XXIV.

[Inhoud]XXIV.DE SATYR EN DE BACCHANTE.In dien merkwaardigen nacht, waarin Simaetha tot koningin der vreugde bij het vroolijke maal in Pericles’ woning werd gekroond en de gloed[322]van de fakkels der Bacchanten in alle straten van Athene schitterde, in dien zelfden nacht zat bovenop de eenzame, stille Acropolis, op den donkeren gevel van het Parthenon, een ongeluksvogel, een somber starende uil, die herhaaldelijk zijn nachtelijk, huiveringwekkend, onheilspellend gekras deed hooren.Eenzaam zat weder bij de doodsponde van den grooten Helleen, roerloos en marmerbleek, Aspasia.Eenzaam zat weder bij de doodsponde van den grooten Helleen, roerloos en marmerbleek, Aspasia.Van de straten der stad steeg het vreugdegejuich naar boven en onder die klanken mengden zich zonderling de nachtelijke klaagtonen van den uil op den gevel van het Parthenon.Verre in den omtrek weerklonken, zij in de donkere ruimte van de tinnen der Acropolis af, als eene doodstijding.En waarlijk zoo was het.Want juist op het oogenblik, dat de jonge Alcibiades en zijne makkers ten toppunt van jeugdige uitgelatenheid hunne bekers ophieven bij het festijn in het huis van Pericles en een dronk wijdden aan de bekoorlijke koningin der vreugde—in dit zelfde oogenblik stierf Phidias in den kerker—in dit zelfde oogenblik blies de onsterfelijke meester van het Parthenon, sinds geruimen tijd door eene slepende ziekte aangetast, eenzaam den laatsten adem uit.In die ure echter, waarin de verhevenste Hellenenziel, het middelpunt van de luisterrijkste Atheensche scheppingskunst, in den donkeren kerkernacht haar stoffelijk hulsel verliet en Aspasia Pericles de woorden toevoegde: „Gij zijt geen Griek meer!”—in die ure was het, als werd niet alleen het heerlijke verbond van Pericles en Aspasia verscheurd, maar ook een vlijmend zwaard scheen te gaan door het hart der Helleensche wereld:—’t was alsof hare ster verduisterde, en nevens het zegevierend gekras van den uil op het Parthenon klonk een boosaardig geschater van grijnzende daemonen in de lucht boven de hoogte der Acropolis.DeErechtheüs-priesterontwaakt bij het uilengekras, op zijn nachtelijk leger. Hem klonk het geroep van den uil als de blijde mare in ’t oor: „Op, uw tijd is gekomen!”[323]En de daemonen fluisterden elkander toe: „Nu eindelijk is ons de macht gegeven los te breken!—Op, laten wij ons neder op Athene, neder op Hellas!”Aan ’t hoofd van dezen zwerm ongeluks-daemonen vlogen de Tweedracht en de Pest.De laatste breidde hare vale vleugelen uit en vloog alle anderen voorbij; zij streek neder op de in nacht gehulde, van het getier der Bacchanten weergalmende stad der Atheners.Zij zocht naar de plaats, waar feestvreugde het vroolijkst tierde—zij vond deze plaats en stortte zich als een gier neder op de bekoorlijke, jonge koningin der vreugde in Pericles’ woning.Het schoonste en bloeiendste Helleensche meisje, aan wie, zooals Alcibiades meende, de toekomst behoorde, was het eerste slachtoffer van een daemon.Er zijn tijden, waarin met het inwendig bederf, met de omkeeringen der zedelijke wereldorde, met de verzwakking en ontaarding, tevens groote physische rampen gepaard gaan, waardoor de harmonie en de orde der zedelijke en stoffelijke wereld te gelijk schijnen vernietigd te worden.Zulk een tijd brak thans voor Athene aan, zulk een tijd brak thans aan voor geheel Hellas.Aan het inwendige verterend verderf van den staat, zooals het langzaam en allengs voorbereid was door toenemende weelde en genotzucht, door het hand over hand toenemen van de losbandige demagogie1, het meest echter door den natuurlijken loop der menschelijke zaken, die met ijzeren noodwendigheid van bloei tot verval en ontaarding voert—aan dit inwendig verderf paarde zich het uitbreken van bloedige veeten onder de stammen van Hellas, waaruit ten laatste niemand als overwinnaar te voorschijn trad, maar waardoor integendeel de welvaart en de vrijheid van allen gemeenschappelijk te gronde gingen; en hierbij[324]voegden zich de gruwelen der pest, die moorddadige ziekte.De Helleensche „kalokagathia”2moest verbroken worden—niet meer moest het zijn: „eene gezonde ziel in een gezond lichaam,” waarop zich het Helleensche leven had mogen beroemen.—Snel had zich de mare van het eerste pestgeval ten huize van Pericles in de geheele stad der Atheners verspreid, en eensklaps maakte de uitgelaten Bacchantische feestvreugde plaats voor den bleeken angst, voor verlammende bezorgdheid.Andere doodelijke pijlen van den engel des verderfs werden afgeschoten en binnen weinige dagen woedde reeds de pest in al hare verschrikkingen3.Evenals bij Simaetha geschied was, placht de ziekte met groote verhitting van het hoofd uit te breken, tegelijk met ontsteking in de keel. Bloedige etter werd uit de keel, uit de mondholte, zelfs uit de tong afgescheiden. Voorts werd de borst aangetast en onder hevige hoestbuien werd weinig en dun speeksel met moeite opgegeven. Geweldige suizingen in de ooren volgden, krampen in de hand, eene beving over het geheele lichaam, een gevoel van angst en onrust, tot waanzin stijgend, een verterende dorst, inwendige brand, zoo fel, dat zij menigeen naar de regenputten dreef. Soms ook, op de ingewanden slaande, veroorzaakte de ziekte een hevig braken. Die huid was rood, somwijlen donkerblauw, met zweren en blaren bedekt. Evenwel ontbraken, naar ’t schijnt, hier, evenals bij de overige pestziekten, waarvan de Oudheid gewaagt, die builen, welke als ’t voornaamste kenteeken bekend zijn van de zoogenaamde Oostersche pest, dien in latere tijden zoo gevreesden geesel der volken.Tot aan den achtsten dag woedde doorgaans de ziekte; dan volgde de dood bij holle oogen, spitsen[325]neus, terwijl het lichaam op het gevoel koud en ruw was. Niet ongedeerd kwamen zelfs de herstelden er af. Want menigmaal sloeg de ziekte op de uiterste deelen des lichaams: voeten, handen en andere ledematen verstierven, verlamd of aangegrepen door het brandend vergif. Ook het gezicht ging niet zelden verloren. Het geheugen en ’t verstand leden er onder; menige herstelde bleef krankzinnig en er waren er, die zich zelfs hunne namen noch die hunner vrienden herinnerden.Zonder uitwerking bleven alle geneesmiddelen. Op raad van Hippocrates werden er groote vuren gebrand, daar men meende opgemerkt te hebben, dat smeden, die aanhoudend in de nabijheid van vuur arbeidden, zeldzamer door de ziekte werden aangegrepen.Maar het geweld van de ziekte nam steeds toe.Daar de wetenschap machteloos bleek, zocht men hulp bij het bijgeloof. Nooit werden de tallooze gebruiken van zoenoffers, reinigingen, bezweringen, die den Hellenen ten dienste stonden, met meer ijver betracht.In de eerste weken weergalmde de stad van de jammerklachten der stervenden; zij was vol van lijkstatiën, die de door de pest weggeraapte ter begrafenis brachten naar de graven of brandstapels.Maar toen de sterfte toenam en de besmetting, die van de kranken en de lijken uitging, angst en ontzetting verbreidde, zelfs velen eenzaam en verlaten in de ontvolkte huizen, ja op de straten stierven, toen werd op de heilige gebruiken geen acht meer geslagen. Niet meer werd den doode zijn obolus voor den veerman in de onderwereld4in den mond gestoken, niet meer werd hem de koek, om den helhond te bedwingen, in de hand gedrukt, niet meer werd hij zorgvuldig gebaad en met welriekende oliën gezalfd, niet meer werd hij, fraai gekleed en bekranst met klimop, op een leger in[326]het peristylium van het huis tentoongesteld, niet meer gingen luid weeklagenden de lijkstatie vooruit, niet meer werd hij vereerd door een lange rij van rouw dragers, door doodmalen en doodenoffers, door het anders gewone rouwgewaad, dat door de overblijvenden werd aangenomen: haastig en zonder misbaar, ja bijna zonder eenig geleide droeg men ze uit, de tallooze lijken en stopte ze onder den grond of lei ze op brandstapels. Ten laatste echter gebeurde het, dat men zelfs dezen plicht van eer, den dooden verschuldigd, die den Helleen altijd als een der heiligsten had gegolden, verwaarloosde. In uitgestorven woningen bleven de laatste lijken liggen, aan het verderf ten prooi. Men vond zelfs dooden in ledige tempels, waarheen de stervenden zich wellicht hadden gesleept, om de hulp der Goden in te roepen; men vond er ook velen bij de bronnen, werwaarts zij, door inwendigen gloed verteerd, gekropen waren om de droge lippen te laven: en als het akeligste en afschuwelijkste, vond men zelfs lijken in het water der regenputten, waarin de lijders door inwendige hitte verteerd, zich geworpen hadden. Weldra werd het verkwikkende bronnat slechts met vrees en huivering beschouwd—het kon toch verontreinigd zijn door afschuwelijke verrotting.—In de straten lagen de lijken opgehoopt van dezulken, die òf zich zelven daarheen gesleept hadden òf ontzield uit de huizen waren gedragen en in overijlde haast daar neergelegd, òf zelfs van de daken afgeworpen waren, ten einde er, in den wanhopenden angst, ten spoedigste van bevrijd te zijn.Als men dan deze lijken bijeen zamelde, bracht de afschuw van den Helleen voor de aanraking van doode lichamen, gepaard met den angst voor besmetting, de gemoederen in zoodanige verbijstering, dat stervenden onder dooden, bewusteloozen onder rottende lijken vermengd werden.Waar door aanverwanten een brandstapel ter verbranding van een afgestorvene was opgericht, daar drongen anderen met hunne dooden er bij en wilden ook deze in dezelfde vlammen werpen,[327]totdat het vuur door de menigte lijken verdoofde en een woeste strijd ontstond om de smeulende brandstapels.Men meende op te merken, dat de roofvogels en wilde dieren, hoe gretig ook op aas, de onbegraven, aan de pest gestorven dooden, niet aanraakten. Deden zij het echter, dan werden zij zelven weldra eene prooi der ziekte en vielen dood ter neder. Dit gebeurde ook dikwijls met de honden.De vrees voor besmetting vervreemdde de menschen van elkander. De Agora werd ledig, de worstelscholen bleven onbezocht, het volk durfde zich niet meer op de Pnyx verzamelen. De deuren der huizen waren òf vast gesloten omdat men elke aanraking afweerde, òf stonden geheel open, omdat het huis ledig was en uitgestorven. De vrees verscheurde zelfs de banden des bloeds. Ook zagen velen zich aan de willekeur der slaven prijs gegeven, daar dezen zich thans voor vroegere onderdrukking wreekten door ongehoorzaamheid, trots, het weigeren van hulp, diefstal en onbeschaamde plundering.Bittere smart wisselde in de gemoederen af met stompzinnige onderwerping. Niet weinigen echter dreef het verlangen om zich te bedwelmen tot woeste uitgelatenheid en tot onbeteugelden lust van genot. Men zocht moed of vergetelheid in verbijstering.De dolle Meno echter verachtte onverschrokken het gevaar en lachte er om. Hij was overal te vinden, waar de pest in hareafschuwelijkstevormen heerschte. Het liefst scheen hij onder lijken te vertoeven. Men zag hem menigwerf op een hoop doode lichamen zitten, alsof hij zich verheugde over het onheil, en hij spotte met het laffe volk, dat de lijken en hem zelven den verpeste, ontvlood. En daar men opmerkte, dat juist hij, die in dronken overmoed het gevaar tartte, verschoond bleef, vermeerderde het getal van hen, die hetzelfde deden. Weldra waren de straten en pleinen aan dronken onverlaten prijs gegeven, die als ’t ware der Koningin[328]Pest een feestdronk wijdden en lachend hare verschrikkingen trotseerden. Juist dezen waren het ook, die voor geld zich lieten overhalen, om de dooden uit de huizen weg te dragen of in de straten te zoeken en ze ter begraving of ter verbranding wegbrachten. Zij oefenden hun handwerk uit met de ruwe driestheid van menschen, die het niets achten hun leven op het spel te zetten. Zij eischten en namen wat hun lustte, plunderden en roofden, en pleegden in de huizen, waarin hun bedrijf hen voerde, allerlei gewelddadigheden. Ontzag voor de wet bestond er niet meer; want de werkzaamheden der gerechtshoven waren reeds geruimen tijd gestaakt en de misdadiger dacht, dat de pest òf hen, die hem zouden kunnen aanklagen, zou wegrapen, òf hem zelven van de noodzakelijkheid zich te verantwoorden ontheffen.Maar niet alleen mannen uit de armere en laagste klassen veroorloofden zich de ruwe uitspattingen, ook gegoeden deden hetzelfde: vooral was het de jeugd, die op zulke wijze zich tegen den indruk der haar omringende ellende zocht te wapenen. Velen zagen zich plotseling rijk geworden, doordat de nalatenschap hunner ouders, hunner broeders en zusters of verwanten eensklaps hun deel werd. Daar zij echter moesten vreezen weldra een dergelijk lot te zullen ondergaan, als zij van wie zij geërfd hadden, zochten zij hunne erfenis zooveel mogelijk in genot en in bedwelmende, woeste uitspattingen te verteren. Bij ’t zien van deze plotseling rijk gewordenen kwam ook bij anderen de verwachting op, zich in een dergelijk lot te zullen verblijden: uit die verwachting wederom ontkiemden de hoop en een misdadig verlangen.Zoo werden ook in dit opzicht de zedelijke banden al zwakker en zwakker, en de overlevenden verheugden zich over de voordeelen, die uit den jammer der algemeene sterfte voor hen voortvloeiden.Schoon ook de pest met hare vreeselijke gevolgen bij velen de genotzucht tot eene ziekelijke[329]hoogte opdreef, gold echter ook hier de algemeene regel, dat de uitersten elkander raken of het eene uiterste tot het andere overslaat. Bij die teugellooze genotzucht, breidde ook het sombere bijgeloof hoe langer zoo meer zijne heerschappij uit. Weldra hoopten zij, die nog zooeven in woeste dronkenschap en uitgelatenheid heul hadden gezocht, eene nieuwe kracht en een nieuwen troost te vinden in bijgeloovige vereering der Goden.Mannen als Diopithes traden op, die de ramp, waardoor Athene bezocht werd, als eene straf voorstelden voor de vroegere verachting der Goden, en de woede des volks keerde zich tot hen, die door Diopithes en zijns gelijken als de hoofdoorzaken van den toorn der Goden aangewezen werden.Nu herinnerde men zich ook dien geheimzinnigen Sabazius-dienst en er werd gesproken van den Metragyrt, die in het gapende Barathron door de overmoedige, dronken Ithyphallers was geworpen. Er werden thans velen gevonden, die meenden, dat men wellicht ten onrechte dien Heiland Sabazius had versmaad, dien Verlosser van alle kwalen, en dat de misdaad, aan den onschuldigen Metragyrt begaan, de eigenlijke oorzaak was van den toorn der Goden en vooral van de wraak des beleedigden Sabazius. Hem te verzoenen, meenden zij, was nu de eerste plicht en het eenige geneesmiddel tegen de menschenverdelgende pest. Zekere te Athene wonende vrouw, eene vreemdelinge, Ninos geheeten, die zich op alle toovenarijen en geheimzinnige zaken verstond, wierp zich tot priesteres van Sabazius op, dien zij den volke zou prediken. Zich te laten wijden tot den dienst van dezen God gold weldra als heiliging en redding. Met zonderlinge gebruiken werd die plechtigheid des bijgeloofs voltrokken: ’t vel eener ree werd den profaan omgehangen, een gewijde drank hem aangeboden; met klei en leem werd hij ingewreven en eene slang werd om zijn borst gewonden. Hij zat daarbij op den grond en met den uitroep: „De ramp ontkwam ik, het betere bekwam ik” stond hij op, nadat[330]de wijding volbracht was. Een nachtelijk Bacchanaal verbond de sombere plechtigheden met de Orgiën der zinnen. Zoo vond uitspatting en bijgeloof zich in den Sabazius-dienst vereenigd. Men zag talrijke omgangen ter eere van Cybele en Sabazius. Velen waren er, die het voorbeeld der Metragyrten volgden en de Sicinnis dansten, terwijl zij zich daarbij geeselden en verwondden. Maar ook de aanhangers van den Phrygischen God5beroemden zich de pest te kunnen stuiten. Zij plaatsten den kranke op een stoel en dansten daaromheen onder woest getier. Zich in deze reien te mengen, gold voor de gezonden als een behoedmiddel tegen de ziekte.Zoo ver was het gekomen met het volk der Atheners!Wat Aspasia gevreesd had en meende te kunnen verhinderen, geschiedde: vreemde en sombere gebruiken drongen door in de heldere en schoone Grieksche wereld, om, zij ’t ook niet terstond tot eene volledige zegepraal te geraken, toch datgene voor te bereiden en te verkondigen, waarin het Helleensche leven als eene heldere ster achter donkere wolken zou ondergaan.Terwijl te Athene de vreeselijke pest domme vertwijfeling en verbijsterenden waan uitbroedde en voor een vreemd bijgeloof den weg baande, dat niet meer onschuldig was als het inheemsche en overoude, maar integendeel aan den wortel van ’t gezonde leven knaagde, bedreigden verschrikkingen van een anderen aard het Attische land.De oorlog was opnieuw ontbrand. Andermaal viel het Peloponnesische leger in de landouwen van Attica en drong hare bevolking naar de stad: andermaal was eene sterke vloot, ditmaal door Pericles zelven aangevoerd, uitgeloopen, en wederom dwongen de overwinningen, die zij op de kusten van[331]de Peloponnesus behaalde, den Spartaanschen koning tot overhaasten terugtocht. Doch Potidaeä bood nog steeds weerstand, Corinthe moest belegerd worden en nu eens hier dan weder daar sloeg in de koloniën en verbonden steden de vlam des oproers in lichte laaie uit.Om Aspasia en zijne beide zoons, Paralus en Xanthippus, aan het dreigend gevaar te onttrekken, had Pericles hun voor den tijd zijner afwezigheid zijn landgoed tot verblijf aangewezen. Derwaarts begaf zich Aspasia met haar gansche gezin. Doch het onheil volgde ook hier, en uit de kweekschool van schoonheid en vernuft werden, na Simaetha, ook Drosis en Prasina weggemaaid. Zij waren door den zegevierenden Pericles uit de gevangenis te Megara bevrijd, slechts om te Athene in den bloei harer jeugd aan den vreeselijken doodsengel ter prooi te vallen.Wie het kon, ontvluchtte, evenals Aspasia, de verpeste stad en begaf zich naar de landelijke vlekken of de nabijgelegen eilanden, waar het gevaar geringer scheen.Uiteengescheurd was de vriendenkring van Aspasia. Euripides had reeds voor eenigen tijd Athene verlaten. Hij was een menschenhater geworden en leefde op Salamis in stille afzondering; ’t liefst bracht hij zijn tijd door in die grot aan het strand, waarin hij onder ’t gekletter der wapenen en het gekraak der schepen het levenslicht had aanschouwd. Hier zat hij eenzaam en alleen, en verdiepte zich in gepeinzen, met het oog op de zee gevestigd, en niets verlangde hij van Athene te hooren, dan wat de baren hem toefluisterden, die van daar aanrollend, voor zijne voeten in schuim spatten.Sophocles leefde nog als te voren in zijne landelijke lustgaarde aan den Cephissus-oever en het hoofd van den lieveling der goden bleef daar gespaard voor den geesel, dien het Noodlot over de Atheners zwaaide. Opgeruimde, levenslustige wijsheid was zijne trouwe gezellin gebleven en had hem geleerd het lot van Pericles te ontwijken,[332]aan niets zijn hart te zeer te hechten en den ernst des levens geene te groote macht over zijn gemoed te verleenen.Ook het hoofd van Socrates bleef ongedeerd door den geesel, hoewel hij het broeinest der vreeselijke ziekte niet verliet, onverschrokken Athene’s straten doorwandelde, de menschen opzocht in hunne ellende, en overal, waar hij kon, hulp en troost gaf.De jonge Alcibiades had intusschen de dochter van Hipponicus, de bloeiende Hipparete, als gade zijn huis binnengevoerd.Ook hij trotseerde met zijn ouden overmoed de verschrikkingen der pest, hoewel hij zag dat de toorn der Goden de Ityphallers niet spaarde en de pest een zijner liefste vrienden, den jongen Demus, den zoon van Pyrilampes, van zijne zijde wegraapte. Toen Pericles met de galeien uitzeilde, bevond Alcibiades zich onder zijn gevolg. Daarom konden de Sabazius-dienaars hun eeredienst verrichten,zondervrees van de woeste Ithyphallers en het gapende Barathron.De pest nam een weinig af, zooveel ten minste, dat de burger ook weder aan den staat begon te denken en de stad der Atheners van ’t geen haar onmiddellijk had bedreigd, den blik weder kon richten naar hetgeen haar op grooten afstand boven ’t hoofd hing. Opnieuw was de krijgstrompet gestoken, doch de gemoederen waren versaagd: de strijdbare manschap was door de pest gedund en ook op de vloot en vóór Potidaeä zwaaide de doodsengel zijn geesel. Zegevierend streed ook thans Pericles met zijne vloot op de Peloponnesische kust. Doch wat baatte het, dewijl allengs geheel Hellas in partijschappen verdeeld, in den maalstroom werd medegesleept, zoodat de krijg hier verflauwd, ginds weder met nieuwen gloed ontbrandde? Wat nut hadden de zegepralen van Pericles, daar niet alleen de twee groote tegenstanders, maar ook hunne bondgenooten, slaags raakten, terwijl deze zelven echteròfaltijd weifelden òf van partij veranderde?