets, Aspasia! Reeds sedert lang zijn de wilde reuzen op deze paden uitgeroeid, en geveld is reeds lang de pijnboombuiger Sinis5, de snoode wreedaard. Alleen voor de slangen van deze hoogten en dalen moeten wij op onze hoede zijn: want gij herinnert u wel, wat hier zeer nabij op Nemea’s grondgebied geschiedde, toen de voedster het knaapje in het gras legde, om voor de langstrekkende „Zeven tegen Thebe”6, op hun verzoek, een dronk verkwikkend water te halen.”Na eene vermoeiende dagreis bevonden zich de reizigers aan het begin van de Inachus-vlakte en zagen tusschen twee grauwe, spitse bergen den in de sagen beroemden heerscherszetel van Agamemnon, den overouden wachter dezer bergpassen, den burg van Mycenae, loerend op zijn rotskruin liggen—„in den hoek van Argos”, naar de woorden van het Homerisch lied. Ter rechter zijde verhief zich de kale kegelvormige berg met den ouden burg Larisa, de Acropolis der stad Argos, welke aan den voet van den berg over eene ruime uitgestrektheid in de vlakte gelegen, nog steeds bloeiend en niet minder sterk bevolkt was dan de stad der Atheners. Over de uitgebreide strandvlakte van het „paardenvoedende Argos”7schitterde de blauwe zeeboezem van Nauplia. Bergketens, in de tinten van de ondergaande zon gedoopt, hieven hier hunne veelgetakte kruinen ten hemel en liepen ginds met groote krommingen tot aan de zee. Ook aan gene zijde van de blinkende[95]golf doemden de nevelachtige omtrekken van geweldige bergkruinen op.Eene zonderlinge gewaarwording maakte zich van de reizigers meester. Hunne blikken hingen aan het grauwe rotsgevaarte van Mycenae, de sporen van den koningsburg der Pelopiden zoekend en al de andere onvernietigbare overblijfsels van Cyclopische schathuizen, graven, muren en gewelven van den voortijd.Toen zij Mycenae zelve hadden bereikt, was de duisternis ingevallen. Zij stonden op de rotshoogte, waar het grauwe muurwerk, uit reusachtige, loodrecht gehouwen rotsblokken opgestapeld, door mos en klimop overdekt, in de schemering schier dreigend en beangstigend zich verhief. Nochtans versmaadden zij het, naar beneden te gaan tot de woonplaatsen der weinige Myceners, die in de reeds lang vervallen en schier uitgestorven heerscherstad der Atriden8nog woonden. Pericles en Aspasia besloten den lauwen zomernacht in de nabijheid van deze eerwaardige overblijfsels van het verleden onder eene tent door te brengen. Thans ging de maan op en baadde het muurwerk en de hoogte zelve, met alle bergkruinen van Argos rondom en de vlakte daartusschen tot aan de verre golf, in haar zilveren licht. Hoewel vermoeid, konden Pericles met Aspasia de bekoring van dit tooverachtig, heldere maanlicht niet weerstaan. Zij putten nieuwe kracht uit de zonderlinge opgewektheid hunner gemoederen. Voor weinige dagen nog omgaf hen het woelige Athene en thans stonden zij op Mycenae’s puinhoopen, door de huiveringwekkende stilte van den sterrenhelderen nacht omgeven, in de sombere eenzaamheid der Argolische bergen. De geest van Homerus kwam over hen. In het ruischen van den wind, in het suizen der bergtoppen vernamen zij iets, wat hun als een zwakke nagalm klonk van zijn onsterfelijk heldenlied. Het[96]licht der volle maan, dat rondom op Argos’ bergtoppen scheen, herinnerde hen aan de wachtvuren, die eens hier van den eenen bergtop tot den anderen flikkerden, om de mare van de zege der Hellenen over zee en gebergte herwaarts te brengen tot aan den burg van Agamemnon, waar de woeste Clytemnaestra, aan de zijde van haar minnaar Aegisthus, den terugkeer van den zegevierenden Hellenen-aanvoerder met in ’t geheim geslepen moordstaal verbeidde. En binnen deze verlaten puinhoopen, die daar vóór hen lagen, in de doodstille, nachtelijke eenzaamheid, werd dit moordstaal getrokken. Achter deze muren verstierf dof het doodsgerochel van den huiswaarts gekeerden heerscher der volkeren …Pericles en Aspasia liepen langs den geweldigen muur, die den kant van den steilen burgtheuvel met talrijke hoeken en bochten omgaf. Zij bereikten de overoude, beroemde leeuwenpoort, den eerwaardigen ingang van den Atriden-burg, waarboven het oudste beeldwerk van het werelddeel prijkte. Door deze poort betraden zij de burgtruimte en stonden voor de binnenmuren, waarachter eens de Atriden tegen elken aanval veilig leefden; doch alleen de grondvesten wezen hun de plaats der eigenlijke vorstenvertrekken. Zij zetten hunne wandeling voort en bereikten verder, niet meer op de hoogte van den berg, maar op zijne helling, het eerwaardige, ongeschonden, ronde gebouw, dat een schatkamer en de grafkelder tevens der Pelopiden was.Toen Pericles en Aspasia dit gebouw naderden,verschiktehen de gestalte van een reusachtig man, die vóór de poort lag en die bij de nadering der vreemdelingen zich halverwege oprichtte. De man herinnerde hen aan de reuzengestalten van Hemorus, die tegen elkander rotsblokken slingerden, wier gewicht de latere stervelingen niet meer van den grond konden opheffen. Pericles sprak hem toe en bemerkte na eene korte woordenwisseling, dat hij met een in de bergen van Argos ronddolenden[97]bedelaar te doen had. Zijne leden waren karig met lompen bedekt, zijn donkergebruind gelaat was als verweerd door wind en regenjachten. Zóó wellicht zal de zwaar beproefde zwerver Odysseus er uitgezien hebben, op het oogenblik, dat hij als schipbreukeling het vasteland bereikte, nadat hij dagen lang zwemmend met de zee had geworsteld en het scherpe, zilte nat zijn leden had geteisterd.De grijze, zonderlinge, reusachtige bedelaar beweerde, dat hij den schat van Atreus bewaakte en zonder zijne toestemming niemand de poort van het gebouw mocht naderen. Van ongehoorde, gouden schatten begon hij te bazelen, die in geheime hoeken van deze rotskamers nog altijd verborgen lagen en die den vinder tot den rijksten aller stervelingen, tot aanvoerder en koning in Hellas, tot erfgenaam en opvolger van den Hellenen vorst Agamemnon zouden maken.Glimlachend zei Pericles tot Aspasia: „Wel was Mycenae in overoude tijden beroemd als de stad, die het rijkst was aan goud, van alle Helleensche steden; maar ik denk, dat het goud van Mycenae reeds lang naar Athene is gevloeid en wij behoeven het niet meer te zoeken. Toch trekt mij deze zonderlinge rotsgroeve der Atriden onweerstaanbaar aan.„Voer ons heden nog in het gebouw, dat gij bewaakt,” vervolgde Pericles, tot den reus zich wendend. „Wij zijn Atheners en naar de bergen van Argos gekomen, om aan het stof der goddelijke Atriden onze hulde te bewijzen.”Toen beval hij eenigen slaven fakkels aan te steken. De bedelaar, op wien de persoonlijkheid van Pericles eene zekere macht scheen uit te oefenen, toonde zich zwijgend bereid, als gids te dienen. Met forsche hand schoof hij, zijne reuzenkracht aanwendend, een groot rotsblok ter zijde, dat voor den ingang lag en dien geheel en al versperde. Maar zelfs toen was het nog niet gemakkelijk over steen en gruis heen door de half geopende poort den weg naar het binnenste gedeelte van het[98]diep in de aarde zich uitstrekkende gewelf te volgen.Langs een uit geweldige blokken gevormden weg bereikten Pericles en Aspasia het hooge, sombere ronde gewelf, welk wanden niet op de gewone wijze opgetrokken waren; in steeds nauweren kring vonden zij de steenlagen op elkander gestapeld en van boven door een kegelvormig gewelf afgesloten. Zij vonden de sporen van oude metaalbekleeding aan de wanden: eene geliefde wandversiering, waarvan Homerus gewag maakt. Hoe zal voorheen in de vorstenvertrekken de gepolijste, blanke koperen wand in den weerschijn der flikkerende fakkels geschitterd hebben! Maar gewelddadig waren hier reeds de koperen platen afgerukt, onbekleed grijnsden de grauwe steenmassa’s der machtige op elkander gestapelde kringen den beschouwer tegen.Uit het ronde gebouw traden Pericles en Aspasia door eene nauwere poort in eene vierkante ruimte, die geheel in de levende rots uitgehouwen was.Peinzend stonden zij beiden daar. Slechts schemerachtig verhelderde het sobere licht der brandende fakkels de donkere steengewelven.„Eene stoute gedachte zou het zijn,” sprak Pericles ten laatste, „in deze huiveringwekkende steengroeve ons nachtverblijf te houden!”Aspasia huiverde een weinig, doch in het volgend oogenblik glimlachte zij weder en kon de betoovering niet van zich weren, die de huiveringwekkende en toch verleidelijke gedachte op haar uitoefende, om een nacht door te brengen in de duizendjarige Pelopiden-groeve, om te rusten boven het stof van Atreus en Agamemnon.Menig bezwaar werd nog geopperd, eindelijk echter besloot men de stoute gedachte ten uitvoer te leggen. Tapijten werden op den steenen vloer van de kleinere rotskamer door slaven nedergelegd en daarop een leger gespreid. In het gewelf strekte de reusachtige bedelaar zich uit om te slapen, de slaven legerden zich bij den buitensten ingang.Nu vonden Pericles en Aspasia zich alleen in[99]het huiveringwekkend, geheel in de rotsen gehouwen vertrek. Het onzekere schijnsel der in den grond gestoken fakkels speelde spookachtig op de grauwe, vensterlooze rotswanden. Om hen heen heerschte de stilte des doods. Het was werkelijk de rust des grafs, die hen omgaf.„In dezen nacht,” zei Pericles, „en in deze omgeving dringt zich de gedachte aan vergankelijkheid en vernietiging schier in lichamelijke gestalte met Titanisch geweld aan mij op. Hoe zwak en wisselvallig schijnt al het levende, en hoe hecht en sterk trotseert de tand des tijds datgene wat wij het doode plegen te noemen! Atreus en Agamemnon zijn sinds lang niet meer en wij zuigen misschien deonzichtbareatomen van hun stof in met onzen adem. Deze doode muren echter, welke die menschen opgebouwd hebben, omringen ons nog heden en zullen wellicht ook hen nog omsluiten, die de atomen van ons stof over duizend jaren zullen inademen!”—„Ik ben het niet geheel met u eens, Pericles,” hernam Aspasia, „om het onvernietigbaar bestaan van het doode te verheffen boven het vluchtige leven van den mensch. Het neerstortende rotsblok begraaft de bloemen, maar de bloemen keeren terug met iedere lente en slingeren hare stengels om den steen en ten laatste verteert na duizende jaren de steen, terwijl de bloemen er echter altijd nog zijn. Zoo ligt het leven ook begraven onder puinhoopen van steden, maar tusschen de puinhoopen kruipt het zachtkens te voorschijn en omstrengelt den steen, die toch eens verbrokkelen zal: ’s levens krachtig groen wast zelfs door de rots en doet ze springen, en zoo is ten laatste toch alleen het schijnbaar vluchtige en vergankelijke waarachtig eeuwig.”„Gij hebt gelijk,” zeide Pericles, „het leven zou weldra vermoeiend en vervelend worden, als daaraan de onveranderlijkheid van het doode beschoren was. Onvergankelijk is reeds één met het doode, alleen afwisseling is leven.”[100]„Herleeft niet,” sprak Aspasia, „de heldenzin van Agamemnon in duizend helden? En de liefde van Paris en Helena, wordt zij niet in tallooze verliefde paren opnieuw gevoeld?”„Ongetwijfeld, het leven komt en gaat,” hernam Pericles, „en in eeuwige verandering keert het weder. Zijn wij echter zeker, dat het bij dit komen en gaan ten laatste niet iets van zijne oorspronkelijke kracht verliest? Zou het groote in de wereld niet eenigszins op de steenkringen gelijken in het gewelf dezer groeve, die van boven wel is waar aan elkander sluiten, maar steeds enger worden?—De heldengeest van Agamemnon schijnt teruggekeerd te zijn: wij hebben de Perzen verslagen, maar toch komt het mij voor, dat wij tegenover de helden van Homerus een weinig ingekrompen zijn.”„Vele dingen,” hervatte Aspasia, „mogen zwakker worden als ze herhaald worden; maar ontkent gij, dat veel nog krachtiger en heerlijker zich vernieuwt? De kunst, die met deze bouwvallen onderging, is teruggekeerd en heeft de met beelden prijkende, marmeren tinnen van het Parthenon gebeiteld!”„Wanneer echter,” zei Pericles, „ook die met beelden prijkende tinnen eens in stof zullen zijn verkeerd—wanneer het heerlijke vierspan van Pallas wellicht van den gevel van het Parthenon naar beneden stortend, met donderend geraas op de rotshelling wordt verbrijzeld, zijt gij dan zeker, dat de kunst nog eens en steeds heerlijker zal wederkeeren? Of zal er een tijd komen, welks roem alleen nog teert op het vertoon van onsterfelijke bouwvallen?”„Dit zij eene zorg voor de latere geslachten!” antwoordde Aspasia.„Gij hebt ook van de liefde van dat schoonste paar uit den voortijd gesproken,” vervolgde Pericles, „en hoe die in tallooze paren zich hernieuwt?”„Twijfelt gij daaraan?” zei Aspasia.[101]„Neen!” riep Pericles, „en ik geloof, dat de liefde en juist alleen de liefde, steeds bestaat met dezelfde kracht, met dezelfde levensfrischheid, met dezelfde bron van zaligheid!”„De liefde en het genot!” viel Aspasia hem met een betooverenden glimlach in de rede.„Ja, zeker!” sprak Pericles. „Wel is waar, moet ik met een gevoel van schaamte op deze plaats wandelen en wellicht ben ik niet waardig zelfs één enkelen nacht boven het stof van Homerische helden te rusten. Maar schoon ik ook met smartelijke benijding afstand moet doen van den heldenroem van Achilles, deel ik toch het geluk van Paris: het bezit van de schoonste Helleensche vrouw!”—De gelaatstrekken van Pericles waren niet in volkomen overeenstemming met de woorden zelve. Zijn gelaat scheen twijfel uit te drukken of het den man wel betaamde afstand te doen van den roem van Achilles, en zich te vreden te stellen met het geluk van Paris.—Doch met de betoovering van de schoonste Helleensche vrouw wist Aspasia de gedachten in slaap te wiegen, die in de manlijke ziel van Pericles oprezen. Haar oog verspreidde een magischen glans in de sombere rotsgroeve, van hare wangen scheen een rozenrood schijnsel door het geheele vertrek te lichten. De fakkel, die zooeven flauw had geflikkerd, evenals wellicht die, welke eens bij de begrafenis van den vermoorden Agamemnon haar licht had verspreid, scheen eensklaps vroolijk op te vlammen als eene bruiloftsfakkel. Door den glans der schoonheid, die in de donkere diepte schoot, scheen zelfs de groeve nu in een bruidsvertrek herschapen en de eeuwige frischheid des levens en der liefde verkreeg de overhand boven de huivering des doods en der vergankelijkheid, boven het duizendjarig stof der Atriden.—Toen Pericles en Aspasia de plaats hunner nachtelijke rust verlieten en uit de sombere groeve naar buiten traden, straalde hun de morgen, met zijn[102]verkwikkenden dauw op alle velden en heuvels, vroolijk tegen. Maar ’t was ook in ’t schitterend licht van den dag niet minder eenzaam en doodstil dan onder de bouwvallen van den Atriden-burg. Alleen een gier zweefde onbeperkt met wijd uitgespreide vleugels boven Mycenae, hoog in de blauwe lucht.Terwijl daarop de reizigers van den medegebrachten voorraad en den wijn, dien een slaaf in een geitelederen zak droeg, een en ander voor een ontbijt nuttigden, vroeg Pericles aan Aspasia, of zij niet gedroomd had gedurende haar slaap in de Atriden-groeve.„Inderdaad,” hernam Aspasia, „heeft mij in den ochtendstond een droom midden onder het gewoel der helden voor Ilium verplaatst. Ik heb Achilles in levenden lijve gezien en hij zweeft mij nog steeds voor oogen. Zijne gestalte was die van een onbeteugelden, schoonen jongeling, schier daemonisch was zijn uiterlijk, hoog en slank, het volkomen eironde gelaat door donkere lokken omgolfd, de oogen koolzwart en bijna rond, wat zijn gelaat bij al den adel der trekken iets Gorgonen-achtigs, iets huiveringwekkends gaf; de mond buitengewoon klein, de lippen echter krachtig ontwikkeld—overal de trekken van jeugdige schoonheid met de uitdrukking van woeste, bijna bovenmenschelijke heldenkracht vereenigd. Zóó zag ik hem bij de schepen staan, het hoofd in een lichtgloed gehuld, door zijn oorlogskreet alleen reeds ontzetting aanjagend binnen de muren van Ilium.”„Ook mij,” zeide Pericles, „heeft een droom ter zelfder tijd naar de Homerische wereld gevoerd, maar zonderling, niet onder de helden; integendeel: ik zag Penelope; en wat nog vreemder is, ik zag haar niet zooals Homerus haar schildert, als Odysseus’ trouwe en geduldig wachtende gade, maar als jeugdige bruid in het licht eener sage, die mij nog zinrijker voorkomt, dan alles wat Homerus van haar gezongen heeft. Ge kent zeker de overlevering omtrent de omstandigheden van Odysseus’[103]vrijen: hoe de Spartaansche koning Icarius zijne dochter Penelope aan Odysseus had beloofd, in de hoop hem daardoor te bewegen zich in Lacedaemon neder te zetten. Toen dit hem echter niet gelukte trachtte hij de teedergeliefde dochter van haar minnaar afkeerig te maken, en toen Odysseus de bruid naar Ithaca wegvoerde, volgde haar vader hen met tranen en gebeden, zoodat Odysseus haar ernstig afvroeg of zij hem vrijwillig volgen of liever met haar vader naar Sparta wilde terugkeeren. Toen Penelope niets antwoordde, maar zedig den sluier voor het gelaat trok, liet Icarius haar ongehinderd gaan en richtte op de plaats, waar dit voorgevallen was, een beeld op gewijd aan de maagdelijke schaamte. Wat een liefelijk beeld is deze zwijgende blozende Penelope; in maagdelijke schaamte het hoofd omhullende! En juist in deze jonkvrouwelijke gestalte heb ik haar dezen nacht in den droom gezien.”Zoo vertelden Pericles en Aspasia elkander de droomen, die hun verschenen waren boven het stof der Atriden, en zij overwogen half schertsend, half ernstig of er soms een voorteeken, een verborgen zin in deze droomgezichten verscholen mocht zijn.Nog één blik wierpen zij van de puinhoopen van Mycenae op de Inachus-vlakte en het oude Archos. Daarna maakten zij zich gereed om hun weg te vervolgen en hun zwerftocht uit de Argolische bergen naar de Arcadische aan te vangen.Pericles en Aspasia schepten er vermaak in, groote afstanden te voet af te leggen en, als voor hun genoegen wandelend, op de paden van het groene woudgebergte vertrouwelijke gesprekken te voeren.Aspasia was tot dusverre gewoon alleen op kussens en tapijten te rusten: nu ondervond zij, dat het mogelijk was ook op groene zoden, op mos, kruiden en pijnboomnaalden zich ter ruste te vlijen. Wanneer zij zich soms op eene liefelijke plek nederlieten, bracht een slaaf op bevel van Pericles een der[104]boekrollen, die de zangen van Homerus bevatten, en Aspasia las haar echtgenoot op zijn verzoek plaatsen daaruit voor met hare welluidende, heldere stem. Niet zonder deze zangen hadden zij de overblijfsels van het oude Atriden-rijk willen bezoeken, en inderdaad, sinds zij deze puinhoopen hadden gezien, begrepen zij den dichter eerst ten volle.Van tijd tot tijd rees er wel een kleine woordenstrijd wanneer Pericles al te opgewonden den lof van den aartsvaderlijken heldentijd prees, terwijl Aspasia het ideaal van het menschelijk leven liever in den tegenwoordigen tijd of zelfs in de toekomst zocht.„Bij Homerus,” zei Pericles eens, „geloof ik eene merkwaardige leer te vinden; dat namelijk de mensch eens dier geweest en langzamerhand mensch geworden is. Men ziet bij hem, namelijk in de Odyssee, hoe die menschwording allengs heeft plaats gegrepen. Hij legt overal het zwaartepunt op de zegepraal van de menschelijkheid over het ruwe en dierlijke. Overal treft gij dezen strijd der menschheid aan met de nog niet volkomen verwonnen overblijfsels der dierlijkheid. Hij toont ons in de wilde Laestrygonen en Cyclopen, wat wij eens geweest zijn. Hij schildert dan vol diepen zin deze wilde halfmenschen tegenover het menschelijk edel gevoel, stelt de menscheneters tegenover de gastvrije Phaeäken, en om het menschelijke voor den terugkeer tot het dierlijke te bewaren, knoopt hij het zoo innig mogelijk aan het goddelijk vast. Pallas Athene, de Godin van menschelijk verstand en beleid, van de door menschelijkheid geadelde geestkracht, is de trouwe geleidsvrouw en hulpe zijner helden. Menschelijkheid is het wat hij predikt, menschelijkheid in tegenoverstelling van dierlijkheid. Bij hem is de reine menschelijkheid uitgedrukt in reine poëzie. In den reinen, helderen aether zweven bij hem alle voorwerpen. Welsprekender heeft de verheven eenvoud uit geen mond gesproken dan uit den zijnen.”[105]Hier stuitte Aspasia Pericles in zijn lofrede.„Met uw verlof,” zeide zij, „er is u een woord ontvallen, dat ik niet onopgemerkt mag laten voorbijgaan en dat gij zelf wellicht gaarne zult willen terugnemen. Homerus, is toch eenvoudig noch ongekunsteld, ten minste niet in dien zin, als bij voorbeeld de beeldhouwers vóór Phidias waren. Met Homerus sprong, om een oud beeld te gebruiken, de poëzie in volkomen rijpheid uit het hoofd van Zeus. Zijne taal is breed, rijk, vol. Zijne schilderingen zijn soms even prachtig als levendig, en er zijn plaatsen in de Ilias en Odyssee, die geen later dichter in rhetorische pracht en uitdrukking zal overtreffen. En zijne welsprekendheid! Zijn de woorden, waarmede de toornendeAchilles9bewogen moet worden om terug te keeren tot den strijd, en het antwoord, dat hij geeft, geen meesterstukken? En dit toch niet door hun verhevenheid alleen; maar ook, door de schikking en de treffende kracht der bewijsvoering, blijven zij modellen der hoogste welsprekendheid.”„Wat gij daar te berde brengt, is waar,” hernam Pericles.„Maar toch bezit Homerus in een zekeren zin weder datgene, wat ik verheven eenvoud noem. Wellicht bestaat het geheim der hoogste kunst daarin, dat zij, door den prachtigen stijl heen, toch dien hoogen eenvoud laat doorschemeren, met de rijpheid van het tegenwoordige de natuurlijke frischheid van den voortijd vereenigt.”Na hun tocht eenige dagen te hebben voortgezet, bevonden de reizigers zich te midden van de ruwe bergachtige streken van het herdersland Arcadië. Zij togen onder een geleide van inheemsche herders, die hun niet alleen als gidsen dienden maar ook, met knotsen en sterke lansen gewapend, te[106]gelijk als beschermers en verdedigers. Zij zagen in de eenzame bergen boven zich de adelaars in de wolken zweven, zij zagen andere vogels met scherpe klauwen en kromme snavels op steile rotsen onder luid gekras elkander bestrijden, zij zagen zwermen kraanvogels, spreeuwen en kraaien voor den havik vluchten, die van de toppen der bergen op hen nederschoot. Hier en daar dreunden bijlslagen uit de diepte van het woud en het gekraak van eeuwenoude stammen onder de handen der houthakkers. Van verscheurende dieren, die meestal alleen des nachts hunne holen verlaten, ontmoetten zij niet één op hun pad. Alleen vonden zij den bodem van Arcadië’s wouden met schildpadden bedekt, die moeilijk tusschen de kruiden en steen voortwaggelden of in de zon zich koesterden.Zoo zwierven Pericles en Aspasia door de stille dreven, en terwijl zij het vreemde en nieuwe met kalmte als iets toevalligs en voorbijgaands meenden te moeten opnemen, oefende toch alles op hen een beslissenden, onmerkbaren invloed uit en voegde het zich als eene vooraf bepaalden schakel in hun bestaan; zonder het te bemerken of te vermoeden gingen zij groote veranderingen en gebeurtenissen in hun leven en lot te gemoet.—Over bergvlakten, die tot aan de wolken reikten, voorttrekkend, hadden de reizigers dikwijls zeldzame gezichten op de geheele uitgestrektheid van Hellas. Aan den versten gezichtseinder zagen zij soms de kruinen van met sneeuw bedekte bergen glinsteren. Op zekeren dag waren zij vóór het krieken van den morgen opgebroken en trokken over het nog in nacht gehulde gebergte.„Gij rilt van den koelen morgenwind?” vroeg Pericles aan Aspasia, die huiverde.„Ik ril voor die donkere, ledige eenzaamheid der bergen,” antwoordde zij. „Mij is het te moede, alsof wij niet meer op Helleenschen bodem wandelen en alsof wij door alle Goden van Hellas verlaten zijn.”Op dit oogenblik vestigde het oog van Pericles[107]zich op een gouden wolkje, dat aan den rand van den horizon in het verre noorden zichtbaar werd. Hij wees ook Aspasia daarop. Het gouden wolkje nam grootere afmetingen aan, maar bleef onveranderd op zijne plaats en stak zonderling af bij de overige, grauwe tint van den nachtelijken hemel. Langzamerhand verkreeg de oppervlakte van het wolkje eene merkwaardige duidelijkheid en bepaalder omtrekken, die in het geheel niet meer als die van eene wolk schenen. Het zag er uit als eene gouden landouwe in de verte, waarop zalige Goden zich vermeiden. En inderdaad, toen de morgen grauwde en de lijnen van bergketens in de verte zichtbaar werden, verbreidde die glans zich sterker en de wandelaars bemerkten, dat het niet eene onbewegelijke lichte wolk geweest was, wat zij gezien hadden, maar de besneeuwde kruin van een verren berg in het noorden, beschenen door de stralen van de nog niet zichtbare zon.„Het is, geloof ik, de top van den Thracischen Olympus, den Godenberg!” zeide Pericles opgewekt tot Aspasia. „Ziet ge, dat de Goden van Hellas ons nog niet verlaten hebben? Verre weg van den zetel, waar zij in eeuwige zaligheid tronen, zenden zij door eene spleet van het hooggebergte ons een groet in deze onverkwikkelijke eenzaamheid.”„Zij willen ons zeggen,” hernam Aspasia glimlachend: „vergeet ons en al het schoone niet geheel in het sombere land der Doriërs!”Weldra echter geraakten de reizigers van de kale bergvlakten in het boom- en bronrijke westen van het Arcadische land. Hier storten zich talrijke beekjes, bekoorlijk om te zien, nu eens ruischend, dan weder zacht murmelend van de boschachtige hellingen naar beneden. Op de weilanden stond, zelfs in den zomergloed, het weelderig uitspruitend groen altijd frisch en onverdord. Hemelhoog verhieven de olmen, de beuken, platanen en eiken hun groenende takken en statige stammen omhoog. Van het geloei der kudden runderen[108]weerklonken de dalen. Overal bemerkten de reizigers, dat zij in het gebied van den forsch gebouwden God10zich bevonden, om wiens schouders het vel van den los hing, ter wiens eere op alle hoogten in den omtrek het purperen offerbloed schuimde uit de harige borst van den ram.Overal vond men zijn eenvoudig beeld opgericht, uit het hout van den olmboom gesneden, overal trof men sporen van hem aan. Hier was een borstelig evervel te zien, hem ter eere aan een plataan gehangen, daar het forsch getakt gewei van een hert, uit dankbaarheid voor hem aan een beuk gespijkerd. Aan de bronnen echter zag men nimfenbeelden, door de herders opgericht, daarnaast wijgeschenken opgehangen.Pericles en Aspasia wandelden door hooge eikenwouden, die de op- en ondergaande hemellichten met eene zee van gouden glans overtogen, en waar de zon door de kruin van een boom als een karbonkel glinsterde, lange stralen werpend, die men wanen zou met de handen te kunnen grijpen. Dat alles was hun zoo nieuw, zoo verrassend. Zij hadden op dergelijke zaken nooit hunne aandacht gevestigd.Op zekeren dag vernamen de pelgrims, terwijl zij een woud, waardoor hun weg vele uren leidde, doortogen, een ongewoon en sterk ruischen in de takken.„Ik herinner mij,” merkte Pericles op, „van een Arcadisch eikenbosch gehoord te hebben, dat Pelagos11genoemd wordt, wegens het sterke ruischen zijner tallooze kruinen, evenals de zee. Het is wellicht dit woud waar wij thans doortrekken.”De inheemsche gidsen echter, de begeleiders der zwervelingen, verklaarden dat dit ruischen in het diepe woud geen gewoon verschijnsel was en wezen te gelijk naar den hemel boven hen, die straks nog geheel helder was geweest en thans zoo dof was als beslagen staal. De Arcadiërs voorspelden[109]een naderenden storm. De reizigers verhaastten hunne schreden, om nog voor het losbreken daarvan de plaats te bereiken, waar zij voornemens waren te overnachten. Weldra echter ging het ruischen van het woud over in een wild huilen en de toppen begonnen te kraken. Enkele kleine, doch gitzwarte en van regen zwangere wolken joegen, door den wind gezweept, door het donkergrijze zwerk. De straks nog gouden zon stond vaalgeel boven de kruinen der bergen, die nog schitterden in haar bleek schijnsel. Van de toppen der boomen schoten rukwinden op den grond en zweepten loof, stof en kleine takken dwarlend voor zich op. Nu begonnen enkele droppels te vallen en weinige oogenblikken later stortte een regenvloed, in den beginne met hagelsteenen vermengd, kletterend neder. IJlings vluchtten de reizigers onder het breede beschuttend dak van een reusachtigen eik. Plotseling deed een vreeselijke donderslag het gebergte dreunen. En van toen af volgde bliksemstraal op bliksemstraal; de van onweer zwangere wolken schenen van verschillende hemelstreken tegen elkander te botsen. De rosse bliksemstralen kruisten elkander boven de hoofden der verschrikte zwervelingen en de donderslagen werden door de honderden dalen en bergen weerkaatst. Daarbij plaste de regen onophoudelijk in stroomen neder, de storm loeide, de roofvogels krijschten en uit de verte weerklonk het gehuil van den wolf.Met angstige blikken aanschouwden de reizigers uit hunne schuilplaats onder het bladerdak van den eik het vreeselijk onweer, dat rondom hen van alle kanten woedde.Daar sloeg plotseling voor hunne oogen uit een zwarte wolk, die boven den kam van eene puntige rots hing, de bliksem in een der hoogste boomen van het woud. In huiveringwekkende pracht baadde de reuzenstam zich in een zee van vuur en was in één oogwenk tijds van de kruin tot den voet in vlammen gehuld: een vonkenregen spatte neder[110]uit de knetterende takken. Een zwavellucht doortrok den aether. Van den brandenden eik echter kronkelden de vlammen zich naar andere boomtoppen en bedreigde weldra de schuilplaats der reizigers. De Arcadische mannen beloofden de zwervelingen naar de naaste hoeve te voeren, waar zij zouden overnachten. Voorwaarts langs ongebaande wegen spoedden zij zich, hunne gidsen volgend.Na eenigen tijd had de geweldige regen uitgewoed; maar men hoorde het doffe gebruis van gezwollen beken, die van de hoogten zich nederstortten in de dalen en kloven, puin en zand, gebroken takken en rotsblokken zelfs, door de woudstroomen weggespoeld, in den afgrond met zich sleepend.Intusschen was de avond gevallen en terwijl de reizigers door het woudinallerijl hun weg vervolgden, bedaarde het onweder. Weldra werden de wolken door de winden uiteen gedreven en de maan ging rustig op over het woud en de hoogten, die nog zooeven hadden gedaverd van den wilden strijd der elementen.Nu bereikten de vluchtelingen eene groote opene plek in het bosch, eene met kruiden bewassen vlakte, die over eene zachte helling zich naar beneden uitstrekte. Een groot verrassend panorama deed zich hier in de stilte van den nacht aan hunne blikken op. Heinde en ver verhieven zich de toppen der bergen en puntige kruinen in het zilveren schijnsel der maan, die nu eens geheel helder aan den reinen hemel stond, dan weder beneveld door voorbij drijvende wolkjes haar licht verspreidde. Het oog had veel te aanschouwen en de vermoeiden wandelden als in een wakenden droom voort. Daartusschen bruisten de woudstroomen met machtig geweld. Midden in die open plek lagen eenzaam de hoeve en hof van een herder. Toen de reizigers zich gereed maakten daarop toe te treden, trad hun plotseling een man in den weg, die gewapend en met dierenhuiden bedekt was en die klaarblijkelijk het erf tegen de nachtelijke aanvallen van wilde dieren bewaakte. Een paar geweldige[111]honden liepen blaffend aan zijne zijde.Spoedig brachten de inheemsche gidsen hem op de hoogte van de zaak. Zij verlangden gastvrijheid voor de Atheensche reizigers. De wachter voerde de vreemdelingen, nadat hij de blaffende honden met steenen tot rust had gebracht, achter den met hagedoorn omschutten muur, die de hoeve omgaf en eene ruime plaats vormde, waar in het midden een wachtvuur brandde. De eigenaar der hoeve, een eenvoudig herder, naderde enheettede gasten welkom, zonder naar hun afkomst of naam of naar het doel hunner reis te vragen. Hij liet een hamel slachten, om dien voor het onthaal zijner gasten bij het vuur te braden.Nadat hij de reizigers alzoo had verkwikt, wees hij de slaven hun nachtleger in de schuren aan; aan Pericles en Aspasia echter stond hij de kamer van zichzelven en van zijne vrouw af en liet voor hen een helder leger spreiden, terwijl hij rijshout en dorre kruiden op den grond strooide en dit met zachtwollige schapenvachten bedekte. Tot dek gaf hij hun eenige geitenvellen en bovendien zijn mantel.De afwisselende wederwaardigheden, de kleine avonturen, ja zelfs de ongemakken eener reis vermeerderen het genot van reizenden, in plaats van dit te verminderen. De onophoudelijke afwisseling van beelden en gebeurtenissen verschaft ten laatste een onuitsprekelijk genoegen en uit de vrije lucht des hemels stroomt den vermoeiden niet alleen nieuwe kracht en verfrissching toe, maar ook eene blijmoedige stemming.Pericles had zich nooit opgewekter gevoeld dan hier in de hut van den herder bij het gezicht van dat armoedig leger. De zilveren klank van Aspasia’s lach mengde zich zelfs eigenaardig bij het idyllisch geloei der runderen uit de dampende stallen.…„Hoe veel zonderlings bescheren ons de Goden, aan wie wij ons op onzen zwerftocht hebben toevertrouwd!” zeide Pericles. „Vóór weinige dagen[112]hadden wij tot slaapvertrek eene eeuwen-oude koningsgroeve, die ons midden in de Ilias verplaatste, en heden schijnt het, dat wij de avonturen der Odyssee zullen beleven. Die geest van Homerus omzweeft ons, sinds wij den Isthmus hebben overschreden; ik denk, dat wij door ons zwerven geheel zullen veranderen en als wij teruggekeerd zijn kwalijk meer passen bij de verfijnde, schier verwijfde Atheners!”Toen Pericles en Aspasia, vroegtijdig gewekt door het geblaf der honden en het krachtig geloei der runderen, van hun leger verrezen en in den ruimen hof naar buiten traden, zagen zij de boersche herdersknechten zich naar de stallen begeven. Een groote, ruigharige hond speelde met eene schildpad, die hij in het nog natte gras had gevonden. Hij greep haar onder luid geblaf en allerlei sprongen nu eens met den poot, dan eens met den bek en trok haar om en om, tot zij dood op den rug lag. Een andere hond vocht of liever speelde met een bok. De bok stiet hem met de horens, de hond echter hapte naar den baard van den bok en trachtte hem te bijten. Aan de bron zat een naakt kind en wierp met steentjes naar de schitterende zonneschijf, die zich in de oppervlakte van het water spiegelde.Nu kwam uit de stallen de kudde runderen met zwaren tred aanwaggelen: vooraan, fier in het bewustzijn zijner kracht, de springstier; de kalveren sprongen blatend om hunne moeder. Twee knechts volgden met kromme herdersstaven in de hand, van twee geduchte honden vergezeld. Vervolgens kwamen de blatende geiten, door jongens geleid. Den vooraan loopendengeitebokvatte de herder bij zijn harigen kin en streelde hem. „Deze trouwe bok,” zei hij tot Pericles en Aspasia, „kondigt in donkere nachten den wolf of den los, die het erf besluipt, aan, zelfs wanneer de honden slapen en verzuimen het roofdier te bespringen.”De blatende kudde lammeren echter vereenigde zich om een donkerbruin meisje, wier hoofd door een breedgeranden hoed overschaduwd werd en die[113]een herdersstaf in de hand hield. Het meisje had iets over zich, wat in het eerste oogenblik de aandacht trok en een indruk te weeg bracht, waarvan men zich niet onmiddellijk rekenschap kon geven. Zag men echter nauwkeurig toe, monsterde men hare gestalte en het schamel gewaad, dat haar bedekte, dan bemerkte men, dat het een herdersmeisje was, zich ter nauwernood van andere onderscheidende, en men zag niets bijzonders aan haar, dan blonde haarvlechten en oogen van eene vreemde soort. Deze oogen namelijk waren merkwaardig diep en mijmerend, en schenen zelfs in deze,haar welbekende en alledaagsche omgeving met eene soort van kinderlijke verbazing rond te staren.De lammeren verdrongen zich blatend om haar en sprongen tegen haar op. Een der jongste, glinsterend wit, likte liefkozend de uitgestrekte hand van het meisje.Toen de geheele kudde lammeren de poort van den hof, door het meisje geleid, uitgetrokken was, naderde de gastvrije herder Pericles en Aspasia en zij vernamen van hem, dat de jonge herderin zijne dochter was, zijn eenig kind, en dat zij Cora12heette. Hij zette hun nu verscheidene versnaperingen uit zijn landelijken voorraad tot een ontbijt voor, waarin zijne vrouw Glycaena hem de behulpzame hand bood.Pericles vroeg den herder of hij wilde toestaan met de zijnen een dag lang bij hem rust te houden, omdat zij na de inspanning van den laatsten tocht zeer vermoeid waren.Met blijdschap willigde de herder dit verzoek in, liep naar zijne vrouw en zeide met geheimzinnig gebaar:„Glycaena, ik geloof bepaald, dat die beide vreemdelingen die in onze hoeve gekomen zijn, geen stervelingen zijn. Wat hun uiterlijk en schoonheid van gestalte betreft, schijnen zij mij verkleede Goden toe, zooals die toch menigmaal bij arme[114]herders hun intrek hebben genomen. Ook roeren zij bijna de spijzen niet aan, die men hun voorzet.”„En de slaven,” vroeg Glycaena, „houdt gij die ook voor Goden?”„Neen,” zei de herder, „die eten en drinken als gewone menschen. Maar die beiden—nu om het even! Onthaal ze maar, zoo goed gij kunt.”Daarop keerde de herder tot zijne gasten terug, leidde hen overal rond, toonde hun zijne stallen en zijne graanzolders, benevens zijne gladgeboende melkemmers, de tot den rand toe met melk gevulde vaten en de korven, met kaas gevuld. Hij voerde hen ook naar de in hun kotten achtergebleven zeugen en biggen met hun glinsterend wittetanden, prees hun malsch vleesch en voederde ze voor hunne oogen met steeneikels en roode kornoeljes. Nauwelijks gaf Aspasia te kennen, dat zij vermoeid was en wel eens wilde rusten of de herder was aanstonds met een gespikkeld gemzenvel gereed, om het voor haar uit te spreiden en lachte daarbij met eene sluwe uitdrukking op zijn gelaat, alsof hij wilde doen merken, dat hij wel wist, welke behandeling verkleede Godinnen van de stervelingen vereischten.Huiden en koppen van gedoode roofdieren waren aan de omheining van den hof, alsmede aan de boomen, die hem omgaven, in grooten getale opgehangen, en nadat Pericles en Aspasia ook deze beschouwd hadden, ademden zij, in de vrije natuur wandelend en aan zichzelven overgelaten, ruimer de geurige lucht der kruiden op de berghelling in. In het frissche groen, als door de geweldige regen schoongewassen, glinsterde de berg in de stralen der morgenzon. De bedauwde grashalmen schitterden op hunne naar de zon gekeerde zijde als blank geslepen klingen. Een zwerm kraaien vloog in volle vaart over de dreven, streek op een eenzaam staanden boom neder, vloog na weinige oogenblikken even haastig weder op en verloor zich in den blauwen aether. Over de verwijderde[115]bergtoppen zag men herders met hunne kudden trekken. De valleien daartusschen waren geheel met een witten nevel en damp gevuld, die als de zee golfde, en waarin de van de hoogte wijdende kudden schenen ondergedompeld te worden en te verdwijnen. Lammeren en runderen zag men in alle dalen grazen en vlugge geiten klauterden tegen de rotshellingen op. Hier en daar klonk de toon der syrinx13, alsmede gezang, het tijdverdrijf der herders op het veld. Van zekeren kant vernamen de beide wandelaars tonen, die hun bijzonder liefelijk in de ooren klonken. Zij sloegen den weg in, vanwaar het geluid kwam en vonden eene groep herders, die luisterend zich om den voortreffelijken fluitspeler hadden geschaard. Weldra echter trad uit het midden der luisterende schaar een herder, die zich met hem in een wedstrijd wilde meten. Toen Pericles en Aspasia naderden, viel beiden fluitblazers de schalmei uit den mond, ja bijna uit de handen, en alle herders rondom stonden getroffen door de vreemde verschijning. Toen Pericles echter hen vriendelijk verzocht hun wedstrijd voort te zetten en hun zeide, dat zijne gemalin en hij Atheners waren, die, op hunne reis naar Elis, door een geweldig onweder overvallen, hier eene schuilplaats hadden gezocht, begonnen de beide kunstvaardige herders met nog grooter ijver dan straks hun wedstrijd opnieuw en verzochten den Athener en zijne gemalin het rechtersambt te vervullen.Pericles en Aspasia waren opgetogen over de verrukkelijke tonen der herdersfluiten. Zij verbaasden zich dat onder zulke ruwe, onbeschaafde menschen, als deze bergbewonende Arcadiërs, eene, zij het ook gebrekkige kunst tot zulk eene hoogte en volkomenheid kon geraken.Aspasia vroeg de herders, of zij ook niet in nimische dansen met elkander konden wedijveren. Toen wezen zij op den jongste onder hen, een slanken[116]knaap, die op Pericles’ verzoek te voorschijn trad en half koddig, half bekoorlijk een landelijken dans ten beste gaf, waarin hij verschillende werkzaamheden van het landleven in nimische dansen wist voor te stellen.„Zoudt gij ook niet eens een dans met uw tweeën kunnen uitvoeren?” vroeg Aspasia den knaap.„Als Cora maar wilde—” sprak hij op bijna treurigen toon en met zwaarmoedige oogen voor zich uit ziende.„Cora?” riepen de andere herders lachend. „Malle jongen! wat spreekt ge van Cora? Cora wil niets van u weten!”De knaap zuchtte en sloop weg.Verder wandelend bereikten Pericles en Aspasia eene lammerweide, die aan het oog onttrokken door boomen aan alle kanten omgeven was. Hier vonden zij Cora te midden van hare lammeren zittend. Eenige der jonge witwollige schaapjes vergaten het malsche gras en lieten, liever om Cora liggend, hunne koppen op hare knieën rusten. Cora zelve echter zat met gebogen hoofd geheel en al verdiept in de beschouwing van eene schildpad, die op haar schoot lag en die het meisje met hare schoone, heldere en schrandere oogen aankeek.„Waar hebt gij dit dier gevonden?” vroeg Pericles, die met Aspasia genaderd was. Het meisje was zoo geheel in gedachten en mijmering verzonken, dat ze de beide vreemdelingen eerst bemerkte, toen zij voor haar stonden. Nu keek zij op, mat beide met een blik uit hare groote, ronde, kinderlijke oogen en zeide:„Uit het bosch hier nabij komen deze dieren van zelf tot mij kruipen. Vooral deze hier komt altijd terug en is zoo weinig schuw, dat zij haar hals en kop, in plaats van ze in te trekken, altijd zoo ver mogelijk uitsteekt en mij onophoudelijk met hare heldere oogen aankijkt. De oude Baubo zegt, dat Pan soms zelf in de gedaante van eene schildpad zich verbergt.Ik geloof,” ging het meisje zacht voort, „dat ook deze iets geheimzinnigs in[117]zich verbergt; want sinds zij altijd tot mij uit het bosch komt en den dag bij mij en de lammeren doorbrengt, vermeerdert en gedijd de geheele kudde op een wonderlijke wijze.”Toen zij eenmaal aan het praten was, liet het Arcadisch meisje zich gaarne door Aspasia’s vragen verleiden voort te gaan met haar zonderling en kinderlijk gesnap. Liefelijk was het te hooren, hoe het herdersmeisje met hare ernstige oogen van den woud- en herdersgod Pan vertelde, hoe zijn fluitspel uit de verte in de eenzame bergen weerklonk, hoe hij zich nu eens genadig, dan weer luimig toonde. Zij verhaalde ook van de Satyrs, met hunne bokspooten, die de wouden doorzwierven, niet alleen de Nimfen, maar ook de herdersmeisjes plagend vervolgden, en van éénen, die ook haar had nagezet, tot zij hem met een brandend houtverjoeg, dat zij uit een wachtvuur in het bosch had genomen; voorts van de Nimfen, die zich evenals de Satyrs in de wouden ophouden en die soms den mensch bij het maanlicht ontmoeten; wat echter een ongeluk is, want wie eene Nimf in het woud ziet, wordt met waanzin geslagen en is voor altijd verloren.De ziel van het meisje was geheel vervuld van de wonderlijken sagen en sprookjes van haar Arcadisch geboorteland. Zij sprak van diepe poelen en huiveringwekkende bergkloven, van door de Goden gevloekte meren in het woud, in welker wateren geen visch kon leven, van holen, waarin booze geesten hunne schuilhoeken hadden, van merkwaardige heiligdommen van Pan op eenzame, sombere berghoogten. En hoe huiveringwekkender de verhalen van het meisje waren, des te wijder zette zij hare kinderlijk beangstigde oogen open.„Op den Stymphalos,” zeide ze, „daar hangen onder het tempeldak de doode Stymphalische vogels, zooals de held Heracles14ze had geveld.[118]Mijn vader zelf heeft ze gezien. Achter in den tempel staan marmeren beelden van jonkvrouwen met vogelpooten. Die doode Stymphalische vogels zijn zoo groot als kraanvogels en zij vlogen op de menschen aan, toen zij nog leefden en verbrijzelden hun de hoofden met hunne snavels en aten hen dan op. Hunne snavels waren zoo sterk, dat zij zelfs koper daarmede konden doorbijten.”Van de door de Goden vervloekte meren in het woud, waarin geen visch kon leven en waarin zelfs de vogels, die er toevallig over heen vlogen, dood neervielen, kwam zij op het verschrikkelijke water van den Styx, dat in de somberste bergkloof van Arcadië hoog van de woeste rotsen neerdruipt; en van de akelige wateren op de wilde dieren der bergwouden en de jachten, die de Arcadische mannen daarop maakten. Toen echter verloor haar oog de kinderlijk angstige uitdrukking en eene moedige ziel straalde uit haar blik. Zij verhaalde, hoe de herders, wanneer een roofdier in de nabijheid der hoeve zich ophield, menigen stormachtigen nacht onder den blooten hemel moesten doorbrengen, hoe men op grooten afstand schitterende vuren in de hoeven onderhield, hoe men het luide gebrul van het hongerige roofdier in de stilte des nachts van verre uit het woud kon hooren en hoe dan alles zich opmaakt om zijn spoor te vervolgen, of hoe men het in eene hinderlaag opwacht, en, wanneer het zijn sprong over den ringmuur van het erf wagen wil, men plotseling uit den schuilhoek op het dier losgaat met het werpen van speren en steenen en brandende houten, totdat het bezwijkt, overweldigd door de schaar zijner bespringers.Pericles en Aspasia waren verrast over de uitdrukking van moed en belangstelling, die bij deze verhalen uit de blikken en gebaren van het herdersmeisje[119]sprak, in wier gemoed zooeven nog, buiten het bijgeloof en de verhalen en sprookjes van haar geboortegrond, voor niets anders ruimte scheen overgelaten.„Het komt mij voor,” zeide Aspasia, „dat gij aan zulke gevechten niet ongaarne deel zoudt willen nemen.”„O, dol graag!” riep het meisje. „Ik heb behalve dien boozen, overmoedigen Satyr ook reeds tweemaal een wolf, die mijn kudde wilde bespringen, met een brandend hout verjaagd.”„Het meisje herinnert mij,” zeide Pericles tot Aspasia, „zooals zij in dit oogenblik voor ons staat, aan die beroemde dochter van het Arcadische land, Atalante15die, door haar vader als kind te vondeling gelegd, omdat hij geene dochters, alleen zonen wilde hebben, door eene berin gezoogd en door jagers opgevoed werd en vervolgens in de Arcadische wouden met speer en boog gewapend rondzwierf, een schrik der wilde dieren, een stoute, maagdelijke jageres, die van geen zachtere aandoening iets weten wilde.”„Zijt gij altijd zoo alleen bij uwe lammeren?” vroeg Aspasia. „Is er niets, waar ge van houdt en wat ge altijd om u zoudt willen hebben?”„Wel zeker!” riep Cora en zag de vraagster weder met die kinderlijk verbaasde uitdrukking harer oogen in het gelaat. „Ik houd veel van deze schildpad, met hare schrandere oogen, die mij altijd aankijkt en die misschien plotseling eens van gedaante verandert en met mij begint te spreken, want ik droom soms ’s nachts van haar en dan spreekt zij altijd. Ik houd ook veel van de lammeren; en ook die welbekende, ritselende boomen rondom mij heb ik lief en uren lang hoor ik naar hun geritsel. Ik houd ook van den zonneschijn; doch de op de bladeren kletterende regen is mij insgelijks lief, als mede de donder, die zoo statig[120]door het gebergte rolt. Ook van de vogels houd ik, zoowel de grootere, de adelaars en de kraanvogels, die hoog boven mijn hoofd vliegen, als van de kleinere die op de takken zingen. Het meest echter heb ik de verre bergen lief, vooral des avonds, als de ondergaande zon hen met eene rooskleurige tint overdekt, of in den nacht, als hunne toppen, terwijl alles stil, doodstil is, zoo rustig daar staan door het witte maanlicht omschenen.”Pericles en Aspasia glimlachten. „Het schijnt, dat wij ons op nieuw hebben vergist,” zeide Pericles, „daar wij een herdersmeisje, dat van zoovele dingen houdt, onvatbaar hielden voor alle zachtere aandoeningen.”Aspasia trok Pericles ter zijde en sprak:„Wat voor oogen zou dit eenvoudig, Arcadische herdersmeisje opzetten, dat met de schildpad op den schoot zit en meent, dat het dier zich in een God zal herscheppen, wanneer men haar plotseling in Athene verplaatste! Hoe koddig zou zij zich aanstellen, als ik haar bij die beide, mij toevertrouwde meisjes bracht, die ik tot mij heb genomen en die men reeds in Athene mijne school begint te noemen!”„Zij zou als een raaf onder de duiven zijn!” hernam Pericles.Altijd weer opnieuw voelden zich beiden aangetrokken door het gekeuvel van het meisje, waarin een zonderlinge phantasie en eene even eigenaardige soort van gevoel zich openbaarden. Weldra echter begon Aspasia met de Arcadische van rol te verwisselen, daar zij van toehoorderes zelve ging vertellen. Zij begon het herdersmeisje van Athene te verhalen, tot Pericles haar verzocht een einde aan ’t gesprek te maken, daar hij gaarne had, dat zij met hem den ingeslagen weg vervolgde. Weldra verdwenen de wandelaars in het bosch. Het was middag geworden, de zon had de vochtigheid van den morgen opgetrokken en het struikgewas verwarmd en al zijne heerlijke geuren doen ontwikkelen. Op de open weiden in het woud[121]en in de houtspleten stonden hoog opgeschoten, bloeiende heesters, welker geuren vereenigd met de aroma’s van de boomhars de berglucht verkwikkend, ja bijna bedwelmd maakten. Van cicaden16wemelde het hout onder de brandende zon.Toen de wandelaars in de eenzaamheid van het woud uitrustten, kropen ook naar hen de schildpadden toe, waarvan Cora zooveel hield; ook boven hunne hoofden vlogen de groote vogels en zongen de kleine in de takken; het ritselen der toppen, waarnaar Cora uren luisterde, ruischte over hen en Cora’s geliefde zonneschijn speelden om hen heen.„Het diep geruisch dezer Arcadische wouden,” zei Pericles, „dat als van een oneindigen afstand schijnt te komen en zich in een oneindigen afstand weder verliest, vervult mij met eene zonderlinge huivering. Iets dergelijks heb ik nooit in mijn leven ondervonden. Ik heb nooit naar de stemmen van een woud geluisterd; onverschillig ben ik verschijnselen voorbij gegaan, die mij nu plotseling iets schijnen te willen zeggen. Zie ginds eens dien fijnen, in de zon schitterenden draad, die van den top van den haverhalm tot aan de bloem van dat blauwe klokje gespannen is: hebt gij wel eens het wonderfijne, zilveren weefsel der spin met aandacht beschouwd? Dit Arcadische meisje leert ons, dat men ook dingen beschouwen kan en liefkrijgen, die men gewoonlijk ter nauwernood opmerkt en die men onbewust geniet, zonder dat men er dankbaar voor is, evenals men ademhaalt.”„Uw gemoed, dierbare Pericles,” hernam Aspasia, „is naar ’t schijnt, zeer ontvankelijk voor nieuwe indrukken. Thans heeft een Arcadisch herderskind u eene geheel nieuwe en ongewone liefde ingeboezemd, eene liefde voor boomen en drijvende wolken en hoog vliegende vogels, en de geur der Arcadische bergkruiden, schijnt u wellicht reeds[122]welriekender, dan die van alle rozenpriëelen van Milete!”„Gij zult toch toe moeten geven,” hervatte Pericles, „dat deze geurige woudlucht het hart verkwikt en dat daarentegen de bedwelmende geur der rozen de geestkracht van den mensch ten laatste verslapt. Inderdaad, ik voel mij hier door den adem van een vernieuwd leven bezield. Toen wij eens op de Acropolis in de Pangrot stonden en gij over den herdersgod den neus ophaaldet, vermoedden wij niet, dat deze God ons later eens zoo vriendelijk te gast nooden, zoo heerlijk onthalen zou. Vreedzaam geluk omgeeft ons hier, en wanneer ik mij in den geest uit deze voorwereldlijke stilte in het woelig Athene terug verplaats, dan schijnt mij het onstuimig jagen en drijven dier menschen schier ijdel, tegenover de goddelijke rust dezer herders op hunne eenzame bergen.”„Ik deel maar ten halve uwe ingenomenheid met de genietingen, die de gastvrijheid van den herdersgod ons hier bereidt,” zeide Aspasia. „Deze menschen zijn plomp en eenvoudig, de verre sneeuwkruinen doen mij huiveren en het gebergte in de nabijheid beangstigt mij, als zou het mij onder zijne toppen bedelven. Het ernstig, eentonig ruischen van die hooge, rijzige dennen doet mij onaangenaam aan, en schijnt mij juist geschikt om in het menschelijk gemoed een somber, naargeestig en dweepend gevoel aan te kweeken. Ik voor mij bemin zonnige dreven, bloeiende velden, stranden met een ruim gezicht op zee. Ik verkies die oorden, waar de van vernuft tintelende geest zich in schoone rijpheid ontwikkelt. Gij zoudt, dunkt mij, gaarne bij deze herders willen achterblijven; ik daarentegen zou ze allen wel van hier willen wegvoeren, om ze tot menschen te vormen. Welaan, doe, zooals Apollo deed, wien het insgelijks eens behaagde zich onder de herders te begeven en kudden te weiden17. Blijf hier! Gij kunt dan als[123]eene cicade leven: wijs, zonder leed en bloed. En lust het u soms nog nuttig werkzaam te zijn, dan kunt ge krekelvallen vlechten of lijmstokken behendig tusschen de boomtakken steken, om vogels te vangen, of met steenen door den slinger geworpen, de spreeuwen en kraanvogels van de zaadvelden verjagen. Of gij kunt de lammeren van Cora hoeden, die mij naar Athene zal vergezellen.”Pericles glimlachte. „Denkt gij dus inderdaad,” zeide hij, „Cora met u te nemen?”„Wel zeker, denk ik dat te doen!” hernam Aspasia, „en ik hoop, dat gij uwe toestemming daartoe niet weigeren zult.”Pericles was verrast. „Mijne toestemming,” zei hij, „zal u niet geweigerd worden, maar welke bedoeling hebt gij daarmede?”„’t Is louter eene aardigheid,” antwoordde Aspasia. „Dit Arcadische meisje zal mij gewis vermaken. Ze doet mij lachen, als ik in hare groote, ronde, angstig rondkijkende oogen zie.”’t Was, zooals Aspasia zeide: zij wilde zich met dat meisje vermaken, zij wilde er genoegen in scheppen te zien, hoe zonderling het bijgeloovig, onervaren herderskind zich gedragen zou, wanneer men het plotseling in het oververfijnde Athene verplaatste.De ziekte van een zijner slaven noodzaakte Pericles nog een tweeden dag de gast van den herder te blijven.Ook dezen dag bracht het Atheensche paar meest in het gezelschap van het bruine herdersmeisje door. Weder snapte Cora, verteldeherdersgeschiedenissen, ja zij zong zelfs eenige zonderlinge, kinderlijke liederen, die zij zelve gemaakt had, zooals het volgende:Het beekje komt van ’t rotsgebergt’En stort zich in het woud;Er grazen reeën in het dal,Het lachend ze aanschouwt.[124]’t Besprenkelt bloem en blad met dauwEn lescht der dieren dorst,En komt de barre winter aan,Wordt het met ijs omkorst.Zij vertelde ook van den verliefden Daphnis18, die van zwaarmoedigheid en verlangen wegkwijnde en dien daarna alle dieren betreurden. Dit droevig verhaal beviel echter aan Aspasia niet: zij luisterde er naar met een spottenden glimlach om de rozelippen en teekenen van afkeuring …Toen zij voortwandelende aan eene bron kwamen, door sappige kruiden omgeven, waaruit een kristalhelder beekje gevormd werd, en Aspasia zich daarin wilde spiegelen trok Cora haar angstig terug en waarschuwde haar, zeggende, dat iemand, die zich in eene bron spiegelt, somwijlen plotseling een ander beeld dan het zijne daarin ziet, namelijk dat van eene Nimf, die hem uitlacht, en dan was hij verloren.Toen de zon in het zenith stond en de toon eener syrinx in de broeiende middagstilte vernomen werd, zei Cora: „Pan zal weder boos worden; hij wil niet, dat men hem op den middag, als hij rust, door syrinxen of andere geluiden uit zijne sluimering zal wekken.”—De muziek echter kwam van den herdersknaap, die den vorigen dag, op Pericles’ en Aspasia’s verzoek, een landelijken dans had uitgevoerd. Wel wist de knaap, dat Pan van den klank der syrinx in het middaguur niet hield; maar hij bespeelde altijd de syrinx, als hij bemerkte, dat Cora in de nabijheid was, omdat hij meende haar daarmede genoegen te doen. Cora echter berispte den armen jongen. En toch had zij een week gemoed. Zij redde voor Pericles’ en Aspasia’s oogen een cicade die zich in het web eener spin verward had.Ernstig en aandachtig luisterde het meisje weder, toen Aspasia haar opnieuw van Athene begon te vertellen.[125]Met opzet schilderde Aspasia in de gesprekken, die zij met Cora nog in den loop van den dag hield, het leven in de stad der Atheners in verleidelijke kleuren. Zij verstoorde den vrede dezer idyllische natuur, zij verwekte een wanklank in de harmonische wereld van dit kinderlijk hart. Eindelijk vroeg zij Cora of zij met haar naar Athene wilde gaan. Het herdersmeisje zweeg, maar scheen in diepe gedachten verzonken.Aspasia wendde zich tot de ouders van Cora en verklaarde hun, dat zij Cora gaarne met zich mede naar Athene wilde nemen, en hunne dochter daar een gelukkig lot zou verbeiden.„Dat mogen de Goden geven!” zei de eerlijke herder. „Dat mogen de Goden geven!” herhaalde de herderin. Maar zij zeiden niet ja.—En zoo dikwijls Aspasia de vraag om hunne toestemming herhaalde, zeiden beiden altijd dit ééne:„Dat mogen de Goden geven!”Men zag, dat het aan het vaderlijk en moederlijk hart zwaar viel, hun eenig kind, zij het ook voor het gelukkigst lot, van zich te laten gaan.Aan den avond van dienzelfden dag werd Cora plotseling gemist, nadat zij toch met hare lammerenkudde reeds naar huis was teruggekeerd en langen tijd werd zij te vergeefs gezocht. Eindelijk zagen Pericles en Aspasia, niet verre van den ingang van het hof staande, het meisje de helling afkomen. Maar zij kwam in zeer zonderlinge houding. Zij had namelijk de handen stijf tegen de ooren gedrukt. Op eenigen afstand van Pericles en Aspasia stonden, buiten de hoeve, de slaven van Pericles in eene groep bijeen. Toen het meisje deze groep genaderd was, nam zij plotseling de handen van de ooren weg en scheen naar de woorden der slaven, die onder elkander praatten, te luisteren. Bijna op hetzelfde oogenblik scheen zij te ontstellen, drukte de hand tegen de borst en bleef een oogenblik als in den grond geworteld staan. Pericles en Aspasia gingen naar haar toe en vroegen naar de oorzaak van hare ontsteltenis.[126]„Ik heb Pan gevraagd,” antwoordde zij, „of de Goden wilden, dat ik met u naar Athene zou gaan.”„Hoe dan?” vroegen beiden.„Ginds onder in het dal,” zeide het meisje, „ligt eene grot, aan Pan geheiligd. Daar staat het beeld van den God, uit eikenhout gesneden, in de spelonk. Derwaarts begeven zich alle herders, als zij iets geheimzinnigs te vragen hebben. Men fluistert den God de vraag stil in het oor, houdt vervolgens zijne eigene ooren met de handen dicht, totdat men onder menschen komt, die juist met elkander spreken. Dan trekt men de handen plotseling weg en het eerste woord, dat men verneemt, is de orakelspreuk van Pan, het antwoord van den God op de vraag, die men hem in het oor heeft gefluisterd.”„En welk woord hebt gij het eerst onder die slaven gehoord?” vroeg Aspasia.„Het woord Athene!” hernam Cora en beefde daarbij van aandoening.„Pan wil derhalve, dat ik naar Athene ga,” vervolgde zij zuchtend.„Hij staat u toe uwe lievelings-schildpad mede te nemen,” zei Aspasia glimlachend.De ouders van Cora kwamen nader.„Pan wil, dat ik naar Athene zal gaan,” zei het meisje op treurigen, maar beslisten toon. En zij deed nog eens het verhaal, hoe zij in de grot van Pan zijn orakel had geraadpleegd.De herder en zijn vrouw luisterden naar hare mededeeling, zagen elkander ontroerd aan en herhaalden toen, op niet minder treurigen toon dan het meisje, de woorden:„Pan wil, dat Cora met de vreemdelingen naar Athene zal gaan!”—Toen gingen zij naar hun weenend kind, drukten het in hunne armen en kusten het.„Cora zal beloond worden voor hare gehoorzaamheid aan den God,” zei Aspasia. „Zij zal dikwijls boden zenden, die u berichten en geschenken van[127]haar zullen brengen en als gij oud zijt geworden, zal zij u bij zich noodigen, om het overige uwer dagen rustig bij haar te slijten.”„Gisteren reeds wedervoer ons een voorteeken in ons huis,” zei de herder ernstig, „doordien eene slang die het nest eener zwaluw onder de kroonlijst wilde besluipen, door het rookgat midden op den haard naar beneden is gevallen.”Aspasia sprak nog eenigen tijd met het herderspaar, om het te bemoedigen en te troosten, en zwijgend, schoon met gebroken hart, voegde het zich in den wil van den God.Treurig weerklonk in de verte de syrinx van den verliefden herdersknaap, terwijl hij in de schaduwen der stille paden van het landelijk erf ronddoolde.Nu gingen allen te zamen in de hoeve, om daar den nacht door te brengen, die voor Pericles en Aspasia de laatste was in de Arcadische bergen. Want met het krieken van den morgen waren zij voornemens op te breken en hunne reis naar Elis voort te zetten, waar grootere dingen hen verbeidden dan hier in het stille herdersland.1Arcadië is een landschap in het midden van de Peloponnesus (Moréa) gelegen.↑2De Peloponnesus.↑3De landengte tusschen Hellas en de Peloponnesus, ook die van Corinthe geheeten. In het algemeen iedere landengte.↑4De Styx is eene ijskoude, vergiftigde bron in Arcadië, ook eene rivier in de onderwereld.↑5Sinis, volgens anderen Sinnis, bond de reizigers, die hij in zijne macht kreeg, aan samengebogen boomen en liet hen zoo van een scheuren. Hij werd door Theseus gedood.↑6De „Zeven Vorsten”, die op verzoek van Polynices, den zoon van Oedipus tegen Thebe optrokken om hem, die door zijn broeder Eteocles verdreven was, weder op den troon te plaatsen waren: Adrastus, Amphiaraüs, Hippomedon, Capaneus, Parthenopaeüs en Tydeus; Polynices wordt als zevende genoemd.Aeschylusheeft die stof dichterlijk behandeld.↑7Bij Homerus alzoo genoemd.↑8De Atriden d.i. zonen van Atreus, waren Agamemnon, koning van Mycenae en Menelaüs van Sparta.↑9In het eerste boek der Ilias wordt de toorn van Achilles beschreven; Agamemnon heeft hem zijne schoone slavin Briseïs ontvoerd, omdat hij zijne eigene, Chryseïs,op last van Apollo, bij monde van den priester Calchas overgebracht, aan haar vader Chryses heeft moeten teruggeven. Daarom is Achilles vertoornd en kan noch door gebeden noch door geloften er toe gebracht worden, om weder aan den strijd, waaraan hij zich onttrokken heeft, deel te nemen. Alleen de dood van zijn boezemvriend Patroclus, door Hector geveld, ontvlamt hem weder tot den strijd.↑10„Pan”.↑11Het Grieksche pelagos beteekent: „zee”.↑12Cora (in het Grieksch Kora) beteekent: meisje.↑13De syrinx is eigenlijk iedere pijp, de pijpfluit, die uit verscheidene naast elkander vereenigde en trapsgewijze afnemende pijpen, ongelijk van dikte en lengte, bestaat: de herders- of Pans-fluit.↑14Het dooden der Stymphalische vogels was een der twaalf werken, Heracles (Hercules) door zijn broeder Eurystheus opgelegd. Door Hera met waanzin geslagen had Heracles zijne drie kinderen, bij Megara, dochter van den Thebaanschen koning[118]Creon verwekt, gedood, en moest, op last van den Delphischen God, als boete volbrengen wat Eurystheus hem zou opleggen. Het meer, waarom die vogels met koperen vleugels, bek en klauwen, zwierven heette Stymphalis; Stymphalos is de naam van een berg in Arcadië. De vogels zelve worden Stymphaliden genoemd.↑15Atalantewas de dochter van Iasus en Clymene en werd op den berg Parthenius te vondeling gelegd. Zij nam deel aan denArgonautentochten de jacht op het Calydonische zwijn. Later werd zij aan hare ouders teruggegeven.↑16Krekels. In het Latijn heet een krekel cicada, wellicht ware het meer consequent geweest, zoo de schrijver tettix, het Grieksche woord daarvoor, gebezigd had.↑17Apollo weidde de runderen van Admetus, koning van Pherae in Thessalië.↑18Volgens de mythe een zoon van Hermes en eene Nimf.↑

