XXIII.

[Inhoud]XXIII.HET DIONYSUS-FEEST.Met dubbelen luister, met dubbele levendigheid werden, na het herademen uit den treurigen oorlogsnood, de winterfeesten gevierd. Ten volle echter is de vroolijke lust ontketend, sedert de lucht zachter begon te waaien en de tijd van het grootste der Bacchus-feesten, de tijd van de groote, in de stad gevierde, Dionysiën aanbrak. In de wouden vertoont zich de wouw, vroolijk snateren aan het strand de halcyonen en aan de kroonlijsten tjilpen de zwaluwen. Op de hoogten van denHymettus, den Pentelicon, den Lycabettus ontluikt in iederen struik de lente. Viooltjes en anemonen, primulae veris en crocussen openen hunne knoppen en de op de weiden vergeten staf des herders is des morgens met bloemen getooid.De zeelieden in de haven winden de ankers, maken het takelwerk los, richten de masten op en zetten de zeilen naar de wind. Nieuw leven ontwaakt op de baren van den Saronische golf. De afgezanten der verbonden steden en eilanden komen en brengen hunnen cijns juist ten tijde van het feest naar Athene. In alle herbergen, in alle huizen der Atheensche burgers wemelt het van gasten, die van heinde en verre zijn gekomen. Met kransen getooid, in feestgewaad gedost, dolen thans van den vroegen morgen af zwermen van stedelingen en vreemden door de straten. Niet alleen zijn alle in het openbaar staande altaren en Hermesbeelden met kransen omhangen, maar ook geweldige mengvaten zijn er nevens geplaatst, met de gaven van Bacchus gevuld, door de rijken ten offer gebracht en het volk tot vrij gebruik aangeboden. Wederom biedt Hipponicus aan inboorlingen en vreemden in den Ceramicus een gastvrij onthaal, door iedereen, die komen wil, tot zich te noodigen[284]en hen in de open lucht op met klimop bekranste kussens te ontvangen.Vergeten is de krijgsnood, de twist der partijen houdt een wapenstilstand, de aanslagen van Diopithes rusten voor een oogenblik in hun anders rusteloozen gang. Alleen genot en vrede heerschen. Wel is waar overal klinkt luider de scherts en het vroolijk gelach—en dubbel scherp is thans de geestigheid, dubbel roerig de tong des Atheners;—maar wee hem, die in dezen tijd geweld pleegt aan een Atheensch burger! Niet eens de verzachtende omstandigheid van dronkenschap beschermt hem: zijn hoofd en leven is verbeurd.Hoe komt het, dat men nu op eens zoovele bekoorlijke vrouwen in Athene’s straten ziet? Wie zijn die vroolijk lachende, rijk uitgedoste, verleidelijke schoonen? Het zijn hiërodulen uit den tempel van Aphrodite te Corinthe en andere priesteressen van het genot, die het getal der inheemsche hetaeren vermeerderend, uit de verschillende steden van Griekenland zijn samengekomen tot het vroolijkste en uitgelatenste feest der Atheners.He! wat een mengelmoes van vreemd, ronddolend volk heeft de vroolijke, dartele Dionysische feesttijd herwaarts gelokt! Ziet die behendige goochelaars en wondermannen met hunne door de zon donker gekleurde gezichten! Ziet, hoe zij voor aller oogen zwaarden inslikken of een vuurregen uit den mond spuwen! Ziet daar die Thessalische meisjes, die haar zwaardendans uitvoeren te midden van een haar verbaasd aangapenden troep! Er ontbreekt geen enkele vertooning, zelfs de rondtrekkende, overoude poppenkast niet, noch de bont versierde, op kameelen dansende aapjes.Ook neringdoend volk is van heinde en verre gekomen en slaat zijne winkels op, midden in het gewoel der Agora, in den Piraeüs en langs den Ilissus.Troepen landlieden mengen zich onder de stedelingen en deelen met hen de feestvreugde, verzamelen zich om hunne lievelingen, de Thebaansche fluitspelers,[285]die anders blazend de landelijke streken plegen te doortrekken, of brengen het lievelingsspel van hun landelijk Dionysus-feest in de stad over: het springen op geöliede zakken, waarbij ieder zich met de bloote voeten op den gladden bal tracht staande te houden, onder uitbundig gelach der toeschouwers, ondanks al zijn gespartel, steeds naar beneden glijdt.Uitgelatener heerscht de vreugde in de straten, zoodra de duisternis is ingevallen. Dan zwerven talrijke scharen rond: zij hebben bellen en dragen fakkels en zijn met bloemen bekranst; daaronder zijn vrouwen, die mannenkleeren aan hebben, en mannen in vrouwengewaad—met de handen wordt geklapt onder het geraas der bellen, waarmede als met cymbalen de maat geslagen wordt bij het gezang.Velen loopen gemaskerd. Sommigen hebben enkel hunne gezichten met wijnmoer bestreken of met menie of zich een masker gemaakt van boombladeren of boomschors. Anderen echter dragen fraai geschilderde maskers, deels van een deftig, deels van een belachelijk voorkomen: hier zwerft de gehoornde Actaeön rond, daar de honderdoogige Argus, ginds de gedeeltelijk in een paard veranderde Euïppe; Giganten, Titanen, Centauren stampen op den grond; Methe1bedwelmt, Pitho2vleit, Apate3lokt, Hybris4is dolzinnig en zelfs schrikgestalten mengen zich somwijlen onder de reien.Het talrijkste echter, ja overheerschend, zwerven in de straten de Satyrs met bokspooten en de Silenen met kale hoofden, die oude maar nog altijd vroolijke Satyrs. Zij hebben de hoofden bekranst met het altijd groene klimop. Ook Bacchanten dolen rond; zij dragen als Thyrsus dikwijls alleen een wingerdtak met klimop omwoeld.Uitgelaten dartelheid, ja dronkenschap wordt als[286]een plicht jegens den God in deze dagen en nachten beschouwd.En de God, hij rechtvaardigt in dien tijd zijn bijnaam van den „Bevrijder”. Zelfs de gevangenen worden voor de dagen van het feest uit hunne kerkers ontslagen: op de graven der dooden wordt wijn geplengd. Men wil de schimmen bevredigen, die immers niet zonder afgunst de vreugde der levenden ontberen. Ja, zelfs de bijgeloovigen willen weten, dat de zielen der afgestorvenen zich soms in dezen tijd in de reien der feestvierenden mengen en dat onder menig Satyrmasker een ontvleeschde doodskop verborgen is.De eerwaardige Telesippe kauwt in die dagen ijverig de bladeren van den hagedoorn en laat haar deur met teer bestrijken; want alleen op die wijze is het onheil af te wenden, dat ten tijde der groote Dionysiën den levenden van den kant der afgunstige schimmen bedreigt.Schier huiveringwekkend is het inderdaad te zien, hoe des nachts nu hier dan daar in de donkere straten het schijnsel der fakkels zich vertoont en een phantastische optocht voorbij trekt onder luidruchtig rumoer.Thans beweegt zich een geweldige stoet door de straten die van het Lenaeüm5naar den schouwburg voeren. Men draagt het beeld van Dionysus uit zijn tempel in het Lenaeüm naar den schouwburg en stelt het daar te midden der feestelijke vergadering. Het beeld van den God, dat er gedragen wordt, is een pas voltooid werk, een gewrocht van de hand des vurigen Alcamenes. Evenals Phidias op den burg naast het oude, houten beeld van Athene zijn nieuw, schitterend pronkstuk heeft geplaatst, zou wordt ook thans in het Lenaeüm, naast het oude, eerwaardige, eenvoudige Dionysus-beeld, het nieuwe, heerlijke werk van Alcamenes opgericht. En dit juist draagt men thans naar den Dionysus-schouwburg.[287]Scharen Bacchanten omringen het. Wat is dat voor een dolle troep, die een zinnebeeld dat vruchtbaarheid voorstelt, voor den God uitdraagt en liederen aanheft ter eere van Priapus? Het is Alcibiades met zijn Ityphallergezelschap.Op de kruiswegen en op de pleinen hield de stoet stil, om drankoffers te plengen of offerdieren te slachten.De platte daken der huizen zijn vol toeschouwers, van welke velen fakkels en lampen in de handen houden. Ook de vrouwen ontbreken hierbij niet. Weldra voegt de moedwil en scherts van de menschen op de dakterrassen zich bij de brooddronkenheid van de dolle menigte op de straten.De jonge Alcibiades schijnt ten toppunt van dolzinnige uitgelatenheid te zijn; hij overtreft zichzelven in overmoedige streken aan het hoofd van zijn gezelschap.„Bedenkt,” roept hij zijn Ithyphallers toe, „dat wij, die anders ook reeds razen en tieren, op hetDionysus-feestverplicht zijn, dubbel te razen en te tieren, als wij niet in dolzinnigheid en overmoed geëvenaard en overtroffen willen worden door de nuchterste oude paaien van de stad der Atheners!”Onder zulke aansporingen stormde Alcibiades met zijne makkers, alle Atheners kennende en door allen bekend, door de drommen des volks heen.Toen de nacht was ingevallen, liet hij fakkels voor zich uit dragen en voerde de zijnen onder luid getier, voorafgegaan door muziek, naar de huizen van mooie meisjes en knapen, om hun serenades te brengen. Die muzikanten zelven waren meest fluit- en citherspeelsters, als Maenaden verkleed, en daar ook zij, die met eene serenade waren vereerd, zich bij den stoet aansloten, begon deze hoe langer zoo meer op een troep Bacchanten te gelijken, die zich om den God Dionysus hadden geschaard.Ten laatste pakt de moedwillige, dronken Alcibiades eene jeugdige hetaere, Bacchis geheeten, die hij op zijn tocht ontmoette, aan, en dwingt haar[288]zich bij den stoet aan te sluiten. Hij noemt haar zijne Ariadne6en zich zelven haar Dionysus.Voor de woning van Theodota gekomen, brengt hij ook haar eene luidruchtige serenade en treedt met zijn gevolg haar huis binnen.Theodota had reeds sinds geruimen tijd den jongen Alcibiades niet meer bij zich gezien. Steeds heftiger was haar minnesmart geworden. Nu zag zij den geliefden jongeling weder; maar hoe onaangenaam, hoe pijnlijk was voor haar hart zijn binnentreden! Dronken kwam hij aan het hoofd van een dollen troep. Dat zou zij vergeven hebben, maar hij voerde eene jonge, bloeiende hetaere met zich mede, die hij zijne vriendin onmiddellijk als zijne Ariadne voorstelde en wier bekoorlijkheid hij in overdreven taal begon te roemen.Nu werd in de vertrekken van Theodota een drinkgelag aangelegd, dewijl zij er zich niet openlijk tegen durfde verzetten, hoewel haar hart schier van stille smart bezweek. Alcibiades wilde, dat zij vroolijk en uitgelaten zou zijn. Hij begon in zijne dronkenschap van streken te verhalen, die hij dezen avond reeds uitgevoerd had; hij beroemde zich een eerbaar, jong meisje midden in het feestgewoel van het Lenaeüm gekust te hebben, en prees de zeden en gebruiken, die ten minste op het Dionysus-feest de Atheensche vrouwen in haar handelingen vrij maakten. Hij sprak van Hipparete, de bekoorlijke dochter van Hipponicus, van haar heimelijken minnegloed voor hem, van haar blos, zoodra zij hem zag. Daarbij maakte hij zich vroolijk over haar onnoozel, ingetogen en jonkvrouwelijk voorkomen. Hij vertelde ook van Cora, het van Arcadië naar[289]Athene overgebracht herderskind, het belachelijkste en schuwste schepsel, ’t welk er te vinden was en dat toch om elken prijs de zijne moest worden. Liever wilde hij van de schitterende Simaetha, van die heerlijke, nieuwe parel van schoonheid, dan van het Arcadische, hoofdige kind afstand doen.Na deze uitweidingen begon de jongeling, door den wijn bedwelmd, hevig tegen Theodota uit te varen, om hare stilzwijgendheid en haar treurig voorkomen.„Theodota,” riep hij, „gij zijt leelijk geworden! Al dat huilen en pruilen misvormt uw gezicht. Ontvangt men zoo een oud vriend, zooals ik? Waarover beklaagt gij u? Over mijn moedwil? Zijt gij het zelve niet geweest, die mij deze moedwil hebt geleerd? Herinnert gij u niet meer die vroolijke dagen en nachten, waarin ik onderricht van u ontving in alle soorten van dien schoonen moedwil? En thans? Wat moet dat verdrietig en gramstorig gezicht beteekenen? Waarom moet ik nu anders zijn, dan in den tijd, toen wij elkander het best bevielen en de vroolijkste uren samen doorleefden? Wees verstandig, Theodota! Denk aan die verliefde dwazen, wier sombere, teedere dweeperij u eens lastig viel en verveelde, zoo dat gij hen meedoogenloos lachend wegjoegt! En nu wilt gij zelve eene dweepster worden? Kan men zoo onverstandig zijne beste grondstellingen, zijne beminnelijkste eigenschappen verloochenen? Wees weder vroolijk en uitgelaten, Theodota! Geef ons een uwer prachtige dansen ten beste! Dans, ik wil het en wij allen willen het! Laat u nogmaals eens in uw vollen glans bewonderen!”Zoo sprak Alcibiades. Doch Theodota kon hare tranen niet weerhouden. Zij antwoordde met hartstochtelijke verwijten, noemde hem overmoedig, trouweloos, misdadig, meedoogenloos.„Waarvan beschuldigt gij mij,” hernam Alcibiades, „terwijl gij zelve oudergewordenzijt en de vroolijkheid der jeugd voor u verloren is gegaan? Beschuldig liever den tijd, die ons allen verandert.[290]Ook ik moet het voor lief nemen, als ik eenmaal van een jongen Satyr een oude, kaalhoofdige Sileen ben geworden. Doch ook als een kaalhoofdige Sileen zal ik nog altijd vroolijk zijn. Gij echter zijt op mij verstoord en vaart tegen mij uit en tegen het noodlot, omdat gij niet meer een bekoorlijk, bloeiend meisje zijt, gelijk Hipparete of Simaetha of deze Bacchis hier. Welnu, wilt gij volstrekt weder eene schoone jonkvrouw worden, reis dan naar Argos. Daar bevindt zich, zoo men zegt, een heiligdom met eene bron, waarin gij u slechts hebt te baden, om weder als jonkvrouw daaruit te voorschijn te komen. Ook Hera pleegt, zooals de dichters verhalen, van tijd tot tijd dit bad te bezoeken, om zich bij den vader der Goden weder aangenaam te maken. Wanneer zelfs de oude vader der Goden zulks nog weet op prijs te stellen, zou ik het dan niet doen, ik, de levenslustige jongeling, de Ithyphaller-vorst?”Op deze wijze sprak Alcibiades in overmoedige scherts, terwijl Theodota slechts in nog heviger bewoordingen en met een vloed van tranen antwoordde; ja zelfs in de overmaat harer woede vergreep zij zich aan de jonge Bacchis, zoodat zij eene Maenade geleek.„Zie eens naar mijn wakkeren vriend Callias,” zei Alcibiades, „die heeft tot stelregel geen vrouw meer dan ééns te naderen. En ik—ben ik niet telkens weder tot uw drempel teruggekeerd? Ha, bij den zaligen Eros, ben ik niet dikwijls genoeg des avonds gekomen met een of meer vrienden, met de gouden appelen van Dionysus op de borst, het haar omwonden met den populierkrans van Heracles, getooid met purperkleurige banden? Maar dat zal nu niet meer gebeuren. Ik denk nooit weder terug te keeren, noch alleen noch met anderen! Gaan wij, mijne vrienden! Ik verveel mij hier! Vaarwel, Theodota!”Verschrikt door deze bedreiging hield Theodota den vertoornden jongeling terug en beloofde, hare tranen drogend, aan zijne wensch te zullen voldoen.[291]„Welaan!” riep Alcibiades, „dans dan, zooals ik u straks reeds verzocht. Doe uw geprezen kunst nog eenmaal eer aan!”—„Wat zal ik dansen?” vroeg Theodota.„Gij geleekt zooeven,” hernam Alcibiades, „door den prikkel der hartstocht gedreven, veel op Io7die door eene door Hera gezonden paardenvlieg vervolgd, vertwijfelend over alle landen der wereld voortgejaagd werd. Toon ons, als gij wilt, door de kunst veredeld, wat ge ons vroeger liet zien in de ruwe, onbevallige werkelijkheid!”Zwijgend maakte Theodota zich gereed de Io te dansen.Zij danste onder de muziek der fluiten de geschiedenis van Inachus’ dochter, hoe zij door Zeus bemind, toen door Hera vervolgd en gebonden en op haar bevel door den honderdoogigen Argus bewaakt werd, hoe zij door den gewelddadigen dood van haar wachter op last van de onverzoenlijke Hera door de vinnig stekende paardenvlieg vervolgd en over alle landen werd voortgedreven.In den beginne had Theodota met moeilijke zelfoverwinning aan het geuite verlangen voldaan. Langzamerhand echter scheen zij, al meer en meer opgewekt, hare ziel geheel en al uit te storten in ’t geen zij voorstelde. Haar mimische dans kreeg een volkomenheid en eene uitdrukking, waardoor alle toeschouwers werden medegesleept.Toen zij echter tot de jammerlijke omdoling van Io overging en de ontzetting uitdrukte voor Hera’s toorn en voor het door de Goden gezonden, stekende dier, terwijl hare gebaren het karakter van eene wilde, hartstochtelijke onstuimigheid aannamen, toen in den angst der vluchtende het leed en het verloren liefdegeluk zich schenen te mengen, toen kregen de trekken en het geheele uiterlijk van Theodota allengs een schier huiveringwekkend voorkomen. Zij speelde met ontzettende[292]natuurlijkheid de razende, de vervolgde, de wanhopige.Maar zij speelde ze weldra niet meer. Hare oogen puilden uit en rolden verschrikkelijk in hunne kassen, haar boezem golfde, de geopende lippen bedekten zich met een licht schuim.Zoo wild en onstuimig werden hare bewegingen, dat Alcibiades en zijne vrienden verschrikt op haar toeijlden, om haar vast te houden en aan de onbeteugelde dolheid paal en perk te stellen.Thans begon Io-Theodota rustig te worden. Zij zag in den kring rond met matte oogen, glimlachte onnoozel en sprak de omstanders met zonderlinge namen aan. Alcibiades zelven hield zij voor Zeus, den als Sileen verkleeden Callias voor haar vader Inachus, doch in den jongen Demus meende zij den honderdoogigenArguste zien, en plotseling het oog strak op Bacchis vestigend stoof zij wederom op in dollen hartstocht; verwenschingen uitend tegen de haatdragende Hera, wilde zij zich op het meisje storten.—Theodota was krankzinnig geworden.—Zij zonk nu uitgeput ineen en stiet verwarde klachten uit in onsamenhangende, onzinnige taal.Alcibiades en zijne makkers werden door eene lichte huivering aangegrepen. Maar zij waren dronken van den wijn. Zij lieten de vrouw aan hare slavinnen over en zwierden uit Theodota’s woning de straat op, waar de luidruchtige, bedwelmende Bacchantische feestvreugde hen in haar maalstroom voortsleurde.Den volgenden dag had een nieuwe omgang met het beeld van Dionysus plaats. En ditmaal was het ’t overoude, uit Eleutherae naar Athene gebrachte beeld van den God, dat uit het Lenaeüm naar een kleinen tempel buiten de stad, in de nabijheid van de Academie, gedragen werd, waar het in vroeger tijden was opgericht geweest. Eenmaal ’s jaars, bij de groote Dionysiën, werd het beeld voor korten tijd in een feestelijken optocht naar de oude plaats gebracht.[293]Dit geschiedde juist nu weder.Talrijk en bovenmate prachtig, als ooit te voren, zeer verschillend van de eenvoudige wijze der voorvaderen, was ditmaal het feestelijk geleide van het beeld des Gods. In alle straten, waardoor het gedragen werd en op alle dakterrassen, vanwaar men er op neder kon zien, wemelde het van toeschouwers, die zelven in hun tooi van vioolkransen een feestelijk gezicht opleverden.Vooraan in den stoet liepen scharen Satyrs en Silenen in roode kleederen, hunne lichamen met klimopranken omwonden.Vervolgens werd een bekranst altaar rondgedragen, omgeven van knapen in purperen gewaad, die wierook, mirre en saffraan op gouden schalen droegen.Dan volgden allerhande vertooningen. Vooreerst een grijsaard achter een masker met twee gezichten, die den Tijd voorstelde, daarna de jeugdige, bloeiende Horen, die de vruchten droegen overeenkomstig haar jaargetijde; voorts eene prachtig uitgedoschte vrouw, versierd met de symbolen van het Dionysisch feest, eindelijk een schoon jongeling, die den vroolijken Dithyrambus8, voorstelde.Verder kwam een schaar van dertig citherspelers die gouden kransen op het hoofd droegen en op gouden lieren speelden.Nu echter volgde een prachtwagen op vier raderen, waarop het beeld van Dionysus gevoerd werd. De God was gekleed in een saffraankleurig gewaad, waarover een met goud geborduurde mantel geworpen was. Hij hield in de rechterhand een gouden beker omhoog, met fonkelenden wijn gevuld. Naast hem stond een reusachtig, gouden mengvat. Boven hem was een zonnescherm gespannen, waarvan weelderige klimop- en wingerdranken nederhingen. De wagen zelf was geheel met kransen omwonden en rondom versierd met tragische en comische[294]maskers, genen ernstig en waardig, dezen met grappige, grijnzende gezichten op het volk nederziende.Het onmiddellijke gevolg van den God vormden mannelijke en vrouwelijke Bacchanten met loshangende haren, de hoofden met wijngaardrank, klimop of struikwinde9bekranst.Op dezen wagen volgde een andere, waarop zich een vergulde wijnpers bevond. De wijnpers was geheel met kunstmatige druiven gevuld en dertig Satyrs stonden in den wagen en persten schijnbaar de druiven onder het aanheffen van een lustig wijnlied, door fluitspel begeleid, terwijl den geheelen weg over geurig vocht in een zak van pantervel droop. Om den zak echter zweefden Satyrs en Silenen, die drinkend en tierend den wijnstroom in bekers opvingen.Daarop kwam nog een derde wagen. Op dezen was eene grot voorgesteld, gehouwen uit heldere schitterende steen, met klimop omslingerd, waarin fonteinen van alle Helleensche wijnen sprongen. Bekranste nimfen zaten lachend bij deze fonteinen, duivenomfladderdende grot, vlogen uit en in en trekkebekten in de groenende twijgen van het klimop. Satyrs en Silenen zochten de duiven te vangen, die aan den boezem der nimfen zich trachten te redden.Vervolgens kwamen er reien van zingende knapen, gevolgd door den optocht der voorname Atheners op prachtige rossen gezeten, verder jongelingen, die gouden en zilveren vaatwerk droegen, aan den dienst van Dionysus gewijd.Luidruchtige scharen sloten zich daarbij aan, en andere vermomde personen, die in uitgelaten brooddronkenheid de pracht van den feeststoet potsierlijk nabootsten.Op de Agora werd halt gehouden bij het altaar[295]der twaalf Olympische Goden en hier zongen reien van mannen en knapen den Dithyrambus, waarbij het koor tegelijk zich in rhytmischen danspas om het altaar bewoog.Deze tonen waren nauwelijks verdoofd en de Dionysische stoet verder getrokken, toen een tooneel van de vreemdste en wonderlijkste soort de aandacht tot zich trok.In dien tijd namelijk waren rondtrekkende bedelpriesters van Cybele, die men Metragyrten placht te noemen, voorts Sabazius-dienaars, apostels van Sabazius10, een God, oorspronkelijk met Dionysus overeenkomende, maar wiens vereering allengs mystiek was geworden, alsmede dwepers, die meenden de mystische wijsheid van Orpheus wederom te kunnen invoeren, te Athene opgetreden en begonnen hunne leer te verkondigen.De Sabazius-priesters, vereerden en predikten een Heiland der wereld, door wien de menschheid van alle kwalen verlost en de sterveling het hoogste heil deelachtig zou worden: die Heiland was Sabazius. Zij en de Metragyrten trokken rond in de straten met het beeld van den God of ook met dat van de moeder der Goden, onder de klanken van het cymbaal en den Aziatischen tamboerijn voerden zij dansen uit, waarbij zij zich als razende Corybanten gedroegen. Geeseling zelfs en zelfverminking pleegden en bevolen zij aan, gelijk de priesters van Cybele op den Tmolus. Het geheele land zwierven zij bedelend door, een ezel droeg hunne heiligdommen, allerlei geheime middelen verkochten zij en voor geld boden zij zich aan, om den toorn der Goden te bezweren, ja zelfs gestorvenen van bedreven misdrijven te reinigen en uit de kwellingen van den Tartarus te verlossen. Zij waren de verkoopers van en onderhandelaars in de hulp der Goden voor de stervelingen.De geest van den Helleen was niet geheel en al afkeerig[296]van zulke dweperij, en hier en daar begon zij in de gemoederen van enkelen wortel te schieten.Niemand zag met grootere verbittering zulke pogingen aan, om een somberen en mystieken eeredienst uit het Oosten naar het levenslustige Hellas over te planten,danAspasia, en met alle middelen, die haar ten dienste stonden, streed zij daartegen. De dartele, jonge Alcibiades, wien sombere dweepzucht niet minder onbegrijpelijk en een gruwel was, stond haar als moedig kampioen tegen die mannen der duisternis en kwakzalvers ter zijde.Gedurende het Dionysus-feest achtten ook de rondtrekkende Metragyrten en Sabazius-dienaars de gunstige gelegenheid gekomen, om aanhangers te werven voor hun God en Heiland Sabazius en voor zijn fanatieken en gruwzamen dienst. Zij trokken rond, met populierloof en venkel omkranst, en hielden slangen in de hand, die zij over hun hoofd zwaaiden, en dansten, door eene groote menigte volks omstuwd, onder het Corybantisch rumoer en cymbalen en tympanen, hun razenden dans, de zoogenaamde Sicinnis11. Daarbij geeselden enverwonddenzij zich tot bloedens toe.Een Metragyrt had eene groote menigte volks om zich heen verzameld en predikte met heftige gebaren en luid geschreeuw den verlossenden God Sabazius. Hij sprak van geheime wijding, en van de hoogste en den God welgevalligste handeling van den ganschen Sabazius-dienst, de zelfverminking.Terwijl de menigte aandachtig luisterde en voor een deel de gemoederen bewogen waren door de taal van den Metragyrt, kwam eensklaps de schaar der tierende, dronken Ithyphallers daarlangs. Zij hoorden den vreemden dweper van den Sabazius-dienst en de zelfverminking spreken.„Hoe?” riep de uitgelaten aanvoerder der Ithyphallers, „van zelfverminking waagt ons iemand te spreken, te midden van de weelde der Bacchische[297]feestvreugde? Neen! Zulke taal mag op Helleenschen bodem niet gehoord worden, zoolang er nog Ithyphallers zijn!”Nauwelijks had hij dit gezegd, of de schaar der dronken overmoedige jongelingen viel op denMetragyrtaan, sleurde hem voort en, gedachtig aan de wraak reeds lang aan zijns gelijken gezworen, slingerde men hem in den naburigen afgrond, het Barathron.—Onder de Bacchanten, die den feeststoet volgden, bevonden zich ook de leerlingen van Aspasia.Hoe zouden zij, die tot vrijheid werden opgevoed, de vrijheid niet volop genieten in de dagen, waarop zelfs voor hen, die anders niet vrij waren, alle boeien werden verbroken en alle slagboomen vielen?Ook het Arcadische herderskind, hoewel het zich er met tegenzin in schikte, had men als eene Bacchante gemaskerd en zij werd mede voortgetrokken door de onbeteugelde reien.De jonge Alcibiades scheen er groot belang in te stellen, dat aan de Bacchanten, die uit Aspasia’s huis kwamen, ook Cora niet ontbrak.Cora stond wel is waar in schoonheid verre achter bij hare speelgenooten. Doch zij was preutsch en haar zonderlinge ernst prikkelde den moedwil van den jongeling en voerde hem ten laatste tot vermetelheid.Ter wille van Cora volgde hij met zijne makkers, door Satyrmaskers onkenbaar, Aspasia’s meisjes. Het waagstuk, dat hij voornemens was te volvoeren, was niets anders, dan de preutsche Arcadische van hare speelgenooten af te lokken, of, wanneer hem dit niet gelukte, haar met geweld uit haar midden voort te slepen en naar zijn huis te ontvoeren.Schertsend mengden zich de Satyrs onder de Bacchanten; Alcibiades drong zich in de nabijheid van Cora, doch vond haar weerbarstiger dan ooit.Plotseling vielen, op eene eenzame plaats, die voor de onderneming gunstig was, op een wenk van Alcibiades, zijne makkers en hij zelf het meisje[298]aan, om het onder de bescherming der reeds aanbrekende schemering met geweld weg te voeren.Doch in het hart der Arcadische ontwaakte dezelfde moed, waarmede zij vóór tijden reeds eenmaal een Satyr, die haar aanviel, op de vlucht had gedreven. En evenals zij toen een brandend stuk hout uit het vuur in het woud had gegrepen, om den vermetele daarmede te verjagen, zoo greep zij thans eene harer vriendinnen de fakkel uit de hand en stiet ze den vermomden aanrander Alcibiades in ’t gezicht, zoodat zijn satyrmasker in brand geraakte en hij in verwarring terugweek. Dit oogenblik maakte Cora zich ten nutte, om met de snelheid eener vluchtende hinde weg te ijlen en weldra was zij spoorloos uit de oogen harer vervolgers verdwenen.Rusteloos vloog zij met kloppend hart door de straten totdat zij het huis van Aspasia bereikt had.Even als Cora heden onder de Bacchanten, was de jonge Manes, de pleegzoon van Pericles, onder de Satyrs opgenomen.Ook hem had men het masker opgedrongen, ook hij was Xanthippus en Paralus tegen zijn zin in het dolle spel gevolgd. Onaangenaam, ja beangstigend scheen hem het gewoel, dat hem omgaf. De feestvreugde nam een losbandig teugelloos karakter aan. De dolle Meno gedroeg zich op de Agora even schaamteloos als zijn hond. Ten laatste werd Manes geheel weerloos het mikpunt der spotters. Onbeholpen en schuchter in al zijn doen, kon hij de plagerijen en de scherts waarmede hij van alle kanten bestormd werd, niet beantwoorden.„Past op!” schreeuwden eenigen in den kring. „Die naargeestige Satyr daar is niet te vertrouwen! Reeds menigmaal zijn bij het Dionysus-feest afgunstige schimmen uit de onderwereld onder de levenden geslopen; mogelijk is hij Thanatos zelf of de pest!—Scheurt hem het masker af! Wie weet welk eengrijnzendenkop wij dan zullen zien!”Het brein van den jongeling werd beneveld, zijn hoofd bonsde, met zijne krachtige armen baande hij[299]zich een weg door het gewoel en ijlde naar huis terug.Daar aangekomen sloop hij ongemerkt naar het dakterras, dat op dit oogenblik geheel verlaten was. Daar ging hij op eene kleine steenen bank zitten, nam het Satyr-masker van zijn gelaat, lei het naast zich neder en verzonk in diepe gepeinzen.Eene diepe zwaarmoedigheid was over zijne trekken verbreid. Hij scheen eene heimelijke smart in zijne ziel te dragen. Toen hij zich aan het luidruchtig gewoel van het Dionysus-feest onttrok, lag de reden daarvan wellicht niet alleen in zijn afkeer van dergelijke uitgelatenheid, maar vooral in eene beklemdheid, die ten gevolge van een diepen en machtigen indruk, zich van zijne ziel meester maakte.Reeds lang had Manes op deze wijze, peinzend en treurig met de oogen naar den grond geslagen, daar gezeten, met het masker nevens zich. Eensklaps stond Aspasia voor hem.Verschrikt keek hij op. Zwijgend staarde de vrouw des huizes hem eenigen tijd in het droefgeestig en sombere gezicht. Toen sprak zij hem aldus minzaam aan:„Hoe komt het, Manes, dat gij de genoegens van uwen leeftijd zoolang versmaadt? Voelt gij niets in uw bloed van ’t geen anderen drijft, om van den schoonen, vluchtigen, nooit terugkeerenden tijd der jeugd te genieten?”Manes keek getroffen naar den grond en antwoordde niets.„Hebt gij soms een verdriet of iets wat u hindert?” vervolgde Aspasia. „Zijt gij ontevreden in dit huis en zoudt gij liever onder andere menschen willen leven?Zijt gij misschien heimelijk op Pericles verstoord, omdat hij u van Samos medegenomen heeft, en u als zijn eigen zoon in zijn huis heeft doen opvoeden?”Bij deze woorden van Aspasia stond de jongeling onwillekeurig van zijn zitplaats op en met levendige, afwijzende gebaren verwierp hij een dergelijke[300]veronderstelling, terwijl een traan in zijn oog opwelde.Aspasia liet echter niet af naar de reden zijner droefgeestigheid te onderzoeken.Manes antwoordde nu eens met eene lichte zucht, die aan zijn borst ontglipte, dan weder met een blos. Zijne hand beefde een weinig. Hij waagde zelden op te zien; als hij het echter deed, hadden zijne oogen eene diep gevoelige, schier roerende uitdrukking.De jongeling was zoo houterig en stroef in zijn geheele wezen, en toch had hij thans iets teeders, men zou haast zeggen, iets meisjesachtigs over zich.Ieder oogenblik werd Aspasia meer versterkt in haar vermoeden, dat een geheim leed aan het hart van den jongeling knaagde.Liefde kon het niet zijn; want wie zou die stille gloed kunnen gelden! Dan toch alleen eene der jeugdige huisgenooten? Maar deze had Manes immers altijd schuw en verlegen ontweken? Had men niet alle moeiten aangewend, om den jongen man in den vroolijken kring te trekken en waren deze pogingen niet altijd mislukt?—Eene gedachte vloog Aspasia door het hoofd. Eene gedachte, die in ’t eerste oogenblik haar schier kluchtig voorkwam, en haar bijna deed lachen.—Maar als de jongeling zijn zielroerend oog tot haar opsloeg, werd die gedachte minder belachelijk en Aspasia gevoelde zich, ’t geen anders niet in haar karakter lag, door eene opwelling van innig medelijden aangegrepen.Zij werd niet moede de onmannelijke zwaarmoedigheid van den stillen jongeling in zachte bewoordingen af te keuren en hem tot de vroolijkheid, die aan zijne jeugd voegde, op te wekken.Terwijl Aspasia zich alzoo met Manes bezig hield, zat Cora eenzaam en verlaten in het peristylium van het huis. Zij had, teruggekeerd uit de woeste bedwelming der feestvreugde, zich daar[301]neergezet, haar Bacchanten-masker afgedaan en naast zich nedergelegd. Zoo zat zij daar in diepe gepeinzen verzonken, toen Pericles, toevallig juist naar huis teruggekeerd, het peristylium doorging.Hij was getroffen door ’t gezicht van het meisje, dat daar zoo eenzaam en peinzend zat, met het Bacchanten-masker nevens zich.Hij trad op Cora toe en vroeg haar waarom zij zoo spoedig was teruggekomen en zich van hare speelgenooten had afgescheiden, met wie zij was uitgegaan.Cora zweeg. Zij had een krans op haar schoot, denzelfden, dien zij als Bacchante gedragen had. Hare hand speelde schier onbewust met de bloemen van dien krans, en de grond om haar heen was bedekt met de afgeplukte bladeren der bloemen.Het meisje leverde een zonderling gezicht op, zooals zij op dat oogenblik daar zat. Hare houding, het spel met den krans, de ernst van het bleeke gelaat, vormde met het gewaad en de zinnebeelden der Bacchante, die zij aan of om zich had, een zoo scherp contrast, dat het bijna den lachlust opwekte.Pericles zag haar in het gelaat en sprak haar aan:„Ik herinner mij niet ooit eene Bacchante met zoo’n droevig gelaat gezien te hebben. Mij dunkt, Cora, gij zoudt den Thyrsus veel liever weder met den herderstaf verwisselen!—Is ’t niet zoo?—Gij voelt u niet gelukkig in dit huis? Gij hebt een heimwee naar uwe vaderlandsche bergwouden, naar uwe lammeren en schildpadden.”Cora sloeg hare oogen even naar Pericles op, die oogen, gelijk die eener hinde, en zag hem aan met eene uitdrukking, die nog treuriger was dan te voren, doch tevens met een trouwhartigen, schier kinderlijken blik, waarin eene toestemming, uit het diepst harer ziel voorkomende, scheen te liggen.„Wilt gij, dat wij u naar huis laten gaan?” vroeg Pericles op een hartelijken, vertrouwen inboezemenden toon. „Spreek vrijuit, mijn kind, en ik[302]zal alles doen, om u zoodra mogelijk naar uw geboorteland en naar uw waarachtig geluk terug te voeren. Wilt gij dit huis verlaten, Cora? Spreek!”Eene zonderlinge uitwerking maakten deze woorden op het Arcadische meisje. In ’t eerste oogenblik blonk er een glans van vreugde over haar gelaat. Plotseling echter keek zij, als door eene nieuwe gedachte getroffen, weder ernstig naar den grond; zij werd bleek, haar boezem begon te hijgen, een traan parelde aan hare wimpers.„Zeg vrijuit,” hernam Pericles, „wat gij wenscht en wat uwe opgeruimdheid in dit huis verhindert. Er is zeker iets, dat gij mist!”—Pericles sprak deze woorden op een beslisten toon en zag, op een antwoord wachtend, het meisje strak in het aangezicht.„Verlangt gij uit dit huis weg te gaan?” herhaalde hij.Cora schudde treurig het hoofd, zonder een woord te spreken.„Uwe droefgeestigheid schijnt dus zonder reden te zijn,” vervolgde Pericles, „eene zwaarmoedigheid, die zich als eene soort van ziekte van uw gemoed meester maakt. Bestrijd haar, mijn kind! Geef u niet aan hare macht over, maar verzet u er tegen! Zie, ook mij zou de daemon der ontevredenheid somwijlen willen overweldigen, maar ik worstel met hem. Het leven moet vroolijk zijn en genot voor ons: want ware dat niet het geval, dan moesten wij immers de dooden benijden. Willen toch niet alle menschen opgeruimd en gelukkig zijn en zich blijde met elkander in hun bestaan verheugen?„Waarom zoekt gij de eenzaamheid? Wilt gij ook niet vroolijk en gelukkig zijn?”Wederom sloeg Cora trouwhartig de oogen tot Pericles op en zeide op aarzelenden toon:„Ik ben gelukkig, als ik alleen ben!”„Zonderling kind!” riep Pericles.Hij zag Cora zwijgend en peinzend aan. Zij was niet mooi. Hare maagdelijke schoonheid was zonder alle betoovering der zinnen.