[Inhoud]XXII.STRIJD EN ZEGEPRAAL.Pericles wandelde met zijn vriend Sophocles in het vroege morgenuur op de Agora, toen Euripides, met somberen blik in gezelschap van den waarheidszoeker hen ontmoette. Een weinig verwonderd over de vele bagage, die eenige slaven achter hem droegen, bleven beiden een oogenblik staan en vroegen hem, waarom hij zoo reisvaardig was en werwaarts hij voornemens was te trekken.„Ik scheep mij in naar Salamis,” hernam Euripides. „Op dat stille eiland hoop ik eindelijk de afzondering en den vrede te vinden, waaraan ik zoo groote behoefte heb. In de grot aan het strand, waarin ik het levenslicht aanschouwde, wil ik voortaan mijn lievelingszetel opslaan en zonder gestoord te worden mij aan mijne gedachten en overpeinzingen overgeven.”[254]„Biedt dan uw landhuis u geen stilte en afzondering genoeg?” vroeg Pericles.„Spreek mij niet van het landhuis!” antwoordde de dichter gemelijk. „Dat is mij vreeselijk gehaat geworden door het toenemend aantal kikvorschen, die des avonds in den nabijzijnden vijver kwaken, doch nog meer door den zwerm van krekels, die door hun eindeloos gepiep mij dag en nacht in mijn denken en dichten storen. De oude beuzelaar Anacreon heeft ze bezongen, die „helklinkende cicaden,” ik echter verwensch ze! Mijn hoofd doet mij zeer en ik ben bijna gek geworden van het schrille rumoer dier kwelgeesten, dier piepende booze daemonen. Te vergeefs heeft mijn vriend Socrates mij een paar dagen lang geholpen ze in hunne holen te vervolgen en uit te roeien … Lacht ge er om, plaagzieke Sophocles? Ge zoudt gewis in staat zijn ons op staanden voet eene gloeiende lofrede op de krekels en kikvorschen te houden!”„Waarom niet?” hernam Sophocles glimlachend. „De geheele natuur is immers rijk aan tonen en zingt. De golven zingen, de winden zingen, de pijnboom zingt, de steen zingt, als de voet des wandelaars hem beroert. En zoo gaarne hoort het geluid zich zelf, dat het, als een andere Narcissus1, zijn eigen beeld terugkaatst in den spiegel van Echo. Daarom, mijn beste Euripides, laat ons ook de krekels en kikvorschen.…”„Daar hebben wij het!” viel Euripides den spreker met heftigheid in de rede. „O, die „vereerders van het schoone”, die „dweepers met het schoone,” die „aanbidders van het schoone”, en hoe zij zich ook willen noemen! Alles, zelfs het afzichtelijkste weten zij met het vernis van schoone woorden te bedekken, nooit durven zij den ernst des levens onpartijdig[255]in het aangezicht zien! Ik zeg u, de cicaden blijven een onverdragelijk gespuis, wat daarover ook de oude Anacreon en na hem de vrome Sophocles met hun dichterlijk gevoel gezegd hebben. Overigens zijn het, zooals gij weet, niet alleen die krekels en kikvorschen, die mijn verblijf op het Attische vasteland verbitteren. Het bevalt mij niet langer te Athene. Ik heb er geen pleizier in, ter wille van eene weggelopen vrouw de spotternijen der straatjongens te verdragen, hoe Attisch gekruid zij ook wezen mogen. Ik heb geen lust mijn leven zoo door te brengen, terwijl allerlei dreigende verschijnselen zich bovendien in de toekomst vertoonen. Waarom zijn wij toch verlichter geworden, als de zeden hoe langer zoo slechter worden?—Vaartwel! Ik ga voorloopig naar Salamis.”„Moet ons geluk dan van de plaats afhankelijk zijn?” vroeg Sophocles. „Men behoort te volharden op zijne standplaats. ’t Moet, naar mijne meening, de trots zijn van den Helleen, die al het bittere en sombere des levens, in zich zelven onveranderd te blijven, zijn opgeruimdheid en schoonheidsgevoel te behouden, als iemand, die het hoogste en beste van ’t menschelijk leven in de schoone harmonie van zijn eigen wezen vereenigt en door niets gestoord wordt in het edelste levensgenot.”„En wanneer de ouderdom tot u komt met knikkende knieën,” wierp Euripides hem tegen, „en de bronnen des genots opdrogen?”„Dan zal ik van het genot, welks bronnen opdrogen, afstand doen,” hernam Sophocles, „maar alleen, om op den vroolijken levenslust des mans, die toch altijd met eene zekere onrust gepaard gaat, de veel schoonere, waarachtiggoddelijkerust en opgeruimdheid, den Halcyonischen vrede des grijsaards te doen volgen.”„Gij spreekt als een zoon van den goeden ouden tijd,” zei Euripides, „en gijdenktniet, dat wij langzamerhand te verstandig zijn geworden, om in idyllisch-onverstoorbare opgeruimdheid voort te[256]leven.”„Wat mij betreft,” begon thans Socrates met een ernstig gelaat, „ik vind het door Sophocles uitstekend gezegd, dat wij eene schoone harmonie van ons eigen wezen moeten bewaren. Alleen zou ik wel gaarne willen hooren, ja waag ik het onzen vriend Sophocles uitdrukkelijk te vragen, of hij van „schoone harmonie” sprekend, het zedelijke op het oog heeft, of wel zich de harmonie in dien zin schoon denkt, zooals men bij voorbeeld vrouwen of werken der beeldende kunst schoon en bevallig en voor het oog streelend noemt? Of hij, om het anders uit te drukken, den klemtoon legt op het goede, dan wel op hetgeen gewoonlijk schoon genoemd wordt? En daarmede zouden wij dan weder bij die oude, zoo dikwerf tusschen ons opgeworpen en nooit opgeloste vraag terecht komen, of het schoone boven het goede, dan wel het goede boven het schoone den voorrang verdient?”—Met gespannen belangstelling zag de waarheidszoeker na deze woorden den dichter in ’t gelaat en wachtte zijn antwoord af.Op hetzelfde oogenblik echter ontstond er een rumoer en eene beweging onder het volk, dat inmiddels zich op de Agora verzameld had. Het teeken tot het begin der volksvergadering op den Pnyx was gegeven en alles toog derwaarts.„Ik wil oorlog, maar zonder Pericles!”„Ik wil oorlog, maar zonder Pericles!”Glimlachend zei Pericles, die eveneens zich gereed maakte die zelfde richting te volgen:„Ook heden, waarde zoon vanSophroniscus, zullen wij uwe lievelingsvraag niet kunnen beantwoorden. Want het volk der Atheners wordt juist op de Pnyx bijeen geroepen en daar moeten wij dringender zaken beslissen.”…Socrates stond daar, zwijgend en verslagen, als iemand, dien opnieuw juist ten ontijde de mond, om zoo te zeggen, gesnoerd was.—„Myrmecides,” zei een Atheensch burger tot zijn buurman, op het punt om de Agora te verlaten en met de overige onstuimige volksmassa de hoogte van den Pnyx te bestijgen, „wat wij heden ook[257]besluiten mogen, ik heb een voorgevoel van iets kwaads voor Hellas. Er wordt gesproken van orakels—onheilspellende orakels, ook orakels van Bacis worden er medegedeeld, die thans op eens verstaanbaar worden. Doch wat het bedenkelijkste is: gij weet dat Delos, het heilige Delos, het eiland van den Ionischen God Apollo, nooit door eene aardbeving is geteisterd geworden.”—„Nooit,” antwoordde Myrmecides; „iedere knaap weet van kindsbeen af, dat het heilige Delos als met koperen ketenen aan den bodem der zee is vastgeklonken en niet als de andere eilanden van den Archipelagos door onderaardsche beroeringen kan geschokt worden.”„Zoo geloofde men tot gisteren,” vervolgde Cynogenes; „doch gisteren is het bericht gekomen, dat eene aardbeving, die een zeer korten tijd duurde, op het eiland heeft plaats gehad en dat een dof onderaardsch gedreun zich heeft doen hooren.”„Delos geschokt?” riep Myrmecides: „dan is er niets meer dat vaststaat in Hellas!”Andere mannen voegden zich bij Myrmecides en Cynogenes en mengden zich in hun gesprek. Doch zij werden weldra gestoord en gedwongen zich om te keeren door een luid rumoer, dat achter hen op de Agora zich verhief.„Een Megarische hond!” klonk het, „een Megarische hond!—doodt hem, steenigt hem!”Eene groote, schreeuwende menigte had zich ijlings om een man verzameld, die door eenige Atheners gegrepen en onder allerlei uitdrukkingen van toorn vastgehouden werd.Het was niet de eerste maal, dat een Megarenser in onaangename verwikkelingen te Athene geraakt was. Reeds voordat de Atheensche markt en de havens van Athene aan de naburige Dorische stad ontzegd waren, was menig burger, die soms een vet gemest varken of iets anders op de markt te Athene bracht, daar schandelijk voor den gek gehouden, uitgescholden of mishandeld geworden.Tot woede echter was de verbittering bij de[258]Atheners tegen de Megarensers gestegen, sedert dezen in barbaarsche ruwheid het gewaagd hadden den van Athene naar Megara gezonden heraut dood te slaan. Sinds dien dag had het Atheensche volk gezworen elken Megarenser, die zich te Athene vertoonde, oogenblikkelijk te steenigen.De arme man smeekte om zijn leven en zwoer bij alle Goden, dat hij geen Megarenser was, dat hij uit Eleusis kwam.„Gelooft het niet!” riep de man, die hem het eerst had vastgegrepen en hem nog steeds als met ijzeren vuist omklemd hield. „Gelooft het niet! Ik ken hem! Een Megarische hond is hij—een Megarische hond!”Op dit oogenblik kwamen eenige Archonten voorbij, die, nadat zij de zaak hadden vernomen, het vermoorden van den man verhinderden, door eenige Scythische boogschutters er bij te roepen en den man gevankelijk weg te doen voeren.Boven op de Pnyx, niet verre van de plaats der volksvergadering, fluisterden drie mannen zacht maar druk met elkander. Het waren de leerlooier Cleon, de schapenkoopman Lysicles en de worsthandelaar Pamphilus. Zij schenen het onderling niet eens te zijn …Thans betraden de gezanten der Lacedaemoniërs den weg van de Pnyx, om zich naar de volksvergadering der Atheners te begeven. Zij waren gekomen om voldoening te eischen voor het hunverwanteen met hen verbonden Megara. Met vijandelijke blikken zagen deze Spartaansche mannen en het grootste deel der Atheners rondom elkander aan.Doch een oligarch fluisterde den andere zacht in het oor:„Zullen wij vrede of oorlog wenschen?”„Het ware wellicht nuttig,” hernam de andere, „wanneer de Peloponnesiërs kwamen en hier een weinig opruiming hielden …”Opgewondener dan het Atheensche volk de Pnyx bestegen had, daalde het na eenige uren weder daar af. Op de Agora vormden zich verscheidene[259]groepen.„Ik vind, dat Pericles nooit zoo voortreffelijk heeft gesproken!” riep Myrmecides. „O, die slimme vos met de leeuwenhuid! Hoe gematigd deed hij zich voor, hoe rustig, hoe vol schijnbare toegefelijkheid! Hoe scheen hij bereid tot elke mogelijke tegemoetkoming! Alleen stelde hij eischen, die men nooit zou toestaan! Welk een meesterlijke zet was het, toen hij zeide, dat Athene bereid was zijnen bondgenooten de volle vrijheid terug te geven, zoo slechts de Spartanen vooraf den hunnen hetzelfde deden!”„Ik voorspel teerlucht, riemgeplas, triërarchen-geschreeuw, Pallas-beeldenvergulderij in den Piraeüs”—zei de baardschrapper Sporgilus met een bedenkelijk gezicht.„Waarom niet, lafaard?” riepen de anderen. „Hebt gij geen lust in een vroolijk zeetochtje?”„Neen,” antwoordde Sporgilus, „de zee is toch altijd iets zilts en bitters!”„Laat u met knoflook voeren!” klonk het rondom hem, „met knoflook, lamzalige vent, zooals de hanen, om vuriger en moediger te worden!”Thans werd de stem van Cleon, de stem van den beruchten leerlooier Cleon, in eene andere dichte groep hoorbaar. „Ik wil oorlog, maar zonder Pericles!” schreeuwde hij. „De krijg mag Pericles niet nog grooter maken. Hoe zullen wij rekenschap van hem kunnen vorderen, als hij aan de spits van een leger of van eene vloot staat. Derhalve weg met Pericles! Den eisch der Spartanen, dat hij als Alcmaeönide uit Athene verbannen zou worden, dezen eisch alleen had men moeten inwilligen! Men verbanne Pericles! Pericles moet verbannen worden!”Zóó schreeuwde Cleon met heftige, lompe gebaren, terwijl hij met zijn geheele lichaam in beweging was en geen enkel oogenblik op dezelfde plaats bleef.„Oorlog, maar zonder Pericles!” herhaalde hij onophoudelijk.[260]Van dezelfde meening was Pamphilus, die echter met niet minder luid getier er bijvoegde, dat men Pericles niet moest verbannen, maar ter verantwoording roepen wegens zijn staatsbeheer en in den kerker werpen.Thans naderde de oude Cratinus met Hermippus en een derden makker, een jongeling, die in nog hoogeren graad den „Attischen blik” had dan zij beiden, en van wien het gerucht liep, dat hij eerstdaags ook met een blijspel zou optreden.„Zijt gij voor den oorlog of voor den vrede, oude Satyr?” riep een uit de menigte den ouden brasser toe.„Ik,” hernam deze, „ik ben voor gebraden hazen, wijn in de kan, zilver in de kast, vijgen in de voorraadkamer, bekranste bokken, lammergeblaat, Dionysus-feesten, verschen most, omgeworpen flesschen, mooie, hooggeschorte dansmeisjes.”„Dan zijt gij dus ook voor den vrede?”„Ja zeker, en er tegen, dat men den Megarensers de Atheensche markt ontzegt. Weest toch wijzer, gij met viooltjes omkranste Atheners! Houdt toch op, elke oude vrouw, die op de Atheensche markt komt, met argwaan aan te zien en te meenen, dat het een man en een verkleede Megarenser is! Sinds gij de Megarensers van de markt uitgesloten hebt, kan men geen goed gemest varken meer krijgen, zooals het de oude Marathon-strijders verdienen. Spoedig zal het zoover komen, dat wij gebraden krekels zullen eten. Overigens, wat zeurt en kijft gij toch over vrede en oorlog? Zijn de Spartanen met een ander bescheid uit de volksvergadering gegaan, dan met hetgeen Pericles heeft voorgesteld? Laat toch Pericles aan het roer van den staat, en de anderen, de volksmannen, de leerlooiers en schapenkoopers en worstmakers, die u den baard schrapen en de vliegen van het hoofd wegjagen en de vlokken van den mantel plukken …”Die bijtende woorden brachten Cleon’s bloed in gisting. „In één opzicht,” schreeuwde hij, „heeft Pericles gelijk gehad, toen hij het bijtend, onbeteugeld[261]gespuis der comedie-schrijvers trachtte te muilbanden—die keffers, die ieder naar de kuiten bijten.”„Ei, hoor eens dien Cleon!” riep Cratinus. „Cleon, de verschrikkelijke! Ik had stellig niet gewaagd hierheen te komen, als ik geweten had, dat de man met de gretige tanden en de vreeselijk rollende oogen er was. De leerlucht, die reeds op grooten afstand merkbaar is, had mij moeten waarschuwen.”Cleon stikte schier van gramschap. Myrmecides hield hem tegen, terwijl Cratinus voortging:„Gij noemt ons onbeteugeld, omdat wij den geesel zwaaien over de hoofden, onbekommerd wien hij treft? Treft hij niet altijd den rechten man, dan treft hij toch al licht de rechte zaak. Vraagt Zeus in den hemel wel, als hij bliksemt, waar hij treft indien de lucht maar gezuiverd wordt.”„Oude gifspuwer!” riep Cleon. „Zijt gij niet de man van wien men zegt, dat hij zijne geestdrift uit het vat tapt?”—„En gij,” hernam Cratinus, „zijt gij niet de man, die opgezwollen zijt van gif, van wien men zegt, dat u onlangs eene slang heeft gebeten, die onmiddellijk—crepeerde? Maar dat doet er niets toe. Wij nemen den strijd aan met den stank van zeehondenleer, met de verwoede blikken uit rollende oogen, met honderd roodharige Cerberus-koppen. En wanneer wij eerst met den vrouwenheld Pericles klaar zijn, dan denken wij met die halve gekken, de worstmakers, de schapenkoopers, de leerlooiers en alle „met viooltjes bekranste Atheners” wel half slapend klaar te komen.”Op deze woorden van Cratinus klonk plotseling achter eene zuil een luid, hoonend gelach. Men keek om en zag den dollen Meno achter de zuil neergehurkt zitten.„Daar hebt gij Meno!” riep de jongste der drie blijspeldichters. „De kerel ziet er zoo berooid en gemeen uit, dat Euripides hem eerstdaags ongetwijfeld tot den held van een roerend stuk zal maken!”De Atheners lachten, Meno knarste op de tanden[262]en riep: „Lompe honden! Met viooltjes bekranste honden!”Men wilde hem afranselen; doch hij hitste zijn hond tegen de aanvallers aan.Thans nam men steenen op, om ze hem naar het hoofd te werpen. In dit oogenblik echter kwam Socrates er bij, die zich over den man erbarmde en hem met zich uit het gedrang voerde.De menigte verstrooide zich daarop. Pamphilus, heftig vertoornd weggaande, kreeg Pericles in ’t oog, trad op hem toe en vervolgde hem den ganschen dag, zoo dikwijls hij hem zag, met smaadwoorden.Wederom liep hij achter hem en zeide: „Gij zijt een tyran, evenals Pisistratus! Slechts in schijn handhaaft gij de volksregeering. Inderdaad echter zijt gij het alleen, die de teugels van Athene in handen hebt.”Pericles zweeg.„Gij wilt de Atheners in een oorlog wikkelen,” vervolgde Pamphilus, „ten einde het roer in handen te houden en geen rekenschap af te leggen!”Pericles antwoordde niets.„Gij laat de verdiensten van andere mannen, die niet minder dan gij voor redenaars en volksleiders geboren zijn, geen recht wedervaren!” schreeuwde Pamphilus.Pericles bleef zwijgen.„Gij hebt uwe heerscherskunst geleerd in den omgang met Sophisten en boeleersters!—Gij hebt de kracht van het Atheensche volk door toenemende weelderigheid en verwijfdheid ontzenuwd!”—Toen Pamphilus deze woorden uitgilde, was Pericles bij zijn huis gekomen. Er heerschte reeds volkomen duisternis op de straten. Pericles had volgens Atheensch gebruik een slaaf met een brandende fakkel achter zich.De slaaf klopte aan de deur. De portier opende. Pamphilus stond er nog altijd.„Breng dezen man met uwe fakkel terug door[263]de straten; want het is zeer donker geworden!” zei Pericles tot den slaaf en ging rustig zijne woning binnen.—Nog altijd bezocht Socrates, nu eens in gezelschap van zijn boezemvriend Euripides, dan weder alleen, gedurig Pericles’ woning. Nog altijd bezocht hij Aspasia, nog altijd hield hij er veel van zich met haar te onderhouden, alleen klonken zijne woorden steeds duisterder, raadselachtiger, steeds meer als orakels.Weinige dagen na die belangrijke vergadering op de Pnyx betrad Socrates wederom het huis van Aspasia. Weldra was hij in een levendig gesprek met haar gewikkeld. Aspasia sprak met blijdschap over den ophanden zijnden strijd met de Doriërs, doch met weerzin en afkeuring over de partijschappen op de Agora, over de vijandelijke plannen van denErechtheüs-priester, over de kuiperijen der Laconisten, over de ruwheid der demagogen. „Ter wille van die barbaarschgezinde mannen,” zeide zij, „zullen wij wellicht spoedig den tanenden bloei van Hellas aanschouwen.”„Den tanenden bloei van Hellas!” riep Socrates. „Hoe is dat mogelijk? Gij vergist u zeker! Hoe lang toch is het geleden, dat gij zeidet, dat Hellas zijn heerlijksten bloei naderde? Sinds dien dag, toen wij in feestvreugde op de Acropolis voor het voltooide Parthenon stonden en ik reeds het oogenblik van dien hoogsten bloei gekomen achtte, gij echter beweerdet, dat onze kunst wel is waar bijna goddelijk was geworden, maar dat er nog veel aan ontbrak, om ook ons leven geheel en al in elk opzicht tot het schoone op te voeren—sinds dien dag zag ik met gespannen verwachting naar het beloofde oogenblik van den heerlijksten bloei uit en wacht daarop met ongeduld. En daar ik van bloemen in het Oosten gehoord heb, die slechts in één enkelen nacht, heimelijk door de oogen van Zeus bestraald, haar wonderkelk ten volle ontplooien, dacht ik, dat de bloeitijd der stervelingen misschien ook van dien aard[264]was, en deze gedachte liet mij, om zoo te zeggen, ook des nachts geen rust; ik vreesde steeds, dat ik slapend het schoonste oogenblik zou kunnen verzuimen. Bijzonder echter heb ik dat gansch nieuw en merkwaardig liefde- en huwelijksverbond, ’t welk Pericles en gij vóór mijn beeld der Chariten op den burg gesloten hebt, steeds in gedachte gehouden; want als dit gelukte scheen mij juist de schoonste bloei van het Helleensche leven verzekerd. En daar gij ons, die om u stonden, toen uitdrukkelijk tot getuigen riept, heb ik mijn plicht als zoodanig voortdurend trouw bij u vervuld; want ik heb het ernstig opgenomen en ik achtte mij geroepen, niet alleen voor een oogenblik, maar voor altijd, een nauwlettend getuige te zijn van dat wondervolle verbond. Evenals men in een tuin een bijzonder zeldzaam en vruchtbeloovend boompje dag aan dag bezoekt, immer vreezende, dat men het eens door eene ruwe hand geschonden, door de vorst bevroren of door de zon verschroeid zal vinden, en zich telkens opnieuw over zijne ongestoorde frischheid verheugt, zoo kom ik tot u, niet meer om te hooren als vroeger, maar om te zien, wat de liefde is—en hoe zij zich ontwikkelt, van welke beginselen zij uitgaat en tot welke doeleinden zij voert. ’t Is zeker eene gewichtige zaak, als de Ioniërs en de Doriërs zich eindelijk tot een beslissenden strijd uitrusten; maar schier nog gewichtiger is mij de geschiedenis van uw liefdeverbond en de beslissende strijd, dien gij buiten en in u voert. Want de volkeren zijn onsterfelijk of hebben althans een lang bestaan; hunne lotgevallen kunnen altijd weder veranderen en zich vernieuwen; ’t lot van den mensch echter is in een engen kring besloten; zooals het valt, zoo blijft het meestal; want tot verandering en vernieuwing gunt de Parce geen tijd. Ik volg met belangstelling de in- en uitwendige, voortschrijdende geschiedenis uwer zoo zonderlinge, op de vrijheid gegrondveste liefde. En hoe zacht die ontwikkeling ook voortgaat, mijne zinnen zijn niet te stomp om ze op te merken.”[265]„Dus zijt gij,” zei Aspasia, „van een minnaar een toeschouwer en getuige van eene vreemde liefde geworden?”—„Sinds dien dag in het Lyceüm, waarop gij van mij wegliept en mij toeriept, dat ik aan de Chariten moest offeren,” hernam Socrates, „sinds dien dag heb ik aan de Chariten geofferd: doch te vergeefs, naar het schijnt. Niet fijner zijn mijne lippen, niet innemender mijne trekken geworden. En sinds dien tijd heb ik begrepen, dat het zelden of nooit aan één en denzelfden sterveling beschoren is de schoonheid met den geest te vatten en tegelijk met de zinnen te genieten.”Aspasia twijfelde of de gloed, dien toenmaals in de ziel van den jeugdigen denker voor een oogenblik geblaakt had, thans wel ten eenenmale was uitgedoofd.De gelegenheid scheen zich thans aan te bieden voor het sinds lang gekoesterde plan, om eene kleine wraak te nemen op den wijsgeer en hem opnieuw te deemoedigen en te beschamen.Met sluwe geveinsdheid sprak zij dus:„Dat oogenblik in het Lyceüm, waaraan gij na langen tijd nu weder herinnert, is ook uit mijne gedachte niet verdwenen, en, ik wil het eerlijk bekennen, ik betreurde menigmaal in stilte, dat ik zonder redenen en in eene verkeerde meening u heb beleedigd, toen ik mij van u verwijderde met de vermaning, dat gij aan de Chariten moest offeren; gij hebt die woorden opgevat, alsof ik had willen zeggen, dat gij, om bemind te worden, eerst de eigenschappen moest zoeken te verwerven, die beminnelijk maken. Ik had moeten bedenken, dat gij een wijsgeer zijt, wien ’t niet in den zin kon komen, ernstig naar mijne liefde te streven. Sinds dien tijd was ’t mij altijd, Socrates, alsof ik u eene voldoening schuldig was.”„Gij aan mij?” zei Socrates met een pijnlijken glimlach. „Neen, gij hebt geene verontschuldiging noodig; ik zelf meende integendeel er eene bij u noodig te hebben, sinds dat oogenblik.”[266]„Ik was toen zoo heel dwaas!” hernam Aspasia. „Zonder eenigen schroom zou ik thans mijn hoofd tegen uwe borst leggen, want thans ken ik u.”—Aspasia zat met Socrates in een vertrek, dat zeer gezellig en weelderig ingericht was en vervuld van welriekende, bedwelmende geuren, die van Aspasia zelve schenen uit te stroomen; want zij was, evenals de Goden en Godinnen van den Olympus, steeds met eene hemelsche lucht omgeven. Zij straalde van onverwelkbare, bloeiende schoonheid en een betooverende glans van opgeruimdheid lag op haar gelaat. Zij scheen in de voortreffelijkste luim te zijn—wanneer er van iets zoo onbelangrijks als luim bij Aspasia sprake mocht zijn.Eene duif vloog in de kamer rond. Het was de gevleugelde lieveling van Aspasia, een fraai diertje, met glanzend witte vederen en een bevalligen, lichtgrijzen ring om den hals.Telkens vloog de duif op den schouder van Aspasia en pikte de gewone lekkernijen tusschen de lippen der schoone weg. Nu en dan vloog zij ook op het hoofd van Socrates en ging daar zoolang zitten, dat Aspasia herhaalde malen zich verplicht achtte zelve den gast van den lastigen vogel te bevrijden, waarbij zij natuurlijk zijn hoofd moest aanraken.Toen zij nu met moeite de duif van Socrates’ schedel had weggejaagd, fladderde deze weder rond en liet zich elders neder, na vooraf haar „kir, kir” te hebben doen hooren.„Als het niet algemeen aangenomen was, dat het gekir der duiven zacht en liefelijk klinkt,” zeide Socrates, „zou ik het met mijn slechten smaak voor leelijk houden. Ik zou het een sterk onderdrukt gehinnik noemen.”„Hoe?” riep Aspasia, „gij smaadt den vogel van Aphrodite? Pas op, dat niet de vogel of de Godin zelve zich op u wreke!”„Dat hebben zij reeds te voren gedaan!” hernam Socrates.„Onnaspeurlijk is de raad der Goden,” zeide Aspasia;[267]„nu eens zijn zij ongunstig en onthouden ons hunne gaven, dan weder zijn zij genadig en schenken tienvoudig, wat zij vroeger weigerden. De luimigste echter van alle Godinnen is Aphrodite. Zij verlangt volstrekt, dat iemand, die eene gunst van haar begeert, het rechte oogenblik en de rechte luim afwacht en gedurig aanhoude. Dwaas is hij, die slechts eenmaal zijn geluk bij haar beproeft. Weet gij dat niet, Socrates? En doen de schoonen niet wellicht evenzoo als de Godinnen?”„Ik weet het niet,” hernam Socrates; „want ik heb het nooit beproefd.”„Daar hadt gij ongelijk in!” zei Aspasia. „Het is dus uwe schuld, dat gij niet weet of Aphrodite en de vrouwen u gunstig zijn of niet.”Op die zonderlinge en tergende wijze onderhield zich Aspasia met den wijze. Daarbij liefkoosde zij de duif en kuste haar. Socrates herinnerde zich niet, haar ooit zoo opgewekt tot uitgelatenheid toe gezien te hebben. Hoe dartelder en aanvalliger zij werd, des te stiller, afgetrokkener en ernstiger werd hij zelf.Wederom vloog de duif onder een gekir, dat thans veel van een schaterlach had, op den schedel van Socrates. Ditmaal echter raakte zij met de kleine nagels harer pootjes zoo vast in zijn hoofdhaar verward, dat zij niet meer los kon komen. Aspasia haastte zich haar ter hulp te komen en hare nagels uit zijne haren te bevrijden. De onmiddellijke nabijheid van een welriekend, warm, bekoorlijk vrouwenlichaam doortintelde hem van verrukking—de boezem der schoone vrouw golfde vlak voor zijn gezicht, vlak voor zijne lippen—slechts de minste beweging en zijne lippen moesten den liefelijk hijgenden boezem aanraken. Geen zeegolf ruischt zoo verleidelijk, met zulk een groot gevaar om er reddeloos in onder te gaan, als de borst eener vrouw.Socrates’ lippen waren even dicht bij deze liefelijke golf, als zij bij den rozenmond der schoone waren geweest toen de peinzende waarheidszoeker[268]in vertrouwelijk gesprek met haar in de eenzame zaal van het Lyceüm gezeten had.Slechts de kleinste beweging—en de opnieuw ontvlamde Socrates zou zich eene nieuwe beschaming, krenkender dan de vroegere in het Lyceüm, berokkend en door een nieuwe overijling van hart en zinnen den triomf der listige schoone, zijne heimelijke vijandin, voltooid hebben.—Wat ging er in de ziel van Socrates op dat oogenblik om?Rustig en kalm stond hij op en zeide:„Laat de duif, Aspasia! Ik geloof niet te duur van den wraakgierigen vogel bevrijd te zijn, als ik een lok mijner haren in zijn klauw achterlaat.„Ik begrijp het best,” hernam Aspasia op een veranderden, eenigszins spotachtigen toon, „ik begrijp het best, dat gij de kaalheid niet vreest. De kaalheid gaat immers met de wijsheid gepaard en gij zijt een volslagen wijze geworden! Zoo volmaakt wijs, dat gij verdient kaal geplukt te worden tot op uw laatste haar toe door de klauwen van den aan Aphrodite gewijden vogel.”