[Inhoud]XVII.HET MEISJE UIT ARCADIË1.Eenige jaren waren zoo voorbijgegaan. Aspasia had moedig gestreden, maar zij mocht zich niet beroemen gezegepraald te hebben. Het onstuimige tooneel in den Thesmophoriën-tempel was in de stad bekend geworden en Aspasia had de vernedering te verduren, die onder alle omstandigheden met eene nederlaag gepaard gaat. Het ontbrak overigens ook niet aan dezulken, die haar aanhingen: het grootste deel echter van haar geslacht was door nijd, verblinding en de boosaardige uitstrooisels harer vijandinnen op haar gebeten.Eene zwaarmoedige stemming maakte zich soms van Pericles meester. Hij dacht aan het onbewolkt geluk, dat hij met de Milesische in de korte, maar zalige, eenzaamheid aan hetIonischestrand had gesmaakt. Soms maakte zich een gevoel van hem meester, als moest hij nogmaals de zorgen van den dag afschudden en wegvluchten uit het woelige Athene, waar zijn beste oogenblikken door den hatelijken laster der menschen, die als het[87]gegons der bijen zijn hoofd omzweefden, verbitterd werden.Toen de tijding te Athene kwam dat Phidias in Elis zijn gouden en ivoren standbeeld van den Olympischen Zeus had voltooid, het grootste en verhevendste zijner werken, hoe bekoorde toen Pericles het denkbeeld om met Aspasia een kort uitstapje te maken naar het Dorische land! Maar Aspasia scheen de tocht al temoeilijkdoor het bergland van Argos en Arcadië, en slechts als een aangename scherts beschouwde zij de gedachte aan zulk eene reis, toen zij voor het eerst tusschen hen beide ter sprake gebracht werd.In het Atheensche volk was langzamerhand die afkeer tegen de gade van Pericles binnengeslopen, waarmede schoone en invloedrijke vrouwen, wier lot met dat van een hooggeplaatst man verbonden is, bijna altijd te kampen hebben. Men ging voort haar geheimen invloed op de politieke plannen en ondernemingen van Pericles toe te schrijven en te beweren dat zij Pericles opzette zich tot tyran van geheel Hellas op te werpen. Deuitgelateneblijspeldichters, aan wier spits Cratinus, de vriend van Polygnotus, stond, die nog sedert het feestmaal van Hipponicus op de Milesische gebeten was, spitsten hunne pijlen tegen haar al scherper en scherper. De Attische Muze geleek op de bij: zij droop van honig, doch zij verborg ook een scherpen angel.Pericles werd toornig en trachtte den overmoed der comedie te beperken.Deze poging werd ten aanschouwe der heele wereld aan den invloed van Aspasia toegeschreven.„Houden zij mij voor een ouden leeuw,” zeide Cratinus, „wien de tanden zijn uitgevallen en die alleen nog kwijlen kan?”En in zijne volgende comedie slingerde hij onbeschaamd voor de oogen der gezamelijke Atheners een gemeen scheldwoord naar Aspasia’s hoofd.Het schimpwoord van Cratinus was gruwzaam beleedigend,[88]bijna vernietigend. De afgunst der geheime en openlijke vijanden van Aspasia kon schier geen erger bedenken. De spotzieke menigte ving het begeerig op en herhaalde het. De grond van Athene begon te gloeien onder de voeten der Milesische …Van dien dag af was de reis naar Elis tusschen Pericles en Aspasia eene uitgemaakte zaak. Minder bezwaarlijk vond de diep gekrenkte thans, het Pelops-schiereiland2te betreden, dan op den brandenden bodem van Athene te vertoeven.Te Athene was de Milesische te zeer door belangstellenden en nieuwsgierigen omgeven, die als ’t ware in de stralen van haren geest en van hare schoonheid zich koesterden. In de ernstige, stille beemden van Argos, op de idyllische hoogten van Arcadië, zelfs in het gewoel van Olympia zou zij, naar Pericles’ meening, wederom geheel en al uitsluitend voor zijn en haar geluk leven.Snel werden devoorbereidingsmaatregelenvoor de reis genomen, en weldra kon de zuster van Cimon, die van alle dingen het eerst op de hoogte was, aan het babbelziek Athene vertellen, dat Pericles op ’t punt stond naar Olympia te vertrekken en dat de verwijfde held zijne beminde Aspasia—die overigens wél deed zich aan de schande, waarmede zij te Athene overladen werd, te onttrekken—niet missen wilde. Er waren velen die zich vroolijk maakten over dat onafscheidelijk paar. Velen echter waren er ook, die het in stilte benijdden.…Een licht voertuig bracht de beide getrouwen tot aan den Isthmus3. Slaven en muildieren waren tot aan Corinthe vooruit gezonden, om vandaar in de reis over demoeilijkewegen van de Peloponnesus behulpzaam te zijn.Hoe vrij ademden beiden, toen zij het anders zoo geliefde Athene achter zich hadden!—Zij wisten niet, dat zij, uit Athene, als ’t ware vluchtend,[89]het hun beschoren lot niet vertraagden, maar integendeel bespoedigden …Van de prachtige land- en zeegezichten, die in onafgebroken afwisseling zich aan hun oog voordeden, tot aan de monumenten aan de kanten van den weg, de Hermes-zuilen en het Hecate-huisje aan de kruiswegen was alles voor het thans weder gelukkige paar opwekkend, alles belangrijk.Zij vonden den breeden weg van Eleusis vol reizigers. Men zag vrome, menschlievende lieden voor de beelden en kapellen der reisgoden vruchten en andere spijzen nederleggen, opdat arme en hongerige zwervers zich daaraan konden verkwikken. Hier en daar stonden ooftboomen aan den kant van den weg geplant, wier vruchten eveneens gemeen goed voor alle dorstigen waren. Ook aan herbergen ontbrak het niet.„Een reislievend volk zijn wij Hellenen,” zeide Pericles tot Aspasia. „Alom aangeknoopte banden van gastvrijheid en vroolijke feesten lokken van plaats tot plaats. Ook voor den reiziger is, zooals gij ziet, goed gezorgd.”Aan de berghellingen ter zijde van den weg ontsprong menige vroolijke bron uit de rotsen. In den reuzenstam des populiers, die de bron overschaduwde, had menig rustend wandelaar, om zijn dankbaar gemoed uit te storten, eene spreuk of een vers gesneden,somsook een wijgeschenk aan de takken opgehangen.Bloeiende, met tempels en zuilen prijkende steden en vlekken deden zich aan de blikken der beide reizigers op. Eerst Eleusis, de heilige stad der mysteriën, waar, op Pericles’ bemoeiing, juist een nieuw, fraai gebouw voor het vieren der mysteriën verrees. Vervolgens Megara, de stad der Doriërs, welks aanblik in Aspasia’s geest onaangename herinneringen terugriep. Haar vriendelijk gelaat verduisterde; zij zweeg, doch het onvergeten leed en de onverzoende smaad persten haar een traan van weemoed en smart af. Pericles begreep haar en zeide:[90]„Troost u! Uwe vijanden zijn ook de mijne. Megara zal boeten, voor wat het misdeed!”Aangekomen in het van menschen wemelende Corinthe, begaf Pericles zich naar het huis van zijn gastvriend Amynias, die hem en zijne gemalin met de hoogste eerbewijzen ontving.Al te verleidelijk blonk den aangekomenen de hoogte van de wijd en zijd uitziende Acrocorinthes, de Acropolis der stad Corinthe, tegen, de door bloemen en kruiden dicht bewassen rotsberg, steil afhellend naar de stad, een wachtpost van het Helleensche land. Van zijne kruin schitterde de oude, beroemde tempel van de Godin der liefde. Want evenals het van geest tintelende Athene zich onder de bescherming van de schrandere Pallas Athene had gesteld, zoo had de rijke, genotlievende handelsstad tot schutsvrouw de vreugdeverspreidende Aphrodite gekozen. Evenals Pallas Athene daar, was hier Aphrodite de beheerscheres van den burg en gewapend stond zij in haar heiligdom. Van de hoogste rotskruin schitterden hare tempeltinnen verre over de zee, tevens als een baken voor de zeelieden. Duizend Hierodulen, dienaressen der Godin, bekoorlijke en goedgunstige dochters der vreugde, woonden in het tempelgebied op de berghoogte, die door aangelegde terrassen, zuilengaanderijen, tuinen, priëelen, baden en gastverblijven op eene zoo ver uitziende vlakte, tot een dubbel vriendelijk Eden omgeschapen was.Van deze hoogte nu, in het middelpunt van de Helleensche landen en zeeën zich verheffend, overzagen Pericles en Aspasia al die grillig gevormde, in eigenaardige kleurschakeering prijkende bergtoppen; zij zagen in het noorden de besneeuwde kruin van den Parnassus en verder oostwaarts den Helicon, zij begroetten Attica’s bergketens en met niet geringe blijdschap zagen zij zelfs de liefelijke, bekende rotshoogte van de Atheensche Acropolis door den reinen aether uit de verte opdoemen. Zuidwaarts weidde hun blik over de hoogten van Noord-Arcadië. Zij zagen tusschen de tallooze bergen[91]en dalen de blinkende zeeboezems en kusten, ook groenende of rotsgrauwe zeeëilanden, alles door de bekoorlijkheid van een onvergelijkelijk licht overgoten.In dit liefelijk gezicht werden Pericles en Aspasia eenigszins gestoord door den zwerm van Hierodulen, die in de nabijheid van het tempelgebied in de zuilengangen en priëelen omzwierven.„Gij hebt te Athene,” zei de Corinthische gastheer, die het paar vergezelde, terwijl hij een blik op deze schoonen sloeg, tot Pericles, „gij hebt zulk een soort van eeredienst nog niet en gij zult wellicht in deze priesteressen, die zich ten gunste van den tempelschat prijsgeven, geen heilige personen zien. Bij ons staat zulk priesterschap sedert langen tijd in hoog en eerwaardig aanzien. Deze gulle, vroolijke meisjes, die den dienst van Aphrodite vervullend, zich in haar gemoed tot de moeder der liefde zoeken te verheffen, zijn bij offers en andere godsdienstige plechtigheden tegenwoordig, nemen aan de feestelijke optochten der burgers deel en zingen daarbij een paeän ter eere van Aphrodite. Men wendt zich tot haar om voorspraak bij de Godin, de beschermvrouw onzer stad. Gij glimlacht? Nu, gij Atheners moogt meenen dat gij aan Pallas Athene meer te danken hebt. Bij u is de staat vermogend en invloedrijk, bij ons zijn het de enkele burgers. Ieder is een Croesus een koning op zich zelven en verheugt zich in de door handel en scheepvaart verworven goederen des levens. Wij streven niet naar macht en invloed in Griekenland, wij verspillen onze schatten niet aan den bouw van vestingwerken of vloten en dergelijke zaken, doch wij leven prettig en gelooven dat per slot van rekening toch alleen de individu leeft en het geheel maar een bloot begrip is. Het moge zijn, zooals het wil, en gij Atheners moogt nog zoo minachtend op ons nederzien, gij hebt toch den weg ingeslagen, die u nader tot ons brengt. Gij bemint en beoefent het schoone, waarmede toch altijd de liefde voor de aangenaamheden des levens[92]gepaard gaat.”Deze woorden van den Corinthiër maakten een diepen indruk op Pericles, zonder dat hij er veel acht op scheen te slaan. Hij staarde naar de bergen van de Peloponnesus en sprak na eenigen tijd met een lichten glimlach, zich tot Aspasia richtend:„Het is opmerkelijk, dat ons juist hier, als ’t ware aan den drempel van den ernstige, strenge Peloponnesus, nog het beeld van de hoogste weelderigheid van het Helleensche leven tegenstraalt. Wie zou kunnen gelooven, wanneer men van het vroolijke, kunstlievende, gedachtenrijke Athene komt, of als hier in het genotlievende Corinthe door verleidelijke Hierodulen omgeven, op de hoogte van den Aphrodite tempel staat, dat op zoo’n geringen afstand aan gene zijde van den Isthmus en die somber zich verheffende bergen, op Arcadië’s hooglanden, een onbedorven herdersvolk in oudvaderlijken eenvoud leeft?Dattegenover die plaatsen van een schoonen genotvollen lediggang, daar boven aan genen kant der bergen de ruwe Spartaan en de sombere, mokkende Messeniër, ruigharigen leeuwen of wolven gelijk, in afschuwelijke kloven of donkere wouden op leven en dood elkander bekampen? Welk een worstelplaats van wilde heldhaftige kracht is van overoude tijden die strook lands aan gene zijde der opdoemende bergen! Uit burgten, gebouwd uit op elkander gestapelde rotsblokken, trokken de Argivische vorsten tegen Ilium op. Op de paden van de Peloponnesus betraden Heracles enPerseushun heldenbaan, doodden leeuwen en bestreden het slangengebroed in de kloven en de verderfaanbrengende vogels in de lucht. En worstelt niet nog ten huidigen dage op de velden van Pelop’s schiereilanden, op den Isthmus te Nemea, te Olympia, mannelijke kracht en moed om den prijs?Stroomenniet derwaarts de mannen van geheel Hellas, tuk op den lauwertak van lichaamskracht? Somber, dreigend en ruw schijnt[93]deze Peloponnesus, en de wateren van den Styx4besproeien niet te vergeefs zijn woest bergland. Maar wij willen hare verschrikkingen trotseeren, wij willen ons in het hol van den leeuw wagen. En als wij weekelijk en verwijfd worden, willen wij met nieuwen kracht ons sterken in die ruwere lucht.”„Sedert wanneer,” zei Aspasia glimlachend, „is Pericles een bewonderaar, ja zelfs een benijder van de ruwe en eenvoudige mannen van gene zijde van den Isthmus geworden? Troost u maar, dierbare vriend! Laat hen daar worstelen en strijden, zooveel zij willen. Over hunne sombere berghoogten schittert niet als over Athene’s Acropolis het zegevierende licht van Pallas Athene!”—Onder een sterk geleide braken de reizigers den volgenden morgen van Corinthe op, om met blijden moed hun tocht door het Dorische land over de Argolische bergen te beginnen. Aspasia weigerde doorgaans van den draagstoel gebruik te maken, dien Pericles uit liefderijke zorg voor haar had laten gereed maken en die door slaven of muildieren over de moeilijke plaatsen van het gebergte kon gedragen worden. Zij gaf er de voorkeur aan, om op een muildier naast haar echtgenoot te rijden. En zoo trokken zij dan, onder vertrouwelijken kout, door de suizende bergwouden, den loop der beken te gemoet, die zich in de kloven nederstortten, bereikten over steile hellingen en boschrijke toppen de vrije bergvlakten, soms ook door bergpassen en dalen, waar oleander- en lentiscusstruiken en wilde pereboomen over het donkere pad hun schaduwrijke twijgen in elkander strengelden.Op zulke sombere wegen sloeg nochtans de moedige Aspasia soms een angstig bespiedenden blik in het struikgewas, om te zien of niet de donkere gestalte van een roover daaruit te voorschijn[94]zou springen. Dan glimlachte Pericles en zeide, met een blik op het goedgewapende met de wegen vertrouwde gevolg van inlanders, die hij tot begeleiding door het gebergte had medegenomen:„Vrees niets, Aspasia! Reeds sedert lang zijn de wilde reuzen op deze paden uitgeroeid, en geveld is reeds lang de pijnboombuiger Sinis5, de snoode wreedaard. Alleen voor de slangen van deze hoogten en dalen moeten wij op onze hoede zijn: want gij herinnert u wel, wat hier zeer nabij op Nemea’s grondgebied geschiedde, toen de voedster het knaapje in het gras legde, om voor de langstrekkende „Zeven tegen Thebe”6, op hun verzoek, een dronk verkwikkend water te halen.”Na eene vermoeiende dagreis bevonden zich de reizigers aan het begin van de Inachus-vlakte en zagen tusschen twee grauwe, spitse bergen den in de sagen beroemden heerscherszetel van Agamemnon, den overouden wachter dezer bergpassen, den burg van Mycenae, loerend op zijn rotskruin liggen—„in den hoek van Argos”, naar de woorden van het Homerisch lied. Ter rechter zijde verhief zich de kale kegelvormige berg met den ouden burg Larisa, de Acropolis der stad Argos, welke aan den voet van den berg over eene ruime uitgestrektheid in de vlakte gelegen, nog steeds bloeiend en niet minder sterk bevolkt was dan de stad der Atheners. Over de uitgebreide strandvlakte van het „paardenvoedende Argos”7schitterde de blauwe zeeboezem van Nauplia. Bergketens, in de tinten van de ondergaande zon gedoopt, hieven hier hunne veelgetakte kruinen ten hemel en liepen ginds met groote krommingen tot aan de zee. Ook aan gene zijde van de blinkende[95]golf doemden de nevelachtige omtrekken van geweldige bergkruinen op.Eene zonderlinge gewaarwording maakte zich van de reizigers meester. Hunne blikken hingen aan het grauwe rotsgevaarte van Mycenae, de sporen van den koningsburg der Pelopiden zoekend en al de andere onvernietigbare overblijfsels van Cyclopische schathuizen, graven, muren en gewelven van den voortijd.Toen zij Mycenae zelve hadden bereikt, was de duisternis ingevallen. Zij stonden op de rotshoogte, waar het grauwe muurwerk, uit reusachtige, loodrecht gehouwen rotsblokken opgestapeld, door mos en klimop overdekt, in de schemering schier dreigend en beangstigend zich verhief. Nochtans versmaadden zij het, naar beneden te gaan tot de woonplaatsen der weinige Myceners, die in de reeds lang vervallen en schier uitgestorven heerscherstad der Atriden8nog woonden. Pericles en Aspasia besloten den lauwen zomernacht in de nabijheid van deze eerwaardige overblijfsels van het verleden onder eene tent door te brengen. Thans ging de maan op en baadde het muurwerk en de hoogte zelve, met alle bergkruinen van Argos rondom en de vlakte daartusschen tot aan de verre golf, in haar zilveren licht. Hoewel vermoeid, konden Pericles met Aspasia de bekoring van dit tooverachtig, heldere maanlicht niet weerstaan. Zij putten nieuwe kracht uit de zonderlinge opgewektheid hunner gemoederen. Voor weinige dagen nog omgaf hen het woelige Athene en thans stonden zij op Mycenae’s puinhoopen, door de huiveringwekkende stilte van den sterrenhelderen nacht omgeven, in de sombere eenzaamheid der Argolische bergen. De geest van Homerus kwam over hen. In het ruischen van den wind, in het suizen der bergtoppen vernamen zij iets, wat hun als een zwakke nagalm klonk van zijn onsterfelijk heldenlied. Het[96]licht der volle maan, dat rondom op Argos’ bergtoppen scheen, herinnerde hen aan de wachtvuren, die eens hier van den eenen bergtop tot den anderen flikkerden, om de mare van de zege der Hellenen over zee en gebergte herwaarts te brengen tot aan den burg van Agamemnon, waar de woeste Clytemnaestra, aan de zijde van haar minnaar Aegisthus, den terugkeer van den zegevierenden Hellenen-aanvoerder met in ’t geheim geslepen moordstaal verbeidde. En binnen deze verlaten puinhoopen, die daar vóór hen lagen, in de doodstille, nachtelijke eenzaamheid, werd dit moordstaal getrokken. Achter deze muren verstierf dof het doodsgerochel van den huiswaarts gekeerden heerscher der volkeren …Pericles en Aspasia liepen langs den geweldigen muur, die den kant van den steilen burgtheuvel met talrijke hoeken en bochten omgaf. Zij bereikten de overoude, beroemde leeuwenpoort, den eerwaardigen ingang van den Atriden-burg, waarboven het oudste beeldwerk van het werelddeel prijkte. Door deze poort betraden zij de burgtruimte en stonden voor de binnenmuren, waarachter eens de Atriden tegen elken aanval veilig leefden; doch alleen de grondvesten wezen hun de plaats der eigenlijke vorstenvertrekken. Zij zetten hunne wandeling voort en bereikten verder, niet meer op de hoogte van den berg, maar op zijne helling, het eerwaardige, ongeschonden, ronde gebouw, dat een schatkamer en de grafkelder tevens der Pelopiden was.Toen Pericles en Aspasia dit gebouw naderden,verschiktehen de gestalte van een reusachtig man, die vóór de poort lag en die bij de nadering der vreemdelingen zich halverwege oprichtte. De man herinnerde hen aan de reuzengestalten van Hemorus, die tegen elkander rotsblokken slingerden, wier gewicht de latere stervelingen niet meer van den grond konden opheffen. Pericles sprak hem toe en bemerkte na eene korte woordenwisseling, dat hij met een in de bergen van Argos ronddolenden[97]bedelaar te doen had. Zijne leden waren karig met lompen bedekt, zijn donkergebruind gelaat was als verweerd door wind en regenjachten. Zóó wellicht zal de zwaar beproefde zwerver Odysseus er uitgezien hebben, op het oogenblik, dat hij als schipbreukeling het vasteland bereikte, nadat hij dagen lang zwemmend met de zee had geworsteld en het scherpe, zilte nat zijn leden had geteisterd.De grijze, zonderlinge, reusachtige bedelaar beweerde, dat hij den schat van Atreus bewaakte en zonder zijne toestemming niemand de poort van het gebouw mocht naderen. Van ongehoorde, gouden schatten begon hij te bazelen, die in geheime hoeken van deze rotskamers nog altijd verborgen lagen en die den vinder tot den rijksten aller stervelingen, tot aanvoerder en koning in Hellas, tot erfgenaam en opvolger van den Hellenen vorst Agamemnon zouden maken.Glimlachend zei Pericles tot Aspasia: „Wel was Mycenae in overoude tijden beroemd als de stad, die het rijkst was aan goud, van alle Helleensche steden; maar ik denk, dat het goud van Mycenae reeds lang naar Athene is gevloeid en wij behoeven het niet meer te zoeken. Toch trekt mij deze zonderlinge rotsgroeve der Atriden onweerstaanbaar aan.„Voer ons heden nog in het gebouw, dat gij bewaakt,” vervolgde Pericles, tot den reus zich wendend. „Wij zijn Atheners en naar de bergen van Argos gekomen, om aan het stof der goddelijke Atriden onze hulde te bewijzen.”Toen beval hij eenigen slaven fakkels aan te steken. De bedelaar, op wien de persoonlijkheid van Pericles eene zekere macht scheen uit te oefenen, toonde zich zwijgend bereid, als gids te dienen. Met forsche hand schoof hij, zijne reuzenkracht aanwendend, een groot rotsblok ter zijde, dat voor den ingang lag en dien geheel en al versperde. Maar zelfs toen was het nog niet gemakkelijk over steen en gruis heen door de half geopende poort den weg naar het binnenste gedeelte van het[98]diep in de aarde zich uitstrekkende gewelf te volgen.Langs een uit geweldige blokken gevormden weg bereikten Pericles en Aspasia het hooge, sombere ronde gewelf, welk wanden niet op de gewone wijze opgetrokken waren; in steeds nauweren kring vonden zij de steenlagen op elkander gestapeld en van boven door een kegelvormig gewelf afgesloten. Zij vonden de sporen van oude metaalbekleeding aan de wanden: eene geliefde wandversiering, waarvan Homerus gewag maakt. Hoe zal voorheen in de vorstenvertrekken de gepolijste, blanke koperen wand in den weerschijn der flikkerende fakkels geschitterd hebben! Maar gewelddadig waren hier reeds de koperen platen afgerukt, onbekleed grijnsden de grauwe steenmassa’s der machtige op elkander gestapelde kringen den beschouwer tegen.Uit het ronde gebouw traden Pericles en Aspasia door eene nauwere poort in eene vierkante ruimte, die geheel in de levende rots uitgehouwen was.Peinzend stonden zij beiden daar. Slechts schemerachtig verhelderde het sobere licht der brandende fakkels de donkere steengewelven.„Eene stoute gedachte zou het zijn,” sprak Pericles ten laatste, „in deze huiveringwekkende steengroeve ons nachtverblijf te houden!”Aspasia huiverde een weinig, doch in het volgend oogenblik glimlachte zij weder en kon de betoovering niet van zich weren, die de huiveringwekkende en toch verleidelijke gedachte op haar uitoefende, om een nacht door te brengen in de duizendjarige Pelopiden-groeve, om te rusten boven het stof van Atreus en Agamemnon.Menig bezwaar werd nog geopperd, eindelijk echter besloot men de stoute gedachte ten uitvoer te leggen. Tapijten werden op den steenen vloer van de kleinere rotskamer door slaven nedergelegd en daarop een leger gespreid. In het gewelf strekte de reusachtige bedelaar zich uit om te slapen, de slaven legerden zich bij den buitensten ingang.Nu vonden Pericles en Aspasia zich alleen in[99]het huiveringwekkend, geheel in de rotsen gehouwen vertrek. Het onzekere schijnsel der in den grond gestoken fakkels speelde spookachtig op de grauwe, vensterlooze rotswanden. Om hen heen heerschte de stilte des doods. Het was werkelijk de rust des grafs, die hen omgaf.„In dezen nacht,” zei Pericles, „en in deze omgeving dringt zich de gedachte aan vergankelijkheid en vernietiging schier in lichamelijke gestalte met Titanisch geweld aan mij op. Hoe zwak en wisselvallig schijnt al het levende, en hoe hecht en sterk trotseert de tand des tijds datgene wat wij het doode plegen te noemen! Atreus en Agamemnon zijn sinds lang niet meer en wij zuigen misschien deonzichtbareatomen van hun stof in met onzen adem. Deze doode muren echter, welke die menschen opgebouwd hebben, omringen ons nog heden en zullen wellicht ook hen nog omsluiten, die de atomen van ons stof over duizend jaren zullen inademen!”—„Ik ben het niet geheel met u eens, Pericles,” hernam Aspasia, „om het onvernietigbaar bestaan van het doode te verheffen boven het vluchtige leven van den mensch. Het neerstortende rotsblok begraaft de bloemen, maar de bloemen keeren terug met iedere lente en slingeren hare stengels om den steen en ten laatste verteert na duizende jaren de steen, terwijl de bloemen er echter altijd nog zijn. Zoo ligt het leven ook begraven onder puinhoopen van steden, maar tusschen de puinhoopen kruipt het zachtkens te voorschijn en omstrengelt den steen, die toch eens verbrokkelen zal: ’s levens krachtig groen wast zelfs door de rots en doet ze springen, en zoo is ten laatste toch alleen het schijnbaar vluchtige en vergankelijke waarachtig eeuwig.”„Gij hebt gelijk,” zeide Pericles, „het leven zou weldra vermoeiend en vervelend worden, als daaraan de onveranderlijkheid van het doode beschoren was. Onvergankelijk is reeds één met het doode, alleen afwisseling is leven.”[100]„Herleeft niet,” sprak Aspasia, „de heldenzin van Agamemnon in duizend helden? En de liefde van Paris en Helena, wordt zij niet in tallooze verliefde paren opnieuw gevoeld?”„Ongetwijfeld, het leven komt en gaat,” hernam Pericles, „en in eeuwige verandering keert het weder. Zijn wij echter zeker, dat het bij dit komen en gaan ten laatste niet iets van zijne oorspronkelijke kracht verliest? Zou het groote in de wereld niet eenigszins op de steenkringen gelijken in het gewelf dezer groeve, die van boven wel is waar aan elkander sluiten, maar steeds enger worden?—De heldengeest van Agamemnon schijnt teruggekeerd te zijn: wij hebben de Perzen verslagen, maar toch komt het mij voor, dat wij tegenover de helden van Homerus een weinig ingekrompen zijn.”„Vele dingen,” hervatte Aspasia, „mogen zwakker worden als ze herhaald worden; maar ontkent gij, dat veel nog krachtiger en heerlijker zich vernieuwt? De kunst, die met deze bouwvallen onderging, is teruggekeerd en heeft de met beelden prijkende, marmeren tinnen van het Parthenon gebeiteld!”„Wanneer echter,” zei Pericles, „ook die met beelden prijkende tinnen eens in stof zullen zijn verkeerd—wanneer het heerlijke vierspan van Pallas wellicht van den gevel van het Parthenon naar beneden stortend, met donderend geraas op de rotshelling wordt verbrijzeld, zijt gij dan zeker, dat de kunst nog eens en steeds heerlijker zal wederkeeren? Of zal er een tijd komen, welks roem alleen nog teert op het vertoon van onsterfelijke bouwvallen?”„Dit zij eene zorg voor de latere geslachten!” antwoordde Aspasia.„Gij hebt ook van de liefde van dat schoonste paar uit den voortijd gesproken,” vervolgde Pericles, „en hoe die in tallooze paren zich hernieuwt?”„Twijfelt gij daaraan?” zei Aspasia.[101]„Neen!” riep Pericles, „en ik geloof, dat de liefde en juist alleen de liefde, steeds bestaat met dezelfde kracht, met dezelfde levensfrischheid, met dezelfde bron van zaligheid!”„De liefde en het genot!” viel Aspasia hem met een betooverenden glimlach in de rede.„Ja, zeker!” sprak Pericles. „Wel is waar, moet ik met een gevoel van schaamte op deze plaats wandelen en wellicht ben ik niet waardig zelfs één enkelen nacht boven het stof van Homerische helden te rusten. Maar schoon ik ook met smartelijke benijding afstand moet doen van den heldenroem van Achilles, deel ik toch het geluk van Paris: het bezit van de schoonste Helleensche vrouw!”—De gelaatstrekken van Pericles waren niet in volkomen overeenstemming met de woorden zelve. Zijn gelaat scheen twijfel uit te drukken of het den man wel betaamde afstand te doen van den roem van Achilles, en zich te vreden te stellen met het geluk van Paris.—Doch met de betoovering van de schoonste Helleensche vrouw wist Aspasia de gedachten in slaap te wiegen, die in de manlijke ziel van Pericles oprezen. Haar oog verspreidde een magischen glans in de sombere rotsgroeve, van hare wangen scheen een rozenrood schijnsel door het geheele vertrek te lichten. De fakkel, die zooeven flauw had geflikkerd, evenals wellicht die, welke eens bij de begrafenis van den vermoorden Agamemnon haar licht had verspreid, scheen eensklaps vroolijk op te vlammen als eene bruiloftsfakkel. Door den glans der schoonheid, die in de donkere diepte schoot, scheen zelfs de groeve nu in een bruidsvertrek herschapen en de eeuwige frischheid des levens en der liefde verkreeg de overhand boven de huivering des doods en der vergankelijkheid, boven het duizendjarig stof der Atriden.—Toen Pericles en Aspasia de plaats hunner nachtelijke rust verlieten en uit de sombere groeve naar buiten traden, straalde hun de morgen, met zijn[102]verkwikkenden dauw op alle velden en heuvels, vroolijk tegen. Maar ’t was ook in ’t schitterend licht van den dag niet minder eenzaam en doodstil dan onder de bouwvallen van den Atriden-burg. Alleen een gier zweefde onbeperkt met wijd uitgespreide vleugels boven Mycenae, hoog in de blauwe lucht.Terwijl daarop de reizigers van den medegebrachten voorraad en den wijn, dien een slaaf in een geitelederen zak droeg, een en ander voor een ontbijt nuttigden, vroeg Pericles aan Aspasia, of zij niet gedroomd had gedurende haar slaap in de Atriden-groeve.„Inderdaad,” hernam Aspasia, „heeft mij in den ochtendstond een droom midden onder het gewoel der helden voor Ilium verplaatst. Ik heb Achilles in levenden lijve gezien en hij zweeft mij nog steeds voor oogen. Zijne gestalte was die van een onbeteugelden, schoonen jongeling, schier daemonisch was zijn uiterlijk, hoog en slank, het volkomen eironde gelaat door donkere lokken omgolfd, de oogen koolzwart en bijna rond, wat zijn gelaat bij al den adel der trekken iets Gorgonen-achtigs, iets huiveringwekkends gaf; de mond buitengewoon klein, de lippen echter krachtig ontwikkeld—overal de trekken van jeugdige schoonheid met de uitdrukking van woeste, bijna bovenmenschelijke heldenkracht vereenigd. Zóó zag ik hem bij de schepen staan, het hoofd in een lichtgloed gehuld, door zijn oorlogskreet alleen reeds ontzetting aanjagend binnen de muren van Ilium.”„Ook mij,” zeide Pericles, „heeft een droom ter zelfder tijd naar de Homerische wereld gevoerd, maar zonderling, niet onder de helden; integendeel: ik zag Penelope; en wat nog vreemder is, ik zag haar niet zooals Homerus haar schildert, als Odysseus’ trouwe en geduldig wachtende gade, maar als jeugdige bruid in het licht eener sage, die mij nog zinrijker voorkomt, dan alles wat Homerus van haar gezongen heeft. Ge kent zeker de overlevering omtrent de omstandigheden van Odysseus’[103]vrijen: hoe de Spartaansche koning Icarius zijne dochter Penelope aan Odysseus had beloofd, in de hoop hem daardoor te bewegen zich in Lacedaemon neder te zetten. Toen dit hem echter niet gelukte trachtte hij de teedergeliefde dochter van haar minnaar afkeerig te maken, en toen Odysseus de bruid naar Ithaca wegvoerde, volgde haar vader hen met tranen en gebeden, zoodat Odysseus haar ernstig afvroeg of zij hem vrijwillig volgen of liever met haar vader naar Sparta wilde terugkeeren. Toen Penelope niets antwoordde, maar zedig den sluier voor het gelaat trok, liet Icarius haar ongehinderd gaan en richtte op de plaats, waar dit voorgevallen was, een beeld op gewijd aan de maagdelijke schaamte. Wat een liefelijk beeld is deze zwijgende blozende Penelope; in maagdelijke schaamte het hoofd omhullende! En juist in deze jonkvrouwelijke gestalte heb ik haar dezen nacht in den droom gezien.”Zoo vertelden Pericles en Aspasia elkander de droomen, die hun verschenen waren boven het stof der Atriden, en zij overwogen half schertsend, half ernstig of er soms een voorteeken, een verborgen zin in deze droomgezichten verscholen mocht zijn.Nog één blik wierpen zij van de puinhoopen van Mycenae op de Inachus-vlakte en het oude Archos. Daarna maakten zij zich gereed om hun weg te vervolgen en hun zwerftocht uit de Argolische bergen naar de Arcadische aan te vangen.Pericles en Aspasia schepten er vermaak in, groote afstanden te voet af te leggen en, als voor hun genoegen wandelend, op de paden van het groene woudgebergte vertrouwelijke gesprekken te voeren.Aspasia was tot dusverre gewoon alleen op kussens en tapijten te rusten: nu ondervond zij, dat het mogelijk was ook op groene zoden, op mos, kruiden en pijnboomnaalden zich ter ruste te vlijen. Wanneer zij zich soms op eene liefelijke plek nederlieten, bracht een slaaf op bevel van Pericles een der[104]boekrollen, die de zangen van Homerus bevatten, en Aspasia las haar echtgenoot op zijn verzoek plaatsen daaruit voor met hare welluidende, heldere stem. Niet zonder deze zangen hadden zij de overblijfsels van het oude Atriden-rijk willen bezoeken, en inderdaad, sinds zij deze puinhoopen hadden gezien, begrepen zij den dichter eerst ten volle.Van tijd tot tijd rees er wel een kleine woordenstrijd wanneer Pericles al te opgewonden den lof van den aartsvaderlijken heldentijd prees, terwijl Aspasia het ideaal van het menschelijk leven liever in den tegenwoordigen tijd of zelfs in de toekomst zocht.„Bij Homerus,” zei Pericles eens, „geloof ik eene merkwaardige leer te vinden; dat namelijk de mensch eens dier geweest en langzamerhand mensch geworden is. Men ziet bij hem, namelijk in de Odyssee, hoe die menschwording allengs heeft plaats gegrepen. Hij legt overal het zwaartepunt op de zegepraal van de menschelijkheid over het ruwe en dierlijke. Overal treft gij dezen strijd der menschheid aan met de nog niet volkomen verwonnen overblijfsels der dierlijkheid. Hij toont ons in de wilde Laestrygonen en Cyclopen, wat wij eens geweest zijn. Hij schildert dan vol diepen zin deze wilde halfmenschen tegenover het menschelijk edel gevoel, stelt de menscheneters tegenover de gastvrije Phaeäken, en om het menschelijke voor den terugkeer tot het dierlijke te bewaren, knoopt hij het zoo innig mogelijk aan het goddelijk vast. Pallas Athene, de Godin van menschelijk verstand en beleid, van de door menschelijkheid geadelde geestkracht, is de trouwe geleidsvrouw en hulpe zijner helden. Menschelijkheid is het wat hij predikt, menschelijkheid in tegenoverstelling van dierlijkheid. Bij hem is de reine menschelijkheid uitgedrukt in reine poëzie. In den reinen, helderen aether zweven bij hem alle voorwerpen. Welsprekender heeft de verheven eenvoud uit geen mond gesproken dan uit den zijnen.”[105]Hier stuitte Aspasia Pericles in zijn lofrede.„Met uw verlof,” zeide zij, „er is u een woord ontvallen, dat ik niet onopgemerkt mag laten voorbijgaan en dat gij zelf wellicht gaarne zult willen terugnemen. Homerus, is toch eenvoudig noch ongekunsteld, ten minste niet in dien zin, als bij voorbeeld de beeldhouwers vóór Phidias waren. Met Homerus sprong, om een oud beeld te gebruiken, de poëzie in volkomen rijpheid uit het hoofd van Zeus. Zijne taal is breed, rijk, vol. Zijne schilderingen zijn soms even prachtig als levendig, en er zijn plaatsen in de Ilias en Odyssee, die geen later dichter in rhetorische pracht en uitdrukking zal overtreffen. En zijne welsprekendheid! Zijn de woorden, waarmede de toornendeAchilles9bewogen moet worden om terug te keeren tot den strijd, en het antwoord, dat hij geeft, geen meesterstukken? En dit toch niet door hun verhevenheid alleen; maar ook, door de schikking en de treffende kracht der bewijsvoering, blijven zij modellen der hoogste welsprekendheid.”„Wat gij daar te berde brengt, is waar,” hernam Pericles.„Maar toch bezit Homerus in een zekeren zin weder datgene, wat ik verheven eenvoud noem. Wellicht bestaat het geheim der hoogste kunst daarin, dat zij, door den prachtigen stijl heen, toch dien hoogen eenvoud laat doorschemeren, met de rijpheid van het tegenwoordige de natuurlijke frischheid van den voortijd vereenigt.”Na hun tocht eenige dagen te hebben voortgezet, bevonden de reizigers zich te midden van de ruwe bergachtige streken van het herdersland Arcadië. Zij togen onder een geleide van inheemsche herders, die hun niet alleen als gidsen dienden maar ook, met knotsen en sterke lansen gewapend, te[106]gelijk als beschermers en verdedigers. Zij zagen in de eenzame bergen boven zich de adelaars in de wolken zweven, zij zagen andere vogels met scherpe klauwen en kromme snavels op steile rotsen onder luid gekras elkander bestrijden, zij zagen zwermen kraanvogels, spreeuwen en kraaien voor den havik vluchten, die van de toppen der bergen op hen nederschoot. Hier en daar dreunden bijlslagen uit de diepte van het woud en het gekraak van eeuwenoude stammen onder de handen der houthakkers. Van verscheurende dieren, die meestal alleen des nachts hunne holen verlaten, ontmoetten zij niet één op hun pad. Alleen vonden zij den bodem van Arcadië’s wouden met schildpadden bedekt, die moeilijk tusschen de kruiden en steen voortwaggelden of in de zon zich koesterden.Zoo zwierven Pericles en Aspasia door de stille dreven, en terwijl zij het vreemde en nieuwe met kalmte als iets toevalligs en voorbijgaands meenden te moeten opnemen, oefende toch alles op hen een beslissenden, onmerkbaren invloed uit en voegde het zich als eene vooraf bepaalden schakel in hun bestaan; zonder het te bemerken of te vermoeden gingen zij groote veranderingen en gebeurtenissen in hun leven en lot te gemoet.—Over bergvlakten, die tot aan de wolken reikten, voorttrekkend, hadden de reizigers dikwijls zeldzame gezichten op de geheele uitgestrektheid van Hellas. Aan den versten gezichtseinder zagen zij soms de kruinen van met sneeuw bedekte bergen glinsteren. Op zekeren dag waren zij vóór het krieken van den morgen opgebroken en trokken over het nog in nacht gehulde gebergte.„Gij rilt van den koelen morgenwind?” vroeg Pericles aan Aspasia, die huiverde.„Ik ril voor die donkere, ledige eenzaamheid der bergen,” antwoordde zij. „Mij is het te moede, alsof wij niet meer op Helleenschen bodem wandelen en alsof wij door alle Goden van Hellas verlaten zijn.”Op dit oogenblik vestigde het oog van Pericles[107]zich op een gouden wolkje, dat aan den rand van den horizon in het verre noorden zichtbaar werd. Hij wees ook Aspasia daarop. Het gouden wolkje nam grootere afmetingen aan, maar bleef onveranderd op zijne plaats en stak zonderling af bij de overige, grauwe tint van den nachtelijken hemel. Langzamerhand verkreeg de oppervlakte van het wolkje eene merkwaardige duidelijkheid en bepaalder omtrekken, die in het geheel niet meer als die van eene wolk schenen. Het zag er uit als eene gouden landouwe in de verte, waarop zalige Goden zich vermeiden. En inderdaad, toen de morgen grauwde en de lijnen van bergketens in de verte zichtbaar werden, verbreidde die glans zich sterker en de wandelaars bemerkten, dat het niet eene onbewegelijke lichte wolk geweest was, wat zij gezien hadden, maar de besneeuwde kruin van een verren berg in het noorden, beschenen door de stralen van de nog niet zichtbare zon.„Het is, geloof ik, de top van den Thracischen Olympus, den Godenberg!” zeide Pericles opgewekt tot Aspasia. „Ziet ge, dat de Goden van Hellas ons nog niet verlaten hebben? Verre weg van den zetel, waar zij in eeuwige zaligheid tronen, zenden zij door eene spleet van het hooggebergte ons een groet in deze onverkwikkelijke eenzaamheid.”