[333]Het opperbevel van één enkele was niet meer mogelijk; wat hier werd veroverd, ging op een verder gelegen punt weder verloren; nergens bood de vijand een beslissenden slag aan; in tallooze kleine gevechten werd de groote Helleensche krijg verbrokkeld.Op de mare, dat het moedelooze Atheensche volk onderhandelingen met Sparta aan wilde knoopen, keerde Pericles haastig naar Athene terug. Hij hoopte de Atheners met nieuwen moed te bezielen, eene schandelijke vertwijfeling te verhinderen. Maar de Atheners, gedwee en verlamd geworden door de zware bezoeking, waren gunstiger dan ooit gestemd voor de geheime plannen der demagogen en van Diopithes.DeErechtheüs-priesterwas door de pest aangetast geweest, doch weder genezen. Sedert dien tijd was zijn woeste, fanatieke ijver nog grooter geworden. Eene besturing der Goden zag hij in zijne redding uit het doodsgevaar.’t Gebeurde op zekeren dag, dat een hoopje burgers op de Agora om een man verzameld was en naar zijne woorden luisterde. Want langzamerhand waagden de Atheners het weder elkander te naderen, terwijl nog kort te voren de een den ander als de pest zelve had geschuwd.De man, die te midden van het hoopje toehoorders stond, was een van die moedige en vrijzinnige mannen, wier tong thans bij wijlen weder scheen losgemaakt. Hij verstoutte zich niet alleen onverholen tegen de demagogen te ijveren en ten krachtigste Pericles te verdedigen, maar ook het bijgeloof te veroordeelen, dat zich van het Atheensche volk had meester gemaakt. Daar zich onder de toehoorders vele aanhangers van Diopithes en Cleon bevonden, ontstond er weldra een hevige woordenstrijd en de onversaagde kampioen werd ten laatste door de op hem losstormende tegenstanders aangegrepen en mishandeld.Op dit oogenblik kwam deErechtheüs-priesterdaarlangs, vergezeld door eene menigte zijner aanhangers[334]en vrienden.Toen hij hoorde dat die man Pericles verdedigd en het vertrouwen der Atheners op de Goden een kleinmoedig bijgeloof had genoemd, namen de trekken van den priester de uitdrukking van onheilspellende toorn aan.Hij hield een tijdlang zijne oogen strak ten hemel gewend, alsof hij zich in den geest onmiddellijk met de Hemelingen onderhield, en begon toen tot het volk te spreken.„Weet dan, gij Atheners,” sprak hij, „dat de Goden mij dezen nacht een droom toezonden en mij te rechter tijd op deze plaats hebben doen komen. Te Athene is schuld op schuld gestapeld gedurende eene lange reeks van jaren: Sophisten en godloochenaars hebben u verdwaasd, hetaeren hebben u beheerscht, tempels en godenbeelden zijn er opgericht, niet ter eere der Goden, maar tot ijdele pronk en tot verderf van het eenvoudige en vrome geloof der vaderen. Tot straf voor uwe verbastering, godloochening en weelderigheid treft u nu datgene wat gij lijdt. Niet voor de eerste maal ontlast zich de toorn der Goden over de Hellenen. En gij weet op welke wijze de toorn der Goden in overoude tijden pleegde afgewend te worden. Gij weet, dat de Goden somwijlen alleen door het hoogste aller offers, door een menschenoffer, konden worden verzoend. Grijpt dezen godslasteraar: zijn leven is bovendien reeds door zijne misdadige godloochening volgens de wet verbeurd verklaard. Hij is een misdadiger, reddeloos een kind des doods. Maar in plaats van door de hand van den scherprechter zijne straf te ondergaan, moet hij, volgens het overoude, half vergeten gebruik, den Goden als zoenoffer gebracht worden, moet hij onder de toonen der muziek door de straten geleid en verbrand worden en zijne asch naar alle windstreken verstrooid!”Terwijl de priester sprak, had zich steeds meer volk verzameld. Daaronder ook Pamphilus. Toen hij hoorde, dat men den vriend en verdediger van[335]Pericles te lijf wilde gaan, was hij onmiddellijk bereid te helpen.„Ginds aan den oever van den Illissus,” sprak hij, „branden dag en nacht de brandstapels, waarop de door de pest weggemaaiden verteerd worden. Op een van die lustig flikkerende vuren zal ook nog wel een plaatsje zijn voor hem!”Daarbij greep hij zelf het eerst den schuldige aan en eene menigte der meest woesten onder zijne makkers voegde zich bij hem om den ongelukkige voort te sleepen.Thans kwam Pericles op de Agora, voornemens om zich naar het buleuterium6te begeven. Hij zag de opschudding en vroeg naar de oorzaak daarvan.Luid klonk het uit de woeste en opgewonden menigte dat de Goden een zoenoffer verlangden en dat men juist van plan was dit in den persoon van den misdadiger en godloochenaar Mechillus te gaan brengen.Pericles drong zich midden tusschen het volk, terwijl hij met woorden en gebaren zijne afkeuring te kennen gaf. Diopithes trad hem te gemoet.En nu stonden de beide mannen, de hoofdaanvoerders van den grooten strijd, die sedert jaren te Athene gestreden werd en der beslissing steeds meer en meer naderde, voor de eerste maal persoonlijk als in een tweegevecht tegenover elkander.„Terug, Alcmaeönide!” riep deErechtheüs-priester. „Wilt gij ook nu weder den Goden onttrekken wat hun toekomt en wat zij gebiedend verlangen? Wilt gij het volk der Atheners beletten het schuldige zoenoffer te zoeken en eindelijk redding te verkrijgen uit den nood waarin niemand anders dan gij zelf hen hebt gestort? Ziet gij niet, waarheen uwe verblinding dit vroeger door de Goden rijk gezegende volk heeft gevoerd? Uw werk is het, dat het zich van de oude, vrome zeden heeft afgekeerd, dat het naar rijkdom, genot[336]en ijdelen glans heeft gestreefd, dat het het valsche licht is gevolgd en geluisterd heeft naar de woorden der godloochenaars!”„En gij, Diopithes?” antwoordde Pericles op ernstigen, bedaarden toon, „waarheen denkt gij het volk der Atheners te voeren? Tot dweepzieken moord van burgers—tot hernieuwing van ruwe en onmenschelijke wreedheden, waarvan de Helleensche geest, vooruitgaande op de baan der ontwikkeling en humaniteit, reeds sinds eeuwen zich met afgrijzen heeft afgewend!”„Dank den Goden, Pericles!” riep Diopithes, „dat zij dezen man in onze hand hebben gegeven—dank den Goden, dat zij zich voor het oogenblik met het bloed van dezen man tevreden stellen! Want als zij den waren schuldigen van ons eischten, den schuldigste uit het geheele volk der Atheners, weet gij wien wij dan moesten vatten en aan de vlammen prijsgeven? Evenals eens de ziener Tiresias den overmoedigen, hoovaardigen Oedipus, zoo moesten wij u toeroepen: Alcmaeönide, gij zijt de schuldige, gij zijt de oorzaak van den toorn der Goden! Een oude vloek rust op uw geslacht! Door u, door uwe handlangers en vrienden is Athene goddeloos geworden, door u is de rampzalige krijg over ons losgebarsten en de ergste geesel in de handen der Goden, de pest, behoorde, tot volledige verzoening door geen ander dan door uw bloed afgewend te worden!”—„Als het zoo is, als gij zegt,” hernam Pericles rustig, „laat dan dien man los en offer dengene, die u de schuldigste schijnt!”Tegelijkertijd bevrijdde Pericles den ter dood gewijde uit de hand van Pamphilus. Met een grijnslach van innig welgevallen liet deze zijne eerste prooi los en sloeg onmiddellijk, verheugd om den ruil, de hand aan den hem gehaten, thans zich zelven ten offer biedenden strateeg.„Wat aarzelt gij?” zei Pericles tot de verbaasde Atheners, die stilzwegen en zich niet verroerden. „Denkt gij, dat ik mij alleen heb aangeboden in[337]de verwachting door u ontzien te worden? Gelooft mij, Atheners, dat het mij vrij onverschillig is, of gij mij spaart dan of gij mij ter dood brengt! Tot het schoonste geluk, den schitterendsten glans, het volle licht der waarheid en der vrijheid meende ik Athene nader gebracht te hebben, en nu zie ik, dat een door de godheid beschikte omkeer—of is ’t een vloek, die met den natuurlijken loop der wereld gepaard gaat?—ons wederom overweldigt en terugvoert naar nacht en dwaling; dat niet alleen uitwendige rampen over Hellas losbreken, maar ook in onzen eigen boezem allengs donkere machten over de heldere en ware zegevieren! Ik dank den Goden, als ik den luister en bloei van mijn vaderland niet overleef!—doodt mij!”Sprakeloos en roerloos stonden nog altijd de Atheners. Pamphilus werd ongeduldig.Thans trad een man uit de menigte te voorschijn en zeide, terwijl hij zich bereidde om weg te gaan: „Als gij Pericles wilt dooden, doe het dan zonder mij. Ik wil daar niets van zien. Mij heeft hij eens in Thracië, toen ik zwaar gewond was, met eigen handen gered, terwijl alle anderen voor de overmacht der vijanden vluchten en mij in de hand des vijands wilde achterlaten.”„Ook ik ga!” riep een tweede. „Ik kreeg van hem in den Samischen oorlog genade, toen de andere strategen, op mij gebeten, mij om een gering vergrijp ter dood wilden veroordeelen.”„Ook ik wil met de zaak niets te doen hebben,” zei een derde; „ook mij heeft Pericles door zijne voorspraak geholpen, toen ik bij alle overheden te Athene geen recht kon krijgen.”„Ook mij! ook mij!” klonk het uit de menigte, en steeds grooter werd het getal der mannen, die zich van den troep afscheidden.„Door de opzettelijke schuld van Pericles heeft geen Athener ooit rouw gedragen!” klonk het7.[338]Pamphilus hield zijn offer, dat hem dreigde te ontgaan, krampachtig vast.„Laat Pericles los, Pamphilus!” riepen eenigen. Daarop schreeuwden nog meerderen hetzelfde en eindelijk ging er maar één kreet uit de gansche menigte op:„Laat Pericles los, Pamphilus!”—Aan dezen man konden de Atheners zelfs in hunne slechtste oogenblikken zich niet vergrijpen.„Nog eens hebt gij gezegevierd!” riep Diopithes honend den bevrijden Pericles toe. „Maar wellicht is dit de laatste uwer triomfen. Op uw hoofd werp ik de schuld, als de Goden onverzoend blijven en hun geesel voortwoedt over ons!”—Korten tijd na deze gebeurtenis werden de beide zonen van Pericles, Paralus en Xanthippus, door de pest aangetast en vielen als offer der vreeselijke ziekte.Met innig welgevallen wees deErechtheüs-priesterop den thans duidelijk zich openbarenden vloek der Goden, die nu eindelijk het geslacht derAlcmaeönidengeheel wilden verdelgen.Het geweld der pest nam weder toe. Aan de verstoring van het zoenoffer, en aan Pericles, die daarvan de schuld was, herinnerden thans onophoudelijk Diopithes en zijne aanhangers. Die schuld en de toorn der Goden schenen ontegenzeggelijk, na de ramp dien de Hemelingen over den man hadden gebracht.Meer dan ooit waren de gemoederen der Atheners gedrukt en verslagen.Het veld was vrij gelaten aan de tegenstanders van Pericles.In eene soort van stompe onverschilligheid liet Pericles, na zooveel rampen ook nog door den plotselingen dood van zijne zonen, door den ondergang van zijn geslacht, diep ter neer geslagen, de dingen haar loop. Het oogenblik voor zijne vijanden, om den lang beraamden, beslissenden slag te slaan, was gekomen.In eene weinig bezochte volksvergadering werd[339]door lage boosheid voorgesteld hem van zijn ambt als strateeg en zijne andere waardigheden te ontzetten, en de domme verbijstering der meerderheid nam het voorstel aan.Zou Pericles, de Olympiër, na tientallen van jaren roemrijk den staat te hebben bestuurd, weder een eenvoudig, Atheensch burger worden? Zou Diopithes ten laatste toch gezegevierd hebben?Welaan dan, gij mannen, zoo riep men thans, die het groote woord onder het volk voert, Cleon, Lysicles, Pamphilus, welbespraakte redenaars en raadgevers op de Pnyx—stelt u aan de spits der vloten en legers! grijpt de teugels, die men aan de handen van den heerschzuchtigen Pericles heeft ontwrongen!Op de Agora beijvert zich inderdaad weder de onvermoeide Pamphilus, een grooten hoop volks om zich heen verzamelende, ten einde zijn vriend Cleon tot aanvoerder te doen verkiezen, zijn moed, zijne gezindheden, zijne bekwaamheden op te vijzelen.Na een lang en levendig gesprek treedt eensklaps uit de vergaderden een armoedig man op, van een zonderling, half verwilderd uitzicht en begint tot het volk met vuur te spreken.„Medeburgers!” roept hij, „wij hebben Pericles afgezet, wij, het Atheensche volk. En dit was goed, in zooverre Pericles daaruit heeft kunnen zien, dat wij hier te Athene nog de volksheerschappij bezitten. In zooverre, zeg ik, was het goed. Overigens echter blijft het toch eene ongehoord domme zaak zich een been af te zagen op het oogenblik, dat men te Olympia een wedren wil gaan houden—en nadat wij van kwaad tot erger zijn vervallen en de os, om zoo te zeggen voor een appel en een ei te krijgen is, en worsthandelaars ons willen wijsmaken, dat zij vogelmelk te koop hebben …”„De duivel hale u, ellendeling!” viel hem een man uit de heffe des volks verwoed in de rede. „Wilt gij eens zwijgen!”„Ik wil niet zwijgen!” hernam de opgewondene.[340]„Ik ben een Atheensch burger zoo goed als iemand, en ik vrees geen mensch. Ik ben een man uit Halimus: marskramer was ik en ik heb betere dagen gekend; maar nadat mijne vrouw en kinderen aan de pest zijn gestorven en ik zelf ter nauwernood te midden der lijken van het ziekbed ben opgestaan, heb ik alles laten liggen, zooals het lag, en heb mij hier in de stad als lijkuitdrager verhuurd, dat wil zeggen, ik help de pestlijken uit de huizen naar de brandstapels sleepen.”Na deze woorden van den man weken allen met zekere huivering terug en hielden zich, door angst gedreven, op een afstand van hem.De voormalige marskramer uit Halimus stoorde zich echter daaraan volstrekt niet, maar vervolgde:„Ik beroem er mij op, dat ik, zooals gij mij hier ziet, een man ben van ervaring in staatkundige zaken. Ik behoorde vóór vijftien jaar op de Pnyx tot hen, die vóór den bouw van het Parthenon stemden en die de rechtersoldij en de schouwburggelden toestonden. Ik heb altijd mijn burgerplicht vervuld en het belang van den staat op ’t oog gehad, en ik zeg u, dat de Peloponnesiërs geen runderen en schapen zijn, die zich door den leerlooier Cleon goedschiks hun huid zullen doen touwen. En toen de beide zonen van Pericles aan de pest gestorven waren, had men eigenlijk den ongelukkigen man, den kinderloos geworden vader, moeten beklagen, en hem daarom niet minder achten, noch hem beschouwen als een door den toorn der Goden getroffene en hem als zoodanig vervolgen.”„Genoeg van Pericles,” viel de verwoede Pamphilus den marskramer in de rede. „Wij willen niets meer hooren van Pericles. Hij deugt tot niets meer. Hij sukkelt, naar men zegt. En wat hebben wij aan een ziekelijk man?”„Pas op, Pamphilus!”riep de andere; „het geneesmiddel van den zieken leeuw is, zooals het spreekwoord zegt, dat hij een baviaan opeet!”„Wilt gij mij beschimpen?” schreeuwde de worstmaker, zijn been oplichtende, om zijn tegenstander[341]een trap in de lendenen te geven.„Kom maar op!” riep de man uit Halimus, „ik zal u zoo looien, dat uw huid er uit ziet als purper! Ik zal u de longen uit het lijf scheuren en uw ingewanden dooreen klutsen!”Pamphilus week huiverig terug voor de aanraking van den drager van pestlijken.„Terug!”riep hij, „terug! Waag het niet uwe verpeste hand aan het lichaam van een Atheensch burger te slaan! Terug, ellendeling! Ellendigste, allerellendigste der menschen!”—„Waarom?” riep de drager van pestlijken, grijnzend. „Gij zult het misschien toch moeten toelaten, dat ik u aanraak! Van zulke knapen als gij zijt hoop ik er nog ettelijke dozijnen op mijn wagen te krijgen! Overigens echter herhaal ik: het was goed, dat wij Pericles afzetten, opdat hij zou zien, dat wij hem kunnen afzetten, als wij willen. Nu hij dit echter gezien heeft, is het beste dat wij heengaan en hem weder aanstellen en hem de vloot weer toevertrouwen; want wij kunnen hem niet missen, zeg ik u—wij hebben geen tweede, hem gelijk, en niet ieder, die eene knots8draagt, is daarom een held.”—Wat de half verwilderde man uit Halimus op zijne zonderlinge, maar eerlijke manier te berde bracht, was eene moeilijk te bestrijden logica.Inderdaad, wie te Athene weder den oorlog wilde, die moest Pericles ook willen. Potidaeä was eindelijk gevallen:—opnieuw, zij het ook met zwakken vleugelslag, ontvouwde zich de hoop. Snel veranderde dan ook weder de stemming onder het bewegelijke volk der Atheners.Op den volgenden dag stroomden de Atheners naar de Pnyx en herstelden Pericles in al zijne ambten en waardigheden.Zij meenden, dat het nog de oude Pericles was, aan wien zij zich andermaal toevertrouwden. Zij vergisten zich.[342]Sophocles was de eerste, die zijn vriend de tijding van het nieuwe besluit des volks bracht.„De Atheners hebben u alles teruggegeven!” zei de dichter hem gelukwenschende.„Alles,” hernam Pericles met een bitteren lach, „behalve het vertrouwen op hen, het vertrouwen op het geluk van Athene en het vertrouwen op mij zelven!—„Diopithes triomfeert toch!” vervolgde hij. „Schijnbaar heeft hij nu ook het onderspit gedolven, maar in waarheid zijn wij te Athene de overwonnenen. De hoogste zijner bedoelingen wel is waar heeft Diopithes niet bereikt, maar wat hij en de zijnen sedert lang voorbereid en gedaan hebben, dat is niet verloren gegaan bij het volk der Atheners!”—„Verban die sombere gevoelens uit uw hart!” vermaande Sophocles. „Athene en Hellas staan nog op hun glanspunt: nog menig heerlijk gewrocht zullen zij voortbrengen, nog menigen zegekrans behalen. Ons betaamt het niet te klagen, ons, wien het vergund werd, den edelsten bloei ontwikkeld te zien.”„Maar ook den worm, die aan dien edelsten bloei knaagt!” hernam Pericles. „Nog is hij er niet, de tijd, die zich aankondigt, maar eene donkere toekomst werpt hare schaduw ver voor zich uit. Naar het toppunt van opgewekte vroolijkheid, schoonheid en kennis streefden wij. Van onze droomen heeft zich de droom der schoonheid verwezenlijkt—de andere echter zijn in nacht en verwarring opgegaan. Kort zijn, naar het schijnt, de levenslenten der volkeren en hunne bloesems welken, vóór zij zich nog ten volle hebben ontwikkeld!”Zoo sprak op dien dag Pericles tot den edelste zijner vrienden.—Nog eenmaal verhief zich de geweldige, verderfelijke ziekte.Er kwam bij de verandering der maan een donkere nacht, een nacht, waarin de storm vreeselijk huilde. Koud blies de wind over het Attische land van de kloven en hoogten van den Pindus.