„Kaalheid moge den wijze passen,” sprak Socrates, „weet echter, dat ik van alles zelfs van den roem der wijsheid afstand gedaan heb, en dat ik voor het oogenblik er alleen aan denk, om mijn burgerplicht te vervullen. Reeds morgen ga ik met andere burgers, die het lot heeft aangewezen, naar het leger vóór Potidaeä. Alcibiades gaat insgelijks mede.”„Van hem schijnt ge dus nog geen afstand gedaan te hebben?” vroeg Aspasia, „nadat gij, zooals gij zegt, al het andere hebt opgegeven?”—„Wij volgen te zamen de roepstem des vaderlands!” hernam Socrates. „Vindt gij dit soms niet goed? Geldt het niet de Doriërs te bestrijden?”„Zijt gij voornemens de Doriërs te bestrijden?” riep Aspasia. „Gij zijt zelf een Doriër geworden!”„Neen,” antwoordde Socrates, „ik meen een echte zoon van den peinzende Pallas Athene te zijn.”[269]„Inderdaad,” hernam Aspasia glimlachend, „gij hebt u, van Eros en de Chariten, geheel tot de koele, schier manlijke Athene gewend. Waar is die gloed gebleven, die uwe ziel in vlam zette, toen gij in het Lyceüm voor de laatste maal mij naar het wezen der liefde vroegt?”„Mijn liefdegloed, Aspasia,” antwoordde Socrates, „is hetzelfde wedervaren, als uwer schoonheid, sedert Phidias uw beeld heeft verheerlijkt in de Lemnische Aphrodite. Evenals namelijk uwe bekoorlijkheid in dat beeld het aardsche en tijdelijke overtreft, zoo is ook mijne liefde veredeld en verheerlijkt, ik zou haast zeggen, versteend geworden. Van eene gloeiende kool is zij eene ster geworden”…Op dit oogenblik fladderde de duif op Aspasia’s schouder. Welke daemon, welke ondeugende Eros stak in dien vogel.Zij raakte thans met deklauwenverward op de plaats, waar eene gesp de beide smalle einden van den chiton samenhield.Onstuimig trok de vogel met de pooten, om ze los te krijgen, tot de gesp opensprong en de slippen van het gewaad afgleden, ’t welk de schitterende witte schouders omhulde.„Offer deze vogel aan de Chariten!” sprak Socrates, wierp zijn mantel over de ontbloote schouders der schoone vrouw en ging heen.De trotsche Milesische verbleekte—zij greep onthutst met bevende hand naar een zilveren spiegel en ontdekte voor de eerste maal met schrik eene schaduw van veroudering, die over hare trekken toog.Was de schoonheid dan niet langer alvermogend? Was er iets, dat haar durfde trotseeren?Eene zachte huivering voer haar door de leden.De jonge Alcibiades was zeer in zijn schik, toen eindelijk de wensch, dien hij tegen Pericles had geuit, om op het oorlogsveld lauweren te mogen[270]plukken, vervuld werd. Hem, zoowel als Socrates, had het lot eene plaats aangewezen onder de Atheensche burgers, welke gezonden zouden worden ter belegering van de van Athene afgevallen bondstad Potidaeä.Alcibiades had tot hier toe zijne dolle levenswijze voortgezet en liet het bij voortduring niet aan stof ontbreken, die aan de praatzucht der Atheners voedsel kon verschaffen.Hij had het zoogenaamde gezelschap der Ithyphallers opgericht, waarin de overmoedigste en uitgelatenste jongelieden bijeen kwamen, om zich te zamen aan de meest teugellooze hartstochten over te geven, zooals men van een club verwachten kon, die zich naar den onreinen daemon Ityphallas noemde. Reeds het tooneel der inwijding was moedwillig en dartel in den hoogsten graad. Alleen zij werden in den kring opgenomen, die op de gunst van dien daemon in bijzondere mate meenden te kunnen bogen.Om den spot te drijven met het gebruik, dat te Athene een drinkgelag vóór het middageten verbood, legde Alcibiades met zijne vrienden slemppartijen in den morgenstond aan. In zijne overmoed liet hij zich door een voortreffelijk schilder, op den schoot eener jonge hetaere gezeten, afschilderen en heel Athene vloeide samen om het portret te zien. Hij had een hond, waarvan hij zeer veel hield, wien hij den naam van „Daemon” gaf; het was heel kluchtig om te hooren, als hij, evenals Socrates, van „zijn Daemon” sprak.Scheen het alzoo, dat de moedwil die den zoon van Clinias bezielde, zelfs Socrates trof, dit belette toch niet, dat hij dienzelfden man voor de gansche wereld zijn besten en liefsten vriend noemde. Hij droeg inderdaad den denker en waarheidszoeker nog altijd eene bijna raadselachtige soort van liefde toe, hoewel dit, naar ’t scheen, niet den minsten invloed op zijn doen en laten oefende.Toen Alcibiades naar Potidaeä trok, geschiedde ook dit niet zonder toerustingen, die stof tot spreken[271]gaven. Hij liet zich wapenen van eene bijzondere soort maken. Hij had een schild van goud en ivoor. Op het schild voerde hij als wapen een Eros, gewapend met de bliksemschicht van Zeus.Eros met de bliksemschicht! Eene schitterende gedachte, een Helleenschen kop waardig. ’t Was immers de tijd, waarin, naar ’t scheen, de bliksemschicht van Zeus zou overgaan in de handen van den gevleugelden knaap …Eenigen van Alcibiades’ vrienden trokken eveneens te velde. Zij zochten hun voorbeeld na te volgen door kostbare en bijzondere soorten van uitrustingen. De jonge Callias, de zoon van Hipponicus, trok te velde, naar men zei in een pantser, uit eene leeuwenhuid gemaakt.Er was eene vrouw te Athene, die met diepe droefheid vervuld was, toen Alcibiades op ’t punt stond de stad te verlaten; eene vrouw, die langen tijd nóch de smart had gekend, nóch de liefde; die niet alleen de banden van Hymen veracht, maar ook met de boeien van Eros had gespot, eene vrouw, die van zich zelve gezegd had: ik ben geen priesteres der liefde, alleen die van het genot.Die vrouw was Theodota. Zij was het, zooals reeds vermeld is, die de jonge Alcibiades als zijne leermeesteres beschouwde, toen hij zich in den maalstroom van ’t genot en der jeugdige brooddronkenheid stortte. Zijne ijdelheid bracht mede, dat hij boven alles de schoonste en beroemdste hetaere van Athene de zijne wilde noemen, deze Theodota, welke destijds niet meer op het glanspunt van haar bloei, maar toch nog op het toppunt van haar roem stond. Ook Theodota was trotsch op het bezit van Alcibiades en niet minder vermeerderde juist deze verovering ook weder den roep van haar naam.Een geruimen tijd verkeerde de jonge Alcibiades met geen vrouw liever, dan met de zwartoogige Corinthische, en voerde zijne vrienden zoo dikwijls mogelijk bij vroolijke en uitgelaten partijen in Theodota’s huis. Hare vroolijkheid niet minder dan hare[272]bekoorlijkheid waren de kruiderijen in den schuimenden vreugdebeker van Alcibiades en zijne makkers.Doch Theodota bleef niet altijd zoo vroolijk, als zij in ’t begin van haar omgang met Alcibiades geweest was. Te schoon was de jongeling, dan dat een vrouwenhart, al had het ook nooit bemind en de liefde voor altijd afgezworen, toch niet ten laatste het genot van zijn verkeering met hare vrijheid zou moeten betalen.Weinig had het haar in den beginne gehinderd, als haar jonge vriend ook andere vrouwen en hetaeren behalve haar toelonkte. Zij zelve had, als hij met Callias en Demus bij haar drinkgelagen hield, jeugdige en bekoorlijke vriendinnen in haar huis genoodigd.Weldra echter meende de jonge aanvoerder der Ithyphallers niet zonder misnoegen te bemerken, dat het geheele wezen der Corinthische meer en meer veranderde. Zij scheen afgetrokken, ernstig; zij zuchtte telkens, hare hartelijke opgeruimdheid scheen als ontaard in eene soort van onrust, van onstuimigheid; krampachtig sloot zij soms haar lieveling in de armen, als wilde zij hem voor altijd vasthouden; menige traan mengde zich in haren kus en als Alcibiades thans eene andere vrouw in hare tegenwoordigheid vriendelijk toelachte of liefkoosde, verbleekte zij en hare lippen bewogen zich zenuwachtig van ijverzucht.Deze verandering in het wezen van Theodota viel niet in den smaak van den dartelen jongeling, die zich overal den vreugdebeker ten boorde toe vol schonk, dien ledigde en weder verder ging.Gedaan was het voor hem thans met Theodota’s bekoorlijkheid, gedaan met hare betoovering. Somber en naargeestig scheen zij thans den jongeling.In oogenblikken, waarin zij zich aan ijverzuchtige opwellingen overgaf, wekte zij zijn toorn op; doch hij vergaf haar dit veel eerder, dan die overmaat van dweepende, in tranen uitbarstende teederheid, waarmede zij hem lastig viel.[273]Zij zwoer hem te beminnen, hem alleen toe te behooren. Het was hem onverschillig. Het volle bezit eener enkele vrouw, de hoogste behoefte voor het hart van den rijperen man, is den jeugdigen losbol zonder eenige waarde, ja zelfs lastig.Alcibiades zeide tot Theodota:„Sedert gij begonnen zijt met uwe liefdeklachten onder een stroom van tranen te kwellen, begint gij mij onuitstaanbaar te worden. Gij weet niet, hoe leelijk eene vrouw is, die in plaats van door den glans der vroolijkheid en bevalligheid te betooveren, haar gezicht laat misvormen door de trekken der ijverzucht, hare eigene wangen, of ook zelfs die van den geliefde, met een heeten tranenvloed besproeit en als een Furie niets dan heftige klachten uit. Gij verschaft mij niet langer genoegen, Theodota! Gij verveelt mij! Niet met sombere klachten en hartstochtelijke uitbarstingen kunt gij mij boeien; daarmede voedt en verergert gij alleen hetgeen u mishaagt! Zal ik zijn, die ik geweest ben, dan moet ook gij weder zijn, die gij geweest zijt!”Zij trachtte vroolijk te schijnen. Doch het mislukte haar doorgaans. Wanneer Alcibiades haar dan verstoord verliet kwam zij tot berouw, overstelpte hem met boden en brieven, snelde tot hem, smeekte hem, liet zich door den overmoedigen jongeling mishandelen …Op zekeren dag kwam Socrates ten huize van den jongen vriend en zag de vrouw in tranen badend voor den drempel van den onverbiddelijken jongeling liggen.Zij zag hem aan en herkende den man, die eens op hare blijmoedige „zelfopoffering” eene zoo zonderlinge lofrede had gehouden. Zij was tot deze zelfopoffering niet meer in staat. Zij wilde, wat zij toen zonder hinder ontbeerde: beminnen en bemind worden. Jammerend klaagde zij Socrates haar leed. Hij sprak haar woorden van troost toe en voerde haar weg.Daarop wilde hij naar Alcibiades terugkeeren, om een goed woord bij dezen voor de arme vrouw[274]te doen. Doch hij was zoo in gedachten verzonken, dat hij, bij de deur van Alcibiades gekomen, niet binnentrad, maar peinzend bleef staan: zoodat Alcibiades, toen hij uitging zijn vriend aan den drempel vond.„Waarover staat gij te peinzen?” vroeg hij.„Ik meende juist weder het wezen der liefde op ’t spoor te zijn,” antwoordde Socrates. „Ik dacht voor een oogenblik gevonden te hebben, dat het wezen der liefde daarin bestond, dat men noch tranen vergiet noch afperst—dat men noch mishandelt noch zich laat mishandelen—dat men noch vertraptnochzich laat vertrappen—maar in een enkel oogenblik is mij dit weder twijfelachtig geworden …”Toen Alcibiades naar het leger voor Potidaeä vertrok, dankte hij de Goden, aan de liefde eener vrouw ontkomen te zijn, die om zijne afwezigheid jammerde en zich de haren uit het hoofd rukte.Naeenigen tijd schreef Alcibiades uit het kamp voor Potidaeä het volgende aan Aspasia:„Gij wenscht van mij te vernemen, hoe onze Socrates het in zijn nieuw beroep maakt. Welnu, hij is in het leger voor Potidaeä precies dezelfde, als hij voor jaren in de werkplaats van Phidias is geweest. Nu eens is hij met den grootsten ijver bij de zaak, dan weder laat hij het hoofd hangen en is in ledige gepeinzen verzonken. In heldere sterrennachten, als alles rondom in de tenten sluimert, gaat Socrates rond en waakt alleen en peinst—en vraagt en zoekt—natuurlijk te vergeefs. Hij wil telkens afstand doen van meer te weten, maar onwillekeurig wordt hij steeds tot nieuw peinzen en zoeken en vragen gedrongen.„Gij hebt mij eens voor geruimen tijd, toen ik nog een jongen was en gij voor een enkelen dag een Spartaansch jongeling voorsteldet, van de vriendschapsbanden der jonge Spartanen gesproken, vriendschapsbanden, die de jongeren aan de ouderen verbinden en hen tot onafscheidelijke wapenmakkers[275]maken. Een dergelijke onscheidbare vriendschap is er thans tusschen Socrates en mij ontstaan. En waarlijk, de goede man heeft steeds overvloedige gelegenheid om te toonen, dat hij mijn vriend is. Ik heb telkens onaangenaamheden met menschen in de omliggende tenten, die niet velen kunnen, dat ik in de mijne ’s nachts met goede vrienden drink en zing omdat wij hen, zooals zij zeggen, in hun slaap storen. Ja, die oude paaien komen er zelfs bij dag tegen op, dat wij vroolijk zijn en trekken den neus op, als wij na het ontbijt nog een eindje in den dag brassen en pret maken. Zij dienen bij de strategen en taxiarchen klachten tegen ons in, en geven voor, dat wij in onze dronkenschap tegen hunne slaven en hen zelven allerlei baldadigheden plegen. Zoo is er dus altijd en eeuwig gehaspel en soms ook eene kleine kloppartij. In zulke gevallen mogen zelfs de strateeg en de taxiarch ons niet ontzien, en alleen de voorspraak van Socrates redt den een of ander uit het gevaar naar alle regelen van het gymnasium op het zand uitgestrekt of ook bont en blauw geslagen te worden.„Bovendien bevalt mij Socrates, omdat hij dat aanmatigend vertoon niet heeft, dat mij de andere sophisten, wijsgeeren en zedeprekers onuitstaanbaar maakt. Hij bezit eene soort van zielenadel en nederige voortreffelijkheid, waarvan geen mensch in gansch Hellas verder verwijderd is dan ik. Maar men bewondert het meest, wat men zelf niet heeft en juist de contrasten, naar het schijnt, trekken de menschen tot elkander. ’t Is alsof uit zijn overigens aanzienlijk uiterlijk soms stralen schieten, als de bliksem eener Godheid, en dit is met de jaren steeds krachtiger in hem geworden. Ik heb dikwijls opgemerkt, dat iemand, die door dezen bliksem werd getroffen, als geheel verlicht en verwarmd scheen: hij bloosde, zijn bloed bruiste, precies alsof hij tegenover eene betooverende vrouw stond.„Onlangs had ik eens met den jongen Callias afgesproken een klein nachtelijk avontuur te bestaan.[276]Ons speelde het Homerisch gezang2van den nachtelijken tocht van Diomedes en Odysseus door het hoofd en van den roof der schoone paarden van Rhesus. Nabij de muren van Potidaeä wilden wij een bende vijanden overvallen, neervellen en hunne wapenen als buit terugbrengen. Wij verlieten dus in stilte tegen middernacht het leger en in de nabijheid der stad gekomen, stieten wij inderdaad op een hoopje gewapenden, dat de ronde deed. Wij gingen op deze knapen los, doodden een paar van hen, terwijl de overigen de vlucht namen; dezen echter sloegen alarm, totdat anderen der hunnen toesnelden en zoo versterkt maakten zij nog eenmaal rechts-omkeert en vielen ons met groote overmacht aan. Wij hielden dapper stand; maar ik weet niet, wat er van ons geworden zou zijn, zoo niet eensklaps een man als uit den grond was verrezen, zich in het treffen had gemengd en zoo dapper en met zulk eene krachtige vuist op de Potidaeërs had ingehouwen, dat dezen, nadat eenigen hunner dappersten neergesabeld waren, het nogmaals geraden achtten het gevecht te staken en naar de muren te vluchten. Die helper was nu niemand anders dan Socrates, wien de schoone nacht naar buiten had gelokt, wel is waar niet om op avonturen, maar op gedachten jacht te maken; hij dan, buiten het kamp ronddolend, had het wapengekletter gehoord en was te rechter tijd ons ter hulp gesneld. Bij die gelegenheid heb ik weder gezien, wat die man zou kunnen doen, als hij met hart en ziel soldaat en niet daarbij nog wijsgeer was. Hij sloeg op de Potidaeërs niet minder geweldig in, dan hij vroeger op de marmerblokken in Phidias’ werkplaats hamerde. En evenals de steenen, toen hij nog steenhouwer was, het ontgelden moesten, wanneer het probleem, dat hem juist bezighield, hem groote moeilijkheden veroorzaakte, zoo moesten in dien helderen nacht de hoofden der Potidaeërs er voor boeten, dat Socrates[277]juist weder te vergeefs getracht had het wereldraadsel op te lossen. Hij kan midden in het gevecht naar het gezang van een vogel in de lucht luisteren, of, wanneer hij op wacht staat, zijne aandacht, in plaats van op de bewegingen der Potidaeërs, op die der sterren aan den hemel vestigen. Nog steeds namelijk is hij gewoon het meest alledaagsche opmerkzaam gade te slaan en als men hem er naar vraagt, antwoordt hij, dat de dingen hem spookachtig voorkomen, omdat hij ze niet begrijpt en omdat zij hem haar eigenlijk wezen niet willen openbaren.„Tegenwoordig zint hij op een plan, hoe men den oorlog onnoodig zou kunnen maken, en als hij zelf niet bezig is op de vijanden in te houwen, zet hij ons uiteen, hoe afschuwelijk die onderlinge menschenslachting is en hoe men eens over menschen, die elkander in den krijg vermoorden, niet anders zal spreken, dan men thans over menscheneters spreekt en dat er een tijd zal komen, dat men zelfs niet zal kunnen begrijpen, hoe het menschelijk geslacht zoo woest en ruw is geweest. Hij zegt, dat er een bond onder de wolken moest worden opgericht en een opperscheidsgericht ingesteld, waardoor de geschillen zouden kunnen beslecht worden. En hij is van oordeel, dat iets dergelijks reeds te bereiken ware, als slechts één of een paar staten openlijk wilden verklaren, dat zij van stonde aan in iederen oorlog de partij van den aangevallene zouden opnemen of van hem, wien onrecht wordt aangedaan. Droomerijen, een zonderling waardig! Men mag de zucht naar heldendaden, die in den mensch leeft, de vleugels niet knotten; bovendien, de wereld zou zonder haat en strijd en oorlog even vervelend zijn, als eene wereld zonder liefde.„Wat mij betreft, het krijgsmansleven schijnt mij best te bekomen. Ik ben, geloof ik, reeds veel deugdzamer geworden. Ik matig mij thans in alle dingen zóó, dat ik reeds sinds geruimen tijd met[278]mijn vriend Axiochus één gemeenschappelijk liefje heb.„Doch dat zijn dingen, die u vervelen moeten. Vaarwel, Aspasia, en schrijf mij nu eens op uwe beurt, hoe toch de stad der Atheners het zonder Alcibiades maakt.”—Een staat van kleinen omvang kan nooit een groot landleger, gemakkelijker echter eene groote vloot bezitten. Dit was de toestand van Athene, toen koning Archidamus van Sparta met zestigduizend Peloponnesiërs in Attica was gevallen. Ook de meesten der bondgenooten konden Athene alleen ter zee hulp verleenen.Terwijl de vloot uitgerust werd, vluchtte het volk door Archidamus overstroomde dorpen en vlekken naar de stad. Wat in de stad geen onderkomen kon vinden, legerde zich onder den blooten hemel tusschen de lange muren, en richtte zich daar in, zoo goed en kwaad het ging. De geheele ruimte tusschen de stad en den Piraeüs wemelde van deze gasten en er ontstond hier langzamerhand eene tentenstad; want die menschen woonden onder tenten, die onder beschutting der muren waren opgeslagen. Men zag echter de minder gegoeden hun verblijf houden in reusachtige tonnen, zooals die te Athene in gebruik waren. Van de muren der stad uit kon men de wachtvuren der Peloponnesiërs zien, die in de velden en op de wijnbergen hun kamp hadden opgeslagen. Doch, dank den ijver van Pericles, waarmede deze sedert lang de stad van versterkingen had voorzien, zag deze zich voldoende tegen elken aanval gevrijwaard. Getrouw aan zijn oorspronkelijk plan, waarvan hij zich in zijne kalme rust ook niet door het levendigst ongeduld der Atheners liet afbrengen, zond Pericles alleen de ruiterij buiten de poorten der stad, om deze en hare onmiddellijke omgeving te bewaken.Toen Archidamus van de hoogten van Attica eene trotsche vloot van honderd schepen den Piraeüs zag uitloopen en naar de Peloponnesus koers zetten, geschiedde wat Pericles vooruit had gedacht[279]en overwogen. De Peloponnesiërs, de onaantastbaar sterke stad tegenover zich ziende en tevens zich bewust, dat de onverdedigde, niet versterkte steden van hun vaderland aan de machtige vloot en de uitgelezen manschap der vijanden prijsgegeven waren, braken op, verlieten Attica en trokken terug over denIsthmus.Pericles had er van moeten afzien, om persoonlijk de uitloopende vloot aan te voeren. Want hij scheen onontbeerlijk te Athene, zoolang de Peloponnesiërs zich nog op Attischen bodem bevonden.Toen zij vertrokken waren, was Pericles’ eerste onderneming om met een klein, maar voortreffelijk uitgerust leger naar Megara op te rukken. Het verbitterde volk der Atheners vorderde gebiedend een geweldige afrekening met de gehate stad.Pericles’ afwezigheid van Athene was daarentegen menigeen wederom hooggewenscht.De uilen op de Acropolis ontwaakten in hunne schuilhoeken uit hun sluimer en sloegen de vleugels uit.Diopithes bediende zich van Meno tegen Phidias, begeerig het lang beraamde plan, om den grooten man in het verderf te storten, ten uitvoer te brengen.Een ongunstig bekend sycophant, Stephaniscus geheeten, trad op aandrijven van Diopithes als eigenlijke aanklager van Phidias op. Deze ellendeling was met eene hetaere gehuwd, die, zooals men zei, in zijn huis hare nering voortzette, terwijl hij zelf als sycophant den kost zocht te winnen. Hij beweerde in zijne brutale aanklacht, dat Phidias van het goud, ’t welk hem tot voltooiing van het standbeeld van Athene Parthenos ter hand was gesteld, een deel verduisterd en zich zelve toegeëigend had. Voorts verweet hij hem, dat hij eene, met den eerbied jegens de Goden en hunne heiligdommen onbestaanbare ijdelheid aan den dag had gelegd, door in den Amazonen-strijd op het schild der Godin zijn eigen beeld en dat van Pericles te beitelen. Als getuige voor het verduisteren van het[280]goud voerde hij Meno aan. Deze had vroeger een geruimen tijd ook herhaaldelijk in de werkplaatsen van Phidias zich opgehouden en er voor zulke giften, als men een bedelaar geeft, ondergeschikte diensten bewezen. Gedurende dien tijd nu, beweerde hij, had hij eens uit een donkeren hoek bespied, hoe Phidias, wanende niet opgemerkt te worden, van het goud, dat hem ter vervaardiging der Parthenos op den burg toevertrouwd was, een deel afgenomen en weggeborgen had, klaarblijkelijk met het doel om het zich toe te eigenen.Het zaad des lasters, sedert langen tijd door de handlangers van Diopithes, ook tegen Phidias uitgestrooid, was welig opgeschoten. En zoo vond de aanklager Stephaniscus bij het Atheensche volk een goed voorbereiden akker.De eerwaardige beeldhouwer, die zich juist weder te Athene bevond, werd op die aanklacht van Stephaniscus in den kerker geworpen.De schepper van het schoonste gedenkteeken, dat, naar Pericles zeide, het Atheensche volk zich voor alle volgende tijden had opgericht, werd op eene schandelijke beschuldiging in de gevangenis gezet.Evenals Diopithes zich de afwezigheid van Pericles ten nutte maakte, waren ook de lage, eerzuchtige opruiers des volks druk bezig, gedurende de afwezigheid van den man, die hen allen in toom hield, hun invloed onder het volk uit te breiden.Door het binnentrekken der landlieden in de stad gedurende den inval der Peloponnesiërs, was de massa van het mindere volk in Athene zeer vermeerderd. Deze menigte had zich bovendien aan zekere lediggang gewend en velen waren, ook na den terugtocht van Archidamus, in de stad achtergebleven, omdat hunne hoeven door de vijanden verwoest waren. Langzamerhand vormde zich datgene, wat men gepeupel noemt, terwijl het getal der onbemiddelde burgers toenam. Maar juist die hongerlijders stroomden het drukst naar de volksvergadering;[281]want daar kregen zij immers hunne twee obolen in contant geld. Derhalve waren de volksvergaderingen op de Pnyx talrijker bezocht en luidruchtiger dan ooit. Cleon, Lysicles en Pamphilus durfden zich meer openlijk uitspreken en het Atheensche volk werd allengs er aan gewoon lieden van dit slag het redenaarsgestoelte te zien beklimmen.Van deze drie mannen was Pamphilus het krachtigst van meening, dat men beproeven moest Pericles ten val te brengen. Eens stond hij op de Agora, omstuwd door een groot aantal Atheensche burgers, en zette hun uiteen, op welke gronden men Pericles kon aanklagen. Hij schold hem een lafaard, die het Attische land door den vijand had laten verwoesten en die den burgers tyranniek de wijze voorschreef, waarop zij zich moesten verdedigen; gedurende den geheelen tijd, dat de Peloponnesiërs op Attischen bodem gestaan hadden, had Pericles geen volksvergadering op de Pnyx bijeen geroepen, alleen om geheel naar persoonlijke willekeur te kunnen heerschen.Er bevonden zich velen onder de menigte, die van Pamphilus’ meening waren; in het bijzonder drong zich een zekere Crespilus op den voorgrond, die den worstenmaker in woest getier tegen Pericles trachtte te overtreffen en die de noodzakelijkheid aantoonde, den strateeg bij het volk onmiddellijk in staat van beschuldiging te stellen.Daar kwam plotseling de barbier Sporgilus aanloopen. „Goed nieuws!” riep hij uit de verte. „Een handvol geld voor den brenger van goede tijding!—Pericles is op de terugtocht van Megara! Hij is reeds met zijn leger in Eleusis! De Megarensers heeft hij naar behooren getuchtigd, en nog heden zal hij in Athene zijn!”Pamphilus werd bleek van gramschap.„Een handvol geld verlangt gij?” hernam hij met onderdrukte stem; „de tong moest men u uitsnijden voor uw nieuws, hondsvot!”Ook op de overige samenzweerders maakte het[282]bericht een zeer ontmoedigenden indruk, en hoewel Pamphilus ook nu nog de menigte zocht op te ruien, sloop toch de een voor, de ander na weg en men oordeelde dat het moeilijk was tegen den zegevierend terugkeerenden Pericles iets uit te richten en dat men de zaak tot eene betere gelegenheid moest uitstellen.Toen nu ook Crespilus schouderophalend wilde afdruipen, greep de vertoornde Pamphilus hem bij zijn kleed en schreeuwde: „Lafaard! Ellendige overlooper! Schaamt gij u niet enkel bij het woord: „Pericles is in aantocht!” schandelijk de vlucht te nemen?—Zie naar mij! Ik ben volstrekt niet bang Pericles in eigen persoon onder de oogen te komen! Ik heb moed! Ik ben geboren op den dag van de zege bij Marathon!”„Ik niet!” hernam Crespilus. „Ik was een der kinderen die in den schouwburg te Athene door de van schrik ontstelde moeders te vroeg ter wereld gebracht werden, toen men de Eumeniden van Aeschylus opvoerde!”—Met deze verontschuldiging rukte Crespilus zijn kleed los uit de handen van Pamphilus en ijlde weg.„Weg zijn zij,” riep de demagoog tandenknarsend, „weg zijn zij, die vervloekte kerels—uit elkander gestoven, als had men een emmer vuil water over hunne hoofden uitgestort!”Daar kwam de dolle Meno tot hem en vroeg hem naar de oorzaak zijner verbittering.Hij klaagde hem zijn nood.„Gek!” zei Meno met een grijnslach. „Wilt gij een muur omver werpen en duwt gij er te vergeefs met den schouder tegen? Leg u er onder en ga slapen: te zijner tijd valt hij van zelf over uw hoofd ineen!”[283]1Narcissus was, volgens eene vooral te Thespiae in Boeötië inheemsche legende, een schoon jongeling, de zoon van den riviergod Cephissus en de nimf Liriope, door allen bemind. Vooral de nimf Echo werd smoorlijk op hem verliefd; uit heimwee naar hem verkwijnde zij, zoodat alleen de stem van haar overbleef. Uit straf daarvoor werd Narcissus door hartstochtelijke liefde voor zijn eigen beeld verteerd, dat hij in eene bron aanschouwde. Eene andere overlevering is dat hij zich zelven doodde. Op dieplaatsontsproot de Narcissus, de doodsbloem, het symbool der vergankelijkheid en des doods, den Ondergoden gewijd.↑2Iliad. Boek X. vs. 470–515.↑