„Zij willen ons zeggen,” hernam Aspasia glimlachend: „vergeet ons en al het schoone niet geheel in het sombere land der Doriërs!”Weldra echter geraakten de reizigers van de kale bergvlakten in het boom- en bronrijke westen van het Arcadische land. Hier storten zich talrijke beekjes, bekoorlijk om te zien, nu eens ruischend, dan weder zacht murmelend van de boschachtige hellingen naar beneden. Op de weilanden stond, zelfs in den zomergloed, het weelderig uitspruitend groen altijd frisch en onverdord. Hemelhoog verhieven de olmen, de beuken, platanen en eiken hun groenende takken en statige stammen omhoog. Van het geloei der kudden runderen[108]weerklonken de dalen. Overal bemerkten de reizigers, dat zij in het gebied van den forsch gebouwden God10zich bevonden, om wiens schouders het vel van den los hing, ter wiens eere op alle hoogten in den omtrek het purperen offerbloed schuimde uit de harige borst van den ram.Overal vond men zijn eenvoudig beeld opgericht, uit het hout van den olmboom gesneden, overal trof men sporen van hem aan. Hier was een borstelig evervel te zien, hem ter eere aan een plataan gehangen, daar het forsch getakt gewei van een hert, uit dankbaarheid voor hem aan een beuk gespijkerd. Aan de bronnen echter zag men nimfenbeelden, door de herders opgericht, daarnaast wijgeschenken opgehangen.Pericles en Aspasia wandelden door hooge eikenwouden, die de op- en ondergaande hemellichten met eene zee van gouden glans overtogen, en waar de zon door de kruin van een boom als een karbonkel glinsterde, lange stralen werpend, die men wanen zou met de handen te kunnen grijpen. Dat alles was hun zoo nieuw, zoo verrassend. Zij hadden op dergelijke zaken nooit hunne aandacht gevestigd.Op zekeren dag vernamen de pelgrims, terwijl zij een woud, waardoor hun weg vele uren leidde, doortogen, een ongewoon en sterk ruischen in de takken.„Ik herinner mij,” merkte Pericles op, „van een Arcadisch eikenbosch gehoord te hebben, dat Pelagos11genoemd wordt, wegens het sterke ruischen zijner tallooze kruinen, evenals de zee. Het is wellicht dit woud waar wij thans doortrekken.”De inheemsche gidsen echter, de begeleiders der zwervelingen, verklaarden dat dit ruischen in het diepe woud geen gewoon verschijnsel was en wezen te gelijk naar den hemel boven hen, die straks nog geheel helder was geweest en thans zoo dof was als beslagen staal. De Arcadiërs voorspelden[109]een naderenden storm. De reizigers verhaastten hunne schreden, om nog voor het losbreken daarvan de plaats te bereiken, waar zij voornemens waren te overnachten. Weldra echter ging het ruischen van het woud over in een wild huilen en de toppen begonnen te kraken. Enkele kleine, doch gitzwarte en van regen zwangere wolken joegen, door den wind gezweept, door het donkergrijze zwerk. De straks nog gouden zon stond vaalgeel boven de kruinen der bergen, die nog schitterden in haar bleek schijnsel. Van de toppen der boomen schoten rukwinden op den grond en zweepten loof, stof en kleine takken dwarlend voor zich op. Nu begonnen enkele droppels te vallen en weinige oogenblikken later stortte een regenvloed, in den beginne met hagelsteenen vermengd, kletterend neder. IJlings vluchtten de reizigers onder het breede beschuttend dak van een reusachtigen eik. Plotseling deed een vreeselijke donderslag het gebergte dreunen. En van toen af volgde bliksemstraal op bliksemstraal; de van onweer zwangere wolken schenen van verschillende hemelstreken tegen elkander te botsen. De rosse bliksemstralen kruisten elkander boven de hoofden der verschrikte zwervelingen en de donderslagen werden door de honderden dalen en bergen weerkaatst. Daarbij plaste de regen onophoudelijk in stroomen neder, de storm loeide, de roofvogels krijschten en uit de verte weerklonk het gehuil van den wolf.Met angstige blikken aanschouwden de reizigers uit hunne schuilplaats onder het bladerdak van den eik het vreeselijk onweer, dat rondom hen van alle kanten woedde.Daar sloeg plotseling voor hunne oogen uit een zwarte wolk, die boven den kam van eene puntige rots hing, de bliksem in een der hoogste boomen van het woud. In huiveringwekkende pracht baadde de reuzenstam zich in een zee van vuur en was in één oogwenk tijds van de kruin tot den voet in vlammen gehuld: een vonkenregen spatte neder[110]uit de knetterende takken. Een zwavellucht doortrok den aether. Van den brandenden eik echter kronkelden de vlammen zich naar andere boomtoppen en bedreigde weldra de schuilplaats der reizigers. De Arcadische mannen beloofden de zwervelingen naar de naaste hoeve te voeren, waar zij zouden overnachten. Voorwaarts langs ongebaande wegen spoedden zij zich, hunne gidsen volgend.Na eenigen tijd had de geweldige regen uitgewoed; maar men hoorde het doffe gebruis van gezwollen beken, die van de hoogten zich nederstortten in de dalen en kloven, puin en zand, gebroken takken en rotsblokken zelfs, door de woudstroomen weggespoeld, in den afgrond met zich sleepend.Intusschen was de avond gevallen en terwijl de reizigers door het woudinallerijl hun weg vervolgden, bedaarde het onweder. Weldra werden de wolken door de winden uiteen gedreven en de maan ging rustig op over het woud en de hoogten, die nog zooeven hadden gedaverd van den wilden strijd der elementen.Nu bereikten de vluchtelingen eene groote opene plek in het bosch, eene met kruiden bewassen vlakte, die over eene zachte helling zich naar beneden uitstrekte. Een groot verrassend panorama deed zich hier in de stilte van den nacht aan hunne blikken op. Heinde en ver verhieven zich de toppen der bergen en puntige kruinen in het zilveren schijnsel der maan, die nu eens geheel helder aan den reinen hemel stond, dan weder beneveld door voorbij drijvende wolkjes haar licht verspreidde. Het oog had veel te aanschouwen en de vermoeiden wandelden als in een wakenden droom voort. Daartusschen bruisten de woudstroomen met machtig geweld. Midden in die open plek lagen eenzaam de hoeve en hof van een herder. Toen de reizigers zich gereed maakten daarop toe te treden, trad hun plotseling een man in den weg, die gewapend en met dierenhuiden bedekt was en die klaarblijkelijk het erf tegen de nachtelijke aanvallen van wilde dieren bewaakte. Een paar geweldige[111]honden liepen blaffend aan zijne zijde.Spoedig brachten de inheemsche gidsen hem op de hoogte van de zaak. Zij verlangden gastvrijheid voor de Atheensche reizigers. De wachter voerde de vreemdelingen, nadat hij de blaffende honden met steenen tot rust had gebracht, achter den met hagedoorn omschutten muur, die de hoeve omgaf en eene ruime plaats vormde, waar in het midden een wachtvuur brandde. De eigenaar der hoeve, een eenvoudig herder, naderde enheettede gasten welkom, zonder naar hun afkomst of naam of naar het doel hunner reis te vragen. Hij liet een hamel slachten, om dien voor het onthaal zijner gasten bij het vuur te braden.Nadat hij de reizigers alzoo had verkwikt, wees hij de slaven hun nachtleger in de schuren aan; aan Pericles en Aspasia echter stond hij de kamer van zichzelven en van zijne vrouw af en liet voor hen een helder leger spreiden, terwijl hij rijshout en dorre kruiden op den grond strooide en dit met zachtwollige schapenvachten bedekte. Tot dek gaf hij hun eenige geitenvellen en bovendien zijn mantel.De afwisselende wederwaardigheden, de kleine avonturen, ja zelfs de ongemakken eener reis vermeerderen het genot van reizenden, in plaats van dit te verminderen. De onophoudelijke afwisseling van beelden en gebeurtenissen verschaft ten laatste een onuitsprekelijk genoegen en uit de vrije lucht des hemels stroomt den vermoeiden niet alleen nieuwe kracht en verfrissching toe, maar ook eene blijmoedige stemming.Pericles had zich nooit opgewekter gevoeld dan hier in de hut van den herder bij het gezicht van dat armoedig leger. De zilveren klank van Aspasia’s lach mengde zich zelfs eigenaardig bij het idyllisch geloei der runderen uit de dampende stallen.…„Hoe veel zonderlings bescheren ons de Goden, aan wie wij ons op onzen zwerftocht hebben toevertrouwd!” zeide Pericles. „Vóór weinige dagen[112]hadden wij tot slaapvertrek eene eeuwen-oude koningsgroeve, die ons midden in de Ilias verplaatste, en heden schijnt het, dat wij de avonturen der Odyssee zullen beleven. Die geest van Homerus omzweeft ons, sinds wij den Isthmus hebben overschreden; ik denk, dat wij door ons zwerven geheel zullen veranderen en als wij teruggekeerd zijn kwalijk meer passen bij de verfijnde, schier verwijfde Atheners!”Toen Pericles en Aspasia, vroegtijdig gewekt door het geblaf der honden en het krachtig geloei der runderen, van hun leger verrezen en in den ruimen hof naar buiten traden, zagen zij de boersche herdersknechten zich naar de stallen begeven. Een groote, ruigharige hond speelde met eene schildpad, die hij in het nog natte gras had gevonden. Hij greep haar onder luid geblaf en allerlei sprongen nu eens met den poot, dan eens met den bek en trok haar om en om, tot zij dood op den rug lag. Een andere hond vocht of liever speelde met een bok. De bok stiet hem met de horens, de hond echter hapte naar den baard van den bok en trachtte hem te bijten. Aan de bron zat een naakt kind en wierp met steentjes naar de schitterende zonneschijf, die zich in de oppervlakte van het water spiegelde.Nu kwam uit de stallen de kudde runderen met zwaren tred aanwaggelen: vooraan, fier in het bewustzijn zijner kracht, de springstier; de kalveren sprongen blatend om hunne moeder. Twee knechts volgden met kromme herdersstaven in de hand, van twee geduchte honden vergezeld. Vervolgens kwamen de blatende geiten, door jongens geleid. Den vooraan loopendengeitebokvatte de herder bij zijn harigen kin en streelde hem. „Deze trouwe bok,” zei hij tot Pericles en Aspasia, „kondigt in donkere nachten den wolf of den los, die het erf besluipt, aan, zelfs wanneer de honden slapen en verzuimen het roofdier te bespringen.”De blatende kudde lammeren echter vereenigde zich om een donkerbruin meisje, wier hoofd door een breedgeranden hoed overschaduwd werd en die[113]een herdersstaf in de hand hield. Het meisje had iets over zich, wat in het eerste oogenblik de aandacht trok en een indruk te weeg bracht, waarvan men zich niet onmiddellijk rekenschap kon geven. Zag men echter nauwkeurig toe, monsterde men hare gestalte en het schamel gewaad, dat haar bedekte, dan bemerkte men, dat het een herdersmeisje was, zich ter nauwernood van andere onderscheidende, en men zag niets bijzonders aan haar, dan blonde haarvlechten en oogen van eene vreemde soort. Deze oogen namelijk waren merkwaardig diep en mijmerend, en schenen zelfs in deze,haar welbekende en alledaagsche omgeving met eene soort van kinderlijke verbazing rond te staren.De lammeren verdrongen zich blatend om haar en sprongen tegen haar op. Een der jongste, glinsterend wit, likte liefkozend de uitgestrekte hand van het meisje.Toen de geheele kudde lammeren de poort van den hof, door het meisje geleid, uitgetrokken was, naderde de gastvrije herder Pericles en Aspasia en zij vernamen van hem, dat de jonge herderin zijne dochter was, zijn eenig kind, en dat zij Cora12heette. Hij zette hun nu verscheidene versnaperingen uit zijn landelijken voorraad tot een ontbijt voor, waarin zijne vrouw Glycaena hem de behulpzame hand bood.Pericles vroeg den herder of hij wilde toestaan met de zijnen een dag lang bij hem rust te houden, omdat zij na de inspanning van den laatsten tocht zeer vermoeid waren.Met blijdschap willigde de herder dit verzoek in, liep naar zijne vrouw en zeide met geheimzinnig gebaar:„Glycaena, ik geloof bepaald, dat die beide vreemdelingen die in onze hoeve gekomen zijn, geen stervelingen zijn. Wat hun uiterlijk en schoonheid van gestalte betreft, schijnen zij mij verkleede Goden toe, zooals die toch menigmaal bij arme[114]herders hun intrek hebben genomen. Ook roeren zij bijna de spijzen niet aan, die men hun voorzet.”„En de slaven,” vroeg Glycaena, „houdt gij die ook voor Goden?”„Neen,” zei de herder, „die eten en drinken als gewone menschen. Maar die beiden—nu om het even! Onthaal ze maar, zoo goed gij kunt.”Daarop keerde de herder tot zijne gasten terug, leidde hen overal rond, toonde hun zijne stallen en zijne graanzolders, benevens zijne gladgeboende melkemmers, de tot den rand toe met melk gevulde vaten en de korven, met kaas gevuld. Hij voerde hen ook naar de in hun kotten achtergebleven zeugen en biggen met hun glinsterend wittetanden, prees hun malsch vleesch en voederde ze voor hunne oogen met steeneikels en roode kornoeljes. Nauwelijks gaf Aspasia te kennen, dat zij vermoeid was en wel eens wilde rusten of de herder was aanstonds met een gespikkeld gemzenvel gereed, om het voor haar uit te spreiden en lachte daarbij met eene sluwe uitdrukking op zijn gelaat, alsof hij wilde doen merken, dat hij wel wist, welke behandeling verkleede Godinnen van de stervelingen vereischten.Huiden en koppen van gedoode roofdieren waren aan de omheining van den hof, alsmede aan de boomen, die hem omgaven, in grooten getale opgehangen, en nadat Pericles en Aspasia ook deze beschouwd hadden, ademden zij, in de vrije natuur wandelend en aan zichzelven overgelaten, ruimer de geurige lucht der kruiden op de berghelling in. In het frissche groen, als door de geweldige regen schoongewassen, glinsterde de berg in de stralen der morgenzon. De bedauwde grashalmen schitterden op hunne naar de zon gekeerde zijde als blank geslepen klingen. Een zwerm kraaien vloog in volle vaart over de dreven, streek op een eenzaam staanden boom neder, vloog na weinige oogenblikken even haastig weder op en verloor zich in den blauwen aether. Over de verwijderde[115]bergtoppen zag men herders met hunne kudden trekken. De valleien daartusschen waren geheel met een witten nevel en damp gevuld, die als de zee golfde, en waarin de van de hoogte wijdende kudden schenen ondergedompeld te worden en te verdwijnen. Lammeren en runderen zag men in alle dalen grazen en vlugge geiten klauterden tegen de rotshellingen op. Hier en daar klonk de toon der syrinx13, alsmede gezang, het tijdverdrijf der herders op het veld. Van zekeren kant vernamen de beide wandelaars tonen, die hun bijzonder liefelijk in de ooren klonken. Zij sloegen den weg in, vanwaar het geluid kwam en vonden eene groep herders, die luisterend zich om den voortreffelijken fluitspeler hadden geschaard. Weldra echter trad uit het midden der luisterende schaar een herder, die zich met hem in een wedstrijd wilde meten. Toen Pericles en Aspasia naderden, viel beiden fluitblazers de schalmei uit den mond, ja bijna uit de handen, en alle herders rondom stonden getroffen door de vreemde verschijning. Toen Pericles echter hen vriendelijk verzocht hun wedstrijd voort te zetten en hun zeide, dat zijne gemalin en hij Atheners waren, die, op hunne reis naar Elis, door een geweldig onweder overvallen, hier eene schuilplaats hadden gezocht, begonnen de beide kunstvaardige herders met nog grooter ijver dan straks hun wedstrijd opnieuw en verzochten den Athener en zijne gemalin het rechtersambt te vervullen.Pericles en Aspasia waren opgetogen over de verrukkelijke tonen der herdersfluiten. Zij verbaasden zich dat onder zulke ruwe, onbeschaafde menschen, als deze bergbewonende Arcadiërs, eene, zij het ook gebrekkige kunst tot zulk eene hoogte en volkomenheid kon geraken.Aspasia vroeg de herders, of zij ook niet in nimische dansen met elkander konden wedijveren. Toen wezen zij op den jongste onder hen, een slanken[116]knaap, die op Pericles’ verzoek te voorschijn trad en half koddig, half bekoorlijk een landelijken dans ten beste gaf, waarin hij verschillende werkzaamheden van het landleven in nimische dansen wist voor te stellen.„Zoudt gij ook niet eens een dans met uw tweeën kunnen uitvoeren?” vroeg Aspasia den knaap.„Als Cora maar wilde—” sprak hij op bijna treurigen toon en met zwaarmoedige oogen voor zich uit ziende.„Cora?” riepen de andere herders lachend. „Malle jongen! wat spreekt ge van Cora? Cora wil niets van u weten!”De knaap zuchtte en sloop weg.Verder wandelend bereikten Pericles en Aspasia eene lammerweide, die aan het oog onttrokken door boomen aan alle kanten omgeven was. Hier vonden zij Cora te midden van hare lammeren zittend. Eenige der jonge witwollige schaapjes vergaten het malsche gras en lieten, liever om Cora liggend, hunne koppen op hare knieën rusten. Cora zelve echter zat met gebogen hoofd geheel en al verdiept in de beschouwing van eene schildpad, die op haar schoot lag en die het meisje met hare schoone, heldere en schrandere oogen aankeek.„Waar hebt gij dit dier gevonden?” vroeg Pericles, die met Aspasia genaderd was. Het meisje was zoo geheel in gedachten en mijmering verzonken, dat ze de beide vreemdelingen eerst bemerkte, toen zij voor haar stonden. Nu keek zij op, mat beide met een blik uit hare groote, ronde, kinderlijke oogen en zeide:„Uit het bosch hier nabij komen deze dieren van zelf tot mij kruipen. Vooral deze hier komt altijd terug en is zoo weinig schuw, dat zij haar hals en kop, in plaats van ze in te trekken, altijd zoo ver mogelijk uitsteekt en mij onophoudelijk met hare heldere oogen aankijkt. De oude Baubo zegt, dat Pan soms zelf in de gedaante van eene schildpad zich verbergt.Ik geloof,” ging het meisje zacht voort, „dat ook deze iets geheimzinnigs in[117]zich verbergt; want sinds zij altijd tot mij uit het bosch komt en den dag bij mij en de lammeren doorbrengt, vermeerdert en gedijd de geheele kudde op een wonderlijke wijze.”Toen zij eenmaal aan het praten was, liet het Arcadisch meisje zich gaarne door Aspasia’s vragen verleiden voort te gaan met haar zonderling en kinderlijk gesnap. Liefelijk was het te hooren, hoe het herdersmeisje met hare ernstige oogen van den woud- en herdersgod Pan vertelde, hoe zijn fluitspel uit de verte in de eenzame bergen weerklonk, hoe hij zich nu eens genadig, dan weer luimig toonde. Zij verhaalde ook van de Satyrs, met hunne bokspooten, die de wouden doorzwierven, niet alleen de Nimfen, maar ook de herdersmeisjes plagend vervolgden, en van éénen, die ook haar had nagezet, tot zij hem met een brandend houtverjoeg, dat zij uit een wachtvuur in het bosch had genomen; voorts van de Nimfen, die zich evenals de Satyrs in de wouden ophouden en die soms den mensch bij het maanlicht ontmoeten; wat echter een ongeluk is, want wie eene Nimf in het woud ziet, wordt met waanzin geslagen en is voor altijd verloren.De ziel van het meisje was geheel vervuld van de wonderlijken sagen en sprookjes van haar Arcadisch geboorteland. Zij sprak van diepe poelen en huiveringwekkende bergkloven, van door de Goden gevloekte meren in het woud, in welker wateren geen visch kon leven, van holen, waarin booze geesten hunne schuilhoeken hadden, van merkwaardige heiligdommen van Pan op eenzame, sombere berghoogten. En hoe huiveringwekkender de verhalen van het meisje waren, des te wijder zette zij hare kinderlijk beangstigde oogen open.„Op den Stymphalos,” zeide ze, „daar hangen onder het tempeldak de doode Stymphalische vogels, zooals de held Heracles14ze had geveld.[118]Mijn vader zelf heeft ze gezien. Achter in den tempel staan marmeren beelden van jonkvrouwen met vogelpooten. Die doode Stymphalische vogels zijn zoo groot als kraanvogels en zij vlogen op de menschen aan, toen zij nog leefden en verbrijzelden hun de hoofden met hunne snavels en aten hen dan op. Hunne snavels waren zoo sterk, dat zij zelfs koper daarmede konden doorbijten.”Van de door de Goden vervloekte meren in het woud, waarin geen visch kon leven en waarin zelfs de vogels, die er toevallig over heen vlogen, dood neervielen, kwam zij op het verschrikkelijke water van den Styx, dat in de somberste bergkloof van Arcadië hoog van de woeste rotsen neerdruipt; en van de akelige wateren op de wilde dieren der bergwouden en de jachten, die de Arcadische mannen daarop maakten. Toen echter verloor haar oog de kinderlijk angstige uitdrukking en eene moedige ziel straalde uit haar blik. Zij verhaalde, hoe de herders, wanneer een roofdier in de nabijheid der hoeve zich ophield, menigen stormachtigen nacht onder den blooten hemel moesten doorbrengen, hoe men op grooten afstand schitterende vuren in de hoeven onderhield, hoe men het luide gebrul van het hongerige roofdier in de stilte des nachts van verre uit het woud kon hooren en hoe dan alles zich opmaakt om zijn spoor te vervolgen, of hoe men het in eene hinderlaag opwacht, en, wanneer het zijn sprong over den ringmuur van het erf wagen wil, men plotseling uit den schuilhoek op het dier losgaat met het werpen van speren en steenen en brandende houten, totdat het bezwijkt, overweldigd door de schaar zijner bespringers.Pericles en Aspasia waren verrast over de uitdrukking van moed en belangstelling, die bij deze verhalen uit de blikken en gebaren van het herdersmeisje[119]sprak, in wier gemoed zooeven nog, buiten het bijgeloof en de verhalen en sprookjes van haar geboortegrond, voor niets anders ruimte scheen overgelaten.„Het komt mij voor,” zeide Aspasia, „dat gij aan zulke gevechten niet ongaarne deel zoudt willen nemen.”„O, dol graag!” riep het meisje. „Ik heb behalve dien boozen, overmoedigen Satyr ook reeds tweemaal een wolf, die mijn kudde wilde bespringen, met een brandend hout verjaagd.”„Het meisje herinnert mij,” zeide Pericles tot Aspasia, „zooals zij in dit oogenblik voor ons staat, aan die beroemde dochter van het Arcadische land, Atalante15die, door haar vader als kind te vondeling gelegd, omdat hij geene dochters, alleen zonen wilde hebben, door eene berin gezoogd en door jagers opgevoed werd en vervolgens in de Arcadische wouden met speer en boog gewapend rondzwierf, een schrik der wilde dieren, een stoute, maagdelijke jageres, die van geen zachtere aandoening iets weten wilde.”„Zijt gij altijd zoo alleen bij uwe lammeren?” vroeg Aspasia. „Is er niets, waar ge van houdt en wat ge altijd om u zoudt willen hebben?”„Wel zeker!” riep Cora en zag de vraagster weder met die kinderlijk verbaasde uitdrukking harer oogen in het gelaat. „Ik houd veel van deze schildpad, met hare schrandere oogen, die mij altijd aankijkt en die misschien plotseling eens van gedaante verandert en met mij begint te spreken, want ik droom soms ’s nachts van haar en dan spreekt zij altijd. Ik houd ook veel van de lammeren; en ook die welbekende, ritselende boomen rondom mij heb ik lief en uren lang hoor ik naar hun geritsel. Ik houd ook van den zonneschijn; doch de op de bladeren kletterende regen is mij insgelijks lief, als mede de donder, die zoo statig[120]door het gebergte rolt. Ook van de vogels houd ik, zoowel de grootere, de adelaars en de kraanvogels, die hoog boven mijn hoofd vliegen, als van de kleinere die op de takken zingen. Het meest echter heb ik de verre bergen lief, vooral des avonds, als de ondergaande zon hen met eene rooskleurige tint overdekt, of in den nacht, als hunne toppen, terwijl alles stil, doodstil is, zoo rustig daar staan door het witte maanlicht omschenen.”Pericles en Aspasia glimlachten. „Het schijnt, dat wij ons op nieuw hebben vergist,” zeide Pericles, „daar wij een herdersmeisje, dat van zoovele dingen houdt, onvatbaar hielden voor alle zachtere aandoeningen.”Aspasia trok Pericles ter zijde en sprak:„Wat voor oogen zou dit eenvoudig, Arcadische herdersmeisje opzetten, dat met de schildpad op den schoot zit en meent, dat het dier zich in een God zal herscheppen, wanneer men haar plotseling in Athene verplaatste! Hoe koddig zou zij zich aanstellen, als ik haar bij die beide, mij toevertrouwde meisjes bracht, die ik tot mij heb genomen en die men reeds in Athene mijne school begint te noemen!”„Zij zou als een raaf onder de duiven zijn!” hernam Pericles.Altijd weer opnieuw voelden zich beiden aangetrokken door het gekeuvel van het meisje, waarin een zonderlinge phantasie en eene even eigenaardige soort van gevoel zich openbaarden. Weldra echter begon Aspasia met de Arcadische van rol te verwisselen, daar zij van toehoorderes zelve ging vertellen. Zij begon het herdersmeisje van Athene te verhalen, tot Pericles haar verzocht een einde aan ’t gesprek te maken, daar hij gaarne had, dat zij met hem den ingeslagen weg vervolgde. Weldra verdwenen de wandelaars in het bosch. Het was middag geworden, de zon had de vochtigheid van den morgen opgetrokken en het struikgewas verwarmd en al zijne heerlijke geuren doen ontwikkelen. Op de open weiden in het woud[121]en in de houtspleten stonden hoog opgeschoten, bloeiende heesters, welker geuren vereenigd met de aroma’s van de boomhars de berglucht verkwikkend, ja bijna bedwelmd maakten. Van cicaden16wemelde het hout onder de brandende zon.Toen de wandelaars in de eenzaamheid van het woud uitrustten, kropen ook naar hen de schildpadden toe, waarvan Cora zooveel hield; ook boven hunne hoofden vlogen de groote vogels en zongen de kleine in de takken; het ritselen der toppen, waarnaar Cora uren luisterde, ruischte over hen en Cora’s geliefde zonneschijn speelden om hen heen.„Het diep geruisch dezer Arcadische wouden,” zei Pericles, „dat als van een oneindigen afstand schijnt te komen en zich in een oneindigen afstand weder verliest, vervult mij met eene zonderlinge huivering. Iets dergelijks heb ik nooit in mijn leven ondervonden. Ik heb nooit naar de stemmen van een woud geluisterd; onverschillig ben ik verschijnselen voorbij gegaan, die mij nu plotseling iets schijnen te willen zeggen. Zie ginds eens dien fijnen, in de zon schitterenden draad, die van den top van den haverhalm tot aan de bloem van dat blauwe klokje gespannen is: hebt gij wel eens het wonderfijne, zilveren weefsel der spin met aandacht beschouwd? Dit Arcadische meisje leert ons, dat men ook dingen beschouwen kan en liefkrijgen, die men gewoonlijk ter nauwernood opmerkt en die men onbewust geniet, zonder dat men er dankbaar voor is, evenals men ademhaalt.”„Uw gemoed, dierbare Pericles,” hernam Aspasia, „is naar ’t schijnt, zeer ontvankelijk voor nieuwe indrukken. Thans heeft een Arcadisch herderskind u eene geheel nieuwe en ongewone liefde ingeboezemd, eene liefde voor boomen en drijvende wolken en hoog vliegende vogels, en de geur der Arcadische bergkruiden, schijnt u wellicht reeds[122]welriekender, dan die van alle rozenpriëelen van Milete!”„Gij zult toch toe moeten geven,” hervatte Pericles, „dat deze geurige woudlucht het hart verkwikt en dat daarentegen de bedwelmende geur der rozen de geestkracht van den mensch ten laatste verslapt. Inderdaad, ik voel mij hier door den adem van een vernieuwd leven bezield. Toen wij eens op de Acropolis in de Pangrot stonden en gij over den herdersgod den neus ophaaldet, vermoedden wij niet, dat deze God ons later eens zoo vriendelijk te gast nooden, zoo heerlijk onthalen zou. Vreedzaam geluk omgeeft ons hier, en wanneer ik mij in den geest uit deze voorwereldlijke stilte in het woelig Athene terug verplaats, dan schijnt mij het onstuimig jagen en drijven dier menschen schier ijdel, tegenover de goddelijke rust dezer herders op hunne eenzame bergen.”„Ik deel maar ten halve uwe ingenomenheid met de genietingen, die de gastvrijheid van den herdersgod ons hier bereidt,” zeide Aspasia. „Deze menschen zijn plomp en eenvoudig, de verre sneeuwkruinen doen mij huiveren en het gebergte in de nabijheid beangstigt mij, als zou het mij onder zijne toppen bedelven. Het ernstig, eentonig ruischen van die hooge, rijzige dennen doet mij onaangenaam aan, en schijnt mij juist geschikt om in het menschelijk gemoed een somber, naargeestig en dweepend gevoel aan te kweeken. Ik voor mij bemin zonnige dreven, bloeiende velden, stranden met een ruim gezicht op zee. Ik verkies die oorden, waar de van vernuft tintelende geest zich in schoone rijpheid ontwikkelt. Gij zoudt, dunkt mij, gaarne bij deze herders willen achterblijven; ik daarentegen zou ze allen wel van hier willen wegvoeren, om ze tot menschen te vormen. Welaan, doe, zooals Apollo deed, wien het insgelijks eens behaagde zich onder de herders te begeven en kudden te weiden17. Blijf hier! Gij kunt dan als[123]eene cicade leven: wijs, zonder leed en bloed. En lust het u soms nog nuttig werkzaam te zijn, dan kunt ge krekelvallen vlechten of lijmstokken behendig tusschen de boomtakken steken, om vogels te vangen, of met steenen door den slinger geworpen, de spreeuwen en kraanvogels van de zaadvelden verjagen. Of gij kunt de lammeren van Cora hoeden, die mij naar Athene zal vergezellen.”Pericles glimlachte. „Denkt gij dus inderdaad,” zeide hij, „Cora met u te nemen?”„Wel zeker, denk ik dat te doen!” hernam Aspasia, „en ik hoop, dat gij uwe toestemming daartoe niet weigeren zult.”Pericles was verrast. „Mijne toestemming,” zei hij, „zal u niet geweigerd worden, maar welke bedoeling hebt gij daarmede?”„’t Is louter eene aardigheid,” antwoordde Aspasia. „Dit Arcadische meisje zal mij gewis vermaken. Ze doet mij lachen, als ik in hare groote, ronde, angstig rondkijkende oogen zie.”’t Was, zooals Aspasia zeide: zij wilde zich met dat meisje vermaken, zij wilde er genoegen in scheppen te zien, hoe zonderling het bijgeloovig, onervaren herderskind zich gedragen zou, wanneer men het plotseling in het oververfijnde Athene verplaatste.De ziekte van een zijner slaven noodzaakte Pericles nog een tweeden dag de gast van den herder te blijven.Ook dezen dag bracht het Atheensche paar meest in het gezelschap van het bruine herdersmeisje door. Weder snapte Cora, verteldeherdersgeschiedenissen, ja zij zong zelfs eenige zonderlinge, kinderlijke liederen, die zij zelve gemaakt had, zooals het volgende:Het beekje komt van ’t rotsgebergt’En stort zich in het woud;Er grazen reeën in het dal,Het lachend ze aanschouwt.[124]’t Besprenkelt bloem en blad met dauwEn lescht der dieren dorst,En komt de barre winter aan,Wordt het met ijs omkorst.Zij vertelde ook van den verliefden Daphnis18, die van zwaarmoedigheid en verlangen wegkwijnde en dien daarna alle dieren betreurden. Dit droevig verhaal beviel echter aan Aspasia niet: zij luisterde er naar met een spottenden glimlach om de rozelippen en teekenen van afkeuring …Toen zij voortwandelende aan eene bron kwamen, door sappige kruiden omgeven, waaruit een kristalhelder beekje gevormd werd, en Aspasia zich daarin wilde spiegelen trok Cora haar angstig terug en waarschuwde haar, zeggende, dat iemand, die zich in eene bron spiegelt, somwijlen plotseling een ander beeld dan het zijne daarin ziet, namelijk dat van eene Nimf, die hem uitlacht, en dan was hij verloren.Toen de zon in het zenith stond en de toon eener syrinx in de broeiende middagstilte vernomen werd, zei Cora: „Pan zal weder boos worden; hij wil niet, dat men hem op den middag, als hij rust, door syrinxen of andere geluiden uit zijne sluimering zal wekken.”—De muziek echter kwam van den herdersknaap, die den vorigen dag, op Pericles’ en Aspasia’s verzoek, een landelijken dans had uitgevoerd. Wel wist de knaap, dat Pan van den klank der syrinx in het middaguur niet hield; maar hij bespeelde altijd de syrinx, als hij bemerkte, dat Cora in de nabijheid was, omdat hij meende haar daarmede genoegen te doen. Cora echter berispte den armen jongen. En toch had zij een week gemoed. Zij redde voor Pericles’ en Aspasia’s oogen een cicade die zich in het web eener spin verward had.Ernstig en aandachtig luisterde het meisje weder, toen Aspasia haar opnieuw van Athene begon te vertellen.[125]Met opzet schilderde Aspasia in de gesprekken, die zij met Cora nog in den loop van den dag hield, het leven in de stad der Atheners in verleidelijke kleuren. Zij verstoorde den vrede dezer idyllische natuur, zij verwekte een wanklank in de harmonische wereld van dit kinderlijk hart. Eindelijk vroeg zij Cora of zij met haar naar Athene wilde gaan. Het herdersmeisje zweeg, maar scheen in diepe gedachten verzonken.Aspasia wendde zich tot de ouders van Cora en verklaarde hun, dat zij Cora gaarne met zich mede naar Athene wilde nemen, en hunne dochter daar een gelukkig lot zou verbeiden.„Dat mogen de Goden geven!” zei de eerlijke herder. „Dat mogen de Goden geven!” herhaalde de herderin. Maar zij zeiden niet ja.—En zoo dikwijls Aspasia de vraag om hunne toestemming herhaalde, zeiden beiden altijd dit ééne:„Dat mogen de Goden geven!”Men zag, dat het aan het vaderlijk en moederlijk hart zwaar viel, hun eenig kind, zij het ook voor het gelukkigst lot, van zich te laten gaan.Aan den avond van dienzelfden dag werd Cora plotseling gemist, nadat zij toch met hare lammerenkudde reeds naar huis was teruggekeerd en langen tijd werd zij te vergeefs gezocht. Eindelijk zagen Pericles en Aspasia, niet verre van den ingang van het hof staande, het meisje de helling afkomen. Maar zij kwam in zeer zonderlinge houding. Zij had namelijk de handen stijf tegen de ooren gedrukt. Op eenigen afstand van Pericles en Aspasia stonden, buiten de hoeve, de slaven van Pericles in eene groep bijeen. Toen het meisje deze groep genaderd was, nam zij plotseling de handen van de ooren weg en scheen naar de woorden der slaven, die onder elkander praatten, te luisteren. Bijna op hetzelfde oogenblik scheen zij te ontstellen, drukte de hand tegen de borst en bleef een oogenblik als in den grond geworteld staan. Pericles en Aspasia gingen naar haar toe en vroegen naar de oorzaak van hare ontsteltenis.[126]„Ik heb Pan gevraagd,” antwoordde zij, „of de Goden wilden, dat ik met u naar Athene zou gaan.”„Hoe dan?” vroegen beiden.„Ginds onder in het dal,” zeide het meisje, „ligt eene grot, aan Pan geheiligd. Daar staat het beeld van den God, uit eikenhout gesneden, in de spelonk. Derwaarts begeven zich alle herders, als zij iets geheimzinnigs te vragen hebben. Men fluistert den God de vraag stil in het oor, houdt vervolgens zijne eigene ooren met de handen dicht, totdat men onder menschen komt, die juist met elkander spreken. Dan trekt men de handen plotseling weg en het eerste woord, dat men verneemt, is de orakelspreuk van Pan, het antwoord van den God op de vraag, die men hem in het oor heeft gefluisterd.”„En welk woord hebt gij het eerst onder die slaven gehoord?” vroeg Aspasia.„Het woord Athene!” hernam Cora en beefde daarbij van aandoening.„Pan wil derhalve, dat ik naar Athene ga,” vervolgde zij zuchtend.„Hij staat u toe uwe lievelings-schildpad mede te nemen,” zei Aspasia glimlachend.De ouders van Cora kwamen nader.„Pan wil, dat ik naar Athene zal gaan,” zei het meisje op treurigen, maar beslisten toon. En zij deed nog eens het verhaal, hoe zij in de grot van Pan zijn orakel had geraadpleegd.De herder en zijn vrouw luisterden naar hare mededeeling, zagen elkander ontroerd aan en herhaalden toen, op niet minder treurigen toon dan het meisje, de woorden:„Pan wil, dat Cora met de vreemdelingen naar Athene zal gaan!”—Toen gingen zij naar hun weenend kind, drukten het in hunne armen en kusten het.„Cora zal beloond worden voor hare gehoorzaamheid aan den God,” zei Aspasia. „Zij zal dikwijls boden zenden, die u berichten en geschenken van[127]haar zullen brengen en als gij oud zijt geworden, zal zij u bij zich noodigen, om het overige uwer dagen rustig bij haar te slijten.”„Gisteren reeds wedervoer ons een voorteeken in ons huis,” zei de herder ernstig, „doordien eene slang die het nest eener zwaluw onder de kroonlijst wilde besluipen, door het rookgat midden op den haard naar beneden is gevallen.”Aspasia sprak nog eenigen tijd met het herderspaar, om het te bemoedigen en te troosten, en zwijgend, schoon met gebroken hart, voegde het zich in den wil van den God.Treurig weerklonk in de verte de syrinx van den verliefden herdersknaap, terwijl hij in de schaduwen der stille paden van het landelijk erf ronddoolde.Nu gingen allen te zamen in de hoeve, om daar den nacht door te brengen, die voor Pericles en Aspasia de laatste was in de Arcadische bergen. Want met het krieken van den morgen waren zij voornemens op te breken en hunne reis naar Elis voort te zetten, waar grootere dingen hen verbeidden dan hier in het stille herdersland.1Arcadië is een landschap in het midden van de Peloponnesus (Moréa) gelegen.↑2De Peloponnesus.↑3De landengte tusschen Hellas en de Peloponnesus, ook die van Corinthe geheeten. In het algemeen iedere landengte.↑4De Styx is eene ijskoude, vergiftigde bron in Arcadië, ook eene rivier in de onderwereld.↑5Sinis, volgens anderen Sinnis, bond de reizigers, die hij in zijne macht kreeg, aan samengebogen boomen en liet hen zoo van een scheuren. Hij werd door Theseus gedood.↑6De „Zeven Vorsten”, die op verzoek van Polynices, den zoon van Oedipus tegen Thebe optrokken om hem, die door zijn broeder Eteocles verdreven was, weder op den troon te plaatsen waren: Adrastus, Amphiaraüs, Hippomedon, Capaneus, Parthenopaeüs en Tydeus; Polynices wordt als zevende genoemd.Aeschylusheeft die stof dichterlijk behandeld.↑7Bij Homerus alzoo genoemd.↑8De Atriden d.i. zonen van Atreus, waren Agamemnon, koning van Mycenae en Menelaüs van Sparta.↑9In het eerste boek der Ilias wordt de toorn van Achilles beschreven; Agamemnon heeft hem zijne schoone slavin Briseïs ontvoerd, omdat hij zijne eigene, Chryseïs,op last van Apollo, bij monde van den priester Calchas overgebracht, aan haar vader Chryses heeft moeten teruggeven. Daarom is Achilles vertoornd en kan noch door gebeden noch door geloften er toe gebracht worden, om weder aan den strijd, waaraan hij zich onttrokken heeft, deel te nemen. Alleen de dood van zijn boezemvriend Patroclus, door Hector geveld, ontvlamt hem weder tot den strijd.↑10„Pan”.↑11Het Grieksche pelagos beteekent: „zee”.↑12Cora (in het Grieksch Kora) beteekent: meisje.↑13De syrinx is eigenlijk iedere pijp, de pijpfluit, die uit verscheidene naast elkander vereenigde en trapsgewijze afnemende pijpen, ongelijk van dikte en lengte, bestaat: de herders- of Pans-fluit.↑14Het dooden der Stymphalische vogels was een der twaalf werken, Heracles (Hercules) door zijn broeder Eurystheus opgelegd. Door Hera met waanzin geslagen had Heracles zijne drie kinderen, bij Megara, dochter van den Thebaanschen koning[118]Creon verwekt, gedood, en moest, op last van den Delphischen God, als boete volbrengen wat Eurystheus hem zou opleggen. Het meer, waarom die vogels met koperen vleugels, bek en klauwen, zwierven heette Stymphalis; Stymphalos is de naam van een berg in Arcadië. De vogels zelve worden Stymphaliden genoemd.↑15Atalantewas de dochter van Iasus en Clymene en werd op den berg Parthenius te vondeling gelegd. Zij nam deel aan denArgonautentochten de jacht op het Calydonische zwijn. Later werd zij aan hare ouders teruggegeven.↑16Krekels. In het Latijn heet een krekel cicada, wellicht ware het meer consequent geweest, zoo de schrijver tettix, het Grieksche woord daarvoor, gebezigd had.↑17Apollo weidde de runderen van Admetus, koning van Pherae in Thessalië.↑18Volgens de mythe een zoon van Hermes en eene Nimf.↑

