XXI.

[Inhoud]XXI.DE MUILEZEL VAN CALLICRATES.Het viel Pericles niet moeilijk aan Aspasia’s wensch gehoor te geven en de beide haar ontroofde meisjes van de Megarensers terug te eischen. Want toen ter tijde was om velerlei redenen het wachtwoord te Athene: Megara moet getuchtigd worden.De Megarensers echter antwoordden, dat zij Drosis en Prasina, die voorloopig als gijzelaars aan de bewaking van een aanzienlijk burger waren toe vertrouwd, onmiddellijk zouden uitleveren, zoodra Simaetha, die door de Atheensche jongelingen geschaakt was, werd teruggegeven. Tegen dit laatste echter kantte zich Simaetha met alle kracht aan, waarbij zij eene trouwe hulp in Aspasia vond. Het meisje uit Megara was de lieveling van Aspasia geworden.De Megarensers waren te Athene even gehaat, als de Atheners te Megara. Pericles had meer dan één reden om een volksbesluit door te drijven, dat den Megarensers het bezoeken der Atheensche havens en van de markt te Athene verbood, zoolang zij niet alleen die meisjes hadden uitgeleverd, maar ook in eenige andere aangelegenheden de verlangde voldoening zouden hebben gegeven.Gevoelig trof deze uitsluiting van de Atheensche[219]markt de Megarensers, en niet lang, meende men, zouden zij in hunne weigering volharden.Daar het echter te vreezen stond, dat de Megarensers zich heimelijk tot de Spartanen zouden wenden om hunne krachtige bemiddeling in te roepen, en daar bovendien door tamelijk ernstige geschillen met Corinthe en door den afval der Attische kolonie Potidaeä1eene zekere onrust zich van de Atheners had meester gemaakt, grepen de vijanden van Pericles en Aspasia de gelegenheid aan, het volk tegen hen op te ruien. Door den overmoed der vreemde vrouw, zeiden zij, en door de onbeperkte losbandigheid harer vrienden werd nu zelfs de openlijke vrede van Hellas bedreigd, en ter wille van twee geschaakte hetaeren had Pericles het volksbesluit tegen de Megarensers, als eene brandende fakkel, onder de Hellenen geworpen.Groote en geliefde staatsmannen plegen instellingen ten gunste des volks niet altijd te bestrijden, omdat zij weten, dat het volk toch ten laatste in een soort van blind vertrouwen hunne leiding zal volgen, en dat het gevaarlijke dier instellingen door de macht van hun persoonlijken invloed, ten minste zoolang als zij zelven aan het roer staan, vernietigd wordt. Maar de bezorgden vragen, wat geschieden zal, als zulke mannen soms door den dood werden weggeroepen en niet meer de teugels van den staat in hunne vaste hand klemden. Van den anderen kant zien de volksvrienden, die voor de handhaving der volksheerschappij bezorgd zijn, juist in die gedweeë overeenstemming van den algemeenen wil met den wil en de inzichten van één enkel uitstekend man, het grootste gevaar voor de vrijheid. Zoo kwam het, dat de alvermogende Pericles toch in ’t geheim de voorstanders der onbeperkte volksheerschappij evenzeer als de partij der oligarchen tegen zich had.[220]De leerlooier Cleon, de schapenkoopman Lysicles en de worsthandelaar Pamphilus waren van meening, dat de wijsheid van één enkele in den staat gevaarlijker was dan de dwaasheid der menigte, en zij vernieuwden tegenover hunne medeburgers, zoo dikwijls zij konden, de waarschuwingen tegen den „nieuwen Pisistratus.”Lieden van den slag van dien leerlooier Cleon, dien schapenkoopman Lysiclesendien worsthandelaar Pamphilus waagden het reeds somwijlen in de volksvergadering met onstuimig getier de waardigheid van Pericles aan te randen.Niet onverschillig beschouwde Pericles demoeilijkheden, die menige daad van Aspasia en de brooddronkenheid van Alcibiades hem op den hals haalden. Aspasia echter was door haar geheele karakter onaantastbaar. De storm kan wel een eik ontwortelen, maar geen bloem knakken. Den jongen Alcibiades echter verweet Pericles in ernstige bewoordingen zijne teugelloosheid, die, voor een deel althans, de bewuste onaangename verwikkelingen met Megara veroorzaakt had. Hij vermaande hem de voetstappen zijner voorvaderen te drukken, zich verdienstelijk te maken jegens het vaderland en naar roemrijke daden te streven.„Dat wil ik!” hernam de jonge Alcibiades half ernstig half schertsend. „Wie echter dan gij, o Pericles, is de schuld, dat ik geen gelegenheid vind, om mij door roemrijke daden te onderscheiden? Hoe lang nog moeten wij werkeloos in dezen vervelenden vrede suffen? Geef mij eene vloot, dan zal ik u Carthago en Sicilië veroveren! Maar zelfs de weinige, armzalige triëren weigert gij mij, die ik noodig had, om de lieftallige meisjes Drosis en Prasina uit de gevangenschap in het ellendige Megara te bevrijden. Mij blijft niets overig, wanneer ik mij jegens het vaderland verdienstelijk wil maken, dan eens naar Sparta te gaan en de vrouw van den Spartaanschen koning te verleiden, ten einde het Dorische bloed te vervalschen met het Ionische, ten gunste der Atheners! O zeker, Pericles, het ontbreekt[221]mij niet aan begeerte naar dappere daden.”„Onstuimige begeerte naar roemvolle daden, zonder waardigheid en ernstig overleg,” sprak Pericles, „zal nimmer nut stichten, maar slechts verderfelijke gevolgen na zich sleepen. Uwe voortreffelijke eigenschappen, waarde Alcibiades, zijn geen blijde hoop, maar een gevaar voor het vaderland, zoolang zij met ondeugden als de uwe gepaard gaan.”„Is ’t dan eene ondeugd,” riep Alcibiades, „het genoegen na te jagen? en is niet de jeugd de beste tijd om te genieten?”„Gij vergist u!” antwoordde Pericles ernstig; „de jeugd is niet de tijd van het genot zelf, zij is de tijd om zich met lichaam en ziel op waarachtig genot voor te bereiden. Zij is de tijd om de vatbaarheid voor genot te ontwikkelen, niet ze te verstompen. Gij meent te genieten, jonge zoon van Clinias! Maar uw genot van alle vreugdebekers is niet veel meer, dan jongensachtige overmoed, gedachteloos spel!”—„Slechts één leven geven ons de Goden om te genieten!” zeide Alcibiades.„Juist daarom!” hernam Pericles, „moeten wij er op bedacht zijn, het niet te verspillen, maar het te behouden!”Zoo onderhield zich Pericles ernstig vermanend met den jongeling.Deze echter ging van Pericles naar zijnevriendinTheodota en herhaalde glimlachend de woorden van Pericles, terwijl hij er bijvoegde:„Nu zie ik, dat mijn oude vriend, mijn geliefde Socrates, inderdaad wijzer is dan Pericles en dan al die andere wijze mannen te Athene. Want deze Socrates alleen heeft het reeds lang volkomen begrepen, dat bij den zoon van Clinias dergelijke vermaningen dwaas en vergeefsch zijn!”—Een geruime tijd was verstreken, sinds Pericles en Aspasia van hunne Elische reis naar Athene teruggekeerd waren en deErechtheüs-priesterDiopithes met de vijanden van het edele paar eene samenzwering had gesmeed.Doch niet ongebruikt was deze tijd van Diopithes[222]voorbijgegaan. Reeds te voren waren de wapenen voor den eersten aanval geslepen. Diopithes had van Pericles’ afwezigheid uit Athene gebruik gemaakt, om in de volksvergadering een wetsvoorstel in te dienen tegen hen, die den godsdienst van het Attische land verloochenden, en tegen de wijsgeeren, wier leer in tegenspraak was met het van de vaderen geërfde geloof. Met de plechtigheid van een Godsgezant was deErechtheüs-priestervoor de menigte opgetreden, en zoo hartstochtelijk bezield was zijne rede geweest, zoo doorspekt met bedreigingen en onheilspellende orakelspreuken, dat het hem inderdaad gelukte de beslissende meerderheid van stemmen op de Pnyx voor zijne wet te winnen.Sedert dien dag hing het zwaard van Damocles boven het hoofd van den grijzen Anaxagoras. Op hem was het eerst de pijl van Diopithes gericht; doch zijne bedoelingen gingen nog verder. In het geheim wierf hij bondgenooten en helpers en sloot zich bij alle vijanden van Pericles aan.De bitterheid in zijne ziel vond iederen dag nieuw voedsel. Want voor zijne oogen bewoog zich nog altijd die gehate Callicrates onder de werkende en woelende arbeidersschare op de hoogte van de Acropolis, het prachtig werk der Propylaeën onder de leiding van den voortreffelijken Mnesicles met gelijken ijver bevorderend, als vroeger den feesttempel van Pallas. Een gruwel was Callicrates den priester, een gruwel waren hem zijne helpers, die over dag aan het gehate werk arbeidden en des nachts bij gansche groepen op steenen of hoopen zand zich ter ruste vlijden; een gruwel was hem ook dat dier, die oude muilezel, welken, zooals reeds verhaald is, de gedwongen rust zijns ouderdoms niet behaagde, maar uit oude gewoonte op de Acropolis rondliep, en wien de gunst ten deel was gevallen, dat de schade, die hij door zijn grazen en snuffelen aan vreemd eigendom mocht veroorzaken, van staatswege zou worden vergoed.[223]Kleine oorzaken, zegt het spreekwoord, sleepen dikwijls groote gevolgen na zich.Overmoedig geworden door de openlijke gunst, die het volk der Atheners hem bewees, ging de muilezel van Callicrates voort op de Acropolis rond te loopen, zonder eenigen schroom omtrent zijn gedrag, waardoor hij reeds lang de verbittering van Diopithes tot het uiterste had gedreven. Zonder eenigen eerbied vergreep hij zich aan de heiligdommen van het Erechtheüm. Hij scheen niets zoo smakelijk te vinden, als de kruiden, die op het tempelgebied groeiden. Hij had geen ontzag voor de giftige blikken, die Diopithes op hem wierp, ja hij gaf nauwelijks om de nijdige stompen en slagen, waarmede de tempeldienaars hem trachtten te verdrijven. Hij besnuffelde voor en na de offerkoeken, die door vrome lieden op het altaar van Zeus voor het Erechtheüm werden neergelegd. Beklaagde Diopithes zich over dat vergrijp bij Callicrates, dan haalde deze de schouders op en beriep zich op de wettelijke voorrechten van het dier en op de bereidwilligheid der openbare schatmeesters, om de aangerichte schade te vergoeden. Daar de priester met al zijne klachten niet verder kwam, had hij reeds sinds lang het onbeschaamde beest vreeselijke wraak gezworen.Het dier echter liep blindelings in zijn verderf en deed de maat zijner ongerechtigheid overloopen, door op zekeren dag de toevallig open en onbewaakte deur van het heiligdom vanErechtheüsen Athene Polias binnen te sluipen; de ontstelde tempeldienaars vonden hem met zijn onheiligen snuit aan een frisschen krans snuffelend, waarmede men het overoude, houten beeld van de Godin op den morgen van dien dag getooid had.Den volgenden morgen lokte Diopithes den muilezel van Callicrates heimelijk tot zich en wierp hem een koek voor.Des avonds van dien zelfden dag vond men het dier dood liggen op de trappen van het Parthenon.Een der werklieden van Callicrates had uit de verte[224]gezien, dat deErechtheüs-priesterhet muildier spijs had voorgeworpen, en nu waren allen overtuigd, dat het beest als een offer van Diopithes’ wraak was gevallen.Eenigen zwoeren hem daarvoor te zullen straffen, verzamelden zich voor het Erechtheüm en overlaadden den priester met luide smaadreden. Ware niet Mnesicles te rechter tijd verschenen, dan zou Diopithes het er slecht afgebracht hebben onder de handen der werklieden van Callicrates.Thans was de beker van toorn vol in den boezem van denErechtheüs-priester. Hij kon zich niet langer bedwingen om zijne gramschap lucht te geven en de hand te leggen aan het groote, lang beraamde plan der wraak.’t Was een stormachtige nacht, een nacht, waarin de hemel bewolkt was en donkere wolken voorbij de maan joegen. Toen kwamen in de eenzame Eumenidengrot op den Areopagus drie mannen tot een heimelijk onderhoud te zamen.Diopithes was een dier mannen en hij was het ook, die de beide anderen tot een gesprek daarheen had genoodigd. Want zijne omgang met de eedgenooten op de Acropolis liep te zeer in ’t oog van den waakzamen Callicrates.De tweede der mannen, welke in de Eumenidengrot kwam, was de oligarch Thucydides, die door Pericles was ten val gebracht. Hij en Diopithes traden het eerst de grot binnen. Nu kwam ook de derde der mannen, half vermomd, niet ongelijk aan een dief in den nacht, met schier onhoorbare schreden aansluipen.Met eene zekere nieuwsgierigheid vestigde de oligarch zijne blikken op hem. Diopithes toch had hem zijn naam niet genoemd. Maar toen nu de nieuwaangekomene tegenover de beide andere mannen in de eenzame grot stond en zijn gelaat door het licht der maan, dat juist door de wolken brak, zichtbaar werd, deinsde de oligarch met teekenen van afkeer een eind terug. Om zijne lippen speelde een grijnslach van ontevredenheid en minachting.[225]Hij had de grove trekken van den leerlooier Cleon herkend, den hem en de geheele oligarchische partij doodelijk gehaten volksredenaar, wiens ruwe onstuimigheid en bulderende taal op de Pnyx de volksheerschappij, doorHeraclesin ’t leven geroepen, maar ook door zijn wijs beleid beteugeld, onmatig trachtte uit te breiden.Met verbazing en wrevel wendde de oligarch zich tot Diopithes.„Met welk een man,” zeide hij, „brengt gij mij nu te zamen?”Doch ook Cleon beet verwonderd en met een spottenden lach denErechtheüs-priestertoe.„Een prachtigen bondgenoot biedt gij, Diopithes, den volksman Cleon aan!”„Ik heb u niet hier genoodigd,” sprak deErechtheüs-priester, „om den twist der oligarchie en der democratie te beslechten. Ik heb u geroepen tot een gemeenschappelijken strijd tegen een gemeenschappelijken vijand.”„Zal ik dan vijanden bestrijden,” zei de oligarch, „ten bate van een man, die nog erger is dan zij?”„Zal ik dan tegenstanders verwinnen,” hernam Cleon, „met behulp van dengene onder hen, die mij meer gehaat is dan zij allen?”Op deze wijze gaven de beide mannen hunne gewaarwordingen te kennen op ’t eerste oogenblik der ontmoeting.Maar nadat zij op zachter toon een uur lang zich onderhouden hadden, waarbij grootendeels de sluweErechtheüs-priesterhet woord had gevoerd, zou ’t spiedend oog, als het in dien stillen nacht op den Ares-heuvel die zelfde mannen de grot had zien uittreden, opgemerkt hebben, dat zij, ofschoon vluchtig en zonder hartelijkheid, elkander toch de hand gaven.Diopithes bemoeide zich schijnbaar niet met staatszaken. Hij stond met den woesten volksmenner Cleon op even goeden voet als met den oligarch Thucydides. Hij streed, naar hij beweerde,[226]alleen voor de eer der Goden des lands en hunne heiligdommen. Om hem in dezen strijd te ondersteunen zag noch de volksleider noch de oligarch eenig bezwaar, wanneer zij daarvoor, naar zij beiden geloofden, een niet te verachten bondgenoot tot het bereiken hunner eigen plannen wonnen. Inderdaad echter waren beiden slechts werktuigen in de hand van den veel sluweren priester, wiens eenig doel was, zijne persoonlijke vijanden, vooreerst Anaxagoras, Phidias en Aspasia, in het verderf te storten.Om dit te bereiken moest hij gevaarlijke aanklachten tegen hen indienen. Tot dit doel had hij eene wet, uitsluitend tegen hen gericht, persoonlijk doorgedreven. Opdat zij echter veroordeeld zouden worden, moest hij het volk op zijne hand hebben. Hij moest invloed zoeken te winnen op de stemmen der menigte. Daarvoor had hij helpers en bondgenooten noodig.Vandaar, dat hij overal vriendschapsbetrekkingen aanknoopte, vandaar zijn heimelijke omgang met personen van de meest verschillende soort. Zijn eerste, als ’t ware voorbereidende aanval, zou Anaxagoras gelden; voorts zou een hoofdaanslag, die ook Pericles moest treffen, tegen Aspasia gericht worden. Ten laatste zou het zwaarste, het schijnbaar onmogelijke beproefd, en alle krachten vereenigd worden om Pericles te doen vallen, Pericles, den bij het meerendeel van het Atheensche volk zoo geliefden man.Hij spoorde allen op, die te Athene tegen Aspasia vijandig werden gevonden en schaarde ze in ’t geheim om zich heen. Hij leidde en bestuurde ’t geheel als een goed geordend leger en gebruikte ieder afzonderlijk als een strijder of bode in een bepaalden kring.Hij stond door de hem verwante priesteres van Athene Polias in betrekking tot de vrouwenwereld, tot Telesippe en de zuster van Cimon. Hij knoopte betrekkingen aan met den somberen Agoracritus. Hij maakte zich tot een bondgenoot van Cratinus,[227]een Hermippus en andere blijspeldichters, die dubbel op Aspasia gebeten waren, sedert Pericles, door hare klachten gedreven, eindelijk besloten had de teugelloosheid der comedie te beperken. Zijne relaties strekten zich zelfs uit tot den dollen Meno, den gewezen slaaf, den in de geheele stad bekenden en bij de heffe des volks geliefden zonderling, die gewillig zijne hulp tot alle kuiperijen bood en gaarne op zich nam, om door boosaardige en sarcastische gezegden, ruwe scherts en lompe uitvallen het volk in de straten op te hitsen tegen de wijsgeeren en tegen de gade van Pericles.Nauwelijks was een maand verstreken sedert de samenkomst dier drie mannen op den Ares-heuvel, of de grootste helft van ’t Atheensche volk was met eene vijandige gezindheid bezield tegen Aspasia en tegen de beide vrienden van Pericles.Wat Anaxagoras betrof, men was het hierover eens, dat hij een godloochenaar was.Er was schier niemand, die zich niet de eene of andere oneerbiedige uitdrukking herinnerde, die hij op de Agora, in het Lyceüm of op eene andere openbare plaats uit den mond van den wijsgeer had vernomen. Waarop men vroeger ternauwernood had gelet, ja zelfs wat men deels met ingenomenheid had gehoord, vond de wispelturigheid des volks nu eensklaps gevaarlijk, nadat de stemming geheel was veranderd en, door den met Diopithes heimelijk verbonden Cleon, de haat tegen de wijsgeeren onder de heffe des volks was verbreid.Op een laten avond, toen de straten van Athene reeds ledig waren geworden, liep een man met haastigen en zachten tred, met blijkbaren angst dat hij bemerkt zou worden rond zich ziende, onder de bescherming der duisternis, daar de hemel met zwarte wolken bedekt was, uit de Tripodenstraat in de richting van den Illissus.Hij was niet vergezeld van een slaaf met eene fakkel zooals gewoonlijk een nachtelijke wandelaar bij zich had. Toen de man den Illissus bereikt had, ging hij dien over en vervolgde zijn[228]weg tot aan de Itonische poort, waar slechts weinige en onaanzienlijke huizen stonden.Aan een dier onaanzienlijke woningen klopte hij. De deur werd geopend en hij sprak fluisterend eenige woorden tot den slaaf, die hem binnen gelaten had.Daarop voerde deze hem in het slaapvertrek van een grijsaard. De kamer zag er armoedig uit en op een armzalig leger rustte de grijsaard.Die grijsaard was Anaxagoras en die late, nachtelijke bezoeker was Pericles.Eenigszins verwonderd zag de oude man zijn vriend aan, dien hij sedert geruimen tijd niet gezien had en door wien hij zich schier vergeten waande.„Niet met eene blijdeboodschap,” zeide Pericles, „kom ik u in uw nachtelijke rust storen; maar dat ik het ben, die u de boodschap breng, moge u een troostrijk voorteeken zijn. En niet als bode alleen, maar ook als raadsman en helper ben ik tot u gekomen.”„Schoon ’t ook slechte tijdingen mochten zijn,” hernam de grijsaard, „die Pericles tot zijn ouden vriend Anaxagoras voeren, zouden ze er mij te minder onaangenaam door treffen. Spreek eenvoudig en zonder terughouding, wat u op het hart ligt.”—„De eerzuchtige Cleon, naar ik weet, door denErechtheüs-priesterheimelijk opgestookt, heeft heden eene aanklacht tegen u wegens godloochening bij den Archon Basileus ingediend.”—„Op godloochening,” hervatte Anaxagoras rustig, „staat, als ik mij goed herinner, de doodstraf, volgens de wet van Diopithes. Eene zachte straf voor een oud man!”„Wanneer een grijs, eerwaardig hoofd bedreigd wordt,” zeide Pericles, „wekt het grooter medelijden op, dan een jeugdig. Inmiddels, voor de veiligheid van uw hoofd zou ik met het mijne instaan. Ik zelf zou voor uwe rechters optreden als uw pleitbezorger en voor uw hoofd, als het noodig mocht zijn, het mijne aanbieden. Wat ik echter niet[229]in staat ben te verhinderen, is, dat men u in den kerker zal brengen, tot uwe zaak beslist is—en lang kan die snoode, meedoogelooze gevangenschap duren.”„Laat men mij gevangen zetten,” hernam Anaxagoras. „Wat baat het mij de voeten vrij te hebben, als mijn woord het niet meer is?”„Dat zal voorbijgaan!” antwoordde Pericles. „Ook aan uw woord zal de vrijheid weder gegeven worden, en eene prooi der knabbelende muizen zal de wet worden, die de sluweErechtheüs-priesterbij het opgewonden volk heeft doorgedreven, toen ik verre van Athene was en mijn woord niet ter beslissing in de schaal kon werpen. Buk voor het oogenblik echter voor den drang der omstandigheden. Sta op en bind de zolen onder uwe voeten. Verlaat onverwijld en heimelijk voor een tijdlang Athene. Alle voorbereidselen voor uwe vlucht zijn genomen. Beneden in de eenzame baai van Phaleron ligt een vaartuig gereed om u te voeren waarheen gij wilt. Met mijn vriend Cephalus heb ik alles voor u bezorgd en in orde gemaakt, en hij zelf zal u vergezellen op uwe vlucht, totdat gij eene gewenschte wijkplaats hebt bereikt. Zwaar valt het mij in den nacht tot de legerstede van een zwakken grijsaard te komen en tot hem te zeggen: „Maak u op en ga!” Doch ik moet het doen. In de diepe duisternis van dezen nacht nog breng ik u zelf naar de baai van Phaleron, waar Cephalus u wacht.”„Ik heb geen gegronde reden om te gaan,” zeide Anaxagoras, „maar nog minder om te blijven; want ik ben oud en alle wegen der wereld voeren naar de laatste rust van den Hades. En wanneer de man in Phaleron met het vaartuig mij wacht, waarom zou ik hem dan te vergeefs laten wachten? Breng mij naar de Mysische kust, naar Lampsacus. Daar wonen mij bevriende mannen. Daar mogen zij mij begraven en het woord waarheid op mijn graf beitelen. De kleinzonen der Atheners mogen het lezen, als zij Lampsacus bezoeken, en zien, dat men aan het strand van den Hellespont, niet[230]verre van het gebied der Barbaren, der waarheid en een stervenden grijsaard, die haar predikte, een plaatsje heeft gegund. Roep mijn ouden slaaf, Pericles, om mij de sandalen aan de voeten te binden, en de weinige boekrollen tot een bundeltje samen te voegen en mij naar de zee en verder, als hij wil, te vergezellen.”De grijsaard stond met behulp van Pericles op van zijne legerstede, liet zich door zijn slaaf de sandalen onder de voeten binden, wierp de chiton om en in eenige oogenblikken was hij gereed voor de reis.Toen gingen de beide mannen, met de slaaf achter zich, onder bescherming van den donkeren nacht, door de Itonische poort en langs den langen muur over den eenzamen weg naar de baai van Phaleron.Spoedig hadden zij de baai bereikt en vonden Cephalus op eene door rotsen omsloten plaats, waar de zee zacht als in een droom tegen het strand murmelde. Alleen met een handdruk begroetten de mannen elkander.Anaxagoras stond op ’t punt van Pericles afscheid te nemen en het vaartuig te bestijgen. En terwijl zij elkander de hand reikten zag Pericles met een blik van diepe deernis op den grijsaard neder, die in het eenzame uur van den nacht uitgedreven werd naar den vreemde over de onstuimige baren.„Waarom beklaagt gij mij?” zeide de grijsaard. „Mij treft in de wereld niets onvoorbereid. Ik heb in mijn langen levensloop, ’t een na ’t ander, alles in mij gedood, wat vatbaar was voor lijden. Als vurig jongeling leed ik veel, ik zag hoe verlokkend het leven was, maar tevens hoe vluchtig en ijdel. Toen wierp ik langzamerhand alles van mij en ik dompelde mij al dieper en dieper in de kalme wateren der bespiegeling. Zóó ben ik oud geworden en mijn lichaam zwak, maar de hechte zuil van den onverstoorbaren vrede staat onwankelbaar in mijne ziel. Op de onzekere zee meent gij Atheners mij uit te drijven en zelven op het veilige vaste land[231]achter te blijven. Inderdaad echter ben ik het, die van het kalme strand u rond zie dobberen op de woeste en opgestuwde baren des levens! U, mijn vriend, is een ander lot dan mij ten deel gevallen. Gij hebt het schoone, het geluk, het genot, den roem nagejaagd. Gij hebt u verbonden aan eene schoone vrouw, die uwe zinnen heeft bevangen, eene vrouw, schoon genoeg om u zalig te maken. Zalig prijs ik u daarom, maar zal ik u ook gelukkig noemen? Zalig is de genietende, maar gelukkig alleen hij, die niets verliezen kan en dien het leven niet kan teleurstellen, omdat hij er niets van begeert.”„Den stervelingen is het door ’t lot beschoren,” hernam Pericles, „verschillende wegen te betreden. Ik heb veel nagejaagd, veel bereikt, maar eerst het laatste oogenblik sluit de rekening af en alleen de dood maakt de balans op van het leven. Ik heb mij gehecht aan eene schoone vrouw, zooals gij zegt. Een nieuw bond heb ik met haar gesloten, dat voert tot een schoon, vrij en edel genot des levens. Wij vereenigden ons om iets nieuws te beproeven, maar hoe de proef zal uitvallen is nog voor mij verborgen. Menige stoornis heeft zich reeds doen gevoelen, somwijlen valt er een bittere droppel in de vreugdekelk en eene zekere onrust bekruipt niet zelden mijn gemoed. Heb ik misschien te veel op de schoonheid, het leven en het geluk vertrouwd met hunne schitterende beloften? Hoe het ook zijn moge, de teerling des levens is geworpen en mijn lot zal ik mannelijk dragen!”—Zóó stortten Pericles en Anaxagoras in den stillen nacht, onder ’t klotsen der zee, bij ’t afscheid nemen, het diepste en innigste van hun gemoed voor elkander uit.Toen herdachten zij hunne vierentwintigjarige hartelijke vriendschap en omarmden en kusten elkander.Anaxagoras zag nog eenmaal naar de in schaduw gehulde stad en sprak:[232]„Vaarwel, gij stad van Pallas Athene! vaarwel, Attische grond, die mij zoo lang gastvrijheid hebt verleend! Gij hebt mijne zaadkorrels eene plaats gegund. Uit hetgeen sterfelijke handen zaaien, ontkiemt het goede zoowel als het kwade; doch alleen het goede blijft onsterfelijk. Kalm en met mijn besten zegen neem ik van u afscheid en bestijg het ranke vaartuig; ik vertrouw mij als grijsaard aan diezelfde golven weder, die mij als jong en krachtig man naar uw strand hebben gevoerd!”—Na deze woorden gesproken te hebben, beklom de wijze van Clazomenae het vaartuig.Nog eenmaal wuifde hij Pericles met de hand toe, toen klonken riemslagen—zacht ruischten de golven—en het schip gleed stil en snel over den grauwen waterspiegel naar de opene, in nevelen gehulde zee.Eenige zeevogels in de spleten der rotsen werden opgeschrikt uit hun slaap, klepten even met hunne vlerken en sluimerden weder in.Pericles stond op het eenzame strand en staarde het snel wegvarende schip langen tijd na.Toen ging hij in diepe gepeinzen verzonken terug naar de stad en eene huivering voer hem door de leden bij de koelte van den aanbrekenden morgen.Op de Agora gekomen, zag hij dat er reeds, trots den vroegen morgen, eene groote menigte volks zich om de zoogenaamde koninklijke zuilengalerij verdrong.De menigte staarde met verbazing op een geschrift, dat eene afkondiging van den Archon inhield. ’t Was het afschrift eener akte van beschuldiging.Zij luidde als volgt:„Aanklacht, onderteekend en ingediend, onder eede bekrachtigd door Hermippus, de zoon van Lysides, tegen Aspasia, de dochter van Axiochus uit Milete: Aspasia is schuldig aan de misdaad de Goden des lands niet te erkennen, oneerbiedig gesproken te hebben over de heilige gebruiken der Atheners, zich aan te sluiten bij de meeningen en[233]stellingen der godloochenende wijsgeeren. Voorts is zij schuldig aan de misdaad door gevaarlijke leeringen de jeugd te verleiden en te bederven en zoowel jonge meisjes, die zij in haar huis houdt als vrijgeboren vrouwen, die zij bij zich ontvangt, tot ontucht en prijsgeving van zich zelven aan te zetten. Eisch: de dood.”Luid klonken deze woorden over de markt, toen Pericles juist voorbijging, zonder opgemerkt te worden door het volk, dat naar de koninklijke zuilengalerij gekeerd was. Hij verbleekte——„Sapperloot!” riep iemand uit de menigte. „Dat valt in Pericles’ huwelijksgeluk als de bliksemstraal in een duivennest!”„En Hermippus de aanklager!” riep een tweede. „Hermippus, de blijspeldichter!”„Dat was te verwachten,” hernam een derde. „Ik heb het immers zelf uit den mond van Hermippus gehoord, nadat Pericles, door Aspasia opgestookt, de comedie gekortwiekt had: „Heel goed!” zei hij, „als men ons op het tooneel den mond snoert, zullen wij hem op de Agora openen.”—Zelden waren door eene aanklacht de gemoederen der Atheners in zulk eene mate opgewekt geworden, zelden de strijd der partijen zoo fel ontbrand, als door de aanklacht tegen Pericles’ gade, en met niet minder ongeduld zag men den dag te gemoet, waarop de klacht voor de Heliasten2openlijk zou behandeld worden.Op dienzelfden tijd kwam Phidias van Olympia naar Athene terug, en Diopithes was niet weinig verbitterd, toen hij den gehaten man telkens op de Acropolis heen en weder zag gaan, zich met Mnesicles en Callicrates onderhouden en door zijn raad de werken der Propylaeën krachtig bevorderen.Op zekeren dag merkte Diopithes, achter de zuilen van het Erechtheüm staande, Phidias op, in gezelschap van zijn geliefdsten leerling Agoracritus.[234]De beide mannen wandelden in druk gesprek een tijdlang tusschen het Parthenon en het Erechtheüm op en neder, vervolgens kwamen zij aan een blok marmer, niet ver van Diopithes, dien zij niet opmerkten, gelegen, en zetten zich daarop neder om rustig hun gesprek te vervolgen. Het viel denErechtheüs-priesterniet moeilijk hun geheele gesprek af te luisteren.„Zonderlinge wegen,” zeide Agoracritus, „begint de beeldhouwkunst der Atheners in te slaan; vreemde dingen vind ik, na menigen zwerftocht Athene weder bezoekend, ten toon gesteld in de werkplaatsen van mijn jongere kunstbroeders. Waar is de oude verhevenheid en waardigheid gebleven? Hebt gij den slaaf, die de ingewanden der offerdieren roostert, gezien, door Styppax bewerkt? Wij besteedden onze beste krachten aan de beelden der Goden en Heroën; en nu wordt met al de zorgvuldigheid der kunst een ellendige slaaf afgebeeld, die, ingewanden roosterend, met bolle wangen het vuur aanblaast. De jonge Strongylion beproeft zijne kunst aan het ruwe werk om hetTrojaanschepaard in metaal te gieten. Van Demetrius zag ik een oud man met een dikken buik en een kalen schedel, opgezwollen aderen en een baard, waarvan enkele vlokken als door den wind bewogen uit de massa fladderen.”„De beeldhouwers zouden zoo iets niet maken,” hernam Phidias, „als het den Atheners niet beviel. Wie zou kunnen loochenen, dat helaas! verbastering in het hart en de aderen van het Atheensche volk binnensluipt. Evenals in de beeldhouwkunst het leelijke zich naast het schoone begint te plaatsen, zoo wordt immers ook op de Pnyx, naast de donderende, Olympische welsprekendheid van den edelen Pericles, het woest getier van een Cleon vernomen. En vroeger hadden wij één Hipponicus en één Pyrilampes, thans hebben wij er honderden.”„Weelderigheid en genotzucht krijgen de overhand,” zeide Agoracritus. „En wie heeft haar het eerst openlijk gepredikt, de boodschap van weelderigheid[235]en genotzucht? Sedert de vriendin van Pericles eens mijn, en ik durf schier zeggen, ook uw werk den prijs ontzeide ten gunste van den overmoedigen Alcamenes, sedert dien dag is de gramschap tegen de machtige vrouw niet uit mijne ziel verdwenen. Toen zij boosaardig mijne Aphrodite tot eene Nemesis verklaarde, vloog de gedachte door mijn hoofd: Ja, zij zal u eene Nemesis worden, mijne Aphrodite. Gij zult haar ondervinden, de macht der wrekende Godin! En inderdaad met langzamen, maar zekeren tred nadert zij, de wraak!”—„Billijk en rechtvaardig zullen de Goden richten!” hernam Phidias ernstig. „En als zij de overmoedige dartelheid der Milesische breidelen, zullen zij ook de geheime listen van dien Diopithes straffen, tot wiens bondgenoot uwe wraakgierigheid u gemaakt heeft. Wat wij ook in Pericles’ gade mogen berispen of wraken, vergeet niet, dat zonder haar moedig en betooverend woord de tinnen van ons Parthenon hier niet voltooid zouden prijken en dat wij geen feller tegenstander bij dit werk gehad hebben, dan den sluwenErechtheüs-priester!”„Gij werpt u alzoo op tot vriend en beschermer van de Milesische?” vroeg Agoracritus.„Dat niet!” hernam Phidias. „Ik houd evenmin van Aspasia als van denErechtheüs-priester, en ik ruim het veld voor beiden, daar ik spoedig weder denk terug te keeren naar het mij lief geworden Olympia. Ik heb ondervonden, dat de Eleërs dankbaarder zijn dan de Atheners. Ik heb, dunkt mij, thans genoeg voor Athene gedaan. Het overige mijner dagen wil ik aan het groote Hellas wijden. Ik laat Athene over aan zijne Aspasia’s, zijne volksleiders, zijne brassers en aan zijne sluwe, nietswaardige, wraakgierigeErechtheüs-priesters!”