[Inhoud]XXII.STRIJD EN ZEGEPRAAL.Pericles wandelde met zijn vriend Sophocles in het vroege morgenuur op de Agora, toen Euripides, met somberen blik in gezelschap van den waarheidszoeker hen ontmoette. Een weinig verwonderd over de vele bagage, die eenige slaven achter hem droegen, bleven beiden een oogenblik staan en vroegen hem, waarom hij zoo reisvaardig was en werwaarts hij voornemens was te trekken.„Ik scheep mij in naar Salamis,” hernam Euripides. „Op dat stille eiland hoop ik eindelijk de afzondering en den vrede te vinden, waaraan ik zoo groote behoefte heb. In de grot aan het strand, waarin ik het levenslicht aanschouwde, wil ik voortaan mijn lievelingszetel opslaan en zonder gestoord te worden mij aan mijne gedachten en overpeinzingen overgeven.”[254]„Biedt dan uw landhuis u geen stilte en afzondering genoeg?” vroeg Pericles.„Spreek mij niet van het landhuis!” antwoordde de dichter gemelijk. „Dat is mij vreeselijk gehaat geworden door het toenemend aantal kikvorschen, die des avonds in den nabijzijnden vijver kwaken, doch nog meer door den zwerm van krekels, die door hun eindeloos gepiep mij dag en nacht in mijn denken en dichten storen. De oude beuzelaar Anacreon heeft ze bezongen, die „helklinkende cicaden,” ik echter verwensch ze! Mijn hoofd doet mij zeer en ik ben bijna gek geworden van het schrille rumoer dier kwelgeesten, dier piepende booze daemonen. Te vergeefs heeft mijn vriend Socrates mij een paar dagen lang geholpen ze in hunne holen te vervolgen en uit te roeien … Lacht ge er om, plaagzieke Sophocles? Ge zoudt gewis in staat zijn ons op staanden voet eene gloeiende lofrede op de krekels en kikvorschen te houden!”„Waarom niet?” hernam Sophocles glimlachend. „De geheele natuur is immers rijk aan tonen en zingt. De golven zingen, de winden zingen, de pijnboom zingt, de steen zingt, als de voet des wandelaars hem beroert. En zoo gaarne hoort het geluid zich zelf, dat het, als een andere Narcissus1, zijn eigen beeld terugkaatst in den spiegel van Echo. Daarom, mijn beste Euripides, laat ons ook de krekels en kikvorschen.…”„Daar hebben wij het!” viel Euripides den spreker met heftigheid in de rede. „O, die „vereerders van het schoone”, die „dweepers met het schoone,” die „aanbidders van het schoone”, en hoe zij zich ook willen noemen! Alles, zelfs het afzichtelijkste weten zij met het vernis van schoone woorden te bedekken, nooit durven zij den ernst des levens onpartijdig[255]in het aangezicht zien! Ik zeg u, de cicaden blijven een onverdragelijk gespuis, wat daarover ook de oude Anacreon en na hem de vrome Sophocles met hun dichterlijk gevoel gezegd hebben. Overigens zijn het, zooals gij weet, niet alleen die krekels en kikvorschen, die mijn verblijf op het Attische vasteland verbitteren. Het bevalt mij niet langer te Athene. Ik heb er geen pleizier in, ter wille van eene weggelopen vrouw de spotternijen der straatjongens te verdragen, hoe Attisch gekruid zij ook wezen mogen. Ik heb geen lust mijn leven zoo door te brengen, terwijl allerlei dreigende verschijnselen zich bovendien in de toekomst vertoonen. Waarom zijn wij toch verlichter geworden, als de zeden hoe langer zoo slechter worden?—Vaartwel! Ik ga voorloopig naar Salamis.”„Moet ons geluk dan van de plaats afhankelijk zijn?” vroeg Sophocles. „Men behoort te volharden op zijne standplaats. ’t Moet, naar mijne meening, de trots zijn van den Helleen, die al het bittere en sombere des levens, in zich zelven onveranderd te blijven, zijn opgeruimdheid en schoonheidsgevoel te behouden, als iemand, die het hoogste en beste van ’t menschelijk leven in de schoone harmonie van zijn eigen wezen vereenigt en door niets gestoord wordt in het edelste levensgenot.”„En wanneer de ouderdom tot u komt met knikkende knieën,” wierp Euripides hem tegen, „en de bronnen des genots opdrogen?”„Dan zal ik van het genot, welks bronnen opdrogen, afstand doen,” hernam Sophocles, „maar alleen, om op den vroolijken levenslust des mans, die toch altijd met eene zekere onrust gepaard gaat, de veel schoonere, waarachtiggoddelijkerust en opgeruimdheid, den Halcyonischen vrede des grijsaards te doen volgen.”„Gij spreekt als een zoon van den goeden ouden tijd,” zei Euripides, „en gijdenktniet, dat wij langzamerhand te verstandig zijn geworden, om in idyllisch-onverstoorbare opgeruimdheid voort te[256]leven.”„Wat mij betreft,” begon thans Socrates met een ernstig gelaat, „ik vind het door Sophocles uitstekend gezegd, dat wij eene schoone harmonie van ons eigen wezen moeten bewaren. Alleen zou ik wel gaarne willen hooren, ja waag ik het onzen vriend Sophocles uitdrukkelijk te vragen, of hij van „schoone harmonie” sprekend, het zedelijke op het oog heeft, of wel zich de harmonie in dien zin schoon denkt, zooals men bij voorbeeld vrouwen of werken der beeldende kunst schoon en bevallig en voor het oog streelend noemt? Of hij, om het anders uit te drukken, den klemtoon legt op het goede, dan wel op hetgeen gewoonlijk schoon genoemd wordt? En daarmede zouden wij dan weder bij die oude, zoo dikwerf tusschen ons opgeworpen en nooit opgeloste vraag terecht komen, of het schoone boven het goede, dan wel het goede boven het schoone den voorrang verdient?”—Met gespannen belangstelling zag de waarheidszoeker na deze woorden den dichter in ’t gelaat en wachtte zijn antwoord af.Op hetzelfde oogenblik echter ontstond er een rumoer en eene beweging onder het volk, dat inmiddels zich op de Agora verzameld had. Het teeken tot het begin der volksvergadering op den Pnyx was gegeven en alles toog derwaarts.„Ik wil oorlog, maar zonder Pericles!”„Ik wil oorlog, maar zonder Pericles!”Glimlachend zei Pericles, die eveneens zich gereed maakte die zelfde richting te volgen:„Ook heden, waarde zoon vanSophroniscus, zullen wij uwe lievelingsvraag niet kunnen beantwoorden. Want het volk der Atheners wordt juist op de Pnyx bijeen geroepen en daar moeten wij dringender zaken beslissen.”…Socrates stond daar, zwijgend en verslagen, als iemand, dien opnieuw juist ten ontijde de mond, om zoo te zeggen, gesnoerd was.—„Myrmecides,” zei een Atheensch burger tot zijn buurman, op het punt om de Agora te verlaten en met de overige onstuimige volksmassa de hoogte van den Pnyx te bestijgen, „wat wij heden ook[257]besluiten mogen, ik heb een voorgevoel van iets kwaads voor Hellas. Er wordt gesproken van orakels—onheilspellende orakels, ook orakels van Bacis worden er medegedeeld, die thans op eens verstaanbaar worden. Doch wat het bedenkelijkste is: gij weet dat Delos, het heilige Delos, het eiland van den Ionischen God Apollo, nooit door eene aardbeving is geteisterd geworden.”—„Nooit,” antwoordde Myrmecides; „iedere knaap weet van kindsbeen af, dat het heilige Delos als met koperen ketenen aan den bodem der zee is vastgeklonken en niet als de andere eilanden van den Archipelagos door onderaardsche beroeringen kan geschokt worden.”„Zoo geloofde men tot gisteren,” vervolgde Cynogenes; „doch gisteren is het bericht gekomen, dat eene aardbeving, die een zeer korten tijd duurde, op het eiland heeft plaats gehad en dat een dof onderaardsch gedreun zich heeft doen hooren.”„Delos geschokt?” riep Myrmecides: „dan is er niets meer dat vaststaat in Hellas!”Andere mannen voegden zich bij Myrmecides en Cynogenes en mengden zich in hun gesprek. Doch zij werden weldra gestoord en gedwongen zich om te keeren door een luid rumoer, dat achter hen op de Agora zich verhief.„Een Megarische hond!” klonk het, „een Megarische hond!—doodt hem, steenigt hem!”Eene groote, schreeuwende menigte had zich ijlings om een man verzameld, die door eenige Atheners gegrepen en onder allerlei uitdrukkingen van toorn vastgehouden werd.Het was niet de eerste maal, dat een Megarenser in onaangename verwikkelingen te Athene geraakt was. Reeds voordat de Atheensche markt en de havens van Athene aan de naburige Dorische stad ontzegd waren, was menig burger, die soms een vet gemest varken of iets anders op de markt te Athene bracht, daar schandelijk voor den gek gehouden, uitgescholden of mishandeld geworden.Tot woede echter was de verbittering bij de[258]Atheners tegen de Megarensers gestegen, sedert dezen in barbaarsche ruwheid het gewaagd hadden den van Athene naar Megara gezonden heraut dood te slaan. Sinds dien dag had het Atheensche volk gezworen elken Megarenser, die zich te Athene vertoonde, oogenblikkelijk te steenigen.De arme man smeekte om zijn leven en zwoer bij alle Goden, dat hij geen Megarenser was, dat hij uit Eleusis kwam.„Gelooft het niet!” riep de man, die hem het eerst had vastgegrepen en hem nog steeds als met ijzeren vuist omklemd hield. „Gelooft het niet! Ik ken hem! Een Megarische hond is hij—een Megarische hond!”Op dit oogenblik kwamen eenige Archonten voorbij, die, nadat zij de zaak hadden vernomen, het vermoorden van den man verhinderden, door eenige Scythische boogschutters er bij te roepen en den man gevankelijk weg te doen voeren.Boven op de Pnyx, niet verre van de plaats der volksvergadering, fluisterden drie mannen zacht maar druk met elkander. Het waren de leerlooier Cleon, de schapenkoopman Lysicles en de worsthandelaar Pamphilus. Zij schenen het onderling niet eens te zijn …Thans betraden de gezanten der Lacedaemoniërs den weg van de Pnyx, om zich naar de volksvergadering der Atheners te begeven. Zij waren gekomen om voldoening te eischen voor het hunverwanteen met hen verbonden Megara. Met vijandelijke blikken zagen deze Spartaansche mannen en het grootste deel der Atheners rondom elkander aan.Doch een oligarch fluisterde den andere zacht in het oor:„Zullen wij vrede of oorlog wenschen?”„Het ware wellicht nuttig,” hernam de andere, „wanneer de Peloponnesiërs kwamen en hier een weinig opruiming hielden …”Opgewondener dan het Atheensche volk de Pnyx bestegen had, daalde het na eenige uren weder daar af. Op de Agora vormden zich verscheidene[259]groepen.„Ik vind, dat Pericles nooit zoo voortreffelijk heeft gesproken!” riep Myrmecides. „O, die slimme vos met de leeuwenhuid! Hoe gematigd deed hij zich voor, hoe rustig, hoe vol schijnbare toegefelijkheid! Hoe scheen hij bereid tot elke mogelijke tegemoetkoming! Alleen stelde hij eischen, die men nooit zou toestaan! Welk een meesterlijke zet was het, toen hij zeide, dat Athene bereid was zijnen bondgenooten de volle vrijheid terug te geven, zoo slechts de Spartanen vooraf den hunnen hetzelfde deden!”„Ik voorspel teerlucht, riemgeplas, triërarchen-geschreeuw, Pallas-beeldenvergulderij in den Piraeüs”—zei de baardschrapper Sporgilus met een bedenkelijk gezicht.„Waarom niet, lafaard?” riepen de anderen. „Hebt gij geen lust in een vroolijk zeetochtje?”„Neen,” antwoordde Sporgilus, „de zee is toch altijd iets zilts en bitters!”„Laat u met knoflook voeren!” klonk het rondom hem, „met knoflook, lamzalige vent, zooals de hanen, om vuriger en moediger te worden!”Thans werd de stem van Cleon, de stem van den beruchten leerlooier Cleon, in eene andere dichte groep hoorbaar. „Ik wil oorlog, maar zonder Pericles!” schreeuwde hij. „De krijg mag Pericles niet nog grooter maken. Hoe zullen wij rekenschap van hem kunnen vorderen, als hij aan de spits van een leger of van eene vloot staat. Derhalve weg met Pericles! Den eisch der Spartanen, dat hij als Alcmaeönide uit Athene verbannen zou worden, dezen eisch alleen had men moeten inwilligen! Men verbanne Pericles! Pericles moet verbannen worden!”Zóó schreeuwde Cleon met heftige, lompe gebaren, terwijl hij met zijn geheele lichaam in beweging was en geen enkel oogenblik op dezelfde plaats bleef.„Oorlog, maar zonder Pericles!” herhaalde hij onophoudelijk.[260]Van dezelfde meening was Pamphilus, die echter met niet minder luid getier er bijvoegde, dat men Pericles niet moest verbannen, maar ter verantwoording roepen wegens zijn staatsbeheer en in den kerker werpen.Thans naderde de oude Cratinus met Hermippus en een derden makker, een jongeling, die in nog hoogeren graad den „Attischen blik” had dan zij beiden, en van wien het gerucht liep, dat hij eerstdaags ook met een blijspel zou optreden.„Zijt gij voor den oorlog of voor den vrede, oude Satyr?” riep een uit de menigte den ouden brasser toe.„Ik,” hernam deze, „ik ben voor gebraden hazen, wijn in de kan, zilver in de kast, vijgen in de voorraadkamer, bekranste bokken, lammergeblaat, Dionysus-feesten, verschen most, omgeworpen flesschen, mooie, hooggeschorte dansmeisjes.”„Dan zijt gij dus ook voor den vrede?”„Ja zeker, en er tegen, dat men den Megarensers de Atheensche markt ontzegt. Weest toch wijzer, gij met viooltjes omkranste Atheners! Houdt toch op, elke oude vrouw, die op de Atheensche markt komt, met argwaan aan te zien en te meenen, dat het een man en een verkleede Megarenser is! Sinds gij de Megarensers van de markt uitgesloten hebt, kan men geen goed gemest varken meer krijgen, zooals het de oude Marathon-strijders verdienen. Spoedig zal het zoover komen, dat wij gebraden krekels zullen eten. Overigens, wat zeurt en kijft gij toch over vrede en oorlog? Zijn de Spartanen met een ander bescheid uit de volksvergadering gegaan, dan met hetgeen Pericles heeft voorgesteld? Laat toch Pericles aan het roer van den staat, en de anderen, de volksmannen, de leerlooiers en schapenkoopers en worstmakers, die u den baard schrapen en de vliegen van het hoofd wegjagen en de vlokken van den mantel plukken …”Die bijtende woorden brachten Cleon’s bloed in gisting. „In één opzicht,” schreeuwde hij, „heeft Pericles gelijk gehad, toen hij het bijtend, onbeteugeld[261]gespuis der comedie-schrijvers trachtte te muilbanden—die keffers, die ieder naar de kuiten bijten.”„Ei, hoor eens dien Cleon!” riep Cratinus. „Cleon, de verschrikkelijke! Ik had stellig niet gewaagd hierheen te komen, als ik geweten had, dat de man met de gretige tanden en de vreeselijk rollende oogen er was. De leerlucht, die reeds op grooten afstand merkbaar is, had mij moeten waarschuwen.”Cleon stikte schier van gramschap. Myrmecides hield hem tegen, terwijl Cratinus voortging:„Gij noemt ons onbeteugeld, omdat wij den geesel zwaaien over de hoofden, onbekommerd wien hij treft? Treft hij niet altijd den rechten man, dan treft hij toch al licht de rechte zaak. Vraagt Zeus in den hemel wel, als hij bliksemt, waar hij treft indien de lucht maar gezuiverd wordt.”„Oude gifspuwer!” riep Cleon. „Zijt gij niet de man van wien men zegt, dat hij zijne geestdrift uit het vat tapt?”—„En gij,” hernam Cratinus, „zijt gij niet de man, die opgezwollen zijt van gif, van wien men zegt, dat u onlangs eene slang heeft gebeten, die onmiddellijk—crepeerde? Maar dat doet er niets toe. Wij nemen den strijd aan met den stank van zeehondenleer, met de verwoede blikken uit rollende oogen, met honderd roodharige Cerberus-koppen. En wanneer wij eerst met den vrouwenheld Pericles klaar zijn, dan denken wij met die halve gekken, de worstmakers, de schapenkoopers, de leerlooiers en alle „met viooltjes bekranste Atheners” wel half slapend klaar te komen.”Op deze woorden van Cratinus klonk plotseling achter eene zuil een luid, hoonend gelach. Men keek om en zag den dollen Meno achter de zuil neergehurkt zitten.„Daar hebt gij Meno!” riep de jongste der drie blijspeldichters. „De kerel ziet er zoo berooid en gemeen uit, dat Euripides hem eerstdaags ongetwijfeld tot den held van een roerend stuk zal maken!”De Atheners lachten, Meno knarste op de tanden[262]en riep: „Lompe honden! Met viooltjes bekranste honden!”Men wilde hem afranselen; doch hij hitste zijn hond tegen de aanvallers aan.Thans nam men steenen op, om ze hem naar het hoofd te werpen. In dit oogenblik echter kwam Socrates er bij, die zich over den man erbarmde en hem met zich uit het gedrang voerde.De menigte verstrooide zich daarop. Pamphilus, heftig vertoornd weggaande, kreeg Pericles in ’t oog, trad op hem toe en vervolgde hem den ganschen dag, zoo dikwijls hij hem zag, met smaadwoorden.Wederom liep hij achter hem en zeide: „Gij zijt een tyran, evenals Pisistratus! Slechts in schijn handhaaft gij de volksregeering. Inderdaad echter zijt gij het alleen, die de teugels van Athene in handen hebt.”Pericles zweeg.„Gij wilt de Atheners in een oorlog wikkelen,” vervolgde Pamphilus, „ten einde het roer in handen te houden en geen rekenschap af te leggen!”Pericles antwoordde niets.„Gij laat de verdiensten van andere mannen, die niet minder dan gij voor redenaars en volksleiders geboren zijn, geen recht wedervaren!” schreeuwde Pamphilus.Pericles bleef zwijgen.„Gij hebt uwe heerscherskunst geleerd in den omgang met Sophisten en boeleersters!—Gij hebt de kracht van het Atheensche volk door toenemende weelderigheid en verwijfdheid ontzenuwd!”—Toen Pamphilus deze woorden uitgilde, was Pericles bij zijn huis gekomen. Er heerschte reeds volkomen duisternis op de straten. Pericles had volgens Atheensch gebruik een slaaf met een brandende fakkel achter zich.De slaaf klopte aan de deur. De portier opende. Pamphilus stond er nog altijd.„Breng dezen man met uwe fakkel terug door[263]de straten; want het is zeer donker geworden!” zei Pericles tot den slaaf en ging rustig zijne woning binnen.—Nog altijd bezocht Socrates, nu eens in gezelschap van zijn boezemvriend Euripides, dan weder alleen, gedurig Pericles’ woning. Nog altijd bezocht hij Aspasia, nog altijd hield hij er veel van zich met haar te onderhouden, alleen klonken zijne woorden steeds duisterder, raadselachtiger, steeds meer als orakels.Weinige dagen na die belangrijke vergadering op de Pnyx betrad Socrates wederom het huis van Aspasia. Weldra was hij in een levendig gesprek met haar gewikkeld. Aspasia sprak met blijdschap over den ophanden zijnden strijd met de Doriërs, doch met weerzin en afkeuring over de partijschappen op de Agora, over de vijandelijke plannen van denErechtheüs-priester, over de kuiperijen der Laconisten, over de ruwheid der demagogen. „Ter wille van die barbaarschgezinde mannen,” zeide zij, „zullen wij wellicht spoedig den tanenden bloei van Hellas aanschouwen.”„Den tanenden bloei van Hellas!” riep Socrates. „Hoe is dat mogelijk? Gij vergist u zeker! Hoe lang toch is het geleden, dat gij zeidet, dat Hellas zijn heerlijksten bloei naderde? Sinds dien dag, toen wij in feestvreugde op de Acropolis voor het voltooide Parthenon stonden en ik reeds het oogenblik van dien hoogsten bloei gekomen achtte, gij echter beweerdet, dat onze kunst wel is waar bijna goddelijk was geworden, maar dat er nog veel aan ontbrak, om ook ons leven geheel en al in elk opzicht tot het schoone op te voeren—sinds dien dag zag ik met gespannen verwachting naar het beloofde oogenblik van den heerlijksten bloei uit en wacht daarop met ongeduld. En daar ik van bloemen in het Oosten gehoord heb, die slechts in één enkelen nacht, heimelijk door de oogen van Zeus bestraald, haar wonderkelk ten volle ontplooien, dacht ik, dat de bloeitijd der stervelingen misschien ook van dien aard[264]was, en deze gedachte liet mij, om zoo te zeggen, ook des nachts geen rust; ik vreesde steeds, dat ik slapend het schoonste oogenblik zou kunnen verzuimen. Bijzonder echter heb ik dat gansch nieuw en merkwaardig liefde- en huwelijksverbond, ’t welk Pericles en gij vóór mijn beeld der Chariten op den burg gesloten hebt, steeds in gedachte gehouden; want als dit gelukte scheen mij juist de schoonste bloei van het Helleensche leven verzekerd. En daar gij ons, die om u stonden, toen uitdrukkelijk tot getuigen riept, heb ik mijn plicht als zoodanig voortdurend trouw bij u vervuld; want ik heb het ernstig opgenomen en ik achtte mij geroepen, niet alleen voor een oogenblik, maar voor altijd, een nauwlettend getuige te zijn van dat wondervolle verbond. Evenals men in een tuin een bijzonder zeldzaam en vruchtbeloovend boompje dag aan dag bezoekt, immer vreezende, dat men het eens door eene ruwe hand geschonden, door de vorst bevroren of door de zon verschroeid zal vinden, en zich telkens opnieuw over zijne ongestoorde frischheid verheugt, zoo kom ik tot u, niet meer om te hooren als vroeger, maar om te zien, wat de liefde is—en hoe zij zich ontwikkelt, van welke beginselen zij uitgaat en tot welke doeleinden zij voert. ’t Is zeker eene gewichtige zaak, als de Ioniërs en de Doriërs zich eindelijk tot een beslissenden strijd uitrusten; maar schier nog gewichtiger is mij de geschiedenis van uw liefdeverbond en de beslissende strijd, dien gij buiten en in u voert. Want de volkeren zijn onsterfelijk of hebben althans een lang bestaan; hunne lotgevallen kunnen altijd weder veranderen en zich vernieuwen; ’t lot van den mensch echter is in een engen kring besloten; zooals het valt, zoo blijft het meestal; want tot verandering en vernieuwing gunt de Parce geen tijd. Ik volg met belangstelling de in- en uitwendige, voortschrijdende geschiedenis uwer zoo zonderlinge, op de vrijheid gegrondveste liefde. En hoe zacht die ontwikkeling ook voortgaat, mijne zinnen zijn niet te stomp om ze op te merken.”[265]„Dus zijt gij,” zei Aspasia, „van een minnaar een toeschouwer en getuige van eene vreemde liefde geworden?”—„Sinds dien dag in het Lyceüm, waarop gij van mij wegliept en mij toeriept, dat ik aan de Chariten moest offeren,” hernam Socrates, „sinds dien dag heb ik aan de Chariten geofferd: doch te vergeefs, naar het schijnt. Niet fijner zijn mijne lippen, niet innemender mijne trekken geworden. En sinds dien tijd heb ik begrepen, dat het zelden of nooit aan één en denzelfden sterveling beschoren is de schoonheid met den geest te vatten en tegelijk met de zinnen te genieten.”Aspasia twijfelde of de gloed, dien toenmaals in de ziel van den jeugdigen denker voor een oogenblik geblaakt had, thans wel ten eenenmale was uitgedoofd.De gelegenheid scheen zich thans aan te bieden voor het sinds lang gekoesterde plan, om eene kleine wraak te nemen op den wijsgeer en hem opnieuw te deemoedigen en te beschamen.Met sluwe geveinsdheid sprak zij dus:„Dat oogenblik in het Lyceüm, waaraan gij na langen tijd nu weder herinnert, is ook uit mijne gedachte niet verdwenen, en, ik wil het eerlijk bekennen, ik betreurde menigmaal in stilte, dat ik zonder redenen en in eene verkeerde meening u heb beleedigd, toen ik mij van u verwijderde met de vermaning, dat gij aan de Chariten moest offeren; gij hebt die woorden opgevat, alsof ik had willen zeggen, dat gij, om bemind te worden, eerst de eigenschappen moest zoeken te verwerven, die beminnelijk maken. Ik had moeten bedenken, dat gij een wijsgeer zijt, wien ’t niet in den zin kon komen, ernstig naar mijne liefde te streven. Sinds dien tijd was ’t mij altijd, Socrates, alsof ik u eene voldoening schuldig was.”„Gij aan mij?” zei Socrates met een pijnlijken glimlach. „Neen, gij hebt geene verontschuldiging noodig; ik zelf meende integendeel er eene bij u noodig te hebben, sinds dat oogenblik.”[266]„Ik was toen zoo heel dwaas!” hernam Aspasia. „Zonder eenigen schroom zou ik thans mijn hoofd tegen uwe borst leggen, want thans ken ik u.”—Aspasia zat met Socrates in een vertrek, dat zeer gezellig en weelderig ingericht was en vervuld van welriekende, bedwelmende geuren, die van Aspasia zelve schenen uit te stroomen; want zij was, evenals de Goden en Godinnen van den Olympus, steeds met eene hemelsche lucht omgeven. Zij straalde van onverwelkbare, bloeiende schoonheid en een betooverende glans van opgeruimdheid lag op haar gelaat. Zij scheen in de voortreffelijkste luim te zijn—wanneer er van iets zoo onbelangrijks als luim bij Aspasia sprake mocht zijn.Eene duif vloog in de kamer rond. Het was de gevleugelde lieveling van Aspasia, een fraai diertje, met glanzend witte vederen en een bevalligen, lichtgrijzen ring om den hals.Telkens vloog de duif op den schouder van Aspasia en pikte de gewone lekkernijen tusschen de lippen der schoone weg. Nu en dan vloog zij ook op het hoofd van Socrates en ging daar zoolang zitten, dat Aspasia herhaalde malen zich verplicht achtte zelve den gast van den lastigen vogel te bevrijden, waarbij zij natuurlijk zijn hoofd moest aanraken.Toen zij nu met moeite de duif van Socrates’ schedel had weggejaagd, fladderde deze weder rond en liet zich elders neder, na vooraf haar „kir, kir” te hebben doen hooren.„Als het niet algemeen aangenomen was, dat het gekir der duiven zacht en liefelijk klinkt,” zeide Socrates, „zou ik het met mijn slechten smaak voor leelijk houden. Ik zou het een sterk onderdrukt gehinnik noemen.”„Hoe?” riep Aspasia, „gij smaadt den vogel van Aphrodite? Pas op, dat niet de vogel of de Godin zelve zich op u wreke!”„Dat hebben zij reeds te voren gedaan!” hernam Socrates.„Onnaspeurlijk is de raad der Goden,” zeide Aspasia;[267]„nu eens zijn zij ongunstig en onthouden ons hunne gaven, dan weder zijn zij genadig en schenken tienvoudig, wat zij vroeger weigerden. De luimigste echter van alle Godinnen is Aphrodite. Zij verlangt volstrekt, dat iemand, die eene gunst van haar begeert, het rechte oogenblik en de rechte luim afwacht en gedurig aanhoude. Dwaas is hij, die slechts eenmaal zijn geluk bij haar beproeft. Weet gij dat niet, Socrates? En doen de schoonen niet wellicht evenzoo als de Godinnen?”„Ik weet het niet,” hernam Socrates; „want ik heb het nooit beproefd.”„Daar hadt gij ongelijk in!” zei Aspasia. „Het is dus uwe schuld, dat gij niet weet of Aphrodite en de vrouwen u gunstig zijn of niet.”Op die zonderlinge en tergende wijze onderhield zich Aspasia met den wijze. Daarbij liefkoosde zij de duif en kuste haar. Socrates herinnerde zich niet, haar ooit zoo opgewekt tot uitgelatenheid toe gezien te hebben. Hoe dartelder en aanvalliger zij werd, des te stiller, afgetrokkener en ernstiger werd hij zelf.Wederom vloog de duif onder een gekir, dat thans veel van een schaterlach had, op den schedel van Socrates. Ditmaal echter raakte zij met de kleine nagels harer pootjes zoo vast in zijn hoofdhaar verward, dat zij niet meer los kon komen. Aspasia haastte zich haar ter hulp te komen en hare nagels uit zijne haren te bevrijden. De onmiddellijke nabijheid van een welriekend, warm, bekoorlijk vrouwenlichaam doortintelde hem van verrukking—de boezem der schoone vrouw golfde vlak voor zijn gezicht, vlak voor zijne lippen—slechts de minste beweging en zijne lippen moesten den liefelijk hijgenden boezem aanraken. Geen zeegolf ruischt zoo verleidelijk, met zulk een groot gevaar om er reddeloos in onder te gaan, als de borst eener vrouw.Socrates’ lippen waren even dicht bij deze liefelijke golf, als zij bij den rozenmond der schoone waren geweest toen de peinzende waarheidszoeker[268]in vertrouwelijk gesprek met haar in de eenzame zaal van het Lyceüm gezeten had.Slechts de kleinste beweging—en de opnieuw ontvlamde Socrates zou zich eene nieuwe beschaming, krenkender dan de vroegere in het Lyceüm, berokkend en door een nieuwe overijling van hart en zinnen den triomf der listige schoone, zijne heimelijke vijandin, voltooid hebben.—Wat ging er in de ziel van Socrates op dat oogenblik om?Rustig en kalm stond hij op en zeide:„Laat de duif, Aspasia! Ik geloof niet te duur van den wraakgierigen vogel bevrijd te zijn, als ik een lok mijner haren in zijn klauw achterlaat.„Ik begrijp het best,” hernam Aspasia op een veranderden, eenigszins spotachtigen toon, „ik begrijp het best, dat gij de kaalheid niet vreest. De kaalheid gaat immers met de wijsheid gepaard en gij zijt een volslagen wijze geworden! Zoo volmaakt wijs, dat gij verdient kaal geplukt te worden tot op uw laatste haar toe door de klauwen van den aan Aphrodite gewijden vogel.”