[343]Dof sloegen in den Piraeüs de golven tegen de steenen dammen. De schepen in de haven werden heen en weder geslingerd, de masten kraakten, het want gierde. In de ontvolkte straten van Athene loeiden de winden als spoken, zij speelden met de open deuren der verlaten huizen en huilden door de eenzame peristylia. Men wist soms niet of ’t huilen en bulderen van den wind was, dan wel het klagen en zuchten van jammerende moeders, dat men vernam. Over de tinnen, gevels en marmeren beelden van het Parthenon vlogen zwarte wolken. De als wijgeschenken opgehangen schilden sloegen klapperend tegen de architraaf, waaraan zij hingen. Nachtvogels krasten. Het reuzenbeeld der met lans en helm gewapende Athene Promachos trilde op zijn granieten voetstuk.In dezen donkeren, stormachtigen nacht, waarin ieder zich binnenshuis hield en de straten als schoongeveegd waren, dwaalde een man rond, door eene zonderlinge onrust gedreven. Die man was Socrates. Zijne oude gewoonte om des nachts rond te dolen, ten einde jacht te maken op gedachten, was hem meer en meer eigen geworden: evenwel werd hij zelf meer door gedachten gedreven, dan hij haar najaagde. Zoo zwierf hij ook dien nacht rond, blindelings, als naar een onzeker doel voortgestuwd.Hij naderde den verlaten oever van den Illissus, waar uitgebrande brandstapels lagen en waar de dolle Meno zat bij hoopen asch en glimmende kolen. De dolle kerel grijnsde, blies de kolen aan en warmde zich daaraan; nu endannam hij een slok uit eene flesch edelen Chiër, die hij uit een door de pestontvolkthuis weggenomen had, welks voorraad den roovers een gemakkelijke buit geworden was.Hier en daar stiet de voet van den voortijlenden Socrates in het donker op slechts half verbrande, zwart verkoolde ledematen.En verder vervolgde hij, zonder doel, zijn weg. Eensklaps werd hij getroffen door den geur van viooltjes. Hij treedt nader en komt bij eene bron,[344]die, naar de gewoonte der Atheners, met viooltjes is omplant. Socrates buigt zich neder, om zijn heet voorhoofd te verkoelen en zijne droge lippen zoeken het lavende vocht. Maar ook hier grijnst de dood hem tegen en spoedig wordt de zonderlinge geur der viooltjes hem verklaarbaar. De bron was verontreinigd door een lijk, een dier ongelukkigen, dien de vertwijfelende begeerte naar verkoeling nog in de ure van den doodstrijd naar de bron had gedreven.Huiverend week Socrates terug. Toen echter zich herstellend plukte hij een der viooltjes, beschouwde het lang en peinzend en zeide: „o gij Attische viooltjes, wie zal in de toekomst u nog roemen en de met viooltjes omkranste Atheners, als uwe gevierde geur zoo vreeselijk vermengd is met de walmen des doods?”—Hij ijlde terug, dieper de straten in, waar de deuren in den wind klapperden en de moeders als in wedstrijd met de winden huilden en klaagden. Hij staarde naar de Acropolis en zag het zwarte, in lage wolken verscheurde zwerk, dat als krijschende nachtvogels, aan ongeluksgeesten gelijk, het reusachtige beeld van Athene Promachos zweefde …Alsof de ongeluksgeesten, die hij daar meende te zien, op hem nederdaalden en hem dreigden en vervolgden, doolde Socrates rond. Eensklaps stond hij vóór het huis van Pericles.Hij bleef staan. Hoe dikwijls was hij over dezen drempel getreden! Hoe lang was ’t geleden, sinds dit voor ’t laatst geschied was!Hij naderde schier onbewust en onwillekeurig de deur. Hij bemerkte, dat zij niet gesloten was, als ware het vergeten of verzuimd, en zonder bewaker.Hij trad naar binnen; eenzaam en verlaten was het voorportaal. Geen geluid drong van binnen tot hem door. Huiveringwekkend was de stilte, die hem omgaf.Thans zag hij uit het peristylium het schijnsel van eenige somber flikkerende lichten.[345]Eene rilling voer hem door de leden; hij wist niet waarom. Maar tegelijk drong eene onbekende macht hem voorwaarts.Daar zag hij midden in het peristylium eene legerstede, met purperen kussens opgemaakt. Op de purperen kussens lag een doode, het lichaam gehuld in een schitterend wit gewaad—het voorhoofd omkranst met groenende klimopranken.Nevens de sponde zat eene vrouw, met gebogen hoofd, bleek en sprakeloos als een steenen beeld.Socrates bleef op den achtergrond. Hij bleef als vastgenageld staan, zonder een woord te spreken. Zijne oogen staarden strak en als van een krankzinnige op het lijk en op de vrouw, die bij het lijk zat.Die marmerwitte, onbewegelijke vrouw was Aspasia. De met klimop omkranste doode op de purperen sponde was Pericles, de Olympiër.Ontzield lag daar de Alcmaeönide, de aanvoerder van die onsterfelijke schaar verheven geesten, die Griekenland voor eeuwig hebben verheerlijkt—de held van een gouden bloeitijd der menschheid, die nog altijd naar hem wordt genoemd, dien hij over Hellas gebracht heeft en met welks verval hij zelf ook het leven verliet.Grooter en statiger nog scheen thans het lichaam van den held, door de pijlen van den doodsengel gevallen. Maar zachtheid lag er, evenals bij zijn leven, ook thans uitgebreid over zijn mannelijk gelaat. Zelfs de pest had die edele trekken niet misvormd. ’t Was, alsof de dood den Olympiër niet verslagen en vernietigd had, maar integendeel den door zielsleed gebrokene weder in zijne volle grootheid opgericht. Verjongd straalde nu weder in de trekken des dooden die opgeruimde kalmte, welke den levende eindelijk ontzonken was, verdwenen was de tweestrijd, dien ten laatste het gemoed van Aspasia’s gemaal was binnengeslopen …Waarover peinsde de bleeke Aspasia aan de doodsponde van Pericles?Aan haar geest ging eene schitterende reeks van[346]schoone, grootsche, heerlijke herinneringen voorbij.Zij dacht aan het oogenblik in de werkplaats van Phidias, waar het vurig oog van dien man voor ’t eerst het hare had ontmoet, waar, na manlijken, ernstigen strijd voor de grootheid en macht van Athene, de schoonheid hem in banden sloeg.Zijn beeld zweefde voor hare oogen, nu eens hoe hij op het redenaarsgestoelte der Pnyx stond en het volk aan zijne lippen hing—dan weer hoe hij vol fierheid en geestdrift met haar wandelde over de hoogten van de Acropolis, zich verheugend over het heerlijke en grootsche, dat daar onder zijne oogen verrees;—nu eens hoe hij, door begeerte naar krachtige daden aangegrepen, voor Samos zich nieuwe lauweren bevocht—dan weder hoe hij in zalige liefde, het schoonste menschenlot vervullend, op de bloeiende hoogte des levens den bedwelmenden kelk der vreugde met haar ledigde—of hoe hij op de Acropolis in het gezicht van nieuw voleindigde, onsterfelijke gewrochten een verbond met haar sloot, zijne ziel vervuld van grootsche plannen en verwachtingen.In zijne edele grootheid zweefde hij voor haar geest, in zijne overweldigende macht over de menschen, in zijne gevoeligheid en warmte van hart, in zijne waardige, mannelijke kracht—zacht, verstandig en moedig te gelijk—het toonbeeld van den echten Helleen, te zeer vervuld van geest en gemoed om op te gaan in ruwen heldenzin, en van den anderen kant te ijverig, te degelijk om enkel genoegen te vinden in weekelijk genot, in de bekoring van schoonheid en liefde.Maar ook zweefde zijn beeld voor hare oogen, hoe hij aan hare zijde wandelde in de dreven der Peloponnesus, hoe meer en meer de ernst met zachte schaduwen over zijn voorhoofd gleed, hoe hij vervuld van het leven en streven van den voortschrijdenden tijd, aangespoord door een voorgevoel eener nieuwe, ernstige, treurige toekomst, zwijgend zijn diepst gevoel verborg, totdat hij ophield een Helleen te zijn in den geest en den zin der schoone[347]vrouw, met wie hij het schitterend vreugdebond der liefde had gesloten, en totdat hij, na den loop der ontwikkeling van het Hellenisme in zijn eigene ziel doorleefd te hebben, door onheilspellende, sombere voorgevoelens aangegrepen, met de macht en grootheid van zijn vaderland zelf bezweek.Evenals Aspasia’s oog strak op het gelaat van den ontzielden Pericles was gericht, zoo staarde het oog van Socrates onbewegelijk op het bleeke gezicht der vrouw.In haar scheen hem Hellas verpersoonlijkt, dat treurend zat aan de lijkbaar van den edelste zijner zonen …Hoe bleek en ernstig zien die trekken van de schoone vrouw, dit eens zoo levenslustige Hellas!Thans sloeg Aspasia haar oog op en haar blik ontmoette dien van Socrates. Het was een lange, lange blik, dien Aspasia en Socrates wisselden.Het was een lange, diep ernstigen blik en geen woord zou de gewaarwordingen kunnen uitdrukken, die in dezen langen blik opgesloten lagen.Geen enkel woord, alleen deze ééne blik werd tusschen hen beiden gewisseld.Toen verdween Socrates. Als eene spookachtige schim was hij voor de vrouw opgerezen—zonder geluid verdween hij.—Eenzaam zat weder bij de doodsponde van den grooten Helleen, roerloos en marmerbleek, Aspasia.—Socrates zette zijne nachtelijke wandeling voort. Zonder bepaald plan of doel ijlde hij door de straten, een geruimen tijd met diep bewogen gemoed.Het geweld van den gierenden en huilenden rukwind had opgehouden. Stiller en nog eenzamer dan te voren was het geworden om den nachtelijken zwerver. Het was reeds lang over middernacht. De morgen kondigde zich van verre aan met eene bijna nog onmerkbare grauwen streep in het Oosten. Maar nog was het nacht, donkere nacht, in de straten van Athene. Door de gescheurde wolken des hemels fonkelden slechts enkele verflauwende sterren.[348]Plotseling stond voor Socrates een man, reisvaardig, naar het scheen, vergezeld door een slaaf. Hij vestigde den blik strak op Socrates.Socrates keek op, toen gene hem den weg versperde, en hij herkende Agoracritus.„Waarheen gaat gij in den donkeren nacht?” vroeg de voormalige makker in Phidias’ werkplaats aan den denker.„Mij riepen dringende zaken naar Athene,” vervolgde Agoracritus, toen Socrates met het antwoord draalde; „maar ik haast mij weder weg te komen uit de verpeste stad. Ik ga naar Rhamnus, om eindelijk te doen, wat men sinds zoovele jaren van mij verlangt: mijne daar geplaatste Godin met die uiterlijke kenteekenen te versieren, die haar ongetwijfeld van eene Aphrodite tot eene Nemesis zullen maken. Ik heb lang geaarzeld—maar thans drijft mij ook de lust dien menschen te believen. Zij moeten niet langer twijfelen, de mannen in het land van Attica, dat werkelijk de Nemesis in plaats van de lachende Aphrodite midden onder hen staat. Ben ik haar toch geen dank verschuldigd, deze met langzame, maar zekere schreden naderende Godin? Heeft zij mij niet gewroken op de vrouw, die ik haat? De Godin der vergelding heeft hare tenten opgeslagen in het huis van Pericles en Aspasia. En nu vernam ik nog ten laatste, dat de pest voor weinige dagen Pericles aangegrepen en op het ziekbed heeft geworpen.”Socrates sloeg zijn oogen op, zag Agoracritus in ’t gelaat en zeide zacht:„Hij is dood.”Agoracritus zweeg getroffen.Beiden gingen een eind weegs sprakeloos naast elkander.„Dood?” vroeg toen Agoracritus.„Ik zag hem zelf!” hernam Socrates op doffen toon.Wederom zwegen beiden een tijd lang.Eindelijk begon Agoracritus:„Gij hebt Pericles ontzield gezien; mij is het ten[349]deel gevallen Phidias voor mijne oogen in den kerker te zien sterven. Ik was bij hem in zijn laatste ure. Toen ik hoorde, dat hij erg ziek was, ijlde ik naar hem. De menschen zeiden mij, dat hij alle geneesmiddelen en iedere soort van hulp van de hand wees. Pericles had Hippocrates tot hem gezonden: hij echter begon met den geneesheer over de verhoudingen der vormen en lijnen van het menschelijk lichaam te spreken. Want ook thans op zijn ziekbed hield hem datgene bezig, wat hem vroeger alleen bezield had.„Toen ik kwam, vertelden mij diegenen, welke in den kerker om hem heen waren, dat hij herhaaldelijk in koortsachtige droomen sprak en zelden iemand meer herkende. Ik ging tot hem en vond hem stervende. Hij herkende mij in den beginne nog even, allengs echter werden zijne gedachten in de hitte der koorts verward. Hij sprak immer door van groote tempels en beeldwerken, van gouden en ivoren standbeelden en marmeren friezen—hij gaf zijnen leerlingen aanwijzingen, geheel en al alsof hij nog in zijne werkplaats was, spoorde hen tot den arbeid aan en berispte de tragen, duidde ook nauwkeurig aan hoe zij dit of dat moesten voltooien en was ontevreden, dat zij het niet geheel naar zijn wil deden. Menigmaal riep hij uitdrukkelijk mij of Alcamenes. Ten laatste echter scheen hij geheel alleen te zijn met zijne heerlijke beelden en zijn Goden en Godinnen, zijne Pallas Athene, zijne Olympische Zeus zweefden voor zijn geest. ’t Was, alsof de Goden van den Olympus allen tot hem nederdaalden en rondom zijn leger stonden, voor hem alleen zichtbaar, terwijl hij stierf; want hij schouwde met een verhelderd gelaat om zich heen, groette hen en sprak hen bij hunne namen aan. Ten laatste echter scheen het, dat Pallas Athene geheel alleen bij hem was achtergebleven en hem wenkte; want hij zei de eensklaps: „Waarheen wilt gij mij voeren? Ik kom!” Daarop richtte hij zich een weinig op, alsof hij wilde opstaan, om met haar, die hem wenkte, te[350]vertrekken; hij zonk echter achterover en blies den laatsten adem uit.„Hij stierf midden in zijn droomgezicht. Hij stierf schoon, als ooit eenig Helleen, daar het schoonste licht van Hellas nog eenmaal hem omstraalde en de Goden hem als ’t ware van de aarde naar den Olympus voerden, op het oogenblik, dat de nacht des onheils over Athene losbrak, zoodat hij van al dat leed niets meer bemerkte, maar met onbenevelden geest heenging.„In den beginne had het mij innig smartelijk getroffen te zien, hoe deze man in den kerker op zijne eenzame legerstede lag te sterven; want nadat hij de Athene Promachos op den burg, de Athene Parthenos en het Parthenon zelf, benevens dien Olympischen Zeus te Olympia had geschapen; en zooveel groots en heerlijks, wat niemand heeft overtroffen en niemand ooit zal overtreffen, ’t geen Griekenland de meeste luister heeft aangebracht, was zijn loon van de menschen, dat hij smadelijk en eenzaam stierf in den donkeren kerker.„Toen ik hem had zien sterven, voelde ik eene aandoening in de ziel, die niet zonder troost was, en ik ging stil heen, nadat ik den meester de oogen toegedrukt en zijn voorhoofd gekust had: ik beklaagde slechts Hellas te meer en ons allen, die achterbleven, nadat de grootsten en besten heen zijn gegaan!”Na dit verhaal van Agoracritus gingen de beide mannen nog een poos peinzend naast elkander. Toen scheidden zij.Agoracritus ging noordelijk naar Rhamnus; ook Socrates zette, door innerlijke aandoening gedreven, zijn weg verder voort, doch toen hij nauwelijks een paar schreden gegaan was stiet hij op een ontstoken brandstapel. Daarop waren vele pestlijken geworpen. Onder deze lijken zag Socrates ook den dollen Meno liggen.De dragers der pestlijken hadden hem, bedwelmd en verdoofd in een vasten slaap, te midden van lijken gevonden en den schijndoode op den brandstapel[351]geworpen, waar de vlam reeds om hem likte. Een hond liep huilend om den brandenden hoop.Thans greep de vlam den dollen Meno aan. Op dit oogenblik sprong ook de hond op den stapel en verbrandde met zijn meester.Een zonderling gevoel kwam in Socrates op. „Nu zijt gij vrij, Meno!” sprak hij.„Nu zijt gij vrij!” herhaalde hij nog verscheiden malen, terwijl hij met een gloeiend voorhoofd zijn weg vervolgde. „Zal er wellicht eens een tijd komen, waarop alle slaven vrij zullen worden?” dacht hij al voortgaande—„of alle vrijen slaven!” voegde hij er peinzend in zich zelven bij—Hij doorliep nu reeds ver afgelegen straten, niet meer in den omtrek van de stad zelve, maar in hare omstreken, waar landgoederen en tuinen der Atheners met de open dreven afwisselden.Een zwaluw vloog op en verkondigde den dag, met vluggen wiekslag door de lucht scherende.Socrates, door zijn daemon geleid, naderde een huis, waarin zekere beweging en drukte heerschten. Vele menschen liepen af en aan.’t Was de woning van Ariston, een aanzienlijk Athener. Socrates bleef staan en vernam van hen, die daar uit- en ingingen, dat Ariston in dezen nacht een zoontje was geboren. Na, zoovele beelden des doods eene geboorte, een ontwakend leven …Wederom rees een raadselachtige drang in de borst van Socrates op. Hij betrad het huis van den hem bevrienden man.Het kind lag in het peristylium, in de armen der voedster. Een hoogbejaarde grijsaard, die een ziener of priester scheen te zijn, hield zijn sneeuwwit hoofd er over gebogen en beschouwde het aandachtig. Ook Socrates sloeg zijn oog op het kind, dat een breed voorhoofd had, een denkersvoorhoofd, en welks gelaat reeds omschenen werd door een zachten, verheven, meer dan kinderlijken ernst.Plotseling kwam eene bij aangevlogen—eene bij van den naburigen Hymettus—eene der geprezen Attische bijen—zij komt aanvliegen, gonst om ’t[352]hoofd van het kind en raakt een oogenblik zijne lippen aan, even slechts en zonder kwaad te doen, ze als het ware kussend. Toen vliegt zij weder weg.Bij dit gezicht spreekt de grijze ziener:„Een goddelijk teeken is de kus van deze Hymettusbij. Van de lippen van dit kind zal eens de taal vloeien, zoeter dan honig!”9Het zien van dit kind maakt een diepen indruk op Socrates. Hij kan het voorgeval in zijne ziel niet verklaren. Maar de toekomst zal het eens ontsluieren.De knaap die daar voor de oogen van den rustelooze waarheidzoeker ligt, zal, tot jongeling gerijpt, eene nieuwe zending vervullen.Zijne lippen zullen druipen van Attischen honig. Maar met de zoetste welsprekendheid zal hij de bitterste leer verkondigen:Hij zal leeren, dat het lichaam een kerker is der ziel en dat de ziel, zich van hare boeien bevrijdend, opwaarts moet stijgen naar het bovenaardsche. Hij zal leeren, dat Eros de menschenwereld verachten en naar hooger moet streven, naar het heldere rijk der eeuwige, in onveranderlijke schoonheid schitterende gedachten—En deze leer zal een weergalm vinden aan naburige en verre stranden; zij zal het wachtwoord worden van een nieuwen tijd en op de lippen van een Galilaeër de wereld veroveren—Met haar echter zal ook in een anderen zin het woord der Sabazius-dienaars en Metragyrten triomfeeren, het sombere woord der zelfkastijding en zelfverloochening—Socrates ging peinzend uit de woning van Ariston. Hij had nu eene hoogte bereikt, vanwaar hij het Attische land en de zee kon zien, beschenen door de vriendelijke stralen der morgenzon.Op de zee, in de richting van Sunion, zag hij een vaartuig het zilte nat doorklieven. Hij staarde, in gedachten verzonken, werktuigelijk naar dit vaartuig.[353]Het droeg den „Satyr” en de „Bacchante”—het droeg Manes en Cora naar het Noorden; het voerde hen een nieuw vaderland te gemoet.Zij togen daarheen, zalig in het bewustzijn hunner ernstige liefde.Van de baai uit zagen zij terug en beschouwden, scheidend voor altoos, voor het laatst de stad der Atheners.Een licht, wit wolkje steeg, niet verre van de Acropolis, uit de stad omhoog in de reine, heldere morgenlucht. Het kwam van den brandstapel, die het zielloos overschot van Pericles in heiligen gloed verteerde.Dit wolkje steeg omhoog en zweefde om de tinnen van de Acropolis.Manes en Cora volgden het met hunne oogen, toen het om de witte marmeren kruin van den heiligen Pallas-burg zweefde.Maar het wolkje verdween, en rein en schitterend doemden in het heldere licht de tinnen en gevels van het Parthenon en der onlangs voltooide Propylaeën op uit de verte.Hoog verhief zich, boven de ellende en verdeeldheid van de stad der Atheners en der sterfelijke menschenkinderen, de onsterfelijke kruin van den berg.Uit de puinhoopen van het vergankelijke verrees in het land der Hellenen iets onvergankelijks, zegevierend in eeuwigen glans.En het scheen te zeggen:„Verheven ben ik boven het wisselend lot der menschen en hunne nietige ellende. Ik schitter door alle eeuwen heen. Ik besta ten allen tijde. Ik ben als het betooverend licht over de bergen van Hellas, en als de eeuwige glans der wateren in zijne golven!”Naar het Goede en naar het Schoone streven de volkeren.Menschelijk en edel is het Goede—goddelijk en onsterfelijk echter het Schoone.EINDE.[355]1De volksregeering.↑2Onder „kalokagathia” verstonden de Grieken die harmonische vereeniging van al wat schoon, goed en edel is; ons „rechtschapenheid” drukt het nog niet voldoende uit.↑3De volgende beschrijving van de pest is ontleend aan de overschoone schildering daarvan door Thucydides, die zelf door de pest is aangetast geweest, Bell. Pelop. Boek II. 47–56.↑4Charon, die de zielen der afgestorvenen over de rivieren in de onderwereld zette. Hij is, naar de mythe, de zoon van Erebus en Nux. Zij, die het veergeld niet konden betalen, moesten als schimmen aan de oevers van den Acheron verwijlen.↑5Attis, (ook Atis, Atys en Attys geschreven) een zoon van Calaüs koning van Phrygië; hij was, naar de mythe, een priester van Cybele. Gestorven zijnde opgewekt, komt hij als de trouwe begeleider van Cybele voor. Te zijner eere werden jaarlijks te Pessinus in Phrygië in de lente feesten gevierd. Wellicht doelt de mythe op het sterven der natuur in den winter en haar ontwaken in de lente.↑6Het raadhuis (bouleuterion).↑7Plutarchus, leven van Pericles, cap. 38, aan welk geschrift veel van het hier vermelde ontleend is.↑8Spreekwijze ontleend aan Heracles. Vergelijk Deel I pag. 220 en de noot.↑9Hier wordt Plato, Socrates’ groote leerling bedoeld.↑