[303]En toch lag in die maagdelijkheid, in die kinderlijkheid, in die zonderlinge gevoeligheid iets, wat eene eigenaardige sympathie in edele karakters kon wekken.Pericles had het ideaal van alle vrouwelijke bekoorlijkheden en voortreffelijkheid in Aspasia verwezenlijkt gevonden. Thans trad plotseling voor hem de vrouwelijkheid op in eene nieuwe, onbekende gedaante. Wat hij hier in Cora voor zijne oogen zag, was verschillend van alles, wat hij tot heden gezien, wat hij bewonderd, wat hij bemind had.Niet betooverend, niet verleidelijk scheen hem deze nieuwe soort van vrouwelijkheid, maar eene aandoening greep hem aan, even nieuw en vreemd, als hetgeen die in hem te voorschijn had geroepen. Hij legde zijne hand op het hoofd van het meisje en beval haar krank gemoed aan de machtige hoede der goden.Daarop sprak hij: „Willen we samen Aspasia opzoeken? En toen hij van een slaaf hoorde, dat Aspasia zich op het dakplat begeven had, nam hij het meisje vriendelijk bij de hand om ze naar hare meesteres te voeren.Zonderlinge samenloop! Op ’t zelfde oogenblik, dat Pericles in ’t peristylium van het huis zijne hand met ernstige aandoening op het hoofd van ’t bedroefde herderskind legde, op ’t zelfde oogenblik rustte de hand van Aspasia, die haar gesprek met Manes op het dakterrasgeëindigdhad, op het hoofd van den droefgeestigen Noordschen jongeling.En ’t was alsof hare hand, met schier moederlijke teederheid zijne bruine lokken aanraakte, alsof haar oog met warmte op de trekken van den jeugdigen zonderling rustte! Toch zetelde opgeruimde blijmoedigheid op haar open, fier voorhoofd en met een kalmen glimlach begroette zij Pericles, toen hij met het meisje aan de hand tot haar trad.„Ik breng u de zwaarmoedige Cora,” zei Pericles tot Aspasia; „ik geloof dat zij niet minder dan[304]Manes behoefte heeft aan vriendelijke toespraak!”Terwijl Pericles naderde had hij den blik van warme toegenegenheid opgemerkt, waarmede het oog van Aspasia op den jongeling rustte.Zij volgde zijn nauw merkbaren wenk en hij voerde haar naar een afgelegen plek van het dakterras, waar eene rustplaats onder bloeiende ranken was aangebracht.Hier vertelde Aspasia haar gesprek met Manes aan Pericles, deze haar het zijne met het Arcadische meisje.Ten laatste zeide Pericles kalm en ernstig:„Gij hebt gloeiende blikken, ja zelfs liefdevolle gebaren gebezigd, om het sombere gemoed van den jongeling op te beuren!”„En dat brengt u op de gedachte dat ik liefde voor hem zou gevoelen?” vroeg Aspasia. „Neen,” vervolgde zij, toen Pericles zweeg, „ik bemin hem niet, want hij is schier leelijk. Zijne plompe wangbeenderen beleedigen mijn oog. Maar eene vluchtige aandoening overweldigde mij, ik weet zelve niet hoe haar te noemen. Wellicht was het medelijden.”„Weet gij zoo precies, wat liefde niet is en wat wel?” vroeg Pericles.„Wat liefde is?” riep Aspasia glimlachend. „Begint gij thans ook mij met die dwaze vraag te kwellen?—Liefde is eene zaak, die men niet kan afweren, als zij komt, en niet kan tegenhouden als zij gaat.”„En weet gij er anders niets van te zeggen?” vroeg Pericles.„Niets, dan wat ik reeds zoo dikwijls gezegd heb,” hernam Aspasia: „liefde is een gevoel, dat in tyrannie kan ontaarden, wanneer zij het geliefde voorwerp tot een werktuig wil maken, zonder zelfstandigen zin. Die onwaardige begeerte moest zij weten te onderdrukken. Zij moest een in vrijheid gesloten, in vrijheid gehandhaafd vreugdeverbond des harten zijn!”„Zoo dikwijls gij mij dit herhaaldet,” sprak Pericles, „altijd is het mij onwederlegbaar voorgekomen.[305]Mijn kalme, nadenkende geest is daarvan nog evenzeer overtuigd, als toen wij zelven zulk een vreugdeverbond des harten in vrijheid sloten. Liefde moet die zelfzuchtige begeerte opgeven om het beminde voorwerp te bezitten; maar de vraag bestaat nog altijd bij mij: kan de liefde dit doen? Is zij in staat die begeerte te verwinnen?”„Zij kan het,” hernam Aspasia: „want zij moet het kunnen!”„Niet tegen te houden is de liefde, als zij gaat, zeidet gij straks,” vervolgde Pericles, na eenige oogenblikken te hebben nagedacht. „Wat zal er van ons worden, Aspasia, als haar schoon vuur ook in onze borst verdooft?”„Dan zullen wij zeggen,” hernam Aspasia: „wij hebben met elkander de hoogste aardsche zaligheid genoten! Wij hebben niet te vergeefs geleefd! Wij hebben op het toppunt van ons bestaan, in de hoogste kracht des levens en der liefde, den vreugdekelk geledigd.”„Geledigd—geledigd”—herhaalde Pericles, schier onhoorbaar in zich zelven sprekend. „Gij doet mij daar een woord hooren, dat mij doet huiveren”——„’t Is het lot der bekers geledigd te worden,” zei Aspasia, „en het lot der bloemen te verwelken en het lot van al wat leeft schijnbaar te verdwijnen, inderdaad echter in eene eeuwigdurende wisseling zich te vernieuwen. De plicht van den sterveling echter is ’t, die verandering en wisseling om hem en in hem met de blijmoedige kalmte der echte wijsheid te aanschouwen. Dwaas zou het zijn zich aan de hielen van het voortijlende vast te klemmen. De tijd komt, dat men getroost den beker, waarin eens de zaligmakende drank heeft geschuimd, in den afgrond zal werpen. Alles streeft naar het toppunt, om dan weder neder te dalen langs de ladder der levens tot vernietiging. Alles volgt den loop der natuur”—Nadat Pericles en Aspasia dit gesprek hadden gehouden, maakten zij zich gereed zich in huis te[306]begeven; en op de plaats gekomen, waar zij Manes en Cora achter gelaten hadden, zagen zij hen beiden in een druk onderhoud gewikkeld.Het platte dak was door Aspasia in eene soort van tuinterras herschapen. Daar bevonden zich priëelen ter beschutting tegen de zon en hooge, bloeiende heesters, in bakken, met aarde gevuld.Zulk een heester verborg Pericles en Aspasia, toen zij naderden, voor de blikken van den jongeling en van het meisje, die bovendien te zeer in hun gesprek verdiept waren, dan dat zij hunne nadering zouden bemerkt hebben.Pericles en Aspasia stonden onwillekeurig een oogenblik stil, hoogst verwonderd over dit gezicht. Zij hadden nooit te voren bemerkt, dat Manes en Cora zich zoo vertrouwelijk onderhielden, dat de een het gezelschap van den ander gezocht had.’t Was op zich zelf een zonderling tooneel, dat het oog wel tot zich mocht trekken, een treurige Satyr en eene zwaarmoedige Bacchante in een gesprek met elkander.Cora vertelde den jongeling van haar Arcadisch geboorteland, van de schoone bergwouden, van de schildpadden, van den God Pan, van de Stymphalische vogels, van de jacht op wilde dieren.Manes luisterde met gespannen aandacht. „Gij zijt wel zeer gelukkig, Cora,” zei hij daarop, „dat gij dit alles zoo helder voor uw geest hebt en het u telkens kunt herinneren. Ik herinner mij, als ik waak, volstrekt niets van mijn vaderland en van mijne prille jeugd. Alleen in droomen en mijmeringen word ik somwijlen verplaatst in sterk ruischende wouden of ik zie ruwe mannen in harige vachten gekleed, op snelle paarden gezeten en daarheen rennend over de vlakte. Ik ben dan den geheelen dag door treurig, als ik zulke droomen gehad heb en ik ben ziek van eene soort heimwee, ofschoon ik geen vaderland heb en ik niet weet, waarheen ik mijne schreden het eerst zou richten, als ik het wilde opzoeken. Alleen dit weet ik, dat ik noordelijk en steeds noordelijk moet gaan, en dikwijls[307]droom ik ook, dat ik naar het Noorden trek, altijd meer naar het Noorden in eene onafzienbare ruimte. Gij zijt zeker dubbel bedroefd, Cora, dat gij niet naar uw vaderland kunt terugkeeren, omdat gij het kent en het altijd gemakkelijk weder zoudt weten te vinden. Zeg het mij, Cora, als gij terug wilt keeren naar uw geboortegrond; ik zal er u heen voeren en ik blijf er ook; want ik ben immers jong en sterk. Waarom zou ik niet met de Arcadische mannen samen leven en met hen jagen op de wilde dieren?”„Neen, Manes,” zeide het meisje, „naar Arcadië moet gij niet gaan, omdat u immers het heimwee naar het Noorden heentrekt. Neen ik zou volstrekt niet willen, dat gij naar Arcadië toogt, omdat u daar ongetwijfeld altijd een onweerstaanbaar verlangen naar uw vaderland zal bekruipen. Gij moet koers zetten naar den Hellespont en dan steeds meer naar het Noorden, zoo zult gij zeker uw vaderland vinden en wellicht zelfs een koninkrijk.”—„Ik zou wel gaarne naar het Noorden willen trekken,” zei Manes, „maar ’t zou mij bedroeven, als ik er aan dacht, dat gij hier zijt en te vergeefs naar uw Arcadië verlangdet.”Cora keek peinzend naar den grond en zeide na eene kleine pauze:„Ik weet niet hoe het komt, Manes, dat ik even gaarne naar het Noorden zou willen trekken, als naar Arcadië, zoo wij slechts samen gingen. En ’t is mij, als zou overal, waarheen we ons begaven, Arcadië zijn.”—Bij deze woorden van het meisje bloosde Manes en zijne hand beefde weder, als altijd, wanneer hij door een groote innerlijke aandoening bewogen werd; hij kon eerst geen woord zeggen; na eene korte pauze begon hij weder:„Maar gij wilt zeker veel liever naar Arcadië gaan, Cora, naar de uwen! Ik wil u gaarne vergezellen en herder worden, en ’t is mij, alsof ik overal, waarheen ik u voer, mijn vaderlandterugvind, ja zelfs een koninkrijk.”—[308]Hier stokte zijne stem en hij bloosde weder. Van de straten steeg het geraas en getier van den voorbijtrekkenden Bacchanten-stoet naar boven. Fakkels schitterden, het genot en gejubel waren ontketend tot volle vrijheid—hier boven echter stonden de jongeling en het meisje met kranke harten, bleek en sprakeloos en schuchter tegenover elkander, en geen van beide waagde het de hand van den andere te vatten en zelfs de oogen sloegen zij voor elkander verlegen neer—de Satyr en de Bacchante!—„Zij beminnen elkander!” zei Pericles tot Aspasia. „Zij beminnen elkander, die twee: maar met eene zonderlinge soort van liefde, naar ’t schijnt. Het is alsof zij elkander geheel en alleen met de ziel beminnen.—Zij spreken niet dan van offers, die zij elkander zouden willen brengen.”„Inderdaad,” hernam Aspasia, „met eene soort van liefde beminnen die beiden elkander, zooals alleen Manes en Cora die konden gevoelen. Zij hebben door de liefde alle vroolijkheid verloren, zij zijn bleek en ziek, zij zijn treurig, en hoewel zij weten, dat zij elkaar beminnen, hebben zij toch geen genot van hunne wederkeerige liefde: want zij durven elkaar niet eens de hand te geven, laat staan een kus.”„Het is eene schuchtere liefde,” zei Pericles, „eene kuische, eene smartelijke, eene onbaatzuchtige, eene zelfverloochenende, eene opofferende liefde. Wellicht vergoedt deze soort van liefde door bestendigheid en schoone harmonie, wat haar ontbreekt aan zalig en bedwelmend goddelijk genot. Wellicht geldt van haar minder, wat gij vroeger van de liefde hebt beweerd, dat zij aan den blinden loop der natuur onderworpen is.”„Eene krankheid is deze treurige liefde!” riep Aspasia geprikkeld. „Wee den dag, waarop zij is uitgevonden! Niet uit de zee, door het morgenrood beschenen, maar uit de Arcadische wateren der Styx verrees deze nieuwe, met witte rozen bekranste, bleeke Aphrodite! Deze soort van smartelijke, hartstochtelijke[309]liefde is voor de menschen even erg, als oorlog en pest en hongersnood. Te Eleusis heb ik deze soort van liefde onder het gevolg van den valen Thanatos gezien, en deze gedachte was de eenige, die mij beviel, ginds in de Eleusinische, gewijde groeven!”Thans kwamen Pericles en Aspasia uit hun schuilhoek te voorschijn en Aspasia voerde het Arcadische meisje met zich naar huis.Op den avond van dienzelfden dag werd in de woning van Pericles een klein feest gehouden, zooals in den tijd der Dionysiën alle Atheensche burgers gewoon waren in hunne huizen aan te leggen. Eenige gasten waren er, onder wie Callimachus met Philandra en Pasicompsa.Men was ditmaal niet in de gewone eetzaal des huizes, maar in het koeler en ruimer peristylium bijeen gekomen, waar de lucht van den zoelen lentenacht van boven verkwikkend binnenwoei.Pericles had zich naar gewoonte vroeg teruggetrokken.Plotseling kwam de jonge Alcibiades met eenige zijner vrienden. Hij stormde in uitgelaten feestvreugde de deur van het huis binnen en nam, met zijne makkers doordringend, onmiddellijk plaats onder de reeds vergaderde gasten.Bij zijne komst vluchtte Cora angstig naar het binnenste deel van ’t huis.Toen Alcibiades dit bemerkte, wilde hij zich bij de bekoorlijke Simaetha schadeloos stellen. Deze echter wees hem fier van zich. Zij verachtte hem, sedert hij zich zoo diep had verlaagd, om het Arcadische herdersmeisje in zijne dolle opgewondenheid met geweld te vervolgen. Ook de overige meisjes behandelden hem om dezelfde reden uit de hoogte. Langen tijd deed hij zijn best om haar toorn te doen bedaren, maar te vergeefs.„Hoe?” riep hij ten laatste, „Cora loopt voor mij weg, preutsch als eene hinde, door de jagers vervolgd—Simaetha keert mij den rug toe—de geheele school van Aspasia ziet ernstig en[310]fronst de wenkbrauwen, als de oude Anaxagoras—welaan! als gij allen mij afwijst, zal ik mijne toevlucht nemen tot de lieve Hipparete, het eerzame, zedige, bekoorlijke, bloeiende dochtertje van Hipponicus!”„Doe dat gerust!” zei Simaetha.„Dat zal ik!” riep Alcibiades.„Gij zult mij niet te vergeefs afgewezen hebben, Simaetha! Alcibiades laat niet met zich spotten! Ik ga morgen zoo vroeg mogelijk naar Hipponicus en vraag hem zijn dochtertje. Ik trouw, word deugdzaam, doe afstand van alle dolle genoegens en verdrijf mij den tijd met Sicilië te veroveren en de Atheners naar mijne pijpen te doen dansen!”„Hipponicus zal u zijne dochter niet geven!” riep de jonge Callias; „hij houdt u voor een veel te grooten deugniet!”Lachend herhaalden de overige gasten: „Hipponicus zal u zijne dochter niet geven, gij zijt een veel te groote deugniet!”„Hipponicus zal mij zijne dochter geven,” riep Alcibiades met nadruk, „al had ik hem van te voren ook eene oorveeg gegeven. Wilt gij eene weddenschap met mij aangaan? Ik neem aan, Hipponicus een klap om de ooren te geven en hem dan zijne dochter te vragen. En hij zal ze mij geven.”„Gij zijt een pocher!” riepen zijne vrienden.„Laten wij wedden!” hernam Alcibiades: „duizend drachmen, als gij wilt!”„Top!” riepen Callias en Demus.Alcibiades bood zijn vrienden de hand en zij sloegen toe. De weddenschap van duizend drachmen was aangegaan.„Waarom zou ik mij niet bekeeren en deugdzaam worden,” zei Alcibiades, „daar rondom mij zoovele treurige teekenen en wonderen geschieden? Niet genoeg, dat Cora mij ontvlucht, Simaetha zich van mij afkeert, Theodota waanzinnig is geworden, moest ik ook nog beleven, dat ik mijn oudsten en besten vriend verloor? Hij heeft zijne[311]trouw jegens mij verbroken en eene vrouw genomen.”„Van wien spreekt gij?” vroegen eenigen.„Van wien anders, dan van Socrates?” hernam Alcibiades.„Hoe? Is Socrates getrouwd?” vroeg Aspasia.„Zoo is het!” hernam Alcibiades, „in alle stilte heeft hij onlangs eene vrouw genomen. Geef hem maar op—gij ziet hem nooit weer!”„Hoe is dat gebeurd?” vroeg Aspasia verder, „ik heb er nog niets van gehoord.”„’t Zal ongeveer twee weken geleden zijn,” zei Alcibiades, „dat ik in eene der stillere straten daarboven aan den Ilissus met een vriend, dien ik toevallig ontmoette, stond te praten. Plotseling gaat de met bloemen versierde deur van een huis open en eene stoet van fluitspelers en zangers, met fakkels in de handen en bekranst, treedt naar buiten. Hen volgt eene gesluierde bruid, tusschen den bruidegom en den nymphagoog12. Deze drie bestijgen een met muildieren bespannen wagen, die voor het huis staat, en nemen er plaats in. Onderwijl komt de moeder der bruid, met de fakkel, die zij aan den haard van het huis der bruid heeft aangestoken; bij haar sluit het overige, in ’t wit gekleede gezelschap zich aan, met bloemen bekranst en fakkels dragende; de wagen zet zich in beweging en voorwaarts gaat het de straat af tot aan het huis van den bruidegom, onder de toonen der fluiten, het aanheffen van liederen, onder vroolijk jubelen en dansen. Die bruidegom nu was niemand anders dan Socrates, de vriend van Aspasia, de nymphagoog was de vrouwenhater Euripides.”„En de bruid?” vroegen velen.„Het eenvoudig kind van een eenvoudig man,” hernam Alcibiades, „dat echter onmiddellijk de teugels van het huishouden als met ijzeren hand heeft aangegrepen, en de kunst verstaat, met het weinige huis te houden, dat Socrates nog van zijn vaderlijk[312]erfdeel bezit. Socrates getrouwd! De arme waarheidzoeker! De waarheid heeft hij gezocht—eene vrouw heeft hij gevonden! Ik herhaal het, er geschieden teekenen en wonderen! De oude wereld wil, naar ’t schijnt, zich uit het oude spoor losrukken. Socrates getrouwd—de vroolijke Theodota waanzinnig; voegt men hier nog bij, dat op Aegina en Eleusis, naar men zegt, eenige gevallen van pest zijn voorgekomen, die reeds lang op het Aegyptische strand spookt, en dat men heden op de Agora een verdacht Satyr-masker meent gezien te hebben, waarachter zich Thanatos of de Pest of een ander afzichtelijk wezen verbergt—neemt men dit alles samen, dan zult ge mij moeten toegeven, dat het in de stad der Atheners vervelend dreigt te worden. En wanneer ik daarbij nog de dochter van Hipponicus huw, dan krijgt de Helleensche hemel eene sombere tint. Maar heden willen wij nog vroolijk zijn—bij Eros met de bliksemschicht! Niet langer getreurd en gepruild, meisjes! Laat ons een lustigen, dollen strijd beginnen tegen de droevige machten, die ons bedreigen! Laat ons met een verachtelijken glimlach alle teekenen en wonderen beschouwen! En wanneer dartele lust en genot ook uit geheel Hellas verdwenen waren, dan moeten zij nog in dezen kring te vinden zijn. Heb ik geen gelijk, Aspasia?”„Gij hebt gelijk!” antwoordde Aspasia; „in den strijd tegen al het sombere zijn wij bondgenooten.”Zoo sprak zij en liet nieuwe bekers brengen en in het mengvat schuimde weder het kostelijk nat; geledigd en nog eens geledigd werden de fonkelende bokalen. Vroolijke scherts, gelach en dartel gezang schalden door het peristylium en Alcibiades tintelde van den geest van Dionysus.Zoo was het middernacht geworden. Plotseling gaat in den achtergrond eene deur open, die naar het peristylium voert. Uit de deur komt langzaam als een spook, met gesloten oogen, Manes te voorschijn—Manes, de slaapwandelaar!—Hij had geen deel genomen aan het feest, maar zijne stille legerstede[313]opgezocht. Thans echter had de geheimzinnige ziekte den slapende uit zijne rust opgedreven.Bij het gezicht van hem, die met gesloten oogen het peristylium doorwandelde, verstomde de luidruchtige vroolijkheid en allen staarden, door eene lichte huivering aangegrepen, sprakeloos naar den spookachtigen wandelaar.Nadat hij het peristylium had doorgeloopen, ging hij naar de trap, die tot het platte dak des huizes voerde. Met vasten tred beklom hij de trap en verdween weldra uit de oogen der gasten. Het meerendeel der feestgenooten besloot, nadat de eerste schrik voorbij was, hem te volgen.„Zoo straft Dionysus degenen,” riep Alcibiades, „die zich tegen zijn blijden, vreugdevollen dienst verzetten. Wij willen den verachter van den God bekeeren! Komt! Wij willen hem wekken en hem dan met geweld deel doen nemen aan ons feest!”—Daarop stonden de meeste gasten op en sloegen den weg in naar het dakterras.Toen zij daar gekomen waren, deed zich een gezicht aan hunne blikken voor, dat opnieuw angst en huivering in hunne borst wekte.Manes wandelde op een eenigszins hoog, hellend uitstek van het dak, langs den uitersten kant, op eene plaats, waar alleen een maanzieke met gesloten oogen gaan kon, ieder wakende echter onvermijdelijk duizelend in de diepte zou neerstorten.Inmiddels waren ook de overige huisgenooten op het bericht, dat Manes in slaap wandelde, toegesneld.Ook Pericles verscheen.Hij huiverde, toen hij den jongeling zag en zeide: „Als hij op dit oogenblik ontwaakt, stort hij reddeloos in de diepte. Hem echter te naderen en te redden van die plaats is onmogelijk!”Juist toen Pericles deze woorden sprak, naderde ook Cora.Ontsteld, doodsbleek, de groote, ronde oogen wijd geopend, het gelaat door de loshangende lokken[314]omgolfd, staarde Cora naar den slaapwandelaar. Bij ’t hooren der woorden van Pericles voer haar eene huivering door de leden; vervolgens echter ijlde zij als op vleugelen naar de plaats, waar Manes wandelde, boog zich over het hooge afdak, deed met vasten voet, zonder te duizelen, eenige schreden naar beneden op de gevaarlijke, hellende baan, greep de hand van den jongeling en trok hem van den uitersten rand terug, tot waar zij den veiligen bodem onder zich voelde.Eerst toen Manes gered was, maakte eene duizeling zich van haar meester en bezwijmd zonk zij ineen.Thans was het Manes, die ontwakend en de oogen opslaande, angstig het meisje omvatte en het voortdroeg in zijne armen, tot zij weder tot bewustzijn kwam en half verschrokken, half verlegen met een blos op de kaken henen vlood.De feestgenooten hadden dit tooneel met verbaasde oogen gadegeslagen. Thans schaarden zij zich om Manes en voerden hem onder vroolijke, opwekkende woorden naar beneden naar het peristylium.Alleen Pericles bleef een oogenblik met Aspasia achter.„Hoe betreur ik het,” zei Pericles tot Aspasia, „dat Socrates geen getuige geweest is van dit tooneel!”„Waarom betreurt gij dat?” vroeg Aspasia.„Hij zou nu toch wel eindelijk,” hernam Pericles, „gevonden hebben, wat ware liefde is.”—Aspasia zweeg een oogenblik en zag Pericles strak in het gelaat. Toen zeide zij: „en gij?”Pericles antwoordde:„Mij brengt dit paar eenigszins tot schaamte en in verlegenheid. ’t Is alsof het zeggen wil: Treedt gij beiden af van het tooneel en ruimt uwe plaats aan ons in!”Nog eens staarde Aspasia Pericles in het ernstig en peinzend gelaat. Toen sprak zij:„Gij zijt geen Griek meer!”Weinig in getal waren de woorden, die hier[315]gewisseld werden, maar zij waren veelbeteekenend. Zij vielen zwaar in de schaal van het noodlot.Door die woorden ontstond er als ’t ware eene heimelijke scheuring tusschen twee edele zielen, eens zoo schoon en innig verbonden.Een lang voorbereide stroom van nieuwe, sombere machten, van twijfel en inwendigen tweestrijd, was in de ziel van Pericles getogen.Met dit kort gesprek stortte langzaam en zonder gerucht het grootsche, schoone en heerlijke gebouw ineen.—Met de woorden: „Gij zijt geen Griek meer!” had Aspasia, na een laatsten, half toornigen, half medelijdenden blik, haar gelaat van Pericles afgewend.Beiden gingen zwijgend naar beneden: Pericles naar zijn vertrek, Aspasia terug naar hare gasten.Inmiddels hadden de feestgenooten te vergeefs hun best gedaan, om den jongen Manes te doen deelnemen aan hun festijn en hem tot den dienst van den vreugdegod te bekeeren. Hij had zich losgescheurd en was teruggekeerd tot de binnenste vertrekken van het huis.Thans begon men een tijdlang over Cora te spreken; men bewonderde haar moed of liever de merkwaardige kracht eener aandoening, eener gemoedstemming, van eene hartstocht, onder wier invloed zij gehandeld had en waardoor zij als blindelings en onbewust medegesleept was; hetgeen voor allen bijna den stempel van een onoplosbaar raadsel had.En thans begon ook Alcibiades zijn leedwezen te betuigen, dat Socrates dit tooneel niet had bijgewoond.„Wat een heerlijk maal,” zei hij, „zou dit voor het oog van den peinzer en waarheidzoeker geweest zijn; hij, die zich reeds over de meest alledaagsche dingen in ernstige beschouwingen verdiept, zou ook thans niet rusten zonder de beteekenis van dit merkwaardige feit tot in de fijnste bijzonderheden nagespeurd te hebben. Is hij zelf niet eene soort van slaapwandelaar, iemand die door de[316]maanziekte der wijsbegeerte is aangetast, die de oogen sluit om beter te kunnen denken en daarbij verdoold raakt op duizelingwekkende hoogte? Het eenige onderscheid is, dat hem geen Cora ter hulp snelt, om hem met zachte hand van de afgronden der gedachte weg te trekken. Nu, ik zal tot hem gaan en hem de geheele geschiedenis vertellen, ofschoon ’t niet zonder gevaar is, Socrates in zijn eigen huis te bezoeken. Want zijne jonge vrouw Xanthippe is bang, dat ik haar man zal verleiden, en ziet mij bovendien met geen gunstig oog aan. Toen ik de pas gehuwden met eenige vrienden bezocht, brachten wij haar reeds in groote verlegenheid, en het vrouwtje begon er over te schreien en te klagen, dat zij zulke voorname lieden, als wij waren, niet in staat was behoorlijk te onthalen. „Laat dat zijn zooals het wil,” zei Socrates, „als ’t goede menschen zijn, die ons bezoeken, dan zullen zij tevreden zijn; als het slechte menschen zijn, dan hebben wij ons niets om hen te bekommeren!”—Dit zijn echter redeneeringen, waarmede hij Xanthippe nog meer in ’t harnas jaagt. Ik bemerkte aanstonds, dat zij in huis de baas was. Nu maakte ik mij er een genoegen van, zoo vrij mogelijk met haar man te spreken en hem met vriendschapsbetuigingen te overladen. Sinds dien tijd is zij boos op mij en toen ik onlangs haar man een lekkeren koek zond, ging zij in haar toorn zoover, dat zij hem uit de mand op den grond wierp en met de voeten trapte. En Socrates? Die durfde alleen zeggen: „Wat hebt gij daar nu aan? Als gij den lekkeren koek niet had vertrapt, dan zoudt gij hem hebben kunnen opeten!”—Het schijnt, dat de meeste mannen te Athene hunne vrouwen niet meer weten te regeeren!—Bij mijn daemon,” vervolgde Alcibiades, nadat hij zijn beker geledigd had, „ik zeg het nog eens, de wereld raakt uit het oude spoor! Delos door eene aardbeving geteisterd, Theodota waanzinnig, de wijzen door hunne vrouwen geregeerd, ik zelf op het punt om de dochter van Hipponicus te trouwen, Sabazius-dienaars[317]in de straten, maanzieken op de daken, de Peloponnesus onder de wapenen, te Lemnos en op het naburige Aegina de pest—”„Vergeet de zonsverduistering niet,” viel hem Demus in de rede; „tevens moet nog vermeld worden, dat er, naar men zegt, een spook rondwaart in het huis van Hipponicus.”—„Is dat waar?” vroegen allen aan Callias, den zoon van Hipponicus.„Ja, het is inderdaad zoo!” hernam deze, en vertelde, dat werkelijk een spook zich in zijns vaders huis vertoonde; dat Hipponicus peinzend en bleek en mager was geworden, dat hem de lekkerste spijzen niet meer smaakten en dat hij ’s nachts door de nachtmerrie gekweld werd—„Daar hebt gij het al!” riep Alcibiades—„dus ook nog zonsverduisteringen, en spoken in de huizen van oude, lustige lekkerbekken. De drommel moge de wereld halen, als zij zoo somber begint te worden. Nog eens, mijne vrienden: op ten strijde, tegen de treurigheid der tijden, die zich dreigend aanmeldt!”„Is het wel noodig daartoe opgewekt te worden?” riep de jonge Callias. „Bij Heracles! hebben wij dan niet gedurende dezen geheelen feesttijd ons best gedaan, als nooit te voren? Hebben wij den Metragyrt niet in het Barathron geworpen? Hebben wij ons niet prachtig gedragen, zooals men van de lustige Ithyphallers kon verwachten? En hadden wij niet de geheele Atheensche jeugd achter ons? Waren de Dionysiën te Athene ooit darteler en uitgelatener dan die thans zijn gevierd? Hebt gij het volk ooit zoo opgewekt en dol gezien? Heeft de wijn ooit in rijker stroomen gevloden? Is er ooit een grooter aantal jonge meisjes in het gedrang verleid geworden? Wemelde het ooit meer te Athene van bereidvaardige en gedienstige priesteressen van het genot? En waren zij ooit meer gezocht? Wat spreekt gij van sombere tijden, Alcibiades? Het is een vroolijke tijd, zeg ik. De wereld gaat vooruit in dartelheid en vreugde; niet achteruit, zooals[318]gij meent. En welke donkere, dreigende wolken zich ook ooit aan den hemel mogen vertoonen, hij zal weder helder worden! En zoo behoort het ook! Lang leve het genot!”„Lang leve het genot!” galmde het van alle kanten en de bekers klonken, tegen elkaar.„Callias, beste jongen, laat ik u omarmen!” riep Alcibiades en kuste zijn vriend. „Zoo hoor ik u en u allen gaarne spreken! Lang leve het genot! En opdat het eeuwig leve en groeie en bloeie onder het volk der Atheners, moeten de Ithyphallers eendrachtig samenwerken met de school, die Aspasia heeft gesticht. Op de Ithyphallers en op de school van Aspasia is de vaste burg gegrondvest van vroolijkheid, van alle bekoorlijke dartelheid en van allen levenslustig en moedwil! Daarom niet gepruild, Simaetha! Niet zoo preutsch, Prasina! Geen leelijk gezicht tegen Alcibiades getrokken, Drosis! Kom, lach eens weder, Simaetha! Gij zijt nooit zoo bekoorlijk geweest als thans. Bij Zeus! Voor één gullen, hartelijken lach van uw mond wil ik duizend drachmen, waarom ik gewed heb, verliezen en het dochtertje van Hipponicus nog een poos laten wachten!”Nu wendden zich allen tot Simaetha, om haar te overreden zich met Alcibiades te verzoenen.Aspasia zelve mengde zich in de zaak. „Mok niet langer tegen Alcibiades!” sprak zij. „Wanneer hij beweert, dat de school van Aspasia op een goeden voet moet staan met het gezelschap der Ithyphallers, dan kan hij gelijk hebben; doch alleen in zooverre, dat de uitgelatenheid der Ithyphallers betoomd en bedwongen moet worden door lieve vrouwenhanden. Wij moeten onzen bijstand den Ithyphallers niet onthouden, maar hun den teugel der rechte en schoone maat aandoen, opdat het heerlijke rijk der vreugde niet in ruwheid en woestheid onderga.”„Wij onderwerpen ons aan u!” riep Alcibiades.„Wij willen Simaetha tot koningin met onbeperkte macht verkiezen in het rijk der vreugde.”—[319]„Dat willen wij!” klonk het in ’t rond. „Waarom zouden de Ithyphallers zich niet beteugelen laten door zulke lieve handjes?”In uitgelaten vroolijkheid werd de glimlachende, van bekoorlijkheid stralende Simaetha tot koningin van het feest uitgeroepen en tot onbeperkt heerschende vorstin van het rijk der vreugde.Men richtte voor haar een heerlijken, met bloemen rijk getooiden troon op, men hulde haar in purpergewaad, een gouden diadeem werd op de lokken gedrukt, haar lichaam met kransen van rozen en viooltjes omslingerd.Zij praalde in de volle betoovering van jeugd en schoonheid—eene echte koningin. Zelfs Aspasia’s oog rustte met bewondering op haar.„Aspasia beheerscht het tegenwoordige,” riep Alcibiades, „u, Simaetha, behoort de toekomst!”—De bekers werden gevuld met den bedwelmenden drank en ter eere van de schitterende koningin der vreugde geledigd.„Door deze koningin beheerscht,” riepen de jongelingen, „zal het rijk der vreugde zich uitbreiden over den geheelen aardbol!”—„Callias en Demus, neemt uwe duizend drachmen!” riep Alcibiades. „Ik geef de weddenschap verloren. Ik ga morgen nog niet naar Hipponicus. De vorst der Ityphallers sluit een nieuw verbond met de koningin der schoonheid en der vreugde! Den Gode zij dank! Zij lacht weder en hare tandjes blinken daarbij, als eene marmeren zuilenrij van het Parthenon!”Daarop naderde de bekranste, door wijn en vurige liefde bedwelmde, vermetele jongeling het koninklijk uitgedoste, prachtige meisje, sloeg onder het gejubel zijner vrienden den arm om haar heen en wilde het gesloten verbond met een kus bezegelen.Op dit oogenblik bemerkten allen, die hunne blikken op Simaetha gevestigd hielden, eensklaps, dat een geweldige kleur zich over haar gezicht verspreidde.[320]Zij strekte de hand uit en weerde Alcibiades af, klagende over een plotselinge, geweldige hoofdpijn.Tegelijk schenen hare lippen, droog van inwendige hitte, naar lafenis te snakken.Men reikte haar een met wijn gevulden beker; zij wees dien echter terug en verlangde naar frisch koel water.—Zij sloeg beker op beker van het ijskoude vocht naar binnen, maar ’t was of slechts droppels op gloeiend ijzer vielen.Nu bemerkte men ook dat hare oogen met bloed beloopen waren.De tong van ’t meisje werd zwaar—schor, heesch klonk hare stem—zij begon over brandende zwelling der keel, van den mond, der tong te klagen.Tegelijk overviel haar eene vreeselijke benauwdheid—krampachtige bewegingen vertoonden zich in de gewrichten der handen, het geheele lichaam beefde, het kille zweet droop van hare leden.Men wilde haar naar haar vertrek, naar haar bed brengen: maar, als door een woesten angst gedreven, wenschte zij zich in eene bron, in een diep, koel water te storten,—zij wilde wegijlen, aan eene razende gelijk—slechts met geweld kon zij teruggehouden worden.Men had Pericles geroepen.Hij kwam. Hij zag den toestand van het meisje en verbleekte.„Verwijdert u!” sprak hij tot de feestgenooten.Hunne hoofden waren nog half beneveld van de Bacchische bedwelming.„Waarom ontstelt ge zoo over den toestand van ’t meisje?” riepen zij. „Kent ge haar ziekte, zeg het dan!”„Verwijdert u!” herhaalde Pericles.„Wat is het, wat is het?” riep Alcibiades.„De pest!” zeide Pericles op gesmoorden en zachten toon.Hoe zacht het woord ook gesproken was, het viel als een donderslag in de vergadering.[321]Allen verstomden, verbleekten, stoven uit elkander.De meisjes begonnen te jammeren—Aspasia zelve werd doodsbleek, en verzorgde bevend en sidderend de door den dood aangetaste lieveling.Het meisje werd weggevoerd. De feestgenooten begonnen zich verslagen in stilte te verwijderen.Alleen Alcibiades herwon spoedig zijne bedaardheid, hij, de dronkenste van allen.„Zoo zullen wij ons overwonnen geven aan de duistere machten?” riep hij en greep naar den beker. „Zou onze strijd te vergeefs zijn geweest?—Wat stuift gij uit elkander, mijne vrienden? Lafaards, die gij zijt! Als gij allen versaagt en u schandelijk overwonnen geeft, ik geef mij niet over! Ik trotseer ook de pest en alle verschrikkingen van den Hades!”Op dezen toon sprak hij voort, tot hij ten laatste bemerkte, dat hij geheel alleen stond in het verlaten peristylium, te midden van verstrooide kransen en half geledigde of omgeworpen bekers.Hij keek om zich heen met glazige oogen. „Hei daar, waar zijt gij, lustige Ithyphallers?”„Alleen!” ging hij voort—„geheel alleen!—zij hebben mij allen verlaten—allen!—Het rijk der vreugde is verlaten en eenzaam—de sombere machten zegevieren”— —„Het zij zoo!” riep hij ten laatste, den beker van zich werpende. „Vaarwel, schoone lust der jeugd! Ik ga naar Hipponicus!”1De dronkenschap, roes.↑2Zie Deel Inoot 1 pag. 182.↑3De verleiding, begoocheling.↑4De overmoed, uitgelatenheid.↑5Lenaeüm (Leenaion) is de plaats te Athene, waar het Bacchusfeest, de Lenaeä, in de maand Lenaeön of Gamelion, d.i. de laatste helft van Januari en de eerste van Februari, gevierd werd.↑6Hamerling maakt hier gebruik van eene minder algemeen bekende mythe, dan die, volgens welke Theseus, met behulp van Ariadne, de dochter van Minos, den Minotauris in het labyrinth op Creta doodde en met haar huwde en vluchtte. Op het eiland Naxos werd Ariadne door de pijlen van Artemis gedood. De tweede legende, waarop hier gedoeld wordt is deze, datTheseusna de volbrachte heldendaad Ariadne trouweloos op Naxos achterliet, waar zij door Dionysus, die uit Indië zegevierend terugkeerde, werd gevonden en gehuwd. Na haar dood nam Dionysus haar op onder de Onsterfelijken en plaatste de kroon, die hij haar bij het huwelijk geschonken had, onder de sterren. Ariadne wordt dikwijls door de beeldende kunst voorgesteld aan de zijde van Dionysus, omstuwd door Bacchanten en rijdende op een panther.↑7Io werd door Hera in eene koe veranderd. Deze mythe is dichterlijk behandeld door Ovidius. Metamorph. I. vs. 568–748.↑8Dithyrambus is een bijnaam van Dionysus. Vandaar een lied te zijner eer (ook wel van andere Goden).↑9De schrijver zal bedoelen de „Smilax aspera”, eene Zuid-Europeesche klimplant, die in Italië en Griekenland, 30–50 voet hoog, om de platanen zich slingert (vgl. Salsaparille). De bloemen zijn welriekend en waren in de oudheid zeer gezocht, met klimop dooreengewoeld, voor kransen, vooral bij de Bacchus-feesten.↑10Sabazius komt als een bijnaam van Dionysus voor. Hij luidt ook wel Sebasius, terwijl nog verscheidene andere schrijfwijzen worden gevonden.↑11Sicinnis (Sikinnis) is eene Satyr-dans, naar den uitvinder Sicinnus naar de nimf Sicinnis alzoo genoemd.↑12Nymphagoog (numphagoogos) is hij, die de bruid uit het ouderlijk huis naar den bruidegom voert.↑