„Kaalheid moge den wijze passen,” sprak Socrates, „weet echter, dat ik van alles zelfs van den roem der wijsheid afstand gedaan heb, en dat ik voor het oogenblik er alleen aan denk, om mijn burgerplicht te vervullen. Reeds morgen ga ik met andere burgers, die het lot heeft aangewezen, naar het leger vóór Potidaeä. Alcibiades gaat insgelijks mede.”„Van hem schijnt ge dus nog geen afstand gedaan te hebben?” vroeg Aspasia, „nadat gij, zooals gij zegt, al het andere hebt opgegeven?”—„Wij volgen te zamen de roepstem des vaderlands!” hernam Socrates. „Vindt gij dit soms niet goed? Geldt het niet de Doriërs te bestrijden?”„Zijt gij voornemens de Doriërs te bestrijden?” riep Aspasia. „Gij zijt zelf een Doriër geworden!”„Neen,” antwoordde Socrates, „ik meen een echte zoon van den peinzende Pallas Athene te zijn.”[269]„Inderdaad,” hernam Aspasia glimlachend, „gij hebt u, van Eros en de Chariten, geheel tot de koele, schier manlijke Athene gewend. Waar is die gloed gebleven, die uwe ziel in vlam zette, toen gij in het Lyceüm voor de laatste maal mij naar het wezen der liefde vroegt?”„Mijn liefdegloed, Aspasia,” antwoordde Socrates, „is hetzelfde wedervaren, als uwer schoonheid, sedert Phidias uw beeld heeft verheerlijkt in de Lemnische Aphrodite. Evenals namelijk uwe bekoorlijkheid in dat beeld het aardsche en tijdelijke overtreft, zoo is ook mijne liefde veredeld en verheerlijkt, ik zou haast zeggen, versteend geworden. Van eene gloeiende kool is zij eene ster geworden”…Op dit oogenblik fladderde de duif op Aspasia’s schouder. Welke daemon, welke ondeugende Eros stak in dien vogel.Zij raakte thans met deklauwenverward op de plaats, waar eene gesp de beide smalle einden van den chiton samenhield.Onstuimig trok de vogel met de pooten, om ze los te krijgen, tot de gesp opensprong en de slippen van het gewaad afgleden, ’t welk de schitterende witte schouders omhulde.„Offer deze vogel aan de Chariten!” sprak Socrates, wierp zijn mantel over de ontbloote schouders der schoone vrouw en ging heen.De trotsche Milesische verbleekte—zij greep onthutst met bevende hand naar een zilveren spiegel en ontdekte voor de eerste maal met schrik eene schaduw van veroudering, die over hare trekken toog.Was de schoonheid dan niet langer alvermogend? Was er iets, dat haar durfde trotseeren?Eene zachte huivering voer haar door de leden.De jonge Alcibiades was zeer in zijn schik, toen eindelijk de wensch, dien hij tegen Pericles had geuit, om op het oorlogsveld lauweren te mogen[270]plukken, vervuld werd. Hem, zoowel als Socrates, had het lot eene plaats aangewezen onder de Atheensche burgers, welke gezonden zouden worden ter belegering van de van Athene afgevallen bondstad Potidaeä.Alcibiades had tot hier toe zijne dolle levenswijze voortgezet en liet het bij voortduring niet aan stof ontbreken, die aan de praatzucht der Atheners voedsel kon verschaffen.Hij had het zoogenaamde gezelschap der Ithyphallers opgericht, waarin de overmoedigste en uitgelatenste jongelieden bijeen kwamen, om zich te zamen aan de meest teugellooze hartstochten over te geven, zooals men van een club verwachten kon, die zich naar den onreinen daemon Ityphallas noemde. Reeds het tooneel der inwijding was moedwillig en dartel in den hoogsten graad. Alleen zij werden in den kring opgenomen, die op de gunst van dien daemon in bijzondere mate meenden te kunnen bogen.Om den spot te drijven met het gebruik, dat te Athene een drinkgelag vóór het middageten verbood, legde Alcibiades met zijne vrienden slemppartijen in den morgenstond aan. In zijne overmoed liet hij zich door een voortreffelijk schilder, op den schoot eener jonge hetaere gezeten, afschilderen en heel Athene vloeide samen om het portret te zien. Hij had een hond, waarvan hij zeer veel hield, wien hij den naam van „Daemon” gaf; het was heel kluchtig om te hooren, als hij, evenals Socrates, van „zijn Daemon” sprak.Scheen het alzoo, dat de moedwil die den zoon van Clinias bezielde, zelfs Socrates trof, dit belette toch niet, dat hij dienzelfden man voor de gansche wereld zijn besten en liefsten vriend noemde. Hij droeg inderdaad den denker en waarheidszoeker nog altijd eene bijna raadselachtige soort van liefde toe, hoewel dit, naar ’t scheen, niet den minsten invloed op zijn doen en laten oefende.Toen Alcibiades naar Potidaeä trok, geschiedde ook dit niet zonder toerustingen, die stof tot spreken[271]gaven. Hij liet zich wapenen van eene bijzondere soort maken. Hij had een schild van goud en ivoor. Op het schild voerde hij als wapen een Eros, gewapend met de bliksemschicht van Zeus.Eros met de bliksemschicht! Eene schitterende gedachte, een Helleenschen kop waardig. ’t Was immers de tijd, waarin, naar ’t scheen, de bliksemschicht van Zeus zou overgaan in de handen van den gevleugelden knaap …Eenigen van Alcibiades’ vrienden trokken eveneens te velde. Zij zochten hun voorbeeld na te volgen door kostbare en bijzondere soorten van uitrustingen. De jonge Callias, de zoon van Hipponicus, trok te velde, naar men zei in een pantser, uit eene leeuwenhuid gemaakt.Er was eene vrouw te Athene, die met diepe droefheid vervuld was, toen Alcibiades op ’t punt stond de stad te verlaten; eene vrouw, die langen tijd nóch de smart had gekend, nóch de liefde; die niet alleen de banden van Hymen veracht, maar ook met de boeien van Eros had gespot, eene vrouw, die van zich zelve gezegd had: ik ben geen priesteres der liefde, alleen die van het genot.Die vrouw was Theodota. Zij was het, zooals reeds vermeld is, die de jonge Alcibiades als zijne leermeesteres beschouwde, toen hij zich in den maalstroom van ’t genot en der jeugdige brooddronkenheid stortte. Zijne ijdelheid bracht mede, dat hij boven alles de schoonste en beroemdste hetaere van Athene de zijne wilde noemen, deze Theodota, welke destijds niet meer op het glanspunt van haar bloei, maar toch nog op het toppunt van haar roem stond. Ook Theodota was trotsch op het bezit van Alcibiades en niet minder vermeerderde juist deze verovering ook weder den roep van haar naam.Een geruimen tijd verkeerde de jonge Alcibiades met geen vrouw liever, dan met de zwartoogige Corinthische, en voerde zijne vrienden zoo dikwijls mogelijk bij vroolijke en uitgelaten partijen in Theodota’s huis. Hare vroolijkheid niet minder dan hare[272]bekoorlijkheid waren de kruiderijen in den schuimenden vreugdebeker van Alcibiades en zijne makkers.Doch Theodota bleef niet altijd zoo vroolijk, als zij in ’t begin van haar omgang met Alcibiades geweest was. Te schoon was de jongeling, dan dat een vrouwenhart, al had het ook nooit bemind en de liefde voor altijd afgezworen, toch niet ten laatste het genot van zijn verkeering met hare vrijheid zou moeten betalen.Weinig had het haar in den beginne gehinderd, als haar jonge vriend ook andere vrouwen en hetaeren behalve haar toelonkte. Zij zelve had, als hij met Callias en Demus bij haar drinkgelagen hield, jeugdige en bekoorlijke vriendinnen in haar huis genoodigd.Weldra echter meende de jonge aanvoerder der Ithyphallers niet zonder misnoegen te bemerken, dat het geheele wezen der Corinthische meer en meer veranderde. Zij scheen afgetrokken, ernstig; zij zuchtte telkens, hare hartelijke opgeruimdheid scheen als ontaard in eene soort van onrust, van onstuimigheid; krampachtig sloot zij soms haar lieveling in de armen, als wilde zij hem voor altijd vasthouden; menige traan mengde zich in haren kus en als Alcibiades thans eene andere vrouw in hare tegenwoordigheid vriendelijk toelachte of liefkoosde, verbleekte zij en hare lippen bewogen zich zenuwachtig van ijverzucht.Deze verandering in het wezen van Theodota viel niet in den smaak van den dartelen jongeling, die zich overal den vreugdebeker ten boorde toe vol schonk, dien ledigde en weder verder ging.Gedaan was het voor hem thans met Theodota’s bekoorlijkheid, gedaan met hare betoovering. Somber en naargeestig scheen zij thans den jongeling.In oogenblikken, waarin zij zich aan ijverzuchtige opwellingen overgaf, wekte zij zijn toorn op; doch hij vergaf haar dit veel eerder, dan die overmaat van dweepende, in tranen uitbarstende teederheid, waarmede zij hem lastig viel.[273]Zij zwoer hem te beminnen, hem alleen toe te behooren. Het was hem onverschillig. Het volle bezit eener enkele vrouw, de hoogste behoefte voor het hart van den rijperen man, is den jeugdigen losbol zonder eenige waarde, ja zelfs lastig.Alcibiades zeide tot Theodota:„Sedert gij begonnen zijt met uwe liefdeklachten onder een stroom van tranen te kwellen, begint gij mij onuitstaanbaar te worden. Gij weet niet, hoe leelijk eene vrouw is, die in plaats van door den glans der vroolijkheid en bevalligheid te betooveren, haar gezicht laat misvormen door de trekken der ijverzucht, hare eigene wangen, of ook zelfs die van den geliefde, met een heeten tranenvloed besproeit en als een Furie niets dan heftige klachten uit. Gij verschaft mij niet langer genoegen, Theodota! Gij verveelt mij! Niet met sombere klachten en hartstochtelijke uitbarstingen kunt gij mij boeien; daarmede voedt en verergert gij alleen hetgeen u mishaagt! Zal ik zijn, die ik geweest ben, dan moet ook gij weder zijn, die gij geweest zijt!”Zij trachtte vroolijk te schijnen. Doch het mislukte haar doorgaans. Wanneer Alcibiades haar dan verstoord verliet kwam zij tot berouw, overstelpte hem met boden en brieven, snelde tot hem, smeekte hem, liet zich door den overmoedigen jongeling mishandelen …Op zekeren dag kwam Socrates ten huize van den jongen vriend en zag de vrouw in tranen badend voor den drempel van den onverbiddelijken jongeling liggen.Zij zag hem aan en herkende den man, die eens op hare blijmoedige „zelfopoffering” eene zoo zonderlinge lofrede had gehouden. Zij was tot deze zelfopoffering niet meer in staat. Zij wilde, wat zij toen zonder hinder ontbeerde: beminnen en bemind worden. Jammerend klaagde zij Socrates haar leed. Hij sprak haar woorden van troost toe en voerde haar weg.Daarop wilde hij naar Alcibiades terugkeeren, om een goed woord bij dezen voor de arme vrouw[274]te doen. Doch hij was zoo in gedachten verzonken, dat hij, bij de deur van Alcibiades gekomen, niet binnentrad, maar peinzend bleef staan: zoodat Alcibiades, toen hij uitging zijn vriend aan den drempel vond.„Waarover staat gij te peinzen?” vroeg hij.„Ik meende juist weder het wezen der liefde op ’t spoor te zijn,” antwoordde Socrates. „Ik dacht voor een oogenblik gevonden te hebben, dat het wezen der liefde daarin bestond, dat men noch tranen vergiet noch afperst—dat men noch mishandelt noch zich laat mishandelen—dat men noch vertraptnochzich laat vertrappen—maar in een enkel oogenblik is mij dit weder twijfelachtig geworden …”Toen Alcibiades naar het leger voor Potidaeä vertrok, dankte hij de Goden, aan de liefde eener vrouw ontkomen te zijn, die om zijne afwezigheid jammerde en zich de haren uit het hoofd rukte.Naeenigen tijd schreef Alcibiades uit het kamp voor Potidaeä het volgende aan Aspasia:„Gij wenscht van mij te vernemen, hoe onze Socrates het in zijn nieuw beroep maakt. Welnu, hij is in het leger voor Potidaeä precies dezelfde, als hij voor jaren in de werkplaats van Phidias is geweest. Nu eens is hij met den grootsten ijver bij de zaak, dan weder laat hij het hoofd hangen en is in ledige gepeinzen verzonken. In heldere sterrennachten, als alles rondom in de tenten sluimert, gaat Socrates rond en waakt alleen en peinst—en vraagt en zoekt—natuurlijk te vergeefs. Hij wil telkens afstand doen van meer te weten, maar onwillekeurig wordt hij steeds tot nieuw peinzen en zoeken en vragen gedrongen.„Gij hebt mij eens voor geruimen tijd, toen ik nog een jongen was en gij voor een enkelen dag een Spartaansch jongeling voorsteldet, van de vriendschapsbanden der jonge Spartanen gesproken, vriendschapsbanden, die de jongeren aan de ouderen verbinden en hen tot onafscheidelijke wapenmakkers[275]maken. Een dergelijke onscheidbare vriendschap is er thans tusschen Socrates en mij ontstaan. En waarlijk, de goede man heeft steeds overvloedige gelegenheid om te toonen, dat hij mijn vriend is. Ik heb telkens onaangenaamheden met menschen in de omliggende tenten, die niet velen kunnen, dat ik in de mijne ’s nachts met goede vrienden drink en zing omdat wij hen, zooals zij zeggen, in hun slaap storen. Ja, die oude paaien komen er zelfs bij dag tegen op, dat wij vroolijk zijn en trekken den neus op, als wij na het ontbijt nog een eindje in den dag brassen en pret maken. Zij dienen bij de strategen en taxiarchen klachten tegen ons in, en geven voor, dat wij in onze dronkenschap tegen hunne slaven en hen zelven allerlei baldadigheden plegen. Zoo is er dus altijd en eeuwig gehaspel en soms ook eene kleine kloppartij. In zulke gevallen mogen zelfs de strateeg en de taxiarch ons niet ontzien, en alleen de voorspraak van Socrates redt den een of ander uit het gevaar naar alle regelen van het gymnasium op het zand uitgestrekt of ook bont en blauw geslagen te worden.„Bovendien bevalt mij Socrates, omdat hij dat aanmatigend vertoon niet heeft, dat mij de andere sophisten, wijsgeeren en zedeprekers onuitstaanbaar maakt. Hij bezit eene soort van zielenadel en nederige voortreffelijkheid, waarvan geen mensch in gansch Hellas verder verwijderd is dan ik. Maar men bewondert het meest, wat men zelf niet heeft en juist de contrasten, naar het schijnt, trekken de menschen tot elkander. ’t Is alsof uit zijn overigens aanzienlijk uiterlijk soms stralen schieten, als de bliksem eener Godheid, en dit is met de jaren steeds krachtiger in hem geworden. Ik heb dikwijls opgemerkt, dat iemand, die door dezen bliksem werd getroffen, als geheel verlicht en verwarmd scheen: hij bloosde, zijn bloed bruiste, precies alsof hij tegenover eene betooverende vrouw stond.„Onlangs had ik eens met den jongen Callias afgesproken een klein nachtelijk avontuur te bestaan.[276]Ons speelde het Homerisch gezang2van den nachtelijken tocht van Diomedes en Odysseus door het hoofd en van den roof der schoone paarden van Rhesus. Nabij de muren van Potidaeä wilden wij een bende vijanden overvallen, neervellen en hunne wapenen als buit terugbrengen. Wij verlieten dus in stilte tegen middernacht het leger en in de nabijheid der stad gekomen, stieten wij inderdaad op een hoopje gewapenden, dat de ronde deed. Wij gingen op deze knapen los, doodden een paar van hen, terwijl de overigen de vlucht namen; dezen echter sloegen alarm, totdat anderen der hunnen toesnelden en zoo versterkt maakten zij nog eenmaal rechts-omkeert en vielen ons met groote overmacht aan. Wij hielden dapper stand; maar ik weet niet, wat er van ons geworden zou zijn, zoo niet eensklaps een man als uit den grond was verrezen, zich in het treffen had gemengd en zoo dapper en met zulk eene krachtige vuist op de Potidaeërs had ingehouwen, dat dezen, nadat eenigen hunner dappersten neergesabeld waren, het nogmaals geraden achtten het gevecht te staken en naar de muren te vluchten. Die helper was nu niemand anders dan Socrates, wien de schoone nacht naar buiten had gelokt, wel is waar niet om op avonturen, maar op gedachten jacht te maken; hij dan, buiten het kamp ronddolend, had het wapengekletter gehoord en was te rechter tijd ons ter hulp gesneld. Bij die gelegenheid heb ik weder gezien, wat die man zou kunnen doen, als hij met hart en ziel soldaat en niet daarbij nog wijsgeer was. Hij sloeg op de Potidaeërs niet minder geweldig in, dan hij vroeger op de marmerblokken in Phidias’ werkplaats hamerde. En evenals de steenen, toen hij nog steenhouwer was, het ontgelden moesten, wanneer het probleem, dat hem juist bezighield, hem groote moeilijkheden veroorzaakte, zoo moesten in dien helderen nacht de hoofden der Potidaeërs er voor boeten, dat Socrates[277]juist weder te vergeefs getracht had het wereldraadsel op te lossen. Hij kan midden in het gevecht naar het gezang van een vogel in de lucht luisteren, of, wanneer hij op wacht staat, zijne aandacht, in plaats van op de bewegingen der Potidaeërs, op die der sterren aan den hemel vestigen. Nog steeds namelijk is hij gewoon het meest alledaagsche opmerkzaam gade te slaan en als men hem er naar vraagt, antwoordt hij, dat de dingen hem spookachtig voorkomen, omdat hij ze niet begrijpt en omdat zij hem haar eigenlijk wezen niet willen openbaren.„Tegenwoordig zint hij op een plan, hoe men den oorlog onnoodig zou kunnen maken, en als hij zelf niet bezig is op de vijanden in te houwen, zet hij ons uiteen, hoe afschuwelijk die onderlinge menschenslachting is en hoe men eens over menschen, die elkander in den krijg vermoorden, niet anders zal spreken, dan men thans over menscheneters spreekt en dat er een tijd zal komen, dat men zelfs niet zal kunnen begrijpen, hoe het menschelijk geslacht zoo woest en ruw is geweest. Hij zegt, dat er een bond onder de wolken moest worden opgericht en een opperscheidsgericht ingesteld, waardoor de geschillen zouden kunnen beslecht worden. En hij is van oordeel, dat iets dergelijks reeds te bereiken ware, als slechts één of een paar staten openlijk wilden verklaren, dat zij van stonde aan in iederen oorlog de partij van den aangevallene zouden opnemen of van hem, wien onrecht wordt aangedaan. Droomerijen, een zonderling waardig! Men mag de zucht naar heldendaden, die in den mensch leeft, de vleugels niet knotten; bovendien, de wereld zou zonder haat en strijd en oorlog even vervelend zijn, als eene wereld zonder liefde.„Wat mij betreft, het krijgsmansleven schijnt mij best te bekomen. Ik ben, geloof ik, reeds veel deugdzamer geworden. Ik matig mij thans in alle dingen zóó, dat ik reeds sinds geruimen tijd met[278]mijn vriend Axiochus één gemeenschappelijk liefje heb.„Doch dat zijn dingen, die u vervelen moeten. Vaarwel, Aspasia, en schrijf mij nu eens op uwe beurt, hoe toch de stad der Atheners het zonder Alcibiades maakt.”—Een staat van kleinen omvang kan nooit een groot landleger, gemakkelijker echter eene groote vloot bezitten. Dit was de toestand van Athene, toen koning Archidamus van Sparta met zestigduizend Peloponnesiërs in Attica was gevallen. Ook de meesten der bondgenooten konden Athene alleen ter zee hulp verleenen.Terwijl de vloot uitgerust werd, vluchtte het volk door Archidamus overstroomde dorpen en vlekken naar de stad. Wat in de stad geen onderkomen kon vinden, legerde zich onder den blooten hemel tusschen de lange muren, en richtte zich daar in, zoo goed en kwaad het ging. De geheele ruimte tusschen de stad en den Piraeüs wemelde van deze gasten en er ontstond hier langzamerhand eene tentenstad; want die menschen woonden onder tenten, die onder beschutting der muren waren opgeslagen. Men zag echter de minder gegoeden hun verblijf houden in reusachtige tonnen, zooals die te Athene in gebruik waren. Van de muren der stad uit kon men de wachtvuren der Peloponnesiërs zien, die in de velden en op de wijnbergen hun kamp hadden opgeslagen. Doch, dank den ijver van Pericles, waarmede deze sedert lang de stad van versterkingen had voorzien, zag deze zich voldoende tegen elken aanval gevrijwaard. Getrouw aan zijn oorspronkelijk plan, waarvan hij zich in zijne kalme rust ook niet door het levendigst ongeduld der Atheners liet afbrengen, zond Pericles alleen de ruiterij buiten de poorten der stad, om deze en hare onmiddellijke omgeving te bewaken.Toen Archidamus van de hoogten van Attica eene trotsche vloot van honderd schepen den Piraeüs zag uitloopen en naar de Peloponnesus koers zetten, geschiedde wat Pericles vooruit had gedacht[279]en overwogen. De Peloponnesiërs, de onaantastbaar sterke stad tegenover zich ziende en tevens zich bewust, dat de onverdedigde, niet versterkte steden van hun vaderland aan de machtige vloot en de uitgelezen manschap der vijanden prijsgegeven waren, braken op, verlieten Attica en trokken terug over denIsthmus.Pericles had er van moeten afzien, om persoonlijk de uitloopende vloot aan te voeren. Want hij scheen onontbeerlijk te Athene, zoolang de Peloponnesiërs zich nog op Attischen bodem bevonden.Toen zij vertrokken waren, was Pericles’ eerste onderneming om met een klein, maar voortreffelijk uitgerust leger naar Megara op te rukken. Het verbitterde volk der Atheners vorderde gebiedend een geweldige afrekening met de gehate stad.Pericles’ afwezigheid van Athene was daarentegen menigeen wederom hooggewenscht.De uilen op de Acropolis ontwaakten in hunne schuilhoeken uit hun sluimer en sloegen de vleugels uit.Diopithes bediende zich van Meno tegen Phidias, begeerig het lang beraamde plan, om den grooten man in het verderf te storten, ten uitvoer te brengen.Een ongunstig bekend sycophant, Stephaniscus geheeten, trad op aandrijven van Diopithes als eigenlijke aanklager van Phidias op. Deze ellendeling was met eene hetaere gehuwd, die, zooals men zei, in zijn huis hare nering voortzette, terwijl hij zelf als sycophant den kost zocht te winnen. Hij beweerde in zijne brutale aanklacht, dat Phidias van het goud, ’t welk hem tot voltooiing van het standbeeld van Athene Parthenos ter hand was gesteld, een deel verduisterd en zich zelve toegeëigend had. Voorts verweet hij hem, dat hij eene, met den eerbied jegens de Goden en hunne heiligdommen onbestaanbare ijdelheid aan den dag had gelegd, door in den Amazonen-strijd op het schild der Godin zijn eigen beeld en dat van Pericles te beitelen. Als getuige voor het verduisteren van het[280]goud voerde hij Meno aan. Deze had vroeger een geruimen tijd ook herhaaldelijk in de werkplaatsen van Phidias zich opgehouden en er voor zulke giften, als men een bedelaar geeft, ondergeschikte diensten bewezen. Gedurende dien tijd nu, beweerde hij, had hij eens uit een donkeren hoek bespied, hoe Phidias, wanende niet opgemerkt te worden, van het goud, dat hem ter vervaardiging der Parthenos op den burg toevertrouwd was, een deel afgenomen en weggeborgen had, klaarblijkelijk met het doel om het zich toe te eigenen.Het zaad des lasters, sedert langen tijd door de handlangers van Diopithes, ook tegen Phidias uitgestrooid, was welig opgeschoten. En zoo vond de aanklager Stephaniscus bij het Atheensche volk een goed voorbereiden akker.De eerwaardige beeldhouwer, die zich juist weder te Athene bevond, werd op die aanklacht van Stephaniscus in den kerker geworpen.De schepper van het schoonste gedenkteeken, dat, naar Pericles zeide, het Atheensche volk zich voor alle volgende tijden had opgericht, werd op eene schandelijke beschuldiging in de gevangenis gezet.Evenals Diopithes zich de afwezigheid van Pericles ten nutte maakte, waren ook de lage, eerzuchtige opruiers des volks druk bezig, gedurende de afwezigheid van den man, die hen allen in toom hield, hun invloed onder het volk uit te breiden.Door het binnentrekken der landlieden in de stad gedurende den inval der Peloponnesiërs, was de massa van het mindere volk in Athene zeer vermeerderd. Deze menigte had zich bovendien aan zekere lediggang gewend en velen waren, ook na den terugtocht van Archidamus, in de stad achtergebleven, omdat hunne hoeven door de vijanden verwoest waren. Langzamerhand vormde zich datgene, wat men gepeupel noemt, terwijl het getal der onbemiddelde burgers toenam. Maar juist die hongerlijders stroomden het drukst naar de volksvergadering;[281]want daar kregen zij immers hunne twee obolen in contant geld. Derhalve waren de volksvergaderingen op de Pnyx talrijker bezocht en luidruchtiger dan ooit. Cleon, Lysicles en Pamphilus durfden zich meer openlijk uitspreken en het Atheensche volk werd allengs er aan gewoon lieden van dit slag het redenaarsgestoelte te zien beklimmen.Van deze drie mannen was Pamphilus het krachtigst van meening, dat men beproeven moest Pericles ten val te brengen. Eens stond hij op de Agora, omstuwd door een groot aantal Atheensche burgers, en zette hun uiteen, op welke gronden men Pericles kon aanklagen. Hij schold hem een lafaard, die het Attische land door den vijand had laten verwoesten en die den burgers tyranniek de wijze voorschreef, waarop zij zich moesten verdedigen; gedurende den geheelen tijd, dat de Peloponnesiërs op Attischen bodem gestaan hadden, had Pericles geen volksvergadering op de Pnyx bijeen geroepen, alleen om geheel naar persoonlijke willekeur te kunnen heerschen.Er bevonden zich velen onder de menigte, die van Pamphilus’ meening waren; in het bijzonder drong zich een zekere Crespilus op den voorgrond, die den worstenmaker in woest getier tegen Pericles trachtte te overtreffen en die de noodzakelijkheid aantoonde, den strateeg bij het volk onmiddellijk in staat van beschuldiging te stellen.Daar kwam plotseling de barbier Sporgilus aanloopen. „Goed nieuws!” riep hij uit de verte. „Een handvol geld voor den brenger van goede tijding!—Pericles is op de terugtocht van Megara! Hij is reeds met zijn leger in Eleusis! De Megarensers heeft hij naar behooren getuchtigd, en nog heden zal hij in Athene zijn!”Pamphilus werd bleek van gramschap.„Een handvol geld verlangt gij?” hernam hij met onderdrukte stem; „de tong moest men u uitsnijden voor uw nieuws, hondsvot!”Ook op de overige samenzweerders maakte het[282]bericht een zeer ontmoedigenden indruk, en hoewel Pamphilus ook nu nog de menigte zocht op te ruien, sloop toch de een voor, de ander na weg en men oordeelde dat het moeilijk was tegen den zegevierend terugkeerenden Pericles iets uit te richten en dat men de zaak tot eene betere gelegenheid moest uitstellen.Toen nu ook Crespilus schouderophalend wilde afdruipen, greep de vertoornde Pamphilus hem bij zijn kleed en schreeuwde: „Lafaard! Ellendige overlooper! Schaamt gij u niet enkel bij het woord: „Pericles is in aantocht!” schandelijk de vlucht te nemen?—Zie naar mij! Ik ben volstrekt niet bang Pericles in eigen persoon onder de oogen te komen! Ik heb moed! Ik ben geboren op den dag van de zege bij Marathon!”„Ik niet!” hernam Crespilus. „Ik was een der kinderen die in den schouwburg te Athene door de van schrik ontstelde moeders te vroeg ter wereld gebracht werden, toen men de Eumeniden van Aeschylus opvoerde!”—Met deze verontschuldiging rukte Crespilus zijn kleed los uit de handen van Pamphilus en ijlde weg.„Weg zijn zij,” riep de demagoog tandenknarsend, „weg zijn zij, die vervloekte kerels—uit elkander gestoven, als had men een emmer vuil water over hunne hoofden uitgestort!”Daar kwam de dolle Meno tot hem en vroeg hem naar de oorzaak zijner verbittering.Hij klaagde hem zijn nood.„Gek!” zei Meno met een grijnslach. „Wilt gij een muur omver werpen en duwt gij er te vergeefs met den schouder tegen? Leg u er onder en ga slapen: te zijner tijd valt hij van zelf over uw hoofd ineen!”[283]1Narcissus was, volgens eene vooral te Thespiae in Boeötië inheemsche legende, een schoon jongeling, de zoon van den riviergod Cephissus en de nimf Liriope, door allen bemind. Vooral de nimf Echo werd smoorlijk op hem verliefd; uit heimwee naar hem verkwijnde zij, zoodat alleen de stem van haar overbleef. Uit straf daarvoor werd Narcissus door hartstochtelijke liefde voor zijn eigen beeld verteerd, dat hij in eene bron aanschouwde. Eene andere overlevering is dat hij zich zelven doodde. Op dieplaatsontsproot de Narcissus, de doodsbloem, het symbool der vergankelijkheid en des doods, den Ondergoden gewijd.↑2Iliad. Boek X. vs. 470–515.↑
XXII.STRIJD EN ZEGEPRAAL.
