XVIII.

[Inhoud]XVIII.DE NIEUWE GOD EN ZIJN BLIKSEMSCHICHT.Niet om de Olympische wedloopers naar den eindpaal te zien vliegen, niet om de worstelaars en vuistvechters in het zand te zien bijten, niet om de duizendvoudige bijvalskreten van het volk der Hellenen te hooren, waarmede zij de overwinnaars in den wedloop, in het worstel- en vuistgevecht, in het springen, in het werpen met speer en schijf, in den wapenloop begroetten, waren Pericles en Aspasia naar Elis gekomen. Hunne harten verlangden vurig naar hun vriend Phidias, toen zij in den[128]glans van een heerlijken morgen de gevierde, door de wateren van den heiligen Alpheüs doorsneden dalvlakte van Olympia bereikten. Alle wegen, die van de Arcadische bergen of uit het zuiden van de Peloponnesus over Messenië of van het noorden over Achaëe naar het Elische strand voerden, boven alles echter de zoogenaamde heilige feestweg, die langs den Alpheüs liep, wemelden van wandelaars; ook over de golven der westelijke zee in de nabijheid zagen zij de bekranste schepen van Italië’s en Sicilië’s kusten naderen.Weldra bevonden zij zich in het gewoel van de karavanen der feestgezantschappen, die zich naar het Pisatische strijdperk begaven; geen enkele Helleensche staat van eenig belang had verzuimd zulk een gezantschap te zenden. Waar zulk eene karavaan op den weg kwam, drong zich de stroom der overige pelgrims te voet en met rijtuig opeen en allen staarden verbaasd den stoet aan en hen, die in prachtgewaad, bekranst op den bekransten wagen zaten en den wagen zelven die niet zelden met schilderwerk versierd, verguld en met tapijten behangen was, ook de heerlijke offerdieren, het kostbare offergereedschap, het talrijke geleide.Niet verre van de standplaats der tenten en winkels, ongeveer tegenover den ingang van het woud, bevond zich eene groote beeldhouwerswerkplaats. Ze was sedert jaren die van den vermaarden Phidias; hier voltooide hij gemeenschappelijk met Alcamenes en andere zijner leerlingen in de eenzaamheid der Elische vallei, wier rust alleen om de vier jaar door het Olympische feestgewoel werd verstoord, het grootste en diepzinnigste zijner beelden. De drukte van het vroolijke Athene ontvloden, vrij van alle invloeden, die de vlucht zijner gedachten met bloemenketenen naar de aarde zouden willen trekken, schiep hij hier in de eenzaamheid, door de berglucht verkwikt, onder het geklater van den heiligen stroom, zijn Olympischen Zeus.[129]Uit de werkplaats van Phidias ziet men twee mannen komen en den oever van den Alpheüs stroomopwaarts bewandelen.In een van deze mannen herkennen wij den vurigen Alcamenes. Zijn makker is de beroemde Polycletus van Argos, door zijn marmeren en metalen beelden met den Athener wedijverend, maar, met den kalmen en rustigen geest van den Peloponnesiër, het menschelijke als zoodanig rein trachtende op te vatten, en boven alles het mannelijke, ’t welk hij het liefst in standbeelden van athleten uitdrukte. Zijne school was Olympia: hier oefende en volmaakte hij zijn oog en geest aan de levende omtrekken van een harmonischen, krachtigen lichaamsbouw.Het verschil van richting in hunne kunst verwijderde, zij ’t ook schier onbewust, Phidias en zijn Argivischen mededinger. Terwijl de Athener geloofde, dat de eenvoudige kunst van den Argiver te hoog werd aangeslagen, vond deze zich heimelijk gegriefd, dat men hem, den Peloponnesischen kunstenaar, voorbij was gegaan en den Athener met zijne leerlingen geroepen had, om het grootste en verhevendste kunstwerk op Peloponnesischen bodem te voltooien. Dit was een dier Atheensche triomfen, welke Aspasia Pericles had voorspeld, toen zij hem zocht te bewijzen, dat een staat door de beoefening van het schoone zijne mededingers kon overvleugelen …Zoo was Polycletus gedurende zijn oponthoud te Olympia verstoken van den omgang met Phidias en zijne jongeren, met uitzondering van Alcamenes, wiens openhartig, vroolijk en levendig karakter zich gaarne over kleinigheden heen zette en die dan ook zooeven, bij eene toevallige ontmoeting, een onbevangen gesprek met zijn Argivischen kunstbroeder had aangeknoopt.Polycletus, een ernstig, verstandig man, die met Phidias en zijne school zonder eenigehartstochtelijkebitterheid naar den eerepalm dong, vroeg naar Agoracritus, daar hij zich verwonderde waarom[130]deze zijn meester niet gevolgd was, om evenals op de Acropolis te Athene, ook hier aan zijne zijde het roemvol werk te helpen voltooien.„Te recht verwondert gij u,” zei Alcamenes, „dat juist de geliefdste leerling van den meester hier ontbreekt, terwijl ik—die sedert de overwinning, welke ik met mijne Aphrodite op hem behaald heb, mij nauwelijks meer op de persoonlijke genegenheid van den meester mag beroemen—deze toch herwaarts gevolgd heb en voortga aan zijne zijde te arbeiden. Nu, als men samen leven en werken zal, komt het er niet zoozeer op aan of men elkander meer of minder liefheeft, als wel daarop of men een gemakkelijk karakter bezit. Ik voor mij zou den omgang met Agoracritus, hoewel hij geweldig op mij gebeten is, best kunnen uithouden; doch hij kan dit niet; en alleen om mijn gehaat gezicht niet meer te zien, is hij sedert de voltooiing van het Parthenon heengegaan. Hij heeft intusschen op zich genomen, een Zeus, die Coronea1hem heeft opgedragen, te vervaardigen. Maar evenals hij des tijds, toen hij zich voorgenomen had eene Aphrodite te beitelen, eene Nemesis schiep, zoo hield men zijn Zeus, toen deze daar voltooid stond, voor een God der onderwereld. Zoo verdiept hij zich altijd in het sombere, en daar mijne kunst steeds eene tegenovergestelde richting heeft gevolgd, zijn wij allengs zulke tegenvoeters geworden, dat wij volstrekt niet meer in staat zijn aan de uitvoering van hetzelfde ontwerp met elkander te arbeiden.”„Uw levendige geest, Alcamenes,” hernam Polycletus, „doet u zulke groote vorderingen in de kunst maken, dat uwe makkers u niet gemakkelijk kunnen volgen.”„Ik kan mij hier vrijer bewegen, dan bij de werken op de Acropolis te Athene,” zei Alcamenes. „Daar moest in alles, naar een vast plan van[131]den meester, eene volstrekte eenheid heerschen; hier liet hij mij en Paeönius, naar vrije verkiezing, de uiterlijke versiering des tempels over; hij zelf echter bleef geheel en al verdiept in gepeinzen over zijn Olympischen beheerscher der Goden.”Toen Alcamenes deze woorden gesproken had, bleven zijne oogen plotseling gevestigd op een verwijderd punt in ’t gedrang van hen, die zich langs den oever van den Alpheüs bewogen. ’t Scheen, dat hij daar iemand had herkend en zijn geheele wezen begon eene ongewone aandoening te verraden. Hij keerde zich tot Polycletus en zeide:„Ziet gij ginds dien statigen en eerwaardigen man, die aan de zijde van eene dichtgesluierde vrouw van bekoorlijke gestalte zich in ’t gewoel een weg zoekt te banen? Het is Pericles uit Athene, vergezeld van zijne gade, de schoone Milesische Aspasia.”„Ja waarlijk,” antwoordde Polycletus. „Ik herken Pericles; ik heb hem vóór jaren in Athene gezien. Maar die schoone vrouw is mij geheel vreemd.”„Eene even gevaarlijke en sluwe, als schoone vrouw,” hervatte Alcamenes. „Men kan haar niet beminnen zonder haar te haten, en niet haten, zonder haar te beminnen.”Toen Pericles en Aspasia Alcamenes zagen, en bij hem Polycletus, en het Atheensche paar genaderd was en de beide beeldhouwers elkander hartelijk hadden begroet, vroeg Pericles aanstonds naar Phidias.„Wij zijn,” zeide hij, „gisteren avond laat te Olympia aangekomen, niet om de spelen bij te wonen, die voor mij de bekoorlijkheid der nieuwheid al lang verloren hebben en die mijne gade, als vrouw, niet mag zien, maar alleen om Phidias en zijn God, van wien men thans reeds met den grootsten lof gewaagt. Nu zijn wij juist voornemens den meester op te gaan zoeken en gij, Alcamenes, zult ons ongetwijfeld gaarne begeleiden.”„Hij bevindt zich in het heilige woud,” hernam Alcamenes, „in den pas voltooiden tempel van[132]Zeus. Hij heeft zich daar met zijne medearbeiders opgesloten en wil niemand bij zich toelaten, deels om niet in zijn werk gestoord te worden, deels om zijn gewrocht niet eerder aan de oogen der menschen bloot te stellen, vóór het op de bestemde plaats en in al zijne heerlijkheid voor hen staat. Eerst na den afloop der spelen zal de tempel geopend worden. Hoe onverbiddelijk de afgetrokken en schier menschenschuwe man allen ook van zich weert, zoo wil ik toch beproeven, in den afgezonderden tempel tot hem door te dringen en hem gasten aan te kondigen, die hij ongetwijfeld met groote vreugde zal ontvangen.”„Neen, Alcamenes, doe dat niet,” zei Pericles, „ook door ons moet Phidias niet in zijn arbeid gestoord worden en ook van ons zal hij begeeren, dat wij zijn werk niet dan in den vollen luister zullen zien. Wij zullen een weinig geduld oefenen. Doch de feestelijke opening van den tempel denk ik niet met Aspasia af te wachten. Niet in ’t gedrang van tallooze Hellenen zouden wij dat gezicht voor het eerst willen genieten. Ik hoop ten minste, dat Phidias ons één dag van te voren in de zalen van den nog eenzamen tempel zal toelaten en ons vergunnen zijn volkomen afgewerkt godenbeeld in stilte te beschouwen.”„Gij zult, Pericles,” hernam Alcamenes, „zeker hierdoor een vurigen wensch van den meester zelven vervullen. Wilt gij derhalve Phidias voor het oogenblik in zijn tempel ongestoord laten, stel u dan te vreden met mij en den wakkeren Polycletus, die op den bodem van Olympia beter te huis is dan nauwelijks eenig Helleen, en wiens metalen of marmeren beeld ginds tusschen het loof der platanen en olijfboomen van het heilige woud u toeblinken.”Onder vriendelijke dankbetuiging namen Pericles en Aspasia het geleide der beide groote kunstenaars aan.Zij wandelden samen door het onafzienbare gewoel op de groote, vrije ruimte, die zich uitstrekte[133]tusschen den schaduwrijken oever van den Alpheüs en het heilige woud Altis, waar de nieuwe feesttempel van den Olympischen Zeus zich verhief, te midden van eene menigte metalen en marmeren beelden.Zij gingen langs de huizen, bestemd voor de tallooze personen, die tot den dienst van den tempel behoorden, langs de herbergen, die op verre na niet voldoende waren voor de vreemdelingen, langs de ruimten waar de strijdwagens bewaard werden, langs de stallen, waarin de edele rossen en muildieren hinnikten. Het grootste deel van het saamgestroomde volk zagen zij in de open lucht onder tenten gelegerd.Na weinige schreden trof hun blik de prachtige tent van het feestgezantschap uit Sicyon, iets verder die van Corinthe, vervolgens die van Argos, Samos, Rhodos en andere. Om deze tenten heerschte een groote drukte, vooral van hen die landgenooten waren van de verschillende gezanten. Dan klonk het: deze hier is de prachtige tent van den rijken Periander uit Chios, die van den vermogenden Euphorides uit Orchomenus2, gene van den rijken Pauson van Eretria. De bewoners der tenten stonden aan den ingang, druk en met levendige gebaren zich onderhoudend; zij groetten hunne vrienden en noodigden hen uit, onder de schaduw van hun purperen tent te komen uitrusten. Vreemde, door de zon gebruinde jongelingen naderden hen en trachtten met de helft van gebroken ringen, wier andere helft in de handen van den toegesprokene zich bevond, zich als zonen en verwanten van oude gastvrienden te doen erkennen. Winkels van allerlei aard sloten zich bij de bonte tentenrij aan.De volksmenigte woelde dooreen. Men hoorde de verschillende Helleensche tongvallen door elkander. Men verstond elkaar niet altijd. Naast de vrij[134]harde taal van den Peloponnesiër, de breede van den Thebaan, de platte van den Megarenser, klonken de weeke Ionische en Aeölische tonen. In het gewoel der Hellenen waren boven allen, de levendige, vroolijke Atheners herkenbaar, benevens de ernstige, sombere Spartanen. Dikwijls wierpen zij elkander een blik van diepen haat en afgunst toe.Ook de reusachtige gestalten der athleten, kon men daar zien rondwandelen. Men wees hen met den vinger aan en noemden hunne namen en hunne overwinningen.Vóór de tent van het feestgezantschap uit Cios zagen Pericles en Aspasia een weenenden knaap, dien een hoogbejaarde grijsaard, zijn grootvader wellicht, te vergeefs zocht te troosten. Pericles vroeg naar de oorzaak dezer tranen en vernam, dat de jongen, onder beschuldiging van verwijfdheid, van den wedstrijd der knapen was uitgesloten, omdat hij met lang haar3en een purperen kleed te Olympia gekomen was. Met half spottende, half berispende woorden laakte Aspasia, zonder zich te ontzien voor hen, die het hooren konden, de harde, oudvaderlijke gestrengheid der Elische kamprechters; daarop streek zij den knaap vertroostend over de donkere lokken en zei: „Schrei niet, beste jongen! Pericles van Athene zal voor u een goed woord doen bij de Hellanodiken.”4Al meer en meer vulde zich de ruimte. Hier en daar verdrong zich de opeengepakte massa. Pericles en Aspasia ontmoetten al voortwandelend groepen, die zich verzamelden om beeldhouwers, welke hunne werken hier openlijk ten toon stelden, of om rhapsoden5, of om een man, die, op een spreekgestoelte[135]staande, aan het luisterend Helleensche volk de door hem opgestelde geschiedenis van Grieksche staten en eilanden voorlas, of om een voortreffelijk toonkunstenaar, of om mannen, die in trotsche houding en purperen gewaad door de hen aangapende menigte gingen, Sophisten die den roem van hun naam te Olympia nog verhoogen wilden en bereid waren voor de hen omstuwende menigte eene schitterende rede te houden over welk onderwerp men maar wilde, of om een onaanzienlijk mannetje, op wiens kalen schedel onder de brandende zonnestralen van Elis het zweet als morgendauw flikkerde en die een sterrekundige fabel, een werk van scherpzinnige en ingewikkelde berekeningen, ter algemeene bezichtiging stelde.Een hoogbejaarde Spartaan, met sneeuwwitte lokken, zag met donkere en onvergenoegde blikken naar al die eerzuchtige bedrijvigheid.„Ik prijs den tijd gelukkig,” zeide hij tot een vriend aan zijne zijde, „toen Olympia niets meer was dan de kampplaats voor ’t aan den dag leggen van Helleensche manlijke kracht, terwijl zij nu veeleer tot eene vertooning van vrouwelijke en verwijfde kunsten misbruikt wordt. Toen ik nog een knaap was, was hier niets te koop dan onmisbare levensmiddelen, alsmede benoodigdheden voor het feest zelf, als sieraden, hoofdbanden, kransen. Thans pralen de winkels van ijdelen opschik; wij hebben ten tijde van het feest hier eene groote kermis van Hellas, waar de winkeliers van alle steden en eilanden hunne verleidelijkste waren te pronk willen stellen. Het krioelt hier steeds meer van raphsoden, toonkunstenaars, beeldhouwers, wijsheidsvrienden en ander volk van dat slag. Na korten tijd zal het grootsche doel van het overheilige Olympische feest onder de tentoonstellingen en vertooningen van onmanlijken wedijver waarmede de Atheners en andere Hellenen van het vlakke land, der eilanden en Ionische kusten elkander de loef zoeken af te steken, verdwenen zijn. Eerzuchtige dwazen! Ieder wil met iets pronken, ieder[136]opgemerkt worden. Ginds, ziet ge, snijden eenige Megarensers hunne namen in de schors der populieren aan den Alpheüs om toch ook iets voor hunne onsterfelijkheid te doen!”„Eenigen zie ik daar ook bezig,” hernam zijn makker, „met schoone, bonte kiezelsteentjes uit het zand van den heiligen stroom te zoeken. Ik moet daar ook eenige van verzamelen, om ze voor mijne jongens mee te brengen …”Na het uiten dezer woorden verdween de vriend van den Spartaan onder de populieren langs den Alpheüsoever. Hoofdschuddend zag deze hem na.Op dit oogenblik weerklonk weder de schelle, alles overheerschende stem van den heraut, die van tijd tot tijd door de tentenstad en het gewemel van menschen heenstappende de oogen en ooren van alle Hellenen voor een oogenblik op zijn persoon vestigde. Hij was de algemeene mond der Hellenen. Hij berichtte de meest verschillende zaken. „De Panormitanen6en de Leontiërs7deelen plechtig allen Hellenen mede, dat zij met elkander vrede hebben gesloten, na hunne geschillen door een minnelijke schikking bijgelegd te hebben.” En wederom: „De Magnesiërs8geven aan de Hellenen kennis, dat zij met de Larissaeërs9en Demetriërs10een eeuwigdurend verdrag van onderlinge verdediging hebben aangegaan.”Nu echter verkondde zijne krachtige stem: „De Lechaeërs10betuigen ten aanschouwe van hetgeheeleHelleensche volk den Phliasiërs10hun dank voor de hen betoonde hulp in den strijd met de Kenchraeërs10.”—„Dat was wel de moeite waard!” riep eenKenchraeër[137]met een spottenden glimlach. „Denken de Lechaeërs inderdaad, dat wij voor hen en de Phliasiër bang waren? Bij Heracles! Zij zullen op het volgende Olympische feest geheel andere mededeelingen door den heraut hooren doen!”„Niets dan snoeverij!” hernam hoonend een Lechaeër, die niet verre van hen verwijderd stond. „Bluf maar! Wij hebben nog pijlen genoeg om er de geheele stad der Kenchraeërs onder te bedelven!”„En wij nog lansen genoeg,” hernam de Kenchraeër, „om de nieren van alle Lechaeërs aan te spietsen!”„Pak u weg!” schreeuwde de van toorn gloeiende Lechaeër, „anders zult gij morgen uw gezicht in den spiegel niet meer herkennen!”—Tevens hief hij dreigend de vuist op.Een Athener greep zijn arm vast. „Wat moet dat?—Laat den Kenchraeër met rust, of gij hebt met mij te doen!”—„Ei, kijk hem eens!” sprak een Samiër onder de toeschouwers, die zich om de twistenden heen gedrongen hadden; „de Atheners willen zich zelfs in de gunst der Kenchraeërs dringen, en men weet, waar het met al hunne vriendelijkheden op uitloopt!”—„Ja wel, dat weten we!” riepen eenige Argivers en Spartanen. „Sedert eenigen tijd,” sprak een der Argivers, „geven de Atheners zich wonder veel moeite, om in goede verstandhouding te staan met de bewoners van den Isthmus en de passen van de Peloponnesus!”„Hebben zij dan daarvoor den tijd?” riep een der Spartaners met een grijnslach. „Is dan de groote Pericles, de Olympiër, al gereed met zijne groote, prachtige tempels en propylaeën en Pallasbeelden van goud en ivoor? En behaagt het de Hera van den Atheenschen Olympiër haar rijk ook aan gene zijde van de pijnboomwouden, van den Isthmus uit te breiden?”„Hare vrienden en voorvechters heeft zij immers[138]reeds vooruit gezonden!” riep de Argiver, met den vinger over zijn schouder naar de werkplaats van Phidias wijzend.De Atheners, die aanwezig waren, wilden zich die spotternij niet laten welgevallen. Wilder en heftiger dreigde de woordenstrijd te ontbranden.Daar klonk plotseling eene geweldige en welluidende mannenstem, zoo wonderlijk doordringend, dat oogenblikkelijk allen daarnaar luisterden.„Aan welken Helleen behoort de tong,” riep de machtige redenaar, „die daar durft spotten met de nieuwe tempels en godsbeelden der Atheners? Wat er roemrijks te Athene geschapen is dat is gewrocht ter eere van den gemeenschappelijk en Helleenschen naam! En bedenkt, dat sedert eeuwen altijd vrede is gehouden door onze vaderen, van welken stam zij ook waren, op deze plaats, waar de heilige wateren van den Alpheüs de maat klateren voor de Olympische feestreien van het gansche Helleensche volk. Tot een vreedzamen wedstrijd zijn wij steeds herwaarts gekomen; hier was het heilige grond, hier de godsvrede. In het tempelgebied van den gemeenschappelijken God Zeus vereenigt ons het feest der Panhellenen11. Houd vrede, Hellenen, op de Pisatische landauwen! Hier moeten geen wapenen getrokken worden, hier mag geen metaalgekletter gehoord worden, dan de klank der halve ringen, die tegen elkander gehouden worden; hieraan kunnen Helleensche gastvrienden van alle oorden elkander herkennen!”—De kreet „Pericles” weerklonk na deze woorden door de menigte: „Pericles van Athene! Pericles, de Olympiër!” Vaders hieven hunne jongens op, om hun Pericles te toonen. Slechts door weinigen was hij te voren herkend geworden. Thans, nu hij gesproken had, nadat zijne donderende welsprekendheid had weergalmd, herkende hem het gansche Helleensche volk. En nog vond, wat hij gesproken had, weerklank in de harten der bewegelijke,[139]licht ontvlambare Hellenen. Kreten van toejuiching weerschalden tot over den Alpheüs en de wateren van den stroom schenen bruisend in te stemmen in den algemeenen bijval.Pericles onttrok zich aan de menigte door zich met Aspasia en zijne vrienden naar het heilige woud Altis te begeven, waar hij zich verloor tusschen de tempels en heiligdommen van allerlei soort, de standbeelden, drievoeten en gedenkzuilen, waar het gebladerte der olijfboomen, platanen en palmen ritselde. Van de gevelspits van den nieuwen Zeus-tempel schitterden hun eene vergulden Zegegodin tegen, tusschen twee eveneens vergulde vaten, in oogverblindenden glans. Zij beschouwden op den achtergevel de beelden van Alcamenes. Hij had daar den strijd der Lapithen12en Centauren voorgesteld en daarin zijne voorliefde voor bewegelijkheid en veelvuldige afwisseling van houding en gebaren, meer dan op de Acropolis, den vrijen teugel gelaten.Begeleid door Polycletus en Alcamenes beschouwden Pericles en Aspasia daarop de overige tallooze wonderen van het heilige woud.Ten laatste bestegen zij eene vrije trap, die uit Altis noordwaarts naar een groot, breed terras leidde. Dit terras breidde zich langs den zuidelijken voet van den Cronos-heuvel tot aan het stadion13uit. Op die vlakte verhief zich eene lange rij van zoogenaamde schatkamers van verschillende steden, waarin deze hunne naar Olympia gezonden wijgeschenken bewaarden.Van de schatkamers van den Cronos-heuvel opwaarts gaande, bezichtigden Pericles en Aspasia de heiligdommen, die dezen heuvel versierden. Van den top daarvan hadden zij het schoonste gezicht op[140]Olympia. Zij zagen onder zich het heilige woud Altis met zijne tempels en standbeelden in zijne volle uitgestrektheid; zij zagen aan gene zijde van Altis den majestueuzen stroom, den Alpheüs, door de vlakte heenschieten; zij zagen ter rechter zijde de rivier Cladeüs, die op de Pisatische bergen ontspringend, zijne wateren met die van den Alpheüs vermengt; zij zagen ter linker zijde het stadion en den hippodromos14, de plaatsen voor de Olympische wedstrijden, die het heilige woud begrensden. Rechts van den Cronos-heuvel, nabij den noordelijken uitgang van Altis, zagen zij gebouwen, die het middelpunt van het bestuur van Olympia uitmaakten en waar zoowel de kamprechters als de athleten zelven, vóór het standbeeld van den met den dubbelen bliksem gewapenden Zeus Horkios15, de wetten van den strijd bezwoeren. Verder was van alle kanten niets te zien dan de krans van hooge bergen, in wier hoede het heilige feestterrein van Olympia lag.Het oog der mannen weidde met welgevallen over deze tafereelen. Aspasia echter begon over de geweldige hitte te klagen en over de vele muggen, die haar kwelden.„Hoe komt het toch,” zeide zij, „dat de Hellenen voor hunne athleten wedstrijden het warmste van den zomer en deze muffe, drassige vallei van den Alpheüs hebben gekozen?”„De stichter Heracles heeft aan de muggen niet gedacht,” zei Alcamenes lachend.„En wij mannen tot heden ook nog niet,” voegde Pericles er bij. „Maar nu ik er eenmaal opmerkzaam op gemaakt ben, moet ik u gelijk geven, Aspasia. Die tallooze bloedzuigers zijn geweldig lastig.”Door Altis terugkeerend, vertoefden Pericles en Aspasia alleen nog bij de standbeelden van Polycletus.[141]Steeds levendiger werd inmiddels in den loop van den dag het gewoel en de drukte tusschen Altis en den Alpheüs. Talrijker offers werden des avonds op de met bloemen bekranste altaren der Goden gebracht. Men zag de athleten de ingewanden der offerdieren beschouwen, hopende daaruit een gunstig voorteeken voor den strijd te zullen vinden. De grootste schare van toeschouwers stroomde naar het plechtige brandoffer op het overoude beroemde aschaltaar van Zeus.De verrichtingen van deze heilige plechtighedenduurdentot diep in den nacht, onder de tonen der muziek en bij het schijnsel der maan, die bijna vol was. Alles had plaats op eene hoogst ernstige wijze, in eene schoone orde en eene eerbiedwekkende stilte. Te middernacht eerst werden de fakkels in het heilige woud uitgebluscht en de laatste vlammen op de altaren verdoofden allengs. Nu echter stormde reeds een niet onaanzienlijk deel van het volk naar de renbaan, om daar, na eene goede plaats bemachtigd te hebben, het krieken van den dageraad en het begin der spelen af te wachten.Den volgenden morgen bestegen Pericles en Aspasia wederom den Cronos-heuvel.Het oog van Pericles was gevestigd op het stadion, dat uit de verte zichtbaar was, met die belangstelling, die zulk een schouwspel elken Griek steeds inboezemde. Hij had zich alleen ter liefde van Aspasia het genot ontzegd zich van nabij onder de toeschouwers in het stadion zelf te begeven. Niet met hetzelfde welgevallen richtte de Milesische het oog naar de kampplaats, waar de lichaamskracht, door geweldigen, ja schier moordlustigen ijver verhoogd, te midden van stof en brandende hitte ten toon werd gespreid.„Waarom laat gij uw oog bijna verachtend over die belangstellende menigte dwalen?” vroeg Pericles.„Heeft het niet den schijn,” zei Aspasia, „dat het Helleensche volk, zoo groot geworden in vele[142]dingen, die waarachtig schoon en heerlijk zijn, den grootsten zijner eerepalmen voor de athleten te Olympia bewaarde? Moet dan waarlijk de kracht der armen en de snelheid der voeten als de hoogste aller voorrechten gelden op Helleenschen bodem?”„Ik begrijp u,” hernam Pericles, „gij zijt de voorvechtster der vrouwelijkheid en van al wat het leven verfijnt, veredelt en schooner maakt. Hier echter viert de ruwe, manlijke kracht haar triomfen.”„Een echt, verkwikkelijk schouwspel voor Doriërs,” zei Aspasia, „is zulk een worstel- en vuistgevecht, waarbij de mannen tegen elkander woeden, tot het bloed hun uit mond en neus stroomt. Gij hebt gelijk, ik haat die spelen; want waar het manlijke haar doel voorbij streeft, daar schijnt het mij niet ver van de barbaarschheid te zijn. Ik vrees, dat de ruwe bekoorlijkheid van dit schouwspel het gemoed der menschen hoe langer zoo meer verderft en hen opnieuw tot hunne vroegere verwildering en ruwheid terug zal voeren.”„Gij overdrijft!” hernam Pericles glimlachend.De lijnrecht tegen elkander overstaande zienswijze van Pericles en Aspasia over dit onderwerp zou nog vóór het einde van dezen dag door een klein tooneel, dat zij bijwoonden, versterkt worden.Toen namelijk Pericles en Aspasia aan den avond van denzelfden dag, vergezeld door Polycletus en Alcamenes, in den omtrek van het stadion wandelden en Aspasia de haar onbekende plaatsen beschouwde, gebeurde ’t dat, terwijl zij juist op eene steenen bank zich nederzetten om te rusten, een troep athleten, die aan den strijd dien dag deel hadden genomen, een andere troep ontmoette, waarop de geheele schaar, die zich deels op den grond neervlijde, in een levendig gesprek gewikkeld werd. De gevechten van den eersten dag werden met woorden nog eens gestreden en iedere overwinning aan eene scherpe critiek onderworpen. Zij, die overwonnen waren, zetten uiteen door welk toeval hunne tegenstanders hen onder gekregen[143]hadden en hoe de overwinning maar aan een haar had gehangen, of zij beschuldigden hunne kampioenen openlijk dat zij tegen de regels van het gevecht gezondigd hadden. Doch het baatte hun doorgaans weinig en zij moesten soms nog den spot hunner kameraden verduren.„Om het even, beste Theagenes,” klonk het, „gij moet de builen maar dragen, die Nicostratus u geslagen heeft. Gij ziet er erbarmelijk uit, met uwe olielappen om uw gewond hoofd en gij riekt als een lantaarnpaal.”