[Inhoud]XXIII.HET DIONYSUS-FEEST.Met dubbelen luister, met dubbele levendigheid werden, na het herademen uit den treurigen oorlogsnood, de winterfeesten gevierd. Ten volle echter is de vroolijke lust ontketend, sedert de lucht zachter begon te waaien en de tijd van het grootste der Bacchus-feesten, de tijd van de groote, in de stad gevierde, Dionysiën aanbrak. In de wouden vertoont zich de wouw, vroolijk snateren aan het strand de halcyonen en aan de kroonlijsten tjilpen de zwaluwen. Op de hoogten van denHymettus, den Pentelicon, den Lycabettus ontluikt in iederen struik de lente. Viooltjes en anemonen, primulae veris en crocussen openen hunne knoppen en de op de weiden vergeten staf des herders is des morgens met bloemen getooid.De zeelieden in de haven winden de ankers, maken het takelwerk los, richten de masten op en zetten de zeilen naar de wind. Nieuw leven ontwaakt op de baren van den Saronische golf. De afgezanten der verbonden steden en eilanden komen en brengen hunnen cijns juist ten tijde van het feest naar Athene. In alle herbergen, in alle huizen der Atheensche burgers wemelt het van gasten, die van heinde en verre zijn gekomen. Met kransen getooid, in feestgewaad gedost, dolen thans van den vroegen morgen af zwermen van stedelingen en vreemden door de straten. Niet alleen zijn alle in het openbaar staande altaren en Hermesbeelden met kransen omhangen, maar ook geweldige mengvaten zijn er nevens geplaatst, met de gaven van Bacchus gevuld, door de rijken ten offer gebracht en het volk tot vrij gebruik aangeboden. Wederom biedt Hipponicus aan inboorlingen en vreemden in den Ceramicus een gastvrij onthaal, door iedereen, die komen wil, tot zich te noodigen[284]en hen in de open lucht op met klimop bekranste kussens te ontvangen.Vergeten is de krijgsnood, de twist der partijen houdt een wapenstilstand, de aanslagen van Diopithes rusten voor een oogenblik in hun anders rusteloozen gang. Alleen genot en vrede heerschen. Wel is waar overal klinkt luider de scherts en het vroolijk gelach—en dubbel scherp is thans de geestigheid, dubbel roerig de tong des Atheners;—maar wee hem, die in dezen tijd geweld pleegt aan een Atheensch burger! Niet eens de verzachtende omstandigheid van dronkenschap beschermt hem: zijn hoofd en leven is verbeurd.Hoe komt het, dat men nu op eens zoovele bekoorlijke vrouwen in Athene’s straten ziet? Wie zijn die vroolijk lachende, rijk uitgedoste, verleidelijke schoonen? Het zijn hiërodulen uit den tempel van Aphrodite te Corinthe en andere priesteressen van het genot, die het getal der inheemsche hetaeren vermeerderend, uit de verschillende steden van Griekenland zijn samengekomen tot het vroolijkste en uitgelatenste feest der Atheners.He! wat een mengelmoes van vreemd, ronddolend volk heeft de vroolijke, dartele Dionysische feesttijd herwaarts gelokt! Ziet die behendige goochelaars en wondermannen met hunne door de zon donker gekleurde gezichten! Ziet, hoe zij voor aller oogen zwaarden inslikken of een vuurregen uit den mond spuwen! Ziet daar die Thessalische meisjes, die haar zwaardendans uitvoeren te midden van een haar verbaasd aangapenden troep! Er ontbreekt geen enkele vertooning, zelfs de rondtrekkende, overoude poppenkast niet, noch de bont versierde, op kameelen dansende aapjes.Ook neringdoend volk is van heinde en verre gekomen en slaat zijne winkels op, midden in het gewoel der Agora, in den Piraeüs en langs den Ilissus.Troepen landlieden mengen zich onder de stedelingen en deelen met hen de feestvreugde, verzamelen zich om hunne lievelingen, de Thebaansche fluitspelers,[285]die anders blazend de landelijke streken plegen te doortrekken, of brengen het lievelingsspel van hun landelijk Dionysus-feest in de stad over: het springen op geöliede zakken, waarbij ieder zich met de bloote voeten op den gladden bal tracht staande te houden, onder uitbundig gelach der toeschouwers, ondanks al zijn gespartel, steeds naar beneden glijdt.Uitgelatener heerscht de vreugde in de straten, zoodra de duisternis is ingevallen. Dan zwerven talrijke scharen rond: zij hebben bellen en dragen fakkels en zijn met bloemen bekranst; daaronder zijn vrouwen, die mannenkleeren aan hebben, en mannen in vrouwengewaad—met de handen wordt geklapt onder het geraas der bellen, waarmede als met cymbalen de maat geslagen wordt bij het gezang.Velen loopen gemaskerd. Sommigen hebben enkel hunne gezichten met wijnmoer bestreken of met menie of zich een masker gemaakt van boombladeren of boomschors. Anderen echter dragen fraai geschilderde maskers, deels van een deftig, deels van een belachelijk voorkomen: hier zwerft de gehoornde Actaeön rond, daar de honderdoogige Argus, ginds de gedeeltelijk in een paard veranderde Euïppe; Giganten, Titanen, Centauren stampen op den grond; Methe1bedwelmt, Pitho2vleit, Apate3lokt, Hybris4is dolzinnig en zelfs schrikgestalten mengen zich somwijlen onder de reien.Het talrijkste echter, ja overheerschend, zwerven in de straten de Satyrs met bokspooten en de Silenen met kale hoofden, die oude maar nog altijd vroolijke Satyrs. Zij hebben de hoofden bekranst met het altijd groene klimop. Ook Bacchanten dolen rond; zij dragen als Thyrsus dikwijls alleen een wingerdtak met klimop omwoeld.Uitgelaten dartelheid, ja dronkenschap wordt als[286]een plicht jegens den God in deze dagen en nachten beschouwd.En de God, hij rechtvaardigt in dien tijd zijn bijnaam van den „Bevrijder”. Zelfs de gevangenen worden voor de dagen van het feest uit hunne kerkers ontslagen: op de graven der dooden wordt wijn geplengd. Men wil de schimmen bevredigen, die immers niet zonder afgunst de vreugde der levenden ontberen. Ja, zelfs de bijgeloovigen willen weten, dat de zielen der afgestorvenen zich soms in dezen tijd in de reien der feestvierenden mengen en dat onder menig Satyrmasker een ontvleeschde doodskop verborgen is.De eerwaardige Telesippe kauwt in die dagen ijverig de bladeren van den hagedoorn en laat haar deur met teer bestrijken; want alleen op die wijze is het onheil af te wenden, dat ten tijde der groote Dionysiën den levenden van den kant der afgunstige schimmen bedreigt.Schier huiveringwekkend is het inderdaad te zien, hoe des nachts nu hier dan daar in de donkere straten het schijnsel der fakkels zich vertoont en een phantastische optocht voorbij trekt onder luidruchtig rumoer.Thans beweegt zich een geweldige stoet door de straten die van het Lenaeüm5naar den schouwburg voeren. Men draagt het beeld van Dionysus uit zijn tempel in het Lenaeüm naar den schouwburg en stelt het daar te midden der feestelijke vergadering. Het beeld van den God, dat er gedragen wordt, is een pas voltooid werk, een gewrocht van de hand des vurigen Alcamenes. Evenals Phidias op den burg naast het oude, houten beeld van Athene zijn nieuw, schitterend pronkstuk heeft geplaatst, zou wordt ook thans in het Lenaeüm, naast het oude, eerwaardige, eenvoudige Dionysus-beeld, het nieuwe, heerlijke werk van Alcamenes opgericht. En dit juist draagt men thans naar den Dionysus-schouwburg.[287]Scharen Bacchanten omringen het. Wat is dat voor een dolle troep, die een zinnebeeld dat vruchtbaarheid voorstelt, voor den God uitdraagt en liederen aanheft ter eere van Priapus? Het is Alcibiades met zijn Ityphallergezelschap.Op de kruiswegen en op de pleinen hield de stoet stil, om drankoffers te plengen of offerdieren te slachten.De platte daken der huizen zijn vol toeschouwers, van welke velen fakkels en lampen in de handen houden. Ook de vrouwen ontbreken hierbij niet. Weldra voegt de moedwil en scherts van de menschen op de dakterrassen zich bij de brooddronkenheid van de dolle menigte op de straten.De jonge Alcibiades schijnt ten toppunt van dolzinnige uitgelatenheid te zijn; hij overtreft zichzelven in overmoedige streken aan het hoofd van zijn gezelschap.„Bedenkt,” roept hij zijn Ithyphallers toe, „dat wij, die anders ook reeds razen en tieren, op hetDionysus-feestverplicht zijn, dubbel te razen en te tieren, als wij niet in dolzinnigheid en overmoed geëvenaard en overtroffen willen worden door de nuchterste oude paaien van de stad der Atheners!”Onder zulke aansporingen stormde Alcibiades met zijne makkers, alle Atheners kennende en door allen bekend, door de drommen des volks heen.Toen de nacht was ingevallen, liet hij fakkels voor zich uit dragen en voerde de zijnen onder luid getier, voorafgegaan door muziek, naar de huizen van mooie meisjes en knapen, om hun serenades te brengen. Die muzikanten zelven waren meest fluit- en citherspeelsters, als Maenaden verkleed, en daar ook zij, die met eene serenade waren vereerd, zich bij den stoet aansloten, begon deze hoe langer zoo meer op een troep Bacchanten te gelijken, die zich om den God Dionysus hadden geschaard.Ten laatste pakt de moedwillige, dronken Alcibiades eene jeugdige hetaere, Bacchis geheeten, die hij op zijn tocht ontmoette, aan, en dwingt haar[288]zich bij den stoet aan te sluiten. Hij noemt haar zijne Ariadne6en zich zelven haar Dionysus.Voor de woning van Theodota gekomen, brengt hij ook haar eene luidruchtige serenade en treedt met zijn gevolg haar huis binnen.Theodota had reeds sinds geruimen tijd den jongen Alcibiades niet meer bij zich gezien. Steeds heftiger was haar minnesmart geworden. Nu zag zij den geliefden jongeling weder; maar hoe onaangenaam, hoe pijnlijk was voor haar hart zijn binnentreden! Dronken kwam hij aan het hoofd van een dollen troep. Dat zou zij vergeven hebben, maar hij voerde eene jonge, bloeiende hetaere met zich mede, die hij zijne vriendin onmiddellijk als zijne Ariadne voorstelde en wier bekoorlijkheid hij in overdreven taal begon te roemen.Nu werd in de vertrekken van Theodota een drinkgelag aangelegd, dewijl zij er zich niet openlijk tegen durfde verzetten, hoewel haar hart schier van stille smart bezweek. Alcibiades wilde, dat zij vroolijk en uitgelaten zou zijn. Hij begon in zijne dronkenschap van streken te verhalen, die hij dezen avond reeds uitgevoerd had; hij beroemde zich een eerbaar, jong meisje midden in het feestgewoel van het Lenaeüm gekust te hebben, en prees de zeden en gebruiken, die ten minste op het Dionysus-feest de Atheensche vrouwen in haar handelingen vrij maakten. Hij sprak van Hipparete, de bekoorlijke dochter van Hipponicus, van haar heimelijken minnegloed voor hem, van haar blos, zoodra zij hem zag. Daarbij maakte hij zich vroolijk over haar onnoozel, ingetogen en jonkvrouwelijk voorkomen. Hij vertelde ook van Cora, het van Arcadië naar[289]Athene overgebracht herderskind, het belachelijkste en schuwste schepsel, ’t welk er te vinden was en dat toch om elken prijs de zijne moest worden. Liever wilde hij van de schitterende Simaetha, van die heerlijke, nieuwe parel van schoonheid, dan van het Arcadische, hoofdige kind afstand doen.Na deze uitweidingen begon de jongeling, door den wijn bedwelmd, hevig tegen Theodota uit te varen, om hare stilzwijgendheid en haar treurig voorkomen.„Theodota,” riep hij, „gij zijt leelijk geworden! Al dat huilen en pruilen misvormt uw gezicht. Ontvangt men zoo een oud vriend, zooals ik? Waarover beklaagt gij u? Over mijn moedwil? Zijt gij het zelve niet geweest, die mij deze moedwil hebt geleerd? Herinnert gij u niet meer die vroolijke dagen en nachten, waarin ik onderricht van u ontving in alle soorten van dien schoonen moedwil? En thans? Wat moet dat verdrietig en gramstorig gezicht beteekenen? Waarom moet ik nu anders zijn, dan in den tijd, toen wij elkander het best bevielen en de vroolijkste uren samen doorleefden? Wees verstandig, Theodota! Denk aan die verliefde dwazen, wier sombere, teedere dweeperij u eens lastig viel en verveelde, zoo dat gij hen meedoogenloos lachend wegjoegt! En nu wilt gij zelve eene dweepster worden? Kan men zoo onverstandig zijne beste grondstellingen, zijne beminnelijkste eigenschappen verloochenen? Wees weder vroolijk en uitgelaten, Theodota! Geef ons een uwer prachtige dansen ten beste! Dans, ik wil het en wij allen willen het! Laat u nogmaals eens in uw vollen glans bewonderen!”Zoo sprak Alcibiades. Doch Theodota kon hare tranen niet weerhouden. Zij antwoordde met hartstochtelijke verwijten, noemde hem overmoedig, trouweloos, misdadig, meedoogenloos.„Waarvan beschuldigt gij mij,” hernam Alcibiades, „terwijl gij zelve oudergewordenzijt en de vroolijkheid der jeugd voor u verloren is gegaan? Beschuldig liever den tijd, die ons allen verandert.[290]Ook ik moet het voor lief nemen, als ik eenmaal van een jongen Satyr een oude, kaalhoofdige Sileen ben geworden. Doch ook als een kaalhoofdige Sileen zal ik nog altijd vroolijk zijn. Gij echter zijt op mij verstoord en vaart tegen mij uit en tegen het noodlot, omdat gij niet meer een bekoorlijk, bloeiend meisje zijt, gelijk Hipparete of Simaetha of deze Bacchis hier. Welnu, wilt gij volstrekt weder eene schoone jonkvrouw worden, reis dan naar Argos. Daar bevindt zich, zoo men zegt, een heiligdom met eene bron, waarin gij u slechts hebt te baden, om weder als jonkvrouw daaruit te voorschijn te komen. Ook Hera pleegt, zooals de dichters verhalen, van tijd tot tijd dit bad te bezoeken, om zich bij den vader der Goden weder aangenaam te maken. Wanneer zelfs de oude vader der Goden zulks nog weet op prijs te stellen, zou ik het dan niet doen, ik, de levenslustige jongeling, de Ithyphaller-vorst?”Op deze wijze sprak Alcibiades in overmoedige scherts, terwijl Theodota slechts in nog heviger bewoordingen en met een vloed van tranen antwoordde; ja zelfs in de overmaat harer woede vergreep zij zich aan de jonge Bacchis, zoodat zij eene Maenade geleek.„Zie eens naar mijn wakkeren vriend Callias,” zei Alcibiades, „die heeft tot stelregel geen vrouw meer dan ééns te naderen. En ik—ben ik niet telkens weder tot uw drempel teruggekeerd? Ha, bij den zaligen Eros, ben ik niet dikwijls genoeg des avonds gekomen met een of meer vrienden, met de gouden appelen van Dionysus op de borst, het haar omwonden met den populierkrans van Heracles, getooid met purperkleurige banden? Maar dat zal nu niet meer gebeuren. Ik denk nooit weder terug te keeren, noch alleen noch met anderen! Gaan wij, mijne vrienden! Ik verveel mij hier! Vaarwel, Theodota!”Verschrikt door deze bedreiging hield Theodota den vertoornden jongeling terug en beloofde, hare tranen drogend, aan zijne wensch te zullen voldoen.[291]„Welaan!” riep Alcibiades, „dans dan, zooals ik u straks reeds verzocht. Doe uw geprezen kunst nog eenmaal eer aan!”—„Wat zal ik dansen?” vroeg Theodota.„Gij geleekt zooeven,” hernam Alcibiades, „door den prikkel der hartstocht gedreven, veel op Io7die door eene door Hera gezonden paardenvlieg vervolgd, vertwijfelend over alle landen der wereld voortgejaagd werd. Toon ons, als gij wilt, door de kunst veredeld, wat ge ons vroeger liet zien in de ruwe, onbevallige werkelijkheid!”Zwijgend maakte Theodota zich gereed de Io te dansen.Zij danste onder de muziek der fluiten de geschiedenis van Inachus’ dochter, hoe zij door Zeus bemind, toen door Hera vervolgd en gebonden en op haar bevel door den honderdoogigen Argus bewaakt werd, hoe zij door den gewelddadigen dood van haar wachter op last van de onverzoenlijke Hera door de vinnig stekende paardenvlieg vervolgd en over alle landen werd voortgedreven.In den beginne had Theodota met moeilijke zelfoverwinning aan het geuite verlangen voldaan. Langzamerhand echter scheen zij, al meer en meer opgewekt, hare ziel geheel en al uit te storten in ’t geen zij voorstelde. Haar mimische dans kreeg een volkomenheid en eene uitdrukking, waardoor alle toeschouwers werden medegesleept.Toen zij echter tot de jammerlijke omdoling van Io overging en de ontzetting uitdrukte voor Hera’s toorn en voor het door de Goden gezonden, stekende dier, terwijl hare gebaren het karakter van eene wilde, hartstochtelijke onstuimigheid aannamen, toen in den angst der vluchtende het leed en het verloren liefdegeluk zich schenen te mengen, toen kregen de trekken en het geheele uiterlijk van Theodota allengs een schier huiveringwekkend voorkomen. Zij speelde met ontzettende[292]natuurlijkheid de razende, de vervolgde, de wanhopige.Maar zij speelde ze weldra niet meer. Hare oogen puilden uit en rolden verschrikkelijk in hunne kassen, haar boezem golfde, de geopende lippen bedekten zich met een licht schuim.Zoo wild en onstuimig werden hare bewegingen, dat Alcibiades en zijne vrienden verschrikt op haar toeijlden, om haar vast te houden en aan de onbeteugelde dolheid paal en perk te stellen.Thans begon Io-Theodota rustig te worden. Zij zag in den kring rond met matte oogen, glimlachte onnoozel en sprak de omstanders met zonderlinge namen aan. Alcibiades zelven hield zij voor Zeus, den als Sileen verkleeden Callias voor haar vader Inachus, doch in den jongen Demus meende zij den honderdoogigenArguste zien, en plotseling het oog strak op Bacchis vestigend stoof zij wederom op in dollen hartstocht; verwenschingen uitend tegen de haatdragende Hera, wilde zij zich op het meisje storten.—Theodota was krankzinnig geworden.—Zij zonk nu uitgeput ineen en stiet verwarde klachten uit in onsamenhangende, onzinnige taal.Alcibiades en zijne makkers werden door eene lichte huivering aangegrepen. Maar zij waren dronken van den wijn. Zij lieten de vrouw aan hare slavinnen over en zwierden uit Theodota’s woning de straat op, waar de luidruchtige, bedwelmende Bacchantische feestvreugde hen in haar maalstroom voortsleurde.Den volgenden dag had een nieuwe omgang met het beeld van Dionysus plaats. En ditmaal was het ’t overoude, uit Eleutherae naar Athene gebrachte beeld van den God, dat uit het Lenaeüm naar een kleinen tempel buiten de stad, in de nabijheid van de Academie, gedragen werd, waar het in vroeger tijden was opgericht geweest. Eenmaal ’s jaars, bij de groote Dionysiën, werd het beeld voor korten tijd in een feestelijken optocht naar de oude plaats gebracht.[293]Dit geschiedde juist nu weder.Talrijk en bovenmate prachtig, als ooit te voren, zeer verschillend van de eenvoudige wijze der voorvaderen, was ditmaal het feestelijk geleide van het beeld des Gods. In alle straten, waardoor het gedragen werd en op alle dakterrassen, vanwaar men er op neder kon zien, wemelde het van toeschouwers, die zelven in hun tooi van vioolkransen een feestelijk gezicht opleverden.Vooraan in den stoet liepen scharen Satyrs en Silenen in roode kleederen, hunne lichamen met klimopranken omwonden.Vervolgens werd een bekranst altaar rondgedragen, omgeven van knapen in purperen gewaad, die wierook, mirre en saffraan op gouden schalen droegen.Dan volgden allerhande vertooningen. Vooreerst een grijsaard achter een masker met twee gezichten, die den Tijd voorstelde, daarna de jeugdige, bloeiende Horen, die de vruchten droegen overeenkomstig haar jaargetijde; voorts eene prachtig uitgedoschte vrouw, versierd met de symbolen van het Dionysisch feest, eindelijk een schoon jongeling, die den vroolijken Dithyrambus8, voorstelde.Verder kwam een schaar van dertig citherspelers die gouden kransen op het hoofd droegen en op gouden lieren speelden.Nu echter volgde een prachtwagen op vier raderen, waarop het beeld van Dionysus gevoerd werd. De God was gekleed in een saffraankleurig gewaad, waarover een met goud geborduurde mantel geworpen was. Hij hield in de rechterhand een gouden beker omhoog, met fonkelenden wijn gevuld. Naast hem stond een reusachtig, gouden mengvat. Boven hem was een zonnescherm gespannen, waarvan weelderige klimop- en wingerdranken nederhingen. De wagen zelf was geheel met kransen omwonden en rondom versierd met tragische en comische[294]maskers, genen ernstig en waardig, dezen met grappige, grijnzende gezichten op het volk nederziende.Het onmiddellijke gevolg van den God vormden mannelijke en vrouwelijke Bacchanten met loshangende haren, de hoofden met wijngaardrank, klimop of struikwinde9bekranst.Op dezen wagen volgde een andere, waarop zich een vergulde wijnpers bevond. De wijnpers was geheel met kunstmatige druiven gevuld en dertig Satyrs stonden in den wagen en persten schijnbaar de druiven onder het aanheffen van een lustig wijnlied, door fluitspel begeleid, terwijl den geheelen weg over geurig vocht in een zak van pantervel droop. Om den zak echter zweefden Satyrs en Silenen, die drinkend en tierend den wijnstroom in bekers opvingen.Daarop kwam nog een derde wagen. Op dezen was eene grot voorgesteld, gehouwen uit heldere schitterende steen, met klimop omslingerd, waarin fonteinen van alle Helleensche wijnen sprongen. Bekranste nimfen zaten lachend bij deze fonteinen, duivenomfladderdende grot, vlogen uit en in en trekkebekten in de groenende twijgen van het klimop. Satyrs en Silenen zochten de duiven te vangen, die aan den boezem der nimfen zich trachten te redden.Vervolgens kwamen er reien van zingende knapen, gevolgd door den optocht der voorname Atheners op prachtige rossen gezeten, verder jongelingen, die gouden en zilveren vaatwerk droegen, aan den dienst van Dionysus gewijd.Luidruchtige scharen sloten zich daarbij aan, en andere vermomde personen, die in uitgelaten brooddronkenheid de pracht van den feeststoet potsierlijk nabootsten.Op de Agora werd halt gehouden bij het altaar[295]der twaalf Olympische Goden en hier zongen reien van mannen en knapen den Dithyrambus, waarbij het koor tegelijk zich in rhytmischen danspas om het altaar bewoog.Deze tonen waren nauwelijks verdoofd en de Dionysische stoet verder getrokken, toen een tooneel van de vreemdste en wonderlijkste soort de aandacht tot zich trok.In dien tijd namelijk waren rondtrekkende bedelpriesters van Cybele, die men Metragyrten placht te noemen, voorts Sabazius-dienaars, apostels van Sabazius10, een God, oorspronkelijk met Dionysus overeenkomende, maar wiens vereering allengs mystiek was geworden, alsmede dwepers, die meenden de mystische wijsheid van Orpheus wederom te kunnen invoeren, te Athene opgetreden en begonnen hunne leer te verkondigen.De Sabazius-priesters, vereerden en predikten een Heiland der wereld, door wien de menschheid van alle kwalen verlost en de sterveling het hoogste heil deelachtig zou worden: die Heiland was Sabazius. Zij en de Metragyrten trokken rond in de straten met het beeld van den God of ook met dat van de moeder der Goden, onder de klanken van het cymbaal en den Aziatischen tamboerijn voerden zij dansen uit, waarbij zij zich als razende Corybanten gedroegen. Geeseling zelfs en zelfverminking pleegden en bevolen zij aan, gelijk de priesters van Cybele op den Tmolus. Het geheele land zwierven zij bedelend door, een ezel droeg hunne heiligdommen, allerlei geheime middelen verkochten zij en voor geld boden zij zich aan, om den toorn der Goden te bezweren, ja zelfs gestorvenen van bedreven misdrijven te reinigen en uit de kwellingen van den Tartarus te verlossen. Zij waren de verkoopers van en onderhandelaars in de hulp der Goden voor de stervelingen.De geest van den Helleen was niet geheel en al afkeerig[296]van zulke dweperij, en hier en daar begon zij in de gemoederen van enkelen wortel te schieten.Niemand zag met grootere verbittering zulke pogingen aan, om een somberen en mystieken eeredienst uit het Oosten naar het levenslustige Hellas over te planten,danAspasia, en met alle middelen, die haar ten dienste stonden, streed zij daartegen. De dartele, jonge Alcibiades, wien sombere dweepzucht niet minder onbegrijpelijk en een gruwel was, stond haar als moedig kampioen tegen die mannen der duisternis en kwakzalvers ter zijde.Gedurende het Dionysus-feest achtten ook de rondtrekkende Metragyrten en Sabazius-dienaars de gunstige gelegenheid gekomen, om aanhangers te werven voor hun God en Heiland Sabazius en voor zijn fanatieken en gruwzamen dienst. Zij trokken rond, met populierloof en venkel omkranst, en hielden slangen in de hand, die zij over hun hoofd zwaaiden, en dansten, door eene groote menigte volks omstuwd, onder het Corybantisch rumoer en cymbalen en tympanen, hun razenden dans, de zoogenaamde Sicinnis11. Daarbij geeselden enverwonddenzij zich tot bloedens toe.Een Metragyrt had eene groote menigte volks om zich heen verzameld en predikte met heftige gebaren en luid geschreeuw den verlossenden God Sabazius. Hij sprak van geheime wijding, en van de hoogste en den God welgevalligste handeling van den ganschen Sabazius-dienst, de zelfverminking.Terwijl de menigte aandachtig luisterde en voor een deel de gemoederen bewogen waren door de taal van den Metragyrt, kwam eensklaps de schaar der tierende, dronken Ithyphallers daarlangs. Zij hoorden den vreemden dweper van den Sabazius-dienst en de zelfverminking spreken.„Hoe?” riep de uitgelaten aanvoerder der Ithyphallers, „van zelfverminking waagt ons iemand te spreken, te midden van de weelde der Bacchische[297]feestvreugde? Neen! Zulke taal mag op Helleenschen bodem niet gehoord worden, zoolang er nog Ithyphallers zijn!”Nauwelijks had hij dit gezegd, of de schaar der dronken overmoedige jongelingen viel op denMetragyrtaan, sleurde hem voort en, gedachtig aan de wraak reeds lang aan zijns gelijken gezworen, slingerde men hem in den naburigen afgrond, het Barathron.—Onder de Bacchanten, die den feeststoet volgden, bevonden zich ook de leerlingen van Aspasia.Hoe zouden zij, die tot vrijheid werden opgevoed, de vrijheid niet volop genieten in de dagen, waarop zelfs voor hen, die anders niet vrij waren, alle boeien werden verbroken en alle slagboomen vielen?Ook het Arcadische herderskind, hoewel het zich er met tegenzin in schikte, had men als eene Bacchante gemaskerd en zij werd mede voortgetrokken door de onbeteugelde reien.De jonge Alcibiades scheen er groot belang in te stellen, dat aan de Bacchanten, die uit Aspasia’s huis kwamen, ook Cora niet ontbrak.Cora stond wel is waar in schoonheid verre achter bij hare speelgenooten. Doch zij was preutsch en haar zonderlinge ernst prikkelde den moedwil van den jongeling en voerde hem ten laatste tot vermetelheid.Ter wille van Cora volgde hij met zijne makkers, door Satyrmaskers onkenbaar, Aspasia’s meisjes. Het waagstuk, dat hij voornemens was te volvoeren, was niets anders, dan de preutsche Arcadische van hare speelgenooten af te lokken, of, wanneer hem dit niet gelukte, haar met geweld uit haar midden voort te slepen en naar zijn huis te ontvoeren.Schertsend mengden zich de Satyrs onder de Bacchanten; Alcibiades drong zich in de nabijheid van Cora, doch vond haar weerbarstiger dan ooit.Plotseling vielen, op eene eenzame plaats, die voor de onderneming gunstig was, op een wenk van Alcibiades, zijne makkers en hij zelf het meisje[298]aan, om het onder de bescherming der reeds aanbrekende schemering met geweld weg te voeren.Doch in het hart der Arcadische ontwaakte dezelfde moed, waarmede zij vóór tijden reeds eenmaal een Satyr, die haar aanviel, op de vlucht had gedreven. En evenals zij toen een brandend stuk hout uit het vuur in het woud had gegrepen, om den vermetele daarmede te verjagen, zoo greep zij thans eene harer vriendinnen de fakkel uit de hand en stiet ze den vermomden aanrander Alcibiades in ’t gezicht, zoodat zijn satyrmasker in brand geraakte en hij in verwarring terugweek. Dit oogenblik maakte Cora zich ten nutte, om met de snelheid eener vluchtende hinde weg te ijlen en weldra was zij spoorloos uit de oogen harer vervolgers verdwenen.Rusteloos vloog zij met kloppend hart door de straten totdat zij het huis van Aspasia bereikt had.Even als Cora heden onder de Bacchanten, was de jonge Manes, de pleegzoon van Pericles, onder de Satyrs opgenomen.Ook hem had men het masker opgedrongen, ook hij was Xanthippus en Paralus tegen zijn zin in het dolle spel gevolgd. Onaangenaam, ja beangstigend scheen hem het gewoel, dat hem omgaf. De feestvreugde nam een losbandig teugelloos karakter aan. De dolle Meno gedroeg zich op de Agora even schaamteloos als zijn hond. Ten laatste werd Manes geheel weerloos het mikpunt der spotters. Onbeholpen en schuchter in al zijn doen, kon hij de plagerijen en de scherts waarmede hij van alle kanten bestormd werd, niet beantwoorden.„Past op!” schreeuwden eenigen in den kring. „Die naargeestige Satyr daar is niet te vertrouwen! Reeds menigmaal zijn bij het Dionysus-feest afgunstige schimmen uit de onderwereld onder de levenden geslopen; mogelijk is hij Thanatos zelf of de pest!—Scheurt hem het masker af! Wie weet welk eengrijnzendenkop wij dan zullen zien!”Het brein van den jongeling werd beneveld, zijn hoofd bonsde, met zijne krachtige armen baande hij[299]zich een weg door het gewoel en ijlde naar huis terug.Daar aangekomen sloop hij ongemerkt naar het dakterras, dat op dit oogenblik geheel verlaten was. Daar ging hij op eene kleine steenen bank zitten, nam het Satyr-masker van zijn gelaat, lei het naast zich neder en verzonk in diepe gepeinzen.Eene diepe zwaarmoedigheid was over zijne trekken verbreid. Hij scheen eene heimelijke smart in zijne ziel te dragen. Toen hij zich aan het luidruchtig gewoel van het Dionysus-feest onttrok, lag de reden daarvan wellicht niet alleen in zijn afkeer van dergelijke uitgelatenheid, maar vooral in eene beklemdheid, die ten gevolge van een diepen en machtigen indruk, zich van zijne ziel meester maakte.Reeds lang had Manes op deze wijze, peinzend en treurig met de oogen naar den grond geslagen, daar gezeten, met het masker nevens zich. Eensklaps stond Aspasia voor hem.Verschrikt keek hij op. Zwijgend staarde de vrouw des huizes hem eenigen tijd in het droefgeestig en sombere gezicht. Toen sprak zij hem aldus minzaam aan:„Hoe komt het, Manes, dat gij de genoegens van uwen leeftijd zoolang versmaadt? Voelt gij niets in uw bloed van ’t geen anderen drijft, om van den schoonen, vluchtigen, nooit terugkeerenden tijd der jeugd te genieten?”Manes keek getroffen naar den grond en antwoordde niets.„Hebt gij soms een verdriet of iets wat u hindert?” vervolgde Aspasia. „Zijt gij ontevreden in dit huis en zoudt gij liever onder andere menschen willen leven?Zijt gij misschien heimelijk op Pericles verstoord, omdat hij u van Samos medegenomen heeft, en u als zijn eigen zoon in zijn huis heeft doen opvoeden?”Bij deze woorden van Aspasia stond de jongeling onwillekeurig van zijn zitplaats op en met levendige, afwijzende gebaren verwierp hij een dergelijke[300]veronderstelling, terwijl een traan in zijn oog opwelde.Aspasia liet echter niet af naar de reden zijner droefgeestigheid te onderzoeken.Manes antwoordde nu eens met eene lichte zucht, die aan zijn borst ontglipte, dan weder met een blos. Zijne hand beefde een weinig. Hij waagde zelden op te zien; als hij het echter deed, hadden zijne oogen eene diep gevoelige, schier roerende uitdrukking.De jongeling was zoo houterig en stroef in zijn geheele wezen, en toch had hij thans iets teeders, men zou haast zeggen, iets meisjesachtigs over zich.Ieder oogenblik werd Aspasia meer versterkt in haar vermoeden, dat een geheim leed aan het hart van den jongeling knaagde.Liefde kon het niet zijn; want wie zou die stille gloed kunnen gelden! Dan toch alleen eene der jeugdige huisgenooten? Maar deze had Manes immers altijd schuw en verlegen ontweken? Had men niet alle moeiten aangewend, om den jongen man in den vroolijken kring te trekken en waren deze pogingen niet altijd mislukt?—Eene gedachte vloog Aspasia door het hoofd. Eene gedachte, die in ’t eerste oogenblik haar schier kluchtig voorkwam, en haar bijna deed lachen.—Maar als de jongeling zijn zielroerend oog tot haar opsloeg, werd die gedachte minder belachelijk en Aspasia gevoelde zich, ’t geen anders niet in haar karakter lag, door eene opwelling van innig medelijden aangegrepen.Zij werd niet moede de onmannelijke zwaarmoedigheid van den stillen jongeling in zachte bewoordingen af te keuren en hem tot de vroolijkheid, die aan zijne jeugd voegde, op te wekken.Terwijl Aspasia zich alzoo met Manes bezig hield, zat Cora eenzaam en verlaten in het peristylium van het huis. Zij had, teruggekeerd uit de woeste bedwelming der feestvreugde, zich daar[301]neergezet, haar Bacchanten-masker afgedaan en naast zich nedergelegd. Zoo zat zij daar in diepe gepeinzen verzonken, toen Pericles, toevallig juist naar huis teruggekeerd, het peristylium doorging.Hij was getroffen door ’t gezicht van het meisje, dat daar zoo eenzaam en peinzend zat, met het Bacchanten-masker nevens zich.Hij trad op Cora toe en vroeg haar waarom zij zoo spoedig was teruggekomen en zich van hare speelgenooten had afgescheiden, met wie zij was uitgegaan.Cora zweeg. Zij had een krans op haar schoot, denzelfden, dien zij als Bacchante gedragen had. Hare hand speelde schier onbewust met de bloemen van dien krans, en de grond om haar heen was bedekt met de afgeplukte bladeren der bloemen.Het meisje leverde een zonderling gezicht op, zooals zij op dat oogenblik daar zat. Hare houding, het spel met den krans, de ernst van het bleeke gelaat, vormde met het gewaad en de zinnebeelden der Bacchante, die zij aan of om zich had, een zoo scherp contrast, dat het bijna den lachlust opwekte.Pericles zag haar in het gelaat en sprak haar aan:„Ik herinner mij niet ooit eene Bacchante met zoo’n droevig gelaat gezien te hebben. Mij dunkt, Cora, gij zoudt den Thyrsus veel liever weder met den herderstaf verwisselen!—Is ’t niet zoo?—Gij voelt u niet gelukkig in dit huis? Gij hebt een heimwee naar uwe vaderlandsche bergwouden, naar uwe lammeren en schildpadden.”Cora sloeg hare oogen even naar Pericles op, die oogen, gelijk die eener hinde, en zag hem aan met eene uitdrukking, die nog treuriger was dan te voren, doch tevens met een trouwhartigen, schier kinderlijken blik, waarin eene toestemming, uit het diepst harer ziel voorkomende, scheen te liggen.„Wilt gij, dat wij u naar huis laten gaan?” vroeg Pericles op een hartelijken, vertrouwen inboezemenden toon. „Spreek vrijuit, mijn kind, en ik[302]zal alles doen, om u zoodra mogelijk naar uw geboorteland en naar uw waarachtig geluk terug te voeren. Wilt gij dit huis verlaten, Cora? Spreek!”Eene zonderlinge uitwerking maakten deze woorden op het Arcadische meisje. In ’t eerste oogenblik blonk er een glans van vreugde over haar gelaat. Plotseling echter keek zij, als door eene nieuwe gedachte getroffen, weder ernstig naar den grond; zij werd bleek, haar boezem begon te hijgen, een traan parelde aan hare wimpers.„Zeg vrijuit,” hernam Pericles, „wat gij wenscht en wat uwe opgeruimdheid in dit huis verhindert. Er is zeker iets, dat gij mist!”—Pericles sprak deze woorden op een beslisten toon en zag, op een antwoord wachtend, het meisje strak in het aangezicht.„Verlangt gij uit dit huis weg te gaan?” herhaalde hij.Cora schudde treurig het hoofd, zonder een woord te spreken.„Uwe droefgeestigheid schijnt dus zonder reden te zijn,” vervolgde Pericles, „eene zwaarmoedigheid, die zich als eene soort van ziekte van uw gemoed meester maakt. Bestrijd haar, mijn kind! Geef u niet aan hare macht over, maar verzet u er tegen! Zie, ook mij zou de daemon der ontevredenheid somwijlen willen overweldigen, maar ik worstel met hem. Het leven moet vroolijk zijn en genot voor ons: want ware dat niet het geval, dan moesten wij immers de dooden benijden. Willen toch niet alle menschen opgeruimd en gelukkig zijn en zich blijde met elkander in hun bestaan verheugen?„Waarom zoekt gij de eenzaamheid? Wilt gij ook niet vroolijk en gelukkig zijn?”Wederom sloeg Cora trouwhartig de oogen tot Pericles op en zeide op aarzelenden toon:„Ik ben gelukkig, als ik alleen ben!”„Zonderling kind!” riep Pericles.Hij zag Cora zwijgend en peinzend aan. Zij was niet mooi. Hare maagdelijke schoonheid was zonder alle betoovering der zinnen.