Pericles wandelde met zijn vriend Sophocles in het vroege morgenuur op de Agora, toen Euripides, met somberen blik in gezelschap van den waarheidszoeker hen ontmoette. Een weinig verwonderd over de vele bagage, die eenige slaven achter hem droegen, bleven beiden een oogenblik staan en vroegen hem, waarom hij zoo reisvaardig was en werwaarts hij voornemens was te trekken.„Ik scheep mij in naar Salamis,” hernam Euripides. „Op dat stille eiland hoop ik eindelijk de afzondering en den vrede te vinden, waaraan ik zoo groote behoefte heb. In de grot aan het strand, waarin ik het levenslicht aanschouwde, wil ik voortaan mijn lievelingszetel opslaan en zonder gestoord te worden mij aan mijne gedachten en overpeinzingen overgeven.”[254]„Biedt dan uw landhuis u geen stilte en afzondering genoeg?” vroeg Pericles.„Spreek mij niet van het landhuis!” antwoordde de dichter gemelijk. „Dat is mij vreeselijk gehaat geworden door het toenemend aantal kikvorschen, die des avonds in den nabijzijnden vijver kwaken, doch nog meer door den zwerm van krekels, die door hun eindeloos gepiep mij dag en nacht in mijn denken en dichten storen. De oude beuzelaar Anacreon heeft ze bezongen, die „helklinkende cicaden,” ik echter verwensch ze! Mijn hoofd doet mij zeer en ik ben bijna gek geworden van het schrille rumoer dier kwelgeesten, dier piepende booze daemonen. Te vergeefs heeft mijn vriend Socrates mij een paar dagen lang geholpen ze in hunne holen te vervolgen en uit te roeien … Lacht ge er om, plaagzieke Sophocles? Ge zoudt gewis in staat zijn ons op staanden voet eene gloeiende lofrede op de krekels en kikvorschen te houden!”„Waarom niet?” hernam Sophocles glimlachend. „De geheele natuur is immers rijk aan tonen en zingt. De golven zingen, de winden zingen, de pijnboom zingt, de steen zingt, als de voet des wandelaars hem beroert. En zoo gaarne hoort het geluid zich zelf, dat het, als een andere Narcissus1, zijn eigen beeld terugkaatst in den spiegel van Echo. Daarom, mijn beste Euripides, laat ons ook de krekels en kikvorschen.…”„Daar hebben wij het!” viel Euripides den spreker met heftigheid in de rede. „O, die „vereerders van het schoone”, die „dweepers met het schoone,” die „aanbidders van het schoone”, en hoe zij zich ook willen noemen! Alles, zelfs het afzichtelijkste weten zij met het vernis van schoone woorden te bedekken, nooit durven zij den ernst des levens onpartijdig[255]in het aangezicht zien! Ik zeg u, de cicaden blijven een onverdragelijk gespuis, wat daarover ook de oude Anacreon en na hem de vrome Sophocles met hun dichterlijk gevoel gezegd hebben. Overigens zijn het, zooals gij weet, niet alleen die krekels en kikvorschen, die mijn verblijf op het Attische vasteland verbitteren. Het bevalt mij niet langer te Athene. Ik heb er geen pleizier in, ter wille van eene weggelopen vrouw de spotternijen der straatjongens te verdragen, hoe Attisch gekruid zij ook wezen mogen. Ik heb geen lust mijn leven zoo door te brengen, terwijl allerlei dreigende verschijnselen zich bovendien in de toekomst vertoonen. Waarom zijn wij toch verlichter geworden, als de zeden hoe langer zoo slechter worden?—Vaartwel! Ik ga voorloopig naar Salamis.”„Moet ons geluk dan van de plaats afhankelijk zijn?” vroeg Sophocles. „Men behoort te volharden op zijne standplaats. ’t Moet, naar mijne meening, de trots zijn van den Helleen, die al het bittere en sombere des levens, in zich zelven onveranderd te blijven, zijn opgeruimdheid en schoonheidsgevoel te behouden, als iemand, die het hoogste en beste van ’t menschelijk leven in de schoone harmonie van zijn eigen wezen vereenigt en door niets gestoord wordt in het edelste levensgenot.”„En wanneer de ouderdom tot u komt met knikkende knieën,” wierp Euripides hem tegen, „en de bronnen des genots opdrogen?”„Dan zal ik van het genot, welks bronnen opdrogen, afstand doen,” hernam Sophocles, „maar alleen, om op den vroolijken levenslust des mans, die toch altijd met eene zekere onrust gepaard gaat, de veel schoonere, waarachtiggoddelijkerust en opgeruimdheid, den Halcyonischen vrede des grijsaards te doen volgen.”„Gij spreekt als een zoon van den goeden ouden tijd,” zei Euripides, „en gijdenktniet, dat wij langzamerhand te verstandig zijn geworden, om in idyllisch-onverstoorbare opgeruimdheid voort te[256]leven.”„Wat mij betreft,” begon thans Socrates met een ernstig gelaat, „ik vind het door Sophocles uitstekend gezegd, dat wij eene schoone harmonie van ons eigen wezen moeten bewaren. Alleen zou ik wel gaarne willen hooren, ja waag ik het onzen vriend Sophocles uitdrukkelijk te vragen, of hij van „schoone harmonie” sprekend, het zedelijke op het oog heeft, of wel zich de harmonie in dien zin schoon denkt, zooals men bij voorbeeld vrouwen of werken der beeldende kunst schoon en bevallig en voor het oog streelend noemt? Of hij, om het anders uit te drukken, den klemtoon legt op het goede, dan wel op hetgeen gewoonlijk schoon genoemd wordt? En daarmede zouden wij dan weder bij die oude, zoo dikwerf tusschen ons opgeworpen en nooit opgeloste vraag terecht komen, of het schoone boven het goede, dan wel het goede boven het schoone den voorrang verdient?”—Met gespannen belangstelling zag de waarheidszoeker na deze woorden den dichter in ’t gelaat en wachtte zijn antwoord af.Op hetzelfde oogenblik echter ontstond er een rumoer en eene beweging onder het volk, dat inmiddels zich op de Agora verzameld had. Het teeken tot het begin der volksvergadering op den Pnyx was gegeven en alles toog derwaarts.„Ik wil oorlog, maar zonder Pericles!”„Ik wil oorlog, maar zonder Pericles!”Glimlachend zei Pericles, die eveneens zich gereed maakte die zelfde richting te volgen:„Ook heden, waarde zoon vanSophroniscus, zullen wij uwe lievelingsvraag niet kunnen beantwoorden. Want het volk der Atheners wordt juist op de Pnyx bijeen geroepen en daar moeten wij dringender zaken beslissen.”…Socrates stond daar, zwijgend en verslagen, als iemand, dien opnieuw juist ten ontijde de mond, om zoo te zeggen, gesnoerd was.—„Myrmecides,” zei een Atheensch burger tot zijn buurman, op het punt om de Agora te verlaten en met de overige onstuimige volksmassa de hoogte van den Pnyx te bestijgen, „wat wij heden ook[257]besluiten mogen, ik heb een voorgevoel van iets kwaads voor Hellas. Er wordt gesproken van orakels—onheilspellende orakels, ook orakels van Bacis worden er medegedeeld, die thans op eens verstaanbaar worden. Doch wat het bedenkelijkste is: gij weet dat Delos, het heilige Delos, het eiland van den Ionischen God Apollo, nooit door eene aardbeving is geteisterd geworden.”—„Nooit,” antwoordde Myrmecides; „iedere knaap weet van kindsbeen af, dat het heilige Delos als met koperen ketenen aan den bodem der zee is vastgeklonken en niet als de andere eilanden van den Archipelagos door onderaardsche beroeringen kan geschokt worden.”„Zoo geloofde men tot gisteren,” vervolgde Cynogenes; „doch gisteren is het bericht gekomen, dat eene aardbeving, die een zeer korten tijd duurde, op het eiland heeft plaats gehad en dat een dof onderaardsch gedreun zich heeft doen hooren.”„Delos geschokt?” riep Myrmecides: „dan is er niets meer dat vaststaat in Hellas!”Andere mannen voegden zich bij Myrmecides en Cynogenes en mengden zich in hun gesprek. Doch zij werden weldra gestoord en gedwongen zich om te keeren door een luid rumoer, dat achter hen op de Agora zich verhief.„Een Megarische hond!” klonk het, „een Megarische hond!—doodt hem, steenigt hem!”Eene groote, schreeuwende menigte had zich ijlings om een man verzameld, die door eenige Atheners gegrepen en onder allerlei uitdrukkingen van toorn vastgehouden werd.Het was niet de eerste maal, dat een Megarenser in onaangename verwikkelingen te Athene geraakt was. Reeds voordat de Atheensche markt en de havens van Athene aan de naburige Dorische stad ontzegd waren, was menig burger, die soms een vet gemest varken of iets anders op de markt te Athene bracht, daar schandelijk voor den gek gehouden, uitgescholden of mishandeld geworden.Tot woede echter was de verbittering bij de[258]Atheners tegen de Megarensers gestegen, sedert dezen in barbaarsche ruwheid het gewaagd hadden den van Athene naar Megara gezonden heraut dood te slaan. Sinds dien dag had het Atheensche volk gezworen elken Megarenser, die zich te Athene vertoonde, oogenblikkelijk te steenigen.De arme man smeekte om zijn leven en zwoer bij alle Goden, dat hij geen Megarenser was, dat hij uit Eleusis kwam.„Gelooft het niet!” riep de man, die hem het eerst had vastgegrepen en hem nog steeds als met ijzeren vuist omklemd hield. „Gelooft het niet! Ik ken hem! Een Megarische hond is hij—een Megarische hond!”Op dit oogenblik kwamen eenige Archonten voorbij, die, nadat zij de zaak hadden vernomen, het vermoorden van den man verhinderden, door eenige Scythische boogschutters er bij te roepen en den man gevankelijk weg te doen voeren.Boven op de Pnyx, niet verre van de plaats der volksvergadering, fluisterden drie mannen zacht maar druk met elkander. Het waren de leerlooier Cleon, de schapenkoopman Lysicles en de worsthandelaar Pamphilus. Zij schenen het onderling niet eens te zijn …Thans betraden de gezanten der Lacedaemoniërs den weg van de Pnyx, om zich naar de volksvergadering der Atheners te begeven. Zij waren gekomen om voldoening te eischen voor het hunverwanteen met hen verbonden Megara. Met vijandelijke blikken zagen deze Spartaansche mannen en het grootste deel der Atheners rondom elkander aan.Doch een oligarch fluisterde den andere zacht in het oor:„Zullen wij vrede of oorlog wenschen?”„Het ware wellicht nuttig,” hernam de andere, „wanneer de Peloponnesiërs kwamen en hier een weinig opruiming hielden …”Opgewondener dan het Atheensche volk de Pnyx bestegen had, daalde het na eenige uren weder daar af. Op de Agora vormden zich verscheidene[259]groepen.„Ik vind, dat Pericles nooit zoo voortreffelijk heeft gesproken!” riep Myrmecides. „O, die slimme vos met de leeuwenhuid! Hoe gematigd deed hij zich voor, hoe rustig, hoe vol schijnbare toegefelijkheid! Hoe scheen hij bereid tot elke mogelijke tegemoetkoming! Alleen stelde hij eischen, die men nooit zou toestaan! Welk een meesterlijke zet was het, toen hij zeide, dat Athene bereid was zijnen bondgenooten de volle vrijheid terug te geven, zoo slechts de Spartanen vooraf den hunnen hetzelfde deden!”„Ik voorspel teerlucht, riemgeplas, triërarchen-geschreeuw, Pallas-beeldenvergulderij in den Piraeüs”—zei de baardschrapper Sporgilus met een bedenkelijk gezicht.„Waarom niet, lafaard?” riepen de anderen. „Hebt gij geen lust in een vroolijk zeetochtje?”„Neen,” antwoordde Sporgilus, „de zee is toch altijd iets zilts en bitters!”„Laat u met knoflook voeren!” klonk het rondom hem, „met knoflook, lamzalige vent, zooals de hanen, om vuriger en moediger te worden!”Thans werd de stem van Cleon, de stem van den beruchten leerlooier Cleon, in eene andere dichte groep hoorbaar. „Ik wil oorlog, maar zonder Pericles!” schreeuwde hij. „De krijg mag Pericles niet nog grooter maken. Hoe zullen wij rekenschap van hem kunnen vorderen, als hij aan de spits van een leger of van eene vloot staat. Derhalve weg met Pericles! Den eisch der Spartanen, dat hij als Alcmaeönide uit Athene verbannen zou worden, dezen eisch alleen had men moeten inwilligen! Men verbanne Pericles! Pericles moet verbannen worden!”Zóó schreeuwde Cleon met heftige, lompe gebaren, terwijl hij met zijn geheele lichaam in beweging was en geen enkel oogenblik op dezelfde plaats bleef.„Oorlog, maar zonder Pericles!” herhaalde hij onophoudelijk.[260]Van dezelfde meening was Pamphilus, die echter met niet minder luid getier er bijvoegde, dat men Pericles niet moest verbannen, maar ter verantwoording roepen wegens zijn staatsbeheer en in den kerker werpen.Thans naderde de oude Cratinus met Hermippus en een derden makker, een jongeling, die in nog hoogeren graad den „Attischen blik” had dan zij beiden, en van wien het gerucht liep, dat hij eerstdaags ook met een blijspel zou optreden.„Zijt gij voor den oorlog of voor den vrede, oude Satyr?” riep een uit de menigte den ouden brasser toe.„Ik,” hernam deze, „ik ben voor gebraden hazen, wijn in de kan, zilver in de kast, vijgen in de voorraadkamer, bekranste bokken, lammergeblaat, Dionysus-feesten, verschen most, omgeworpen flesschen, mooie, hooggeschorte dansmeisjes.”„Dan zijt gij dus ook voor den vrede?”„Ja zeker, en er tegen, dat men den Megarensers de Atheensche markt ontzegt. Weest toch wijzer, gij met viooltjes omkranste Atheners! Houdt toch op, elke oude vrouw, die op de Atheensche markt komt, met argwaan aan te zien en te meenen, dat het een man en een verkleede Megarenser is! Sinds gij de Megarensers van de markt uitgesloten hebt, kan men geen goed gemest varken meer krijgen, zooals het de oude Marathon-strijders verdienen. Spoedig zal het zoover komen, dat wij gebraden krekels zullen eten. Overigens, wat zeurt en kijft gij toch over vrede en oorlog? Zijn de Spartanen met een ander bescheid uit de volksvergadering gegaan, dan met hetgeen Pericles heeft voorgesteld? Laat toch Pericles aan het roer van den staat, en de anderen, de volksmannen, de leerlooiers en schapenkoopers en worstmakers, die u den baard schrapen en de vliegen van het hoofd wegjagen en de vlokken van den mantel plukken …”Die bijtende woorden brachten Cleon’s bloed in gisting. „In één opzicht,” schreeuwde hij, „heeft Pericles gelijk gehad, toen hij het bijtend, onbeteugeld[261]gespuis der comedie-schrijvers trachtte te muilbanden—die keffers, die ieder naar de kuiten bijten.”„Ei, hoor eens dien Cleon!” riep Cratinus. „Cleon, de verschrikkelijke! Ik had stellig niet gewaagd hierheen te komen, als ik geweten had, dat de man met de gretige tanden en de vreeselijk rollende oogen er was. De leerlucht, die reeds op grooten afstand merkbaar is, had mij moeten waarschuwen.”Cleon stikte schier van gramschap. Myrmecides hield hem tegen, terwijl Cratinus voortging:„Gij noemt ons onbeteugeld, omdat wij den geesel zwaaien over de hoofden, onbekommerd wien hij treft? Treft hij niet altijd den rechten man, dan treft hij toch al licht de rechte zaak. Vraagt Zeus in den hemel wel, als hij bliksemt, waar hij treft indien de lucht maar gezuiverd wordt.”„Oude gifspuwer!” riep Cleon. „Zijt gij niet de man van wien men zegt, dat hij zijne geestdrift uit het vat tapt?”—„En gij,” hernam Cratinus, „zijt gij niet de man, die opgezwollen zijt van gif, van wien men zegt, dat u onlangs eene slang heeft gebeten, die onmiddellijk—crepeerde? Maar dat doet er niets toe. Wij nemen den strijd aan met den stank van zeehondenleer, met de verwoede blikken uit rollende oogen, met honderd roodharige Cerberus-koppen. En wanneer wij eerst met den vrouwenheld Pericles klaar zijn, dan denken wij met die halve gekken, de worstmakers, de schapenkoopers, de leerlooiers en alle „met viooltjes bekranste Atheners” wel half slapend klaar te komen.”Op deze woorden van Cratinus klonk plotseling achter eene zuil een luid, hoonend gelach. Men keek om en zag den dollen Meno achter de zuil neergehurkt zitten.„Daar hebt gij Meno!” riep de jongste der drie blijspeldichters. „De kerel ziet er zoo berooid en gemeen uit, dat Euripides hem eerstdaags ongetwijfeld tot den held van een roerend stuk zal maken!”De Atheners lachten, Meno knarste op de tanden[262]en riep: „Lompe honden! Met viooltjes bekranste honden!”Men wilde hem afranselen; doch hij hitste zijn hond tegen de aanvallers aan.Thans nam men steenen op, om ze hem naar het hoofd te werpen. In dit oogenblik echter kwam Socrates er bij, die zich over den man erbarmde en hem met zich uit het gedrang voerde.De menigte verstrooide zich daarop. Pamphilus, heftig vertoornd weggaande, kreeg Pericles in ’t oog, trad op hem toe en vervolgde hem den ganschen dag, zoo dikwijls hij hem zag, met smaadwoorden.Wederom liep hij achter hem en zeide: „Gij zijt een tyran, evenals Pisistratus! Slechts in schijn handhaaft gij de volksregeering. Inderdaad echter zijt gij het alleen, die de teugels van Athene in handen hebt.”Pericles zweeg.„Gij wilt de Atheners in een oorlog wikkelen,” vervolgde Pamphilus, „ten einde het roer in handen te houden en geen rekenschap af te leggen!”Pericles antwoordde niets.„Gij laat de verdiensten van andere mannen, die niet minder dan gij voor redenaars en volksleiders geboren zijn, geen recht wedervaren!” schreeuwde Pamphilus.Pericles bleef zwijgen.„Gij hebt uwe heerscherskunst geleerd in den omgang met Sophisten en boeleersters!—Gij hebt de kracht van het Atheensche volk door toenemende weelderigheid en verwijfdheid ontzenuwd!”—Toen Pamphilus deze woorden uitgilde, was Pericles bij zijn huis gekomen. Er heerschte reeds volkomen duisternis op de straten. Pericles had volgens Atheensch gebruik een slaaf met een brandende fakkel achter zich.De slaaf klopte aan de deur. De portier opende. Pamphilus stond er nog altijd.„Breng dezen man met uwe fakkel terug door[263]de straten; want het is zeer donker geworden!” zei Pericles tot den slaaf en ging rustig zijne woning binnen.—Nog altijd bezocht Socrates, nu eens in gezelschap van zijn boezemvriend Euripides, dan weder alleen, gedurig Pericles’ woning. Nog altijd bezocht hij Aspasia, nog altijd hield hij er veel van zich met haar te onderhouden, alleen klonken zijne woorden steeds duisterder, raadselachtiger, steeds meer als orakels.Weinige dagen na die belangrijke vergadering op de Pnyx betrad Socrates wederom het huis van Aspasia. Weldra was hij in een levendig gesprek met haar gewikkeld. Aspasia sprak met blijdschap over den ophanden zijnden strijd met de Doriërs, doch met weerzin en afkeuring over de partijschappen op de Agora, over de vijandelijke plannen van denErechtheüs-priester, over de kuiperijen der Laconisten, over de ruwheid der demagogen. „Ter wille van die barbaarschgezinde mannen,” zeide zij, „zullen wij wellicht spoedig den tanenden bloei van Hellas aanschouwen.”„Den tanenden bloei van Hellas!” riep Socrates. „Hoe is dat mogelijk? Gij vergist u zeker! Hoe lang toch is het geleden, dat gij zeidet, dat Hellas zijn heerlijksten bloei naderde? Sinds dien dag, toen wij in feestvreugde op de Acropolis voor het voltooide Parthenon stonden en ik reeds het oogenblik van dien hoogsten bloei gekomen achtte, gij echter beweerdet, dat onze kunst wel is waar bijna goddelijk was geworden, maar dat er nog veel aan ontbrak, om ook ons leven geheel en al in elk opzicht tot het schoone op te voeren—sinds dien dag zag ik met gespannen verwachting naar het beloofde oogenblik van den heerlijksten bloei uit en wacht daarop met ongeduld. En daar ik van bloemen in het Oosten gehoord heb, die slechts in één enkelen nacht, heimelijk door de oogen van Zeus bestraald, haar wonderkelk ten volle ontplooien, dacht ik, dat de bloeitijd der stervelingen misschien ook van dien aard[264]was, en deze gedachte liet mij, om zoo te zeggen, ook des nachts geen rust; ik vreesde steeds, dat ik slapend het schoonste oogenblik zou kunnen verzuimen. Bijzonder echter heb ik dat gansch nieuw en merkwaardig liefde- en huwelijksverbond, ’t welk Pericles en gij vóór mijn beeld der Chariten op den burg gesloten hebt, steeds in gedachte gehouden; want als dit gelukte scheen mij juist de schoonste bloei van het Helleensche leven verzekerd. En daar gij ons, die om u stonden, toen uitdrukkelijk tot getuigen riept, heb ik mijn plicht als zoodanig voortdurend trouw bij u vervuld; want ik heb het ernstig opgenomen en ik achtte mij geroepen, niet alleen voor een oogenblik, maar voor altijd, een nauwlettend getuige te zijn van dat wondervolle verbond. Evenals men in een tuin een bijzonder zeldzaam en vruchtbeloovend boompje dag aan dag bezoekt, immer vreezende, dat men het eens door eene ruwe hand geschonden, door de vorst bevroren of door de zon verschroeid zal vinden, en zich telkens opnieuw over zijne ongestoorde frischheid verheugt, zoo kom ik tot u, niet meer om te hooren als vroeger, maar om te zien, wat de liefde is—en hoe zij zich ontwikkelt, van welke beginselen zij uitgaat en tot welke doeleinden zij voert. ’t Is zeker eene gewichtige zaak, als de Ioniërs en de Doriërs zich eindelijk tot een beslissenden strijd uitrusten; maar schier nog gewichtiger is mij de geschiedenis van uw liefdeverbond en de beslissende strijd, dien gij buiten en in u voert. Want de volkeren zijn onsterfelijk of hebben althans een lang bestaan; hunne lotgevallen kunnen altijd weder veranderen en zich vernieuwen; ’t lot van den mensch echter is in een engen kring besloten; zooals het valt, zoo blijft het meestal; want tot verandering en vernieuwing gunt de Parce geen tijd. Ik volg met belangstelling de in- en uitwendige, voortschrijdende geschiedenis uwer zoo zonderlinge, op de vrijheid gegrondveste liefde. En hoe zacht die ontwikkeling ook voortgaat, mijne zinnen zijn niet te stomp om ze op te merken.”[265]„Dus zijt gij,” zei Aspasia, „van een minnaar een toeschouwer en getuige van eene vreemde liefde geworden?”—„Sinds dien dag in het Lyceüm, waarop gij van mij wegliept en mij toeriept, dat ik aan de Chariten moest offeren,” hernam Socrates, „sinds dien dag heb ik aan de Chariten geofferd: doch te vergeefs, naar het schijnt. Niet fijner zijn mijne lippen, niet innemender mijne trekken geworden. En sinds dien tijd heb ik begrepen, dat het zelden of nooit aan één en denzelfden sterveling beschoren is de schoonheid met den geest te vatten en tegelijk met de zinnen te genieten.”Aspasia twijfelde of de gloed, dien toenmaals in de ziel van den jeugdigen denker voor een oogenblik geblaakt had, thans wel ten eenenmale was uitgedoofd.De gelegenheid scheen zich thans aan te bieden voor het sinds lang gekoesterde plan, om eene kleine wraak te nemen op den wijsgeer en hem opnieuw te deemoedigen en te beschamen.Met sluwe geveinsdheid sprak zij dus:„Dat oogenblik in het Lyceüm, waaraan gij na langen tijd nu weder herinnert, is ook uit mijne gedachte niet verdwenen, en, ik wil het eerlijk bekennen, ik betreurde menigmaal in stilte, dat ik zonder redenen en in eene verkeerde meening u heb beleedigd, toen ik mij van u verwijderde met de vermaning, dat gij aan de Chariten moest offeren; gij hebt die woorden opgevat, alsof ik had willen zeggen, dat gij, om bemind te worden, eerst de eigenschappen moest zoeken te verwerven, die beminnelijk maken. Ik had moeten bedenken, dat gij een wijsgeer zijt, wien ’t niet in den zin kon komen, ernstig naar mijne liefde te streven. Sinds dien tijd was ’t mij altijd, Socrates, alsof ik u eene voldoening schuldig was.”„Gij aan mij?” zei Socrates met een pijnlijken glimlach. „Neen, gij hebt geene verontschuldiging noodig; ik zelf meende integendeel er eene bij u noodig te hebben, sinds dat oogenblik.”[266]„Ik was toen zoo heel dwaas!” hernam Aspasia. „Zonder eenigen schroom zou ik thans mijn hoofd tegen uwe borst leggen, want thans ken ik u.”—Aspasia zat met Socrates in een vertrek, dat zeer gezellig en weelderig ingericht was en vervuld van welriekende, bedwelmende geuren, die van Aspasia zelve schenen uit te stroomen; want zij was, evenals de Goden en Godinnen van den Olympus, steeds met eene hemelsche lucht omgeven. Zij straalde van onverwelkbare, bloeiende schoonheid en een betooverende glans van opgeruimdheid lag op haar gelaat. Zij scheen in de voortreffelijkste luim te zijn—wanneer er van iets zoo onbelangrijks als luim bij Aspasia sprake mocht zijn.Eene duif vloog in de kamer rond. Het was de gevleugelde lieveling van Aspasia, een fraai diertje, met glanzend witte vederen en een bevalligen, lichtgrijzen ring om den hals.Telkens vloog de duif op den schouder van Aspasia en pikte de gewone lekkernijen tusschen de lippen der schoone weg. Nu en dan vloog zij ook op het hoofd van Socrates en ging daar zoolang zitten, dat Aspasia herhaalde malen zich verplicht achtte zelve den gast van den lastigen vogel te bevrijden, waarbij zij natuurlijk zijn hoofd moest aanraken.Toen zij nu met moeite de duif van Socrates’ schedel had weggejaagd, fladderde deze weder rond en liet zich elders neder, na vooraf haar „kir, kir” te hebben doen hooren.„Als het niet algemeen aangenomen was, dat het gekir der duiven zacht en liefelijk klinkt,” zeide Socrates, „zou ik het met mijn slechten smaak voor leelijk houden. Ik zou het een sterk onderdrukt gehinnik noemen.”„Hoe?” riep Aspasia, „gij smaadt den vogel van Aphrodite? Pas op, dat niet de vogel of de Godin zelve zich op u wreke!”„Dat hebben zij reeds te voren gedaan!” hernam Socrates.„Onnaspeurlijk is de raad der Goden,” zeide Aspasia;[267]„nu eens zijn zij ongunstig en onthouden ons hunne gaven, dan weder zijn zij genadig en schenken tienvoudig, wat zij vroeger weigerden. De luimigste echter van alle Godinnen is Aphrodite. Zij verlangt volstrekt, dat iemand, die eene gunst van haar begeert, het rechte oogenblik en de rechte luim afwacht en gedurig aanhoude. Dwaas is hij, die slechts eenmaal zijn geluk bij haar beproeft. Weet gij dat niet, Socrates? En doen de schoonen niet wellicht evenzoo als de Godinnen?”„Ik weet het niet,” hernam Socrates; „want ik heb het nooit beproefd.”„Daar hadt gij ongelijk in!” zei Aspasia. „Het is dus uwe schuld, dat gij niet weet of Aphrodite en de vrouwen u gunstig zijn of niet.”Op die zonderlinge en tergende wijze onderhield zich Aspasia met den wijze. Daarbij liefkoosde zij de duif en kuste haar. Socrates herinnerde zich niet, haar ooit zoo opgewekt tot uitgelatenheid toe gezien te hebben. Hoe dartelder en aanvalliger zij werd, des te stiller, afgetrokkener en ernstiger werd hij zelf.Wederom vloog de duif onder een gekir, dat thans veel van een schaterlach had, op den schedel van Socrates. Ditmaal echter raakte zij met de kleine nagels harer pootjes zoo vast in zijn hoofdhaar verward, dat zij niet meer los kon komen. Aspasia haastte zich haar ter hulp te komen en hare nagels uit zijne haren te bevrijden. De onmiddellijke nabijheid van een welriekend, warm, bekoorlijk vrouwenlichaam doortintelde hem van verrukking—de boezem der schoone vrouw golfde vlak voor zijn gezicht, vlak voor zijne lippen—slechts de minste beweging en zijne lippen moesten den liefelijk hijgenden boezem aanraken. Geen zeegolf ruischt zoo verleidelijk, met zulk een groot gevaar om er reddeloos in onder te gaan, als de borst eener vrouw.Socrates’ lippen waren even dicht bij deze liefelijke golf, als zij bij den rozenmond der schoone waren geweest toen de peinzende waarheidszoeker[268]in vertrouwelijk gesprek met haar in de eenzame zaal van het Lyceüm gezeten had.Slechts de kleinste beweging—en de opnieuw ontvlamde Socrates zou zich eene nieuwe beschaming, krenkender dan de vroegere in het Lyceüm, berokkend en door een nieuwe overijling van hart en zinnen den triomf der listige schoone, zijne heimelijke vijandin, voltooid hebben.—Wat ging er in de ziel van Socrates op dat oogenblik om?Rustig en kalm stond hij op en zeide:„Laat de duif, Aspasia! Ik geloof niet te duur van den wraakgierigen vogel bevrijd te zijn, als ik een lok mijner haren in zijn klauw achterlaat.„Ik begrijp het best,” hernam Aspasia op een veranderden, eenigszins spotachtigen toon, „ik begrijp het best, dat gij de kaalheid niet vreest. De kaalheid gaat immers met de wijsheid gepaard en gij zijt een volslagen wijze geworden! Zoo volmaakt wijs, dat gij verdient kaal geplukt te worden tot op uw laatste haar toe door de klauwen van den aan Aphrodite gewijden vogel.”„Kaalheid moge den wijze passen,” sprak Socrates, „weet echter, dat ik van alles zelfs van den roem der wijsheid afstand gedaan heb, en dat ik voor het oogenblik er alleen aan denk, om mijn burgerplicht te vervullen. Reeds morgen ga ik met andere burgers, die het lot heeft aangewezen, naar het leger vóór Potidaeä. Alcibiades gaat insgelijks mede.”