„Spot maar!” hernam de aangesprokene, een nog jeugdig worstelaar en vuistvechter, die deerlijk toegetakeld was en daarom zijn hoofd met een in olie gedoopten doek had omwonden.„Spot maar!” zei hij; „ik heb nu eens geprobeerd, wat vleesch en been kunnen verdragen. Slagen heb ik op mijn hoofd gekregen, die, geloof ik, een rotsblok zouden verbrijzeld hebben. Maar meent gij, dat ik buiten eene kleine gloeiing, eenigen last aan mijn hoofd merk? Op zijn hoogst zijn een paar onschadelijke builen wat opgeloopen. Maar de rug begint mij nu wat zeer te doen—’t kan wel van den geweldigen val komen, waarmede ik in den worstelstrijd op den grond te recht kwam.”„Men ziet, dat gij een nieuweling zijt!” zeiden de anderen, „daar gij nog niet weet, dat het hoofd het minst gevoelige deel van den mensch is, de rug echter het teerste!”„Uw rug zal in drie dagen wel weer beter zijn,” zei een van hen; „maar zie mij eens aan: vanwaar zal ik mijne tanden terugkrijgen? Had ik ze uitgespogen, toen een vuistslag van Meleager mij trof, dan had ik mijn verlies daarmede te kennen gegeven; daarom heb ik ze liever naar binnen geslikt. Het is onpleizierig zijne tanden in plaats van in den mond in de maag met zich te dragen.”„Gij zult ze verteren!” zeide Boeötiër Cnemon. „Eenathletenmaagmoet ook tanden kunnen verduwen.”[144]„Daarvan zal ik bezwaarlijk zooveel vleesch van op mijn lijf krijgen als gij hebt!” voegde Theagenes hem toe.—Cnemon was inderdaad een oudachtige, stoere kerel, die het merg van vele runderen, kalveren en lammeren in zich had opgenomen. Zijne ooren waren gekwetst door vuistslagen: van staal scheen zijn vleesch op zijn breede, gewelfde borst en rug: hij geleek op een metalen standbeeld. De spieren lagen op zijne armen rond en vast als steenen in de bedding eener rivier, die de stroom door haar golven langen tijd voortgestuwd en rond gesleept had.„Meent gij,” riep hij, „dat ik voor een uwer onderdoe, omdat ik een weinig zwaarlijvig ben en niet zoo snel ter been als gij? Nu, een hardlooper ben ik niet maar ik ben een kerel, dien men evenmin omverwerpt als eene koperen zuil. Schoon de aarde zelve ook mocht beven—blijf ik nog staan!”Daarop lei Cnemon eene werpschijf op den grond,ging er op staan en vervolgde:„Welaan! is er één onder u, die mij er afwerpt?”Te vergeefs beproefden de athleten, de een voor, de ander na, hunne kracht aan den kolos. Nu liet Cnemon de werpschijf met olie begieten, zoodat zij zeer glibberig was. Maar ook nu nog handhaafde hij zijne stelling.Toen strekte hij zijne rechterhand uit, eveneens de vingers en hield ze vast tegen elkander gesloten. „Nu, beproef het eens,” riep hij, „om de pink van de overige vingers los te trekken!”—Zij beproefden het, maar de pink scheen als met staal aan de andere vingers gesmeed te zijn.„Dat beteekent nog niets!” riep snoevend de Argiver Sthenelus. „Ik houd, als het moet, een vierspan in volle vaart tegen, door met de hand in de spaken te grijpen!”„En ik,” zei de Eleër Thermius, „ik heb te Pylus eens een hengst bij de hoef gegrepen en toen hij zich losrukte hield ik de hoef in de hand.”[145]„Dat zijn sterke toeren,” zei de Thessaliër Euagoras, „maar doet het mij eens na, wat ik te Larissa gedaan heb: ik heb den beroemden hardlooper Cresilas in vollen ren de sandalen van de voeten gehaald!”„Hoe?” riep de SpartaanAnactor, „deThessalischehardlooper zal tegenover mannen van de vuist zich durven beroemen? Wat helpen u uwe snelle beenen, als ik u in het stof doe bijten?”„Mijne vuisten zijn niet slechter dan mijne beenen!” riep de Thessaliër, „en als ik u maar even aanraak, dan kunt gij uwe botten hier uit het zand bijeen rapen!”„Zwijg!” schreeuwde de Spartaan, „anders sla ik u de oogen uit, evenals de kok den inktvisch!”„Ik maal u tot gruis,” duwde hem de Thessaliër toe, „zoodat de mieren u bij kruimels kunnen wegdragen!”„Gij vecht met woorden,” riep deBoeötiërCnemon daar tusschen in. „Dat is geen gebruik bij ons athleten. Laten wij het liever met daden bewijzen.”„Dat willen wij doen!” riepen beiden.„Uitstekend!” zei de dikke Thebaan: „maar wat wilt gij eigenlijk? Wilt gij om het hardst loopen of wilt gij elkaar met de vuisten te lijf? Dat zijn volstrekt geen te verachten toeren. Evenwel, weet gij wat het meesterstuk is van den athleet en waarin zich alle athleten, hetzij hardloopers of vuistvechters of wat ook, op een gelijk terrein bevinden?”„Wat dan?” vroegen de Spartaan en de Thessaliër te gelijk.„De beste proef van den athleet,” zei de Thebaan, terwijl hij zich over zijn buik streek, „blijft de kracht der verduwing. Denkt eens aan Heracles: hij verworgde de leeuwen bij dozijnen in het gebergte, doch hij was ook de man, die een stier in één maal opat. Dat noem ik mannenwerk! Laat, ik wil niet zeggen een rund—want wat zou Heracles beteekenen, als hij niet de eenige in zijne soort[146]bleef?—maar toch een grooten, vetten hamel braden, deelt dien in twee gelijke helften en eet hem in éénmaal op! „Wiens maag het eerstdendienst weigert, die moet zich overwonnen geven; want hij is de zwakste van u beiden.”„Bravo!” klonk het in de ronde. „Anactor en Euagoras zullen de groote athletenproef voor onze oogen nemen! Wij laten onmiddellijk een hamel halen en hem aan het spit braden.”Anactor en Euagoras namen de voorwaarden aan. En aanstonds verwijderden zich eenigen, om den zwaarsten hamel, die te vinden was, uit te zoeken.Zoover was het tooneel ten aanhoore van Pericles en zijne vrienden gekomen, toen Aspasia van hare zitplaats opstond en zeide: „Laat ons gaan, Pericles! ik heb niet langer de kracht deze Olympische wedstrijden aan te zien!”—Lachend verlieten nu ook de overige mannen hunne zitplaatsen en sloegen met Aspasia den weg naar huis in.„Het gevoel van Aspasia tegenover deze athleten,” sprak Alcamenes, „schijnt mij niet meer en niet minder te zijn, dan het gevoel van eene vrouw, die gezond is van lichaam en ziel en die door eene natuurlijke en billijke aandrift geleid wordt. Waartoe dienen eigenlijk die krachtige mannen? Zijn zij in den krijg geduchter dan anderen? Maaien zij rijen van vijanden neder als de Homerische helden? Neen! De ervaring leert het tegendeel. Zijn zij de rechte mannen, om zich omtrent de verbetering van het menschenras verdienstelijk te maken? Wederom, neen! Ook dat wordt door de ervaring tegengesproken. Zij deugen tot niets, dan tot hetgeen zij in het stadion onder de luide bijvalskreten der toeschouwers uitrichten.”„Inderdaad,” hernam Pericles, „niet uit de personen der athleten zelven blijkt het nut der kunst, die zij uitoefenen. Maar groot en onwaardeerbaar is de winst, die uit de tentoonspreiding van goed ontwikkelde kracht en uit de daarvoor ruim bewezen eer voortvloeit, in zoo verre, dat daardoor[147]het Helleensche volk ten levendigste er aan herinnerd wordt, dat men de gave des lichaams niet minder dan die des geestes kan ontwikkelen en der volkomenheid nader brengen. Grooter is het gevaar, dat de mensch zijne lichamelijke dan zijne geestelijke gaven veronachtzamen zal; want tot geestelijke ontwikkeling en werkzaamheid gevoelt hij zich aanhoudend door een innerlijken drang en door de noodzakelijkheid gedreven. De ontwikkeling echter van zijn lichaam pleegt hij aan de natuur over te laten, zoo hij niet buitenaf daartoe wordt aangespoord.”Onderwijl hadden de wandelaars juist het heilige woud bereikt en stonden opnieuw tegenover eenige standbeelden van overwinnaars, gebeiteld door de hand van Polycletus.Met den blik op de beelden gevestigd, sprak Aspasia het volgende:„Als ik de werken van Polycletus hier beschouw, dan schijnt het mij, dat de kunstenaar in dit geschil aan mijne zijde staat. Want noch de bovenmatige kracht noch de buitengemeene ontwikkeling der ledematen heeft de kunstenaar zich verwaardigd af te beelden; integendeel beelden en typen van de gewone maat, de harmonische, vol en rein ontwikkelde gestalte stelt hij ons voor oogen. Steeds komt het mij voor, dat de voortreffelijke Polycletus allen lof verdient, omdat hij niet als Phidias de sterfelijke natuur schier veracht, maar haar de eer geeft, die haar toekomt en dat hij, gelijk Phidias het goddelijke het verhevenst voorstelt, het zuiver menschelijke op de getrouwste wijze heeft nagebootst.”Een minder aangenamen indruk dan Aspasia dacht, maakte deze uitspraak op Polycletus.„De kunstenaar,” sprak hij, „is afhankelijk van de wenschen en behoeften dergenen, die van zijne kunst willen genieten. Dat in Hellas alleen aan Phidias de gave verleend is de Goden waardig af te beelden, schijnen althans ook de Eleërs te meenen, daar zij hem naar Olympia ontboden hebben. Niet alzoo echter de Argivers, die het met mij, den[148]inboorling, willen beproeven en mij opgedragen hebben het gouden en ivoren beeld van Hera in haren grooten tempel te Argos te vervaardigen.”Zoo sprak Polycletus en het gelukte Aspasia niet, de zichtbare ontstemdheid van den meester weg te nemen. Hij verwijderde zich niet lang daarna onder het een of ander voorwendsel.„Gij hebt, Aspasia,” zei Alcamenes lachend, „nu ook Polycletus een spoorslag gegeven, om zijn best te doen, dat de Hera van Argos den Zeus van Olympia waardig zij.”„Een voortreffelijk werk moge hij in wedijver met Phidias tot stand brengen,” zei Aspasia, „doch evenals Phidias, nadat hij met zijne Lemnische Pallas tot de aarde was neergedaald, spoedig weder opsteeg naar den Olympus en sedert dien tijd boete doet aan de voeten van den Olympischen Zeus, zoo geloof ik, dat Polycletus van den Olympus snel weder naar de aarde en tot zijn eigen gebied zal terugkeeren. Het valt niet te ontkennen, dat de prozaïsche Peloponnesiër in zijne beelden de verhevenheid en diepte van het zieleleven weinig uitdrukt, maar laten ook de Atheensche kunstenaars in dat opzicht nog niet veel te hopen en te wenschen over? Mag ik het u bekennen, dat ik somwijlen in den droom godengestalten zie, die tot dusverre geen Phidias, geen Alcamenes, geen Polycletus met den beitel heeft kunnen scheppen? Verleden nacht verscheen mij Apollo, mij de liefste van alle Goden, de God des lichts en der toonen. Hij verscheen mij in de wondervolle, slanke gestalte eens jongelings, vermetel en toch liefelijk, fier in het bewustzijn zijner zege en toch bevallig. Doodelijk getroffen kromden zich, alleen voor zijn aanblik en voor den boog in zijne uitgestrekte hand, de draken der duisternis. „Wie beitelt mij den God, zooals ik hem gezien heb? Zelfs gij niet, Alcamenes! En toch zijt gij de vurigste onder de beeldhouwers en met altijd jeugdige, ontvankelijke ziel geeft gij u over aan het leven en zijne bekoorlijkheid. Daarom[149]ontsluit ook het leven voor u zijn geheim en zijn machtigste adem trilt in uwe scheppingen en verwekt de rustige kalmte der reine vormen.”De oogen van Alcamenes gloeiden van geestdrift bij deze woorden.„Sedert langen tijd,” sprak hij, „zijn de Arcadiërs voornemens voor uw lievelingsgod een grooten tempel te bouwen, en zij wendden zich tot Phidias, om den fries met beeldwerken te versieren. Deze verwees hen naar mij. Maar de Arcadische mannen wikken en wegen lang en zij zullen nog menig jaar wachten, totdat misschien de God met zijne doodelijke pijlen hen hunner gelofte indachtig maakt. Als zij dan echter hun plan volvoeren en zich tot mij wenden, dan zullen de beeldwerken van den fries voor alle volgende tijden getuigenis afleggen van mijn kunstgevoel, waaraan ik, op uwe aansporing, Aspasia! den vrijen teugel liet.”„Wees geheel u zelf,” hernam Aspasia, „luister niet naar het woord der koele en strenge mannen, en gij zult iets scheppen, dat zelfs zij, die uwe manier afkeuren, in verbazing en bewondering zal brengen.”Van dit oogenblik af verdoofde de laatste vonk van wrok tegen Aspasia in het hart van Alcamenes.Hij zocht telkens opnieuw haar gezelschap, sprak met haar over zijne plannen en ontwerpen, werd door hare woorden ontvonkt en onderricht, en zij weigerde hem haar raad niet, dien hij ijverig zocht.Den volgenden dag was Pericles door een toeval verplicht zonder Aspasia een uitstapje te maken en haar in ’t gezelschap van Alcamenes, Polycletus en eenige andere vrienden, die hij te Olympia had gevonden, achter te laten. Na een vrij lang gesprek verwijderden zich al de mannen, behalve Alcamenes, die het onderhoud met zijne gewone levendigheid voortzette.Steeds opgewondener werden de woorden van Alcamenes, steeds vuriger zijne blikken.Maar niet alleen toonde zich Alcamenes hartstochtelijk[150]tegenover de gade van Pericles, toen hij zich met haar alleen bevond, maar hij sloeg ook ongemerkt, en naar ’t scheen, onwillekeurig een toon aan, die eenigszins aan de vroegere vertrouwelijkheid herinnerde. Gaf hem daartoe de welwillendheid recht, waarmede eens de door kunstzin bezielde Milesische in een vriendschappelijk verkeer hem bejegend had, hem den begaafdsten van Phidias’ jongeren?Aspasia nam dien toon van vertrouwelijkheid op, met een gevoel van gekrenkten trots.De hartstochtelijke Alcamenes begon vergelijkingen te maken tusschen de vormen van haarvroegeren, jeugdigen bloei en die van thans, sprak daarbij van die vormen, zooals men over dingen spreekt, waarmede men bijzonder vertrouwd is.Ook dit beleedigde de hooghartige Aspasia.Alcamenes greep hare hand, beschouwde ze met kennersoog, prees de bekoorlijkheid daarvan en zeide, dat deze hem eene onuitputtelijke bron was voor zijn kennis op het gebied der kunst.Aspasia trok hare hand terug en merkte aan, dat Theodota niet minder onuitputtelijk was in ditopzicht, door hare bekoorlijkheden.„Gij zijt boos op mij, omdat ik Theodota geprezen heb!” riep Alcamenes.„Heb ik u dat ooit laten voelen?” hernam Aspasia koel; „hebt gij mij vijandig tegen u bevonden, toen wij elkander hier weder ontmoetten? Heb ik opgehouden verwachtingen, die u tot eer verstrekken, omtrent u te koesteren en u als den bekwaamsten tot het streven naar het ideale aan te sporen? Ik wist, dat gij mij haattet, maar mij zijn de kunst van Alcamenes en Alcamenes zelf van elkander gescheiden. Ik heb noch de liefde noch den haat van Alcamenes beantwoord.”„Koel en verstandig,” zeide Alcamenes, „mogen uwe woorden klinken, maar zij zijn door heimelijke verbittering scherp en vlijmend. Gij zijt nog gebeten op mij, ter oorzake van Theodota! Vergeef mij, wat ik tegen u heb misdreven! Wat gij mijn[151]haat noemt, het was de wraak der liefde!”„Lang vóór uw haat mij openlijk bleek,” hernam Aspasia, „zeide ik u reeds, wat ik u zooeven herinnerde: dat de deelneming van eens menschen geest voor iets, geheel afgescheiden is van ’t geen zijn hart gevoelt.”„Ook bij de vrouw?” vroeg Alcamenes met een ondeugenden glimlach. „Ik herhaal u: gij zijt nog verstoord op mij ter wille van Theodota! En een werk der wraak was ’t wellicht ook, dat gij in mij de oude vlam weder hebt aangeblazen!—Nog eens, vergeef mij! Veroordeel in dit oogenblik het vuur niet, dat gij zelve overigens in ’t karakter van Alcamenes hebt geprezen!”Bij deze woorden omvatte de onstuimige jongeling, in steeds heftiger hartstocht ontgloeid, de vrouw van Pericles.De fiere schoone trof den aanrander met een blik, die hem weder tot bezinning bracht.Op dat oogenblik trad Pericles binnen.Hij las, wat er voorgevallen was, op ’t gelaat van Alcamenes.Deze nam in verwarring afscheid en ijlde weg, met opnieuw veranderde gezindheid, beschaamd en vervuld van wrok tegen Aspasia.Pericles was bleek.„Behoeft het nog opheldering?” zei Aspasia; „gij hebt alles in de trekken van Alcamenes gelezen.”—„Het schijnt,” hernam Pericles, „dat Alcamenes u behandeld heeft, zooals men eene vrouw doet, die men …”„Spreek het niet uit, bid ik u!” zei Aspasia.„Ik weet,” vervolgde Pericles, „welke grenzen gij trekt, naar de opvatting van Protagoras, tusschen uwe bekoorlijkheden en uw persoon. Ik ken die leer, volgens welke de sluier eener vrouw zich mag inkrimpen tot een vijgeblad. Gij ziet, Alcamenes heeft een andere meening dan gij over de onschendbaarheid van het vijgeblad. Hij dwaalt, zegt gij; maar men moet zijne handelwijze naar zijne opvatting der zaak, en niet naar de uwe beoordeelen. Gij[152]kent het niet onedel maar hartstochtelijk karakter van den man. Hij zal van nu af dubbel op u gebeten zijn; hij zal het aantal uwer openbare tegenstanders vermeerderen.”„Hij vindt, naar ’t schijnt, bij die vijandschap een onverwachten bondgenoot!” zei Aspasia.Nog een paar bittere woorden werden er gewisseld. Pericles verliet het vertrek van Aspasia.Van spijt bevend stampte Aspasia op den grond.„Die verwenschte bodem van de Peloponnesus,” sprak zij, „brengt mij onheil aan.”Weldra echter vatte zij nieuwen moed. ’t Is een licht wolkje, dacht zij, dat zonder schade langs den helderen hemel der liefde trekt. Vroolijker flikkert de gloed bij eene nieuwe verwarming, dan vóór de verkoeling.Aspasia bedroog zich niet.—Maar blijft na die vroolijk opflikkerende vlammen geen onaangename asch in de borst achter? En vergeet de liefde alles wat zij vergeeft?—Pericles en Aspasia waren te Olympia de gastvrienden van Phidias. Hij had hun eenige vertrekken in eene der groote ruimten zijner werkplaats ter bewoning afgestaan. Hij zelf echter bleef onzichtbaar. Onophoudelijk was hij in den tempel met de voltooiing en oprichting van zijn reusachtig gouden en ivoren beeld bezig. Hij weigerde iederen omgang, maar hij had Alcamenes laten zeggen, dat Pericles en Aspasia de eersten van het geheele Helleensche volk zouden zijn, voor wie hij het grootste werk zijner handen zou onthullen.De met spanning verwachte ure was genaderd.Op een gloeienden zomerdag was een van onweer zwangere avond gevolgd. Donkere wolken vlogen door het zwerk en hadden zich eindelijk boven de hemelhooge kruinen der bergen samengepakt. Toen er volkomen duisternis heerschte kwam een slaaf van Phidias aan Pericles berichten, dat hem opgedragen was hem en Aspasia naar het binnenste van den Zeus-tempel te geleiden. In hun gezelschap bevond zich, op verzoek van Aspasia, het[153]meisje uit Arcadië. Zij volgden den slaaf en wandelden door het heilige woud van Altis, dat onder den nachtelijken hemel in diepe schaduwen zich uitstrekte. Eenzaam was het rondom en slechts een zacht geritsel trilde door de toppen der boomen.Nu bereikten zij den tempel. De slaaf ontsloot de poort en voerde hen het gebouw binnen. Daar leidde hij hunne schreden naar eene eenigszins hoogere plaats in den achtergrond, waar zij zich konden nederzetten. Vervolgens verwijderde hij zich, sloot opnieuw de poort achter zich en liet hen met hun drieën in het donker. Eene flauwe lichtschemering viel neder uit den nachtelijken, bewolkten hemel door de opening van het tempeldak. Maar zij drong niet door tot de uiterste hoeken.Zonder een woord te spreken, bijna angstig wachtten Pericles, Aspasia en het herdersmeisje. Eensklaps scheurde vóór hunne oogen de sluier der duisternis en zij verschrikten, verblind door eene plotselinge, schitterende verschijning. Het voorhangsel, dat den achtergrond van het tempelvertrek van het voorportaal had gescheiden, was weggetrokken en zij zagen in het heldere licht vóór zich den gouden en ivoren kolos van den Olympischen God. Op een schitterenden, rijkversierden troon was hij zittend voorgesteld en toch reikend tot aan het dak des tempels met dat verheven hoofd, dat, in goddelijke rust, enkel door een beweging zijner lokken, naar ’t woord des zangers, de hoogte van den Olympus doet daveren16.Om de ivoren ledematen van den koning der Goden golfde de gouden mantel, die den linker schouder benevens den arm en het onderste deel des lichaams omhulde. In bont émail fonkelde het goud van den mantel; met een tooi van kleine figuren en bloeiende leliën was zijne oppervlakte bezaaid. Van groen geëmailleerd goud was op de lokken van den Olympiër een olijfkrans gedrukt.[154]In de linkerhand hield hij den uit verschillende edele metalen kunstig bewerkten schitterenden schepter. Op de uitgestrekte rechterhand droeg hij eene zegegodin van dezelfde stof, als waaruit de gestalte des Gods zelven was gevormd. Op vier zuilvormige pooten, waartusschen nog kleine kolommen stonden, verhief zich de sierlijke troon, prijkend in bonte afwisseling, in een glans van goud en marmer, ebbenhout en elpenbeen. Donkerblauw was de vlakke voorzijde van den troon geverfd; een donkere achtergrond deed den glans van het goud en het ivoor te beter uitkomen.Vol diepen zin omgaf van alle kanten rijk beeldwerk de gestalte van den God en den troon. Op de punt van den schepter zat een adelaar, gouden leeuwenbeelden versierden de bank, waarop de voeten van den beheerscher der Goden rustten, Sphinxen droegen de leuningen van den troonzetel, zinnebeelden van de onnaspeurlijke raadsbesluiten van Cronion17. Op de zijvlakken van den troonzetel schitterden, door de hand van Panaenus geschilderd, in hellen kleurengloed de daden van Heracles, den beroemden zoon van Zeus. Andere heldendaden prijkten er nevens: alsmede de afbeeldingen van verschillende wedstrijden te Olympia.Op de breede vlakte van het voetstuk echter, waarop de troon zich verhief, steeg de heerlijkste dochter van Zeus, de gouden Aphrodite, uit het schuim der zee.Goddelijk genadig was het aangezicht van den Olympiër en toch vol onbeschrijfelijk verheven ernst. De milde goedheid was met strenge kracht en diepe wijsheid vereenigd. Machtig echter en overweldigend was de uitdrukking der hoogste majesteit.Aspasia verborg schier ontsteld het hoofd aan de borst van Pericles. Een schier onaangename indruk maakte op haar deze schitterende, overweldigende gestalte. Hier was niets vrouwelijks meer[155]onder het goddelijke gemengd, zooals in de gestalte van den jonkvrouwelijke Pallas Athene. Hier was de manlijk ernstige, de strenge macht van den beheerscher der Goden tot de hoogste uitdrukking gebracht.Aspasia voelde bij dit gezicht eene diepe smart, die haar boezem doorvlijmde …Ook het Arcadisch meisje was in het eerste oogenblik hevig ontsteld: spoedig daarop echter kwam zij tot zich zelve en staarde naar den God met het vertrouwen van een kind.Het onweder was zacht en langzamerhand nader gekomen. Men zag door de opening van den tempel de bliksemflitsen door den hemel schieten en men hoorde uit de verte den rollenden donder.Aspasia wilde Pericles met zich medetrekken. Maar hij bleef in stomme verbazing, als in den grond geworteld, verzonken. Ook hij was gewoon van de beeldende kunst een liefelijken indruk te ontvangen. Hier echter zag hij het verhevene tegenover zich in nooit geëvenaarde gestalte. Het was, als lag er eene nieuwe openbaring in dit godsbeeld.Daarbuiten rolde al nader en nader de donder.Plotseling sloeg een bliksemstraal door de opening van het tempeldak.Pericles en Aspasia verloren voor een oogenblik hunne bezinning.Toen de helle gloed hunne oogen niet meer verblindde, zagen zij eene marmeren plaat in de ruimte van den tempel, waarop de twaalf Olympische Goden enreliëfwaren afgebeeld, door den bliksem zwart gemaakt en gebarsten …Het gelaat van Zeus had in den rossen gloed des bliksems een oogenblik eene vreeselijke, Titanische uitdrukking gehad. ’t Was, alsof zijne hand den bliksem had geslingerd, die zijne Olympische medegoden had verbrijzeld …Maar nu schitterde het gelaat des Gods weder in rustige majesteit, zoodat bij zijn aanblik de schrik dier bliksemflits was verzacht en verdwenen. Zoo groot scheen de God dat de bliksemstralen hem[156]slechts als een onbeduidende, matte vonkenregen omgaven.„Deze God van Phidias,” sprak Pericles, in diep gepeins verzonken, „is te groot voor de tempels der Hellenen. Hij streeft met zijn hoofd opwaarts naar het onbereikbare, naar het oneindige …”Slechts noode volgde Pericles eindelijk Aspasia op haar dringend verzoek.Zij zochten Phidias op.Deze echter had ongezien beiden nauwlettend gadegeslagen, terwijl zij voor het beeld des Gods in stomme verbazing stonden.Nu verliet hij den tempel, om zich aan hunne loftuitingen te onttrekken.Hij bleef voor hen verborgen.Toen Pericles en Aspasia in diepe gepeinzen verzonken in hunne woning waren teruggekeerd, schudde Aspasia den indruk van den ernstigen, verheven indruk van hare ziel af, evenals een vogel de parelende regendruppels van zijn lichte vederen afschudt.Niet alzoo Pericles.Doch Aspasia rustte niet, alvorens zij den Olympischen ernst van zijn voorhoofd had verdreven.Eindelijk trad ook bij hem het verbijsterend gevoel der verhevenheid van den onder bliksem en donder gezienen God op den achtergrond, en de bewondering van den onvergelijkelijken meester verkreeg in zijne ontroerde ziel de overhand.Nog met gesloten oogen, zag dien nacht in de sluimering het meisje van Arcadië zich omgolfd door lichtstroomen, wonderbaar vermengd met den gloed van goud, den glans van elpenbeen en het geflonker van den rossen bliksem.Pericles ontwaakte een paar maal verschrikt uit zijn slaap. Hij had gedroomd, dat de zittende God van Phidias zich in zijne geheele grootte had opgericht en met zijn hoofd het dak des tempels tot puin had gestooten.Aspasia had een anderen, even zonderlingen droom.[157]Zij zag den adelaar van Zeus, zooals hij van de punt des schepters neervloog naar het voetstuk en daar met zijn snavel de duiven der gouden, vroolijk lachende, zalige Aphrodite de oogen uitpikte …1Eene stad inBoeötiëin Midden-Griekenland (Hellas), ten westen van het meer Copaïs.↑2Een plaatsje in Arcadië; inBoeötiëlag ook een Orchomenus, N. W. van het meer Copaïs.↑3Lang haar te hebben gold bij de Grieken voor een sieraad, zelfs als een bewijs van welvaren en werd voor een teeken van trotschheid en overmoed gehouden. Vandaar, dat het Grieksche werkwoord, dat „lang haar hebben” (komân) beteekent, gelijkluidend is met onze uitdrukking: trotsch, pedant zijn.↑4Hellanodiken beteekent eigenlijk Hellenen-rechters; vandaar de kamprechters bij de Olympische spelen.↑5Rhapsode beteekent eigenlijk hij, die zangen samenvoegt; vooral worden onder rhapsoden zij verstaan, die de liederen van Homerus, Hesiodes en andere (vooral Epische) dichters tot een geheel vereenigden en van plaats tot plaats trokken, om die voor te dragen. Vandaar worden de verschillende boeken der Ilias en Odyssee rhapsodiën genaamd.↑6Panormus was eene belangrijke stad op Sicilië, het tegenwoordige Palermo.↑7Leontini eveneens eene stad op Sicilië, van Atheenschen oorsprong (370 v. C.)↑8Er waren drie steden van dien naam: Magnesia, een oud-Grieksche stad in Klein-Azië aan den voet van den Sipylus, Magnesia, aan denMaeander, ongeveer twaalf mijlen zuidelijker, en Magnesia, hoofdstad van een gelijknamig kustland van Thessalië aan de Pagasaeïsche baai (Golf van Volo). Dit laatste Magnesia zal hier wel bedoeld worden.↑9Larissa was de hoofdstad van Pelasgiotis, een landschap in Thessalië; het wordt ook als de hoofdstad van geheel Thessalië beschouwd.↑10Bewoners der steden Demetria,Lechaeum, Phlius en Cenchrae, in de Peloponnesus.↑abcd11Alle Grieken.↑12De Lapithen was een woeste volksstam in Thessalië, nabij den Peneüs. Als stamvader van hen gold Lapithes, de zoon van Apollo en Stilbe, gelijk Centaurus voor dien der Centauren. Na aanhoudenden strijd met de Centauren dolven ten laatste de Lapithen het onderspit.↑13Stadion is eigenlijk eene lengte van 600 Grieksche voeten, ongeveer 188 Nederlandsche el; veertig stadiën komt dus ongeveer met een geographische mijl overeen. Voorts beteekent het de lengte van de renbaan te Olympia en in het algemeen: de renbaan.↑14Hippodromos is de plaats, waar de paarden om het hardst liepen, de renbaan: zie deel II,noot 1 pag. 8.↑15Horkios beteekent: tot den eed behoorend; een bijnaam van Zeus als handhaver en beschermer van den eed.↑16Zie Deel I,noot 1 pag. 204.↑17Zie Deel I,noot 1 pag. 63.↑