„Gij had gelijk,” zei Agoracritus, „dat gij Athene den rug hebt toegekeerd; de Atheners zouden misschien zelfs uwe kunst hebben ontwijd en bedorven; naar hun laatsten smaak hadt gij wellicht[236]Priapussen moeten beitelen, in plaats van Olympische Goden.”„Of de wanstaltige gedaante van dien bedelaar, die op deze reine hoogte zich koestert, als een uit de onderaardsche poelen ontsnapte molik!” sprak Phidias en wees op den welbekenden, kreupelen Meno, die juist tusschen de zuilen in de zon lag.De bedelaar had de woorden van Phidias gehoord; hij grijnsde, balde de vuist en wierp hem eene verwensching naar het hoofd.Phidias stond met Agoracritus op, en eene schrede verder in de richting van het Erechtheüm gaande, zag hij Diopithes achter de zuilen staan.„Kijk eens, hoe waakzaam de uilen van het Erechtheüm zijn!” zeide Phidias.Een donkere blik van diepen haat wierp de beschaamde luistervink op den beeldhouwer.„Scherpe snavels en scherpe klauwen hebben ze, de uilen van het Erechtheüm!” riep hij. „Pas op, dat zij u niet onverwachts de oogen uitkrabben!”Zoo sprak Diopithes. De beeldhouwer echter herhaalde ook thans weder het woord van Homerus:„Pallas Athene gedoogt geen vrees in mij!”„Welaan!” mompelde Diopithes voor zich heen, toen de beide mannen zich reeds verwijderd hadden. „Bouw maar op de bescherming van uwe Pallas, ik bouw op de macht der mijnen! Lang genoeg voorbereid is hij, de beslissende kamp tusschen uw gouden en ivoren maaksel en het echte, oude Godsbeeld daar binnen in de heilige plaats van het Erechtheüm!”Hij wilde zich juist verwijderen, toen de dolle Meno met zijne kruk, nog altijd in zich zelven Phidias met smaadwoorden verwenschend, tegen eene der gladde, schitterende zuilen sloeg, zoodat een splinter er afvloog.Diopithes dit ziende naderde Meno; de blikken van den woesten bedelaar en van denErechtheüs-priesterontmoetten elkander.Zij kenden elkander.[237]Meno was eens, zooals reeds verhaald is, met de overige slaven van zijn heer, die aangeklaagd was, gefolterd geworden. Niet anders dan met de pijnbank werden Helleensche voor het gerecht ondervraagd. Zóó derhalve had Meno getuigenis afgelegd en op grond daarvan was de Athener vrijgesproken. Doch de slaaf Meno had van dit pijnlijk verhoor eene verminking der ledematen overgehouden. Hij was kreupel geworden. Uit medelijden had zijn heer hem in vrijheid gesteld en hem, bij zijn dood, eene aanzienlijke som vermaakt. De half krankzinnige Meno echter wierp het ontvangen geld in het Barathon3en verkoos als bedelaar werkeloos onder de Atheners rond te dolen. Hij leefde deels van de spijzen, die men op de graven der dooden legde. Wanneer het ’s winters vroor, warmde hij zijne jichtige leden bij de vuren der smidsen of aan de ovens der openbare baden. Een lievelingsoord van hem was een afschuwelijke plek in Milete, waar men de lichamen der ter dood gebrachten en de stroppen en kleederen der zelfmoordenaars wierp. Hij verzamelde de stroppen zorgvuldig en telde ze dagelijks. Een hond, die schurftig geworden was en daarom door zijn meester weggejaagd, was naar hem toegeloopen en sedert onafscheidelijk van hem. Meno was van een kwaadaardig, sluw karakter en zijn hoogste genoegen scheen hij er in te stellen, zoo hij twist en tweedracht kon zaaien of eenig kwaad onder het volk te weeg brengen. Hij scheen door een heimelijk gevoel van wraak bezield en in alles scheen zijn toeleg om de slavernij op de vrije onderdrukkers te wreken. Opzettelijk deed de verminkte bedelaar zich krankzinniger voor dan hij inderdaad was, om ongestraft den Atheners de hardste waarheden naar het hoofd te kunnen slingeren en in ’t algemeen alles te mogen doen, wat men een mensch met gezonde zinnen niet zou toestaan. Hij was steeds op de Agora of elders op openbare plaatsen te zien;[238]ook op de Acropolis was hij tehuis geraakt, waar hij onder de schare van werklieden rondliep. Want overal vond hij zich op zijne plaats waar drukte van menschen was en waar hij zijne duivelsche rol kon spelen.Bovenal echter was ’t hem op de Acropolis bevallen, van het oogenblik af, dat hij bemerkte hoe deErechtheüs-priesterDiopithes en de bouwmeester Callicrates elkander met verbittering bestreden. Hij scheen zich tot taak te hebben gesteld de tempeldienaars van denErechtheüs-priesteren de werklieden van Callicrates tegen elkander in ’t harnas te jagen. Hij liet zich ook gewillig als tusschenpersoon of als spion gebruiken. Hij diende beide partijen, en beiden haatte hij evenzeer, zooals hij allen haatte, die vrijgeborenen en Atheners waren.Diopithes zelf sprak somwijlen met hem en erkende weldra de bruikbaarheid van dit werktuig. De man was immers altijd onder het volk, hij bespiedde en beluisterde alles. Niemand meende iets voor den onnoozele te behoeven te verbergen, en de scherpheid zijner tong maakte hem even zeer gezocht als gevreesd bij het Atheensche volk.Meno en Diopithes kenden derhalve elkander en zij verstonden elkander zeer goed. Lang onderdrukte wrok en wraakzucht maakten den lammen bedelaar en den priester tot bondgenooten.„Gij zijt boos op Phidias?” begon Diopithes.„Moge de helhond met zijn honderd koppen hem vernielen!—Trotsche kerel! Joeg mij altijd de deur uit, als hij merkte, dat ik mij warmde aan het vuur der smeltovens in zijne werkplaats—mijne wanstaltigheid beviel hem niet.—Gij zijt een gedrocht, Meno, zei hij, een monster—hij wilde alleen Olympische Goden en Godinnen om zich heen zien—ha, ha, ha.—Dat de bliksem hem treffe, hem en alle Atheners te zamen!”—„Gij waard dus nog al dikwijls in zijne werkplaats?”—„Hij zag mij niet altijd—ik hem wel—Meno weet in hoekjes en gaatjes te kruipen—zag hem zijn[239]ijdel, blinkend handwerk verrichten—zag hem roekeloos omgaan, hem en de zijnen, met het witte marmer en het metaal en het ivoor en het blinkend goud.”—„Zaagt gij hem roekeloos omgaan met het goud?”—Bij dit woord begonnen de oogen van denErechtheüs-priesterzeldzaam te flikkeren en een grijnslach plooide zijne lippen.„Zaagt gij hem met het goud spelen, Meno?” herhaalde hij, terwijl een onheilspellend vuur uit zijne loensche oogen straalde; „met het blinkend goud, dat de stad der Atheners hem in zijne werkplaats verschaft heeft, om daaruit en uit ivoor de Godenbeelden op de Acropolis te maken?”—„Ja zeker, zeker—met het blinkend goud der Atheners—ik zag hem grabbelen in gansche schatten van goud en ivoor—dat blonk en glom.”„Zou al dat blinkende goud wel in den smeltkroes gekomen zijn, Meno? Zou niet misschien toevallig iets aan de vingers zijn blijven kleven van hen, die daarmede omgingen?”—Bij deze laaghartige vraag zag de bedelaar den priester grijnzend aan. Een daemonische glans lag op zijn gelaat.„Ha, ha, ha,” lachte hij—„Meno weet te loeren, te bespieden—zag hem werken, ook als hij meende niet opgemerkt te worden—zag hem heimelijk kasten openen, waar het verborgen goud fonkelde,—ha, ha, ha,—het gele goud—het goud der Atheners—oogen zette hij dan op als een griffioen, die een schat bewaakt,—tastte er in als met klauwen—zóó.—Het schuim kwam hem op den mond, toen hij mij ontdekte—joeg mij de deur uit—wilde niet, dat ik mij warmde—Wacht maar, ellendeling—zie mij maar aan met uw bliksemend oog, oude, grauwe griffioen.”—En wederom hief de bedelaar dreigend de kruk op tegen het Parthenon, als wilde hij het uit wraak tegen den meester in puin slaan.Na eene kleine pauze naderde de priester hem[240]nog dichter en fluisterde hem in ’t oor:„Hoor eens, Meno, wat gij daar gezegd hebt, zoudt gij dat ook op de Agora durven zeggen ten aanhoore van alle Atheners?”„Ten aanhoore van alle Atheners—ten aanhoore van alle twintigduizend lompe honden van Atheners dat de pest ze hale!”—Sinds dit onderhoud verspreidde zich door geheel Athene het praatje van harde, trotsche, beleedigende woorden, die Phidias zou gesproken hebben tegen zijne kunstbroeders en tegen het geheele Atheensche volk. Er werd verteld, dat hij op de volksheerschappij gesmaald, dat hij zijn vaderland veracht en de Eleërs geprezen had, dat hij gezworen had Athene den rug toe te keeren en voortaan alleen aan andere Hellenen zijne diensten te zullen wijden. Tevens werd er gemompeld van goud, hem van staatswege geleverd, en dat niet geheel en al in de smeltkroezen zijner werkplaats gekomen was …Als onkruid schoten deze praatjes op onder het volk tot eene giftige plant van verbittering en vijandschap tegen den edelen, rustig werkenden meester van het Parthenon.De dag was gekomen, waarop de zaak van Aspasia voor de Heliasten, onder voorzitterschap van den Archon Basileus, in een der gerechtshoven van de Agora zou behandeld worden.Van den vroegen morgen af drong het volk om het gerechtshof.Rustig en kalm was op dien dag onder alle Atheners alleen Aspasia zelve. Zij stond op een bovenvertrek van haar huis en zag door eene soort van venster op straat naar de menigte, die naar de Agora trok.Zij was een weinig bleek, doch niet van angst; want om hare lippen zweefde een verachtelijke glimlach.Pericles trad tot haar.Hij was bleeker dan Aspasia en een diepen ernst lag op zijne trekken. Stilzwijgend sloeg hij een[241]blik naar den somberen hemel boven zich. De lucht was betrokken. Zwermen van kraanvogels vlogen van den Noordelijken Strymon4naar Attica en hun gekras scheen een voorbode van regen te zijn.Nu trad een lange trein van meest bedaagde mannen over de straat. Het was de afdeeling der Heliasten, aan wie de zaak van Aspasia ter beslissing was opgedragen. Het waren de rechters, voor wie de gade van Pericles zich moest verantwoorden en door wie haar vonnis zou worden uitgesproken.„Kijk, daar zijn die oude jongens!” zei Aspasia glimlachend, op de Heliasten wijzend. „De helft van hen draagt afgesleten mantels, heeft een hongerig voorkomen en steunt in het loopen op dien langen, mij onverdragelijken Atheenschen stok, dien Phidias zelfs in het fries op de Acropolis aan ’t oog der schoonheidkenners heeft vertoond. Er zijn er onder, die knoflook kauwen en de smerige obolen, die zij als rechtersloon voor dezen dag zooeven ontvangen hebben, tusschen de lippen houden.”—„’t Zijn mannen uit het volk,” zei Pericles en haalde de schouders op. „’t Zijn mannen uit het Atheensche volk, ’t geen u eens zoo goed beviel, dat gij ter liefde daarvoor, naar gij mij verhaald hebt, het Perzische hof en uw schoon Milete hebt verlaten, en door sterke begeerte gedreven over de zee herwaarts zijt gekomen, om het op te zoeken en er onder te leven.”—Aspasia sprak niet één enkel woord.„Dit knoflook kauwend, lange stokken dragend, obolen in den mond nemend Atheensche volk,” vervolgde Pericles, „is juist hetzelfde, welks schoone gestalte en ongedwongen houding uwe bewondering wekte, welks vaderlandsliefde u trof, welks kunstliefde u niet alleen in de scheppende beeldhouwers en dichters onvergelijkelijk voorkwam, maar insgelijks in zijne geestdrift, in zijn[242]fijnen smaak om te zien, te hooren en te genieten.”„Nu echter weet ik,” hernam Aspasia, „dat het veelgeprezen, fijne Attische volk nog sporen van ruwheid, ik mag wel zeggen, van barbaarschheid, in zich bevat.”„Er is niets volmaakts onder de zon!” sprak Pericles, „een groot licht gaat altijd met groote schaduw gepaard. Ik herinner mij onlangs in de werkplaats van een onzer beeldhouwers een zonderling beeld gezien te hebben: ’t was eene gestalte met vleugels aan de schouders en bokspooten. Dit wangedrocht schijnt mij het Atheensche volk. Het heeft aanleg voor de hoogste vlucht, maar het loopt nog op bokspooten. Overigens moet gij bedenken, dat het Atheensche volk zijne groote deugden zelf alleen bezit, terwijl het zijne zwakheden met anderen deelt. En evenals de schoonste vrouw toch altijd vrouw blijft, zoo is het voortreffelijkste volk nog altijd een volk, aangedaan met de zwakheden en hartstochten van hetgeen men juist het volk, de massa, den grooten hoop pleegt te noemen.”„Meer dan andere,” riep Aspasia opstuivend, „is het Atheensche volk ondankbaar, wispelturig, naar iederen wind draaiend, lichtzinnig.”„Maar het is beminnelijk!” zei Pericles op een toon van fijne ironie, „genotlievend en vroolijk en een vurig vriend en vereerder van het schoone.—Wat wilt gij nog meer, Aspasia?—Hebt gij zelve niet dikwijls genoeg den armen suffer Socrates uitgelachen en bespot, omdat hij van het Atheensche volk nog andere deugden scheen te verlangen, dan die, welke ik u zooeven opnoemde?”Aspasia wendde trotsch het hoofd af, alsof zij beleedigd was.„’t Is tijd,” zei Pericles na eene pauze, „om te gaan en ons naar ’t gerechtshof op de Agora te begeven, waar de rechters u wachten.—Zijt gij in het geheel niet bevreesd, Aspasia? Uwe trekken verraden niet de minste bekommering. Wilt gij mij alleen de bange zorgen overlaten?”[243]„Ik vrees,” hernam Aspasia, „veel meer de nare lucht van het knoflook in die vertrekken, dan het vonnis, dat uit den mond dier mannen mij treffen kan. Nog voel ik mij door denzelfden moed bezield, die mij vervulde onder het gepeupel van Megara en in het volksgedrang in de straten van Eleusis.”Terwijl dit gesprek tusschen hen beiden werd gevoerd, waren de Heliasten in het gerechtshof op de Agora aangekomen; ook de Archon Basileus was met eenige ondergeschikte ambtenaren, openbare schrijvers, verschenen, benevens de opgeroepen getuigen van den aanklager en de aangeklaagden.Vóór het gerechtshof echter woelde de schare des volks levendig dooreen. Bont door elkander gonsden daar de stemmen; meeningen, wenschen, voorspellingen werden gewisseld. Men kon tegenstanders en aanhangers der beklaagden, ook onpartijdigen, hooren.„Weet gij waarom zij Anaxagoras en Aspasia aangeklaagd hebben?” riep er een. „Omdat zij Pericles gevoelig willen treffen, maar zich aan hem zelven niet durven wagen. Want er is geen sterveling in Athene, die Pericles zelven openlijk zou durven aantasten.”„Maar zou men het daarom niet kunnen?”schreeuwdeeen verschrompeld mannetje, met gluipende oogen, nader bij komend. „Zou men het niet kunnen? Zou men van Pericles, na een bestuur van zoovele jaren, geen betere en nauwkeuriger rekening en verantwoording kunnen verlangen, dan hij tot nu toe gedaan heeft? Komen in zijne rekeningen geen posten voor met de eenvoudige verklaring: doelmatig aangewend? Wat moet dat beteekenen, bid ik u, doelmatig aangewend? Zeg? Kan men het volk onbeschaamder zand in de oogen strooien? Hoort toch eens: doelmatig aangewend!”Zoo riep de man en vervolgde zijn weg door de menigte en vroeg overal, wat het toch beteekenen moest „doelmatig aangewend.”„Dat zijn sommen,” merkte iemand op met een[244]geheimzinnig gezicht, „die Pericles aanwendt, om invloedrijke mannen in de Peloponnesus den mond te stoppen opdat zij geen booze plannen zouden smeden tegen Athene.”„Opdat zij hem niet zouden dwarsboomen in de herstelling der tyrannie5te Athene!” viel het levendige mannetje met de loensche oogen schamper lachend in. „Want wanneer gij u verbeeldt, dat de geleerde Pericles, zoo dikwijls hij met zijne vrienden fluistert, alleen de lengte van vlooienpooten en de breedte van muggenbeten met hen berekent, dan dwaalt gij! Hij bazelt reeds lang over de eenheid van geheel Hellas—hij zou, om het kortweg bij zijn naam te noemen, vol gaarne tyran van het geheele Helleensche land worden. Zijne vrouw, de Milesische, heeft hem dit in ’t hoofd gezet, en dit denkbeeld vindt hoe langer zoo meer ingang bij hem en zal hem tot razernij brengen. Naar niets minder dan naar eene koningskroon verlangt deze hetaere—zij zou zoo gaarne koningin heeten—koningin van geheel Hellas—de lauweren harer landgenoote drijven haar den slaap uit de oogen.”Zoo zaaide de vijand der tyrannie, met zijne scherpe tong, twist en tweedracht.In het gerechtshof echter op de Agora zaten reeds de rechters op hunne houten banken, afwachtende de dingen, die komen zouden. De Archon Basileus bekleedde het voorzitterschap, terwijl schrijvers en dienaren hem omringden.De gerechtsplaats was afgezet; eene getraliede deur verschafte alleen toegang aan hen, die de Archon Basileus opriep.Aan de buitenzijde der omheining verdrong zich het volk, om aan te hooren, wat gesproken zou worden.Tegenover de banken der rechters was voor de beklaagden, zoowel als voor den aanklager, eene eenigszins verheven stellage opgericht, waardoor zij in de verte gezien en op een afstand gehoord konden worden.[245]Op eene dier hoogere plaatsen zat Hermippus, een man van een onaangenaam somber uiterlijk, wiens doorborend oog onrustig ronddwaalde.Op de andere plaats zat Aspasia, naast haar Pericles. Want als vrouw, maar vooral als vreemdelinge, moest zij zich voor het gerecht door een man, een burger des vaderlands, laten vertegenwoordigen.Het was een schouwspel, dat het hart van velen bewoog en roerde, de schoonste en meest gevierde vrouw van haar tijd, de vrouw van den grooten Pericles, op de bank der beschuldigden te zien.Dat Pericles naast haar zat, haar mede-aangeklaagde als het ware, verhoogde nog het ernstige en treffende van het tooneel.Met een zekeren trots zetten de rechters en een deel des volks de borst op, daar zij zagen, dat ook de machtigsten zich voor hun rechterstoel moesten stellen en zich onderwerpen aan de almachtige wetten van den staat.Boosaardige blikken wierp Hermippus op de schoone vrouw, over wier gelaat eene zachte bleekheid lag, die de uitdrukking van ongebogen fierheid, welke uit hare trekken straalde, nauwelijks vermocht te temperen.Thans opende de Archon Basileus de vergadering. Hij nam den aanklager den eed af, dat hij alleen ter liefde der waarheid en der rechtvaardigheid de aanklacht had ingediend. De rechters zelven hadden reeds bij de aanvaarding van hun ambt den eed van rechtvaardigheid en stipte nauwgezetheid afgelegd.Nu liet de Archon door een der staatsschrijvers eerst de aanklacht, daarna het tegen de akte van beschuldiging ingediende tegenschrift voorlezen.Vervolgens verzocht hij den klager zijne aanklacht mondeling en uitvoerig toe te lichten.Hermippus stond op. Zijne rede vloeide over van sarkasme. Men zou meenen eene comedie aan te hooren. Hij besprak met scherpe, snijdende woorden de feiten, waarop, naar zijne meening, de aanklacht[246]tegen Aspasia berustte: hoe zij te Eleusis ten aanhoore van het geheele volk oneerbiedig gesproken had over de Eleusinische Godinnen en over de heilige gebruiken des lands; hoe zij omgang had gehouden met de Sophisten, met Anaxagoras en Socrates, boven alles echter met dien welsprekendsten godloochenaar Protagoras, die zich een geruimen tijd te Athene had opgehouden, doch thans weder zijne dwaalleer predikend en de jeugd bedervend, in andere Helleensche stedenrondzwierf: hoe zij verder haar geheele streven daarop gericht had, om de Atheensche vrouwen tot verzet tegen de instellingen des lands op te ruien, hoe zij eens bij gelegenheid van het Thesmophoriën-feest voor alle Atheensche vrouwen was opgetreden, om met haar eene samenzwering te maken tot vernietiging van die eerwaardige wetten, waardoor de echt en het familieleven der Atheners geheiligd waren; hoe zij verder vrijgeboren Atheensche vrouwen in haar huis had gelokt, om haar tot een ontuchtig leven en de lichtzinnige levensopvatting der hetaeren te verleiden; hoe zij eindelijk zelfs zoover was gegaan, dat zij een aantal meisjes in huis had opgenomen, klaarblijkelijk met geen ander doel, dan om ze tot onzedelijkheid op te kweeken en ze met aanzienlijke Atheensche mannen te verbinden.Als getuige voerde Hermippus velen dergenen aan, die te Eleusis de openlijk uitgesproken woorden van Aspasia mede hadden aangehoord; van sommigen echter liet hij de schriftelijke verklaringen door den openbaren schrijver voorgelezen. De aansporing der vrouwen tot eene samenzwering tegen de wetten van den staat liet hij door de vrouwen getuigen, die aan dat Thesmophoriën-feest hadden deelgenomen. De poging om vrijgeboren vrouwen tot ontucht te verleiden liet hij door de voorgelezen verklaring van Xenophon’s gade bevestigen, wie dit getuigenis was afgeperst door Telesippe en de zuster van Cimon. Wat de jonge meisjes in Aspasia’s huis betrof, beriep hij zich op de algemeene bekendheid[247]dezer zaak onder de Atheners, en hij verzuimde niet op den voorgrond te plaatsen, hoe juist wegens de meisjes de Atheensche staat in den laatsten tijd in gevaarlijke verwikkelingen geraakt was met Megara en met de bondgenooten van deze vijandig gezinde, naburige Dorische stad.Zijne slotsom was, dat Aspasia in drie opzichten gezondigd had: tegen het oude geloof en den godsdienst des lands, tegen den staat en de eerwaardigheid zijner wetten, tegen de goede tucht en de zedelijkheid. Hij liet door den schrijver een aantal wetten voorlezen en toonde aan, dat naar Atheensch recht, al die handelingen strafwaardig waren en dat op de meeste de dood gesteld was; dat Aspasia’s hoofd en leven derhalve, daar zij van die misdaden voldingend overtuigd was geworden, aan de wet vervallen was. Hij bezwoer bij gevolg de rechters in hartstochtelijke opgewondenheid en met verheffing van stem, toch het heiligste wat een staat bezat, ter harte te nemen, den overmoed der vreemdelinge, die het omverwerpen van de oudvaderlijke inzettingen beoogde, te tuchtigen en den tot dusverre door de Goden geliefden en door de Goden gezegenden staat der Atheners niet te laten te gronde gaan in de school van teugelloosheid, van wetsverachting en van godloochening.De vurige redevoering van Hermippus maakte een diepen indruk op de rechters, die meest op gevorderden leeftijd en uit de laagste klasse des volks afkomstig waren. Ook uit de menigte, die buiten de afsluiting in ademlooze stilte de rede van Hermippus had gevolgd, verhief zich een gemompel:„Hermippus heeft fraai gesproken—zijne bewijzen waren scherp en afdoende—hij heeft de wetten op zijne hand—het hoofd der Milesische moet vallen.”Nadat Hermippus geëindigd had en weder op zijne plaats was gaan zitten, verhief zich Pericles.Oogenblikkelijk heerschte weder de diepste stilte en ieder oor luisterde in gespannen aandacht naar[248]den eersten klank uit den mond van Aspasia’s gemaal.Pericles’ geheele wezen scheen veranderd. Zijn uiterlijk was niet, zooals hij voor het volk op de Pnyx verscheen, wanneer hij het redenaarsgestoelte besteeg en in waardige rust, zeker van den uitslag, zijne meeningen uitsprak. Voor de eerste maal scheen de kalmte gedwongen, die hij uiterlijk ook nu ten toon spreidde, en eene lichte trilling klonk in zijne stem, toen hij begon te spreken.Hij ontkende de schuld van Aspasia. Het eene punt van beschuldiging na het andere behandelende, trachtte hij aan te toonen, dat het alleen aan de hatelijke overdrijving gelukt was Aspasia’s gedrag den schijn eener misdaad te geven, waarop de doodstraf stond. En waar hij niet loochenen kon, dat de letter der Atheensche wet tegen Aspasia sprak, beriep hij zich op hare daden en edele bedoelingen, en zocht te bewijzen, dat een edel streven nooit misdadig kan zijn.Doch er was ditmaal iets weifelends in de redevoering van den gevierden spreker, die den bijnaam van den Olympiër voerde. Men kon duidelijk bemerken, dat zijne woorden slechts een geringen indruk op zijne hoorders teweegbrachten. Was zijne inwendige ontroering te groot, zoodat zij zijne scherpzinnigheid verstompte?—Ten laatste echter deed Pericles, zooals Hermippus gedaan had. Hij liet op zijne bewijsvoering eene aanspraak aan de rechters volgen, die uit het hart voortkwam en tot het hart sprak.Hij zeide:„Deze vrouw hier is mijne gade. En wanneer zij schuldig is aan de misdaden, dan ben ik ook schuldig. Hermippus klaagt ons aan, omdat wij de waardigheid der Goden hebben gehoond, het gezag van den staat gekrenkt, de tucht en de goede zeden hebben geschonden. Mannen van Athene! als ik mij mag beroemen op iets van hetgeen gij op mijne aansporing hebt gedaan, dan heb ik het aanzien der Goden van ons land niet verkleind,[249]maar veeleer hen verheerlijkt, als iemand vóór mij, door prachtige tempels en schitterende beelden op de Acropolis en te Eleusis. Ik heb den staat niet gekrenkt, integendeel voor hem gestreden in bloedige slagen; ik heb de macht der oligarchen gebroken en aan het volk de vrijheid gegeven. Ik heb de tucht en de goede zeden niet verslapt, maar ze versterkt en veredeld, terwijl ik de beoefening en bevordering van het goede en het schoone onder u heb zoeken te verbreiden, en daardoor het gemeene en ruwe tegen te gaan. En in die pogingen, mannen van Athene, heeft mij deze vrouw, Aspasia van Milete, niet belemmerd, maar ondersteund en aangespoord. Datgene, wat het volk en de stad der Atheners misschien voor alle volgende tijden zal verheerlijken, is voor een niet gering deel, hare verdienste. Niet met het verval van dezen staat, maar met zijn edelsten bloei, macht en heerlijkheid zal de herinnering van haar naam voor altijd verbonden zijn.—Dit zijn feiten, gij mannen van Athene, en wij beiden gelooven ons verdienstelijk gemaakt te hebben omtrent het volk en de stad der Atheners. Gindsche Hermippus echter komt en roept u toe: „Scheurt de uitverkorene, de geliefde wettige vrouw van Pericles van zijn hart en sleept haar voor zijne oogen ter dood!”Bij deze woorden parelde een traan in het oog van Pericles.Een traan in het oog van den rustigen, waardigen Pericles! Een traan in het oog van den Olympiër! Die traan had een, naar de gewone wetten der natuur onverklaarbare uitwerking. Hij werkte verbijsterend als een wonder, als een meteoor, als een door de Goden gezonden teeken uit den hemel.Zij, die met eigen oogen hadden gezien, hoe de traan een oogenblik blonk in het manlijk oog van Pericles, doch spoedig werd weggepinkt, zagen elkander met veelbeteekenende blikken aan.Zij fluisterden elkander toe:Pericles heeft geweend![250]Uit de gerechtszaal verspreidden zich over de Agora de woorden:Pericles heeft geweend!Van de Agora liep het in korten tijd door de geheele stad Athene:Pericles heeft geweend!Tegelijkertijd kwam te Athene het bericht van een zeeslag bij Sybota, waarin Atheensche schepen den Corcyraeërs6tegen de Corinthiërs met schitterenden uitslag ter hulp waren gekomen. Maar men luisterde slechts ten halve naar het bericht—men sprak over niets, dan over den traan van Pericles.Aan de rede van Hermippus voor de Heliasten was eene grens gesteld door den zandlooper, aan de rede van Pericles maakte de opwellende traan een einde.Een dienaar naderde op den wenk van den Archon en verdeelde de stemsteentjes onder de rechters. Aan ieder reikte hij ten aanschouwe van allen een witten en een zwarten steen, een die vrijsprak en een die veroordeelde.Toen verlieten de Heliasten hunne zetels, traden een voor een naar eene koperen vaas en wierpen een stemsteentje daarin, het witte of het zwarte. Den steen, dien zij over hadden, wierpen zij in een anderen, houten bak.De eerste stemming der Heliasten gold het schuldig of onschuldig; de tweede gold, in geval van schuldigverklaring, de straf, die tegen den aangeklaagde geëischt werd.Nu waren de steenen van alle Heliasten in de stembus. Zorgvuldig werden de witte en de zwarte onmiddellijk geteld onder de oogen van den Archon.Met onbeschrijfelijke spanning waren aller oogen op de uit de urn rollende witte en de zwarte steenen gevestigd. En zie! De heldere loten, die ten[251]leven beslisten, namen in groote getale toe en zegevierend overtroffen zij de donkere loten des doods.—De vrouw van Pericles was vrijgesproken. In de weegschaal van Themis was de traan van den held met beslissende zwaarte gevallen.Uit den mond van den Archon klonk het gewijsde en als op vleugelen gedragen verspreidde die mare zich over de gansche Agora.Aspasia stond op. Een lichte blos kleurde haar gelaat. Haar blik zweefde een oogenblik met helderen glans over de eerwaardige hoofden der Heliasten. Toen reikte zij stilzwijgend hare hand aan Pericles. Deze voerde haar weg. Een sluier bedekte haar gelaat, terwijl zij door de menigte gingen.Op de Agora begroetten en vergezelden Pericles de door duizenden monden aangeheven vreugdekreten der Atheners.In alle straten, die Pericles op zijn terugweg met zijne gesluierde gade doorging, verdrong zich het volk en de verschillendste uitroepen werden gehoord of gefluisterd, al naar mate ieders gezindheid, bij het zien van Aspasia. Een uitroep echter had den boventoon, die telkens en overal werd herhaald:„Wat een schoone vrouw is nog altijd Aspasia!”Deze uitroep verkreeg ten laatste de overhand over alle andere, en alleen de waanzinnige Meno riep de schoone Milesische, toen zij hem voorbij ging, een scheldwoord na.Plotseling stond Socrates, uit de menigte te voorschijn tredend, naast Pericles en Aspasia.„Ik wensch u geluk, Aspasia!” sprak hij, terwijl hij zich bij hen aansloot. „Welke uren van kwelling en angst waren die laatste voor uwe vrienden!”„Waar waart gij,” vroeg Aspasia, „toen de uitslag werd bekend gemaakt?”„Altijd midden onder het volk,” hernam Socrates.„En wat hoordet gij onder het volk in al dien tijd?” vroeg Aspasia weder.[252]„Vele en verschillende zaken,” antwoordde Socrates: „ten laatste echter bleven er alleen twee gezegden over, die van mond tot mond gingen.”„En welke waren die?”„Pericles heeft geweend!” en: „Wat eene schoone vrouw is nog altijd Aspasia!”„Zonderlinge samenloop van zaken!” vervolgde Socrates op zijne wonderlijke wijze sprekende. „De schoonste vrouw is Aspasia, en de gelukkige echtgenoot der schoonste vrouw heeft geweend!—Draag zorg, Aspasia, dat dit de laatste traan van Pericles moge blijven! want alleen de eerste traan van den man is verheven, de tweede is belachelijk. Alleen de eerste grijpt aan en schokt—de tweede is zonder eenige uitwerking. Pericles mag nooit meer weenen! Hoort gij dat, Aspasia? Pericles mag nooit meer weenen!”„Ben ik het dan soms, die tranen aan Pericles’ oog tracht af te persen?” vroeg Aspasia, innerlijk beleedigd.„Ik beweer alleen, dat Pericles nooit meer weenen mag,” hernam Socrates en verdween onder de menigte.Aspasia was verstoord. Hoe? Het vijandig gezinde volk der Atheners had haar heden vrijgesproken en uit de schare der verzoende vijanden trad een vriend te voorschijn, om haar scherpe, onheilspellende woorden toe te voegen!—„Gij kent den zonderling!” zei Pericles. „Oefen geduld met hem! Gij weet, hij meent het goed met ons.”—Aspasia echter bleef toornig. En de gedachte, reeds lang in hare borst gekoesterd, den zonderling te straffen voor de altijd vaardige, altijd onbeschroomde vrijmoedigheid zijner tong, ontwaakte opnieuw in de fiere vrouw, terwijl zij in het bewustzijn harer zegepraal aan de zijde van haar echtgenoot daarheen ging.—Twee mannen volgden op eenigen afstand het paar met loerende blikken; een hoonende grijnslach speelde om hunne lippen, terwijl zij met elkander[253]fluisterden.Het warenDiopithesen de oligarch Thucydides.„Het wijf is ons ontsnapt!” zei de oligarch met somberen blik.„Des te erger voor haar!” hernam de priester. „Gij kent het volk. Ware zij veroordeeld geworden, men zou haar beklagen om Pericles’ wille en medelijden hebben met Pericles; doch nu zij er vrij is afgekomen, zal men spoedig zeggen, dat de rechters toch te zacht hebben geoordeeld, en dat de macht van Pericles te gevaarlijker wordt wanneer men uit liefde voor hem de schuldigen vrijspreekt!”„Verheug u voor heden in uwe zegepraal!” hernam Diopithes, uit de verte de vuist achter Aspasia’s gemaal ballend: „De pijlen, die gij van het hoofd uwer vrouw hebt afgewend, zullen des te gewisser uw eigen hoofd treffen!”1Potidaeä, eene kolonie der Corinthiërs, lag op het schiereiland Chalcidice; in 432 v. C. viel zij van Athene af, doch werd na eene nederlaag, haar door de Atheners, onder Callias, den zoon van Calliades, toegebracht, te land en ter zee ingesloten. Na een tweejarig beleg gaf het zich op vrij gunstige voorwaarden over.↑2De Heliasten waren de rechters in de Heliaeä, d.i. de hoogste rechtbank te Athene, uit gezworenen samengesteld.↑3Barathon beteekent afgrond, vooral de afgrond te Athene, achter de Acropolis gelegen, waarin de ter dood veroordeelden geworpen werden.↑4Eene rivier in Thracië, thans Karasoe of Stroema geheeten.↑5Alleenheerschappij.↑6Bewoners van Corcyra (Kerkura); het noordelijkste der Ionische eilanden, ten westen van Epirus, omstreeks 700 v. C. door Corinthiërs bevolkt; thans Korfu geheeten.↑