XVII.HET MEISJE UIT ARCADIË1.

Eenige jaren waren zoo voorbijgegaan. Aspasia had moedig gestreden, maar zij mocht zich niet beroemen gezegepraald te hebben. Het onstuimige tooneel in den Thesmophoriën-tempel was in de stad bekend geworden en Aspasia had de vernedering te verduren, die onder alle omstandigheden met eene nederlaag gepaard gaat. Het ontbrak overigens ook niet aan dezulken, die haar aanhingen: het grootste deel echter van haar geslacht was door nijd, verblinding en de boosaardige uitstrooisels harer vijandinnen op haar gebeten.Eene zwaarmoedige stemming maakte zich soms van Pericles meester. Hij dacht aan het onbewolkt geluk, dat hij met de Milesische in de korte, maar zalige, eenzaamheid aan hetIonischestrand had gesmaakt. Soms maakte zich een gevoel van hem meester, als moest hij nogmaals de zorgen van den dag afschudden en wegvluchten uit het woelige Athene, waar zijn beste oogenblikken door den hatelijken laster der menschen, die als het[87]gegons der bijen zijn hoofd omzweefden, verbitterd werden.Toen de tijding te Athene kwam dat Phidias in Elis zijn gouden en ivoren standbeeld van den Olympischen Zeus had voltooid, het grootste en verhevendste zijner werken, hoe bekoorde toen Pericles het denkbeeld om met Aspasia een kort uitstapje te maken naar het Dorische land! Maar Aspasia scheen de tocht al temoeilijkdoor het bergland van Argos en Arcadië, en slechts als een aangename scherts beschouwde zij de gedachte aan zulk eene reis, toen zij voor het eerst tusschen hen beide ter sprake gebracht werd.In het Atheensche volk was langzamerhand die afkeer tegen de gade van Pericles binnengeslopen, waarmede schoone en invloedrijke vrouwen, wier lot met dat van een hooggeplaatst man verbonden is, bijna altijd te kampen hebben. Men ging voort haar geheimen invloed op de politieke plannen en ondernemingen van Pericles toe te schrijven en te beweren dat zij Pericles opzette zich tot tyran van geheel Hellas op te werpen. Deuitgelateneblijspeldichters, aan wier spits Cratinus, de vriend van Polygnotus, stond, die nog sedert het feestmaal van Hipponicus op de Milesische gebeten was, spitsten hunne pijlen tegen haar al scherper en scherper. De Attische Muze geleek op de bij: zij droop van honig, doch zij verborg ook een scherpen angel.Pericles werd toornig en trachtte den overmoed der comedie te beperken.Deze poging werd ten aanschouwe der heele wereld aan den invloed van Aspasia toegeschreven.„Houden zij mij voor een ouden leeuw,” zeide Cratinus, „wien de tanden zijn uitgevallen en die alleen nog kwijlen kan?”En in zijne volgende comedie slingerde hij onbeschaamd voor de oogen der gezamelijke Atheners een gemeen scheldwoord naar Aspasia’s hoofd.Het schimpwoord van Cratinus was gruwzaam beleedigend,[88]bijna vernietigend. De afgunst der geheime en openlijke vijanden van Aspasia kon schier geen erger bedenken. De spotzieke menigte ving het begeerig op en herhaalde het. De grond van Athene begon te gloeien onder de voeten der Milesische …Van dien dag af was de reis naar Elis tusschen Pericles en Aspasia eene uitgemaakte zaak. Minder bezwaarlijk vond de diep gekrenkte thans, het Pelops-schiereiland2te betreden, dan op den brandenden bodem van Athene te vertoeven.Te Athene was de Milesische te zeer door belangstellenden en nieuwsgierigen omgeven, die als ’t ware in de stralen van haren geest en van hare schoonheid zich koesterden. In de ernstige, stille beemden van Argos, op de idyllische hoogten van Arcadië, zelfs in het gewoel van Olympia zou zij, naar Pericles’ meening, wederom geheel en al uitsluitend voor zijn en haar geluk leven.Snel werden devoorbereidingsmaatregelenvoor de reis genomen, en weldra kon de zuster van Cimon, die van alle dingen het eerst op de hoogte was, aan het babbelziek Athene vertellen, dat Pericles op ’t punt stond naar Olympia te vertrekken en dat de verwijfde held zijne beminde Aspasia—die overigens wél deed zich aan de schande, waarmede zij te Athene overladen werd, te onttrekken—niet missen wilde. Er waren velen die zich vroolijk maakten over dat onafscheidelijk paar. Velen echter waren er ook, die het in stilte benijdden.…Een licht voertuig bracht de beide getrouwen tot aan den Isthmus3. Slaven en muildieren waren tot aan Corinthe vooruit gezonden, om vandaar in de reis over demoeilijkewegen van de Peloponnesus behulpzaam te zijn.Hoe vrij ademden beiden, toen zij het anders zoo geliefde Athene achter zich hadden!—Zij wisten niet, dat zij, uit Athene, als ’t ware vluchtend,[89]het hun beschoren lot niet vertraagden, maar integendeel bespoedigden …Van de prachtige land- en zeegezichten, die in onafgebroken afwisseling zich aan hun oog voordeden, tot aan de monumenten aan de kanten van den weg, de Hermes-zuilen en het Hecate-huisje aan de kruiswegen was alles voor het thans weder gelukkige paar opwekkend, alles belangrijk.Zij vonden den breeden weg van Eleusis vol reizigers. Men zag vrome, menschlievende lieden voor de beelden en kapellen der reisgoden vruchten en andere spijzen nederleggen, opdat arme en hongerige zwervers zich daaraan konden verkwikken. Hier en daar stonden ooftboomen aan den kant van den weg geplant, wier vruchten eveneens gemeen goed voor alle dorstigen waren. Ook aan herbergen ontbrak het niet.„Een reislievend volk zijn wij Hellenen,” zeide Pericles tot Aspasia. „Alom aangeknoopte banden van gastvrijheid en vroolijke feesten lokken van plaats tot plaats. Ook voor den reiziger is, zooals gij ziet, goed gezorgd.”Aan de berghellingen ter zijde van den weg ontsprong menige vroolijke bron uit de rotsen. In den reuzenstam des populiers, die de bron overschaduwde, had menig rustend wandelaar, om zijn dankbaar gemoed uit te storten, eene spreuk of een vers gesneden,somsook een wijgeschenk aan de takken opgehangen.Bloeiende, met tempels en zuilen prijkende steden en vlekken deden zich aan de blikken der beide reizigers op. Eerst Eleusis, de heilige stad der mysteriën, waar, op Pericles’ bemoeiing, juist een nieuw, fraai gebouw voor het vieren der mysteriën verrees. Vervolgens Megara, de stad der Doriërs, welks aanblik in Aspasia’s geest onaangename herinneringen terugriep. Haar vriendelijk gelaat verduisterde; zij zweeg, doch het onvergeten leed en de onverzoende smaad persten haar een traan van weemoed en smart af. Pericles begreep haar en zeide:[90]„Troost u! Uwe vijanden zijn ook de mijne. Megara zal boeten, voor wat het misdeed!”Aangekomen in het van menschen wemelende Corinthe, begaf Pericles zich naar het huis van zijn gastvriend Amynias, die hem en zijne gemalin met de hoogste eerbewijzen ontving.Al te verleidelijk blonk den aangekomenen de hoogte van de wijd en zijd uitziende Acrocorinthes, de Acropolis der stad Corinthe, tegen, de door bloemen en kruiden dicht bewassen rotsberg, steil afhellend naar de stad, een wachtpost van het Helleensche land. Van zijne kruin schitterde de oude, beroemde tempel van de Godin der liefde. Want evenals het van geest tintelende Athene zich onder de bescherming van de schrandere Pallas Athene had gesteld, zoo had de rijke, genotlievende handelsstad tot schutsvrouw de vreugdeverspreidende Aphrodite gekozen. Evenals Pallas Athene daar, was hier Aphrodite de beheerscheres van den burg en gewapend stond zij in haar heiligdom. Van de hoogste rotskruin schitterden hare tempeltinnen verre over de zee, tevens als een baken voor de zeelieden. Duizend Hierodulen, dienaressen der Godin, bekoorlijke en goedgunstige dochters der vreugde, woonden in het tempelgebied op de berghoogte, die door aangelegde terrassen, zuilengaanderijen, tuinen, priëelen, baden en gastverblijven op eene zoo ver uitziende vlakte, tot een dubbel vriendelijk Eden omgeschapen was.Van deze hoogte nu, in het middelpunt van de Helleensche landen en zeeën zich verheffend, overzagen Pericles en Aspasia al die grillig gevormde, in eigenaardige kleurschakeering prijkende bergtoppen; zij zagen in het noorden de besneeuwde kruin van den Parnassus en verder oostwaarts den Helicon, zij begroetten Attica’s bergketens en met niet geringe blijdschap zagen zij zelfs de liefelijke, bekende rotshoogte van de Atheensche Acropolis door den reinen aether uit de verte opdoemen. Zuidwaarts weidde hun blik over de hoogten van Noord-Arcadië. Zij zagen tusschen de tallooze bergen[91]en dalen de blinkende zeeboezems en kusten, ook groenende of rotsgrauwe zeeëilanden, alles door de bekoorlijkheid van een onvergelijkelijk licht overgoten.In dit liefelijk gezicht werden Pericles en Aspasia eenigszins gestoord door den zwerm van Hierodulen, die in de nabijheid van het tempelgebied in de zuilengangen en priëelen omzwierven.„Gij hebt te Athene,” zei de Corinthische gastheer, die het paar vergezelde, terwijl hij een blik op deze schoonen sloeg, tot Pericles, „gij hebt zulk een soort van eeredienst nog niet en gij zult wellicht in deze priesteressen, die zich ten gunste van den tempelschat prijsgeven, geen heilige personen zien. Bij ons staat zulk priesterschap sedert langen tijd in hoog en eerwaardig aanzien. Deze gulle, vroolijke meisjes, die den dienst van Aphrodite vervullend, zich in haar gemoed tot de moeder der liefde zoeken te verheffen, zijn bij offers en andere godsdienstige plechtigheden tegenwoordig, nemen aan de feestelijke optochten der burgers deel en zingen daarbij een paeän ter eere van Aphrodite. Men wendt zich tot haar om voorspraak bij de Godin, de beschermvrouw onzer stad. Gij glimlacht? Nu, gij Atheners moogt meenen dat gij aan Pallas Athene meer te danken hebt. Bij u is de staat vermogend en invloedrijk, bij ons zijn het de enkele burgers. Ieder is een Croesus een koning op zich zelven en verheugt zich in de door handel en scheepvaart verworven goederen des levens. Wij streven niet naar macht en invloed in Griekenland, wij verspillen onze schatten niet aan den bouw van vestingwerken of vloten en dergelijke zaken, doch wij leven prettig en gelooven dat per slot van rekening toch alleen de individu leeft en het geheel maar een bloot begrip is. Het moge zijn, zooals het wil, en gij Atheners moogt nog zoo minachtend op ons nederzien, gij hebt toch den weg ingeslagen, die u nader tot ons brengt. Gij bemint en beoefent het schoone, waarmede toch altijd de liefde voor de aangenaamheden des levens[92]gepaard gaat.”Deze woorden van den Corinthiër maakten een diepen indruk op Pericles, zonder dat hij er veel acht op scheen te slaan. Hij staarde naar de bergen van de Peloponnesus en sprak na eenigen tijd met een lichten glimlach, zich tot Aspasia richtend:„Het is opmerkelijk, dat ons juist hier, als ’t ware aan den drempel van den ernstige, strenge Peloponnesus, nog het beeld van de hoogste weelderigheid van het Helleensche leven tegenstraalt. Wie zou kunnen gelooven, wanneer men van het vroolijke, kunstlievende, gedachtenrijke Athene komt, of als hier in het genotlievende Corinthe door verleidelijke Hierodulen omgeven, op de hoogte van den Aphrodite tempel staat, dat op zoo’n geringen afstand aan gene zijde van den Isthmus en die somber zich verheffende bergen, op Arcadië’s hooglanden, een onbedorven herdersvolk in oudvaderlijken eenvoud leeft?Dattegenover die plaatsen van een schoonen genotvollen lediggang, daar boven aan genen kant der bergen de ruwe Spartaan en de sombere, mokkende Messeniër, ruigharigen leeuwen of wolven gelijk, in afschuwelijke kloven of donkere wouden op leven en dood elkander bekampen? Welk een worstelplaats van wilde heldhaftige kracht is van overoude tijden die strook lands aan gene zijde der opdoemende bergen! Uit burgten, gebouwd uit op elkander gestapelde rotsblokken, trokken de Argivische vorsten tegen Ilium op. Op de paden van de Peloponnesus betraden Heracles enPerseushun heldenbaan, doodden leeuwen en bestreden het slangengebroed in de kloven en de verderfaanbrengende vogels in de lucht. En worstelt niet nog ten huidigen dage op de velden van Pelop’s schiereilanden, op den Isthmus te Nemea, te Olympia, mannelijke kracht en moed om den prijs?Stroomenniet derwaarts de mannen van geheel Hellas, tuk op den lauwertak van lichaamskracht? Somber, dreigend en ruw schijnt[93]deze Peloponnesus, en de wateren van den Styx4besproeien niet te vergeefs zijn woest bergland. Maar wij willen hare verschrikkingen trotseeren, wij willen ons in het hol van den leeuw wagen. En als wij weekelijk en verwijfd worden, willen wij met nieuwen kracht ons sterken in die ruwere lucht.”„Sedert wanneer,” zei Aspasia glimlachend, „is Pericles een bewonderaar, ja zelfs een benijder van de ruwe en eenvoudige mannen van gene zijde van den Isthmus geworden? Troost u maar, dierbare vriend! Laat hen daar worstelen en strijden, zooveel zij willen. Over hunne sombere berghoogten schittert niet als over Athene’s Acropolis het zegevierende licht van Pallas Athene!”—Onder een sterk geleide braken de reizigers den volgenden morgen van Corinthe op, om met blijden moed hun tocht door het Dorische land over de Argolische bergen te beginnen. Aspasia weigerde doorgaans van den draagstoel gebruik te maken, dien Pericles uit liefderijke zorg voor haar had laten gereed maken en die door slaven of muildieren over de moeilijke plaatsen van het gebergte kon gedragen worden. Zij gaf er de voorkeur aan, om op een muildier naast haar echtgenoot te rijden. En zoo trokken zij dan, onder vertrouwelijken kout, door de suizende bergwouden, den loop der beken te gemoet, die zich in de kloven nederstortten, bereikten over steile hellingen en boschrijke toppen de vrije bergvlakten, soms ook door bergpassen en dalen, waar oleander- en lentiscusstruiken en wilde pereboomen over het donkere pad hun schaduwrijke twijgen in elkander strengelden.Op zulke sombere wegen sloeg nochtans de moedige Aspasia soms een angstig bespiedenden blik in het struikgewas, om te zien of niet de donkere gestalte van een roover daaruit te voorschijn[94]zou springen. Dan glimlachte Pericles en zeide, met een blik op het goedgewapende met de wegen vertrouwde gevolg van inlanders, die hij tot begeleiding door het gebergte had medegenomen:„Vrees niets, Aspasia! Reeds sedert lang zijn de wilde reuzen op deze paden uitgeroeid, en geveld is reeds lang de pijnboombuiger Sinis5, de snoode wreedaard. Alleen voor de slangen van deze hoogten en dalen moeten wij op onze hoede zijn: want gij herinnert u wel, wat hier zeer nabij op Nemea’s grondgebied geschiedde, toen de voedster het knaapje in het gras legde, om voor de langstrekkende „Zeven tegen Thebe”6, op hun verzoek, een dronk verkwikkend water te halen.”Na eene vermoeiende dagreis bevonden zich de reizigers aan het begin van de Inachus-vlakte en zagen tusschen twee grauwe, spitse bergen den in de sagen beroemden heerscherszetel van Agamemnon, den overouden wachter dezer bergpassen, den burg van Mycenae, loerend op zijn rotskruin liggen—„in den hoek van Argos”, naar de woorden van het Homerisch lied. Ter rechter zijde verhief zich de kale kegelvormige berg met den ouden burg Larisa, de Acropolis der stad Argos, welke aan den voet van den berg over eene ruime uitgestrektheid in de vlakte gelegen, nog steeds bloeiend en niet minder sterk bevolkt was dan de stad der Atheners. Over de uitgebreide strandvlakte van het „paardenvoedende Argos”7schitterde de blauwe zeeboezem van Nauplia. Bergketens, in de tinten van de ondergaande zon gedoopt, hieven hier hunne veelgetakte kruinen ten hemel en liepen ginds met groote krommingen tot aan de zee. Ook aan gene zijde van de blinkende[95]golf doemden de nevelachtige omtrekken van geweldige bergkruinen op.Eene zonderlinge gewaarwording maakte zich van de reizigers meester. Hunne blikken hingen aan het grauwe rotsgevaarte van Mycenae, de sporen van den koningsburg der Pelopiden zoekend en al de andere onvernietigbare overblijfsels van Cyclopische schathuizen, graven, muren en gewelven van den voortijd.Toen zij Mycenae zelve hadden bereikt, was de duisternis ingevallen. Zij stonden op de rotshoogte, waar het grauwe muurwerk, uit reusachtige, loodrecht gehouwen rotsblokken opgestapeld, door mos en klimop overdekt, in de schemering schier dreigend en beangstigend zich verhief. Nochtans versmaadden zij het, naar beneden te gaan tot de woonplaatsen der weinige Myceners, die in de reeds lang vervallen en schier uitgestorven heerscherstad der Atriden8nog woonden. Pericles en Aspasia besloten den lauwen zomernacht in de nabijheid van deze eerwaardige overblijfsels van het verleden onder eene tent door te brengen. Thans ging de maan op en baadde het muurwerk en de hoogte zelve, met alle bergkruinen van Argos rondom en de vlakte daartusschen tot aan de verre golf, in haar zilveren licht. Hoewel vermoeid, konden Pericles met Aspasia de bekoring van dit tooverachtig, heldere maanlicht niet weerstaan. Zij putten nieuwe kracht uit de zonderlinge opgewektheid hunner gemoederen. Voor weinige dagen nog omgaf hen het woelige Athene en thans stonden zij op Mycenae’s puinhoopen, door de huiveringwekkende stilte van den sterrenhelderen nacht omgeven, in de sombere eenzaamheid der Argolische bergen. De geest van Homerus kwam over hen. In het ruischen van den wind, in het suizen der bergtoppen vernamen zij iets, wat hun als een zwakke nagalm klonk van zijn onsterfelijk heldenlied. Het[96]licht der volle maan, dat rondom op Argos’ bergtoppen scheen, herinnerde hen aan de wachtvuren, die eens hier van den eenen bergtop tot den anderen flikkerden, om de mare van de zege der Hellenen over zee en gebergte herwaarts te brengen tot aan den burg van Agamemnon, waar de woeste Clytemnaestra, aan de zijde van haar minnaar Aegisthus, den terugkeer van den zegevierenden Hellenen-aanvoerder met in ’t geheim geslepen moordstaal verbeidde. En binnen deze verlaten puinhoopen, die daar vóór hen lagen, in de doodstille, nachtelijke eenzaamheid, werd dit moordstaal getrokken. Achter deze muren verstierf dof het doodsgerochel van den huiswaarts gekeerden heerscher der volkeren …Pericles en Aspasia liepen langs den geweldigen muur, die den kant van den steilen burgtheuvel met talrijke hoeken en bochten omgaf. Zij bereikten de overoude, beroemde leeuwenpoort, den eerwaardigen ingang van den Atriden-burg, waarboven het oudste beeldwerk van het werelddeel prijkte. Door deze poort betraden zij de burgtruimte en stonden voor de binnenmuren, waarachter eens de Atriden tegen elken aanval veilig leefden; doch alleen de grondvesten wezen hun de plaats der eigenlijke vorstenvertrekken. Zij zetten hunne wandeling voort en bereikten verder, niet meer op de hoogte van den berg, maar op zijne helling, het eerwaardige, ongeschonden, ronde gebouw, dat een schatkamer en de grafkelder tevens der Pelopiden was.Toen Pericles en Aspasia dit gebouw naderden,verschiktehen de gestalte van een reusachtig man, die vóór de poort lag en die bij de nadering der vreemdelingen zich halverwege oprichtte. De man herinnerde hen aan de reuzengestalten van Hemorus, die tegen elkander rotsblokken slingerden, wier gewicht de latere stervelingen niet meer van den grond konden opheffen. Pericles sprak hem toe en bemerkte na eene korte woordenwisseling, dat hij met een in de bergen van Argos ronddolenden[97]bedelaar te doen had. Zijne leden waren karig met lompen bedekt, zijn donkergebruind gelaat was als verweerd door wind en regenjachten. Zóó wellicht zal de zwaar beproefde zwerver Odysseus er uitgezien hebben, op het oogenblik, dat hij als schipbreukeling het vasteland bereikte, nadat hij dagen lang zwemmend met de zee had geworsteld en het scherpe, zilte nat zijn leden had geteisterd.De grijze, zonderlinge, reusachtige bedelaar beweerde, dat hij den schat van Atreus bewaakte en zonder zijne toestemming niemand de poort van het gebouw mocht naderen. Van ongehoorde, gouden schatten begon hij te bazelen, die in geheime hoeken van deze rotskamers nog altijd verborgen lagen en die den vinder tot den rijksten aller stervelingen, tot aanvoerder en koning in Hellas, tot erfgenaam en opvolger van den Hellenen vorst Agamemnon zouden maken.Glimlachend zei Pericles tot Aspasia: „Wel was Mycenae in overoude tijden beroemd als de stad, die het rijkst was aan goud, van alle Helleensche steden; maar ik denk, dat het goud van Mycenae reeds lang naar Athene is gevloeid en wij behoeven het niet meer te zoeken. Toch trekt mij deze zonderlinge rotsgroeve der Atriden onweerstaanbaar aan.„Voer ons heden nog in het gebouw, dat gij bewaakt,” vervolgde Pericles, tot den reus zich wendend. „Wij zijn Atheners en naar de bergen van Argos gekomen, om aan het stof der goddelijke Atriden onze hulde te bewijzen.”Toen beval hij eenigen slaven fakkels aan te steken. De bedelaar, op wien de persoonlijkheid van Pericles eene zekere macht scheen uit te oefenen, toonde zich zwijgend bereid, als gids te dienen. Met forsche hand schoof hij, zijne reuzenkracht aanwendend, een groot rotsblok ter zijde, dat voor den ingang lag en dien geheel en al versperde. Maar zelfs toen was het nog niet gemakkelijk over steen en gruis heen door de half geopende poort den weg naar het binnenste gedeelte van het[98]diep in de aarde zich uitstrekkende gewelf te volgen.Langs een uit geweldige blokken gevormden weg bereikten Pericles en Aspasia het hooge, sombere ronde gewelf, welk wanden niet op de gewone wijze opgetrokken waren; in steeds nauweren kring vonden zij de steenlagen op elkander gestapeld en van boven door een kegelvormig gewelf afgesloten. Zij vonden de sporen van oude metaalbekleeding aan de wanden: eene geliefde wandversiering, waarvan Homerus gewag maakt. Hoe zal voorheen in de vorstenvertrekken de gepolijste, blanke koperen wand in den weerschijn der flikkerende fakkels geschitterd hebben! Maar gewelddadig waren hier reeds de koperen platen afgerukt, onbekleed grijnsden de grauwe steenmassa’s der machtige op elkander gestapelde kringen den beschouwer tegen.Uit het ronde gebouw traden Pericles en Aspasia door eene nauwere poort in eene vierkante ruimte, die geheel in de levende rots uitgehouwen was.Peinzend stonden zij beiden daar. Slechts schemerachtig verhelderde het sobere licht der brandende fakkels de donkere steengewelven.„Eene stoute gedachte zou het zijn,” sprak Pericles ten laatste, „in deze huiveringwekkende steengroeve ons nachtverblijf te houden!”Aspasia huiverde een weinig, doch in het volgend oogenblik glimlachte zij weder en kon de betoovering niet van zich weren, die de huiveringwekkende en toch verleidelijke gedachte op haar uitoefende, om een nacht door te brengen in de duizendjarige Pelopiden-groeve, om te rusten boven het stof van Atreus en Agamemnon.Menig bezwaar werd nog geopperd, eindelijk echter besloot men de stoute gedachte ten uitvoer te leggen. Tapijten werden op den steenen vloer van de kleinere rotskamer door slaven nedergelegd en daarop een leger gespreid. In het gewelf strekte de reusachtige bedelaar zich uit om te slapen, de slaven legerden zich bij den buitensten ingang.Nu vonden Pericles en Aspasia zich alleen in[99]het huiveringwekkend, geheel in de rotsen gehouwen vertrek. Het onzekere schijnsel der in den grond gestoken fakkels speelde spookachtig op de grauwe, vensterlooze rotswanden. Om hen heen heerschte de stilte des doods. Het was werkelijk de rust des grafs, die hen omgaf.„In dezen nacht,” zei Pericles, „en in deze omgeving dringt zich de gedachte aan vergankelijkheid en vernietiging schier in lichamelijke gestalte met Titanisch geweld aan mij op. Hoe zwak en wisselvallig schijnt al het levende, en hoe hecht en sterk trotseert de tand des tijds datgene wat wij het doode plegen te noemen! Atreus en Agamemnon zijn sinds lang niet meer en wij zuigen misschien deonzichtbareatomen van hun stof in met onzen adem. Deze doode muren echter, welke die menschen opgebouwd hebben, omringen ons nog heden en zullen wellicht ook hen nog omsluiten, die de atomen van ons stof over duizend jaren zullen inademen!”—„Ik ben het niet geheel met u eens, Pericles,” hernam Aspasia, „om het onvernietigbaar bestaan van het doode te verheffen boven het vluchtige leven van den mensch. Het neerstortende rotsblok begraaft de bloemen, maar de bloemen keeren terug met iedere lente en slingeren hare stengels om den steen en ten laatste verteert na duizende jaren de steen, terwijl de bloemen er echter altijd nog zijn. Zoo ligt het leven ook begraven onder puinhoopen van steden, maar tusschen de puinhoopen kruipt het zachtkens te voorschijn en omstrengelt den steen, die toch eens verbrokkelen zal: ’s levens krachtig groen wast zelfs door de rots en doet ze springen, en zoo is ten laatste toch alleen het schijnbaar vluchtige en vergankelijke waarachtig eeuwig.”„Gij hebt gelijk,” zeide Pericles, „het leven zou weldra vermoeiend en vervelend worden, als daaraan de onveranderlijkheid van het doode beschoren was. Onvergankelijk is reeds één met het doode, alleen afwisseling is leven.”[100]„Herleeft niet,” sprak Aspasia, „de heldenzin van Agamemnon in duizend helden? En de liefde van Paris en Helena, wordt zij niet in tallooze verliefde paren opnieuw gevoeld?”„Ongetwijfeld, het leven komt en gaat,” hernam Pericles, „en in eeuwige verandering keert het weder. Zijn wij echter zeker, dat het bij dit komen en gaan ten laatste niet iets van zijne oorspronkelijke kracht verliest? Zou het groote in de wereld niet eenigszins op de steenkringen gelijken in het gewelf dezer groeve, die van boven wel is waar aan elkander sluiten, maar steeds enger worden?—De heldengeest van Agamemnon schijnt teruggekeerd te zijn: wij hebben de Perzen verslagen, maar toch komt het mij voor, dat wij tegenover de helden van Homerus een weinig ingekrompen zijn.”„Vele dingen,” hervatte Aspasia, „mogen zwakker worden als ze herhaald worden; maar ontkent gij, dat veel nog krachtiger en heerlijker zich vernieuwt? De kunst, die met deze bouwvallen onderging, is teruggekeerd en heeft de met beelden prijkende, marmeren tinnen van het Parthenon gebeiteld!”„Wanneer echter,” zei Pericles, „ook die met beelden prijkende tinnen eens in stof zullen zijn verkeerd—wanneer het heerlijke vierspan van Pallas wellicht van den gevel van het Parthenon naar beneden stortend, met donderend geraas op de rotshelling wordt verbrijzeld, zijt gij dan zeker, dat de kunst nog eens en steeds heerlijker zal wederkeeren? Of zal er een tijd komen, welks roem alleen nog teert op het vertoon van onsterfelijke bouwvallen?”„Dit zij eene zorg voor de latere geslachten!” antwoordde Aspasia.„Gij hebt ook van de liefde van dat schoonste paar uit den voortijd gesproken,” vervolgde Pericles, „en hoe die in tallooze paren zich hernieuwt?”„Twijfelt gij daaraan?” zei Aspasia.[101]„Neen!” riep Pericles, „en ik geloof, dat de liefde en juist alleen de liefde, steeds bestaat met dezelfde kracht, met dezelfde levensfrischheid, met dezelfde bron van zaligheid!”„De liefde en het genot!” viel Aspasia hem met een betooverenden glimlach in de rede.„Ja, zeker!” sprak Pericles. „Wel is waar, moet ik met een gevoel van schaamte op deze plaats wandelen en wellicht ben ik niet waardig zelfs één enkelen nacht boven het stof van Homerische helden te rusten. Maar schoon ik ook met smartelijke benijding afstand moet doen van den heldenroem van Achilles, deel ik toch het geluk van Paris: het bezit van de schoonste Helleensche vrouw!”—De gelaatstrekken van Pericles waren niet in volkomen overeenstemming met de woorden zelve. Zijn gelaat scheen twijfel uit te drukken of het den man wel betaamde afstand te doen van den roem van Achilles, en zich te vreden te stellen met het geluk van Paris.—Doch met de betoovering van de schoonste Helleensche vrouw wist Aspasia de gedachten in slaap te wiegen, die in de manlijke ziel van Pericles oprezen. Haar oog verspreidde een magischen glans in de sombere rotsgroeve, van hare wangen scheen een rozenrood schijnsel door het geheele vertrek te lichten. De fakkel, die zooeven flauw had geflikkerd, evenals wellicht die, welke eens bij de begrafenis van den vermoorden Agamemnon haar licht had verspreid, scheen eensklaps vroolijk op te vlammen als eene bruiloftsfakkel. Door den glans der schoonheid, die in de donkere diepte schoot, scheen zelfs de groeve nu in een bruidsvertrek herschapen en de eeuwige frischheid des levens en der liefde verkreeg de overhand boven de huivering des doods en der vergankelijkheid, boven het duizendjarig stof der Atriden.—Toen Pericles en Aspasia de plaats hunner nachtelijke rust verlieten en uit de sombere groeve naar buiten traden, straalde hun de morgen, met zijn[102]verkwikkenden dauw op alle velden en heuvels, vroolijk tegen. Maar ’t was ook in ’t schitterend licht van den dag niet minder eenzaam en doodstil dan onder de bouwvallen van den Atriden-burg. Alleen een gier zweefde onbeperkt met wijd uitgespreide vleugels boven Mycenae, hoog in de blauwe lucht.Terwijl daarop de reizigers van den medegebrachten voorraad en den wijn, dien een slaaf in een geitelederen zak droeg, een en ander voor een ontbijt nuttigden, vroeg Pericles aan Aspasia, of zij niet gedroomd had gedurende haar slaap in de Atriden-groeve.„Inderdaad,” hernam Aspasia, „heeft mij in den ochtendstond een droom midden onder het gewoel der helden voor Ilium verplaatst. Ik heb Achilles in levenden lijve gezien en hij zweeft mij nog steeds voor oogen. Zijne gestalte was die van een onbeteugelden, schoonen jongeling, schier daemonisch was zijn uiterlijk, hoog en slank, het volkomen eironde gelaat door donkere lokken omgolfd, de oogen koolzwart en bijna rond, wat zijn gelaat bij al den adel der trekken iets Gorgonen-achtigs, iets huiveringwekkends gaf; de mond buitengewoon klein, de lippen echter krachtig ontwikkeld—overal de trekken van jeugdige schoonheid met de uitdrukking van woeste, bijna bovenmenschelijke heldenkracht vereenigd. Zóó zag ik hem bij de schepen staan, het hoofd in een lichtgloed gehuld, door zijn oorlogskreet alleen reeds ontzetting aanjagend binnen de muren van Ilium.”„Ook mij,” zeide Pericles, „heeft een droom ter zelfder tijd naar de Homerische wereld gevoerd, maar zonderling, niet onder de helden; integendeel: ik zag Penelope; en wat nog vreemder is, ik zag haar niet zooals Homerus haar schildert, als Odysseus’ trouwe en geduldig wachtende gade, maar als jeugdige bruid in het licht eener sage, die mij nog zinrijker voorkomt, dan alles wat Homerus van haar gezongen heeft. Ge kent zeker de overlevering omtrent de omstandigheden van Odysseus’[103]vrijen: hoe de Spartaansche koning Icarius zijne dochter Penelope aan Odysseus had beloofd, in de hoop hem daardoor te bewegen zich in Lacedaemon neder te zetten. Toen dit hem echter niet gelukte trachtte hij de teedergeliefde dochter van haar minnaar afkeerig te maken, en toen Odysseus de bruid naar Ithaca wegvoerde, volgde haar vader hen met tranen en gebeden, zoodat Odysseus haar ernstig afvroeg of zij hem vrijwillig volgen of liever met haar vader naar Sparta wilde terugkeeren. Toen Penelope niets antwoordde, maar zedig den sluier voor het gelaat trok, liet Icarius haar ongehinderd gaan en richtte op de plaats, waar dit voorgevallen was, een beeld op gewijd aan de maagdelijke schaamte. Wat een liefelijk beeld is deze zwijgende blozende Penelope; in maagdelijke schaamte het hoofd omhullende! En juist in deze jonkvrouwelijke gestalte heb ik haar dezen nacht in den droom gezien.”Zoo vertelden Pericles en Aspasia elkander de droomen, die hun verschenen waren boven het stof der Atriden, en zij overwogen half schertsend, half ernstig of er soms een voorteeken, een verborgen zin in deze droomgezichten verscholen mocht zijn.Nog één blik wierpen zij van de puinhoopen van Mycenae op de Inachus-vlakte en het oude Archos. Daarna maakten zij zich gereed om hun weg te vervolgen en hun zwerftocht uit de Argolische bergen naar de Arcadische aan te vangen.Pericles en Aspasia schepten er vermaak in, groote afstanden te voet af te leggen en, als voor hun genoegen wandelend, op de paden van het groene woudgebergte vertrouwelijke gesprekken te voeren.Aspasia was tot dusverre gewoon alleen op kussens en tapijten te rusten: nu ondervond zij, dat het mogelijk was ook op groene zoden, op mos, kruiden en pijnboomnaalden zich ter ruste te vlijen. Wanneer zij zich soms op eene liefelijke plek nederlieten, bracht een slaaf op bevel van Pericles een der[104]boekrollen, die de zangen van Homerus bevatten, en Aspasia las haar echtgenoot op zijn verzoek plaatsen daaruit voor met hare welluidende, heldere stem. Niet zonder deze zangen hadden zij de overblijfsels van het oude Atriden-rijk willen bezoeken, en inderdaad, sinds zij deze puinhoopen hadden gezien, begrepen zij den dichter eerst ten volle.Van tijd tot tijd rees er wel een kleine woordenstrijd wanneer Pericles al te opgewonden den lof van den aartsvaderlijken heldentijd prees, terwijl Aspasia het ideaal van het menschelijk leven liever in den tegenwoordigen tijd of zelfs in de toekomst zocht.„Bij Homerus,” zei Pericles eens, „geloof ik eene merkwaardige leer te vinden; dat namelijk de mensch eens dier geweest en langzamerhand mensch geworden is. Men ziet bij hem, namelijk in de Odyssee, hoe die menschwording allengs heeft plaats gegrepen. Hij legt overal het zwaartepunt op de zegepraal van de menschelijkheid over het ruwe en dierlijke. Overal treft gij dezen strijd der menschheid aan met de nog niet volkomen verwonnen overblijfsels der dierlijkheid. Hij toont ons in de wilde Laestrygonen en Cyclopen, wat wij eens geweest zijn. Hij schildert dan vol diepen zin deze wilde halfmenschen tegenover het menschelijk edel gevoel, stelt de menscheneters tegenover de gastvrije Phaeäken, en om het menschelijke voor den terugkeer tot het dierlijke te bewaren, knoopt hij het zoo innig mogelijk aan het goddelijk vast. Pallas Athene, de Godin van menschelijk verstand en beleid, van de door menschelijkheid geadelde geestkracht, is de trouwe geleidsvrouw en hulpe zijner helden. Menschelijkheid is het wat hij predikt, menschelijkheid in tegenoverstelling van dierlijkheid. Bij hem is de reine menschelijkheid uitgedrukt in reine poëzie. In den reinen, helderen aether zweven bij hem alle voorwerpen. Welsprekender heeft de verheven eenvoud uit geen mond gesproken dan uit den zijnen.”[105]Hier stuitte Aspasia Pericles in zijn lofrede.„Met uw verlof,” zeide zij, „er is u een woord ontvallen, dat ik niet onopgemerkt mag laten voorbijgaan en dat gij zelf wellicht gaarne zult willen terugnemen. Homerus, is toch eenvoudig noch ongekunsteld, ten minste niet in dien zin, als bij voorbeeld de beeldhouwers vóór Phidias waren. Met Homerus sprong, om een oud beeld te gebruiken, de poëzie in volkomen rijpheid uit het hoofd van Zeus. Zijne taal is breed, rijk, vol. Zijne schilderingen zijn soms even prachtig als levendig, en er zijn plaatsen in de Ilias en Odyssee, die geen later dichter in rhetorische pracht en uitdrukking zal overtreffen. En zijne welsprekendheid! Zijn de woorden, waarmede de toornendeAchilles9bewogen moet worden om terug te keeren tot den strijd, en het antwoord, dat hij geeft, geen meesterstukken? En dit toch niet door hun verhevenheid alleen; maar ook, door de schikking en de treffende kracht der bewijsvoering, blijven zij modellen der hoogste welsprekendheid.”„Wat gij daar te berde brengt, is waar,” hernam Pericles.„Maar toch bezit Homerus in een zekeren zin weder datgene, wat ik verheven eenvoud noem. Wellicht bestaat het geheim der hoogste kunst daarin, dat zij, door den prachtigen stijl heen, toch dien hoogen eenvoud laat doorschemeren, met de rijpheid van het tegenwoordige de natuurlijke frischheid van den voortijd vereenigt.”Na hun tocht eenige dagen te hebben voortgezet, bevonden de reizigers zich te midden van de ruwe bergachtige streken van het herdersland Arcadië. Zij togen onder een geleide van inheemsche herders, die hun niet alleen als gidsen dienden maar ook, met knotsen en sterke lansen gewapend, te[106]gelijk als beschermers en verdedigers. Zij zagen in de eenzame bergen boven zich de adelaars in de wolken zweven, zij zagen andere vogels met scherpe klauwen en kromme snavels op steile rotsen onder luid gekras elkander bestrijden, zij zagen zwermen kraanvogels, spreeuwen en kraaien voor den havik vluchten, die van de toppen der bergen op hen nederschoot. Hier en daar dreunden bijlslagen uit de diepte van het woud en het gekraak van eeuwenoude stammen onder de handen der houthakkers. Van verscheurende dieren, die meestal alleen des nachts hunne holen verlaten, ontmoetten zij niet één op hun pad. Alleen vonden zij den bodem van Arcadië’s wouden met schildpadden bedekt, die moeilijk tusschen de kruiden en steen voortwaggelden of in de zon zich koesterden.Zoo zwierven Pericles en Aspasia door de stille dreven, en terwijl zij het vreemde en nieuwe met kalmte als iets toevalligs en voorbijgaands meenden te moeten opnemen, oefende toch alles op hen een beslissenden, onmerkbaren invloed uit en voegde het zich als eene vooraf bepaalden schakel in hun bestaan; zonder het te bemerken of te vermoeden gingen zij groote veranderingen en gebeurtenissen in hun leven en lot te gemoet.—Over bergvlakten, die tot aan de wolken reikten, voorttrekkend, hadden de reizigers dikwijls zeldzame gezichten op de geheele uitgestrektheid van Hellas. Aan den versten gezichtseinder zagen zij soms de kruinen van met sneeuw bedekte bergen glinsteren. Op zekeren dag waren zij vóór het krieken van den morgen opgebroken en trokken over het nog in nacht gehulde gebergte.„Gij rilt van den koelen morgenwind?” vroeg Pericles aan Aspasia, die huiverde.