[Inhoud]XVIII.DE NIEUWE GOD EN ZIJN BLIKSEMSCHICHT.Niet om de Olympische wedloopers naar den eindpaal te zien vliegen, niet om de worstelaars en vuistvechters in het zand te zien bijten, niet om de duizendvoudige bijvalskreten van het volk der Hellenen te hooren, waarmede zij de overwinnaars in den wedloop, in het worstel- en vuistgevecht, in het springen, in het werpen met speer en schijf, in den wapenloop begroetten, waren Pericles en Aspasia naar Elis gekomen. Hunne harten verlangden vurig naar hun vriend Phidias, toen zij in den[128]glans van een heerlijken morgen de gevierde, door de wateren van den heiligen Alpheüs doorsneden dalvlakte van Olympia bereikten. Alle wegen, die van de Arcadische bergen of uit het zuiden van de Peloponnesus over Messenië of van het noorden over Achaëe naar het Elische strand voerden, boven alles echter de zoogenaamde heilige feestweg, die langs den Alpheüs liep, wemelden van wandelaars; ook over de golven der westelijke zee in de nabijheid zagen zij de bekranste schepen van Italië’s en Sicilië’s kusten naderen.Weldra bevonden zij zich in het gewoel van de karavanen der feestgezantschappen, die zich naar het Pisatische strijdperk begaven; geen enkele Helleensche staat van eenig belang had verzuimd zulk een gezantschap te zenden. Waar zulk eene karavaan op den weg kwam, drong zich de stroom der overige pelgrims te voet en met rijtuig opeen en allen staarden verbaasd den stoet aan en hen, die in prachtgewaad, bekranst op den bekransten wagen zaten en den wagen zelven die niet zelden met schilderwerk versierd, verguld en met tapijten behangen was, ook de heerlijke offerdieren, het kostbare offergereedschap, het talrijke geleide.Niet verre van de standplaats der tenten en winkels, ongeveer tegenover den ingang van het woud, bevond zich eene groote beeldhouwerswerkplaats. Ze was sedert jaren die van den vermaarden Phidias; hier voltooide hij gemeenschappelijk met Alcamenes en andere zijner leerlingen in de eenzaamheid der Elische vallei, wier rust alleen om de vier jaar door het Olympische feestgewoel werd verstoord, het grootste en diepzinnigste zijner beelden. De drukte van het vroolijke Athene ontvloden, vrij van alle invloeden, die de vlucht zijner gedachten met bloemenketenen naar de aarde zouden willen trekken, schiep hij hier in de eenzaamheid, door de berglucht verkwikt, onder het geklater van den heiligen stroom, zijn Olympischen Zeus.[129]Uit de werkplaats van Phidias ziet men twee mannen komen en den oever van den Alpheüs stroomopwaarts bewandelen.In een van deze mannen herkennen wij den vurigen Alcamenes. Zijn makker is de beroemde Polycletus van Argos, door zijn marmeren en metalen beelden met den Athener wedijverend, maar, met den kalmen en rustigen geest van den Peloponnesiër, het menschelijke als zoodanig rein trachtende op te vatten, en boven alles het mannelijke, ’t welk hij het liefst in standbeelden van athleten uitdrukte. Zijne school was Olympia: hier oefende en volmaakte hij zijn oog en geest aan de levende omtrekken van een harmonischen, krachtigen lichaamsbouw.Het verschil van richting in hunne kunst verwijderde, zij ’t ook schier onbewust, Phidias en zijn Argivischen mededinger. Terwijl de Athener geloofde, dat de eenvoudige kunst van den Argiver te hoog werd aangeslagen, vond deze zich heimelijk gegriefd, dat men hem, den Peloponnesischen kunstenaar, voorbij was gegaan en den Athener met zijne leerlingen geroepen had, om het grootste en verhevendste kunstwerk op Peloponnesischen bodem te voltooien. Dit was een dier Atheensche triomfen, welke Aspasia Pericles had voorspeld, toen zij hem zocht te bewijzen, dat een staat door de beoefening van het schoone zijne mededingers kon overvleugelen …Zoo was Polycletus gedurende zijn oponthoud te Olympia verstoken van den omgang met Phidias en zijne jongeren, met uitzondering van Alcamenes, wiens openhartig, vroolijk en levendig karakter zich gaarne over kleinigheden heen zette en die dan ook zooeven, bij eene toevallige ontmoeting, een onbevangen gesprek met zijn Argivischen kunstbroeder had aangeknoopt.Polycletus, een ernstig, verstandig man, die met Phidias en zijne school zonder eenigehartstochtelijkebitterheid naar den eerepalm dong, vroeg naar Agoracritus, daar hij zich verwonderde waarom[130]deze zijn meester niet gevolgd was, om evenals op de Acropolis te Athene, ook hier aan zijne zijde het roemvol werk te helpen voltooien.„Te recht verwondert gij u,” zei Alcamenes, „dat juist de geliefdste leerling van den meester hier ontbreekt, terwijl ik—die sedert de overwinning, welke ik met mijne Aphrodite op hem behaald heb, mij nauwelijks meer op de persoonlijke genegenheid van den meester mag beroemen—deze toch herwaarts gevolgd heb en voortga aan zijne zijde te arbeiden. Nu, als men samen leven en werken zal, komt het er niet zoozeer op aan of men elkander meer of minder liefheeft, als wel daarop of men een gemakkelijk karakter bezit. Ik voor mij zou den omgang met Agoracritus, hoewel hij geweldig op mij gebeten is, best kunnen uithouden; doch hij kan dit niet; en alleen om mijn gehaat gezicht niet meer te zien, is hij sedert de voltooiing van het Parthenon heengegaan. Hij heeft intusschen op zich genomen, een Zeus, die Coronea1hem heeft opgedragen, te vervaardigen. Maar evenals hij des tijds, toen hij zich voorgenomen had eene Aphrodite te beitelen, eene Nemesis schiep, zoo hield men zijn Zeus, toen deze daar voltooid stond, voor een God der onderwereld. Zoo verdiept hij zich altijd in het sombere, en daar mijne kunst steeds eene tegenovergestelde richting heeft gevolgd, zijn wij allengs zulke tegenvoeters geworden, dat wij volstrekt niet meer in staat zijn aan de uitvoering van hetzelfde ontwerp met elkander te arbeiden.”„Uw levendige geest, Alcamenes,” hernam Polycletus, „doet u zulke groote vorderingen in de kunst maken, dat uwe makkers u niet gemakkelijk kunnen volgen.”„Ik kan mij hier vrijer bewegen, dan bij de werken op de Acropolis te Athene,” zei Alcamenes. „Daar moest in alles, naar een vast plan van[131]den meester, eene volstrekte eenheid heerschen; hier liet hij mij en Paeönius, naar vrije verkiezing, de uiterlijke versiering des tempels over; hij zelf echter bleef geheel en al verdiept in gepeinzen over zijn Olympischen beheerscher der Goden.”Toen Alcamenes deze woorden gesproken had, bleven zijne oogen plotseling gevestigd op een verwijderd punt in ’t gedrang van hen, die zich langs den oever van den Alpheüs bewogen. ’t Scheen, dat hij daar iemand had herkend en zijn geheele wezen begon eene ongewone aandoening te verraden. Hij keerde zich tot Polycletus en zeide:„Ziet gij ginds dien statigen en eerwaardigen man, die aan de zijde van eene dichtgesluierde vrouw van bekoorlijke gestalte zich in ’t gewoel een weg zoekt te banen? Het is Pericles uit Athene, vergezeld van zijne gade, de schoone Milesische Aspasia.”„Ja waarlijk,” antwoordde Polycletus. „Ik herken Pericles; ik heb hem vóór jaren in Athene gezien. Maar die schoone vrouw is mij geheel vreemd.”„Eene even gevaarlijke en sluwe, als schoone vrouw,” hervatte Alcamenes. „Men kan haar niet beminnen zonder haar te haten, en niet haten, zonder haar te beminnen.”Toen Pericles en Aspasia Alcamenes zagen, en bij hem Polycletus, en het Atheensche paar genaderd was en de beide beeldhouwers elkander hartelijk hadden begroet, vroeg Pericles aanstonds naar Phidias.„Wij zijn,” zeide hij, „gisteren avond laat te Olympia aangekomen, niet om de spelen bij te wonen, die voor mij de bekoorlijkheid der nieuwheid al lang verloren hebben en die mijne gade, als vrouw, niet mag zien, maar alleen om Phidias en zijn God, van wien men thans reeds met den grootsten lof gewaagt. Nu zijn wij juist voornemens den meester op te gaan zoeken en gij, Alcamenes, zult ons ongetwijfeld gaarne begeleiden.”„Hij bevindt zich in het heilige woud,” hernam Alcamenes, „in den pas voltooiden tempel van[132]Zeus. Hij heeft zich daar met zijne medearbeiders opgesloten en wil niemand bij zich toelaten, deels om niet in zijn werk gestoord te worden, deels om zijn gewrocht niet eerder aan de oogen der menschen bloot te stellen, vóór het op de bestemde plaats en in al zijne heerlijkheid voor hen staat. Eerst na den afloop der spelen zal de tempel geopend worden. Hoe onverbiddelijk de afgetrokken en schier menschenschuwe man allen ook van zich weert, zoo wil ik toch beproeven, in den afgezonderden tempel tot hem door te dringen en hem gasten aan te kondigen, die hij ongetwijfeld met groote vreugde zal ontvangen.”„Neen, Alcamenes, doe dat niet,” zei Pericles, „ook door ons moet Phidias niet in zijn arbeid gestoord worden en ook van ons zal hij begeeren, dat wij zijn werk niet dan in den vollen luister zullen zien. Wij zullen een weinig geduld oefenen. Doch de feestelijke opening van den tempel denk ik niet met Aspasia af te wachten. Niet in ’t gedrang van tallooze Hellenen zouden wij dat gezicht voor het eerst willen genieten. Ik hoop ten minste, dat Phidias ons één dag van te voren in de zalen van den nog eenzamen tempel zal toelaten en ons vergunnen zijn volkomen afgewerkt godenbeeld in stilte te beschouwen.”„Gij zult, Pericles,” hernam Alcamenes, „zeker hierdoor een vurigen wensch van den meester zelven vervullen. Wilt gij derhalve Phidias voor het oogenblik in zijn tempel ongestoord laten, stel u dan te vreden met mij en den wakkeren Polycletus, die op den bodem van Olympia beter te huis is dan nauwelijks eenig Helleen, en wiens metalen of marmeren beeld ginds tusschen het loof der platanen en olijfboomen van het heilige woud u toeblinken.”Onder vriendelijke dankbetuiging namen Pericles en Aspasia het geleide der beide groote kunstenaars aan.Zij wandelden samen door het onafzienbare gewoel op de groote, vrije ruimte, die zich uitstrekte[133]tusschen den schaduwrijken oever van den Alpheüs en het heilige woud Altis, waar de nieuwe feesttempel van den Olympischen Zeus zich verhief, te midden van eene menigte metalen en marmeren beelden.Zij gingen langs de huizen, bestemd voor de tallooze personen, die tot den dienst van den tempel behoorden, langs de herbergen, die op verre na niet voldoende waren voor de vreemdelingen, langs de ruimten waar de strijdwagens bewaard werden, langs de stallen, waarin de edele rossen en muildieren hinnikten. Het grootste deel van het saamgestroomde volk zagen zij in de open lucht onder tenten gelegerd.Na weinige schreden trof hun blik de prachtige tent van het feestgezantschap uit Sicyon, iets verder die van Corinthe, vervolgens die van Argos, Samos, Rhodos en andere. Om deze tenten heerschte een groote drukte, vooral van hen die landgenooten waren van de verschillende gezanten. Dan klonk het: deze hier is de prachtige tent van den rijken Periander uit Chios, die van den vermogenden Euphorides uit Orchomenus2, gene van den rijken Pauson van Eretria. De bewoners der tenten stonden aan den ingang, druk en met levendige gebaren zich onderhoudend; zij groetten hunne vrienden en noodigden hen uit, onder de schaduw van hun purperen tent te komen uitrusten. Vreemde, door de zon gebruinde jongelingen naderden hen en trachtten met de helft van gebroken ringen, wier andere helft in de handen van den toegesprokene zich bevond, zich als zonen en verwanten van oude gastvrienden te doen erkennen. Winkels van allerlei aard sloten zich bij de bonte tentenrij aan.De volksmenigte woelde dooreen. Men hoorde de verschillende Helleensche tongvallen door elkander. Men verstond elkaar niet altijd. Naast de vrij[134]harde taal van den Peloponnesiër, de breede van den Thebaan, de platte van den Megarenser, klonken de weeke Ionische en Aeölische tonen. In het gewoel der Hellenen waren boven allen, de levendige, vroolijke Atheners herkenbaar, benevens de ernstige, sombere Spartanen. Dikwijls wierpen zij elkander een blik van diepen haat en afgunst toe.Ook de reusachtige gestalten der athleten, kon men daar zien rondwandelen. Men wees hen met den vinger aan en noemden hunne namen en hunne overwinningen.Vóór de tent van het feestgezantschap uit Cios zagen Pericles en Aspasia een weenenden knaap, dien een hoogbejaarde grijsaard, zijn grootvader wellicht, te vergeefs zocht te troosten. Pericles vroeg naar de oorzaak dezer tranen en vernam, dat de jongen, onder beschuldiging van verwijfdheid, van den wedstrijd der knapen was uitgesloten, omdat hij met lang haar3en een purperen kleed te Olympia gekomen was. Met half spottende, half berispende woorden laakte Aspasia, zonder zich te ontzien voor hen, die het hooren konden, de harde, oudvaderlijke gestrengheid der Elische kamprechters; daarop streek zij den knaap vertroostend over de donkere lokken en zei: „Schrei niet, beste jongen! Pericles van Athene zal voor u een goed woord doen bij de Hellanodiken.”4Al meer en meer vulde zich de ruimte. Hier en daar verdrong zich de opeengepakte massa. Pericles en Aspasia ontmoetten al voortwandelend groepen, die zich verzamelden om beeldhouwers, welke hunne werken hier openlijk ten toon stelden, of om rhapsoden5, of om een man, die, op een spreekgestoelte[135]staande, aan het luisterend Helleensche volk de door hem opgestelde geschiedenis van Grieksche staten en eilanden voorlas, of om een voortreffelijk toonkunstenaar, of om mannen, die in trotsche houding en purperen gewaad door de hen aangapende menigte gingen, Sophisten die den roem van hun naam te Olympia nog verhoogen wilden en bereid waren voor de hen omstuwende menigte eene schitterende rede te houden over welk onderwerp men maar wilde, of om een onaanzienlijk mannetje, op wiens kalen schedel onder de brandende zonnestralen van Elis het zweet als morgendauw flikkerde en die een sterrekundige fabel, een werk van scherpzinnige en ingewikkelde berekeningen, ter algemeene bezichtiging stelde.Een hoogbejaarde Spartaan, met sneeuwwitte lokken, zag met donkere en onvergenoegde blikken naar al die eerzuchtige bedrijvigheid.„Ik prijs den tijd gelukkig,” zeide hij tot een vriend aan zijne zijde, „toen Olympia niets meer was dan de kampplaats voor ’t aan den dag leggen van Helleensche manlijke kracht, terwijl zij nu veeleer tot eene vertooning van vrouwelijke en verwijfde kunsten misbruikt wordt. Toen ik nog een knaap was, was hier niets te koop dan onmisbare levensmiddelen, alsmede benoodigdheden voor het feest zelf, als sieraden, hoofdbanden, kransen. Thans pralen de winkels van ijdelen opschik; wij hebben ten tijde van het feest hier eene groote kermis van Hellas, waar de winkeliers van alle steden en eilanden hunne verleidelijkste waren te pronk willen stellen. Het krioelt hier steeds meer van raphsoden, toonkunstenaars, beeldhouwers, wijsheidsvrienden en ander volk van dat slag. Na korten tijd zal het grootsche doel van het overheilige Olympische feest onder de tentoonstellingen en vertooningen van onmanlijken wedijver waarmede de Atheners en andere Hellenen van het vlakke land, der eilanden en Ionische kusten elkander de loef zoeken af te steken, verdwenen zijn. Eerzuchtige dwazen! Ieder wil met iets pronken, ieder[136]opgemerkt worden. Ginds, ziet ge, snijden eenige Megarensers hunne namen in de schors der populieren aan den Alpheüs om toch ook iets voor hunne onsterfelijkheid te doen!”„Eenigen zie ik daar ook bezig,” hernam zijn makker, „met schoone, bonte kiezelsteentjes uit het zand van den heiligen stroom te zoeken. Ik moet daar ook eenige van verzamelen, om ze voor mijne jongens mee te brengen …”Na het uiten dezer woorden verdween de vriend van den Spartaan onder de populieren langs den Alpheüsoever. Hoofdschuddend zag deze hem na.Op dit oogenblik weerklonk weder de schelle, alles overheerschende stem van den heraut, die van tijd tot tijd door de tentenstad en het gewemel van menschen heenstappende de oogen en ooren van alle Hellenen voor een oogenblik op zijn persoon vestigde. Hij was de algemeene mond der Hellenen. Hij berichtte de meest verschillende zaken. „De Panormitanen6en de Leontiërs7deelen plechtig allen Hellenen mede, dat zij met elkander vrede hebben gesloten, na hunne geschillen door een minnelijke schikking bijgelegd te hebben.” En wederom: „De Magnesiërs8geven aan de Hellenen kennis, dat zij met de Larissaeërs9en Demetriërs10een eeuwigdurend verdrag van onderlinge verdediging hebben aangegaan.”Nu echter verkondde zijne krachtige stem: „De Lechaeërs10betuigen ten aanschouwe van hetgeheeleHelleensche volk den Phliasiërs10hun dank voor de hen betoonde hulp in den strijd met de Kenchraeërs10.”—„Dat was wel de moeite waard!” riep eenKenchraeër[137]met een spottenden glimlach. „Denken de Lechaeërs inderdaad, dat wij voor hen en de Phliasiër bang waren? Bij Heracles! Zij zullen op het volgende Olympische feest geheel andere mededeelingen door den heraut hooren doen!”„Niets dan snoeverij!” hernam hoonend een Lechaeër, die niet verre van hen verwijderd stond. „Bluf maar! Wij hebben nog pijlen genoeg om er de geheele stad der Kenchraeërs onder te bedelven!”„En wij nog lansen genoeg,” hernam de Kenchraeër, „om de nieren van alle Lechaeërs aan te spietsen!”„Pak u weg!” schreeuwde de van toorn gloeiende Lechaeër, „anders zult gij morgen uw gezicht in den spiegel niet meer herkennen!”—Tevens hief hij dreigend de vuist op.Een Athener greep zijn arm vast. „Wat moet dat?—Laat den Kenchraeër met rust, of gij hebt met mij te doen!”—„Ei, kijk hem eens!” sprak een Samiër onder de toeschouwers, die zich om de twistenden heen gedrongen hadden; „de Atheners willen zich zelfs in de gunst der Kenchraeërs dringen, en men weet, waar het met al hunne vriendelijkheden op uitloopt!”—„Ja wel, dat weten we!” riepen eenige Argivers en Spartanen. „Sedert eenigen tijd,” sprak een der Argivers, „geven de Atheners zich wonder veel moeite, om in goede verstandhouding te staan met de bewoners van den Isthmus en de passen van de Peloponnesus!”„Hebben zij dan daarvoor den tijd?” riep een der Spartaners met een grijnslach. „Is dan de groote Pericles, de Olympiër, al gereed met zijne groote, prachtige tempels en propylaeën en Pallasbeelden van goud en ivoor? En behaagt het de Hera van den Atheenschen Olympiër haar rijk ook aan gene zijde van de pijnboomwouden, van den Isthmus uit te breiden?”„Hare vrienden en voorvechters heeft zij immers[138]reeds vooruit gezonden!” riep de Argiver, met den vinger over zijn schouder naar de werkplaats van Phidias wijzend.De Atheners, die aanwezig waren, wilden zich die spotternij niet laten welgevallen. Wilder en heftiger dreigde de woordenstrijd te ontbranden.Daar klonk plotseling eene geweldige en welluidende mannenstem, zoo wonderlijk doordringend, dat oogenblikkelijk allen daarnaar luisterden.„Aan welken Helleen behoort de tong,” riep de machtige redenaar, „die daar durft spotten met de nieuwe tempels en godsbeelden der Atheners? Wat er roemrijks te Athene geschapen is dat is gewrocht ter eere van den gemeenschappelijk en Helleenschen naam! En bedenkt, dat sedert eeuwen altijd vrede is gehouden door onze vaderen, van welken stam zij ook waren, op deze plaats, waar de heilige wateren van den Alpheüs de maat klateren voor de Olympische feestreien van het gansche Helleensche volk. Tot een vreedzamen wedstrijd zijn wij steeds herwaarts gekomen; hier was het heilige grond, hier de godsvrede. In het tempelgebied van den gemeenschappelijken God Zeus vereenigt ons het feest der Panhellenen11. Houd vrede, Hellenen, op de Pisatische landauwen! Hier moeten geen wapenen getrokken worden, hier mag geen metaalgekletter gehoord worden, dan de klank der halve ringen, die tegen elkander gehouden worden; hieraan kunnen Helleensche gastvrienden van alle oorden elkander herkennen!”—De kreet „Pericles” weerklonk na deze woorden door de menigte: „Pericles van Athene! Pericles, de Olympiër!” Vaders hieven hunne jongens op, om hun Pericles te toonen. Slechts door weinigen was hij te voren herkend geworden. Thans, nu hij gesproken had, nadat zijne donderende welsprekendheid had weergalmd, herkende hem het gansche Helleensche volk. En nog vond, wat hij gesproken had, weerklank in de harten der bewegelijke,[139]licht ontvlambare Hellenen. Kreten van toejuiching weerschalden tot over den Alpheüs en de wateren van den stroom schenen bruisend in te stemmen in den algemeenen bijval.Pericles onttrok zich aan de menigte door zich met Aspasia en zijne vrienden naar het heilige woud Altis te begeven, waar hij zich verloor tusschen de tempels en heiligdommen van allerlei soort, de standbeelden, drievoeten en gedenkzuilen, waar het gebladerte der olijfboomen, platanen en palmen ritselde. Van de gevelspits van den nieuwen Zeus-tempel schitterden hun eene vergulden Zegegodin tegen, tusschen twee eveneens vergulde vaten, in oogverblindenden glans. Zij beschouwden op den achtergevel de beelden van Alcamenes. Hij had daar den strijd der Lapithen12en Centauren voorgesteld en daarin zijne voorliefde voor bewegelijkheid en veelvuldige afwisseling van houding en gebaren, meer dan op de Acropolis, den vrijen teugel gelaten.Begeleid door Polycletus en Alcamenes beschouwden Pericles en Aspasia daarop de overige tallooze wonderen van het heilige woud.Ten laatste bestegen zij eene vrije trap, die uit Altis noordwaarts naar een groot, breed terras leidde. Dit terras breidde zich langs den zuidelijken voet van den Cronos-heuvel tot aan het stadion13uit. Op die vlakte verhief zich eene lange rij van zoogenaamde schatkamers van verschillende steden, waarin deze hunne naar Olympia gezonden wijgeschenken bewaarden.Van de schatkamers van den Cronos-heuvel opwaarts gaande, bezichtigden Pericles en Aspasia de heiligdommen, die dezen heuvel versierden. Van den top daarvan hadden zij het schoonste gezicht op[140]Olympia. Zij zagen onder zich het heilige woud Altis met zijne tempels en standbeelden in zijne volle uitgestrektheid; zij zagen aan gene zijde van Altis den majestueuzen stroom, den Alpheüs, door de vlakte heenschieten; zij zagen ter rechter zijde de rivier Cladeüs, die op de Pisatische bergen ontspringend, zijne wateren met die van den Alpheüs vermengt; zij zagen ter linker zijde het stadion en den hippodromos14, de plaatsen voor de Olympische wedstrijden, die het heilige woud begrensden. Rechts van den Cronos-heuvel, nabij den noordelijken uitgang van Altis, zagen zij gebouwen, die het middelpunt van het bestuur van Olympia uitmaakten en waar zoowel de kamprechters als de athleten zelven, vóór het standbeeld van den met den dubbelen bliksem gewapenden Zeus Horkios15, de wetten van den strijd bezwoeren. Verder was van alle kanten niets te zien dan de krans van hooge bergen, in wier hoede het heilige feestterrein van Olympia lag.Het oog der mannen weidde met welgevallen over deze tafereelen. Aspasia echter begon over de geweldige hitte te klagen en over de vele muggen, die haar kwelden.„Hoe komt het toch,” zeide zij, „dat de Hellenen voor hunne athleten wedstrijden het warmste van den zomer en deze muffe, drassige vallei van den Alpheüs hebben gekozen?”„De stichter Heracles heeft aan de muggen niet gedacht,” zei Alcamenes lachend.„En wij mannen tot heden ook nog niet,” voegde Pericles er bij. „Maar nu ik er eenmaal opmerkzaam op gemaakt ben, moet ik u gelijk geven, Aspasia. Die tallooze bloedzuigers zijn geweldig lastig.”Door Altis terugkeerend, vertoefden Pericles en Aspasia alleen nog bij de standbeelden van Polycletus.[141]Steeds levendiger werd inmiddels in den loop van den dag het gewoel en de drukte tusschen Altis en den Alpheüs. Talrijker offers werden des avonds op de met bloemen bekranste altaren der Goden gebracht. Men zag de athleten de ingewanden der offerdieren beschouwen, hopende daaruit een gunstig voorteeken voor den strijd te zullen vinden. De grootste schare van toeschouwers stroomde naar het plechtige brandoffer op het overoude beroemde aschaltaar van Zeus.De verrichtingen van deze heilige plechtighedenduurdentot diep in den nacht, onder de tonen der muziek en bij het schijnsel der maan, die bijna vol was. Alles had plaats op eene hoogst ernstige wijze, in eene schoone orde en eene eerbiedwekkende stilte. Te middernacht eerst werden de fakkels in het heilige woud uitgebluscht en de laatste vlammen op de altaren verdoofden allengs. Nu echter stormde reeds een niet onaanzienlijk deel van het volk naar de renbaan, om daar, na eene goede plaats bemachtigd te hebben, het krieken van den dageraad en het begin der spelen af te wachten.Den volgenden morgen bestegen Pericles en Aspasia wederom den Cronos-heuvel.Het oog van Pericles was gevestigd op het stadion, dat uit de verte zichtbaar was, met die belangstelling, die zulk een schouwspel elken Griek steeds inboezemde. Hij had zich alleen ter liefde van Aspasia het genot ontzegd zich van nabij onder de toeschouwers in het stadion zelf te begeven. Niet met hetzelfde welgevallen richtte de Milesische het oog naar de kampplaats, waar de lichaamskracht, door geweldigen, ja schier moordlustigen ijver verhoogd, te midden van stof en brandende hitte ten toon werd gespreid.„Waarom laat gij uw oog bijna verachtend over die belangstellende menigte dwalen?” vroeg Pericles.„Heeft het niet den schijn,” zei Aspasia, „dat het Helleensche volk, zoo groot geworden in vele[142]dingen, die waarachtig schoon en heerlijk zijn, den grootsten zijner eerepalmen voor de athleten te Olympia bewaarde? Moet dan waarlijk de kracht der armen en de snelheid der voeten als de hoogste aller voorrechten gelden op Helleenschen bodem?”„Ik begrijp u,” hernam Pericles, „gij zijt de voorvechtster der vrouwelijkheid en van al wat het leven verfijnt, veredelt en schooner maakt. Hier echter viert de ruwe, manlijke kracht haar triomfen.”„Een echt, verkwikkelijk schouwspel voor Doriërs,” zei Aspasia, „is zulk een worstel- en vuistgevecht, waarbij de mannen tegen elkander woeden, tot het bloed hun uit mond en neus stroomt. Gij hebt gelijk, ik haat die spelen; want waar het manlijke haar doel voorbij streeft, daar schijnt het mij niet ver van de barbaarschheid te zijn. Ik vrees, dat de ruwe bekoorlijkheid van dit schouwspel het gemoed der menschen hoe langer zoo meer verderft en hen opnieuw tot hunne vroegere verwildering en ruwheid terug zal voeren.”„Gij overdrijft!” hernam Pericles glimlachend.De lijnrecht tegen elkander overstaande zienswijze van Pericles en Aspasia over dit onderwerp zou nog vóór het einde van dezen dag door een klein tooneel, dat zij bijwoonden, versterkt worden.Toen namelijk Pericles en Aspasia aan den avond van denzelfden dag, vergezeld door Polycletus en Alcamenes, in den omtrek van het stadion wandelden en Aspasia de haar onbekende plaatsen beschouwde, gebeurde ’t dat, terwijl zij juist op eene steenen bank zich nederzetten om te rusten, een troep athleten, die aan den strijd dien dag deel hadden genomen, een andere troep ontmoette, waarop de geheele schaar, die zich deels op den grond neervlijde, in een levendig gesprek gewikkeld werd. De gevechten van den eersten dag werden met woorden nog eens gestreden en iedere overwinning aan eene scherpe critiek onderworpen. Zij, die overwonnen waren, zetten uiteen door welk toeval hunne tegenstanders hen onder gekregen[143]hadden en hoe de overwinning maar aan een haar had gehangen, of zij beschuldigden hunne kampioenen openlijk dat zij tegen de regels van het gevecht gezondigd hadden. Doch het baatte hun doorgaans weinig en zij moesten soms nog den spot hunner kameraden verduren.„Om het even, beste Theagenes,” klonk het, „gij moet de builen maar dragen, die Nicostratus u geslagen heeft. Gij ziet er erbarmelijk uit, met uwe olielappen om uw gewond hoofd en gij riekt als een lantaarnpaal.”