„Van hem schijnt ge dus nog geen afstand gedaan te hebben?” vroeg Aspasia, „nadat gij, zooals gij zegt, al het andere hebt opgegeven?”—„Wij volgen te zamen de roepstem des vaderlands!” hernam Socrates. „Vindt gij dit soms niet goed? Geldt het niet de Doriërs te bestrijden?”„Zijt gij voornemens de Doriërs te bestrijden?” riep Aspasia. „Gij zijt zelf een Doriër geworden!”„Neen,” antwoordde Socrates, „ik meen een echte zoon van den peinzende Pallas Athene te zijn.”[269]„Inderdaad,” hernam Aspasia glimlachend, „gij hebt u, van Eros en de Chariten, geheel tot de koele, schier manlijke Athene gewend. Waar is die gloed gebleven, die uwe ziel in vlam zette, toen gij in het Lyceüm voor de laatste maal mij naar het wezen der liefde vroegt?”„Mijn liefdegloed, Aspasia,” antwoordde Socrates, „is hetzelfde wedervaren, als uwer schoonheid, sedert Phidias uw beeld heeft verheerlijkt in de Lemnische Aphrodite. Evenals namelijk uwe bekoorlijkheid in dat beeld het aardsche en tijdelijke overtreft, zoo is ook mijne liefde veredeld en verheerlijkt, ik zou haast zeggen, versteend geworden. Van eene gloeiende kool is zij eene ster geworden”…Op dit oogenblik fladderde de duif op Aspasia’s schouder. Welke daemon, welke ondeugende Eros stak in dien vogel.Zij raakte thans met deklauwenverward op de plaats, waar eene gesp de beide smalle einden van den chiton samenhield.Onstuimig trok de vogel met de pooten, om ze los te krijgen, tot de gesp opensprong en de slippen van het gewaad afgleden, ’t welk de schitterende witte schouders omhulde.„Offer deze vogel aan de Chariten!” sprak Socrates, wierp zijn mantel over de ontbloote schouders der schoone vrouw en ging heen.De trotsche Milesische verbleekte—zij greep onthutst met bevende hand naar een zilveren spiegel en ontdekte voor de eerste maal met schrik eene schaduw van veroudering, die over hare trekken toog.Was de schoonheid dan niet langer alvermogend? Was er iets, dat haar durfde trotseeren?Eene zachte huivering voer haar door de leden.De jonge Alcibiades was zeer in zijn schik, toen eindelijk de wensch, dien hij tegen Pericles had geuit, om op het oorlogsveld lauweren te mogen[270]plukken, vervuld werd. Hem, zoowel als Socrates, had het lot eene plaats aangewezen onder de Atheensche burgers, welke gezonden zouden worden ter belegering van de van Athene afgevallen bondstad Potidaeä.Alcibiades had tot hier toe zijne dolle levenswijze voortgezet en liet het bij voortduring niet aan stof ontbreken, die aan de praatzucht der Atheners voedsel kon verschaffen.Hij had het zoogenaamde gezelschap der Ithyphallers opgericht, waarin de overmoedigste en uitgelatenste jongelieden bijeen kwamen, om zich te zamen aan de meest teugellooze hartstochten over te geven, zooals men van een club verwachten kon, die zich naar den onreinen daemon Ityphallas noemde. Reeds het tooneel der inwijding was moedwillig en dartel in den hoogsten graad. Alleen zij werden in den kring opgenomen, die op de gunst van dien daemon in bijzondere mate meenden te kunnen bogen.Om den spot te drijven met het gebruik, dat te Athene een drinkgelag vóór het middageten verbood, legde Alcibiades met zijne vrienden slemppartijen in den morgenstond aan. In zijne overmoed liet hij zich door een voortreffelijk schilder, op den schoot eener jonge hetaere gezeten, afschilderen en heel Athene vloeide samen om het portret te zien. Hij had een hond, waarvan hij zeer veel hield, wien hij den naam van „Daemon” gaf; het was heel kluchtig om te hooren, als hij, evenals Socrates, van „zijn Daemon” sprak.Scheen het alzoo, dat de moedwil die den zoon van Clinias bezielde, zelfs Socrates trof, dit belette toch niet, dat hij dienzelfden man voor de gansche wereld zijn besten en liefsten vriend noemde. Hij droeg inderdaad den denker en waarheidszoeker nog altijd eene bijna raadselachtige soort van liefde toe, hoewel dit, naar ’t scheen, niet den minsten invloed op zijn doen en laten oefende.Toen Alcibiades naar Potidaeä trok, geschiedde ook dit niet zonder toerustingen, die stof tot spreken[271]gaven. Hij liet zich wapenen van eene bijzondere soort maken. Hij had een schild van goud en ivoor. Op het schild voerde hij als wapen een Eros, gewapend met de bliksemschicht van Zeus.Eros met de bliksemschicht! Eene schitterende gedachte, een Helleenschen kop waardig. ’t Was immers de tijd, waarin, naar ’t scheen, de bliksemschicht van Zeus zou overgaan in de handen van den gevleugelden knaap …Eenigen van Alcibiades’ vrienden trokken eveneens te velde. Zij zochten hun voorbeeld na te volgen door kostbare en bijzondere soorten van uitrustingen. De jonge Callias, de zoon van Hipponicus, trok te velde, naar men zei in een pantser, uit eene leeuwenhuid gemaakt.Er was eene vrouw te Athene, die met diepe droefheid vervuld was, toen Alcibiades op ’t punt stond de stad te verlaten; eene vrouw, die langen tijd nóch de smart had gekend, nóch de liefde; die niet alleen de banden van Hymen veracht, maar ook met de boeien van Eros had gespot, eene vrouw, die van zich zelve gezegd had: ik ben geen priesteres der liefde, alleen die van het genot.Die vrouw was Theodota. Zij was het, zooals reeds vermeld is, die de jonge Alcibiades als zijne leermeesteres beschouwde, toen hij zich in den maalstroom van ’t genot en der jeugdige brooddronkenheid stortte. Zijne ijdelheid bracht mede, dat hij boven alles de schoonste en beroemdste hetaere van Athene de zijne wilde noemen, deze Theodota, welke destijds niet meer op het glanspunt van haar bloei, maar toch nog op het toppunt van haar roem stond. Ook Theodota was trotsch op het bezit van Alcibiades en niet minder vermeerderde juist deze verovering ook weder den roep van haar naam.Een geruimen tijd verkeerde de jonge Alcibiades met geen vrouw liever, dan met de zwartoogige Corinthische, en voerde zijne vrienden zoo dikwijls mogelijk bij vroolijke en uitgelaten partijen in Theodota’s huis. Hare vroolijkheid niet minder dan hare[272]bekoorlijkheid waren de kruiderijen in den schuimenden vreugdebeker van Alcibiades en zijne makkers.Doch Theodota bleef niet altijd zoo vroolijk, als zij in ’t begin van haar omgang met Alcibiades geweest was. Te schoon was de jongeling, dan dat een vrouwenhart, al had het ook nooit bemind en de liefde voor altijd afgezworen, toch niet ten laatste het genot van zijn verkeering met hare vrijheid zou moeten betalen.Weinig had het haar in den beginne gehinderd, als haar jonge vriend ook andere vrouwen en hetaeren behalve haar toelonkte. Zij zelve had, als hij met Callias en Demus bij haar drinkgelagen hield, jeugdige en bekoorlijke vriendinnen in haar huis genoodigd.Weldra echter meende de jonge aanvoerder der Ithyphallers niet zonder misnoegen te bemerken, dat het geheele wezen der Corinthische meer en meer veranderde. Zij scheen afgetrokken, ernstig; zij zuchtte telkens, hare hartelijke opgeruimdheid scheen als ontaard in eene soort van onrust, van onstuimigheid; krampachtig sloot zij soms haar lieveling in de armen, als wilde zij hem voor altijd vasthouden; menige traan mengde zich in haren kus en als Alcibiades thans eene andere vrouw in hare tegenwoordigheid vriendelijk toelachte of liefkoosde, verbleekte zij en hare lippen bewogen zich zenuwachtig van ijverzucht.Deze verandering in het wezen van Theodota viel niet in den smaak van den dartelen jongeling, die zich overal den vreugdebeker ten boorde toe vol schonk, dien ledigde en weder verder ging.Gedaan was het voor hem thans met Theodota’s bekoorlijkheid, gedaan met hare betoovering. Somber en naargeestig scheen zij thans den jongeling.In oogenblikken, waarin zij zich aan ijverzuchtige opwellingen overgaf, wekte zij zijn toorn op; doch hij vergaf haar dit veel eerder, dan die overmaat van dweepende, in tranen uitbarstende teederheid, waarmede zij hem lastig viel.[273]Zij zwoer hem te beminnen, hem alleen toe te behooren. Het was hem onverschillig. Het volle bezit eener enkele vrouw, de hoogste behoefte voor het hart van den rijperen man, is den jeugdigen losbol zonder eenige waarde, ja zelfs lastig.Alcibiades zeide tot Theodota:„Sedert gij begonnen zijt met uwe liefdeklachten onder een stroom van tranen te kwellen, begint gij mij onuitstaanbaar te worden. Gij weet niet, hoe leelijk eene vrouw is, die in plaats van door den glans der vroolijkheid en bevalligheid te betooveren, haar gezicht laat misvormen door de trekken der ijverzucht, hare eigene wangen, of ook zelfs die van den geliefde, met een heeten tranenvloed besproeit en als een Furie niets dan heftige klachten uit. Gij verschaft mij niet langer genoegen, Theodota! Gij verveelt mij! Niet met sombere klachten en hartstochtelijke uitbarstingen kunt gij mij boeien; daarmede voedt en verergert gij alleen hetgeen u mishaagt! Zal ik zijn, die ik geweest ben, dan moet ook gij weder zijn, die gij geweest zijt!”Zij trachtte vroolijk te schijnen. Doch het mislukte haar doorgaans. Wanneer Alcibiades haar dan verstoord verliet kwam zij tot berouw, overstelpte hem met boden en brieven, snelde tot hem, smeekte hem, liet zich door den overmoedigen jongeling mishandelen …Op zekeren dag kwam Socrates ten huize van den jongen vriend en zag de vrouw in tranen badend voor den drempel van den onverbiddelijken jongeling liggen.Zij zag hem aan en herkende den man, die eens op hare blijmoedige „zelfopoffering” eene zoo zonderlinge lofrede had gehouden. Zij was tot deze zelfopoffering niet meer in staat. Zij wilde, wat zij toen zonder hinder ontbeerde: beminnen en bemind worden. Jammerend klaagde zij Socrates haar leed. Hij sprak haar woorden van troost toe en voerde haar weg.Daarop wilde hij naar Alcibiades terugkeeren, om een goed woord bij dezen voor de arme vrouw[274]te doen. Doch hij was zoo in gedachten verzonken, dat hij, bij de deur van Alcibiades gekomen, niet binnentrad, maar peinzend bleef staan: zoodat Alcibiades, toen hij uitging zijn vriend aan den drempel vond.„Waarover staat gij te peinzen?” vroeg hij.„Ik meende juist weder het wezen der liefde op ’t spoor te zijn,” antwoordde Socrates. „Ik dacht voor een oogenblik gevonden te hebben, dat het wezen der liefde daarin bestond, dat men noch tranen vergiet noch afperst—dat men noch mishandelt noch zich laat mishandelen—dat men noch vertraptnochzich laat vertrappen—maar in een enkel oogenblik is mij dit weder twijfelachtig geworden …”Toen Alcibiades naar het leger voor Potidaeä vertrok, dankte hij de Goden, aan de liefde eener vrouw ontkomen te zijn, die om zijne afwezigheid jammerde en zich de haren uit het hoofd rukte.Naeenigen tijd schreef Alcibiades uit het kamp voor Potidaeä het volgende aan Aspasia:„Gij wenscht van mij te vernemen, hoe onze Socrates het in zijn nieuw beroep maakt. Welnu, hij is in het leger voor Potidaeä precies dezelfde, als hij voor jaren in de werkplaats van Phidias is geweest. Nu eens is hij met den grootsten ijver bij de zaak, dan weder laat hij het hoofd hangen en is in ledige gepeinzen verzonken. In heldere sterrennachten, als alles rondom in de tenten sluimert, gaat Socrates rond en waakt alleen en peinst—en vraagt en zoekt—natuurlijk te vergeefs. Hij wil telkens afstand doen van meer te weten, maar onwillekeurig wordt hij steeds tot nieuw peinzen en zoeken en vragen gedrongen.„Gij hebt mij eens voor geruimen tijd, toen ik nog een jongen was en gij voor een enkelen dag een Spartaansch jongeling voorsteldet, van de vriendschapsbanden der jonge Spartanen gesproken, vriendschapsbanden, die de jongeren aan de ouderen verbinden en hen tot onafscheidelijke wapenmakkers[275]maken. Een dergelijke onscheidbare vriendschap is er thans tusschen Socrates en mij ontstaan. En waarlijk, de goede man heeft steeds overvloedige gelegenheid om te toonen, dat hij mijn vriend is. Ik heb telkens onaangenaamheden met menschen in de omliggende tenten, die niet velen kunnen, dat ik in de mijne ’s nachts met goede vrienden drink en zing omdat wij hen, zooals zij zeggen, in hun slaap storen. Ja, die oude paaien komen er zelfs bij dag tegen op, dat wij vroolijk zijn en trekken den neus op, als wij na het ontbijt nog een eindje in den dag brassen en pret maken. Zij dienen bij de strategen en taxiarchen klachten tegen ons in, en geven voor, dat wij in onze dronkenschap tegen hunne slaven en hen zelven allerlei baldadigheden plegen. Zoo is er dus altijd en eeuwig gehaspel en soms ook eene kleine kloppartij. In zulke gevallen mogen zelfs de strateeg en de taxiarch ons niet ontzien, en alleen de voorspraak van Socrates redt den een of ander uit het gevaar naar alle regelen van het gymnasium op het zand uitgestrekt of ook bont en blauw geslagen te worden.„Bovendien bevalt mij Socrates, omdat hij dat aanmatigend vertoon niet heeft, dat mij de andere sophisten, wijsgeeren en zedeprekers onuitstaanbaar maakt. Hij bezit eene soort van zielenadel en nederige voortreffelijkheid, waarvan geen mensch in gansch Hellas verder verwijderd is dan ik. Maar men bewondert het meest, wat men zelf niet heeft en juist de contrasten, naar het schijnt, trekken de menschen tot elkander. ’t Is alsof uit zijn overigens aanzienlijk uiterlijk soms stralen schieten, als de bliksem eener Godheid, en dit is met de jaren steeds krachtiger in hem geworden. Ik heb dikwijls opgemerkt, dat iemand, die door dezen bliksem werd getroffen, als geheel verlicht en verwarmd scheen: hij bloosde, zijn bloed bruiste, precies alsof hij tegenover eene betooverende vrouw stond.„Onlangs had ik eens met den jongen Callias afgesproken een klein nachtelijk avontuur te bestaan.[276]Ons speelde het Homerisch gezang2van den nachtelijken tocht van Diomedes en Odysseus door het hoofd en van den roof der schoone paarden van Rhesus. Nabij de muren van Potidaeä wilden wij een bende vijanden overvallen, neervellen en hunne wapenen als buit terugbrengen. Wij verlieten dus in stilte tegen middernacht het leger en in de nabijheid der stad gekomen, stieten wij inderdaad op een hoopje gewapenden, dat de ronde deed. Wij gingen op deze knapen los, doodden een paar van hen, terwijl de overigen de vlucht namen; dezen echter sloegen alarm, totdat anderen der hunnen toesnelden en zoo versterkt maakten zij nog eenmaal rechts-omkeert en vielen ons met groote overmacht aan. Wij hielden dapper stand; maar ik weet niet, wat er van ons geworden zou zijn, zoo niet eensklaps een man als uit den grond was verrezen, zich in het treffen had gemengd en zoo dapper en met zulk eene krachtige vuist op de Potidaeërs had ingehouwen, dat dezen, nadat eenigen hunner dappersten neergesabeld waren, het nogmaals geraden achtten het gevecht te staken en naar de muren te vluchten. Die helper was nu niemand anders dan Socrates, wien de schoone nacht naar buiten had gelokt, wel is waar niet om op avonturen, maar op gedachten jacht te maken; hij dan, buiten het kamp ronddolend, had het wapengekletter gehoord en was te rechter tijd ons ter hulp gesneld. Bij die gelegenheid heb ik weder gezien, wat die man zou kunnen doen, als hij met hart en ziel soldaat en niet daarbij nog wijsgeer was. Hij sloeg op de Potidaeërs niet minder geweldig in, dan hij vroeger op de marmerblokken in Phidias’ werkplaats hamerde. En evenals de steenen, toen hij nog steenhouwer was, het ontgelden moesten, wanneer het probleem, dat hem juist bezighield, hem groote moeilijkheden veroorzaakte, zoo moesten in dien helderen nacht de hoofden der Potidaeërs er voor boeten, dat Socrates[277]juist weder te vergeefs getracht had het wereldraadsel op te lossen. Hij kan midden in het gevecht naar het gezang van een vogel in de lucht luisteren, of, wanneer hij op wacht staat, zijne aandacht, in plaats van op de bewegingen der Potidaeërs, op die der sterren aan den hemel vestigen. Nog steeds namelijk is hij gewoon het meest alledaagsche opmerkzaam gade te slaan en als men hem er naar vraagt, antwoordt hij, dat de dingen hem spookachtig voorkomen, omdat hij ze niet begrijpt en omdat zij hem haar eigenlijk wezen niet willen openbaren.„Tegenwoordig zint hij op een plan, hoe men den oorlog onnoodig zou kunnen maken, en als hij zelf niet bezig is op de vijanden in te houwen, zet hij ons uiteen, hoe afschuwelijk die onderlinge menschenslachting is en hoe men eens over menschen, die elkander in den krijg vermoorden, niet anders zal spreken, dan men thans over menscheneters spreekt en dat er een tijd zal komen, dat men zelfs niet zal kunnen begrijpen, hoe het menschelijk geslacht zoo woest en ruw is geweest. Hij zegt, dat er een bond onder de wolken moest worden opgericht en een opperscheidsgericht ingesteld, waardoor de geschillen zouden kunnen beslecht worden. En hij is van oordeel, dat iets dergelijks reeds te bereiken ware, als slechts één of een paar staten openlijk wilden verklaren, dat zij van stonde aan in iederen oorlog de partij van den aangevallene zouden opnemen of van hem, wien onrecht wordt aangedaan. Droomerijen, een zonderling waardig! Men mag de zucht naar heldendaden, die in den mensch leeft, de vleugels niet knotten; bovendien, de wereld zou zonder haat en strijd en oorlog even vervelend zijn, als eene wereld zonder liefde.„Wat mij betreft, het krijgsmansleven schijnt mij best te bekomen. Ik ben, geloof ik, reeds veel deugdzamer geworden. Ik matig mij thans in alle dingen zóó, dat ik reeds sinds geruimen tijd met[278]mijn vriend Axiochus één gemeenschappelijk liefje heb.„Doch dat zijn dingen, die u vervelen moeten. Vaarwel, Aspasia, en schrijf mij nu eens op uwe beurt, hoe toch de stad der Atheners het zonder Alcibiades maakt.”—Een staat van kleinen omvang kan nooit een groot landleger, gemakkelijker echter eene groote vloot bezitten. Dit was de toestand van Athene, toen koning Archidamus van Sparta met zestigduizend Peloponnesiërs in Attica was gevallen. Ook de meesten der bondgenooten konden Athene alleen ter zee hulp verleenen.Terwijl de vloot uitgerust werd, vluchtte het volk door Archidamus overstroomde dorpen en vlekken naar de stad. Wat in de stad geen onderkomen kon vinden, legerde zich onder den blooten hemel tusschen de lange muren, en richtte zich daar in, zoo goed en kwaad het ging. De geheele ruimte tusschen de stad en den Piraeüs wemelde van deze gasten en er ontstond hier langzamerhand eene tentenstad; want die menschen woonden onder tenten, die onder beschutting der muren waren opgeslagen. Men zag echter de minder gegoeden hun verblijf houden in reusachtige tonnen, zooals die te Athene in gebruik waren. Van de muren der stad uit kon men de wachtvuren der Peloponnesiërs zien, die in de velden en op de wijnbergen hun kamp hadden opgeslagen. Doch, dank den ijver van Pericles, waarmede deze sedert lang de stad van versterkingen had voorzien, zag deze zich voldoende tegen elken aanval gevrijwaard. Getrouw aan zijn oorspronkelijk plan, waarvan hij zich in zijne kalme rust ook niet door het levendigst ongeduld der Atheners liet afbrengen, zond Pericles alleen de ruiterij buiten de poorten der stad, om deze en hare onmiddellijke omgeving te bewaken.Toen Archidamus van de hoogten van Attica eene trotsche vloot van honderd schepen den Piraeüs zag uitloopen en naar de Peloponnesus koers zetten, geschiedde wat Pericles vooruit had gedacht[279]en overwogen. De Peloponnesiërs, de onaantastbaar sterke stad tegenover zich ziende en tevens zich bewust, dat de onverdedigde, niet versterkte steden van hun vaderland aan de machtige vloot en de uitgelezen manschap der vijanden prijsgegeven waren, braken op, verlieten Attica en trokken terug over denIsthmus.Pericles had er van moeten afzien, om persoonlijk de uitloopende vloot aan te voeren. Want hij scheen onontbeerlijk te Athene, zoolang de Peloponnesiërs zich nog op Attischen bodem bevonden.Toen zij vertrokken waren, was Pericles’ eerste onderneming om met een klein, maar voortreffelijk uitgerust leger naar Megara op te rukken. Het verbitterde volk der Atheners vorderde gebiedend een geweldige afrekening met de gehate stad.Pericles’ afwezigheid van Athene was daarentegen menigeen wederom hooggewenscht.De uilen op de Acropolis ontwaakten in hunne schuilhoeken uit hun sluimer en sloegen de vleugels uit.Diopithes bediende zich van Meno tegen Phidias, begeerig het lang beraamde plan, om den grooten man in het verderf te storten, ten uitvoer te brengen.Een ongunstig bekend sycophant, Stephaniscus geheeten, trad op aandrijven van Diopithes als eigenlijke aanklager van Phidias op. Deze ellendeling was met eene hetaere gehuwd, die, zooals men zei, in zijn huis hare nering voortzette, terwijl hij zelf als sycophant den kost zocht te winnen. Hij beweerde in zijne brutale aanklacht, dat Phidias van het goud, ’t welk hem tot voltooiing van het standbeeld van Athene Parthenos ter hand was gesteld, een deel verduisterd en zich zelve toegeëigend had. Voorts verweet hij hem, dat hij eene, met den eerbied jegens de Goden en hunne heiligdommen onbestaanbare ijdelheid aan den dag had gelegd, door in den Amazonen-strijd op het schild der Godin zijn eigen beeld en dat van Pericles te beitelen. Als getuige voor het verduisteren van het[280]goud voerde hij Meno aan. Deze had vroeger een geruimen tijd ook herhaaldelijk in de werkplaatsen van Phidias zich opgehouden en er voor zulke giften, als men een bedelaar geeft, ondergeschikte diensten bewezen. Gedurende dien tijd nu, beweerde hij, had hij eens uit een donkeren hoek bespied, hoe Phidias, wanende niet opgemerkt te worden, van het goud, dat hem ter vervaardiging der Parthenos op den burg toevertrouwd was, een deel afgenomen en weggeborgen had, klaarblijkelijk met het doel om het zich toe te eigenen.Het zaad des lasters, sedert langen tijd door de handlangers van Diopithes, ook tegen Phidias uitgestrooid, was welig opgeschoten. En zoo vond de aanklager Stephaniscus bij het Atheensche volk een goed voorbereiden akker.De eerwaardige beeldhouwer, die zich juist weder te Athene bevond, werd op die aanklacht van Stephaniscus in den kerker geworpen.De schepper van het schoonste gedenkteeken, dat, naar Pericles zeide, het Atheensche volk zich voor alle volgende tijden had opgericht, werd op eene schandelijke beschuldiging in de gevangenis gezet.Evenals Diopithes zich de afwezigheid van Pericles ten nutte maakte, waren ook de lage, eerzuchtige opruiers des volks druk bezig, gedurende de afwezigheid van den man, die hen allen in toom hield, hun invloed onder het volk uit te breiden.Door het binnentrekken der landlieden in de stad gedurende den inval der Peloponnesiërs, was de massa van het mindere volk in Athene zeer vermeerderd. Deze menigte had zich bovendien aan zekere lediggang gewend en velen waren, ook na den terugtocht van Archidamus, in de stad achtergebleven, omdat hunne hoeven door de vijanden verwoest waren. Langzamerhand vormde zich datgene, wat men gepeupel noemt, terwijl het getal der onbemiddelde burgers toenam. Maar juist die hongerlijders stroomden het drukst naar de volksvergadering;[281]want daar kregen zij immers hunne twee obolen in contant geld. Derhalve waren de volksvergaderingen op de Pnyx talrijker bezocht en luidruchtiger dan ooit. Cleon, Lysicles en Pamphilus durfden zich meer openlijk uitspreken en het Atheensche volk werd allengs er aan gewoon lieden van dit slag het redenaarsgestoelte te zien beklimmen.Van deze drie mannen was Pamphilus het krachtigst van meening, dat men beproeven moest Pericles ten val te brengen. Eens stond hij op de Agora, omstuwd door een groot aantal Atheensche burgers, en zette hun uiteen, op welke gronden men Pericles kon aanklagen. Hij schold hem een lafaard, die het Attische land door den vijand had laten verwoesten en die den burgers tyranniek de wijze voorschreef, waarop zij zich moesten verdedigen; gedurende den geheelen tijd, dat de Peloponnesiërs op Attischen bodem gestaan hadden, had Pericles geen volksvergadering op de Pnyx bijeen geroepen, alleen om geheel naar persoonlijke willekeur te kunnen heerschen.Er bevonden zich velen onder de menigte, die van Pamphilus’ meening waren; in het bijzonder drong zich een zekere Crespilus op den voorgrond, die den worstenmaker in woest getier tegen Pericles trachtte te overtreffen en die de noodzakelijkheid aantoonde, den strateeg bij het volk onmiddellijk in staat van beschuldiging te stellen.Daar kwam plotseling de barbier Sporgilus aanloopen. „Goed nieuws!” riep hij uit de verte. „Een handvol geld voor den brenger van goede tijding!—Pericles is op de terugtocht van Megara! Hij is reeds met zijn leger in Eleusis! De Megarensers heeft hij naar behooren getuchtigd, en nog heden zal hij in Athene zijn!”Pamphilus werd bleek van gramschap.„Een handvol geld verlangt gij?” hernam hij met onderdrukte stem; „de tong moest men u uitsnijden voor uw nieuws, hondsvot!”Ook op de overige samenzweerders maakte het[282]bericht een zeer ontmoedigenden indruk, en hoewel Pamphilus ook nu nog de menigte zocht op te ruien, sloop toch de een voor, de ander na weg en men oordeelde dat het moeilijk was tegen den zegevierend terugkeerenden Pericles iets uit te richten en dat men de zaak tot eene betere gelegenheid moest uitstellen.Toen nu ook Crespilus schouderophalend wilde afdruipen, greep de vertoornde Pamphilus hem bij zijn kleed en schreeuwde: „Lafaard! Ellendige overlooper! Schaamt gij u niet enkel bij het woord: „Pericles is in aantocht!” schandelijk de vlucht te nemen?—Zie naar mij! Ik ben volstrekt niet bang Pericles in eigen persoon onder de oogen te komen! Ik heb moed! Ik ben geboren op den dag van de zege bij Marathon!”„Ik niet!” hernam Crespilus. „Ik was een der kinderen die in den schouwburg te Athene door de van schrik ontstelde moeders te vroeg ter wereld gebracht werden, toen men de Eumeniden van Aeschylus opvoerde!”—Met deze verontschuldiging rukte Crespilus zijn kleed los uit de handen van Pamphilus en ijlde weg.„Weg zijn zij,” riep de demagoog tandenknarsend, „weg zijn zij, die vervloekte kerels—uit elkander gestoven, als had men een emmer vuil water over hunne hoofden uitgestort!”Daar kwam de dolle Meno tot hem en vroeg hem naar de oorzaak zijner verbittering.Hij klaagde hem zijn nood.„Gek!” zei Meno met een grijnslach. „Wilt gij een muur omver werpen en duwt gij er te vergeefs met den schouder tegen? Leg u er onder en ga slapen: te zijner tijd valt hij van zelf over uw hoofd ineen!”[283]
Pericles wandelde met zijn vriend Sophocles in het vroege morgenuur op de Agora, toen Euripides, met somberen blik in gezelschap van den waarheidszoeker hen ontmoette. Een weinig verwonderd over de vele bagage, die eenige slaven achter hem droegen, bleven beiden een oogenblik staan en vroegen hem, waarom hij zoo reisvaardig was en werwaarts hij voornemens was te trekken.
„Ik scheep mij in naar Salamis,” hernam Euripides. „Op dat stille eiland hoop ik eindelijk de afzondering en den vrede te vinden, waaraan ik zoo groote behoefte heb. In de grot aan het strand, waarin ik het levenslicht aanschouwde, wil ik voortaan mijn lievelingszetel opslaan en zonder gestoord te worden mij aan mijne gedachten en overpeinzingen overgeven.”[254]
„Biedt dan uw landhuis u geen stilte en afzondering genoeg?” vroeg Pericles.
„Spreek mij niet van het landhuis!” antwoordde de dichter gemelijk. „Dat is mij vreeselijk gehaat geworden door het toenemend aantal kikvorschen, die des avonds in den nabijzijnden vijver kwaken, doch nog meer door den zwerm van krekels, die door hun eindeloos gepiep mij dag en nacht in mijn denken en dichten storen. De oude beuzelaar Anacreon heeft ze bezongen, die „helklinkende cicaden,” ik echter verwensch ze! Mijn hoofd doet mij zeer en ik ben bijna gek geworden van het schrille rumoer dier kwelgeesten, dier piepende booze daemonen. Te vergeefs heeft mijn vriend Socrates mij een paar dagen lang geholpen ze in hunne holen te vervolgen en uit te roeien … Lacht ge er om, plaagzieke Sophocles? Ge zoudt gewis in staat zijn ons op staanden voet eene gloeiende lofrede op de krekels en kikvorschen te houden!”