„Ik ril voor die donkere, ledige eenzaamheid der bergen,” antwoordde zij. „Mij is het te moede, alsof wij niet meer op Helleenschen bodem wandelen en alsof wij door alle Goden van Hellas verlaten zijn.”Op dit oogenblik vestigde het oog van Pericles[107]zich op een gouden wolkje, dat aan den rand van den horizon in het verre noorden zichtbaar werd. Hij wees ook Aspasia daarop. Het gouden wolkje nam grootere afmetingen aan, maar bleef onveranderd op zijne plaats en stak zonderling af bij de overige, grauwe tint van den nachtelijken hemel. Langzamerhand verkreeg de oppervlakte van het wolkje eene merkwaardige duidelijkheid en bepaalder omtrekken, die in het geheel niet meer als die van eene wolk schenen. Het zag er uit als eene gouden landouwe in de verte, waarop zalige Goden zich vermeiden. En inderdaad, toen de morgen grauwde en de lijnen van bergketens in de verte zichtbaar werden, verbreidde die glans zich sterker en de wandelaars bemerkten, dat het niet eene onbewegelijke lichte wolk geweest was, wat zij gezien hadden, maar de besneeuwde kruin van een verren berg in het noorden, beschenen door de stralen van de nog niet zichtbare zon.„Het is, geloof ik, de top van den Thracischen Olympus, den Godenberg!” zeide Pericles opgewekt tot Aspasia. „Ziet ge, dat de Goden van Hellas ons nog niet verlaten hebben? Verre weg van den zetel, waar zij in eeuwige zaligheid tronen, zenden zij door eene spleet van het hooggebergte ons een groet in deze onverkwikkelijke eenzaamheid.”„Zij willen ons zeggen,” hernam Aspasia glimlachend: „vergeet ons en al het schoone niet geheel in het sombere land der Doriërs!”Weldra echter geraakten de reizigers van de kale bergvlakten in het boom- en bronrijke westen van het Arcadische land. Hier storten zich talrijke beekjes, bekoorlijk om te zien, nu eens ruischend, dan weder zacht murmelend van de boschachtige hellingen naar beneden. Op de weilanden stond, zelfs in den zomergloed, het weelderig uitspruitend groen altijd frisch en onverdord. Hemelhoog verhieven de olmen, de beuken, platanen en eiken hun groenende takken en statige stammen omhoog. Van het geloei der kudden runderen[108]weerklonken de dalen. Overal bemerkten de reizigers, dat zij in het gebied van den forsch gebouwden God10zich bevonden, om wiens schouders het vel van den los hing, ter wiens eere op alle hoogten in den omtrek het purperen offerbloed schuimde uit de harige borst van den ram.Overal vond men zijn eenvoudig beeld opgericht, uit het hout van den olmboom gesneden, overal trof men sporen van hem aan. Hier was een borstelig evervel te zien, hem ter eere aan een plataan gehangen, daar het forsch getakt gewei van een hert, uit dankbaarheid voor hem aan een beuk gespijkerd. Aan de bronnen echter zag men nimfenbeelden, door de herders opgericht, daarnaast wijgeschenken opgehangen.Pericles en Aspasia wandelden door hooge eikenwouden, die de op- en ondergaande hemellichten met eene zee van gouden glans overtogen, en waar de zon door de kruin van een boom als een karbonkel glinsterde, lange stralen werpend, die men wanen zou met de handen te kunnen grijpen. Dat alles was hun zoo nieuw, zoo verrassend. Zij hadden op dergelijke zaken nooit hunne aandacht gevestigd.Op zekeren dag vernamen de pelgrims, terwijl zij een woud, waardoor hun weg vele uren leidde, doortogen, een ongewoon en sterk ruischen in de takken.„Ik herinner mij,” merkte Pericles op, „van een Arcadisch eikenbosch gehoord te hebben, dat Pelagos11genoemd wordt, wegens het sterke ruischen zijner tallooze kruinen, evenals de zee. Het is wellicht dit woud waar wij thans doortrekken.”De inheemsche gidsen echter, de begeleiders der zwervelingen, verklaarden dat dit ruischen in het diepe woud geen gewoon verschijnsel was en wezen te gelijk naar den hemel boven hen, die straks nog geheel helder was geweest en thans zoo dof was als beslagen staal. De Arcadiërs voorspelden[109]een naderenden storm. De reizigers verhaastten hunne schreden, om nog voor het losbreken daarvan de plaats te bereiken, waar zij voornemens waren te overnachten. Weldra echter ging het ruischen van het woud over in een wild huilen en de toppen begonnen te kraken. Enkele kleine, doch gitzwarte en van regen zwangere wolken joegen, door den wind gezweept, door het donkergrijze zwerk. De straks nog gouden zon stond vaalgeel boven de kruinen der bergen, die nog schitterden in haar bleek schijnsel. Van de toppen der boomen schoten rukwinden op den grond en zweepten loof, stof en kleine takken dwarlend voor zich op. Nu begonnen enkele droppels te vallen en weinige oogenblikken later stortte een regenvloed, in den beginne met hagelsteenen vermengd, kletterend neder. IJlings vluchtten de reizigers onder het breede beschuttend dak van een reusachtigen eik. Plotseling deed een vreeselijke donderslag het gebergte dreunen. En van toen af volgde bliksemstraal op bliksemstraal; de van onweer zwangere wolken schenen van verschillende hemelstreken tegen elkander te botsen. De rosse bliksemstralen kruisten elkander boven de hoofden der verschrikte zwervelingen en de donderslagen werden door de honderden dalen en bergen weerkaatst. Daarbij plaste de regen onophoudelijk in stroomen neder, de storm loeide, de roofvogels krijschten en uit de verte weerklonk het gehuil van den wolf.Met angstige blikken aanschouwden de reizigers uit hunne schuilplaats onder het bladerdak van den eik het vreeselijk onweer, dat rondom hen van alle kanten woedde.Daar sloeg plotseling voor hunne oogen uit een zwarte wolk, die boven den kam van eene puntige rots hing, de bliksem in een der hoogste boomen van het woud. In huiveringwekkende pracht baadde de reuzenstam zich in een zee van vuur en was in één oogwenk tijds van de kruin tot den voet in vlammen gehuld: een vonkenregen spatte neder[110]uit de knetterende takken. Een zwavellucht doortrok den aether. Van den brandenden eik echter kronkelden de vlammen zich naar andere boomtoppen en bedreigde weldra de schuilplaats der reizigers. De Arcadische mannen beloofden de zwervelingen naar de naaste hoeve te voeren, waar zij zouden overnachten. Voorwaarts langs ongebaande wegen spoedden zij zich, hunne gidsen volgend.Na eenigen tijd had de geweldige regen uitgewoed; maar men hoorde het doffe gebruis van gezwollen beken, die van de hoogten zich nederstortten in de dalen en kloven, puin en zand, gebroken takken en rotsblokken zelfs, door de woudstroomen weggespoeld, in den afgrond met zich sleepend.Intusschen was de avond gevallen en terwijl de reizigers door het woudinallerijl hun weg vervolgden, bedaarde het onweder. Weldra werden de wolken door de winden uiteen gedreven en de maan ging rustig op over het woud en de hoogten, die nog zooeven hadden gedaverd van den wilden strijd der elementen.Nu bereikten de vluchtelingen eene groote opene plek in het bosch, eene met kruiden bewassen vlakte, die over eene zachte helling zich naar beneden uitstrekte. Een groot verrassend panorama deed zich hier in de stilte van den nacht aan hunne blikken op. Heinde en ver verhieven zich de toppen der bergen en puntige kruinen in het zilveren schijnsel der maan, die nu eens geheel helder aan den reinen hemel stond, dan weder beneveld door voorbij drijvende wolkjes haar licht verspreidde. Het oog had veel te aanschouwen en de vermoeiden wandelden als in een wakenden droom voort. Daartusschen bruisten de woudstroomen met machtig geweld. Midden in die open plek lagen eenzaam de hoeve en hof van een herder. Toen de reizigers zich gereed maakten daarop toe te treden, trad hun plotseling een man in den weg, die gewapend en met dierenhuiden bedekt was en die klaarblijkelijk het erf tegen de nachtelijke aanvallen van wilde dieren bewaakte. Een paar geweldige[111]honden liepen blaffend aan zijne zijde.Spoedig brachten de inheemsche gidsen hem op de hoogte van de zaak. Zij verlangden gastvrijheid voor de Atheensche reizigers. De wachter voerde de vreemdelingen, nadat hij de blaffende honden met steenen tot rust had gebracht, achter den met hagedoorn omschutten muur, die de hoeve omgaf en eene ruime plaats vormde, waar in het midden een wachtvuur brandde. De eigenaar der hoeve, een eenvoudig herder, naderde enheettede gasten welkom, zonder naar hun afkomst of naam of naar het doel hunner reis te vragen. Hij liet een hamel slachten, om dien voor het onthaal zijner gasten bij het vuur te braden.Nadat hij de reizigers alzoo had verkwikt, wees hij de slaven hun nachtleger in de schuren aan; aan Pericles en Aspasia echter stond hij de kamer van zichzelven en van zijne vrouw af en liet voor hen een helder leger spreiden, terwijl hij rijshout en dorre kruiden op den grond strooide en dit met zachtwollige schapenvachten bedekte. Tot dek gaf hij hun eenige geitenvellen en bovendien zijn mantel.De afwisselende wederwaardigheden, de kleine avonturen, ja zelfs de ongemakken eener reis vermeerderen het genot van reizenden, in plaats van dit te verminderen. De onophoudelijke afwisseling van beelden en gebeurtenissen verschaft ten laatste een onuitsprekelijk genoegen en uit de vrije lucht des hemels stroomt den vermoeiden niet alleen nieuwe kracht en verfrissching toe, maar ook eene blijmoedige stemming.Pericles had zich nooit opgewekter gevoeld dan hier in de hut van den herder bij het gezicht van dat armoedig leger. De zilveren klank van Aspasia’s lach mengde zich zelfs eigenaardig bij het idyllisch geloei der runderen uit de dampende stallen.…„Hoe veel zonderlings bescheren ons de Goden, aan wie wij ons op onzen zwerftocht hebben toevertrouwd!” zeide Pericles. „Vóór weinige dagen[112]hadden wij tot slaapvertrek eene eeuwen-oude koningsgroeve, die ons midden in de Ilias verplaatste, en heden schijnt het, dat wij de avonturen der Odyssee zullen beleven. Die geest van Homerus omzweeft ons, sinds wij den Isthmus hebben overschreden; ik denk, dat wij door ons zwerven geheel zullen veranderen en als wij teruggekeerd zijn kwalijk meer passen bij de verfijnde, schier verwijfde Atheners!”Toen Pericles en Aspasia, vroegtijdig gewekt door het geblaf der honden en het krachtig geloei der runderen, van hun leger verrezen en in den ruimen hof naar buiten traden, zagen zij de boersche herdersknechten zich naar de stallen begeven. Een groote, ruigharige hond speelde met eene schildpad, die hij in het nog natte gras had gevonden. Hij greep haar onder luid geblaf en allerlei sprongen nu eens met den poot, dan eens met den bek en trok haar om en om, tot zij dood op den rug lag. Een andere hond vocht of liever speelde met een bok. De bok stiet hem met de horens, de hond echter hapte naar den baard van den bok en trachtte hem te bijten. Aan de bron zat een naakt kind en wierp met steentjes naar de schitterende zonneschijf, die zich in de oppervlakte van het water spiegelde.Nu kwam uit de stallen de kudde runderen met zwaren tred aanwaggelen: vooraan, fier in het bewustzijn zijner kracht, de springstier; de kalveren sprongen blatend om hunne moeder. Twee knechts volgden met kromme herdersstaven in de hand, van twee geduchte honden vergezeld. Vervolgens kwamen de blatende geiten, door jongens geleid. Den vooraan loopendengeitebokvatte de herder bij zijn harigen kin en streelde hem. „Deze trouwe bok,” zei hij tot Pericles en Aspasia, „kondigt in donkere nachten den wolf of den los, die het erf besluipt, aan, zelfs wanneer de honden slapen en verzuimen het roofdier te bespringen.”De blatende kudde lammeren echter vereenigde zich om een donkerbruin meisje, wier hoofd door een breedgeranden hoed overschaduwd werd en die[113]een herdersstaf in de hand hield. Het meisje had iets over zich, wat in het eerste oogenblik de aandacht trok en een indruk te weeg bracht, waarvan men zich niet onmiddellijk rekenschap kon geven. Zag men echter nauwkeurig toe, monsterde men hare gestalte en het schamel gewaad, dat haar bedekte, dan bemerkte men, dat het een herdersmeisje was, zich ter nauwernood van andere onderscheidende, en men zag niets bijzonders aan haar, dan blonde haarvlechten en oogen van eene vreemde soort. Deze oogen namelijk waren merkwaardig diep en mijmerend, en schenen zelfs in deze,haar welbekende en alledaagsche omgeving met eene soort van kinderlijke verbazing rond te staren.De lammeren verdrongen zich blatend om haar en sprongen tegen haar op. Een der jongste, glinsterend wit, likte liefkozend de uitgestrekte hand van het meisje.Toen de geheele kudde lammeren de poort van den hof, door het meisje geleid, uitgetrokken was, naderde de gastvrije herder Pericles en Aspasia en zij vernamen van hem, dat de jonge herderin zijne dochter was, zijn eenig kind, en dat zij Cora12heette. Hij zette hun nu verscheidene versnaperingen uit zijn landelijken voorraad tot een ontbijt voor, waarin zijne vrouw Glycaena hem de behulpzame hand bood.Pericles vroeg den herder of hij wilde toestaan met de zijnen een dag lang bij hem rust te houden, omdat zij na de inspanning van den laatsten tocht zeer vermoeid waren.Met blijdschap willigde de herder dit verzoek in, liep naar zijne vrouw en zeide met geheimzinnig gebaar:„Glycaena, ik geloof bepaald, dat die beide vreemdelingen die in onze hoeve gekomen zijn, geen stervelingen zijn. Wat hun uiterlijk en schoonheid van gestalte betreft, schijnen zij mij verkleede Goden toe, zooals die toch menigmaal bij arme[114]herders hun intrek hebben genomen. Ook roeren zij bijna de spijzen niet aan, die men hun voorzet.”„En de slaven,” vroeg Glycaena, „houdt gij die ook voor Goden?”„Neen,” zei de herder, „die eten en drinken als gewone menschen. Maar die beiden—nu om het even! Onthaal ze maar, zoo goed gij kunt.”Daarop keerde de herder tot zijne gasten terug, leidde hen overal rond, toonde hun zijne stallen en zijne graanzolders, benevens zijne gladgeboende melkemmers, de tot den rand toe met melk gevulde vaten en de korven, met kaas gevuld. Hij voerde hen ook naar de in hun kotten achtergebleven zeugen en biggen met hun glinsterend wittetanden, prees hun malsch vleesch en voederde ze voor hunne oogen met steeneikels en roode kornoeljes. Nauwelijks gaf Aspasia te kennen, dat zij vermoeid was en wel eens wilde rusten of de herder was aanstonds met een gespikkeld gemzenvel gereed, om het voor haar uit te spreiden en lachte daarbij met eene sluwe uitdrukking op zijn gelaat, alsof hij wilde doen merken, dat hij wel wist, welke behandeling verkleede Godinnen van de stervelingen vereischten.Huiden en koppen van gedoode roofdieren waren aan de omheining van den hof, alsmede aan de boomen, die hem omgaven, in grooten getale opgehangen, en nadat Pericles en Aspasia ook deze beschouwd hadden, ademden zij, in de vrije natuur wandelend en aan zichzelven overgelaten, ruimer de geurige lucht der kruiden op de berghelling in. In het frissche groen, als door de geweldige regen schoongewassen, glinsterde de berg in de stralen der morgenzon. De bedauwde grashalmen schitterden op hunne naar de zon gekeerde zijde als blank geslepen klingen. Een zwerm kraaien vloog in volle vaart over de dreven, streek op een eenzaam staanden boom neder, vloog na weinige oogenblikken even haastig weder op en verloor zich in den blauwen aether. Over de verwijderde[115]bergtoppen zag men herders met hunne kudden trekken. De valleien daartusschen waren geheel met een witten nevel en damp gevuld, die als de zee golfde, en waarin de van de hoogte wijdende kudden schenen ondergedompeld te worden en te verdwijnen. Lammeren en runderen zag men in alle dalen grazen en vlugge geiten klauterden tegen de rotshellingen op. Hier en daar klonk de toon der syrinx13, alsmede gezang, het tijdverdrijf der herders op het veld. Van zekeren kant vernamen de beide wandelaars tonen, die hun bijzonder liefelijk in de ooren klonken. Zij sloegen den weg in, vanwaar het geluid kwam en vonden eene groep herders, die luisterend zich om den voortreffelijken fluitspeler hadden geschaard. Weldra echter trad uit het midden der luisterende schaar een herder, die zich met hem in een wedstrijd wilde meten. Toen Pericles en Aspasia naderden, viel beiden fluitblazers de schalmei uit den mond, ja bijna uit de handen, en alle herders rondom stonden getroffen door de vreemde verschijning. Toen Pericles echter hen vriendelijk verzocht hun wedstrijd voort te zetten en hun zeide, dat zijne gemalin en hij Atheners waren, die, op hunne reis naar Elis, door een geweldig onweder overvallen, hier eene schuilplaats hadden gezocht, begonnen de beide kunstvaardige herders met nog grooter ijver dan straks hun wedstrijd opnieuw en verzochten den Athener en zijne gemalin het rechtersambt te vervullen.Pericles en Aspasia waren opgetogen over de verrukkelijke tonen der herdersfluiten. Zij verbaasden zich dat onder zulke ruwe, onbeschaafde menschen, als deze bergbewonende Arcadiërs, eene, zij het ook gebrekkige kunst tot zulk eene hoogte en volkomenheid kon geraken.Aspasia vroeg de herders, of zij ook niet in nimische dansen met elkander konden wedijveren. Toen wezen zij op den jongste onder hen, een slanken[116]knaap, die op Pericles’ verzoek te voorschijn trad en half koddig, half bekoorlijk een landelijken dans ten beste gaf, waarin hij verschillende werkzaamheden van het landleven in nimische dansen wist voor te stellen.„Zoudt gij ook niet eens een dans met uw tweeën kunnen uitvoeren?” vroeg Aspasia den knaap.„Als Cora maar wilde—” sprak hij op bijna treurigen toon en met zwaarmoedige oogen voor zich uit ziende.„Cora?” riepen de andere herders lachend. „Malle jongen! wat spreekt ge van Cora? Cora wil niets van u weten!”De knaap zuchtte en sloop weg.Verder wandelend bereikten Pericles en Aspasia eene lammerweide, die aan het oog onttrokken door boomen aan alle kanten omgeven was. Hier vonden zij Cora te midden van hare lammeren zittend. Eenige der jonge witwollige schaapjes vergaten het malsche gras en lieten, liever om Cora liggend, hunne koppen op hare knieën rusten. Cora zelve echter zat met gebogen hoofd geheel en al verdiept in de beschouwing van eene schildpad, die op haar schoot lag en die het meisje met hare schoone, heldere en schrandere oogen aankeek.„Waar hebt gij dit dier gevonden?” vroeg Pericles, die met Aspasia genaderd was. Het meisje was zoo geheel in gedachten en mijmering verzonken, dat ze de beide vreemdelingen eerst bemerkte, toen zij voor haar stonden. Nu keek zij op, mat beide met een blik uit hare groote, ronde, kinderlijke oogen en zeide:„Uit het bosch hier nabij komen deze dieren van zelf tot mij kruipen. Vooral deze hier komt altijd terug en is zoo weinig schuw, dat zij haar hals en kop, in plaats van ze in te trekken, altijd zoo ver mogelijk uitsteekt en mij onophoudelijk met hare heldere oogen aankijkt. De oude Baubo zegt, dat Pan soms zelf in de gedaante van eene schildpad zich verbergt.Ik geloof,” ging het meisje zacht voort, „dat ook deze iets geheimzinnigs in[117]zich verbergt; want sinds zij altijd tot mij uit het bosch komt en den dag bij mij en de lammeren doorbrengt, vermeerdert en gedijd de geheele kudde op een wonderlijke wijze.”Toen zij eenmaal aan het praten was, liet het Arcadisch meisje zich gaarne door Aspasia’s vragen verleiden voort te gaan met haar zonderling en kinderlijk gesnap. Liefelijk was het te hooren, hoe het herdersmeisje met hare ernstige oogen van den woud- en herdersgod Pan vertelde, hoe zijn fluitspel uit de verte in de eenzame bergen weerklonk, hoe hij zich nu eens genadig, dan weer luimig toonde. Zij verhaalde ook van de Satyrs, met hunne bokspooten, die de wouden doorzwierven, niet alleen de Nimfen, maar ook de herdersmeisjes plagend vervolgden, en van éénen, die ook haar had nagezet, tot zij hem met een brandend houtverjoeg, dat zij uit een wachtvuur in het bosch had genomen; voorts van de Nimfen, die zich evenals de Satyrs in de wouden ophouden en die soms den mensch bij het maanlicht ontmoeten; wat echter een ongeluk is, want wie eene Nimf in het woud ziet, wordt met waanzin geslagen en is voor altijd verloren.De ziel van het meisje was geheel vervuld van de wonderlijken sagen en sprookjes van haar Arcadisch geboorteland. Zij sprak van diepe poelen en huiveringwekkende bergkloven, van door de Goden gevloekte meren in het woud, in welker wateren geen visch kon leven, van holen, waarin booze geesten hunne schuilhoeken hadden, van merkwaardige heiligdommen van Pan op eenzame, sombere berghoogten. En hoe huiveringwekkender de verhalen van het meisje waren, des te wijder zette zij hare kinderlijk beangstigde oogen open.„Op den Stymphalos,” zeide ze, „daar hangen onder het tempeldak de doode Stymphalische vogels, zooals de held Heracles14ze had geveld.[118]Mijn vader zelf heeft ze gezien. Achter in den tempel staan marmeren beelden van jonkvrouwen met vogelpooten. Die doode Stymphalische vogels zijn zoo groot als kraanvogels en zij vlogen op de menschen aan, toen zij nog leefden en verbrijzelden hun de hoofden met hunne snavels en aten hen dan op. Hunne snavels waren zoo sterk, dat zij zelfs koper daarmede konden doorbijten.”Van de door de Goden vervloekte meren in het woud, waarin geen visch kon leven en waarin zelfs de vogels, die er toevallig over heen vlogen, dood neervielen, kwam zij op het verschrikkelijke water van den Styx, dat in de somberste bergkloof van Arcadië hoog van de woeste rotsen neerdruipt; en van de akelige wateren op de wilde dieren der bergwouden en de jachten, die de Arcadische mannen daarop maakten. Toen echter verloor haar oog de kinderlijk angstige uitdrukking en eene moedige ziel straalde uit haar blik. Zij verhaalde, hoe de herders, wanneer een roofdier in de nabijheid der hoeve zich ophield, menigen stormachtigen nacht onder den blooten hemel moesten doorbrengen, hoe men op grooten afstand schitterende vuren in de hoeven onderhield, hoe men het luide gebrul van het hongerige roofdier in de stilte des nachts van verre uit het woud kon hooren en hoe dan alles zich opmaakt om zijn spoor te vervolgen, of hoe men het in eene hinderlaag opwacht, en, wanneer het zijn sprong over den ringmuur van het erf wagen wil, men plotseling uit den schuilhoek op het dier losgaat met het werpen van speren en steenen en brandende houten, totdat het bezwijkt, overweldigd door de schaar zijner bespringers.Pericles en Aspasia waren verrast over de uitdrukking van moed en belangstelling, die bij deze verhalen uit de blikken en gebaren van het herdersmeisje[119]sprak, in wier gemoed zooeven nog, buiten het bijgeloof en de verhalen en sprookjes van haar geboortegrond, voor niets anders ruimte scheen overgelaten.„Het komt mij voor,” zeide Aspasia, „dat gij aan zulke gevechten niet ongaarne deel zoudt willen nemen.”„O, dol graag!” riep het meisje. „Ik heb behalve dien boozen, overmoedigen Satyr ook reeds tweemaal een wolf, die mijn kudde wilde bespringen, met een brandend hout verjaagd.”„Het meisje herinnert mij,” zeide Pericles tot Aspasia, „zooals zij in dit oogenblik voor ons staat, aan die beroemde dochter van het Arcadische land, Atalante15die, door haar vader als kind te vondeling gelegd, omdat hij geene dochters, alleen zonen wilde hebben, door eene berin gezoogd en door jagers opgevoed werd en vervolgens in de Arcadische wouden met speer en boog gewapend rondzwierf, een schrik der wilde dieren, een stoute, maagdelijke jageres, die van geen zachtere aandoening iets weten wilde.”„Zijt gij altijd zoo alleen bij uwe lammeren?” vroeg Aspasia. „Is er niets, waar ge van houdt en wat ge altijd om u zoudt willen hebben?”„Wel zeker!” riep Cora en zag de vraagster weder met die kinderlijk verbaasde uitdrukking harer oogen in het gelaat. „Ik houd veel van deze schildpad, met hare schrandere oogen, die mij altijd aankijkt en die misschien plotseling eens van gedaante verandert en met mij begint te spreken, want ik droom soms ’s nachts van haar en dan spreekt zij altijd. Ik houd ook veel van de lammeren; en ook die welbekende, ritselende boomen rondom mij heb ik lief en uren lang hoor ik naar hun geritsel. Ik houd ook van den zonneschijn; doch de op de bladeren kletterende regen is mij insgelijks lief, als mede de donder, die zoo statig[120]door het gebergte rolt. Ook van de vogels houd ik, zoowel de grootere, de adelaars en de kraanvogels, die hoog boven mijn hoofd vliegen, als van de kleinere die op de takken zingen. Het meest echter heb ik de verre bergen lief, vooral des avonds, als de ondergaande zon hen met eene rooskleurige tint overdekt, of in den nacht, als hunne toppen, terwijl alles stil, doodstil is, zoo rustig daar staan door het witte maanlicht omschenen.”Pericles en Aspasia glimlachten. „Het schijnt, dat wij ons op nieuw hebben vergist,” zeide Pericles, „daar wij een herdersmeisje, dat van zoovele dingen houdt, onvatbaar hielden voor alle zachtere aandoeningen.”Aspasia trok Pericles ter zijde en sprak:„Wat voor oogen zou dit eenvoudig, Arcadische herdersmeisje opzetten, dat met de schildpad op den schoot zit en meent, dat het dier zich in een God zal herscheppen, wanneer men haar plotseling in Athene verplaatste! Hoe koddig zou zij zich aanstellen, als ik haar bij die beide, mij toevertrouwde meisjes bracht, die ik tot mij heb genomen en die men reeds in Athene mijne school begint te noemen!”„Zij zou als een raaf onder de duiven zijn!” hernam Pericles.Altijd weer opnieuw voelden zich beiden aangetrokken door het gekeuvel van het meisje, waarin een zonderlinge phantasie en eene even eigenaardige soort van gevoel zich openbaarden. Weldra echter begon Aspasia met de Arcadische van rol te verwisselen, daar zij van toehoorderes zelve ging vertellen. Zij begon het herdersmeisje van Athene te verhalen, tot Pericles haar verzocht een einde aan ’t gesprek te maken, daar hij gaarne had, dat zij met hem den ingeslagen weg vervolgde. Weldra verdwenen de wandelaars in het bosch. Het was middag geworden, de zon had de vochtigheid van den morgen opgetrokken en het struikgewas verwarmd en al zijne heerlijke geuren doen ontwikkelen. Op de open weiden in het woud[121]en in de houtspleten stonden hoog opgeschoten, bloeiende heesters, welker geuren vereenigd met de aroma’s van de boomhars de berglucht verkwikkend, ja bijna bedwelmd maakten. Van cicaden16wemelde het hout onder de brandende zon.Toen de wandelaars in de eenzaamheid van het woud uitrustten, kropen ook naar hen de schildpadden toe, waarvan Cora zooveel hield; ook boven hunne hoofden vlogen de groote vogels en zongen de kleine in de takken; het ritselen der toppen, waarnaar Cora uren luisterde, ruischte over hen en Cora’s geliefde zonneschijn speelden om hen heen.„Het diep geruisch dezer Arcadische wouden,” zei Pericles, „dat als van een oneindigen afstand schijnt te komen en zich in een oneindigen afstand weder verliest, vervult mij met eene zonderlinge huivering. Iets dergelijks heb ik nooit in mijn leven ondervonden. Ik heb nooit naar de stemmen van een woud geluisterd; onverschillig ben ik verschijnselen voorbij gegaan, die mij nu plotseling iets schijnen te willen zeggen. Zie ginds eens dien fijnen, in de zon schitterenden draad, die van den top van den haverhalm tot aan de bloem van dat blauwe klokje gespannen is: hebt gij wel eens het wonderfijne, zilveren weefsel der spin met aandacht beschouwd? Dit Arcadische meisje leert ons, dat men ook dingen beschouwen kan en liefkrijgen, die men gewoonlijk ter nauwernood opmerkt en die men onbewust geniet, zonder dat men er dankbaar voor is, evenals men ademhaalt.”„Uw gemoed, dierbare Pericles,” hernam Aspasia, „is naar ’t schijnt, zeer ontvankelijk voor nieuwe indrukken. Thans heeft een Arcadisch herderskind u eene geheel nieuwe en ongewone liefde ingeboezemd, eene liefde voor boomen en drijvende wolken en hoog vliegende vogels, en de geur der Arcadische bergkruiden, schijnt u wellicht reeds[122]welriekender, dan die van alle rozenpriëelen van Milete!”„Gij zult toch toe moeten geven,” hervatte Pericles, „dat deze geurige woudlucht het hart verkwikt en dat daarentegen de bedwelmende geur der rozen de geestkracht van den mensch ten laatste verslapt. Inderdaad, ik voel mij hier door den adem van een vernieuwd leven bezield. Toen wij eens op de Acropolis in de Pangrot stonden en gij over den herdersgod den neus ophaaldet, vermoedden wij niet, dat deze God ons later eens zoo vriendelijk te gast nooden, zoo heerlijk onthalen zou. Vreedzaam geluk omgeeft ons hier, en wanneer ik mij in den geest uit deze voorwereldlijke stilte in het woelig Athene terug verplaats, dan schijnt mij het onstuimig jagen en drijven dier menschen schier ijdel, tegenover de goddelijke rust dezer herders op hunne eenzame bergen.”„Ik deel maar ten halve uwe ingenomenheid met de genietingen, die de gastvrijheid van den herdersgod ons hier bereidt,” zeide Aspasia. „Deze menschen zijn plomp en eenvoudig, de verre sneeuwkruinen doen mij huiveren en het gebergte in de nabijheid beangstigt mij, als zou het mij onder zijne toppen bedelven. Het ernstig, eentonig ruischen van die hooge, rijzige dennen doet mij onaangenaam aan, en schijnt mij juist geschikt om in het menschelijk gemoed een somber, naargeestig en dweepend gevoel aan te kweeken. Ik voor mij bemin zonnige dreven, bloeiende velden, stranden met een ruim gezicht op zee. Ik verkies die oorden, waar de van vernuft tintelende geest zich in schoone rijpheid ontwikkelt. Gij zoudt, dunkt mij, gaarne bij deze herders willen achterblijven; ik daarentegen zou ze allen wel van hier willen wegvoeren, om ze tot menschen te vormen. Welaan, doe, zooals Apollo deed, wien het insgelijks eens behaagde zich onder de herders te begeven en kudden te weiden17. Blijf hier! Gij kunt dan als[123]eene cicade leven: wijs, zonder leed en bloed. En lust het u soms nog nuttig werkzaam te zijn, dan kunt ge krekelvallen vlechten of lijmstokken behendig tusschen de boomtakken steken, om vogels te vangen, of met steenen door den slinger geworpen, de spreeuwen en kraanvogels van de zaadvelden verjagen. Of gij kunt de lammeren van Cora hoeden, die mij naar Athene zal vergezellen.”Pericles glimlachte. „Denkt gij dus inderdaad,” zeide hij, „Cora met u te nemen?”„Wel zeker, denk ik dat te doen!” hernam Aspasia, „en ik hoop, dat gij uwe toestemming daartoe niet weigeren zult.”Pericles was verrast. „Mijne toestemming,” zei hij, „zal u niet geweigerd worden, maar welke bedoeling hebt gij daarmede?”„’t Is louter eene aardigheid,” antwoordde Aspasia. „Dit Arcadische meisje zal mij gewis vermaken. Ze doet mij lachen, als ik in hare groote, ronde, angstig rondkijkende oogen zie.”’t Was, zooals Aspasia zeide: zij wilde zich met dat meisje vermaken, zij wilde er genoegen in scheppen te zien, hoe zonderling het bijgeloovig, onervaren herderskind zich gedragen zou, wanneer men het plotseling in het oververfijnde Athene verplaatste.De ziekte van een zijner slaven noodzaakte Pericles nog een tweeden dag de gast van den herder te blijven.Ook dezen dag bracht het Atheensche paar meest in het gezelschap van het bruine herdersmeisje door. Weder snapte Cora, verteldeherdersgeschiedenissen, ja zij zong zelfs eenige zonderlinge, kinderlijke liederen, die zij zelve gemaakt had, zooals het volgende:Het beekje komt van ’t rotsgebergt’En stort zich in het woud;Er grazen reeën in het dal,Het lachend ze aanschouwt.[124]’t Besprenkelt bloem en blad met dauwEn lescht der dieren dorst,En komt de barre winter aan,Wordt het met ijs omkorst.Zij vertelde ook van den verliefden Daphnis18, die van zwaarmoedigheid en verlangen wegkwijnde en dien daarna alle dieren betreurden. Dit droevig verhaal beviel echter aan Aspasia niet: zij luisterde er naar met een spottenden glimlach om de rozelippen en teekenen van afkeuring …Toen zij voortwandelende aan eene bron kwamen, door sappige kruiden omgeven, waaruit een kristalhelder beekje gevormd werd, en Aspasia zich daarin wilde spiegelen trok Cora haar angstig terug en waarschuwde haar, zeggende, dat iemand, die zich in eene bron spiegelt, somwijlen plotseling een ander beeld dan het zijne daarin ziet, namelijk dat van eene Nimf, die hem uitlacht, en dan was hij verloren.Toen de zon in het zenith stond en de toon eener syrinx in de broeiende middagstilte vernomen werd, zei Cora: „Pan zal weder boos worden; hij wil niet, dat men hem op den middag, als hij rust, door syrinxen of andere geluiden uit zijne sluimering zal wekken.”—De muziek echter kwam van den herdersknaap, die den vorigen dag, op Pericles’ en Aspasia’s verzoek, een landelijken dans had uitgevoerd. Wel wist de knaap, dat Pan van den klank der syrinx in het middaguur niet hield; maar hij bespeelde altijd de syrinx, als hij bemerkte, dat Cora in de nabijheid was, omdat hij meende haar daarmede genoegen te doen. Cora echter berispte den armen jongen. En toch had zij een week gemoed. Zij redde voor Pericles’ en Aspasia’s oogen een cicade die zich in het web eener spin verward had.Ernstig en aandachtig luisterde het meisje weder, toen Aspasia haar opnieuw van Athene begon te vertellen.[125]Met opzet schilderde Aspasia in de gesprekken, die zij met Cora nog in den loop van den dag hield, het leven in de stad der Atheners in verleidelijke kleuren. Zij verstoorde den vrede dezer idyllische natuur, zij verwekte een wanklank in de harmonische wereld van dit kinderlijk hart. Eindelijk vroeg zij Cora of zij met haar naar Athene wilde gaan. Het herdersmeisje zweeg, maar scheen in diepe gedachten verzonken.Aspasia wendde zich tot de ouders van Cora en verklaarde hun, dat zij Cora gaarne met zich mede naar Athene wilde nemen, en hunne dochter daar een gelukkig lot zou verbeiden.„Dat mogen de Goden geven!” zei de eerlijke herder. „Dat mogen de Goden geven!” herhaalde de herderin. Maar zij zeiden niet ja.—En zoo dikwijls Aspasia de vraag om hunne toestemming herhaalde, zeiden beiden altijd dit ééne:„Dat mogen de Goden geven!”Men zag, dat het aan het vaderlijk en moederlijk hart zwaar viel, hun eenig kind, zij het ook voor het gelukkigst lot, van zich te laten gaan.Aan den avond van dienzelfden dag werd Cora plotseling gemist, nadat zij toch met hare lammerenkudde reeds naar huis was teruggekeerd en langen tijd werd zij te vergeefs gezocht. Eindelijk zagen Pericles en Aspasia, niet verre van den ingang van het hof staande, het meisje de helling afkomen. Maar zij kwam in zeer zonderlinge houding. Zij had namelijk de handen stijf tegen de ooren gedrukt. Op eenigen afstand van Pericles en Aspasia stonden, buiten de hoeve, de slaven van Pericles in eene groep bijeen. Toen het meisje deze groep genaderd was, nam zij plotseling de handen van de ooren weg en scheen naar de woorden der slaven, die onder elkander praatten, te luisteren. Bijna op hetzelfde oogenblik scheen zij te ontstellen, drukte de hand tegen de borst en bleef een oogenblik als in den grond geworteld staan. Pericles en Aspasia gingen naar haar toe en vroegen naar de oorzaak van hare ontsteltenis.[126]„Ik heb Pan gevraagd,” antwoordde zij, „of de Goden wilden, dat ik met u naar Athene zou gaan.”„Hoe dan?” vroegen beiden.„Ginds onder in het dal,” zeide het meisje, „ligt eene grot, aan Pan geheiligd. Daar staat het beeld van den God, uit eikenhout gesneden, in de spelonk. Derwaarts begeven zich alle herders, als zij iets geheimzinnigs te vragen hebben. Men fluistert den God de vraag stil in het oor, houdt vervolgens zijne eigene ooren met de handen dicht, totdat men onder menschen komt, die juist met elkander spreken. Dan trekt men de handen plotseling weg en het eerste woord, dat men verneemt, is de orakelspreuk van Pan, het antwoord van den God op de vraag, die men hem in het oor heeft gefluisterd.”„En welk woord hebt gij het eerst onder die slaven gehoord?” vroeg Aspasia.„Het woord Athene!” hernam Cora en beefde daarbij van aandoening.„Pan wil derhalve, dat ik naar Athene ga,” vervolgde zij zuchtend.„Hij staat u toe uwe lievelings-schildpad mede te nemen,” zei Aspasia glimlachend.De ouders van Cora kwamen nader.„Pan wil, dat ik naar Athene zal gaan,” zei het meisje op treurigen, maar beslisten toon. En zij deed nog eens het verhaal, hoe zij in de grot van Pan zijn orakel had geraadpleegd.De herder en zijn vrouw luisterden naar hare mededeeling, zagen elkander ontroerd aan en herhaalden toen, op niet minder treurigen toon dan het meisje, de woorden:„Pan wil, dat Cora met de vreemdelingen naar Athene zal gaan!”—Toen gingen zij naar hun weenend kind, drukten het in hunne armen en kusten het.„Cora zal beloond worden voor hare gehoorzaamheid aan den God,” zei Aspasia. „Zij zal dikwijls boden zenden, die u berichten en geschenken van[127]haar zullen brengen en als gij oud zijt geworden, zal zij u bij zich noodigen, om het overige uwer dagen rustig bij haar te slijten.”„Gisteren reeds wedervoer ons een voorteeken in ons huis,” zei de herder ernstig, „doordien eene slang die het nest eener zwaluw onder de kroonlijst wilde besluipen, door het rookgat midden op den haard naar beneden is gevallen.”Aspasia sprak nog eenigen tijd met het herderspaar, om het te bemoedigen en te troosten, en zwijgend, schoon met gebroken hart, voegde het zich in den wil van den God.Treurig weerklonk in de verte de syrinx van den verliefden herdersknaap, terwijl hij in de schaduwen der stille paden van het landelijk erf ronddoolde.Nu gingen allen te zamen in de hoeve, om daar den nacht door te brengen, die voor Pericles en Aspasia de laatste was in de Arcadische bergen. Want met het krieken van den morgen waren zij voornemens op te breken en hunne reis naar Elis voort te zetten, waar grootere dingen hen verbeidden dan hier in het stille herdersland.