„Spot maar!” hernam de aangesprokene, een nog jeugdig worstelaar en vuistvechter, die deerlijk toegetakeld was en daarom zijn hoofd met een in olie gedoopten doek had omwonden.„Spot maar!” zei hij; „ik heb nu eens geprobeerd, wat vleesch en been kunnen verdragen. Slagen heb ik op mijn hoofd gekregen, die, geloof ik, een rotsblok zouden verbrijzeld hebben. Maar meent gij, dat ik buiten eene kleine gloeiing, eenigen last aan mijn hoofd merk? Op zijn hoogst zijn een paar onschadelijke builen wat opgeloopen. Maar de rug begint mij nu wat zeer te doen—’t kan wel van den geweldigen val komen, waarmede ik in den worstelstrijd op den grond te recht kwam.”„Men ziet, dat gij een nieuweling zijt!” zeiden de anderen, „daar gij nog niet weet, dat het hoofd het minst gevoelige deel van den mensch is, de rug echter het teerste!”„Uw rug zal in drie dagen wel weer beter zijn,” zei een van hen; „maar zie mij eens aan: vanwaar zal ik mijne tanden terugkrijgen? Had ik ze uitgespogen, toen een vuistslag van Meleager mij trof, dan had ik mijn verlies daarmede te kennen gegeven; daarom heb ik ze liever naar binnen geslikt. Het is onpleizierig zijne tanden in plaats van in den mond in de maag met zich te dragen.”„Gij zult ze verteren!” zeide Boeötiër Cnemon. „Eenathletenmaagmoet ook tanden kunnen verduwen.”[144]„Daarvan zal ik bezwaarlijk zooveel vleesch van op mijn lijf krijgen als gij hebt!” voegde Theagenes hem toe.—Cnemon was inderdaad een oudachtige, stoere kerel, die het merg van vele runderen, kalveren en lammeren in zich had opgenomen. Zijne ooren waren gekwetst door vuistslagen: van staal scheen zijn vleesch op zijn breede, gewelfde borst en rug: hij geleek op een metalen standbeeld. De spieren lagen op zijne armen rond en vast als steenen in de bedding eener rivier, die de stroom door haar golven langen tijd voortgestuwd en rond gesleept had.„Meent gij,” riep hij, „dat ik voor een uwer onderdoe, omdat ik een weinig zwaarlijvig ben en niet zoo snel ter been als gij? Nu, een hardlooper ben ik niet maar ik ben een kerel, dien men evenmin omverwerpt als eene koperen zuil. Schoon de aarde zelve ook mocht beven—blijf ik nog staan!”Daarop lei Cnemon eene werpschijf op den grond,ging er op staan en vervolgde:„Welaan! is er één onder u, die mij er afwerpt?”Te vergeefs beproefden de athleten, de een voor, de ander na, hunne kracht aan den kolos. Nu liet Cnemon de werpschijf met olie begieten, zoodat zij zeer glibberig was. Maar ook nu nog handhaafde hij zijne stelling.Toen strekte hij zijne rechterhand uit, eveneens de vingers en hield ze vast tegen elkander gesloten. „Nu, beproef het eens,” riep hij, „om de pink van de overige vingers los te trekken!”—Zij beproefden het, maar de pink scheen als met staal aan de andere vingers gesmeed te zijn.„Dat beteekent nog niets!” riep snoevend de Argiver Sthenelus. „Ik houd, als het moet, een vierspan in volle vaart tegen, door met de hand in de spaken te grijpen!”„En ik,” zei de Eleër Thermius, „ik heb te Pylus eens een hengst bij de hoef gegrepen en toen hij zich losrukte hield ik de hoef in de hand.”[145]„Dat zijn sterke toeren,” zei de Thessaliër Euagoras, „maar doet het mij eens na, wat ik te Larissa gedaan heb: ik heb den beroemden hardlooper Cresilas in vollen ren de sandalen van de voeten gehaald!”„Hoe?” riep de SpartaanAnactor, „deThessalischehardlooper zal tegenover mannen van de vuist zich durven beroemen? Wat helpen u uwe snelle beenen, als ik u in het stof doe bijten?”„Mijne vuisten zijn niet slechter dan mijne beenen!” riep de Thessaliër, „en als ik u maar even aanraak, dan kunt gij uwe botten hier uit het zand bijeen rapen!”„Zwijg!” schreeuwde de Spartaan, „anders sla ik u de oogen uit, evenals de kok den inktvisch!”„Ik maal u tot gruis,” duwde hem de Thessaliër toe, „zoodat de mieren u bij kruimels kunnen wegdragen!”„Gij vecht met woorden,” riep deBoeötiërCnemon daar tusschen in. „Dat is geen gebruik bij ons athleten. Laten wij het liever met daden bewijzen.”„Dat willen wij doen!” riepen beiden.„Uitstekend!” zei de dikke Thebaan: „maar wat wilt gij eigenlijk? Wilt gij om het hardst loopen of wilt gij elkaar met de vuisten te lijf? Dat zijn volstrekt geen te verachten toeren. Evenwel, weet gij wat het meesterstuk is van den athleet en waarin zich alle athleten, hetzij hardloopers of vuistvechters of wat ook, op een gelijk terrein bevinden?”„Wat dan?” vroegen de Spartaan en de Thessaliër te gelijk.„De beste proef van den athleet,” zei de Thebaan, terwijl hij zich over zijn buik streek, „blijft de kracht der verduwing. Denkt eens aan Heracles: hij verworgde de leeuwen bij dozijnen in het gebergte, doch hij was ook de man, die een stier in één maal opat. Dat noem ik mannenwerk! Laat, ik wil niet zeggen een rund—want wat zou Heracles beteekenen, als hij niet de eenige in zijne soort[146]bleef?—maar toch een grooten, vetten hamel braden, deelt dien in twee gelijke helften en eet hem in éénmaal op! „Wiens maag het eerstdendienst weigert, die moet zich overwonnen geven; want hij is de zwakste van u beiden.”„Bravo!” klonk het in de ronde. „Anactor en Euagoras zullen de groote athletenproef voor onze oogen nemen! Wij laten onmiddellijk een hamel halen en hem aan het spit braden.”Anactor en Euagoras namen de voorwaarden aan. En aanstonds verwijderden zich eenigen, om den zwaarsten hamel, die te vinden was, uit te zoeken.Zoover was het tooneel ten aanhoore van Pericles en zijne vrienden gekomen, toen Aspasia van hare zitplaats opstond en zeide: „Laat ons gaan, Pericles! ik heb niet langer de kracht deze Olympische wedstrijden aan te zien!”—Lachend verlieten nu ook de overige mannen hunne zitplaatsen en sloegen met Aspasia den weg naar huis in.„Het gevoel van Aspasia tegenover deze athleten,” sprak Alcamenes, „schijnt mij niet meer en niet minder te zijn, dan het gevoel van eene vrouw, die gezond is van lichaam en ziel en die door eene natuurlijke en billijke aandrift geleid wordt. Waartoe dienen eigenlijk die krachtige mannen? Zijn zij in den krijg geduchter dan anderen? Maaien zij rijen van vijanden neder als de Homerische helden? Neen! De ervaring leert het tegendeel. Zijn zij de rechte mannen, om zich omtrent de verbetering van het menschenras verdienstelijk te maken? Wederom, neen! Ook dat wordt door de ervaring tegengesproken. Zij deugen tot niets, dan tot hetgeen zij in het stadion onder de luide bijvalskreten der toeschouwers uitrichten.”„Inderdaad,” hernam Pericles, „niet uit de personen der athleten zelven blijkt het nut der kunst, die zij uitoefenen. Maar groot en onwaardeerbaar is de winst, die uit de tentoonspreiding van goed ontwikkelde kracht en uit de daarvoor ruim bewezen eer voortvloeit, in zoo verre, dat daardoor[147]het Helleensche volk ten levendigste er aan herinnerd wordt, dat men de gave des lichaams niet minder dan die des geestes kan ontwikkelen en der volkomenheid nader brengen. Grooter is het gevaar, dat de mensch zijne lichamelijke dan zijne geestelijke gaven veronachtzamen zal; want tot geestelijke ontwikkeling en werkzaamheid gevoelt hij zich aanhoudend door een innerlijken drang en door de noodzakelijkheid gedreven. De ontwikkeling echter van zijn lichaam pleegt hij aan de natuur over te laten, zoo hij niet buitenaf daartoe wordt aangespoord.”Onderwijl hadden de wandelaars juist het heilige woud bereikt en stonden opnieuw tegenover eenige standbeelden van overwinnaars, gebeiteld door de hand van Polycletus.Met den blik op de beelden gevestigd, sprak Aspasia het volgende:„Als ik de werken van Polycletus hier beschouw, dan schijnt het mij, dat de kunstenaar in dit geschil aan mijne zijde staat. Want noch de bovenmatige kracht noch de buitengemeene ontwikkeling der ledematen heeft de kunstenaar zich verwaardigd af te beelden; integendeel beelden en typen van de gewone maat, de harmonische, vol en rein ontwikkelde gestalte stelt hij ons voor oogen. Steeds komt het mij voor, dat de voortreffelijke Polycletus allen lof verdient, omdat hij niet als Phidias de sterfelijke natuur schier veracht, maar haar de eer geeft, die haar toekomt en dat hij, gelijk Phidias het goddelijke het verhevenst voorstelt, het zuiver menschelijke op de getrouwste wijze heeft nagebootst.”Een minder aangenamen indruk dan Aspasia dacht, maakte deze uitspraak op Polycletus.„De kunstenaar,” sprak hij, „is afhankelijk van de wenschen en behoeften dergenen, die van zijne kunst willen genieten. Dat in Hellas alleen aan Phidias de gave verleend is de Goden waardig af te beelden, schijnen althans ook de Eleërs te meenen, daar zij hem naar Olympia ontboden hebben. Niet alzoo echter de Argivers, die het met mij, den[148]inboorling, willen beproeven en mij opgedragen hebben het gouden en ivoren beeld van Hera in haren grooten tempel te Argos te vervaardigen.”Zoo sprak Polycletus en het gelukte Aspasia niet, de zichtbare ontstemdheid van den meester weg te nemen. Hij verwijderde zich niet lang daarna onder het een of ander voorwendsel.„Gij hebt, Aspasia,” zei Alcamenes lachend, „nu ook Polycletus een spoorslag gegeven, om zijn best te doen, dat de Hera van Argos den Zeus van Olympia waardig zij.”„Een voortreffelijk werk moge hij in wedijver met Phidias tot stand brengen,” zei Aspasia, „doch evenals Phidias, nadat hij met zijne Lemnische Pallas tot de aarde was neergedaald, spoedig weder opsteeg naar den Olympus en sedert dien tijd boete doet aan de voeten van den Olympischen Zeus, zoo geloof ik, dat Polycletus van den Olympus snel weder naar de aarde en tot zijn eigen gebied zal terugkeeren. Het valt niet te ontkennen, dat de prozaïsche Peloponnesiër in zijne beelden de verhevenheid en diepte van het zieleleven weinig uitdrukt, maar laten ook de Atheensche kunstenaars in dat opzicht nog niet veel te hopen en te wenschen over? Mag ik het u bekennen, dat ik somwijlen in den droom godengestalten zie, die tot dusverre geen Phidias, geen Alcamenes, geen Polycletus met den beitel heeft kunnen scheppen? Verleden nacht verscheen mij Apollo, mij de liefste van alle Goden, de God des lichts en der toonen. Hij verscheen mij in de wondervolle, slanke gestalte eens jongelings, vermetel en toch liefelijk, fier in het bewustzijn zijner zege en toch bevallig. Doodelijk getroffen kromden zich, alleen voor zijn aanblik en voor den boog in zijne uitgestrekte hand, de draken der duisternis. „Wie beitelt mij den God, zooals ik hem gezien heb? Zelfs gij niet, Alcamenes! En toch zijt gij de vurigste onder de beeldhouwers en met altijd jeugdige, ontvankelijke ziel geeft gij u over aan het leven en zijne bekoorlijkheid. Daarom[149]ontsluit ook het leven voor u zijn geheim en zijn machtigste adem trilt in uwe scheppingen en verwekt de rustige kalmte der reine vormen.”De oogen van Alcamenes gloeiden van geestdrift bij deze woorden.„Sedert langen tijd,” sprak hij, „zijn de Arcadiërs voornemens voor uw lievelingsgod een grooten tempel te bouwen, en zij wendden zich tot Phidias, om den fries met beeldwerken te versieren. Deze verwees hen naar mij. Maar de Arcadische mannen wikken en wegen lang en zij zullen nog menig jaar wachten, totdat misschien de God met zijne doodelijke pijlen hen hunner gelofte indachtig maakt. Als zij dan echter hun plan volvoeren en zich tot mij wenden, dan zullen de beeldwerken van den fries voor alle volgende tijden getuigenis afleggen van mijn kunstgevoel, waaraan ik, op uwe aansporing, Aspasia! den vrijen teugel liet.”„Wees geheel u zelf,” hernam Aspasia, „luister niet naar het woord der koele en strenge mannen, en gij zult iets scheppen, dat zelfs zij, die uwe manier afkeuren, in verbazing en bewondering zal brengen.”Van dit oogenblik af verdoofde de laatste vonk van wrok tegen Aspasia in het hart van Alcamenes.Hij zocht telkens opnieuw haar gezelschap, sprak met haar over zijne plannen en ontwerpen, werd door hare woorden ontvonkt en onderricht, en zij weigerde hem haar raad niet, dien hij ijverig zocht.Den volgenden dag was Pericles door een toeval verplicht zonder Aspasia een uitstapje te maken en haar in ’t gezelschap van Alcamenes, Polycletus en eenige andere vrienden, die hij te Olympia had gevonden, achter te laten. Na een vrij lang gesprek verwijderden zich al de mannen, behalve Alcamenes, die het onderhoud met zijne gewone levendigheid voortzette.Steeds opgewondener werden de woorden van Alcamenes, steeds vuriger zijne blikken.Maar niet alleen toonde zich Alcamenes hartstochtelijk[150]tegenover de gade van Pericles, toen hij zich met haar alleen bevond, maar hij sloeg ook ongemerkt, en naar ’t scheen, onwillekeurig een toon aan, die eenigszins aan de vroegere vertrouwelijkheid herinnerde. Gaf hem daartoe de welwillendheid recht, waarmede eens de door kunstzin bezielde Milesische in een vriendschappelijk verkeer hem bejegend had, hem den begaafdsten van Phidias’ jongeren?Aspasia nam dien toon van vertrouwelijkheid op, met een gevoel van gekrenkten trots.De hartstochtelijke Alcamenes begon vergelijkingen te maken tusschen de vormen van haarvroegeren, jeugdigen bloei en die van thans, sprak daarbij van die vormen, zooals men over dingen spreekt, waarmede men bijzonder vertrouwd is.Ook dit beleedigde de hooghartige Aspasia.Alcamenes greep hare hand, beschouwde ze met kennersoog, prees de bekoorlijkheid daarvan en zeide, dat deze hem eene onuitputtelijke bron was voor zijn kennis op het gebied der kunst.Aspasia trok hare hand terug en merkte aan, dat Theodota niet minder onuitputtelijk was in ditopzicht, door hare bekoorlijkheden.„Gij zijt boos op mij, omdat ik Theodota geprezen heb!” riep Alcamenes.„Heb ik u dat ooit laten voelen?” hernam Aspasia koel; „hebt gij mij vijandig tegen u bevonden, toen wij elkander hier weder ontmoetten? Heb ik opgehouden verwachtingen, die u tot eer verstrekken, omtrent u te koesteren en u als den bekwaamsten tot het streven naar het ideale aan te sporen? Ik wist, dat gij mij haattet, maar mij zijn de kunst van Alcamenes en Alcamenes zelf van elkander gescheiden. Ik heb noch de liefde noch den haat van Alcamenes beantwoord.”„Koel en verstandig,” zeide Alcamenes, „mogen uwe woorden klinken, maar zij zijn door heimelijke verbittering scherp en vlijmend. Gij zijt nog gebeten op mij, ter oorzake van Theodota! Vergeef mij, wat ik tegen u heb misdreven! Wat gij mijn[151]haat noemt, het was de wraak der liefde!”„Lang vóór uw haat mij openlijk bleek,” hernam Aspasia, „zeide ik u reeds, wat ik u zooeven herinnerde: dat de deelneming van eens menschen geest voor iets, geheel afgescheiden is van ’t geen zijn hart gevoelt.”„Ook bij de vrouw?” vroeg Alcamenes met een ondeugenden glimlach. „Ik herhaal u: gij zijt nog verstoord op mij ter wille van Theodota! En een werk der wraak was ’t wellicht ook, dat gij in mij de oude vlam weder hebt aangeblazen!—Nog eens, vergeef mij! Veroordeel in dit oogenblik het vuur niet, dat gij zelve overigens in ’t karakter van Alcamenes hebt geprezen!”Bij deze woorden omvatte de onstuimige jongeling, in steeds heftiger hartstocht ontgloeid, de vrouw van Pericles.De fiere schoone trof den aanrander met een blik, die hem weder tot bezinning bracht.Op dat oogenblik trad Pericles binnen.Hij las, wat er voorgevallen was, op ’t gelaat van Alcamenes.Deze nam in verwarring afscheid en ijlde weg, met opnieuw veranderde gezindheid, beschaamd en vervuld van wrok tegen Aspasia.Pericles was bleek.„Behoeft het nog opheldering?” zei Aspasia; „gij hebt alles in de trekken van Alcamenes gelezen.”—„Het schijnt,” hernam Pericles, „dat Alcamenes u behandeld heeft, zooals men eene vrouw doet, die men …”„Spreek het niet uit, bid ik u!” zei Aspasia.„Ik weet,” vervolgde Pericles, „welke grenzen gij trekt, naar de opvatting van Protagoras, tusschen uwe bekoorlijkheden en uw persoon. Ik ken die leer, volgens welke de sluier eener vrouw zich mag inkrimpen tot een vijgeblad. Gij ziet, Alcamenes heeft een andere meening dan gij over de onschendbaarheid van het vijgeblad. Hij dwaalt, zegt gij; maar men moet zijne handelwijze naar zijne opvatting der zaak, en niet naar de uwe beoordeelen. Gij[152]kent het niet onedel maar hartstochtelijk karakter van den man. Hij zal van nu af dubbel op u gebeten zijn; hij zal het aantal uwer openbare tegenstanders vermeerderen.”„Hij vindt, naar ’t schijnt, bij die vijandschap een onverwachten bondgenoot!” zei Aspasia.Nog een paar bittere woorden werden er gewisseld. Pericles verliet het vertrek van Aspasia.Van spijt bevend stampte Aspasia op den grond.„Die verwenschte bodem van de Peloponnesus,” sprak zij, „brengt mij onheil aan.”Weldra echter vatte zij nieuwen moed. ’t Is een licht wolkje, dacht zij, dat zonder schade langs den helderen hemel der liefde trekt. Vroolijker flikkert de gloed bij eene nieuwe verwarming, dan vóór de verkoeling.Aspasia bedroog zich niet.—Maar blijft na die vroolijk opflikkerende vlammen geen onaangename asch in de borst achter? En vergeet de liefde alles wat zij vergeeft?—Pericles en Aspasia waren te Olympia de gastvrienden van Phidias. Hij had hun eenige vertrekken in eene der groote ruimten zijner werkplaats ter bewoning afgestaan. Hij zelf echter bleef onzichtbaar. Onophoudelijk was hij in den tempel met de voltooiing en oprichting van zijn reusachtig gouden en ivoren beeld bezig. Hij weigerde iederen omgang, maar hij had Alcamenes laten zeggen, dat Pericles en Aspasia de eersten van het geheele Helleensche volk zouden zijn, voor wie hij het grootste werk zijner handen zou onthullen.De met spanning verwachte ure was genaderd.Op een gloeienden zomerdag was een van onweer zwangere avond gevolgd. Donkere wolken vlogen door het zwerk en hadden zich eindelijk boven de hemelhooge kruinen der bergen samengepakt. Toen er volkomen duisternis heerschte kwam een slaaf van Phidias aan Pericles berichten, dat hem opgedragen was hem en Aspasia naar het binnenste van den Zeus-tempel te geleiden. In hun gezelschap bevond zich, op verzoek van Aspasia, het[153]meisje uit Arcadië. Zij volgden den slaaf en wandelden door het heilige woud van Altis, dat onder den nachtelijken hemel in diepe schaduwen zich uitstrekte. Eenzaam was het rondom en slechts een zacht geritsel trilde door de toppen der boomen.Nu bereikten zij den tempel. De slaaf ontsloot de poort en voerde hen het gebouw binnen. Daar leidde hij hunne schreden naar eene eenigszins hoogere plaats in den achtergrond, waar zij zich konden nederzetten. Vervolgens verwijderde hij zich, sloot opnieuw de poort achter zich en liet hen met hun drieën in het donker. Eene flauwe lichtschemering viel neder uit den nachtelijken, bewolkten hemel door de opening van het tempeldak. Maar zij drong niet door tot de uiterste hoeken.Zonder een woord te spreken, bijna angstig wachtten Pericles, Aspasia en het herdersmeisje. Eensklaps scheurde vóór hunne oogen de sluier der duisternis en zij verschrikten, verblind door eene plotselinge, schitterende verschijning. Het voorhangsel, dat den achtergrond van het tempelvertrek van het voorportaal had gescheiden, was weggetrokken en zij zagen in het heldere licht vóór zich den gouden en ivoren kolos van den Olympischen God. Op een schitterenden, rijkversierden troon was hij zittend voorgesteld en toch reikend tot aan het dak des tempels met dat verheven hoofd, dat, in goddelijke rust, enkel door een beweging zijner lokken, naar ’t woord des zangers, de hoogte van den Olympus doet daveren16.Om de ivoren ledematen van den koning der Goden golfde de gouden mantel, die den linker schouder benevens den arm en het onderste deel des lichaams omhulde. In bont émail fonkelde het goud van den mantel; met een tooi van kleine figuren en bloeiende leliën was zijne oppervlakte bezaaid. Van groen geëmailleerd goud was op de lokken van den Olympiër een olijfkrans gedrukt.[154]In de linkerhand hield hij den uit verschillende edele metalen kunstig bewerkten schitterenden schepter. Op de uitgestrekte rechterhand droeg hij eene zegegodin van dezelfde stof, als waaruit de gestalte des Gods zelven was gevormd. Op vier zuilvormige pooten, waartusschen nog kleine kolommen stonden, verhief zich de sierlijke troon, prijkend in bonte afwisseling, in een glans van goud en marmer, ebbenhout en elpenbeen. Donkerblauw was de vlakke voorzijde van den troon geverfd; een donkere achtergrond deed den glans van het goud en het ivoor te beter uitkomen.Vol diepen zin omgaf van alle kanten rijk beeldwerk de gestalte van den God en den troon. Op de punt van den schepter zat een adelaar, gouden leeuwenbeelden versierden de bank, waarop de voeten van den beheerscher der Goden rustten, Sphinxen droegen de leuningen van den troonzetel, zinnebeelden van de onnaspeurlijke raadsbesluiten van Cronion17. Op de zijvlakken van den troonzetel schitterden, door de hand van Panaenus geschilderd, in hellen kleurengloed de daden van Heracles, den beroemden zoon van Zeus. Andere heldendaden prijkten er nevens: alsmede de afbeeldingen van verschillende wedstrijden te Olympia.Op de breede vlakte van het voetstuk echter, waarop de troon zich verhief, steeg de heerlijkste dochter van Zeus, de gouden Aphrodite, uit het schuim der zee.Goddelijk genadig was het aangezicht van den Olympiër en toch vol onbeschrijfelijk verheven ernst. De milde goedheid was met strenge kracht en diepe wijsheid vereenigd. Machtig echter en overweldigend was de uitdrukking der hoogste majesteit.Aspasia verborg schier ontsteld het hoofd aan de borst van Pericles. Een schier onaangename indruk maakte op haar deze schitterende, overweldigende gestalte. Hier was niets vrouwelijks meer[155]onder het goddelijke gemengd, zooals in de gestalte van den jonkvrouwelijke Pallas Athene. Hier was de manlijk ernstige, de strenge macht van den beheerscher der Goden tot de hoogste uitdrukking gebracht.Aspasia voelde bij dit gezicht eene diepe smart, die haar boezem doorvlijmde …Ook het Arcadisch meisje was in het eerste oogenblik hevig ontsteld: spoedig daarop echter kwam zij tot zich zelve en staarde naar den God met het vertrouwen van een kind.Het onweder was zacht en langzamerhand nader gekomen. Men zag door de opening van den tempel de bliksemflitsen door den hemel schieten en men hoorde uit de verte den rollenden donder.Aspasia wilde Pericles met zich medetrekken. Maar hij bleef in stomme verbazing, als in den grond geworteld, verzonken. Ook hij was gewoon van de beeldende kunst een liefelijken indruk te ontvangen. Hier echter zag hij het verhevene tegenover zich in nooit geëvenaarde gestalte. Het was, als lag er eene nieuwe openbaring in dit godsbeeld.Daarbuiten rolde al nader en nader de donder.Plotseling sloeg een bliksemstraal door de opening van het tempeldak.Pericles en Aspasia verloren voor een oogenblik hunne bezinning.Toen de helle gloed hunne oogen niet meer verblindde, zagen zij eene marmeren plaat in de ruimte van den tempel, waarop de twaalf Olympische Goden enreliëfwaren afgebeeld, door den bliksem zwart gemaakt en gebarsten …Het gelaat van Zeus had in den rossen gloed des bliksems een oogenblik eene vreeselijke, Titanische uitdrukking gehad. ’t Was, alsof zijne hand den bliksem had geslingerd, die zijne Olympische medegoden had verbrijzeld …Maar nu schitterde het gelaat des Gods weder in rustige majesteit, zoodat bij zijn aanblik de schrik dier bliksemflits was verzacht en verdwenen. Zoo groot scheen de God dat de bliksemstralen hem[156]slechts als een onbeduidende, matte vonkenregen omgaven.„Deze God van Phidias,” sprak Pericles, in diep gepeins verzonken, „is te groot voor de tempels der Hellenen. Hij streeft met zijn hoofd opwaarts naar het onbereikbare, naar het oneindige …”Slechts noode volgde Pericles eindelijk Aspasia op haar dringend verzoek.Zij zochten Phidias op.Deze echter had ongezien beiden nauwlettend gadegeslagen, terwijl zij voor het beeld des Gods in stomme verbazing stonden.Nu verliet hij den tempel, om zich aan hunne loftuitingen te onttrekken.Hij bleef voor hen verborgen.Toen Pericles en Aspasia in diepe gepeinzen verzonken in hunne woning waren teruggekeerd, schudde Aspasia den indruk van den ernstigen, verheven indruk van hare ziel af, evenals een vogel de parelende regendruppels van zijn lichte vederen afschudt.Niet alzoo Pericles.Doch Aspasia rustte niet, alvorens zij den Olympischen ernst van zijn voorhoofd had verdreven.Eindelijk trad ook bij hem het verbijsterend gevoel der verhevenheid van den onder bliksem en donder gezienen God op den achtergrond, en de bewondering van den onvergelijkelijken meester verkreeg in zijne ontroerde ziel de overhand.Nog met gesloten oogen, zag dien nacht in de sluimering het meisje van Arcadië zich omgolfd door lichtstroomen, wonderbaar vermengd met den gloed van goud, den glans van elpenbeen en het geflonker van den rossen bliksem.Pericles ontwaakte een paar maal verschrikt uit zijn slaap. Hij had gedroomd, dat de zittende God van Phidias zich in zijne geheele grootte had opgericht en met zijn hoofd het dak des tempels tot puin had gestooten.Aspasia had een anderen, even zonderlingen droom.[157]Zij zag den adelaar van Zeus, zooals hij van de punt des schepters neervloog naar het voetstuk en daar met zijn snavel de duiven der gouden, vroolijk lachende, zalige Aphrodite de oogen uitpikte …1Eene stad inBoeötiëin Midden-Griekenland (Hellas), ten westen van het meer Copaïs.↑2Een plaatsje in Arcadië; inBoeötiëlag ook een Orchomenus, N. W. van het meer Copaïs.↑3Lang haar te hebben gold bij de Grieken voor een sieraad, zelfs als een bewijs van welvaren en werd voor een teeken van trotschheid en overmoed gehouden. Vandaar, dat het Grieksche werkwoord, dat „lang haar hebben” (komân) beteekent, gelijkluidend is met onze uitdrukking: trotsch, pedant zijn.↑4Hellanodiken beteekent eigenlijk Hellenen-rechters; vandaar de kamprechters bij de Olympische spelen.↑5Rhapsode beteekent eigenlijk hij, die zangen samenvoegt; vooral worden onder rhapsoden zij verstaan, die de liederen van Homerus, Hesiodes en andere (vooral Epische) dichters tot een geheel vereenigden en van plaats tot plaats trokken, om die voor te dragen. Vandaar worden de verschillende boeken der Ilias en Odyssee rhapsodiën genaamd.↑6Panormus was eene belangrijke stad op Sicilië, het tegenwoordige Palermo.↑7Leontini eveneens eene stad op Sicilië, van Atheenschen oorsprong (370 v. C.)↑8Er waren drie steden van dien naam: Magnesia, een oud-Grieksche stad in Klein-Azië aan den voet van den Sipylus, Magnesia, aan denMaeander, ongeveer twaalf mijlen zuidelijker, en Magnesia, hoofdstad van een gelijknamig kustland van Thessalië aan de Pagasaeïsche baai (Golf van Volo). Dit laatste Magnesia zal hier wel bedoeld worden.↑9Larissa was de hoofdstad van Pelasgiotis, een landschap in Thessalië; het wordt ook als de hoofdstad van geheel Thessalië beschouwd.↑10Bewoners der steden Demetria,Lechaeum, Phlius en Cenchrae, in de Peloponnesus.↑abcd11Alle Grieken.↑12De Lapithen was een woeste volksstam in Thessalië, nabij den Peneüs. Als stamvader van hen gold Lapithes, de zoon van Apollo en Stilbe, gelijk Centaurus voor dien der Centauren. Na aanhoudenden strijd met de Centauren dolven ten laatste de Lapithen het onderspit.↑13Stadion is eigenlijk eene lengte van 600 Grieksche voeten, ongeveer 188 Nederlandsche el; veertig stadiën komt dus ongeveer met een geographische mijl overeen. Voorts beteekent het de lengte van de renbaan te Olympia en in het algemeen: de renbaan.↑14Hippodromos is de plaats, waar de paarden om het hardst liepen, de renbaan: zie deel II,noot 1 pag. 8.↑15Horkios beteekent: tot den eed behoorend; een bijnaam van Zeus als handhaver en beschermer van den eed.↑16Zie Deel I,noot 1 pag. 204.↑17Zie Deel I,noot 1 pag. 63.↑