[303]En toch lag in die maagdelijkheid, in die kinderlijkheid, in die zonderlinge gevoeligheid iets, wat eene eigenaardige sympathie in edele karakters kon wekken.Pericles had het ideaal van alle vrouwelijke bekoorlijkheden en voortreffelijkheid in Aspasia verwezenlijkt gevonden. Thans trad plotseling voor hem de vrouwelijkheid op in eene nieuwe, onbekende gedaante. Wat hij hier in Cora voor zijne oogen zag, was verschillend van alles, wat hij tot heden gezien, wat hij bewonderd, wat hij bemind had.Niet betooverend, niet verleidelijk scheen hem deze nieuwe soort van vrouwelijkheid, maar eene aandoening greep hem aan, even nieuw en vreemd, als hetgeen die in hem te voorschijn had geroepen. Hij legde zijne hand op het hoofd van het meisje en beval haar krank gemoed aan de machtige hoede der goden.Daarop sprak hij: „Willen we samen Aspasia opzoeken? En toen hij van een slaaf hoorde, dat Aspasia zich op het dakplat begeven had, nam hij het meisje vriendelijk bij de hand om ze naar hare meesteres te voeren.Zonderlinge samenloop! Op ’t zelfde oogenblik, dat Pericles in ’t peristylium van het huis zijne hand met ernstige aandoening op het hoofd van ’t bedroefde herderskind legde, op ’t zelfde oogenblik rustte de hand van Aspasia, die haar gesprek met Manes op het dakterrasgeëindigdhad, op het hoofd van den droefgeestigen Noordschen jongeling.En ’t was alsof hare hand, met schier moederlijke teederheid zijne bruine lokken aanraakte, alsof haar oog met warmte op de trekken van den jeugdigen zonderling rustte! Toch zetelde opgeruimde blijmoedigheid op haar open, fier voorhoofd en met een kalmen glimlach begroette zij Pericles, toen hij met het meisje aan de hand tot haar trad.„Ik breng u de zwaarmoedige Cora,” zei Pericles tot Aspasia; „ik geloof dat zij niet minder dan[304]Manes behoefte heeft aan vriendelijke toespraak!”Terwijl Pericles naderde had hij den blik van warme toegenegenheid opgemerkt, waarmede het oog van Aspasia op den jongeling rustte.Zij volgde zijn nauw merkbaren wenk en hij voerde haar naar een afgelegen plek van het dakterras, waar eene rustplaats onder bloeiende ranken was aangebracht.Hier vertelde Aspasia haar gesprek met Manes aan Pericles, deze haar het zijne met het Arcadische meisje.Ten laatste zeide Pericles kalm en ernstig:„Gij hebt gloeiende blikken, ja zelfs liefdevolle gebaren gebezigd, om het sombere gemoed van den jongeling op te beuren!”„En dat brengt u op de gedachte dat ik liefde voor hem zou gevoelen?” vroeg Aspasia. „Neen,” vervolgde zij, toen Pericles zweeg, „ik bemin hem niet, want hij is schier leelijk. Zijne plompe wangbeenderen beleedigen mijn oog. Maar eene vluchtige aandoening overweldigde mij, ik weet zelve niet hoe haar te noemen. Wellicht was het medelijden.”„Weet gij zoo precies, wat liefde niet is en wat wel?” vroeg Pericles.„Wat liefde is?” riep Aspasia glimlachend. „Begint gij thans ook mij met die dwaze vraag te kwellen?—Liefde is eene zaak, die men niet kan afweren, als zij komt, en niet kan tegenhouden als zij gaat.”„En weet gij er anders niets van te zeggen?” vroeg Pericles.„Niets, dan wat ik reeds zoo dikwijls gezegd heb,” hernam Aspasia: „liefde is een gevoel, dat in tyrannie kan ontaarden, wanneer zij het geliefde voorwerp tot een werktuig wil maken, zonder zelfstandigen zin. Die onwaardige begeerte moest zij weten te onderdrukken. Zij moest een in vrijheid gesloten, in vrijheid gehandhaafd vreugdeverbond des harten zijn!”„Zoo dikwijls gij mij dit herhaaldet,” sprak Pericles, „altijd is het mij onwederlegbaar voorgekomen.[305]Mijn kalme, nadenkende geest is daarvan nog evenzeer overtuigd, als toen wij zelven zulk een vreugdeverbond des harten in vrijheid sloten. Liefde moet die zelfzuchtige begeerte opgeven om het beminde voorwerp te bezitten; maar de vraag bestaat nog altijd bij mij: kan de liefde dit doen? Is zij in staat die begeerte te verwinnen?”„Zij kan het,” hernam Aspasia: „want zij moet het kunnen!”„Niet tegen te houden is de liefde, als zij gaat, zeidet gij straks,” vervolgde Pericles, na eenige oogenblikken te hebben nagedacht. „Wat zal er van ons worden, Aspasia, als haar schoon vuur ook in onze borst verdooft?”„Dan zullen wij zeggen,” hernam Aspasia: „wij hebben met elkander de hoogste aardsche zaligheid genoten! Wij hebben niet te vergeefs geleefd! Wij hebben op het toppunt van ons bestaan, in de hoogste kracht des levens en der liefde, den vreugdekelk geledigd.”„Geledigd—geledigd”—herhaalde Pericles, schier onhoorbaar in zich zelven sprekend. „Gij doet mij daar een woord hooren, dat mij doet huiveren”——„’t Is het lot der bekers geledigd te worden,” zei Aspasia, „en het lot der bloemen te verwelken en het lot van al wat leeft schijnbaar te verdwijnen, inderdaad echter in eene eeuwigdurende wisseling zich te vernieuwen. De plicht van den sterveling echter is ’t, die verandering en wisseling om hem en in hem met de blijmoedige kalmte der echte wijsheid te aanschouwen. Dwaas zou het zijn zich aan de hielen van het voortijlende vast te klemmen. De tijd komt, dat men getroost den beker, waarin eens de zaligmakende drank heeft geschuimd, in den afgrond zal werpen. Alles streeft naar het toppunt, om dan weder neder te dalen langs de ladder der levens tot vernietiging. Alles volgt den loop der natuur”—Nadat Pericles en Aspasia dit gesprek hadden gehouden, maakten zij zich gereed zich in huis te[306]begeven; en op de plaats gekomen, waar zij Manes en Cora achter gelaten hadden, zagen zij hen beiden in een druk onderhoud gewikkeld.Het platte dak was door Aspasia in eene soort van tuinterras herschapen. Daar bevonden zich priëelen ter beschutting tegen de zon en hooge, bloeiende heesters, in bakken, met aarde gevuld.Zulk een heester verborg Pericles en Aspasia, toen zij naderden, voor de blikken van den jongeling en van het meisje, die bovendien te zeer in hun gesprek verdiept waren, dan dat zij hunne nadering zouden bemerkt hebben.Pericles en Aspasia stonden onwillekeurig een oogenblik stil, hoogst verwonderd over dit gezicht. Zij hadden nooit te voren bemerkt, dat Manes en Cora zich zoo vertrouwelijk onderhielden, dat de een het gezelschap van den ander gezocht had.’t Was op zich zelf een zonderling tooneel, dat het oog wel tot zich mocht trekken, een treurige Satyr en eene zwaarmoedige Bacchante in een gesprek met elkander.Cora vertelde den jongeling van haar Arcadisch geboorteland, van de schoone bergwouden, van de schildpadden, van den God Pan, van de Stymphalische vogels, van de jacht op wilde dieren.Manes luisterde met gespannen aandacht. „Gij zijt wel zeer gelukkig, Cora,” zei hij daarop, „dat gij dit alles zoo helder voor uw geest hebt en het u telkens kunt herinneren. Ik herinner mij, als ik waak, volstrekt niets van mijn vaderland en van mijne prille jeugd. Alleen in droomen en mijmeringen word ik somwijlen verplaatst in sterk ruischende wouden of ik zie ruwe mannen in harige vachten gekleed, op snelle paarden gezeten en daarheen rennend over de vlakte. Ik ben dan den geheelen dag door treurig, als ik zulke droomen gehad heb en ik ben ziek van eene soort heimwee, ofschoon ik geen vaderland heb en ik niet weet, waarheen ik mijne schreden het eerst zou richten, als ik het wilde opzoeken. Alleen dit weet ik, dat ik noordelijk en steeds noordelijk moet gaan, en dikwijls[307]droom ik ook, dat ik naar het Noorden trek, altijd meer naar het Noorden in eene onafzienbare ruimte. Gij zijt zeker dubbel bedroefd, Cora, dat gij niet naar uw vaderland kunt terugkeeren, omdat gij het kent en het altijd gemakkelijk weder zoudt weten te vinden. Zeg het mij, Cora, als gij terug wilt keeren naar uw geboortegrond; ik zal er u heen voeren en ik blijf er ook; want ik ben immers jong en sterk. Waarom zou ik niet met de Arcadische mannen samen leven en met hen jagen op de wilde dieren?”„Neen, Manes,” zeide het meisje, „naar Arcadië moet gij niet gaan, omdat u immers het heimwee naar het Noorden heentrekt. Neen ik zou volstrekt niet willen, dat gij naar Arcadië toogt, omdat u daar ongetwijfeld altijd een onweerstaanbaar verlangen naar uw vaderland zal bekruipen. Gij moet koers zetten naar den Hellespont en dan steeds meer naar het Noorden, zoo zult gij zeker uw vaderland vinden en wellicht zelfs een koninkrijk.”—„Ik zou wel gaarne naar het Noorden willen trekken,” zei Manes, „maar ’t zou mij bedroeven, als ik er aan dacht, dat gij hier zijt en te vergeefs naar uw Arcadië verlangdet.”Cora keek peinzend naar den grond en zeide na eene kleine pauze:„Ik weet niet hoe het komt, Manes, dat ik even gaarne naar het Noorden zou willen trekken, als naar Arcadië, zoo wij slechts samen gingen. En ’t is mij, als zou overal, waarheen we ons begaven, Arcadië zijn.”—Bij deze woorden van het meisje bloosde Manes en zijne hand beefde weder, als altijd, wanneer hij door een groote innerlijke aandoening bewogen werd; hij kon eerst geen woord zeggen; na eene korte pauze begon hij weder:„Maar gij wilt zeker veel liever naar Arcadië gaan, Cora, naar de uwen! Ik wil u gaarne vergezellen en herder worden, en ’t is mij, alsof ik overal, waarheen ik u voer, mijn vaderlandterugvind, ja zelfs een koninkrijk.”—[308]Hier stokte zijne stem en hij bloosde weder. Van de straten steeg het geraas en getier van den voorbijtrekkenden Bacchanten-stoet naar boven. Fakkels schitterden, het genot en gejubel waren ontketend tot volle vrijheid—hier boven echter stonden de jongeling en het meisje met kranke harten, bleek en sprakeloos en schuchter tegenover elkander, en geen van beide waagde het de hand van den andere te vatten en zelfs de oogen sloegen zij voor elkander verlegen neer—de Satyr en de Bacchante!—„Zij beminnen elkander!” zei Pericles tot Aspasia. „Zij beminnen elkander, die twee: maar met eene zonderlinge soort van liefde, naar ’t schijnt. Het is alsof zij elkander geheel en alleen met de ziel beminnen.—Zij spreken niet dan van offers, die zij elkander zouden willen brengen.”„Inderdaad,” hernam Aspasia, „met eene soort van liefde beminnen die beiden elkander, zooals alleen Manes en Cora die konden gevoelen. Zij hebben door de liefde alle vroolijkheid verloren, zij zijn bleek en ziek, zij zijn treurig, en hoewel zij weten, dat zij elkaar beminnen, hebben zij toch geen genot van hunne wederkeerige liefde: want zij durven elkaar niet eens de hand te geven, laat staan een kus.”„Het is eene schuchtere liefde,” zei Pericles, „eene kuische, eene smartelijke, eene onbaatzuchtige, eene zelfverloochenende, eene opofferende liefde. Wellicht vergoedt deze soort van liefde door bestendigheid en schoone harmonie, wat haar ontbreekt aan zalig en bedwelmend goddelijk genot. Wellicht geldt van haar minder, wat gij vroeger van de liefde hebt beweerd, dat zij aan den blinden loop der natuur onderworpen is.”„Eene krankheid is deze treurige liefde!” riep Aspasia geprikkeld. „Wee den dag, waarop zij is uitgevonden! Niet uit de zee, door het morgenrood beschenen, maar uit de Arcadische wateren der Styx verrees deze nieuwe, met witte rozen bekranste, bleeke Aphrodite! Deze soort van smartelijke, hartstochtelijke[309]liefde is voor de menschen even erg, als oorlog en pest en hongersnood. Te Eleusis heb ik deze soort van liefde onder het gevolg van den valen Thanatos gezien, en deze gedachte was de eenige, die mij beviel, ginds in de Eleusinische, gewijde groeven!”Thans kwamen Pericles en Aspasia uit hun schuilhoek te voorschijn en Aspasia voerde het Arcadische meisje met zich naar huis.Op den avond van dienzelfden dag werd in de woning van Pericles een klein feest gehouden, zooals in den tijd der Dionysiën alle Atheensche burgers gewoon waren in hunne huizen aan te leggen. Eenige gasten waren er, onder wie Callimachus met Philandra en Pasicompsa.Men was ditmaal niet in de gewone eetzaal des huizes, maar in het koeler en ruimer peristylium bijeen gekomen, waar de lucht van den zoelen lentenacht van boven verkwikkend binnenwoei.Pericles had zich naar gewoonte vroeg teruggetrokken.Plotseling kwam de jonge Alcibiades met eenige zijner vrienden. Hij stormde in uitgelaten feestvreugde de deur van het huis binnen en nam, met zijne makkers doordringend, onmiddellijk plaats onder de reeds vergaderde gasten.Bij zijne komst vluchtte Cora angstig naar het binnenste deel van ’t huis.Toen Alcibiades dit bemerkte, wilde hij zich bij de bekoorlijke Simaetha schadeloos stellen. Deze echter wees hem fier van zich. Zij verachtte hem, sedert hij zich zoo diep had verlaagd, om het Arcadische herdersmeisje in zijne dolle opgewondenheid met geweld te vervolgen. Ook de overige meisjes behandelden hem om dezelfde reden uit de hoogte. Langen tijd deed hij zijn best om haar toorn te doen bedaren, maar te vergeefs.„Hoe?” riep hij ten laatste, „Cora loopt voor mij weg, preutsch als eene hinde, door de jagers vervolgd—Simaetha keert mij den rug toe—de geheele school van Aspasia ziet ernstig en[310]fronst de wenkbrauwen, als de oude Anaxagoras—welaan! als gij allen mij afwijst, zal ik mijne toevlucht nemen tot de lieve Hipparete, het eerzame, zedige, bekoorlijke, bloeiende dochtertje van Hipponicus!”„Doe dat gerust!” zei Simaetha.„Dat zal ik!” riep Alcibiades.„Gij zult mij niet te vergeefs afgewezen hebben, Simaetha! Alcibiades laat niet met zich spotten! Ik ga morgen zoo vroeg mogelijk naar Hipponicus en vraag hem zijn dochtertje. Ik trouw, word deugdzaam, doe afstand van alle dolle genoegens en verdrijf mij den tijd met Sicilië te veroveren en de Atheners naar mijne pijpen te doen dansen!”„Hipponicus zal u zijne dochter niet geven!” riep de jonge Callias; „hij houdt u voor een veel te grooten deugniet!”Lachend herhaalden de overige gasten: „Hipponicus zal u zijne dochter niet geven, gij zijt een veel te groote deugniet!”„Hipponicus zal mij zijne dochter geven,” riep Alcibiades met nadruk, „al had ik hem van te voren ook eene oorveeg gegeven. Wilt gij eene weddenschap met mij aangaan? Ik neem aan, Hipponicus een klap om de ooren te geven en hem dan zijne dochter te vragen. En hij zal ze mij geven.”„Gij zijt een pocher!” riepen zijne vrienden.„Laten wij wedden!” hernam Alcibiades: „duizend drachmen, als gij wilt!”„Top!” riepen Callias en Demus.Alcibiades bood zijn vrienden de hand en zij sloegen toe. De weddenschap van duizend drachmen was aangegaan.„Waarom zou ik mij niet bekeeren en deugdzaam worden,” zei Alcibiades, „daar rondom mij zoovele treurige teekenen en wonderen geschieden? Niet genoeg, dat Cora mij ontvlucht, Simaetha zich van mij afkeert, Theodota waanzinnig is geworden, moest ik ook nog beleven, dat ik mijn oudsten en besten vriend verloor? Hij heeft zijne[311]trouw jegens mij verbroken en eene vrouw genomen.”„Van wien spreekt gij?” vroegen eenigen.„Van wien anders, dan van Socrates?” hernam Alcibiades.„Hoe? Is Socrates getrouwd?” vroeg Aspasia.„Zoo is het!” hernam Alcibiades, „in alle stilte heeft hij onlangs eene vrouw genomen. Geef hem maar op—gij ziet hem nooit weer!”„Hoe is dat gebeurd?” vroeg Aspasia verder, „ik heb er nog niets van gehoord.”„’t Zal ongeveer twee weken geleden zijn,” zei Alcibiades, „dat ik in eene der stillere straten daarboven aan den Ilissus met een vriend, dien ik toevallig ontmoette, stond te praten. Plotseling gaat de met bloemen versierde deur van een huis open en eene stoet van fluitspelers en zangers, met fakkels in de handen en bekranst, treedt naar buiten. Hen volgt eene gesluierde bruid, tusschen den bruidegom en den nymphagoog12. Deze drie bestijgen een met muildieren bespannen wagen, die voor het huis staat, en nemen er plaats in. Onderwijl komt de moeder der bruid, met de fakkel, die zij aan den haard van het huis der bruid heeft aangestoken; bij haar sluit het overige, in ’t wit gekleede gezelschap zich aan, met bloemen bekranst en fakkels dragende; de wagen zet zich in beweging en voorwaarts gaat het de straat af tot aan het huis van den bruidegom, onder de toonen der fluiten, het aanheffen van liederen, onder vroolijk jubelen en dansen. Die bruidegom nu was niemand anders dan Socrates, de vriend van Aspasia, de nymphagoog was de vrouwenhater Euripides.”„En de bruid?” vroegen velen.„Het eenvoudig kind van een eenvoudig man,” hernam Alcibiades, „dat echter onmiddellijk de teugels van het huishouden als met ijzeren hand heeft aangegrepen, en de kunst verstaat, met het weinige huis te houden, dat Socrates nog van zijn vaderlijk[312]erfdeel bezit. Socrates getrouwd! De arme waarheidzoeker! De waarheid heeft hij gezocht—eene vrouw heeft hij gevonden! Ik herhaal het, er geschieden teekenen en wonderen! De oude wereld wil, naar ’t schijnt, zich uit het oude spoor losrukken. Socrates getrouwd—de vroolijke Theodota waanzinnig; voegt men hier nog bij, dat op Aegina en Eleusis, naar men zegt, eenige gevallen van pest zijn voorgekomen, die reeds lang op het Aegyptische strand spookt, en dat men heden op de Agora een verdacht Satyr-masker meent gezien te hebben, waarachter zich Thanatos of de Pest of een ander afzichtelijk wezen verbergt—neemt men dit alles samen, dan zult ge mij moeten toegeven, dat het in de stad der Atheners vervelend dreigt te worden. En wanneer ik daarbij nog de dochter van Hipponicus huw, dan krijgt de Helleensche hemel eene sombere tint. Maar heden willen wij nog vroolijk zijn—bij Eros met de bliksemschicht! Niet langer getreurd en gepruild, meisjes! Laat ons een lustigen, dollen strijd beginnen tegen de droevige machten, die ons bedreigen! Laat ons met een verachtelijken glimlach alle teekenen en wonderen beschouwen! En wanneer dartele lust en genot ook uit geheel Hellas verdwenen waren, dan moeten zij nog in dezen kring te vinden zijn. Heb ik geen gelijk, Aspasia?”„Gij hebt gelijk!” antwoordde Aspasia; „in den strijd tegen al het sombere zijn wij bondgenooten.”Zoo sprak zij en liet nieuwe bekers brengen en in het mengvat schuimde weder het kostelijk nat; geledigd en nog eens geledigd werden de fonkelende bokalen. Vroolijke scherts, gelach en dartel gezang schalden door het peristylium en Alcibiades tintelde van den geest van Dionysus.Zoo was het middernacht geworden. Plotseling gaat in den achtergrond eene deur open, die naar het peristylium voert. Uit de deur komt langzaam als een spook, met gesloten oogen, Manes te voorschijn—Manes, de slaapwandelaar!—Hij had geen deel genomen aan het feest, maar zijne stille legerstede[313]opgezocht. Thans echter had de geheimzinnige ziekte den slapende uit zijne rust opgedreven.Bij het gezicht van hem, die met gesloten oogen het peristylium doorwandelde, verstomde de luidruchtige vroolijkheid en allen staarden, door eene lichte huivering aangegrepen, sprakeloos naar den spookachtigen wandelaar.Nadat hij het peristylium had doorgeloopen, ging hij naar de trap, die tot het platte dak des huizes voerde. Met vasten tred beklom hij de trap en verdween weldra uit de oogen der gasten. Het meerendeel der feestgenooten besloot, nadat de eerste schrik voorbij was, hem te volgen.„Zoo straft Dionysus degenen,” riep Alcibiades, „die zich tegen zijn blijden, vreugdevollen dienst verzetten. Wij willen den verachter van den God bekeeren! Komt! Wij willen hem wekken en hem dan met geweld deel doen nemen aan ons feest!”—Daarop stonden de meeste gasten op en sloegen den weg in naar het dakterras.Toen zij daar gekomen waren, deed zich een gezicht aan hunne blikken voor, dat opnieuw angst en huivering in hunne borst wekte.Manes wandelde op een eenigszins hoog, hellend uitstek van het dak, langs den uitersten kant, op eene plaats, waar alleen een maanzieke met gesloten oogen gaan kon, ieder wakende echter onvermijdelijk duizelend in de diepte zou neerstorten.Inmiddels waren ook de overige huisgenooten op het bericht, dat Manes in slaap wandelde, toegesneld.Ook Pericles verscheen.Hij huiverde, toen hij den jongeling zag en zeide: „Als hij op dit oogenblik ontwaakt, stort hij reddeloos in de diepte. Hem echter te naderen en te redden van die plaats is onmogelijk!”Juist toen Pericles deze woorden sprak, naderde ook Cora.Ontsteld, doodsbleek, de groote, ronde oogen wijd geopend, het gelaat door de loshangende lokken[314]omgolfd, staarde Cora naar den slaapwandelaar. Bij ’t hooren der woorden van Pericles voer haar eene huivering door de leden; vervolgens echter ijlde zij als op vleugelen naar de plaats, waar Manes wandelde, boog zich over het hooge afdak, deed met vasten voet, zonder te duizelen, eenige schreden naar beneden op de gevaarlijke, hellende baan, greep de hand van den jongeling en trok hem van den uitersten rand terug, tot waar zij den veiligen bodem onder zich voelde.Eerst toen Manes gered was, maakte eene duizeling zich van haar meester en bezwijmd zonk zij ineen.Thans was het Manes, die ontwakend en de oogen opslaande, angstig het meisje omvatte en het voortdroeg in zijne armen, tot zij weder tot bewustzijn kwam en half verschrokken, half verlegen met een blos op de kaken henen vlood.De feestgenooten hadden dit tooneel met verbaasde oogen gadegeslagen. Thans schaarden zij zich om Manes en voerden hem onder vroolijke, opwekkende woorden naar beneden naar het peristylium.Alleen Pericles bleef een oogenblik met Aspasia achter.„Hoe betreur ik het,” zei Pericles tot Aspasia, „dat Socrates geen getuige geweest is van dit tooneel!”„Waarom betreurt gij dat?” vroeg Aspasia.„Hij zou nu toch wel eindelijk,” hernam Pericles, „gevonden hebben, wat ware liefde is.”—Aspasia zweeg een oogenblik en zag Pericles strak in het gelaat. Toen zeide zij: „en gij?”Pericles antwoordde:„Mij brengt dit paar eenigszins tot schaamte en in verlegenheid. ’t Is alsof het zeggen wil: Treedt gij beiden af van het tooneel en ruimt uwe plaats aan ons in!”Nog eens staarde Aspasia Pericles in het ernstig en peinzend gelaat. Toen sprak zij:„Gij zijt geen Griek meer!”Weinig in getal waren de woorden, die hier[315]gewisseld werden, maar zij waren veelbeteekenend. Zij vielen zwaar in de schaal van het noodlot.Door die woorden ontstond er als ’t ware eene heimelijke scheuring tusschen twee edele zielen, eens zoo schoon en innig verbonden.Een lang voorbereide stroom van nieuwe, sombere machten, van twijfel en inwendigen tweestrijd, was in de ziel van Pericles getogen.Met dit kort gesprek stortte langzaam en zonder gerucht het grootsche, schoone en heerlijke gebouw ineen.—Met de woorden: „Gij zijt geen Griek meer!” had Aspasia, na een laatsten, half toornigen, half medelijdenden blik, haar gelaat van Pericles afgewend.Beiden gingen zwijgend naar beneden: Pericles naar zijn vertrek, Aspasia terug naar hare gasten.Inmiddels hadden de feestgenooten te vergeefs hun best gedaan, om den jongen Manes te doen deelnemen aan hun festijn en hem tot den dienst van den vreugdegod te bekeeren. Hij had zich losgescheurd en was teruggekeerd tot de binnenste vertrekken van het huis.Thans begon men een tijdlang over Cora te spreken; men bewonderde haar moed of liever de merkwaardige kracht eener aandoening, eener gemoedstemming, van eene hartstocht, onder wier invloed zij gehandeld had en waardoor zij als blindelings en onbewust medegesleept was; hetgeen voor allen bijna den stempel van een onoplosbaar raadsel had.En thans begon ook Alcibiades zijn leedwezen te betuigen, dat Socrates dit tooneel niet had bijgewoond.„Wat een heerlijk maal,” zei hij, „zou dit voor het oog van den peinzer en waarheidzoeker geweest zijn; hij, die zich reeds over de meest alledaagsche dingen in ernstige beschouwingen verdiept, zou ook thans niet rusten zonder de beteekenis van dit merkwaardige feit tot in de fijnste bijzonderheden nagespeurd te hebben. Is hij zelf niet eene soort van slaapwandelaar, iemand die door de[316]maanziekte der wijsbegeerte is aangetast, die de oogen sluit om beter te kunnen denken en daarbij verdoold raakt op duizelingwekkende hoogte? Het eenige onderscheid is, dat hem geen Cora ter hulp snelt, om hem met zachte hand van de afgronden der gedachte weg te trekken. Nu, ik zal tot hem gaan en hem de geheele geschiedenis vertellen, ofschoon ’t niet zonder gevaar is, Socrates in zijn eigen huis te bezoeken. Want zijne jonge vrouw Xanthippe is bang, dat ik haar man zal verleiden, en ziet mij bovendien met geen gunstig oog aan. Toen ik de pas gehuwden met eenige vrienden bezocht, brachten wij haar reeds in groote verlegenheid, en het vrouwtje begon er over te schreien en te klagen, dat zij zulke voorname lieden, als wij waren, niet in staat was behoorlijk te onthalen. „Laat dat zijn zooals het wil,” zei Socrates, „als ’t goede menschen zijn, die ons bezoeken, dan zullen zij tevreden zijn; als het slechte menschen zijn, dan hebben wij ons niets om hen te bekommeren!”—Dit zijn echter redeneeringen, waarmede hij Xanthippe nog meer in ’t harnas jaagt. Ik bemerkte aanstonds, dat zij in huis de baas was. Nu maakte ik mij er een genoegen van, zoo vrij mogelijk met haar man te spreken en hem met vriendschapsbetuigingen te overladen. Sinds dien tijd is zij boos op mij en toen ik onlangs haar man een lekkeren koek zond, ging zij in haar toorn zoover, dat zij hem uit de mand op den grond wierp en met de voeten trapte. En Socrates? Die durfde alleen zeggen: „Wat hebt gij daar nu aan? Als gij den lekkeren koek niet had vertrapt, dan zoudt gij hem hebben kunnen opeten!”—Het schijnt, dat de meeste mannen te Athene hunne vrouwen niet meer weten te regeeren!—Bij mijn daemon,” vervolgde Alcibiades, nadat hij zijn beker geledigd had, „ik zeg het nog eens, de wereld raakt uit het oude spoor! Delos door eene aardbeving geteisterd, Theodota waanzinnig, de wijzen door hunne vrouwen geregeerd, ik zelf op het punt om de dochter van Hipponicus te trouwen, Sabazius-dienaars[317]in de straten, maanzieken op de daken, de Peloponnesus onder de wapenen, te Lemnos en op het naburige Aegina de pest—”„Vergeet de zonsverduistering niet,” viel hem Demus in de rede; „tevens moet nog vermeld worden, dat er, naar men zegt, een spook rondwaart in het huis van Hipponicus.”—„Is dat waar?” vroegen allen aan Callias, den zoon van Hipponicus.„Ja, het is inderdaad zoo!” hernam deze, en vertelde, dat werkelijk een spook zich in zijns vaders huis vertoonde; dat Hipponicus peinzend en bleek en mager was geworden, dat hem de lekkerste spijzen niet meer smaakten en dat hij ’s nachts door de nachtmerrie gekweld werd—„Daar hebt gij het al!” riep Alcibiades—„dus ook nog zonsverduisteringen, en spoken in de huizen van oude, lustige lekkerbekken. De drommel moge de wereld halen, als zij zoo somber begint te worden. Nog eens, mijne vrienden: op ten strijde, tegen de treurigheid der tijden, die zich dreigend aanmeldt!”„Is het wel noodig daartoe opgewekt te worden?” riep de jonge Callias. „Bij Heracles! hebben wij dan niet gedurende dezen geheelen feesttijd ons best gedaan, als nooit te voren? Hebben wij den Metragyrt niet in het Barathron geworpen? Hebben wij ons niet prachtig gedragen, zooals men van de lustige Ithyphallers kon verwachten? En hadden wij niet de geheele Atheensche jeugd achter ons? Waren de Dionysiën te Athene ooit darteler en uitgelatener dan die thans zijn gevierd? Hebt gij het volk ooit zoo opgewekt en dol gezien? Heeft de wijn ooit in rijker stroomen gevloden? Is er ooit een grooter aantal jonge meisjes in het gedrang verleid geworden? Wemelde het ooit meer te Athene van bereidvaardige en gedienstige priesteressen van het genot? En waren zij ooit meer gezocht? Wat spreekt gij van sombere tijden, Alcibiades? Het is een vroolijke tijd, zeg ik. De wereld gaat vooruit in dartelheid en vreugde; niet achteruit, zooals[318]gij meent. En welke donkere, dreigende wolken zich ook ooit aan den hemel mogen vertoonen, hij zal weder helder worden! En zoo behoort het ook! Lang leve het genot!”„Lang leve het genot!” galmde het van alle kanten en de bekers klonken, tegen elkaar.„Callias, beste jongen, laat ik u omarmen!” riep Alcibiades en kuste zijn vriend. „Zoo hoor ik u en u allen gaarne spreken! Lang leve het genot! En opdat het eeuwig leve en groeie en bloeie onder het volk der Atheners, moeten de Ithyphallers eendrachtig samenwerken met de school, die Aspasia heeft gesticht. Op de Ithyphallers en op de school van Aspasia is de vaste burg gegrondvest van vroolijkheid, van alle bekoorlijke dartelheid en van allen levenslustig en moedwil! Daarom niet gepruild, Simaetha! Niet zoo preutsch, Prasina! Geen leelijk gezicht tegen Alcibiades getrokken, Drosis! Kom, lach eens weder, Simaetha! Gij zijt nooit zoo bekoorlijk geweest als thans. Bij Zeus! Voor één gullen, hartelijken lach van uw mond wil ik duizend drachmen, waarom ik gewed heb, verliezen en het dochtertje van Hipponicus nog een poos laten wachten!”Nu wendden zich allen tot Simaetha, om haar te overreden zich met Alcibiades te verzoenen.Aspasia zelve mengde zich in de zaak. „Mok niet langer tegen Alcibiades!” sprak zij. „Wanneer hij beweert, dat de school van Aspasia op een goeden voet moet staan met het gezelschap der Ithyphallers, dan kan hij gelijk hebben; doch alleen in zooverre, dat de uitgelatenheid der Ithyphallers betoomd en bedwongen moet worden door lieve vrouwenhanden. Wij moeten onzen bijstand den Ithyphallers niet onthouden, maar hun den teugel der rechte en schoone maat aandoen, opdat het heerlijke rijk der vreugde niet in ruwheid en woestheid onderga.”„Wij onderwerpen ons aan u!” riep Alcibiades.„Wij willen Simaetha tot koningin met onbeperkte macht verkiezen in het rijk der vreugde.”—[319]„Dat willen wij!” klonk het in ’t rond. „Waarom zouden de Ithyphallers zich niet beteugelen laten door zulke lieve handjes?”In uitgelaten vroolijkheid werd de glimlachende, van bekoorlijkheid stralende Simaetha tot koningin van het feest uitgeroepen en tot onbeperkt heerschende vorstin van het rijk der vreugde.Men richtte voor haar een heerlijken, met bloemen rijk getooiden troon op, men hulde haar in purpergewaad, een gouden diadeem werd op de lokken gedrukt, haar lichaam met kransen van rozen en viooltjes omslingerd.Zij praalde in de volle betoovering van jeugd en schoonheid—eene echte koningin. Zelfs Aspasia’s oog rustte met bewondering op haar.„Aspasia beheerscht het tegenwoordige,” riep Alcibiades, „u, Simaetha, behoort de toekomst!”—De bekers werden gevuld met den bedwelmenden drank en ter eere van de schitterende koningin der vreugde geledigd.„Door deze koningin beheerscht,” riepen de jongelingen, „zal het rijk der vreugde zich uitbreiden over den geheelen aardbol!”—„Callias en Demus, neemt uwe duizend drachmen!” riep Alcibiades. „Ik geef de weddenschap verloren. Ik ga morgen nog niet naar Hipponicus. De vorst der Ityphallers sluit een nieuw verbond met de koningin der schoonheid en der vreugde! Den Gode zij dank! Zij lacht weder en hare tandjes blinken daarbij, als eene marmeren zuilenrij van het Parthenon!”Daarop naderde de bekranste, door wijn en vurige liefde bedwelmde, vermetele jongeling het koninklijk uitgedoste, prachtige meisje, sloeg onder het gejubel zijner vrienden den arm om haar heen en wilde het gesloten verbond met een kus bezegelen.Op dit oogenblik bemerkten allen, die hunne blikken op Simaetha gevestigd hielden, eensklaps, dat een geweldige kleur zich over haar gezicht verspreidde.[320]Zij strekte de hand uit en weerde Alcibiades af, klagende over een plotselinge, geweldige hoofdpijn.Tegelijk schenen hare lippen, droog van inwendige hitte, naar lafenis te snakken.Men reikte haar een met wijn gevulden beker; zij wees dien echter terug en verlangde naar frisch koel water.—Zij sloeg beker op beker van het ijskoude vocht naar binnen, maar ’t was of slechts droppels op gloeiend ijzer vielen.Nu bemerkte men ook dat hare oogen met bloed beloopen waren.De tong van ’t meisje werd zwaar—schor, heesch klonk hare stem—zij begon over brandende zwelling der keel, van den mond, der tong te klagen.Tegelijk overviel haar eene vreeselijke benauwdheid—krampachtige bewegingen vertoonden zich in de gewrichten der handen, het geheele lichaam beefde, het kille zweet droop van hare leden.Men wilde haar naar haar vertrek, naar haar bed brengen: maar, als door een woesten angst gedreven, wenschte zij zich in eene bron, in een diep, koel water te storten,—zij wilde wegijlen, aan eene razende gelijk—slechts met geweld kon zij teruggehouden worden.Men had Pericles geroepen.Hij kwam. Hij zag den toestand van het meisje en verbleekte.„Verwijdert u!” sprak hij tot de feestgenooten.Hunne hoofden waren nog half beneveld van de Bacchische bedwelming.„Waarom ontstelt ge zoo over den toestand van ’t meisje?” riepen zij. „Kent ge haar ziekte, zeg het dan!”„Verwijdert u!” herhaalde Pericles.„Wat is het, wat is het?” riep Alcibiades.„De pest!” zeide Pericles op gesmoorden en zachten toon.Hoe zacht het woord ook gesproken was, het viel als een donderslag in de vergadering.[321]Allen verstomden, verbleekten, stoven uit elkander.De meisjes begonnen te jammeren—Aspasia zelve werd doodsbleek, en verzorgde bevend en sidderend de door den dood aangetaste lieveling.Het meisje werd weggevoerd. De feestgenooten begonnen zich verslagen in stilte te verwijderen.Alleen Alcibiades herwon spoedig zijne bedaardheid, hij, de dronkenste van allen.„Zoo zullen wij ons overwonnen geven aan de duistere machten?” riep hij en greep naar den beker. „Zou onze strijd te vergeefs zijn geweest?—Wat stuift gij uit elkander, mijne vrienden? Lafaards, die gij zijt! Als gij allen versaagt en u schandelijk overwonnen geeft, ik geef mij niet over! Ik trotseer ook de pest en alle verschrikkingen van den Hades!”Op dezen toon sprak hij voort, tot hij ten laatste bemerkte, dat hij geheel alleen stond in het verlaten peristylium, te midden van verstrooide kransen en half geledigde of omgeworpen bekers.Hij keek om zich heen met glazige oogen. „Hei daar, waar zijt gij, lustige Ithyphallers?”„Alleen!” ging hij voort—„geheel alleen!—zij hebben mij allen verlaten—allen!—Het rijk der vreugde is verlaten en eenzaam—de sombere machten zegevieren”— —„Het zij zoo!” riep hij ten laatste, den beker van zich werpende. „Vaarwel, schoone lust der jeugd! Ik ga naar Hipponicus!”1De dronkenschap, roes.↑2Zie Deel Inoot 1 pag. 182.↑3De verleiding, begoocheling.↑4De overmoed, uitgelatenheid.↑5Lenaeüm (Leenaion) is de plaats te Athene, waar het Bacchusfeest, de Lenaeä, in de maand Lenaeön of Gamelion, d.i. de laatste helft van Januari en de eerste van Februari, gevierd werd.↑6Hamerling maakt hier gebruik van eene minder algemeen bekende mythe, dan die, volgens welke Theseus, met behulp van Ariadne, de dochter van Minos, den Minotauris in het labyrinth op Creta doodde en met haar huwde en vluchtte. Op het eiland Naxos werd Ariadne door de pijlen van Artemis gedood. De tweede legende, waarop hier gedoeld wordt is deze, datTheseusna de volbrachte heldendaad Ariadne trouweloos op Naxos achterliet, waar zij door Dionysus, die uit Indië zegevierend terugkeerde, werd gevonden en gehuwd. Na haar dood nam Dionysus haar op onder de Onsterfelijken en plaatste de kroon, die hij haar bij het huwelijk geschonken had, onder de sterren. Ariadne wordt dikwijls door de beeldende kunst voorgesteld aan de zijde van Dionysus, omstuwd door Bacchanten en rijdende op een panther.↑7Io werd door Hera in eene koe veranderd. Deze mythe is dichterlijk behandeld door Ovidius. Metamorph. I. vs. 568–748.↑8Dithyrambus is een bijnaam van Dionysus. Vandaar een lied te zijner eer (ook wel van andere Goden).↑9De schrijver zal bedoelen de „Smilax aspera”, eene Zuid-Europeesche klimplant, die in Italië en Griekenland, 30–50 voet hoog, om de platanen zich slingert (vgl. Salsaparille). De bloemen zijn welriekend en waren in de oudheid zeer gezocht, met klimop dooreengewoeld, voor kransen, vooral bij de Bacchus-feesten.↑10Sabazius komt als een bijnaam van Dionysus voor. Hij luidt ook wel Sebasius, terwijl nog verscheidene andere schrijfwijzen worden gevonden.↑11Sicinnis (Sikinnis) is eene Satyr-dans, naar den uitvinder Sicinnus naar de nimf Sicinnis alzoo genoemd.↑12Nymphagoog (numphagoogos) is hij, die de bruid uit het ouderlijk huis naar den bruidegom voert.↑