[Inhoud]XXIV.DE SATYR EN DE BACCHANTE.In dien merkwaardigen nacht, waarin Simaetha tot koningin der vreugde bij het vroolijke maal in Pericles’ woning werd gekroond en de gloed[322]van de fakkels der Bacchanten in alle straten van Athene schitterde, in dien zelfden nacht zat bovenop de eenzame, stille Acropolis, op den donkeren gevel van het Parthenon, een ongeluksvogel, een somber starende uil, die herhaaldelijk zijn nachtelijk, huiveringwekkend, onheilspellend gekras deed hooren.Eenzaam zat weder bij de doodsponde van den grooten Helleen, roerloos en marmerbleek, Aspasia.Eenzaam zat weder bij de doodsponde van den grooten Helleen, roerloos en marmerbleek, Aspasia.Van de straten der stad steeg het vreugdegejuich naar boven en onder die klanken mengden zich zonderling de nachtelijke klaagtonen van den uil op den gevel van het Parthenon.Verre in den omtrek weerklonken, zij in de donkere ruimte van de tinnen der Acropolis af, als eene doodstijding.En waarlijk zoo was het.Want juist op het oogenblik, dat de jonge Alcibiades en zijne makkers ten toppunt van jeugdige uitgelatenheid hunne bekers ophieven bij het festijn in het huis van Pericles en een dronk wijdden aan de bekoorlijke koningin der vreugde—in dit zelfde oogenblik stierf Phidias in den kerker—in dit zelfde oogenblik blies de onsterfelijke meester van het Parthenon, sinds geruimen tijd door eene slepende ziekte aangetast, eenzaam den laatsten adem uit.In die ure echter, waarin de verhevenste Hellenenziel, het middelpunt van de luisterrijkste Atheensche scheppingskunst, in den donkeren kerkernacht haar stoffelijk hulsel verliet en Aspasia Pericles de woorden toevoegde: „Gij zijt geen Griek meer!”—in die ure was het, als werd niet alleen het heerlijke verbond van Pericles en Aspasia verscheurd, maar ook een vlijmend zwaard scheen te gaan door het hart der Helleensche wereld:—’t was alsof hare ster verduisterde, en nevens het zegevierend gekras van den uil op het Parthenon klonk een boosaardig geschater van grijnzende daemonen in de lucht boven de hoogte der Acropolis.DeErechtheüs-priesterontwaakt bij het uilengekras, op zijn nachtelijk leger. Hem klonk het geroep van den uil als de blijde mare in ’t oor: „Op, uw tijd is gekomen!”[323]En de daemonen fluisterden elkander toe: „Nu eindelijk is ons de macht gegeven los te breken!—Op, laten wij ons neder op Athene, neder op Hellas!”Aan ’t hoofd van dezen zwerm ongeluks-daemonen vlogen de Tweedracht en de Pest.De laatste breidde hare vale vleugelen uit en vloog alle anderen voorbij; zij streek neder op de in nacht gehulde, van het getier der Bacchanten weergalmende stad der Atheners.Zij zocht naar de plaats, waar feestvreugde het vroolijkst tierde—zij vond deze plaats en stortte zich als een gier neder op de bekoorlijke, jonge koningin der vreugde in Pericles’ woning.Het schoonste en bloeiendste Helleensche meisje, aan wie, zooals Alcibiades meende, de toekomst behoorde, was het eerste slachtoffer van een daemon.Er zijn tijden, waarin met het inwendig bederf, met de omkeeringen der zedelijke wereldorde, met de verzwakking en ontaarding, tevens groote physische rampen gepaard gaan, waardoor de harmonie en de orde der zedelijke en stoffelijke wereld te gelijk schijnen vernietigd te worden.Zulk een tijd brak thans voor Athene aan, zulk een tijd brak thans aan voor geheel Hellas.Aan het inwendige verterend verderf van den staat, zooals het langzaam en allengs voorbereid was door toenemende weelde en genotzucht, door het hand over hand toenemen van de losbandige demagogie1, het meest echter door den natuurlijken loop der menschelijke zaken, die met ijzeren noodwendigheid van bloei tot verval en ontaarding voert—aan dit inwendig verderf paarde zich het uitbreken van bloedige veeten onder de stammen van Hellas, waaruit ten laatste niemand als overwinnaar te voorschijn trad, maar waardoor integendeel de welvaart en de vrijheid van allen gemeenschappelijk te gronde gingen; en hierbij[324]voegden zich de gruwelen der pest, die moorddadige ziekte.De Helleensche „kalokagathia”2moest verbroken worden—niet meer moest het zijn: „eene gezonde ziel in een gezond lichaam,” waarop zich het Helleensche leven had mogen beroemen.—Snel had zich de mare van het eerste pestgeval ten huize van Pericles in de geheele stad der Atheners verspreid, en eensklaps maakte de uitgelaten Bacchantische feestvreugde plaats voor den bleeken angst, voor verlammende bezorgdheid.Andere doodelijke pijlen van den engel des verderfs werden afgeschoten en binnen weinige dagen woedde reeds de pest in al hare verschrikkingen3.Evenals bij Simaetha geschied was, placht de ziekte met groote verhitting van het hoofd uit te breken, tegelijk met ontsteking in de keel. Bloedige etter werd uit de keel, uit de mondholte, zelfs uit de tong afgescheiden. Voorts werd de borst aangetast en onder hevige hoestbuien werd weinig en dun speeksel met moeite opgegeven. Geweldige suizingen in de ooren volgden, krampen in de hand, eene beving over het geheele lichaam, een gevoel van angst en onrust, tot waanzin stijgend, een verterende dorst, inwendige brand, zoo fel, dat zij menigeen naar de regenputten dreef. Soms ook, op de ingewanden slaande, veroorzaakte de ziekte een hevig braken. Die huid was rood, somwijlen donkerblauw, met zweren en blaren bedekt. Evenwel ontbraken, naar ’t schijnt, hier, evenals bij de overige pestziekten, waarvan de Oudheid gewaagt, die builen, welke als ’t voornaamste kenteeken bekend zijn van de zoogenaamde Oostersche pest, dien in latere tijden zoo gevreesden geesel der volken.Tot aan den achtsten dag woedde doorgaans de ziekte; dan volgde de dood bij holle oogen, spitsen[325]neus, terwijl het lichaam op het gevoel koud en ruw was. Niet ongedeerd kwamen zelfs de herstelden er af. Want menigmaal sloeg de ziekte op de uiterste deelen des lichaams: voeten, handen en andere ledematen verstierven, verlamd of aangegrepen door het brandend vergif. Ook het gezicht ging niet zelden verloren. Het geheugen en ’t verstand leden er onder; menige herstelde bleef krankzinnig en er waren er, die zich zelfs hunne namen noch die hunner vrienden herinnerden.Zonder uitwerking bleven alle geneesmiddelen. Op raad van Hippocrates werden er groote vuren gebrand, daar men meende opgemerkt te hebben, dat smeden, die aanhoudend in de nabijheid van vuur arbeidden, zeldzamer door de ziekte werden aangegrepen.Maar het geweld van de ziekte nam steeds toe.Daar de wetenschap machteloos bleek, zocht men hulp bij het bijgeloof. Nooit werden de tallooze gebruiken van zoenoffers, reinigingen, bezweringen, die den Hellenen ten dienste stonden, met meer ijver betracht.In de eerste weken weergalmde de stad van de jammerklachten der stervenden; zij was vol van lijkstatiën, die de door de pest weggeraapte ter begrafenis brachten naar de graven of brandstapels.Maar toen de sterfte toenam en de besmetting, die van de kranken en de lijken uitging, angst en ontzetting verbreidde, zelfs velen eenzaam en verlaten in de ontvolkte huizen, ja op de straten stierven, toen werd op de heilige gebruiken geen acht meer geslagen. Niet meer werd den doode zijn obolus voor den veerman in de onderwereld4in den mond gestoken, niet meer werd hem de koek, om den helhond te bedwingen, in de hand gedrukt, niet meer werd hij zorgvuldig gebaad en met welriekende oliën gezalfd, niet meer werd hij, fraai gekleed en bekranst met klimop, op een leger in[326]het peristylium van het huis tentoongesteld, niet meer gingen luid weeklagenden de lijkstatie vooruit, niet meer werd hij vereerd door een lange rij van rouw dragers, door doodmalen en doodenoffers, door het anders gewone rouwgewaad, dat door de overblijvenden werd aangenomen: haastig en zonder misbaar, ja bijna zonder eenig geleide droeg men ze uit, de tallooze lijken en stopte ze onder den grond of lei ze op brandstapels. Ten laatste echter gebeurde het, dat men zelfs dezen plicht van eer, den dooden verschuldigd, die den Helleen altijd als een der heiligsten had gegolden, verwaarloosde. In uitgestorven woningen bleven de laatste lijken liggen, aan het verderf ten prooi. Men vond zelfs dooden in ledige tempels, waarheen de stervenden zich wellicht hadden gesleept, om de hulp der Goden in te roepen; men vond er ook velen bij de bronnen, werwaarts zij, door inwendigen gloed verteerd, gekropen waren om de droge lippen te laven: en als het akeligste en afschuwelijkste, vond men zelfs lijken in het water der regenputten, waarin de lijders door inwendige hitte verteerd, zich geworpen hadden. Weldra werd het verkwikkende bronnat slechts met vrees en huivering beschouwd—het kon toch verontreinigd zijn door afschuwelijke verrotting.—In de straten lagen de lijken opgehoopt van dezulken, die òf zich zelven daarheen gesleept hadden òf ontzield uit de huizen waren gedragen en in overijlde haast daar neergelegd, òf zelfs van de daken afgeworpen waren, ten einde er, in den wanhopenden angst, ten spoedigste van bevrijd te zijn.Als men dan deze lijken bijeen zamelde, bracht de afschuw van den Helleen voor de aanraking van doode lichamen, gepaard met den angst voor besmetting, de gemoederen in zoodanige verbijstering, dat stervenden onder dooden, bewusteloozen onder rottende lijken vermengd werden.Waar door aanverwanten een brandstapel ter verbranding van een afgestorvene was opgericht, daar drongen anderen met hunne dooden er bij en wilden ook deze in dezelfde vlammen werpen,[327]totdat het vuur door de menigte lijken verdoofde en een woeste strijd ontstond om de smeulende brandstapels.Men meende op te merken, dat de roofvogels en wilde dieren, hoe gretig ook op aas, de onbegraven, aan de pest gestorven dooden, niet aanraakten. Deden zij het echter, dan werden zij zelven weldra eene prooi der ziekte en vielen dood ter neder. Dit gebeurde ook dikwijls met de honden.De vrees voor besmetting vervreemdde de menschen van elkander. De Agora werd ledig, de worstelscholen bleven onbezocht, het volk durfde zich niet meer op de Pnyx verzamelen. De deuren der huizen waren òf vast gesloten omdat men elke aanraking afweerde, òf stonden geheel open, omdat het huis ledig was en uitgestorven. De vrees verscheurde zelfs de banden des bloeds. Ook zagen velen zich aan de willekeur der slaven prijs gegeven, daar dezen zich thans voor vroegere onderdrukking wreekten door ongehoorzaamheid, trots, het weigeren van hulp, diefstal en onbeschaamde plundering.Bittere smart wisselde in de gemoederen af met stompzinnige onderwerping. Niet weinigen echter dreef het verlangen om zich te bedwelmen tot woeste uitgelatenheid en tot onbeteugelden lust van genot. Men zocht moed of vergetelheid in verbijstering.De dolle Meno echter verachtte onverschrokken het gevaar en lachte er om. Hij was overal te vinden, waar de pest in hareafschuwelijkstevormen heerschte. Het liefst scheen hij onder lijken te vertoeven. Men zag hem menigwerf op een hoop doode lichamen zitten, alsof hij zich verheugde over het onheil, en hij spotte met het laffe volk, dat de lijken en hem zelven den verpeste, ontvlood. En daar men opmerkte, dat juist hij, die in dronken overmoed het gevaar tartte, verschoond bleef, vermeerderde het getal van hen, die hetzelfde deden. Weldra waren de straten en pleinen aan dronken onverlaten prijs gegeven, die als ’t ware der Koningin[328]Pest een feestdronk wijdden en lachend hare verschrikkingen trotseerden. Juist dezen waren het ook, die voor geld zich lieten overhalen, om de dooden uit de huizen weg te dragen of in de straten te zoeken en ze ter begraving of ter verbranding wegbrachten. Zij oefenden hun handwerk uit met de ruwe driestheid van menschen, die het niets achten hun leven op het spel te zetten. Zij eischten en namen wat hun lustte, plunderden en roofden, en pleegden in de huizen, waarin hun bedrijf hen voerde, allerlei gewelddadigheden. Ontzag voor de wet bestond er niet meer; want de werkzaamheden der gerechtshoven waren reeds geruimen tijd gestaakt en de misdadiger dacht, dat de pest òf hen, die hem zouden kunnen aanklagen, zou wegrapen, òf hem zelven van de noodzakelijkheid zich te verantwoorden ontheffen.Maar niet alleen mannen uit de armere en laagste klassen veroorloofden zich de ruwe uitspattingen, ook gegoeden deden hetzelfde: vooral was het de jeugd, die op zulke wijze zich tegen den indruk der haar omringende ellende zocht te wapenen. Velen zagen zich plotseling rijk geworden, doordat de nalatenschap hunner ouders, hunner broeders en zusters of verwanten eensklaps hun deel werd. Daar zij echter moesten vreezen weldra een dergelijk lot te zullen ondergaan, als zij van wie zij geërfd hadden, zochten zij hunne erfenis zooveel mogelijk in genot en in bedwelmende, woeste uitspattingen te verteren. Bij ’t zien van deze plotseling rijk gewordenen kwam ook bij anderen de verwachting op, zich in een dergelijk lot te zullen verblijden: uit die verwachting wederom ontkiemden de hoop en een misdadig verlangen.Zoo werden ook in dit opzicht de zedelijke banden al zwakker en zwakker, en de overlevenden verheugden zich over de voordeelen, die uit den jammer der algemeene sterfte voor hen voortvloeiden.Schoon ook de pest met hare vreeselijke gevolgen bij velen de genotzucht tot eene ziekelijke[329]hoogte opdreef, gold echter ook hier de algemeene regel, dat de uitersten elkander raken of het eene uiterste tot het andere overslaat. Bij die teugellooze genotzucht, breidde ook het sombere bijgeloof hoe langer zoo meer zijne heerschappij uit. Weldra hoopten zij, die nog zooeven in woeste dronkenschap en uitgelatenheid heul hadden gezocht, eene nieuwe kracht en een nieuwen troost te vinden in bijgeloovige vereering der Goden.Mannen als Diopithes traden op, die de ramp, waardoor Athene bezocht werd, als eene straf voorstelden voor de vroegere verachting der Goden, en de woede des volks keerde zich tot hen, die door Diopithes en zijns gelijken als de hoofdoorzaken van den toorn der Goden aangewezen werden.Nu herinnerde men zich ook dien geheimzinnigen Sabazius-dienst en er werd gesproken van den Metragyrt, die in het gapende Barathron door de overmoedige, dronken Ithyphallers was geworpen. Er werden thans velen gevonden, die meenden, dat men wellicht ten onrechte dien Heiland Sabazius had versmaad, dien Verlosser van alle kwalen, en dat de misdaad, aan den onschuldigen Metragyrt begaan, de eigenlijke oorzaak was van den toorn der Goden en vooral van de wraak des beleedigden Sabazius. Hem te verzoenen, meenden zij, was nu de eerste plicht en het eenige geneesmiddel tegen de menschenverdelgende pest. Zekere te Athene wonende vrouw, eene vreemdelinge, Ninos geheeten, die zich op alle toovenarijen en geheimzinnige zaken verstond, wierp zich tot priesteres van Sabazius op, dien zij den volke zou prediken. Zich te laten wijden tot den dienst van dezen God gold weldra als heiliging en redding. Met zonderlinge gebruiken werd die plechtigheid des bijgeloofs voltrokken: ’t vel eener ree werd den profaan omgehangen, een gewijde drank hem aangeboden; met klei en leem werd hij ingewreven en eene slang werd om zijn borst gewonden. Hij zat daarbij op den grond en met den uitroep: „De ramp ontkwam ik, het betere bekwam ik” stond hij op, nadat[330]de wijding volbracht was. Een nachtelijk Bacchanaal verbond de sombere plechtigheden met de Orgiën der zinnen. Zoo vond uitspatting en bijgeloof zich in den Sabazius-dienst vereenigd. Men zag talrijke omgangen ter eere van Cybele en Sabazius. Velen waren er, die het voorbeeld der Metragyrten volgden en de Sicinnis dansten, terwijl zij zich daarbij geeselden en verwondden. Maar ook de aanhangers van den Phrygischen God5beroemden zich de pest te kunnen stuiten. Zij plaatsten den kranke op een stoel en dansten daaromheen onder woest getier. Zich in deze reien te mengen, gold voor de gezonden als een behoedmiddel tegen de ziekte.Zoo ver was het gekomen met het volk der Atheners!Wat Aspasia gevreesd had en meende te kunnen verhinderen, geschiedde: vreemde en sombere gebruiken drongen door in de heldere en schoone Grieksche wereld, om, zij ’t ook niet terstond tot eene volledige zegepraal te geraken, toch datgene voor te bereiden en te verkondigen, waarin het Helleensche leven als eene heldere ster achter donkere wolken zou ondergaan.Terwijl te Athene de vreeselijke pest domme vertwijfeling en verbijsterenden waan uitbroedde en voor een vreemd bijgeloof den weg baande, dat niet meer onschuldig was als het inheemsche en overoude, maar integendeel aan den wortel van ’t gezonde leven knaagde, bedreigden verschrikkingen van een anderen aard het Attische land.De oorlog was opnieuw ontbrand. Andermaal viel het Peloponnesische leger in de landouwen van Attica en drong hare bevolking naar de stad: andermaal was eene sterke vloot, ditmaal door Pericles zelven aangevoerd, uitgeloopen, en wederom dwongen de overwinningen, die zij op de kusten van[331]de Peloponnesus behaalde, den Spartaanschen koning tot overhaasten terugtocht. Doch Potidaeä bood nog steeds weerstand, Corinthe moest belegerd worden en nu eens hier dan weder daar sloeg in de koloniën en verbonden steden de vlam des oproers in lichte laaie uit.Om Aspasia en zijne beide zoons, Paralus en Xanthippus, aan het dreigend gevaar te onttrekken, had Pericles hun voor den tijd zijner afwezigheid zijn landgoed tot verblijf aangewezen. Derwaarts begaf zich Aspasia met haar gansche gezin. Doch het onheil volgde ook hier, en uit de kweekschool van schoonheid en vernuft werden, na Simaetha, ook Drosis en Prasina weggemaaid. Zij waren door den zegevierenden Pericles uit de gevangenis te Megara bevrijd, slechts om te Athene in den bloei harer jeugd aan den vreeselijken doodsengel ter prooi te vallen.Wie het kon, ontvluchtte, evenals Aspasia, de verpeste stad en begaf zich naar de landelijke vlekken of de nabijgelegen eilanden, waar het gevaar geringer scheen.Uiteengescheurd was de vriendenkring van Aspasia. Euripides had reeds voor eenigen tijd Athene verlaten. Hij was een menschenhater geworden en leefde op Salamis in stille afzondering; ’t liefst bracht hij zijn tijd door in die grot aan het strand, waarin hij onder ’t gekletter der wapenen en het gekraak der schepen het levenslicht had aanschouwd. Hier zat hij eenzaam en alleen, en verdiepte zich in gepeinzen, met het oog op de zee gevestigd, en niets verlangde hij van Athene te hooren, dan wat de baren hem toefluisterden, die van daar aanrollend, voor zijne voeten in schuim spatten.Sophocles leefde nog als te voren in zijne landelijke lustgaarde aan den Cephissus-oever en het hoofd van den lieveling der goden bleef daar gespaard voor den geesel, dien het Noodlot over de Atheners zwaaide. Opgeruimde, levenslustige wijsheid was zijne trouwe gezellin gebleven en had hem geleerd het lot van Pericles te ontwijken,[332]aan niets zijn hart te zeer te hechten en den ernst des levens geene te groote macht over zijn gemoed te verleenen.Ook het hoofd van Socrates bleef ongedeerd door den geesel, hoewel hij het broeinest der vreeselijke ziekte niet verliet, onverschrokken Athene’s straten doorwandelde, de menschen opzocht in hunne ellende, en overal, waar hij kon, hulp en troost gaf.De jonge Alcibiades had intusschen de dochter van Hipponicus, de bloeiende Hipparete, als gade zijn huis binnengevoerd.Ook hij trotseerde met zijn ouden overmoed de verschrikkingen der pest, hoewel hij zag dat de toorn der Goden de Ityphallers niet spaarde en de pest een zijner liefste vrienden, den jongen Demus, den zoon van Pyrilampes, van zijne zijde wegraapte. Toen Pericles met de galeien uitzeilde, bevond Alcibiades zich onder zijn gevolg. Daarom konden de Sabazius-dienaars hun eeredienst verrichten,zondervrees van de woeste Ithyphallers en het gapende Barathron.De pest nam een weinig af, zooveel ten minste, dat de burger ook weder aan den staat begon te denken en de stad der Atheners van ’t geen haar onmiddellijk had bedreigd, den blik weder kon richten naar hetgeen haar op grooten afstand boven ’t hoofd hing. Opnieuw was de krijgstrompet gestoken, doch de gemoederen waren versaagd: de strijdbare manschap was door de pest gedund en ook op de vloot en vóór Potidaeä zwaaide de doodsengel zijn geesel. Zegevierend streed ook thans Pericles met zijne vloot op de Peloponnesische kust. Doch wat baatte het, dewijl allengs geheel Hellas in partijschappen verdeeld, in den maalstroom werd medegesleept, zoodat de krijg hier verflauwd, ginds weder met nieuwen gloed ontbrandde? Wat nut hadden de zegepralen van Pericles, daar niet alleen de twee groote tegenstanders, maar ook hunne bondgenooten, slaags raakten, terwijl deze zelven echteròfaltijd weifelden òf van partij veranderde?[333]Het opperbevel van één enkele was niet meer mogelijk; wat hier werd veroverd, ging op een verder gelegen punt weder verloren; nergens bood de vijand een beslissenden slag aan; in tallooze kleine gevechten werd de groote Helleensche krijg verbrokkeld.Op de mare, dat het moedelooze Atheensche volk onderhandelingen met Sparta aan wilde knoopen, keerde Pericles haastig naar Athene terug. Hij hoopte de Atheners met nieuwen moed te bezielen, eene schandelijke vertwijfeling te verhinderen. Maar de Atheners, gedwee en verlamd geworden door de zware bezoeking, waren gunstiger dan ooit gestemd voor de geheime plannen der demagogen en van Diopithes.DeErechtheüs-priesterwas door de pest aangetast geweest, doch weder genezen. Sedert dien tijd was zijn woeste, fanatieke ijver nog grooter geworden. Eene besturing der Goden zag hij in zijne redding uit het doodsgevaar.’t Gebeurde op zekeren dag, dat een hoopje burgers op de Agora om een man verzameld was en naar zijne woorden luisterde. Want langzamerhand waagden de Atheners het weder elkander te naderen, terwijl nog kort te voren de een den ander als de pest zelve had geschuwd.De man, die te midden van het hoopje toehoorders stond, was een van die moedige en vrijzinnige mannen, wier tong thans bij wijlen weder scheen losgemaakt. Hij verstoutte zich niet alleen onverholen tegen de demagogen te ijveren en ten krachtigste Pericles te verdedigen, maar ook het bijgeloof te veroordeelen, dat zich van het Atheensche volk had meester gemaakt. Daar zich onder de toehoorders vele aanhangers van Diopithes en Cleon bevonden, ontstond er weldra een hevige woordenstrijd en de onversaagde kampioen werd ten laatste door de op hem losstormende tegenstanders aangegrepen en mishandeld.Op dit oogenblik kwam deErechtheüs-priesterdaarlangs, vergezeld door eene menigte zijner aanhangers[334]en vrienden.Toen hij hoorde dat die man Pericles verdedigd en het vertrouwen der Atheners op de Goden een kleinmoedig bijgeloof had genoemd, namen de trekken van den priester de uitdrukking van onheilspellende toorn aan.Hij hield een tijdlang zijne oogen strak ten hemel gewend, alsof hij zich in den geest onmiddellijk met de Hemelingen onderhield, en begon toen tot het volk te spreken.„Weet dan, gij Atheners,” sprak hij, „dat de Goden mij dezen nacht een droom toezonden en mij te rechter tijd op deze plaats hebben doen komen. Te Athene is schuld op schuld gestapeld gedurende eene lange reeks van jaren: Sophisten en godloochenaars hebben u verdwaasd, hetaeren hebben u beheerscht, tempels en godenbeelden zijn er opgericht, niet ter eere der Goden, maar tot ijdele pronk en tot verderf van het eenvoudige en vrome geloof der vaderen. Tot straf voor uwe verbastering, godloochening en weelderigheid treft u nu datgene wat gij lijdt. Niet voor de eerste maal ontlast zich de toorn der Goden over de Hellenen. En gij weet op welke wijze de toorn der Goden in overoude tijden pleegde afgewend te worden. Gij weet, dat de Goden somwijlen alleen door het hoogste aller offers, door een menschenoffer, konden worden verzoend. Grijpt dezen godslasteraar: zijn leven is bovendien reeds door zijne misdadige godloochening volgens de wet verbeurd verklaard. Hij is een misdadiger, reddeloos een kind des doods. Maar in plaats van door de hand van den scherprechter zijne straf te ondergaan, moet hij, volgens het overoude, half vergeten gebruik, den Goden als zoenoffer gebracht worden, moet hij onder de toonen der muziek door de straten geleid en verbrand worden en zijne asch naar alle windstreken verstrooid!”Terwijl de priester sprak, had zich steeds meer volk verzameld. Daaronder ook Pamphilus. Toen hij hoorde, dat men den vriend en verdediger van[335]Pericles te lijf wilde gaan, was hij onmiddellijk bereid te helpen.„Ginds aan den oever van den Illissus,” sprak hij, „branden dag en nacht de brandstapels, waarop de door de pest weggemaaiden verteerd worden. Op een van die lustig flikkerende vuren zal ook nog wel een plaatsje zijn voor hem!”Daarbij greep hij zelf het eerst den schuldige aan en eene menigte der meest woesten onder zijne makkers voegde zich bij hem om den ongelukkige voort te sleepen.Thans kwam Pericles op de Agora, voornemens om zich naar het buleuterium6te begeven. Hij zag de opschudding en vroeg naar de oorzaak daarvan.Luid klonk het uit de woeste en opgewonden menigte dat de Goden een zoenoffer verlangden en dat men juist van plan was dit in den persoon van den misdadiger en godloochenaar Mechillus te gaan brengen.Pericles drong zich midden tusschen het volk, terwijl hij met woorden en gebaren zijne afkeuring te kennen gaf. Diopithes trad hem te gemoet.En nu stonden de beide mannen, de hoofdaanvoerders van den grooten strijd, die sedert jaren te Athene gestreden werd en der beslissing steeds meer en meer naderde, voor de eerste maal persoonlijk als in een tweegevecht tegenover elkander.„Terug, Alcmaeönide!” riep deErechtheüs-priester. „Wilt gij ook nu weder den Goden onttrekken wat hun toekomt en wat zij gebiedend verlangen? Wilt gij het volk der Atheners beletten het schuldige zoenoffer te zoeken en eindelijk redding te verkrijgen uit den nood waarin niemand anders dan gij zelf hen hebt gestort? Ziet gij niet, waarheen uwe verblinding dit vroeger door de Goden rijk gezegende volk heeft gevoerd? Uw werk is het, dat het zich van de oude, vrome zeden heeft afgekeerd, dat het naar rijkdom, genot[336]en ijdelen glans heeft gestreefd, dat het het valsche licht is gevolgd en geluisterd heeft naar de woorden der godloochenaars!”„En gij, Diopithes?” antwoordde Pericles op ernstigen, bedaarden toon, „waarheen denkt gij het volk der Atheners te voeren? Tot dweepzieken moord van burgers—tot hernieuwing van ruwe en onmenschelijke wreedheden, waarvan de Helleensche geest, vooruitgaande op de baan der ontwikkeling en humaniteit, reeds sinds eeuwen zich met afgrijzen heeft afgewend!”„Dank den Goden, Pericles!” riep Diopithes, „dat zij dezen man in onze hand hebben gegeven—dank den Goden, dat zij zich voor het oogenblik met het bloed van dezen man tevreden stellen! Want als zij den waren schuldigen van ons eischten, den schuldigste uit het geheele volk der Atheners, weet gij wien wij dan moesten vatten en aan de vlammen prijsgeven? Evenals eens de ziener Tiresias den overmoedigen, hoovaardigen Oedipus, zoo moesten wij u toeroepen: Alcmaeönide, gij zijt de schuldige, gij zijt de oorzaak van den toorn der Goden! Een oude vloek rust op uw geslacht! Door u, door uwe handlangers en vrienden is Athene goddeloos geworden, door u is de rampzalige krijg over ons losgebarsten en de ergste geesel in de handen der Goden, de pest, behoorde, tot volledige verzoening door geen ander dan door uw bloed afgewend te worden!”—„Als het zoo is, als gij zegt,” hernam Pericles rustig, „laat dan dien man los en offer dengene, die u de schuldigste schijnt!”Tegelijkertijd bevrijdde Pericles den ter dood gewijde uit de hand van Pamphilus. Met een grijnslach van innig welgevallen liet deze zijne eerste prooi los en sloeg onmiddellijk, verheugd om den ruil, de hand aan den hem gehaten, thans zich zelven ten offer biedenden strateeg.„Wat aarzelt gij?” zei Pericles tot de verbaasde Atheners, die stilzwegen en zich niet verroerden. „Denkt gij, dat ik mij alleen heb aangeboden in[337]de verwachting door u ontzien te worden? Gelooft mij, Atheners, dat het mij vrij onverschillig is, of gij mij spaart dan of gij mij ter dood brengt! Tot het schoonste geluk, den schitterendsten glans, het volle licht der waarheid en der vrijheid meende ik Athene nader gebracht te hebben, en nu zie ik, dat een door de godheid beschikte omkeer—of is ’t een vloek, die met den natuurlijken loop der wereld gepaard gaat?—ons wederom overweldigt en terugvoert naar nacht en dwaling; dat niet alleen uitwendige rampen over Hellas losbreken, maar ook in onzen eigen boezem allengs donkere machten over de heldere en ware zegevieren! Ik dank den Goden, als ik den luister en bloei van mijn vaderland niet overleef!—doodt mij!”Sprakeloos en roerloos stonden nog altijd de Atheners. Pamphilus werd ongeduldig.Thans trad een man uit de menigte te voorschijn en zeide, terwijl hij zich bereidde om weg te gaan: „Als gij Pericles wilt dooden, doe het dan zonder mij. Ik wil daar niets van zien. Mij heeft hij eens in Thracië, toen ik zwaar gewond was, met eigen handen gered, terwijl alle anderen voor de overmacht der vijanden vluchten en mij in de hand des vijands wilde achterlaten.”„Ook ik ga!” riep een tweede. „Ik kreeg van hem in den Samischen oorlog genade, toen de andere strategen, op mij gebeten, mij om een gering vergrijp ter dood wilden veroordeelen.”„Ook ik wil met de zaak niets te doen hebben,” zei een derde; „ook mij heeft Pericles door zijne voorspraak geholpen, toen ik bij alle overheden te Athene geen recht kon krijgen.”„Ook mij! ook mij!” klonk het uit de menigte, en steeds grooter werd het getal der mannen, die zich van den troep afscheidden.„Door de opzettelijke schuld van Pericles heeft geen Athener ooit rouw gedragen!” klonk het7.[338]Pamphilus hield zijn offer, dat hem dreigde te ontgaan, krampachtig vast.„Laat Pericles los, Pamphilus!” riepen eenigen. Daarop schreeuwden nog meerderen hetzelfde en eindelijk ging er maar één kreet uit de gansche menigte op:„Laat Pericles los, Pamphilus!”