XVIII.DE NIEUWE GOD EN ZIJN BLIKSEMSCHICHT.

Niet om de Olympische wedloopers naar den eindpaal te zien vliegen, niet om de worstelaars en vuistvechters in het zand te zien bijten, niet om de duizendvoudige bijvalskreten van het volk der Hellenen te hooren, waarmede zij de overwinnaars in den wedloop, in het worstel- en vuistgevecht, in het springen, in het werpen met speer en schijf, in den wapenloop begroetten, waren Pericles en Aspasia naar Elis gekomen. Hunne harten verlangden vurig naar hun vriend Phidias, toen zij in den[128]glans van een heerlijken morgen de gevierde, door de wateren van den heiligen Alpheüs doorsneden dalvlakte van Olympia bereikten. Alle wegen, die van de Arcadische bergen of uit het zuiden van de Peloponnesus over Messenië of van het noorden over Achaëe naar het Elische strand voerden, boven alles echter de zoogenaamde heilige feestweg, die langs den Alpheüs liep, wemelden van wandelaars; ook over de golven der westelijke zee in de nabijheid zagen zij de bekranste schepen van Italië’s en Sicilië’s kusten naderen.Weldra bevonden zij zich in het gewoel van de karavanen der feestgezantschappen, die zich naar het Pisatische strijdperk begaven; geen enkele Helleensche staat van eenig belang had verzuimd zulk een gezantschap te zenden. Waar zulk eene karavaan op den weg kwam, drong zich de stroom der overige pelgrims te voet en met rijtuig opeen en allen staarden verbaasd den stoet aan en hen, die in prachtgewaad, bekranst op den bekransten wagen zaten en den wagen zelven die niet zelden met schilderwerk versierd, verguld en met tapijten behangen was, ook de heerlijke offerdieren, het kostbare offergereedschap, het talrijke geleide.Niet verre van de standplaats der tenten en winkels, ongeveer tegenover den ingang van het woud, bevond zich eene groote beeldhouwerswerkplaats. Ze was sedert jaren die van den vermaarden Phidias; hier voltooide hij gemeenschappelijk met Alcamenes en andere zijner leerlingen in de eenzaamheid der Elische vallei, wier rust alleen om de vier jaar door het Olympische feestgewoel werd verstoord, het grootste en diepzinnigste zijner beelden. De drukte van het vroolijke Athene ontvloden, vrij van alle invloeden, die de vlucht zijner gedachten met bloemenketenen naar de aarde zouden willen trekken, schiep hij hier in de eenzaamheid, door de berglucht verkwikt, onder het geklater van den heiligen stroom, zijn Olympischen Zeus.[129]Uit de werkplaats van Phidias ziet men twee mannen komen en den oever van den Alpheüs stroomopwaarts bewandelen.In een van deze mannen herkennen wij den vurigen Alcamenes. Zijn makker is de beroemde Polycletus van Argos, door zijn marmeren en metalen beelden met den Athener wedijverend, maar, met den kalmen en rustigen geest van den Peloponnesiër, het menschelijke als zoodanig rein trachtende op te vatten, en boven alles het mannelijke, ’t welk hij het liefst in standbeelden van athleten uitdrukte. Zijne school was Olympia: hier oefende en volmaakte hij zijn oog en geest aan de levende omtrekken van een harmonischen, krachtigen lichaamsbouw.Het verschil van richting in hunne kunst verwijderde, zij ’t ook schier onbewust, Phidias en zijn Argivischen mededinger. Terwijl de Athener geloofde, dat de eenvoudige kunst van den Argiver te hoog werd aangeslagen, vond deze zich heimelijk gegriefd, dat men hem, den Peloponnesischen kunstenaar, voorbij was gegaan en den Athener met zijne leerlingen geroepen had, om het grootste en verhevendste kunstwerk op Peloponnesischen bodem te voltooien. Dit was een dier Atheensche triomfen, welke Aspasia Pericles had voorspeld, toen zij hem zocht te bewijzen, dat een staat door de beoefening van het schoone zijne mededingers kon overvleugelen …Zoo was Polycletus gedurende zijn oponthoud te Olympia verstoken van den omgang met Phidias en zijne jongeren, met uitzondering van Alcamenes, wiens openhartig, vroolijk en levendig karakter zich gaarne over kleinigheden heen zette en die dan ook zooeven, bij eene toevallige ontmoeting, een onbevangen gesprek met zijn Argivischen kunstbroeder had aangeknoopt.Polycletus, een ernstig, verstandig man, die met Phidias en zijne school zonder eenigehartstochtelijkebitterheid naar den eerepalm dong, vroeg naar Agoracritus, daar hij zich verwonderde waarom[130]deze zijn meester niet gevolgd was, om evenals op de Acropolis te Athene, ook hier aan zijne zijde het roemvol werk te helpen voltooien.„Te recht verwondert gij u,” zei Alcamenes, „dat juist de geliefdste leerling van den meester hier ontbreekt, terwijl ik—die sedert de overwinning, welke ik met mijne Aphrodite op hem behaald heb, mij nauwelijks meer op de persoonlijke genegenheid van den meester mag beroemen—deze toch herwaarts gevolgd heb en voortga aan zijne zijde te arbeiden. Nu, als men samen leven en werken zal, komt het er niet zoozeer op aan of men elkander meer of minder liefheeft, als wel daarop of men een gemakkelijk karakter bezit. Ik voor mij zou den omgang met Agoracritus, hoewel hij geweldig op mij gebeten is, best kunnen uithouden; doch hij kan dit niet; en alleen om mijn gehaat gezicht niet meer te zien, is hij sedert de voltooiing van het Parthenon heengegaan. Hij heeft intusschen op zich genomen, een Zeus, die Coronea1hem heeft opgedragen, te vervaardigen. Maar evenals hij des tijds, toen hij zich voorgenomen had eene Aphrodite te beitelen, eene Nemesis schiep, zoo hield men zijn Zeus, toen deze daar voltooid stond, voor een God der onderwereld. Zoo verdiept hij zich altijd in het sombere, en daar mijne kunst steeds eene tegenovergestelde richting heeft gevolgd, zijn wij allengs zulke tegenvoeters geworden, dat wij volstrekt niet meer in staat zijn aan de uitvoering van hetzelfde ontwerp met elkander te arbeiden.”„Uw levendige geest, Alcamenes,” hernam Polycletus, „doet u zulke groote vorderingen in de kunst maken, dat uwe makkers u niet gemakkelijk kunnen volgen.”„Ik kan mij hier vrijer bewegen, dan bij de werken op de Acropolis te Athene,” zei Alcamenes. „Daar moest in alles, naar een vast plan van[131]den meester, eene volstrekte eenheid heerschen; hier liet hij mij en Paeönius, naar vrije verkiezing, de uiterlijke versiering des tempels over; hij zelf echter bleef geheel en al verdiept in gepeinzen over zijn Olympischen beheerscher der Goden.”Toen Alcamenes deze woorden gesproken had, bleven zijne oogen plotseling gevestigd op een verwijderd punt in ’t gedrang van hen, die zich langs den oever van den Alpheüs bewogen. ’t Scheen, dat hij daar iemand had herkend en zijn geheele wezen begon eene ongewone aandoening te verraden. Hij keerde zich tot Polycletus en zeide:„Ziet gij ginds dien statigen en eerwaardigen man, die aan de zijde van eene dichtgesluierde vrouw van bekoorlijke gestalte zich in ’t gewoel een weg zoekt te banen? Het is Pericles uit Athene, vergezeld van zijne gade, de schoone Milesische Aspasia.”„Ja waarlijk,” antwoordde Polycletus. „Ik herken Pericles; ik heb hem vóór jaren in Athene gezien. Maar die schoone vrouw is mij geheel vreemd.”„Eene even gevaarlijke en sluwe, als schoone vrouw,” hervatte Alcamenes. „Men kan haar niet beminnen zonder haar te haten, en niet haten, zonder haar te beminnen.”Toen Pericles en Aspasia Alcamenes zagen, en bij hem Polycletus, en het Atheensche paar genaderd was en de beide beeldhouwers elkander hartelijk hadden begroet, vroeg Pericles aanstonds naar Phidias.„Wij zijn,” zeide hij, „gisteren avond laat te Olympia aangekomen, niet om de spelen bij te wonen, die voor mij de bekoorlijkheid der nieuwheid al lang verloren hebben en die mijne gade, als vrouw, niet mag zien, maar alleen om Phidias en zijn God, van wien men thans reeds met den grootsten lof gewaagt. Nu zijn wij juist voornemens den meester op te gaan zoeken en gij, Alcamenes, zult ons ongetwijfeld gaarne begeleiden.”„Hij bevindt zich in het heilige woud,” hernam Alcamenes, „in den pas voltooiden tempel van[132]Zeus. Hij heeft zich daar met zijne medearbeiders opgesloten en wil niemand bij zich toelaten, deels om niet in zijn werk gestoord te worden, deels om zijn gewrocht niet eerder aan de oogen der menschen bloot te stellen, vóór het op de bestemde plaats en in al zijne heerlijkheid voor hen staat. Eerst na den afloop der spelen zal de tempel geopend worden. Hoe onverbiddelijk de afgetrokken en schier menschenschuwe man allen ook van zich weert, zoo wil ik toch beproeven, in den afgezonderden tempel tot hem door te dringen en hem gasten aan te kondigen, die hij ongetwijfeld met groote vreugde zal ontvangen.”„Neen, Alcamenes, doe dat niet,” zei Pericles, „ook door ons moet Phidias niet in zijn arbeid gestoord worden en ook van ons zal hij begeeren, dat wij zijn werk niet dan in den vollen luister zullen zien. Wij zullen een weinig geduld oefenen. Doch de feestelijke opening van den tempel denk ik niet met Aspasia af te wachten. Niet in ’t gedrang van tallooze Hellenen zouden wij dat gezicht voor het eerst willen genieten. Ik hoop ten minste, dat Phidias ons één dag van te voren in de zalen van den nog eenzamen tempel zal toelaten en ons vergunnen zijn volkomen afgewerkt godenbeeld in stilte te beschouwen.”„Gij zult, Pericles,” hernam Alcamenes, „zeker hierdoor een vurigen wensch van den meester zelven vervullen. Wilt gij derhalve Phidias voor het oogenblik in zijn tempel ongestoord laten, stel u dan te vreden met mij en den wakkeren Polycletus, die op den bodem van Olympia beter te huis is dan nauwelijks eenig Helleen, en wiens metalen of marmeren beeld ginds tusschen het loof der platanen en olijfboomen van het heilige woud u toeblinken.”Onder vriendelijke dankbetuiging namen Pericles en Aspasia het geleide der beide groote kunstenaars aan.Zij wandelden samen door het onafzienbare gewoel op de groote, vrije ruimte, die zich uitstrekte[133]tusschen den schaduwrijken oever van den Alpheüs en het heilige woud Altis, waar de nieuwe feesttempel van den Olympischen Zeus zich verhief, te midden van eene menigte metalen en marmeren beelden.Zij gingen langs de huizen, bestemd voor de tallooze personen, die tot den dienst van den tempel behoorden, langs de herbergen, die op verre na niet voldoende waren voor de vreemdelingen, langs de ruimten waar de strijdwagens bewaard werden, langs de stallen, waarin de edele rossen en muildieren hinnikten. Het grootste deel van het saamgestroomde volk zagen zij in de open lucht onder tenten gelegerd.Na weinige schreden trof hun blik de prachtige tent van het feestgezantschap uit Sicyon, iets verder die van Corinthe, vervolgens die van Argos, Samos, Rhodos en andere. Om deze tenten heerschte een groote drukte, vooral van hen die landgenooten waren van de verschillende gezanten. Dan klonk het: deze hier is de prachtige tent van den rijken Periander uit Chios, die van den vermogenden Euphorides uit Orchomenus2, gene van den rijken Pauson van Eretria. De bewoners der tenten stonden aan den ingang, druk en met levendige gebaren zich onderhoudend; zij groetten hunne vrienden en noodigden hen uit, onder de schaduw van hun purperen tent te komen uitrusten. Vreemde, door de zon gebruinde jongelingen naderden hen en trachtten met de helft van gebroken ringen, wier andere helft in de handen van den toegesprokene zich bevond, zich als zonen en verwanten van oude gastvrienden te doen erkennen. Winkels van allerlei aard sloten zich bij de bonte tentenrij aan.De volksmenigte woelde dooreen. Men hoorde de verschillende Helleensche tongvallen door elkander. Men verstond elkaar niet altijd. Naast de vrij[134]harde taal van den Peloponnesiër, de breede van den Thebaan, de platte van den Megarenser, klonken de weeke Ionische en Aeölische tonen. In het gewoel der Hellenen waren boven allen, de levendige, vroolijke Atheners herkenbaar, benevens de ernstige, sombere Spartanen. Dikwijls wierpen zij elkander een blik van diepen haat en afgunst toe.Ook de reusachtige gestalten der athleten, kon men daar zien rondwandelen. Men wees hen met den vinger aan en noemden hunne namen en hunne overwinningen.Vóór de tent van het feestgezantschap uit Cios zagen Pericles en Aspasia een weenenden knaap, dien een hoogbejaarde grijsaard, zijn grootvader wellicht, te vergeefs zocht te troosten. Pericles vroeg naar de oorzaak dezer tranen en vernam, dat de jongen, onder beschuldiging van verwijfdheid, van den wedstrijd der knapen was uitgesloten, omdat hij met lang haar3en een purperen kleed te Olympia gekomen was. Met half spottende, half berispende woorden laakte Aspasia, zonder zich te ontzien voor hen, die het hooren konden, de harde, oudvaderlijke gestrengheid der Elische kamprechters; daarop streek zij den knaap vertroostend over de donkere lokken en zei: „Schrei niet, beste jongen! Pericles van Athene zal voor u een goed woord doen bij de Hellanodiken.”4Al meer en meer vulde zich de ruimte. Hier en daar verdrong zich de opeengepakte massa. Pericles en Aspasia ontmoetten al voortwandelend groepen, die zich verzamelden om beeldhouwers, welke hunne werken hier openlijk ten toon stelden, of om rhapsoden5, of om een man, die, op een spreekgestoelte[135]staande, aan het luisterend Helleensche volk de door hem opgestelde geschiedenis van Grieksche staten en eilanden voorlas, of om een voortreffelijk toonkunstenaar, of om mannen, die in trotsche houding en purperen gewaad door de hen aangapende menigte gingen, Sophisten die den roem van hun naam te Olympia nog verhoogen wilden en bereid waren voor de hen omstuwende menigte eene schitterende rede te houden over welk onderwerp men maar wilde, of om een onaanzienlijk mannetje, op wiens kalen schedel onder de brandende zonnestralen van Elis het zweet als morgendauw flikkerde en die een sterrekundige fabel, een werk van scherpzinnige en ingewikkelde berekeningen, ter algemeene bezichtiging stelde.Een hoogbejaarde Spartaan, met sneeuwwitte lokken, zag met donkere en onvergenoegde blikken naar al die eerzuchtige bedrijvigheid.„Ik prijs den tijd gelukkig,” zeide hij tot een vriend aan zijne zijde, „toen Olympia niets meer was dan de kampplaats voor ’t aan den dag leggen van Helleensche manlijke kracht, terwijl zij nu veeleer tot eene vertooning van vrouwelijke en verwijfde kunsten misbruikt wordt. Toen ik nog een knaap was, was hier niets te koop dan onmisbare levensmiddelen, alsmede benoodigdheden voor het feest zelf, als sieraden, hoofdbanden, kransen. Thans pralen de winkels van ijdelen opschik; wij hebben ten tijde van het feest hier eene groote kermis van Hellas, waar de winkeliers van alle steden en eilanden hunne verleidelijkste waren te pronk willen stellen. Het krioelt hier steeds meer van raphsoden, toonkunstenaars, beeldhouwers, wijsheidsvrienden en ander volk van dat slag. Na korten tijd zal het grootsche doel van het overheilige Olympische feest onder de tentoonstellingen en vertooningen van onmanlijken wedijver waarmede de Atheners en andere Hellenen van het vlakke land, der eilanden en Ionische kusten elkander de loef zoeken af te steken, verdwenen zijn. Eerzuchtige dwazen! Ieder wil met iets pronken, ieder[136]opgemerkt worden. Ginds, ziet ge, snijden eenige Megarensers hunne namen in de schors der populieren aan den Alpheüs om toch ook iets voor hunne onsterfelijkheid te doen!”„Eenigen zie ik daar ook bezig,” hernam zijn makker, „met schoone, bonte kiezelsteentjes uit het zand van den heiligen stroom te zoeken. Ik moet daar ook eenige van verzamelen, om ze voor mijne jongens mee te brengen …”Na het uiten dezer woorden verdween de vriend van den Spartaan onder de populieren langs den Alpheüsoever. Hoofdschuddend zag deze hem na.Op dit oogenblik weerklonk weder de schelle, alles overheerschende stem van den heraut, die van tijd tot tijd door de tentenstad en het gewemel van menschen heenstappende de oogen en ooren van alle Hellenen voor een oogenblik op zijn persoon vestigde. Hij was de algemeene mond der Hellenen. Hij berichtte de meest verschillende zaken. „De Panormitanen6en de Leontiërs7deelen plechtig allen Hellenen mede, dat zij met elkander vrede hebben gesloten, na hunne geschillen door een minnelijke schikking bijgelegd te hebben.” En wederom: „De Magnesiërs8geven aan de Hellenen kennis, dat zij met de Larissaeërs9en Demetriërs10een eeuwigdurend verdrag van onderlinge verdediging hebben aangegaan.”Nu echter verkondde zijne krachtige stem: „De Lechaeërs10betuigen ten aanschouwe van hetgeheeleHelleensche volk den Phliasiërs10hun dank voor de hen betoonde hulp in den strijd met de Kenchraeërs10.”—„Dat was wel de moeite waard!” riep eenKenchraeër[137]met een spottenden glimlach. „Denken de Lechaeërs inderdaad, dat wij voor hen en de Phliasiër bang waren? Bij Heracles! Zij zullen op het volgende Olympische feest geheel andere mededeelingen door den heraut hooren doen!”„Niets dan snoeverij!” hernam hoonend een Lechaeër, die niet verre van hen verwijderd stond. „Bluf maar! Wij hebben nog pijlen genoeg om er de geheele stad der Kenchraeërs onder te bedelven!”„En wij nog lansen genoeg,” hernam de Kenchraeër, „om de nieren van alle Lechaeërs aan te spietsen!”„Pak u weg!” schreeuwde de van toorn gloeiende Lechaeër, „anders zult gij morgen uw gezicht in den spiegel niet meer herkennen!”—Tevens hief hij dreigend de vuist op.Een Athener greep zijn arm vast. „Wat moet dat?—Laat den Kenchraeër met rust, of gij hebt met mij te doen!”—„Ei, kijk hem eens!” sprak een Samiër onder de toeschouwers, die zich om de twistenden heen gedrongen hadden; „de Atheners willen zich zelfs in de gunst der Kenchraeërs dringen, en men weet, waar het met al hunne vriendelijkheden op uitloopt!”—„Ja wel, dat weten we!” riepen eenige Argivers en Spartanen. „Sedert eenigen tijd,” sprak een der Argivers, „geven de Atheners zich wonder veel moeite, om in goede verstandhouding te staan met de bewoners van den Isthmus en de passen van de Peloponnesus!”„Hebben zij dan daarvoor den tijd?” riep een der Spartaners met een grijnslach. „Is dan de groote Pericles, de Olympiër, al gereed met zijne groote, prachtige tempels en propylaeën en Pallasbeelden van goud en ivoor? En behaagt het de Hera van den Atheenschen Olympiër haar rijk ook aan gene zijde van de pijnboomwouden, van den Isthmus uit te breiden?”„Hare vrienden en voorvechters heeft zij immers[138]reeds vooruit gezonden!” riep de Argiver, met den vinger over zijn schouder naar de werkplaats van Phidias wijzend.De Atheners, die aanwezig waren, wilden zich die spotternij niet laten welgevallen. Wilder en heftiger dreigde de woordenstrijd te ontbranden.Daar klonk plotseling eene geweldige en welluidende mannenstem, zoo wonderlijk doordringend, dat oogenblikkelijk allen daarnaar luisterden.„Aan welken Helleen behoort de tong,” riep de machtige redenaar, „die daar durft spotten met de nieuwe tempels en godsbeelden der Atheners? Wat er roemrijks te Athene geschapen is dat is gewrocht ter eere van den gemeenschappelijk en Helleenschen naam! En bedenkt, dat sedert eeuwen altijd vrede is gehouden door onze vaderen, van welken stam zij ook waren, op deze plaats, waar de heilige wateren van den Alpheüs de maat klateren voor de Olympische feestreien van het gansche Helleensche volk. Tot een vreedzamen wedstrijd zijn wij steeds herwaarts gekomen; hier was het heilige grond, hier de godsvrede. In het tempelgebied van den gemeenschappelijken God Zeus vereenigt ons het feest der Panhellenen11. Houd vrede, Hellenen, op de Pisatische landauwen! Hier moeten geen wapenen getrokken worden, hier mag geen metaalgekletter gehoord worden, dan de klank der halve ringen, die tegen elkander gehouden worden; hieraan kunnen Helleensche gastvrienden van alle oorden elkander herkennen!”—De kreet „Pericles” weerklonk na deze woorden door de menigte: „Pericles van Athene! Pericles, de Olympiër!” Vaders hieven hunne jongens op, om hun Pericles te toonen. Slechts door weinigen was hij te voren herkend geworden. Thans, nu hij gesproken had, nadat zijne donderende welsprekendheid had weergalmd, herkende hem het gansche Helleensche volk. En nog vond, wat hij gesproken had, weerklank in de harten der bewegelijke,[139]licht ontvlambare Hellenen. Kreten van toejuiching weerschalden tot over den Alpheüs en de wateren van den stroom schenen bruisend in te stemmen in den algemeenen bijval.Pericles onttrok zich aan de menigte door zich met Aspasia en zijne vrienden naar het heilige woud Altis te begeven, waar hij zich verloor tusschen de tempels en heiligdommen van allerlei soort, de standbeelden, drievoeten en gedenkzuilen, waar het gebladerte der olijfboomen, platanen en palmen ritselde. Van de gevelspits van den nieuwen Zeus-tempel schitterden hun eene vergulden Zegegodin tegen, tusschen twee eveneens vergulde vaten, in oogverblindenden glans. Zij beschouwden op den achtergevel de beelden van Alcamenes. Hij had daar den strijd der Lapithen12en Centauren voorgesteld en daarin zijne voorliefde voor bewegelijkheid en veelvuldige afwisseling van houding en gebaren, meer dan op de Acropolis, den vrijen teugel gelaten.Begeleid door Polycletus en Alcamenes beschouwden Pericles en Aspasia daarop de overige tallooze wonderen van het heilige woud.Ten laatste bestegen zij eene vrije trap, die uit Altis noordwaarts naar een groot, breed terras leidde. Dit terras breidde zich langs den zuidelijken voet van den Cronos-heuvel tot aan het stadion13uit. Op die vlakte verhief zich eene lange rij van zoogenaamde schatkamers van verschillende steden, waarin deze hunne naar Olympia gezonden wijgeschenken bewaarden.Van de schatkamers van den Cronos-heuvel opwaarts gaande, bezichtigden Pericles en Aspasia de heiligdommen, die dezen heuvel versierden. Van den top daarvan hadden zij het schoonste gezicht op[140]Olympia. Zij zagen onder zich het heilige woud Altis met zijne tempels en standbeelden in zijne volle uitgestrektheid; zij zagen aan gene zijde van Altis den majestueuzen stroom, den Alpheüs, door de vlakte heenschieten; zij zagen ter rechter zijde de rivier Cladeüs, die op de Pisatische bergen ontspringend, zijne wateren met die van den Alpheüs vermengt; zij zagen ter linker zijde het stadion en den hippodromos14, de plaatsen voor de Olympische wedstrijden, die het heilige woud begrensden. Rechts van den Cronos-heuvel, nabij den noordelijken uitgang van Altis, zagen zij gebouwen, die het middelpunt van het bestuur van Olympia uitmaakten en waar zoowel de kamprechters als de athleten zelven, vóór het standbeeld van den met den dubbelen bliksem gewapenden Zeus Horkios15, de wetten van den strijd bezwoeren. Verder was van alle kanten niets te zien dan de krans van hooge bergen, in wier hoede het heilige feestterrein van Olympia lag.Het oog der mannen weidde met welgevallen over deze tafereelen. Aspasia echter begon over de geweldige hitte te klagen en over de vele muggen, die haar kwelden.„Hoe komt het toch,” zeide zij, „dat de Hellenen voor hunne athleten wedstrijden het warmste van den zomer en deze muffe, drassige vallei van den Alpheüs hebben gekozen?”„De stichter Heracles heeft aan de muggen niet gedacht,” zei Alcamenes lachend.„En wij mannen tot heden ook nog niet,” voegde Pericles er bij. „Maar nu ik er eenmaal opmerkzaam op gemaakt ben, moet ik u gelijk geven, Aspasia. Die tallooze bloedzuigers zijn geweldig lastig.”Door Altis terugkeerend, vertoefden Pericles en Aspasia alleen nog bij de standbeelden van Polycletus.[141]Steeds levendiger werd inmiddels in den loop van den dag het gewoel en de drukte tusschen Altis en den Alpheüs. Talrijker offers werden des avonds op de met bloemen bekranste altaren der Goden gebracht. Men zag de athleten de ingewanden der offerdieren beschouwen, hopende daaruit een gunstig voorteeken voor den strijd te zullen vinden. De grootste schare van toeschouwers stroomde naar het plechtige brandoffer op het overoude beroemde aschaltaar van Zeus.De verrichtingen van deze heilige plechtighedenduurdentot diep in den nacht, onder de tonen der muziek en bij het schijnsel der maan, die bijna vol was. Alles had plaats op eene hoogst ernstige wijze, in eene schoone orde en eene eerbiedwekkende stilte. Te middernacht eerst werden de fakkels in het heilige woud uitgebluscht en de laatste vlammen op de altaren verdoofden allengs. Nu echter stormde reeds een niet onaanzienlijk deel van het volk naar de renbaan, om daar, na eene goede plaats bemachtigd te hebben, het krieken van den dageraad en het begin der spelen af te wachten.Den volgenden morgen bestegen Pericles en Aspasia wederom den Cronos-heuvel.Het oog van Pericles was gevestigd op het stadion, dat uit de verte zichtbaar was, met die belangstelling, die zulk een schouwspel elken Griek steeds inboezemde. Hij had zich alleen ter liefde van Aspasia het genot ontzegd zich van nabij onder de toeschouwers in het stadion zelf te begeven. Niet met hetzelfde welgevallen richtte de Milesische het oog naar de kampplaats, waar de lichaamskracht, door geweldigen, ja schier moordlustigen ijver verhoogd, te midden van stof en brandende hitte ten toon werd gespreid.„Waarom laat gij uw oog bijna verachtend over die belangstellende menigte dwalen?” vroeg Pericles.„Heeft het niet den schijn,” zei Aspasia, „dat het Helleensche volk, zoo groot geworden in vele[142]dingen, die waarachtig schoon en heerlijk zijn, den grootsten zijner eerepalmen voor de athleten te Olympia bewaarde? Moet dan waarlijk de kracht der armen en de snelheid der voeten als de hoogste aller voorrechten gelden op Helleenschen bodem?”„Ik begrijp u,” hernam Pericles, „gij zijt de voorvechtster der vrouwelijkheid en van al wat het leven verfijnt, veredelt en schooner maakt. Hier echter viert de ruwe, manlijke kracht haar triomfen.”„Een echt, verkwikkelijk schouwspel voor Doriërs,” zei Aspasia, „is zulk een worstel- en vuistgevecht, waarbij de mannen tegen elkander woeden, tot het bloed hun uit mond en neus stroomt. Gij hebt gelijk, ik haat die spelen; want waar het manlijke haar doel voorbij streeft, daar schijnt het mij niet ver van de barbaarschheid te zijn. Ik vrees, dat de ruwe bekoorlijkheid van dit schouwspel het gemoed der menschen hoe langer zoo meer verderft en hen opnieuw tot hunne vroegere verwildering en ruwheid terug zal voeren.”„Gij overdrijft!” hernam Pericles glimlachend.De lijnrecht tegen elkander overstaande zienswijze van Pericles en Aspasia over dit onderwerp zou nog vóór het einde van dezen dag door een klein tooneel, dat zij bijwoonden, versterkt worden.Toen namelijk Pericles en Aspasia aan den avond van denzelfden dag, vergezeld door Polycletus en Alcamenes, in den omtrek van het stadion wandelden en Aspasia de haar onbekende plaatsen beschouwde, gebeurde ’t dat, terwijl zij juist op eene steenen bank zich nederzetten om te rusten, een troep athleten, die aan den strijd dien dag deel hadden genomen, een andere troep ontmoette, waarop de geheele schaar, die zich deels op den grond neervlijde, in een levendig gesprek gewikkeld werd. De gevechten van den eersten dag werden met woorden nog eens gestreden en iedere overwinning aan eene scherpe critiek onderworpen. Zij, die overwonnen waren, zetten uiteen door welk toeval hunne tegenstanders hen onder gekregen[143]hadden en hoe de overwinning maar aan een haar had gehangen, of zij beschuldigden hunne kampioenen openlijk dat zij tegen de regels van het gevecht gezondigd hadden. Doch het baatte hun doorgaans weinig en zij moesten soms nog den spot hunner kameraden verduren.„Om het even, beste Theagenes,” klonk het, „gij moet de builen maar dragen, die Nicostratus u geslagen heeft. Gij ziet er erbarmelijk uit, met uwe olielappen om uw gewond hoofd en gij riekt als een lantaarnpaal.”„Spot maar!” hernam de aangesprokene, een nog jeugdig worstelaar en vuistvechter, die deerlijk toegetakeld was en daarom zijn hoofd met een in olie gedoopten doek had omwonden.„Spot maar!” zei hij; „ik heb nu eens geprobeerd, wat vleesch en been kunnen verdragen. Slagen heb ik op mijn hoofd gekregen, die, geloof ik, een rotsblok zouden verbrijzeld hebben. Maar meent gij, dat ik buiten eene kleine gloeiing, eenigen last aan mijn hoofd merk? Op zijn hoogst zijn een paar onschadelijke builen wat opgeloopen. Maar de rug begint mij nu wat zeer te doen—’t kan wel van den geweldigen val komen, waarmede ik in den worstelstrijd op den grond te recht kwam.”„Men ziet, dat gij een nieuweling zijt!” zeiden de anderen, „daar gij nog niet weet, dat het hoofd het minst gevoelige deel van den mensch is, de rug echter het teerste!”„Uw rug zal in drie dagen wel weer beter zijn,” zei een van hen; „maar zie mij eens aan: vanwaar zal ik mijne tanden terugkrijgen? Had ik ze uitgespogen, toen een vuistslag van Meleager mij trof, dan had ik mijn verlies daarmede te kennen gegeven; daarom heb ik ze liever naar binnen geslikt. Het is onpleizierig zijne tanden in plaats van in den mond in de maag met zich te dragen.”„Gij zult ze verteren!” zeide Boeötiër Cnemon. „Eenathletenmaagmoet ook tanden kunnen verduwen.”[144]„Daarvan zal ik bezwaarlijk zooveel vleesch van op mijn lijf krijgen als gij hebt!” voegde Theagenes hem toe.—Cnemon was inderdaad een oudachtige, stoere kerel, die het merg van vele runderen, kalveren en lammeren in zich had opgenomen. Zijne ooren waren gekwetst door vuistslagen: van staal scheen zijn vleesch op zijn breede, gewelfde borst en rug: hij geleek op een metalen standbeeld. De spieren lagen op zijne armen rond en vast als steenen in de bedding eener rivier, die de stroom door haar golven langen tijd voortgestuwd en rond gesleept had.„Meent gij,” riep hij, „dat ik voor een uwer onderdoe, omdat ik een weinig zwaarlijvig ben en niet zoo snel ter been als gij? Nu, een hardlooper ben ik niet maar ik ben een kerel, dien men evenmin omverwerpt als eene koperen zuil. Schoon de aarde zelve ook mocht beven—blijf ik nog staan!”Daarop lei Cnemon eene werpschijf op den grond,ging er op staan en vervolgde:„Welaan! is er één onder u, die mij er afwerpt?”Te vergeefs beproefden de athleten, de een voor, de ander na, hunne kracht aan den kolos. Nu liet Cnemon de werpschijf met olie begieten, zoodat zij zeer glibberig was. Maar ook nu nog handhaafde hij zijne stelling.Toen strekte hij zijne rechterhand uit, eveneens de vingers en hield ze vast tegen elkander gesloten. „Nu, beproef het eens,” riep hij, „om de pink van de overige vingers los te trekken!”—Zij beproefden het, maar de pink scheen als met staal aan de andere vingers gesmeed te zijn.„Dat beteekent nog niets!” riep snoevend de Argiver Sthenelus. „Ik houd, als het moet, een vierspan in volle vaart tegen, door met de hand in de spaken te grijpen!”„En ik,” zei de Eleër Thermius, „ik heb te Pylus eens een hengst bij de hoef gegrepen en toen hij zich losrukte hield ik de hoef in de hand.”[145]„Dat zijn sterke toeren,” zei de Thessaliër Euagoras, „maar doet het mij eens na, wat ik te Larissa gedaan heb: ik heb den beroemden hardlooper Cresilas in vollen ren de sandalen van de voeten gehaald!”„Hoe?” riep de SpartaanAnactor, „deThessalischehardlooper zal tegenover mannen van de vuist zich durven beroemen? Wat helpen u uwe snelle beenen, als ik u in het stof doe bijten?”„Mijne vuisten zijn niet slechter dan mijne beenen!” riep de Thessaliër, „en als ik u maar even aanraak, dan kunt gij uwe botten hier uit het zand bijeen rapen!”„Zwijg!” schreeuwde de Spartaan, „anders sla ik u de oogen uit, evenals de kok den inktvisch!”„Ik maal u tot gruis,” duwde hem de Thessaliër toe, „zoodat de mieren u bij kruimels kunnen wegdragen!”„Gij vecht met woorden,” riep deBoeötiërCnemon daar tusschen in. „Dat is geen gebruik bij ons athleten. Laten wij het liever met daden bewijzen.”„Dat willen wij doen!” riepen beiden.„Uitstekend!” zei de dikke Thebaan: „maar wat wilt gij eigenlijk? Wilt gij om het hardst loopen of wilt gij elkaar met de vuisten te lijf? Dat zijn volstrekt geen te verachten toeren. Evenwel, weet gij wat het meesterstuk is van den athleet en waarin zich alle athleten, hetzij hardloopers of vuistvechters of wat ook, op een gelijk terrein bevinden?”„Wat dan?” vroegen de Spartaan en de Thessaliër te gelijk.„De beste proef van den athleet,” zei de Thebaan, terwijl hij zich over zijn buik streek, „blijft de kracht der verduwing. Denkt eens aan Heracles: hij verworgde de leeuwen bij dozijnen in het gebergte, doch hij was ook de man, die een stier in één maal opat. Dat noem ik mannenwerk! Laat, ik wil niet zeggen een rund—want wat zou Heracles beteekenen, als hij niet de eenige in zijne soort[146]bleef?—maar toch een grooten, vetten hamel braden, deelt dien in twee gelijke helften en eet hem in éénmaal op! „Wiens maag het eerstdendienst weigert, die moet zich overwonnen geven; want hij is de zwakste van u beiden.”„Bravo!” klonk het in de ronde. „Anactor en Euagoras zullen de groote athletenproef voor onze oogen nemen! Wij laten onmiddellijk een hamel halen en hem aan het spit braden.”Anactor en Euagoras namen de voorwaarden aan. En aanstonds verwijderden zich eenigen, om den zwaarsten hamel, die te vinden was, uit te zoeken.Zoover was het tooneel ten aanhoore van Pericles en zijne vrienden gekomen, toen Aspasia van hare zitplaats opstond en zeide: „Laat ons gaan, Pericles! ik heb niet langer de kracht deze Olympische wedstrijden aan te zien!”—Lachend verlieten nu ook de overige mannen hunne zitplaatsen en sloegen met Aspasia den weg naar huis in.„Het gevoel van Aspasia tegenover deze athleten,” sprak Alcamenes, „schijnt mij niet meer en niet minder te zijn, dan het gevoel van eene vrouw, die gezond is van lichaam en ziel en die door eene natuurlijke en billijke aandrift geleid wordt. Waartoe dienen eigenlijk die krachtige mannen? Zijn zij in den krijg geduchter dan anderen? Maaien zij rijen van vijanden neder als de Homerische helden? Neen! De ervaring leert het tegendeel. Zijn zij de rechte mannen, om zich omtrent de verbetering van het menschenras verdienstelijk te maken? Wederom, neen! Ook dat wordt door de ervaring tegengesproken. Zij deugen tot niets, dan tot hetgeen zij in het stadion onder de luide bijvalskreten der toeschouwers uitrichten.”„Inderdaad,” hernam Pericles, „niet uit de personen der athleten zelven blijkt het nut der kunst, die zij uitoefenen. Maar groot en onwaardeerbaar is de winst, die uit de tentoonspreiding van goed ontwikkelde kracht en uit de daarvoor ruim bewezen eer voortvloeit, in zoo verre, dat daardoor[147]het Helleensche volk ten levendigste er aan herinnerd wordt, dat men de gave des lichaams niet minder dan die des geestes kan ontwikkelen en der volkomenheid nader brengen. Grooter is het gevaar, dat de mensch zijne lichamelijke dan zijne geestelijke gaven veronachtzamen zal; want tot geestelijke ontwikkeling en werkzaamheid gevoelt hij zich aanhoudend door een innerlijken drang en door de noodzakelijkheid gedreven. De ontwikkeling echter van zijn lichaam pleegt hij aan de natuur over te laten, zoo hij niet buitenaf daartoe wordt aangespoord.”Onderwijl hadden de wandelaars juist het heilige woud bereikt en stonden opnieuw tegenover eenige standbeelden van overwinnaars, gebeiteld door de hand van Polycletus.Met den blik op de beelden gevestigd, sprak Aspasia het volgende:„Als ik de werken van Polycletus hier beschouw, dan schijnt het mij, dat de kunstenaar in dit geschil aan mijne zijde staat. Want noch de bovenmatige kracht noch de buitengemeene ontwikkeling der ledematen heeft de kunstenaar zich verwaardigd af te beelden; integendeel beelden en typen van de gewone maat, de harmonische, vol en rein ontwikkelde gestalte stelt hij ons voor oogen. Steeds komt het mij voor, dat de voortreffelijke Polycletus allen lof verdient, omdat hij niet als Phidias de sterfelijke natuur schier veracht, maar haar de eer geeft, die haar toekomt en dat hij, gelijk Phidias het goddelijke het verhevenst voorstelt, het zuiver menschelijke op de getrouwste wijze heeft nagebootst.”Een minder aangenamen indruk dan Aspasia dacht, maakte deze uitspraak op Polycletus.„De kunstenaar,” sprak hij, „is afhankelijk van de wenschen en behoeften dergenen, die van zijne kunst willen genieten. Dat in Hellas alleen aan Phidias de gave verleend is de Goden waardig af te beelden, schijnen althans ook de Eleërs te meenen, daar zij hem naar Olympia ontboden hebben. Niet alzoo echter de Argivers, die het met mij, den[148]inboorling, willen beproeven en mij opgedragen hebben het gouden en ivoren beeld van Hera in haren grooten tempel te Argos te vervaardigen.”Zoo sprak Polycletus en het gelukte Aspasia niet, de zichtbare ontstemdheid van den meester weg te nemen. Hij verwijderde zich niet lang daarna onder het een of ander voorwendsel.„Gij hebt, Aspasia,” zei Alcamenes lachend, „nu ook Polycletus een spoorslag gegeven, om zijn best te doen, dat de Hera van Argos den Zeus van Olympia waardig zij.”„Een voortreffelijk werk moge hij in wedijver met Phidias tot stand brengen,” zei Aspasia, „doch evenals Phidias, nadat hij met zijne Lemnische Pallas tot de aarde was neergedaald, spoedig weder opsteeg naar den Olympus en sedert dien tijd boete doet aan de voeten van den Olympischen Zeus, zoo geloof ik, dat Polycletus van den Olympus snel weder naar de aarde en tot zijn eigen gebied zal terugkeeren. Het valt niet te ontkennen, dat de prozaïsche Peloponnesiër in zijne beelden de verhevenheid en diepte van het zieleleven weinig uitdrukt, maar laten ook de Atheensche kunstenaars in dat opzicht nog niet veel te hopen en te wenschen over? Mag ik het u bekennen, dat ik somwijlen in den droom godengestalten zie, die tot dusverre geen Phidias, geen Alcamenes, geen Polycletus met den beitel heeft kunnen scheppen? Verleden nacht verscheen mij Apollo, mij de liefste van alle Goden, de God des lichts en der toonen. Hij verscheen mij in de wondervolle, slanke gestalte eens jongelings, vermetel en toch liefelijk, fier in het bewustzijn zijner zege en toch bevallig. Doodelijk getroffen kromden zich, alleen voor zijn aanblik en voor den boog in zijne uitgestrekte hand, de draken der duisternis. „Wie beitelt mij den God, zooals ik hem gezien heb? Zelfs gij niet, Alcamenes! En toch zijt gij de vurigste onder de beeldhouwers en met altijd jeugdige, ontvankelijke ziel geeft gij u over aan het leven en zijne bekoorlijkheid. Daarom[149]ontsluit ook het leven voor u zijn geheim en zijn machtigste adem trilt in uwe scheppingen en verwekt de rustige kalmte der reine vormen.”De oogen van Alcamenes gloeiden van geestdrift bij deze woorden.„Sedert langen tijd,” sprak hij, „zijn de Arcadiërs voornemens voor uw lievelingsgod een grooten tempel te bouwen, en zij wendden zich tot Phidias, om den fries met beeldwerken te versieren. Deze verwees hen naar mij. Maar de Arcadische mannen wikken en wegen lang en zij zullen nog menig jaar wachten, totdat misschien de God met zijne doodelijke pijlen hen hunner gelofte indachtig maakt. Als zij dan echter hun plan volvoeren en zich tot mij wenden, dan zullen de beeldwerken van den fries voor alle volgende tijden getuigenis afleggen van mijn kunstgevoel, waaraan ik, op uwe aansporing, Aspasia! den vrijen teugel liet.”„Wees geheel u zelf,” hernam Aspasia, „luister niet naar het woord der koele en strenge mannen, en gij zult iets scheppen, dat zelfs zij, die uwe manier afkeuren, in verbazing en bewondering zal brengen.”Van dit oogenblik af verdoofde de laatste vonk van wrok tegen Aspasia in het hart van Alcamenes.Hij zocht telkens opnieuw haar gezelschap, sprak met haar over zijne plannen en ontwerpen, werd door hare woorden ontvonkt en onderricht, en zij weigerde hem haar raad niet, dien hij ijverig zocht.Den volgenden dag was Pericles door een toeval verplicht zonder Aspasia een uitstapje te maken en haar in ’t gezelschap van Alcamenes, Polycletus en eenige andere vrienden, die hij te Olympia had gevonden, achter te laten. Na een vrij lang gesprek verwijderden zich al de mannen, behalve Alcamenes, die het onderhoud met zijne gewone levendigheid voortzette.Steeds opgewondener werden de woorden van Alcamenes, steeds vuriger zijne blikken.Maar niet alleen toonde zich Alcamenes hartstochtelijk[150]tegenover de gade van Pericles, toen hij zich met haar alleen bevond, maar hij sloeg ook ongemerkt, en naar ’t scheen, onwillekeurig een toon aan, die eenigszins aan de vroegere vertrouwelijkheid herinnerde. Gaf hem daartoe de welwillendheid recht, waarmede eens de door kunstzin bezielde Milesische in een vriendschappelijk verkeer hem bejegend had, hem den begaafdsten van Phidias’ jongeren?Aspasia nam dien toon van vertrouwelijkheid op, met een gevoel van gekrenkten trots.De hartstochtelijke Alcamenes begon vergelijkingen te maken tusschen de vormen van haarvroegeren, jeugdigen bloei en die van thans, sprak daarbij van die vormen, zooals men over dingen spreekt, waarmede men bijzonder vertrouwd is.Ook dit beleedigde de hooghartige Aspasia.Alcamenes greep hare hand, beschouwde ze met kennersoog, prees de bekoorlijkheid daarvan en zeide, dat deze hem eene onuitputtelijke bron was voor zijn kennis op het gebied der kunst.Aspasia trok hare hand terug en merkte aan, dat Theodota niet minder onuitputtelijk was in ditopzicht, door hare bekoorlijkheden.„Gij zijt boos op mij, omdat ik Theodota geprezen heb!” riep Alcamenes.„Heb ik u dat ooit laten voelen?” hernam Aspasia koel; „hebt gij mij vijandig tegen u bevonden, toen wij elkander hier weder ontmoetten? Heb ik opgehouden verwachtingen, die u tot eer verstrekken, omtrent u te koesteren en u als den bekwaamsten tot het streven naar het ideale aan te sporen? Ik wist, dat gij mij haattet, maar mij zijn de kunst van Alcamenes en Alcamenes zelf van elkander gescheiden. Ik heb noch de liefde noch den haat van Alcamenes beantwoord.”„Koel en verstandig,” zeide Alcamenes, „mogen uwe woorden klinken, maar zij zijn door heimelijke verbittering scherp en vlijmend. Gij zijt nog gebeten op mij, ter oorzake van Theodota! Vergeef mij, wat ik tegen u heb misdreven! Wat gij mijn[151]haat noemt, het was de wraak der liefde!”„Lang vóór uw haat mij openlijk bleek,” hernam Aspasia, „zeide ik u reeds, wat ik u zooeven herinnerde: dat de deelneming van eens menschen geest voor iets, geheel afgescheiden is van ’t geen zijn hart gevoelt.”„Ook bij de vrouw?” vroeg Alcamenes met een ondeugenden glimlach. „Ik herhaal u: gij zijt nog verstoord op mij ter wille van Theodota! En een werk der wraak was ’t wellicht ook, dat gij in mij de oude vlam weder hebt aangeblazen!—Nog eens, vergeef mij! Veroordeel in dit oogenblik het vuur niet, dat gij zelve overigens in ’t karakter van Alcamenes hebt geprezen!”Bij deze woorden omvatte de onstuimige jongeling, in steeds heftiger hartstocht ontgloeid, de vrouw van Pericles.De fiere schoone trof den aanrander met een blik, die hem weder tot bezinning bracht.Op dat oogenblik trad Pericles binnen.Hij las, wat er voorgevallen was, op ’t gelaat van Alcamenes.Deze nam in verwarring afscheid en ijlde weg, met opnieuw veranderde gezindheid, beschaamd en vervuld van wrok tegen Aspasia.Pericles was bleek.„Behoeft het nog opheldering?” zei Aspasia; „gij hebt alles in de trekken van Alcamenes gelezen.”—„Het schijnt,” hernam Pericles, „dat Alcamenes u behandeld heeft, zooals men eene vrouw doet, die men …”„Spreek het niet uit, bid ik u!” zei Aspasia.„Ik weet,” vervolgde Pericles, „welke grenzen gij trekt, naar de opvatting van Protagoras, tusschen uwe bekoorlijkheden en uw persoon. Ik ken die leer, volgens welke de sluier eener vrouw zich mag inkrimpen tot een vijgeblad. Gij ziet, Alcamenes heeft een andere meening dan gij over de onschendbaarheid van het vijgeblad. Hij dwaalt, zegt gij; maar men moet zijne handelwijze naar zijne opvatting der zaak, en niet naar de uwe beoordeelen. Gij[152]kent het niet onedel maar hartstochtelijk karakter van den man. Hij zal van nu af dubbel op u gebeten zijn; hij zal het aantal uwer openbare tegenstanders vermeerderen.”„Hij vindt, naar ’t schijnt, bij die vijandschap een onverwachten bondgenoot!” zei Aspasia.Nog een paar bittere woorden werden er gewisseld. Pericles verliet het vertrek van Aspasia.Van spijt bevend stampte Aspasia op den grond.„Die verwenschte bodem van de Peloponnesus,” sprak zij, „brengt mij onheil aan.”Weldra echter vatte zij nieuwen moed. ’t Is een licht wolkje, dacht zij, dat zonder schade langs den helderen hemel der liefde trekt. Vroolijker flikkert de gloed bij eene nieuwe verwarming, dan vóór de verkoeling.Aspasia bedroog zich niet.—Maar blijft na die vroolijk opflikkerende vlammen geen onaangename asch in de borst achter? En vergeet de liefde alles wat zij vergeeft?—Pericles en Aspasia waren te Olympia de gastvrienden van Phidias. Hij had hun eenige vertrekken in eene der groote ruimten zijner werkplaats ter bewoning afgestaan. Hij zelf echter bleef onzichtbaar. Onophoudelijk was hij in den tempel met de voltooiing en oprichting van zijn reusachtig gouden en ivoren beeld bezig. Hij weigerde iederen omgang, maar hij had Alcamenes laten zeggen, dat Pericles en Aspasia de eersten van het geheele Helleensche volk zouden zijn, voor wie hij het grootste werk zijner handen zou onthullen.De met spanning verwachte ure was genaderd.Op een gloeienden zomerdag was een van onweer zwangere avond gevolgd. Donkere wolken vlogen door het zwerk en hadden zich eindelijk boven de hemelhooge kruinen der bergen samengepakt. Toen er volkomen duisternis heerschte kwam een slaaf van Phidias aan Pericles berichten, dat hem opgedragen was hem en Aspasia naar het binnenste van den Zeus-tempel te geleiden. In hun gezelschap bevond zich, op verzoek van Aspasia, het[153]meisje uit Arcadië. Zij volgden den slaaf en wandelden door het heilige woud van Altis, dat onder den nachtelijken hemel in diepe schaduwen zich uitstrekte. Eenzaam was het rondom en slechts een zacht geritsel trilde door de toppen der boomen.Nu bereikten zij den tempel. De slaaf ontsloot de poort en voerde hen het gebouw binnen. Daar leidde hij hunne schreden naar eene eenigszins hoogere plaats in den achtergrond, waar zij zich konden nederzetten. Vervolgens verwijderde hij zich, sloot opnieuw de poort achter zich en liet hen met hun drieën in het donker. Eene flauwe lichtschemering viel neder uit den nachtelijken, bewolkten hemel door de opening van het tempeldak. Maar zij drong niet door tot de uiterste hoeken.Zonder een woord te spreken, bijna angstig wachtten Pericles, Aspasia en het herdersmeisje. Eensklaps scheurde vóór hunne oogen de sluier der duisternis en zij verschrikten, verblind door eene plotselinge, schitterende verschijning. Het voorhangsel, dat den achtergrond van het tempelvertrek van het voorportaal had gescheiden, was weggetrokken en zij zagen in het heldere licht vóór zich den gouden en ivoren kolos van den Olympischen God. Op een schitterenden, rijkversierden troon was hij zittend voorgesteld en toch reikend tot aan het dak des tempels met dat verheven hoofd, dat, in goddelijke rust, enkel door een beweging zijner lokken, naar ’t woord des zangers, de hoogte van den Olympus doet daveren16.Om de ivoren ledematen van den koning der Goden golfde de gouden mantel, die den linker schouder benevens den arm en het onderste deel des lichaams omhulde. In bont émail fonkelde het goud van den mantel; met een tooi van kleine figuren en bloeiende leliën was zijne oppervlakte bezaaid. Van groen geëmailleerd goud was op de lokken van den Olympiër een olijfkrans gedrukt.[154]In de linkerhand hield hij den uit verschillende edele metalen kunstig bewerkten schitterenden schepter. Op de uitgestrekte rechterhand droeg hij eene zegegodin van dezelfde stof, als waaruit de gestalte des Gods zelven was gevormd. Op vier zuilvormige pooten, waartusschen nog kleine kolommen stonden, verhief zich de sierlijke troon, prijkend in bonte afwisseling, in een glans van goud en marmer, ebbenhout en elpenbeen. Donkerblauw was de vlakke voorzijde van den troon geverfd; een donkere achtergrond deed den glans van het goud en het ivoor te beter uitkomen.Vol diepen zin omgaf van alle kanten rijk beeldwerk de gestalte van den God en den troon. Op de punt van den schepter zat een adelaar, gouden leeuwenbeelden versierden de bank, waarop de voeten van den beheerscher der Goden rustten, Sphinxen droegen de leuningen van den troonzetel, zinnebeelden van de onnaspeurlijke raadsbesluiten van Cronion17. Op de zijvlakken van den troonzetel schitterden, door de hand van Panaenus geschilderd, in hellen kleurengloed de daden van Heracles, den beroemden zoon van Zeus. Andere heldendaden prijkten er nevens: alsmede de afbeeldingen van verschillende wedstrijden te Olympia.Op de breede vlakte van het voetstuk echter, waarop de troon zich verhief, steeg de heerlijkste dochter van Zeus, de gouden Aphrodite, uit het schuim der zee.Goddelijk genadig was het aangezicht van den Olympiër en toch vol onbeschrijfelijk verheven ernst. De milde goedheid was met strenge kracht en diepe wijsheid vereenigd. Machtig echter en overweldigend was de uitdrukking der hoogste majesteit.Aspasia verborg schier ontsteld het hoofd aan de borst van Pericles. Een schier onaangename indruk maakte op haar deze schitterende, overweldigende gestalte. Hier was niets vrouwelijks meer[155]onder het goddelijke gemengd, zooals in de gestalte van den jonkvrouwelijke Pallas Athene. Hier was de manlijk ernstige, de strenge macht van den beheerscher der Goden tot de hoogste uitdrukking gebracht.Aspasia voelde bij dit gezicht eene diepe smart, die haar boezem doorvlijmde …Ook het Arcadisch meisje was in het eerste oogenblik hevig ontsteld: spoedig daarop echter kwam zij tot zich zelve en staarde naar den God met het vertrouwen van een kind.Het onweder was zacht en langzamerhand nader gekomen. Men zag door de opening van den tempel de bliksemflitsen door den hemel schieten en men hoorde uit de verte den rollenden donder.Aspasia wilde Pericles met zich medetrekken. Maar hij bleef in stomme verbazing, als in den grond geworteld, verzonken. Ook hij was gewoon van de beeldende kunst een liefelijken indruk te ontvangen. Hier echter zag hij het verhevene tegenover zich in nooit geëvenaarde gestalte. Het was, als lag er eene nieuwe openbaring in dit godsbeeld.Daarbuiten rolde al nader en nader de donder.Plotseling sloeg een bliksemstraal door de opening van het tempeldak.Pericles en Aspasia verloren voor een oogenblik hunne bezinning.Toen de helle gloed hunne oogen niet meer verblindde, zagen zij eene marmeren plaat in de ruimte van den tempel, waarop de twaalf Olympische Goden enreliëfwaren afgebeeld, door den bliksem zwart gemaakt en gebarsten …Het gelaat van Zeus had in den rossen gloed des bliksems een oogenblik eene vreeselijke, Titanische uitdrukking gehad. ’t Was, alsof zijne hand den bliksem had geslingerd, die zijne Olympische medegoden had verbrijzeld …Maar nu schitterde het gelaat des Gods weder in rustige majesteit, zoodat bij zijn aanblik de schrik dier bliksemflits was verzacht en verdwenen. Zoo groot scheen de God dat de bliksemstralen hem[156]slechts als een onbeduidende, matte vonkenregen omgaven.„Deze God van Phidias,” sprak Pericles, in diep gepeins verzonken, „is te groot voor de tempels der Hellenen. Hij streeft met zijn hoofd opwaarts naar het onbereikbare, naar het oneindige …”Slechts noode volgde Pericles eindelijk Aspasia op haar dringend verzoek.Zij zochten Phidias op.Deze echter had ongezien beiden nauwlettend gadegeslagen, terwijl zij voor het beeld des Gods in stomme verbazing stonden.Nu verliet hij den tempel, om zich aan hunne loftuitingen te onttrekken.Hij bleef voor hen verborgen.Toen Pericles en Aspasia in diepe gepeinzen verzonken in hunne woning waren teruggekeerd, schudde Aspasia den indruk van den ernstigen, verheven indruk van hare ziel af, evenals een vogel de parelende regendruppels van zijn lichte vederen afschudt.Niet alzoo Pericles.Doch Aspasia rustte niet, alvorens zij den Olympischen ernst van zijn voorhoofd had verdreven.Eindelijk trad ook bij hem het verbijsterend gevoel der verhevenheid van den onder bliksem en donder gezienen God op den achtergrond, en de bewondering van den onvergelijkelijken meester verkreeg in zijne ontroerde ziel de overhand.Nog met gesloten oogen, zag dien nacht in de sluimering het meisje van Arcadië zich omgolfd door lichtstroomen, wonderbaar vermengd met den gloed van goud, den glans van elpenbeen en het geflonker van den rossen bliksem.Pericles ontwaakte een paar maal verschrikt uit zijn slaap. Hij had gedroomd, dat de zittende God van Phidias zich in zijne geheele grootte had opgericht en met zijn hoofd het dak des tempels tot puin had gestooten.Aspasia had een anderen, even zonderlingen droom.[157]Zij zag den adelaar van Zeus, zooals hij van de punt des schepters neervloog naar het voetstuk en daar met zijn snavel de duiven der gouden, vroolijk lachende, zalige Aphrodite de oogen uitpikte …