Eenige jaren waren zoo voorbijgegaan. Aspasia had moedig gestreden, maar zij mocht zich niet beroemen gezegepraald te hebben. Het onstuimige tooneel in den Thesmophoriën-tempel was in de stad bekend geworden en Aspasia had de vernedering te verduren, die onder alle omstandigheden met eene nederlaag gepaard gaat. Het ontbrak overigens ook niet aan dezulken, die haar aanhingen: het grootste deel echter van haar geslacht was door nijd, verblinding en de boosaardige uitstrooisels harer vijandinnen op haar gebeten.

Eene zwaarmoedige stemming maakte zich soms van Pericles meester. Hij dacht aan het onbewolkt geluk, dat hij met de Milesische in de korte, maar zalige, eenzaamheid aan hetIonischestrand had gesmaakt. Soms maakte zich een gevoel van hem meester, als moest hij nogmaals de zorgen van den dag afschudden en wegvluchten uit het woelige Athene, waar zijn beste oogenblikken door den hatelijken laster der menschen, die als het[87]gegons der bijen zijn hoofd omzweefden, verbitterd werden.

Toen de tijding te Athene kwam dat Phidias in Elis zijn gouden en ivoren standbeeld van den Olympischen Zeus had voltooid, het grootste en verhevendste zijner werken, hoe bekoorde toen Pericles het denkbeeld om met Aspasia een kort uitstapje te maken naar het Dorische land! Maar Aspasia scheen de tocht al temoeilijkdoor het bergland van Argos en Arcadië, en slechts als een aangename scherts beschouwde zij de gedachte aan zulk eene reis, toen zij voor het eerst tusschen hen beide ter sprake gebracht werd.

In het Atheensche volk was langzamerhand die afkeer tegen de gade van Pericles binnengeslopen, waarmede schoone en invloedrijke vrouwen, wier lot met dat van een hooggeplaatst man verbonden is, bijna altijd te kampen hebben. Men ging voort haar geheimen invloed op de politieke plannen en ondernemingen van Pericles toe te schrijven en te beweren dat zij Pericles opzette zich tot tyran van geheel Hellas op te werpen. Deuitgelateneblijspeldichters, aan wier spits Cratinus, de vriend van Polygnotus, stond, die nog sedert het feestmaal van Hipponicus op de Milesische gebeten was, spitsten hunne pijlen tegen haar al scherper en scherper. De Attische Muze geleek op de bij: zij droop van honig, doch zij verborg ook een scherpen angel.

Pericles werd toornig en trachtte den overmoed der comedie te beperken.

Deze poging werd ten aanschouwe der heele wereld aan den invloed van Aspasia toegeschreven.

„Houden zij mij voor een ouden leeuw,” zeide Cratinus, „wien de tanden zijn uitgevallen en die alleen nog kwijlen kan?”

En in zijne volgende comedie slingerde hij onbeschaamd voor de oogen der gezamelijke Atheners een gemeen scheldwoord naar Aspasia’s hoofd.

Het schimpwoord van Cratinus was gruwzaam beleedigend,[88]bijna vernietigend. De afgunst der geheime en openlijke vijanden van Aspasia kon schier geen erger bedenken. De spotzieke menigte ving het begeerig op en herhaalde het. De grond van Athene begon te gloeien onder de voeten der Milesische …

Van dien dag af was de reis naar Elis tusschen Pericles en Aspasia eene uitgemaakte zaak. Minder bezwaarlijk vond de diep gekrenkte thans, het Pelops-schiereiland2te betreden, dan op den brandenden bodem van Athene te vertoeven.

Te Athene was de Milesische te zeer door belangstellenden en nieuwsgierigen omgeven, die als ’t ware in de stralen van haren geest en van hare schoonheid zich koesterden. In de ernstige, stille beemden van Argos, op de idyllische hoogten van Arcadië, zelfs in het gewoel van Olympia zou zij, naar Pericles’ meening, wederom geheel en al uitsluitend voor zijn en haar geluk leven.

Snel werden devoorbereidingsmaatregelenvoor de reis genomen, en weldra kon de zuster van Cimon, die van alle dingen het eerst op de hoogte was, aan het babbelziek Athene vertellen, dat Pericles op ’t punt stond naar Olympia te vertrekken en dat de verwijfde held zijne beminde Aspasia—die overigens wél deed zich aan de schande, waarmede zij te Athene overladen werd, te onttrekken—niet missen wilde. Er waren velen die zich vroolijk maakten over dat onafscheidelijk paar. Velen echter waren er ook, die het in stilte benijdden.…

Een licht voertuig bracht de beide getrouwen tot aan den Isthmus3. Slaven en muildieren waren tot aan Corinthe vooruit gezonden, om vandaar in de reis over demoeilijkewegen van de Peloponnesus behulpzaam te zijn.

Hoe vrij ademden beiden, toen zij het anders zoo geliefde Athene achter zich hadden!—Zij wisten niet, dat zij, uit Athene, als ’t ware vluchtend,[89]het hun beschoren lot niet vertraagden, maar integendeel bespoedigden …

Van de prachtige land- en zeegezichten, die in onafgebroken afwisseling zich aan hun oog voordeden, tot aan de monumenten aan de kanten van den weg, de Hermes-zuilen en het Hecate-huisje aan de kruiswegen was alles voor het thans weder gelukkige paar opwekkend, alles belangrijk.

Zij vonden den breeden weg van Eleusis vol reizigers. Men zag vrome, menschlievende lieden voor de beelden en kapellen der reisgoden vruchten en andere spijzen nederleggen, opdat arme en hongerige zwervers zich daaraan konden verkwikken. Hier en daar stonden ooftboomen aan den kant van den weg geplant, wier vruchten eveneens gemeen goed voor alle dorstigen waren. Ook aan herbergen ontbrak het niet.

„Een reislievend volk zijn wij Hellenen,” zeide Pericles tot Aspasia. „Alom aangeknoopte banden van gastvrijheid en vroolijke feesten lokken van plaats tot plaats. Ook voor den reiziger is, zooals gij ziet, goed gezorgd.”

Aan de berghellingen ter zijde van den weg ontsprong menige vroolijke bron uit de rotsen. In den reuzenstam des populiers, die de bron overschaduwde, had menig rustend wandelaar, om zijn dankbaar gemoed uit te storten, eene spreuk of een vers gesneden,somsook een wijgeschenk aan de takken opgehangen.

Bloeiende, met tempels en zuilen prijkende steden en vlekken deden zich aan de blikken der beide reizigers op. Eerst Eleusis, de heilige stad der mysteriën, waar, op Pericles’ bemoeiing, juist een nieuw, fraai gebouw voor het vieren der mysteriën verrees. Vervolgens Megara, de stad der Doriërs, welks aanblik in Aspasia’s geest onaangename herinneringen terugriep. Haar vriendelijk gelaat verduisterde; zij zweeg, doch het onvergeten leed en de onverzoende smaad persten haar een traan van weemoed en smart af. Pericles begreep haar en zeide:[90]

„Troost u! Uwe vijanden zijn ook de mijne. Megara zal boeten, voor wat het misdeed!”

Aangekomen in het van menschen wemelende Corinthe, begaf Pericles zich naar het huis van zijn gastvriend Amynias, die hem en zijne gemalin met de hoogste eerbewijzen ontving.

Al te verleidelijk blonk den aangekomenen de hoogte van de wijd en zijd uitziende Acrocorinthes, de Acropolis der stad Corinthe, tegen, de door bloemen en kruiden dicht bewassen rotsberg, steil afhellend naar de stad, een wachtpost van het Helleensche land. Van zijne kruin schitterde de oude, beroemde tempel van de Godin der liefde. Want evenals het van geest tintelende Athene zich onder de bescherming van de schrandere Pallas Athene had gesteld, zoo had de rijke, genotlievende handelsstad tot schutsvrouw de vreugdeverspreidende Aphrodite gekozen. Evenals Pallas Athene daar, was hier Aphrodite de beheerscheres van den burg en gewapend stond zij in haar heiligdom. Van de hoogste rotskruin schitterden hare tempeltinnen verre over de zee, tevens als een baken voor de zeelieden. Duizend Hierodulen, dienaressen der Godin, bekoorlijke en goedgunstige dochters der vreugde, woonden in het tempelgebied op de berghoogte, die door aangelegde terrassen, zuilengaanderijen, tuinen, priëelen, baden en gastverblijven op eene zoo ver uitziende vlakte, tot een dubbel vriendelijk Eden omgeschapen was.

Van deze hoogte nu, in het middelpunt van de Helleensche landen en zeeën zich verheffend, overzagen Pericles en Aspasia al die grillig gevormde, in eigenaardige kleurschakeering prijkende bergtoppen; zij zagen in het noorden de besneeuwde kruin van den Parnassus en verder oostwaarts den Helicon, zij begroetten Attica’s bergketens en met niet geringe blijdschap zagen zij zelfs de liefelijke, bekende rotshoogte van de Atheensche Acropolis door den reinen aether uit de verte opdoemen. Zuidwaarts weidde hun blik over de hoogten van Noord-Arcadië. Zij zagen tusschen de tallooze bergen[91]en dalen de blinkende zeeboezems en kusten, ook groenende of rotsgrauwe zeeëilanden, alles door de bekoorlijkheid van een onvergelijkelijk licht overgoten.

In dit liefelijk gezicht werden Pericles en Aspasia eenigszins gestoord door den zwerm van Hierodulen, die in de nabijheid van het tempelgebied in de zuilengangen en priëelen omzwierven.

„Gij hebt te Athene,” zei de Corinthische gastheer, die het paar vergezelde, terwijl hij een blik op deze schoonen sloeg, tot Pericles, „gij hebt zulk een soort van eeredienst nog niet en gij zult wellicht in deze priesteressen, die zich ten gunste van den tempelschat prijsgeven, geen heilige personen zien. Bij ons staat zulk priesterschap sedert langen tijd in hoog en eerwaardig aanzien. Deze gulle, vroolijke meisjes, die den dienst van Aphrodite vervullend, zich in haar gemoed tot de moeder der liefde zoeken te verheffen, zijn bij offers en andere godsdienstige plechtigheden tegenwoordig, nemen aan de feestelijke optochten der burgers deel en zingen daarbij een paeän ter eere van Aphrodite. Men wendt zich tot haar om voorspraak bij de Godin, de beschermvrouw onzer stad. Gij glimlacht? Nu, gij Atheners moogt meenen dat gij aan Pallas Athene meer te danken hebt. Bij u is de staat vermogend en invloedrijk, bij ons zijn het de enkele burgers. Ieder is een Croesus een koning op zich zelven en verheugt zich in de door handel en scheepvaart verworven goederen des levens. Wij streven niet naar macht en invloed in Griekenland, wij verspillen onze schatten niet aan den bouw van vestingwerken of vloten en dergelijke zaken, doch wij leven prettig en gelooven dat per slot van rekening toch alleen de individu leeft en het geheel maar een bloot begrip is. Het moge zijn, zooals het wil, en gij Atheners moogt nog zoo minachtend op ons nederzien, gij hebt toch den weg ingeslagen, die u nader tot ons brengt. Gij bemint en beoefent het schoone, waarmede toch altijd de liefde voor de aangenaamheden des levens[92]gepaard gaat.”

Deze woorden van den Corinthiër maakten een diepen indruk op Pericles, zonder dat hij er veel acht op scheen te slaan. Hij staarde naar de bergen van de Peloponnesus en sprak na eenigen tijd met een lichten glimlach, zich tot Aspasia richtend:

„Het is opmerkelijk, dat ons juist hier, als ’t ware aan den drempel van den ernstige, strenge Peloponnesus, nog het beeld van de hoogste weelderigheid van het Helleensche leven tegenstraalt. Wie zou kunnen gelooven, wanneer men van het vroolijke, kunstlievende, gedachtenrijke Athene komt, of als hier in het genotlievende Corinthe door verleidelijke Hierodulen omgeven, op de hoogte van den Aphrodite tempel staat, dat op zoo’n geringen afstand aan gene zijde van den Isthmus en die somber zich verheffende bergen, op Arcadië’s hooglanden, een onbedorven herdersvolk in oudvaderlijken eenvoud leeft?Dattegenover die plaatsen van een schoonen genotvollen lediggang, daar boven aan genen kant der bergen de ruwe Spartaan en de sombere, mokkende Messeniër, ruigharigen leeuwen of wolven gelijk, in afschuwelijke kloven of donkere wouden op leven en dood elkander bekampen? Welk een worstelplaats van wilde heldhaftige kracht is van overoude tijden die strook lands aan gene zijde der opdoemende bergen! Uit burgten, gebouwd uit op elkander gestapelde rotsblokken, trokken de Argivische vorsten tegen Ilium op. Op de paden van de Peloponnesus betraden Heracles enPerseushun heldenbaan, doodden leeuwen en bestreden het slangengebroed in de kloven en de verderfaanbrengende vogels in de lucht. En worstelt niet nog ten huidigen dage op de velden van Pelop’s schiereilanden, op den Isthmus te Nemea, te Olympia, mannelijke kracht en moed om den prijs?Stroomenniet derwaarts de mannen van geheel Hellas, tuk op den lauwertak van lichaamskracht? Somber, dreigend en ruw schijnt[93]deze Peloponnesus, en de wateren van den Styx4besproeien niet te vergeefs zijn woest bergland. Maar wij willen hare verschrikkingen trotseeren, wij willen ons in het hol van den leeuw wagen. En als wij weekelijk en verwijfd worden, willen wij met nieuwen kracht ons sterken in die ruwere lucht.”