—Aan dezen man konden de Atheners zelfs in hunne slechtste oogenblikken zich niet vergrijpen.„Nog eens hebt gij gezegevierd!” riep Diopithes honend den bevrijden Pericles toe. „Maar wellicht is dit de laatste uwer triomfen. Op uw hoofd werp ik de schuld, als de Goden onverzoend blijven en hun geesel voortwoedt over ons!”—Korten tijd na deze gebeurtenis werden de beide zonen van Pericles, Paralus en Xanthippus, door de pest aangetast en vielen als offer der vreeselijke ziekte.Met innig welgevallen wees deErechtheüs-priesterop den thans duidelijk zich openbarenden vloek der Goden, die nu eindelijk het geslacht derAlcmaeönidengeheel wilden verdelgen.Het geweld der pest nam weder toe. Aan de verstoring van het zoenoffer, en aan Pericles, die daarvan de schuld was, herinnerden thans onophoudelijk Diopithes en zijne aanhangers. Die schuld en de toorn der Goden schenen ontegenzeggelijk, na de ramp dien de Hemelingen over den man hadden gebracht.Meer dan ooit waren de gemoederen der Atheners gedrukt en verslagen.Het veld was vrij gelaten aan de tegenstanders van Pericles.In eene soort van stompe onverschilligheid liet Pericles, na zooveel rampen ook nog door den plotselingen dood van zijne zonen, door den ondergang van zijn geslacht, diep ter neer geslagen, de dingen haar loop. Het oogenblik voor zijne vijanden, om den lang beraamden, beslissenden slag te slaan, was gekomen.In eene weinig bezochte volksvergadering werd[339]door lage boosheid voorgesteld hem van zijn ambt als strateeg en zijne andere waardigheden te ontzetten, en de domme verbijstering der meerderheid nam het voorstel aan.Zou Pericles, de Olympiër, na tientallen van jaren roemrijk den staat te hebben bestuurd, weder een eenvoudig, Atheensch burger worden? Zou Diopithes ten laatste toch gezegevierd hebben?Welaan dan, gij mannen, zoo riep men thans, die het groote woord onder het volk voert, Cleon, Lysicles, Pamphilus, welbespraakte redenaars en raadgevers op de Pnyx—stelt u aan de spits der vloten en legers! grijpt de teugels, die men aan de handen van den heerschzuchtigen Pericles heeft ontwrongen!Op de Agora beijvert zich inderdaad weder de onvermoeide Pamphilus, een grooten hoop volks om zich heen verzamelende, ten einde zijn vriend Cleon tot aanvoerder te doen verkiezen, zijn moed, zijne gezindheden, zijne bekwaamheden op te vijzelen.Na een lang en levendig gesprek treedt eensklaps uit de vergaderden een armoedig man op, van een zonderling, half verwilderd uitzicht en begint tot het volk met vuur te spreken.„Medeburgers!” roept hij, „wij hebben Pericles afgezet, wij, het Atheensche volk. En dit was goed, in zooverre Pericles daaruit heeft kunnen zien, dat wij hier te Athene nog de volksheerschappij bezitten. In zooverre, zeg ik, was het goed. Overigens echter blijft het toch eene ongehoord domme zaak zich een been af te zagen op het oogenblik, dat men te Olympia een wedren wil gaan houden—en nadat wij van kwaad tot erger zijn vervallen en de os, om zoo te zeggen voor een appel en een ei te krijgen is, en worsthandelaars ons willen wijsmaken, dat zij vogelmelk te koop hebben …”„De duivel hale u, ellendeling!” viel hem een man uit de heffe des volks verwoed in de rede. „Wilt gij eens zwijgen!”„Ik wil niet zwijgen!” hernam de opgewondene.[340]„Ik ben een Atheensch burger zoo goed als iemand, en ik vrees geen mensch. Ik ben een man uit Halimus: marskramer was ik en ik heb betere dagen gekend; maar nadat mijne vrouw en kinderen aan de pest zijn gestorven en ik zelf ter nauwernood te midden der lijken van het ziekbed ben opgestaan, heb ik alles laten liggen, zooals het lag, en heb mij hier in de stad als lijkuitdrager verhuurd, dat wil zeggen, ik help de pestlijken uit de huizen naar de brandstapels sleepen.”Na deze woorden van den man weken allen met zekere huivering terug en hielden zich, door angst gedreven, op een afstand van hem.De voormalige marskramer uit Halimus stoorde zich echter daaraan volstrekt niet, maar vervolgde:„Ik beroem er mij op, dat ik, zooals gij mij hier ziet, een man ben van ervaring in staatkundige zaken. Ik behoorde vóór vijftien jaar op de Pnyx tot hen, die vóór den bouw van het Parthenon stemden en die de rechtersoldij en de schouwburggelden toestonden. Ik heb altijd mijn burgerplicht vervuld en het belang van den staat op ’t oog gehad, en ik zeg u, dat de Peloponnesiërs geen runderen en schapen zijn, die zich door den leerlooier Cleon goedschiks hun huid zullen doen touwen. En toen de beide zonen van Pericles aan de pest gestorven waren, had men eigenlijk den ongelukkigen man, den kinderloos geworden vader, moeten beklagen, en hem daarom niet minder achten, noch hem beschouwen als een door den toorn der Goden getroffene en hem als zoodanig vervolgen.”„Genoeg van Pericles,” viel de verwoede Pamphilus den marskramer in de rede. „Wij willen niets meer hooren van Pericles. Hij deugt tot niets meer. Hij sukkelt, naar men zegt. En wat hebben wij aan een ziekelijk man?”„Pas op, Pamphilus!”riep de andere; „het geneesmiddel van den zieken leeuw is, zooals het spreekwoord zegt, dat hij een baviaan opeet!”„Wilt gij mij beschimpen?” schreeuwde de worstmaker, zijn been oplichtende, om zijn tegenstander[341]een trap in de lendenen te geven.„Kom maar op!” riep de man uit Halimus, „ik zal u zoo looien, dat uw huid er uit ziet als purper! Ik zal u de longen uit het lijf scheuren en uw ingewanden dooreen klutsen!”Pamphilus week huiverig terug voor de aanraking van den drager van pestlijken.„Terug!”riep hij, „terug! Waag het niet uwe verpeste hand aan het lichaam van een Atheensch burger te slaan! Terug, ellendeling! Ellendigste, allerellendigste der menschen!”—„Waarom?” riep de drager van pestlijken, grijnzend. „Gij zult het misschien toch moeten toelaten, dat ik u aanraak! Van zulke knapen als gij zijt hoop ik er nog ettelijke dozijnen op mijn wagen te krijgen! Overigens echter herhaal ik: het was goed, dat wij Pericles afzetten, opdat hij zou zien, dat wij hem kunnen afzetten, als wij willen. Nu hij dit echter gezien heeft, is het beste dat wij heengaan en hem weder aanstellen en hem de vloot weer toevertrouwen; want wij kunnen hem niet missen, zeg ik u—wij hebben geen tweede, hem gelijk, en niet ieder, die eene knots8draagt, is daarom een held.”—Wat de half verwilderde man uit Halimus op zijne zonderlinge, maar eerlijke manier te berde bracht, was eene moeilijk te bestrijden logica.Inderdaad, wie te Athene weder den oorlog wilde, die moest Pericles ook willen. Potidaeä was eindelijk gevallen:—opnieuw, zij het ook met zwakken vleugelslag, ontvouwde zich de hoop. Snel veranderde dan ook weder de stemming onder het bewegelijke volk der Atheners.Op den volgenden dag stroomden de Atheners naar de Pnyx en herstelden Pericles in al zijne ambten en waardigheden.Zij meenden, dat het nog de oude Pericles was, aan wien zij zich andermaal toevertrouwden. Zij vergisten zich.[342]Sophocles was de eerste, die zijn vriend de tijding van het nieuwe besluit des volks bracht.„De Atheners hebben u alles teruggegeven!” zei de dichter hem gelukwenschende.„Alles,” hernam Pericles met een bitteren lach, „behalve het vertrouwen op hen, het vertrouwen op het geluk van Athene en het vertrouwen op mij zelven!—„Diopithes triomfeert toch!” vervolgde hij. „Schijnbaar heeft hij nu ook het onderspit gedolven, maar in waarheid zijn wij te Athene de overwonnenen. De hoogste zijner bedoelingen wel is waar heeft Diopithes niet bereikt, maar wat hij en de zijnen sedert lang voorbereid en gedaan hebben, dat is niet verloren gegaan bij het volk der Atheners!”—„Verban die sombere gevoelens uit uw hart!” vermaande Sophocles. „Athene en Hellas staan nog op hun glanspunt: nog menig heerlijk gewrocht zullen zij voortbrengen, nog menigen zegekrans behalen. Ons betaamt het niet te klagen, ons, wien het vergund werd, den edelsten bloei ontwikkeld te zien.”„Maar ook den worm, die aan dien edelsten bloei knaagt!” hernam Pericles. „Nog is hij er niet, de tijd, die zich aankondigt, maar eene donkere toekomst werpt hare schaduw ver voor zich uit. Naar het toppunt van opgewekte vroolijkheid, schoonheid en kennis streefden wij. Van onze droomen heeft zich de droom der schoonheid verwezenlijkt—de andere echter zijn in nacht en verwarring opgegaan. Kort zijn, naar het schijnt, de levenslenten der volkeren en hunne bloesems welken, vóór zij zich nog ten volle hebben ontwikkeld!”Zoo sprak op dien dag Pericles tot den edelste zijner vrienden.—Nog eenmaal verhief zich de geweldige, verderfelijke ziekte.Er kwam bij de verandering der maan een donkere nacht, een nacht, waarin de storm vreeselijk huilde. Koud blies de wind over het Attische land van de kloven en hoogten van den Pindus.[343]Dof sloegen in den Piraeüs de golven tegen de steenen dammen. De schepen in de haven werden heen en weder geslingerd, de masten kraakten, het want gierde. In de ontvolkte straten van Athene loeiden de winden als spoken, zij speelden met de open deuren der verlaten huizen en huilden door de eenzame peristylia. Men wist soms niet of ’t huilen en bulderen van den wind was, dan wel het klagen en zuchten van jammerende moeders, dat men vernam. Over de tinnen, gevels en marmeren beelden van het Parthenon vlogen zwarte wolken. De als wijgeschenken opgehangen schilden sloegen klapperend tegen de architraaf, waaraan zij hingen. Nachtvogels krasten. Het reuzenbeeld der met lans en helm gewapende Athene Promachos trilde op zijn granieten voetstuk.In dezen donkeren, stormachtigen nacht, waarin ieder zich binnenshuis hield en de straten als schoongeveegd waren, dwaalde een man rond, door eene zonderlinge onrust gedreven. Die man was Socrates. Zijne oude gewoonte om des nachts rond te dolen, ten einde jacht te maken op gedachten, was hem meer en meer eigen geworden: evenwel werd hij zelf meer door gedachten gedreven, dan hij haar najaagde. Zoo zwierf hij ook dien nacht rond, blindelings, als naar een onzeker doel voortgestuwd.Hij naderde den verlaten oever van den Illissus, waar uitgebrande brandstapels lagen en waar de dolle Meno zat bij hoopen asch en glimmende kolen. De dolle kerel grijnsde, blies de kolen aan en warmde zich daaraan; nu endannam hij een slok uit eene flesch edelen Chiër, die hij uit een door de pestontvolkthuis weggenomen had, welks voorraad den roovers een gemakkelijke buit geworden was.Hier en daar stiet de voet van den voortijlenden Socrates in het donker op slechts half verbrande, zwart verkoolde ledematen.En verder vervolgde hij, zonder doel, zijn weg. Eensklaps werd hij getroffen door den geur van viooltjes. Hij treedt nader en komt bij eene bron,[344]die, naar de gewoonte der Atheners, met viooltjes is omplant. Socrates buigt zich neder, om zijn heet voorhoofd te verkoelen en zijne droge lippen zoeken het lavende vocht. Maar ook hier grijnst de dood hem tegen en spoedig wordt de zonderlinge geur der viooltjes hem verklaarbaar. De bron was verontreinigd door een lijk, een dier ongelukkigen, dien de vertwijfelende begeerte naar verkoeling nog in de ure van den doodstrijd naar de bron had gedreven.Huiverend week Socrates terug. Toen echter zich herstellend plukte hij een der viooltjes, beschouwde het lang en peinzend en zeide: „o gij Attische viooltjes, wie zal in de toekomst u nog roemen en de met viooltjes omkranste Atheners, als uwe gevierde geur zoo vreeselijk vermengd is met de walmen des doods?”—Hij ijlde terug, dieper de straten in, waar de deuren in den wind klapperden en de moeders als in wedstrijd met de winden huilden en klaagden. Hij staarde naar de Acropolis en zag het zwarte, in lage wolken verscheurde zwerk, dat als krijschende nachtvogels, aan ongeluksgeesten gelijk, het reusachtige beeld van Athene Promachos zweefde …Alsof de ongeluksgeesten, die hij daar meende te zien, op hem nederdaalden en hem dreigden en vervolgden, doolde Socrates rond. Eensklaps stond hij vóór het huis van Pericles.Hij bleef staan. Hoe dikwijls was hij over dezen drempel getreden! Hoe lang was ’t geleden, sinds dit voor ’t laatst geschied was!Hij naderde schier onbewust en onwillekeurig de deur. Hij bemerkte, dat zij niet gesloten was, als ware het vergeten of verzuimd, en zonder bewaker.Hij trad naar binnen; eenzaam en verlaten was het voorportaal. Geen geluid drong van binnen tot hem door. Huiveringwekkend was de stilte, die hem omgaf.Thans zag hij uit het peristylium het schijnsel van eenige somber flikkerende lichten.[345]Eene rilling voer hem door de leden; hij wist niet waarom. Maar tegelijk drong eene onbekende macht hem voorwaarts.Daar zag hij midden in het peristylium eene legerstede, met purperen kussens opgemaakt. Op de purperen kussens lag een doode, het lichaam gehuld in een schitterend wit gewaad—het voorhoofd omkranst met groenende klimopranken.Nevens de sponde zat eene vrouw, met gebogen hoofd, bleek en sprakeloos als een steenen beeld.Socrates bleef op den achtergrond. Hij bleef als vastgenageld staan, zonder een woord te spreken. Zijne oogen staarden strak en als van een krankzinnige op het lijk en op de vrouw, die bij het lijk zat.Die marmerwitte, onbewegelijke vrouw was Aspasia. De met klimop omkranste doode op de purperen sponde was Pericles, de Olympiër.Ontzield lag daar de Alcmaeönide, de aanvoerder van die onsterfelijke schaar verheven geesten, die Griekenland voor eeuwig hebben verheerlijkt—de held van een gouden bloeitijd der menschheid, die nog altijd naar hem wordt genoemd, dien hij over Hellas gebracht heeft en met welks verval hij zelf ook het leven verliet.Grooter en statiger nog scheen thans het lichaam van den held, door de pijlen van den doodsengel gevallen. Maar zachtheid lag er, evenals bij zijn leven, ook thans uitgebreid over zijn mannelijk gelaat. Zelfs de pest had die edele trekken niet misvormd. ’t Was, alsof de dood den Olympiër niet verslagen en vernietigd had, maar integendeel den door zielsleed gebrokene weder in zijne volle grootheid opgericht. Verjongd straalde nu weder in de trekken des dooden die opgeruimde kalmte, welke den levende eindelijk ontzonken was, verdwenen was de tweestrijd, dien ten laatste het gemoed van Aspasia’s gemaal was binnengeslopen …Waarover peinsde de bleeke Aspasia aan de doodsponde van Pericles?Aan haar geest ging eene schitterende reeks van[346]schoone, grootsche, heerlijke herinneringen voorbij.Zij dacht aan het oogenblik in de werkplaats van Phidias, waar het vurig oog van dien man voor ’t eerst het hare had ontmoet, waar, na manlijken, ernstigen strijd voor de grootheid en macht van Athene, de schoonheid hem in banden sloeg.Zijn beeld zweefde voor hare oogen, nu eens hoe hij op het redenaarsgestoelte der Pnyx stond en het volk aan zijne lippen hing—dan weer hoe hij vol fierheid en geestdrift met haar wandelde over de hoogten van de Acropolis, zich verheugend over het heerlijke en grootsche, dat daar onder zijne oogen verrees;—nu eens hoe hij, door begeerte naar krachtige daden aangegrepen, voor Samos zich nieuwe lauweren bevocht—dan weder hoe hij in zalige liefde, het schoonste menschenlot vervullend, op de bloeiende hoogte des levens den bedwelmenden kelk der vreugde met haar ledigde—of hoe hij op de Acropolis in het gezicht van nieuw voleindigde, onsterfelijke gewrochten een verbond met haar sloot, zijne ziel vervuld van grootsche plannen en verwachtingen.In zijne edele grootheid zweefde hij voor haar geest, in zijne overweldigende macht over de menschen, in zijne gevoeligheid en warmte van hart, in zijne waardige, mannelijke kracht—zacht, verstandig en moedig te gelijk—het toonbeeld van den echten Helleen, te zeer vervuld van geest en gemoed om op te gaan in ruwen heldenzin, en van den anderen kant te ijverig, te degelijk om enkel genoegen te vinden in weekelijk genot, in de bekoring van schoonheid en liefde.Maar ook zweefde zijn beeld voor hare oogen, hoe hij aan hare zijde wandelde in de dreven der Peloponnesus, hoe meer en meer de ernst met zachte schaduwen over zijn voorhoofd gleed, hoe hij vervuld van het leven en streven van den voortschrijdenden tijd, aangespoord door een voorgevoel eener nieuwe, ernstige, treurige toekomst, zwijgend zijn diepst gevoel verborg, totdat hij ophield een Helleen te zijn in den geest en den zin der schoone[347]vrouw, met wie hij het schitterend vreugdebond der liefde had gesloten, en totdat hij, na den loop der ontwikkeling van het Hellenisme in zijn eigene ziel doorleefd te hebben, door onheilspellende, sombere voorgevoelens aangegrepen, met de macht en grootheid van zijn vaderland zelf bezweek.Evenals Aspasia’s oog strak op het gelaat van den ontzielden Pericles was gericht, zoo staarde het oog van Socrates onbewegelijk op het bleeke gezicht der vrouw.In haar scheen hem Hellas verpersoonlijkt, dat treurend zat aan de lijkbaar van den edelste zijner zonen …Hoe bleek en ernstig zien die trekken van de schoone vrouw, dit eens zoo levenslustige Hellas!Thans sloeg Aspasia haar oog op en haar blik ontmoette dien van Socrates. Het was een lange, lange blik, dien Aspasia en Socrates wisselden.Het was een lange, diep ernstigen blik en geen woord zou de gewaarwordingen kunnen uitdrukken, die in dezen langen blik opgesloten lagen.Geen enkel woord, alleen deze ééne blik werd tusschen hen beiden gewisseld.Toen verdween Socrates. Als eene spookachtige schim was hij voor de vrouw opgerezen—zonder geluid verdween hij.—Eenzaam zat weder bij de doodsponde van den grooten Helleen, roerloos en marmerbleek, Aspasia.—Socrates zette zijne nachtelijke wandeling voort. Zonder bepaald plan of doel ijlde hij door de straten, een geruimen tijd met diep bewogen gemoed.Het geweld van den gierenden en huilenden rukwind had opgehouden. Stiller en nog eenzamer dan te voren was het geworden om den nachtelijken zwerver. Het was reeds lang over middernacht. De morgen kondigde zich van verre aan met eene bijna nog onmerkbare grauwen streep in het Oosten. Maar nog was het nacht, donkere nacht, in de straten van Athene. Door de gescheurde wolken des hemels fonkelden slechts enkele verflauwende sterren.[348]Plotseling stond voor Socrates een man, reisvaardig, naar het scheen, vergezeld door een slaaf. Hij vestigde den blik strak op Socrates.Socrates keek op, toen gene hem den weg versperde, en hij herkende Agoracritus.„Waarheen gaat gij in den donkeren nacht?” vroeg de voormalige makker in Phidias’ werkplaats aan den denker.„Mij riepen dringende zaken naar Athene,” vervolgde Agoracritus, toen Socrates met het antwoord draalde; „maar ik haast mij weder weg te komen uit de verpeste stad. Ik ga naar Rhamnus, om eindelijk te doen, wat men sinds zoovele jaren van mij verlangt: mijne daar geplaatste Godin met die uiterlijke kenteekenen te versieren, die haar ongetwijfeld van eene Aphrodite tot eene Nemesis zullen maken. Ik heb lang geaarzeld—maar thans drijft mij ook de lust dien menschen te believen. Zij moeten niet langer twijfelen, de mannen in het land van Attica, dat werkelijk de Nemesis in plaats van de lachende Aphrodite midden onder hen staat. Ben ik haar toch geen dank verschuldigd, deze met langzame, maar zekere schreden naderende Godin? Heeft zij mij niet gewroken op de vrouw, die ik haat? De Godin der vergelding heeft hare tenten opgeslagen in het huis van Pericles en Aspasia. En nu vernam ik nog ten laatste, dat de pest voor weinige dagen Pericles aangegrepen en op het ziekbed heeft geworpen.”Socrates sloeg zijn oogen op, zag Agoracritus in ’t gelaat en zeide zacht:„Hij is dood.”Agoracritus zweeg getroffen.Beiden gingen een eind weegs sprakeloos naast elkander.„Dood?” vroeg toen Agoracritus.„Ik zag hem zelf!” hernam Socrates op doffen toon.Wederom zwegen beiden een tijd lang.Eindelijk begon Agoracritus:„Gij hebt Pericles ontzield gezien; mij is het ten[349]deel gevallen Phidias voor mijne oogen in den kerker te zien sterven. Ik was bij hem in zijn laatste ure. Toen ik hoorde, dat hij erg ziek was, ijlde ik naar hem. De menschen zeiden mij, dat hij alle geneesmiddelen en iedere soort van hulp van de hand wees. Pericles had Hippocrates tot hem gezonden: hij echter begon met den geneesheer over de verhoudingen der vormen en lijnen van het menschelijk lichaam te spreken. Want ook thans op zijn ziekbed hield hem datgene bezig, wat hem vroeger alleen bezield had.„Toen ik kwam, vertelden mij diegenen, welke in den kerker om hem heen waren, dat hij herhaaldelijk in koortsachtige droomen sprak en zelden iemand meer herkende. Ik ging tot hem en vond hem stervende. Hij herkende mij in den beginne nog even, allengs echter werden zijne gedachten in de hitte der koorts verward. Hij sprak immer door van groote tempels en beeldwerken, van gouden en ivoren standbeelden en marmeren friezen—hij gaf zijnen leerlingen aanwijzingen, geheel en al alsof hij nog in zijne werkplaats was, spoorde hen tot den arbeid aan en berispte de tragen, duidde ook nauwkeurig aan hoe zij dit of dat moesten voltooien en was ontevreden, dat zij het niet geheel naar zijn wil deden. Menigmaal riep hij uitdrukkelijk mij of Alcamenes. Ten laatste echter scheen hij geheel alleen te zijn met zijne heerlijke beelden en zijn Goden en Godinnen, zijne Pallas Athene, zijne Olympische Zeus zweefden voor zijn geest. ’t Was, alsof de Goden van den Olympus allen tot hem nederdaalden en rondom zijn leger stonden, voor hem alleen zichtbaar, terwijl hij stierf; want hij schouwde met een verhelderd gelaat om zich heen, groette hen en sprak hen bij hunne namen aan. Ten laatste echter scheen het, dat Pallas Athene geheel alleen bij hem was achtergebleven en hem wenkte; want hij zei de eensklaps: „Waarheen wilt gij mij voeren? Ik kom!” Daarop richtte hij zich een weinig op, alsof hij wilde opstaan, om met haar, die hem wenkte, te[350]vertrekken; hij zonk echter achterover en blies den laatsten adem uit.„Hij stierf midden in zijn droomgezicht. Hij stierf schoon, als ooit eenig Helleen, daar het schoonste licht van Hellas nog eenmaal hem omstraalde en de Goden hem als ’t ware van de aarde naar den Olympus voerden, op het oogenblik, dat de nacht des onheils over Athene losbrak, zoodat hij van al dat leed niets meer bemerkte, maar met onbenevelden geest heenging.„In den beginne had het mij innig smartelijk getroffen te zien, hoe deze man in den kerker op zijne eenzame legerstede lag te sterven; want nadat hij de Athene Promachos op den burg, de Athene Parthenos en het Parthenon zelf, benevens dien Olympischen Zeus te Olympia had geschapen; en zooveel groots en heerlijks, wat niemand heeft overtroffen en niemand ooit zal overtreffen, ’t geen Griekenland de meeste luister heeft aangebracht, was zijn loon van de menschen, dat hij smadelijk en eenzaam stierf in den donkeren kerker.„Toen ik hem had zien sterven, voelde ik eene aandoening in de ziel, die niet zonder troost was, en ik ging stil heen, nadat ik den meester de oogen toegedrukt en zijn voorhoofd gekust had: ik beklaagde slechts Hellas te meer en ons allen, die achterbleven, nadat de grootsten en besten heen zijn gegaan!”Na dit verhaal van Agoracritus gingen de beide mannen nog een poos peinzend naast elkander. Toen scheidden zij.Agoracritus ging noordelijk naar Rhamnus; ook Socrates zette, door innerlijke aandoening gedreven, zijn weg verder voort, doch toen hij nauwelijks een paar schreden gegaan was stiet hij op een ontstoken brandstapel. Daarop waren vele pestlijken geworpen. Onder deze lijken zag Socrates ook den dollen Meno liggen.De dragers der pestlijken hadden hem, bedwelmd en verdoofd in een vasten slaap, te midden van lijken gevonden en den schijndoode op den brandstapel[351]geworpen, waar de vlam reeds om hem likte. Een hond liep huilend om den brandenden hoop.Thans greep de vlam den dollen Meno aan. Op dit oogenblik sprong ook de hond op den stapel en verbrandde met zijn meester.Een zonderling gevoel kwam in Socrates op. „Nu zijt gij vrij, Meno!” sprak hij.„Nu zijt gij vrij!” herhaalde hij nog verscheiden malen, terwijl hij met een gloeiend voorhoofd zijn weg vervolgde. „Zal er wellicht eens een tijd komen, waarop alle slaven vrij zullen worden?” dacht hij al voortgaande—„of alle vrijen slaven!” voegde hij er peinzend in zich zelven bij—Hij doorliep nu reeds ver afgelegen straten, niet meer in den omtrek van de stad zelve, maar in hare omstreken, waar landgoederen en tuinen der Atheners met de open dreven afwisselden.Een zwaluw vloog op en verkondigde den dag, met vluggen wiekslag door de lucht scherende.Socrates, door zijn daemon geleid, naderde een huis, waarin zekere beweging en drukte heerschten. Vele menschen liepen af en aan.’t Was de woning van Ariston, een aanzienlijk Athener. Socrates bleef staan en vernam van hen, die daar uit- en ingingen, dat Ariston in dezen nacht een zoontje was geboren. Na, zoovele beelden des doods eene geboorte, een ontwakend leven …Wederom rees een raadselachtige drang in de borst van Socrates op. Hij betrad het huis van den hem bevrienden man.Het kind lag in het peristylium, in de armen der voedster. Een hoogbejaarde grijsaard, die een ziener of priester scheen te zijn, hield zijn sneeuwwit hoofd er over gebogen en beschouwde het aandachtig. Ook Socrates sloeg zijn oog op het kind, dat een breed voorhoofd had, een denkersvoorhoofd, en welks gelaat reeds omschenen werd door een zachten, verheven, meer dan kinderlijken ernst.Plotseling kwam eene bij aangevlogen—eene bij van den naburigen Hymettus—eene der geprezen Attische bijen—zij komt aanvliegen, gonst om ’t[352]hoofd van het kind en raakt een oogenblik zijne lippen aan, even slechts en zonder kwaad te doen, ze als het ware kussend. Toen vliegt zij weder weg.Bij dit gezicht spreekt de grijze ziener:„Een goddelijk teeken is de kus van deze Hymettusbij. Van de lippen van dit kind zal eens de taal vloeien, zoeter dan honig!”9Het zien van dit kind maakt een diepen indruk op Socrates. Hij kan het voorgeval in zijne ziel niet verklaren. Maar de toekomst zal het eens ontsluieren.De knaap die daar voor de oogen van den rustelooze waarheidzoeker ligt, zal, tot jongeling gerijpt, eene nieuwe zending vervullen.Zijne lippen zullen druipen van Attischen honig. Maar met de zoetste welsprekendheid zal hij de bitterste leer verkondigen:Hij zal leeren, dat het lichaam een kerker is der ziel en dat de ziel, zich van hare boeien bevrijdend, opwaarts moet stijgen naar het bovenaardsche. Hij zal leeren, dat Eros de menschenwereld verachten en naar hooger moet streven, naar het heldere rijk der eeuwige, in onveranderlijke schoonheid schitterende gedachten—En deze leer zal een weergalm vinden aan naburige en verre stranden; zij zal het wachtwoord worden van een nieuwen tijd en op de lippen van een Galilaeër de wereld veroveren—Met haar echter zal ook in een anderen zin het woord der Sabazius-dienaars en Metragyrten triomfeeren, het sombere woord der zelfkastijding en zelfverloochening—Socrates ging peinzend uit de woning van Ariston. Hij had nu eene hoogte bereikt, vanwaar hij het Attische land en de zee kon zien, beschenen door de vriendelijke stralen der morgenzon.Op de zee, in de richting van Sunion, zag hij een vaartuig het zilte nat doorklieven. Hij staarde, in gedachten verzonken, werktuigelijk naar dit vaartuig.[353]Het droeg den „Satyr” en de „Bacchante”—het droeg Manes en Cora naar het Noorden; het voerde hen een nieuw vaderland te gemoet.Zij togen daarheen, zalig in het bewustzijn hunner ernstige liefde.Van de baai uit zagen zij terug en beschouwden, scheidend voor altoos, voor het laatst de stad der Atheners.Een licht, wit wolkje steeg, niet verre van de Acropolis, uit de stad omhoog in de reine, heldere morgenlucht. Het kwam van den brandstapel, die het zielloos overschot van Pericles in heiligen gloed verteerde.Dit wolkje steeg omhoog en zweefde om de tinnen van de Acropolis.Manes en Cora volgden het met hunne oogen, toen het om de witte marmeren kruin van den heiligen Pallas-burg zweefde.Maar het wolkje verdween, en rein en schitterend doemden in het heldere licht de tinnen en gevels van het Parthenon en der onlangs voltooide Propylaeën op uit de verte.Hoog verhief zich, boven de ellende en verdeeldheid van de stad der Atheners en der sterfelijke menschenkinderen, de onsterfelijke kruin van den berg.Uit de puinhoopen van het vergankelijke verrees in het land der Hellenen iets onvergankelijks, zegevierend in eeuwigen glans.En het scheen te zeggen:„Verheven ben ik boven het wisselend lot der menschen en hunne nietige ellende. Ik schitter door alle eeuwen heen. Ik besta ten allen tijde. Ik ben als het betooverend licht over de bergen van Hellas, en als de eeuwige glans der wateren in zijne golven!”Naar het Goede en naar het Schoone streven de volkeren.Menschelijk en edel is het Goede—goddelijk en onsterfelijk echter het Schoone.EINDE.[355]1De volksregeering.↑2Onder „kalokagathia” verstonden de Grieken die harmonische vereeniging van al wat schoon, goed en edel is; ons „rechtschapenheid” drukt het nog niet voldoende uit.↑3De volgende beschrijving van de pest is ontleend aan de overschoone schildering daarvan door Thucydides, die zelf door de pest is aangetast geweest, Bell. Pelop. Boek II. 47–56.↑4Charon, die de zielen der afgestorvenen over de rivieren in de onderwereld zette. Hij is, naar de mythe, de zoon van Erebus en Nux. Zij, die het veergeld niet konden betalen, moesten als schimmen aan de oevers van den Acheron verwijlen.↑5Attis, (ook Atis, Atys en Attys geschreven) een zoon van Calaüs koning van Phrygië; hij was, naar de mythe, een priester van Cybele. Gestorven zijnde opgewekt, komt hij als de trouwe begeleider van Cybele voor. Te zijner eere werden jaarlijks te Pessinus in Phrygië in de lente feesten gevierd. Wellicht doelt de mythe op het sterven der natuur in den winter en haar ontwaken in de lente.↑6Het raadhuis (bouleuterion).↑7Plutarchus, leven van Pericles, cap. 38, aan welk geschrift veel van het hier vermelde ontleend is.↑8Spreekwijze ontleend aan Heracles. Vergelijk Deel I pag. 220 en de noot.↑9Hier wordt Plato, Socrates’ groote leerling bedoeld.↑