Niet om de Olympische wedloopers naar den eindpaal te zien vliegen, niet om de worstelaars en vuistvechters in het zand te zien bijten, niet om de duizendvoudige bijvalskreten van het volk der Hellenen te hooren, waarmede zij de overwinnaars in den wedloop, in het worstel- en vuistgevecht, in het springen, in het werpen met speer en schijf, in den wapenloop begroetten, waren Pericles en Aspasia naar Elis gekomen. Hunne harten verlangden vurig naar hun vriend Phidias, toen zij in den[128]glans van een heerlijken morgen de gevierde, door de wateren van den heiligen Alpheüs doorsneden dalvlakte van Olympia bereikten. Alle wegen, die van de Arcadische bergen of uit het zuiden van de Peloponnesus over Messenië of van het noorden over Achaëe naar het Elische strand voerden, boven alles echter de zoogenaamde heilige feestweg, die langs den Alpheüs liep, wemelden van wandelaars; ook over de golven der westelijke zee in de nabijheid zagen zij de bekranste schepen van Italië’s en Sicilië’s kusten naderen.

Weldra bevonden zij zich in het gewoel van de karavanen der feestgezantschappen, die zich naar het Pisatische strijdperk begaven; geen enkele Helleensche staat van eenig belang had verzuimd zulk een gezantschap te zenden. Waar zulk eene karavaan op den weg kwam, drong zich de stroom der overige pelgrims te voet en met rijtuig opeen en allen staarden verbaasd den stoet aan en hen, die in prachtgewaad, bekranst op den bekransten wagen zaten en den wagen zelven die niet zelden met schilderwerk versierd, verguld en met tapijten behangen was, ook de heerlijke offerdieren, het kostbare offergereedschap, het talrijke geleide.

Niet verre van de standplaats der tenten en winkels, ongeveer tegenover den ingang van het woud, bevond zich eene groote beeldhouwerswerkplaats. Ze was sedert jaren die van den vermaarden Phidias; hier voltooide hij gemeenschappelijk met Alcamenes en andere zijner leerlingen in de eenzaamheid der Elische vallei, wier rust alleen om de vier jaar door het Olympische feestgewoel werd verstoord, het grootste en diepzinnigste zijner beelden. De drukte van het vroolijke Athene ontvloden, vrij van alle invloeden, die de vlucht zijner gedachten met bloemenketenen naar de aarde zouden willen trekken, schiep hij hier in de eenzaamheid, door de berglucht verkwikt, onder het geklater van den heiligen stroom, zijn Olympischen Zeus.[129]

Uit de werkplaats van Phidias ziet men twee mannen komen en den oever van den Alpheüs stroomopwaarts bewandelen.

In een van deze mannen herkennen wij den vurigen Alcamenes. Zijn makker is de beroemde Polycletus van Argos, door zijn marmeren en metalen beelden met den Athener wedijverend, maar, met den kalmen en rustigen geest van den Peloponnesiër, het menschelijke als zoodanig rein trachtende op te vatten, en boven alles het mannelijke, ’t welk hij het liefst in standbeelden van athleten uitdrukte. Zijne school was Olympia: hier oefende en volmaakte hij zijn oog en geest aan de levende omtrekken van een harmonischen, krachtigen lichaamsbouw.

Het verschil van richting in hunne kunst verwijderde, zij ’t ook schier onbewust, Phidias en zijn Argivischen mededinger. Terwijl de Athener geloofde, dat de eenvoudige kunst van den Argiver te hoog werd aangeslagen, vond deze zich heimelijk gegriefd, dat men hem, den Peloponnesischen kunstenaar, voorbij was gegaan en den Athener met zijne leerlingen geroepen had, om het grootste en verhevendste kunstwerk op Peloponnesischen bodem te voltooien. Dit was een dier Atheensche triomfen, welke Aspasia Pericles had voorspeld, toen zij hem zocht te bewijzen, dat een staat door de beoefening van het schoone zijne mededingers kon overvleugelen …

Zoo was Polycletus gedurende zijn oponthoud te Olympia verstoken van den omgang met Phidias en zijne jongeren, met uitzondering van Alcamenes, wiens openhartig, vroolijk en levendig karakter zich gaarne over kleinigheden heen zette en die dan ook zooeven, bij eene toevallige ontmoeting, een onbevangen gesprek met zijn Argivischen kunstbroeder had aangeknoopt.

Polycletus, een ernstig, verstandig man, die met Phidias en zijne school zonder eenigehartstochtelijkebitterheid naar den eerepalm dong, vroeg naar Agoracritus, daar hij zich verwonderde waarom[130]deze zijn meester niet gevolgd was, om evenals op de Acropolis te Athene, ook hier aan zijne zijde het roemvol werk te helpen voltooien.

„Te recht verwondert gij u,” zei Alcamenes, „dat juist de geliefdste leerling van den meester hier ontbreekt, terwijl ik—die sedert de overwinning, welke ik met mijne Aphrodite op hem behaald heb, mij nauwelijks meer op de persoonlijke genegenheid van den meester mag beroemen—deze toch herwaarts gevolgd heb en voortga aan zijne zijde te arbeiden. Nu, als men samen leven en werken zal, komt het er niet zoozeer op aan of men elkander meer of minder liefheeft, als wel daarop of men een gemakkelijk karakter bezit. Ik voor mij zou den omgang met Agoracritus, hoewel hij geweldig op mij gebeten is, best kunnen uithouden; doch hij kan dit niet; en alleen om mijn gehaat gezicht niet meer te zien, is hij sedert de voltooiing van het Parthenon heengegaan. Hij heeft intusschen op zich genomen, een Zeus, die Coronea1hem heeft opgedragen, te vervaardigen. Maar evenals hij des tijds, toen hij zich voorgenomen had eene Aphrodite te beitelen, eene Nemesis schiep, zoo hield men zijn Zeus, toen deze daar voltooid stond, voor een God der onderwereld. Zoo verdiept hij zich altijd in het sombere, en daar mijne kunst steeds eene tegenovergestelde richting heeft gevolgd, zijn wij allengs zulke tegenvoeters geworden, dat wij volstrekt niet meer in staat zijn aan de uitvoering van hetzelfde ontwerp met elkander te arbeiden.”

„Uw levendige geest, Alcamenes,” hernam Polycletus, „doet u zulke groote vorderingen in de kunst maken, dat uwe makkers u niet gemakkelijk kunnen volgen.”

„Ik kan mij hier vrijer bewegen, dan bij de werken op de Acropolis te Athene,” zei Alcamenes. „Daar moest in alles, naar een vast plan van[131]den meester, eene volstrekte eenheid heerschen; hier liet hij mij en Paeönius, naar vrije verkiezing, de uiterlijke versiering des tempels over; hij zelf echter bleef geheel en al verdiept in gepeinzen over zijn Olympischen beheerscher der Goden.”

Toen Alcamenes deze woorden gesproken had, bleven zijne oogen plotseling gevestigd op een verwijderd punt in ’t gedrang van hen, die zich langs den oever van den Alpheüs bewogen. ’t Scheen, dat hij daar iemand had herkend en zijn geheele wezen begon eene ongewone aandoening te verraden. Hij keerde zich tot Polycletus en zeide:

„Ziet gij ginds dien statigen en eerwaardigen man, die aan de zijde van eene dichtgesluierde vrouw van bekoorlijke gestalte zich in ’t gewoel een weg zoekt te banen? Het is Pericles uit Athene, vergezeld van zijne gade, de schoone Milesische Aspasia.”

„Ja waarlijk,” antwoordde Polycletus. „Ik herken Pericles; ik heb hem vóór jaren in Athene gezien. Maar die schoone vrouw is mij geheel vreemd.”