„Waarom niet?” hernam Sophocles glimlachend. „De geheele natuur is immers rijk aan tonen en zingt. De golven zingen, de winden zingen, de pijnboom zingt, de steen zingt, als de voet des wandelaars hem beroert. En zoo gaarne hoort het geluid zich zelf, dat het, als een andere Narcissus1, zijn eigen beeld terugkaatst in den spiegel van Echo. Daarom, mijn beste Euripides, laat ons ook de krekels en kikvorschen.…”
„Daar hebben wij het!” viel Euripides den spreker met heftigheid in de rede. „O, die „vereerders van het schoone”, die „dweepers met het schoone,” die „aanbidders van het schoone”, en hoe zij zich ook willen noemen! Alles, zelfs het afzichtelijkste weten zij met het vernis van schoone woorden te bedekken, nooit durven zij den ernst des levens onpartijdig[255]in het aangezicht zien! Ik zeg u, de cicaden blijven een onverdragelijk gespuis, wat daarover ook de oude Anacreon en na hem de vrome Sophocles met hun dichterlijk gevoel gezegd hebben. Overigens zijn het, zooals gij weet, niet alleen die krekels en kikvorschen, die mijn verblijf op het Attische vasteland verbitteren. Het bevalt mij niet langer te Athene. Ik heb er geen pleizier in, ter wille van eene weggelopen vrouw de spotternijen der straatjongens te verdragen, hoe Attisch gekruid zij ook wezen mogen. Ik heb geen lust mijn leven zoo door te brengen, terwijl allerlei dreigende verschijnselen zich bovendien in de toekomst vertoonen. Waarom zijn wij toch verlichter geworden, als de zeden hoe langer zoo slechter worden?—Vaartwel! Ik ga voorloopig naar Salamis.”
„Moet ons geluk dan van de plaats afhankelijk zijn?” vroeg Sophocles. „Men behoort te volharden op zijne standplaats. ’t Moet, naar mijne meening, de trots zijn van den Helleen, die al het bittere en sombere des levens, in zich zelven onveranderd te blijven, zijn opgeruimdheid en schoonheidsgevoel te behouden, als iemand, die het hoogste en beste van ’t menschelijk leven in de schoone harmonie van zijn eigen wezen vereenigt en door niets gestoord wordt in het edelste levensgenot.”
„En wanneer de ouderdom tot u komt met knikkende knieën,” wierp Euripides hem tegen, „en de bronnen des genots opdrogen?”
„Dan zal ik van het genot, welks bronnen opdrogen, afstand doen,” hernam Sophocles, „maar alleen, om op den vroolijken levenslust des mans, die toch altijd met eene zekere onrust gepaard gaat, de veel schoonere, waarachtiggoddelijkerust en opgeruimdheid, den Halcyonischen vrede des grijsaards te doen volgen.”
„Gij spreekt als een zoon van den goeden ouden tijd,” zei Euripides, „en gijdenktniet, dat wij langzamerhand te verstandig zijn geworden, om in idyllisch-onverstoorbare opgeruimdheid voort te[256]leven.”
„Wat mij betreft,” begon thans Socrates met een ernstig gelaat, „ik vind het door Sophocles uitstekend gezegd, dat wij eene schoone harmonie van ons eigen wezen moeten bewaren. Alleen zou ik wel gaarne willen hooren, ja waag ik het onzen vriend Sophocles uitdrukkelijk te vragen, of hij van „schoone harmonie” sprekend, het zedelijke op het oog heeft, of wel zich de harmonie in dien zin schoon denkt, zooals men bij voorbeeld vrouwen of werken der beeldende kunst schoon en bevallig en voor het oog streelend noemt? Of hij, om het anders uit te drukken, den klemtoon legt op het goede, dan wel op hetgeen gewoonlijk schoon genoemd wordt? En daarmede zouden wij dan weder bij die oude, zoo dikwerf tusschen ons opgeworpen en nooit opgeloste vraag terecht komen, of het schoone boven het goede, dan wel het goede boven het schoone den voorrang verdient?”—
Met gespannen belangstelling zag de waarheidszoeker na deze woorden den dichter in ’t gelaat en wachtte zijn antwoord af.
Op hetzelfde oogenblik echter ontstond er een rumoer en eene beweging onder het volk, dat inmiddels zich op de Agora verzameld had. Het teeken tot het begin der volksvergadering op den Pnyx was gegeven en alles toog derwaarts.
„Ik wil oorlog, maar zonder Pericles!”„Ik wil oorlog, maar zonder Pericles!”
„Ik wil oorlog, maar zonder Pericles!”
Glimlachend zei Pericles, die eveneens zich gereed maakte die zelfde richting te volgen:
„Ook heden, waarde zoon vanSophroniscus, zullen wij uwe lievelingsvraag niet kunnen beantwoorden. Want het volk der Atheners wordt juist op de Pnyx bijeen geroepen en daar moeten wij dringender zaken beslissen.”…
Socrates stond daar, zwijgend en verslagen, als iemand, dien opnieuw juist ten ontijde de mond, om zoo te zeggen, gesnoerd was.—
„Myrmecides,” zei een Atheensch burger tot zijn buurman, op het punt om de Agora te verlaten en met de overige onstuimige volksmassa de hoogte van den Pnyx te bestijgen, „wat wij heden ook[257]besluiten mogen, ik heb een voorgevoel van iets kwaads voor Hellas. Er wordt gesproken van orakels—onheilspellende orakels, ook orakels van Bacis worden er medegedeeld, die thans op eens verstaanbaar worden. Doch wat het bedenkelijkste is: gij weet dat Delos, het heilige Delos, het eiland van den Ionischen God Apollo, nooit door eene aardbeving is geteisterd geworden.”—
„Nooit,” antwoordde Myrmecides; „iedere knaap weet van kindsbeen af, dat het heilige Delos als met koperen ketenen aan den bodem der zee is vastgeklonken en niet als de andere eilanden van den Archipelagos door onderaardsche beroeringen kan geschokt worden.”
„Zoo geloofde men tot gisteren,” vervolgde Cynogenes; „doch gisteren is het bericht gekomen, dat eene aardbeving, die een zeer korten tijd duurde, op het eiland heeft plaats gehad en dat een dof onderaardsch gedreun zich heeft doen hooren.”
„Delos geschokt?” riep Myrmecides: „dan is er niets meer dat vaststaat in Hellas!”
Andere mannen voegden zich bij Myrmecides en Cynogenes en mengden zich in hun gesprek. Doch zij werden weldra gestoord en gedwongen zich om te keeren door een luid rumoer, dat achter hen op de Agora zich verhief.
„Een Megarische hond!” klonk het, „een Megarische hond!—doodt hem, steenigt hem!”
Eene groote, schreeuwende menigte had zich ijlings om een man verzameld, die door eenige Atheners gegrepen en onder allerlei uitdrukkingen van toorn vastgehouden werd.
Het was niet de eerste maal, dat een Megarenser in onaangename verwikkelingen te Athene geraakt was. Reeds voordat de Atheensche markt en de havens van Athene aan de naburige Dorische stad ontzegd waren, was menig burger, die soms een vet gemest varken of iets anders op de markt te Athene bracht, daar schandelijk voor den gek gehouden, uitgescholden of mishandeld geworden.
Tot woede echter was de verbittering bij de[258]Atheners tegen de Megarensers gestegen, sedert dezen in barbaarsche ruwheid het gewaagd hadden den van Athene naar Megara gezonden heraut dood te slaan. Sinds dien dag had het Atheensche volk gezworen elken Megarenser, die zich te Athene vertoonde, oogenblikkelijk te steenigen.
De arme man smeekte om zijn leven en zwoer bij alle Goden, dat hij geen Megarenser was, dat hij uit Eleusis kwam.
„Gelooft het niet!” riep de man, die hem het eerst had vastgegrepen en hem nog steeds als met ijzeren vuist omklemd hield. „Gelooft het niet! Ik ken hem! Een Megarische hond is hij—een Megarische hond!”
Op dit oogenblik kwamen eenige Archonten voorbij, die, nadat zij de zaak hadden vernomen, het vermoorden van den man verhinderden, door eenige Scythische boogschutters er bij te roepen en den man gevankelijk weg te doen voeren.
Boven op de Pnyx, niet verre van de plaats der volksvergadering, fluisterden drie mannen zacht maar druk met elkander. Het waren de leerlooier Cleon, de schapenkoopman Lysicles en de worsthandelaar Pamphilus. Zij schenen het onderling niet eens te zijn …
Thans betraden de gezanten der Lacedaemoniërs den weg van de Pnyx, om zich naar de volksvergadering der Atheners te begeven. Zij waren gekomen om voldoening te eischen voor het hunverwanteen met hen verbonden Megara. Met vijandelijke blikken zagen deze Spartaansche mannen en het grootste deel der Atheners rondom elkander aan.
Doch een oligarch fluisterde den andere zacht in het oor:
„Zullen wij vrede of oorlog wenschen?”
„Het ware wellicht nuttig,” hernam de andere, „wanneer de Peloponnesiërs kwamen en hier een weinig opruiming hielden …”
Opgewondener dan het Atheensche volk de Pnyx bestegen had, daalde het na eenige uren weder daar af. Op de Agora vormden zich verscheidene[259]groepen.
„Ik vind, dat Pericles nooit zoo voortreffelijk heeft gesproken!” riep Myrmecides. „O, die slimme vos met de leeuwenhuid! Hoe gematigd deed hij zich voor, hoe rustig, hoe vol schijnbare toegefelijkheid! Hoe scheen hij bereid tot elke mogelijke tegemoetkoming! Alleen stelde hij eischen, die men nooit zou toestaan! Welk een meesterlijke zet was het, toen hij zeide, dat Athene bereid was zijnen bondgenooten de volle vrijheid terug te geven, zoo slechts de Spartanen vooraf den hunnen hetzelfde deden!”
„Ik voorspel teerlucht, riemgeplas, triërarchen-geschreeuw, Pallas-beeldenvergulderij in den Piraeüs”—zei de baardschrapper Sporgilus met een bedenkelijk gezicht.
„Waarom niet, lafaard?” riepen de anderen. „Hebt gij geen lust in een vroolijk zeetochtje?”
„Neen,” antwoordde Sporgilus, „de zee is toch altijd iets zilts en bitters!”
„Laat u met knoflook voeren!” klonk het rondom hem, „met knoflook, lamzalige vent, zooals de hanen, om vuriger en moediger te worden!”
Thans werd de stem van Cleon, de stem van den beruchten leerlooier Cleon, in eene andere dichte groep hoorbaar. „Ik wil oorlog, maar zonder Pericles!” schreeuwde hij. „De krijg mag Pericles niet nog grooter maken. Hoe zullen wij rekenschap van hem kunnen vorderen, als hij aan de spits van een leger of van eene vloot staat. Derhalve weg met Pericles! Den eisch der Spartanen, dat hij als Alcmaeönide uit Athene verbannen zou worden, dezen eisch alleen had men moeten inwilligen! Men verbanne Pericles! Pericles moet verbannen worden!”
Zóó schreeuwde Cleon met heftige, lompe gebaren, terwijl hij met zijn geheele lichaam in beweging was en geen enkel oogenblik op dezelfde plaats bleef.
„Oorlog, maar zonder Pericles!” herhaalde hij onophoudelijk.[260]
Van dezelfde meening was Pamphilus, die echter met niet minder luid getier er bijvoegde, dat men Pericles niet moest verbannen, maar ter verantwoording roepen wegens zijn staatsbeheer en in den kerker werpen.
Thans naderde de oude Cratinus met Hermippus en een derden makker, een jongeling, die in nog hoogeren graad den „Attischen blik” had dan zij beiden, en van wien het gerucht liep, dat hij eerstdaags ook met een blijspel zou optreden.
„Zijt gij voor den oorlog of voor den vrede, oude Satyr?” riep een uit de menigte den ouden brasser toe.
„Ik,” hernam deze, „ik ben voor gebraden hazen, wijn in de kan, zilver in de kast, vijgen in de voorraadkamer, bekranste bokken, lammergeblaat, Dionysus-feesten, verschen most, omgeworpen flesschen, mooie, hooggeschorte dansmeisjes.”
„Dan zijt gij dus ook voor den vrede?”
„Ja zeker, en er tegen, dat men den Megarensers de Atheensche markt ontzegt. Weest toch wijzer, gij met viooltjes omkranste Atheners! Houdt toch op, elke oude vrouw, die op de Atheensche markt komt, met argwaan aan te zien en te meenen, dat het een man en een verkleede Megarenser is! Sinds gij de Megarensers van de markt uitgesloten hebt, kan men geen goed gemest varken meer krijgen, zooals het de oude Marathon-strijders verdienen. Spoedig zal het zoover komen, dat wij gebraden krekels zullen eten. Overigens, wat zeurt en kijft gij toch over vrede en oorlog? Zijn de Spartanen met een ander bescheid uit de volksvergadering gegaan, dan met hetgeen Pericles heeft voorgesteld? Laat toch Pericles aan het roer van den staat, en de anderen, de volksmannen, de leerlooiers en schapenkoopers en worstmakers, die u den baard schrapen en de vliegen van het hoofd wegjagen en de vlokken van den mantel plukken …”
Die bijtende woorden brachten Cleon’s bloed in gisting. „In één opzicht,” schreeuwde hij, „heeft Pericles gelijk gehad, toen hij het bijtend, onbeteugeld[261]gespuis der comedie-schrijvers trachtte te muilbanden—die keffers, die ieder naar de kuiten bijten.”
„Ei, hoor eens dien Cleon!” riep Cratinus. „Cleon, de verschrikkelijke! Ik had stellig niet gewaagd hierheen te komen, als ik geweten had, dat de man met de gretige tanden en de vreeselijk rollende oogen er was. De leerlucht, die reeds op grooten afstand merkbaar is, had mij moeten waarschuwen.”
Cleon stikte schier van gramschap. Myrmecides hield hem tegen, terwijl Cratinus voortging:
„Gij noemt ons onbeteugeld, omdat wij den geesel zwaaien over de hoofden, onbekommerd wien hij treft? Treft hij niet altijd den rechten man, dan treft hij toch al licht de rechte zaak. Vraagt Zeus in den hemel wel, als hij bliksemt, waar hij treft indien de lucht maar gezuiverd wordt.”
„Oude gifspuwer!” riep Cleon. „Zijt gij niet de man van wien men zegt, dat hij zijne geestdrift uit het vat tapt?”—
„En gij,” hernam Cratinus, „zijt gij niet de man, die opgezwollen zijt van gif, van wien men zegt, dat u onlangs eene slang heeft gebeten, die onmiddellijk—crepeerde? Maar dat doet er niets toe. Wij nemen den strijd aan met den stank van zeehondenleer, met de verwoede blikken uit rollende oogen, met honderd roodharige Cerberus-koppen. En wanneer wij eerst met den vrouwenheld Pericles klaar zijn, dan denken wij met die halve gekken, de worstmakers, de schapenkoopers, de leerlooiers en alle „met viooltjes bekranste Atheners” wel half slapend klaar te komen.”
Op deze woorden van Cratinus klonk plotseling achter eene zuil een luid, hoonend gelach. Men keek om en zag den dollen Meno achter de zuil neergehurkt zitten.
„Daar hebt gij Meno!” riep de jongste der drie blijspeldichters. „De kerel ziet er zoo berooid en gemeen uit, dat Euripides hem eerstdaags ongetwijfeld tot den held van een roerend stuk zal maken!”
De Atheners lachten, Meno knarste op de tanden[262]en riep: „Lompe honden! Met viooltjes bekranste honden!”
Men wilde hem afranselen; doch hij hitste zijn hond tegen de aanvallers aan.
Thans nam men steenen op, om ze hem naar het hoofd te werpen. In dit oogenblik echter kwam Socrates er bij, die zich over den man erbarmde en hem met zich uit het gedrang voerde.
De menigte verstrooide zich daarop. Pamphilus, heftig vertoornd weggaande, kreeg Pericles in ’t oog, trad op hem toe en vervolgde hem den ganschen dag, zoo dikwijls hij hem zag, met smaadwoorden.
Wederom liep hij achter hem en zeide: „Gij zijt een tyran, evenals Pisistratus! Slechts in schijn handhaaft gij de volksregeering. Inderdaad echter zijt gij het alleen, die de teugels van Athene in handen hebt.”
Pericles zweeg.
„Gij wilt de Atheners in een oorlog wikkelen,” vervolgde Pamphilus, „ten einde het roer in handen te houden en geen rekenschap af te leggen!”
Pericles antwoordde niets.
„Gij laat de verdiensten van andere mannen, die niet minder dan gij voor redenaars en volksleiders geboren zijn, geen recht wedervaren!” schreeuwde Pamphilus.
Pericles bleef zwijgen.
„Gij hebt uwe heerscherskunst geleerd in den omgang met Sophisten en boeleersters!—Gij hebt de kracht van het Atheensche volk door toenemende weelderigheid en verwijfdheid ontzenuwd!”—
Toen Pamphilus deze woorden uitgilde, was Pericles bij zijn huis gekomen. Er heerschte reeds volkomen duisternis op de straten. Pericles had volgens Atheensch gebruik een slaaf met een brandende fakkel achter zich.
De slaaf klopte aan de deur. De portier opende. Pamphilus stond er nog altijd.
„Breng dezen man met uwe fakkel terug door[263]de straten; want het is zeer donker geworden!” zei Pericles tot den slaaf en ging rustig zijne woning binnen.—
Nog altijd bezocht Socrates, nu eens in gezelschap van zijn boezemvriend Euripides, dan weder alleen, gedurig Pericles’ woning. Nog altijd bezocht hij Aspasia, nog altijd hield hij er veel van zich met haar te onderhouden, alleen klonken zijne woorden steeds duisterder, raadselachtiger, steeds meer als orakels.
Weinige dagen na die belangrijke vergadering op de Pnyx betrad Socrates wederom het huis van Aspasia. Weldra was hij in een levendig gesprek met haar gewikkeld. Aspasia sprak met blijdschap over den ophanden zijnden strijd met de Doriërs, doch met weerzin en afkeuring over de partijschappen op de Agora, over de vijandelijke plannen van denErechtheüs-priester, over de kuiperijen der Laconisten, over de ruwheid der demagogen. „Ter wille van die barbaarschgezinde mannen,” zeide zij, „zullen wij wellicht spoedig den tanenden bloei van Hellas aanschouwen.”
„Den tanenden bloei van Hellas!” riep Socrates. „Hoe is dat mogelijk? Gij vergist u zeker! Hoe lang toch is het geleden, dat gij zeidet, dat Hellas zijn heerlijksten bloei naderde? Sinds dien dag, toen wij in feestvreugde op de Acropolis voor het voltooide Parthenon stonden en ik reeds het oogenblik van dien hoogsten bloei gekomen achtte, gij echter beweerdet, dat onze kunst wel is waar bijna goddelijk was geworden, maar dat er nog veel aan ontbrak, om ook ons leven geheel en al in elk opzicht tot het schoone op te voeren—sinds dien dag zag ik met gespannen verwachting naar het beloofde oogenblik van den heerlijksten bloei uit en wacht daarop met ongeduld. En daar ik van bloemen in het Oosten gehoord heb, die slechts in één enkelen nacht, heimelijk door de oogen van Zeus bestraald, haar wonderkelk ten volle ontplooien, dacht ik, dat de bloeitijd der stervelingen misschien ook van dien aard[264]was, en deze gedachte liet mij, om zoo te zeggen, ook des nachts geen rust; ik vreesde steeds, dat ik slapend het schoonste oogenblik zou kunnen verzuimen. Bijzonder echter heb ik dat gansch nieuw en merkwaardig liefde- en huwelijksverbond, ’t welk Pericles en gij vóór mijn beeld der Chariten op den burg gesloten hebt, steeds in gedachte gehouden; want als dit gelukte scheen mij juist de schoonste bloei van het Helleensche leven verzekerd. En daar gij ons, die om u stonden, toen uitdrukkelijk tot getuigen riept, heb ik mijn plicht als zoodanig voortdurend trouw bij u vervuld; want ik heb het ernstig opgenomen en ik achtte mij geroepen, niet alleen voor een oogenblik, maar voor altijd, een nauwlettend getuige te zijn van dat wondervolle verbond. Evenals men in een tuin een bijzonder zeldzaam en vruchtbeloovend boompje dag aan dag bezoekt, immer vreezende, dat men het eens door eene ruwe hand geschonden, door de vorst bevroren of door de zon verschroeid zal vinden, en zich telkens opnieuw over zijne ongestoorde frischheid verheugt, zoo kom ik tot u, niet meer om te hooren als vroeger, maar om te zien, wat de liefde is—en hoe zij zich ontwikkelt, van welke beginselen zij uitgaat en tot welke doeleinden zij voert. ’t Is zeker eene gewichtige zaak, als de Ioniërs en de Doriërs zich eindelijk tot een beslissenden strijd uitrusten; maar schier nog gewichtiger is mij de geschiedenis van uw liefdeverbond en de beslissende strijd, dien gij buiten en in u voert. Want de volkeren zijn onsterfelijk of hebben althans een lang bestaan; hunne lotgevallen kunnen altijd weder veranderen en zich vernieuwen; ’t lot van den mensch echter is in een engen kring besloten; zooals het valt, zoo blijft het meestal; want tot verandering en vernieuwing gunt de Parce geen tijd. Ik volg met belangstelling de in- en uitwendige, voortschrijdende geschiedenis uwer zoo zonderlinge, op de vrijheid gegrondveste liefde. En hoe zacht die ontwikkeling ook voortgaat, mijne zinnen zijn niet te stomp om ze op te merken.”[265]
„Dus zijt gij,” zei Aspasia, „van een minnaar een toeschouwer en getuige van eene vreemde liefde geworden?”—
„Sinds dien dag in het Lyceüm, waarop gij van mij wegliept en mij toeriept, dat ik aan de Chariten moest offeren,” hernam Socrates, „sinds dien dag heb ik aan de Chariten geofferd: doch te vergeefs, naar het schijnt. Niet fijner zijn mijne lippen, niet innemender mijne trekken geworden. En sinds dien tijd heb ik begrepen, dat het zelden of nooit aan één en denzelfden sterveling beschoren is de schoonheid met den geest te vatten en tegelijk met de zinnen te genieten.”
Aspasia twijfelde of de gloed, dien toenmaals in de ziel van den jeugdigen denker voor een oogenblik geblaakt had, thans wel ten eenenmale was uitgedoofd.
De gelegenheid scheen zich thans aan te bieden voor het sinds lang gekoesterde plan, om eene kleine wraak te nemen op den wijsgeer en hem opnieuw te deemoedigen en te beschamen.
Met sluwe geveinsdheid sprak zij dus:
„Dat oogenblik in het Lyceüm, waaraan gij na langen tijd nu weder herinnert, is ook uit mijne gedachte niet verdwenen, en, ik wil het eerlijk bekennen, ik betreurde menigmaal in stilte, dat ik zonder redenen en in eene verkeerde meening u heb beleedigd, toen ik mij van u verwijderde met de vermaning, dat gij aan de Chariten moest offeren; gij hebt die woorden opgevat, alsof ik had willen zeggen, dat gij, om bemind te worden, eerst de eigenschappen moest zoeken te verwerven, die beminnelijk maken. Ik had moeten bedenken, dat gij een wijsgeer zijt, wien ’t niet in den zin kon komen, ernstig naar mijne liefde te streven. Sinds dien tijd was ’t mij altijd, Socrates, alsof ik u eene voldoening schuldig was.”
„Gij aan mij?” zei Socrates met een pijnlijken glimlach. „Neen, gij hebt geene verontschuldiging noodig; ik zelf meende integendeel er eene bij u noodig te hebben, sinds dat oogenblik.”[266]
„Ik was toen zoo heel dwaas!” hernam Aspasia. „Zonder eenigen schroom zou ik thans mijn hoofd tegen uwe borst leggen, want thans ken ik u.”—
Aspasia zat met Socrates in een vertrek, dat zeer gezellig en weelderig ingericht was en vervuld van welriekende, bedwelmende geuren, die van Aspasia zelve schenen uit te stroomen; want zij was, evenals de Goden en Godinnen van den Olympus, steeds met eene hemelsche lucht omgeven. Zij straalde van onverwelkbare, bloeiende schoonheid en een betooverende glans van opgeruimdheid lag op haar gelaat. Zij scheen in de voortreffelijkste luim te zijn—wanneer er van iets zoo onbelangrijks als luim bij Aspasia sprake mocht zijn.
Eene duif vloog in de kamer rond. Het was de gevleugelde lieveling van Aspasia, een fraai diertje, met glanzend witte vederen en een bevalligen, lichtgrijzen ring om den hals.
Telkens vloog de duif op den schouder van Aspasia en pikte de gewone lekkernijen tusschen de lippen der schoone weg. Nu en dan vloog zij ook op het hoofd van Socrates en ging daar zoolang zitten, dat Aspasia herhaalde malen zich verplicht achtte zelve den gast van den lastigen vogel te bevrijden, waarbij zij natuurlijk zijn hoofd moest aanraken.
Toen zij nu met moeite de duif van Socrates’ schedel had weggejaagd, fladderde deze weder rond en liet zich elders neder, na vooraf haar „kir, kir” te hebben doen hooren.
„Als het niet algemeen aangenomen was, dat het gekir der duiven zacht en liefelijk klinkt,” zeide Socrates, „zou ik het met mijn slechten smaak voor leelijk houden. Ik zou het een sterk onderdrukt gehinnik noemen.”
„Hoe?” riep Aspasia, „gij smaadt den vogel van Aphrodite? Pas op, dat niet de vogel of de Godin zelve zich op u wreke!”
„Dat hebben zij reeds te voren gedaan!” hernam Socrates.
„Onnaspeurlijk is de raad der Goden,” zeide Aspasia;[267]„nu eens zijn zij ongunstig en onthouden ons hunne gaven, dan weder zijn zij genadig en schenken tienvoudig, wat zij vroeger weigerden. De luimigste echter van alle Godinnen is Aphrodite. Zij verlangt volstrekt, dat iemand, die eene gunst van haar begeert, het rechte oogenblik en de rechte luim afwacht en gedurig aanhoude. Dwaas is hij, die slechts eenmaal zijn geluk bij haar beproeft. Weet gij dat niet, Socrates? En doen de schoonen niet wellicht evenzoo als de Godinnen?”
„Ik weet het niet,” hernam Socrates; „want ik heb het nooit beproefd.”
„Daar hadt gij ongelijk in!” zei Aspasia. „Het is dus uwe schuld, dat gij niet weet of Aphrodite en de vrouwen u gunstig zijn of niet.”
Op die zonderlinge en tergende wijze onderhield zich Aspasia met den wijze. Daarbij liefkoosde zij de duif en kuste haar. Socrates herinnerde zich niet, haar ooit zoo opgewekt tot uitgelatenheid toe gezien te hebben. Hoe dartelder en aanvalliger zij werd, des te stiller, afgetrokkener en ernstiger werd hij zelf.
Wederom vloog de duif onder een gekir, dat thans veel van een schaterlach had, op den schedel van Socrates. Ditmaal echter raakte zij met de kleine nagels harer pootjes zoo vast in zijn hoofdhaar verward, dat zij niet meer los kon komen. Aspasia haastte zich haar ter hulp te komen en hare nagels uit zijne haren te bevrijden. De onmiddellijke nabijheid van een welriekend, warm, bekoorlijk vrouwenlichaam doortintelde hem van verrukking—de boezem der schoone vrouw golfde vlak voor zijn gezicht, vlak voor zijne lippen—slechts de minste beweging en zijne lippen moesten den liefelijk hijgenden boezem aanraken. Geen zeegolf ruischt zoo verleidelijk, met zulk een groot gevaar om er reddeloos in onder te gaan, als de borst eener vrouw.
Socrates’ lippen waren even dicht bij deze liefelijke golf, als zij bij den rozenmond der schoone waren geweest toen de peinzende waarheidszoeker[268]in vertrouwelijk gesprek met haar in de eenzame zaal van het Lyceüm gezeten had.
Slechts de kleinste beweging—en de opnieuw ontvlamde Socrates zou zich eene nieuwe beschaming, krenkender dan de vroegere in het Lyceüm, berokkend en door een nieuwe overijling van hart en zinnen den triomf der listige schoone, zijne heimelijke vijandin, voltooid hebben.—
Wat ging er in de ziel van Socrates op dat oogenblik om?
Rustig en kalm stond hij op en zeide:
„Laat de duif, Aspasia! Ik geloof niet te duur van den wraakgierigen vogel bevrijd te zijn, als ik een lok mijner haren in zijn klauw achterlaat.
„Ik begrijp het best,” hernam Aspasia op een veranderden, eenigszins spotachtigen toon, „ik begrijp het best, dat gij de kaalheid niet vreest. De kaalheid gaat immers met de wijsheid gepaard en gij zijt een volslagen wijze geworden! Zoo volmaakt wijs, dat gij verdient kaal geplukt te worden tot op uw laatste haar toe door de klauwen van den aan Aphrodite gewijden vogel.”
„Kaalheid moge den wijze passen,” sprak Socrates, „weet echter, dat ik van alles zelfs van den roem der wijsheid afstand gedaan heb, en dat ik voor het oogenblik er alleen aan denk, om mijn burgerplicht te vervullen. Reeds morgen ga ik met andere burgers, die het lot heeft aangewezen, naar het leger vóór Potidaeä. Alcibiades gaat insgelijks mede.”
„Van hem schijnt ge dus nog geen afstand gedaan te hebben?” vroeg Aspasia, „nadat gij, zooals gij zegt, al het andere hebt opgegeven?”—
„Wij volgen te zamen de roepstem des vaderlands!” hernam Socrates. „Vindt gij dit soms niet goed? Geldt het niet de Doriërs te bestrijden?”
„Zijt gij voornemens de Doriërs te bestrijden?” riep Aspasia. „Gij zijt zelf een Doriër geworden!”
„Neen,” antwoordde Socrates, „ik meen een echte zoon van den peinzende Pallas Athene te zijn.”[269]
„Inderdaad,” hernam Aspasia glimlachend, „gij hebt u, van Eros en de Chariten, geheel tot de koele, schier manlijke Athene gewend. Waar is die gloed gebleven, die uwe ziel in vlam zette, toen gij in het Lyceüm voor de laatste maal mij naar het wezen der liefde vroegt?”
„Mijn liefdegloed, Aspasia,” antwoordde Socrates, „is hetzelfde wedervaren, als uwer schoonheid, sedert Phidias uw beeld heeft verheerlijkt in de Lemnische Aphrodite. Evenals namelijk uwe bekoorlijkheid in dat beeld het aardsche en tijdelijke overtreft, zoo is ook mijne liefde veredeld en verheerlijkt, ik zou haast zeggen, versteend geworden. Van eene gloeiende kool is zij eene ster geworden”…
Op dit oogenblik fladderde de duif op Aspasia’s schouder. Welke daemon, welke ondeugende Eros stak in dien vogel.