[Inhoud]XXI.DE MUILEZEL VAN CALLICRATES.Het viel Pericles niet moeilijk aan Aspasia’s wensch gehoor te geven en de beide haar ontroofde meisjes van de Megarensers terug te eischen. Want toen ter tijde was om velerlei redenen het wachtwoord te Athene: Megara moet getuchtigd worden.De Megarensers echter antwoordden, dat zij Drosis en Prasina, die voorloopig als gijzelaars aan de bewaking van een aanzienlijk burger waren toe vertrouwd, onmiddellijk zouden uitleveren, zoodra Simaetha, die door de Atheensche jongelingen geschaakt was, werd teruggegeven. Tegen dit laatste echter kantte zich Simaetha met alle kracht aan, waarbij zij eene trouwe hulp in Aspasia vond. Het meisje uit Megara was de lieveling van Aspasia geworden.De Megarensers waren te Athene even gehaat, als de Atheners te Megara. Pericles had meer dan één reden om een volksbesluit door te drijven, dat den Megarensers het bezoeken der Atheensche havens en van de markt te Athene verbood, zoolang zij niet alleen die meisjes hadden uitgeleverd, maar ook in eenige andere aangelegenheden de verlangde voldoening zouden hebben gegeven.Gevoelig trof deze uitsluiting van de Atheensche[219]markt de Megarensers, en niet lang, meende men, zouden zij in hunne weigering volharden.Daar het echter te vreezen stond, dat de Megarensers zich heimelijk tot de Spartanen zouden wenden om hunne krachtige bemiddeling in te roepen, en daar bovendien door tamelijk ernstige geschillen met Corinthe en door den afval der Attische kolonie Potidaeä1eene zekere onrust zich van de Atheners had meester gemaakt, grepen de vijanden van Pericles en Aspasia de gelegenheid aan, het volk tegen hen op te ruien. Door den overmoed der vreemde vrouw, zeiden zij, en door de onbeperkte losbandigheid harer vrienden werd nu zelfs de openlijke vrede van Hellas bedreigd, en ter wille van twee geschaakte hetaeren had Pericles het volksbesluit tegen de Megarensers, als eene brandende fakkel, onder de Hellenen geworpen.Groote en geliefde staatsmannen plegen instellingen ten gunste des volks niet altijd te bestrijden, omdat zij weten, dat het volk toch ten laatste in een soort van blind vertrouwen hunne leiding zal volgen, en dat het gevaarlijke dier instellingen door de macht van hun persoonlijken invloed, ten minste zoolang als zij zelven aan het roer staan, vernietigd wordt. Maar de bezorgden vragen, wat geschieden zal, als zulke mannen soms door den dood werden weggeroepen en niet meer de teugels van den staat in hunne vaste hand klemden. Van den anderen kant zien de volksvrienden, die voor de handhaving der volksheerschappij bezorgd zijn, juist in die gedweeë overeenstemming van den algemeenen wil met den wil en de inzichten van één enkel uitstekend man, het grootste gevaar voor de vrijheid. Zoo kwam het, dat de alvermogende Pericles toch in ’t geheim de voorstanders der onbeperkte volksheerschappij evenzeer als de partij der oligarchen tegen zich had.[220]De leerlooier Cleon, de schapenkoopman Lysicles en de worsthandelaar Pamphilus waren van meening, dat de wijsheid van één enkele in den staat gevaarlijker was dan de dwaasheid der menigte, en zij vernieuwden tegenover hunne medeburgers, zoo dikwijls zij konden, de waarschuwingen tegen den „nieuwen Pisistratus.”Lieden van den slag van dien leerlooier Cleon, dien schapenkoopman Lysiclesendien worsthandelaar Pamphilus waagden het reeds somwijlen in de volksvergadering met onstuimig getier de waardigheid van Pericles aan te randen.Niet onverschillig beschouwde Pericles demoeilijkheden, die menige daad van Aspasia en de brooddronkenheid van Alcibiades hem op den hals haalden. Aspasia echter was door haar geheele karakter onaantastbaar. De storm kan wel een eik ontwortelen, maar geen bloem knakken. Den jongen Alcibiades echter verweet Pericles in ernstige bewoordingen zijne teugelloosheid, die, voor een deel althans, de bewuste onaangename verwikkelingen met Megara veroorzaakt had. Hij vermaande hem de voetstappen zijner voorvaderen te drukken, zich verdienstelijk te maken jegens het vaderland en naar roemrijke daden te streven.„Dat wil ik!” hernam de jonge Alcibiades half ernstig half schertsend. „Wie echter dan gij, o Pericles, is de schuld, dat ik geen gelegenheid vind, om mij door roemrijke daden te onderscheiden? Hoe lang nog moeten wij werkeloos in dezen vervelenden vrede suffen? Geef mij eene vloot, dan zal ik u Carthago en Sicilië veroveren! Maar zelfs de weinige, armzalige triëren weigert gij mij, die ik noodig had, om de lieftallige meisjes Drosis en Prasina uit de gevangenschap in het ellendige Megara te bevrijden. Mij blijft niets overig, wanneer ik mij jegens het vaderland verdienstelijk wil maken, dan eens naar Sparta te gaan en de vrouw van den Spartaanschen koning te verleiden, ten einde het Dorische bloed te vervalschen met het Ionische, ten gunste der Atheners! O zeker, Pericles, het ontbreekt[221]mij niet aan begeerte naar dappere daden.”„Onstuimige begeerte naar roemvolle daden, zonder waardigheid en ernstig overleg,” sprak Pericles, „zal nimmer nut stichten, maar slechts verderfelijke gevolgen na zich sleepen. Uwe voortreffelijke eigenschappen, waarde Alcibiades, zijn geen blijde hoop, maar een gevaar voor het vaderland, zoolang zij met ondeugden als de uwe gepaard gaan.”„Is ’t dan eene ondeugd,” riep Alcibiades, „het genoegen na te jagen? en is niet de jeugd de beste tijd om te genieten?”„Gij vergist u!” antwoordde Pericles ernstig; „de jeugd is niet de tijd van het genot zelf, zij is de tijd om zich met lichaam en ziel op waarachtig genot voor te bereiden. Zij is de tijd om de vatbaarheid voor genot te ontwikkelen, niet ze te verstompen. Gij meent te genieten, jonge zoon van Clinias! Maar uw genot van alle vreugdebekers is niet veel meer, dan jongensachtige overmoed, gedachteloos spel!”—„Slechts één leven geven ons de Goden om te genieten!” zeide Alcibiades.„Juist daarom!” hernam Pericles, „moeten wij er op bedacht zijn, het niet te verspillen, maar het te behouden!”Zoo onderhield zich Pericles ernstig vermanend met den jongeling.Deze echter ging van Pericles naar zijnevriendinTheodota en herhaalde glimlachend de woorden van Pericles, terwijl hij er bijvoegde:„Nu zie ik, dat mijn oude vriend, mijn geliefde Socrates, inderdaad wijzer is dan Pericles en dan al die andere wijze mannen te Athene. Want deze Socrates alleen heeft het reeds lang volkomen begrepen, dat bij den zoon van Clinias dergelijke vermaningen dwaas en vergeefsch zijn!”—Een geruime tijd was verstreken, sinds Pericles en Aspasia van hunne Elische reis naar Athene teruggekeerd waren en deErechtheüs-priesterDiopithes met de vijanden van het edele paar eene samenzwering had gesmeed.Doch niet ongebruikt was deze tijd van Diopithes[222]voorbijgegaan. Reeds te voren waren de wapenen voor den eersten aanval geslepen. Diopithes had van Pericles’ afwezigheid uit Athene gebruik gemaakt, om in de volksvergadering een wetsvoorstel in te dienen tegen hen, die den godsdienst van het Attische land verloochenden, en tegen de wijsgeeren, wier leer in tegenspraak was met het van de vaderen geërfde geloof. Met de plechtigheid van een Godsgezant was deErechtheüs-priestervoor de menigte opgetreden, en zoo hartstochtelijk bezield was zijne rede geweest, zoo doorspekt met bedreigingen en onheilspellende orakelspreuken, dat het hem inderdaad gelukte de beslissende meerderheid van stemmen op de Pnyx voor zijne wet te winnen.Sedert dien dag hing het zwaard van Damocles boven het hoofd van den grijzen Anaxagoras. Op hem was het eerst de pijl van Diopithes gericht; doch zijne bedoelingen gingen nog verder. In het geheim wierf hij bondgenooten en helpers en sloot zich bij alle vijanden van Pericles aan.De bitterheid in zijne ziel vond iederen dag nieuw voedsel. Want voor zijne oogen bewoog zich nog altijd die gehate Callicrates onder de werkende en woelende arbeidersschare op de hoogte van de Acropolis, het prachtig werk der Propylaeën onder de leiding van den voortreffelijken Mnesicles met gelijken ijver bevorderend, als vroeger den feesttempel van Pallas. Een gruwel was Callicrates den priester, een gruwel waren hem zijne helpers, die over dag aan het gehate werk arbeidden en des nachts bij gansche groepen op steenen of hoopen zand zich ter ruste vlijden; een gruwel was hem ook dat dier, die oude muilezel, welken, zooals reeds verhaald is, de gedwongen rust zijns ouderdoms niet behaagde, maar uit oude gewoonte op de Acropolis rondliep, en wien de gunst ten deel was gevallen, dat de schade, die hij door zijn grazen en snuffelen aan vreemd eigendom mocht veroorzaken, van staatswege zou worden vergoed.[223]Kleine oorzaken, zegt het spreekwoord, sleepen dikwijls groote gevolgen na zich.Overmoedig geworden door de openlijke gunst, die het volk der Atheners hem bewees, ging de muilezel van Callicrates voort op de Acropolis rond te loopen, zonder eenigen schroom omtrent zijn gedrag, waardoor hij reeds lang de verbittering van Diopithes tot het uiterste had gedreven. Zonder eenigen eerbied vergreep hij zich aan de heiligdommen van het Erechtheüm. Hij scheen niets zoo smakelijk te vinden, als de kruiden, die op het tempelgebied groeiden. Hij had geen ontzag voor de giftige blikken, die Diopithes op hem wierp, ja hij gaf nauwelijks om de nijdige stompen en slagen, waarmede de tempeldienaars hem trachtten te verdrijven. Hij besnuffelde voor en na de offerkoeken, die door vrome lieden op het altaar van Zeus voor het Erechtheüm werden neergelegd. Beklaagde Diopithes zich over dat vergrijp bij Callicrates, dan haalde deze de schouders op en beriep zich op de wettelijke voorrechten van het dier en op de bereidwilligheid der openbare schatmeesters, om de aangerichte schade te vergoeden. Daar de priester met al zijne klachten niet verder kwam, had hij reeds sinds lang het onbeschaamde beest vreeselijke wraak gezworen.Het dier echter liep blindelings in zijn verderf en deed de maat zijner ongerechtigheid overloopen, door op zekeren dag de toevallig open en onbewaakte deur van het heiligdom vanErechtheüsen Athene Polias binnen te sluipen; de ontstelde tempeldienaars vonden hem met zijn onheiligen snuit aan een frisschen krans snuffelend, waarmede men het overoude, houten beeld van de Godin op den morgen van dien dag getooid had.Den volgenden morgen lokte Diopithes den muilezel van Callicrates heimelijk tot zich en wierp hem een koek voor.Des avonds van dien zelfden dag vond men het dier dood liggen op de trappen van het Parthenon.Een der werklieden van Callicrates had uit de verte[224]gezien, dat deErechtheüs-priesterhet muildier spijs had voorgeworpen, en nu waren allen overtuigd, dat het beest als een offer van Diopithes’ wraak was gevallen.Eenigen zwoeren hem daarvoor te zullen straffen, verzamelden zich voor het Erechtheüm en overlaadden den priester met luide smaadreden. Ware niet Mnesicles te rechter tijd verschenen, dan zou Diopithes het er slecht afgebracht hebben onder de handen der werklieden van Callicrates.Thans was de beker van toorn vol in den boezem van denErechtheüs-priester. Hij kon zich niet langer bedwingen om zijne gramschap lucht te geven en de hand te leggen aan het groote, lang beraamde plan der wraak.’t Was een stormachtige nacht, een nacht, waarin de hemel bewolkt was en donkere wolken voorbij de maan joegen. Toen kwamen in de eenzame Eumenidengrot op den Areopagus drie mannen tot een heimelijk onderhoud te zamen.Diopithes was een dier mannen en hij was het ook, die de beide anderen tot een gesprek daarheen had genoodigd. Want zijne omgang met de eedgenooten op de Acropolis liep te zeer in ’t oog van den waakzamen Callicrates.De tweede der mannen, welke in de Eumenidengrot kwam, was de oligarch Thucydides, die door Pericles was ten val gebracht. Hij en Diopithes traden het eerst de grot binnen. Nu kwam ook de derde der mannen, half vermomd, niet ongelijk aan een dief in den nacht, met schier onhoorbare schreden aansluipen.Met eene zekere nieuwsgierigheid vestigde de oligarch zijne blikken op hem. Diopithes toch had hem zijn naam niet genoemd. Maar toen nu de nieuwaangekomene tegenover de beide andere mannen in de eenzame grot stond en zijn gelaat door het licht der maan, dat juist door de wolken brak, zichtbaar werd, deinsde de oligarch met teekenen van afkeer een eind terug. Om zijne lippen speelde een grijnslach van ontevredenheid en minachting.[225]Hij had de grove trekken van den leerlooier Cleon herkend, den hem en de geheele oligarchische partij doodelijk gehaten volksredenaar, wiens ruwe onstuimigheid en bulderende taal op de Pnyx de volksheerschappij, doorHeraclesin ’t leven geroepen, maar ook door zijn wijs beleid beteugeld, onmatig trachtte uit te breiden.Met verbazing en wrevel wendde de oligarch zich tot Diopithes.„Met welk een man,” zeide hij, „brengt gij mij nu te zamen?”Doch ook Cleon beet verwonderd en met een spottenden lach denErechtheüs-priestertoe.„Een prachtigen bondgenoot biedt gij, Diopithes, den volksman Cleon aan!”„Ik heb u niet hier genoodigd,” sprak deErechtheüs-priester, „om den twist der oligarchie en der democratie te beslechten. Ik heb u geroepen tot een gemeenschappelijken strijd tegen een gemeenschappelijken vijand.”„Zal ik dan vijanden bestrijden,” zei de oligarch, „ten bate van een man, die nog erger is dan zij?”„Zal ik dan tegenstanders verwinnen,” hernam Cleon, „met behulp van dengene onder hen, die mij meer gehaat is dan zij allen?”Op deze wijze gaven de beide mannen hunne gewaarwordingen te kennen op ’t eerste oogenblik der ontmoeting.Maar nadat zij op zachter toon een uur lang zich onderhouden hadden, waarbij grootendeels de sluweErechtheüs-priesterhet woord had gevoerd, zou ’t spiedend oog, als het in dien stillen nacht op den Ares-heuvel die zelfde mannen de grot had zien uittreden, opgemerkt hebben, dat zij, ofschoon vluchtig en zonder hartelijkheid, elkander toch de hand gaven.Diopithes bemoeide zich schijnbaar niet met staatszaken. Hij stond met den woesten volksmenner Cleon op even goeden voet als met den oligarch Thucydides. Hij streed, naar hij beweerde,[226]alleen voor de eer der Goden des lands en hunne heiligdommen. Om hem in dezen strijd te ondersteunen zag noch de volksleider noch de oligarch eenig bezwaar, wanneer zij daarvoor, naar zij beiden geloofden, een niet te verachten bondgenoot tot het bereiken hunner eigen plannen wonnen. Inderdaad echter waren beiden slechts werktuigen in de hand van den veel sluweren priester, wiens eenig doel was, zijne persoonlijke vijanden, vooreerst Anaxagoras, Phidias en Aspasia, in het verderf te storten.Om dit te bereiken moest hij gevaarlijke aanklachten tegen hen indienen. Tot dit doel had hij eene wet, uitsluitend tegen hen gericht, persoonlijk doorgedreven. Opdat zij echter veroordeeld zouden worden, moest hij het volk op zijne hand hebben. Hij moest invloed zoeken te winnen op de stemmen der menigte. Daarvoor had hij helpers en bondgenooten noodig.Vandaar, dat hij overal vriendschapsbetrekkingen aanknoopte, vandaar zijn heimelijke omgang met personen van de meest verschillende soort. Zijn eerste, als ’t ware voorbereidende aanval, zou Anaxagoras gelden; voorts zou een hoofdaanslag, die ook Pericles moest treffen, tegen Aspasia gericht worden. Ten laatste zou het zwaarste, het schijnbaar onmogelijke beproefd, en alle krachten vereenigd worden om Pericles te doen vallen, Pericles, den bij het meerendeel van het Atheensche volk zoo geliefden man.Hij spoorde allen op, die te Athene tegen Aspasia vijandig werden gevonden en schaarde ze in ’t geheim om zich heen. Hij leidde en bestuurde ’t geheel als een goed geordend leger en gebruikte ieder afzonderlijk als een strijder of bode in een bepaalden kring.Hij stond door de hem verwante priesteres van Athene Polias in betrekking tot de vrouwenwereld, tot Telesippe en de zuster van Cimon. Hij knoopte betrekkingen aan met den somberen Agoracritus. Hij maakte zich tot een bondgenoot van Cratinus,[227]een Hermippus en andere blijspeldichters, die dubbel op Aspasia gebeten waren, sedert Pericles, door hare klachten gedreven, eindelijk besloten had de teugelloosheid der comedie te beperken. Zijne relaties strekten zich zelfs uit tot den dollen Meno, den gewezen slaaf, den in de geheele stad bekenden en bij de heffe des volks geliefden zonderling, die gewillig zijne hulp tot alle kuiperijen bood en gaarne op zich nam, om door boosaardige en sarcastische gezegden, ruwe scherts en lompe uitvallen het volk in de straten op te hitsen tegen de wijsgeeren en tegen de gade van Pericles.Nauwelijks was een maand verstreken sedert de samenkomst dier drie mannen op den Ares-heuvel, of de grootste helft van ’t Atheensche volk was met eene vijandige gezindheid bezield tegen Aspasia en tegen de beide vrienden van Pericles.Wat Anaxagoras betrof, men was het hierover eens, dat hij een godloochenaar was.Er was schier niemand, die zich niet de eene of andere oneerbiedige uitdrukking herinnerde, die hij op de Agora, in het Lyceüm of op eene andere openbare plaats uit den mond van den wijsgeer had vernomen. Waarop men vroeger ternauwernood had gelet, ja zelfs wat men deels met ingenomenheid had gehoord, vond de wispelturigheid des volks nu eensklaps gevaarlijk, nadat de stemming geheel was veranderd en, door den met Diopithes heimelijk verbonden Cleon, de haat tegen de wijsgeeren onder de heffe des volks was verbreid.Op een laten avond, toen de straten van Athene reeds ledig waren geworden, liep een man met haastigen en zachten tred, met blijkbaren angst dat hij bemerkt zou worden rond zich ziende, onder de bescherming der duisternis, daar de hemel met zwarte wolken bedekt was, uit de Tripodenstraat in de richting van den Illissus.Hij was niet vergezeld van een slaaf met eene fakkel zooals gewoonlijk een nachtelijke wandelaar bij zich had. Toen de man den Illissus bereikt had, ging hij dien over en vervolgde zijn[228]weg tot aan de Itonische poort, waar slechts weinige en onaanzienlijke huizen stonden.Aan een dier onaanzienlijke woningen klopte hij. De deur werd geopend en hij sprak fluisterend eenige woorden tot den slaaf, die hem binnen gelaten had.Daarop voerde deze hem in het slaapvertrek van een grijsaard. De kamer zag er armoedig uit en op een armzalig leger rustte de grijsaard.Die grijsaard was Anaxagoras en die late, nachtelijke bezoeker was Pericles.Eenigszins verwonderd zag de oude man zijn vriend aan, dien hij sedert geruimen tijd niet gezien had en door wien hij zich schier vergeten waande.„Niet met eene blijdeboodschap,” zeide Pericles, „kom ik u in uw nachtelijke rust storen; maar dat ik het ben, die u de boodschap breng, moge u een troostrijk voorteeken zijn. En niet als bode alleen, maar ook als raadsman en helper ben ik tot u gekomen.”„Schoon ’t ook slechte tijdingen mochten zijn,” hernam de grijsaard, „die Pericles tot zijn ouden vriend Anaxagoras voeren, zouden ze er mij te minder onaangenaam door treffen. Spreek eenvoudig en zonder terughouding, wat u op het hart ligt.”—„De eerzuchtige Cleon, naar ik weet, door denErechtheüs-priesterheimelijk opgestookt, heeft heden eene aanklacht tegen u wegens godloochening bij den Archon Basileus ingediend.”—„Op godloochening,” hervatte Anaxagoras rustig, „staat, als ik mij goed herinner, de doodstraf, volgens de wet van Diopithes. Eene zachte straf voor een oud man!”„Wanneer een grijs, eerwaardig hoofd bedreigd wordt,” zeide Pericles, „wekt het grooter medelijden op, dan een jeugdig. Inmiddels, voor de veiligheid van uw hoofd zou ik met het mijne instaan. Ik zelf zou voor uwe rechters optreden als uw pleitbezorger en voor uw hoofd, als het noodig mocht zijn, het mijne aanbieden. Wat ik echter niet[229]in staat ben te verhinderen, is, dat men u in den kerker zal brengen, tot uwe zaak beslist is—en lang kan die snoode, meedoogelooze gevangenschap duren.”„Laat men mij gevangen zetten,” hernam Anaxagoras. „Wat baat het mij de voeten vrij te hebben, als mijn woord het niet meer is?”„Dat zal voorbijgaan!” antwoordde Pericles. „Ook aan uw woord zal de vrijheid weder gegeven worden, en eene prooi der knabbelende muizen zal de wet worden, die de sluweErechtheüs-priesterbij het opgewonden volk heeft doorgedreven, toen ik verre van Athene was en mijn woord niet ter beslissing in de schaal kon werpen. Buk voor het oogenblik echter voor den drang der omstandigheden. Sta op en bind de zolen onder uwe voeten. Verlaat onverwijld en heimelijk voor een tijdlang Athene. Alle voorbereidselen voor uwe vlucht zijn genomen. Beneden in de eenzame baai van Phaleron ligt een vaartuig gereed om u te voeren waarheen gij wilt. Met mijn vriend Cephalus heb ik alles voor u bezorgd en in orde gemaakt, en hij zelf zal u vergezellen op uwe vlucht, totdat gij eene gewenschte wijkplaats hebt bereikt. Zwaar valt het mij in den nacht tot de legerstede van een zwakken grijsaard te komen en tot hem te zeggen: „Maak u op en ga!” Doch ik moet het doen. In de diepe duisternis van dezen nacht nog breng ik u zelf naar de baai van Phaleron, waar Cephalus u wacht.”„Ik heb geen gegronde reden om te gaan,” zeide Anaxagoras, „maar nog minder om te blijven; want ik ben oud en alle wegen der wereld voeren naar de laatste rust van den Hades. En wanneer de man in Phaleron met het vaartuig mij wacht, waarom zou ik hem dan te vergeefs laten wachten? Breng mij naar de Mysische kust, naar Lampsacus. Daar wonen mij bevriende mannen. Daar mogen zij mij begraven en het woord waarheid op mijn graf beitelen. De kleinzonen der Atheners mogen het lezen, als zij Lampsacus bezoeken, en zien, dat men aan het strand van den Hellespont, niet[230]verre van het gebied der Barbaren, der waarheid en een stervenden grijsaard, die haar predikte, een plaatsje heeft gegund. Roep mijn ouden slaaf, Pericles, om mij de sandalen aan de voeten te binden, en de weinige boekrollen tot een bundeltje samen te voegen en mij naar de zee en verder, als hij wil, te vergezellen.”De grijsaard stond met behulp van Pericles op van zijne legerstede, liet zich door zijn slaaf de sandalen onder de voeten binden, wierp de chiton om en in eenige oogenblikken was hij gereed voor de reis.Toen gingen de beide mannen, met de slaaf achter zich, onder bescherming van den donkeren nacht, door de Itonische poort en langs den langen muur over den eenzamen weg naar de baai van Phaleron.Spoedig hadden zij de baai bereikt en vonden Cephalus op eene door rotsen omsloten plaats, waar de zee zacht als in een droom tegen het strand murmelde. Alleen met een handdruk begroetten de mannen elkander.Anaxagoras stond op ’t punt van Pericles afscheid te nemen en het vaartuig te bestijgen. En terwijl zij elkander de hand reikten zag Pericles met een blik van diepe deernis op den grijsaard neder, die in het eenzame uur van den nacht uitgedreven werd naar den vreemde over de onstuimige baren.„Waarom beklaagt gij mij?” zeide de grijsaard. „Mij treft in de wereld niets onvoorbereid. Ik heb in mijn langen levensloop, ’t een na ’t ander, alles in mij gedood, wat vatbaar was voor lijden. Als vurig jongeling leed ik veel, ik zag hoe verlokkend het leven was, maar tevens hoe vluchtig en ijdel. Toen wierp ik langzamerhand alles van mij en ik dompelde mij al dieper en dieper in de kalme wateren der bespiegeling. Zóó ben ik oud geworden en mijn lichaam zwak, maar de hechte zuil van den onverstoorbaren vrede staat onwankelbaar in mijne ziel. Op de onzekere zee meent gij Atheners mij uit te drijven en zelven op het veilige vaste land[231]achter te blijven. Inderdaad echter ben ik het, die van het kalme strand u rond zie dobberen op de woeste en opgestuwde baren des levens! U, mijn vriend, is een ander lot dan mij ten deel gevallen. Gij hebt het schoone, het geluk, het genot, den roem nagejaagd. Gij hebt u verbonden aan eene schoone vrouw, die uwe zinnen heeft bevangen, eene vrouw, schoon genoeg om u zalig te maken. Zalig prijs ik u daarom, maar zal ik u ook gelukkig noemen? Zalig is de genietende, maar gelukkig alleen hij, die niets verliezen kan en dien het leven niet kan teleurstellen, omdat hij er niets van begeert.”„Den stervelingen is het door ’t lot beschoren,” hernam Pericles, „verschillende wegen te betreden. Ik heb veel nagejaagd, veel bereikt, maar eerst het laatste oogenblik sluit de rekening af en alleen de dood maakt de balans op van het leven. Ik heb mij gehecht aan eene schoone vrouw, zooals gij zegt. Een nieuw bond heb ik met haar gesloten, dat voert tot een schoon, vrij en edel genot des levens. Wij vereenigden ons om iets nieuws te beproeven, maar hoe de proef zal uitvallen is nog voor mij verborgen. Menige stoornis heeft zich reeds doen gevoelen, somwijlen valt er een bittere droppel in de vreugdekelk en eene zekere onrust bekruipt niet zelden mijn gemoed. Heb ik misschien te veel op de schoonheid, het leven en het geluk vertrouwd met hunne schitterende beloften? Hoe het ook zijn moge, de teerling des levens is geworpen en mijn lot zal ik mannelijk dragen!”—Zóó stortten Pericles en Anaxagoras in den stillen nacht, onder ’t klotsen der zee, bij ’t afscheid nemen, het diepste en innigste van hun gemoed voor elkander uit.Toen herdachten zij hunne vierentwintigjarige hartelijke vriendschap en omarmden en kusten elkander.Anaxagoras zag nog eenmaal naar de in schaduw gehulde stad en sprak:[232]„Vaarwel, gij stad van Pallas Athene! vaarwel, Attische grond, die mij zoo lang gastvrijheid hebt verleend! Gij hebt mijne zaadkorrels eene plaats gegund. Uit hetgeen sterfelijke handen zaaien, ontkiemt het goede zoowel als het kwade; doch alleen het goede blijft onsterfelijk. Kalm en met mijn besten zegen neem ik van u afscheid en bestijg het ranke vaartuig; ik vertrouw mij als grijsaard aan diezelfde golven weder, die mij als jong en krachtig man naar uw strand hebben gevoerd!”—Na deze woorden gesproken te hebben, beklom de wijze van Clazomenae het vaartuig.Nog eenmaal wuifde hij Pericles met de hand toe, toen klonken riemslagen—zacht ruischten de golven—en het schip gleed stil en snel over den grauwen waterspiegel naar de opene, in nevelen gehulde zee.Eenige zeevogels in de spleten der rotsen werden opgeschrikt uit hun slaap, klepten even met hunne vlerken en sluimerden weder in.Pericles stond op het eenzame strand en staarde het snel wegvarende schip langen tijd na.Toen ging hij in diepe gepeinzen verzonken terug naar de stad en eene huivering voer hem door de leden bij de koelte van den aanbrekenden morgen.Op de Agora gekomen, zag hij dat er reeds, trots den vroegen morgen, eene groote menigte volks zich om de zoogenaamde koninklijke zuilengalerij verdrong.De menigte staarde met verbazing op een geschrift, dat eene afkondiging van den Archon inhield. ’t Was het afschrift eener akte van beschuldiging.Zij luidde als volgt:„Aanklacht, onderteekend en ingediend, onder eede bekrachtigd door Hermippus, de zoon van Lysides, tegen Aspasia, de dochter van Axiochus uit Milete: Aspasia is schuldig aan de misdaad de Goden des lands niet te erkennen, oneerbiedig gesproken te hebben over de heilige gebruiken der Atheners, zich aan te sluiten bij de meeningen en[233]stellingen der godloochenende wijsgeeren. Voorts is zij schuldig aan de misdaad door gevaarlijke leeringen de jeugd te verleiden en te bederven en zoowel jonge meisjes, die zij in haar huis houdt als vrijgeboren vrouwen, die zij bij zich ontvangt, tot ontucht en prijsgeving van zich zelven aan te zetten. Eisch: de dood.”Luid klonken deze woorden over de markt, toen Pericles juist voorbijging, zonder opgemerkt te worden door het volk, dat naar de koninklijke zuilengalerij gekeerd was. Hij verbleekte——„Sapperloot!” riep iemand uit de menigte. „Dat valt in Pericles’ huwelijksgeluk als de bliksemstraal in een duivennest!”„En Hermippus de aanklager!” riep een tweede. „Hermippus, de blijspeldichter!”„Dat was te verwachten,” hernam een derde. „Ik heb het immers zelf uit den mond van Hermippus gehoord, nadat Pericles, door Aspasia opgestookt, de comedie gekortwiekt had: „Heel goed!” zei hij, „als men ons op het tooneel den mond snoert, zullen wij hem op de Agora openen.”—Zelden waren door eene aanklacht de gemoederen der Atheners in zulk eene mate opgewekt geworden, zelden de strijd der partijen zoo fel ontbrand, als door de aanklacht tegen Pericles’ gade, en met niet minder ongeduld zag men den dag te gemoet, waarop de klacht voor de Heliasten2openlijk zou behandeld worden.Op dienzelfden tijd kwam Phidias van Olympia naar Athene terug, en Diopithes was niet weinig verbitterd, toen hij den gehaten man telkens op de Acropolis heen en weder zag gaan, zich met Mnesicles en Callicrates onderhouden en door zijn raad de werken der Propylaeën krachtig bevorderen.Op zekeren dag merkte Diopithes, achter de zuilen van het Erechtheüm staande, Phidias op, in gezelschap van zijn geliefdsten leerling Agoracritus.[234]De beide mannen wandelden in druk gesprek een tijdlang tusschen het Parthenon en het Erechtheüm op en neder, vervolgens kwamen zij aan een blok marmer, niet ver van Diopithes, dien zij niet opmerkten, gelegen, en zetten zich daarop neder om rustig hun gesprek te vervolgen. Het viel denErechtheüs-priesterniet moeilijk hun geheele gesprek af te luisteren.„Zonderlinge wegen,” zeide Agoracritus, „begint de beeldhouwkunst der Atheners in te slaan; vreemde dingen vind ik, na menigen zwerftocht Athene weder bezoekend, ten toon gesteld in de werkplaatsen van mijn jongere kunstbroeders. Waar is de oude verhevenheid en waardigheid gebleven? Hebt gij den slaaf, die de ingewanden der offerdieren roostert, gezien, door Styppax bewerkt? Wij besteedden onze beste krachten aan de beelden der Goden en Heroën; en nu wordt met al de zorgvuldigheid der kunst een ellendige slaaf afgebeeld, die, ingewanden roosterend, met bolle wangen het vuur aanblaast. De jonge Strongylion beproeft zijne kunst aan het ruwe werk om hetTrojaanschepaard in metaal te gieten. Van Demetrius zag ik een oud man met een dikken buik en een kalen schedel, opgezwollen aderen en een baard, waarvan enkele vlokken als door den wind bewogen uit de massa fladderen.”„De beeldhouwers zouden zoo iets niet maken,” hernam Phidias, „als het den Atheners niet beviel. Wie zou kunnen loochenen, dat helaas! verbastering in het hart en de aderen van het Atheensche volk binnensluipt. Evenals in de beeldhouwkunst het leelijke zich naast het schoone begint te plaatsen, zoo wordt immers ook op de Pnyx, naast de donderende, Olympische welsprekendheid van den edelen Pericles, het woest getier van een Cleon vernomen. En vroeger hadden wij één Hipponicus en één Pyrilampes, thans hebben wij er honderden.”„Weelderigheid en genotzucht krijgen de overhand,” zeide Agoracritus. „En wie heeft haar het eerst openlijk gepredikt, de boodschap van weelderigheid[235]en genotzucht? Sedert de vriendin van Pericles eens mijn, en ik durf schier zeggen, ook uw werk den prijs ontzeide ten gunste van den overmoedigen Alcamenes, sedert dien dag is de gramschap tegen de machtige vrouw niet uit mijne ziel verdwenen. Toen zij boosaardig mijne Aphrodite tot eene Nemesis verklaarde, vloog de gedachte door mijn hoofd: Ja, zij zal u eene Nemesis worden, mijne Aphrodite. Gij zult haar ondervinden, de macht der wrekende Godin! En inderdaad met langzamen, maar zekeren tred nadert zij, de wraak!”—„Billijk en rechtvaardig zullen de Goden richten!” hernam Phidias ernstig. „En als zij de overmoedige dartelheid der Milesische breidelen, zullen zij ook de geheime listen van dien Diopithes straffen, tot wiens bondgenoot uwe wraakgierigheid u gemaakt heeft. Wat wij ook in Pericles’ gade mogen berispen of wraken, vergeet niet, dat zonder haar moedig en betooverend woord de tinnen van ons Parthenon hier niet voltooid zouden prijken en dat wij geen feller tegenstander bij dit werk gehad hebben, dan den sluwenErechtheüs-priester!”„Gij werpt u alzoo op tot vriend en beschermer van de Milesische?” vroeg Agoracritus.„Dat niet!” hernam Phidias. „Ik houd evenmin van Aspasia als van denErechtheüs-priester, en ik ruim het veld voor beiden, daar ik spoedig weder denk terug te keeren naar het mij lief geworden Olympia. Ik heb ondervonden, dat de Eleërs dankbaarder zijn dan de Atheners. Ik heb, dunkt mij, thans genoeg voor Athene gedaan. Het overige mijner dagen wil ik aan het groote Hellas wijden. Ik laat Athene over aan zijne Aspasia’s, zijne volksleiders, zijne brassers en aan zijne sluwe, nietswaardige, wraakgierigeErechtheüs-priesters!”