XXIV.DE SATYR EN DE BACCHANTE.

In dien merkwaardigen nacht, waarin Simaetha tot koningin der vreugde bij het vroolijke maal in Pericles’ woning werd gekroond en de gloed[322]van de fakkels der Bacchanten in alle straten van Athene schitterde, in dien zelfden nacht zat bovenop de eenzame, stille Acropolis, op den donkeren gevel van het Parthenon, een ongeluksvogel, een somber starende uil, die herhaaldelijk zijn nachtelijk, huiveringwekkend, onheilspellend gekras deed hooren.Eenzaam zat weder bij de doodsponde van den grooten Helleen, roerloos en marmerbleek, Aspasia.Eenzaam zat weder bij de doodsponde van den grooten Helleen, roerloos en marmerbleek, Aspasia.Van de straten der stad steeg het vreugdegejuich naar boven en onder die klanken mengden zich zonderling de nachtelijke klaagtonen van den uil op den gevel van het Parthenon.Verre in den omtrek weerklonken, zij in de donkere ruimte van de tinnen der Acropolis af, als eene doodstijding.En waarlijk zoo was het.Want juist op het oogenblik, dat de jonge Alcibiades en zijne makkers ten toppunt van jeugdige uitgelatenheid hunne bekers ophieven bij het festijn in het huis van Pericles en een dronk wijdden aan de bekoorlijke koningin der vreugde—in dit zelfde oogenblik stierf Phidias in den kerker—in dit zelfde oogenblik blies de onsterfelijke meester van het Parthenon, sinds geruimen tijd door eene slepende ziekte aangetast, eenzaam den laatsten adem uit.In die ure echter, waarin de verhevenste Hellenenziel, het middelpunt van de luisterrijkste Atheensche scheppingskunst, in den donkeren kerkernacht haar stoffelijk hulsel verliet en Aspasia Pericles de woorden toevoegde: „Gij zijt geen Griek meer!”—in die ure was het, als werd niet alleen het heerlijke verbond van Pericles en Aspasia verscheurd, maar ook een vlijmend zwaard scheen te gaan door het hart der Helleensche wereld:—’t was alsof hare ster verduisterde, en nevens het zegevierend gekras van den uil op het Parthenon klonk een boosaardig geschater van grijnzende daemonen in de lucht boven de hoogte der Acropolis.DeErechtheüs-priesterontwaakt bij het uilengekras, op zijn nachtelijk leger. Hem klonk het geroep van den uil als de blijde mare in ’t oor: „Op, uw tijd is gekomen!”[323]En de daemonen fluisterden elkander toe: „Nu eindelijk is ons de macht gegeven los te breken!—Op, laten wij ons neder op Athene, neder op Hellas!”Aan ’t hoofd van dezen zwerm ongeluks-daemonen vlogen de Tweedracht en de Pest.De laatste breidde hare vale vleugelen uit en vloog alle anderen voorbij; zij streek neder op de in nacht gehulde, van het getier der Bacchanten weergalmende stad der Atheners.Zij zocht naar de plaats, waar feestvreugde het vroolijkst tierde—zij vond deze plaats en stortte zich als een gier neder op de bekoorlijke, jonge koningin der vreugde in Pericles’ woning.Het schoonste en bloeiendste Helleensche meisje, aan wie, zooals Alcibiades meende, de toekomst behoorde, was het eerste slachtoffer van een daemon.Er zijn tijden, waarin met het inwendig bederf, met de omkeeringen der zedelijke wereldorde, met de verzwakking en ontaarding, tevens groote physische rampen gepaard gaan, waardoor de harmonie en de orde der zedelijke en stoffelijke wereld te gelijk schijnen vernietigd te worden.Zulk een tijd brak thans voor Athene aan, zulk een tijd brak thans aan voor geheel Hellas.Aan het inwendige verterend verderf van den staat, zooals het langzaam en allengs voorbereid was door toenemende weelde en genotzucht, door het hand over hand toenemen van de losbandige demagogie1, het meest echter door den natuurlijken loop der menschelijke zaken, die met ijzeren noodwendigheid van bloei tot verval en ontaarding voert—aan dit inwendig verderf paarde zich het uitbreken van bloedige veeten onder de stammen van Hellas, waaruit ten laatste niemand als overwinnaar te voorschijn trad, maar waardoor integendeel de welvaart en de vrijheid van allen gemeenschappelijk te gronde gingen; en hierbij[324]voegden zich de gruwelen der pest, die moorddadige ziekte.De Helleensche „kalokagathia”2moest verbroken worden—niet meer moest het zijn: „eene gezonde ziel in een gezond lichaam,” waarop zich het Helleensche leven had mogen beroemen.—Snel had zich de mare van het eerste pestgeval ten huize van Pericles in de geheele stad der Atheners verspreid, en eensklaps maakte de uitgelaten Bacchantische feestvreugde plaats voor den bleeken angst, voor verlammende bezorgdheid.Andere doodelijke pijlen van den engel des verderfs werden afgeschoten en binnen weinige dagen woedde reeds de pest in al hare verschrikkingen3.Evenals bij Simaetha geschied was, placht de ziekte met groote verhitting van het hoofd uit te breken, tegelijk met ontsteking in de keel. Bloedige etter werd uit de keel, uit de mondholte, zelfs uit de tong afgescheiden. Voorts werd de borst aangetast en onder hevige hoestbuien werd weinig en dun speeksel met moeite opgegeven. Geweldige suizingen in de ooren volgden, krampen in de hand, eene beving over het geheele lichaam, een gevoel van angst en onrust, tot waanzin stijgend, een verterende dorst, inwendige brand, zoo fel, dat zij menigeen naar de regenputten dreef. Soms ook, op de ingewanden slaande, veroorzaakte de ziekte een hevig braken. Die huid was rood, somwijlen donkerblauw, met zweren en blaren bedekt. Evenwel ontbraken, naar ’t schijnt, hier, evenals bij de overige pestziekten, waarvan de Oudheid gewaagt, die builen, welke als ’t voornaamste kenteeken bekend zijn van de zoogenaamde Oostersche pest, dien in latere tijden zoo gevreesden geesel der volken.Tot aan den achtsten dag woedde doorgaans de ziekte; dan volgde de dood bij holle oogen, spitsen[325]neus, terwijl het lichaam op het gevoel koud en ruw was. Niet ongedeerd kwamen zelfs de herstelden er af. Want menigmaal sloeg de ziekte op de uiterste deelen des lichaams: voeten, handen en andere ledematen verstierven, verlamd of aangegrepen door het brandend vergif. Ook het gezicht ging niet zelden verloren. Het geheugen en ’t verstand leden er onder; menige herstelde bleef krankzinnig en er waren er, die zich zelfs hunne namen noch die hunner vrienden herinnerden.Zonder uitwerking bleven alle geneesmiddelen. Op raad van Hippocrates werden er groote vuren gebrand, daar men meende opgemerkt te hebben, dat smeden, die aanhoudend in de nabijheid van vuur arbeidden, zeldzamer door de ziekte werden aangegrepen.Maar het geweld van de ziekte nam steeds toe.Daar de wetenschap machteloos bleek, zocht men hulp bij het bijgeloof. Nooit werden de tallooze gebruiken van zoenoffers, reinigingen, bezweringen, die den Hellenen ten dienste stonden, met meer ijver betracht.In de eerste weken weergalmde de stad van de jammerklachten der stervenden; zij was vol van lijkstatiën, die de door de pest weggeraapte ter begrafenis brachten naar de graven of brandstapels.Maar toen de sterfte toenam en de besmetting, die van de kranken en de lijken uitging, angst en ontzetting verbreidde, zelfs velen eenzaam en verlaten in de ontvolkte huizen, ja op de straten stierven, toen werd op de heilige gebruiken geen acht meer geslagen. Niet meer werd den doode zijn obolus voor den veerman in de onderwereld4in den mond gestoken, niet meer werd hem de koek, om den helhond te bedwingen, in de hand gedrukt, niet meer werd hij zorgvuldig gebaad en met welriekende oliën gezalfd, niet meer werd hij, fraai gekleed en bekranst met klimop, op een leger in[326]het peristylium van het huis tentoongesteld, niet meer gingen luid weeklagenden de lijkstatie vooruit, niet meer werd hij vereerd door een lange rij van rouw dragers, door doodmalen en doodenoffers, door het anders gewone rouwgewaad, dat door de overblijvenden werd aangenomen: haastig en zonder misbaar, ja bijna zonder eenig geleide droeg men ze uit, de tallooze lijken en stopte ze onder den grond of lei ze op brandstapels. Ten laatste echter gebeurde het, dat men zelfs dezen plicht van eer, den dooden verschuldigd, die den Helleen altijd als een der heiligsten had gegolden, verwaarloosde. In uitgestorven woningen bleven de laatste lijken liggen, aan het verderf ten prooi. Men vond zelfs dooden in ledige tempels, waarheen de stervenden zich wellicht hadden gesleept, om de hulp der Goden in te roepen; men vond er ook velen bij de bronnen, werwaarts zij, door inwendigen gloed verteerd, gekropen waren om de droge lippen te laven: en als het akeligste en afschuwelijkste, vond men zelfs lijken in het water der regenputten, waarin de lijders door inwendige hitte verteerd, zich geworpen hadden. Weldra werd het verkwikkende bronnat slechts met vrees en huivering beschouwd—het kon toch verontreinigd zijn door afschuwelijke verrotting.—In de straten lagen de lijken opgehoopt van dezulken, die òf zich zelven daarheen gesleept hadden òf ontzield uit de huizen waren gedragen en in overijlde haast daar neergelegd, òf zelfs van de daken afgeworpen waren, ten einde er, in den wanhopenden angst, ten spoedigste van bevrijd te zijn.Als men dan deze lijken bijeen zamelde, bracht de afschuw van den Helleen voor de aanraking van doode lichamen, gepaard met den angst voor besmetting, de gemoederen in zoodanige verbijstering, dat stervenden onder dooden, bewusteloozen onder rottende lijken vermengd werden.Waar door aanverwanten een brandstapel ter verbranding van een afgestorvene was opgericht, daar drongen anderen met hunne dooden er bij en wilden ook deze in dezelfde vlammen werpen,[327]totdat het vuur door de menigte lijken verdoofde en een woeste strijd ontstond om de smeulende brandstapels.Men meende op te merken, dat de roofvogels en wilde dieren, hoe gretig ook op aas, de onbegraven, aan de pest gestorven dooden, niet aanraakten. Deden zij het echter, dan werden zij zelven weldra eene prooi der ziekte en vielen dood ter neder. Dit gebeurde ook dikwijls met de honden.De vrees voor besmetting vervreemdde de menschen van elkander. De Agora werd ledig, de worstelscholen bleven onbezocht, het volk durfde zich niet meer op de Pnyx verzamelen. De deuren der huizen waren òf vast gesloten omdat men elke aanraking afweerde, òf stonden geheel open, omdat het huis ledig was en uitgestorven. De vrees verscheurde zelfs de banden des bloeds. Ook zagen velen zich aan de willekeur der slaven prijs gegeven, daar dezen zich thans voor vroegere onderdrukking wreekten door ongehoorzaamheid, trots, het weigeren van hulp, diefstal en onbeschaamde plundering.Bittere smart wisselde in de gemoederen af met stompzinnige onderwerping. Niet weinigen echter dreef het verlangen om zich te bedwelmen tot woeste uitgelatenheid en tot onbeteugelden lust van genot. Men zocht moed of vergetelheid in verbijstering.De dolle Meno echter verachtte onverschrokken het gevaar en lachte er om. Hij was overal te vinden, waar de pest in hareafschuwelijkstevormen heerschte. Het liefst scheen hij onder lijken te vertoeven. Men zag hem menigwerf op een hoop doode lichamen zitten, alsof hij zich verheugde over het onheil, en hij spotte met het laffe volk, dat de lijken en hem zelven den verpeste, ontvlood. En daar men opmerkte, dat juist hij, die in dronken overmoed het gevaar tartte, verschoond bleef, vermeerderde het getal van hen, die hetzelfde deden. Weldra waren de straten en pleinen aan dronken onverlaten prijs gegeven, die als ’t ware der Koningin[328]Pest een feestdronk wijdden en lachend hare verschrikkingen trotseerden. Juist dezen waren het ook, die voor geld zich lieten overhalen, om de dooden uit de huizen weg te dragen of in de straten te zoeken en ze ter begraving of ter verbranding wegbrachten. Zij oefenden hun handwerk uit met de ruwe driestheid van menschen, die het niets achten hun leven op het spel te zetten. Zij eischten en namen wat hun lustte, plunderden en roofden, en pleegden in de huizen, waarin hun bedrijf hen voerde, allerlei gewelddadigheden. Ontzag voor de wet bestond er niet meer; want de werkzaamheden der gerechtshoven waren reeds geruimen tijd gestaakt en de misdadiger dacht, dat de pest òf hen, die hem zouden kunnen aanklagen, zou wegrapen, òf hem zelven van de noodzakelijkheid zich te verantwoorden ontheffen.Maar niet alleen mannen uit de armere en laagste klassen veroorloofden zich de ruwe uitspattingen, ook gegoeden deden hetzelfde: vooral was het de jeugd, die op zulke wijze zich tegen den indruk der haar omringende ellende zocht te wapenen. Velen zagen zich plotseling rijk geworden, doordat de nalatenschap hunner ouders, hunner broeders en zusters of verwanten eensklaps hun deel werd. Daar zij echter moesten vreezen weldra een dergelijk lot te zullen ondergaan, als zij van wie zij geërfd hadden, zochten zij hunne erfenis zooveel mogelijk in genot en in bedwelmende, woeste uitspattingen te verteren. Bij ’t zien van deze plotseling rijk gewordenen kwam ook bij anderen de verwachting op, zich in een dergelijk lot te zullen verblijden: uit die verwachting wederom ontkiemden de hoop en een misdadig verlangen.Zoo werden ook in dit opzicht de zedelijke banden al zwakker en zwakker, en de overlevenden verheugden zich over de voordeelen, die uit den jammer der algemeene sterfte voor hen voortvloeiden.Schoon ook de pest met hare vreeselijke gevolgen bij velen de genotzucht tot eene ziekelijke[329]hoogte opdreef, gold echter ook hier de algemeene regel, dat de uitersten elkander raken of het eene uiterste tot het andere overslaat. Bij die teugellooze genotzucht, breidde ook het sombere bijgeloof hoe langer zoo meer zijne heerschappij uit. Weldra hoopten zij, die nog zooeven in woeste dronkenschap en uitgelatenheid heul hadden gezocht, eene nieuwe kracht en een nieuwen troost te vinden in bijgeloovige vereering der Goden.Mannen als Diopithes traden op, die de ramp, waardoor Athene bezocht werd, als eene straf voorstelden voor de vroegere verachting der Goden, en de woede des volks keerde zich tot hen, die door Diopithes en zijns gelijken als de hoofdoorzaken van den toorn der Goden aangewezen werden.Nu herinnerde men zich ook dien geheimzinnigen Sabazius-dienst en er werd gesproken van den Metragyrt, die in het gapende Barathron door de overmoedige, dronken Ithyphallers was geworpen. Er werden thans velen gevonden, die meenden, dat men wellicht ten onrechte dien Heiland Sabazius had versmaad, dien Verlosser van alle kwalen, en dat de misdaad, aan den onschuldigen Metragyrt begaan, de eigenlijke oorzaak was van den toorn der Goden en vooral van de wraak des beleedigden Sabazius. Hem te verzoenen, meenden zij, was nu de eerste plicht en het eenige geneesmiddel tegen de menschenverdelgende pest. Zekere te Athene wonende vrouw, eene vreemdelinge, Ninos geheeten, die zich op alle toovenarijen en geheimzinnige zaken verstond, wierp zich tot priesteres van Sabazius op, dien zij den volke zou prediken. Zich te laten wijden tot den dienst van dezen God gold weldra als heiliging en redding. Met zonderlinge gebruiken werd die plechtigheid des bijgeloofs voltrokken: ’t vel eener ree werd den profaan omgehangen, een gewijde drank hem aangeboden; met klei en leem werd hij ingewreven en eene slang werd om zijn borst gewonden. Hij zat daarbij op den grond en met den uitroep: „De ramp ontkwam ik, het betere bekwam ik” stond hij op, nadat[330]de wijding volbracht was. Een nachtelijk Bacchanaal verbond de sombere plechtigheden met de Orgiën der zinnen. Zoo vond uitspatting en bijgeloof zich in den Sabazius-dienst vereenigd. Men zag talrijke omgangen ter eere van Cybele en Sabazius. Velen waren er, die het voorbeeld der Metragyrten volgden en de Sicinnis dansten, terwijl zij zich daarbij geeselden en verwondden. Maar ook de aanhangers van den Phrygischen God5beroemden zich de pest te kunnen stuiten. Zij plaatsten den kranke op een stoel en dansten daaromheen onder woest getier. Zich in deze reien te mengen, gold voor de gezonden als een behoedmiddel tegen de ziekte.Zoo ver was het gekomen met het volk der Atheners!Wat Aspasia gevreesd had en meende te kunnen verhinderen, geschiedde: vreemde en sombere gebruiken drongen door in de heldere en schoone Grieksche wereld, om, zij ’t ook niet terstond tot eene volledige zegepraal te geraken, toch datgene voor te bereiden en te verkondigen, waarin het Helleensche leven als eene heldere ster achter donkere wolken zou ondergaan.Terwijl te Athene de vreeselijke pest domme vertwijfeling en verbijsterenden waan uitbroedde en voor een vreemd bijgeloof den weg baande, dat niet meer onschuldig was als het inheemsche en overoude, maar integendeel aan den wortel van ’t gezonde leven knaagde, bedreigden verschrikkingen van een anderen aard het Attische land.De oorlog was opnieuw ontbrand. Andermaal viel het Peloponnesische leger in de landouwen van Attica en drong hare bevolking naar de stad: andermaal was eene sterke vloot, ditmaal door Pericles zelven aangevoerd, uitgeloopen, en wederom dwongen de overwinningen, die zij op de kusten van[331]de Peloponnesus behaalde, den Spartaanschen koning tot overhaasten terugtocht. Doch Potidaeä bood nog steeds weerstand, Corinthe moest belegerd worden en nu eens hier dan weder daar sloeg in de koloniën en verbonden steden de vlam des oproers in lichte laaie uit.Om Aspasia en zijne beide zoons, Paralus en Xanthippus, aan het dreigend gevaar te onttrekken, had Pericles hun voor den tijd zijner afwezigheid zijn landgoed tot verblijf aangewezen. Derwaarts begaf zich Aspasia met haar gansche gezin. Doch het onheil volgde ook hier, en uit de kweekschool van schoonheid en vernuft werden, na Simaetha, ook Drosis en Prasina weggemaaid. Zij waren door den zegevierenden Pericles uit de gevangenis te Megara bevrijd, slechts om te Athene in den bloei harer jeugd aan den vreeselijken doodsengel ter prooi te vallen.Wie het kon, ontvluchtte, evenals Aspasia, de verpeste stad en begaf zich naar de landelijke vlekken of de nabijgelegen eilanden, waar het gevaar geringer scheen.Uiteengescheurd was de vriendenkring van Aspasia. Euripides had reeds voor eenigen tijd Athene verlaten. Hij was een menschenhater geworden en leefde op Salamis in stille afzondering; ’t liefst bracht hij zijn tijd door in die grot aan het strand, waarin hij onder ’t gekletter der wapenen en het gekraak der schepen het levenslicht had aanschouwd. Hier zat hij eenzaam en alleen, en verdiepte zich in gepeinzen, met het oog op de zee gevestigd, en niets verlangde hij van Athene te hooren, dan wat de baren hem toefluisterden, die van daar aanrollend, voor zijne voeten in schuim spatten.Sophocles leefde nog als te voren in zijne landelijke lustgaarde aan den Cephissus-oever en het hoofd van den lieveling der goden bleef daar gespaard voor den geesel, dien het Noodlot over de Atheners zwaaide. Opgeruimde, levenslustige wijsheid was zijne trouwe gezellin gebleven en had hem geleerd het lot van Pericles te ontwijken,[332]aan niets zijn hart te zeer te hechten en den ernst des levens geene te groote macht over zijn gemoed te verleenen.Ook het hoofd van Socrates bleef ongedeerd door den geesel, hoewel hij het broeinest der vreeselijke ziekte niet verliet, onverschrokken Athene’s straten doorwandelde, de menschen opzocht in hunne ellende, en overal, waar hij kon, hulp en troost gaf.De jonge Alcibiades had intusschen de dochter van Hipponicus, de bloeiende Hipparete, als gade zijn huis binnengevoerd.Ook hij trotseerde met zijn ouden overmoed de verschrikkingen der pest, hoewel hij zag dat de toorn der Goden de Ityphallers niet spaarde en de pest een zijner liefste vrienden, den jongen Demus, den zoon van Pyrilampes, van zijne zijde wegraapte. Toen Pericles met de galeien uitzeilde, bevond Alcibiades zich onder zijn gevolg. Daarom konden de Sabazius-dienaars hun eeredienst verrichten,zondervrees van de woeste Ithyphallers en het gapende Barathron.De pest nam een weinig af, zooveel ten minste, dat de burger ook weder aan den staat begon te denken en de stad der Atheners van ’t geen haar onmiddellijk had bedreigd, den blik weder kon richten naar hetgeen haar op grooten afstand boven ’t hoofd hing. Opnieuw was de krijgstrompet gestoken, doch de gemoederen waren versaagd: de strijdbare manschap was door de pest gedund en ook op de vloot en vóór Potidaeä zwaaide de doodsengel zijn geesel. Zegevierend streed ook thans Pericles met zijne vloot op de Peloponnesische kust. Doch wat baatte het, dewijl allengs geheel Hellas in partijschappen verdeeld, in den maalstroom werd medegesleept, zoodat de krijg hier verflauwd, ginds weder met nieuwen gloed ontbrandde? Wat nut hadden de zegepralen van Pericles, daar niet alleen de twee groote tegenstanders, maar ook hunne bondgenooten, slaags raakten, terwijl deze zelven echteròfaltijd weifelden òf van partij veranderde?[333]Het opperbevel van één enkele was niet meer mogelijk; wat hier werd veroverd, ging op een verder gelegen punt weder verloren; nergens bood de vijand een beslissenden slag aan; in tallooze kleine gevechten werd de groote Helleensche krijg verbrokkeld.Op de mare, dat het moedelooze Atheensche volk onderhandelingen met Sparta aan wilde knoopen, keerde Pericles haastig naar Athene terug. Hij hoopte de Atheners met nieuwen moed te bezielen, eene schandelijke vertwijfeling te verhinderen. Maar de Atheners, gedwee en verlamd geworden door de zware bezoeking, waren gunstiger dan ooit gestemd voor de geheime plannen der demagogen en van Diopithes.DeErechtheüs-priesterwas door de pest aangetast geweest, doch weder genezen. Sedert dien tijd was zijn woeste, fanatieke ijver nog grooter geworden. Eene besturing der Goden zag hij in zijne redding uit het doodsgevaar.’t Gebeurde op zekeren dag, dat een hoopje burgers op de Agora om een man verzameld was en naar zijne woorden luisterde. Want langzamerhand waagden de Atheners het weder elkander te naderen, terwijl nog kort te voren de een den ander als de pest zelve had geschuwd.De man, die te midden van het hoopje toehoorders stond, was een van die moedige en vrijzinnige mannen, wier tong thans bij wijlen weder scheen losgemaakt. Hij verstoutte zich niet alleen onverholen tegen de demagogen te ijveren en ten krachtigste Pericles te verdedigen, maar ook het bijgeloof te veroordeelen, dat zich van het Atheensche volk had meester gemaakt. Daar zich onder de toehoorders vele aanhangers van Diopithes en Cleon bevonden, ontstond er weldra een hevige woordenstrijd en de onversaagde kampioen werd ten laatste door de op hem losstormende tegenstanders aangegrepen en mishandeld.Op dit oogenblik kwam deErechtheüs-priesterdaarlangs, vergezeld door eene menigte zijner aanhangers[334]en vrienden.Toen hij hoorde dat die man Pericles verdedigd en het vertrouwen der Atheners op de Goden een kleinmoedig bijgeloof had genoemd, namen de trekken van den priester de uitdrukking van onheilspellende toorn aan.Hij hield een tijdlang zijne oogen strak ten hemel gewend, alsof hij zich in den geest onmiddellijk met de Hemelingen onderhield, en begon toen tot het volk te spreken.„Weet dan, gij Atheners,” sprak hij, „dat de Goden mij dezen nacht een droom toezonden en mij te rechter tijd op deze plaats hebben doen komen. Te Athene is schuld op schuld gestapeld gedurende eene lange reeks van jaren: Sophisten en godloochenaars hebben u verdwaasd, hetaeren hebben u beheerscht, tempels en godenbeelden zijn er opgericht, niet ter eere der Goden, maar tot ijdele pronk en tot verderf van het eenvoudige en vrome geloof der vaderen. Tot straf voor uwe verbastering, godloochening en weelderigheid treft u nu datgene wat gij lijdt. Niet voor de eerste maal ontlast zich de toorn der Goden over de Hellenen. En gij weet op welke wijze de toorn der Goden in overoude tijden pleegde afgewend te worden. Gij weet, dat de Goden somwijlen alleen door het hoogste aller offers, door een menschenoffer, konden worden verzoend. Grijpt dezen godslasteraar: zijn leven is bovendien reeds door zijne misdadige godloochening volgens de wet verbeurd verklaard. Hij is een misdadiger, reddeloos een kind des doods. Maar in plaats van door de hand van den scherprechter zijne straf te ondergaan, moet hij, volgens het overoude, half vergeten gebruik, den Goden als zoenoffer gebracht worden, moet hij onder de toonen der muziek door de straten geleid en verbrand worden en zijne asch naar alle windstreken verstrooid!”Terwijl de priester sprak, had zich steeds meer volk verzameld. Daaronder ook Pamphilus. Toen hij hoorde, dat men den vriend en verdediger van[335]Pericles te lijf wilde gaan, was hij onmiddellijk bereid te helpen.„Ginds aan den oever van den Illissus,” sprak hij, „branden dag en nacht de brandstapels, waarop de door de pest weggemaaiden verteerd worden. Op een van die lustig flikkerende vuren zal ook nog wel een plaatsje zijn voor hem!”Daarbij greep hij zelf het eerst den schuldige aan en eene menigte der meest woesten onder zijne makkers voegde zich bij hem om den ongelukkige voort te sleepen.Thans kwam Pericles op de Agora, voornemens om zich naar het buleuterium6te begeven. Hij zag de opschudding en vroeg naar de oorzaak daarvan.Luid klonk het uit de woeste en opgewonden menigte dat de Goden een zoenoffer verlangden en dat men juist van plan was dit in den persoon van den misdadiger en godloochenaar Mechillus te gaan brengen.Pericles drong zich midden tusschen het volk, terwijl hij met woorden en gebaren zijne afkeuring te kennen gaf. Diopithes trad hem te gemoet.En nu stonden de beide mannen, de hoofdaanvoerders van den grooten strijd, die sedert jaren te Athene gestreden werd en der beslissing steeds meer en meer naderde, voor de eerste maal persoonlijk als in een tweegevecht tegenover elkander.„Terug, Alcmaeönide!” riep deErechtheüs-priester. „Wilt gij ook nu weder den Goden onttrekken wat hun toekomt en wat zij gebiedend verlangen? Wilt gij het volk der Atheners beletten het schuldige zoenoffer te zoeken en eindelijk redding te verkrijgen uit den nood waarin niemand anders dan gij zelf hen hebt gestort? Ziet gij niet, waarheen uwe verblinding dit vroeger door de Goden rijk gezegende volk heeft gevoerd? Uw werk is het, dat het zich van de oude, vrome zeden heeft afgekeerd, dat het naar rijkdom, genot[336]en ijdelen glans heeft gestreefd, dat het het valsche licht is gevolgd en geluisterd heeft naar de woorden der godloochenaars!”„En gij, Diopithes?” antwoordde Pericles op ernstigen, bedaarden toon, „waarheen denkt gij het volk der Atheners te voeren? Tot dweepzieken moord van burgers—tot hernieuwing van ruwe en onmenschelijke wreedheden, waarvan de Helleensche geest, vooruitgaande op de baan der ontwikkeling en humaniteit, reeds sinds eeuwen zich met afgrijzen heeft afgewend!”„Dank den Goden, Pericles!” riep Diopithes, „dat zij dezen man in onze hand hebben gegeven—dank den Goden, dat zij zich voor het oogenblik met het bloed van dezen man tevreden stellen! Want als zij den waren schuldigen van ons eischten, den schuldigste uit het geheele volk der Atheners, weet gij wien wij dan moesten vatten en aan de vlammen prijsgeven? Evenals eens de ziener Tiresias den overmoedigen, hoovaardigen Oedipus, zoo moesten wij u toeroepen: Alcmaeönide, gij zijt de schuldige, gij zijt de oorzaak van den toorn der Goden! Een oude vloek rust op uw geslacht! Door u, door uwe handlangers en vrienden is Athene goddeloos geworden, door u is de rampzalige krijg over ons losgebarsten en de ergste geesel in de handen der Goden, de pest, behoorde, tot volledige verzoening door geen ander dan door uw bloed afgewend te worden!”—„Als het zoo is, als gij zegt,” hernam Pericles rustig, „laat dan dien man los en offer dengene, die u de schuldigste schijnt!”Tegelijkertijd bevrijdde Pericles den ter dood gewijde uit de hand van Pamphilus. Met een grijnslach van innig welgevallen liet deze zijne eerste prooi los en sloeg onmiddellijk, verheugd om den ruil, de hand aan den hem gehaten, thans zich zelven ten offer biedenden strateeg.„Wat aarzelt gij?” zei Pericles tot de verbaasde Atheners, die stilzwegen en zich niet verroerden. „Denkt gij, dat ik mij alleen heb aangeboden in[337]de verwachting door u ontzien te worden? Gelooft mij, Atheners, dat het mij vrij onverschillig is, of gij mij spaart dan of gij mij ter dood brengt! Tot het schoonste geluk, den schitterendsten glans, het volle licht der waarheid en der vrijheid meende ik Athene nader gebracht te hebben, en nu zie ik, dat een door de godheid beschikte omkeer—of is ’t een vloek, die met den natuurlijken loop der wereld gepaard gaat?—ons wederom overweldigt en terugvoert naar nacht en dwaling; dat niet alleen uitwendige rampen over Hellas losbreken, maar ook in onzen eigen boezem allengs donkere machten over de heldere en ware zegevieren! Ik dank den Goden, als ik den luister en bloei van mijn vaderland niet overleef!—doodt mij!”Sprakeloos en roerloos stonden nog altijd de Atheners. Pamphilus werd ongeduldig.Thans trad een man uit de menigte te voorschijn en zeide, terwijl hij zich bereidde om weg te gaan: „Als gij Pericles wilt dooden, doe het dan zonder mij. Ik wil daar niets van zien. Mij heeft hij eens in Thracië, toen ik zwaar gewond was, met eigen handen gered, terwijl alle anderen voor de overmacht der vijanden vluchten en mij in de hand des vijands wilde achterlaten.”„Ook ik ga!” riep een tweede. „Ik kreeg van hem in den Samischen oorlog genade, toen de andere strategen, op mij gebeten, mij om een gering vergrijp ter dood wilden veroordeelen.”