XXIII.HET DIONYSUS-FEEST.

Met dubbelen luister, met dubbele levendigheid werden, na het herademen uit den treurigen oorlogsnood, de winterfeesten gevierd. Ten volle echter is de vroolijke lust ontketend, sedert de lucht zachter begon te waaien en de tijd van het grootste der Bacchus-feesten, de tijd van de groote, in de stad gevierde, Dionysiën aanbrak. In de wouden vertoont zich de wouw, vroolijk snateren aan het strand de halcyonen en aan de kroonlijsten tjilpen de zwaluwen. Op de hoogten van denHymettus, den Pentelicon, den Lycabettus ontluikt in iederen struik de lente. Viooltjes en anemonen, primulae veris en crocussen openen hunne knoppen en de op de weiden vergeten staf des herders is des morgens met bloemen getooid.De zeelieden in de haven winden de ankers, maken het takelwerk los, richten de masten op en zetten de zeilen naar de wind. Nieuw leven ontwaakt op de baren van den Saronische golf. De afgezanten der verbonden steden en eilanden komen en brengen hunnen cijns juist ten tijde van het feest naar Athene. In alle herbergen, in alle huizen der Atheensche burgers wemelt het van gasten, die van heinde en verre zijn gekomen. Met kransen getooid, in feestgewaad gedost, dolen thans van den vroegen morgen af zwermen van stedelingen en vreemden door de straten. Niet alleen zijn alle in het openbaar staande altaren en Hermesbeelden met kransen omhangen, maar ook geweldige mengvaten zijn er nevens geplaatst, met de gaven van Bacchus gevuld, door de rijken ten offer gebracht en het volk tot vrij gebruik aangeboden. Wederom biedt Hipponicus aan inboorlingen en vreemden in den Ceramicus een gastvrij onthaal, door iedereen, die komen wil, tot zich te noodigen[284]en hen in de open lucht op met klimop bekranste kussens te ontvangen.Vergeten is de krijgsnood, de twist der partijen houdt een wapenstilstand, de aanslagen van Diopithes rusten voor een oogenblik in hun anders rusteloozen gang. Alleen genot en vrede heerschen. Wel is waar overal klinkt luider de scherts en het vroolijk gelach—en dubbel scherp is thans de geestigheid, dubbel roerig de tong des Atheners;—maar wee hem, die in dezen tijd geweld pleegt aan een Atheensch burger! Niet eens de verzachtende omstandigheid van dronkenschap beschermt hem: zijn hoofd en leven is verbeurd.Hoe komt het, dat men nu op eens zoovele bekoorlijke vrouwen in Athene’s straten ziet? Wie zijn die vroolijk lachende, rijk uitgedoste, verleidelijke schoonen? Het zijn hiërodulen uit den tempel van Aphrodite te Corinthe en andere priesteressen van het genot, die het getal der inheemsche hetaeren vermeerderend, uit de verschillende steden van Griekenland zijn samengekomen tot het vroolijkste en uitgelatenste feest der Atheners.He! wat een mengelmoes van vreemd, ronddolend volk heeft de vroolijke, dartele Dionysische feesttijd herwaarts gelokt! Ziet die behendige goochelaars en wondermannen met hunne door de zon donker gekleurde gezichten! Ziet, hoe zij voor aller oogen zwaarden inslikken of een vuurregen uit den mond spuwen! Ziet daar die Thessalische meisjes, die haar zwaardendans uitvoeren te midden van een haar verbaasd aangapenden troep! Er ontbreekt geen enkele vertooning, zelfs de rondtrekkende, overoude poppenkast niet, noch de bont versierde, op kameelen dansende aapjes.Ook neringdoend volk is van heinde en verre gekomen en slaat zijne winkels op, midden in het gewoel der Agora, in den Piraeüs en langs den Ilissus.Troepen landlieden mengen zich onder de stedelingen en deelen met hen de feestvreugde, verzamelen zich om hunne lievelingen, de Thebaansche fluitspelers,[285]die anders blazend de landelijke streken plegen te doortrekken, of brengen het lievelingsspel van hun landelijk Dionysus-feest in de stad over: het springen op geöliede zakken, waarbij ieder zich met de bloote voeten op den gladden bal tracht staande te houden, onder uitbundig gelach der toeschouwers, ondanks al zijn gespartel, steeds naar beneden glijdt.Uitgelatener heerscht de vreugde in de straten, zoodra de duisternis is ingevallen. Dan zwerven talrijke scharen rond: zij hebben bellen en dragen fakkels en zijn met bloemen bekranst; daaronder zijn vrouwen, die mannenkleeren aan hebben, en mannen in vrouwengewaad—met de handen wordt geklapt onder het geraas der bellen, waarmede als met cymbalen de maat geslagen wordt bij het gezang.Velen loopen gemaskerd. Sommigen hebben enkel hunne gezichten met wijnmoer bestreken of met menie of zich een masker gemaakt van boombladeren of boomschors. Anderen echter dragen fraai geschilderde maskers, deels van een deftig, deels van een belachelijk voorkomen: hier zwerft de gehoornde Actaeön rond, daar de honderdoogige Argus, ginds de gedeeltelijk in een paard veranderde Euïppe; Giganten, Titanen, Centauren stampen op den grond; Methe1bedwelmt, Pitho2vleit, Apate3lokt, Hybris4is dolzinnig en zelfs schrikgestalten mengen zich somwijlen onder de reien.Het talrijkste echter, ja overheerschend, zwerven in de straten de Satyrs met bokspooten en de Silenen met kale hoofden, die oude maar nog altijd vroolijke Satyrs. Zij hebben de hoofden bekranst met het altijd groene klimop. Ook Bacchanten dolen rond; zij dragen als Thyrsus dikwijls alleen een wingerdtak met klimop omwoeld.Uitgelaten dartelheid, ja dronkenschap wordt als[286]een plicht jegens den God in deze dagen en nachten beschouwd.En de God, hij rechtvaardigt in dien tijd zijn bijnaam van den „Bevrijder”. Zelfs de gevangenen worden voor de dagen van het feest uit hunne kerkers ontslagen: op de graven der dooden wordt wijn geplengd. Men wil de schimmen bevredigen, die immers niet zonder afgunst de vreugde der levenden ontberen. Ja, zelfs de bijgeloovigen willen weten, dat de zielen der afgestorvenen zich soms in dezen tijd in de reien der feestvierenden mengen en dat onder menig Satyrmasker een ontvleeschde doodskop verborgen is.De eerwaardige Telesippe kauwt in die dagen ijverig de bladeren van den hagedoorn en laat haar deur met teer bestrijken; want alleen op die wijze is het onheil af te wenden, dat ten tijde der groote Dionysiën den levenden van den kant der afgunstige schimmen bedreigt.Schier huiveringwekkend is het inderdaad te zien, hoe des nachts nu hier dan daar in de donkere straten het schijnsel der fakkels zich vertoont en een phantastische optocht voorbij trekt onder luidruchtig rumoer.Thans beweegt zich een geweldige stoet door de straten die van het Lenaeüm5naar den schouwburg voeren. Men draagt het beeld van Dionysus uit zijn tempel in het Lenaeüm naar den schouwburg en stelt het daar te midden der feestelijke vergadering. Het beeld van den God, dat er gedragen wordt, is een pas voltooid werk, een gewrocht van de hand des vurigen Alcamenes. Evenals Phidias op den burg naast het oude, houten beeld van Athene zijn nieuw, schitterend pronkstuk heeft geplaatst, zou wordt ook thans in het Lenaeüm, naast het oude, eerwaardige, eenvoudige Dionysus-beeld, het nieuwe, heerlijke werk van Alcamenes opgericht. En dit juist draagt men thans naar den Dionysus-schouwburg.[287]Scharen Bacchanten omringen het. Wat is dat voor een dolle troep, die een zinnebeeld dat vruchtbaarheid voorstelt, voor den God uitdraagt en liederen aanheft ter eere van Priapus? Het is Alcibiades met zijn Ityphallergezelschap.Op de kruiswegen en op de pleinen hield de stoet stil, om drankoffers te plengen of offerdieren te slachten.De platte daken der huizen zijn vol toeschouwers, van welke velen fakkels en lampen in de handen houden. Ook de vrouwen ontbreken hierbij niet. Weldra voegt de moedwil en scherts van de menschen op de dakterrassen zich bij de brooddronkenheid van de dolle menigte op de straten.De jonge Alcibiades schijnt ten toppunt van dolzinnige uitgelatenheid te zijn; hij overtreft zichzelven in overmoedige streken aan het hoofd van zijn gezelschap.„Bedenkt,” roept hij zijn Ithyphallers toe, „dat wij, die anders ook reeds razen en tieren, op hetDionysus-feestverplicht zijn, dubbel te razen en te tieren, als wij niet in dolzinnigheid en overmoed geëvenaard en overtroffen willen worden door de nuchterste oude paaien van de stad der Atheners!”Onder zulke aansporingen stormde Alcibiades met zijne makkers, alle Atheners kennende en door allen bekend, door de drommen des volks heen.Toen de nacht was ingevallen, liet hij fakkels voor zich uit dragen en voerde de zijnen onder luid getier, voorafgegaan door muziek, naar de huizen van mooie meisjes en knapen, om hun serenades te brengen. Die muzikanten zelven waren meest fluit- en citherspeelsters, als Maenaden verkleed, en daar ook zij, die met eene serenade waren vereerd, zich bij den stoet aansloten, begon deze hoe langer zoo meer op een troep Bacchanten te gelijken, die zich om den God Dionysus hadden geschaard.Ten laatste pakt de moedwillige, dronken Alcibiades eene jeugdige hetaere, Bacchis geheeten, die hij op zijn tocht ontmoette, aan, en dwingt haar[288]zich bij den stoet aan te sluiten. Hij noemt haar zijne Ariadne6en zich zelven haar Dionysus.Voor de woning van Theodota gekomen, brengt hij ook haar eene luidruchtige serenade en treedt met zijn gevolg haar huis binnen.Theodota had reeds sinds geruimen tijd den jongen Alcibiades niet meer bij zich gezien. Steeds heftiger was haar minnesmart geworden. Nu zag zij den geliefden jongeling weder; maar hoe onaangenaam, hoe pijnlijk was voor haar hart zijn binnentreden! Dronken kwam hij aan het hoofd van een dollen troep. Dat zou zij vergeven hebben, maar hij voerde eene jonge, bloeiende hetaere met zich mede, die hij zijne vriendin onmiddellijk als zijne Ariadne voorstelde en wier bekoorlijkheid hij in overdreven taal begon te roemen.Nu werd in de vertrekken van Theodota een drinkgelag aangelegd, dewijl zij er zich niet openlijk tegen durfde verzetten, hoewel haar hart schier van stille smart bezweek. Alcibiades wilde, dat zij vroolijk en uitgelaten zou zijn. Hij begon in zijne dronkenschap van streken te verhalen, die hij dezen avond reeds uitgevoerd had; hij beroemde zich een eerbaar, jong meisje midden in het feestgewoel van het Lenaeüm gekust te hebben, en prees de zeden en gebruiken, die ten minste op het Dionysus-feest de Atheensche vrouwen in haar handelingen vrij maakten. Hij sprak van Hipparete, de bekoorlijke dochter van Hipponicus, van haar heimelijken minnegloed voor hem, van haar blos, zoodra zij hem zag. Daarbij maakte hij zich vroolijk over haar onnoozel, ingetogen en jonkvrouwelijk voorkomen. Hij vertelde ook van Cora, het van Arcadië naar[289]Athene overgebracht herderskind, het belachelijkste en schuwste schepsel, ’t welk er te vinden was en dat toch om elken prijs de zijne moest worden. Liever wilde hij van de schitterende Simaetha, van die heerlijke, nieuwe parel van schoonheid, dan van het Arcadische, hoofdige kind afstand doen.Na deze uitweidingen begon de jongeling, door den wijn bedwelmd, hevig tegen Theodota uit te varen, om hare stilzwijgendheid en haar treurig voorkomen.„Theodota,” riep hij, „gij zijt leelijk geworden! Al dat huilen en pruilen misvormt uw gezicht. Ontvangt men zoo een oud vriend, zooals ik? Waarover beklaagt gij u? Over mijn moedwil? Zijt gij het zelve niet geweest, die mij deze moedwil hebt geleerd? Herinnert gij u niet meer die vroolijke dagen en nachten, waarin ik onderricht van u ontving in alle soorten van dien schoonen moedwil? En thans? Wat moet dat verdrietig en gramstorig gezicht beteekenen? Waarom moet ik nu anders zijn, dan in den tijd, toen wij elkander het best bevielen en de vroolijkste uren samen doorleefden? Wees verstandig, Theodota! Denk aan die verliefde dwazen, wier sombere, teedere dweeperij u eens lastig viel en verveelde, zoo dat gij hen meedoogenloos lachend wegjoegt! En nu wilt gij zelve eene dweepster worden? Kan men zoo onverstandig zijne beste grondstellingen, zijne beminnelijkste eigenschappen verloochenen? Wees weder vroolijk en uitgelaten, Theodota! Geef ons een uwer prachtige dansen ten beste! Dans, ik wil het en wij allen willen het! Laat u nogmaals eens in uw vollen glans bewonderen!”Zoo sprak Alcibiades. Doch Theodota kon hare tranen niet weerhouden. Zij antwoordde met hartstochtelijke verwijten, noemde hem overmoedig, trouweloos, misdadig, meedoogenloos.„Waarvan beschuldigt gij mij,” hernam Alcibiades, „terwijl gij zelve oudergewordenzijt en de vroolijkheid der jeugd voor u verloren is gegaan? Beschuldig liever den tijd, die ons allen verandert.[290]Ook ik moet het voor lief nemen, als ik eenmaal van een jongen Satyr een oude, kaalhoofdige Sileen ben geworden. Doch ook als een kaalhoofdige Sileen zal ik nog altijd vroolijk zijn. Gij echter zijt op mij verstoord en vaart tegen mij uit en tegen het noodlot, omdat gij niet meer een bekoorlijk, bloeiend meisje zijt, gelijk Hipparete of Simaetha of deze Bacchis hier. Welnu, wilt gij volstrekt weder eene schoone jonkvrouw worden, reis dan naar Argos. Daar bevindt zich, zoo men zegt, een heiligdom met eene bron, waarin gij u slechts hebt te baden, om weder als jonkvrouw daaruit te voorschijn te komen. Ook Hera pleegt, zooals de dichters verhalen, van tijd tot tijd dit bad te bezoeken, om zich bij den vader der Goden weder aangenaam te maken. Wanneer zelfs de oude vader der Goden zulks nog weet op prijs te stellen, zou ik het dan niet doen, ik, de levenslustige jongeling, de Ithyphaller-vorst?”Op deze wijze sprak Alcibiades in overmoedige scherts, terwijl Theodota slechts in nog heviger bewoordingen en met een vloed van tranen antwoordde; ja zelfs in de overmaat harer woede vergreep zij zich aan de jonge Bacchis, zoodat zij eene Maenade geleek.„Zie eens naar mijn wakkeren vriend Callias,” zei Alcibiades, „die heeft tot stelregel geen vrouw meer dan ééns te naderen. En ik—ben ik niet telkens weder tot uw drempel teruggekeerd? Ha, bij den zaligen Eros, ben ik niet dikwijls genoeg des avonds gekomen met een of meer vrienden, met de gouden appelen van Dionysus op de borst, het haar omwonden met den populierkrans van Heracles, getooid met purperkleurige banden? Maar dat zal nu niet meer gebeuren. Ik denk nooit weder terug te keeren, noch alleen noch met anderen! Gaan wij, mijne vrienden! Ik verveel mij hier! Vaarwel, Theodota!”Verschrikt door deze bedreiging hield Theodota den vertoornden jongeling terug en beloofde, hare tranen drogend, aan zijne wensch te zullen voldoen.[291]„Welaan!” riep Alcibiades, „dans dan, zooals ik u straks reeds verzocht. Doe uw geprezen kunst nog eenmaal eer aan!”—„Wat zal ik dansen?” vroeg Theodota.„Gij geleekt zooeven,” hernam Alcibiades, „door den prikkel der hartstocht gedreven, veel op Io7die door eene door Hera gezonden paardenvlieg vervolgd, vertwijfelend over alle landen der wereld voortgejaagd werd. Toon ons, als gij wilt, door de kunst veredeld, wat ge ons vroeger liet zien in de ruwe, onbevallige werkelijkheid!”Zwijgend maakte Theodota zich gereed de Io te dansen.Zij danste onder de muziek der fluiten de geschiedenis van Inachus’ dochter, hoe zij door Zeus bemind, toen door Hera vervolgd en gebonden en op haar bevel door den honderdoogigen Argus bewaakt werd, hoe zij door den gewelddadigen dood van haar wachter op last van de onverzoenlijke Hera door de vinnig stekende paardenvlieg vervolgd en over alle landen werd voortgedreven.In den beginne had Theodota met moeilijke zelfoverwinning aan het geuite verlangen voldaan. Langzamerhand echter scheen zij, al meer en meer opgewekt, hare ziel geheel en al uit te storten in ’t geen zij voorstelde. Haar mimische dans kreeg een volkomenheid en eene uitdrukking, waardoor alle toeschouwers werden medegesleept.Toen zij echter tot de jammerlijke omdoling van Io overging en de ontzetting uitdrukte voor Hera’s toorn en voor het door de Goden gezonden, stekende dier, terwijl hare gebaren het karakter van eene wilde, hartstochtelijke onstuimigheid aannamen, toen in den angst der vluchtende het leed en het verloren liefdegeluk zich schenen te mengen, toen kregen de trekken en het geheele uiterlijk van Theodota allengs een schier huiveringwekkend voorkomen. Zij speelde met ontzettende[292]natuurlijkheid de razende, de vervolgde, de wanhopige.Maar zij speelde ze weldra niet meer. Hare oogen puilden uit en rolden verschrikkelijk in hunne kassen, haar boezem golfde, de geopende lippen bedekten zich met een licht schuim.Zoo wild en onstuimig werden hare bewegingen, dat Alcibiades en zijne vrienden verschrikt op haar toeijlden, om haar vast te houden en aan de onbeteugelde dolheid paal en perk te stellen.Thans begon Io-Theodota rustig te worden. Zij zag in den kring rond met matte oogen, glimlachte onnoozel en sprak de omstanders met zonderlinge namen aan. Alcibiades zelven hield zij voor Zeus, den als Sileen verkleeden Callias voor haar vader Inachus, doch in den jongen Demus meende zij den honderdoogigenArguste zien, en plotseling het oog strak op Bacchis vestigend stoof zij wederom op in dollen hartstocht; verwenschingen uitend tegen de haatdragende Hera, wilde zij zich op het meisje storten.—Theodota was krankzinnig geworden.—Zij zonk nu uitgeput ineen en stiet verwarde klachten uit in onsamenhangende, onzinnige taal.Alcibiades en zijne makkers werden door eene lichte huivering aangegrepen. Maar zij waren dronken van den wijn. Zij lieten de vrouw aan hare slavinnen over en zwierden uit Theodota’s woning de straat op, waar de luidruchtige, bedwelmende Bacchantische feestvreugde hen in haar maalstroom voortsleurde.Den volgenden dag had een nieuwe omgang met het beeld van Dionysus plaats. En ditmaal was het ’t overoude, uit Eleutherae naar Athene gebrachte beeld van den God, dat uit het Lenaeüm naar een kleinen tempel buiten de stad, in de nabijheid van de Academie, gedragen werd, waar het in vroeger tijden was opgericht geweest. Eenmaal ’s jaars, bij de groote Dionysiën, werd het beeld voor korten tijd in een feestelijken optocht naar de oude plaats gebracht.[293]Dit geschiedde juist nu weder.Talrijk en bovenmate prachtig, als ooit te voren, zeer verschillend van de eenvoudige wijze der voorvaderen, was ditmaal het feestelijk geleide van het beeld des Gods. In alle straten, waardoor het gedragen werd en op alle dakterrassen, vanwaar men er op neder kon zien, wemelde het van toeschouwers, die zelven in hun tooi van vioolkransen een feestelijk gezicht opleverden.Vooraan in den stoet liepen scharen Satyrs en Silenen in roode kleederen, hunne lichamen met klimopranken omwonden.Vervolgens werd een bekranst altaar rondgedragen, omgeven van knapen in purperen gewaad, die wierook, mirre en saffraan op gouden schalen droegen.Dan volgden allerhande vertooningen. Vooreerst een grijsaard achter een masker met twee gezichten, die den Tijd voorstelde, daarna de jeugdige, bloeiende Horen, die de vruchten droegen overeenkomstig haar jaargetijde; voorts eene prachtig uitgedoschte vrouw, versierd met de symbolen van het Dionysisch feest, eindelijk een schoon jongeling, die den vroolijken Dithyrambus8, voorstelde.Verder kwam een schaar van dertig citherspelers die gouden kransen op het hoofd droegen en op gouden lieren speelden.Nu echter volgde een prachtwagen op vier raderen, waarop het beeld van Dionysus gevoerd werd. De God was gekleed in een saffraankleurig gewaad, waarover een met goud geborduurde mantel geworpen was. Hij hield in de rechterhand een gouden beker omhoog, met fonkelenden wijn gevuld. Naast hem stond een reusachtig, gouden mengvat. Boven hem was een zonnescherm gespannen, waarvan weelderige klimop- en wingerdranken nederhingen. De wagen zelf was geheel met kransen omwonden en rondom versierd met tragische en comische[294]maskers, genen ernstig en waardig, dezen met grappige, grijnzende gezichten op het volk nederziende.Het onmiddellijke gevolg van den God vormden mannelijke en vrouwelijke Bacchanten met loshangende haren, de hoofden met wijngaardrank, klimop of struikwinde9bekranst.Op dezen wagen volgde een andere, waarop zich een vergulde wijnpers bevond. De wijnpers was geheel met kunstmatige druiven gevuld en dertig Satyrs stonden in den wagen en persten schijnbaar de druiven onder het aanheffen van een lustig wijnlied, door fluitspel begeleid, terwijl den geheelen weg over geurig vocht in een zak van pantervel droop. Om den zak echter zweefden Satyrs en Silenen, die drinkend en tierend den wijnstroom in bekers opvingen.Daarop kwam nog een derde wagen. Op dezen was eene grot voorgesteld, gehouwen uit heldere schitterende steen, met klimop omslingerd, waarin fonteinen van alle Helleensche wijnen sprongen. Bekranste nimfen zaten lachend bij deze fonteinen, duivenomfladderdende grot, vlogen uit en in en trekkebekten in de groenende twijgen van het klimop. Satyrs en Silenen zochten de duiven te vangen, die aan den boezem der nimfen zich trachten te redden.Vervolgens kwamen er reien van zingende knapen, gevolgd door den optocht der voorname Atheners op prachtige rossen gezeten, verder jongelingen, die gouden en zilveren vaatwerk droegen, aan den dienst van Dionysus gewijd.Luidruchtige scharen sloten zich daarbij aan, en andere vermomde personen, die in uitgelaten brooddronkenheid de pracht van den feeststoet potsierlijk nabootsten.Op de Agora werd halt gehouden bij het altaar[295]der twaalf Olympische Goden en hier zongen reien van mannen en knapen den Dithyrambus, waarbij het koor tegelijk zich in rhytmischen danspas om het altaar bewoog.Deze tonen waren nauwelijks verdoofd en de Dionysische stoet verder getrokken, toen een tooneel van de vreemdste en wonderlijkste soort de aandacht tot zich trok.In dien tijd namelijk waren rondtrekkende bedelpriesters van Cybele, die men Metragyrten placht te noemen, voorts Sabazius-dienaars, apostels van Sabazius10, een God, oorspronkelijk met Dionysus overeenkomende, maar wiens vereering allengs mystiek was geworden, alsmede dwepers, die meenden de mystische wijsheid van Orpheus wederom te kunnen invoeren, te Athene opgetreden en begonnen hunne leer te verkondigen.De Sabazius-priesters, vereerden en predikten een Heiland der wereld, door wien de menschheid van alle kwalen verlost en de sterveling het hoogste heil deelachtig zou worden: die Heiland was Sabazius. Zij en de Metragyrten trokken rond in de straten met het beeld van den God of ook met dat van de moeder der Goden, onder de klanken van het cymbaal en den Aziatischen tamboerijn voerden zij dansen uit, waarbij zij zich als razende Corybanten gedroegen. Geeseling zelfs en zelfverminking pleegden en bevolen zij aan, gelijk de priesters van Cybele op den Tmolus. Het geheele land zwierven zij bedelend door, een ezel droeg hunne heiligdommen, allerlei geheime middelen verkochten zij en voor geld boden zij zich aan, om den toorn der Goden te bezweren, ja zelfs gestorvenen van bedreven misdrijven te reinigen en uit de kwellingen van den Tartarus te verlossen. Zij waren de verkoopers van en onderhandelaars in de hulp der Goden voor de stervelingen.De geest van den Helleen was niet geheel en al afkeerig[296]van zulke dweperij, en hier en daar begon zij in de gemoederen van enkelen wortel te schieten.Niemand zag met grootere verbittering zulke pogingen aan, om een somberen en mystieken eeredienst uit het Oosten naar het levenslustige Hellas over te planten,danAspasia, en met alle middelen, die haar ten dienste stonden, streed zij daartegen. De dartele, jonge Alcibiades, wien sombere dweepzucht niet minder onbegrijpelijk en een gruwel was, stond haar als moedig kampioen tegen die mannen der duisternis en kwakzalvers ter zijde.Gedurende het Dionysus-feest achtten ook de rondtrekkende Metragyrten en Sabazius-dienaars de gunstige gelegenheid gekomen, om aanhangers te werven voor hun God en Heiland Sabazius en voor zijn fanatieken en gruwzamen dienst. Zij trokken rond, met populierloof en venkel omkranst, en hielden slangen in de hand, die zij over hun hoofd zwaaiden, en dansten, door eene groote menigte volks omstuwd, onder het Corybantisch rumoer en cymbalen en tympanen, hun razenden dans, de zoogenaamde Sicinnis11. Daarbij geeselden enverwonddenzij zich tot bloedens toe.Een Metragyrt had eene groote menigte volks om zich heen verzameld en predikte met heftige gebaren en luid geschreeuw den verlossenden God Sabazius. Hij sprak van geheime wijding, en van de hoogste en den God welgevalligste handeling van den ganschen Sabazius-dienst, de zelfverminking.Terwijl de menigte aandachtig luisterde en voor een deel de gemoederen bewogen waren door de taal van den Metragyrt, kwam eensklaps de schaar der tierende, dronken Ithyphallers daarlangs. Zij hoorden den vreemden dweper van den Sabazius-dienst en de zelfverminking spreken.„Hoe?” riep de uitgelaten aanvoerder der Ithyphallers, „van zelfverminking waagt ons iemand te spreken, te midden van de weelde der Bacchische[297]feestvreugde? Neen! Zulke taal mag op Helleenschen bodem niet gehoord worden, zoolang er nog Ithyphallers zijn!”Nauwelijks had hij dit gezegd, of de schaar der dronken overmoedige jongelingen viel op denMetragyrtaan, sleurde hem voort en, gedachtig aan de wraak reeds lang aan zijns gelijken gezworen, slingerde men hem in den naburigen afgrond, het Barathron.—Onder de Bacchanten, die den feeststoet volgden, bevonden zich ook de leerlingen van Aspasia.Hoe zouden zij, die tot vrijheid werden opgevoed, de vrijheid niet volop genieten in de dagen, waarop zelfs voor hen, die anders niet vrij waren, alle boeien werden verbroken en alle slagboomen vielen?Ook het Arcadische herderskind, hoewel het zich er met tegenzin in schikte, had men als eene Bacchante gemaskerd en zij werd mede voortgetrokken door de onbeteugelde reien.De jonge Alcibiades scheen er groot belang in te stellen, dat aan de Bacchanten, die uit Aspasia’s huis kwamen, ook Cora niet ontbrak.Cora stond wel is waar in schoonheid verre achter bij hare speelgenooten. Doch zij was preutsch en haar zonderlinge ernst prikkelde den moedwil van den jongeling en voerde hem ten laatste tot vermetelheid.Ter wille van Cora volgde hij met zijne makkers, door Satyrmaskers onkenbaar, Aspasia’s meisjes. Het waagstuk, dat hij voornemens was te volvoeren, was niets anders, dan de preutsche Arcadische van hare speelgenooten af te lokken, of, wanneer hem dit niet gelukte, haar met geweld uit haar midden voort te slepen en naar zijn huis te ontvoeren.Schertsend mengden zich de Satyrs onder de Bacchanten; Alcibiades drong zich in de nabijheid van Cora, doch vond haar weerbarstiger dan ooit.Plotseling vielen, op eene eenzame plaats, die voor de onderneming gunstig was, op een wenk van Alcibiades, zijne makkers en hij zelf het meisje[298]aan, om het onder de bescherming der reeds aanbrekende schemering met geweld weg te voeren.Doch in het hart der Arcadische ontwaakte dezelfde moed, waarmede zij vóór tijden reeds eenmaal een Satyr, die haar aanviel, op de vlucht had gedreven. En evenals zij toen een brandend stuk hout uit het vuur in het woud had gegrepen, om den vermetele daarmede te verjagen, zoo greep zij thans eene harer vriendinnen de fakkel uit de hand en stiet ze den vermomden aanrander Alcibiades in ’t gezicht, zoodat zijn satyrmasker in brand geraakte en hij in verwarring terugweek. Dit oogenblik maakte Cora zich ten nutte, om met de snelheid eener vluchtende hinde weg te ijlen en weldra was zij spoorloos uit de oogen harer vervolgers verdwenen.Rusteloos vloog zij met kloppend hart door de straten totdat zij het huis van Aspasia bereikt had.Even als Cora heden onder de Bacchanten, was de jonge Manes, de pleegzoon van Pericles, onder de Satyrs opgenomen.Ook hem had men het masker opgedrongen, ook hij was Xanthippus en Paralus tegen zijn zin in het dolle spel gevolgd. Onaangenaam, ja beangstigend scheen hem het gewoel, dat hem omgaf. De feestvreugde nam een losbandig teugelloos karakter aan. De dolle Meno gedroeg zich op de Agora even schaamteloos als zijn hond. Ten laatste werd Manes geheel weerloos het mikpunt der spotters. Onbeholpen en schuchter in al zijn doen, kon hij de plagerijen en de scherts waarmede hij van alle kanten bestormd werd, niet beantwoorden.„Past op!” schreeuwden eenigen in den kring. „Die naargeestige Satyr daar is niet te vertrouwen! Reeds menigmaal zijn bij het Dionysus-feest afgunstige schimmen uit de onderwereld onder de levenden geslopen; mogelijk is hij Thanatos zelf of de pest!—Scheurt hem het masker af! Wie weet welk eengrijnzendenkop wij dan zullen zien!”Het brein van den jongeling werd beneveld, zijn hoofd bonsde, met zijne krachtige armen baande hij[299]zich een weg door het gewoel en ijlde naar huis terug.Daar aangekomen sloop hij ongemerkt naar het dakterras, dat op dit oogenblik geheel verlaten was. Daar ging hij op eene kleine steenen bank zitten, nam het Satyr-masker van zijn gelaat, lei het naast zich neder en verzonk in diepe gepeinzen.Eene diepe zwaarmoedigheid was over zijne trekken verbreid. Hij scheen eene heimelijke smart in zijne ziel te dragen. Toen hij zich aan het luidruchtig gewoel van het Dionysus-feest onttrok, lag de reden daarvan wellicht niet alleen in zijn afkeer van dergelijke uitgelatenheid, maar vooral in eene beklemdheid, die ten gevolge van een diepen en machtigen indruk, zich van zijne ziel meester maakte.Reeds lang had Manes op deze wijze, peinzend en treurig met de oogen naar den grond geslagen, daar gezeten, met het masker nevens zich. Eensklaps stond Aspasia voor hem.Verschrikt keek hij op. Zwijgend staarde de vrouw des huizes hem eenigen tijd in het droefgeestig en sombere gezicht. Toen sprak zij hem aldus minzaam aan:„Hoe komt het, Manes, dat gij de genoegens van uwen leeftijd zoolang versmaadt? Voelt gij niets in uw bloed van ’t geen anderen drijft, om van den schoonen, vluchtigen, nooit terugkeerenden tijd der jeugd te genieten?”Manes keek getroffen naar den grond en antwoordde niets.„Hebt gij soms een verdriet of iets wat u hindert?” vervolgde Aspasia. „Zijt gij ontevreden in dit huis en zoudt gij liever onder andere menschen willen leven?Zijt gij misschien heimelijk op Pericles verstoord, omdat hij u van Samos medegenomen heeft, en u als zijn eigen zoon in zijn huis heeft doen opvoeden?”Bij deze woorden van Aspasia stond de jongeling onwillekeurig van zijn zitplaats op en met levendige, afwijzende gebaren verwierp hij een dergelijke[300]veronderstelling, terwijl een traan in zijn oog opwelde.Aspasia liet echter niet af naar de reden zijner droefgeestigheid te onderzoeken.Manes antwoordde nu eens met eene lichte zucht, die aan zijn borst ontglipte, dan weder met een blos. Zijne hand beefde een weinig. Hij waagde zelden op te zien; als hij het echter deed, hadden zijne oogen eene diep gevoelige, schier roerende uitdrukking.De jongeling was zoo houterig en stroef in zijn geheele wezen, en toch had hij thans iets teeders, men zou haast zeggen, iets meisjesachtigs over zich.Ieder oogenblik werd Aspasia meer versterkt in haar vermoeden, dat een geheim leed aan het hart van den jongeling knaagde.Liefde kon het niet zijn; want wie zou die stille gloed kunnen gelden! Dan toch alleen eene der jeugdige huisgenooten? Maar deze had Manes immers altijd schuw en verlegen ontweken? Had men niet alle moeiten aangewend, om den jongen man in den vroolijken kring te trekken en waren deze pogingen niet altijd mislukt?—Eene gedachte vloog Aspasia door het hoofd. Eene gedachte, die in ’t eerste oogenblik haar schier kluchtig voorkwam, en haar bijna deed lachen.—Maar als de jongeling zijn zielroerend oog tot haar opsloeg, werd die gedachte minder belachelijk en Aspasia gevoelde zich, ’t geen anders niet in haar karakter lag, door eene opwelling van innig medelijden aangegrepen.Zij werd niet moede de onmannelijke zwaarmoedigheid van den stillen jongeling in zachte bewoordingen af te keuren en hem tot de vroolijkheid, die aan zijne jeugd voegde, op te wekken.Terwijl Aspasia zich alzoo met Manes bezig hield, zat Cora eenzaam en verlaten in het peristylium van het huis. Zij had, teruggekeerd uit de woeste bedwelming der feestvreugde, zich daar[301]neergezet, haar Bacchanten-masker afgedaan en naast zich nedergelegd. Zoo zat zij daar in diepe gepeinzen verzonken, toen Pericles, toevallig juist naar huis teruggekeerd, het peristylium doorging.Hij was getroffen door ’t gezicht van het meisje, dat daar zoo eenzaam en peinzend zat, met het Bacchanten-masker nevens zich.Hij trad op Cora toe en vroeg haar waarom zij zoo spoedig was teruggekomen en zich van hare speelgenooten had afgescheiden, met wie zij was uitgegaan.Cora zweeg. Zij had een krans op haar schoot, denzelfden, dien zij als Bacchante gedragen had. Hare hand speelde schier onbewust met de bloemen van dien krans, en de grond om haar heen was bedekt met de afgeplukte bladeren der bloemen.Het meisje leverde een zonderling gezicht op, zooals zij op dat oogenblik daar zat. Hare houding, het spel met den krans, de ernst van het bleeke gelaat, vormde met het gewaad en de zinnebeelden der Bacchante, die zij aan of om zich had, een zoo scherp contrast, dat het bijna den lachlust opwekte.Pericles zag haar in het gelaat en sprak haar aan:„Ik herinner mij niet ooit eene Bacchante met zoo’n droevig gelaat gezien te hebben. Mij dunkt, Cora, gij zoudt den Thyrsus veel liever weder met den herderstaf verwisselen!—Is ’t niet zoo?—Gij voelt u niet gelukkig in dit huis? Gij hebt een heimwee naar uwe vaderlandsche bergwouden, naar uwe lammeren en schildpadden.”Cora sloeg hare oogen even naar Pericles op, die oogen, gelijk die eener hinde, en zag hem aan met eene uitdrukking, die nog treuriger was dan te voren, doch tevens met een trouwhartigen, schier kinderlijken blik, waarin eene toestemming, uit het diepst harer ziel voorkomende, scheen te liggen.„Wilt gij, dat wij u naar huis laten gaan?” vroeg Pericles op een hartelijken, vertrouwen inboezemenden toon. „Spreek vrijuit, mijn kind, en ik[302]zal alles doen, om u zoodra mogelijk naar uw geboorteland en naar uw waarachtig geluk terug te voeren. Wilt gij dit huis verlaten, Cora? Spreek!”Eene zonderlinge uitwerking maakten deze woorden op het Arcadische meisje. In ’t eerste oogenblik blonk er een glans van vreugde over haar gelaat. Plotseling echter keek zij, als door eene nieuwe gedachte getroffen, weder ernstig naar den grond; zij werd bleek, haar boezem begon te hijgen, een traan parelde aan hare wimpers.„Zeg vrijuit,” hernam Pericles, „wat gij wenscht en wat uwe opgeruimdheid in dit huis verhindert. Er is zeker iets, dat gij mist!”—Pericles sprak deze woorden op een beslisten toon en zag, op een antwoord wachtend, het meisje strak in het aangezicht.„Verlangt gij uit dit huis weg te gaan?” herhaalde hij.Cora schudde treurig het hoofd, zonder een woord te spreken.„Uwe droefgeestigheid schijnt dus zonder reden te zijn,” vervolgde Pericles, „eene zwaarmoedigheid, die zich als eene soort van ziekte van uw gemoed meester maakt. Bestrijd haar, mijn kind! Geef u niet aan hare macht over, maar verzet u er tegen! Zie, ook mij zou de daemon der ontevredenheid somwijlen willen overweldigen, maar ik worstel met hem. Het leven moet vroolijk zijn en genot voor ons: want ware dat niet het geval, dan moesten wij immers de dooden benijden. Willen toch niet alle menschen opgeruimd en gelukkig zijn en zich blijde met elkander in hun bestaan verheugen?„Waarom zoekt gij de eenzaamheid? Wilt gij ook niet vroolijk en gelukkig zijn?”Wederom sloeg Cora trouwhartig de oogen tot Pericles op en zeide op aarzelenden toon:„Ik ben gelukkig, als ik alleen ben!”„Zonderling kind!” riep Pericles.Hij zag Cora zwijgend en peinzend aan. Zij was niet mooi. Hare maagdelijke schoonheid was zonder alle betoovering der zinnen.[303]En toch lag in die maagdelijkheid, in die kinderlijkheid, in die zonderlinge gevoeligheid iets, wat eene eigenaardige sympathie in edele karakters kon wekken.Pericles had het ideaal van alle vrouwelijke bekoorlijkheden en voortreffelijkheid in Aspasia verwezenlijkt gevonden. Thans trad plotseling voor hem de vrouwelijkheid op in eene nieuwe, onbekende gedaante. Wat hij hier in Cora voor zijne oogen zag, was verschillend van alles, wat hij tot heden gezien, wat hij bewonderd, wat hij bemind had.Niet betooverend, niet verleidelijk scheen hem deze nieuwe soort van vrouwelijkheid, maar eene aandoening greep hem aan, even nieuw en vreemd, als hetgeen die in hem te voorschijn had geroepen. Hij legde zijne hand op het hoofd van het meisje en beval haar krank gemoed aan de machtige hoede der goden.Daarop sprak hij: „Willen we samen Aspasia opzoeken? En toen hij van een slaaf hoorde, dat Aspasia zich op het dakplat begeven had, nam hij het meisje vriendelijk bij de hand om ze naar hare meesteres te voeren.Zonderlinge samenloop! Op ’t zelfde oogenblik, dat Pericles in ’t peristylium van het huis zijne hand met ernstige aandoening op het hoofd van ’t bedroefde herderskind legde, op ’t zelfde oogenblik rustte de hand van Aspasia, die haar gesprek met Manes op het dakterrasgeëindigdhad, op het hoofd van den droefgeestigen Noordschen jongeling.En ’t was alsof hare hand, met schier moederlijke teederheid zijne bruine lokken aanraakte, alsof haar oog met warmte op de trekken van den jeugdigen zonderling rustte! Toch zetelde opgeruimde blijmoedigheid op haar open, fier voorhoofd en met een kalmen glimlach begroette zij Pericles, toen hij met het meisje aan de hand tot haar trad.„Ik breng u de zwaarmoedige Cora,” zei Pericles tot Aspasia; „ik geloof dat zij niet minder dan[304]Manes behoefte heeft aan vriendelijke toespraak!”Terwijl Pericles naderde had hij den blik van warme toegenegenheid opgemerkt, waarmede het oog van Aspasia op den jongeling rustte.Zij volgde zijn nauw merkbaren wenk en hij voerde haar naar een afgelegen plek van het dakterras, waar eene rustplaats onder bloeiende ranken was aangebracht.Hier vertelde Aspasia haar gesprek met Manes aan Pericles, deze haar het zijne met het Arcadische meisje.Ten laatste zeide Pericles kalm en ernstig:„Gij hebt gloeiende blikken, ja zelfs liefdevolle gebaren gebezigd, om het sombere gemoed van den jongeling op te beuren!”„En dat brengt u op de gedachte dat ik liefde voor hem zou gevoelen?” vroeg Aspasia. „Neen,” vervolgde zij, toen Pericles zweeg, „ik bemin hem niet, want hij is schier leelijk. Zijne plompe wangbeenderen beleedigen mijn oog. Maar eene vluchtige aandoening overweldigde mij, ik weet zelve niet hoe haar te noemen. Wellicht was het medelijden.”„Weet gij zoo precies, wat liefde niet is en wat wel?” vroeg Pericles.„Wat liefde is?” riep Aspasia glimlachend. „Begint gij thans ook mij met die dwaze vraag te kwellen?—Liefde is eene zaak, die men niet kan afweren, als zij komt, en niet kan tegenhouden als zij gaat.”„En weet gij er anders niets van te zeggen?” vroeg Pericles.„Niets, dan wat ik reeds zoo dikwijls gezegd heb,” hernam Aspasia: „liefde is een gevoel, dat in tyrannie kan ontaarden, wanneer zij het geliefde voorwerp tot een werktuig wil maken, zonder zelfstandigen zin. Die onwaardige begeerte moest zij weten te onderdrukken. Zij moest een in vrijheid gesloten, in vrijheid gehandhaafd vreugdeverbond des harten zijn!”„Zoo dikwijls gij mij dit herhaaldet,” sprak Pericles, „altijd is het mij onwederlegbaar voorgekomen.[305]Mijn kalme, nadenkende geest is daarvan nog evenzeer overtuigd, als toen wij zelven zulk een vreugdeverbond des harten in vrijheid sloten. Liefde moet die zelfzuchtige begeerte opgeven om het beminde voorwerp te bezitten; maar de vraag bestaat nog altijd bij mij: kan de liefde dit doen? Is zij in staat die begeerte te verwinnen?”„Zij kan het,” hernam Aspasia: „want zij moet het kunnen!”„Niet tegen te houden is de liefde, als zij gaat, zeidet gij straks,” vervolgde Pericles, na eenige oogenblikken te hebben nagedacht. „Wat zal er van ons worden, Aspasia, als haar schoon vuur ook in onze borst verdooft?”„Dan zullen wij zeggen,” hernam Aspasia: „wij hebben met elkander de hoogste aardsche zaligheid genoten! Wij hebben niet te vergeefs geleefd! Wij hebben op het toppunt van ons bestaan, in de hoogste kracht des levens en der liefde, den vreugdekelk geledigd.”„Geledigd—geledigd”—herhaalde Pericles, schier onhoorbaar in zich zelven sprekend. „Gij doet mij daar een woord hooren, dat mij doet huiveren”——„’t Is het lot der bekers geledigd te worden,” zei Aspasia, „en het lot der bloemen te verwelken en het lot van al wat leeft schijnbaar te verdwijnen, inderdaad echter in eene eeuwigdurende wisseling zich te vernieuwen. De plicht van den sterveling echter is ’t, die verandering en wisseling om hem en in hem met de blijmoedige kalmte der echte wijsheid te aanschouwen. Dwaas zou het zijn zich aan de hielen van het voortijlende vast te klemmen. De tijd komt, dat men getroost den beker, waarin eens de zaligmakende drank heeft geschuimd, in den afgrond zal werpen. Alles streeft naar het toppunt, om dan weder neder te dalen langs de ladder der levens tot vernietiging. Alles volgt den loop der natuur”—Nadat Pericles en Aspasia dit gesprek hadden gehouden, maakten zij zich gereed zich in huis te[306]begeven; en op de plaats gekomen, waar zij Manes en Cora achter gelaten hadden, zagen zij hen beiden in een druk onderhoud gewikkeld.Het platte dak was door Aspasia in eene soort van tuinterras herschapen. Daar bevonden zich priëelen ter beschutting tegen de zon en hooge, bloeiende heesters, in bakken, met aarde gevuld.Zulk een heester verborg Pericles en Aspasia, toen zij naderden, voor de blikken van den jongeling en van het meisje, die bovendien te zeer in hun gesprek verdiept waren, dan dat zij hunne nadering zouden bemerkt hebben.Pericles en Aspasia stonden onwillekeurig een oogenblik stil, hoogst verwonderd over dit gezicht. Zij hadden nooit te voren bemerkt, dat Manes en Cora zich zoo vertrouwelijk onderhielden, dat de een het gezelschap van den ander gezocht had.’t Was op zich zelf een zonderling tooneel, dat het oog wel tot zich mocht trekken, een treurige Satyr en eene zwaarmoedige Bacchante in een gesprek met elkander.Cora vertelde den jongeling van haar Arcadisch geboorteland, van de schoone bergwouden, van de schildpadden, van den God Pan, van de Stymphalische vogels, van de jacht op wilde dieren.Manes luisterde met gespannen aandacht. „Gij zijt wel zeer gelukkig, Cora,” zei hij daarop, „dat gij dit alles zoo helder voor uw geest hebt en het u telkens kunt herinneren. Ik herinner mij, als ik waak, volstrekt niets van mijn vaderland en van mijne prille jeugd. Alleen in droomen en mijmeringen word ik somwijlen verplaatst in sterk ruischende wouden of ik zie ruwe mannen in harige vachten gekleed, op snelle paarden gezeten en daarheen rennend over de vlakte. Ik ben dan den geheelen dag door treurig, als ik zulke droomen gehad heb en ik ben ziek van eene soort heimwee, ofschoon ik geen vaderland heb en ik niet weet, waarheen ik mijne schreden het eerst zou richten, als ik het wilde opzoeken. Alleen dit weet ik, dat ik noordelijk en steeds noordelijk moet gaan, en dikwijls[307]droom ik ook, dat ik naar het Noorden trek, altijd meer naar het Noorden in eene onafzienbare ruimte. Gij zijt zeker dubbel bedroefd, Cora, dat gij niet naar uw vaderland kunt terugkeeren, omdat gij het kent en het altijd gemakkelijk weder zoudt weten te vinden. Zeg het mij, Cora, als gij terug wilt keeren naar uw geboortegrond; ik zal er u heen voeren en ik blijf er ook; want ik ben immers jong en sterk. Waarom zou ik niet met de Arcadische mannen samen leven en met hen jagen op de wilde dieren?”„Neen, Manes,” zeide het meisje, „naar Arcadië moet gij niet gaan, omdat u immers het heimwee naar het Noorden heentrekt. Neen ik zou volstrekt niet willen, dat gij naar Arcadië toogt, omdat u daar ongetwijfeld altijd een onweerstaanbaar verlangen naar uw vaderland zal bekruipen. Gij moet koers zetten naar den Hellespont en dan steeds meer naar het Noorden, zoo zult gij zeker uw vaderland vinden en wellicht zelfs een koninkrijk.”—„Ik zou wel gaarne naar het Noorden willen trekken,” zei Manes, „maar ’t zou mij bedroeven, als ik er aan dacht, dat gij hier zijt en te vergeefs naar uw Arcadië verlangdet.”Cora keek peinzend naar den grond en zeide na eene kleine pauze:„Ik weet niet hoe het komt, Manes, dat ik even gaarne naar het Noorden zou willen trekken, als naar Arcadië, zoo wij slechts samen gingen. En ’t is mij, als zou overal, waarheen we ons begaven, Arcadië zijn.”—Bij deze woorden van het meisje bloosde Manes en zijne hand beefde weder, als altijd, wanneer hij door een groote innerlijke aandoening bewogen werd; hij kon eerst geen woord zeggen; na eene korte pauze begon hij weder:„Maar gij wilt zeker veel liever naar Arcadië gaan, Cora, naar de uwen! Ik wil u gaarne vergezellen en herder worden, en ’t is mij, alsof ik overal, waarheen ik u voer, mijn vaderlandterugvind, ja zelfs een koninkrijk.”—[308]Hier stokte zijne stem en hij bloosde weder. Van de straten steeg het geraas en getier van den voorbijtrekkenden Bacchanten-stoet naar boven. Fakkels schitterden, het genot en gejubel waren ontketend tot volle vrijheid—hier boven echter stonden de jongeling en het meisje met kranke harten, bleek en sprakeloos en schuchter tegenover elkander, en geen van beide waagde het de hand van den andere te vatten en zelfs de oogen sloegen zij voor elkander verlegen neer—de Satyr en de Bacchante!—„Zij beminnen elkander!” zei Pericles tot Aspasia. „Zij beminnen elkander, die twee: maar met eene zonderlinge soort van liefde, naar ’t schijnt. Het is alsof zij elkander geheel en alleen met de ziel beminnen.—Zij spreken niet dan van offers, die zij elkander zouden willen brengen.”„Inderdaad,” hernam Aspasia, „met eene soort van liefde beminnen die beiden elkander, zooals alleen Manes en Cora die konden gevoelen. Zij hebben door de liefde alle vroolijkheid verloren, zij zijn bleek en ziek, zij zijn treurig, en hoewel zij weten, dat zij elkaar beminnen, hebben zij toch geen genot van hunne wederkeerige liefde: want zij durven elkaar niet eens de hand te geven, laat staan een kus.”„Het is eene schuchtere liefde,” zei Pericles, „eene kuische, eene smartelijke, eene onbaatzuchtige, eene zelfverloochenende, eene opofferende liefde. Wellicht vergoedt deze soort van liefde door bestendigheid en schoone harmonie, wat haar ontbreekt aan zalig en bedwelmend goddelijk genot. Wellicht geldt van haar minder, wat gij vroeger van de liefde hebt beweerd, dat zij aan den blinden loop der natuur onderworpen is.”„Eene krankheid is deze treurige liefde!” riep Aspasia geprikkeld. „Wee den dag, waarop zij is uitgevonden! Niet uit de zee, door het morgenrood beschenen, maar uit de Arcadische wateren der Styx verrees deze nieuwe, met witte rozen bekranste, bleeke Aphrodite! Deze soort van smartelijke, hartstochtelijke[309]liefde is voor de menschen even erg, als oorlog en pest en hongersnood. Te Eleusis heb ik deze soort van liefde onder het gevolg van den valen Thanatos gezien, en deze gedachte was de eenige, die mij beviel, ginds in de Eleusinische, gewijde groeven!”Thans kwamen Pericles en Aspasia uit hun schuilhoek te voorschijn en Aspasia voerde het Arcadische meisje met zich naar huis.Op den avond van dienzelfden dag werd in de woning van Pericles een klein feest gehouden, zooals in den tijd der Dionysiën alle Atheensche burgers gewoon waren in hunne huizen aan te leggen. Eenige gasten waren er, onder wie Callimachus met Philandra en Pasicompsa.Men was ditmaal niet in de gewone eetzaal des huizes, maar in het koeler en ruimer peristylium bijeen gekomen, waar de lucht van den zoelen lentenacht van boven verkwikkend binnenwoei.Pericles had zich naar gewoonte vroeg teruggetrokken.Plotseling kwam de jonge Alcibiades met eenige zijner vrienden. Hij stormde in uitgelaten feestvreugde de deur van het huis binnen en nam, met zijne makkers doordringend, onmiddellijk plaats onder de reeds vergaderde gasten.Bij zijne komst vluchtte Cora angstig naar het binnenste deel van ’t huis.Toen Alcibiades dit bemerkte, wilde hij zich bij de bekoorlijke Simaetha schadeloos stellen. Deze echter wees hem fier van zich. Zij verachtte hem, sedert hij zich zoo diep had verlaagd, om het Arcadische herdersmeisje in zijne dolle opgewondenheid met geweld te vervolgen. Ook de overige meisjes behandelden hem om dezelfde reden uit de hoogte. Langen tijd deed hij zijn best om haar toorn te doen bedaren, maar te vergeefs.„Hoe?” riep hij ten laatste, „Cora loopt voor mij weg, preutsch als eene hinde, door de jagers vervolgd—Simaetha keert mij den rug toe—de geheele school van Aspasia ziet ernstig en[310]fronst de wenkbrauwen, als de oude Anaxagoras—welaan! als gij allen mij afwijst, zal ik mijne toevlucht nemen tot de lieve Hipparete, het eerzame, zedige, bekoorlijke, bloeiende dochtertje van Hipponicus!”„Doe dat gerust!” zei Simaetha.„Dat zal ik!” riep Alcibiades.„Gij zult mij niet te vergeefs afgewezen hebben, Simaetha! Alcibiades laat niet met zich spotten! Ik ga morgen zoo vroeg mogelijk naar Hipponicus en vraag hem zijn dochtertje. Ik trouw, word deugdzaam, doe afstand van alle dolle genoegens en verdrijf mij den tijd met Sicilië te veroveren en de Atheners naar mijne pijpen te doen dansen!”„Hipponicus zal u zijne dochter niet geven!” riep de jonge Callias; „hij houdt u voor een veel te grooten deugniet!”Lachend herhaalden de overige gasten: „Hipponicus zal u zijne dochter niet geven, gij zijt een veel te groote deugniet!”„Hipponicus zal mij zijne dochter geven,” riep Alcibiades met nadruk, „al had ik hem van te voren ook eene oorveeg gegeven. Wilt gij eene weddenschap met mij aangaan? Ik neem aan, Hipponicus een klap om de ooren te geven en hem dan zijne dochter te vragen. En hij zal ze mij geven.”„Gij zijt een pocher!” riepen zijne vrienden.„Laten wij wedden!” hernam Alcibiades: „duizend drachmen, als gij wilt!”„Top!” riepen Callias en Demus.Alcibiades bood zijn vrienden de hand en zij sloegen toe. De weddenschap van duizend drachmen was aangegaan.„Waarom zou ik mij niet bekeeren en deugdzaam worden,” zei Alcibiades, „daar rondom mij zoovele treurige teekenen en wonderen geschieden? Niet genoeg, dat Cora mij ontvlucht, Simaetha zich van mij afkeert, Theodota waanzinnig is geworden, moest ik ook nog beleven, dat ik mijn oudsten en besten vriend verloor? Hij heeft zijne[311]trouw jegens mij verbroken en eene vrouw genomen.”„Van wien spreekt gij?” vroegen eenigen.„Van wien anders, dan van Socrates?” hernam Alcibiades.„Hoe? Is Socrates getrouwd?” vroeg Aspasia.„Zoo is het!” hernam Alcibiades, „in alle stilte heeft hij onlangs eene vrouw genomen. Geef hem maar op—gij ziet hem nooit weer!”„Hoe is dat gebeurd?” vroeg Aspasia verder, „ik heb er nog niets van gehoord.”„’t Zal ongeveer twee weken geleden zijn,” zei Alcibiades, „dat ik in eene der stillere straten daarboven aan den Ilissus met een vriend, dien ik toevallig ontmoette, stond te praten. Plotseling gaat de met bloemen versierde deur van een huis open en eene stoet van fluitspelers en zangers, met fakkels in de handen en bekranst, treedt naar buiten. Hen volgt eene gesluierde bruid, tusschen den bruidegom en den nymphagoog12. Deze drie bestijgen een met muildieren bespannen wagen, die voor het huis staat, en nemen er plaats in. Onderwijl komt de moeder der bruid, met de fakkel, die zij aan den haard van het huis der bruid heeft aangestoken; bij haar sluit het overige, in ’t wit gekleede gezelschap zich aan, met bloemen bekranst en fakkels dragende; de wagen zet zich in beweging en voorwaarts gaat het de straat af tot aan het huis van den bruidegom, onder de toonen der fluiten, het aanheffen van liederen, onder vroolijk jubelen en dansen. Die bruidegom nu was niemand anders dan Socrates, de vriend van Aspasia, de nymphagoog was de vrouwenhater Euripides.”„En de bruid?” vroegen velen.„Het eenvoudig kind van een eenvoudig man,” hernam Alcibiades, „dat echter onmiddellijk de teugels van het huishouden als met ijzeren hand heeft aangegrepen, en de kunst verstaat, met het weinige huis te houden, dat Socrates nog van zijn vaderlijk[312]erfdeel bezit. Socrates getrouwd! De arme waarheidzoeker! De waarheid heeft hij gezocht—eene vrouw heeft hij gevonden! Ik herhaal het, er geschieden teekenen en wonderen! De oude wereld wil, naar ’t schijnt, zich uit het oude spoor losrukken. Socrates getrouwd—de vroolijke Theodota waanzinnig; voegt men hier nog bij, dat op Aegina en Eleusis, naar men zegt, eenige gevallen van pest zijn voorgekomen, die reeds lang op het Aegyptische strand spookt, en dat men heden op de Agora een verdacht Satyr-masker meent gezien te hebben, waarachter zich Thanatos of de Pest of een ander afzichtelijk wezen verbergt—neemt men dit alles samen, dan zult ge mij moeten toegeven, dat het in de stad der Atheners vervelend dreigt te worden. En wanneer ik daarbij nog de dochter van Hipponicus huw, dan krijgt de Helleensche hemel eene sombere tint. Maar heden willen wij nog vroolijk zijn—bij Eros met de bliksemschicht! Niet langer getreurd en gepruild, meisjes! Laat ons een lustigen, dollen strijd beginnen tegen de droevige machten, die ons bedreigen! Laat ons met een verachtelijken glimlach alle teekenen en wonderen beschouwen! En wanneer dartele lust en genot ook uit geheel Hellas verdwenen waren, dan moeten zij nog in dezen kring te vinden zijn. Heb ik geen gelijk, Aspasia?”„Gij hebt gelijk!” antwoordde Aspasia; „in den strijd tegen al het sombere zijn wij bondgenooten.”Zoo sprak zij en liet nieuwe bekers brengen en in het mengvat schuimde weder het kostelijk nat; geledigd en nog eens geledigd werden de fonkelende bokalen. Vroolijke scherts, gelach en dartel gezang schalden door het peristylium en Alcibiades tintelde van den geest van Dionysus.Zoo was het middernacht geworden. Plotseling gaat in den achtergrond eene deur open, die naar het peristylium voert. Uit de deur komt langzaam als een spook, met gesloten oogen, Manes te voorschijn—Manes, de slaapwandelaar!—Hij had geen deel genomen aan het feest, maar zijne stille legerstede[313]opgezocht. Thans echter had de geheimzinnige ziekte den slapende uit zijne rust opgedreven.Bij het gezicht van hem, die met gesloten oogen het peristylium doorwandelde, verstomde de luidruchtige vroolijkheid en allen staarden, door eene lichte huivering aangegrepen, sprakeloos naar den spookachtigen wandelaar.Nadat hij het peristylium had doorgeloopen, ging hij naar de trap, die tot het platte dak des huizes voerde. Met vasten tred beklom hij de trap en verdween weldra uit de oogen der gasten. Het meerendeel der feestgenooten besloot, nadat de eerste schrik voorbij was, hem te volgen.„Zoo straft Dionysus degenen,” riep Alcibiades, „die zich tegen zijn blijden, vreugdevollen dienst verzetten. Wij willen den verachter van den God bekeeren! Komt! Wij willen hem wekken en hem dan met geweld deel doen nemen aan ons feest!”—Daarop stonden de meeste gasten op en sloegen den weg in naar het dakterras.Toen zij daar gekomen waren, deed zich een gezicht aan hunne blikken voor, dat opnieuw angst en huivering in hunne borst wekte.Manes wandelde op een eenigszins hoog, hellend uitstek van het dak, langs den uitersten kant, op eene plaats, waar alleen een maanzieke met gesloten oogen gaan kon, ieder wakende echter onvermijdelijk duizelend in de diepte zou neerstorten.Inmiddels waren ook de overige huisgenooten op het bericht, dat Manes in slaap wandelde, toegesneld.Ook Pericles verscheen.Hij huiverde, toen hij den jongeling zag en zeide: „Als hij op dit oogenblik ontwaakt, stort hij reddeloos in de diepte. Hem echter te naderen en te redden van die plaats is onmogelijk!”Juist toen Pericles deze woorden sprak, naderde ook Cora.Ontsteld, doodsbleek, de groote, ronde oogen wijd geopend, het gelaat door de loshangende lokken[314]omgolfd, staarde Cora naar den slaapwandelaar. Bij ’t hooren der woorden van Pericles voer haar eene huivering door de leden; vervolgens echter ijlde zij als op vleugelen naar de plaats, waar Manes wandelde, boog zich over het hooge afdak, deed met vasten voet, zonder te duizelen, eenige schreden naar beneden op de gevaarlijke, hellende baan, greep de hand van den jongeling en trok hem van den uitersten rand terug, tot waar zij den veiligen bodem onder zich voelde.Eerst toen Manes gered was, maakte eene duizeling zich van haar meester en bezwijmd zonk zij ineen.Thans was het Manes, die ontwakend en de oogen opslaande, angstig het meisje omvatte en het voortdroeg in zijne armen, tot zij weder tot bewustzijn kwam en half verschrokken, half verlegen met een blos op de kaken henen vlood.De feestgenooten hadden dit tooneel met verbaasde oogen gadegeslagen. Thans schaarden zij zich om Manes en voerden hem onder vroolijke, opwekkende woorden naar beneden naar het peristylium.Alleen Pericles bleef een oogenblik met Aspasia achter.„Hoe betreur ik het,” zei Pericles tot Aspasia, „dat Socrates geen getuige geweest is van dit tooneel!”„Waarom betreurt gij dat?” vroeg Aspasia.„Hij zou nu toch wel eindelijk,” hernam Pericles, „gevonden hebben, wat ware liefde is.”—Aspasia zweeg een oogenblik en zag Pericles strak in het gelaat. Toen zeide zij: „en gij?”Pericles antwoordde:„Mij brengt dit paar eenigszins tot schaamte en in verlegenheid. ’t Is alsof het zeggen wil: Treedt gij beiden af van het tooneel en ruimt uwe plaats aan ons in!”Nog eens staarde Aspasia Pericles in het ernstig en peinzend gelaat. Toen sprak zij:„Gij zijt geen Griek meer!”Weinig in getal waren de woorden, die hier[315]gewisseld werden, maar zij waren veelbeteekenend. Zij vielen zwaar in de schaal van het noodlot.Door die woorden ontstond er als ’t ware eene heimelijke scheuring tusschen twee edele zielen, eens zoo schoon en innig verbonden.Een lang voorbereide stroom van nieuwe, sombere machten, van twijfel en inwendigen tweestrijd, was in de ziel van Pericles getogen.Met dit kort gesprek stortte langzaam en zonder gerucht het grootsche, schoone en heerlijke gebouw ineen.—Met de woorden: „Gij zijt geen Griek meer!” had Aspasia, na een laatsten, half toornigen, half medelijdenden blik, haar gelaat van Pericles afgewend.Beiden gingen zwijgend naar beneden: Pericles naar zijn vertrek, Aspasia terug naar hare gasten.Inmiddels hadden de feestgenooten te vergeefs hun best gedaan, om den jongen Manes te doen deelnemen aan hun festijn en hem tot den dienst van den vreugdegod te bekeeren. Hij had zich losgescheurd en was teruggekeerd tot de binnenste vertrekken van het huis.Thans begon men een tijdlang over Cora te spreken; men bewonderde haar moed of liever de merkwaardige kracht eener aandoening, eener gemoedstemming, van eene hartstocht, onder wier invloed zij gehandeld had en waardoor zij als blindelings en onbewust medegesleept was; hetgeen voor allen bijna den stempel van een onoplosbaar raadsel had.En thans begon ook Alcibiades zijn leedwezen te betuigen, dat Socrates dit tooneel niet had bijgewoond.„Wat een heerlijk maal,” zei hij, „zou dit voor het oog van den peinzer en waarheidzoeker geweest zijn; hij, die zich reeds over de meest alledaagsche dingen in ernstige beschouwingen verdiept, zou ook thans niet rusten zonder de beteekenis van dit merkwaardige feit tot in de fijnste bijzonderheden nagespeurd te hebben. Is hij zelf niet eene soort van slaapwandelaar, iemand die door de[316]maanziekte der wijsbegeerte is aangetast, die de oogen sluit om beter te kunnen denken en daarbij verdoold raakt op duizelingwekkende hoogte? Het eenige onderscheid is, dat hem geen Cora ter hulp snelt, om hem met zachte hand van de afgronden der gedachte weg te trekken. Nu, ik zal tot hem gaan en hem de geheele geschiedenis vertellen, ofschoon ’t niet zonder gevaar is, Socrates in zijn eigen huis te bezoeken. Want zijne jonge vrouw Xanthippe is bang, dat ik haar man zal verleiden, en ziet mij bovendien met geen gunstig oog aan. Toen ik de pas gehuwden met eenige vrienden bezocht, brachten wij haar reeds in groote verlegenheid, en het vrouwtje begon er over te schreien en te klagen, dat zij zulke voorname lieden, als wij waren, niet in staat was behoorlijk te onthalen. „Laat dat zijn zooals het wil,” zei Socrates, „als ’t goede menschen zijn, die ons bezoeken, dan zullen zij tevreden zijn; als het slechte menschen zijn, dan hebben wij ons niets om hen te bekommeren!”—Dit zijn echter redeneeringen, waarmede hij Xanthippe nog meer in ’t harnas jaagt. Ik bemerkte aanstonds, dat zij in huis de baas was. Nu maakte ik mij er een genoegen van, zoo vrij mogelijk met haar man te spreken en hem met vriendschapsbetuigingen te overladen. Sinds dien tijd is zij boos op mij en toen ik onlangs haar man een lekkeren koek zond, ging zij in haar toorn zoover, dat zij hem uit de mand op den grond wierp en met de voeten trapte. En Socrates? Die durfde alleen zeggen: „Wat hebt gij daar nu aan? Als gij den lekkeren koek niet had vertrapt, dan zoudt gij hem hebben kunnen opeten!”—Het schijnt, dat de meeste mannen te Athene hunne vrouwen niet meer weten te regeeren!—Bij mijn daemon,” vervolgde Alcibiades, nadat hij zijn beker geledigd had, „ik zeg het nog eens, de wereld raakt uit het oude spoor! Delos door eene aardbeving geteisterd, Theodota waanzinnig, de wijzen door hunne vrouwen geregeerd, ik zelf op het punt om de dochter van Hipponicus te trouwen, Sabazius-dienaars[317]in de straten, maanzieken op de daken, de Peloponnesus onder de wapenen, te Lemnos en op het naburige Aegina de pest—”„Vergeet de zonsverduistering niet,” viel hem Demus in de rede; „tevens moet nog vermeld worden, dat er, naar men zegt, een spook rondwaart in het huis van Hipponicus.”—„Is dat waar?” vroegen allen aan Callias, den zoon van Hipponicus.„Ja, het is inderdaad zoo!” hernam deze, en vertelde, dat werkelijk een spook zich in zijns vaders huis vertoonde; dat Hipponicus peinzend en bleek en mager was geworden, dat hem de lekkerste spijzen niet meer smaakten en dat hij ’s nachts door de nachtmerrie gekweld werd—„Daar hebt gij het al!” riep Alcibiades—„dus ook nog zonsverduisteringen, en spoken in de huizen van oude, lustige lekkerbekken. De drommel moge de wereld halen, als zij zoo somber begint te worden. Nog eens, mijne vrienden: op ten strijde, tegen de treurigheid der tijden, die zich dreigend aanmeldt!”„Is het wel noodig daartoe opgewekt te worden?” riep de jonge Callias. „Bij Heracles! hebben wij dan niet gedurende dezen geheelen feesttijd ons best gedaan, als nooit te voren? Hebben wij den Metragyrt niet in het Barathron geworpen? Hebben wij ons niet prachtig gedragen, zooals men van de lustige Ithyphallers kon verwachten? En hadden wij niet de geheele Atheensche jeugd achter ons? Waren de Dionysiën te Athene ooit darteler en uitgelatener dan die thans zijn gevierd? Hebt gij het volk ooit zoo opgewekt en dol gezien? Heeft de wijn ooit in rijker stroomen gevloden? Is er ooit een grooter aantal jonge meisjes in het gedrang verleid geworden? Wemelde het ooit meer te Athene van bereidvaardige en gedienstige priesteressen van het genot? En waren zij ooit meer gezocht? Wat spreekt gij van sombere tijden, Alcibiades? Het is een vroolijke tijd, zeg ik. De wereld gaat vooruit in dartelheid en vreugde; niet achteruit, zooals[318]gij meent. En welke donkere, dreigende wolken zich ook ooit aan den hemel mogen vertoonen, hij zal weder helder worden! En zoo behoort het ook! Lang leve het genot!”„Lang leve het genot!” galmde het van alle kanten en de bekers klonken, tegen elkaar.„Callias, beste jongen, laat ik u omarmen!” riep Alcibiades en kuste zijn vriend. „Zoo hoor ik u en u allen gaarne spreken! Lang leve het genot! En opdat het eeuwig leve en groeie en bloeie onder het volk der Atheners, moeten de Ithyphallers eendrachtig samenwerken met de school, die Aspasia heeft gesticht. Op de Ithyphallers en op de school van Aspasia is de vaste burg gegrondvest van vroolijkheid, van alle bekoorlijke dartelheid en van allen levenslustig en moedwil! Daarom niet gepruild, Simaetha! Niet zoo preutsch, Prasina! Geen leelijk gezicht tegen Alcibiades getrokken, Drosis! Kom, lach eens weder, Simaetha! Gij zijt nooit zoo bekoorlijk geweest als thans. Bij Zeus! Voor één gullen, hartelijken lach van uw mond wil ik duizend drachmen, waarom ik gewed heb, verliezen en het dochtertje van Hipponicus nog een poos laten wachten!”Nu wendden zich allen tot Simaetha, om haar te overreden zich met Alcibiades te verzoenen.Aspasia zelve mengde zich in de zaak. „Mok niet langer tegen Alcibiades!” sprak zij. „Wanneer hij beweert, dat de school van Aspasia op een goeden voet moet staan met het gezelschap der Ithyphallers, dan kan hij gelijk hebben; doch alleen in zooverre, dat de uitgelatenheid der Ithyphallers betoomd en bedwongen moet worden door lieve vrouwenhanden. Wij moeten onzen bijstand den Ithyphallers niet onthouden, maar hun den teugel der rechte en schoone maat aandoen, opdat het heerlijke rijk der vreugde niet in ruwheid en woestheid onderga.”„Wij onderwerpen ons aan u!” riep Alcibiades.„Wij willen Simaetha tot koningin met onbeperkte macht verkiezen in het rijk der vreugde.”—[319]„Dat willen wij!” klonk het in ’t rond. „Waarom zouden de Ithyphallers zich niet beteugelen laten door zulke lieve handjes?”In uitgelaten vroolijkheid werd de glimlachende, van bekoorlijkheid stralende Simaetha tot koningin van het feest uitgeroepen en tot onbeperkt heerschende vorstin van het rijk der vreugde.Men richtte voor haar een heerlijken, met bloemen rijk getooiden troon op, men hulde haar in purpergewaad, een gouden diadeem werd op de lokken gedrukt, haar lichaam met kransen van rozen en viooltjes omslingerd.Zij praalde in de volle betoovering van jeugd en schoonheid—eene echte koningin. Zelfs Aspasia’s oog rustte met bewondering op haar.„Aspasia beheerscht het tegenwoordige,” riep Alcibiades, „u, Simaetha, behoort de toekomst!”—De bekers werden gevuld met den bedwelmenden drank en ter eere van de schitterende koningin der vreugde geledigd.„Door deze koningin beheerscht,” riepen de jongelingen, „zal het rijk der vreugde zich uitbreiden over den geheelen aardbol!”—„Callias en Demus, neemt uwe duizend drachmen!” riep Alcibiades. „Ik geef de weddenschap verloren. Ik ga morgen nog niet naar Hipponicus. De vorst der Ityphallers sluit een nieuw verbond met de koningin der schoonheid en der vreugde! Den Gode zij dank! Zij lacht weder en hare tandjes blinken daarbij, als eene marmeren zuilenrij van het Parthenon!”Daarop naderde de bekranste, door wijn en vurige liefde bedwelmde, vermetele jongeling het koninklijk uitgedoste, prachtige meisje, sloeg onder het gejubel zijner vrienden den arm om haar heen en wilde het gesloten verbond met een kus bezegelen.Op dit oogenblik bemerkten allen, die hunne blikken op Simaetha gevestigd hielden, eensklaps, dat een geweldige kleur zich over haar gezicht verspreidde.[320]Zij strekte de hand uit en weerde Alcibiades af, klagende over een plotselinge, geweldige hoofdpijn.Tegelijk schenen hare lippen, droog van inwendige hitte, naar lafenis te snakken.Men reikte haar een met wijn gevulden beker; zij wees dien echter terug en verlangde naar frisch koel water.—Zij sloeg beker op beker van het ijskoude vocht naar binnen, maar ’t was of slechts droppels op gloeiend ijzer vielen.Nu bemerkte men ook dat hare oogen met bloed beloopen waren.De tong van ’t meisje werd zwaar—schor, heesch klonk hare stem—zij begon over brandende zwelling der keel, van den mond, der tong te klagen.Tegelijk overviel haar eene vreeselijke benauwdheid—krampachtige bewegingen vertoonden zich in de gewrichten der handen, het geheele lichaam beefde, het kille zweet droop van hare leden.Men wilde haar naar haar vertrek, naar haar bed brengen: maar, als door een woesten angst gedreven, wenschte zij zich in eene bron, in een diep, koel water te storten,—zij wilde wegijlen, aan eene razende gelijk—slechts met geweld kon zij teruggehouden worden.Men had Pericles geroepen.Hij kwam. Hij zag den toestand van het meisje en verbleekte.„Verwijdert u!” sprak hij tot de feestgenooten.Hunne hoofden waren nog half beneveld van de Bacchische bedwelming.„Waarom ontstelt ge zoo over den toestand van ’t meisje?” riepen zij. „Kent ge haar ziekte, zeg het dan!”„Verwijdert u!” herhaalde Pericles.„Wat is het, wat is het?” riep Alcibiades.„De pest!” zeide Pericles op gesmoorden en zachten toon.Hoe zacht het woord ook gesproken was, het viel als een donderslag in de vergadering.[321]Allen verstomden, verbleekten, stoven uit elkander.De meisjes begonnen te jammeren—Aspasia zelve werd doodsbleek, en verzorgde bevend en sidderend de door den dood aangetaste lieveling.Het meisje werd weggevoerd. De feestgenooten begonnen zich verslagen in stilte te verwijderen.Alleen Alcibiades herwon spoedig zijne bedaardheid, hij, de dronkenste van allen.„Zoo zullen wij ons overwonnen geven aan de duistere machten?” riep hij en greep naar den beker. „Zou onze strijd te vergeefs zijn geweest?—Wat stuift gij uit elkander, mijne vrienden? Lafaards, die gij zijt! Als gij allen versaagt en u schandelijk overwonnen geeft, ik geef mij niet over! Ik trotseer ook de pest en alle verschrikkingen van den Hades!”Op dezen toon sprak hij voort, tot hij ten laatste bemerkte, dat hij geheel alleen stond in het verlaten peristylium, te midden van verstrooide kransen en half geledigde of omgeworpen bekers.Hij keek om zich heen met glazige oogen. „Hei daar, waar zijt gij, lustige Ithyphallers?”„Alleen!” ging hij voort—„geheel alleen!—zij hebben mij allen verlaten—allen!—Het rijk der vreugde is verlaten en eenzaam—de sombere machten zegevieren”— —„Het zij zoo!” riep hij ten laatste, den beker van zich werpende. „Vaarwel, schoone lust der jeugd! Ik ga naar Hipponicus!”