Zij raakte thans met deklauwenverward op de plaats, waar eene gesp de beide smalle einden van den chiton samenhield.
Onstuimig trok de vogel met de pooten, om ze los te krijgen, tot de gesp opensprong en de slippen van het gewaad afgleden, ’t welk de schitterende witte schouders omhulde.
„Offer deze vogel aan de Chariten!” sprak Socrates, wierp zijn mantel over de ontbloote schouders der schoone vrouw en ging heen.
De trotsche Milesische verbleekte—zij greep onthutst met bevende hand naar een zilveren spiegel en ontdekte voor de eerste maal met schrik eene schaduw van veroudering, die over hare trekken toog.
Was de schoonheid dan niet langer alvermogend? Was er iets, dat haar durfde trotseeren?
Eene zachte huivering voer haar door de leden.
De jonge Alcibiades was zeer in zijn schik, toen eindelijk de wensch, dien hij tegen Pericles had geuit, om op het oorlogsveld lauweren te mogen[270]plukken, vervuld werd. Hem, zoowel als Socrates, had het lot eene plaats aangewezen onder de Atheensche burgers, welke gezonden zouden worden ter belegering van de van Athene afgevallen bondstad Potidaeä.
Alcibiades had tot hier toe zijne dolle levenswijze voortgezet en liet het bij voortduring niet aan stof ontbreken, die aan de praatzucht der Atheners voedsel kon verschaffen.
Hij had het zoogenaamde gezelschap der Ithyphallers opgericht, waarin de overmoedigste en uitgelatenste jongelieden bijeen kwamen, om zich te zamen aan de meest teugellooze hartstochten over te geven, zooals men van een club verwachten kon, die zich naar den onreinen daemon Ityphallas noemde. Reeds het tooneel der inwijding was moedwillig en dartel in den hoogsten graad. Alleen zij werden in den kring opgenomen, die op de gunst van dien daemon in bijzondere mate meenden te kunnen bogen.
Om den spot te drijven met het gebruik, dat te Athene een drinkgelag vóór het middageten verbood, legde Alcibiades met zijne vrienden slemppartijen in den morgenstond aan. In zijne overmoed liet hij zich door een voortreffelijk schilder, op den schoot eener jonge hetaere gezeten, afschilderen en heel Athene vloeide samen om het portret te zien. Hij had een hond, waarvan hij zeer veel hield, wien hij den naam van „Daemon” gaf; het was heel kluchtig om te hooren, als hij, evenals Socrates, van „zijn Daemon” sprak.
Scheen het alzoo, dat de moedwil die den zoon van Clinias bezielde, zelfs Socrates trof, dit belette toch niet, dat hij dienzelfden man voor de gansche wereld zijn besten en liefsten vriend noemde. Hij droeg inderdaad den denker en waarheidszoeker nog altijd eene bijna raadselachtige soort van liefde toe, hoewel dit, naar ’t scheen, niet den minsten invloed op zijn doen en laten oefende.
Toen Alcibiades naar Potidaeä trok, geschiedde ook dit niet zonder toerustingen, die stof tot spreken[271]gaven. Hij liet zich wapenen van eene bijzondere soort maken. Hij had een schild van goud en ivoor. Op het schild voerde hij als wapen een Eros, gewapend met de bliksemschicht van Zeus.
Eros met de bliksemschicht! Eene schitterende gedachte, een Helleenschen kop waardig. ’t Was immers de tijd, waarin, naar ’t scheen, de bliksemschicht van Zeus zou overgaan in de handen van den gevleugelden knaap …
Eenigen van Alcibiades’ vrienden trokken eveneens te velde. Zij zochten hun voorbeeld na te volgen door kostbare en bijzondere soorten van uitrustingen. De jonge Callias, de zoon van Hipponicus, trok te velde, naar men zei in een pantser, uit eene leeuwenhuid gemaakt.
Er was eene vrouw te Athene, die met diepe droefheid vervuld was, toen Alcibiades op ’t punt stond de stad te verlaten; eene vrouw, die langen tijd nóch de smart had gekend, nóch de liefde; die niet alleen de banden van Hymen veracht, maar ook met de boeien van Eros had gespot, eene vrouw, die van zich zelve gezegd had: ik ben geen priesteres der liefde, alleen die van het genot.
Die vrouw was Theodota. Zij was het, zooals reeds vermeld is, die de jonge Alcibiades als zijne leermeesteres beschouwde, toen hij zich in den maalstroom van ’t genot en der jeugdige brooddronkenheid stortte. Zijne ijdelheid bracht mede, dat hij boven alles de schoonste en beroemdste hetaere van Athene de zijne wilde noemen, deze Theodota, welke destijds niet meer op het glanspunt van haar bloei, maar toch nog op het toppunt van haar roem stond. Ook Theodota was trotsch op het bezit van Alcibiades en niet minder vermeerderde juist deze verovering ook weder den roep van haar naam.
Een geruimen tijd verkeerde de jonge Alcibiades met geen vrouw liever, dan met de zwartoogige Corinthische, en voerde zijne vrienden zoo dikwijls mogelijk bij vroolijke en uitgelaten partijen in Theodota’s huis. Hare vroolijkheid niet minder dan hare[272]bekoorlijkheid waren de kruiderijen in den schuimenden vreugdebeker van Alcibiades en zijne makkers.
Doch Theodota bleef niet altijd zoo vroolijk, als zij in ’t begin van haar omgang met Alcibiades geweest was. Te schoon was de jongeling, dan dat een vrouwenhart, al had het ook nooit bemind en de liefde voor altijd afgezworen, toch niet ten laatste het genot van zijn verkeering met hare vrijheid zou moeten betalen.
Weinig had het haar in den beginne gehinderd, als haar jonge vriend ook andere vrouwen en hetaeren behalve haar toelonkte. Zij zelve had, als hij met Callias en Demus bij haar drinkgelagen hield, jeugdige en bekoorlijke vriendinnen in haar huis genoodigd.
Weldra echter meende de jonge aanvoerder der Ithyphallers niet zonder misnoegen te bemerken, dat het geheele wezen der Corinthische meer en meer veranderde. Zij scheen afgetrokken, ernstig; zij zuchtte telkens, hare hartelijke opgeruimdheid scheen als ontaard in eene soort van onrust, van onstuimigheid; krampachtig sloot zij soms haar lieveling in de armen, als wilde zij hem voor altijd vasthouden; menige traan mengde zich in haren kus en als Alcibiades thans eene andere vrouw in hare tegenwoordigheid vriendelijk toelachte of liefkoosde, verbleekte zij en hare lippen bewogen zich zenuwachtig van ijverzucht.
Deze verandering in het wezen van Theodota viel niet in den smaak van den dartelen jongeling, die zich overal den vreugdebeker ten boorde toe vol schonk, dien ledigde en weder verder ging.
Gedaan was het voor hem thans met Theodota’s bekoorlijkheid, gedaan met hare betoovering. Somber en naargeestig scheen zij thans den jongeling.
In oogenblikken, waarin zij zich aan ijverzuchtige opwellingen overgaf, wekte zij zijn toorn op; doch hij vergaf haar dit veel eerder, dan die overmaat van dweepende, in tranen uitbarstende teederheid, waarmede zij hem lastig viel.[273]
Zij zwoer hem te beminnen, hem alleen toe te behooren. Het was hem onverschillig. Het volle bezit eener enkele vrouw, de hoogste behoefte voor het hart van den rijperen man, is den jeugdigen losbol zonder eenige waarde, ja zelfs lastig.
Alcibiades zeide tot Theodota:
„Sedert gij begonnen zijt met uwe liefdeklachten onder een stroom van tranen te kwellen, begint gij mij onuitstaanbaar te worden. Gij weet niet, hoe leelijk eene vrouw is, die in plaats van door den glans der vroolijkheid en bevalligheid te betooveren, haar gezicht laat misvormen door de trekken der ijverzucht, hare eigene wangen, of ook zelfs die van den geliefde, met een heeten tranenvloed besproeit en als een Furie niets dan heftige klachten uit. Gij verschaft mij niet langer genoegen, Theodota! Gij verveelt mij! Niet met sombere klachten en hartstochtelijke uitbarstingen kunt gij mij boeien; daarmede voedt en verergert gij alleen hetgeen u mishaagt! Zal ik zijn, die ik geweest ben, dan moet ook gij weder zijn, die gij geweest zijt!”
Zij trachtte vroolijk te schijnen. Doch het mislukte haar doorgaans. Wanneer Alcibiades haar dan verstoord verliet kwam zij tot berouw, overstelpte hem met boden en brieven, snelde tot hem, smeekte hem, liet zich door den overmoedigen jongeling mishandelen …
Op zekeren dag kwam Socrates ten huize van den jongen vriend en zag de vrouw in tranen badend voor den drempel van den onverbiddelijken jongeling liggen.
Zij zag hem aan en herkende den man, die eens op hare blijmoedige „zelfopoffering” eene zoo zonderlinge lofrede had gehouden. Zij was tot deze zelfopoffering niet meer in staat. Zij wilde, wat zij toen zonder hinder ontbeerde: beminnen en bemind worden. Jammerend klaagde zij Socrates haar leed. Hij sprak haar woorden van troost toe en voerde haar weg.
Daarop wilde hij naar Alcibiades terugkeeren, om een goed woord bij dezen voor de arme vrouw[274]te doen. Doch hij was zoo in gedachten verzonken, dat hij, bij de deur van Alcibiades gekomen, niet binnentrad, maar peinzend bleef staan: zoodat Alcibiades, toen hij uitging zijn vriend aan den drempel vond.
„Waarover staat gij te peinzen?” vroeg hij.
„Ik meende juist weder het wezen der liefde op ’t spoor te zijn,” antwoordde Socrates. „Ik dacht voor een oogenblik gevonden te hebben, dat het wezen der liefde daarin bestond, dat men noch tranen vergiet noch afperst—dat men noch mishandelt noch zich laat mishandelen—dat men noch vertraptnochzich laat vertrappen—maar in een enkel oogenblik is mij dit weder twijfelachtig geworden …”
Toen Alcibiades naar het leger voor Potidaeä vertrok, dankte hij de Goden, aan de liefde eener vrouw ontkomen te zijn, die om zijne afwezigheid jammerde en zich de haren uit het hoofd rukte.
Naeenigen tijd schreef Alcibiades uit het kamp voor Potidaeä het volgende aan Aspasia:
„Gij wenscht van mij te vernemen, hoe onze Socrates het in zijn nieuw beroep maakt. Welnu, hij is in het leger voor Potidaeä precies dezelfde, als hij voor jaren in de werkplaats van Phidias is geweest. Nu eens is hij met den grootsten ijver bij de zaak, dan weder laat hij het hoofd hangen en is in ledige gepeinzen verzonken. In heldere sterrennachten, als alles rondom in de tenten sluimert, gaat Socrates rond en waakt alleen en peinst—en vraagt en zoekt—natuurlijk te vergeefs. Hij wil telkens afstand doen van meer te weten, maar onwillekeurig wordt hij steeds tot nieuw peinzen en zoeken en vragen gedrongen.
„Gij hebt mij eens voor geruimen tijd, toen ik nog een jongen was en gij voor een enkelen dag een Spartaansch jongeling voorsteldet, van de vriendschapsbanden der jonge Spartanen gesproken, vriendschapsbanden, die de jongeren aan de ouderen verbinden en hen tot onafscheidelijke wapenmakkers[275]maken. Een dergelijke onscheidbare vriendschap is er thans tusschen Socrates en mij ontstaan. En waarlijk, de goede man heeft steeds overvloedige gelegenheid om te toonen, dat hij mijn vriend is. Ik heb telkens onaangenaamheden met menschen in de omliggende tenten, die niet velen kunnen, dat ik in de mijne ’s nachts met goede vrienden drink en zing omdat wij hen, zooals zij zeggen, in hun slaap storen. Ja, die oude paaien komen er zelfs bij dag tegen op, dat wij vroolijk zijn en trekken den neus op, als wij na het ontbijt nog een eindje in den dag brassen en pret maken. Zij dienen bij de strategen en taxiarchen klachten tegen ons in, en geven voor, dat wij in onze dronkenschap tegen hunne slaven en hen zelven allerlei baldadigheden plegen. Zoo is er dus altijd en eeuwig gehaspel en soms ook eene kleine kloppartij. In zulke gevallen mogen zelfs de strateeg en de taxiarch ons niet ontzien, en alleen de voorspraak van Socrates redt den een of ander uit het gevaar naar alle regelen van het gymnasium op het zand uitgestrekt of ook bont en blauw geslagen te worden.
„Bovendien bevalt mij Socrates, omdat hij dat aanmatigend vertoon niet heeft, dat mij de andere sophisten, wijsgeeren en zedeprekers onuitstaanbaar maakt. Hij bezit eene soort van zielenadel en nederige voortreffelijkheid, waarvan geen mensch in gansch Hellas verder verwijderd is dan ik. Maar men bewondert het meest, wat men zelf niet heeft en juist de contrasten, naar het schijnt, trekken de menschen tot elkander. ’t Is alsof uit zijn overigens aanzienlijk uiterlijk soms stralen schieten, als de bliksem eener Godheid, en dit is met de jaren steeds krachtiger in hem geworden. Ik heb dikwijls opgemerkt, dat iemand, die door dezen bliksem werd getroffen, als geheel verlicht en verwarmd scheen: hij bloosde, zijn bloed bruiste, precies alsof hij tegenover eene betooverende vrouw stond.
„Onlangs had ik eens met den jongen Callias afgesproken een klein nachtelijk avontuur te bestaan.[276]Ons speelde het Homerisch gezang2van den nachtelijken tocht van Diomedes en Odysseus door het hoofd en van den roof der schoone paarden van Rhesus. Nabij de muren van Potidaeä wilden wij een bende vijanden overvallen, neervellen en hunne wapenen als buit terugbrengen. Wij verlieten dus in stilte tegen middernacht het leger en in de nabijheid der stad gekomen, stieten wij inderdaad op een hoopje gewapenden, dat de ronde deed. Wij gingen op deze knapen los, doodden een paar van hen, terwijl de overigen de vlucht namen; dezen echter sloegen alarm, totdat anderen der hunnen toesnelden en zoo versterkt maakten zij nog eenmaal rechts-omkeert en vielen ons met groote overmacht aan. Wij hielden dapper stand; maar ik weet niet, wat er van ons geworden zou zijn, zoo niet eensklaps een man als uit den grond was verrezen, zich in het treffen had gemengd en zoo dapper en met zulk eene krachtige vuist op de Potidaeërs had ingehouwen, dat dezen, nadat eenigen hunner dappersten neergesabeld waren, het nogmaals geraden achtten het gevecht te staken en naar de muren te vluchten. Die helper was nu niemand anders dan Socrates, wien de schoone nacht naar buiten had gelokt, wel is waar niet om op avonturen, maar op gedachten jacht te maken; hij dan, buiten het kamp ronddolend, had het wapengekletter gehoord en was te rechter tijd ons ter hulp gesneld. Bij die gelegenheid heb ik weder gezien, wat die man zou kunnen doen, als hij met hart en ziel soldaat en niet daarbij nog wijsgeer was. Hij sloeg op de Potidaeërs niet minder geweldig in, dan hij vroeger op de marmerblokken in Phidias’ werkplaats hamerde. En evenals de steenen, toen hij nog steenhouwer was, het ontgelden moesten, wanneer het probleem, dat hem juist bezighield, hem groote moeilijkheden veroorzaakte, zoo moesten in dien helderen nacht de hoofden der Potidaeërs er voor boeten, dat Socrates[277]juist weder te vergeefs getracht had het wereldraadsel op te lossen. Hij kan midden in het gevecht naar het gezang van een vogel in de lucht luisteren, of, wanneer hij op wacht staat, zijne aandacht, in plaats van op de bewegingen der Potidaeërs, op die der sterren aan den hemel vestigen. Nog steeds namelijk is hij gewoon het meest alledaagsche opmerkzaam gade te slaan en als men hem er naar vraagt, antwoordt hij, dat de dingen hem spookachtig voorkomen, omdat hij ze niet begrijpt en omdat zij hem haar eigenlijk wezen niet willen openbaren.
„Tegenwoordig zint hij op een plan, hoe men den oorlog onnoodig zou kunnen maken, en als hij zelf niet bezig is op de vijanden in te houwen, zet hij ons uiteen, hoe afschuwelijk die onderlinge menschenslachting is en hoe men eens over menschen, die elkander in den krijg vermoorden, niet anders zal spreken, dan men thans over menscheneters spreekt en dat er een tijd zal komen, dat men zelfs niet zal kunnen begrijpen, hoe het menschelijk geslacht zoo woest en ruw is geweest. Hij zegt, dat er een bond onder de wolken moest worden opgericht en een opperscheidsgericht ingesteld, waardoor de geschillen zouden kunnen beslecht worden. En hij is van oordeel, dat iets dergelijks reeds te bereiken ware, als slechts één of een paar staten openlijk wilden verklaren, dat zij van stonde aan in iederen oorlog de partij van den aangevallene zouden opnemen of van hem, wien onrecht wordt aangedaan. Droomerijen, een zonderling waardig! Men mag de zucht naar heldendaden, die in den mensch leeft, de vleugels niet knotten; bovendien, de wereld zou zonder haat en strijd en oorlog even vervelend zijn, als eene wereld zonder liefde.
„Wat mij betreft, het krijgsmansleven schijnt mij best te bekomen. Ik ben, geloof ik, reeds veel deugdzamer geworden. Ik matig mij thans in alle dingen zóó, dat ik reeds sinds geruimen tijd met[278]mijn vriend Axiochus één gemeenschappelijk liefje heb.
„Doch dat zijn dingen, die u vervelen moeten. Vaarwel, Aspasia, en schrijf mij nu eens op uwe beurt, hoe toch de stad der Atheners het zonder Alcibiades maakt.”—
Een staat van kleinen omvang kan nooit een groot landleger, gemakkelijker echter eene groote vloot bezitten. Dit was de toestand van Athene, toen koning Archidamus van Sparta met zestigduizend Peloponnesiërs in Attica was gevallen. Ook de meesten der bondgenooten konden Athene alleen ter zee hulp verleenen.
Terwijl de vloot uitgerust werd, vluchtte het volk door Archidamus overstroomde dorpen en vlekken naar de stad. Wat in de stad geen onderkomen kon vinden, legerde zich onder den blooten hemel tusschen de lange muren, en richtte zich daar in, zoo goed en kwaad het ging. De geheele ruimte tusschen de stad en den Piraeüs wemelde van deze gasten en er ontstond hier langzamerhand eene tentenstad; want die menschen woonden onder tenten, die onder beschutting der muren waren opgeslagen. Men zag echter de minder gegoeden hun verblijf houden in reusachtige tonnen, zooals die te Athene in gebruik waren. Van de muren der stad uit kon men de wachtvuren der Peloponnesiërs zien, die in de velden en op de wijnbergen hun kamp hadden opgeslagen. Doch, dank den ijver van Pericles, waarmede deze sedert lang de stad van versterkingen had voorzien, zag deze zich voldoende tegen elken aanval gevrijwaard. Getrouw aan zijn oorspronkelijk plan, waarvan hij zich in zijne kalme rust ook niet door het levendigst ongeduld der Atheners liet afbrengen, zond Pericles alleen de ruiterij buiten de poorten der stad, om deze en hare onmiddellijke omgeving te bewaken.
Toen Archidamus van de hoogten van Attica eene trotsche vloot van honderd schepen den Piraeüs zag uitloopen en naar de Peloponnesus koers zetten, geschiedde wat Pericles vooruit had gedacht[279]en overwogen. De Peloponnesiërs, de onaantastbaar sterke stad tegenover zich ziende en tevens zich bewust, dat de onverdedigde, niet versterkte steden van hun vaderland aan de machtige vloot en de uitgelezen manschap der vijanden prijsgegeven waren, braken op, verlieten Attica en trokken terug over denIsthmus.
Pericles had er van moeten afzien, om persoonlijk de uitloopende vloot aan te voeren. Want hij scheen onontbeerlijk te Athene, zoolang de Peloponnesiërs zich nog op Attischen bodem bevonden.
Toen zij vertrokken waren, was Pericles’ eerste onderneming om met een klein, maar voortreffelijk uitgerust leger naar Megara op te rukken. Het verbitterde volk der Atheners vorderde gebiedend een geweldige afrekening met de gehate stad.
Pericles’ afwezigheid van Athene was daarentegen menigeen wederom hooggewenscht.
De uilen op de Acropolis ontwaakten in hunne schuilhoeken uit hun sluimer en sloegen de vleugels uit.
Diopithes bediende zich van Meno tegen Phidias, begeerig het lang beraamde plan, om den grooten man in het verderf te storten, ten uitvoer te brengen.
Een ongunstig bekend sycophant, Stephaniscus geheeten, trad op aandrijven van Diopithes als eigenlijke aanklager van Phidias op. Deze ellendeling was met eene hetaere gehuwd, die, zooals men zei, in zijn huis hare nering voortzette, terwijl hij zelf als sycophant den kost zocht te winnen. Hij beweerde in zijne brutale aanklacht, dat Phidias van het goud, ’t welk hem tot voltooiing van het standbeeld van Athene Parthenos ter hand was gesteld, een deel verduisterd en zich zelve toegeëigend had. Voorts verweet hij hem, dat hij eene, met den eerbied jegens de Goden en hunne heiligdommen onbestaanbare ijdelheid aan den dag had gelegd, door in den Amazonen-strijd op het schild der Godin zijn eigen beeld en dat van Pericles te beitelen. Als getuige voor het verduisteren van het[280]goud voerde hij Meno aan. Deze had vroeger een geruimen tijd ook herhaaldelijk in de werkplaatsen van Phidias zich opgehouden en er voor zulke giften, als men een bedelaar geeft, ondergeschikte diensten bewezen. Gedurende dien tijd nu, beweerde hij, had hij eens uit een donkeren hoek bespied, hoe Phidias, wanende niet opgemerkt te worden, van het goud, dat hem ter vervaardiging der Parthenos op den burg toevertrouwd was, een deel afgenomen en weggeborgen had, klaarblijkelijk met het doel om het zich toe te eigenen.
Het zaad des lasters, sedert langen tijd door de handlangers van Diopithes, ook tegen Phidias uitgestrooid, was welig opgeschoten. En zoo vond de aanklager Stephaniscus bij het Atheensche volk een goed voorbereiden akker.
De eerwaardige beeldhouwer, die zich juist weder te Athene bevond, werd op die aanklacht van Stephaniscus in den kerker geworpen.
De schepper van het schoonste gedenkteeken, dat, naar Pericles zeide, het Atheensche volk zich voor alle volgende tijden had opgericht, werd op eene schandelijke beschuldiging in de gevangenis gezet.
Evenals Diopithes zich de afwezigheid van Pericles ten nutte maakte, waren ook de lage, eerzuchtige opruiers des volks druk bezig, gedurende de afwezigheid van den man, die hen allen in toom hield, hun invloed onder het volk uit te breiden.
Door het binnentrekken der landlieden in de stad gedurende den inval der Peloponnesiërs, was de massa van het mindere volk in Athene zeer vermeerderd. Deze menigte had zich bovendien aan zekere lediggang gewend en velen waren, ook na den terugtocht van Archidamus, in de stad achtergebleven, omdat hunne hoeven door de vijanden verwoest waren. Langzamerhand vormde zich datgene, wat men gepeupel noemt, terwijl het getal der onbemiddelde burgers toenam. Maar juist die hongerlijders stroomden het drukst naar de volksvergadering;[281]want daar kregen zij immers hunne twee obolen in contant geld. Derhalve waren de volksvergaderingen op de Pnyx talrijker bezocht en luidruchtiger dan ooit. Cleon, Lysicles en Pamphilus durfden zich meer openlijk uitspreken en het Atheensche volk werd allengs er aan gewoon lieden van dit slag het redenaarsgestoelte te zien beklimmen.
Van deze drie mannen was Pamphilus het krachtigst van meening, dat men beproeven moest Pericles ten val te brengen. Eens stond hij op de Agora, omstuwd door een groot aantal Atheensche burgers, en zette hun uiteen, op welke gronden men Pericles kon aanklagen. Hij schold hem een lafaard, die het Attische land door den vijand had laten verwoesten en die den burgers tyranniek de wijze voorschreef, waarop zij zich moesten verdedigen; gedurende den geheelen tijd, dat de Peloponnesiërs op Attischen bodem gestaan hadden, had Pericles geen volksvergadering op de Pnyx bijeen geroepen, alleen om geheel naar persoonlijke willekeur te kunnen heerschen.
Er bevonden zich velen onder de menigte, die van Pamphilus’ meening waren; in het bijzonder drong zich een zekere Crespilus op den voorgrond, die den worstenmaker in woest getier tegen Pericles trachtte te overtreffen en die de noodzakelijkheid aantoonde, den strateeg bij het volk onmiddellijk in staat van beschuldiging te stellen.
Daar kwam plotseling de barbier Sporgilus aanloopen. „Goed nieuws!” riep hij uit de verte. „Een handvol geld voor den brenger van goede tijding!—Pericles is op de terugtocht van Megara! Hij is reeds met zijn leger in Eleusis! De Megarensers heeft hij naar behooren getuchtigd, en nog heden zal hij in Athene zijn!”
Pamphilus werd bleek van gramschap.
„Een handvol geld verlangt gij?” hernam hij met onderdrukte stem; „de tong moest men u uitsnijden voor uw nieuws, hondsvot!”
Ook op de overige samenzweerders maakte het[282]bericht een zeer ontmoedigenden indruk, en hoewel Pamphilus ook nu nog de menigte zocht op te ruien, sloop toch de een voor, de ander na weg en men oordeelde dat het moeilijk was tegen den zegevierend terugkeerenden Pericles iets uit te richten en dat men de zaak tot eene betere gelegenheid moest uitstellen.
Toen nu ook Crespilus schouderophalend wilde afdruipen, greep de vertoornde Pamphilus hem bij zijn kleed en schreeuwde: „Lafaard! Ellendige overlooper! Schaamt gij u niet enkel bij het woord: „Pericles is in aantocht!” schandelijk de vlucht te nemen?—Zie naar mij! Ik ben volstrekt niet bang Pericles in eigen persoon onder de oogen te komen! Ik heb moed! Ik ben geboren op den dag van de zege bij Marathon!”
„Ik niet!” hernam Crespilus. „Ik was een der kinderen die in den schouwburg te Athene door de van schrik ontstelde moeders te vroeg ter wereld gebracht werden, toen men de Eumeniden van Aeschylus opvoerde!”—
Met deze verontschuldiging rukte Crespilus zijn kleed los uit de handen van Pamphilus en ijlde weg.
„Weg zijn zij,” riep de demagoog tandenknarsend, „weg zijn zij, die vervloekte kerels—uit elkander gestoven, als had men een emmer vuil water over hunne hoofden uitgestort!”
Daar kwam de dolle Meno tot hem en vroeg hem naar de oorzaak zijner verbittering.
Hij klaagde hem zijn nood.
„Gek!” zei Meno met een grijnslach. „Wilt gij een muur omver werpen en duwt gij er te vergeefs met den schouder tegen? Leg u er onder en ga slapen: te zijner tijd valt hij van zelf over uw hoofd ineen!”[283]
1Narcissus was, volgens eene vooral te Thespiae in Boeötië inheemsche legende, een schoon jongeling, de zoon van den riviergod Cephissus en de nimf Liriope, door allen bemind. Vooral de nimf Echo werd smoorlijk op hem verliefd; uit heimwee naar hem verkwijnde zij, zoodat alleen de stem van haar overbleef. Uit straf daarvoor werd Narcissus door hartstochtelijke liefde voor zijn eigen beeld verteerd, dat hij in eene bron aanschouwde. Eene andere overlevering is dat hij zich zelven doodde. Op dieplaatsontsproot de Narcissus, de doodsbloem, het symbool der vergankelijkheid en des doods, den Ondergoden gewijd.↑2Iliad. Boek X. vs. 470–515.↑
1Narcissus was, volgens eene vooral te Thespiae in Boeötië inheemsche legende, een schoon jongeling, de zoon van den riviergod Cephissus en de nimf Liriope, door allen bemind. Vooral de nimf Echo werd smoorlijk op hem verliefd; uit heimwee naar hem verkwijnde zij, zoodat alleen de stem van haar overbleef. Uit straf daarvoor werd Narcissus door hartstochtelijke liefde voor zijn eigen beeld verteerd, dat hij in eene bron aanschouwde. Eene andere overlevering is dat hij zich zelven doodde. Op dieplaatsontsproot de Narcissus, de doodsbloem, het symbool der vergankelijkheid en des doods, den Ondergoden gewijd.↑2Iliad. Boek X. vs. 470–515.↑
1Narcissus was, volgens eene vooral te Thespiae in Boeötië inheemsche legende, een schoon jongeling, de zoon van den riviergod Cephissus en de nimf Liriope, door allen bemind. Vooral de nimf Echo werd smoorlijk op hem verliefd; uit heimwee naar hem verkwijnde zij, zoodat alleen de stem van haar overbleef. Uit straf daarvoor werd Narcissus door hartstochtelijke liefde voor zijn eigen beeld verteerd, dat hij in eene bron aanschouwde. Eene andere overlevering is dat hij zich zelven doodde. Op dieplaatsontsproot de Narcissus, de doodsbloem, het symbool der vergankelijkheid en des doods, den Ondergoden gewijd.↑
1Narcissus was, volgens eene vooral te Thespiae in Boeötië inheemsche legende, een schoon jongeling, de zoon van den riviergod Cephissus en de nimf Liriope, door allen bemind. Vooral de nimf Echo werd smoorlijk op hem verliefd; uit heimwee naar hem verkwijnde zij, zoodat alleen de stem van haar overbleef. Uit straf daarvoor werd Narcissus door hartstochtelijke liefde voor zijn eigen beeld verteerd, dat hij in eene bron aanschouwde. Eene andere overlevering is dat hij zich zelven doodde. Op dieplaatsontsproot de Narcissus, de doodsbloem, het symbool der vergankelijkheid en des doods, den Ondergoden gewijd.↑
2Iliad. Boek X. vs. 470–515.↑
2Iliad. Boek X. vs. 470–515.↑