„Sedert wanneer,” zei Aspasia glimlachend, „is Pericles een bewonderaar, ja zelfs een benijder van de ruwe en eenvoudige mannen van gene zijde van den Isthmus geworden? Troost u maar, dierbare vriend! Laat hen daar worstelen en strijden, zooveel zij willen. Over hunne sombere berghoogten schittert niet als over Athene’s Acropolis het zegevierende licht van Pallas Athene!”—

Onder een sterk geleide braken de reizigers den volgenden morgen van Corinthe op, om met blijden moed hun tocht door het Dorische land over de Argolische bergen te beginnen. Aspasia weigerde doorgaans van den draagstoel gebruik te maken, dien Pericles uit liefderijke zorg voor haar had laten gereed maken en die door slaven of muildieren over de moeilijke plaatsen van het gebergte kon gedragen worden. Zij gaf er de voorkeur aan, om op een muildier naast haar echtgenoot te rijden. En zoo trokken zij dan, onder vertrouwelijken kout, door de suizende bergwouden, den loop der beken te gemoet, die zich in de kloven nederstortten, bereikten over steile hellingen en boschrijke toppen de vrije bergvlakten, soms ook door bergpassen en dalen, waar oleander- en lentiscusstruiken en wilde pereboomen over het donkere pad hun schaduwrijke twijgen in elkander strengelden.

Op zulke sombere wegen sloeg nochtans de moedige Aspasia soms een angstig bespiedenden blik in het struikgewas, om te zien of niet de donkere gestalte van een roover daaruit te voorschijn[94]zou springen. Dan glimlachte Pericles en zeide, met een blik op het goedgewapende met de wegen vertrouwde gevolg van inlanders, die hij tot begeleiding door het gebergte had medegenomen:

„Vrees niets, Aspasia! Reeds sedert lang zijn de wilde reuzen op deze paden uitgeroeid, en geveld is reeds lang de pijnboombuiger Sinis5, de snoode wreedaard. Alleen voor de slangen van deze hoogten en dalen moeten wij op onze hoede zijn: want gij herinnert u wel, wat hier zeer nabij op Nemea’s grondgebied geschiedde, toen de voedster het knaapje in het gras legde, om voor de langstrekkende „Zeven tegen Thebe”6, op hun verzoek, een dronk verkwikkend water te halen.”

Na eene vermoeiende dagreis bevonden zich de reizigers aan het begin van de Inachus-vlakte en zagen tusschen twee grauwe, spitse bergen den in de sagen beroemden heerscherszetel van Agamemnon, den overouden wachter dezer bergpassen, den burg van Mycenae, loerend op zijn rotskruin liggen—„in den hoek van Argos”, naar de woorden van het Homerisch lied. Ter rechter zijde verhief zich de kale kegelvormige berg met den ouden burg Larisa, de Acropolis der stad Argos, welke aan den voet van den berg over eene ruime uitgestrektheid in de vlakte gelegen, nog steeds bloeiend en niet minder sterk bevolkt was dan de stad der Atheners. Over de uitgebreide strandvlakte van het „paardenvoedende Argos”7schitterde de blauwe zeeboezem van Nauplia. Bergketens, in de tinten van de ondergaande zon gedoopt, hieven hier hunne veelgetakte kruinen ten hemel en liepen ginds met groote krommingen tot aan de zee. Ook aan gene zijde van de blinkende[95]golf doemden de nevelachtige omtrekken van geweldige bergkruinen op.

Eene zonderlinge gewaarwording maakte zich van de reizigers meester. Hunne blikken hingen aan het grauwe rotsgevaarte van Mycenae, de sporen van den koningsburg der Pelopiden zoekend en al de andere onvernietigbare overblijfsels van Cyclopische schathuizen, graven, muren en gewelven van den voortijd.

Toen zij Mycenae zelve hadden bereikt, was de duisternis ingevallen. Zij stonden op de rotshoogte, waar het grauwe muurwerk, uit reusachtige, loodrecht gehouwen rotsblokken opgestapeld, door mos en klimop overdekt, in de schemering schier dreigend en beangstigend zich verhief. Nochtans versmaadden zij het, naar beneden te gaan tot de woonplaatsen der weinige Myceners, die in de reeds lang vervallen en schier uitgestorven heerscherstad der Atriden8nog woonden. Pericles en Aspasia besloten den lauwen zomernacht in de nabijheid van deze eerwaardige overblijfsels van het verleden onder eene tent door te brengen. Thans ging de maan op en baadde het muurwerk en de hoogte zelve, met alle bergkruinen van Argos rondom en de vlakte daartusschen tot aan de verre golf, in haar zilveren licht. Hoewel vermoeid, konden Pericles met Aspasia de bekoring van dit tooverachtig, heldere maanlicht niet weerstaan. Zij putten nieuwe kracht uit de zonderlinge opgewektheid hunner gemoederen. Voor weinige dagen nog omgaf hen het woelige Athene en thans stonden zij op Mycenae’s puinhoopen, door de huiveringwekkende stilte van den sterrenhelderen nacht omgeven, in de sombere eenzaamheid der Argolische bergen. De geest van Homerus kwam over hen. In het ruischen van den wind, in het suizen der bergtoppen vernamen zij iets, wat hun als een zwakke nagalm klonk van zijn onsterfelijk heldenlied. Het[96]licht der volle maan, dat rondom op Argos’ bergtoppen scheen, herinnerde hen aan de wachtvuren, die eens hier van den eenen bergtop tot den anderen flikkerden, om de mare van de zege der Hellenen over zee en gebergte herwaarts te brengen tot aan den burg van Agamemnon, waar de woeste Clytemnaestra, aan de zijde van haar minnaar Aegisthus, den terugkeer van den zegevierenden Hellenen-aanvoerder met in ’t geheim geslepen moordstaal verbeidde. En binnen deze verlaten puinhoopen, die daar vóór hen lagen, in de doodstille, nachtelijke eenzaamheid, werd dit moordstaal getrokken. Achter deze muren verstierf dof het doodsgerochel van den huiswaarts gekeerden heerscher der volkeren …

Pericles en Aspasia liepen langs den geweldigen muur, die den kant van den steilen burgtheuvel met talrijke hoeken en bochten omgaf. Zij bereikten de overoude, beroemde leeuwenpoort, den eerwaardigen ingang van den Atriden-burg, waarboven het oudste beeldwerk van het werelddeel prijkte. Door deze poort betraden zij de burgtruimte en stonden voor de binnenmuren, waarachter eens de Atriden tegen elken aanval veilig leefden; doch alleen de grondvesten wezen hun de plaats der eigenlijke vorstenvertrekken. Zij zetten hunne wandeling voort en bereikten verder, niet meer op de hoogte van den berg, maar op zijne helling, het eerwaardige, ongeschonden, ronde gebouw, dat een schatkamer en de grafkelder tevens der Pelopiden was.

Toen Pericles en Aspasia dit gebouw naderden,verschiktehen de gestalte van een reusachtig man, die vóór de poort lag en die bij de nadering der vreemdelingen zich halverwege oprichtte. De man herinnerde hen aan de reuzengestalten van Hemorus, die tegen elkander rotsblokken slingerden, wier gewicht de latere stervelingen niet meer van den grond konden opheffen. Pericles sprak hem toe en bemerkte na eene korte woordenwisseling, dat hij met een in de bergen van Argos ronddolenden[97]bedelaar te doen had. Zijne leden waren karig met lompen bedekt, zijn donkergebruind gelaat was als verweerd door wind en regenjachten. Zóó wellicht zal de zwaar beproefde zwerver Odysseus er uitgezien hebben, op het oogenblik, dat hij als schipbreukeling het vasteland bereikte, nadat hij dagen lang zwemmend met de zee had geworsteld en het scherpe, zilte nat zijn leden had geteisterd.

De grijze, zonderlinge, reusachtige bedelaar beweerde, dat hij den schat van Atreus bewaakte en zonder zijne toestemming niemand de poort van het gebouw mocht naderen. Van ongehoorde, gouden schatten begon hij te bazelen, die in geheime hoeken van deze rotskamers nog altijd verborgen lagen en die den vinder tot den rijksten aller stervelingen, tot aanvoerder en koning in Hellas, tot erfgenaam en opvolger van den Hellenen vorst Agamemnon zouden maken.

Glimlachend zei Pericles tot Aspasia: „Wel was Mycenae in overoude tijden beroemd als de stad, die het rijkst was aan goud, van alle Helleensche steden; maar ik denk, dat het goud van Mycenae reeds lang naar Athene is gevloeid en wij behoeven het niet meer te zoeken. Toch trekt mij deze zonderlinge rotsgroeve der Atriden onweerstaanbaar aan.

„Voer ons heden nog in het gebouw, dat gij bewaakt,” vervolgde Pericles, tot den reus zich wendend. „Wij zijn Atheners en naar de bergen van Argos gekomen, om aan het stof der goddelijke Atriden onze hulde te bewijzen.”

Toen beval hij eenigen slaven fakkels aan te steken. De bedelaar, op wien de persoonlijkheid van Pericles eene zekere macht scheen uit te oefenen, toonde zich zwijgend bereid, als gids te dienen. Met forsche hand schoof hij, zijne reuzenkracht aanwendend, een groot rotsblok ter zijde, dat voor den ingang lag en dien geheel en al versperde. Maar zelfs toen was het nog niet gemakkelijk over steen en gruis heen door de half geopende poort den weg naar het binnenste gedeelte van het[98]diep in de aarde zich uitstrekkende gewelf te volgen.

Langs een uit geweldige blokken gevormden weg bereikten Pericles en Aspasia het hooge, sombere ronde gewelf, welk wanden niet op de gewone wijze opgetrokken waren; in steeds nauweren kring vonden zij de steenlagen op elkander gestapeld en van boven door een kegelvormig gewelf afgesloten. Zij vonden de sporen van oude metaalbekleeding aan de wanden: eene geliefde wandversiering, waarvan Homerus gewag maakt. Hoe zal voorheen in de vorstenvertrekken de gepolijste, blanke koperen wand in den weerschijn der flikkerende fakkels geschitterd hebben! Maar gewelddadig waren hier reeds de koperen platen afgerukt, onbekleed grijnsden de grauwe steenmassa’s der machtige op elkander gestapelde kringen den beschouwer tegen.

Uit het ronde gebouw traden Pericles en Aspasia door eene nauwere poort in eene vierkante ruimte, die geheel in de levende rots uitgehouwen was.

Peinzend stonden zij beiden daar. Slechts schemerachtig verhelderde het sobere licht der brandende fakkels de donkere steengewelven.

„Eene stoute gedachte zou het zijn,” sprak Pericles ten laatste, „in deze huiveringwekkende steengroeve ons nachtverblijf te houden!”

Aspasia huiverde een weinig, doch in het volgend oogenblik glimlachte zij weder en kon de betoovering niet van zich weren, die de huiveringwekkende en toch verleidelijke gedachte op haar uitoefende, om een nacht door te brengen in de duizendjarige Pelopiden-groeve, om te rusten boven het stof van Atreus en Agamemnon.

Menig bezwaar werd nog geopperd, eindelijk echter besloot men de stoute gedachte ten uitvoer te leggen. Tapijten werden op den steenen vloer van de kleinere rotskamer door slaven nedergelegd en daarop een leger gespreid. In het gewelf strekte de reusachtige bedelaar zich uit om te slapen, de slaven legerden zich bij den buitensten ingang.

Nu vonden Pericles en Aspasia zich alleen in[99]het huiveringwekkend, geheel in de rotsen gehouwen vertrek. Het onzekere schijnsel der in den grond gestoken fakkels speelde spookachtig op de grauwe, vensterlooze rotswanden. Om hen heen heerschte de stilte des doods. Het was werkelijk de rust des grafs, die hen omgaf.

„In dezen nacht,” zei Pericles, „en in deze omgeving dringt zich de gedachte aan vergankelijkheid en vernietiging schier in lichamelijke gestalte met Titanisch geweld aan mij op. Hoe zwak en wisselvallig schijnt al het levende, en hoe hecht en sterk trotseert de tand des tijds datgene wat wij het doode plegen te noemen! Atreus en Agamemnon zijn sinds lang niet meer en wij zuigen misschien deonzichtbareatomen van hun stof in met onzen adem. Deze doode muren echter, welke die menschen opgebouwd hebben, omringen ons nog heden en zullen wellicht ook hen nog omsluiten, die de atomen van ons stof over duizend jaren zullen inademen!”—

„Ik ben het niet geheel met u eens, Pericles,” hernam Aspasia, „om het onvernietigbaar bestaan van het doode te verheffen boven het vluchtige leven van den mensch. Het neerstortende rotsblok begraaft de bloemen, maar de bloemen keeren terug met iedere lente en slingeren hare stengels om den steen en ten laatste verteert na duizende jaren de steen, terwijl de bloemen er echter altijd nog zijn. Zoo ligt het leven ook begraven onder puinhoopen van steden, maar tusschen de puinhoopen kruipt het zachtkens te voorschijn en omstrengelt den steen, die toch eens verbrokkelen zal: ’s levens krachtig groen wast zelfs door de rots en doet ze springen, en zoo is ten laatste toch alleen het schijnbaar vluchtige en vergankelijke waarachtig eeuwig.”

„Gij hebt gelijk,” zeide Pericles, „het leven zou weldra vermoeiend en vervelend worden, als daaraan de onveranderlijkheid van het doode beschoren was. Onvergankelijk is reeds één met het doode, alleen afwisseling is leven.”[100]

„Herleeft niet,” sprak Aspasia, „de heldenzin van Agamemnon in duizend helden? En de liefde van Paris en Helena, wordt zij niet in tallooze verliefde paren opnieuw gevoeld?”

„Ongetwijfeld, het leven komt en gaat,” hernam Pericles, „en in eeuwige verandering keert het weder. Zijn wij echter zeker, dat het bij dit komen en gaan ten laatste niet iets van zijne oorspronkelijke kracht verliest? Zou het groote in de wereld niet eenigszins op de steenkringen gelijken in het gewelf dezer groeve, die van boven wel is waar aan elkander sluiten, maar steeds enger worden?—De heldengeest van Agamemnon schijnt teruggekeerd te zijn: wij hebben de Perzen verslagen, maar toch komt het mij voor, dat wij tegenover de helden van Homerus een weinig ingekrompen zijn.”

„Vele dingen,” hervatte Aspasia, „mogen zwakker worden als ze herhaald worden; maar ontkent gij, dat veel nog krachtiger en heerlijker zich vernieuwt? De kunst, die met deze bouwvallen onderging, is teruggekeerd en heeft de met beelden prijkende, marmeren tinnen van het Parthenon gebeiteld!”

„Wanneer echter,” zei Pericles, „ook die met beelden prijkende tinnen eens in stof zullen zijn verkeerd—wanneer het heerlijke vierspan van Pallas wellicht van den gevel van het Parthenon naar beneden stortend, met donderend geraas op de rotshelling wordt verbrijzeld, zijt gij dan zeker, dat de kunst nog eens en steeds heerlijker zal wederkeeren? Of zal er een tijd komen, welks roem alleen nog teert op het vertoon van onsterfelijke bouwvallen?”

„Dit zij eene zorg voor de latere geslachten!” antwoordde Aspasia.

„Gij hebt ook van de liefde van dat schoonste paar uit den voortijd gesproken,” vervolgde Pericles, „en hoe die in tallooze paren zich hernieuwt?”

„Twijfelt gij daaraan?” zei Aspasia.[101]

„Neen!” riep Pericles, „en ik geloof, dat de liefde en juist alleen de liefde, steeds bestaat met dezelfde kracht, met dezelfde levensfrischheid, met dezelfde bron van zaligheid!”

„De liefde en het genot!” viel Aspasia hem met een betooverenden glimlach in de rede.

„Ja, zeker!” sprak Pericles. „Wel is waar, moet ik met een gevoel van schaamte op deze plaats wandelen en wellicht ben ik niet waardig zelfs één enkelen nacht boven het stof van Homerische helden te rusten. Maar schoon ik ook met smartelijke benijding afstand moet doen van den heldenroem van Achilles, deel ik toch het geluk van Paris: het bezit van de schoonste Helleensche vrouw!”—

De gelaatstrekken van Pericles waren niet in volkomen overeenstemming met de woorden zelve. Zijn gelaat scheen twijfel uit te drukken of het den man wel betaamde afstand te doen van den roem van Achilles, en zich te vreden te stellen met het geluk van Paris.—

Doch met de betoovering van de schoonste Helleensche vrouw wist Aspasia de gedachten in slaap te wiegen, die in de manlijke ziel van Pericles oprezen. Haar oog verspreidde een magischen glans in de sombere rotsgroeve, van hare wangen scheen een rozenrood schijnsel door het geheele vertrek te lichten. De fakkel, die zooeven flauw had geflikkerd, evenals wellicht die, welke eens bij de begrafenis van den vermoorden Agamemnon haar licht had verspreid, scheen eensklaps vroolijk op te vlammen als eene bruiloftsfakkel. Door den glans der schoonheid, die in de donkere diepte schoot, scheen zelfs de groeve nu in een bruidsvertrek herschapen en de eeuwige frischheid des levens en der liefde verkreeg de overhand boven de huivering des doods en der vergankelijkheid, boven het duizendjarig stof der Atriden.—

Toen Pericles en Aspasia de plaats hunner nachtelijke rust verlieten en uit de sombere groeve naar buiten traden, straalde hun de morgen, met zijn[102]verkwikkenden dauw op alle velden en heuvels, vroolijk tegen. Maar ’t was ook in ’t schitterend licht van den dag niet minder eenzaam en doodstil dan onder de bouwvallen van den Atriden-burg. Alleen een gier zweefde onbeperkt met wijd uitgespreide vleugels boven Mycenae, hoog in de blauwe lucht.

Terwijl daarop de reizigers van den medegebrachten voorraad en den wijn, dien een slaaf in een geitelederen zak droeg, een en ander voor een ontbijt nuttigden, vroeg Pericles aan Aspasia, of zij niet gedroomd had gedurende haar slaap in de Atriden-groeve.

„Inderdaad,” hernam Aspasia, „heeft mij in den ochtendstond een droom midden onder het gewoel der helden voor Ilium verplaatst. Ik heb Achilles in levenden lijve gezien en hij zweeft mij nog steeds voor oogen. Zijne gestalte was die van een onbeteugelden, schoonen jongeling, schier daemonisch was zijn uiterlijk, hoog en slank, het volkomen eironde gelaat door donkere lokken omgolfd, de oogen koolzwart en bijna rond, wat zijn gelaat bij al den adel der trekken iets Gorgonen-achtigs, iets huiveringwekkends gaf; de mond buitengewoon klein, de lippen echter krachtig ontwikkeld—overal de trekken van jeugdige schoonheid met de uitdrukking van woeste, bijna bovenmenschelijke heldenkracht vereenigd. Zóó zag ik hem bij de schepen staan, het hoofd in een lichtgloed gehuld, door zijn oorlogskreet alleen reeds ontzetting aanjagend binnen de muren van Ilium.”

„Ook mij,” zeide Pericles, „heeft een droom ter zelfder tijd naar de Homerische wereld gevoerd, maar zonderling, niet onder de helden; integendeel: ik zag Penelope; en wat nog vreemder is, ik zag haar niet zooals Homerus haar schildert, als Odysseus’ trouwe en geduldig wachtende gade, maar als jeugdige bruid in het licht eener sage, die mij nog zinrijker voorkomt, dan alles wat Homerus van haar gezongen heeft. Ge kent zeker de overlevering omtrent de omstandigheden van Odysseus’[103]vrijen: hoe de Spartaansche koning Icarius zijne dochter Penelope aan Odysseus had beloofd, in de hoop hem daardoor te bewegen zich in Lacedaemon neder te zetten. Toen dit hem echter niet gelukte trachtte hij de teedergeliefde dochter van haar minnaar afkeerig te maken, en toen Odysseus de bruid naar Ithaca wegvoerde, volgde haar vader hen met tranen en gebeden, zoodat Odysseus haar ernstig afvroeg of zij hem vrijwillig volgen of liever met haar vader naar Sparta wilde terugkeeren. Toen Penelope niets antwoordde, maar zedig den sluier voor het gelaat trok, liet Icarius haar ongehinderd gaan en richtte op de plaats, waar dit voorgevallen was, een beeld op gewijd aan de maagdelijke schaamte. Wat een liefelijk beeld is deze zwijgende blozende Penelope; in maagdelijke schaamte het hoofd omhullende! En juist in deze jonkvrouwelijke gestalte heb ik haar dezen nacht in den droom gezien.”

Zoo vertelden Pericles en Aspasia elkander de droomen, die hun verschenen waren boven het stof der Atriden, en zij overwogen half schertsend, half ernstig of er soms een voorteeken, een verborgen zin in deze droomgezichten verscholen mocht zijn.

Nog één blik wierpen zij van de puinhoopen van Mycenae op de Inachus-vlakte en het oude Archos. Daarna maakten zij zich gereed om hun weg te vervolgen en hun zwerftocht uit de Argolische bergen naar de Arcadische aan te vangen.

Pericles en Aspasia schepten er vermaak in, groote afstanden te voet af te leggen en, als voor hun genoegen wandelend, op de paden van het groene woudgebergte vertrouwelijke gesprekken te voeren.

Aspasia was tot dusverre gewoon alleen op kussens en tapijten te rusten: nu ondervond zij, dat het mogelijk was ook op groene zoden, op mos, kruiden en pijnboomnaalden zich ter ruste te vlijen. Wanneer zij zich soms op eene liefelijke plek nederlieten, bracht een slaaf op bevel van Pericles een der[104]boekrollen, die de zangen van Homerus bevatten, en Aspasia las haar echtgenoot op zijn verzoek plaatsen daaruit voor met hare welluidende, heldere stem. Niet zonder deze zangen hadden zij de overblijfsels van het oude Atriden-rijk willen bezoeken, en inderdaad, sinds zij deze puinhoopen hadden gezien, begrepen zij den dichter eerst ten volle.

Van tijd tot tijd rees er wel een kleine woordenstrijd wanneer Pericles al te opgewonden den lof van den aartsvaderlijken heldentijd prees, terwijl Aspasia het ideaal van het menschelijk leven liever in den tegenwoordigen tijd of zelfs in de toekomst zocht.

„Bij Homerus,” zei Pericles eens, „geloof ik eene merkwaardige leer te vinden; dat namelijk de mensch eens dier geweest en langzamerhand mensch geworden is. Men ziet bij hem, namelijk in de Odyssee, hoe die menschwording allengs heeft plaats gegrepen. Hij legt overal het zwaartepunt op de zegepraal van de menschelijkheid over het ruwe en dierlijke. Overal treft gij dezen strijd der menschheid aan met de nog niet volkomen verwonnen overblijfsels der dierlijkheid. Hij toont ons in de wilde Laestrygonen en Cyclopen, wat wij eens geweest zijn. Hij schildert dan vol diepen zin deze wilde halfmenschen tegenover het menschelijk edel gevoel, stelt de menscheneters tegenover de gastvrije Phaeäken, en om het menschelijke voor den terugkeer tot het dierlijke te bewaren, knoopt hij het zoo innig mogelijk aan het goddelijk vast. Pallas Athene, de Godin van menschelijk verstand en beleid, van de door menschelijkheid geadelde geestkracht, is de trouwe geleidsvrouw en hulpe zijner helden. Menschelijkheid is het wat hij predikt, menschelijkheid in tegenoverstelling van dierlijkheid. Bij hem is de reine menschelijkheid uitgedrukt in reine poëzie. In den reinen, helderen aether zweven bij hem alle voorwerpen. Welsprekender heeft de verheven eenvoud uit geen mond gesproken dan uit den zijnen.”[105]

Hier stuitte Aspasia Pericles in zijn lofrede.

„Met uw verlof,” zeide zij, „er is u een woord ontvallen, dat ik niet onopgemerkt mag laten voorbijgaan en dat gij zelf wellicht gaarne zult willen terugnemen. Homerus, is toch eenvoudig noch ongekunsteld, ten minste niet in dien zin, als bij voorbeeld de beeldhouwers vóór Phidias waren. Met Homerus sprong, om een oud beeld te gebruiken, de poëzie in volkomen rijpheid uit het hoofd van Zeus. Zijne taal is breed, rijk, vol. Zijne schilderingen zijn soms even prachtig als levendig, en er zijn plaatsen in de Ilias en Odyssee, die geen later dichter in rhetorische pracht en uitdrukking zal overtreffen. En zijne welsprekendheid! Zijn de woorden, waarmede de toornendeAchilles9bewogen moet worden om terug te keeren tot den strijd, en het antwoord, dat hij geeft, geen meesterstukken? En dit toch niet door hun verhevenheid alleen; maar ook, door de schikking en de treffende kracht der bewijsvoering, blijven zij modellen der hoogste welsprekendheid.”

„Wat gij daar te berde brengt, is waar,” hernam Pericles.

„Maar toch bezit Homerus in een zekeren zin weder datgene, wat ik verheven eenvoud noem. Wellicht bestaat het geheim der hoogste kunst daarin, dat zij, door den prachtigen stijl heen, toch dien hoogen eenvoud laat doorschemeren, met de rijpheid van het tegenwoordige de natuurlijke frischheid van den voortijd vereenigt.”

Na hun tocht eenige dagen te hebben voortgezet, bevonden de reizigers zich te midden van de ruwe bergachtige streken van het herdersland Arcadië. Zij togen onder een geleide van inheemsche herders, die hun niet alleen als gidsen dienden maar ook, met knotsen en sterke lansen gewapend, te[106]gelijk als beschermers en verdedigers. Zij zagen in de eenzame bergen boven zich de adelaars in de wolken zweven, zij zagen andere vogels met scherpe klauwen en kromme snavels op steile rotsen onder luid gekras elkander bestrijden, zij zagen zwermen kraanvogels, spreeuwen en kraaien voor den havik vluchten, die van de toppen der bergen op hen nederschoot. Hier en daar dreunden bijlslagen uit de diepte van het woud en het gekraak van eeuwenoude stammen onder de handen der houthakkers. Van verscheurende dieren, die meestal alleen des nachts hunne holen verlaten, ontmoetten zij niet één op hun pad. Alleen vonden zij den bodem van Arcadië’s wouden met schildpadden bedekt, die moeilijk tusschen de kruiden en steen voortwaggelden of in de zon zich koesterden.

Zoo zwierven Pericles en Aspasia door de stille dreven, en terwijl zij het vreemde en nieuwe met kalmte als iets toevalligs en voorbijgaands meenden te moeten opnemen, oefende toch alles op hen een beslissenden, onmerkbaren invloed uit en voegde het zich als eene vooraf bepaalden schakel in hun bestaan; zonder het te bemerken of te vermoeden gingen zij groote veranderingen en gebeurtenissen in hun leven en lot te gemoet.—

Over bergvlakten, die tot aan de wolken reikten, voorttrekkend, hadden de reizigers dikwijls zeldzame gezichten op de geheele uitgestrektheid van Hellas. Aan den versten gezichtseinder zagen zij soms de kruinen van met sneeuw bedekte bergen glinsteren. Op zekeren dag waren zij vóór het krieken van den morgen opgebroken en trokken over het nog in nacht gehulde gebergte.

„Gij rilt van den koelen morgenwind?” vroeg Pericles aan Aspasia, die huiverde.

„Ik ril voor die donkere, ledige eenzaamheid der bergen,” antwoordde zij. „Mij is het te moede, alsof wij niet meer op Helleenschen bodem wandelen en alsof wij door alle Goden van Hellas verlaten zijn.”

Op dit oogenblik vestigde het oog van Pericles[107]zich op een gouden wolkje, dat aan den rand van den horizon in het verre noorden zichtbaar werd. Hij wees ook Aspasia daarop. Het gouden wolkje nam grootere afmetingen aan, maar bleef onveranderd op zijne plaats en stak zonderling af bij de overige, grauwe tint van den nachtelijken hemel. Langzamerhand verkreeg de oppervlakte van het wolkje eene merkwaardige duidelijkheid en bepaalder omtrekken, die in het geheel niet meer als die van eene wolk schenen. Het zag er uit als eene gouden landouwe in de verte, waarop zalige Goden zich vermeiden. En inderdaad, toen de morgen grauwde en de lijnen van bergketens in de verte zichtbaar werden, verbreidde die glans zich sterker en de wandelaars bemerkten, dat het niet eene onbewegelijke lichte wolk geweest was, wat zij gezien hadden, maar de besneeuwde kruin van een verren berg in het noorden, beschenen door de stralen van de nog niet zichtbare zon.

„Het is, geloof ik, de top van den Thracischen Olympus, den Godenberg!” zeide Pericles opgewekt tot Aspasia. „Ziet ge, dat de Goden van Hellas ons nog niet verlaten hebben? Verre weg van den zetel, waar zij in eeuwige zaligheid tronen, zenden zij door eene spleet van het hooggebergte ons een groet in deze onverkwikkelijke eenzaamheid.”

„Zij willen ons zeggen,” hernam Aspasia glimlachend: „vergeet ons en al het schoone niet geheel in het sombere land der Doriërs!”

Weldra echter geraakten de reizigers van de kale bergvlakten in het boom- en bronrijke westen van het Arcadische land. Hier storten zich talrijke beekjes, bekoorlijk om te zien, nu eens ruischend, dan weder zacht murmelend van de boschachtige hellingen naar beneden. Op de weilanden stond, zelfs in den zomergloed, het weelderig uitspruitend groen altijd frisch en onverdord. Hemelhoog verhieven de olmen, de beuken, platanen en eiken hun groenende takken en statige stammen omhoog. Van het geloei der kudden runderen[108]weerklonken de dalen. Overal bemerkten de reizigers, dat zij in het gebied van den forsch gebouwden God10zich bevonden, om wiens schouders het vel van den los hing, ter wiens eere op alle hoogten in den omtrek het purperen offerbloed schuimde uit de harige borst van den ram.

Overal vond men zijn eenvoudig beeld opgericht, uit het hout van den olmboom gesneden, overal trof men sporen van hem aan. Hier was een borstelig evervel te zien, hem ter eere aan een plataan gehangen, daar het forsch getakt gewei van een hert, uit dankbaarheid voor hem aan een beuk gespijkerd. Aan de bronnen echter zag men nimfenbeelden, door de herders opgericht, daarnaast wijgeschenken opgehangen.

Pericles en Aspasia wandelden door hooge eikenwouden, die de op- en ondergaande hemellichten met eene zee van gouden glans overtogen, en waar de zon door de kruin van een boom als een karbonkel glinsterde, lange stralen werpend, die men wanen zou met de handen te kunnen grijpen. Dat alles was hun zoo nieuw, zoo verrassend. Zij hadden op dergelijke zaken nooit hunne aandacht gevestigd.

Op zekeren dag vernamen de pelgrims, terwijl zij een woud, waardoor hun weg vele uren leidde, doortogen, een ongewoon en sterk ruischen in de takken.

„Ik herinner mij,” merkte Pericles op, „van een Arcadisch eikenbosch gehoord te hebben, dat Pelagos11genoemd wordt, wegens het sterke ruischen zijner tallooze kruinen, evenals de zee. Het is wellicht dit woud waar wij thans doortrekken.”

De inheemsche gidsen echter, de begeleiders der zwervelingen, verklaarden dat dit ruischen in het diepe woud geen gewoon verschijnsel was en wezen te gelijk naar den hemel boven hen, die straks nog geheel helder was geweest en thans zoo dof was als beslagen staal. De Arcadiërs voorspelden[109]een naderenden storm. De reizigers verhaastten hunne schreden, om nog voor het losbreken daarvan de plaats te bereiken, waar zij voornemens waren te overnachten. Weldra echter ging het ruischen van het woud over in een wild huilen en de toppen begonnen te kraken. Enkele kleine, doch gitzwarte en van regen zwangere wolken joegen, door den wind gezweept, door het donkergrijze zwerk. De straks nog gouden zon stond vaalgeel boven de kruinen der bergen, die nog schitterden in haar bleek schijnsel. Van de toppen der boomen schoten rukwinden op den grond en zweepten loof, stof en kleine takken dwarlend voor zich op. Nu begonnen enkele droppels te vallen en weinige oogenblikken later stortte een regenvloed, in den beginne met hagelsteenen vermengd, kletterend neder. IJlings vluchtten de reizigers onder het breede beschuttend dak van een reusachtigen eik. Plotseling deed een vreeselijke donderslag het gebergte dreunen. En van toen af volgde bliksemstraal op bliksemstraal; de van onweer zwangere wolken schenen van verschillende hemelstreken tegen elkander te botsen. De rosse bliksemstralen kruisten elkander boven de hoofden der verschrikte zwervelingen en de donderslagen werden door de honderden dalen en bergen weerkaatst. Daarbij plaste de regen onophoudelijk in stroomen neder, de storm loeide, de roofvogels krijschten en uit de verte weerklonk het gehuil van den wolf.

Met angstige blikken aanschouwden de reizigers uit hunne schuilplaats onder het bladerdak van den eik het vreeselijk onweer, dat rondom hen van alle kanten woedde.

Daar sloeg plotseling voor hunne oogen uit een zwarte wolk, die boven den kam van eene puntige rots hing, de bliksem in een der hoogste boomen van het woud. In huiveringwekkende pracht baadde de reuzenstam zich in een zee van vuur en was in één oogwenk tijds van de kruin tot den voet in vlammen gehuld: een vonkenregen spatte neder[110]uit de knetterende takken. Een zwavellucht doortrok den aether. Van den brandenden eik echter kronkelden de vlammen zich naar andere boomtoppen en bedreigde weldra de schuilplaats der reizigers. De Arcadische mannen beloofden de zwervelingen naar de naaste hoeve te voeren, waar zij zouden overnachten. Voorwaarts langs ongebaande wegen spoedden zij zich, hunne gidsen volgend.

Na eenigen tijd had de geweldige regen uitgewoed; maar men hoorde het doffe gebruis van gezwollen beken, die van de hoogten zich nederstortten in de dalen en kloven, puin en zand, gebroken takken en rotsblokken zelfs, door de woudstroomen weggespoeld, in den afgrond met zich sleepend.

Intusschen was de avond gevallen en terwijl de reizigers door het woudinallerijl hun weg vervolgden, bedaarde het onweder. Weldra werden de wolken door de winden uiteen gedreven en de maan ging rustig op over het woud en de hoogten, die nog zooeven hadden gedaverd van den wilden strijd der elementen.

Nu bereikten de vluchtelingen eene groote opene plek in het bosch, eene met kruiden bewassen vlakte, die over eene zachte helling zich naar beneden uitstrekte. Een groot verrassend panorama deed zich hier in de stilte van den nacht aan hunne blikken op. Heinde en ver verhieven zich de toppen der bergen en puntige kruinen in het zilveren schijnsel der maan, die nu eens geheel helder aan den reinen hemel stond, dan weder beneveld door voorbij drijvende wolkjes haar licht verspreidde. Het oog had veel te aanschouwen en de vermoeiden wandelden als in een wakenden droom voort. Daartusschen bruisten de woudstroomen met machtig geweld. Midden in die open plek lagen eenzaam de hoeve en hof van een herder. Toen de reizigers zich gereed maakten daarop toe te treden, trad hun plotseling een man in den weg, die gewapend en met dierenhuiden bedekt was en die klaarblijkelijk het erf tegen de nachtelijke aanvallen van wilde dieren bewaakte. Een paar geweldige[111]honden liepen blaffend aan zijne zijde.

Spoedig brachten de inheemsche gidsen hem op de hoogte van de zaak. Zij verlangden gastvrijheid voor de Atheensche reizigers. De wachter voerde de vreemdelingen, nadat hij de blaffende honden met steenen tot rust had gebracht, achter den met hagedoorn omschutten muur, die de hoeve omgaf en eene ruime plaats vormde, waar in het midden een wachtvuur brandde. De eigenaar der hoeve, een eenvoudig herder, naderde enheettede gasten welkom, zonder naar hun afkomst of naam of naar het doel hunner reis te vragen. Hij liet een hamel slachten, om dien voor het onthaal zijner gasten bij het vuur te braden.

Nadat hij de reizigers alzoo had verkwikt, wees hij de slaven hun nachtleger in de schuren aan; aan Pericles en Aspasia echter stond hij de kamer van zichzelven en van zijne vrouw af en liet voor hen een helder leger spreiden, terwijl hij rijshout en dorre kruiden op den grond strooide en dit met zachtwollige schapenvachten bedekte. Tot dek gaf hij hun eenige geitenvellen en bovendien zijn mantel.

De afwisselende wederwaardigheden, de kleine avonturen, ja zelfs de ongemakken eener reis vermeerderen het genot van reizenden, in plaats van dit te verminderen. De onophoudelijke afwisseling van beelden en gebeurtenissen verschaft ten laatste een onuitsprekelijk genoegen en uit de vrije lucht des hemels stroomt den vermoeiden niet alleen nieuwe kracht en verfrissching toe, maar ook eene blijmoedige stemming.

Pericles had zich nooit opgewekter gevoeld dan hier in de hut van den herder bij het gezicht van dat armoedig leger. De zilveren klank van Aspasia’s lach mengde zich zelfs eigenaardig bij het idyllisch geloei der runderen uit de dampende stallen.…

„Hoe veel zonderlings bescheren ons de Goden, aan wie wij ons op onzen zwerftocht hebben toevertrouwd!” zeide Pericles. „Vóór weinige dagen[112]hadden wij tot slaapvertrek eene eeuwen-oude koningsgroeve, die ons midden in de Ilias verplaatste, en heden schijnt het, dat wij de avonturen der Odyssee zullen beleven. Die geest van Homerus omzweeft ons, sinds wij den Isthmus hebben overschreden; ik denk, dat wij door ons zwerven geheel zullen veranderen en als wij teruggekeerd zijn kwalijk meer passen bij de verfijnde, schier verwijfde Atheners!”

Toen Pericles en Aspasia, vroegtijdig gewekt door het geblaf der honden en het krachtig geloei der runderen, van hun leger verrezen en in den ruimen hof naar buiten traden, zagen zij de boersche herdersknechten zich naar de stallen begeven. Een groote, ruigharige hond speelde met eene schildpad, die hij in het nog natte gras had gevonden. Hij greep haar onder luid geblaf en allerlei sprongen nu eens met den poot, dan eens met den bek en trok haar om en om, tot zij dood op den rug lag. Een andere hond vocht of liever speelde met een bok. De bok stiet hem met de horens, de hond echter hapte naar den baard van den bok en trachtte hem te bijten. Aan de bron zat een naakt kind en wierp met steentjes naar de schitterende zonneschijf, die zich in de oppervlakte van het water spiegelde.

Nu kwam uit de stallen de kudde runderen met zwaren tred aanwaggelen: vooraan, fier in het bewustzijn zijner kracht, de springstier; de kalveren sprongen blatend om hunne moeder. Twee knechts volgden met kromme herdersstaven in de hand, van twee geduchte honden vergezeld. Vervolgens kwamen de blatende geiten, door jongens geleid. Den vooraan loopendengeitebokvatte de herder bij zijn harigen kin en streelde hem. „Deze trouwe bok,” zei hij tot Pericles en Aspasia, „kondigt in donkere nachten den wolf of den los, die het erf besluipt, aan, zelfs wanneer de honden slapen en verzuimen het roofdier te bespringen.”

De blatende kudde lammeren echter vereenigde zich om een donkerbruin meisje, wier hoofd door een breedgeranden hoed overschaduwd werd en die[113]een herdersstaf in de hand hield. Het meisje had iets over zich, wat in het eerste oogenblik de aandacht trok en een indruk te weeg bracht, waarvan men zich niet onmiddellijk rekenschap kon geven. Zag men echter nauwkeurig toe, monsterde men hare gestalte en het schamel gewaad, dat haar bedekte, dan bemerkte men, dat het een herdersmeisje was, zich ter nauwernood van andere onderscheidende, en men zag niets bijzonders aan haar, dan blonde haarvlechten en oogen van eene vreemde soort. Deze oogen namelijk waren merkwaardig diep en mijmerend, en schenen zelfs in deze,haar welbekende en alledaagsche omgeving met eene soort van kinderlijke verbazing rond te staren.

De lammeren verdrongen zich blatend om haar en sprongen tegen haar op. Een der jongste, glinsterend wit, likte liefkozend de uitgestrekte hand van het meisje.