Met dubbelen luister, met dubbele levendigheid werden, na het herademen uit den treurigen oorlogsnood, de winterfeesten gevierd. Ten volle echter is de vroolijke lust ontketend, sedert de lucht zachter begon te waaien en de tijd van het grootste der Bacchus-feesten, de tijd van de groote, in de stad gevierde, Dionysiën aanbrak. In de wouden vertoont zich de wouw, vroolijk snateren aan het strand de halcyonen en aan de kroonlijsten tjilpen de zwaluwen. Op de hoogten van denHymettus, den Pentelicon, den Lycabettus ontluikt in iederen struik de lente. Viooltjes en anemonen, primulae veris en crocussen openen hunne knoppen en de op de weiden vergeten staf des herders is des morgens met bloemen getooid.

De zeelieden in de haven winden de ankers, maken het takelwerk los, richten de masten op en zetten de zeilen naar de wind. Nieuw leven ontwaakt op de baren van den Saronische golf. De afgezanten der verbonden steden en eilanden komen en brengen hunnen cijns juist ten tijde van het feest naar Athene. In alle herbergen, in alle huizen der Atheensche burgers wemelt het van gasten, die van heinde en verre zijn gekomen. Met kransen getooid, in feestgewaad gedost, dolen thans van den vroegen morgen af zwermen van stedelingen en vreemden door de straten. Niet alleen zijn alle in het openbaar staande altaren en Hermesbeelden met kransen omhangen, maar ook geweldige mengvaten zijn er nevens geplaatst, met de gaven van Bacchus gevuld, door de rijken ten offer gebracht en het volk tot vrij gebruik aangeboden. Wederom biedt Hipponicus aan inboorlingen en vreemden in den Ceramicus een gastvrij onthaal, door iedereen, die komen wil, tot zich te noodigen[284]en hen in de open lucht op met klimop bekranste kussens te ontvangen.

Vergeten is de krijgsnood, de twist der partijen houdt een wapenstilstand, de aanslagen van Diopithes rusten voor een oogenblik in hun anders rusteloozen gang. Alleen genot en vrede heerschen. Wel is waar overal klinkt luider de scherts en het vroolijk gelach—en dubbel scherp is thans de geestigheid, dubbel roerig de tong des Atheners;—maar wee hem, die in dezen tijd geweld pleegt aan een Atheensch burger! Niet eens de verzachtende omstandigheid van dronkenschap beschermt hem: zijn hoofd en leven is verbeurd.

Hoe komt het, dat men nu op eens zoovele bekoorlijke vrouwen in Athene’s straten ziet? Wie zijn die vroolijk lachende, rijk uitgedoste, verleidelijke schoonen? Het zijn hiërodulen uit den tempel van Aphrodite te Corinthe en andere priesteressen van het genot, die het getal der inheemsche hetaeren vermeerderend, uit de verschillende steden van Griekenland zijn samengekomen tot het vroolijkste en uitgelatenste feest der Atheners.

He! wat een mengelmoes van vreemd, ronddolend volk heeft de vroolijke, dartele Dionysische feesttijd herwaarts gelokt! Ziet die behendige goochelaars en wondermannen met hunne door de zon donker gekleurde gezichten! Ziet, hoe zij voor aller oogen zwaarden inslikken of een vuurregen uit den mond spuwen! Ziet daar die Thessalische meisjes, die haar zwaardendans uitvoeren te midden van een haar verbaasd aangapenden troep! Er ontbreekt geen enkele vertooning, zelfs de rondtrekkende, overoude poppenkast niet, noch de bont versierde, op kameelen dansende aapjes.

Ook neringdoend volk is van heinde en verre gekomen en slaat zijne winkels op, midden in het gewoel der Agora, in den Piraeüs en langs den Ilissus.

Troepen landlieden mengen zich onder de stedelingen en deelen met hen de feestvreugde, verzamelen zich om hunne lievelingen, de Thebaansche fluitspelers,[285]die anders blazend de landelijke streken plegen te doortrekken, of brengen het lievelingsspel van hun landelijk Dionysus-feest in de stad over: het springen op geöliede zakken, waarbij ieder zich met de bloote voeten op den gladden bal tracht staande te houden, onder uitbundig gelach der toeschouwers, ondanks al zijn gespartel, steeds naar beneden glijdt.

Uitgelatener heerscht de vreugde in de straten, zoodra de duisternis is ingevallen. Dan zwerven talrijke scharen rond: zij hebben bellen en dragen fakkels en zijn met bloemen bekranst; daaronder zijn vrouwen, die mannenkleeren aan hebben, en mannen in vrouwengewaad—met de handen wordt geklapt onder het geraas der bellen, waarmede als met cymbalen de maat geslagen wordt bij het gezang.

Velen loopen gemaskerd. Sommigen hebben enkel hunne gezichten met wijnmoer bestreken of met menie of zich een masker gemaakt van boombladeren of boomschors. Anderen echter dragen fraai geschilderde maskers, deels van een deftig, deels van een belachelijk voorkomen: hier zwerft de gehoornde Actaeön rond, daar de honderdoogige Argus, ginds de gedeeltelijk in een paard veranderde Euïppe; Giganten, Titanen, Centauren stampen op den grond; Methe1bedwelmt, Pitho2vleit, Apate3lokt, Hybris4is dolzinnig en zelfs schrikgestalten mengen zich somwijlen onder de reien.

Het talrijkste echter, ja overheerschend, zwerven in de straten de Satyrs met bokspooten en de Silenen met kale hoofden, die oude maar nog altijd vroolijke Satyrs. Zij hebben de hoofden bekranst met het altijd groene klimop. Ook Bacchanten dolen rond; zij dragen als Thyrsus dikwijls alleen een wingerdtak met klimop omwoeld.

Uitgelaten dartelheid, ja dronkenschap wordt als[286]een plicht jegens den God in deze dagen en nachten beschouwd.

En de God, hij rechtvaardigt in dien tijd zijn bijnaam van den „Bevrijder”. Zelfs de gevangenen worden voor de dagen van het feest uit hunne kerkers ontslagen: op de graven der dooden wordt wijn geplengd. Men wil de schimmen bevredigen, die immers niet zonder afgunst de vreugde der levenden ontberen. Ja, zelfs de bijgeloovigen willen weten, dat de zielen der afgestorvenen zich soms in dezen tijd in de reien der feestvierenden mengen en dat onder menig Satyrmasker een ontvleeschde doodskop verborgen is.