„Gij had gelijk,” zei Agoracritus, „dat gij Athene den rug hebt toegekeerd; de Atheners zouden misschien zelfs uwe kunst hebben ontwijd en bedorven; naar hun laatsten smaak hadt gij wellicht[236]Priapussen moeten beitelen, in plaats van Olympische Goden.”„Of de wanstaltige gedaante van dien bedelaar, die op deze reine hoogte zich koestert, als een uit de onderaardsche poelen ontsnapte molik!” sprak Phidias en wees op den welbekenden, kreupelen Meno, die juist tusschen de zuilen in de zon lag.De bedelaar had de woorden van Phidias gehoord; hij grijnsde, balde de vuist en wierp hem eene verwensching naar het hoofd.Phidias stond met Agoracritus op, en eene schrede verder in de richting van het Erechtheüm gaande, zag hij Diopithes achter de zuilen staan.„Kijk eens, hoe waakzaam de uilen van het Erechtheüm zijn!” zeide Phidias.Een donkere blik van diepen haat wierp de beschaamde luistervink op den beeldhouwer.„Scherpe snavels en scherpe klauwen hebben ze, de uilen van het Erechtheüm!” riep hij. „Pas op, dat zij u niet onverwachts de oogen uitkrabben!”Zoo sprak Diopithes. De beeldhouwer echter herhaalde ook thans weder het woord van Homerus:„Pallas Athene gedoogt geen vrees in mij!”„Welaan!” mompelde Diopithes voor zich heen, toen de beide mannen zich reeds verwijderd hadden. „Bouw maar op de bescherming van uwe Pallas, ik bouw op de macht der mijnen! Lang genoeg voorbereid is hij, de beslissende kamp tusschen uw gouden en ivoren maaksel en het echte, oude Godsbeeld daar binnen in de heilige plaats van het Erechtheüm!”Hij wilde zich juist verwijderen, toen de dolle Meno met zijne kruk, nog altijd in zich zelven Phidias met smaadwoorden verwenschend, tegen eene der gladde, schitterende zuilen sloeg, zoodat een splinter er afvloog.Diopithes dit ziende naderde Meno; de blikken van den woesten bedelaar en van denErechtheüs-priesterontmoetten elkander.Zij kenden elkander.[237]Meno was eens, zooals reeds verhaald is, met de overige slaven van zijn heer, die aangeklaagd was, gefolterd geworden. Niet anders dan met de pijnbank werden Helleensche voor het gerecht ondervraagd. Zóó derhalve had Meno getuigenis afgelegd en op grond daarvan was de Athener vrijgesproken. Doch de slaaf Meno had van dit pijnlijk verhoor eene verminking der ledematen overgehouden. Hij was kreupel geworden. Uit medelijden had zijn heer hem in vrijheid gesteld en hem, bij zijn dood, eene aanzienlijke som vermaakt. De half krankzinnige Meno echter wierp het ontvangen geld in het Barathon3en verkoos als bedelaar werkeloos onder de Atheners rond te dolen. Hij leefde deels van de spijzen, die men op de graven der dooden legde. Wanneer het ’s winters vroor, warmde hij zijne jichtige leden bij de vuren der smidsen of aan de ovens der openbare baden. Een lievelingsoord van hem was een afschuwelijke plek in Milete, waar men de lichamen der ter dood gebrachten en de stroppen en kleederen der zelfmoordenaars wierp. Hij verzamelde de stroppen zorgvuldig en telde ze dagelijks. Een hond, die schurftig geworden was en daarom door zijn meester weggejaagd, was naar hem toegeloopen en sedert onafscheidelijk van hem. Meno was van een kwaadaardig, sluw karakter en zijn hoogste genoegen scheen hij er in te stellen, zoo hij twist en tweedracht kon zaaien of eenig kwaad onder het volk te weeg brengen. Hij scheen door een heimelijk gevoel van wraak bezield en in alles scheen zijn toeleg om de slavernij op de vrije onderdrukkers te wreken. Opzettelijk deed de verminkte bedelaar zich krankzinniger voor dan hij inderdaad was, om ongestraft den Atheners de hardste waarheden naar het hoofd te kunnen slingeren en in ’t algemeen alles te mogen doen, wat men een mensch met gezonde zinnen niet zou toestaan. Hij was steeds op de Agora of elders op openbare plaatsen te zien;[238]ook op de Acropolis was hij tehuis geraakt, waar hij onder de schare van werklieden rondliep. Want overal vond hij zich op zijne plaats waar drukte van menschen was en waar hij zijne duivelsche rol kon spelen.Bovenal echter was ’t hem op de Acropolis bevallen, van het oogenblik af, dat hij bemerkte hoe deErechtheüs-priesterDiopithes en de bouwmeester Callicrates elkander met verbittering bestreden. Hij scheen zich tot taak te hebben gesteld de tempeldienaars van denErechtheüs-priesteren de werklieden van Callicrates tegen elkander in ’t harnas te jagen. Hij liet zich ook gewillig als tusschenpersoon of als spion gebruiken. Hij diende beide partijen, en beiden haatte hij evenzeer, zooals hij allen haatte, die vrijgeborenen en Atheners waren.Diopithes zelf sprak somwijlen met hem en erkende weldra de bruikbaarheid van dit werktuig. De man was immers altijd onder het volk, hij bespiedde en beluisterde alles. Niemand meende iets voor den onnoozele te behoeven te verbergen, en de scherpheid zijner tong maakte hem even zeer gezocht als gevreesd bij het Atheensche volk.Meno en Diopithes kenden derhalve elkander en zij verstonden elkander zeer goed. Lang onderdrukte wrok en wraakzucht maakten den lammen bedelaar en den priester tot bondgenooten.„Gij zijt boos op Phidias?” begon Diopithes.„Moge de helhond met zijn honderd koppen hem vernielen!—Trotsche kerel! Joeg mij altijd de deur uit, als hij merkte, dat ik mij warmde aan het vuur der smeltovens in zijne werkplaats—mijne wanstaltigheid beviel hem niet.—Gij zijt een gedrocht, Meno, zei hij, een monster—hij wilde alleen Olympische Goden en Godinnen om zich heen zien—ha, ha, ha.—Dat de bliksem hem treffe, hem en alle Atheners te zamen!”—„Gij waard dus nog al dikwijls in zijne werkplaats?”—„Hij zag mij niet altijd—ik hem wel—Meno weet in hoekjes en gaatjes te kruipen—zag hem zijn[239]ijdel, blinkend handwerk verrichten—zag hem roekeloos omgaan, hem en de zijnen, met het witte marmer en het metaal en het ivoor en het blinkend goud.”—„Zaagt gij hem roekeloos omgaan met het goud?”—Bij dit woord begonnen de oogen van denErechtheüs-priesterzeldzaam te flikkeren en een grijnslach plooide zijne lippen.„Zaagt gij hem met het goud spelen, Meno?” herhaalde hij, terwijl een onheilspellend vuur uit zijne loensche oogen straalde; „met het blinkend goud, dat de stad der Atheners hem in zijne werkplaats verschaft heeft, om daaruit en uit ivoor de Godenbeelden op de Acropolis te maken?”—„Ja zeker, zeker—met het blinkend goud der Atheners—ik zag hem grabbelen in gansche schatten van goud en ivoor—dat blonk en glom.”„Zou al dat blinkende goud wel in den smeltkroes gekomen zijn, Meno? Zou niet misschien toevallig iets aan de vingers zijn blijven kleven van hen, die daarmede omgingen?”—Bij deze laaghartige vraag zag de bedelaar den priester grijnzend aan. Een daemonische glans lag op zijn gelaat.„Ha, ha, ha,” lachte hij—„Meno weet te loeren, te bespieden—zag hem werken, ook als hij meende niet opgemerkt te worden—zag hem heimelijk kasten openen, waar het verborgen goud fonkelde,—ha, ha, ha,—het gele goud—het goud der Atheners—oogen zette hij dan op als een griffioen, die een schat bewaakt,—tastte er in als met klauwen—zóó.—Het schuim kwam hem op den mond, toen hij mij ontdekte—joeg mij de deur uit—wilde niet, dat ik mij warmde—Wacht maar, ellendeling—zie mij maar aan met uw bliksemend oog, oude, grauwe griffioen.”—En wederom hief de bedelaar dreigend de kruk op tegen het Parthenon, als wilde hij het uit wraak tegen den meester in puin slaan.Na eene kleine pauze naderde de priester hem[240]nog dichter en fluisterde hem in ’t oor:„Hoor eens, Meno, wat gij daar gezegd hebt, zoudt gij dat ook op de Agora durven zeggen ten aanhoore van alle Atheners?”„Ten aanhoore van alle Atheners—ten aanhoore van alle twintigduizend lompe honden van Atheners dat de pest ze hale!”—Sinds dit onderhoud verspreidde zich door geheel Athene het praatje van harde, trotsche, beleedigende woorden, die Phidias zou gesproken hebben tegen zijne kunstbroeders en tegen het geheele Atheensche volk. Er werd verteld, dat hij op de volksheerschappij gesmaald, dat hij zijn vaderland veracht en de Eleërs geprezen had, dat hij gezworen had Athene den rug toe te keeren en voortaan alleen aan andere Hellenen zijne diensten te zullen wijden. Tevens werd er gemompeld van goud, hem van staatswege geleverd, en dat niet geheel en al in de smeltkroezen zijner werkplaats gekomen was …Als onkruid schoten deze praatjes op onder het volk tot eene giftige plant van verbittering en vijandschap tegen den edelen, rustig werkenden meester van het Parthenon.De dag was gekomen, waarop de zaak van Aspasia voor de Heliasten, onder voorzitterschap van den Archon Basileus, in een der gerechtshoven van de Agora zou behandeld worden.Van den vroegen morgen af drong het volk om het gerechtshof.Rustig en kalm was op dien dag onder alle Atheners alleen Aspasia zelve. Zij stond op een bovenvertrek van haar huis en zag door eene soort van venster op straat naar de menigte, die naar de Agora trok.Zij was een weinig bleek, doch niet van angst; want om hare lippen zweefde een verachtelijke glimlach.Pericles trad tot haar.Hij was bleeker dan Aspasia en een diepen ernst lag op zijne trekken. Stilzwijgend sloeg hij een[241]blik naar den somberen hemel boven zich. De lucht was betrokken. Zwermen van kraanvogels vlogen van den Noordelijken Strymon4naar Attica en hun gekras scheen een voorbode van regen te zijn.Nu trad een lange trein van meest bedaagde mannen over de straat. Het was de afdeeling der Heliasten, aan wie de zaak van Aspasia ter beslissing was opgedragen. Het waren de rechters, voor wie de gade van Pericles zich moest verantwoorden en door wie haar vonnis zou worden uitgesproken.„Kijk, daar zijn die oude jongens!” zei Aspasia glimlachend, op de Heliasten wijzend. „De helft van hen draagt afgesleten mantels, heeft een hongerig voorkomen en steunt in het loopen op dien langen, mij onverdragelijken Atheenschen stok, dien Phidias zelfs in het fries op de Acropolis aan ’t oog der schoonheidkenners heeft vertoond. Er zijn er onder, die knoflook kauwen en de smerige obolen, die zij als rechtersloon voor dezen dag zooeven ontvangen hebben, tusschen de lippen houden.”—„’t Zijn mannen uit het volk,” zei Pericles en haalde de schouders op. „’t Zijn mannen uit het Atheensche volk, ’t geen u eens zoo goed beviel, dat gij ter liefde daarvoor, naar gij mij verhaald hebt, het Perzische hof en uw schoon Milete hebt verlaten, en door sterke begeerte gedreven over de zee herwaarts zijt gekomen, om het op te zoeken en er onder te leven.”—Aspasia sprak niet één enkel woord.„Dit knoflook kauwend, lange stokken dragend, obolen in den mond nemend Atheensche volk,” vervolgde Pericles, „is juist hetzelfde, welks schoone gestalte en ongedwongen houding uwe bewondering wekte, welks vaderlandsliefde u trof, welks kunstliefde u niet alleen in de scheppende beeldhouwers en dichters onvergelijkelijk voorkwam, maar insgelijks in zijne geestdrift, in zijn[242]fijnen smaak om te zien, te hooren en te genieten.”„Nu echter weet ik,” hernam Aspasia, „dat het veelgeprezen, fijne Attische volk nog sporen van ruwheid, ik mag wel zeggen, van barbaarschheid, in zich bevat.”„Er is niets volmaakts onder de zon!” sprak Pericles, „een groot licht gaat altijd met groote schaduw gepaard. Ik herinner mij onlangs in de werkplaats van een onzer beeldhouwers een zonderling beeld gezien te hebben: ’t was eene gestalte met vleugels aan de schouders en bokspooten. Dit wangedrocht schijnt mij het Atheensche volk. Het heeft aanleg voor de hoogste vlucht, maar het loopt nog op bokspooten. Overigens moet gij bedenken, dat het Atheensche volk zijne groote deugden zelf alleen bezit, terwijl het zijne zwakheden met anderen deelt. En evenals de schoonste vrouw toch altijd vrouw blijft, zoo is het voortreffelijkste volk nog altijd een volk, aangedaan met de zwakheden en hartstochten van hetgeen men juist het volk, de massa, den grooten hoop pleegt te noemen.”„Meer dan andere,” riep Aspasia opstuivend, „is het Atheensche volk ondankbaar, wispelturig, naar iederen wind draaiend, lichtzinnig.”„Maar het is beminnelijk!” zei Pericles op een toon van fijne ironie, „genotlievend en vroolijk en een vurig vriend en vereerder van het schoone.—Wat wilt gij nog meer, Aspasia?—Hebt gij zelve niet dikwijls genoeg den armen suffer Socrates uitgelachen en bespot, omdat hij van het Atheensche volk nog andere deugden scheen te verlangen, dan die, welke ik u zooeven opnoemde?”Aspasia wendde trotsch het hoofd af, alsof zij beleedigd was.„’t Is tijd,” zei Pericles na eene pauze, „om te gaan en ons naar ’t gerechtshof op de Agora te begeven, waar de rechters u wachten.—Zijt gij in het geheel niet bevreesd, Aspasia? Uwe trekken verraden niet de minste bekommering. Wilt gij mij alleen de bange zorgen overlaten?”[243]„Ik vrees,” hernam Aspasia, „veel meer de nare lucht van het knoflook in die vertrekken, dan het vonnis, dat uit den mond dier mannen mij treffen kan. Nog voel ik mij door denzelfden moed bezield, die mij vervulde onder het gepeupel van Megara en in het volksgedrang in de straten van Eleusis.”Terwijl dit gesprek tusschen hen beiden werd gevoerd, waren de Heliasten in het gerechtshof op de Agora aangekomen; ook de Archon Basileus was met eenige ondergeschikte ambtenaren, openbare schrijvers, verschenen, benevens de opgeroepen getuigen van den aanklager en de aangeklaagden.Vóór het gerechtshof echter woelde de schare des volks levendig dooreen. Bont door elkander gonsden daar de stemmen; meeningen, wenschen, voorspellingen werden gewisseld. Men kon tegenstanders en aanhangers der beklaagden, ook onpartijdigen, hooren.„Weet gij waarom zij Anaxagoras en Aspasia aangeklaagd hebben?” riep er een. „Omdat zij Pericles gevoelig willen treffen, maar zich aan hem zelven niet durven wagen. Want er is geen sterveling in Athene, die Pericles zelven openlijk zou durven aantasten.”„Maar zou men het daarom niet kunnen?”schreeuwdeeen verschrompeld mannetje, met gluipende oogen, nader bij komend. „Zou men het niet kunnen? Zou men van Pericles, na een bestuur van zoovele jaren, geen betere en nauwkeuriger rekening en verantwoording kunnen verlangen, dan hij tot nu toe gedaan heeft? Komen in zijne rekeningen geen posten voor met de eenvoudige verklaring: doelmatig aangewend? Wat moet dat beteekenen, bid ik u, doelmatig aangewend? Zeg? Kan men het volk onbeschaamder zand in de oogen strooien? Hoort toch eens: doelmatig aangewend!”Zoo riep de man en vervolgde zijn weg door de menigte en vroeg overal, wat het toch beteekenen moest „doelmatig aangewend.”„Dat zijn sommen,” merkte iemand op met een[244]geheimzinnig gezicht, „die Pericles aanwendt, om invloedrijke mannen in de Peloponnesus den mond te stoppen opdat zij geen booze plannen zouden smeden tegen Athene.”„Opdat zij hem niet zouden dwarsboomen in de herstelling der tyrannie5te Athene!” viel het levendige mannetje met de loensche oogen schamper lachend in. „Want wanneer gij u verbeeldt, dat de geleerde Pericles, zoo dikwijls hij met zijne vrienden fluistert, alleen de lengte van vlooienpooten en de breedte van muggenbeten met hen berekent, dan dwaalt gij! Hij bazelt reeds lang over de eenheid van geheel Hellas—hij zou, om het kortweg bij zijn naam te noemen, vol gaarne tyran van het geheele Helleensche land worden. Zijne vrouw, de Milesische, heeft hem dit in ’t hoofd gezet, en dit denkbeeld vindt hoe langer zoo meer ingang bij hem en zal hem tot razernij brengen. Naar niets minder dan naar eene koningskroon verlangt deze hetaere—zij zou zoo gaarne koningin heeten—koningin van geheel Hellas—de lauweren harer landgenoote drijven haar den slaap uit de oogen.”Zoo zaaide de vijand der tyrannie, met zijne scherpe tong, twist en tweedracht.In het gerechtshof echter op de Agora zaten reeds de rechters op hunne houten banken, afwachtende de dingen, die komen zouden. De Archon Basileus bekleedde het voorzitterschap, terwijl schrijvers en dienaren hem omringden.De gerechtsplaats was afgezet; eene getraliede deur verschafte alleen toegang aan hen, die de Archon Basileus opriep.Aan de buitenzijde der omheining verdrong zich het volk, om aan te hooren, wat gesproken zou worden.Tegenover de banken der rechters was voor de beklaagden, zoowel als voor den aanklager, eene eenigszins verheven stellage opgericht, waardoor zij in de verte gezien en op een afstand gehoord konden worden.[245]Op eene dier hoogere plaatsen zat Hermippus, een man van een onaangenaam somber uiterlijk, wiens doorborend oog onrustig ronddwaalde.Op de andere plaats zat Aspasia, naast haar Pericles. Want als vrouw, maar vooral als vreemdelinge, moest zij zich voor het gerecht door een man, een burger des vaderlands, laten vertegenwoordigen.Het was een schouwspel, dat het hart van velen bewoog en roerde, de schoonste en meest gevierde vrouw van haar tijd, de vrouw van den grooten Pericles, op de bank der beschuldigden te zien.Dat Pericles naast haar zat, haar mede-aangeklaagde als het ware, verhoogde nog het ernstige en treffende van het tooneel.Met een zekeren trots zetten de rechters en een deel des volks de borst op, daar zij zagen, dat ook de machtigsten zich voor hun rechterstoel moesten stellen en zich onderwerpen aan de almachtige wetten van den staat.Boosaardige blikken wierp Hermippus op de schoone vrouw, over wier gelaat eene zachte bleekheid lag, die de uitdrukking van ongebogen fierheid, welke uit hare trekken straalde, nauwelijks vermocht te temperen.Thans opende de Archon Basileus de vergadering. Hij nam den aanklager den eed af, dat hij alleen ter liefde der waarheid en der rechtvaardigheid de aanklacht had ingediend. De rechters zelven hadden reeds bij de aanvaarding van hun ambt den eed van rechtvaardigheid en stipte nauwgezetheid afgelegd.Nu liet de Archon door een der staatsschrijvers eerst de aanklacht, daarna het tegen de akte van beschuldiging ingediende tegenschrift voorlezen.Vervolgens verzocht hij den klager zijne aanklacht mondeling en uitvoerig toe te lichten.Hermippus stond op. Zijne rede vloeide over van sarkasme. Men zou meenen eene comedie aan te hooren. Hij besprak met scherpe, snijdende woorden de feiten, waarop, naar zijne meening, de aanklacht[246]tegen Aspasia berustte: hoe zij te Eleusis ten aanhoore van het geheele volk oneerbiedig gesproken had over de Eleusinische Godinnen en over de heilige gebruiken des lands; hoe zij omgang had gehouden met de Sophisten, met Anaxagoras en Socrates, boven alles echter met dien welsprekendsten godloochenaar Protagoras, die zich een geruimen tijd te Athene had opgehouden, doch thans weder zijne dwaalleer predikend en de jeugd bedervend, in andere Helleensche stedenrondzwierf: hoe zij verder haar geheele streven daarop gericht had, om de Atheensche vrouwen tot verzet tegen de instellingen des lands op te ruien, hoe zij eens bij gelegenheid van het Thesmophoriën-feest voor alle Atheensche vrouwen was opgetreden, om met haar eene samenzwering te maken tot vernietiging van die eerwaardige wetten, waardoor de echt en het familieleven der Atheners geheiligd waren; hoe zij verder vrijgeboren Atheensche vrouwen in haar huis had gelokt, om haar tot een ontuchtig leven en de lichtzinnige levensopvatting der hetaeren te verleiden; hoe zij eindelijk zelfs zoover was gegaan, dat zij een aantal meisjes in huis had opgenomen, klaarblijkelijk met geen ander doel, dan om ze tot onzedelijkheid op te kweeken en ze met aanzienlijke Atheensche mannen te verbinden.Als getuige voerde Hermippus velen dergenen aan, die te Eleusis de openlijk uitgesproken woorden van Aspasia mede hadden aangehoord; van sommigen echter liet hij de schriftelijke verklaringen door den openbaren schrijver voorgelezen. De aansporing der vrouwen tot eene samenzwering tegen de wetten van den staat liet hij door de vrouwen getuigen, die aan dat Thesmophoriën-feest hadden deelgenomen. De poging om vrijgeboren vrouwen tot ontucht te verleiden liet hij door de voorgelezen verklaring van Xenophon’s gade bevestigen, wie dit getuigenis was afgeperst door Telesippe en de zuster van Cimon. Wat de jonge meisjes in Aspasia’s huis betrof, beriep hij zich op de algemeene bekendheid[247]dezer zaak onder de Atheners, en hij verzuimde niet op den voorgrond te plaatsen, hoe juist wegens de meisjes de Atheensche staat in den laatsten tijd in gevaarlijke verwikkelingen geraakt was met Megara en met de bondgenooten van deze vijandig gezinde, naburige Dorische stad.Zijne slotsom was, dat Aspasia in drie opzichten gezondigd had: tegen het oude geloof en den godsdienst des lands, tegen den staat en de eerwaardigheid zijner wetten, tegen de goede tucht en de zedelijkheid. Hij liet door den schrijver een aantal wetten voorlezen en toonde aan, dat naar Atheensch recht, al die handelingen strafwaardig waren en dat op de meeste de dood gesteld was; dat Aspasia’s hoofd en leven derhalve, daar zij van die misdaden voldingend overtuigd was geworden, aan de wet vervallen was. Hij bezwoer bij gevolg de rechters in hartstochtelijke opgewondenheid en met verheffing van stem, toch het heiligste wat een staat bezat, ter harte te nemen, den overmoed der vreemdelinge, die het omverwerpen van de oudvaderlijke inzettingen beoogde, te tuchtigen en den tot dusverre door de Goden geliefden en door de Goden gezegenden staat der Atheners niet te laten te gronde gaan in de school van teugelloosheid, van wetsverachting en van godloochening.De vurige redevoering van Hermippus maakte een diepen indruk op de rechters, die meest op gevorderden leeftijd en uit de laagste klasse des volks afkomstig waren. Ook uit de menigte, die buiten de afsluiting in ademlooze stilte de rede van Hermippus had gevolgd, verhief zich een gemompel:„Hermippus heeft fraai gesproken—zijne bewijzen waren scherp en afdoende—hij heeft de wetten op zijne hand—het hoofd der Milesische moet vallen.”Nadat Hermippus geëindigd had en weder op zijne plaats was gaan zitten, verhief zich Pericles.Oogenblikkelijk heerschte weder de diepste stilte en ieder oor luisterde in gespannen aandacht naar[248]den eersten klank uit den mond van Aspasia’s gemaal.Pericles’ geheele wezen scheen veranderd. Zijn uiterlijk was niet, zooals hij voor het volk op de Pnyx verscheen, wanneer hij het redenaarsgestoelte besteeg en in waardige rust, zeker van den uitslag, zijne meeningen uitsprak. Voor de eerste maal scheen de kalmte gedwongen, die hij uiterlijk ook nu ten toon spreidde, en eene lichte trilling klonk in zijne stem, toen hij begon te spreken.Hij ontkende de schuld van Aspasia. Het eene punt van beschuldiging na het andere behandelende, trachtte hij aan te toonen, dat het alleen aan de hatelijke overdrijving gelukt was Aspasia’s gedrag den schijn eener misdaad te geven, waarop de doodstraf stond. En waar hij niet loochenen kon, dat de letter der Atheensche wet tegen Aspasia sprak, beriep hij zich op hare daden en edele bedoelingen, en zocht te bewijzen, dat een edel streven nooit misdadig kan zijn.Doch er was ditmaal iets weifelends in de redevoering van den gevierden spreker, die den bijnaam van den Olympiër voerde. Men kon duidelijk bemerken, dat zijne woorden slechts een geringen indruk op zijne hoorders teweegbrachten. Was zijne inwendige ontroering te groot, zoodat zij zijne scherpzinnigheid verstompte?—Ten laatste echter deed Pericles, zooals Hermippus gedaan had. Hij liet op zijne bewijsvoering eene aanspraak aan de rechters volgen, die uit het hart voortkwam en tot het hart sprak.Hij zeide:„Deze vrouw hier is mijne gade. En wanneer zij schuldig is aan de misdaden, dan ben ik ook schuldig. Hermippus klaagt ons aan, omdat wij de waardigheid der Goden hebben gehoond, het gezag van den staat gekrenkt, de tucht en de goede zeden hebben geschonden. Mannen van Athene! als ik mij mag beroemen op iets van hetgeen gij op mijne aansporing hebt gedaan, dan heb ik het aanzien der Goden van ons land niet verkleind,[249]maar veeleer hen verheerlijkt, als iemand vóór mij, door prachtige tempels en schitterende beelden op de Acropolis en te Eleusis. Ik heb den staat niet gekrenkt, integendeel voor hem gestreden in bloedige slagen; ik heb de macht der oligarchen gebroken en aan het volk de vrijheid gegeven. Ik heb de tucht en de goede zeden niet verslapt, maar ze versterkt en veredeld, terwijl ik de beoefening en bevordering van het goede en het schoone onder u heb zoeken te verbreiden, en daardoor het gemeene en ruwe tegen te gaan. En in die pogingen, mannen van Athene, heeft mij deze vrouw, Aspasia van Milete, niet belemmerd, maar ondersteund en aangespoord. Datgene, wat het volk en de stad der Atheners misschien voor alle volgende tijden zal verheerlijken, is voor een niet gering deel, hare verdienste. Niet met het verval van dezen staat, maar met zijn edelsten bloei, macht en heerlijkheid zal de herinnering van haar naam voor altijd verbonden zijn.—Dit zijn feiten, gij mannen van Athene, en wij beiden gelooven ons verdienstelijk gemaakt te hebben omtrent het volk en de stad der Atheners. Gindsche Hermippus echter komt en roept u toe: „Scheurt de uitverkorene, de geliefde wettige vrouw van Pericles van zijn hart en sleept haar voor zijne oogen ter dood!”Bij deze woorden parelde een traan in het oog van Pericles.Een traan in het oog van den rustigen, waardigen Pericles! Een traan in het oog van den Olympiër! Die traan had een, naar de gewone wetten der natuur onverklaarbare uitwerking. Hij werkte verbijsterend als een wonder, als een meteoor, als een door de Goden gezonden teeken uit den hemel.Zij, die met eigen oogen hadden gezien, hoe de traan een oogenblik blonk in het manlijk oog van Pericles, doch spoedig werd weggepinkt, zagen elkander met veelbeteekenende blikken aan.Zij fluisterden elkander toe:Pericles heeft geweend![250]Uit de gerechtszaal verspreidden zich over de Agora de woorden:Pericles heeft geweend!Van de Agora liep het in korten tijd door de geheele stad Athene:Pericles heeft geweend!Tegelijkertijd kwam te Athene het bericht van een zeeslag bij Sybota, waarin Atheensche schepen den Corcyraeërs6tegen de Corinthiërs met schitterenden uitslag ter hulp waren gekomen. Maar men luisterde slechts ten halve naar het bericht—men sprak over niets, dan over den traan van Pericles.Aan de rede van Hermippus voor de Heliasten was eene grens gesteld door den zandlooper, aan de rede van Pericles maakte de opwellende traan een einde.Een dienaar naderde op den wenk van den Archon en verdeelde de stemsteentjes onder de rechters. Aan ieder reikte hij ten aanschouwe van allen een witten en een zwarten steen, een die vrijsprak en een die veroordeelde.Toen verlieten de Heliasten hunne zetels, traden een voor een naar eene koperen vaas en wierpen een stemsteentje daarin, het witte of het zwarte. Den steen, dien zij over hadden, wierpen zij in een anderen, houten bak.De eerste stemming der Heliasten gold het schuldig of onschuldig; de tweede gold, in geval van schuldigverklaring, de straf, die tegen den aangeklaagde geëischt werd.Nu waren de steenen van alle Heliasten in de stembus. Zorgvuldig werden de witte en de zwarte onmiddellijk geteld onder de oogen van den Archon.Met onbeschrijfelijke spanning waren aller oogen op de uit de urn rollende witte en de zwarte steenen gevestigd. En zie! De heldere loten, die ten[251]leven beslisten, namen in groote getale toe en zegevierend overtroffen zij de donkere loten des doods.—De vrouw van Pericles was vrijgesproken. In de weegschaal van Themis was de traan van den held met beslissende zwaarte gevallen.Uit den mond van den Archon klonk het gewijsde en als op vleugelen gedragen verspreidde die mare zich over de gansche Agora.Aspasia stond op. Een lichte blos kleurde haar gelaat. Haar blik zweefde een oogenblik met helderen glans over de eerwaardige hoofden der Heliasten. Toen reikte zij stilzwijgend hare hand aan Pericles. Deze voerde haar weg. Een sluier bedekte haar gelaat, terwijl zij door de menigte gingen.Op de Agora begroetten en vergezelden Pericles de door duizenden monden aangeheven vreugdekreten der Atheners.In alle straten, die Pericles op zijn terugweg met zijne gesluierde gade doorging, verdrong zich het volk en de verschillendste uitroepen werden gehoord of gefluisterd, al naar mate ieders gezindheid, bij het zien van Aspasia. Een uitroep echter had den boventoon, die telkens en overal werd herhaald:„Wat een schoone vrouw is nog altijd Aspasia!”Deze uitroep verkreeg ten laatste de overhand over alle andere, en alleen de waanzinnige Meno riep de schoone Milesische, toen zij hem voorbij ging, een scheldwoord na.Plotseling stond Socrates, uit de menigte te voorschijn tredend, naast Pericles en Aspasia.„Ik wensch u geluk, Aspasia!” sprak hij, terwijl hij zich bij hen aansloot. „Welke uren van kwelling en angst waren die laatste voor uwe vrienden!”„Waar waart gij,” vroeg Aspasia, „toen de uitslag werd bekend gemaakt?”„Altijd midden onder het volk,” hernam Socrates.„En wat hoordet gij onder het volk in al dien tijd?” vroeg Aspasia weder.[252]„Vele en verschillende zaken,” antwoordde Socrates: „ten laatste echter bleven er alleen twee gezegden over, die van mond tot mond gingen.”„En welke waren die?”„Pericles heeft geweend!” en: „Wat eene schoone vrouw is nog altijd Aspasia!”„Zonderlinge samenloop van zaken!” vervolgde Socrates op zijne wonderlijke wijze sprekende. „De schoonste vrouw is Aspasia, en de gelukkige echtgenoot der schoonste vrouw heeft geweend!—Draag zorg, Aspasia, dat dit de laatste traan van Pericles moge blijven! want alleen de eerste traan van den man is verheven, de tweede is belachelijk. Alleen de eerste grijpt aan en schokt—de tweede is zonder eenige uitwerking. Pericles mag nooit meer weenen! Hoort gij dat, Aspasia? Pericles mag nooit meer weenen!”„Ben ik het dan soms, die tranen aan Pericles’ oog tracht af te persen?” vroeg Aspasia, innerlijk beleedigd.„Ik beweer alleen, dat Pericles nooit meer weenen mag,” hernam Socrates en verdween onder de menigte.Aspasia was verstoord. Hoe? Het vijandig gezinde volk der Atheners had haar heden vrijgesproken en uit de schare der verzoende vijanden trad een vriend te voorschijn, om haar scherpe, onheilspellende woorden toe te voegen!—„Gij kent den zonderling!” zei Pericles. „Oefen geduld met hem! Gij weet, hij meent het goed met ons.”—Aspasia echter bleef toornig. En de gedachte, reeds lang in hare borst gekoesterd, den zonderling te straffen voor de altijd vaardige, altijd onbeschroomde vrijmoedigheid zijner tong, ontwaakte opnieuw in de fiere vrouw, terwijl zij in het bewustzijn harer zegepraal aan de zijde van haar echtgenoot daarheen ging.—Twee mannen volgden op eenigen afstand het paar met loerende blikken; een hoonende grijnslach speelde om hunne lippen, terwijl zij met elkander[253]fluisterden.Het warenDiopithesen de oligarch Thucydides.„Het wijf is ons ontsnapt!” zei de oligarch met somberen blik.„Des te erger voor haar!” hernam de priester. „Gij kent het volk. Ware zij veroordeeld geworden, men zou haar beklagen om Pericles’ wille en medelijden hebben met Pericles; doch nu zij er vrij is afgekomen, zal men spoedig zeggen, dat de rechters toch te zacht hebben geoordeeld, en dat de macht van Pericles te gevaarlijker wordt wanneer men uit liefde voor hem de schuldigen vrijspreekt!”„Verheug u voor heden in uwe zegepraal!” hernam Diopithes, uit de verte de vuist achter Aspasia’s gemaal ballend: „De pijlen, die gij van het hoofd uwer vrouw hebt afgewend, zullen des te gewisser uw eigen hoofd treffen!”1Potidaeä, eene kolonie der Corinthiërs, lag op het schiereiland Chalcidice; in 432 v. C. viel zij van Athene af, doch werd na eene nederlaag, haar door de Atheners, onder Callias, den zoon van Calliades, toegebracht, te land en ter zee ingesloten. Na een tweejarig beleg gaf het zich op vrij gunstige voorwaarden over.↑2De Heliasten waren de rechters in de Heliaeä, d.i. de hoogste rechtbank te Athene, uit gezworenen samengesteld.↑3Barathon beteekent afgrond, vooral de afgrond te Athene, achter de Acropolis gelegen, waarin de ter dood veroordeelden geworpen werden.↑4Eene rivier in Thracië, thans Karasoe of Stroema geheeten.↑5Alleenheerschappij.↑6Bewoners van Corcyra (Kerkura); het noordelijkste der Ionische eilanden, ten westen van Epirus, omstreeks 700 v. C. door Corinthiërs bevolkt; thans Korfu geheeten.↑