„Ook ik wil met de zaak niets te doen hebben,” zei een derde; „ook mij heeft Pericles door zijne voorspraak geholpen, toen ik bij alle overheden te Athene geen recht kon krijgen.”„Ook mij! ook mij!” klonk het uit de menigte, en steeds grooter werd het getal der mannen, die zich van den troep afscheidden.„Door de opzettelijke schuld van Pericles heeft geen Athener ooit rouw gedragen!” klonk het7.[338]Pamphilus hield zijn offer, dat hem dreigde te ontgaan, krampachtig vast.„Laat Pericles los, Pamphilus!” riepen eenigen. Daarop schreeuwden nog meerderen hetzelfde en eindelijk ging er maar één kreet uit de gansche menigte op:„Laat Pericles los, Pamphilus!”—Aan dezen man konden de Atheners zelfs in hunne slechtste oogenblikken zich niet vergrijpen.„Nog eens hebt gij gezegevierd!” riep Diopithes honend den bevrijden Pericles toe. „Maar wellicht is dit de laatste uwer triomfen. Op uw hoofd werp ik de schuld, als de Goden onverzoend blijven en hun geesel voortwoedt over ons!”—Korten tijd na deze gebeurtenis werden de beide zonen van Pericles, Paralus en Xanthippus, door de pest aangetast en vielen als offer der vreeselijke ziekte.Met innig welgevallen wees deErechtheüs-priesterop den thans duidelijk zich openbarenden vloek der Goden, die nu eindelijk het geslacht derAlcmaeönidengeheel wilden verdelgen.Het geweld der pest nam weder toe. Aan de verstoring van het zoenoffer, en aan Pericles, die daarvan de schuld was, herinnerden thans onophoudelijk Diopithes en zijne aanhangers. Die schuld en de toorn der Goden schenen ontegenzeggelijk, na de ramp dien de Hemelingen over den man hadden gebracht.Meer dan ooit waren de gemoederen der Atheners gedrukt en verslagen.Het veld was vrij gelaten aan de tegenstanders van Pericles.In eene soort van stompe onverschilligheid liet Pericles, na zooveel rampen ook nog door den plotselingen dood van zijne zonen, door den ondergang van zijn geslacht, diep ter neer geslagen, de dingen haar loop. Het oogenblik voor zijne vijanden, om den lang beraamden, beslissenden slag te slaan, was gekomen.In eene weinig bezochte volksvergadering werd[339]door lage boosheid voorgesteld hem van zijn ambt als strateeg en zijne andere waardigheden te ontzetten, en de domme verbijstering der meerderheid nam het voorstel aan.Zou Pericles, de Olympiër, na tientallen van jaren roemrijk den staat te hebben bestuurd, weder een eenvoudig, Atheensch burger worden? Zou Diopithes ten laatste toch gezegevierd hebben?Welaan dan, gij mannen, zoo riep men thans, die het groote woord onder het volk voert, Cleon, Lysicles, Pamphilus, welbespraakte redenaars en raadgevers op de Pnyx—stelt u aan de spits der vloten en legers! grijpt de teugels, die men aan de handen van den heerschzuchtigen Pericles heeft ontwrongen!Op de Agora beijvert zich inderdaad weder de onvermoeide Pamphilus, een grooten hoop volks om zich heen verzamelende, ten einde zijn vriend Cleon tot aanvoerder te doen verkiezen, zijn moed, zijne gezindheden, zijne bekwaamheden op te vijzelen.Na een lang en levendig gesprek treedt eensklaps uit de vergaderden een armoedig man op, van een zonderling, half verwilderd uitzicht en begint tot het volk met vuur te spreken.„Medeburgers!” roept hij, „wij hebben Pericles afgezet, wij, het Atheensche volk. En dit was goed, in zooverre Pericles daaruit heeft kunnen zien, dat wij hier te Athene nog de volksheerschappij bezitten. In zooverre, zeg ik, was het goed. Overigens echter blijft het toch eene ongehoord domme zaak zich een been af te zagen op het oogenblik, dat men te Olympia een wedren wil gaan houden—en nadat wij van kwaad tot erger zijn vervallen en de os, om zoo te zeggen voor een appel en een ei te krijgen is, en worsthandelaars ons willen wijsmaken, dat zij vogelmelk te koop hebben …”„De duivel hale u, ellendeling!” viel hem een man uit de heffe des volks verwoed in de rede. „Wilt gij eens zwijgen!”„Ik wil niet zwijgen!” hernam de opgewondene.[340]„Ik ben een Atheensch burger zoo goed als iemand, en ik vrees geen mensch. Ik ben een man uit Halimus: marskramer was ik en ik heb betere dagen gekend; maar nadat mijne vrouw en kinderen aan de pest zijn gestorven en ik zelf ter nauwernood te midden der lijken van het ziekbed ben opgestaan, heb ik alles laten liggen, zooals het lag, en heb mij hier in de stad als lijkuitdrager verhuurd, dat wil zeggen, ik help de pestlijken uit de huizen naar de brandstapels sleepen.”Na deze woorden van den man weken allen met zekere huivering terug en hielden zich, door angst gedreven, op een afstand van hem.De voormalige marskramer uit Halimus stoorde zich echter daaraan volstrekt niet, maar vervolgde:„Ik beroem er mij op, dat ik, zooals gij mij hier ziet, een man ben van ervaring in staatkundige zaken. Ik behoorde vóór vijftien jaar op de Pnyx tot hen, die vóór den bouw van het Parthenon stemden en die de rechtersoldij en de schouwburggelden toestonden. Ik heb altijd mijn burgerplicht vervuld en het belang van den staat op ’t oog gehad, en ik zeg u, dat de Peloponnesiërs geen runderen en schapen zijn, die zich door den leerlooier Cleon goedschiks hun huid zullen doen touwen. En toen de beide zonen van Pericles aan de pest gestorven waren, had men eigenlijk den ongelukkigen man, den kinderloos geworden vader, moeten beklagen, en hem daarom niet minder achten, noch hem beschouwen als een door den toorn der Goden getroffene en hem als zoodanig vervolgen.”„Genoeg van Pericles,” viel de verwoede Pamphilus den marskramer in de rede. „Wij willen niets meer hooren van Pericles. Hij deugt tot niets meer. Hij sukkelt, naar men zegt. En wat hebben wij aan een ziekelijk man?”„Pas op, Pamphilus!”riep de andere; „het geneesmiddel van den zieken leeuw is, zooals het spreekwoord zegt, dat hij een baviaan opeet!”„Wilt gij mij beschimpen?” schreeuwde de worstmaker, zijn been oplichtende, om zijn tegenstander[341]een trap in de lendenen te geven.„Kom maar op!” riep de man uit Halimus, „ik zal u zoo looien, dat uw huid er uit ziet als purper! Ik zal u de longen uit het lijf scheuren en uw ingewanden dooreen klutsen!”Pamphilus week huiverig terug voor de aanraking van den drager van pestlijken.„Terug!”riep hij, „terug! Waag het niet uwe verpeste hand aan het lichaam van een Atheensch burger te slaan! Terug, ellendeling! Ellendigste, allerellendigste der menschen!”—„Waarom?” riep de drager van pestlijken, grijnzend. „Gij zult het misschien toch moeten toelaten, dat ik u aanraak! Van zulke knapen als gij zijt hoop ik er nog ettelijke dozijnen op mijn wagen te krijgen! Overigens echter herhaal ik: het was goed, dat wij Pericles afzetten, opdat hij zou zien, dat wij hem kunnen afzetten, als wij willen. Nu hij dit echter gezien heeft, is het beste dat wij heengaan en hem weder aanstellen en hem de vloot weer toevertrouwen; want wij kunnen hem niet missen, zeg ik u—wij hebben geen tweede, hem gelijk, en niet ieder, die eene knots8draagt, is daarom een held.”—Wat de half verwilderde man uit Halimus op zijne zonderlinge, maar eerlijke manier te berde bracht, was eene moeilijk te bestrijden logica.Inderdaad, wie te Athene weder den oorlog wilde, die moest Pericles ook willen. Potidaeä was eindelijk gevallen:—opnieuw, zij het ook met zwakken vleugelslag, ontvouwde zich de hoop. Snel veranderde dan ook weder de stemming onder het bewegelijke volk der Atheners.Op den volgenden dag stroomden de Atheners naar de Pnyx en herstelden Pericles in al zijne ambten en waardigheden.Zij meenden, dat het nog de oude Pericles was, aan wien zij zich andermaal toevertrouwden. Zij vergisten zich.[342]Sophocles was de eerste, die zijn vriend de tijding van het nieuwe besluit des volks bracht.„De Atheners hebben u alles teruggegeven!” zei de dichter hem gelukwenschende.„Alles,” hernam Pericles met een bitteren lach, „behalve het vertrouwen op hen, het vertrouwen op het geluk van Athene en het vertrouwen op mij zelven!—„Diopithes triomfeert toch!” vervolgde hij. „Schijnbaar heeft hij nu ook het onderspit gedolven, maar in waarheid zijn wij te Athene de overwonnenen. De hoogste zijner bedoelingen wel is waar heeft Diopithes niet bereikt, maar wat hij en de zijnen sedert lang voorbereid en gedaan hebben, dat is niet verloren gegaan bij het volk der Atheners!”—„Verban die sombere gevoelens uit uw hart!” vermaande Sophocles. „Athene en Hellas staan nog op hun glanspunt: nog menig heerlijk gewrocht zullen zij voortbrengen, nog menigen zegekrans behalen. Ons betaamt het niet te klagen, ons, wien het vergund werd, den edelsten bloei ontwikkeld te zien.”„Maar ook den worm, die aan dien edelsten bloei knaagt!” hernam Pericles. „Nog is hij er niet, de tijd, die zich aankondigt, maar eene donkere toekomst werpt hare schaduw ver voor zich uit. Naar het toppunt van opgewekte vroolijkheid, schoonheid en kennis streefden wij. Van onze droomen heeft zich de droom der schoonheid verwezenlijkt—de andere echter zijn in nacht en verwarring opgegaan. Kort zijn, naar het schijnt, de levenslenten der volkeren en hunne bloesems welken, vóór zij zich nog ten volle hebben ontwikkeld!”Zoo sprak op dien dag Pericles tot den edelste zijner vrienden.—Nog eenmaal verhief zich de geweldige, verderfelijke ziekte.Er kwam bij de verandering der maan een donkere nacht, een nacht, waarin de storm vreeselijk huilde. Koud blies de wind over het Attische land van de kloven en hoogten van den Pindus.[343]Dof sloegen in den Piraeüs de golven tegen de steenen dammen. De schepen in de haven werden heen en weder geslingerd, de masten kraakten, het want gierde. In de ontvolkte straten van Athene loeiden de winden als spoken, zij speelden met de open deuren der verlaten huizen en huilden door de eenzame peristylia. Men wist soms niet of ’t huilen en bulderen van den wind was, dan wel het klagen en zuchten van jammerende moeders, dat men vernam. Over de tinnen, gevels en marmeren beelden van het Parthenon vlogen zwarte wolken. De als wijgeschenken opgehangen schilden sloegen klapperend tegen de architraaf, waaraan zij hingen. Nachtvogels krasten. Het reuzenbeeld der met lans en helm gewapende Athene Promachos trilde op zijn granieten voetstuk.In dezen donkeren, stormachtigen nacht, waarin ieder zich binnenshuis hield en de straten als schoongeveegd waren, dwaalde een man rond, door eene zonderlinge onrust gedreven. Die man was Socrates. Zijne oude gewoonte om des nachts rond te dolen, ten einde jacht te maken op gedachten, was hem meer en meer eigen geworden: evenwel werd hij zelf meer door gedachten gedreven, dan hij haar najaagde. Zoo zwierf hij ook dien nacht rond, blindelings, als naar een onzeker doel voortgestuwd.Hij naderde den verlaten oever van den Illissus, waar uitgebrande brandstapels lagen en waar de dolle Meno zat bij hoopen asch en glimmende kolen. De dolle kerel grijnsde, blies de kolen aan en warmde zich daaraan; nu endannam hij een slok uit eene flesch edelen Chiër, die hij uit een door de pestontvolkthuis weggenomen had, welks voorraad den roovers een gemakkelijke buit geworden was.Hier en daar stiet de voet van den voortijlenden Socrates in het donker op slechts half verbrande, zwart verkoolde ledematen.En verder vervolgde hij, zonder doel, zijn weg. Eensklaps werd hij getroffen door den geur van viooltjes. Hij treedt nader en komt bij eene bron,[344]die, naar de gewoonte der Atheners, met viooltjes is omplant. Socrates buigt zich neder, om zijn heet voorhoofd te verkoelen en zijne droge lippen zoeken het lavende vocht. Maar ook hier grijnst de dood hem tegen en spoedig wordt de zonderlinge geur der viooltjes hem verklaarbaar. De bron was verontreinigd door een lijk, een dier ongelukkigen, dien de vertwijfelende begeerte naar verkoeling nog in de ure van den doodstrijd naar de bron had gedreven.Huiverend week Socrates terug. Toen echter zich herstellend plukte hij een der viooltjes, beschouwde het lang en peinzend en zeide: „o gij Attische viooltjes, wie zal in de toekomst u nog roemen en de met viooltjes omkranste Atheners, als uwe gevierde geur zoo vreeselijk vermengd is met de walmen des doods?”—Hij ijlde terug, dieper de straten in, waar de deuren in den wind klapperden en de moeders als in wedstrijd met de winden huilden en klaagden. Hij staarde naar de Acropolis en zag het zwarte, in lage wolken verscheurde zwerk, dat als krijschende nachtvogels, aan ongeluksgeesten gelijk, het reusachtige beeld van Athene Promachos zweefde …Alsof de ongeluksgeesten, die hij daar meende te zien, op hem nederdaalden en hem dreigden en vervolgden, doolde Socrates rond. Eensklaps stond hij vóór het huis van Pericles.Hij bleef staan. Hoe dikwijls was hij over dezen drempel getreden! Hoe lang was ’t geleden, sinds dit voor ’t laatst geschied was!Hij naderde schier onbewust en onwillekeurig de deur. Hij bemerkte, dat zij niet gesloten was, als ware het vergeten of verzuimd, en zonder bewaker.Hij trad naar binnen; eenzaam en verlaten was het voorportaal. Geen geluid drong van binnen tot hem door. Huiveringwekkend was de stilte, die hem omgaf.Thans zag hij uit het peristylium het schijnsel van eenige somber flikkerende lichten.[345]Eene rilling voer hem door de leden; hij wist niet waarom. Maar tegelijk drong eene onbekende macht hem voorwaarts.Daar zag hij midden in het peristylium eene legerstede, met purperen kussens opgemaakt. Op de purperen kussens lag een doode, het lichaam gehuld in een schitterend wit gewaad—het voorhoofd omkranst met groenende klimopranken.Nevens de sponde zat eene vrouw, met gebogen hoofd, bleek en sprakeloos als een steenen beeld.Socrates bleef op den achtergrond. Hij bleef als vastgenageld staan, zonder een woord te spreken. Zijne oogen staarden strak en als van een krankzinnige op het lijk en op de vrouw, die bij het lijk zat.Die marmerwitte, onbewegelijke vrouw was Aspasia. De met klimop omkranste doode op de purperen sponde was Pericles, de Olympiër.Ontzield lag daar de Alcmaeönide, de aanvoerder van die onsterfelijke schaar verheven geesten, die Griekenland voor eeuwig hebben verheerlijkt—de held van een gouden bloeitijd der menschheid, die nog altijd naar hem wordt genoemd, dien hij over Hellas gebracht heeft en met welks verval hij zelf ook het leven verliet.Grooter en statiger nog scheen thans het lichaam van den held, door de pijlen van den doodsengel gevallen. Maar zachtheid lag er, evenals bij zijn leven, ook thans uitgebreid over zijn mannelijk gelaat. Zelfs de pest had die edele trekken niet misvormd. ’t Was, alsof de dood den Olympiër niet verslagen en vernietigd had, maar integendeel den door zielsleed gebrokene weder in zijne volle grootheid opgericht. Verjongd straalde nu weder in de trekken des dooden die opgeruimde kalmte, welke den levende eindelijk ontzonken was, verdwenen was de tweestrijd, dien ten laatste het gemoed van Aspasia’s gemaal was binnengeslopen …Waarover peinsde de bleeke Aspasia aan de doodsponde van Pericles?Aan haar geest ging eene schitterende reeks van[346]schoone, grootsche, heerlijke herinneringen voorbij.Zij dacht aan het oogenblik in de werkplaats van Phidias, waar het vurig oog van dien man voor ’t eerst het hare had ontmoet, waar, na manlijken, ernstigen strijd voor de grootheid en macht van Athene, de schoonheid hem in banden sloeg.Zijn beeld zweefde voor hare oogen, nu eens hoe hij op het redenaarsgestoelte der Pnyx stond en het volk aan zijne lippen hing—dan weer hoe hij vol fierheid en geestdrift met haar wandelde over de hoogten van de Acropolis, zich verheugend over het heerlijke en grootsche, dat daar onder zijne oogen verrees;—nu eens hoe hij, door begeerte naar krachtige daden aangegrepen, voor Samos zich nieuwe lauweren bevocht—dan weder hoe hij in zalige liefde, het schoonste menschenlot vervullend, op de bloeiende hoogte des levens den bedwelmenden kelk der vreugde met haar ledigde—of hoe hij op de Acropolis in het gezicht van nieuw voleindigde, onsterfelijke gewrochten een verbond met haar sloot, zijne ziel vervuld van grootsche plannen en verwachtingen.In zijne edele grootheid zweefde hij voor haar geest, in zijne overweldigende macht over de menschen, in zijne gevoeligheid en warmte van hart, in zijne waardige, mannelijke kracht—zacht, verstandig en moedig te gelijk—het toonbeeld van den echten Helleen, te zeer vervuld van geest en gemoed om op te gaan in ruwen heldenzin, en van den anderen kant te ijverig, te degelijk om enkel genoegen te vinden in weekelijk genot, in de bekoring van schoonheid en liefde.Maar ook zweefde zijn beeld voor hare oogen, hoe hij aan hare zijde wandelde in de dreven der Peloponnesus, hoe meer en meer de ernst met zachte schaduwen over zijn voorhoofd gleed, hoe hij vervuld van het leven en streven van den voortschrijdenden tijd, aangespoord door een voorgevoel eener nieuwe, ernstige, treurige toekomst, zwijgend zijn diepst gevoel verborg, totdat hij ophield een Helleen te zijn in den geest en den zin der schoone[347]vrouw, met wie hij het schitterend vreugdebond der liefde had gesloten, en totdat hij, na den loop der ontwikkeling van het Hellenisme in zijn eigene ziel doorleefd te hebben, door onheilspellende, sombere voorgevoelens aangegrepen, met de macht en grootheid van zijn vaderland zelf bezweek.Evenals Aspasia’s oog strak op het gelaat van den ontzielden Pericles was gericht, zoo staarde het oog van Socrates onbewegelijk op het bleeke gezicht der vrouw.In haar scheen hem Hellas verpersoonlijkt, dat treurend zat aan de lijkbaar van den edelste zijner zonen …Hoe bleek en ernstig zien die trekken van de schoone vrouw, dit eens zoo levenslustige Hellas!Thans sloeg Aspasia haar oog op en haar blik ontmoette dien van Socrates. Het was een lange, lange blik, dien Aspasia en Socrates wisselden.Het was een lange, diep ernstigen blik en geen woord zou de gewaarwordingen kunnen uitdrukken, die in dezen langen blik opgesloten lagen.Geen enkel woord, alleen deze ééne blik werd tusschen hen beiden gewisseld.Toen verdween Socrates. Als eene spookachtige schim was hij voor de vrouw opgerezen—zonder geluid verdween hij.—Eenzaam zat weder bij de doodsponde van den grooten Helleen, roerloos en marmerbleek, Aspasia.—Socrates zette zijne nachtelijke wandeling voort. Zonder bepaald plan of doel ijlde hij door de straten, een geruimen tijd met diep bewogen gemoed.Het geweld van den gierenden en huilenden rukwind had opgehouden. Stiller en nog eenzamer dan te voren was het geworden om den nachtelijken zwerver. Het was reeds lang over middernacht. De morgen kondigde zich van verre aan met eene bijna nog onmerkbare grauwen streep in het Oosten. Maar nog was het nacht, donkere nacht, in de straten van Athene. Door de gescheurde wolken des hemels fonkelden slechts enkele verflauwende sterren.[348]Plotseling stond voor Socrates een man, reisvaardig, naar het scheen, vergezeld door een slaaf. Hij vestigde den blik strak op Socrates.Socrates keek op, toen gene hem den weg versperde, en hij herkende Agoracritus.„Waarheen gaat gij in den donkeren nacht?” vroeg de voormalige makker in Phidias’ werkplaats aan den denker.„Mij riepen dringende zaken naar Athene,” vervolgde Agoracritus, toen Socrates met het antwoord draalde; „maar ik haast mij weder weg te komen uit de verpeste stad. Ik ga naar Rhamnus, om eindelijk te doen, wat men sinds zoovele jaren van mij verlangt: mijne daar geplaatste Godin met die uiterlijke kenteekenen te versieren, die haar ongetwijfeld van eene Aphrodite tot eene Nemesis zullen maken. Ik heb lang geaarzeld—maar thans drijft mij ook de lust dien menschen te believen. Zij moeten niet langer twijfelen, de mannen in het land van Attica, dat werkelijk de Nemesis in plaats van de lachende Aphrodite midden onder hen staat. Ben ik haar toch geen dank verschuldigd, deze met langzame, maar zekere schreden naderende Godin? Heeft zij mij niet gewroken op de vrouw, die ik haat? De Godin der vergelding heeft hare tenten opgeslagen in het huis van Pericles en Aspasia. En nu vernam ik nog ten laatste, dat de pest voor weinige dagen Pericles aangegrepen en op het ziekbed heeft geworpen.”Socrates sloeg zijn oogen op, zag Agoracritus in ’t gelaat en zeide zacht:„Hij is dood.”Agoracritus zweeg getroffen.Beiden gingen een eind weegs sprakeloos naast elkander.„Dood?” vroeg toen Agoracritus.„Ik zag hem zelf!” hernam Socrates op doffen toon.Wederom zwegen beiden een tijd lang.Eindelijk begon Agoracritus:„Gij hebt Pericles ontzield gezien; mij is het ten[349]deel gevallen Phidias voor mijne oogen in den kerker te zien sterven. Ik was bij hem in zijn laatste ure. Toen ik hoorde, dat hij erg ziek was, ijlde ik naar hem. De menschen zeiden mij, dat hij alle geneesmiddelen en iedere soort van hulp van de hand wees. Pericles had Hippocrates tot hem gezonden: hij echter begon met den geneesheer over de verhoudingen der vormen en lijnen van het menschelijk lichaam te spreken. Want ook thans op zijn ziekbed hield hem datgene bezig, wat hem vroeger alleen bezield had.„Toen ik kwam, vertelden mij diegenen, welke in den kerker om hem heen waren, dat hij herhaaldelijk in koortsachtige droomen sprak en zelden iemand meer herkende. Ik ging tot hem en vond hem stervende. Hij herkende mij in den beginne nog even, allengs echter werden zijne gedachten in de hitte der koorts verward. Hij sprak immer door van groote tempels en beeldwerken, van gouden en ivoren standbeelden en marmeren friezen—hij gaf zijnen leerlingen aanwijzingen, geheel en al alsof hij nog in zijne werkplaats was, spoorde hen tot den arbeid aan en berispte de tragen, duidde ook nauwkeurig aan hoe zij dit of dat moesten voltooien en was ontevreden, dat zij het niet geheel naar zijn wil deden. Menigmaal riep hij uitdrukkelijk mij of Alcamenes. Ten laatste echter scheen hij geheel alleen te zijn met zijne heerlijke beelden en zijn Goden en Godinnen, zijne Pallas Athene, zijne Olympische Zeus zweefden voor zijn geest. ’t Was, alsof de Goden van den Olympus allen tot hem nederdaalden en rondom zijn leger stonden, voor hem alleen zichtbaar, terwijl hij stierf; want hij schouwde met een verhelderd gelaat om zich heen, groette hen en sprak hen bij hunne namen aan. Ten laatste echter scheen het, dat Pallas Athene geheel alleen bij hem was achtergebleven en hem wenkte; want hij zei de eensklaps: „Waarheen wilt gij mij voeren? Ik kom!” Daarop richtte hij zich een weinig op, alsof hij wilde opstaan, om met haar, die hem wenkte, te[350]vertrekken; hij zonk echter achterover en blies den laatsten adem uit.„Hij stierf midden in zijn droomgezicht. Hij stierf schoon, als ooit eenig Helleen, daar het schoonste licht van Hellas nog eenmaal hem omstraalde en de Goden hem als ’t ware van de aarde naar den Olympus voerden, op het oogenblik, dat de nacht des onheils over Athene losbrak, zoodat hij van al dat leed niets meer bemerkte, maar met onbenevelden geest heenging.„In den beginne had het mij innig smartelijk getroffen te zien, hoe deze man in den kerker op zijne eenzame legerstede lag te sterven; want nadat hij de Athene Promachos op den burg, de Athene Parthenos en het Parthenon zelf, benevens dien Olympischen Zeus te Olympia had geschapen; en zooveel groots en heerlijks, wat niemand heeft overtroffen en niemand ooit zal overtreffen, ’t geen Griekenland de meeste luister heeft aangebracht, was zijn loon van de menschen, dat hij smadelijk en eenzaam stierf in den donkeren kerker.„Toen ik hem had zien sterven, voelde ik eene aandoening in de ziel, die niet zonder troost was, en ik ging stil heen, nadat ik den meester de oogen toegedrukt en zijn voorhoofd gekust had: ik beklaagde slechts Hellas te meer en ons allen, die achterbleven, nadat de grootsten en besten heen zijn gegaan!”Na dit verhaal van Agoracritus gingen de beide mannen nog een poos peinzend naast elkander. Toen scheidden zij.Agoracritus ging noordelijk naar Rhamnus; ook Socrates zette, door innerlijke aandoening gedreven, zijn weg verder voort, doch toen hij nauwelijks een paar schreden gegaan was stiet hij op een ontstoken brandstapel. Daarop waren vele pestlijken geworpen. Onder deze lijken zag Socrates ook den dollen Meno liggen.De dragers der pestlijken hadden hem, bedwelmd en verdoofd in een vasten slaap, te midden van lijken gevonden en den schijndoode op den brandstapel[351]geworpen, waar de vlam reeds om hem likte. Een hond liep huilend om den brandenden hoop.Thans greep de vlam den dollen Meno aan. Op dit oogenblik sprong ook de hond op den stapel en verbrandde met zijn meester.Een zonderling gevoel kwam in Socrates op. „Nu zijt gij vrij, Meno!” sprak hij.„Nu zijt gij vrij!” herhaalde hij nog verscheiden malen, terwijl hij met een gloeiend voorhoofd zijn weg vervolgde. „Zal er wellicht eens een tijd komen, waarop alle slaven vrij zullen worden?” dacht hij al voortgaande—„of alle vrijen slaven!” voegde hij er peinzend in zich zelven bij—Hij doorliep nu reeds ver afgelegen straten, niet meer in den omtrek van de stad zelve, maar in hare omstreken, waar landgoederen en tuinen der Atheners met de open dreven afwisselden.Een zwaluw vloog op en verkondigde den dag, met vluggen wiekslag door de lucht scherende.Socrates, door zijn daemon geleid, naderde een huis, waarin zekere beweging en drukte heerschten. Vele menschen liepen af en aan.’t Was de woning van Ariston, een aanzienlijk Athener. Socrates bleef staan en vernam van hen, die daar uit- en ingingen, dat Ariston in dezen nacht een zoontje was geboren. Na, zoovele beelden des doods eene geboorte, een ontwakend leven …Wederom rees een raadselachtige drang in de borst van Socrates op. Hij betrad het huis van den hem bevrienden man.Het kind lag in het peristylium, in de armen der voedster. Een hoogbejaarde grijsaard, die een ziener of priester scheen te zijn, hield zijn sneeuwwit hoofd er over gebogen en beschouwde het aandachtig. Ook Socrates sloeg zijn oog op het kind, dat een breed voorhoofd had, een denkersvoorhoofd, en welks gelaat reeds omschenen werd door een zachten, verheven, meer dan kinderlijken ernst.Plotseling kwam eene bij aangevlogen—eene bij van den naburigen Hymettus—eene der geprezen Attische bijen—zij komt aanvliegen, gonst om ’t[352]hoofd van het kind en raakt een oogenblik zijne lippen aan, even slechts en zonder kwaad te doen, ze als het ware kussend. Toen vliegt zij weder weg.Bij dit gezicht spreekt de grijze ziener:„Een goddelijk teeken is de kus van deze Hymettusbij. Van de lippen van dit kind zal eens de taal vloeien, zoeter dan honig!”9Het zien van dit kind maakt een diepen indruk op Socrates. Hij kan het voorgeval in zijne ziel niet verklaren. Maar de toekomst zal het eens ontsluieren.De knaap die daar voor de oogen van den rustelooze waarheidzoeker ligt, zal, tot jongeling gerijpt, eene nieuwe zending vervullen.Zijne lippen zullen druipen van Attischen honig. Maar met de zoetste welsprekendheid zal hij de bitterste leer verkondigen:Hij zal leeren, dat het lichaam een kerker is der ziel en dat de ziel, zich van hare boeien bevrijdend, opwaarts moet stijgen naar het bovenaardsche. Hij zal leeren, dat Eros de menschenwereld verachten en naar hooger moet streven, naar het heldere rijk der eeuwige, in onveranderlijke schoonheid schitterende gedachten—En deze leer zal een weergalm vinden aan naburige en verre stranden; zij zal het wachtwoord worden van een nieuwen tijd en op de lippen van een Galilaeër de wereld veroveren—Met haar echter zal ook in een anderen zin het woord der Sabazius-dienaars en Metragyrten triomfeeren, het sombere woord der zelfkastijding en zelfverloochening—Socrates ging peinzend uit de woning van Ariston. Hij had nu eene hoogte bereikt, vanwaar hij het Attische land en de zee kon zien, beschenen door de vriendelijke stralen der morgenzon.Op de zee, in de richting van Sunion, zag hij een vaartuig het zilte nat doorklieven. Hij staarde, in gedachten verzonken, werktuigelijk naar dit vaartuig.[353]Het droeg den „Satyr” en de „Bacchante”—het droeg Manes en Cora naar het Noorden; het voerde hen een nieuw vaderland te gemoet.Zij togen daarheen, zalig in het bewustzijn hunner ernstige liefde.Van de baai uit zagen zij terug en beschouwden, scheidend voor altoos, voor het laatst de stad der Atheners.Een licht, wit wolkje steeg, niet verre van de Acropolis, uit de stad omhoog in de reine, heldere morgenlucht. Het kwam van den brandstapel, die het zielloos overschot van Pericles in heiligen gloed verteerde.Dit wolkje steeg omhoog en zweefde om de tinnen van de Acropolis.Manes en Cora volgden het met hunne oogen, toen het om de witte marmeren kruin van den heiligen Pallas-burg zweefde.Maar het wolkje verdween, en rein en schitterend doemden in het heldere licht de tinnen en gevels van het Parthenon en der onlangs voltooide Propylaeën op uit de verte.Hoog verhief zich, boven de ellende en verdeeldheid van de stad der Atheners en der sterfelijke menschenkinderen, de onsterfelijke kruin van den berg.Uit de puinhoopen van het vergankelijke verrees in het land der Hellenen iets onvergankelijks, zegevierend in eeuwigen glans.En het scheen te zeggen:„Verheven ben ik boven het wisselend lot der menschen en hunne nietige ellende. Ik schitter door alle eeuwen heen. Ik besta ten allen tijde. Ik ben als het betooverend licht over de bergen van Hellas, en als de eeuwige glans der wateren in zijne golven!”Naar het Goede en naar het Schoone streven de volkeren.Menschelijk en edel is het Goede—goddelijk en onsterfelijk echter het Schoone.EINDE.[355]