Toen de geheele kudde lammeren de poort van den hof, door het meisje geleid, uitgetrokken was, naderde de gastvrije herder Pericles en Aspasia en zij vernamen van hem, dat de jonge herderin zijne dochter was, zijn eenig kind, en dat zij Cora12heette. Hij zette hun nu verscheidene versnaperingen uit zijn landelijken voorraad tot een ontbijt voor, waarin zijne vrouw Glycaena hem de behulpzame hand bood.

Pericles vroeg den herder of hij wilde toestaan met de zijnen een dag lang bij hem rust te houden, omdat zij na de inspanning van den laatsten tocht zeer vermoeid waren.

Met blijdschap willigde de herder dit verzoek in, liep naar zijne vrouw en zeide met geheimzinnig gebaar:

„Glycaena, ik geloof bepaald, dat die beide vreemdelingen die in onze hoeve gekomen zijn, geen stervelingen zijn. Wat hun uiterlijk en schoonheid van gestalte betreft, schijnen zij mij verkleede Goden toe, zooals die toch menigmaal bij arme[114]herders hun intrek hebben genomen. Ook roeren zij bijna de spijzen niet aan, die men hun voorzet.”

„En de slaven,” vroeg Glycaena, „houdt gij die ook voor Goden?”

„Neen,” zei de herder, „die eten en drinken als gewone menschen. Maar die beiden—nu om het even! Onthaal ze maar, zoo goed gij kunt.”

Daarop keerde de herder tot zijne gasten terug, leidde hen overal rond, toonde hun zijne stallen en zijne graanzolders, benevens zijne gladgeboende melkemmers, de tot den rand toe met melk gevulde vaten en de korven, met kaas gevuld. Hij voerde hen ook naar de in hun kotten achtergebleven zeugen en biggen met hun glinsterend wittetanden, prees hun malsch vleesch en voederde ze voor hunne oogen met steeneikels en roode kornoeljes. Nauwelijks gaf Aspasia te kennen, dat zij vermoeid was en wel eens wilde rusten of de herder was aanstonds met een gespikkeld gemzenvel gereed, om het voor haar uit te spreiden en lachte daarbij met eene sluwe uitdrukking op zijn gelaat, alsof hij wilde doen merken, dat hij wel wist, welke behandeling verkleede Godinnen van de stervelingen vereischten.

Huiden en koppen van gedoode roofdieren waren aan de omheining van den hof, alsmede aan de boomen, die hem omgaven, in grooten getale opgehangen, en nadat Pericles en Aspasia ook deze beschouwd hadden, ademden zij, in de vrije natuur wandelend en aan zichzelven overgelaten, ruimer de geurige lucht der kruiden op de berghelling in. In het frissche groen, als door de geweldige regen schoongewassen, glinsterde de berg in de stralen der morgenzon. De bedauwde grashalmen schitterden op hunne naar de zon gekeerde zijde als blank geslepen klingen. Een zwerm kraaien vloog in volle vaart over de dreven, streek op een eenzaam staanden boom neder, vloog na weinige oogenblikken even haastig weder op en verloor zich in den blauwen aether. Over de verwijderde[115]bergtoppen zag men herders met hunne kudden trekken. De valleien daartusschen waren geheel met een witten nevel en damp gevuld, die als de zee golfde, en waarin de van de hoogte wijdende kudden schenen ondergedompeld te worden en te verdwijnen. Lammeren en runderen zag men in alle dalen grazen en vlugge geiten klauterden tegen de rotshellingen op. Hier en daar klonk de toon der syrinx13, alsmede gezang, het tijdverdrijf der herders op het veld. Van zekeren kant vernamen de beide wandelaars tonen, die hun bijzonder liefelijk in de ooren klonken. Zij sloegen den weg in, vanwaar het geluid kwam en vonden eene groep herders, die luisterend zich om den voortreffelijken fluitspeler hadden geschaard. Weldra echter trad uit het midden der luisterende schaar een herder, die zich met hem in een wedstrijd wilde meten. Toen Pericles en Aspasia naderden, viel beiden fluitblazers de schalmei uit den mond, ja bijna uit de handen, en alle herders rondom stonden getroffen door de vreemde verschijning. Toen Pericles echter hen vriendelijk verzocht hun wedstrijd voort te zetten en hun zeide, dat zijne gemalin en hij Atheners waren, die, op hunne reis naar Elis, door een geweldig onweder overvallen, hier eene schuilplaats hadden gezocht, begonnen de beide kunstvaardige herders met nog grooter ijver dan straks hun wedstrijd opnieuw en verzochten den Athener en zijne gemalin het rechtersambt te vervullen.

Pericles en Aspasia waren opgetogen over de verrukkelijke tonen der herdersfluiten. Zij verbaasden zich dat onder zulke ruwe, onbeschaafde menschen, als deze bergbewonende Arcadiërs, eene, zij het ook gebrekkige kunst tot zulk eene hoogte en volkomenheid kon geraken.

Aspasia vroeg de herders, of zij ook niet in nimische dansen met elkander konden wedijveren. Toen wezen zij op den jongste onder hen, een slanken[116]knaap, die op Pericles’ verzoek te voorschijn trad en half koddig, half bekoorlijk een landelijken dans ten beste gaf, waarin hij verschillende werkzaamheden van het landleven in nimische dansen wist voor te stellen.

„Zoudt gij ook niet eens een dans met uw tweeën kunnen uitvoeren?” vroeg Aspasia den knaap.

„Als Cora maar wilde—” sprak hij op bijna treurigen toon en met zwaarmoedige oogen voor zich uit ziende.

„Cora?” riepen de andere herders lachend. „Malle jongen! wat spreekt ge van Cora? Cora wil niets van u weten!”

De knaap zuchtte en sloop weg.

Verder wandelend bereikten Pericles en Aspasia eene lammerweide, die aan het oog onttrokken door boomen aan alle kanten omgeven was. Hier vonden zij Cora te midden van hare lammeren zittend. Eenige der jonge witwollige schaapjes vergaten het malsche gras en lieten, liever om Cora liggend, hunne koppen op hare knieën rusten. Cora zelve echter zat met gebogen hoofd geheel en al verdiept in de beschouwing van eene schildpad, die op haar schoot lag en die het meisje met hare schoone, heldere en schrandere oogen aankeek.

„Waar hebt gij dit dier gevonden?” vroeg Pericles, die met Aspasia genaderd was. Het meisje was zoo geheel in gedachten en mijmering verzonken, dat ze de beide vreemdelingen eerst bemerkte, toen zij voor haar stonden. Nu keek zij op, mat beide met een blik uit hare groote, ronde, kinderlijke oogen en zeide:

„Uit het bosch hier nabij komen deze dieren van zelf tot mij kruipen. Vooral deze hier komt altijd terug en is zoo weinig schuw, dat zij haar hals en kop, in plaats van ze in te trekken, altijd zoo ver mogelijk uitsteekt en mij onophoudelijk met hare heldere oogen aankijkt. De oude Baubo zegt, dat Pan soms zelf in de gedaante van eene schildpad zich verbergt.Ik geloof,” ging het meisje zacht voort, „dat ook deze iets geheimzinnigs in[117]zich verbergt; want sinds zij altijd tot mij uit het bosch komt en den dag bij mij en de lammeren doorbrengt, vermeerdert en gedijd de geheele kudde op een wonderlijke wijze.”

Toen zij eenmaal aan het praten was, liet het Arcadisch meisje zich gaarne door Aspasia’s vragen verleiden voort te gaan met haar zonderling en kinderlijk gesnap. Liefelijk was het te hooren, hoe het herdersmeisje met hare ernstige oogen van den woud- en herdersgod Pan vertelde, hoe zijn fluitspel uit de verte in de eenzame bergen weerklonk, hoe hij zich nu eens genadig, dan weer luimig toonde. Zij verhaalde ook van de Satyrs, met hunne bokspooten, die de wouden doorzwierven, niet alleen de Nimfen, maar ook de herdersmeisjes plagend vervolgden, en van éénen, die ook haar had nagezet, tot zij hem met een brandend houtverjoeg, dat zij uit een wachtvuur in het bosch had genomen; voorts van de Nimfen, die zich evenals de Satyrs in de wouden ophouden en die soms den mensch bij het maanlicht ontmoeten; wat echter een ongeluk is, want wie eene Nimf in het woud ziet, wordt met waanzin geslagen en is voor altijd verloren.

De ziel van het meisje was geheel vervuld van de wonderlijken sagen en sprookjes van haar Arcadisch geboorteland. Zij sprak van diepe poelen en huiveringwekkende bergkloven, van door de Goden gevloekte meren in het woud, in welker wateren geen visch kon leven, van holen, waarin booze geesten hunne schuilhoeken hadden, van merkwaardige heiligdommen van Pan op eenzame, sombere berghoogten. En hoe huiveringwekkender de verhalen van het meisje waren, des te wijder zette zij hare kinderlijk beangstigde oogen open.

„Op den Stymphalos,” zeide ze, „daar hangen onder het tempeldak de doode Stymphalische vogels, zooals de held Heracles14ze had geveld.[118]Mijn vader zelf heeft ze gezien. Achter in den tempel staan marmeren beelden van jonkvrouwen met vogelpooten. Die doode Stymphalische vogels zijn zoo groot als kraanvogels en zij vlogen op de menschen aan, toen zij nog leefden en verbrijzelden hun de hoofden met hunne snavels en aten hen dan op. Hunne snavels waren zoo sterk, dat zij zelfs koper daarmede konden doorbijten.”

Van de door de Goden vervloekte meren in het woud, waarin geen visch kon leven en waarin zelfs de vogels, die er toevallig over heen vlogen, dood neervielen, kwam zij op het verschrikkelijke water van den Styx, dat in de somberste bergkloof van Arcadië hoog van de woeste rotsen neerdruipt; en van de akelige wateren op de wilde dieren der bergwouden en de jachten, die de Arcadische mannen daarop maakten. Toen echter verloor haar oog de kinderlijk angstige uitdrukking en eene moedige ziel straalde uit haar blik. Zij verhaalde, hoe de herders, wanneer een roofdier in de nabijheid der hoeve zich ophield, menigen stormachtigen nacht onder den blooten hemel moesten doorbrengen, hoe men op grooten afstand schitterende vuren in de hoeven onderhield, hoe men het luide gebrul van het hongerige roofdier in de stilte des nachts van verre uit het woud kon hooren en hoe dan alles zich opmaakt om zijn spoor te vervolgen, of hoe men het in eene hinderlaag opwacht, en, wanneer het zijn sprong over den ringmuur van het erf wagen wil, men plotseling uit den schuilhoek op het dier losgaat met het werpen van speren en steenen en brandende houten, totdat het bezwijkt, overweldigd door de schaar zijner bespringers.

Pericles en Aspasia waren verrast over de uitdrukking van moed en belangstelling, die bij deze verhalen uit de blikken en gebaren van het herdersmeisje[119]sprak, in wier gemoed zooeven nog, buiten het bijgeloof en de verhalen en sprookjes van haar geboortegrond, voor niets anders ruimte scheen overgelaten.

„Het komt mij voor,” zeide Aspasia, „dat gij aan zulke gevechten niet ongaarne deel zoudt willen nemen.”

„O, dol graag!” riep het meisje. „Ik heb behalve dien boozen, overmoedigen Satyr ook reeds tweemaal een wolf, die mijn kudde wilde bespringen, met een brandend hout verjaagd.”

„Het meisje herinnert mij,” zeide Pericles tot Aspasia, „zooals zij in dit oogenblik voor ons staat, aan die beroemde dochter van het Arcadische land, Atalante15die, door haar vader als kind te vondeling gelegd, omdat hij geene dochters, alleen zonen wilde hebben, door eene berin gezoogd en door jagers opgevoed werd en vervolgens in de Arcadische wouden met speer en boog gewapend rondzwierf, een schrik der wilde dieren, een stoute, maagdelijke jageres, die van geen zachtere aandoening iets weten wilde.”

„Zijt gij altijd zoo alleen bij uwe lammeren?” vroeg Aspasia. „Is er niets, waar ge van houdt en wat ge altijd om u zoudt willen hebben?”

„Wel zeker!” riep Cora en zag de vraagster weder met die kinderlijk verbaasde uitdrukking harer oogen in het gelaat. „Ik houd veel van deze schildpad, met hare schrandere oogen, die mij altijd aankijkt en die misschien plotseling eens van gedaante verandert en met mij begint te spreken, want ik droom soms ’s nachts van haar en dan spreekt zij altijd. Ik houd ook veel van de lammeren; en ook die welbekende, ritselende boomen rondom mij heb ik lief en uren lang hoor ik naar hun geritsel. Ik houd ook van den zonneschijn; doch de op de bladeren kletterende regen is mij insgelijks lief, als mede de donder, die zoo statig[120]door het gebergte rolt. Ook van de vogels houd ik, zoowel de grootere, de adelaars en de kraanvogels, die hoog boven mijn hoofd vliegen, als van de kleinere die op de takken zingen. Het meest echter heb ik de verre bergen lief, vooral des avonds, als de ondergaande zon hen met eene rooskleurige tint overdekt, of in den nacht, als hunne toppen, terwijl alles stil, doodstil is, zoo rustig daar staan door het witte maanlicht omschenen.”

Pericles en Aspasia glimlachten. „Het schijnt, dat wij ons op nieuw hebben vergist,” zeide Pericles, „daar wij een herdersmeisje, dat van zoovele dingen houdt, onvatbaar hielden voor alle zachtere aandoeningen.”

Aspasia trok Pericles ter zijde en sprak:

„Wat voor oogen zou dit eenvoudig, Arcadische herdersmeisje opzetten, dat met de schildpad op den schoot zit en meent, dat het dier zich in een God zal herscheppen, wanneer men haar plotseling in Athene verplaatste! Hoe koddig zou zij zich aanstellen, als ik haar bij die beide, mij toevertrouwde meisjes bracht, die ik tot mij heb genomen en die men reeds in Athene mijne school begint te noemen!”

„Zij zou als een raaf onder de duiven zijn!” hernam Pericles.

Altijd weer opnieuw voelden zich beiden aangetrokken door het gekeuvel van het meisje, waarin een zonderlinge phantasie en eene even eigenaardige soort van gevoel zich openbaarden. Weldra echter begon Aspasia met de Arcadische van rol te verwisselen, daar zij van toehoorderes zelve ging vertellen. Zij begon het herdersmeisje van Athene te verhalen, tot Pericles haar verzocht een einde aan ’t gesprek te maken, daar hij gaarne had, dat zij met hem den ingeslagen weg vervolgde. Weldra verdwenen de wandelaars in het bosch. Het was middag geworden, de zon had de vochtigheid van den morgen opgetrokken en het struikgewas verwarmd en al zijne heerlijke geuren doen ontwikkelen. Op de open weiden in het woud[121]en in de houtspleten stonden hoog opgeschoten, bloeiende heesters, welker geuren vereenigd met de aroma’s van de boomhars de berglucht verkwikkend, ja bijna bedwelmd maakten. Van cicaden16wemelde het hout onder de brandende zon.

Toen de wandelaars in de eenzaamheid van het woud uitrustten, kropen ook naar hen de schildpadden toe, waarvan Cora zooveel hield; ook boven hunne hoofden vlogen de groote vogels en zongen de kleine in de takken; het ritselen der toppen, waarnaar Cora uren luisterde, ruischte over hen en Cora’s geliefde zonneschijn speelden om hen heen.

„Het diep geruisch dezer Arcadische wouden,” zei Pericles, „dat als van een oneindigen afstand schijnt te komen en zich in een oneindigen afstand weder verliest, vervult mij met eene zonderlinge huivering. Iets dergelijks heb ik nooit in mijn leven ondervonden. Ik heb nooit naar de stemmen van een woud geluisterd; onverschillig ben ik verschijnselen voorbij gegaan, die mij nu plotseling iets schijnen te willen zeggen. Zie ginds eens dien fijnen, in de zon schitterenden draad, die van den top van den haverhalm tot aan de bloem van dat blauwe klokje gespannen is: hebt gij wel eens het wonderfijne, zilveren weefsel der spin met aandacht beschouwd? Dit Arcadische meisje leert ons, dat men ook dingen beschouwen kan en liefkrijgen, die men gewoonlijk ter nauwernood opmerkt en die men onbewust geniet, zonder dat men er dankbaar voor is, evenals men ademhaalt.”

„Uw gemoed, dierbare Pericles,” hernam Aspasia, „is naar ’t schijnt, zeer ontvankelijk voor nieuwe indrukken. Thans heeft een Arcadisch herderskind u eene geheel nieuwe en ongewone liefde ingeboezemd, eene liefde voor boomen en drijvende wolken en hoog vliegende vogels, en de geur der Arcadische bergkruiden, schijnt u wellicht reeds[122]welriekender, dan die van alle rozenpriëelen van Milete!”

„Gij zult toch toe moeten geven,” hervatte Pericles, „dat deze geurige woudlucht het hart verkwikt en dat daarentegen de bedwelmende geur der rozen de geestkracht van den mensch ten laatste verslapt. Inderdaad, ik voel mij hier door den adem van een vernieuwd leven bezield. Toen wij eens op de Acropolis in de Pangrot stonden en gij over den herdersgod den neus ophaaldet, vermoedden wij niet, dat deze God ons later eens zoo vriendelijk te gast nooden, zoo heerlijk onthalen zou. Vreedzaam geluk omgeeft ons hier, en wanneer ik mij in den geest uit deze voorwereldlijke stilte in het woelig Athene terug verplaats, dan schijnt mij het onstuimig jagen en drijven dier menschen schier ijdel, tegenover de goddelijke rust dezer herders op hunne eenzame bergen.”

„Ik deel maar ten halve uwe ingenomenheid met de genietingen, die de gastvrijheid van den herdersgod ons hier bereidt,” zeide Aspasia. „Deze menschen zijn plomp en eenvoudig, de verre sneeuwkruinen doen mij huiveren en het gebergte in de nabijheid beangstigt mij, als zou het mij onder zijne toppen bedelven. Het ernstig, eentonig ruischen van die hooge, rijzige dennen doet mij onaangenaam aan, en schijnt mij juist geschikt om in het menschelijk gemoed een somber, naargeestig en dweepend gevoel aan te kweeken. Ik voor mij bemin zonnige dreven, bloeiende velden, stranden met een ruim gezicht op zee. Ik verkies die oorden, waar de van vernuft tintelende geest zich in schoone rijpheid ontwikkelt. Gij zoudt, dunkt mij, gaarne bij deze herders willen achterblijven; ik daarentegen zou ze allen wel van hier willen wegvoeren, om ze tot menschen te vormen. Welaan, doe, zooals Apollo deed, wien het insgelijks eens behaagde zich onder de herders te begeven en kudden te weiden17. Blijf hier! Gij kunt dan als[123]eene cicade leven: wijs, zonder leed en bloed. En lust het u soms nog nuttig werkzaam te zijn, dan kunt ge krekelvallen vlechten of lijmstokken behendig tusschen de boomtakken steken, om vogels te vangen, of met steenen door den slinger geworpen, de spreeuwen en kraanvogels van de zaadvelden verjagen. Of gij kunt de lammeren van Cora hoeden, die mij naar Athene zal vergezellen.”

Pericles glimlachte. „Denkt gij dus inderdaad,” zeide hij, „Cora met u te nemen?”

„Wel zeker, denk ik dat te doen!” hernam Aspasia, „en ik hoop, dat gij uwe toestemming daartoe niet weigeren zult.”

Pericles was verrast. „Mijne toestemming,” zei hij, „zal u niet geweigerd worden, maar welke bedoeling hebt gij daarmede?”

„’t Is louter eene aardigheid,” antwoordde Aspasia. „Dit Arcadische meisje zal mij gewis vermaken. Ze doet mij lachen, als ik in hare groote, ronde, angstig rondkijkende oogen zie.”

’t Was, zooals Aspasia zeide: zij wilde zich met dat meisje vermaken, zij wilde er genoegen in scheppen te zien, hoe zonderling het bijgeloovig, onervaren herderskind zich gedragen zou, wanneer men het plotseling in het oververfijnde Athene verplaatste.

De ziekte van een zijner slaven noodzaakte Pericles nog een tweeden dag de gast van den herder te blijven.

Ook dezen dag bracht het Atheensche paar meest in het gezelschap van het bruine herdersmeisje door. Weder snapte Cora, verteldeherdersgeschiedenissen, ja zij zong zelfs eenige zonderlinge, kinderlijke liederen, die zij zelve gemaakt had, zooals het volgende:

Het beekje komt van ’t rotsgebergt’En stort zich in het woud;Er grazen reeën in het dal,Het lachend ze aanschouwt.[124]’t Besprenkelt bloem en blad met dauwEn lescht der dieren dorst,En komt de barre winter aan,Wordt het met ijs omkorst.

Het beekje komt van ’t rotsgebergt’En stort zich in het woud;Er grazen reeën in het dal,Het lachend ze aanschouwt.

Het beekje komt van ’t rotsgebergt’

En stort zich in het woud;

Er grazen reeën in het dal,

Het lachend ze aanschouwt.

[124]

’t Besprenkelt bloem en blad met dauwEn lescht der dieren dorst,En komt de barre winter aan,Wordt het met ijs omkorst.

’t Besprenkelt bloem en blad met dauw

En lescht der dieren dorst,

En komt de barre winter aan,

Wordt het met ijs omkorst.

Zij vertelde ook van den verliefden Daphnis18, die van zwaarmoedigheid en verlangen wegkwijnde en dien daarna alle dieren betreurden. Dit droevig verhaal beviel echter aan Aspasia niet: zij luisterde er naar met een spottenden glimlach om de rozelippen en teekenen van afkeuring …

Toen zij voortwandelende aan eene bron kwamen, door sappige kruiden omgeven, waaruit een kristalhelder beekje gevormd werd, en Aspasia zich daarin wilde spiegelen trok Cora haar angstig terug en waarschuwde haar, zeggende, dat iemand, die zich in eene bron spiegelt, somwijlen plotseling een ander beeld dan het zijne daarin ziet, namelijk dat van eene Nimf, die hem uitlacht, en dan was hij verloren.

Toen de zon in het zenith stond en de toon eener syrinx in de broeiende middagstilte vernomen werd, zei Cora: „Pan zal weder boos worden; hij wil niet, dat men hem op den middag, als hij rust, door syrinxen of andere geluiden uit zijne sluimering zal wekken.”—De muziek echter kwam van den herdersknaap, die den vorigen dag, op Pericles’ en Aspasia’s verzoek, een landelijken dans had uitgevoerd. Wel wist de knaap, dat Pan van den klank der syrinx in het middaguur niet hield; maar hij bespeelde altijd de syrinx, als hij bemerkte, dat Cora in de nabijheid was, omdat hij meende haar daarmede genoegen te doen. Cora echter berispte den armen jongen. En toch had zij een week gemoed. Zij redde voor Pericles’ en Aspasia’s oogen een cicade die zich in het web eener spin verward had.

Ernstig en aandachtig luisterde het meisje weder, toen Aspasia haar opnieuw van Athene begon te vertellen.[125]

Met opzet schilderde Aspasia in de gesprekken, die zij met Cora nog in den loop van den dag hield, het leven in de stad der Atheners in verleidelijke kleuren. Zij verstoorde den vrede dezer idyllische natuur, zij verwekte een wanklank in de harmonische wereld van dit kinderlijk hart. Eindelijk vroeg zij Cora of zij met haar naar Athene wilde gaan. Het herdersmeisje zweeg, maar scheen in diepe gedachten verzonken.

Aspasia wendde zich tot de ouders van Cora en verklaarde hun, dat zij Cora gaarne met zich mede naar Athene wilde nemen, en hunne dochter daar een gelukkig lot zou verbeiden.

„Dat mogen de Goden geven!” zei de eerlijke herder. „Dat mogen de Goden geven!” herhaalde de herderin. Maar zij zeiden niet ja.—En zoo dikwijls Aspasia de vraag om hunne toestemming herhaalde, zeiden beiden altijd dit ééne:

„Dat mogen de Goden geven!”

Men zag, dat het aan het vaderlijk en moederlijk hart zwaar viel, hun eenig kind, zij het ook voor het gelukkigst lot, van zich te laten gaan.

Aan den avond van dienzelfden dag werd Cora plotseling gemist, nadat zij toch met hare lammerenkudde reeds naar huis was teruggekeerd en langen tijd werd zij te vergeefs gezocht. Eindelijk zagen Pericles en Aspasia, niet verre van den ingang van het hof staande, het meisje de helling afkomen. Maar zij kwam in zeer zonderlinge houding. Zij had namelijk de handen stijf tegen de ooren gedrukt. Op eenigen afstand van Pericles en Aspasia stonden, buiten de hoeve, de slaven van Pericles in eene groep bijeen. Toen het meisje deze groep genaderd was, nam zij plotseling de handen van de ooren weg en scheen naar de woorden der slaven, die onder elkander praatten, te luisteren. Bijna op hetzelfde oogenblik scheen zij te ontstellen, drukte de hand tegen de borst en bleef een oogenblik als in den grond geworteld staan. Pericles en Aspasia gingen naar haar toe en vroegen naar de oorzaak van hare ontsteltenis.[126]

„Ik heb Pan gevraagd,” antwoordde zij, „of de Goden wilden, dat ik met u naar Athene zou gaan.”

„Hoe dan?” vroegen beiden.

„Ginds onder in het dal,” zeide het meisje, „ligt eene grot, aan Pan geheiligd. Daar staat het beeld van den God, uit eikenhout gesneden, in de spelonk. Derwaarts begeven zich alle herders, als zij iets geheimzinnigs te vragen hebben. Men fluistert den God de vraag stil in het oor, houdt vervolgens zijne eigene ooren met de handen dicht, totdat men onder menschen komt, die juist met elkander spreken. Dan trekt men de handen plotseling weg en het eerste woord, dat men verneemt, is de orakelspreuk van Pan, het antwoord van den God op de vraag, die men hem in het oor heeft gefluisterd.”

„En welk woord hebt gij het eerst onder die slaven gehoord?” vroeg Aspasia.

„Het woord Athene!” hernam Cora en beefde daarbij van aandoening.

„Pan wil derhalve, dat ik naar Athene ga,” vervolgde zij zuchtend.

„Hij staat u toe uwe lievelings-schildpad mede te nemen,” zei Aspasia glimlachend.

De ouders van Cora kwamen nader.

„Pan wil, dat ik naar Athene zal gaan,” zei het meisje op treurigen, maar beslisten toon. En zij deed nog eens het verhaal, hoe zij in de grot van Pan zijn orakel had geraadpleegd.

De herder en zijn vrouw luisterden naar hare mededeeling, zagen elkander ontroerd aan en herhaalden toen, op niet minder treurigen toon dan het meisje, de woorden:

„Pan wil, dat Cora met de vreemdelingen naar Athene zal gaan!”—

Toen gingen zij naar hun weenend kind, drukten het in hunne armen en kusten het.

„Cora zal beloond worden voor hare gehoorzaamheid aan den God,” zei Aspasia. „Zij zal dikwijls boden zenden, die u berichten en geschenken van[127]haar zullen brengen en als gij oud zijt geworden, zal zij u bij zich noodigen, om het overige uwer dagen rustig bij haar te slijten.”

„Gisteren reeds wedervoer ons een voorteeken in ons huis,” zei de herder ernstig, „doordien eene slang die het nest eener zwaluw onder de kroonlijst wilde besluipen, door het rookgat midden op den haard naar beneden is gevallen.”

Aspasia sprak nog eenigen tijd met het herderspaar, om het te bemoedigen en te troosten, en zwijgend, schoon met gebroken hart, voegde het zich in den wil van den God.

Treurig weerklonk in de verte de syrinx van den verliefden herdersknaap, terwijl hij in de schaduwen der stille paden van het landelijk erf ronddoolde.

Nu gingen allen te zamen in de hoeve, om daar den nacht door te brengen, die voor Pericles en Aspasia de laatste was in de Arcadische bergen. Want met het krieken van den morgen waren zij voornemens op te breken en hunne reis naar Elis voort te zetten, waar grootere dingen hen verbeidden dan hier in het stille herdersland.

1Arcadië is een landschap in het midden van de Peloponnesus (Moréa) gelegen.↑2De Peloponnesus.↑3De landengte tusschen Hellas en de Peloponnesus, ook die van Corinthe geheeten. In het algemeen iedere landengte.↑4De Styx is eene ijskoude, vergiftigde bron in Arcadië, ook eene rivier in de onderwereld.↑5Sinis, volgens anderen Sinnis, bond de reizigers, die hij in zijne macht kreeg, aan samengebogen boomen en liet hen zoo van een scheuren. Hij werd door Theseus gedood.↑6De „Zeven Vorsten”, die op verzoek van Polynices, den zoon van Oedipus tegen Thebe optrokken om hem, die door zijn broeder Eteocles verdreven was, weder op den troon te plaatsen waren: Adrastus, Amphiaraüs, Hippomedon, Capaneus, Parthenopaeüs en Tydeus; Polynices wordt als zevende genoemd.Aeschylusheeft die stof dichterlijk behandeld.↑7Bij Homerus alzoo genoemd.↑8De Atriden d.i. zonen van Atreus, waren Agamemnon, koning van Mycenae en Menelaüs van Sparta.↑9In het eerste boek der Ilias wordt de toorn van Achilles beschreven; Agamemnon heeft hem zijne schoone slavin Briseïs ontvoerd, omdat hij zijne eigene, Chryseïs,op last van Apollo, bij monde van den priester Calchas overgebracht, aan haar vader Chryses heeft moeten teruggeven. Daarom is Achilles vertoornd en kan noch door gebeden noch door geloften er toe gebracht worden, om weder aan den strijd, waaraan hij zich onttrokken heeft, deel te nemen. Alleen de dood van zijn boezemvriend Patroclus, door Hector geveld, ontvlamt hem weder tot den strijd.↑10„Pan”.↑11Het Grieksche pelagos beteekent: „zee”.↑12Cora (in het Grieksch Kora) beteekent: meisje.↑13De syrinx is eigenlijk iedere pijp, de pijpfluit, die uit verscheidene naast elkander vereenigde en trapsgewijze afnemende pijpen, ongelijk van dikte en lengte, bestaat: de herders- of Pans-fluit.↑14Het dooden der Stymphalische vogels was een der twaalf werken, Heracles (Hercules) door zijn broeder Eurystheus opgelegd. Door Hera met waanzin geslagen had Heracles zijne drie kinderen, bij Megara, dochter van den Thebaanschen koning[118]Creon verwekt, gedood, en moest, op last van den Delphischen God, als boete volbrengen wat Eurystheus hem zou opleggen. Het meer, waarom die vogels met koperen vleugels, bek en klauwen, zwierven heette Stymphalis; Stymphalos is de naam van een berg in Arcadië. De vogels zelve worden Stymphaliden genoemd.↑15Atalantewas de dochter van Iasus en Clymene en werd op den berg Parthenius te vondeling gelegd. Zij nam deel aan denArgonautentochten de jacht op het Calydonische zwijn. Later werd zij aan hare ouders teruggegeven.↑16Krekels. In het Latijn heet een krekel cicada, wellicht ware het meer consequent geweest, zoo de schrijver tettix, het Grieksche woord daarvoor, gebezigd had.↑17Apollo weidde de runderen van Admetus, koning van Pherae in Thessalië.↑18Volgens de mythe een zoon van Hermes en eene Nimf.↑

1Arcadië is een landschap in het midden van de Peloponnesus (Moréa) gelegen.↑2De Peloponnesus.↑3De landengte tusschen Hellas en de Peloponnesus, ook die van Corinthe geheeten. In het algemeen iedere landengte.↑4De Styx is eene ijskoude, vergiftigde bron in Arcadië, ook eene rivier in de onderwereld.↑5Sinis, volgens anderen Sinnis, bond de reizigers, die hij in zijne macht kreeg, aan samengebogen boomen en liet hen zoo van een scheuren. Hij werd door Theseus gedood.↑6De „Zeven Vorsten”, die op verzoek van Polynices, den zoon van Oedipus tegen Thebe optrokken om hem, die door zijn broeder Eteocles verdreven was, weder op den troon te plaatsen waren: Adrastus, Amphiaraüs, Hippomedon, Capaneus, Parthenopaeüs en Tydeus; Polynices wordt als zevende genoemd.Aeschylusheeft die stof dichterlijk behandeld.↑7Bij Homerus alzoo genoemd.↑8De Atriden d.i. zonen van Atreus, waren Agamemnon, koning van Mycenae en Menelaüs van Sparta.↑9In het eerste boek der Ilias wordt de toorn van Achilles beschreven; Agamemnon heeft hem zijne schoone slavin Briseïs ontvoerd, omdat hij zijne eigene, Chryseïs,op last van Apollo, bij monde van den priester Calchas overgebracht, aan haar vader Chryses heeft moeten teruggeven. Daarom is Achilles vertoornd en kan noch door gebeden noch door geloften er toe gebracht worden, om weder aan den strijd, waaraan hij zich onttrokken heeft, deel te nemen. Alleen de dood van zijn boezemvriend Patroclus, door Hector geveld, ontvlamt hem weder tot den strijd.↑10„Pan”.↑11Het Grieksche pelagos beteekent: „zee”.↑12Cora (in het Grieksch Kora) beteekent: meisje.↑13De syrinx is eigenlijk iedere pijp, de pijpfluit, die uit verscheidene naast elkander vereenigde en trapsgewijze afnemende pijpen, ongelijk van dikte en lengte, bestaat: de herders- of Pans-fluit.↑14Het dooden der Stymphalische vogels was een der twaalf werken, Heracles (Hercules) door zijn broeder Eurystheus opgelegd. Door Hera met waanzin geslagen had Heracles zijne drie kinderen, bij Megara, dochter van den Thebaanschen koning[118]Creon verwekt, gedood, en moest, op last van den Delphischen God, als boete volbrengen wat Eurystheus hem zou opleggen. Het meer, waarom die vogels met koperen vleugels, bek en klauwen, zwierven heette Stymphalis; Stymphalos is de naam van een berg in Arcadië. De vogels zelve worden Stymphaliden genoemd.↑15Atalantewas de dochter van Iasus en Clymene en werd op den berg Parthenius te vondeling gelegd. Zij nam deel aan denArgonautentochten de jacht op het Calydonische zwijn. Later werd zij aan hare ouders teruggegeven.↑16Krekels. In het Latijn heet een krekel cicada, wellicht ware het meer consequent geweest, zoo de schrijver tettix, het Grieksche woord daarvoor, gebezigd had.↑17Apollo weidde de runderen van Admetus, koning van Pherae in Thessalië.↑18Volgens de mythe een zoon van Hermes en eene Nimf.↑

1Arcadië is een landschap in het midden van de Peloponnesus (Moréa) gelegen.↑

1Arcadië is een landschap in het midden van de Peloponnesus (Moréa) gelegen.↑

2De Peloponnesus.↑

2De Peloponnesus.↑

3De landengte tusschen Hellas en de Peloponnesus, ook die van Corinthe geheeten. In het algemeen iedere landengte.↑

3De landengte tusschen Hellas en de Peloponnesus, ook die van Corinthe geheeten. In het algemeen iedere landengte.↑

4De Styx is eene ijskoude, vergiftigde bron in Arcadië, ook eene rivier in de onderwereld.↑

4De Styx is eene ijskoude, vergiftigde bron in Arcadië, ook eene rivier in de onderwereld.↑

5Sinis, volgens anderen Sinnis, bond de reizigers, die hij in zijne macht kreeg, aan samengebogen boomen en liet hen zoo van een scheuren. Hij werd door Theseus gedood.↑

5Sinis, volgens anderen Sinnis, bond de reizigers, die hij in zijne macht kreeg, aan samengebogen boomen en liet hen zoo van een scheuren. Hij werd door Theseus gedood.↑

6De „Zeven Vorsten”, die op verzoek van Polynices, den zoon van Oedipus tegen Thebe optrokken om hem, die door zijn broeder Eteocles verdreven was, weder op den troon te plaatsen waren: Adrastus, Amphiaraüs, Hippomedon, Capaneus, Parthenopaeüs en Tydeus; Polynices wordt als zevende genoemd.Aeschylusheeft die stof dichterlijk behandeld.↑

6De „Zeven Vorsten”, die op verzoek van Polynices, den zoon van Oedipus tegen Thebe optrokken om hem, die door zijn broeder Eteocles verdreven was, weder op den troon te plaatsen waren: Adrastus, Amphiaraüs, Hippomedon, Capaneus, Parthenopaeüs en Tydeus; Polynices wordt als zevende genoemd.Aeschylusheeft die stof dichterlijk behandeld.↑

7Bij Homerus alzoo genoemd.↑

7Bij Homerus alzoo genoemd.↑

8De Atriden d.i. zonen van Atreus, waren Agamemnon, koning van Mycenae en Menelaüs van Sparta.↑

8De Atriden d.i. zonen van Atreus, waren Agamemnon, koning van Mycenae en Menelaüs van Sparta.↑

9In het eerste boek der Ilias wordt de toorn van Achilles beschreven; Agamemnon heeft hem zijne schoone slavin Briseïs ontvoerd, omdat hij zijne eigene, Chryseïs,op last van Apollo, bij monde van den priester Calchas overgebracht, aan haar vader Chryses heeft moeten teruggeven. Daarom is Achilles vertoornd en kan noch door gebeden noch door geloften er toe gebracht worden, om weder aan den strijd, waaraan hij zich onttrokken heeft, deel te nemen. Alleen de dood van zijn boezemvriend Patroclus, door Hector geveld, ontvlamt hem weder tot den strijd.↑

9In het eerste boek der Ilias wordt de toorn van Achilles beschreven; Agamemnon heeft hem zijne schoone slavin Briseïs ontvoerd, omdat hij zijne eigene, Chryseïs,op last van Apollo, bij monde van den priester Calchas overgebracht, aan haar vader Chryses heeft moeten teruggeven. Daarom is Achilles vertoornd en kan noch door gebeden noch door geloften er toe gebracht worden, om weder aan den strijd, waaraan hij zich onttrokken heeft, deel te nemen. Alleen de dood van zijn boezemvriend Patroclus, door Hector geveld, ontvlamt hem weder tot den strijd.↑

10„Pan”.↑

10„Pan”.↑

11Het Grieksche pelagos beteekent: „zee”.↑

11Het Grieksche pelagos beteekent: „zee”.↑

12Cora (in het Grieksch Kora) beteekent: meisje.↑

12Cora (in het Grieksch Kora) beteekent: meisje.↑

13De syrinx is eigenlijk iedere pijp, de pijpfluit, die uit verscheidene naast elkander vereenigde en trapsgewijze afnemende pijpen, ongelijk van dikte en lengte, bestaat: de herders- of Pans-fluit.↑

13De syrinx is eigenlijk iedere pijp, de pijpfluit, die uit verscheidene naast elkander vereenigde en trapsgewijze afnemende pijpen, ongelijk van dikte en lengte, bestaat: de herders- of Pans-fluit.↑

14Het dooden der Stymphalische vogels was een der twaalf werken, Heracles (Hercules) door zijn broeder Eurystheus opgelegd. Door Hera met waanzin geslagen had Heracles zijne drie kinderen, bij Megara, dochter van den Thebaanschen koning[118]Creon verwekt, gedood, en moest, op last van den Delphischen God, als boete volbrengen wat Eurystheus hem zou opleggen. Het meer, waarom die vogels met koperen vleugels, bek en klauwen, zwierven heette Stymphalis; Stymphalos is de naam van een berg in Arcadië. De vogels zelve worden Stymphaliden genoemd.↑

14Het dooden der Stymphalische vogels was een der twaalf werken, Heracles (Hercules) door zijn broeder Eurystheus opgelegd. Door Hera met waanzin geslagen had Heracles zijne drie kinderen, bij Megara, dochter van den Thebaanschen koning[118]Creon verwekt, gedood, en moest, op last van den Delphischen God, als boete volbrengen wat Eurystheus hem zou opleggen. Het meer, waarom die vogels met koperen vleugels, bek en klauwen, zwierven heette Stymphalis; Stymphalos is de naam van een berg in Arcadië. De vogels zelve worden Stymphaliden genoemd.↑

15Atalantewas de dochter van Iasus en Clymene en werd op den berg Parthenius te vondeling gelegd. Zij nam deel aan denArgonautentochten de jacht op het Calydonische zwijn. Later werd zij aan hare ouders teruggegeven.↑

15Atalantewas de dochter van Iasus en Clymene en werd op den berg Parthenius te vondeling gelegd. Zij nam deel aan denArgonautentochten de jacht op het Calydonische zwijn. Later werd zij aan hare ouders teruggegeven.↑

16Krekels. In het Latijn heet een krekel cicada, wellicht ware het meer consequent geweest, zoo de schrijver tettix, het Grieksche woord daarvoor, gebezigd had.↑

16Krekels. In het Latijn heet een krekel cicada, wellicht ware het meer consequent geweest, zoo de schrijver tettix, het Grieksche woord daarvoor, gebezigd had.↑

17Apollo weidde de runderen van Admetus, koning van Pherae in Thessalië.↑

17Apollo weidde de runderen van Admetus, koning van Pherae in Thessalië.↑

18Volgens de mythe een zoon van Hermes en eene Nimf.↑

18Volgens de mythe een zoon van Hermes en eene Nimf.↑


Back to IndexNext