XXI.DE MUILEZEL VAN CALLICRATES.

Het viel Pericles niet moeilijk aan Aspasia’s wensch gehoor te geven en de beide haar ontroofde meisjes van de Megarensers terug te eischen. Want toen ter tijde was om velerlei redenen het wachtwoord te Athene: Megara moet getuchtigd worden.De Megarensers echter antwoordden, dat zij Drosis en Prasina, die voorloopig als gijzelaars aan de bewaking van een aanzienlijk burger waren toe vertrouwd, onmiddellijk zouden uitleveren, zoodra Simaetha, die door de Atheensche jongelingen geschaakt was, werd teruggegeven. Tegen dit laatste echter kantte zich Simaetha met alle kracht aan, waarbij zij eene trouwe hulp in Aspasia vond. Het meisje uit Megara was de lieveling van Aspasia geworden.De Megarensers waren te Athene even gehaat, als de Atheners te Megara. Pericles had meer dan één reden om een volksbesluit door te drijven, dat den Megarensers het bezoeken der Atheensche havens en van de markt te Athene verbood, zoolang zij niet alleen die meisjes hadden uitgeleverd, maar ook in eenige andere aangelegenheden de verlangde voldoening zouden hebben gegeven.Gevoelig trof deze uitsluiting van de Atheensche[219]markt de Megarensers, en niet lang, meende men, zouden zij in hunne weigering volharden.Daar het echter te vreezen stond, dat de Megarensers zich heimelijk tot de Spartanen zouden wenden om hunne krachtige bemiddeling in te roepen, en daar bovendien door tamelijk ernstige geschillen met Corinthe en door den afval der Attische kolonie Potidaeä1eene zekere onrust zich van de Atheners had meester gemaakt, grepen de vijanden van Pericles en Aspasia de gelegenheid aan, het volk tegen hen op te ruien. Door den overmoed der vreemde vrouw, zeiden zij, en door de onbeperkte losbandigheid harer vrienden werd nu zelfs de openlijke vrede van Hellas bedreigd, en ter wille van twee geschaakte hetaeren had Pericles het volksbesluit tegen de Megarensers, als eene brandende fakkel, onder de Hellenen geworpen.Groote en geliefde staatsmannen plegen instellingen ten gunste des volks niet altijd te bestrijden, omdat zij weten, dat het volk toch ten laatste in een soort van blind vertrouwen hunne leiding zal volgen, en dat het gevaarlijke dier instellingen door de macht van hun persoonlijken invloed, ten minste zoolang als zij zelven aan het roer staan, vernietigd wordt. Maar de bezorgden vragen, wat geschieden zal, als zulke mannen soms door den dood werden weggeroepen en niet meer de teugels van den staat in hunne vaste hand klemden. Van den anderen kant zien de volksvrienden, die voor de handhaving der volksheerschappij bezorgd zijn, juist in die gedweeë overeenstemming van den algemeenen wil met den wil en de inzichten van één enkel uitstekend man, het grootste gevaar voor de vrijheid. Zoo kwam het, dat de alvermogende Pericles toch in ’t geheim de voorstanders der onbeperkte volksheerschappij evenzeer als de partij der oligarchen tegen zich had.[220]De leerlooier Cleon, de schapenkoopman Lysicles en de worsthandelaar Pamphilus waren van meening, dat de wijsheid van één enkele in den staat gevaarlijker was dan de dwaasheid der menigte, en zij vernieuwden tegenover hunne medeburgers, zoo dikwijls zij konden, de waarschuwingen tegen den „nieuwen Pisistratus.”Lieden van den slag van dien leerlooier Cleon, dien schapenkoopman Lysiclesendien worsthandelaar Pamphilus waagden het reeds somwijlen in de volksvergadering met onstuimig getier de waardigheid van Pericles aan te randen.Niet onverschillig beschouwde Pericles demoeilijkheden, die menige daad van Aspasia en de brooddronkenheid van Alcibiades hem op den hals haalden. Aspasia echter was door haar geheele karakter onaantastbaar. De storm kan wel een eik ontwortelen, maar geen bloem knakken. Den jongen Alcibiades echter verweet Pericles in ernstige bewoordingen zijne teugelloosheid, die, voor een deel althans, de bewuste onaangename verwikkelingen met Megara veroorzaakt had. Hij vermaande hem de voetstappen zijner voorvaderen te drukken, zich verdienstelijk te maken jegens het vaderland en naar roemrijke daden te streven.„Dat wil ik!” hernam de jonge Alcibiades half ernstig half schertsend. „Wie echter dan gij, o Pericles, is de schuld, dat ik geen gelegenheid vind, om mij door roemrijke daden te onderscheiden? Hoe lang nog moeten wij werkeloos in dezen vervelenden vrede suffen? Geef mij eene vloot, dan zal ik u Carthago en Sicilië veroveren! Maar zelfs de weinige, armzalige triëren weigert gij mij, die ik noodig had, om de lieftallige meisjes Drosis en Prasina uit de gevangenschap in het ellendige Megara te bevrijden. Mij blijft niets overig, wanneer ik mij jegens het vaderland verdienstelijk wil maken, dan eens naar Sparta te gaan en de vrouw van den Spartaanschen koning te verleiden, ten einde het Dorische bloed te vervalschen met het Ionische, ten gunste der Atheners! O zeker, Pericles, het ontbreekt[221]mij niet aan begeerte naar dappere daden.”„Onstuimige begeerte naar roemvolle daden, zonder waardigheid en ernstig overleg,” sprak Pericles, „zal nimmer nut stichten, maar slechts verderfelijke gevolgen na zich sleepen. Uwe voortreffelijke eigenschappen, waarde Alcibiades, zijn geen blijde hoop, maar een gevaar voor het vaderland, zoolang zij met ondeugden als de uwe gepaard gaan.”„Is ’t dan eene ondeugd,” riep Alcibiades, „het genoegen na te jagen? en is niet de jeugd de beste tijd om te genieten?”„Gij vergist u!” antwoordde Pericles ernstig; „de jeugd is niet de tijd van het genot zelf, zij is de tijd om zich met lichaam en ziel op waarachtig genot voor te bereiden. Zij is de tijd om de vatbaarheid voor genot te ontwikkelen, niet ze te verstompen. Gij meent te genieten, jonge zoon van Clinias! Maar uw genot van alle vreugdebekers is niet veel meer, dan jongensachtige overmoed, gedachteloos spel!”—„Slechts één leven geven ons de Goden om te genieten!” zeide Alcibiades.„Juist daarom!” hernam Pericles, „moeten wij er op bedacht zijn, het niet te verspillen, maar het te behouden!”Zoo onderhield zich Pericles ernstig vermanend met den jongeling.Deze echter ging van Pericles naar zijnevriendinTheodota en herhaalde glimlachend de woorden van Pericles, terwijl hij er bijvoegde:„Nu zie ik, dat mijn oude vriend, mijn geliefde Socrates, inderdaad wijzer is dan Pericles en dan al die andere wijze mannen te Athene. Want deze Socrates alleen heeft het reeds lang volkomen begrepen, dat bij den zoon van Clinias dergelijke vermaningen dwaas en vergeefsch zijn!”—Een geruime tijd was verstreken, sinds Pericles en Aspasia van hunne Elische reis naar Athene teruggekeerd waren en deErechtheüs-priesterDiopithes met de vijanden van het edele paar eene samenzwering had gesmeed.Doch niet ongebruikt was deze tijd van Diopithes[222]voorbijgegaan. Reeds te voren waren de wapenen voor den eersten aanval geslepen. Diopithes had van Pericles’ afwezigheid uit Athene gebruik gemaakt, om in de volksvergadering een wetsvoorstel in te dienen tegen hen, die den godsdienst van het Attische land verloochenden, en tegen de wijsgeeren, wier leer in tegenspraak was met het van de vaderen geërfde geloof. Met de plechtigheid van een Godsgezant was deErechtheüs-priestervoor de menigte opgetreden, en zoo hartstochtelijk bezield was zijne rede geweest, zoo doorspekt met bedreigingen en onheilspellende orakelspreuken, dat het hem inderdaad gelukte de beslissende meerderheid van stemmen op de Pnyx voor zijne wet te winnen.Sedert dien dag hing het zwaard van Damocles boven het hoofd van den grijzen Anaxagoras. Op hem was het eerst de pijl van Diopithes gericht; doch zijne bedoelingen gingen nog verder. In het geheim wierf hij bondgenooten en helpers en sloot zich bij alle vijanden van Pericles aan.De bitterheid in zijne ziel vond iederen dag nieuw voedsel. Want voor zijne oogen bewoog zich nog altijd die gehate Callicrates onder de werkende en woelende arbeidersschare op de hoogte van de Acropolis, het prachtig werk der Propylaeën onder de leiding van den voortreffelijken Mnesicles met gelijken ijver bevorderend, als vroeger den feesttempel van Pallas. Een gruwel was Callicrates den priester, een gruwel waren hem zijne helpers, die over dag aan het gehate werk arbeidden en des nachts bij gansche groepen op steenen of hoopen zand zich ter ruste vlijden; een gruwel was hem ook dat dier, die oude muilezel, welken, zooals reeds verhaald is, de gedwongen rust zijns ouderdoms niet behaagde, maar uit oude gewoonte op de Acropolis rondliep, en wien de gunst ten deel was gevallen, dat de schade, die hij door zijn grazen en snuffelen aan vreemd eigendom mocht veroorzaken, van staatswege zou worden vergoed.[223]Kleine oorzaken, zegt het spreekwoord, sleepen dikwijls groote gevolgen na zich.Overmoedig geworden door de openlijke gunst, die het volk der Atheners hem bewees, ging de muilezel van Callicrates voort op de Acropolis rond te loopen, zonder eenigen schroom omtrent zijn gedrag, waardoor hij reeds lang de verbittering van Diopithes tot het uiterste had gedreven. Zonder eenigen eerbied vergreep hij zich aan de heiligdommen van het Erechtheüm. Hij scheen niets zoo smakelijk te vinden, als de kruiden, die op het tempelgebied groeiden. Hij had geen ontzag voor de giftige blikken, die Diopithes op hem wierp, ja hij gaf nauwelijks om de nijdige stompen en slagen, waarmede de tempeldienaars hem trachtten te verdrijven. Hij besnuffelde voor en na de offerkoeken, die door vrome lieden op het altaar van Zeus voor het Erechtheüm werden neergelegd. Beklaagde Diopithes zich over dat vergrijp bij Callicrates, dan haalde deze de schouders op en beriep zich op de wettelijke voorrechten van het dier en op de bereidwilligheid der openbare schatmeesters, om de aangerichte schade te vergoeden. Daar de priester met al zijne klachten niet verder kwam, had hij reeds sinds lang het onbeschaamde beest vreeselijke wraak gezworen.Het dier echter liep blindelings in zijn verderf en deed de maat zijner ongerechtigheid overloopen, door op zekeren dag de toevallig open en onbewaakte deur van het heiligdom vanErechtheüsen Athene Polias binnen te sluipen; de ontstelde tempeldienaars vonden hem met zijn onheiligen snuit aan een frisschen krans snuffelend, waarmede men het overoude, houten beeld van de Godin op den morgen van dien dag getooid had.Den volgenden morgen lokte Diopithes den muilezel van Callicrates heimelijk tot zich en wierp hem een koek voor.Des avonds van dien zelfden dag vond men het dier dood liggen op de trappen van het Parthenon.Een der werklieden van Callicrates had uit de verte[224]gezien, dat deErechtheüs-priesterhet muildier spijs had voorgeworpen, en nu waren allen overtuigd, dat het beest als een offer van Diopithes’ wraak was gevallen.Eenigen zwoeren hem daarvoor te zullen straffen, verzamelden zich voor het Erechtheüm en overlaadden den priester met luide smaadreden. Ware niet Mnesicles te rechter tijd verschenen, dan zou Diopithes het er slecht afgebracht hebben onder de handen der werklieden van Callicrates.Thans was de beker van toorn vol in den boezem van denErechtheüs-priester. Hij kon zich niet langer bedwingen om zijne gramschap lucht te geven en de hand te leggen aan het groote, lang beraamde plan der wraak.’t Was een stormachtige nacht, een nacht, waarin de hemel bewolkt was en donkere wolken voorbij de maan joegen. Toen kwamen in de eenzame Eumenidengrot op den Areopagus drie mannen tot een heimelijk onderhoud te zamen.Diopithes was een dier mannen en hij was het ook, die de beide anderen tot een gesprek daarheen had genoodigd. Want zijne omgang met de eedgenooten op de Acropolis liep te zeer in ’t oog van den waakzamen Callicrates.De tweede der mannen, welke in de Eumenidengrot kwam, was de oligarch Thucydides, die door Pericles was ten val gebracht. Hij en Diopithes traden het eerst de grot binnen. Nu kwam ook de derde der mannen, half vermomd, niet ongelijk aan een dief in den nacht, met schier onhoorbare schreden aansluipen.Met eene zekere nieuwsgierigheid vestigde de oligarch zijne blikken op hem. Diopithes toch had hem zijn naam niet genoemd. Maar toen nu de nieuwaangekomene tegenover de beide andere mannen in de eenzame grot stond en zijn gelaat door het licht der maan, dat juist door de wolken brak, zichtbaar werd, deinsde de oligarch met teekenen van afkeer een eind terug. Om zijne lippen speelde een grijnslach van ontevredenheid en minachting.[225]Hij had de grove trekken van den leerlooier Cleon herkend, den hem en de geheele oligarchische partij doodelijk gehaten volksredenaar, wiens ruwe onstuimigheid en bulderende taal op de Pnyx de volksheerschappij, doorHeraclesin ’t leven geroepen, maar ook door zijn wijs beleid beteugeld, onmatig trachtte uit te breiden.Met verbazing en wrevel wendde de oligarch zich tot Diopithes.„Met welk een man,” zeide hij, „brengt gij mij nu te zamen?”Doch ook Cleon beet verwonderd en met een spottenden lach denErechtheüs-priestertoe.„Een prachtigen bondgenoot biedt gij, Diopithes, den volksman Cleon aan!”„Ik heb u niet hier genoodigd,” sprak deErechtheüs-priester, „om den twist der oligarchie en der democratie te beslechten. Ik heb u geroepen tot een gemeenschappelijken strijd tegen een gemeenschappelijken vijand.”„Zal ik dan vijanden bestrijden,” zei de oligarch, „ten bate van een man, die nog erger is dan zij?”„Zal ik dan tegenstanders verwinnen,” hernam Cleon, „met behulp van dengene onder hen, die mij meer gehaat is dan zij allen?”Op deze wijze gaven de beide mannen hunne gewaarwordingen te kennen op ’t eerste oogenblik der ontmoeting.Maar nadat zij op zachter toon een uur lang zich onderhouden hadden, waarbij grootendeels de sluweErechtheüs-priesterhet woord had gevoerd, zou ’t spiedend oog, als het in dien stillen nacht op den Ares-heuvel die zelfde mannen de grot had zien uittreden, opgemerkt hebben, dat zij, ofschoon vluchtig en zonder hartelijkheid, elkander toch de hand gaven.Diopithes bemoeide zich schijnbaar niet met staatszaken. Hij stond met den woesten volksmenner Cleon op even goeden voet als met den oligarch Thucydides. Hij streed, naar hij beweerde,[226]alleen voor de eer der Goden des lands en hunne heiligdommen. Om hem in dezen strijd te ondersteunen zag noch de volksleider noch de oligarch eenig bezwaar, wanneer zij daarvoor, naar zij beiden geloofden, een niet te verachten bondgenoot tot het bereiken hunner eigen plannen wonnen. Inderdaad echter waren beiden slechts werktuigen in de hand van den veel sluweren priester, wiens eenig doel was, zijne persoonlijke vijanden, vooreerst Anaxagoras, Phidias en Aspasia, in het verderf te storten.Om dit te bereiken moest hij gevaarlijke aanklachten tegen hen indienen. Tot dit doel had hij eene wet, uitsluitend tegen hen gericht, persoonlijk doorgedreven. Opdat zij echter veroordeeld zouden worden, moest hij het volk op zijne hand hebben. Hij moest invloed zoeken te winnen op de stemmen der menigte. Daarvoor had hij helpers en bondgenooten noodig.Vandaar, dat hij overal vriendschapsbetrekkingen aanknoopte, vandaar zijn heimelijke omgang met personen van de meest verschillende soort. Zijn eerste, als ’t ware voorbereidende aanval, zou Anaxagoras gelden; voorts zou een hoofdaanslag, die ook Pericles moest treffen, tegen Aspasia gericht worden. Ten laatste zou het zwaarste, het schijnbaar onmogelijke beproefd, en alle krachten vereenigd worden om Pericles te doen vallen, Pericles, den bij het meerendeel van het Atheensche volk zoo geliefden man.Hij spoorde allen op, die te Athene tegen Aspasia vijandig werden gevonden en schaarde ze in ’t geheim om zich heen. Hij leidde en bestuurde ’t geheel als een goed geordend leger en gebruikte ieder afzonderlijk als een strijder of bode in een bepaalden kring.Hij stond door de hem verwante priesteres van Athene Polias in betrekking tot de vrouwenwereld, tot Telesippe en de zuster van Cimon. Hij knoopte betrekkingen aan met den somberen Agoracritus. Hij maakte zich tot een bondgenoot van Cratinus,[227]een Hermippus en andere blijspeldichters, die dubbel op Aspasia gebeten waren, sedert Pericles, door hare klachten gedreven, eindelijk besloten had de teugelloosheid der comedie te beperken. Zijne relaties strekten zich zelfs uit tot den dollen Meno, den gewezen slaaf, den in de geheele stad bekenden en bij de heffe des volks geliefden zonderling, die gewillig zijne hulp tot alle kuiperijen bood en gaarne op zich nam, om door boosaardige en sarcastische gezegden, ruwe scherts en lompe uitvallen het volk in de straten op te hitsen tegen de wijsgeeren en tegen de gade van Pericles.Nauwelijks was een maand verstreken sedert de samenkomst dier drie mannen op den Ares-heuvel, of de grootste helft van ’t Atheensche volk was met eene vijandige gezindheid bezield tegen Aspasia en tegen de beide vrienden van Pericles.Wat Anaxagoras betrof, men was het hierover eens, dat hij een godloochenaar was.Er was schier niemand, die zich niet de eene of andere oneerbiedige uitdrukking herinnerde, die hij op de Agora, in het Lyceüm of op eene andere openbare plaats uit den mond van den wijsgeer had vernomen. Waarop men vroeger ternauwernood had gelet, ja zelfs wat men deels met ingenomenheid had gehoord, vond de wispelturigheid des volks nu eensklaps gevaarlijk, nadat de stemming geheel was veranderd en, door den met Diopithes heimelijk verbonden Cleon, de haat tegen de wijsgeeren onder de heffe des volks was verbreid.Op een laten avond, toen de straten van Athene reeds ledig waren geworden, liep een man met haastigen en zachten tred, met blijkbaren angst dat hij bemerkt zou worden rond zich ziende, onder de bescherming der duisternis, daar de hemel met zwarte wolken bedekt was, uit de Tripodenstraat in de richting van den Illissus.Hij was niet vergezeld van een slaaf met eene fakkel zooals gewoonlijk een nachtelijke wandelaar bij zich had. Toen de man den Illissus bereikt had, ging hij dien over en vervolgde zijn[228]weg tot aan de Itonische poort, waar slechts weinige en onaanzienlijke huizen stonden.Aan een dier onaanzienlijke woningen klopte hij. De deur werd geopend en hij sprak fluisterend eenige woorden tot den slaaf, die hem binnen gelaten had.Daarop voerde deze hem in het slaapvertrek van een grijsaard. De kamer zag er armoedig uit en op een armzalig leger rustte de grijsaard.Die grijsaard was Anaxagoras en die late, nachtelijke bezoeker was Pericles.Eenigszins verwonderd zag de oude man zijn vriend aan, dien hij sedert geruimen tijd niet gezien had en door wien hij zich schier vergeten waande.„Niet met eene blijdeboodschap,” zeide Pericles, „kom ik u in uw nachtelijke rust storen; maar dat ik het ben, die u de boodschap breng, moge u een troostrijk voorteeken zijn. En niet als bode alleen, maar ook als raadsman en helper ben ik tot u gekomen.”„Schoon ’t ook slechte tijdingen mochten zijn,” hernam de grijsaard, „die Pericles tot zijn ouden vriend Anaxagoras voeren, zouden ze er mij te minder onaangenaam door treffen. Spreek eenvoudig en zonder terughouding, wat u op het hart ligt.”—„De eerzuchtige Cleon, naar ik weet, door denErechtheüs-priesterheimelijk opgestookt, heeft heden eene aanklacht tegen u wegens godloochening bij den Archon Basileus ingediend.”—„Op godloochening,” hervatte Anaxagoras rustig, „staat, als ik mij goed herinner, de doodstraf, volgens de wet van Diopithes. Eene zachte straf voor een oud man!”„Wanneer een grijs, eerwaardig hoofd bedreigd wordt,” zeide Pericles, „wekt het grooter medelijden op, dan een jeugdig. Inmiddels, voor de veiligheid van uw hoofd zou ik met het mijne instaan. Ik zelf zou voor uwe rechters optreden als uw pleitbezorger en voor uw hoofd, als het noodig mocht zijn, het mijne aanbieden. Wat ik echter niet[229]in staat ben te verhinderen, is, dat men u in den kerker zal brengen, tot uwe zaak beslist is—en lang kan die snoode, meedoogelooze gevangenschap duren.”„Laat men mij gevangen zetten,” hernam Anaxagoras. „Wat baat het mij de voeten vrij te hebben, als mijn woord het niet meer is?”„Dat zal voorbijgaan!” antwoordde Pericles. „Ook aan uw woord zal de vrijheid weder gegeven worden, en eene prooi der knabbelende muizen zal de wet worden, die de sluweErechtheüs-priesterbij het opgewonden volk heeft doorgedreven, toen ik verre van Athene was en mijn woord niet ter beslissing in de schaal kon werpen. Buk voor het oogenblik echter voor den drang der omstandigheden. Sta op en bind de zolen onder uwe voeten. Verlaat onverwijld en heimelijk voor een tijdlang Athene. Alle voorbereidselen voor uwe vlucht zijn genomen. Beneden in de eenzame baai van Phaleron ligt een vaartuig gereed om u te voeren waarheen gij wilt. Met mijn vriend Cephalus heb ik alles voor u bezorgd en in orde gemaakt, en hij zelf zal u vergezellen op uwe vlucht, totdat gij eene gewenschte wijkplaats hebt bereikt. Zwaar valt het mij in den nacht tot de legerstede van een zwakken grijsaard te komen en tot hem te zeggen: „Maak u op en ga!” Doch ik moet het doen. In de diepe duisternis van dezen nacht nog breng ik u zelf naar de baai van Phaleron, waar Cephalus u wacht.”„Ik heb geen gegronde reden om te gaan,” zeide Anaxagoras, „maar nog minder om te blijven; want ik ben oud en alle wegen der wereld voeren naar de laatste rust van den Hades. En wanneer de man in Phaleron met het vaartuig mij wacht, waarom zou ik hem dan te vergeefs laten wachten? Breng mij naar de Mysische kust, naar Lampsacus. Daar wonen mij bevriende mannen. Daar mogen zij mij begraven en het woord waarheid op mijn graf beitelen. De kleinzonen der Atheners mogen het lezen, als zij Lampsacus bezoeken, en zien, dat men aan het strand van den Hellespont, niet[230]verre van het gebied der Barbaren, der waarheid en een stervenden grijsaard, die haar predikte, een plaatsje heeft gegund. Roep mijn ouden slaaf, Pericles, om mij de sandalen aan de voeten te binden, en de weinige boekrollen tot een bundeltje samen te voegen en mij naar de zee en verder, als hij wil, te vergezellen.”De grijsaard stond met behulp van Pericles op van zijne legerstede, liet zich door zijn slaaf de sandalen onder de voeten binden, wierp de chiton om en in eenige oogenblikken was hij gereed voor de reis.Toen gingen de beide mannen, met de slaaf achter zich, onder bescherming van den donkeren nacht, door de Itonische poort en langs den langen muur over den eenzamen weg naar de baai van Phaleron.Spoedig hadden zij de baai bereikt en vonden Cephalus op eene door rotsen omsloten plaats, waar de zee zacht als in een droom tegen het strand murmelde. Alleen met een handdruk begroetten de mannen elkander.Anaxagoras stond op ’t punt van Pericles afscheid te nemen en het vaartuig te bestijgen. En terwijl zij elkander de hand reikten zag Pericles met een blik van diepe deernis op den grijsaard neder, die in het eenzame uur van den nacht uitgedreven werd naar den vreemde over de onstuimige baren.„Waarom beklaagt gij mij?” zeide de grijsaard. „Mij treft in de wereld niets onvoorbereid. Ik heb in mijn langen levensloop, ’t een na ’t ander, alles in mij gedood, wat vatbaar was voor lijden. Als vurig jongeling leed ik veel, ik zag hoe verlokkend het leven was, maar tevens hoe vluchtig en ijdel. Toen wierp ik langzamerhand alles van mij en ik dompelde mij al dieper en dieper in de kalme wateren der bespiegeling. Zóó ben ik oud geworden en mijn lichaam zwak, maar de hechte zuil van den onverstoorbaren vrede staat onwankelbaar in mijne ziel. Op de onzekere zee meent gij Atheners mij uit te drijven en zelven op het veilige vaste land[231]achter te blijven. Inderdaad echter ben ik het, die van het kalme strand u rond zie dobberen op de woeste en opgestuwde baren des levens! U, mijn vriend, is een ander lot dan mij ten deel gevallen. Gij hebt het schoone, het geluk, het genot, den roem nagejaagd. Gij hebt u verbonden aan eene schoone vrouw, die uwe zinnen heeft bevangen, eene vrouw, schoon genoeg om u zalig te maken. Zalig prijs ik u daarom, maar zal ik u ook gelukkig noemen? Zalig is de genietende, maar gelukkig alleen hij, die niets verliezen kan en dien het leven niet kan teleurstellen, omdat hij er niets van begeert.”„Den stervelingen is het door ’t lot beschoren,” hernam Pericles, „verschillende wegen te betreden. Ik heb veel nagejaagd, veel bereikt, maar eerst het laatste oogenblik sluit de rekening af en alleen de dood maakt de balans op van het leven. Ik heb mij gehecht aan eene schoone vrouw, zooals gij zegt. Een nieuw bond heb ik met haar gesloten, dat voert tot een schoon, vrij en edel genot des levens. Wij vereenigden ons om iets nieuws te beproeven, maar hoe de proef zal uitvallen is nog voor mij verborgen. Menige stoornis heeft zich reeds doen gevoelen, somwijlen valt er een bittere droppel in de vreugdekelk en eene zekere onrust bekruipt niet zelden mijn gemoed. Heb ik misschien te veel op de schoonheid, het leven en het geluk vertrouwd met hunne schitterende beloften? Hoe het ook zijn moge, de teerling des levens is geworpen en mijn lot zal ik mannelijk dragen!”—Zóó stortten Pericles en Anaxagoras in den stillen nacht, onder ’t klotsen der zee, bij ’t afscheid nemen, het diepste en innigste van hun gemoed voor elkander uit.Toen herdachten zij hunne vierentwintigjarige hartelijke vriendschap en omarmden en kusten elkander.Anaxagoras zag nog eenmaal naar de in schaduw gehulde stad en sprak:[232]„Vaarwel, gij stad van Pallas Athene! vaarwel, Attische grond, die mij zoo lang gastvrijheid hebt verleend! Gij hebt mijne zaadkorrels eene plaats gegund. Uit hetgeen sterfelijke handen zaaien, ontkiemt het goede zoowel als het kwade; doch alleen het goede blijft onsterfelijk. Kalm en met mijn besten zegen neem ik van u afscheid en bestijg het ranke vaartuig; ik vertrouw mij als grijsaard aan diezelfde golven weder, die mij als jong en krachtig man naar uw strand hebben gevoerd!”—Na deze woorden gesproken te hebben, beklom de wijze van Clazomenae het vaartuig.Nog eenmaal wuifde hij Pericles met de hand toe, toen klonken riemslagen—zacht ruischten de golven—en het schip gleed stil en snel over den grauwen waterspiegel naar de opene, in nevelen gehulde zee.Eenige zeevogels in de spleten der rotsen werden opgeschrikt uit hun slaap, klepten even met hunne vlerken en sluimerden weder in.Pericles stond op het eenzame strand en staarde het snel wegvarende schip langen tijd na.Toen ging hij in diepe gepeinzen verzonken terug naar de stad en eene huivering voer hem door de leden bij de koelte van den aanbrekenden morgen.Op de Agora gekomen, zag hij dat er reeds, trots den vroegen morgen, eene groote menigte volks zich om de zoogenaamde koninklijke zuilengalerij verdrong.De menigte staarde met verbazing op een geschrift, dat eene afkondiging van den Archon inhield. ’t Was het afschrift eener akte van beschuldiging.Zij luidde als volgt:„Aanklacht, onderteekend en ingediend, onder eede bekrachtigd door Hermippus, de zoon van Lysides, tegen Aspasia, de dochter van Axiochus uit Milete: Aspasia is schuldig aan de misdaad de Goden des lands niet te erkennen, oneerbiedig gesproken te hebben over de heilige gebruiken der Atheners, zich aan te sluiten bij de meeningen en[233]stellingen der godloochenende wijsgeeren. Voorts is zij schuldig aan de misdaad door gevaarlijke leeringen de jeugd te verleiden en te bederven en zoowel jonge meisjes, die zij in haar huis houdt als vrijgeboren vrouwen, die zij bij zich ontvangt, tot ontucht en prijsgeving van zich zelven aan te zetten. Eisch: de dood.”Luid klonken deze woorden over de markt, toen Pericles juist voorbijging, zonder opgemerkt te worden door het volk, dat naar de koninklijke zuilengalerij gekeerd was. Hij verbleekte——„Sapperloot!” riep iemand uit de menigte. „Dat valt in Pericles’ huwelijksgeluk als de bliksemstraal in een duivennest!”„En Hermippus de aanklager!” riep een tweede. „Hermippus, de blijspeldichter!”„Dat was te verwachten,” hernam een derde. „Ik heb het immers zelf uit den mond van Hermippus gehoord, nadat Pericles, door Aspasia opgestookt, de comedie gekortwiekt had: „Heel goed!” zei hij, „als men ons op het tooneel den mond snoert, zullen wij hem op de Agora openen.”—Zelden waren door eene aanklacht de gemoederen der Atheners in zulk eene mate opgewekt geworden, zelden de strijd der partijen zoo fel ontbrand, als door de aanklacht tegen Pericles’ gade, en met niet minder ongeduld zag men den dag te gemoet, waarop de klacht voor de Heliasten2openlijk zou behandeld worden.Op dienzelfden tijd kwam Phidias van Olympia naar Athene terug, en Diopithes was niet weinig verbitterd, toen hij den gehaten man telkens op de Acropolis heen en weder zag gaan, zich met Mnesicles en Callicrates onderhouden en door zijn raad de werken der Propylaeën krachtig bevorderen.Op zekeren dag merkte Diopithes, achter de zuilen van het Erechtheüm staande, Phidias op, in gezelschap van zijn geliefdsten leerling Agoracritus.[234]De beide mannen wandelden in druk gesprek een tijdlang tusschen het Parthenon en het Erechtheüm op en neder, vervolgens kwamen zij aan een blok marmer, niet ver van Diopithes, dien zij niet opmerkten, gelegen, en zetten zich daarop neder om rustig hun gesprek te vervolgen. Het viel denErechtheüs-priesterniet moeilijk hun geheele gesprek af te luisteren.„Zonderlinge wegen,” zeide Agoracritus, „begint de beeldhouwkunst der Atheners in te slaan; vreemde dingen vind ik, na menigen zwerftocht Athene weder bezoekend, ten toon gesteld in de werkplaatsen van mijn jongere kunstbroeders. Waar is de oude verhevenheid en waardigheid gebleven? Hebt gij den slaaf, die de ingewanden der offerdieren roostert, gezien, door Styppax bewerkt? Wij besteedden onze beste krachten aan de beelden der Goden en Heroën; en nu wordt met al de zorgvuldigheid der kunst een ellendige slaaf afgebeeld, die, ingewanden roosterend, met bolle wangen het vuur aanblaast. De jonge Strongylion beproeft zijne kunst aan het ruwe werk om hetTrojaanschepaard in metaal te gieten. Van Demetrius zag ik een oud man met een dikken buik en een kalen schedel, opgezwollen aderen en een baard, waarvan enkele vlokken als door den wind bewogen uit de massa fladderen.”„De beeldhouwers zouden zoo iets niet maken,” hernam Phidias, „als het den Atheners niet beviel. Wie zou kunnen loochenen, dat helaas! verbastering in het hart en de aderen van het Atheensche volk binnensluipt. Evenals in de beeldhouwkunst het leelijke zich naast het schoone begint te plaatsen, zoo wordt immers ook op de Pnyx, naast de donderende, Olympische welsprekendheid van den edelen Pericles, het woest getier van een Cleon vernomen. En vroeger hadden wij één Hipponicus en één Pyrilampes, thans hebben wij er honderden.”„Weelderigheid en genotzucht krijgen de overhand,” zeide Agoracritus. „En wie heeft haar het eerst openlijk gepredikt, de boodschap van weelderigheid[235]en genotzucht? Sedert de vriendin van Pericles eens mijn, en ik durf schier zeggen, ook uw werk den prijs ontzeide ten gunste van den overmoedigen Alcamenes, sedert dien dag is de gramschap tegen de machtige vrouw niet uit mijne ziel verdwenen. Toen zij boosaardig mijne Aphrodite tot eene Nemesis verklaarde, vloog de gedachte door mijn hoofd: Ja, zij zal u eene Nemesis worden, mijne Aphrodite. Gij zult haar ondervinden, de macht der wrekende Godin! En inderdaad met langzamen, maar zekeren tred nadert zij, de wraak!”—„Billijk en rechtvaardig zullen de Goden richten!” hernam Phidias ernstig. „En als zij de overmoedige dartelheid der Milesische breidelen, zullen zij ook de geheime listen van dien Diopithes straffen, tot wiens bondgenoot uwe wraakgierigheid u gemaakt heeft. Wat wij ook in Pericles’ gade mogen berispen of wraken, vergeet niet, dat zonder haar moedig en betooverend woord de tinnen van ons Parthenon hier niet voltooid zouden prijken en dat wij geen feller tegenstander bij dit werk gehad hebben, dan den sluwenErechtheüs-priester!”„Gij werpt u alzoo op tot vriend en beschermer van de Milesische?” vroeg Agoracritus.„Dat niet!” hernam Phidias. „Ik houd evenmin van Aspasia als van denErechtheüs-priester, en ik ruim het veld voor beiden, daar ik spoedig weder denk terug te keeren naar het mij lief geworden Olympia. Ik heb ondervonden, dat de Eleërs dankbaarder zijn dan de Atheners. Ik heb, dunkt mij, thans genoeg voor Athene gedaan. Het overige mijner dagen wil ik aan het groote Hellas wijden. Ik laat Athene over aan zijne Aspasia’s, zijne volksleiders, zijne brassers en aan zijne sluwe, nietswaardige, wraakgierigeErechtheüs-priesters!”„Gij had gelijk,” zei Agoracritus, „dat gij Athene den rug hebt toegekeerd; de Atheners zouden misschien zelfs uwe kunst hebben ontwijd en bedorven; naar hun laatsten smaak hadt gij wellicht[236]Priapussen moeten beitelen, in plaats van Olympische Goden.”„Of de wanstaltige gedaante van dien bedelaar, die op deze reine hoogte zich koestert, als een uit de onderaardsche poelen ontsnapte molik!” sprak Phidias en wees op den welbekenden, kreupelen Meno, die juist tusschen de zuilen in de zon lag.De bedelaar had de woorden van Phidias gehoord; hij grijnsde, balde de vuist en wierp hem eene verwensching naar het hoofd.Phidias stond met Agoracritus op, en eene schrede verder in de richting van het Erechtheüm gaande, zag hij Diopithes achter de zuilen staan.„Kijk eens, hoe waakzaam de uilen van het Erechtheüm zijn!” zeide Phidias.Een donkere blik van diepen haat wierp de beschaamde luistervink op den beeldhouwer.„Scherpe snavels en scherpe klauwen hebben ze, de uilen van het Erechtheüm!” riep hij. „Pas op, dat zij u niet onverwachts de oogen uitkrabben!”Zoo sprak Diopithes. De beeldhouwer echter herhaalde ook thans weder het woord van Homerus:„Pallas Athene gedoogt geen vrees in mij!”„Welaan!” mompelde Diopithes voor zich heen, toen de beide mannen zich reeds verwijderd hadden. „Bouw maar op de bescherming van uwe Pallas, ik bouw op de macht der mijnen! Lang genoeg voorbereid is hij, de beslissende kamp tusschen uw gouden en ivoren maaksel en het echte, oude Godsbeeld daar binnen in de heilige plaats van het Erechtheüm!”Hij wilde zich juist verwijderen, toen de dolle Meno met zijne kruk, nog altijd in zich zelven Phidias met smaadwoorden verwenschend, tegen eene der gladde, schitterende zuilen sloeg, zoodat een splinter er afvloog.Diopithes dit ziende naderde Meno; de blikken van den woesten bedelaar en van denErechtheüs-priesterontmoetten elkander.Zij kenden elkander.[237]Meno was eens, zooals reeds verhaald is, met de overige slaven van zijn heer, die aangeklaagd was, gefolterd geworden. Niet anders dan met de pijnbank werden Helleensche voor het gerecht ondervraagd. Zóó derhalve had Meno getuigenis afgelegd en op grond daarvan was de Athener vrijgesproken. Doch de slaaf Meno had van dit pijnlijk verhoor eene verminking der ledematen overgehouden. Hij was kreupel geworden. Uit medelijden had zijn heer hem in vrijheid gesteld en hem, bij zijn dood, eene aanzienlijke som vermaakt. De half krankzinnige Meno echter wierp het ontvangen geld in het Barathon3en verkoos als bedelaar werkeloos onder de Atheners rond te dolen. Hij leefde deels van de spijzen, die men op de graven der dooden legde. Wanneer het ’s winters vroor, warmde hij zijne jichtige leden bij de vuren der smidsen of aan de ovens der openbare baden. Een lievelingsoord van hem was een afschuwelijke plek in Milete, waar men de lichamen der ter dood gebrachten en de stroppen en kleederen der zelfmoordenaars wierp. Hij verzamelde de stroppen zorgvuldig en telde ze dagelijks. Een hond, die schurftig geworden was en daarom door zijn meester weggejaagd, was naar hem toegeloopen en sedert onafscheidelijk van hem. Meno was van een kwaadaardig, sluw karakter en zijn hoogste genoegen scheen hij er in te stellen, zoo hij twist en tweedracht kon zaaien of eenig kwaad onder het volk te weeg brengen. Hij scheen door een heimelijk gevoel van wraak bezield en in alles scheen zijn toeleg om de slavernij op de vrije onderdrukkers te wreken. Opzettelijk deed de verminkte bedelaar zich krankzinniger voor dan hij inderdaad was, om ongestraft den Atheners de hardste waarheden naar het hoofd te kunnen slingeren en in ’t algemeen alles te mogen doen, wat men een mensch met gezonde zinnen niet zou toestaan. Hij was steeds op de Agora of elders op openbare plaatsen te zien;[238]ook op de Acropolis was hij tehuis geraakt, waar hij onder de schare van werklieden rondliep. Want overal vond hij zich op zijne plaats waar drukte van menschen was en waar hij zijne duivelsche rol kon spelen.Bovenal echter was ’t hem op de Acropolis bevallen, van het oogenblik af, dat hij bemerkte hoe deErechtheüs-priesterDiopithes en de bouwmeester Callicrates elkander met verbittering bestreden. Hij scheen zich tot taak te hebben gesteld de tempeldienaars van denErechtheüs-priesteren de werklieden van Callicrates tegen elkander in ’t harnas te jagen. Hij liet zich ook gewillig als tusschenpersoon of als spion gebruiken. Hij diende beide partijen, en beiden haatte hij evenzeer, zooals hij allen haatte, die vrijgeborenen en Atheners waren.Diopithes zelf sprak somwijlen met hem en erkende weldra de bruikbaarheid van dit werktuig. De man was immers altijd onder het volk, hij bespiedde en beluisterde alles. Niemand meende iets voor den onnoozele te behoeven te verbergen, en de scherpheid zijner tong maakte hem even zeer gezocht als gevreesd bij het Atheensche volk.Meno en Diopithes kenden derhalve elkander en zij verstonden elkander zeer goed. Lang onderdrukte wrok en wraakzucht maakten den lammen bedelaar en den priester tot bondgenooten.„Gij zijt boos op Phidias?” begon Diopithes.„Moge de helhond met zijn honderd koppen hem vernielen!—Trotsche kerel! Joeg mij altijd de deur uit, als hij merkte, dat ik mij warmde aan het vuur der smeltovens in zijne werkplaats—mijne wanstaltigheid beviel hem niet.—Gij zijt een gedrocht, Meno, zei hij, een monster—hij wilde alleen Olympische Goden en Godinnen om zich heen zien—ha, ha, ha.—Dat de bliksem hem treffe, hem en alle Atheners te zamen!”—„Gij waard dus nog al dikwijls in zijne werkplaats?”—„Hij zag mij niet altijd—ik hem wel—Meno weet in hoekjes en gaatjes te kruipen—zag hem zijn[239]ijdel, blinkend handwerk verrichten—zag hem roekeloos omgaan, hem en de zijnen, met het witte marmer en het metaal en het ivoor en het blinkend goud.”—„Zaagt gij hem roekeloos omgaan met het goud?”—Bij dit woord begonnen de oogen van denErechtheüs-priesterzeldzaam te flikkeren en een grijnslach plooide zijne lippen.„Zaagt gij hem met het goud spelen, Meno?” herhaalde hij, terwijl een onheilspellend vuur uit zijne loensche oogen straalde; „met het blinkend goud, dat de stad der Atheners hem in zijne werkplaats verschaft heeft, om daaruit en uit ivoor de Godenbeelden op de Acropolis te maken?”—„Ja zeker, zeker—met het blinkend goud der Atheners—ik zag hem grabbelen in gansche schatten van goud en ivoor—dat blonk en glom.”„Zou al dat blinkende goud wel in den smeltkroes gekomen zijn, Meno? Zou niet misschien toevallig iets aan de vingers zijn blijven kleven van hen, die daarmede omgingen?”—Bij deze laaghartige vraag zag de bedelaar den priester grijnzend aan. Een daemonische glans lag op zijn gelaat.„Ha, ha, ha,” lachte hij—„Meno weet te loeren, te bespieden—zag hem werken, ook als hij meende niet opgemerkt te worden—zag hem heimelijk kasten openen, waar het verborgen goud fonkelde,—ha, ha, ha,—het gele goud—het goud der Atheners—oogen zette hij dan op als een griffioen, die een schat bewaakt,—tastte er in als met klauwen—zóó.—Het schuim kwam hem op den mond, toen hij mij ontdekte—joeg mij de deur uit—wilde niet, dat ik mij warmde—Wacht maar, ellendeling—zie mij maar aan met uw bliksemend oog, oude, grauwe griffioen.”—En wederom hief de bedelaar dreigend de kruk op tegen het Parthenon, als wilde hij het uit wraak tegen den meester in puin slaan.Na eene kleine pauze naderde de priester hem[240]nog dichter en fluisterde hem in ’t oor:„Hoor eens, Meno, wat gij daar gezegd hebt, zoudt gij dat ook op de Agora durven zeggen ten aanhoore van alle Atheners?”„Ten aanhoore van alle Atheners—ten aanhoore van alle twintigduizend lompe honden van Atheners dat de pest ze hale!”—Sinds dit onderhoud verspreidde zich door geheel Athene het praatje van harde, trotsche, beleedigende woorden, die Phidias zou gesproken hebben tegen zijne kunstbroeders en tegen het geheele Atheensche volk. Er werd verteld, dat hij op de volksheerschappij gesmaald, dat hij zijn vaderland veracht en de Eleërs geprezen had, dat hij gezworen had Athene den rug toe te keeren en voortaan alleen aan andere Hellenen zijne diensten te zullen wijden. Tevens werd er gemompeld van goud, hem van staatswege geleverd, en dat niet geheel en al in de smeltkroezen zijner werkplaats gekomen was …Als onkruid schoten deze praatjes op onder het volk tot eene giftige plant van verbittering en vijandschap tegen den edelen, rustig werkenden meester van het Parthenon.De dag was gekomen, waarop de zaak van Aspasia voor de Heliasten, onder voorzitterschap van den Archon Basileus, in een der gerechtshoven van de Agora zou behandeld worden.Van den vroegen morgen af drong het volk om het gerechtshof.Rustig en kalm was op dien dag onder alle Atheners alleen Aspasia zelve. Zij stond op een bovenvertrek van haar huis en zag door eene soort van venster op straat naar de menigte, die naar de Agora trok.Zij was een weinig bleek, doch niet van angst; want om hare lippen zweefde een verachtelijke glimlach.Pericles trad tot haar.Hij was bleeker dan Aspasia en een diepen ernst lag op zijne trekken. Stilzwijgend sloeg hij een[241]blik naar den somberen hemel boven zich. De lucht was betrokken. Zwermen van kraanvogels vlogen van den Noordelijken Strymon4naar Attica en hun gekras scheen een voorbode van regen te zijn.Nu trad een lange trein van meest bedaagde mannen over de straat. Het was de afdeeling der Heliasten, aan wie de zaak van Aspasia ter beslissing was opgedragen. Het waren de rechters, voor wie de gade van Pericles zich moest verantwoorden en door wie haar vonnis zou worden uitgesproken.„Kijk, daar zijn die oude jongens!” zei Aspasia glimlachend, op de Heliasten wijzend. „De helft van hen draagt afgesleten mantels, heeft een hongerig voorkomen en steunt in het loopen op dien langen, mij onverdragelijken Atheenschen stok, dien Phidias zelfs in het fries op de Acropolis aan ’t oog der schoonheidkenners heeft vertoond. Er zijn er onder, die knoflook kauwen en de smerige obolen, die zij als rechtersloon voor dezen dag zooeven ontvangen hebben, tusschen de lippen houden.”—„’t Zijn mannen uit het volk,” zei Pericles en haalde de schouders op. „’t Zijn mannen uit het Atheensche volk, ’t geen u eens zoo goed beviel, dat gij ter liefde daarvoor, naar gij mij verhaald hebt, het Perzische hof en uw schoon Milete hebt verlaten, en door sterke begeerte gedreven over de zee herwaarts zijt gekomen, om het op te zoeken en er onder te leven.”—Aspasia sprak niet één enkel woord.„Dit knoflook kauwend, lange stokken dragend, obolen in den mond nemend Atheensche volk,” vervolgde Pericles, „is juist hetzelfde, welks schoone gestalte en ongedwongen houding uwe bewondering wekte, welks vaderlandsliefde u trof, welks kunstliefde u niet alleen in de scheppende beeldhouwers en dichters onvergelijkelijk voorkwam, maar insgelijks in zijne geestdrift, in zijn[242]fijnen smaak om te zien, te hooren en te genieten.”„Nu echter weet ik,” hernam Aspasia, „dat het veelgeprezen, fijne Attische volk nog sporen van ruwheid, ik mag wel zeggen, van barbaarschheid, in zich bevat.”„Er is niets volmaakts onder de zon!” sprak Pericles, „een groot licht gaat altijd met groote schaduw gepaard. Ik herinner mij onlangs in de werkplaats van een onzer beeldhouwers een zonderling beeld gezien te hebben: ’t was eene gestalte met vleugels aan de schouders en bokspooten. Dit wangedrocht schijnt mij het Atheensche volk. Het heeft aanleg voor de hoogste vlucht, maar het loopt nog op bokspooten. Overigens moet gij bedenken, dat het Atheensche volk zijne groote deugden zelf alleen bezit, terwijl het zijne zwakheden met anderen deelt. En evenals de schoonste vrouw toch altijd vrouw blijft, zoo is het voortreffelijkste volk nog altijd een volk, aangedaan met de zwakheden en hartstochten van hetgeen men juist het volk, de massa, den grooten hoop pleegt te noemen.”„Meer dan andere,” riep Aspasia opstuivend, „is het Atheensche volk ondankbaar, wispelturig, naar iederen wind draaiend, lichtzinnig.”„Maar het is beminnelijk!” zei Pericles op een toon van fijne ironie, „genotlievend en vroolijk en een vurig vriend en vereerder van het schoone.—Wat wilt gij nog meer, Aspasia?—Hebt gij zelve niet dikwijls genoeg den armen suffer Socrates uitgelachen en bespot, omdat hij van het Atheensche volk nog andere deugden scheen te verlangen, dan die, welke ik u zooeven opnoemde?”Aspasia wendde trotsch het hoofd af, alsof zij beleedigd was.„’t Is tijd,” zei Pericles na eene pauze, „om te gaan en ons naar ’t gerechtshof op de Agora te begeven, waar de rechters u wachten.—Zijt gij in het geheel niet bevreesd, Aspasia? Uwe trekken verraden niet de minste bekommering. Wilt gij mij alleen de bange zorgen overlaten?”[243]„Ik vrees,” hernam Aspasia, „veel meer de nare lucht van het knoflook in die vertrekken, dan het vonnis, dat uit den mond dier mannen mij treffen kan. Nog voel ik mij door denzelfden moed bezield, die mij vervulde onder het gepeupel van Megara en in het volksgedrang in de straten van Eleusis.”Terwijl dit gesprek tusschen hen beiden werd gevoerd, waren de Heliasten in het gerechtshof op de Agora aangekomen; ook de Archon Basileus was met eenige ondergeschikte ambtenaren, openbare schrijvers, verschenen, benevens de opgeroepen getuigen van den aanklager en de aangeklaagden.Vóór het gerechtshof echter woelde de schare des volks levendig dooreen. Bont door elkander gonsden daar de stemmen; meeningen, wenschen, voorspellingen werden gewisseld. Men kon tegenstanders en aanhangers der beklaagden, ook onpartijdigen, hooren.„Weet gij waarom zij Anaxagoras en Aspasia aangeklaagd hebben?” riep er een. „Omdat zij Pericles gevoelig willen treffen, maar zich aan hem zelven niet durven wagen. Want er is geen sterveling in Athene, die Pericles zelven openlijk zou durven aantasten.”„Maar zou men het daarom niet kunnen?”schreeuwdeeen verschrompeld mannetje, met gluipende oogen, nader bij komend. „Zou men het niet kunnen? Zou men van Pericles, na een bestuur van zoovele jaren, geen betere en nauwkeuriger rekening en verantwoording kunnen verlangen, dan hij tot nu toe gedaan heeft? Komen in zijne rekeningen geen posten voor met de eenvoudige verklaring: doelmatig aangewend? Wat moet dat beteekenen, bid ik u, doelmatig aangewend? Zeg? Kan men het volk onbeschaamder zand in de oogen strooien? Hoort toch eens: doelmatig aangewend!”Zoo riep de man en vervolgde zijn weg door de menigte en vroeg overal, wat het toch beteekenen moest „doelmatig aangewend.”„Dat zijn sommen,” merkte iemand op met een[244]geheimzinnig gezicht, „die Pericles aanwendt, om invloedrijke mannen in de Peloponnesus den mond te stoppen opdat zij geen booze plannen zouden smeden tegen Athene.”„Opdat zij hem niet zouden dwarsboomen in de herstelling der tyrannie5te Athene!” viel het levendige mannetje met de loensche oogen schamper lachend in. „Want wanneer gij u verbeeldt, dat de geleerde Pericles, zoo dikwijls hij met zijne vrienden fluistert, alleen de lengte van vlooienpooten en de breedte van muggenbeten met hen berekent, dan dwaalt gij! Hij bazelt reeds lang over de eenheid van geheel Hellas—hij zou, om het kortweg bij zijn naam te noemen, vol gaarne tyran van het geheele Helleensche land worden. Zijne vrouw, de Milesische, heeft hem dit in ’t hoofd gezet, en dit denkbeeld vindt hoe langer zoo meer ingang bij hem en zal hem tot razernij brengen. Naar niets minder dan naar eene koningskroon verlangt deze hetaere—zij zou zoo gaarne koningin heeten—koningin van geheel Hellas—de lauweren harer landgenoote drijven haar den slaap uit de oogen.”Zoo zaaide de vijand der tyrannie, met zijne scherpe tong, twist en tweedracht.In het gerechtshof echter op de Agora zaten reeds de rechters op hunne houten banken, afwachtende de dingen, die komen zouden. De Archon Basileus bekleedde het voorzitterschap, terwijl schrijvers en dienaren hem omringden.De gerechtsplaats was afgezet; eene getraliede deur verschafte alleen toegang aan hen, die de Archon Basileus opriep.Aan de buitenzijde der omheining verdrong zich het volk, om aan te hooren, wat gesproken zou worden.Tegenover de banken der rechters was voor de beklaagden, zoowel als voor den aanklager, eene eenigszins verheven stellage opgericht, waardoor zij in de verte gezien en op een afstand gehoord konden worden.[245]Op eene dier hoogere plaatsen zat Hermippus, een man van een onaangenaam somber uiterlijk, wiens doorborend oog onrustig ronddwaalde.Op de andere plaats zat Aspasia, naast haar Pericles. Want als vrouw, maar vooral als vreemdelinge, moest zij zich voor het gerecht door een man, een burger des vaderlands, laten vertegenwoordigen.Het was een schouwspel, dat het hart van velen bewoog en roerde, de schoonste en meest gevierde vrouw van haar tijd, de vrouw van den grooten Pericles, op de bank der beschuldigden te zien.Dat Pericles naast haar zat, haar mede-aangeklaagde als het ware, verhoogde nog het ernstige en treffende van het tooneel.Met een zekeren trots zetten de rechters en een deel des volks de borst op, daar zij zagen, dat ook de machtigsten zich voor hun rechterstoel moesten stellen en zich onderwerpen aan de almachtige wetten van den staat.Boosaardige blikken wierp Hermippus op de schoone vrouw, over wier gelaat eene zachte bleekheid lag, die de uitdrukking van ongebogen fierheid, welke uit hare trekken straalde, nauwelijks vermocht te temperen.Thans opende de Archon Basileus de vergadering. Hij nam den aanklager den eed af, dat hij alleen ter liefde der waarheid en der rechtvaardigheid de aanklacht had ingediend. De rechters zelven hadden reeds bij de aanvaarding van hun ambt den eed van rechtvaardigheid en stipte nauwgezetheid afgelegd.Nu liet de Archon door een der staatsschrijvers eerst de aanklacht, daarna het tegen de akte van beschuldiging ingediende tegenschrift voorlezen.Vervolgens verzocht hij den klager zijne aanklacht mondeling en uitvoerig toe te lichten.Hermippus stond op. Zijne rede vloeide over van sarkasme. Men zou meenen eene comedie aan te hooren. Hij besprak met scherpe, snijdende woorden de feiten, waarop, naar zijne meening, de aanklacht[246]tegen Aspasia berustte: hoe zij te Eleusis ten aanhoore van het geheele volk oneerbiedig gesproken had over de Eleusinische Godinnen en over de heilige gebruiken des lands; hoe zij omgang had gehouden met de Sophisten, met Anaxagoras en Socrates, boven alles echter met dien welsprekendsten godloochenaar Protagoras, die zich een geruimen tijd te Athene had opgehouden, doch thans weder zijne dwaalleer predikend en de jeugd bedervend, in andere Helleensche stedenrondzwierf: hoe zij verder haar geheele streven daarop gericht had, om de Atheensche vrouwen tot verzet tegen de instellingen des lands op te ruien, hoe zij eens bij gelegenheid van het Thesmophoriën-feest voor alle Atheensche vrouwen was opgetreden, om met haar eene samenzwering te maken tot vernietiging van die eerwaardige wetten, waardoor de echt en het familieleven der Atheners geheiligd waren; hoe zij verder vrijgeboren Atheensche vrouwen in haar huis had gelokt, om haar tot een ontuchtig leven en de lichtzinnige levensopvatting der hetaeren te verleiden; hoe zij eindelijk zelfs zoover was gegaan, dat zij een aantal meisjes in huis had opgenomen, klaarblijkelijk met geen ander doel, dan om ze tot onzedelijkheid op te kweeken en ze met aanzienlijke Atheensche mannen te verbinden.Als getuige voerde Hermippus velen dergenen aan, die te Eleusis de openlijk uitgesproken woorden van Aspasia mede hadden aangehoord; van sommigen echter liet hij de schriftelijke verklaringen door den openbaren schrijver voorgelezen. De aansporing der vrouwen tot eene samenzwering tegen de wetten van den staat liet hij door de vrouwen getuigen, die aan dat Thesmophoriën-feest hadden deelgenomen. De poging om vrijgeboren vrouwen tot ontucht te verleiden liet hij door de voorgelezen verklaring van Xenophon’s gade bevestigen, wie dit getuigenis was afgeperst door Telesippe en de zuster van Cimon. Wat de jonge meisjes in Aspasia’s huis betrof, beriep hij zich op de algemeene bekendheid[247]dezer zaak onder de Atheners, en hij verzuimde niet op den voorgrond te plaatsen, hoe juist wegens de meisjes de Atheensche staat in den laatsten tijd in gevaarlijke verwikkelingen geraakt was met Megara en met de bondgenooten van deze vijandig gezinde, naburige Dorische stad.Zijne slotsom was, dat Aspasia in drie opzichten gezondigd had: tegen het oude geloof en den godsdienst des lands, tegen den staat en de eerwaardigheid zijner wetten, tegen de goede tucht en de zedelijkheid. Hij liet door den schrijver een aantal wetten voorlezen en toonde aan, dat naar Atheensch recht, al die handelingen strafwaardig waren en dat op de meeste de dood gesteld was; dat Aspasia’s hoofd en leven derhalve, daar zij van die misdaden voldingend overtuigd was geworden, aan de wet vervallen was. Hij bezwoer bij gevolg de rechters in hartstochtelijke opgewondenheid en met verheffing van stem, toch het heiligste wat een staat bezat, ter harte te nemen, den overmoed der vreemdelinge, die het omverwerpen van de oudvaderlijke inzettingen beoogde, te tuchtigen en den tot dusverre door de Goden geliefden en door de Goden gezegenden staat der Atheners niet te laten te gronde gaan in de school van teugelloosheid, van wetsverachting en van godloochening.De vurige redevoering van Hermippus maakte een diepen indruk op de rechters, die meest op gevorderden leeftijd en uit de laagste klasse des volks afkomstig waren. Ook uit de menigte, die buiten de afsluiting in ademlooze stilte de rede van Hermippus had gevolgd, verhief zich een gemompel:„Hermippus heeft fraai gesproken—zijne bewijzen waren scherp en afdoende—hij heeft de wetten op zijne hand—het hoofd der Milesische moet vallen.”Nadat Hermippus geëindigd had en weder op zijne plaats was gaan zitten, verhief zich Pericles.Oogenblikkelijk heerschte weder de diepste stilte en ieder oor luisterde in gespannen aandacht naar[248]den eersten klank uit den mond van Aspasia’s gemaal.Pericles’ geheele wezen scheen veranderd. Zijn uiterlijk was niet, zooals hij voor het volk op de Pnyx verscheen, wanneer hij het redenaarsgestoelte besteeg en in waardige rust, zeker van den uitslag, zijne meeningen uitsprak. Voor de eerste maal scheen de kalmte gedwongen, die hij uiterlijk ook nu ten toon spreidde, en eene lichte trilling klonk in zijne stem, toen hij begon te spreken.Hij ontkende de schuld van Aspasia. Het eene punt van beschuldiging na het andere behandelende, trachtte hij aan te toonen, dat het alleen aan de hatelijke overdrijving gelukt was Aspasia’s gedrag den schijn eener misdaad te geven, waarop de doodstraf stond. En waar hij niet loochenen kon, dat de letter der Atheensche wet tegen Aspasia sprak, beriep hij zich op hare daden en edele bedoelingen, en zocht te bewijzen, dat een edel streven nooit misdadig kan zijn.Doch er was ditmaal iets weifelends in de redevoering van den gevierden spreker, die den bijnaam van den Olympiër voerde. Men kon duidelijk bemerken, dat zijne woorden slechts een geringen indruk op zijne hoorders teweegbrachten. Was zijne inwendige ontroering te groot, zoodat zij zijne scherpzinnigheid verstompte?—Ten laatste echter deed Pericles, zooals Hermippus gedaan had. Hij liet op zijne bewijsvoering eene aanspraak aan de rechters volgen, die uit het hart voortkwam en tot het hart sprak.Hij zeide:„Deze vrouw hier is mijne gade. En wanneer zij schuldig is aan de misdaden, dan ben ik ook schuldig. Hermippus klaagt ons aan, omdat wij de waardigheid der Goden hebben gehoond, het gezag van den staat gekrenkt, de tucht en de goede zeden hebben geschonden. Mannen van Athene! als ik mij mag beroemen op iets van hetgeen gij op mijne aansporing hebt gedaan, dan heb ik het aanzien der Goden van ons land niet verkleind,[249]maar veeleer hen verheerlijkt, als iemand vóór mij, door prachtige tempels en schitterende beelden op de Acropolis en te Eleusis. Ik heb den staat niet gekrenkt, integendeel voor hem gestreden in bloedige slagen; ik heb de macht der oligarchen gebroken en aan het volk de vrijheid gegeven. Ik heb de tucht en de goede zeden niet verslapt, maar ze versterkt en veredeld, terwijl ik de beoefening en bevordering van het goede en het schoone onder u heb zoeken te verbreiden, en daardoor het gemeene en ruwe tegen te gaan. En in die pogingen, mannen van Athene, heeft mij deze vrouw, Aspasia van Milete, niet belemmerd, maar ondersteund en aangespoord. Datgene, wat het volk en de stad der Atheners misschien voor alle volgende tijden zal verheerlijken, is voor een niet gering deel, hare verdienste. Niet met het verval van dezen staat, maar met zijn edelsten bloei, macht en heerlijkheid zal de herinnering van haar naam voor altijd verbonden zijn.—Dit zijn feiten, gij mannen van Athene, en wij beiden gelooven ons verdienstelijk gemaakt te hebben omtrent het volk en de stad der Atheners. Gindsche Hermippus echter komt en roept u toe: „Scheurt de uitverkorene, de geliefde wettige vrouw van Pericles van zijn hart en sleept haar voor zijne oogen ter dood!”Bij deze woorden parelde een traan in het oog van Pericles.Een traan in het oog van den rustigen, waardigen Pericles! Een traan in het oog van den Olympiër! Die traan had een, naar de gewone wetten der natuur onverklaarbare uitwerking. Hij werkte verbijsterend als een wonder, als een meteoor, als een door de Goden gezonden teeken uit den hemel.Zij, die met eigen oogen hadden gezien, hoe de traan een oogenblik blonk in het manlijk oog van Pericles, doch spoedig werd weggepinkt, zagen elkander met veelbeteekenende blikken aan.Zij fluisterden elkander toe:Pericles heeft geweend![250]Uit de gerechtszaal verspreidden zich over de Agora de woorden:Pericles heeft geweend!Van de Agora liep het in korten tijd door de geheele stad Athene:Pericles heeft geweend!Tegelijkertijd kwam te Athene het bericht van een zeeslag bij Sybota, waarin Atheensche schepen den Corcyraeërs6tegen de Corinthiërs met schitterenden uitslag ter hulp waren gekomen. Maar men luisterde slechts ten halve naar het bericht—men sprak over niets, dan over den traan van Pericles.Aan de rede van Hermippus voor de Heliasten was eene grens gesteld door den zandlooper, aan de rede van Pericles maakte de opwellende traan een einde.Een dienaar naderde op den wenk van den Archon en verdeelde de stemsteentjes onder de rechters. Aan ieder reikte hij ten aanschouwe van allen een witten en een zwarten steen, een die vrijsprak en een die veroordeelde.Toen verlieten de Heliasten hunne zetels, traden een voor een naar eene koperen vaas en wierpen een stemsteentje daarin, het witte of het zwarte. Den steen, dien zij over hadden, wierpen zij in een anderen, houten bak.De eerste stemming der Heliasten gold het schuldig of onschuldig; de tweede gold, in geval van schuldigverklaring, de straf, die tegen den aangeklaagde geëischt werd.Nu waren de steenen van alle Heliasten in de stembus. Zorgvuldig werden de witte en de zwarte onmiddellijk geteld onder de oogen van den Archon.Met onbeschrijfelijke spanning waren aller oogen op de uit de urn rollende witte en de zwarte steenen gevestigd. En zie! De heldere loten, die ten[251]leven beslisten, namen in groote getale toe en zegevierend overtroffen zij de donkere loten des doods.—De vrouw van Pericles was vrijgesproken. In de weegschaal van Themis was de traan van den held met beslissende zwaarte gevallen.Uit den mond van den Archon klonk het gewijsde en als op vleugelen gedragen verspreidde die mare zich over de gansche Agora.Aspasia stond op. Een lichte blos kleurde haar gelaat. Haar blik zweefde een oogenblik met helderen glans over de eerwaardige hoofden der Heliasten. Toen reikte zij stilzwijgend hare hand aan Pericles. Deze voerde haar weg. Een sluier bedekte haar gelaat, terwijl zij door de menigte gingen.Op de Agora begroetten en vergezelden Pericles de door duizenden monden aangeheven vreugdekreten der Atheners.In alle straten, die Pericles op zijn terugweg met zijne gesluierde gade doorging, verdrong zich het volk en de verschillendste uitroepen werden gehoord of gefluisterd, al naar mate ieders gezindheid, bij het zien van Aspasia. Een uitroep echter had den boventoon, die telkens en overal werd herhaald:„Wat een schoone vrouw is nog altijd Aspasia!”Deze uitroep verkreeg ten laatste de overhand over alle andere, en alleen de waanzinnige Meno riep de schoone Milesische, toen zij hem voorbij ging, een scheldwoord na.Plotseling stond Socrates, uit de menigte te voorschijn tredend, naast Pericles en Aspasia.„Ik wensch u geluk, Aspasia!” sprak hij, terwijl hij zich bij hen aansloot. „Welke uren van kwelling en angst waren die laatste voor uwe vrienden!”„Waar waart gij,” vroeg Aspasia, „toen de uitslag werd bekend gemaakt?”„Altijd midden onder het volk,” hernam Socrates.„En wat hoordet gij onder het volk in al dien tijd?” vroeg Aspasia weder.[252]„Vele en verschillende zaken,” antwoordde Socrates: „ten laatste echter bleven er alleen twee gezegden over, die van mond tot mond gingen.”„En welke waren die?”„Pericles heeft geweend!” en: „Wat eene schoone vrouw is nog altijd Aspasia!”„Zonderlinge samenloop van zaken!” vervolgde Socrates op zijne wonderlijke wijze sprekende. „De schoonste vrouw is Aspasia, en de gelukkige echtgenoot der schoonste vrouw heeft geweend!—Draag zorg, Aspasia, dat dit de laatste traan van Pericles moge blijven! want alleen de eerste traan van den man is verheven, de tweede is belachelijk. Alleen de eerste grijpt aan en schokt—de tweede is zonder eenige uitwerking. Pericles mag nooit meer weenen! Hoort gij dat, Aspasia? Pericles mag nooit meer weenen!”„Ben ik het dan soms, die tranen aan Pericles’ oog tracht af te persen?” vroeg Aspasia, innerlijk beleedigd.„Ik beweer alleen, dat Pericles nooit meer weenen mag,” hernam Socrates en verdween onder de menigte.Aspasia was verstoord. Hoe? Het vijandig gezinde volk der Atheners had haar heden vrijgesproken en uit de schare der verzoende vijanden trad een vriend te voorschijn, om haar scherpe, onheilspellende woorden toe te voegen!—„Gij kent den zonderling!” zei Pericles. „Oefen geduld met hem! Gij weet, hij meent het goed met ons.”—Aspasia echter bleef toornig. En de gedachte, reeds lang in hare borst gekoesterd, den zonderling te straffen voor de altijd vaardige, altijd onbeschroomde vrijmoedigheid zijner tong, ontwaakte opnieuw in de fiere vrouw, terwijl zij in het bewustzijn harer zegepraal aan de zijde van haar echtgenoot daarheen ging.—Twee mannen volgden op eenigen afstand het paar met loerende blikken; een hoonende grijnslach speelde om hunne lippen, terwijl zij met elkander[253]fluisterden.Het warenDiopithesen de oligarch Thucydides.„Het wijf is ons ontsnapt!” zei de oligarch met somberen blik.„Des te erger voor haar!” hernam de priester. „Gij kent het volk. Ware zij veroordeeld geworden, men zou haar beklagen om Pericles’ wille en medelijden hebben met Pericles; doch nu zij er vrij is afgekomen, zal men spoedig zeggen, dat de rechters toch te zacht hebben geoordeeld, en dat de macht van Pericles te gevaarlijker wordt wanneer men uit liefde voor hem de schuldigen vrijspreekt!”„Verheug u voor heden in uwe zegepraal!” hernam Diopithes, uit de verte de vuist achter Aspasia’s gemaal ballend: „De pijlen, die gij van het hoofd uwer vrouw hebt afgewend, zullen des te gewisser uw eigen hoofd treffen!”