„Eene even gevaarlijke en sluwe, als schoone vrouw,” hervatte Alcamenes. „Men kan haar niet beminnen zonder haar te haten, en niet haten, zonder haar te beminnen.”

Toen Pericles en Aspasia Alcamenes zagen, en bij hem Polycletus, en het Atheensche paar genaderd was en de beide beeldhouwers elkander hartelijk hadden begroet, vroeg Pericles aanstonds naar Phidias.

„Wij zijn,” zeide hij, „gisteren avond laat te Olympia aangekomen, niet om de spelen bij te wonen, die voor mij de bekoorlijkheid der nieuwheid al lang verloren hebben en die mijne gade, als vrouw, niet mag zien, maar alleen om Phidias en zijn God, van wien men thans reeds met den grootsten lof gewaagt. Nu zijn wij juist voornemens den meester op te gaan zoeken en gij, Alcamenes, zult ons ongetwijfeld gaarne begeleiden.”

„Hij bevindt zich in het heilige woud,” hernam Alcamenes, „in den pas voltooiden tempel van[132]Zeus. Hij heeft zich daar met zijne medearbeiders opgesloten en wil niemand bij zich toelaten, deels om niet in zijn werk gestoord te worden, deels om zijn gewrocht niet eerder aan de oogen der menschen bloot te stellen, vóór het op de bestemde plaats en in al zijne heerlijkheid voor hen staat. Eerst na den afloop der spelen zal de tempel geopend worden. Hoe onverbiddelijk de afgetrokken en schier menschenschuwe man allen ook van zich weert, zoo wil ik toch beproeven, in den afgezonderden tempel tot hem door te dringen en hem gasten aan te kondigen, die hij ongetwijfeld met groote vreugde zal ontvangen.”

„Neen, Alcamenes, doe dat niet,” zei Pericles, „ook door ons moet Phidias niet in zijn arbeid gestoord worden en ook van ons zal hij begeeren, dat wij zijn werk niet dan in den vollen luister zullen zien. Wij zullen een weinig geduld oefenen. Doch de feestelijke opening van den tempel denk ik niet met Aspasia af te wachten. Niet in ’t gedrang van tallooze Hellenen zouden wij dat gezicht voor het eerst willen genieten. Ik hoop ten minste, dat Phidias ons één dag van te voren in de zalen van den nog eenzamen tempel zal toelaten en ons vergunnen zijn volkomen afgewerkt godenbeeld in stilte te beschouwen.”

„Gij zult, Pericles,” hernam Alcamenes, „zeker hierdoor een vurigen wensch van den meester zelven vervullen. Wilt gij derhalve Phidias voor het oogenblik in zijn tempel ongestoord laten, stel u dan te vreden met mij en den wakkeren Polycletus, die op den bodem van Olympia beter te huis is dan nauwelijks eenig Helleen, en wiens metalen of marmeren beeld ginds tusschen het loof der platanen en olijfboomen van het heilige woud u toeblinken.”

Onder vriendelijke dankbetuiging namen Pericles en Aspasia het geleide der beide groote kunstenaars aan.

Zij wandelden samen door het onafzienbare gewoel op de groote, vrije ruimte, die zich uitstrekte[133]tusschen den schaduwrijken oever van den Alpheüs en het heilige woud Altis, waar de nieuwe feesttempel van den Olympischen Zeus zich verhief, te midden van eene menigte metalen en marmeren beelden.

Zij gingen langs de huizen, bestemd voor de tallooze personen, die tot den dienst van den tempel behoorden, langs de herbergen, die op verre na niet voldoende waren voor de vreemdelingen, langs de ruimten waar de strijdwagens bewaard werden, langs de stallen, waarin de edele rossen en muildieren hinnikten. Het grootste deel van het saamgestroomde volk zagen zij in de open lucht onder tenten gelegerd.

Na weinige schreden trof hun blik de prachtige tent van het feestgezantschap uit Sicyon, iets verder die van Corinthe, vervolgens die van Argos, Samos, Rhodos en andere. Om deze tenten heerschte een groote drukte, vooral van hen die landgenooten waren van de verschillende gezanten. Dan klonk het: deze hier is de prachtige tent van den rijken Periander uit Chios, die van den vermogenden Euphorides uit Orchomenus2, gene van den rijken Pauson van Eretria. De bewoners der tenten stonden aan den ingang, druk en met levendige gebaren zich onderhoudend; zij groetten hunne vrienden en noodigden hen uit, onder de schaduw van hun purperen tent te komen uitrusten. Vreemde, door de zon gebruinde jongelingen naderden hen en trachtten met de helft van gebroken ringen, wier andere helft in de handen van den toegesprokene zich bevond, zich als zonen en verwanten van oude gastvrienden te doen erkennen. Winkels van allerlei aard sloten zich bij de bonte tentenrij aan.

De volksmenigte woelde dooreen. Men hoorde de verschillende Helleensche tongvallen door elkander. Men verstond elkaar niet altijd. Naast de vrij[134]harde taal van den Peloponnesiër, de breede van den Thebaan, de platte van den Megarenser, klonken de weeke Ionische en Aeölische tonen. In het gewoel der Hellenen waren boven allen, de levendige, vroolijke Atheners herkenbaar, benevens de ernstige, sombere Spartanen. Dikwijls wierpen zij elkander een blik van diepen haat en afgunst toe.

Ook de reusachtige gestalten der athleten, kon men daar zien rondwandelen. Men wees hen met den vinger aan en noemden hunne namen en hunne overwinningen.

Vóór de tent van het feestgezantschap uit Cios zagen Pericles en Aspasia een weenenden knaap, dien een hoogbejaarde grijsaard, zijn grootvader wellicht, te vergeefs zocht te troosten. Pericles vroeg naar de oorzaak dezer tranen en vernam, dat de jongen, onder beschuldiging van verwijfdheid, van den wedstrijd der knapen was uitgesloten, omdat hij met lang haar3en een purperen kleed te Olympia gekomen was. Met half spottende, half berispende woorden laakte Aspasia, zonder zich te ontzien voor hen, die het hooren konden, de harde, oudvaderlijke gestrengheid der Elische kamprechters; daarop streek zij den knaap vertroostend over de donkere lokken en zei: „Schrei niet, beste jongen! Pericles van Athene zal voor u een goed woord doen bij de Hellanodiken.”4

Al meer en meer vulde zich de ruimte. Hier en daar verdrong zich de opeengepakte massa. Pericles en Aspasia ontmoetten al voortwandelend groepen, die zich verzamelden om beeldhouwers, welke hunne werken hier openlijk ten toon stelden, of om rhapsoden5, of om een man, die, op een spreekgestoelte[135]staande, aan het luisterend Helleensche volk de door hem opgestelde geschiedenis van Grieksche staten en eilanden voorlas, of om een voortreffelijk toonkunstenaar, of om mannen, die in trotsche houding en purperen gewaad door de hen aangapende menigte gingen, Sophisten die den roem van hun naam te Olympia nog verhoogen wilden en bereid waren voor de hen omstuwende menigte eene schitterende rede te houden over welk onderwerp men maar wilde, of om een onaanzienlijk mannetje, op wiens kalen schedel onder de brandende zonnestralen van Elis het zweet als morgendauw flikkerde en die een sterrekundige fabel, een werk van scherpzinnige en ingewikkelde berekeningen, ter algemeene bezichtiging stelde.

Een hoogbejaarde Spartaan, met sneeuwwitte lokken, zag met donkere en onvergenoegde blikken naar al die eerzuchtige bedrijvigheid.

„Ik prijs den tijd gelukkig,” zeide hij tot een vriend aan zijne zijde, „toen Olympia niets meer was dan de kampplaats voor ’t aan den dag leggen van Helleensche manlijke kracht, terwijl zij nu veeleer tot eene vertooning van vrouwelijke en verwijfde kunsten misbruikt wordt. Toen ik nog een knaap was, was hier niets te koop dan onmisbare levensmiddelen, alsmede benoodigdheden voor het feest zelf, als sieraden, hoofdbanden, kransen. Thans pralen de winkels van ijdelen opschik; wij hebben ten tijde van het feest hier eene groote kermis van Hellas, waar de winkeliers van alle steden en eilanden hunne verleidelijkste waren te pronk willen stellen. Het krioelt hier steeds meer van raphsoden, toonkunstenaars, beeldhouwers, wijsheidsvrienden en ander volk van dat slag. Na korten tijd zal het grootsche doel van het overheilige Olympische feest onder de tentoonstellingen en vertooningen van onmanlijken wedijver waarmede de Atheners en andere Hellenen van het vlakke land, der eilanden en Ionische kusten elkander de loef zoeken af te steken, verdwenen zijn. Eerzuchtige dwazen! Ieder wil met iets pronken, ieder[136]opgemerkt worden. Ginds, ziet ge, snijden eenige Megarensers hunne namen in de schors der populieren aan den Alpheüs om toch ook iets voor hunne onsterfelijkheid te doen!”

„Eenigen zie ik daar ook bezig,” hernam zijn makker, „met schoone, bonte kiezelsteentjes uit het zand van den heiligen stroom te zoeken. Ik moet daar ook eenige van verzamelen, om ze voor mijne jongens mee te brengen …”

Na het uiten dezer woorden verdween de vriend van den Spartaan onder de populieren langs den Alpheüsoever. Hoofdschuddend zag deze hem na.

Op dit oogenblik weerklonk weder de schelle, alles overheerschende stem van den heraut, die van tijd tot tijd door de tentenstad en het gewemel van menschen heenstappende de oogen en ooren van alle Hellenen voor een oogenblik op zijn persoon vestigde. Hij was de algemeene mond der Hellenen. Hij berichtte de meest verschillende zaken. „De Panormitanen6en de Leontiërs7deelen plechtig allen Hellenen mede, dat zij met elkander vrede hebben gesloten, na hunne geschillen door een minnelijke schikking bijgelegd te hebben.” En wederom: „De Magnesiërs8geven aan de Hellenen kennis, dat zij met de Larissaeërs9en Demetriërs10een eeuwigdurend verdrag van onderlinge verdediging hebben aangegaan.”

Nu echter verkondde zijne krachtige stem: „De Lechaeërs10betuigen ten aanschouwe van hetgeheeleHelleensche volk den Phliasiërs10hun dank voor de hen betoonde hulp in den strijd met de Kenchraeërs10.”—

„Dat was wel de moeite waard!” riep eenKenchraeër[137]met een spottenden glimlach. „Denken de Lechaeërs inderdaad, dat wij voor hen en de Phliasiër bang waren? Bij Heracles! Zij zullen op het volgende Olympische feest geheel andere mededeelingen door den heraut hooren doen!”

„Niets dan snoeverij!” hernam hoonend een Lechaeër, die niet verre van hen verwijderd stond. „Bluf maar! Wij hebben nog pijlen genoeg om er de geheele stad der Kenchraeërs onder te bedelven!”

„En wij nog lansen genoeg,” hernam de Kenchraeër, „om de nieren van alle Lechaeërs aan te spietsen!”

„Pak u weg!” schreeuwde de van toorn gloeiende Lechaeër, „anders zult gij morgen uw gezicht in den spiegel niet meer herkennen!”—Tevens hief hij dreigend de vuist op.

Een Athener greep zijn arm vast. „Wat moet dat?—Laat den Kenchraeër met rust, of gij hebt met mij te doen!”—

„Ei, kijk hem eens!” sprak een Samiër onder de toeschouwers, die zich om de twistenden heen gedrongen hadden; „de Atheners willen zich zelfs in de gunst der Kenchraeërs dringen, en men weet, waar het met al hunne vriendelijkheden op uitloopt!”—

„Ja wel, dat weten we!” riepen eenige Argivers en Spartanen. „Sedert eenigen tijd,” sprak een der Argivers, „geven de Atheners zich wonder veel moeite, om in goede verstandhouding te staan met de bewoners van den Isthmus en de passen van de Peloponnesus!”

„Hebben zij dan daarvoor den tijd?” riep een der Spartaners met een grijnslach. „Is dan de groote Pericles, de Olympiër, al gereed met zijne groote, prachtige tempels en propylaeën en Pallasbeelden van goud en ivoor? En behaagt het de Hera van den Atheenschen Olympiër haar rijk ook aan gene zijde van de pijnboomwouden, van den Isthmus uit te breiden?”

„Hare vrienden en voorvechters heeft zij immers[138]reeds vooruit gezonden!” riep de Argiver, met den vinger over zijn schouder naar de werkplaats van Phidias wijzend.

De Atheners, die aanwezig waren, wilden zich die spotternij niet laten welgevallen. Wilder en heftiger dreigde de woordenstrijd te ontbranden.

Daar klonk plotseling eene geweldige en welluidende mannenstem, zoo wonderlijk doordringend, dat oogenblikkelijk allen daarnaar luisterden.

„Aan welken Helleen behoort de tong,” riep de machtige redenaar, „die daar durft spotten met de nieuwe tempels en godsbeelden der Atheners? Wat er roemrijks te Athene geschapen is dat is gewrocht ter eere van den gemeenschappelijk en Helleenschen naam! En bedenkt, dat sedert eeuwen altijd vrede is gehouden door onze vaderen, van welken stam zij ook waren, op deze plaats, waar de heilige wateren van den Alpheüs de maat klateren voor de Olympische feestreien van het gansche Helleensche volk. Tot een vreedzamen wedstrijd zijn wij steeds herwaarts gekomen; hier was het heilige grond, hier de godsvrede. In het tempelgebied van den gemeenschappelijken God Zeus vereenigt ons het feest der Panhellenen11. Houd vrede, Hellenen, op de Pisatische landauwen! Hier moeten geen wapenen getrokken worden, hier mag geen metaalgekletter gehoord worden, dan de klank der halve ringen, die tegen elkander gehouden worden; hieraan kunnen Helleensche gastvrienden van alle oorden elkander herkennen!”—

De kreet „Pericles” weerklonk na deze woorden door de menigte: „Pericles van Athene! Pericles, de Olympiër!” Vaders hieven hunne jongens op, om hun Pericles te toonen. Slechts door weinigen was hij te voren herkend geworden. Thans, nu hij gesproken had, nadat zijne donderende welsprekendheid had weergalmd, herkende hem het gansche Helleensche volk. En nog vond, wat hij gesproken had, weerklank in de harten der bewegelijke,[139]licht ontvlambare Hellenen. Kreten van toejuiching weerschalden tot over den Alpheüs en de wateren van den stroom schenen bruisend in te stemmen in den algemeenen bijval.

Pericles onttrok zich aan de menigte door zich met Aspasia en zijne vrienden naar het heilige woud Altis te begeven, waar hij zich verloor tusschen de tempels en heiligdommen van allerlei soort, de standbeelden, drievoeten en gedenkzuilen, waar het gebladerte der olijfboomen, platanen en palmen ritselde. Van de gevelspits van den nieuwen Zeus-tempel schitterden hun eene vergulden Zegegodin tegen, tusschen twee eveneens vergulde vaten, in oogverblindenden glans. Zij beschouwden op den achtergevel de beelden van Alcamenes. Hij had daar den strijd der Lapithen12en Centauren voorgesteld en daarin zijne voorliefde voor bewegelijkheid en veelvuldige afwisseling van houding en gebaren, meer dan op de Acropolis, den vrijen teugel gelaten.

Begeleid door Polycletus en Alcamenes beschouwden Pericles en Aspasia daarop de overige tallooze wonderen van het heilige woud.

Ten laatste bestegen zij eene vrije trap, die uit Altis noordwaarts naar een groot, breed terras leidde. Dit terras breidde zich langs den zuidelijken voet van den Cronos-heuvel tot aan het stadion13uit. Op die vlakte verhief zich eene lange rij van zoogenaamde schatkamers van verschillende steden, waarin deze hunne naar Olympia gezonden wijgeschenken bewaarden.

Van de schatkamers van den Cronos-heuvel opwaarts gaande, bezichtigden Pericles en Aspasia de heiligdommen, die dezen heuvel versierden. Van den top daarvan hadden zij het schoonste gezicht op[140]Olympia. Zij zagen onder zich het heilige woud Altis met zijne tempels en standbeelden in zijne volle uitgestrektheid; zij zagen aan gene zijde van Altis den majestueuzen stroom, den Alpheüs, door de vlakte heenschieten; zij zagen ter rechter zijde de rivier Cladeüs, die op de Pisatische bergen ontspringend, zijne wateren met die van den Alpheüs vermengt; zij zagen ter linker zijde het stadion en den hippodromos14, de plaatsen voor de Olympische wedstrijden, die het heilige woud begrensden. Rechts van den Cronos-heuvel, nabij den noordelijken uitgang van Altis, zagen zij gebouwen, die het middelpunt van het bestuur van Olympia uitmaakten en waar zoowel de kamprechters als de athleten zelven, vóór het standbeeld van den met den dubbelen bliksem gewapenden Zeus Horkios15, de wetten van den strijd bezwoeren. Verder was van alle kanten niets te zien dan de krans van hooge bergen, in wier hoede het heilige feestterrein van Olympia lag.

Het oog der mannen weidde met welgevallen over deze tafereelen. Aspasia echter begon over de geweldige hitte te klagen en over de vele muggen, die haar kwelden.

„Hoe komt het toch,” zeide zij, „dat de Hellenen voor hunne athleten wedstrijden het warmste van den zomer en deze muffe, drassige vallei van den Alpheüs hebben gekozen?”

„De stichter Heracles heeft aan de muggen niet gedacht,” zei Alcamenes lachend.

„En wij mannen tot heden ook nog niet,” voegde Pericles er bij. „Maar nu ik er eenmaal opmerkzaam op gemaakt ben, moet ik u gelijk geven, Aspasia. Die tallooze bloedzuigers zijn geweldig lastig.”

Door Altis terugkeerend, vertoefden Pericles en Aspasia alleen nog bij de standbeelden van Polycletus.[141]

Steeds levendiger werd inmiddels in den loop van den dag het gewoel en de drukte tusschen Altis en den Alpheüs. Talrijker offers werden des avonds op de met bloemen bekranste altaren der Goden gebracht. Men zag de athleten de ingewanden der offerdieren beschouwen, hopende daaruit een gunstig voorteeken voor den strijd te zullen vinden. De grootste schare van toeschouwers stroomde naar het plechtige brandoffer op het overoude beroemde aschaltaar van Zeus.

De verrichtingen van deze heilige plechtighedenduurdentot diep in den nacht, onder de tonen der muziek en bij het schijnsel der maan, die bijna vol was. Alles had plaats op eene hoogst ernstige wijze, in eene schoone orde en eene eerbiedwekkende stilte. Te middernacht eerst werden de fakkels in het heilige woud uitgebluscht en de laatste vlammen op de altaren verdoofden allengs. Nu echter stormde reeds een niet onaanzienlijk deel van het volk naar de renbaan, om daar, na eene goede plaats bemachtigd te hebben, het krieken van den dageraad en het begin der spelen af te wachten.

Den volgenden morgen bestegen Pericles en Aspasia wederom den Cronos-heuvel.

Het oog van Pericles was gevestigd op het stadion, dat uit de verte zichtbaar was, met die belangstelling, die zulk een schouwspel elken Griek steeds inboezemde. Hij had zich alleen ter liefde van Aspasia het genot ontzegd zich van nabij onder de toeschouwers in het stadion zelf te begeven. Niet met hetzelfde welgevallen richtte de Milesische het oog naar de kampplaats, waar de lichaamskracht, door geweldigen, ja schier moordlustigen ijver verhoogd, te midden van stof en brandende hitte ten toon werd gespreid.

„Waarom laat gij uw oog bijna verachtend over die belangstellende menigte dwalen?” vroeg Pericles.

„Heeft het niet den schijn,” zei Aspasia, „dat het Helleensche volk, zoo groot geworden in vele[142]dingen, die waarachtig schoon en heerlijk zijn, den grootsten zijner eerepalmen voor de athleten te Olympia bewaarde? Moet dan waarlijk de kracht der armen en de snelheid der voeten als de hoogste aller voorrechten gelden op Helleenschen bodem?”

„Ik begrijp u,” hernam Pericles, „gij zijt de voorvechtster der vrouwelijkheid en van al wat het leven verfijnt, veredelt en schooner maakt. Hier echter viert de ruwe, manlijke kracht haar triomfen.”

„Een echt, verkwikkelijk schouwspel voor Doriërs,” zei Aspasia, „is zulk een worstel- en vuistgevecht, waarbij de mannen tegen elkander woeden, tot het bloed hun uit mond en neus stroomt. Gij hebt gelijk, ik haat die spelen; want waar het manlijke haar doel voorbij streeft, daar schijnt het mij niet ver van de barbaarschheid te zijn. Ik vrees, dat de ruwe bekoorlijkheid van dit schouwspel het gemoed der menschen hoe langer zoo meer verderft en hen opnieuw tot hunne vroegere verwildering en ruwheid terug zal voeren.”

„Gij overdrijft!” hernam Pericles glimlachend.

De lijnrecht tegen elkander overstaande zienswijze van Pericles en Aspasia over dit onderwerp zou nog vóór het einde van dezen dag door een klein tooneel, dat zij bijwoonden, versterkt worden.

Toen namelijk Pericles en Aspasia aan den avond van denzelfden dag, vergezeld door Polycletus en Alcamenes, in den omtrek van het stadion wandelden en Aspasia de haar onbekende plaatsen beschouwde, gebeurde ’t dat, terwijl zij juist op eene steenen bank zich nederzetten om te rusten, een troep athleten, die aan den strijd dien dag deel hadden genomen, een andere troep ontmoette, waarop de geheele schaar, die zich deels op den grond neervlijde, in een levendig gesprek gewikkeld werd. De gevechten van den eersten dag werden met woorden nog eens gestreden en iedere overwinning aan eene scherpe critiek onderworpen. Zij, die overwonnen waren, zetten uiteen door welk toeval hunne tegenstanders hen onder gekregen[143]hadden en hoe de overwinning maar aan een haar had gehangen, of zij beschuldigden hunne kampioenen openlijk dat zij tegen de regels van het gevecht gezondigd hadden. Doch het baatte hun doorgaans weinig en zij moesten soms nog den spot hunner kameraden verduren.

„Om het even, beste Theagenes,” klonk het, „gij moet de builen maar dragen, die Nicostratus u geslagen heeft. Gij ziet er erbarmelijk uit, met uwe olielappen om uw gewond hoofd en gij riekt als een lantaarnpaal.”

„Spot maar!” hernam de aangesprokene, een nog jeugdig worstelaar en vuistvechter, die deerlijk toegetakeld was en daarom zijn hoofd met een in olie gedoopten doek had omwonden.

„Spot maar!” zei hij; „ik heb nu eens geprobeerd, wat vleesch en been kunnen verdragen. Slagen heb ik op mijn hoofd gekregen, die, geloof ik, een rotsblok zouden verbrijzeld hebben. Maar meent gij, dat ik buiten eene kleine gloeiing, eenigen last aan mijn hoofd merk? Op zijn hoogst zijn een paar onschadelijke builen wat opgeloopen. Maar de rug begint mij nu wat zeer te doen—’t kan wel van den geweldigen val komen, waarmede ik in den worstelstrijd op den grond te recht kwam.”

„Men ziet, dat gij een nieuweling zijt!” zeiden de anderen, „daar gij nog niet weet, dat het hoofd het minst gevoelige deel van den mensch is, de rug echter het teerste!”

„Uw rug zal in drie dagen wel weer beter zijn,” zei een van hen; „maar zie mij eens aan: vanwaar zal ik mijne tanden terugkrijgen? Had ik ze uitgespogen, toen een vuistslag van Meleager mij trof, dan had ik mijn verlies daarmede te kennen gegeven; daarom heb ik ze liever naar binnen geslikt. Het is onpleizierig zijne tanden in plaats van in den mond in de maag met zich te dragen.”

„Gij zult ze verteren!” zeide Boeötiër Cnemon. „Eenathletenmaagmoet ook tanden kunnen verduwen.”[144]

„Daarvan zal ik bezwaarlijk zooveel vleesch van op mijn lijf krijgen als gij hebt!” voegde Theagenes hem toe.—Cnemon was inderdaad een oudachtige, stoere kerel, die het merg van vele runderen, kalveren en lammeren in zich had opgenomen. Zijne ooren waren gekwetst door vuistslagen: van staal scheen zijn vleesch op zijn breede, gewelfde borst en rug: hij geleek op een metalen standbeeld. De spieren lagen op zijne armen rond en vast als steenen in de bedding eener rivier, die de stroom door haar golven langen tijd voortgestuwd en rond gesleept had.

„Meent gij,” riep hij, „dat ik voor een uwer onderdoe, omdat ik een weinig zwaarlijvig ben en niet zoo snel ter been als gij? Nu, een hardlooper ben ik niet maar ik ben een kerel, dien men evenmin omverwerpt als eene koperen zuil. Schoon de aarde zelve ook mocht beven—blijf ik nog staan!”

Daarop lei Cnemon eene werpschijf op den grond,ging er op staan en vervolgde:

„Welaan! is er één onder u, die mij er afwerpt?”

Te vergeefs beproefden de athleten, de een voor, de ander na, hunne kracht aan den kolos. Nu liet Cnemon de werpschijf met olie begieten, zoodat zij zeer glibberig was. Maar ook nu nog handhaafde hij zijne stelling.

Toen strekte hij zijne rechterhand uit, eveneens de vingers en hield ze vast tegen elkander gesloten. „Nu, beproef het eens,” riep hij, „om de pink van de overige vingers los te trekken!”—

Zij beproefden het, maar de pink scheen als met staal aan de andere vingers gesmeed te zijn.

„Dat beteekent nog niets!” riep snoevend de Argiver Sthenelus. „Ik houd, als het moet, een vierspan in volle vaart tegen, door met de hand in de spaken te grijpen!”

„En ik,” zei de Eleër Thermius, „ik heb te Pylus eens een hengst bij de hoef gegrepen en toen hij zich losrukte hield ik de hoef in de hand.”[145]

„Dat zijn sterke toeren,” zei de Thessaliër Euagoras, „maar doet het mij eens na, wat ik te Larissa gedaan heb: ik heb den beroemden hardlooper Cresilas in vollen ren de sandalen van de voeten gehaald!”

„Hoe?” riep de SpartaanAnactor, „deThessalischehardlooper zal tegenover mannen van de vuist zich durven beroemen? Wat helpen u uwe snelle beenen, als ik u in het stof doe bijten?”

„Mijne vuisten zijn niet slechter dan mijne beenen!” riep de Thessaliër, „en als ik u maar even aanraak, dan kunt gij uwe botten hier uit het zand bijeen rapen!”

„Zwijg!” schreeuwde de Spartaan, „anders sla ik u de oogen uit, evenals de kok den inktvisch!”

„Ik maal u tot gruis,” duwde hem de Thessaliër toe, „zoodat de mieren u bij kruimels kunnen wegdragen!”

„Gij vecht met woorden,” riep deBoeötiërCnemon daar tusschen in. „Dat is geen gebruik bij ons athleten. Laten wij het liever met daden bewijzen.”

„Dat willen wij doen!” riepen beiden.

„Uitstekend!” zei de dikke Thebaan: „maar wat wilt gij eigenlijk? Wilt gij om het hardst loopen of wilt gij elkaar met de vuisten te lijf? Dat zijn volstrekt geen te verachten toeren. Evenwel, weet gij wat het meesterstuk is van den athleet en waarin zich alle athleten, hetzij hardloopers of vuistvechters of wat ook, op een gelijk terrein bevinden?”

„Wat dan?” vroegen de Spartaan en de Thessaliër te gelijk.

„De beste proef van den athleet,” zei de Thebaan, terwijl hij zich over zijn buik streek, „blijft de kracht der verduwing. Denkt eens aan Heracles: hij verworgde de leeuwen bij dozijnen in het gebergte, doch hij was ook de man, die een stier in één maal opat. Dat noem ik mannenwerk! Laat, ik wil niet zeggen een rund—want wat zou Heracles beteekenen, als hij niet de eenige in zijne soort[146]bleef?—maar toch een grooten, vetten hamel braden, deelt dien in twee gelijke helften en eet hem in éénmaal op! „Wiens maag het eerstdendienst weigert, die moet zich overwonnen geven; want hij is de zwakste van u beiden.”

„Bravo!” klonk het in de ronde. „Anactor en Euagoras zullen de groote athletenproef voor onze oogen nemen! Wij laten onmiddellijk een hamel halen en hem aan het spit braden.”

Anactor en Euagoras namen de voorwaarden aan. En aanstonds verwijderden zich eenigen, om den zwaarsten hamel, die te vinden was, uit te zoeken.

Zoover was het tooneel ten aanhoore van Pericles en zijne vrienden gekomen, toen Aspasia van hare zitplaats opstond en zeide: „Laat ons gaan, Pericles! ik heb niet langer de kracht deze Olympische wedstrijden aan te zien!”—

Lachend verlieten nu ook de overige mannen hunne zitplaatsen en sloegen met Aspasia den weg naar huis in.

„Het gevoel van Aspasia tegenover deze athleten,” sprak Alcamenes, „schijnt mij niet meer en niet minder te zijn, dan het gevoel van eene vrouw, die gezond is van lichaam en ziel en die door eene natuurlijke en billijke aandrift geleid wordt. Waartoe dienen eigenlijk die krachtige mannen? Zijn zij in den krijg geduchter dan anderen? Maaien zij rijen van vijanden neder als de Homerische helden? Neen! De ervaring leert het tegendeel. Zijn zij de rechte mannen, om zich omtrent de verbetering van het menschenras verdienstelijk te maken? Wederom, neen! Ook dat wordt door de ervaring tegengesproken. Zij deugen tot niets, dan tot hetgeen zij in het stadion onder de luide bijvalskreten der toeschouwers uitrichten.”

„Inderdaad,” hernam Pericles, „niet uit de personen der athleten zelven blijkt het nut der kunst, die zij uitoefenen. Maar groot en onwaardeerbaar is de winst, die uit de tentoonspreiding van goed ontwikkelde kracht en uit de daarvoor ruim bewezen eer voortvloeit, in zoo verre, dat daardoor[147]het Helleensche volk ten levendigste er aan herinnerd wordt, dat men de gave des lichaams niet minder dan die des geestes kan ontwikkelen en der volkomenheid nader brengen. Grooter is het gevaar, dat de mensch zijne lichamelijke dan zijne geestelijke gaven veronachtzamen zal; want tot geestelijke ontwikkeling en werkzaamheid gevoelt hij zich aanhoudend door een innerlijken drang en door de noodzakelijkheid gedreven. De ontwikkeling echter van zijn lichaam pleegt hij aan de natuur over te laten, zoo hij niet buitenaf daartoe wordt aangespoord.”

Onderwijl hadden de wandelaars juist het heilige woud bereikt en stonden opnieuw tegenover eenige standbeelden van overwinnaars, gebeiteld door de hand van Polycletus.