De eerwaardige Telesippe kauwt in die dagen ijverig de bladeren van den hagedoorn en laat haar deur met teer bestrijken; want alleen op die wijze is het onheil af te wenden, dat ten tijde der groote Dionysiën den levenden van den kant der afgunstige schimmen bedreigt.

Schier huiveringwekkend is het inderdaad te zien, hoe des nachts nu hier dan daar in de donkere straten het schijnsel der fakkels zich vertoont en een phantastische optocht voorbij trekt onder luidruchtig rumoer.

Thans beweegt zich een geweldige stoet door de straten die van het Lenaeüm5naar den schouwburg voeren. Men draagt het beeld van Dionysus uit zijn tempel in het Lenaeüm naar den schouwburg en stelt het daar te midden der feestelijke vergadering. Het beeld van den God, dat er gedragen wordt, is een pas voltooid werk, een gewrocht van de hand des vurigen Alcamenes. Evenals Phidias op den burg naast het oude, houten beeld van Athene zijn nieuw, schitterend pronkstuk heeft geplaatst, zou wordt ook thans in het Lenaeüm, naast het oude, eerwaardige, eenvoudige Dionysus-beeld, het nieuwe, heerlijke werk van Alcamenes opgericht. En dit juist draagt men thans naar den Dionysus-schouwburg.[287]Scharen Bacchanten omringen het. Wat is dat voor een dolle troep, die een zinnebeeld dat vruchtbaarheid voorstelt, voor den God uitdraagt en liederen aanheft ter eere van Priapus? Het is Alcibiades met zijn Ityphallergezelschap.

Op de kruiswegen en op de pleinen hield de stoet stil, om drankoffers te plengen of offerdieren te slachten.

De platte daken der huizen zijn vol toeschouwers, van welke velen fakkels en lampen in de handen houden. Ook de vrouwen ontbreken hierbij niet. Weldra voegt de moedwil en scherts van de menschen op de dakterrassen zich bij de brooddronkenheid van de dolle menigte op de straten.

De jonge Alcibiades schijnt ten toppunt van dolzinnige uitgelatenheid te zijn; hij overtreft zichzelven in overmoedige streken aan het hoofd van zijn gezelschap.

„Bedenkt,” roept hij zijn Ithyphallers toe, „dat wij, die anders ook reeds razen en tieren, op hetDionysus-feestverplicht zijn, dubbel te razen en te tieren, als wij niet in dolzinnigheid en overmoed geëvenaard en overtroffen willen worden door de nuchterste oude paaien van de stad der Atheners!”

Onder zulke aansporingen stormde Alcibiades met zijne makkers, alle Atheners kennende en door allen bekend, door de drommen des volks heen.

Toen de nacht was ingevallen, liet hij fakkels voor zich uit dragen en voerde de zijnen onder luid getier, voorafgegaan door muziek, naar de huizen van mooie meisjes en knapen, om hun serenades te brengen. Die muzikanten zelven waren meest fluit- en citherspeelsters, als Maenaden verkleed, en daar ook zij, die met eene serenade waren vereerd, zich bij den stoet aansloten, begon deze hoe langer zoo meer op een troep Bacchanten te gelijken, die zich om den God Dionysus hadden geschaard.

Ten laatste pakt de moedwillige, dronken Alcibiades eene jeugdige hetaere, Bacchis geheeten, die hij op zijn tocht ontmoette, aan, en dwingt haar[288]zich bij den stoet aan te sluiten. Hij noemt haar zijne Ariadne6en zich zelven haar Dionysus.

Voor de woning van Theodota gekomen, brengt hij ook haar eene luidruchtige serenade en treedt met zijn gevolg haar huis binnen.

Theodota had reeds sinds geruimen tijd den jongen Alcibiades niet meer bij zich gezien. Steeds heftiger was haar minnesmart geworden. Nu zag zij den geliefden jongeling weder; maar hoe onaangenaam, hoe pijnlijk was voor haar hart zijn binnentreden! Dronken kwam hij aan het hoofd van een dollen troep. Dat zou zij vergeven hebben, maar hij voerde eene jonge, bloeiende hetaere met zich mede, die hij zijne vriendin onmiddellijk als zijne Ariadne voorstelde en wier bekoorlijkheid hij in overdreven taal begon te roemen.

Nu werd in de vertrekken van Theodota een drinkgelag aangelegd, dewijl zij er zich niet openlijk tegen durfde verzetten, hoewel haar hart schier van stille smart bezweek. Alcibiades wilde, dat zij vroolijk en uitgelaten zou zijn. Hij begon in zijne dronkenschap van streken te verhalen, die hij dezen avond reeds uitgevoerd had; hij beroemde zich een eerbaar, jong meisje midden in het feestgewoel van het Lenaeüm gekust te hebben, en prees de zeden en gebruiken, die ten minste op het Dionysus-feest de Atheensche vrouwen in haar handelingen vrij maakten. Hij sprak van Hipparete, de bekoorlijke dochter van Hipponicus, van haar heimelijken minnegloed voor hem, van haar blos, zoodra zij hem zag. Daarbij maakte hij zich vroolijk over haar onnoozel, ingetogen en jonkvrouwelijk voorkomen. Hij vertelde ook van Cora, het van Arcadië naar[289]Athene overgebracht herderskind, het belachelijkste en schuwste schepsel, ’t welk er te vinden was en dat toch om elken prijs de zijne moest worden. Liever wilde hij van de schitterende Simaetha, van die heerlijke, nieuwe parel van schoonheid, dan van het Arcadische, hoofdige kind afstand doen.

Na deze uitweidingen begon de jongeling, door den wijn bedwelmd, hevig tegen Theodota uit te varen, om hare stilzwijgendheid en haar treurig voorkomen.

„Theodota,” riep hij, „gij zijt leelijk geworden! Al dat huilen en pruilen misvormt uw gezicht. Ontvangt men zoo een oud vriend, zooals ik? Waarover beklaagt gij u? Over mijn moedwil? Zijt gij het zelve niet geweest, die mij deze moedwil hebt geleerd? Herinnert gij u niet meer die vroolijke dagen en nachten, waarin ik onderricht van u ontving in alle soorten van dien schoonen moedwil? En thans? Wat moet dat verdrietig en gramstorig gezicht beteekenen? Waarom moet ik nu anders zijn, dan in den tijd, toen wij elkander het best bevielen en de vroolijkste uren samen doorleefden? Wees verstandig, Theodota! Denk aan die verliefde dwazen, wier sombere, teedere dweeperij u eens lastig viel en verveelde, zoo dat gij hen meedoogenloos lachend wegjoegt! En nu wilt gij zelve eene dweepster worden? Kan men zoo onverstandig zijne beste grondstellingen, zijne beminnelijkste eigenschappen verloochenen? Wees weder vroolijk en uitgelaten, Theodota! Geef ons een uwer prachtige dansen ten beste! Dans, ik wil het en wij allen willen het! Laat u nogmaals eens in uw vollen glans bewonderen!”

Zoo sprak Alcibiades. Doch Theodota kon hare tranen niet weerhouden. Zij antwoordde met hartstochtelijke verwijten, noemde hem overmoedig, trouweloos, misdadig, meedoogenloos.

„Waarvan beschuldigt gij mij,” hernam Alcibiades, „terwijl gij zelve oudergewordenzijt en de vroolijkheid der jeugd voor u verloren is gegaan? Beschuldig liever den tijd, die ons allen verandert.[290]Ook ik moet het voor lief nemen, als ik eenmaal van een jongen Satyr een oude, kaalhoofdige Sileen ben geworden. Doch ook als een kaalhoofdige Sileen zal ik nog altijd vroolijk zijn. Gij echter zijt op mij verstoord en vaart tegen mij uit en tegen het noodlot, omdat gij niet meer een bekoorlijk, bloeiend meisje zijt, gelijk Hipparete of Simaetha of deze Bacchis hier. Welnu, wilt gij volstrekt weder eene schoone jonkvrouw worden, reis dan naar Argos. Daar bevindt zich, zoo men zegt, een heiligdom met eene bron, waarin gij u slechts hebt te baden, om weder als jonkvrouw daaruit te voorschijn te komen. Ook Hera pleegt, zooals de dichters verhalen, van tijd tot tijd dit bad te bezoeken, om zich bij den vader der Goden weder aangenaam te maken. Wanneer zelfs de oude vader der Goden zulks nog weet op prijs te stellen, zou ik het dan niet doen, ik, de levenslustige jongeling, de Ithyphaller-vorst?”

Op deze wijze sprak Alcibiades in overmoedige scherts, terwijl Theodota slechts in nog heviger bewoordingen en met een vloed van tranen antwoordde; ja zelfs in de overmaat harer woede vergreep zij zich aan de jonge Bacchis, zoodat zij eene Maenade geleek.

„Zie eens naar mijn wakkeren vriend Callias,” zei Alcibiades, „die heeft tot stelregel geen vrouw meer dan ééns te naderen. En ik—ben ik niet telkens weder tot uw drempel teruggekeerd? Ha, bij den zaligen Eros, ben ik niet dikwijls genoeg des avonds gekomen met een of meer vrienden, met de gouden appelen van Dionysus op de borst, het haar omwonden met den populierkrans van Heracles, getooid met purperkleurige banden? Maar dat zal nu niet meer gebeuren. Ik denk nooit weder terug te keeren, noch alleen noch met anderen! Gaan wij, mijne vrienden! Ik verveel mij hier! Vaarwel, Theodota!”

Verschrikt door deze bedreiging hield Theodota den vertoornden jongeling terug en beloofde, hare tranen drogend, aan zijne wensch te zullen voldoen.[291]

„Welaan!” riep Alcibiades, „dans dan, zooals ik u straks reeds verzocht. Doe uw geprezen kunst nog eenmaal eer aan!”—

„Wat zal ik dansen?” vroeg Theodota.

„Gij geleekt zooeven,” hernam Alcibiades, „door den prikkel der hartstocht gedreven, veel op Io7die door eene door Hera gezonden paardenvlieg vervolgd, vertwijfelend over alle landen der wereld voortgejaagd werd. Toon ons, als gij wilt, door de kunst veredeld, wat ge ons vroeger liet zien in de ruwe, onbevallige werkelijkheid!”

Zwijgend maakte Theodota zich gereed de Io te dansen.

Zij danste onder de muziek der fluiten de geschiedenis van Inachus’ dochter, hoe zij door Zeus bemind, toen door Hera vervolgd en gebonden en op haar bevel door den honderdoogigen Argus bewaakt werd, hoe zij door den gewelddadigen dood van haar wachter op last van de onverzoenlijke Hera door de vinnig stekende paardenvlieg vervolgd en over alle landen werd voortgedreven.

In den beginne had Theodota met moeilijke zelfoverwinning aan het geuite verlangen voldaan. Langzamerhand echter scheen zij, al meer en meer opgewekt, hare ziel geheel en al uit te storten in ’t geen zij voorstelde. Haar mimische dans kreeg een volkomenheid en eene uitdrukking, waardoor alle toeschouwers werden medegesleept.

Toen zij echter tot de jammerlijke omdoling van Io overging en de ontzetting uitdrukte voor Hera’s toorn en voor het door de Goden gezonden, stekende dier, terwijl hare gebaren het karakter van eene wilde, hartstochtelijke onstuimigheid aannamen, toen in den angst der vluchtende het leed en het verloren liefdegeluk zich schenen te mengen, toen kregen de trekken en het geheele uiterlijk van Theodota allengs een schier huiveringwekkend voorkomen. Zij speelde met ontzettende[292]natuurlijkheid de razende, de vervolgde, de wanhopige.

Maar zij speelde ze weldra niet meer. Hare oogen puilden uit en rolden verschrikkelijk in hunne kassen, haar boezem golfde, de geopende lippen bedekten zich met een licht schuim.

Zoo wild en onstuimig werden hare bewegingen, dat Alcibiades en zijne vrienden verschrikt op haar toeijlden, om haar vast te houden en aan de onbeteugelde dolheid paal en perk te stellen.

Thans begon Io-Theodota rustig te worden. Zij zag in den kring rond met matte oogen, glimlachte onnoozel en sprak de omstanders met zonderlinge namen aan. Alcibiades zelven hield zij voor Zeus, den als Sileen verkleeden Callias voor haar vader Inachus, doch in den jongen Demus meende zij den honderdoogigenArguste zien, en plotseling het oog strak op Bacchis vestigend stoof zij wederom op in dollen hartstocht; verwenschingen uitend tegen de haatdragende Hera, wilde zij zich op het meisje storten.—

Theodota was krankzinnig geworden.—

Zij zonk nu uitgeput ineen en stiet verwarde klachten uit in onsamenhangende, onzinnige taal.

Alcibiades en zijne makkers werden door eene lichte huivering aangegrepen. Maar zij waren dronken van den wijn. Zij lieten de vrouw aan hare slavinnen over en zwierden uit Theodota’s woning de straat op, waar de luidruchtige, bedwelmende Bacchantische feestvreugde hen in haar maalstroom voortsleurde.

Den volgenden dag had een nieuwe omgang met het beeld van Dionysus plaats. En ditmaal was het ’t overoude, uit Eleutherae naar Athene gebrachte beeld van den God, dat uit het Lenaeüm naar een kleinen tempel buiten de stad, in de nabijheid van de Academie, gedragen werd, waar het in vroeger tijden was opgericht geweest. Eenmaal ’s jaars, bij de groote Dionysiën, werd het beeld voor korten tijd in een feestelijken optocht naar de oude plaats gebracht.[293]

Dit geschiedde juist nu weder.

Talrijk en bovenmate prachtig, als ooit te voren, zeer verschillend van de eenvoudige wijze der voorvaderen, was ditmaal het feestelijk geleide van het beeld des Gods. In alle straten, waardoor het gedragen werd en op alle dakterrassen, vanwaar men er op neder kon zien, wemelde het van toeschouwers, die zelven in hun tooi van vioolkransen een feestelijk gezicht opleverden.

Vooraan in den stoet liepen scharen Satyrs en Silenen in roode kleederen, hunne lichamen met klimopranken omwonden.

Vervolgens werd een bekranst altaar rondgedragen, omgeven van knapen in purperen gewaad, die wierook, mirre en saffraan op gouden schalen droegen.

Dan volgden allerhande vertooningen. Vooreerst een grijsaard achter een masker met twee gezichten, die den Tijd voorstelde, daarna de jeugdige, bloeiende Horen, die de vruchten droegen overeenkomstig haar jaargetijde; voorts eene prachtig uitgedoschte vrouw, versierd met de symbolen van het Dionysisch feest, eindelijk een schoon jongeling, die den vroolijken Dithyrambus8, voorstelde.

Verder kwam een schaar van dertig citherspelers die gouden kransen op het hoofd droegen en op gouden lieren speelden.

Nu echter volgde een prachtwagen op vier raderen, waarop het beeld van Dionysus gevoerd werd. De God was gekleed in een saffraankleurig gewaad, waarover een met goud geborduurde mantel geworpen was. Hij hield in de rechterhand een gouden beker omhoog, met fonkelenden wijn gevuld. Naast hem stond een reusachtig, gouden mengvat. Boven hem was een zonnescherm gespannen, waarvan weelderige klimop- en wingerdranken nederhingen. De wagen zelf was geheel met kransen omwonden en rondom versierd met tragische en comische[294]maskers, genen ernstig en waardig, dezen met grappige, grijnzende gezichten op het volk nederziende.

Het onmiddellijke gevolg van den God vormden mannelijke en vrouwelijke Bacchanten met loshangende haren, de hoofden met wijngaardrank, klimop of struikwinde9bekranst.

Op dezen wagen volgde een andere, waarop zich een vergulde wijnpers bevond. De wijnpers was geheel met kunstmatige druiven gevuld en dertig Satyrs stonden in den wagen en persten schijnbaar de druiven onder het aanheffen van een lustig wijnlied, door fluitspel begeleid, terwijl den geheelen weg over geurig vocht in een zak van pantervel droop. Om den zak echter zweefden Satyrs en Silenen, die drinkend en tierend den wijnstroom in bekers opvingen.

Daarop kwam nog een derde wagen. Op dezen was eene grot voorgesteld, gehouwen uit heldere schitterende steen, met klimop omslingerd, waarin fonteinen van alle Helleensche wijnen sprongen. Bekranste nimfen zaten lachend bij deze fonteinen, duivenomfladderdende grot, vlogen uit en in en trekkebekten in de groenende twijgen van het klimop. Satyrs en Silenen zochten de duiven te vangen, die aan den boezem der nimfen zich trachten te redden.

Vervolgens kwamen er reien van zingende knapen, gevolgd door den optocht der voorname Atheners op prachtige rossen gezeten, verder jongelingen, die gouden en zilveren vaatwerk droegen, aan den dienst van Dionysus gewijd.

Luidruchtige scharen sloten zich daarbij aan, en andere vermomde personen, die in uitgelaten brooddronkenheid de pracht van den feeststoet potsierlijk nabootsten.

Op de Agora werd halt gehouden bij het altaar[295]der twaalf Olympische Goden en hier zongen reien van mannen en knapen den Dithyrambus, waarbij het koor tegelijk zich in rhytmischen danspas om het altaar bewoog.

Deze tonen waren nauwelijks verdoofd en de Dionysische stoet verder getrokken, toen een tooneel van de vreemdste en wonderlijkste soort de aandacht tot zich trok.

In dien tijd namelijk waren rondtrekkende bedelpriesters van Cybele, die men Metragyrten placht te noemen, voorts Sabazius-dienaars, apostels van Sabazius10, een God, oorspronkelijk met Dionysus overeenkomende, maar wiens vereering allengs mystiek was geworden, alsmede dwepers, die meenden de mystische wijsheid van Orpheus wederom te kunnen invoeren, te Athene opgetreden en begonnen hunne leer te verkondigen.

De Sabazius-priesters, vereerden en predikten een Heiland der wereld, door wien de menschheid van alle kwalen verlost en de sterveling het hoogste heil deelachtig zou worden: die Heiland was Sabazius. Zij en de Metragyrten trokken rond in de straten met het beeld van den God of ook met dat van de moeder der Goden, onder de klanken van het cymbaal en den Aziatischen tamboerijn voerden zij dansen uit, waarbij zij zich als razende Corybanten gedroegen. Geeseling zelfs en zelfverminking pleegden en bevolen zij aan, gelijk de priesters van Cybele op den Tmolus. Het geheele land zwierven zij bedelend door, een ezel droeg hunne heiligdommen, allerlei geheime middelen verkochten zij en voor geld boden zij zich aan, om den toorn der Goden te bezweren, ja zelfs gestorvenen van bedreven misdrijven te reinigen en uit de kwellingen van den Tartarus te verlossen. Zij waren de verkoopers van en onderhandelaars in de hulp der Goden voor de stervelingen.

De geest van den Helleen was niet geheel en al afkeerig[296]van zulke dweperij, en hier en daar begon zij in de gemoederen van enkelen wortel te schieten.

Niemand zag met grootere verbittering zulke pogingen aan, om een somberen en mystieken eeredienst uit het Oosten naar het levenslustige Hellas over te planten,danAspasia, en met alle middelen, die haar ten dienste stonden, streed zij daartegen. De dartele, jonge Alcibiades, wien sombere dweepzucht niet minder onbegrijpelijk en een gruwel was, stond haar als moedig kampioen tegen die mannen der duisternis en kwakzalvers ter zijde.

Gedurende het Dionysus-feest achtten ook de rondtrekkende Metragyrten en Sabazius-dienaars de gunstige gelegenheid gekomen, om aanhangers te werven voor hun God en Heiland Sabazius en voor zijn fanatieken en gruwzamen dienst. Zij trokken rond, met populierloof en venkel omkranst, en hielden slangen in de hand, die zij over hun hoofd zwaaiden, en dansten, door eene groote menigte volks omstuwd, onder het Corybantisch rumoer en cymbalen en tympanen, hun razenden dans, de zoogenaamde Sicinnis11. Daarbij geeselden enverwonddenzij zich tot bloedens toe.

Een Metragyrt had eene groote menigte volks om zich heen verzameld en predikte met heftige gebaren en luid geschreeuw den verlossenden God Sabazius. Hij sprak van geheime wijding, en van de hoogste en den God welgevalligste handeling van den ganschen Sabazius-dienst, de zelfverminking.

Terwijl de menigte aandachtig luisterde en voor een deel de gemoederen bewogen waren door de taal van den Metragyrt, kwam eensklaps de schaar der tierende, dronken Ithyphallers daarlangs. Zij hoorden den vreemden dweper van den Sabazius-dienst en de zelfverminking spreken.

„Hoe?” riep de uitgelaten aanvoerder der Ithyphallers, „van zelfverminking waagt ons iemand te spreken, te midden van de weelde der Bacchische[297]feestvreugde? Neen! Zulke taal mag op Helleenschen bodem niet gehoord worden, zoolang er nog Ithyphallers zijn!”

Nauwelijks had hij dit gezegd, of de schaar der dronken overmoedige jongelingen viel op denMetragyrtaan, sleurde hem voort en, gedachtig aan de wraak reeds lang aan zijns gelijken gezworen, slingerde men hem in den naburigen afgrond, het Barathron.—

Onder de Bacchanten, die den feeststoet volgden, bevonden zich ook de leerlingen van Aspasia.

Hoe zouden zij, die tot vrijheid werden opgevoed, de vrijheid niet volop genieten in de dagen, waarop zelfs voor hen, die anders niet vrij waren, alle boeien werden verbroken en alle slagboomen vielen?

Ook het Arcadische herderskind, hoewel het zich er met tegenzin in schikte, had men als eene Bacchante gemaskerd en zij werd mede voortgetrokken door de onbeteugelde reien.

De jonge Alcibiades scheen er groot belang in te stellen, dat aan de Bacchanten, die uit Aspasia’s huis kwamen, ook Cora niet ontbrak.

Cora stond wel is waar in schoonheid verre achter bij hare speelgenooten. Doch zij was preutsch en haar zonderlinge ernst prikkelde den moedwil van den jongeling en voerde hem ten laatste tot vermetelheid.

Ter wille van Cora volgde hij met zijne makkers, door Satyrmaskers onkenbaar, Aspasia’s meisjes. Het waagstuk, dat hij voornemens was te volvoeren, was niets anders, dan de preutsche Arcadische van hare speelgenooten af te lokken, of, wanneer hem dit niet gelukte, haar met geweld uit haar midden voort te slepen en naar zijn huis te ontvoeren.

Schertsend mengden zich de Satyrs onder de Bacchanten; Alcibiades drong zich in de nabijheid van Cora, doch vond haar weerbarstiger dan ooit.

Plotseling vielen, op eene eenzame plaats, die voor de onderneming gunstig was, op een wenk van Alcibiades, zijne makkers en hij zelf het meisje[298]aan, om het onder de bescherming der reeds aanbrekende schemering met geweld weg te voeren.

Doch in het hart der Arcadische ontwaakte dezelfde moed, waarmede zij vóór tijden reeds eenmaal een Satyr, die haar aanviel, op de vlucht had gedreven. En evenals zij toen een brandend stuk hout uit het vuur in het woud had gegrepen, om den vermetele daarmede te verjagen, zoo greep zij thans eene harer vriendinnen de fakkel uit de hand en stiet ze den vermomden aanrander Alcibiades in ’t gezicht, zoodat zijn satyrmasker in brand geraakte en hij in verwarring terugweek. Dit oogenblik maakte Cora zich ten nutte, om met de snelheid eener vluchtende hinde weg te ijlen en weldra was zij spoorloos uit de oogen harer vervolgers verdwenen.

Rusteloos vloog zij met kloppend hart door de straten totdat zij het huis van Aspasia bereikt had.

Even als Cora heden onder de Bacchanten, was de jonge Manes, de pleegzoon van Pericles, onder de Satyrs opgenomen.

Ook hem had men het masker opgedrongen, ook hij was Xanthippus en Paralus tegen zijn zin in het dolle spel gevolgd. Onaangenaam, ja beangstigend scheen hem het gewoel, dat hem omgaf. De feestvreugde nam een losbandig teugelloos karakter aan. De dolle Meno gedroeg zich op de Agora even schaamteloos als zijn hond. Ten laatste werd Manes geheel weerloos het mikpunt der spotters. Onbeholpen en schuchter in al zijn doen, kon hij de plagerijen en de scherts waarmede hij van alle kanten bestormd werd, niet beantwoorden.

„Past op!” schreeuwden eenigen in den kring. „Die naargeestige Satyr daar is niet te vertrouwen! Reeds menigmaal zijn bij het Dionysus-feest afgunstige schimmen uit de onderwereld onder de levenden geslopen; mogelijk is hij Thanatos zelf of de pest!—Scheurt hem het masker af! Wie weet welk eengrijnzendenkop wij dan zullen zien!”

Het brein van den jongeling werd beneveld, zijn hoofd bonsde, met zijne krachtige armen baande hij[299]zich een weg door het gewoel en ijlde naar huis terug.

Daar aangekomen sloop hij ongemerkt naar het dakterras, dat op dit oogenblik geheel verlaten was. Daar ging hij op eene kleine steenen bank zitten, nam het Satyr-masker van zijn gelaat, lei het naast zich neder en verzonk in diepe gepeinzen.

Eene diepe zwaarmoedigheid was over zijne trekken verbreid. Hij scheen eene heimelijke smart in zijne ziel te dragen. Toen hij zich aan het luidruchtig gewoel van het Dionysus-feest onttrok, lag de reden daarvan wellicht niet alleen in zijn afkeer van dergelijke uitgelatenheid, maar vooral in eene beklemdheid, die ten gevolge van een diepen en machtigen indruk, zich van zijne ziel meester maakte.

Reeds lang had Manes op deze wijze, peinzend en treurig met de oogen naar den grond geslagen, daar gezeten, met het masker nevens zich. Eensklaps stond Aspasia voor hem.

Verschrikt keek hij op. Zwijgend staarde de vrouw des huizes hem eenigen tijd in het droefgeestig en sombere gezicht. Toen sprak zij hem aldus minzaam aan:

„Hoe komt het, Manes, dat gij de genoegens van uwen leeftijd zoolang versmaadt? Voelt gij niets in uw bloed van ’t geen anderen drijft, om van den schoonen, vluchtigen, nooit terugkeerenden tijd der jeugd te genieten?”

Manes keek getroffen naar den grond en antwoordde niets.

„Hebt gij soms een verdriet of iets wat u hindert?” vervolgde Aspasia. „Zijt gij ontevreden in dit huis en zoudt gij liever onder andere menschen willen leven?Zijt gij misschien heimelijk op Pericles verstoord, omdat hij u van Samos medegenomen heeft, en u als zijn eigen zoon in zijn huis heeft doen opvoeden?”

Bij deze woorden van Aspasia stond de jongeling onwillekeurig van zijn zitplaats op en met levendige, afwijzende gebaren verwierp hij een dergelijke[300]veronderstelling, terwijl een traan in zijn oog opwelde.

Aspasia liet echter niet af naar de reden zijner droefgeestigheid te onderzoeken.

Manes antwoordde nu eens met eene lichte zucht, die aan zijn borst ontglipte, dan weder met een blos. Zijne hand beefde een weinig. Hij waagde zelden op te zien; als hij het echter deed, hadden zijne oogen eene diep gevoelige, schier roerende uitdrukking.

De jongeling was zoo houterig en stroef in zijn geheele wezen, en toch had hij thans iets teeders, men zou haast zeggen, iets meisjesachtigs over zich.

Ieder oogenblik werd Aspasia meer versterkt in haar vermoeden, dat een geheim leed aan het hart van den jongeling knaagde.

Liefde kon het niet zijn; want wie zou die stille gloed kunnen gelden! Dan toch alleen eene der jeugdige huisgenooten? Maar deze had Manes immers altijd schuw en verlegen ontweken? Had men niet alle moeiten aangewend, om den jongen man in den vroolijken kring te trekken en waren deze pogingen niet altijd mislukt?—

Eene gedachte vloog Aspasia door het hoofd. Eene gedachte, die in ’t eerste oogenblik haar schier kluchtig voorkwam, en haar bijna deed lachen.—

Maar als de jongeling zijn zielroerend oog tot haar opsloeg, werd die gedachte minder belachelijk en Aspasia gevoelde zich, ’t geen anders niet in haar karakter lag, door eene opwelling van innig medelijden aangegrepen.

Zij werd niet moede de onmannelijke zwaarmoedigheid van den stillen jongeling in zachte bewoordingen af te keuren en hem tot de vroolijkheid, die aan zijne jeugd voegde, op te wekken.

Terwijl Aspasia zich alzoo met Manes bezig hield, zat Cora eenzaam en verlaten in het peristylium van het huis. Zij had, teruggekeerd uit de woeste bedwelming der feestvreugde, zich daar[301]neergezet, haar Bacchanten-masker afgedaan en naast zich nedergelegd. Zoo zat zij daar in diepe gepeinzen verzonken, toen Pericles, toevallig juist naar huis teruggekeerd, het peristylium doorging.

Hij was getroffen door ’t gezicht van het meisje, dat daar zoo eenzaam en peinzend zat, met het Bacchanten-masker nevens zich.

Hij trad op Cora toe en vroeg haar waarom zij zoo spoedig was teruggekomen en zich van hare speelgenooten had afgescheiden, met wie zij was uitgegaan.

Cora zweeg. Zij had een krans op haar schoot, denzelfden, dien zij als Bacchante gedragen had. Hare hand speelde schier onbewust met de bloemen van dien krans, en de grond om haar heen was bedekt met de afgeplukte bladeren der bloemen.

Het meisje leverde een zonderling gezicht op, zooals zij op dat oogenblik daar zat. Hare houding, het spel met den krans, de ernst van het bleeke gelaat, vormde met het gewaad en de zinnebeelden der Bacchante, die zij aan of om zich had, een zoo scherp contrast, dat het bijna den lachlust opwekte.

Pericles zag haar in het gelaat en sprak haar aan:

„Ik herinner mij niet ooit eene Bacchante met zoo’n droevig gelaat gezien te hebben. Mij dunkt, Cora, gij zoudt den Thyrsus veel liever weder met den herderstaf verwisselen!—Is ’t niet zoo?—Gij voelt u niet gelukkig in dit huis? Gij hebt een heimwee naar uwe vaderlandsche bergwouden, naar uwe lammeren en schildpadden.”

Cora sloeg hare oogen even naar Pericles op, die oogen, gelijk die eener hinde, en zag hem aan met eene uitdrukking, die nog treuriger was dan te voren, doch tevens met een trouwhartigen, schier kinderlijken blik, waarin eene toestemming, uit het diepst harer ziel voorkomende, scheen te liggen.

„Wilt gij, dat wij u naar huis laten gaan?” vroeg Pericles op een hartelijken, vertrouwen inboezemenden toon. „Spreek vrijuit, mijn kind, en ik[302]zal alles doen, om u zoodra mogelijk naar uw geboorteland en naar uw waarachtig geluk terug te voeren. Wilt gij dit huis verlaten, Cora? Spreek!”

Eene zonderlinge uitwerking maakten deze woorden op het Arcadische meisje. In ’t eerste oogenblik blonk er een glans van vreugde over haar gelaat. Plotseling echter keek zij, als door eene nieuwe gedachte getroffen, weder ernstig naar den grond; zij werd bleek, haar boezem begon te hijgen, een traan parelde aan hare wimpers.

„Zeg vrijuit,” hernam Pericles, „wat gij wenscht en wat uwe opgeruimdheid in dit huis verhindert. Er is zeker iets, dat gij mist!”—Pericles sprak deze woorden op een beslisten toon en zag, op een antwoord wachtend, het meisje strak in het aangezicht.

„Verlangt gij uit dit huis weg te gaan?” herhaalde hij.

Cora schudde treurig het hoofd, zonder een woord te spreken.

„Uwe droefgeestigheid schijnt dus zonder reden te zijn,” vervolgde Pericles, „eene zwaarmoedigheid, die zich als eene soort van ziekte van uw gemoed meester maakt. Bestrijd haar, mijn kind! Geef u niet aan hare macht over, maar verzet u er tegen! Zie, ook mij zou de daemon der ontevredenheid somwijlen willen overweldigen, maar ik worstel met hem. Het leven moet vroolijk zijn en genot voor ons: want ware dat niet het geval, dan moesten wij immers de dooden benijden. Willen toch niet alle menschen opgeruimd en gelukkig zijn en zich blijde met elkander in hun bestaan verheugen?

„Waarom zoekt gij de eenzaamheid? Wilt gij ook niet vroolijk en gelukkig zijn?”

Wederom sloeg Cora trouwhartig de oogen tot Pericles op en zeide op aarzelenden toon:

„Ik ben gelukkig, als ik alleen ben!”

„Zonderling kind!” riep Pericles.

Hij zag Cora zwijgend en peinzend aan. Zij was niet mooi. Hare maagdelijke schoonheid was zonder alle betoovering der zinnen.[303]

En toch lag in die maagdelijkheid, in die kinderlijkheid, in die zonderlinge gevoeligheid iets, wat eene eigenaardige sympathie in edele karakters kon wekken.

Pericles had het ideaal van alle vrouwelijke bekoorlijkheden en voortreffelijkheid in Aspasia verwezenlijkt gevonden. Thans trad plotseling voor hem de vrouwelijkheid op in eene nieuwe, onbekende gedaante. Wat hij hier in Cora voor zijne oogen zag, was verschillend van alles, wat hij tot heden gezien, wat hij bewonderd, wat hij bemind had.

Niet betooverend, niet verleidelijk scheen hem deze nieuwe soort van vrouwelijkheid, maar eene aandoening greep hem aan, even nieuw en vreemd, als hetgeen die in hem te voorschijn had geroepen. Hij legde zijne hand op het hoofd van het meisje en beval haar krank gemoed aan de machtige hoede der goden.

Daarop sprak hij: „Willen we samen Aspasia opzoeken? En toen hij van een slaaf hoorde, dat Aspasia zich op het dakplat begeven had, nam hij het meisje vriendelijk bij de hand om ze naar hare meesteres te voeren.

Zonderlinge samenloop! Op ’t zelfde oogenblik, dat Pericles in ’t peristylium van het huis zijne hand met ernstige aandoening op het hoofd van ’t bedroefde herderskind legde, op ’t zelfde oogenblik rustte de hand van Aspasia, die haar gesprek met Manes op het dakterrasgeëindigdhad, op het hoofd van den droefgeestigen Noordschen jongeling.

En ’t was alsof hare hand, met schier moederlijke teederheid zijne bruine lokken aanraakte, alsof haar oog met warmte op de trekken van den jeugdigen zonderling rustte! Toch zetelde opgeruimde blijmoedigheid op haar open, fier voorhoofd en met een kalmen glimlach begroette zij Pericles, toen hij met het meisje aan de hand tot haar trad.

„Ik breng u de zwaarmoedige Cora,” zei Pericles tot Aspasia; „ik geloof dat zij niet minder dan[304]Manes behoefte heeft aan vriendelijke toespraak!”

Terwijl Pericles naderde had hij den blik van warme toegenegenheid opgemerkt, waarmede het oog van Aspasia op den jongeling rustte.

Zij volgde zijn nauw merkbaren wenk en hij voerde haar naar een afgelegen plek van het dakterras, waar eene rustplaats onder bloeiende ranken was aangebracht.

Hier vertelde Aspasia haar gesprek met Manes aan Pericles, deze haar het zijne met het Arcadische meisje.

Ten laatste zeide Pericles kalm en ernstig:

„Gij hebt gloeiende blikken, ja zelfs liefdevolle gebaren gebezigd, om het sombere gemoed van den jongeling op te beuren!”

„En dat brengt u op de gedachte dat ik liefde voor hem zou gevoelen?” vroeg Aspasia. „Neen,” vervolgde zij, toen Pericles zweeg, „ik bemin hem niet, want hij is schier leelijk. Zijne plompe wangbeenderen beleedigen mijn oog. Maar eene vluchtige aandoening overweldigde mij, ik weet zelve niet hoe haar te noemen. Wellicht was het medelijden.”

„Weet gij zoo precies, wat liefde niet is en wat wel?” vroeg Pericles.

„Wat liefde is?” riep Aspasia glimlachend. „Begint gij thans ook mij met die dwaze vraag te kwellen?—Liefde is eene zaak, die men niet kan afweren, als zij komt, en niet kan tegenhouden als zij gaat.”

„En weet gij er anders niets van te zeggen?” vroeg Pericles.

„Niets, dan wat ik reeds zoo dikwijls gezegd heb,” hernam Aspasia: „liefde is een gevoel, dat in tyrannie kan ontaarden, wanneer zij het geliefde voorwerp tot een werktuig wil maken, zonder zelfstandigen zin. Die onwaardige begeerte moest zij weten te onderdrukken. Zij moest een in vrijheid gesloten, in vrijheid gehandhaafd vreugdeverbond des harten zijn!”

„Zoo dikwijls gij mij dit herhaaldet,” sprak Pericles, „altijd is het mij onwederlegbaar voorgekomen.[305]Mijn kalme, nadenkende geest is daarvan nog evenzeer overtuigd, als toen wij zelven zulk een vreugdeverbond des harten in vrijheid sloten. Liefde moet die zelfzuchtige begeerte opgeven om het beminde voorwerp te bezitten; maar de vraag bestaat nog altijd bij mij: kan de liefde dit doen? Is zij in staat die begeerte te verwinnen?”

„Zij kan het,” hernam Aspasia: „want zij moet het kunnen!”

„Niet tegen te houden is de liefde, als zij gaat, zeidet gij straks,” vervolgde Pericles, na eenige oogenblikken te hebben nagedacht. „Wat zal er van ons worden, Aspasia, als haar schoon vuur ook in onze borst verdooft?”

„Dan zullen wij zeggen,” hernam Aspasia: „wij hebben met elkander de hoogste aardsche zaligheid genoten! Wij hebben niet te vergeefs geleefd! Wij hebben op het toppunt van ons bestaan, in de hoogste kracht des levens en der liefde, den vreugdekelk geledigd.”

„Geledigd—geledigd”—herhaalde Pericles, schier onhoorbaar in zich zelven sprekend. „Gij doet mij daar een woord hooren, dat mij doet huiveren”——

„’t Is het lot der bekers geledigd te worden,” zei Aspasia, „en het lot der bloemen te verwelken en het lot van al wat leeft schijnbaar te verdwijnen, inderdaad echter in eene eeuwigdurende wisseling zich te vernieuwen. De plicht van den sterveling echter is ’t, die verandering en wisseling om hem en in hem met de blijmoedige kalmte der echte wijsheid te aanschouwen. Dwaas zou het zijn zich aan de hielen van het voortijlende vast te klemmen. De tijd komt, dat men getroost den beker, waarin eens de zaligmakende drank heeft geschuimd, in den afgrond zal werpen. Alles streeft naar het toppunt, om dan weder neder te dalen langs de ladder der levens tot vernietiging. Alles volgt den loop der natuur”—

Nadat Pericles en Aspasia dit gesprek hadden gehouden, maakten zij zich gereed zich in huis te[306]begeven; en op de plaats gekomen, waar zij Manes en Cora achter gelaten hadden, zagen zij hen beiden in een druk onderhoud gewikkeld.

Het platte dak was door Aspasia in eene soort van tuinterras herschapen. Daar bevonden zich priëelen ter beschutting tegen de zon en hooge, bloeiende heesters, in bakken, met aarde gevuld.

Zulk een heester verborg Pericles en Aspasia, toen zij naderden, voor de blikken van den jongeling en van het meisje, die bovendien te zeer in hun gesprek verdiept waren, dan dat zij hunne nadering zouden bemerkt hebben.

Pericles en Aspasia stonden onwillekeurig een oogenblik stil, hoogst verwonderd over dit gezicht. Zij hadden nooit te voren bemerkt, dat Manes en Cora zich zoo vertrouwelijk onderhielden, dat de een het gezelschap van den ander gezocht had.

’t Was op zich zelf een zonderling tooneel, dat het oog wel tot zich mocht trekken, een treurige Satyr en eene zwaarmoedige Bacchante in een gesprek met elkander.

Cora vertelde den jongeling van haar Arcadisch geboorteland, van de schoone bergwouden, van de schildpadden, van den God Pan, van de Stymphalische vogels, van de jacht op wilde dieren.