Het viel Pericles niet moeilijk aan Aspasia’s wensch gehoor te geven en de beide haar ontroofde meisjes van de Megarensers terug te eischen. Want toen ter tijde was om velerlei redenen het wachtwoord te Athene: Megara moet getuchtigd worden.

De Megarensers echter antwoordden, dat zij Drosis en Prasina, die voorloopig als gijzelaars aan de bewaking van een aanzienlijk burger waren toe vertrouwd, onmiddellijk zouden uitleveren, zoodra Simaetha, die door de Atheensche jongelingen geschaakt was, werd teruggegeven. Tegen dit laatste echter kantte zich Simaetha met alle kracht aan, waarbij zij eene trouwe hulp in Aspasia vond. Het meisje uit Megara was de lieveling van Aspasia geworden.

De Megarensers waren te Athene even gehaat, als de Atheners te Megara. Pericles had meer dan één reden om een volksbesluit door te drijven, dat den Megarensers het bezoeken der Atheensche havens en van de markt te Athene verbood, zoolang zij niet alleen die meisjes hadden uitgeleverd, maar ook in eenige andere aangelegenheden de verlangde voldoening zouden hebben gegeven.

Gevoelig trof deze uitsluiting van de Atheensche[219]markt de Megarensers, en niet lang, meende men, zouden zij in hunne weigering volharden.

Daar het echter te vreezen stond, dat de Megarensers zich heimelijk tot de Spartanen zouden wenden om hunne krachtige bemiddeling in te roepen, en daar bovendien door tamelijk ernstige geschillen met Corinthe en door den afval der Attische kolonie Potidaeä1eene zekere onrust zich van de Atheners had meester gemaakt, grepen de vijanden van Pericles en Aspasia de gelegenheid aan, het volk tegen hen op te ruien. Door den overmoed der vreemde vrouw, zeiden zij, en door de onbeperkte losbandigheid harer vrienden werd nu zelfs de openlijke vrede van Hellas bedreigd, en ter wille van twee geschaakte hetaeren had Pericles het volksbesluit tegen de Megarensers, als eene brandende fakkel, onder de Hellenen geworpen.

Groote en geliefde staatsmannen plegen instellingen ten gunste des volks niet altijd te bestrijden, omdat zij weten, dat het volk toch ten laatste in een soort van blind vertrouwen hunne leiding zal volgen, en dat het gevaarlijke dier instellingen door de macht van hun persoonlijken invloed, ten minste zoolang als zij zelven aan het roer staan, vernietigd wordt. Maar de bezorgden vragen, wat geschieden zal, als zulke mannen soms door den dood werden weggeroepen en niet meer de teugels van den staat in hunne vaste hand klemden. Van den anderen kant zien de volksvrienden, die voor de handhaving der volksheerschappij bezorgd zijn, juist in die gedweeë overeenstemming van den algemeenen wil met den wil en de inzichten van één enkel uitstekend man, het grootste gevaar voor de vrijheid. Zoo kwam het, dat de alvermogende Pericles toch in ’t geheim de voorstanders der onbeperkte volksheerschappij evenzeer als de partij der oligarchen tegen zich had.[220]

De leerlooier Cleon, de schapenkoopman Lysicles en de worsthandelaar Pamphilus waren van meening, dat de wijsheid van één enkele in den staat gevaarlijker was dan de dwaasheid der menigte, en zij vernieuwden tegenover hunne medeburgers, zoo dikwijls zij konden, de waarschuwingen tegen den „nieuwen Pisistratus.”