Met den blik op de beelden gevestigd, sprak Aspasia het volgende:

„Als ik de werken van Polycletus hier beschouw, dan schijnt het mij, dat de kunstenaar in dit geschil aan mijne zijde staat. Want noch de bovenmatige kracht noch de buitengemeene ontwikkeling der ledematen heeft de kunstenaar zich verwaardigd af te beelden; integendeel beelden en typen van de gewone maat, de harmonische, vol en rein ontwikkelde gestalte stelt hij ons voor oogen. Steeds komt het mij voor, dat de voortreffelijke Polycletus allen lof verdient, omdat hij niet als Phidias de sterfelijke natuur schier veracht, maar haar de eer geeft, die haar toekomt en dat hij, gelijk Phidias het goddelijke het verhevenst voorstelt, het zuiver menschelijke op de getrouwste wijze heeft nagebootst.”

Een minder aangenamen indruk dan Aspasia dacht, maakte deze uitspraak op Polycletus.

„De kunstenaar,” sprak hij, „is afhankelijk van de wenschen en behoeften dergenen, die van zijne kunst willen genieten. Dat in Hellas alleen aan Phidias de gave verleend is de Goden waardig af te beelden, schijnen althans ook de Eleërs te meenen, daar zij hem naar Olympia ontboden hebben. Niet alzoo echter de Argivers, die het met mij, den[148]inboorling, willen beproeven en mij opgedragen hebben het gouden en ivoren beeld van Hera in haren grooten tempel te Argos te vervaardigen.”

Zoo sprak Polycletus en het gelukte Aspasia niet, de zichtbare ontstemdheid van den meester weg te nemen. Hij verwijderde zich niet lang daarna onder het een of ander voorwendsel.

„Gij hebt, Aspasia,” zei Alcamenes lachend, „nu ook Polycletus een spoorslag gegeven, om zijn best te doen, dat de Hera van Argos den Zeus van Olympia waardig zij.”

„Een voortreffelijk werk moge hij in wedijver met Phidias tot stand brengen,” zei Aspasia, „doch evenals Phidias, nadat hij met zijne Lemnische Pallas tot de aarde was neergedaald, spoedig weder opsteeg naar den Olympus en sedert dien tijd boete doet aan de voeten van den Olympischen Zeus, zoo geloof ik, dat Polycletus van den Olympus snel weder naar de aarde en tot zijn eigen gebied zal terugkeeren. Het valt niet te ontkennen, dat de prozaïsche Peloponnesiër in zijne beelden de verhevenheid en diepte van het zieleleven weinig uitdrukt, maar laten ook de Atheensche kunstenaars in dat opzicht nog niet veel te hopen en te wenschen over? Mag ik het u bekennen, dat ik somwijlen in den droom godengestalten zie, die tot dusverre geen Phidias, geen Alcamenes, geen Polycletus met den beitel heeft kunnen scheppen? Verleden nacht verscheen mij Apollo, mij de liefste van alle Goden, de God des lichts en der toonen. Hij verscheen mij in de wondervolle, slanke gestalte eens jongelings, vermetel en toch liefelijk, fier in het bewustzijn zijner zege en toch bevallig. Doodelijk getroffen kromden zich, alleen voor zijn aanblik en voor den boog in zijne uitgestrekte hand, de draken der duisternis. „Wie beitelt mij den God, zooals ik hem gezien heb? Zelfs gij niet, Alcamenes! En toch zijt gij de vurigste onder de beeldhouwers en met altijd jeugdige, ontvankelijke ziel geeft gij u over aan het leven en zijne bekoorlijkheid. Daarom[149]ontsluit ook het leven voor u zijn geheim en zijn machtigste adem trilt in uwe scheppingen en verwekt de rustige kalmte der reine vormen.”

De oogen van Alcamenes gloeiden van geestdrift bij deze woorden.

„Sedert langen tijd,” sprak hij, „zijn de Arcadiërs voornemens voor uw lievelingsgod een grooten tempel te bouwen, en zij wendden zich tot Phidias, om den fries met beeldwerken te versieren. Deze verwees hen naar mij. Maar de Arcadische mannen wikken en wegen lang en zij zullen nog menig jaar wachten, totdat misschien de God met zijne doodelijke pijlen hen hunner gelofte indachtig maakt. Als zij dan echter hun plan volvoeren en zich tot mij wenden, dan zullen de beeldwerken van den fries voor alle volgende tijden getuigenis afleggen van mijn kunstgevoel, waaraan ik, op uwe aansporing, Aspasia! den vrijen teugel liet.”

„Wees geheel u zelf,” hernam Aspasia, „luister niet naar het woord der koele en strenge mannen, en gij zult iets scheppen, dat zelfs zij, die uwe manier afkeuren, in verbazing en bewondering zal brengen.”

Van dit oogenblik af verdoofde de laatste vonk van wrok tegen Aspasia in het hart van Alcamenes.

Hij zocht telkens opnieuw haar gezelschap, sprak met haar over zijne plannen en ontwerpen, werd door hare woorden ontvonkt en onderricht, en zij weigerde hem haar raad niet, dien hij ijverig zocht.

Den volgenden dag was Pericles door een toeval verplicht zonder Aspasia een uitstapje te maken en haar in ’t gezelschap van Alcamenes, Polycletus en eenige andere vrienden, die hij te Olympia had gevonden, achter te laten. Na een vrij lang gesprek verwijderden zich al de mannen, behalve Alcamenes, die het onderhoud met zijne gewone levendigheid voortzette.

Steeds opgewondener werden de woorden van Alcamenes, steeds vuriger zijne blikken.

Maar niet alleen toonde zich Alcamenes hartstochtelijk[150]tegenover de gade van Pericles, toen hij zich met haar alleen bevond, maar hij sloeg ook ongemerkt, en naar ’t scheen, onwillekeurig een toon aan, die eenigszins aan de vroegere vertrouwelijkheid herinnerde. Gaf hem daartoe de welwillendheid recht, waarmede eens de door kunstzin bezielde Milesische in een vriendschappelijk verkeer hem bejegend had, hem den begaafdsten van Phidias’ jongeren?

Aspasia nam dien toon van vertrouwelijkheid op, met een gevoel van gekrenkten trots.

De hartstochtelijke Alcamenes begon vergelijkingen te maken tusschen de vormen van haarvroegeren, jeugdigen bloei en die van thans, sprak daarbij van die vormen, zooals men over dingen spreekt, waarmede men bijzonder vertrouwd is.

Ook dit beleedigde de hooghartige Aspasia.

Alcamenes greep hare hand, beschouwde ze met kennersoog, prees de bekoorlijkheid daarvan en zeide, dat deze hem eene onuitputtelijke bron was voor zijn kennis op het gebied der kunst.

Aspasia trok hare hand terug en merkte aan, dat Theodota niet minder onuitputtelijk was in ditopzicht, door hare bekoorlijkheden.

„Gij zijt boos op mij, omdat ik Theodota geprezen heb!” riep Alcamenes.

„Heb ik u dat ooit laten voelen?” hernam Aspasia koel; „hebt gij mij vijandig tegen u bevonden, toen wij elkander hier weder ontmoetten? Heb ik opgehouden verwachtingen, die u tot eer verstrekken, omtrent u te koesteren en u als den bekwaamsten tot het streven naar het ideale aan te sporen? Ik wist, dat gij mij haattet, maar mij zijn de kunst van Alcamenes en Alcamenes zelf van elkander gescheiden. Ik heb noch de liefde noch den haat van Alcamenes beantwoord.”

„Koel en verstandig,” zeide Alcamenes, „mogen uwe woorden klinken, maar zij zijn door heimelijke verbittering scherp en vlijmend. Gij zijt nog gebeten op mij, ter oorzake van Theodota! Vergeef mij, wat ik tegen u heb misdreven! Wat gij mijn[151]haat noemt, het was de wraak der liefde!”

„Lang vóór uw haat mij openlijk bleek,” hernam Aspasia, „zeide ik u reeds, wat ik u zooeven herinnerde: dat de deelneming van eens menschen geest voor iets, geheel afgescheiden is van ’t geen zijn hart gevoelt.”

„Ook bij de vrouw?” vroeg Alcamenes met een ondeugenden glimlach. „Ik herhaal u: gij zijt nog verstoord op mij ter wille van Theodota! En een werk der wraak was ’t wellicht ook, dat gij in mij de oude vlam weder hebt aangeblazen!—Nog eens, vergeef mij! Veroordeel in dit oogenblik het vuur niet, dat gij zelve overigens in ’t karakter van Alcamenes hebt geprezen!”

Bij deze woorden omvatte de onstuimige jongeling, in steeds heftiger hartstocht ontgloeid, de vrouw van Pericles.

De fiere schoone trof den aanrander met een blik, die hem weder tot bezinning bracht.

Op dat oogenblik trad Pericles binnen.

Hij las, wat er voorgevallen was, op ’t gelaat van Alcamenes.

Deze nam in verwarring afscheid en ijlde weg, met opnieuw veranderde gezindheid, beschaamd en vervuld van wrok tegen Aspasia.

Pericles was bleek.

„Behoeft het nog opheldering?” zei Aspasia; „gij hebt alles in de trekken van Alcamenes gelezen.”—

„Het schijnt,” hernam Pericles, „dat Alcamenes u behandeld heeft, zooals men eene vrouw doet, die men …”

„Spreek het niet uit, bid ik u!” zei Aspasia.

„Ik weet,” vervolgde Pericles, „welke grenzen gij trekt, naar de opvatting van Protagoras, tusschen uwe bekoorlijkheden en uw persoon. Ik ken die leer, volgens welke de sluier eener vrouw zich mag inkrimpen tot een vijgeblad. Gij ziet, Alcamenes heeft een andere meening dan gij over de onschendbaarheid van het vijgeblad. Hij dwaalt, zegt gij; maar men moet zijne handelwijze naar zijne opvatting der zaak, en niet naar de uwe beoordeelen. Gij[152]kent het niet onedel maar hartstochtelijk karakter van den man. Hij zal van nu af dubbel op u gebeten zijn; hij zal het aantal uwer openbare tegenstanders vermeerderen.”

„Hij vindt, naar ’t schijnt, bij die vijandschap een onverwachten bondgenoot!” zei Aspasia.

Nog een paar bittere woorden werden er gewisseld. Pericles verliet het vertrek van Aspasia.

Van spijt bevend stampte Aspasia op den grond.

„Die verwenschte bodem van de Peloponnesus,” sprak zij, „brengt mij onheil aan.”

Weldra echter vatte zij nieuwen moed. ’t Is een licht wolkje, dacht zij, dat zonder schade langs den helderen hemel der liefde trekt. Vroolijker flikkert de gloed bij eene nieuwe verwarming, dan vóór de verkoeling.

Aspasia bedroog zich niet.—Maar blijft na die vroolijk opflikkerende vlammen geen onaangename asch in de borst achter? En vergeet de liefde alles wat zij vergeeft?—

Pericles en Aspasia waren te Olympia de gastvrienden van Phidias. Hij had hun eenige vertrekken in eene der groote ruimten zijner werkplaats ter bewoning afgestaan. Hij zelf echter bleef onzichtbaar. Onophoudelijk was hij in den tempel met de voltooiing en oprichting van zijn reusachtig gouden en ivoren beeld bezig. Hij weigerde iederen omgang, maar hij had Alcamenes laten zeggen, dat Pericles en Aspasia de eersten van het geheele Helleensche volk zouden zijn, voor wie hij het grootste werk zijner handen zou onthullen.

De met spanning verwachte ure was genaderd.

Op een gloeienden zomerdag was een van onweer zwangere avond gevolgd. Donkere wolken vlogen door het zwerk en hadden zich eindelijk boven de hemelhooge kruinen der bergen samengepakt. Toen er volkomen duisternis heerschte kwam een slaaf van Phidias aan Pericles berichten, dat hem opgedragen was hem en Aspasia naar het binnenste van den Zeus-tempel te geleiden. In hun gezelschap bevond zich, op verzoek van Aspasia, het[153]meisje uit Arcadië. Zij volgden den slaaf en wandelden door het heilige woud van Altis, dat onder den nachtelijken hemel in diepe schaduwen zich uitstrekte. Eenzaam was het rondom en slechts een zacht geritsel trilde door de toppen der boomen.

Nu bereikten zij den tempel. De slaaf ontsloot de poort en voerde hen het gebouw binnen. Daar leidde hij hunne schreden naar eene eenigszins hoogere plaats in den achtergrond, waar zij zich konden nederzetten. Vervolgens verwijderde hij zich, sloot opnieuw de poort achter zich en liet hen met hun drieën in het donker. Eene flauwe lichtschemering viel neder uit den nachtelijken, bewolkten hemel door de opening van het tempeldak. Maar zij drong niet door tot de uiterste hoeken.

Zonder een woord te spreken, bijna angstig wachtten Pericles, Aspasia en het herdersmeisje. Eensklaps scheurde vóór hunne oogen de sluier der duisternis en zij verschrikten, verblind door eene plotselinge, schitterende verschijning. Het voorhangsel, dat den achtergrond van het tempelvertrek van het voorportaal had gescheiden, was weggetrokken en zij zagen in het heldere licht vóór zich den gouden en ivoren kolos van den Olympischen God. Op een schitterenden, rijkversierden troon was hij zittend voorgesteld en toch reikend tot aan het dak des tempels met dat verheven hoofd, dat, in goddelijke rust, enkel door een beweging zijner lokken, naar ’t woord des zangers, de hoogte van den Olympus doet daveren16.

Om de ivoren ledematen van den koning der Goden golfde de gouden mantel, die den linker schouder benevens den arm en het onderste deel des lichaams omhulde. In bont émail fonkelde het goud van den mantel; met een tooi van kleine figuren en bloeiende leliën was zijne oppervlakte bezaaid. Van groen geëmailleerd goud was op de lokken van den Olympiër een olijfkrans gedrukt.[154]In de linkerhand hield hij den uit verschillende edele metalen kunstig bewerkten schitterenden schepter. Op de uitgestrekte rechterhand droeg hij eene zegegodin van dezelfde stof, als waaruit de gestalte des Gods zelven was gevormd. Op vier zuilvormige pooten, waartusschen nog kleine kolommen stonden, verhief zich de sierlijke troon, prijkend in bonte afwisseling, in een glans van goud en marmer, ebbenhout en elpenbeen. Donkerblauw was de vlakke voorzijde van den troon geverfd; een donkere achtergrond deed den glans van het goud en het ivoor te beter uitkomen.

Vol diepen zin omgaf van alle kanten rijk beeldwerk de gestalte van den God en den troon. Op de punt van den schepter zat een adelaar, gouden leeuwenbeelden versierden de bank, waarop de voeten van den beheerscher der Goden rustten, Sphinxen droegen de leuningen van den troonzetel, zinnebeelden van de onnaspeurlijke raadsbesluiten van Cronion17. Op de zijvlakken van den troonzetel schitterden, door de hand van Panaenus geschilderd, in hellen kleurengloed de daden van Heracles, den beroemden zoon van Zeus. Andere heldendaden prijkten er nevens: alsmede de afbeeldingen van verschillende wedstrijden te Olympia.

Op de breede vlakte van het voetstuk echter, waarop de troon zich verhief, steeg de heerlijkste dochter van Zeus, de gouden Aphrodite, uit het schuim der zee.

Goddelijk genadig was het aangezicht van den Olympiër en toch vol onbeschrijfelijk verheven ernst. De milde goedheid was met strenge kracht en diepe wijsheid vereenigd. Machtig echter en overweldigend was de uitdrukking der hoogste majesteit.

Aspasia verborg schier ontsteld het hoofd aan de borst van Pericles. Een schier onaangename indruk maakte op haar deze schitterende, overweldigende gestalte. Hier was niets vrouwelijks meer[155]onder het goddelijke gemengd, zooals in de gestalte van den jonkvrouwelijke Pallas Athene. Hier was de manlijk ernstige, de strenge macht van den beheerscher der Goden tot de hoogste uitdrukking gebracht.

Aspasia voelde bij dit gezicht eene diepe smart, die haar boezem doorvlijmde …

Ook het Arcadisch meisje was in het eerste oogenblik hevig ontsteld: spoedig daarop echter kwam zij tot zich zelve en staarde naar den God met het vertrouwen van een kind.

Het onweder was zacht en langzamerhand nader gekomen. Men zag door de opening van den tempel de bliksemflitsen door den hemel schieten en men hoorde uit de verte den rollenden donder.

Aspasia wilde Pericles met zich medetrekken. Maar hij bleef in stomme verbazing, als in den grond geworteld, verzonken. Ook hij was gewoon van de beeldende kunst een liefelijken indruk te ontvangen. Hier echter zag hij het verhevene tegenover zich in nooit geëvenaarde gestalte. Het was, als lag er eene nieuwe openbaring in dit godsbeeld.

Daarbuiten rolde al nader en nader de donder.

Plotseling sloeg een bliksemstraal door de opening van het tempeldak.

Pericles en Aspasia verloren voor een oogenblik hunne bezinning.

Toen de helle gloed hunne oogen niet meer verblindde, zagen zij eene marmeren plaat in de ruimte van den tempel, waarop de twaalf Olympische Goden enreliëfwaren afgebeeld, door den bliksem zwart gemaakt en gebarsten …

Het gelaat van Zeus had in den rossen gloed des bliksems een oogenblik eene vreeselijke, Titanische uitdrukking gehad. ’t Was, alsof zijne hand den bliksem had geslingerd, die zijne Olympische medegoden had verbrijzeld …

Maar nu schitterde het gelaat des Gods weder in rustige majesteit, zoodat bij zijn aanblik de schrik dier bliksemflits was verzacht en verdwenen. Zoo groot scheen de God dat de bliksemstralen hem[156]slechts als een onbeduidende, matte vonkenregen omgaven.

„Deze God van Phidias,” sprak Pericles, in diep gepeins verzonken, „is te groot voor de tempels der Hellenen. Hij streeft met zijn hoofd opwaarts naar het onbereikbare, naar het oneindige …”

Slechts noode volgde Pericles eindelijk Aspasia op haar dringend verzoek.

Zij zochten Phidias op.

Deze echter had ongezien beiden nauwlettend gadegeslagen, terwijl zij voor het beeld des Gods in stomme verbazing stonden.

Nu verliet hij den tempel, om zich aan hunne loftuitingen te onttrekken.

Hij bleef voor hen verborgen.

Toen Pericles en Aspasia in diepe gepeinzen verzonken in hunne woning waren teruggekeerd, schudde Aspasia den indruk van den ernstigen, verheven indruk van hare ziel af, evenals een vogel de parelende regendruppels van zijn lichte vederen afschudt.

Niet alzoo Pericles.

Doch Aspasia rustte niet, alvorens zij den Olympischen ernst van zijn voorhoofd had verdreven.

Eindelijk trad ook bij hem het verbijsterend gevoel der verhevenheid van den onder bliksem en donder gezienen God op den achtergrond, en de bewondering van den onvergelijkelijken meester verkreeg in zijne ontroerde ziel de overhand.

Nog met gesloten oogen, zag dien nacht in de sluimering het meisje van Arcadië zich omgolfd door lichtstroomen, wonderbaar vermengd met den gloed van goud, den glans van elpenbeen en het geflonker van den rossen bliksem.

Pericles ontwaakte een paar maal verschrikt uit zijn slaap. Hij had gedroomd, dat de zittende God van Phidias zich in zijne geheele grootte had opgericht en met zijn hoofd het dak des tempels tot puin had gestooten.

Aspasia had een anderen, even zonderlingen droom.[157]

Zij zag den adelaar van Zeus, zooals hij van de punt des schepters neervloog naar het voetstuk en daar met zijn snavel de duiven der gouden, vroolijk lachende, zalige Aphrodite de oogen uitpikte …

1Eene stad inBoeötiëin Midden-Griekenland (Hellas), ten westen van het meer Copaïs.↑2Een plaatsje in Arcadië; inBoeötiëlag ook een Orchomenus, N. W. van het meer Copaïs.↑3Lang haar te hebben gold bij de Grieken voor een sieraad, zelfs als een bewijs van welvaren en werd voor een teeken van trotschheid en overmoed gehouden. Vandaar, dat het Grieksche werkwoord, dat „lang haar hebben” (komân) beteekent, gelijkluidend is met onze uitdrukking: trotsch, pedant zijn.↑4Hellanodiken beteekent eigenlijk Hellenen-rechters; vandaar de kamprechters bij de Olympische spelen.↑5Rhapsode beteekent eigenlijk hij, die zangen samenvoegt; vooral worden onder rhapsoden zij verstaan, die de liederen van Homerus, Hesiodes en andere (vooral Epische) dichters tot een geheel vereenigden en van plaats tot plaats trokken, om die voor te dragen. Vandaar worden de verschillende boeken der Ilias en Odyssee rhapsodiën genaamd.↑6Panormus was eene belangrijke stad op Sicilië, het tegenwoordige Palermo.↑7Leontini eveneens eene stad op Sicilië, van Atheenschen oorsprong (370 v. C.)↑8Er waren drie steden van dien naam: Magnesia, een oud-Grieksche stad in Klein-Azië aan den voet van den Sipylus, Magnesia, aan denMaeander, ongeveer twaalf mijlen zuidelijker, en Magnesia, hoofdstad van een gelijknamig kustland van Thessalië aan de Pagasaeïsche baai (Golf van Volo). Dit laatste Magnesia zal hier wel bedoeld worden.↑9Larissa was de hoofdstad van Pelasgiotis, een landschap in Thessalië; het wordt ook als de hoofdstad van geheel Thessalië beschouwd.↑10Bewoners der steden Demetria,Lechaeum, Phlius en Cenchrae, in de Peloponnesus.↑abcd11Alle Grieken.↑12De Lapithen was een woeste volksstam in Thessalië, nabij den Peneüs. Als stamvader van hen gold Lapithes, de zoon van Apollo en Stilbe, gelijk Centaurus voor dien der Centauren. Na aanhoudenden strijd met de Centauren dolven ten laatste de Lapithen het onderspit.↑13Stadion is eigenlijk eene lengte van 600 Grieksche voeten, ongeveer 188 Nederlandsche el; veertig stadiën komt dus ongeveer met een geographische mijl overeen. Voorts beteekent het de lengte van de renbaan te Olympia en in het algemeen: de renbaan.↑14Hippodromos is de plaats, waar de paarden om het hardst liepen, de renbaan: zie deel II,noot 1 pag. 8.↑15Horkios beteekent: tot den eed behoorend; een bijnaam van Zeus als handhaver en beschermer van den eed.↑16Zie Deel I,noot 1 pag. 204.↑17Zie Deel I,noot 1 pag. 63.↑

1Eene stad inBoeötiëin Midden-Griekenland (Hellas), ten westen van het meer Copaïs.↑2Een plaatsje in Arcadië; inBoeötiëlag ook een Orchomenus, N. W. van het meer Copaïs.↑3Lang haar te hebben gold bij de Grieken voor een sieraad, zelfs als een bewijs van welvaren en werd voor een teeken van trotschheid en overmoed gehouden. Vandaar, dat het Grieksche werkwoord, dat „lang haar hebben” (komân) beteekent, gelijkluidend is met onze uitdrukking: trotsch, pedant zijn.↑4Hellanodiken beteekent eigenlijk Hellenen-rechters; vandaar de kamprechters bij de Olympische spelen.↑5Rhapsode beteekent eigenlijk hij, die zangen samenvoegt; vooral worden onder rhapsoden zij verstaan, die de liederen van Homerus, Hesiodes en andere (vooral Epische) dichters tot een geheel vereenigden en van plaats tot plaats trokken, om die voor te dragen. Vandaar worden de verschillende boeken der Ilias en Odyssee rhapsodiën genaamd.↑6Panormus was eene belangrijke stad op Sicilië, het tegenwoordige Palermo.↑7Leontini eveneens eene stad op Sicilië, van Atheenschen oorsprong (370 v. C.)↑8Er waren drie steden van dien naam: Magnesia, een oud-Grieksche stad in Klein-Azië aan den voet van den Sipylus, Magnesia, aan denMaeander, ongeveer twaalf mijlen zuidelijker, en Magnesia, hoofdstad van een gelijknamig kustland van Thessalië aan de Pagasaeïsche baai (Golf van Volo). Dit laatste Magnesia zal hier wel bedoeld worden.↑9Larissa was de hoofdstad van Pelasgiotis, een landschap in Thessalië; het wordt ook als de hoofdstad van geheel Thessalië beschouwd.↑10Bewoners der steden Demetria,Lechaeum, Phlius en Cenchrae, in de Peloponnesus.↑abcd11Alle Grieken.↑12De Lapithen was een woeste volksstam in Thessalië, nabij den Peneüs. Als stamvader van hen gold Lapithes, de zoon van Apollo en Stilbe, gelijk Centaurus voor dien der Centauren. Na aanhoudenden strijd met de Centauren dolven ten laatste de Lapithen het onderspit.↑13Stadion is eigenlijk eene lengte van 600 Grieksche voeten, ongeveer 188 Nederlandsche el; veertig stadiën komt dus ongeveer met een geographische mijl overeen. Voorts beteekent het de lengte van de renbaan te Olympia en in het algemeen: de renbaan.↑14Hippodromos is de plaats, waar de paarden om het hardst liepen, de renbaan: zie deel II,noot 1 pag. 8.↑15Horkios beteekent: tot den eed behoorend; een bijnaam van Zeus als handhaver en beschermer van den eed.↑16Zie Deel I,noot 1 pag. 204.↑17Zie Deel I,noot 1 pag. 63.↑

1Eene stad inBoeötiëin Midden-Griekenland (Hellas), ten westen van het meer Copaïs.↑

1Eene stad inBoeötiëin Midden-Griekenland (Hellas), ten westen van het meer Copaïs.↑

2Een plaatsje in Arcadië; inBoeötiëlag ook een Orchomenus, N. W. van het meer Copaïs.↑

2Een plaatsje in Arcadië; inBoeötiëlag ook een Orchomenus, N. W. van het meer Copaïs.↑

3Lang haar te hebben gold bij de Grieken voor een sieraad, zelfs als een bewijs van welvaren en werd voor een teeken van trotschheid en overmoed gehouden. Vandaar, dat het Grieksche werkwoord, dat „lang haar hebben” (komân) beteekent, gelijkluidend is met onze uitdrukking: trotsch, pedant zijn.↑

3Lang haar te hebben gold bij de Grieken voor een sieraad, zelfs als een bewijs van welvaren en werd voor een teeken van trotschheid en overmoed gehouden. Vandaar, dat het Grieksche werkwoord, dat „lang haar hebben” (komân) beteekent, gelijkluidend is met onze uitdrukking: trotsch, pedant zijn.↑

4Hellanodiken beteekent eigenlijk Hellenen-rechters; vandaar de kamprechters bij de Olympische spelen.↑

4Hellanodiken beteekent eigenlijk Hellenen-rechters; vandaar de kamprechters bij de Olympische spelen.↑

5Rhapsode beteekent eigenlijk hij, die zangen samenvoegt; vooral worden onder rhapsoden zij verstaan, die de liederen van Homerus, Hesiodes en andere (vooral Epische) dichters tot een geheel vereenigden en van plaats tot plaats trokken, om die voor te dragen. Vandaar worden de verschillende boeken der Ilias en Odyssee rhapsodiën genaamd.↑

5Rhapsode beteekent eigenlijk hij, die zangen samenvoegt; vooral worden onder rhapsoden zij verstaan, die de liederen van Homerus, Hesiodes en andere (vooral Epische) dichters tot een geheel vereenigden en van plaats tot plaats trokken, om die voor te dragen. Vandaar worden de verschillende boeken der Ilias en Odyssee rhapsodiën genaamd.↑

6Panormus was eene belangrijke stad op Sicilië, het tegenwoordige Palermo.↑

6Panormus was eene belangrijke stad op Sicilië, het tegenwoordige Palermo.↑

7Leontini eveneens eene stad op Sicilië, van Atheenschen oorsprong (370 v. C.)↑

7Leontini eveneens eene stad op Sicilië, van Atheenschen oorsprong (370 v. C.)↑

8Er waren drie steden van dien naam: Magnesia, een oud-Grieksche stad in Klein-Azië aan den voet van den Sipylus, Magnesia, aan denMaeander, ongeveer twaalf mijlen zuidelijker, en Magnesia, hoofdstad van een gelijknamig kustland van Thessalië aan de Pagasaeïsche baai (Golf van Volo). Dit laatste Magnesia zal hier wel bedoeld worden.↑

8Er waren drie steden van dien naam: Magnesia, een oud-Grieksche stad in Klein-Azië aan den voet van den Sipylus, Magnesia, aan denMaeander, ongeveer twaalf mijlen zuidelijker, en Magnesia, hoofdstad van een gelijknamig kustland van Thessalië aan de Pagasaeïsche baai (Golf van Volo). Dit laatste Magnesia zal hier wel bedoeld worden.↑

9Larissa was de hoofdstad van Pelasgiotis, een landschap in Thessalië; het wordt ook als de hoofdstad van geheel Thessalië beschouwd.↑

9Larissa was de hoofdstad van Pelasgiotis, een landschap in Thessalië; het wordt ook als de hoofdstad van geheel Thessalië beschouwd.↑

10Bewoners der steden Demetria,Lechaeum, Phlius en Cenchrae, in de Peloponnesus.↑abcd

10Bewoners der steden Demetria,Lechaeum, Phlius en Cenchrae, in de Peloponnesus.↑abcd

11Alle Grieken.↑

11Alle Grieken.↑

12De Lapithen was een woeste volksstam in Thessalië, nabij den Peneüs. Als stamvader van hen gold Lapithes, de zoon van Apollo en Stilbe, gelijk Centaurus voor dien der Centauren. Na aanhoudenden strijd met de Centauren dolven ten laatste de Lapithen het onderspit.↑

12De Lapithen was een woeste volksstam in Thessalië, nabij den Peneüs. Als stamvader van hen gold Lapithes, de zoon van Apollo en Stilbe, gelijk Centaurus voor dien der Centauren. Na aanhoudenden strijd met de Centauren dolven ten laatste de Lapithen het onderspit.↑

13Stadion is eigenlijk eene lengte van 600 Grieksche voeten, ongeveer 188 Nederlandsche el; veertig stadiën komt dus ongeveer met een geographische mijl overeen. Voorts beteekent het de lengte van de renbaan te Olympia en in het algemeen: de renbaan.↑

13Stadion is eigenlijk eene lengte van 600 Grieksche voeten, ongeveer 188 Nederlandsche el; veertig stadiën komt dus ongeveer met een geographische mijl overeen. Voorts beteekent het de lengte van de renbaan te Olympia en in het algemeen: de renbaan.↑

14Hippodromos is de plaats, waar de paarden om het hardst liepen, de renbaan: zie deel II,noot 1 pag. 8.↑

14Hippodromos is de plaats, waar de paarden om het hardst liepen, de renbaan: zie deel II,noot 1 pag. 8.↑

15Horkios beteekent: tot den eed behoorend; een bijnaam van Zeus als handhaver en beschermer van den eed.↑

15Horkios beteekent: tot den eed behoorend; een bijnaam van Zeus als handhaver en beschermer van den eed.↑

16Zie Deel I,noot 1 pag. 204.↑

16Zie Deel I,noot 1 pag. 204.↑

17Zie Deel I,noot 1 pag. 63.↑

17Zie Deel I,noot 1 pag. 63.↑


Back to IndexNext