Manes luisterde met gespannen aandacht. „Gij zijt wel zeer gelukkig, Cora,” zei hij daarop, „dat gij dit alles zoo helder voor uw geest hebt en het u telkens kunt herinneren. Ik herinner mij, als ik waak, volstrekt niets van mijn vaderland en van mijne prille jeugd. Alleen in droomen en mijmeringen word ik somwijlen verplaatst in sterk ruischende wouden of ik zie ruwe mannen in harige vachten gekleed, op snelle paarden gezeten en daarheen rennend over de vlakte. Ik ben dan den geheelen dag door treurig, als ik zulke droomen gehad heb en ik ben ziek van eene soort heimwee, ofschoon ik geen vaderland heb en ik niet weet, waarheen ik mijne schreden het eerst zou richten, als ik het wilde opzoeken. Alleen dit weet ik, dat ik noordelijk en steeds noordelijk moet gaan, en dikwijls[307]droom ik ook, dat ik naar het Noorden trek, altijd meer naar het Noorden in eene onafzienbare ruimte. Gij zijt zeker dubbel bedroefd, Cora, dat gij niet naar uw vaderland kunt terugkeeren, omdat gij het kent en het altijd gemakkelijk weder zoudt weten te vinden. Zeg het mij, Cora, als gij terug wilt keeren naar uw geboortegrond; ik zal er u heen voeren en ik blijf er ook; want ik ben immers jong en sterk. Waarom zou ik niet met de Arcadische mannen samen leven en met hen jagen op de wilde dieren?”

„Neen, Manes,” zeide het meisje, „naar Arcadië moet gij niet gaan, omdat u immers het heimwee naar het Noorden heentrekt. Neen ik zou volstrekt niet willen, dat gij naar Arcadië toogt, omdat u daar ongetwijfeld altijd een onweerstaanbaar verlangen naar uw vaderland zal bekruipen. Gij moet koers zetten naar den Hellespont en dan steeds meer naar het Noorden, zoo zult gij zeker uw vaderland vinden en wellicht zelfs een koninkrijk.”—

„Ik zou wel gaarne naar het Noorden willen trekken,” zei Manes, „maar ’t zou mij bedroeven, als ik er aan dacht, dat gij hier zijt en te vergeefs naar uw Arcadië verlangdet.”

Cora keek peinzend naar den grond en zeide na eene kleine pauze:

„Ik weet niet hoe het komt, Manes, dat ik even gaarne naar het Noorden zou willen trekken, als naar Arcadië, zoo wij slechts samen gingen. En ’t is mij, als zou overal, waarheen we ons begaven, Arcadië zijn.”—

Bij deze woorden van het meisje bloosde Manes en zijne hand beefde weder, als altijd, wanneer hij door een groote innerlijke aandoening bewogen werd; hij kon eerst geen woord zeggen; na eene korte pauze begon hij weder:

„Maar gij wilt zeker veel liever naar Arcadië gaan, Cora, naar de uwen! Ik wil u gaarne vergezellen en herder worden, en ’t is mij, alsof ik overal, waarheen ik u voer, mijn vaderlandterugvind, ja zelfs een koninkrijk.”—[308]

Hier stokte zijne stem en hij bloosde weder. Van de straten steeg het geraas en getier van den voorbijtrekkenden Bacchanten-stoet naar boven. Fakkels schitterden, het genot en gejubel waren ontketend tot volle vrijheid—hier boven echter stonden de jongeling en het meisje met kranke harten, bleek en sprakeloos en schuchter tegenover elkander, en geen van beide waagde het de hand van den andere te vatten en zelfs de oogen sloegen zij voor elkander verlegen neer—de Satyr en de Bacchante!—

„Zij beminnen elkander!” zei Pericles tot Aspasia. „Zij beminnen elkander, die twee: maar met eene zonderlinge soort van liefde, naar ’t schijnt. Het is alsof zij elkander geheel en alleen met de ziel beminnen.—Zij spreken niet dan van offers, die zij elkander zouden willen brengen.”

„Inderdaad,” hernam Aspasia, „met eene soort van liefde beminnen die beiden elkander, zooals alleen Manes en Cora die konden gevoelen. Zij hebben door de liefde alle vroolijkheid verloren, zij zijn bleek en ziek, zij zijn treurig, en hoewel zij weten, dat zij elkaar beminnen, hebben zij toch geen genot van hunne wederkeerige liefde: want zij durven elkaar niet eens de hand te geven, laat staan een kus.”

„Het is eene schuchtere liefde,” zei Pericles, „eene kuische, eene smartelijke, eene onbaatzuchtige, eene zelfverloochenende, eene opofferende liefde. Wellicht vergoedt deze soort van liefde door bestendigheid en schoone harmonie, wat haar ontbreekt aan zalig en bedwelmend goddelijk genot. Wellicht geldt van haar minder, wat gij vroeger van de liefde hebt beweerd, dat zij aan den blinden loop der natuur onderworpen is.”

„Eene krankheid is deze treurige liefde!” riep Aspasia geprikkeld. „Wee den dag, waarop zij is uitgevonden! Niet uit de zee, door het morgenrood beschenen, maar uit de Arcadische wateren der Styx verrees deze nieuwe, met witte rozen bekranste, bleeke Aphrodite! Deze soort van smartelijke, hartstochtelijke[309]liefde is voor de menschen even erg, als oorlog en pest en hongersnood. Te Eleusis heb ik deze soort van liefde onder het gevolg van den valen Thanatos gezien, en deze gedachte was de eenige, die mij beviel, ginds in de Eleusinische, gewijde groeven!”

Thans kwamen Pericles en Aspasia uit hun schuilhoek te voorschijn en Aspasia voerde het Arcadische meisje met zich naar huis.

Op den avond van dienzelfden dag werd in de woning van Pericles een klein feest gehouden, zooals in den tijd der Dionysiën alle Atheensche burgers gewoon waren in hunne huizen aan te leggen. Eenige gasten waren er, onder wie Callimachus met Philandra en Pasicompsa.

Men was ditmaal niet in de gewone eetzaal des huizes, maar in het koeler en ruimer peristylium bijeen gekomen, waar de lucht van den zoelen lentenacht van boven verkwikkend binnenwoei.

Pericles had zich naar gewoonte vroeg teruggetrokken.

Plotseling kwam de jonge Alcibiades met eenige zijner vrienden. Hij stormde in uitgelaten feestvreugde de deur van het huis binnen en nam, met zijne makkers doordringend, onmiddellijk plaats onder de reeds vergaderde gasten.

Bij zijne komst vluchtte Cora angstig naar het binnenste deel van ’t huis.

Toen Alcibiades dit bemerkte, wilde hij zich bij de bekoorlijke Simaetha schadeloos stellen. Deze echter wees hem fier van zich. Zij verachtte hem, sedert hij zich zoo diep had verlaagd, om het Arcadische herdersmeisje in zijne dolle opgewondenheid met geweld te vervolgen. Ook de overige meisjes behandelden hem om dezelfde reden uit de hoogte. Langen tijd deed hij zijn best om haar toorn te doen bedaren, maar te vergeefs.

„Hoe?” riep hij ten laatste, „Cora loopt voor mij weg, preutsch als eene hinde, door de jagers vervolgd—Simaetha keert mij den rug toe—de geheele school van Aspasia ziet ernstig en[310]fronst de wenkbrauwen, als de oude Anaxagoras—welaan! als gij allen mij afwijst, zal ik mijne toevlucht nemen tot de lieve Hipparete, het eerzame, zedige, bekoorlijke, bloeiende dochtertje van Hipponicus!”

„Doe dat gerust!” zei Simaetha.

„Dat zal ik!” riep Alcibiades.„Gij zult mij niet te vergeefs afgewezen hebben, Simaetha! Alcibiades laat niet met zich spotten! Ik ga morgen zoo vroeg mogelijk naar Hipponicus en vraag hem zijn dochtertje. Ik trouw, word deugdzaam, doe afstand van alle dolle genoegens en verdrijf mij den tijd met Sicilië te veroveren en de Atheners naar mijne pijpen te doen dansen!”

„Hipponicus zal u zijne dochter niet geven!” riep de jonge Callias; „hij houdt u voor een veel te grooten deugniet!”

Lachend herhaalden de overige gasten: „Hipponicus zal u zijne dochter niet geven, gij zijt een veel te groote deugniet!”

„Hipponicus zal mij zijne dochter geven,” riep Alcibiades met nadruk, „al had ik hem van te voren ook eene oorveeg gegeven. Wilt gij eene weddenschap met mij aangaan? Ik neem aan, Hipponicus een klap om de ooren te geven en hem dan zijne dochter te vragen. En hij zal ze mij geven.”

„Gij zijt een pocher!” riepen zijne vrienden.

„Laten wij wedden!” hernam Alcibiades: „duizend drachmen, als gij wilt!”

„Top!” riepen Callias en Demus.

Alcibiades bood zijn vrienden de hand en zij sloegen toe. De weddenschap van duizend drachmen was aangegaan.

„Waarom zou ik mij niet bekeeren en deugdzaam worden,” zei Alcibiades, „daar rondom mij zoovele treurige teekenen en wonderen geschieden? Niet genoeg, dat Cora mij ontvlucht, Simaetha zich van mij afkeert, Theodota waanzinnig is geworden, moest ik ook nog beleven, dat ik mijn oudsten en besten vriend verloor? Hij heeft zijne[311]trouw jegens mij verbroken en eene vrouw genomen.”

„Van wien spreekt gij?” vroegen eenigen.

„Van wien anders, dan van Socrates?” hernam Alcibiades.

„Hoe? Is Socrates getrouwd?” vroeg Aspasia.

„Zoo is het!” hernam Alcibiades, „in alle stilte heeft hij onlangs eene vrouw genomen. Geef hem maar op—gij ziet hem nooit weer!”

„Hoe is dat gebeurd?” vroeg Aspasia verder, „ik heb er nog niets van gehoord.”

„’t Zal ongeveer twee weken geleden zijn,” zei Alcibiades, „dat ik in eene der stillere straten daarboven aan den Ilissus met een vriend, dien ik toevallig ontmoette, stond te praten. Plotseling gaat de met bloemen versierde deur van een huis open en eene stoet van fluitspelers en zangers, met fakkels in de handen en bekranst, treedt naar buiten. Hen volgt eene gesluierde bruid, tusschen den bruidegom en den nymphagoog12. Deze drie bestijgen een met muildieren bespannen wagen, die voor het huis staat, en nemen er plaats in. Onderwijl komt de moeder der bruid, met de fakkel, die zij aan den haard van het huis der bruid heeft aangestoken; bij haar sluit het overige, in ’t wit gekleede gezelschap zich aan, met bloemen bekranst en fakkels dragende; de wagen zet zich in beweging en voorwaarts gaat het de straat af tot aan het huis van den bruidegom, onder de toonen der fluiten, het aanheffen van liederen, onder vroolijk jubelen en dansen. Die bruidegom nu was niemand anders dan Socrates, de vriend van Aspasia, de nymphagoog was de vrouwenhater Euripides.”

„En de bruid?” vroegen velen.

„Het eenvoudig kind van een eenvoudig man,” hernam Alcibiades, „dat echter onmiddellijk de teugels van het huishouden als met ijzeren hand heeft aangegrepen, en de kunst verstaat, met het weinige huis te houden, dat Socrates nog van zijn vaderlijk[312]erfdeel bezit. Socrates getrouwd! De arme waarheidzoeker! De waarheid heeft hij gezocht—eene vrouw heeft hij gevonden! Ik herhaal het, er geschieden teekenen en wonderen! De oude wereld wil, naar ’t schijnt, zich uit het oude spoor losrukken. Socrates getrouwd—de vroolijke Theodota waanzinnig; voegt men hier nog bij, dat op Aegina en Eleusis, naar men zegt, eenige gevallen van pest zijn voorgekomen, die reeds lang op het Aegyptische strand spookt, en dat men heden op de Agora een verdacht Satyr-masker meent gezien te hebben, waarachter zich Thanatos of de Pest of een ander afzichtelijk wezen verbergt—neemt men dit alles samen, dan zult ge mij moeten toegeven, dat het in de stad der Atheners vervelend dreigt te worden. En wanneer ik daarbij nog de dochter van Hipponicus huw, dan krijgt de Helleensche hemel eene sombere tint. Maar heden willen wij nog vroolijk zijn—bij Eros met de bliksemschicht! Niet langer getreurd en gepruild, meisjes! Laat ons een lustigen, dollen strijd beginnen tegen de droevige machten, die ons bedreigen! Laat ons met een verachtelijken glimlach alle teekenen en wonderen beschouwen! En wanneer dartele lust en genot ook uit geheel Hellas verdwenen waren, dan moeten zij nog in dezen kring te vinden zijn. Heb ik geen gelijk, Aspasia?”

„Gij hebt gelijk!” antwoordde Aspasia; „in den strijd tegen al het sombere zijn wij bondgenooten.”

Zoo sprak zij en liet nieuwe bekers brengen en in het mengvat schuimde weder het kostelijk nat; geledigd en nog eens geledigd werden de fonkelende bokalen. Vroolijke scherts, gelach en dartel gezang schalden door het peristylium en Alcibiades tintelde van den geest van Dionysus.

Zoo was het middernacht geworden. Plotseling gaat in den achtergrond eene deur open, die naar het peristylium voert. Uit de deur komt langzaam als een spook, met gesloten oogen, Manes te voorschijn—Manes, de slaapwandelaar!—Hij had geen deel genomen aan het feest, maar zijne stille legerstede[313]opgezocht. Thans echter had de geheimzinnige ziekte den slapende uit zijne rust opgedreven.

Bij het gezicht van hem, die met gesloten oogen het peristylium doorwandelde, verstomde de luidruchtige vroolijkheid en allen staarden, door eene lichte huivering aangegrepen, sprakeloos naar den spookachtigen wandelaar.

Nadat hij het peristylium had doorgeloopen, ging hij naar de trap, die tot het platte dak des huizes voerde. Met vasten tred beklom hij de trap en verdween weldra uit de oogen der gasten. Het meerendeel der feestgenooten besloot, nadat de eerste schrik voorbij was, hem te volgen.

„Zoo straft Dionysus degenen,” riep Alcibiades, „die zich tegen zijn blijden, vreugdevollen dienst verzetten. Wij willen den verachter van den God bekeeren! Komt! Wij willen hem wekken en hem dan met geweld deel doen nemen aan ons feest!”—

Daarop stonden de meeste gasten op en sloegen den weg in naar het dakterras.

Toen zij daar gekomen waren, deed zich een gezicht aan hunne blikken voor, dat opnieuw angst en huivering in hunne borst wekte.

Manes wandelde op een eenigszins hoog, hellend uitstek van het dak, langs den uitersten kant, op eene plaats, waar alleen een maanzieke met gesloten oogen gaan kon, ieder wakende echter onvermijdelijk duizelend in de diepte zou neerstorten.

Inmiddels waren ook de overige huisgenooten op het bericht, dat Manes in slaap wandelde, toegesneld.

Ook Pericles verscheen.

Hij huiverde, toen hij den jongeling zag en zeide: „Als hij op dit oogenblik ontwaakt, stort hij reddeloos in de diepte. Hem echter te naderen en te redden van die plaats is onmogelijk!”

Juist toen Pericles deze woorden sprak, naderde ook Cora.

Ontsteld, doodsbleek, de groote, ronde oogen wijd geopend, het gelaat door de loshangende lokken[314]omgolfd, staarde Cora naar den slaapwandelaar. Bij ’t hooren der woorden van Pericles voer haar eene huivering door de leden; vervolgens echter ijlde zij als op vleugelen naar de plaats, waar Manes wandelde, boog zich over het hooge afdak, deed met vasten voet, zonder te duizelen, eenige schreden naar beneden op de gevaarlijke, hellende baan, greep de hand van den jongeling en trok hem van den uitersten rand terug, tot waar zij den veiligen bodem onder zich voelde.

Eerst toen Manes gered was, maakte eene duizeling zich van haar meester en bezwijmd zonk zij ineen.

Thans was het Manes, die ontwakend en de oogen opslaande, angstig het meisje omvatte en het voortdroeg in zijne armen, tot zij weder tot bewustzijn kwam en half verschrokken, half verlegen met een blos op de kaken henen vlood.

De feestgenooten hadden dit tooneel met verbaasde oogen gadegeslagen. Thans schaarden zij zich om Manes en voerden hem onder vroolijke, opwekkende woorden naar beneden naar het peristylium.

Alleen Pericles bleef een oogenblik met Aspasia achter.

„Hoe betreur ik het,” zei Pericles tot Aspasia, „dat Socrates geen getuige geweest is van dit tooneel!”

„Waarom betreurt gij dat?” vroeg Aspasia.

„Hij zou nu toch wel eindelijk,” hernam Pericles, „gevonden hebben, wat ware liefde is.”—

Aspasia zweeg een oogenblik en zag Pericles strak in het gelaat. Toen zeide zij: „en gij?”

Pericles antwoordde:

„Mij brengt dit paar eenigszins tot schaamte en in verlegenheid. ’t Is alsof het zeggen wil: Treedt gij beiden af van het tooneel en ruimt uwe plaats aan ons in!”

Nog eens staarde Aspasia Pericles in het ernstig en peinzend gelaat. Toen sprak zij:

„Gij zijt geen Griek meer!”

Weinig in getal waren de woorden, die hier[315]gewisseld werden, maar zij waren veelbeteekenend. Zij vielen zwaar in de schaal van het noodlot.

Door die woorden ontstond er als ’t ware eene heimelijke scheuring tusschen twee edele zielen, eens zoo schoon en innig verbonden.

Een lang voorbereide stroom van nieuwe, sombere machten, van twijfel en inwendigen tweestrijd, was in de ziel van Pericles getogen.

Met dit kort gesprek stortte langzaam en zonder gerucht het grootsche, schoone en heerlijke gebouw ineen.—

Met de woorden: „Gij zijt geen Griek meer!” had Aspasia, na een laatsten, half toornigen, half medelijdenden blik, haar gelaat van Pericles afgewend.

Beiden gingen zwijgend naar beneden: Pericles naar zijn vertrek, Aspasia terug naar hare gasten.

Inmiddels hadden de feestgenooten te vergeefs hun best gedaan, om den jongen Manes te doen deelnemen aan hun festijn en hem tot den dienst van den vreugdegod te bekeeren. Hij had zich losgescheurd en was teruggekeerd tot de binnenste vertrekken van het huis.

Thans begon men een tijdlang over Cora te spreken; men bewonderde haar moed of liever de merkwaardige kracht eener aandoening, eener gemoedstemming, van eene hartstocht, onder wier invloed zij gehandeld had en waardoor zij als blindelings en onbewust medegesleept was; hetgeen voor allen bijna den stempel van een onoplosbaar raadsel had.

En thans begon ook Alcibiades zijn leedwezen te betuigen, dat Socrates dit tooneel niet had bijgewoond.

„Wat een heerlijk maal,” zei hij, „zou dit voor het oog van den peinzer en waarheidzoeker geweest zijn; hij, die zich reeds over de meest alledaagsche dingen in ernstige beschouwingen verdiept, zou ook thans niet rusten zonder de beteekenis van dit merkwaardige feit tot in de fijnste bijzonderheden nagespeurd te hebben. Is hij zelf niet eene soort van slaapwandelaar, iemand die door de[316]maanziekte der wijsbegeerte is aangetast, die de oogen sluit om beter te kunnen denken en daarbij verdoold raakt op duizelingwekkende hoogte? Het eenige onderscheid is, dat hem geen Cora ter hulp snelt, om hem met zachte hand van de afgronden der gedachte weg te trekken. Nu, ik zal tot hem gaan en hem de geheele geschiedenis vertellen, ofschoon ’t niet zonder gevaar is, Socrates in zijn eigen huis te bezoeken. Want zijne jonge vrouw Xanthippe is bang, dat ik haar man zal verleiden, en ziet mij bovendien met geen gunstig oog aan. Toen ik de pas gehuwden met eenige vrienden bezocht, brachten wij haar reeds in groote verlegenheid, en het vrouwtje begon er over te schreien en te klagen, dat zij zulke voorname lieden, als wij waren, niet in staat was behoorlijk te onthalen. „Laat dat zijn zooals het wil,” zei Socrates, „als ’t goede menschen zijn, die ons bezoeken, dan zullen zij tevreden zijn; als het slechte menschen zijn, dan hebben wij ons niets om hen te bekommeren!”—Dit zijn echter redeneeringen, waarmede hij Xanthippe nog meer in ’t harnas jaagt. Ik bemerkte aanstonds, dat zij in huis de baas was. Nu maakte ik mij er een genoegen van, zoo vrij mogelijk met haar man te spreken en hem met vriendschapsbetuigingen te overladen. Sinds dien tijd is zij boos op mij en toen ik onlangs haar man een lekkeren koek zond, ging zij in haar toorn zoover, dat zij hem uit de mand op den grond wierp en met de voeten trapte. En Socrates? Die durfde alleen zeggen: „Wat hebt gij daar nu aan? Als gij den lekkeren koek niet had vertrapt, dan zoudt gij hem hebben kunnen opeten!”—Het schijnt, dat de meeste mannen te Athene hunne vrouwen niet meer weten te regeeren!—Bij mijn daemon,” vervolgde Alcibiades, nadat hij zijn beker geledigd had, „ik zeg het nog eens, de wereld raakt uit het oude spoor! Delos door eene aardbeving geteisterd, Theodota waanzinnig, de wijzen door hunne vrouwen geregeerd, ik zelf op het punt om de dochter van Hipponicus te trouwen, Sabazius-dienaars[317]in de straten, maanzieken op de daken, de Peloponnesus onder de wapenen, te Lemnos en op het naburige Aegina de pest—”

„Vergeet de zonsverduistering niet,” viel hem Demus in de rede; „tevens moet nog vermeld worden, dat er, naar men zegt, een spook rondwaart in het huis van Hipponicus.”—

„Is dat waar?” vroegen allen aan Callias, den zoon van Hipponicus.

„Ja, het is inderdaad zoo!” hernam deze, en vertelde, dat werkelijk een spook zich in zijns vaders huis vertoonde; dat Hipponicus peinzend en bleek en mager was geworden, dat hem de lekkerste spijzen niet meer smaakten en dat hij ’s nachts door de nachtmerrie gekweld werd—

„Daar hebt gij het al!” riep Alcibiades—„dus ook nog zonsverduisteringen, en spoken in de huizen van oude, lustige lekkerbekken. De drommel moge de wereld halen, als zij zoo somber begint te worden. Nog eens, mijne vrienden: op ten strijde, tegen de treurigheid der tijden, die zich dreigend aanmeldt!”

„Is het wel noodig daartoe opgewekt te worden?” riep de jonge Callias. „Bij Heracles! hebben wij dan niet gedurende dezen geheelen feesttijd ons best gedaan, als nooit te voren? Hebben wij den Metragyrt niet in het Barathron geworpen? Hebben wij ons niet prachtig gedragen, zooals men van de lustige Ithyphallers kon verwachten? En hadden wij niet de geheele Atheensche jeugd achter ons? Waren de Dionysiën te Athene ooit darteler en uitgelatener dan die thans zijn gevierd? Hebt gij het volk ooit zoo opgewekt en dol gezien? Heeft de wijn ooit in rijker stroomen gevloden? Is er ooit een grooter aantal jonge meisjes in het gedrang verleid geworden? Wemelde het ooit meer te Athene van bereidvaardige en gedienstige priesteressen van het genot? En waren zij ooit meer gezocht? Wat spreekt gij van sombere tijden, Alcibiades? Het is een vroolijke tijd, zeg ik. De wereld gaat vooruit in dartelheid en vreugde; niet achteruit, zooals[318]gij meent. En welke donkere, dreigende wolken zich ook ooit aan den hemel mogen vertoonen, hij zal weder helder worden! En zoo behoort het ook! Lang leve het genot!”

„Lang leve het genot!” galmde het van alle kanten en de bekers klonken, tegen elkaar.

„Callias, beste jongen, laat ik u omarmen!” riep Alcibiades en kuste zijn vriend. „Zoo hoor ik u en u allen gaarne spreken! Lang leve het genot! En opdat het eeuwig leve en groeie en bloeie onder het volk der Atheners, moeten de Ithyphallers eendrachtig samenwerken met de school, die Aspasia heeft gesticht. Op de Ithyphallers en op de school van Aspasia is de vaste burg gegrondvest van vroolijkheid, van alle bekoorlijke dartelheid en van allen levenslustig en moedwil! Daarom niet gepruild, Simaetha! Niet zoo preutsch, Prasina! Geen leelijk gezicht tegen Alcibiades getrokken, Drosis! Kom, lach eens weder, Simaetha! Gij zijt nooit zoo bekoorlijk geweest als thans. Bij Zeus! Voor één gullen, hartelijken lach van uw mond wil ik duizend drachmen, waarom ik gewed heb, verliezen en het dochtertje van Hipponicus nog een poos laten wachten!”

Nu wendden zich allen tot Simaetha, om haar te overreden zich met Alcibiades te verzoenen.

Aspasia zelve mengde zich in de zaak. „Mok niet langer tegen Alcibiades!” sprak zij. „Wanneer hij beweert, dat de school van Aspasia op een goeden voet moet staan met het gezelschap der Ithyphallers, dan kan hij gelijk hebben; doch alleen in zooverre, dat de uitgelatenheid der Ithyphallers betoomd en bedwongen moet worden door lieve vrouwenhanden. Wij moeten onzen bijstand den Ithyphallers niet onthouden, maar hun den teugel der rechte en schoone maat aandoen, opdat het heerlijke rijk der vreugde niet in ruwheid en woestheid onderga.”

„Wij onderwerpen ons aan u!” riep Alcibiades.„Wij willen Simaetha tot koningin met onbeperkte macht verkiezen in het rijk der vreugde.”—[319]

„Dat willen wij!” klonk het in ’t rond. „Waarom zouden de Ithyphallers zich niet beteugelen laten door zulke lieve handjes?”

In uitgelaten vroolijkheid werd de glimlachende, van bekoorlijkheid stralende Simaetha tot koningin van het feest uitgeroepen en tot onbeperkt heerschende vorstin van het rijk der vreugde.

Men richtte voor haar een heerlijken, met bloemen rijk getooiden troon op, men hulde haar in purpergewaad, een gouden diadeem werd op de lokken gedrukt, haar lichaam met kransen van rozen en viooltjes omslingerd.

Zij praalde in de volle betoovering van jeugd en schoonheid—eene echte koningin. Zelfs Aspasia’s oog rustte met bewondering op haar.

„Aspasia beheerscht het tegenwoordige,” riep Alcibiades, „u, Simaetha, behoort de toekomst!”—

De bekers werden gevuld met den bedwelmenden drank en ter eere van de schitterende koningin der vreugde geledigd.

„Door deze koningin beheerscht,” riepen de jongelingen, „zal het rijk der vreugde zich uitbreiden over den geheelen aardbol!”—

„Callias en Demus, neemt uwe duizend drachmen!” riep Alcibiades. „Ik geef de weddenschap verloren. Ik ga morgen nog niet naar Hipponicus. De vorst der Ityphallers sluit een nieuw verbond met de koningin der schoonheid en der vreugde! Den Gode zij dank! Zij lacht weder en hare tandjes blinken daarbij, als eene marmeren zuilenrij van het Parthenon!”

Daarop naderde de bekranste, door wijn en vurige liefde bedwelmde, vermetele jongeling het koninklijk uitgedoste, prachtige meisje, sloeg onder het gejubel zijner vrienden den arm om haar heen en wilde het gesloten verbond met een kus bezegelen.

Op dit oogenblik bemerkten allen, die hunne blikken op Simaetha gevestigd hielden, eensklaps, dat een geweldige kleur zich over haar gezicht verspreidde.[320]

Zij strekte de hand uit en weerde Alcibiades af, klagende over een plotselinge, geweldige hoofdpijn.

Tegelijk schenen hare lippen, droog van inwendige hitte, naar lafenis te snakken.

Men reikte haar een met wijn gevulden beker; zij wees dien echter terug en verlangde naar frisch koel water.—Zij sloeg beker op beker van het ijskoude vocht naar binnen, maar ’t was of slechts droppels op gloeiend ijzer vielen.

Nu bemerkte men ook dat hare oogen met bloed beloopen waren.

De tong van ’t meisje werd zwaar—schor, heesch klonk hare stem—zij begon over brandende zwelling der keel, van den mond, der tong te klagen.

Tegelijk overviel haar eene vreeselijke benauwdheid—krampachtige bewegingen vertoonden zich in de gewrichten der handen, het geheele lichaam beefde, het kille zweet droop van hare leden.

Men wilde haar naar haar vertrek, naar haar bed brengen: maar, als door een woesten angst gedreven, wenschte zij zich in eene bron, in een diep, koel water te storten,—zij wilde wegijlen, aan eene razende gelijk—slechts met geweld kon zij teruggehouden worden.

Men had Pericles geroepen.

Hij kwam. Hij zag den toestand van het meisje en verbleekte.

„Verwijdert u!” sprak hij tot de feestgenooten.

Hunne hoofden waren nog half beneveld van de Bacchische bedwelming.

„Waarom ontstelt ge zoo over den toestand van ’t meisje?” riepen zij. „Kent ge haar ziekte, zeg het dan!”

„Verwijdert u!” herhaalde Pericles.

„Wat is het, wat is het?” riep Alcibiades.

„De pest!” zeide Pericles op gesmoorden en zachten toon.

Hoe zacht het woord ook gesproken was, het viel als een donderslag in de vergadering.[321]

Allen verstomden, verbleekten, stoven uit elkander.

De meisjes begonnen te jammeren—Aspasia zelve werd doodsbleek, en verzorgde bevend en sidderend de door den dood aangetaste lieveling.

Het meisje werd weggevoerd. De feestgenooten begonnen zich verslagen in stilte te verwijderen.

Alleen Alcibiades herwon spoedig zijne bedaardheid, hij, de dronkenste van allen.

„Zoo zullen wij ons overwonnen geven aan de duistere machten?” riep hij en greep naar den beker. „Zou onze strijd te vergeefs zijn geweest?—Wat stuift gij uit elkander, mijne vrienden? Lafaards, die gij zijt! Als gij allen versaagt en u schandelijk overwonnen geeft, ik geef mij niet over! Ik trotseer ook de pest en alle verschrikkingen van den Hades!”

Op dezen toon sprak hij voort, tot hij ten laatste bemerkte, dat hij geheel alleen stond in het verlaten peristylium, te midden van verstrooide kransen en half geledigde of omgeworpen bekers.

Hij keek om zich heen met glazige oogen. „Hei daar, waar zijt gij, lustige Ithyphallers?”

„Alleen!” ging hij voort—„geheel alleen!—zij hebben mij allen verlaten—allen!—Het rijk der vreugde is verlaten en eenzaam—de sombere machten zegevieren”— —

„Het zij zoo!” riep hij ten laatste, den beker van zich werpende. „Vaarwel, schoone lust der jeugd! Ik ga naar Hipponicus!”

1De dronkenschap, roes.↑2Zie Deel Inoot 1 pag. 182.↑3De verleiding, begoocheling.↑4De overmoed, uitgelatenheid.↑5Lenaeüm (Leenaion) is de plaats te Athene, waar het Bacchusfeest, de Lenaeä, in de maand Lenaeön of Gamelion, d.i. de laatste helft van Januari en de eerste van Februari, gevierd werd.↑6Hamerling maakt hier gebruik van eene minder algemeen bekende mythe, dan die, volgens welke Theseus, met behulp van Ariadne, de dochter van Minos, den Minotauris in het labyrinth op Creta doodde en met haar huwde en vluchtte. Op het eiland Naxos werd Ariadne door de pijlen van Artemis gedood. De tweede legende, waarop hier gedoeld wordt is deze, datTheseusna de volbrachte heldendaad Ariadne trouweloos op Naxos achterliet, waar zij door Dionysus, die uit Indië zegevierend terugkeerde, werd gevonden en gehuwd. Na haar dood nam Dionysus haar op onder de Onsterfelijken en plaatste de kroon, die hij haar bij het huwelijk geschonken had, onder de sterren. Ariadne wordt dikwijls door de beeldende kunst voorgesteld aan de zijde van Dionysus, omstuwd door Bacchanten en rijdende op een panther.↑7Io werd door Hera in eene koe veranderd. Deze mythe is dichterlijk behandeld door Ovidius. Metamorph. I. vs. 568–748.↑8Dithyrambus is een bijnaam van Dionysus. Vandaar een lied te zijner eer (ook wel van andere Goden).↑9De schrijver zal bedoelen de „Smilax aspera”, eene Zuid-Europeesche klimplant, die in Italië en Griekenland, 30–50 voet hoog, om de platanen zich slingert (vgl. Salsaparille). De bloemen zijn welriekend en waren in de oudheid zeer gezocht, met klimop dooreengewoeld, voor kransen, vooral bij de Bacchus-feesten.↑10Sabazius komt als een bijnaam van Dionysus voor. Hij luidt ook wel Sebasius, terwijl nog verscheidene andere schrijfwijzen worden gevonden.↑11Sicinnis (Sikinnis) is eene Satyr-dans, naar den uitvinder Sicinnus naar de nimf Sicinnis alzoo genoemd.↑12Nymphagoog (numphagoogos) is hij, die de bruid uit het ouderlijk huis naar den bruidegom voert.↑

1De dronkenschap, roes.↑2Zie Deel Inoot 1 pag. 182.↑3De verleiding, begoocheling.↑4De overmoed, uitgelatenheid.↑5Lenaeüm (Leenaion) is de plaats te Athene, waar het Bacchusfeest, de Lenaeä, in de maand Lenaeön of Gamelion, d.i. de laatste helft van Januari en de eerste van Februari, gevierd werd.↑6Hamerling maakt hier gebruik van eene minder algemeen bekende mythe, dan die, volgens welke Theseus, met behulp van Ariadne, de dochter van Minos, den Minotauris in het labyrinth op Creta doodde en met haar huwde en vluchtte. Op het eiland Naxos werd Ariadne door de pijlen van Artemis gedood. De tweede legende, waarop hier gedoeld wordt is deze, datTheseusna de volbrachte heldendaad Ariadne trouweloos op Naxos achterliet, waar zij door Dionysus, die uit Indië zegevierend terugkeerde, werd gevonden en gehuwd. Na haar dood nam Dionysus haar op onder de Onsterfelijken en plaatste de kroon, die hij haar bij het huwelijk geschonken had, onder de sterren. Ariadne wordt dikwijls door de beeldende kunst voorgesteld aan de zijde van Dionysus, omstuwd door Bacchanten en rijdende op een panther.↑7Io werd door Hera in eene koe veranderd. Deze mythe is dichterlijk behandeld door Ovidius. Metamorph. I. vs. 568–748.↑8Dithyrambus is een bijnaam van Dionysus. Vandaar een lied te zijner eer (ook wel van andere Goden).↑9De schrijver zal bedoelen de „Smilax aspera”, eene Zuid-Europeesche klimplant, die in Italië en Griekenland, 30–50 voet hoog, om de platanen zich slingert (vgl. Salsaparille). De bloemen zijn welriekend en waren in de oudheid zeer gezocht, met klimop dooreengewoeld, voor kransen, vooral bij de Bacchus-feesten.↑10Sabazius komt als een bijnaam van Dionysus voor. Hij luidt ook wel Sebasius, terwijl nog verscheidene andere schrijfwijzen worden gevonden.↑11Sicinnis (Sikinnis) is eene Satyr-dans, naar den uitvinder Sicinnus naar de nimf Sicinnis alzoo genoemd.↑12Nymphagoog (numphagoogos) is hij, die de bruid uit het ouderlijk huis naar den bruidegom voert.↑

1De dronkenschap, roes.↑

1De dronkenschap, roes.↑

2Zie Deel Inoot 1 pag. 182.↑

2Zie Deel Inoot 1 pag. 182.↑

3De verleiding, begoocheling.↑

3De verleiding, begoocheling.↑

4De overmoed, uitgelatenheid.↑

4De overmoed, uitgelatenheid.↑

5Lenaeüm (Leenaion) is de plaats te Athene, waar het Bacchusfeest, de Lenaeä, in de maand Lenaeön of Gamelion, d.i. de laatste helft van Januari en de eerste van Februari, gevierd werd.↑

5Lenaeüm (Leenaion) is de plaats te Athene, waar het Bacchusfeest, de Lenaeä, in de maand Lenaeön of Gamelion, d.i. de laatste helft van Januari en de eerste van Februari, gevierd werd.↑

6Hamerling maakt hier gebruik van eene minder algemeen bekende mythe, dan die, volgens welke Theseus, met behulp van Ariadne, de dochter van Minos, den Minotauris in het labyrinth op Creta doodde en met haar huwde en vluchtte. Op het eiland Naxos werd Ariadne door de pijlen van Artemis gedood. De tweede legende, waarop hier gedoeld wordt is deze, datTheseusna de volbrachte heldendaad Ariadne trouweloos op Naxos achterliet, waar zij door Dionysus, die uit Indië zegevierend terugkeerde, werd gevonden en gehuwd. Na haar dood nam Dionysus haar op onder de Onsterfelijken en plaatste de kroon, die hij haar bij het huwelijk geschonken had, onder de sterren. Ariadne wordt dikwijls door de beeldende kunst voorgesteld aan de zijde van Dionysus, omstuwd door Bacchanten en rijdende op een panther.↑

6Hamerling maakt hier gebruik van eene minder algemeen bekende mythe, dan die, volgens welke Theseus, met behulp van Ariadne, de dochter van Minos, den Minotauris in het labyrinth op Creta doodde en met haar huwde en vluchtte. Op het eiland Naxos werd Ariadne door de pijlen van Artemis gedood. De tweede legende, waarop hier gedoeld wordt is deze, datTheseusna de volbrachte heldendaad Ariadne trouweloos op Naxos achterliet, waar zij door Dionysus, die uit Indië zegevierend terugkeerde, werd gevonden en gehuwd. Na haar dood nam Dionysus haar op onder de Onsterfelijken en plaatste de kroon, die hij haar bij het huwelijk geschonken had, onder de sterren. Ariadne wordt dikwijls door de beeldende kunst voorgesteld aan de zijde van Dionysus, omstuwd door Bacchanten en rijdende op een panther.↑

7Io werd door Hera in eene koe veranderd. Deze mythe is dichterlijk behandeld door Ovidius. Metamorph. I. vs. 568–748.↑

7Io werd door Hera in eene koe veranderd. Deze mythe is dichterlijk behandeld door Ovidius. Metamorph. I. vs. 568–748.↑

8Dithyrambus is een bijnaam van Dionysus. Vandaar een lied te zijner eer (ook wel van andere Goden).↑

8Dithyrambus is een bijnaam van Dionysus. Vandaar een lied te zijner eer (ook wel van andere Goden).↑

9De schrijver zal bedoelen de „Smilax aspera”, eene Zuid-Europeesche klimplant, die in Italië en Griekenland, 30–50 voet hoog, om de platanen zich slingert (vgl. Salsaparille). De bloemen zijn welriekend en waren in de oudheid zeer gezocht, met klimop dooreengewoeld, voor kransen, vooral bij de Bacchus-feesten.↑

9De schrijver zal bedoelen de „Smilax aspera”, eene Zuid-Europeesche klimplant, die in Italië en Griekenland, 30–50 voet hoog, om de platanen zich slingert (vgl. Salsaparille). De bloemen zijn welriekend en waren in de oudheid zeer gezocht, met klimop dooreengewoeld, voor kransen, vooral bij de Bacchus-feesten.↑

10Sabazius komt als een bijnaam van Dionysus voor. Hij luidt ook wel Sebasius, terwijl nog verscheidene andere schrijfwijzen worden gevonden.↑

10Sabazius komt als een bijnaam van Dionysus voor. Hij luidt ook wel Sebasius, terwijl nog verscheidene andere schrijfwijzen worden gevonden.↑

11Sicinnis (Sikinnis) is eene Satyr-dans, naar den uitvinder Sicinnus naar de nimf Sicinnis alzoo genoemd.↑

11Sicinnis (Sikinnis) is eene Satyr-dans, naar den uitvinder Sicinnus naar de nimf Sicinnis alzoo genoemd.↑

12Nymphagoog (numphagoogos) is hij, die de bruid uit het ouderlijk huis naar den bruidegom voert.↑

12Nymphagoog (numphagoogos) is hij, die de bruid uit het ouderlijk huis naar den bruidegom voert.↑


Back to IndexNext