Lieden van den slag van dien leerlooier Cleon, dien schapenkoopman Lysiclesendien worsthandelaar Pamphilus waagden het reeds somwijlen in de volksvergadering met onstuimig getier de waardigheid van Pericles aan te randen.

Niet onverschillig beschouwde Pericles demoeilijkheden, die menige daad van Aspasia en de brooddronkenheid van Alcibiades hem op den hals haalden. Aspasia echter was door haar geheele karakter onaantastbaar. De storm kan wel een eik ontwortelen, maar geen bloem knakken. Den jongen Alcibiades echter verweet Pericles in ernstige bewoordingen zijne teugelloosheid, die, voor een deel althans, de bewuste onaangename verwikkelingen met Megara veroorzaakt had. Hij vermaande hem de voetstappen zijner voorvaderen te drukken, zich verdienstelijk te maken jegens het vaderland en naar roemrijke daden te streven.

„Dat wil ik!” hernam de jonge Alcibiades half ernstig half schertsend. „Wie echter dan gij, o Pericles, is de schuld, dat ik geen gelegenheid vind, om mij door roemrijke daden te onderscheiden? Hoe lang nog moeten wij werkeloos in dezen vervelenden vrede suffen? Geef mij eene vloot, dan zal ik u Carthago en Sicilië veroveren! Maar zelfs de weinige, armzalige triëren weigert gij mij, die ik noodig had, om de lieftallige meisjes Drosis en Prasina uit de gevangenschap in het ellendige Megara te bevrijden. Mij blijft niets overig, wanneer ik mij jegens het vaderland verdienstelijk wil maken, dan eens naar Sparta te gaan en de vrouw van den Spartaanschen koning te verleiden, ten einde het Dorische bloed te vervalschen met het Ionische, ten gunste der Atheners! O zeker, Pericles, het ontbreekt[221]mij niet aan begeerte naar dappere daden.”

„Onstuimige begeerte naar roemvolle daden, zonder waardigheid en ernstig overleg,” sprak Pericles, „zal nimmer nut stichten, maar slechts verderfelijke gevolgen na zich sleepen. Uwe voortreffelijke eigenschappen, waarde Alcibiades, zijn geen blijde hoop, maar een gevaar voor het vaderland, zoolang zij met ondeugden als de uwe gepaard gaan.”

„Is ’t dan eene ondeugd,” riep Alcibiades, „het genoegen na te jagen? en is niet de jeugd de beste tijd om te genieten?”

„Gij vergist u!” antwoordde Pericles ernstig; „de jeugd is niet de tijd van het genot zelf, zij is de tijd om zich met lichaam en ziel op waarachtig genot voor te bereiden. Zij is de tijd om de vatbaarheid voor genot te ontwikkelen, niet ze te verstompen. Gij meent te genieten, jonge zoon van Clinias! Maar uw genot van alle vreugdebekers is niet veel meer, dan jongensachtige overmoed, gedachteloos spel!”—

„Slechts één leven geven ons de Goden om te genieten!” zeide Alcibiades.

„Juist daarom!” hernam Pericles, „moeten wij er op bedacht zijn, het niet te verspillen, maar het te behouden!”

Zoo onderhield zich Pericles ernstig vermanend met den jongeling.

Deze echter ging van Pericles naar zijnevriendinTheodota en herhaalde glimlachend de woorden van Pericles, terwijl hij er bijvoegde:

„Nu zie ik, dat mijn oude vriend, mijn geliefde Socrates, inderdaad wijzer is dan Pericles en dan al die andere wijze mannen te Athene. Want deze Socrates alleen heeft het reeds lang volkomen begrepen, dat bij den zoon van Clinias dergelijke vermaningen dwaas en vergeefsch zijn!”—

Een geruime tijd was verstreken, sinds Pericles en Aspasia van hunne Elische reis naar Athene teruggekeerd waren en deErechtheüs-priesterDiopithes met de vijanden van het edele paar eene samenzwering had gesmeed.

Doch niet ongebruikt was deze tijd van Diopithes[222]voorbijgegaan. Reeds te voren waren de wapenen voor den eersten aanval geslepen. Diopithes had van Pericles’ afwezigheid uit Athene gebruik gemaakt, om in de volksvergadering een wetsvoorstel in te dienen tegen hen, die den godsdienst van het Attische land verloochenden, en tegen de wijsgeeren, wier leer in tegenspraak was met het van de vaderen geërfde geloof. Met de plechtigheid van een Godsgezant was deErechtheüs-priestervoor de menigte opgetreden, en zoo hartstochtelijk bezield was zijne rede geweest, zoo doorspekt met bedreigingen en onheilspellende orakelspreuken, dat het hem inderdaad gelukte de beslissende meerderheid van stemmen op de Pnyx voor zijne wet te winnen.

Sedert dien dag hing het zwaard van Damocles boven het hoofd van den grijzen Anaxagoras. Op hem was het eerst de pijl van Diopithes gericht; doch zijne bedoelingen gingen nog verder. In het geheim wierf hij bondgenooten en helpers en sloot zich bij alle vijanden van Pericles aan.

De bitterheid in zijne ziel vond iederen dag nieuw voedsel. Want voor zijne oogen bewoog zich nog altijd die gehate Callicrates onder de werkende en woelende arbeidersschare op de hoogte van de Acropolis, het prachtig werk der Propylaeën onder de leiding van den voortreffelijken Mnesicles met gelijken ijver bevorderend, als vroeger den feesttempel van Pallas. Een gruwel was Callicrates den priester, een gruwel waren hem zijne helpers, die over dag aan het gehate werk arbeidden en des nachts bij gansche groepen op steenen of hoopen zand zich ter ruste vlijden; een gruwel was hem ook dat dier, die oude muilezel, welken, zooals reeds verhaald is, de gedwongen rust zijns ouderdoms niet behaagde, maar uit oude gewoonte op de Acropolis rondliep, en wien de gunst ten deel was gevallen, dat de schade, die hij door zijn grazen en snuffelen aan vreemd eigendom mocht veroorzaken, van staatswege zou worden vergoed.[223]

Kleine oorzaken, zegt het spreekwoord, sleepen dikwijls groote gevolgen na zich.

Overmoedig geworden door de openlijke gunst, die het volk der Atheners hem bewees, ging de muilezel van Callicrates voort op de Acropolis rond te loopen, zonder eenigen schroom omtrent zijn gedrag, waardoor hij reeds lang de verbittering van Diopithes tot het uiterste had gedreven. Zonder eenigen eerbied vergreep hij zich aan de heiligdommen van het Erechtheüm. Hij scheen niets zoo smakelijk te vinden, als de kruiden, die op het tempelgebied groeiden. Hij had geen ontzag voor de giftige blikken, die Diopithes op hem wierp, ja hij gaf nauwelijks om de nijdige stompen en slagen, waarmede de tempeldienaars hem trachtten te verdrijven. Hij besnuffelde voor en na de offerkoeken, die door vrome lieden op het altaar van Zeus voor het Erechtheüm werden neergelegd. Beklaagde Diopithes zich over dat vergrijp bij Callicrates, dan haalde deze de schouders op en beriep zich op de wettelijke voorrechten van het dier en op de bereidwilligheid der openbare schatmeesters, om de aangerichte schade te vergoeden. Daar de priester met al zijne klachten niet verder kwam, had hij reeds sinds lang het onbeschaamde beest vreeselijke wraak gezworen.

Het dier echter liep blindelings in zijn verderf en deed de maat zijner ongerechtigheid overloopen, door op zekeren dag de toevallig open en onbewaakte deur van het heiligdom vanErechtheüsen Athene Polias binnen te sluipen; de ontstelde tempeldienaars vonden hem met zijn onheiligen snuit aan een frisschen krans snuffelend, waarmede men het overoude, houten beeld van de Godin op den morgen van dien dag getooid had.

Den volgenden morgen lokte Diopithes den muilezel van Callicrates heimelijk tot zich en wierp hem een koek voor.

Des avonds van dien zelfden dag vond men het dier dood liggen op de trappen van het Parthenon.

Een der werklieden van Callicrates had uit de verte[224]gezien, dat deErechtheüs-priesterhet muildier spijs had voorgeworpen, en nu waren allen overtuigd, dat het beest als een offer van Diopithes’ wraak was gevallen.

Eenigen zwoeren hem daarvoor te zullen straffen, verzamelden zich voor het Erechtheüm en overlaadden den priester met luide smaadreden. Ware niet Mnesicles te rechter tijd verschenen, dan zou Diopithes het er slecht afgebracht hebben onder de handen der werklieden van Callicrates.

Thans was de beker van toorn vol in den boezem van denErechtheüs-priester. Hij kon zich niet langer bedwingen om zijne gramschap lucht te geven en de hand te leggen aan het groote, lang beraamde plan der wraak.

’t Was een stormachtige nacht, een nacht, waarin de hemel bewolkt was en donkere wolken voorbij de maan joegen. Toen kwamen in de eenzame Eumenidengrot op den Areopagus drie mannen tot een heimelijk onderhoud te zamen.

Diopithes was een dier mannen en hij was het ook, die de beide anderen tot een gesprek daarheen had genoodigd. Want zijne omgang met de eedgenooten op de Acropolis liep te zeer in ’t oog van den waakzamen Callicrates.

De tweede der mannen, welke in de Eumenidengrot kwam, was de oligarch Thucydides, die door Pericles was ten val gebracht. Hij en Diopithes traden het eerst de grot binnen. Nu kwam ook de derde der mannen, half vermomd, niet ongelijk aan een dief in den nacht, met schier onhoorbare schreden aansluipen.

Met eene zekere nieuwsgierigheid vestigde de oligarch zijne blikken op hem. Diopithes toch had hem zijn naam niet genoemd. Maar toen nu de nieuwaangekomene tegenover de beide andere mannen in de eenzame grot stond en zijn gelaat door het licht der maan, dat juist door de wolken brak, zichtbaar werd, deinsde de oligarch met teekenen van afkeer een eind terug. Om zijne lippen speelde een grijnslach van ontevredenheid en minachting.[225]

Hij had de grove trekken van den leerlooier Cleon herkend, den hem en de geheele oligarchische partij doodelijk gehaten volksredenaar, wiens ruwe onstuimigheid en bulderende taal op de Pnyx de volksheerschappij, doorHeraclesin ’t leven geroepen, maar ook door zijn wijs beleid beteugeld, onmatig trachtte uit te breiden.

Met verbazing en wrevel wendde de oligarch zich tot Diopithes.

„Met welk een man,” zeide hij, „brengt gij mij nu te zamen?”

Doch ook Cleon beet verwonderd en met een spottenden lach denErechtheüs-priestertoe.

„Een prachtigen bondgenoot biedt gij, Diopithes, den volksman Cleon aan!”

„Ik heb u niet hier genoodigd,” sprak deErechtheüs-priester, „om den twist der oligarchie en der democratie te beslechten. Ik heb u geroepen tot een gemeenschappelijken strijd tegen een gemeenschappelijken vijand.”

„Zal ik dan vijanden bestrijden,” zei de oligarch, „ten bate van een man, die nog erger is dan zij?”

„Zal ik dan tegenstanders verwinnen,” hernam Cleon, „met behulp van dengene onder hen, die mij meer gehaat is dan zij allen?”

Op deze wijze gaven de beide mannen hunne gewaarwordingen te kennen op ’t eerste oogenblik der ontmoeting.

Maar nadat zij op zachter toon een uur lang zich onderhouden hadden, waarbij grootendeels de sluweErechtheüs-priesterhet woord had gevoerd, zou ’t spiedend oog, als het in dien stillen nacht op den Ares-heuvel die zelfde mannen de grot had zien uittreden, opgemerkt hebben, dat zij, ofschoon vluchtig en zonder hartelijkheid, elkander toch de hand gaven.

Diopithes bemoeide zich schijnbaar niet met staatszaken. Hij stond met den woesten volksmenner Cleon op even goeden voet als met den oligarch Thucydides. Hij streed, naar hij beweerde,[226]alleen voor de eer der Goden des lands en hunne heiligdommen. Om hem in dezen strijd te ondersteunen zag noch de volksleider noch de oligarch eenig bezwaar, wanneer zij daarvoor, naar zij beiden geloofden, een niet te verachten bondgenoot tot het bereiken hunner eigen plannen wonnen. Inderdaad echter waren beiden slechts werktuigen in de hand van den veel sluweren priester, wiens eenig doel was, zijne persoonlijke vijanden, vooreerst Anaxagoras, Phidias en Aspasia, in het verderf te storten.

Om dit te bereiken moest hij gevaarlijke aanklachten tegen hen indienen. Tot dit doel had hij eene wet, uitsluitend tegen hen gericht, persoonlijk doorgedreven. Opdat zij echter veroordeeld zouden worden, moest hij het volk op zijne hand hebben. Hij moest invloed zoeken te winnen op de stemmen der menigte. Daarvoor had hij helpers en bondgenooten noodig.

Vandaar, dat hij overal vriendschapsbetrekkingen aanknoopte, vandaar zijn heimelijke omgang met personen van de meest verschillende soort. Zijn eerste, als ’t ware voorbereidende aanval, zou Anaxagoras gelden; voorts zou een hoofdaanslag, die ook Pericles moest treffen, tegen Aspasia gericht worden. Ten laatste zou het zwaarste, het schijnbaar onmogelijke beproefd, en alle krachten vereenigd worden om Pericles te doen vallen, Pericles, den bij het meerendeel van het Atheensche volk zoo geliefden man.

Hij spoorde allen op, die te Athene tegen Aspasia vijandig werden gevonden en schaarde ze in ’t geheim om zich heen. Hij leidde en bestuurde ’t geheel als een goed geordend leger en gebruikte ieder afzonderlijk als een strijder of bode in een bepaalden kring.

Hij stond door de hem verwante priesteres van Athene Polias in betrekking tot de vrouwenwereld, tot Telesippe en de zuster van Cimon. Hij knoopte betrekkingen aan met den somberen Agoracritus. Hij maakte zich tot een bondgenoot van Cratinus,[227]een Hermippus en andere blijspeldichters, die dubbel op Aspasia gebeten waren, sedert Pericles, door hare klachten gedreven, eindelijk besloten had de teugelloosheid der comedie te beperken. Zijne relaties strekten zich zelfs uit tot den dollen Meno, den gewezen slaaf, den in de geheele stad bekenden en bij de heffe des volks geliefden zonderling, die gewillig zijne hulp tot alle kuiperijen bood en gaarne op zich nam, om door boosaardige en sarcastische gezegden, ruwe scherts en lompe uitvallen het volk in de straten op te hitsen tegen de wijsgeeren en tegen de gade van Pericles.

Nauwelijks was een maand verstreken sedert de samenkomst dier drie mannen op den Ares-heuvel, of de grootste helft van ’t Atheensche volk was met eene vijandige gezindheid bezield tegen Aspasia en tegen de beide vrienden van Pericles.

Wat Anaxagoras betrof, men was het hierover eens, dat hij een godloochenaar was.

Er was schier niemand, die zich niet de eene of andere oneerbiedige uitdrukking herinnerde, die hij op de Agora, in het Lyceüm of op eene andere openbare plaats uit den mond van den wijsgeer had vernomen. Waarop men vroeger ternauwernood had gelet, ja zelfs wat men deels met ingenomenheid had gehoord, vond de wispelturigheid des volks nu eensklaps gevaarlijk, nadat de stemming geheel was veranderd en, door den met Diopithes heimelijk verbonden Cleon, de haat tegen de wijsgeeren onder de heffe des volks was verbreid.

Op een laten avond, toen de straten van Athene reeds ledig waren geworden, liep een man met haastigen en zachten tred, met blijkbaren angst dat hij bemerkt zou worden rond zich ziende, onder de bescherming der duisternis, daar de hemel met zwarte wolken bedekt was, uit de Tripodenstraat in de richting van den Illissus.

Hij was niet vergezeld van een slaaf met eene fakkel zooals gewoonlijk een nachtelijke wandelaar bij zich had. Toen de man den Illissus bereikt had, ging hij dien over en vervolgde zijn[228]weg tot aan de Itonische poort, waar slechts weinige en onaanzienlijke huizen stonden.

Aan een dier onaanzienlijke woningen klopte hij. De deur werd geopend en hij sprak fluisterend eenige woorden tot den slaaf, die hem binnen gelaten had.

Daarop voerde deze hem in het slaapvertrek van een grijsaard. De kamer zag er armoedig uit en op een armzalig leger rustte de grijsaard.

Die grijsaard was Anaxagoras en die late, nachtelijke bezoeker was Pericles.

Eenigszins verwonderd zag de oude man zijn vriend aan, dien hij sedert geruimen tijd niet gezien had en door wien hij zich schier vergeten waande.

„Niet met eene blijdeboodschap,” zeide Pericles, „kom ik u in uw nachtelijke rust storen; maar dat ik het ben, die u de boodschap breng, moge u een troostrijk voorteeken zijn. En niet als bode alleen, maar ook als raadsman en helper ben ik tot u gekomen.”

„Schoon ’t ook slechte tijdingen mochten zijn,” hernam de grijsaard, „die Pericles tot zijn ouden vriend Anaxagoras voeren, zouden ze er mij te minder onaangenaam door treffen. Spreek eenvoudig en zonder terughouding, wat u op het hart ligt.”—

„De eerzuchtige Cleon, naar ik weet, door denErechtheüs-priesterheimelijk opgestookt, heeft heden eene aanklacht tegen u wegens godloochening bij den Archon Basileus ingediend.”—

„Op godloochening,” hervatte Anaxagoras rustig, „staat, als ik mij goed herinner, de doodstraf, volgens de wet van Diopithes. Eene zachte straf voor een oud man!”

„Wanneer een grijs, eerwaardig hoofd bedreigd wordt,” zeide Pericles, „wekt het grooter medelijden op, dan een jeugdig. Inmiddels, voor de veiligheid van uw hoofd zou ik met het mijne instaan. Ik zelf zou voor uwe rechters optreden als uw pleitbezorger en voor uw hoofd, als het noodig mocht zijn, het mijne aanbieden. Wat ik echter niet[229]in staat ben te verhinderen, is, dat men u in den kerker zal brengen, tot uwe zaak beslist is—en lang kan die snoode, meedoogelooze gevangenschap duren.”

„Laat men mij gevangen zetten,” hernam Anaxagoras. „Wat baat het mij de voeten vrij te hebben, als mijn woord het niet meer is?”

„Dat zal voorbijgaan!” antwoordde Pericles. „Ook aan uw woord zal de vrijheid weder gegeven worden, en eene prooi der knabbelende muizen zal de wet worden, die de sluweErechtheüs-priesterbij het opgewonden volk heeft doorgedreven, toen ik verre van Athene was en mijn woord niet ter beslissing in de schaal kon werpen. Buk voor het oogenblik echter voor den drang der omstandigheden. Sta op en bind de zolen onder uwe voeten. Verlaat onverwijld en heimelijk voor een tijdlang Athene. Alle voorbereidselen voor uwe vlucht zijn genomen. Beneden in de eenzame baai van Phaleron ligt een vaartuig gereed om u te voeren waarheen gij wilt. Met mijn vriend Cephalus heb ik alles voor u bezorgd en in orde gemaakt, en hij zelf zal u vergezellen op uwe vlucht, totdat gij eene gewenschte wijkplaats hebt bereikt. Zwaar valt het mij in den nacht tot de legerstede van een zwakken grijsaard te komen en tot hem te zeggen: „Maak u op en ga!” Doch ik moet het doen. In de diepe duisternis van dezen nacht nog breng ik u zelf naar de baai van Phaleron, waar Cephalus u wacht.”

„Ik heb geen gegronde reden om te gaan,” zeide Anaxagoras, „maar nog minder om te blijven; want ik ben oud en alle wegen der wereld voeren naar de laatste rust van den Hades. En wanneer de man in Phaleron met het vaartuig mij wacht, waarom zou ik hem dan te vergeefs laten wachten? Breng mij naar de Mysische kust, naar Lampsacus. Daar wonen mij bevriende mannen. Daar mogen zij mij begraven en het woord waarheid op mijn graf beitelen. De kleinzonen der Atheners mogen het lezen, als zij Lampsacus bezoeken, en zien, dat men aan het strand van den Hellespont, niet[230]verre van het gebied der Barbaren, der waarheid en een stervenden grijsaard, die haar predikte, een plaatsje heeft gegund. Roep mijn ouden slaaf, Pericles, om mij de sandalen aan de voeten te binden, en de weinige boekrollen tot een bundeltje samen te voegen en mij naar de zee en verder, als hij wil, te vergezellen.”

De grijsaard stond met behulp van Pericles op van zijne legerstede, liet zich door zijn slaaf de sandalen onder de voeten binden, wierp de chiton om en in eenige oogenblikken was hij gereed voor de reis.

Toen gingen de beide mannen, met de slaaf achter zich, onder bescherming van den donkeren nacht, door de Itonische poort en langs den langen muur over den eenzamen weg naar de baai van Phaleron.

Spoedig hadden zij de baai bereikt en vonden Cephalus op eene door rotsen omsloten plaats, waar de zee zacht als in een droom tegen het strand murmelde. Alleen met een handdruk begroetten de mannen elkander.

Anaxagoras stond op ’t punt van Pericles afscheid te nemen en het vaartuig te bestijgen. En terwijl zij elkander de hand reikten zag Pericles met een blik van diepe deernis op den grijsaard neder, die in het eenzame uur van den nacht uitgedreven werd naar den vreemde over de onstuimige baren.

„Waarom beklaagt gij mij?” zeide de grijsaard. „Mij treft in de wereld niets onvoorbereid. Ik heb in mijn langen levensloop, ’t een na ’t ander, alles in mij gedood, wat vatbaar was voor lijden. Als vurig jongeling leed ik veel, ik zag hoe verlokkend het leven was, maar tevens hoe vluchtig en ijdel. Toen wierp ik langzamerhand alles van mij en ik dompelde mij al dieper en dieper in de kalme wateren der bespiegeling. Zóó ben ik oud geworden en mijn lichaam zwak, maar de hechte zuil van den onverstoorbaren vrede staat onwankelbaar in mijne ziel. Op de onzekere zee meent gij Atheners mij uit te drijven en zelven op het veilige vaste land[231]achter te blijven. Inderdaad echter ben ik het, die van het kalme strand u rond zie dobberen op de woeste en opgestuwde baren des levens! U, mijn vriend, is een ander lot dan mij ten deel gevallen. Gij hebt het schoone, het geluk, het genot, den roem nagejaagd. Gij hebt u verbonden aan eene schoone vrouw, die uwe zinnen heeft bevangen, eene vrouw, schoon genoeg om u zalig te maken. Zalig prijs ik u daarom, maar zal ik u ook gelukkig noemen? Zalig is de genietende, maar gelukkig alleen hij, die niets verliezen kan en dien het leven niet kan teleurstellen, omdat hij er niets van begeert.”

„Den stervelingen is het door ’t lot beschoren,” hernam Pericles, „verschillende wegen te betreden. Ik heb veel nagejaagd, veel bereikt, maar eerst het laatste oogenblik sluit de rekening af en alleen de dood maakt de balans op van het leven. Ik heb mij gehecht aan eene schoone vrouw, zooals gij zegt. Een nieuw bond heb ik met haar gesloten, dat voert tot een schoon, vrij en edel genot des levens. Wij vereenigden ons om iets nieuws te beproeven, maar hoe de proef zal uitvallen is nog voor mij verborgen. Menige stoornis heeft zich reeds doen gevoelen, somwijlen valt er een bittere droppel in de vreugdekelk en eene zekere onrust bekruipt niet zelden mijn gemoed. Heb ik misschien te veel op de schoonheid, het leven en het geluk vertrouwd met hunne schitterende beloften? Hoe het ook zijn moge, de teerling des levens is geworpen en mijn lot zal ik mannelijk dragen!”—

Zóó stortten Pericles en Anaxagoras in den stillen nacht, onder ’t klotsen der zee, bij ’t afscheid nemen, het diepste en innigste van hun gemoed voor elkander uit.

Toen herdachten zij hunne vierentwintigjarige hartelijke vriendschap en omarmden en kusten elkander.

Anaxagoras zag nog eenmaal naar de in schaduw gehulde stad en sprak:[232]

„Vaarwel, gij stad van Pallas Athene! vaarwel, Attische grond, die mij zoo lang gastvrijheid hebt verleend! Gij hebt mijne zaadkorrels eene plaats gegund. Uit hetgeen sterfelijke handen zaaien, ontkiemt het goede zoowel als het kwade; doch alleen het goede blijft onsterfelijk. Kalm en met mijn besten zegen neem ik van u afscheid en bestijg het ranke vaartuig; ik vertrouw mij als grijsaard aan diezelfde golven weder, die mij als jong en krachtig man naar uw strand hebben gevoerd!”—

Na deze woorden gesproken te hebben, beklom de wijze van Clazomenae het vaartuig.

Nog eenmaal wuifde hij Pericles met de hand toe, toen klonken riemslagen—zacht ruischten de golven—en het schip gleed stil en snel over den grauwen waterspiegel naar de opene, in nevelen gehulde zee.

Eenige zeevogels in de spleten der rotsen werden opgeschrikt uit hun slaap, klepten even met hunne vlerken en sluimerden weder in.

Pericles stond op het eenzame strand en staarde het snel wegvarende schip langen tijd na.

Toen ging hij in diepe gepeinzen verzonken terug naar de stad en eene huivering voer hem door de leden bij de koelte van den aanbrekenden morgen.

Op de Agora gekomen, zag hij dat er reeds, trots den vroegen morgen, eene groote menigte volks zich om de zoogenaamde koninklijke zuilengalerij verdrong.

De menigte staarde met verbazing op een geschrift, dat eene afkondiging van den Archon inhield. ’t Was het afschrift eener akte van beschuldiging.

Zij luidde als volgt:

„Aanklacht, onderteekend en ingediend, onder eede bekrachtigd door Hermippus, de zoon van Lysides, tegen Aspasia, de dochter van Axiochus uit Milete: Aspasia is schuldig aan de misdaad de Goden des lands niet te erkennen, oneerbiedig gesproken te hebben over de heilige gebruiken der Atheners, zich aan te sluiten bij de meeningen en[233]stellingen der godloochenende wijsgeeren. Voorts is zij schuldig aan de misdaad door gevaarlijke leeringen de jeugd te verleiden en te bederven en zoowel jonge meisjes, die zij in haar huis houdt als vrijgeboren vrouwen, die zij bij zich ontvangt, tot ontucht en prijsgeving van zich zelven aan te zetten. Eisch: de dood.”

Luid klonken deze woorden over de markt, toen Pericles juist voorbijging, zonder opgemerkt te worden door het volk, dat naar de koninklijke zuilengalerij gekeerd was. Hij verbleekte——

„Sapperloot!” riep iemand uit de menigte. „Dat valt in Pericles’ huwelijksgeluk als de bliksemstraal in een duivennest!”

„En Hermippus de aanklager!” riep een tweede. „Hermippus, de blijspeldichter!”

„Dat was te verwachten,” hernam een derde. „Ik heb het immers zelf uit den mond van Hermippus gehoord, nadat Pericles, door Aspasia opgestookt, de comedie gekortwiekt had: „Heel goed!” zei hij, „als men ons op het tooneel den mond snoert, zullen wij hem op de Agora openen.”—

Zelden waren door eene aanklacht de gemoederen der Atheners in zulk eene mate opgewekt geworden, zelden de strijd der partijen zoo fel ontbrand, als door de aanklacht tegen Pericles’ gade, en met niet minder ongeduld zag men den dag te gemoet, waarop de klacht voor de Heliasten2openlijk zou behandeld worden.

Op dienzelfden tijd kwam Phidias van Olympia naar Athene terug, en Diopithes was niet weinig verbitterd, toen hij den gehaten man telkens op de Acropolis heen en weder zag gaan, zich met Mnesicles en Callicrates onderhouden en door zijn raad de werken der Propylaeën krachtig bevorderen.

Op zekeren dag merkte Diopithes, achter de zuilen van het Erechtheüm staande, Phidias op, in gezelschap van zijn geliefdsten leerling Agoracritus.[234]De beide mannen wandelden in druk gesprek een tijdlang tusschen het Parthenon en het Erechtheüm op en neder, vervolgens kwamen zij aan een blok marmer, niet ver van Diopithes, dien zij niet opmerkten, gelegen, en zetten zich daarop neder om rustig hun gesprek te vervolgen. Het viel denErechtheüs-priesterniet moeilijk hun geheele gesprek af te luisteren.

„Zonderlinge wegen,” zeide Agoracritus, „begint de beeldhouwkunst der Atheners in te slaan; vreemde dingen vind ik, na menigen zwerftocht Athene weder bezoekend, ten toon gesteld in de werkplaatsen van mijn jongere kunstbroeders. Waar is de oude verhevenheid en waardigheid gebleven? Hebt gij den slaaf, die de ingewanden der offerdieren roostert, gezien, door Styppax bewerkt? Wij besteedden onze beste krachten aan de beelden der Goden en Heroën; en nu wordt met al de zorgvuldigheid der kunst een ellendige slaaf afgebeeld, die, ingewanden roosterend, met bolle wangen het vuur aanblaast. De jonge Strongylion beproeft zijne kunst aan het ruwe werk om hetTrojaanschepaard in metaal te gieten. Van Demetrius zag ik een oud man met een dikken buik en een kalen schedel, opgezwollen aderen en een baard, waarvan enkele vlokken als door den wind bewogen uit de massa fladderen.”

„De beeldhouwers zouden zoo iets niet maken,” hernam Phidias, „als het den Atheners niet beviel. Wie zou kunnen loochenen, dat helaas! verbastering in het hart en de aderen van het Atheensche volk binnensluipt. Evenals in de beeldhouwkunst het leelijke zich naast het schoone begint te plaatsen, zoo wordt immers ook op de Pnyx, naast de donderende, Olympische welsprekendheid van den edelen Pericles, het woest getier van een Cleon vernomen. En vroeger hadden wij één Hipponicus en één Pyrilampes, thans hebben wij er honderden.”

„Weelderigheid en genotzucht krijgen de overhand,” zeide Agoracritus. „En wie heeft haar het eerst openlijk gepredikt, de boodschap van weelderigheid[235]en genotzucht? Sedert de vriendin van Pericles eens mijn, en ik durf schier zeggen, ook uw werk den prijs ontzeide ten gunste van den overmoedigen Alcamenes, sedert dien dag is de gramschap tegen de machtige vrouw niet uit mijne ziel verdwenen. Toen zij boosaardig mijne Aphrodite tot eene Nemesis verklaarde, vloog de gedachte door mijn hoofd: Ja, zij zal u eene Nemesis worden, mijne Aphrodite. Gij zult haar ondervinden, de macht der wrekende Godin! En inderdaad met langzamen, maar zekeren tred nadert zij, de wraak!”—

„Billijk en rechtvaardig zullen de Goden richten!” hernam Phidias ernstig. „En als zij de overmoedige dartelheid der Milesische breidelen, zullen zij ook de geheime listen van dien Diopithes straffen, tot wiens bondgenoot uwe wraakgierigheid u gemaakt heeft. Wat wij ook in Pericles’ gade mogen berispen of wraken, vergeet niet, dat zonder haar moedig en betooverend woord de tinnen van ons Parthenon hier niet voltooid zouden prijken en dat wij geen feller tegenstander bij dit werk gehad hebben, dan den sluwenErechtheüs-priester!”

„Gij werpt u alzoo op tot vriend en beschermer van de Milesische?” vroeg Agoracritus.

„Dat niet!” hernam Phidias. „Ik houd evenmin van Aspasia als van denErechtheüs-priester, en ik ruim het veld voor beiden, daar ik spoedig weder denk terug te keeren naar het mij lief geworden Olympia. Ik heb ondervonden, dat de Eleërs dankbaarder zijn dan de Atheners. Ik heb, dunkt mij, thans genoeg voor Athene gedaan. Het overige mijner dagen wil ik aan het groote Hellas wijden. Ik laat Athene over aan zijne Aspasia’s, zijne volksleiders, zijne brassers en aan zijne sluwe, nietswaardige, wraakgierigeErechtheüs-priesters!”

„Gij had gelijk,” zei Agoracritus, „dat gij Athene den rug hebt toegekeerd; de Atheners zouden misschien zelfs uwe kunst hebben ontwijd en bedorven; naar hun laatsten smaak hadt gij wellicht[236]Priapussen moeten beitelen, in plaats van Olympische Goden.”

„Of de wanstaltige gedaante van dien bedelaar, die op deze reine hoogte zich koestert, als een uit de onderaardsche poelen ontsnapte molik!” sprak Phidias en wees op den welbekenden, kreupelen Meno, die juist tusschen de zuilen in de zon lag.

De bedelaar had de woorden van Phidias gehoord; hij grijnsde, balde de vuist en wierp hem eene verwensching naar het hoofd.

Phidias stond met Agoracritus op, en eene schrede verder in de richting van het Erechtheüm gaande, zag hij Diopithes achter de zuilen staan.

„Kijk eens, hoe waakzaam de uilen van het Erechtheüm zijn!” zeide Phidias.

Een donkere blik van diepen haat wierp de beschaamde luistervink op den beeldhouwer.

„Scherpe snavels en scherpe klauwen hebben ze, de uilen van het Erechtheüm!” riep hij. „Pas op, dat zij u niet onverwachts de oogen uitkrabben!”

Zoo sprak Diopithes. De beeldhouwer echter herhaalde ook thans weder het woord van Homerus:

„Pallas Athene gedoogt geen vrees in mij!”

„Pallas Athene gedoogt geen vrees in mij!”

„Welaan!” mompelde Diopithes voor zich heen, toen de beide mannen zich reeds verwijderd hadden. „Bouw maar op de bescherming van uwe Pallas, ik bouw op de macht der mijnen! Lang genoeg voorbereid is hij, de beslissende kamp tusschen uw gouden en ivoren maaksel en het echte, oude Godsbeeld daar binnen in de heilige plaats van het Erechtheüm!”

Hij wilde zich juist verwijderen, toen de dolle Meno met zijne kruk, nog altijd in zich zelven Phidias met smaadwoorden verwenschend, tegen eene der gladde, schitterende zuilen sloeg, zoodat een splinter er afvloog.

Diopithes dit ziende naderde Meno; de blikken van den woesten bedelaar en van denErechtheüs-priesterontmoetten elkander.

Zij kenden elkander.[237]

Meno was eens, zooals reeds verhaald is, met de overige slaven van zijn heer, die aangeklaagd was, gefolterd geworden. Niet anders dan met de pijnbank werden Helleensche voor het gerecht ondervraagd. Zóó derhalve had Meno getuigenis afgelegd en op grond daarvan was de Athener vrijgesproken. Doch de slaaf Meno had van dit pijnlijk verhoor eene verminking der ledematen overgehouden. Hij was kreupel geworden. Uit medelijden had zijn heer hem in vrijheid gesteld en hem, bij zijn dood, eene aanzienlijke som vermaakt. De half krankzinnige Meno echter wierp het ontvangen geld in het Barathon3en verkoos als bedelaar werkeloos onder de Atheners rond te dolen. Hij leefde deels van de spijzen, die men op de graven der dooden legde. Wanneer het ’s winters vroor, warmde hij zijne jichtige leden bij de vuren der smidsen of aan de ovens der openbare baden. Een lievelingsoord van hem was een afschuwelijke plek in Milete, waar men de lichamen der ter dood gebrachten en de stroppen en kleederen der zelfmoordenaars wierp. Hij verzamelde de stroppen zorgvuldig en telde ze dagelijks. Een hond, die schurftig geworden was en daarom door zijn meester weggejaagd, was naar hem toegeloopen en sedert onafscheidelijk van hem. Meno was van een kwaadaardig, sluw karakter en zijn hoogste genoegen scheen hij er in te stellen, zoo hij twist en tweedracht kon zaaien of eenig kwaad onder het volk te weeg brengen. Hij scheen door een heimelijk gevoel van wraak bezield en in alles scheen zijn toeleg om de slavernij op de vrije onderdrukkers te wreken. Opzettelijk deed de verminkte bedelaar zich krankzinniger voor dan hij inderdaad was, om ongestraft den Atheners de hardste waarheden naar het hoofd te kunnen slingeren en in ’t algemeen alles te mogen doen, wat men een mensch met gezonde zinnen niet zou toestaan. Hij was steeds op de Agora of elders op openbare plaatsen te zien;[238]ook op de Acropolis was hij tehuis geraakt, waar hij onder de schare van werklieden rondliep. Want overal vond hij zich op zijne plaats waar drukte van menschen was en waar hij zijne duivelsche rol kon spelen.

Bovenal echter was ’t hem op de Acropolis bevallen, van het oogenblik af, dat hij bemerkte hoe deErechtheüs-priesterDiopithes en de bouwmeester Callicrates elkander met verbittering bestreden. Hij scheen zich tot taak te hebben gesteld de tempeldienaars van denErechtheüs-priesteren de werklieden van Callicrates tegen elkander in ’t harnas te jagen. Hij liet zich ook gewillig als tusschenpersoon of als spion gebruiken. Hij diende beide partijen, en beiden haatte hij evenzeer, zooals hij allen haatte, die vrijgeborenen en Atheners waren.

Diopithes zelf sprak somwijlen met hem en erkende weldra de bruikbaarheid van dit werktuig. De man was immers altijd onder het volk, hij bespiedde en beluisterde alles. Niemand meende iets voor den onnoozele te behoeven te verbergen, en de scherpheid zijner tong maakte hem even zeer gezocht als gevreesd bij het Atheensche volk.

Meno en Diopithes kenden derhalve elkander en zij verstonden elkander zeer goed. Lang onderdrukte wrok en wraakzucht maakten den lammen bedelaar en den priester tot bondgenooten.

„Gij zijt boos op Phidias?” begon Diopithes.

„Moge de helhond met zijn honderd koppen hem vernielen!—Trotsche kerel! Joeg mij altijd de deur uit, als hij merkte, dat ik mij warmde aan het vuur der smeltovens in zijne werkplaats—mijne wanstaltigheid beviel hem niet.—Gij zijt een gedrocht, Meno, zei hij, een monster—hij wilde alleen Olympische Goden en Godinnen om zich heen zien—ha, ha, ha.—Dat de bliksem hem treffe, hem en alle Atheners te zamen!”—

„Gij waard dus nog al dikwijls in zijne werkplaats?”—

„Hij zag mij niet altijd—ik hem wel—Meno weet in hoekjes en gaatjes te kruipen—zag hem zijn[239]ijdel, blinkend handwerk verrichten—zag hem roekeloos omgaan, hem en de zijnen, met het witte marmer en het metaal en het ivoor en het blinkend goud.”—

„Zaagt gij hem roekeloos omgaan met het goud?”—

Bij dit woord begonnen de oogen van denErechtheüs-priesterzeldzaam te flikkeren en een grijnslach plooide zijne lippen.

„Zaagt gij hem met het goud spelen, Meno?” herhaalde hij, terwijl een onheilspellend vuur uit zijne loensche oogen straalde; „met het blinkend goud, dat de stad der Atheners hem in zijne werkplaats verschaft heeft, om daaruit en uit ivoor de Godenbeelden op de Acropolis te maken?”—

„Ja zeker, zeker—met het blinkend goud der Atheners—ik zag hem grabbelen in gansche schatten van goud en ivoor—dat blonk en glom.”

„Zou al dat blinkende goud wel in den smeltkroes gekomen zijn, Meno? Zou niet misschien toevallig iets aan de vingers zijn blijven kleven van hen, die daarmede omgingen?”—

Bij deze laaghartige vraag zag de bedelaar den priester grijnzend aan. Een daemonische glans lag op zijn gelaat.

„Ha, ha, ha,” lachte hij—„Meno weet te loeren, te bespieden—zag hem werken, ook als hij meende niet opgemerkt te worden—zag hem heimelijk kasten openen, waar het verborgen goud fonkelde,—ha, ha, ha,—het gele goud—het goud der Atheners—oogen zette hij dan op als een griffioen, die een schat bewaakt,—tastte er in als met klauwen—zóó.—Het schuim kwam hem op den mond, toen hij mij ontdekte—joeg mij de deur uit—wilde niet, dat ik mij warmde—Wacht maar, ellendeling—zie mij maar aan met uw bliksemend oog, oude, grauwe griffioen.”—

En wederom hief de bedelaar dreigend de kruk op tegen het Parthenon, als wilde hij het uit wraak tegen den meester in puin slaan.

Na eene kleine pauze naderde de priester hem[240]nog dichter en fluisterde hem in ’t oor:

„Hoor eens, Meno, wat gij daar gezegd hebt, zoudt gij dat ook op de Agora durven zeggen ten aanhoore van alle Atheners?”

„Ten aanhoore van alle Atheners—ten aanhoore van alle twintigduizend lompe honden van Atheners dat de pest ze hale!”—

Sinds dit onderhoud verspreidde zich door geheel Athene het praatje van harde, trotsche, beleedigende woorden, die Phidias zou gesproken hebben tegen zijne kunstbroeders en tegen het geheele Atheensche volk. Er werd verteld, dat hij op de volksheerschappij gesmaald, dat hij zijn vaderland veracht en de Eleërs geprezen had, dat hij gezworen had Athene den rug toe te keeren en voortaan alleen aan andere Hellenen zijne diensten te zullen wijden. Tevens werd er gemompeld van goud, hem van staatswege geleverd, en dat niet geheel en al in de smeltkroezen zijner werkplaats gekomen was …

Als onkruid schoten deze praatjes op onder het volk tot eene giftige plant van verbittering en vijandschap tegen den edelen, rustig werkenden meester van het Parthenon.

De dag was gekomen, waarop de zaak van Aspasia voor de Heliasten, onder voorzitterschap van den Archon Basileus, in een der gerechtshoven van de Agora zou behandeld worden.

Van den vroegen morgen af drong het volk om het gerechtshof.

Rustig en kalm was op dien dag onder alle Atheners alleen Aspasia zelve. Zij stond op een bovenvertrek van haar huis en zag door eene soort van venster op straat naar de menigte, die naar de Agora trok.

Zij was een weinig bleek, doch niet van angst; want om hare lippen zweefde een verachtelijke glimlach.

Pericles trad tot haar.

Hij was bleeker dan Aspasia en een diepen ernst lag op zijne trekken. Stilzwijgend sloeg hij een[241]blik naar den somberen hemel boven zich. De lucht was betrokken. Zwermen van kraanvogels vlogen van den Noordelijken Strymon4naar Attica en hun gekras scheen een voorbode van regen te zijn.

Nu trad een lange trein van meest bedaagde mannen over de straat. Het was de afdeeling der Heliasten, aan wie de zaak van Aspasia ter beslissing was opgedragen. Het waren de rechters, voor wie de gade van Pericles zich moest verantwoorden en door wie haar vonnis zou worden uitgesproken.

„Kijk, daar zijn die oude jongens!” zei Aspasia glimlachend, op de Heliasten wijzend. „De helft van hen draagt afgesleten mantels, heeft een hongerig voorkomen en steunt in het loopen op dien langen, mij onverdragelijken Atheenschen stok, dien Phidias zelfs in het fries op de Acropolis aan ’t oog der schoonheidkenners heeft vertoond. Er zijn er onder, die knoflook kauwen en de smerige obolen, die zij als rechtersloon voor dezen dag zooeven ontvangen hebben, tusschen de lippen houden.”—

„’t Zijn mannen uit het volk,” zei Pericles en haalde de schouders op. „’t Zijn mannen uit het Atheensche volk, ’t geen u eens zoo goed beviel, dat gij ter liefde daarvoor, naar gij mij verhaald hebt, het Perzische hof en uw schoon Milete hebt verlaten, en door sterke begeerte gedreven over de zee herwaarts zijt gekomen, om het op te zoeken en er onder te leven.”—

Aspasia sprak niet één enkel woord.

„Dit knoflook kauwend, lange stokken dragend, obolen in den mond nemend Atheensche volk,” vervolgde Pericles, „is juist hetzelfde, welks schoone gestalte en ongedwongen houding uwe bewondering wekte, welks vaderlandsliefde u trof, welks kunstliefde u niet alleen in de scheppende beeldhouwers en dichters onvergelijkelijk voorkwam, maar insgelijks in zijne geestdrift, in zijn[242]fijnen smaak om te zien, te hooren en te genieten.”

„Nu echter weet ik,” hernam Aspasia, „dat het veelgeprezen, fijne Attische volk nog sporen van ruwheid, ik mag wel zeggen, van barbaarschheid, in zich bevat.”

„Er is niets volmaakts onder de zon!” sprak Pericles, „een groot licht gaat altijd met groote schaduw gepaard. Ik herinner mij onlangs in de werkplaats van een onzer beeldhouwers een zonderling beeld gezien te hebben: ’t was eene gestalte met vleugels aan de schouders en bokspooten. Dit wangedrocht schijnt mij het Atheensche volk. Het heeft aanleg voor de hoogste vlucht, maar het loopt nog op bokspooten. Overigens moet gij bedenken, dat het Atheensche volk zijne groote deugden zelf alleen bezit, terwijl het zijne zwakheden met anderen deelt. En evenals de schoonste vrouw toch altijd vrouw blijft, zoo is het voortreffelijkste volk nog altijd een volk, aangedaan met de zwakheden en hartstochten van hetgeen men juist het volk, de massa, den grooten hoop pleegt te noemen.”

„Meer dan andere,” riep Aspasia opstuivend, „is het Atheensche volk ondankbaar, wispelturig, naar iederen wind draaiend, lichtzinnig.”

„Maar het is beminnelijk!” zei Pericles op een toon van fijne ironie, „genotlievend en vroolijk en een vurig vriend en vereerder van het schoone.—Wat wilt gij nog meer, Aspasia?—Hebt gij zelve niet dikwijls genoeg den armen suffer Socrates uitgelachen en bespot, omdat hij van het Atheensche volk nog andere deugden scheen te verlangen, dan die, welke ik u zooeven opnoemde?”

Aspasia wendde trotsch het hoofd af, alsof zij beleedigd was.

„’t Is tijd,” zei Pericles na eene pauze, „om te gaan en ons naar ’t gerechtshof op de Agora te begeven, waar de rechters u wachten.—Zijt gij in het geheel niet bevreesd, Aspasia? Uwe trekken verraden niet de minste bekommering. Wilt gij mij alleen de bange zorgen overlaten?”[243]

„Ik vrees,” hernam Aspasia, „veel meer de nare lucht van het knoflook in die vertrekken, dan het vonnis, dat uit den mond dier mannen mij treffen kan. Nog voel ik mij door denzelfden moed bezield, die mij vervulde onder het gepeupel van Megara en in het volksgedrang in de straten van Eleusis.”

Terwijl dit gesprek tusschen hen beiden werd gevoerd, waren de Heliasten in het gerechtshof op de Agora aangekomen; ook de Archon Basileus was met eenige ondergeschikte ambtenaren, openbare schrijvers, verschenen, benevens de opgeroepen getuigen van den aanklager en de aangeklaagden.

Vóór het gerechtshof echter woelde de schare des volks levendig dooreen. Bont door elkander gonsden daar de stemmen; meeningen, wenschen, voorspellingen werden gewisseld. Men kon tegenstanders en aanhangers der beklaagden, ook onpartijdigen, hooren.

„Weet gij waarom zij Anaxagoras en Aspasia aangeklaagd hebben?” riep er een. „Omdat zij Pericles gevoelig willen treffen, maar zich aan hem zelven niet durven wagen. Want er is geen sterveling in Athene, die Pericles zelven openlijk zou durven aantasten.”

„Maar zou men het daarom niet kunnen?”schreeuwdeeen verschrompeld mannetje, met gluipende oogen, nader bij komend. „Zou men het niet kunnen? Zou men van Pericles, na een bestuur van zoovele jaren, geen betere en nauwkeuriger rekening en verantwoording kunnen verlangen, dan hij tot nu toe gedaan heeft? Komen in zijne rekeningen geen posten voor met de eenvoudige verklaring: doelmatig aangewend? Wat moet dat beteekenen, bid ik u, doelmatig aangewend? Zeg? Kan men het volk onbeschaamder zand in de oogen strooien? Hoort toch eens: doelmatig aangewend!”

Zoo riep de man en vervolgde zijn weg door de menigte en vroeg overal, wat het toch beteekenen moest „doelmatig aangewend.”

„Dat zijn sommen,” merkte iemand op met een[244]geheimzinnig gezicht, „die Pericles aanwendt, om invloedrijke mannen in de Peloponnesus den mond te stoppen opdat zij geen booze plannen zouden smeden tegen Athene.”

„Opdat zij hem niet zouden dwarsboomen in de herstelling der tyrannie5te Athene!” viel het levendige mannetje met de loensche oogen schamper lachend in. „Want wanneer gij u verbeeldt, dat de geleerde Pericles, zoo dikwijls hij met zijne vrienden fluistert, alleen de lengte van vlooienpooten en de breedte van muggenbeten met hen berekent, dan dwaalt gij! Hij bazelt reeds lang over de eenheid van geheel Hellas—hij zou, om het kortweg bij zijn naam te noemen, vol gaarne tyran van het geheele Helleensche land worden. Zijne vrouw, de Milesische, heeft hem dit in ’t hoofd gezet, en dit denkbeeld vindt hoe langer zoo meer ingang bij hem en zal hem tot razernij brengen. Naar niets minder dan naar eene koningskroon verlangt deze hetaere—zij zou zoo gaarne koningin heeten—koningin van geheel Hellas—de lauweren harer landgenoote drijven haar den slaap uit de oogen.”

Zoo zaaide de vijand der tyrannie, met zijne scherpe tong, twist en tweedracht.

In het gerechtshof echter op de Agora zaten reeds de rechters op hunne houten banken, afwachtende de dingen, die komen zouden. De Archon Basileus bekleedde het voorzitterschap, terwijl schrijvers en dienaren hem omringden.

De gerechtsplaats was afgezet; eene getraliede deur verschafte alleen toegang aan hen, die de Archon Basileus opriep.

Aan de buitenzijde der omheining verdrong zich het volk, om aan te hooren, wat gesproken zou worden.

Tegenover de banken der rechters was voor de beklaagden, zoowel als voor den aanklager, eene eenigszins verheven stellage opgericht, waardoor zij in de verte gezien en op een afstand gehoord konden worden.[245]

Op eene dier hoogere plaatsen zat Hermippus, een man van een onaangenaam somber uiterlijk, wiens doorborend oog onrustig ronddwaalde.

Op de andere plaats zat Aspasia, naast haar Pericles. Want als vrouw, maar vooral als vreemdelinge, moest zij zich voor het gerecht door een man, een burger des vaderlands, laten vertegenwoordigen.

Het was een schouwspel, dat het hart van velen bewoog en roerde, de schoonste en meest gevierde vrouw van haar tijd, de vrouw van den grooten Pericles, op de bank der beschuldigden te zien.

Dat Pericles naast haar zat, haar mede-aangeklaagde als het ware, verhoogde nog het ernstige en treffende van het tooneel.

Met een zekeren trots zetten de rechters en een deel des volks de borst op, daar zij zagen, dat ook de machtigsten zich voor hun rechterstoel moesten stellen en zich onderwerpen aan de almachtige wetten van den staat.

Boosaardige blikken wierp Hermippus op de schoone vrouw, over wier gelaat eene zachte bleekheid lag, die de uitdrukking van ongebogen fierheid, welke uit hare trekken straalde, nauwelijks vermocht te temperen.

Thans opende de Archon Basileus de vergadering. Hij nam den aanklager den eed af, dat hij alleen ter liefde der waarheid en der rechtvaardigheid de aanklacht had ingediend. De rechters zelven hadden reeds bij de aanvaarding van hun ambt den eed van rechtvaardigheid en stipte nauwgezetheid afgelegd.

Nu liet de Archon door een der staatsschrijvers eerst de aanklacht, daarna het tegen de akte van beschuldiging ingediende tegenschrift voorlezen.

Vervolgens verzocht hij den klager zijne aanklacht mondeling en uitvoerig toe te lichten.

Hermippus stond op. Zijne rede vloeide over van sarkasme. Men zou meenen eene comedie aan te hooren. Hij besprak met scherpe, snijdende woorden de feiten, waarop, naar zijne meening, de aanklacht[246]tegen Aspasia berustte: hoe zij te Eleusis ten aanhoore van het geheele volk oneerbiedig gesproken had over de Eleusinische Godinnen en over de heilige gebruiken des lands; hoe zij omgang had gehouden met de Sophisten, met Anaxagoras en Socrates, boven alles echter met dien welsprekendsten godloochenaar Protagoras, die zich een geruimen tijd te Athene had opgehouden, doch thans weder zijne dwaalleer predikend en de jeugd bedervend, in andere Helleensche stedenrondzwierf: hoe zij verder haar geheele streven daarop gericht had, om de Atheensche vrouwen tot verzet tegen de instellingen des lands op te ruien, hoe zij eens bij gelegenheid van het Thesmophoriën-feest voor alle Atheensche vrouwen was opgetreden, om met haar eene samenzwering te maken tot vernietiging van die eerwaardige wetten, waardoor de echt en het familieleven der Atheners geheiligd waren; hoe zij verder vrijgeboren Atheensche vrouwen in haar huis had gelokt, om haar tot een ontuchtig leven en de lichtzinnige levensopvatting der hetaeren te verleiden; hoe zij eindelijk zelfs zoover was gegaan, dat zij een aantal meisjes in huis had opgenomen, klaarblijkelijk met geen ander doel, dan om ze tot onzedelijkheid op te kweeken en ze met aanzienlijke Atheensche mannen te verbinden.

Als getuige voerde Hermippus velen dergenen aan, die te Eleusis de openlijk uitgesproken woorden van Aspasia mede hadden aangehoord; van sommigen echter liet hij de schriftelijke verklaringen door den openbaren schrijver voorgelezen. De aansporing der vrouwen tot eene samenzwering tegen de wetten van den staat liet hij door de vrouwen getuigen, die aan dat Thesmophoriën-feest hadden deelgenomen. De poging om vrijgeboren vrouwen tot ontucht te verleiden liet hij door de voorgelezen verklaring van Xenophon’s gade bevestigen, wie dit getuigenis was afgeperst door Telesippe en de zuster van Cimon. Wat de jonge meisjes in Aspasia’s huis betrof, beriep hij zich op de algemeene bekendheid[247]dezer zaak onder de Atheners, en hij verzuimde niet op den voorgrond te plaatsen, hoe juist wegens de meisjes de Atheensche staat in den laatsten tijd in gevaarlijke verwikkelingen geraakt was met Megara en met de bondgenooten van deze vijandig gezinde, naburige Dorische stad.

Zijne slotsom was, dat Aspasia in drie opzichten gezondigd had: tegen het oude geloof en den godsdienst des lands, tegen den staat en de eerwaardigheid zijner wetten, tegen de goede tucht en de zedelijkheid. Hij liet door den schrijver een aantal wetten voorlezen en toonde aan, dat naar Atheensch recht, al die handelingen strafwaardig waren en dat op de meeste de dood gesteld was; dat Aspasia’s hoofd en leven derhalve, daar zij van die misdaden voldingend overtuigd was geworden, aan de wet vervallen was. Hij bezwoer bij gevolg de rechters in hartstochtelijke opgewondenheid en met verheffing van stem, toch het heiligste wat een staat bezat, ter harte te nemen, den overmoed der vreemdelinge, die het omverwerpen van de oudvaderlijke inzettingen beoogde, te tuchtigen en den tot dusverre door de Goden geliefden en door de Goden gezegenden staat der Atheners niet te laten te gronde gaan in de school van teugelloosheid, van wetsverachting en van godloochening.

De vurige redevoering van Hermippus maakte een diepen indruk op de rechters, die meest op gevorderden leeftijd en uit de laagste klasse des volks afkomstig waren. Ook uit de menigte, die buiten de afsluiting in ademlooze stilte de rede van Hermippus had gevolgd, verhief zich een gemompel:

„Hermippus heeft fraai gesproken—zijne bewijzen waren scherp en afdoende—hij heeft de wetten op zijne hand—het hoofd der Milesische moet vallen.”

Nadat Hermippus geëindigd had en weder op zijne plaats was gaan zitten, verhief zich Pericles.

Oogenblikkelijk heerschte weder de diepste stilte en ieder oor luisterde in gespannen aandacht naar[248]den eersten klank uit den mond van Aspasia’s gemaal.

Pericles’ geheele wezen scheen veranderd. Zijn uiterlijk was niet, zooals hij voor het volk op de Pnyx verscheen, wanneer hij het redenaarsgestoelte besteeg en in waardige rust, zeker van den uitslag, zijne meeningen uitsprak. Voor de eerste maal scheen de kalmte gedwongen, die hij uiterlijk ook nu ten toon spreidde, en eene lichte trilling klonk in zijne stem, toen hij begon te spreken.

Hij ontkende de schuld van Aspasia. Het eene punt van beschuldiging na het andere behandelende, trachtte hij aan te toonen, dat het alleen aan de hatelijke overdrijving gelukt was Aspasia’s gedrag den schijn eener misdaad te geven, waarop de doodstraf stond. En waar hij niet loochenen kon, dat de letter der Atheensche wet tegen Aspasia sprak, beriep hij zich op hare daden en edele bedoelingen, en zocht te bewijzen, dat een edel streven nooit misdadig kan zijn.

Doch er was ditmaal iets weifelends in de redevoering van den gevierden spreker, die den bijnaam van den Olympiër voerde. Men kon duidelijk bemerken, dat zijne woorden slechts een geringen indruk op zijne hoorders teweegbrachten. Was zijne inwendige ontroering te groot, zoodat zij zijne scherpzinnigheid verstompte?—

Ten laatste echter deed Pericles, zooals Hermippus gedaan had. Hij liet op zijne bewijsvoering eene aanspraak aan de rechters volgen, die uit het hart voortkwam en tot het hart sprak.

Hij zeide:

„Deze vrouw hier is mijne gade. En wanneer zij schuldig is aan de misdaden, dan ben ik ook schuldig. Hermippus klaagt ons aan, omdat wij de waardigheid der Goden hebben gehoond, het gezag van den staat gekrenkt, de tucht en de goede zeden hebben geschonden. Mannen van Athene! als ik mij mag beroemen op iets van hetgeen gij op mijne aansporing hebt gedaan, dan heb ik het aanzien der Goden van ons land niet verkleind,[249]maar veeleer hen verheerlijkt, als iemand vóór mij, door prachtige tempels en schitterende beelden op de Acropolis en te Eleusis. Ik heb den staat niet gekrenkt, integendeel voor hem gestreden in bloedige slagen; ik heb de macht der oligarchen gebroken en aan het volk de vrijheid gegeven. Ik heb de tucht en de goede zeden niet verslapt, maar ze versterkt en veredeld, terwijl ik de beoefening en bevordering van het goede en het schoone onder u heb zoeken te verbreiden, en daardoor het gemeene en ruwe tegen te gaan. En in die pogingen, mannen van Athene, heeft mij deze vrouw, Aspasia van Milete, niet belemmerd, maar ondersteund en aangespoord. Datgene, wat het volk en de stad der Atheners misschien voor alle volgende tijden zal verheerlijken, is voor een niet gering deel, hare verdienste. Niet met het verval van dezen staat, maar met zijn edelsten bloei, macht en heerlijkheid zal de herinnering van haar naam voor altijd verbonden zijn.—Dit zijn feiten, gij mannen van Athene, en wij beiden gelooven ons verdienstelijk gemaakt te hebben omtrent het volk en de stad der Atheners. Gindsche Hermippus echter komt en roept u toe: „Scheurt de uitverkorene, de geliefde wettige vrouw van Pericles van zijn hart en sleept haar voor zijne oogen ter dood!”

Bij deze woorden parelde een traan in het oog van Pericles.

Een traan in het oog van den rustigen, waardigen Pericles! Een traan in het oog van den Olympiër! Die traan had een, naar de gewone wetten der natuur onverklaarbare uitwerking. Hij werkte verbijsterend als een wonder, als een meteoor, als een door de Goden gezonden teeken uit den hemel.

Zij, die met eigen oogen hadden gezien, hoe de traan een oogenblik blonk in het manlijk oog van Pericles, doch spoedig werd weggepinkt, zagen elkander met veelbeteekenende blikken aan.

Zij fluisterden elkander toe:

Pericles heeft geweend![250]

Uit de gerechtszaal verspreidden zich over de Agora de woorden:

Pericles heeft geweend!

Van de Agora liep het in korten tijd door de geheele stad Athene:

Pericles heeft geweend!

Tegelijkertijd kwam te Athene het bericht van een zeeslag bij Sybota, waarin Atheensche schepen den Corcyraeërs6tegen de Corinthiërs met schitterenden uitslag ter hulp waren gekomen. Maar men luisterde slechts ten halve naar het bericht—men sprak over niets, dan over den traan van Pericles.

Aan de rede van Hermippus voor de Heliasten was eene grens gesteld door den zandlooper, aan de rede van Pericles maakte de opwellende traan een einde.

Een dienaar naderde op den wenk van den Archon en verdeelde de stemsteentjes onder de rechters. Aan ieder reikte hij ten aanschouwe van allen een witten en een zwarten steen, een die vrijsprak en een die veroordeelde.

Toen verlieten de Heliasten hunne zetels, traden een voor een naar eene koperen vaas en wierpen een stemsteentje daarin, het witte of het zwarte. Den steen, dien zij over hadden, wierpen zij in een anderen, houten bak.

De eerste stemming der Heliasten gold het schuldig of onschuldig; de tweede gold, in geval van schuldigverklaring, de straf, die tegen den aangeklaagde geëischt werd.

Nu waren de steenen van alle Heliasten in de stembus. Zorgvuldig werden de witte en de zwarte onmiddellijk geteld onder de oogen van den Archon.

Met onbeschrijfelijke spanning waren aller oogen op de uit de urn rollende witte en de zwarte steenen gevestigd. En zie! De heldere loten, die ten[251]leven beslisten, namen in groote getale toe en zegevierend overtroffen zij de donkere loten des doods.—

De vrouw van Pericles was vrijgesproken. In de weegschaal van Themis was de traan van den held met beslissende zwaarte gevallen.

Uit den mond van den Archon klonk het gewijsde en als op vleugelen gedragen verspreidde die mare zich over de gansche Agora.

Aspasia stond op. Een lichte blos kleurde haar gelaat. Haar blik zweefde een oogenblik met helderen glans over de eerwaardige hoofden der Heliasten. Toen reikte zij stilzwijgend hare hand aan Pericles. Deze voerde haar weg. Een sluier bedekte haar gelaat, terwijl zij door de menigte gingen.

Op de Agora begroetten en vergezelden Pericles de door duizenden monden aangeheven vreugdekreten der Atheners.

In alle straten, die Pericles op zijn terugweg met zijne gesluierde gade doorging, verdrong zich het volk en de verschillendste uitroepen werden gehoord of gefluisterd, al naar mate ieders gezindheid, bij het zien van Aspasia. Een uitroep echter had den boventoon, die telkens en overal werd herhaald:

„Wat een schoone vrouw is nog altijd Aspasia!”

Deze uitroep verkreeg ten laatste de overhand over alle andere, en alleen de waanzinnige Meno riep de schoone Milesische, toen zij hem voorbij ging, een scheldwoord na.

Plotseling stond Socrates, uit de menigte te voorschijn tredend, naast Pericles en Aspasia.

„Ik wensch u geluk, Aspasia!” sprak hij, terwijl hij zich bij hen aansloot. „Welke uren van kwelling en angst waren die laatste voor uwe vrienden!”

„Waar waart gij,” vroeg Aspasia, „toen de uitslag werd bekend gemaakt?”

„Altijd midden onder het volk,” hernam Socrates.

„En wat hoordet gij onder het volk in al dien tijd?” vroeg Aspasia weder.[252]

„Vele en verschillende zaken,” antwoordde Socrates: „ten laatste echter bleven er alleen twee gezegden over, die van mond tot mond gingen.”

„En welke waren die?”

„Pericles heeft geweend!” en: „Wat eene schoone vrouw is nog altijd Aspasia!”

„Zonderlinge samenloop van zaken!” vervolgde Socrates op zijne wonderlijke wijze sprekende. „De schoonste vrouw is Aspasia, en de gelukkige echtgenoot der schoonste vrouw heeft geweend!—Draag zorg, Aspasia, dat dit de laatste traan van Pericles moge blijven! want alleen de eerste traan van den man is verheven, de tweede is belachelijk. Alleen de eerste grijpt aan en schokt—de tweede is zonder eenige uitwerking. Pericles mag nooit meer weenen! Hoort gij dat, Aspasia? Pericles mag nooit meer weenen!”

„Ben ik het dan soms, die tranen aan Pericles’ oog tracht af te persen?” vroeg Aspasia, innerlijk beleedigd.

„Ik beweer alleen, dat Pericles nooit meer weenen mag,” hernam Socrates en verdween onder de menigte.

Aspasia was verstoord. Hoe? Het vijandig gezinde volk der Atheners had haar heden vrijgesproken en uit de schare der verzoende vijanden trad een vriend te voorschijn, om haar scherpe, onheilspellende woorden toe te voegen!—

„Gij kent den zonderling!” zei Pericles. „Oefen geduld met hem! Gij weet, hij meent het goed met ons.”—

Aspasia echter bleef toornig. En de gedachte, reeds lang in hare borst gekoesterd, den zonderling te straffen voor de altijd vaardige, altijd onbeschroomde vrijmoedigheid zijner tong, ontwaakte opnieuw in de fiere vrouw, terwijl zij in het bewustzijn harer zegepraal aan de zijde van haar echtgenoot daarheen ging.—

Twee mannen volgden op eenigen afstand het paar met loerende blikken; een hoonende grijnslach speelde om hunne lippen, terwijl zij met elkander[253]fluisterden.

Het warenDiopithesen de oligarch Thucydides.

„Het wijf is ons ontsnapt!” zei de oligarch met somberen blik.

„Des te erger voor haar!” hernam de priester. „Gij kent het volk. Ware zij veroordeeld geworden, men zou haar beklagen om Pericles’ wille en medelijden hebben met Pericles; doch nu zij er vrij is afgekomen, zal men spoedig zeggen, dat de rechters toch te zacht hebben geoordeeld, en dat de macht van Pericles te gevaarlijker wordt wanneer men uit liefde voor hem de schuldigen vrijspreekt!”

„Verheug u voor heden in uwe zegepraal!” hernam Diopithes, uit de verte de vuist achter Aspasia’s gemaal ballend: „De pijlen, die gij van het hoofd uwer vrouw hebt afgewend, zullen des te gewisser uw eigen hoofd treffen!”

1Potidaeä, eene kolonie der Corinthiërs, lag op het schiereiland Chalcidice; in 432 v. C. viel zij van Athene af, doch werd na eene nederlaag, haar door de Atheners, onder Callias, den zoon van Calliades, toegebracht, te land en ter zee ingesloten. Na een tweejarig beleg gaf het zich op vrij gunstige voorwaarden over.↑2De Heliasten waren de rechters in de Heliaeä, d.i. de hoogste rechtbank te Athene, uit gezworenen samengesteld.↑3Barathon beteekent afgrond, vooral de afgrond te Athene, achter de Acropolis gelegen, waarin de ter dood veroordeelden geworpen werden.↑4Eene rivier in Thracië, thans Karasoe of Stroema geheeten.↑5Alleenheerschappij.↑6Bewoners van Corcyra (Kerkura); het noordelijkste der Ionische eilanden, ten westen van Epirus, omstreeks 700 v. C. door Corinthiërs bevolkt; thans Korfu geheeten.↑

1Potidaeä, eene kolonie der Corinthiërs, lag op het schiereiland Chalcidice; in 432 v. C. viel zij van Athene af, doch werd na eene nederlaag, haar door de Atheners, onder Callias, den zoon van Calliades, toegebracht, te land en ter zee ingesloten. Na een tweejarig beleg gaf het zich op vrij gunstige voorwaarden over.↑2De Heliasten waren de rechters in de Heliaeä, d.i. de hoogste rechtbank te Athene, uit gezworenen samengesteld.↑3Barathon beteekent afgrond, vooral de afgrond te Athene, achter de Acropolis gelegen, waarin de ter dood veroordeelden geworpen werden.↑4Eene rivier in Thracië, thans Karasoe of Stroema geheeten.↑5Alleenheerschappij.↑6Bewoners van Corcyra (Kerkura); het noordelijkste der Ionische eilanden, ten westen van Epirus, omstreeks 700 v. C. door Corinthiërs bevolkt; thans Korfu geheeten.↑

1Potidaeä, eene kolonie der Corinthiërs, lag op het schiereiland Chalcidice; in 432 v. C. viel zij van Athene af, doch werd na eene nederlaag, haar door de Atheners, onder Callias, den zoon van Calliades, toegebracht, te land en ter zee ingesloten. Na een tweejarig beleg gaf het zich op vrij gunstige voorwaarden over.↑

1Potidaeä, eene kolonie der Corinthiërs, lag op het schiereiland Chalcidice; in 432 v. C. viel zij van Athene af, doch werd na eene nederlaag, haar door de Atheners, onder Callias, den zoon van Calliades, toegebracht, te land en ter zee ingesloten. Na een tweejarig beleg gaf het zich op vrij gunstige voorwaarden over.↑

2De Heliasten waren de rechters in de Heliaeä, d.i. de hoogste rechtbank te Athene, uit gezworenen samengesteld.↑

2De Heliasten waren de rechters in de Heliaeä, d.i. de hoogste rechtbank te Athene, uit gezworenen samengesteld.↑

3Barathon beteekent afgrond, vooral de afgrond te Athene, achter de Acropolis gelegen, waarin de ter dood veroordeelden geworpen werden.↑

3Barathon beteekent afgrond, vooral de afgrond te Athene, achter de Acropolis gelegen, waarin de ter dood veroordeelden geworpen werden.↑

4Eene rivier in Thracië, thans Karasoe of Stroema geheeten.↑

4Eene rivier in Thracië, thans Karasoe of Stroema geheeten.↑

5Alleenheerschappij.↑

5Alleenheerschappij.↑

6Bewoners van Corcyra (Kerkura); het noordelijkste der Ionische eilanden, ten westen van Epirus, omstreeks 700 v. C. door Corinthiërs bevolkt; thans Korfu geheeten.↑

6Bewoners van Corcyra (Kerkura); het noordelijkste der Ionische eilanden, ten westen van Epirus, omstreeks 700 v. C. door Corinthiërs bevolkt; thans Korfu geheeten.↑


Back to IndexNext