In dien merkwaardigen nacht, waarin Simaetha tot koningin der vreugde bij het vroolijke maal in Pericles’ woning werd gekroond en de gloed[322]van de fakkels der Bacchanten in alle straten van Athene schitterde, in dien zelfden nacht zat bovenop de eenzame, stille Acropolis, op den donkeren gevel van het Parthenon, een ongeluksvogel, een somber starende uil, die herhaaldelijk zijn nachtelijk, huiveringwekkend, onheilspellend gekras deed hooren.

Eenzaam zat weder bij de doodsponde van den grooten Helleen, roerloos en marmerbleek, Aspasia.Eenzaam zat weder bij de doodsponde van den grooten Helleen, roerloos en marmerbleek, Aspasia.

Eenzaam zat weder bij de doodsponde van den grooten Helleen, roerloos en marmerbleek, Aspasia.

Van de straten der stad steeg het vreugdegejuich naar boven en onder die klanken mengden zich zonderling de nachtelijke klaagtonen van den uil op den gevel van het Parthenon.

Verre in den omtrek weerklonken, zij in de donkere ruimte van de tinnen der Acropolis af, als eene doodstijding.

En waarlijk zoo was het.

Want juist op het oogenblik, dat de jonge Alcibiades en zijne makkers ten toppunt van jeugdige uitgelatenheid hunne bekers ophieven bij het festijn in het huis van Pericles en een dronk wijdden aan de bekoorlijke koningin der vreugde—in dit zelfde oogenblik stierf Phidias in den kerker—in dit zelfde oogenblik blies de onsterfelijke meester van het Parthenon, sinds geruimen tijd door eene slepende ziekte aangetast, eenzaam den laatsten adem uit.

In die ure echter, waarin de verhevenste Hellenenziel, het middelpunt van de luisterrijkste Atheensche scheppingskunst, in den donkeren kerkernacht haar stoffelijk hulsel verliet en Aspasia Pericles de woorden toevoegde: „Gij zijt geen Griek meer!”—in die ure was het, als werd niet alleen het heerlijke verbond van Pericles en Aspasia verscheurd, maar ook een vlijmend zwaard scheen te gaan door het hart der Helleensche wereld:—’t was alsof hare ster verduisterde, en nevens het zegevierend gekras van den uil op het Parthenon klonk een boosaardig geschater van grijnzende daemonen in de lucht boven de hoogte der Acropolis.

DeErechtheüs-priesterontwaakt bij het uilengekras, op zijn nachtelijk leger. Hem klonk het geroep van den uil als de blijde mare in ’t oor: „Op, uw tijd is gekomen!”[323]

En de daemonen fluisterden elkander toe: „Nu eindelijk is ons de macht gegeven los te breken!—Op, laten wij ons neder op Athene, neder op Hellas!”

Aan ’t hoofd van dezen zwerm ongeluks-daemonen vlogen de Tweedracht en de Pest.

De laatste breidde hare vale vleugelen uit en vloog alle anderen voorbij; zij streek neder op de in nacht gehulde, van het getier der Bacchanten weergalmende stad der Atheners.

Zij zocht naar de plaats, waar feestvreugde het vroolijkst tierde—zij vond deze plaats en stortte zich als een gier neder op de bekoorlijke, jonge koningin der vreugde in Pericles’ woning.

Het schoonste en bloeiendste Helleensche meisje, aan wie, zooals Alcibiades meende, de toekomst behoorde, was het eerste slachtoffer van een daemon.

Er zijn tijden, waarin met het inwendig bederf, met de omkeeringen der zedelijke wereldorde, met de verzwakking en ontaarding, tevens groote physische rampen gepaard gaan, waardoor de harmonie en de orde der zedelijke en stoffelijke wereld te gelijk schijnen vernietigd te worden.

Zulk een tijd brak thans voor Athene aan, zulk een tijd brak thans aan voor geheel Hellas.

Aan het inwendige verterend verderf van den staat, zooals het langzaam en allengs voorbereid was door toenemende weelde en genotzucht, door het hand over hand toenemen van de losbandige demagogie1, het meest echter door den natuurlijken loop der menschelijke zaken, die met ijzeren noodwendigheid van bloei tot verval en ontaarding voert—aan dit inwendig verderf paarde zich het uitbreken van bloedige veeten onder de stammen van Hellas, waaruit ten laatste niemand als overwinnaar te voorschijn trad, maar waardoor integendeel de welvaart en de vrijheid van allen gemeenschappelijk te gronde gingen; en hierbij[324]voegden zich de gruwelen der pest, die moorddadige ziekte.

De Helleensche „kalokagathia”2moest verbroken worden—niet meer moest het zijn: „eene gezonde ziel in een gezond lichaam,” waarop zich het Helleensche leven had mogen beroemen.—

Snel had zich de mare van het eerste pestgeval ten huize van Pericles in de geheele stad der Atheners verspreid, en eensklaps maakte de uitgelaten Bacchantische feestvreugde plaats voor den bleeken angst, voor verlammende bezorgdheid.

Andere doodelijke pijlen van den engel des verderfs werden afgeschoten en binnen weinige dagen woedde reeds de pest in al hare verschrikkingen3.

Evenals bij Simaetha geschied was, placht de ziekte met groote verhitting van het hoofd uit te breken, tegelijk met ontsteking in de keel. Bloedige etter werd uit de keel, uit de mondholte, zelfs uit de tong afgescheiden. Voorts werd de borst aangetast en onder hevige hoestbuien werd weinig en dun speeksel met moeite opgegeven. Geweldige suizingen in de ooren volgden, krampen in de hand, eene beving over het geheele lichaam, een gevoel van angst en onrust, tot waanzin stijgend, een verterende dorst, inwendige brand, zoo fel, dat zij menigeen naar de regenputten dreef. Soms ook, op de ingewanden slaande, veroorzaakte de ziekte een hevig braken. Die huid was rood, somwijlen donkerblauw, met zweren en blaren bedekt. Evenwel ontbraken, naar ’t schijnt, hier, evenals bij de overige pestziekten, waarvan de Oudheid gewaagt, die builen, welke als ’t voornaamste kenteeken bekend zijn van de zoogenaamde Oostersche pest, dien in latere tijden zoo gevreesden geesel der volken.

Tot aan den achtsten dag woedde doorgaans de ziekte; dan volgde de dood bij holle oogen, spitsen[325]neus, terwijl het lichaam op het gevoel koud en ruw was. Niet ongedeerd kwamen zelfs de herstelden er af. Want menigmaal sloeg de ziekte op de uiterste deelen des lichaams: voeten, handen en andere ledematen verstierven, verlamd of aangegrepen door het brandend vergif. Ook het gezicht ging niet zelden verloren. Het geheugen en ’t verstand leden er onder; menige herstelde bleef krankzinnig en er waren er, die zich zelfs hunne namen noch die hunner vrienden herinnerden.

Zonder uitwerking bleven alle geneesmiddelen. Op raad van Hippocrates werden er groote vuren gebrand, daar men meende opgemerkt te hebben, dat smeden, die aanhoudend in de nabijheid van vuur arbeidden, zeldzamer door de ziekte werden aangegrepen.

Maar het geweld van de ziekte nam steeds toe.

Daar de wetenschap machteloos bleek, zocht men hulp bij het bijgeloof. Nooit werden de tallooze gebruiken van zoenoffers, reinigingen, bezweringen, die den Hellenen ten dienste stonden, met meer ijver betracht.

In de eerste weken weergalmde de stad van de jammerklachten der stervenden; zij was vol van lijkstatiën, die de door de pest weggeraapte ter begrafenis brachten naar de graven of brandstapels.

Maar toen de sterfte toenam en de besmetting, die van de kranken en de lijken uitging, angst en ontzetting verbreidde, zelfs velen eenzaam en verlaten in de ontvolkte huizen, ja op de straten stierven, toen werd op de heilige gebruiken geen acht meer geslagen. Niet meer werd den doode zijn obolus voor den veerman in de onderwereld4in den mond gestoken, niet meer werd hem de koek, om den helhond te bedwingen, in de hand gedrukt, niet meer werd hij zorgvuldig gebaad en met welriekende oliën gezalfd, niet meer werd hij, fraai gekleed en bekranst met klimop, op een leger in[326]het peristylium van het huis tentoongesteld, niet meer gingen luid weeklagenden de lijkstatie vooruit, niet meer werd hij vereerd door een lange rij van rouw dragers, door doodmalen en doodenoffers, door het anders gewone rouwgewaad, dat door de overblijvenden werd aangenomen: haastig en zonder misbaar, ja bijna zonder eenig geleide droeg men ze uit, de tallooze lijken en stopte ze onder den grond of lei ze op brandstapels. Ten laatste echter gebeurde het, dat men zelfs dezen plicht van eer, den dooden verschuldigd, die den Helleen altijd als een der heiligsten had gegolden, verwaarloosde. In uitgestorven woningen bleven de laatste lijken liggen, aan het verderf ten prooi. Men vond zelfs dooden in ledige tempels, waarheen de stervenden zich wellicht hadden gesleept, om de hulp der Goden in te roepen; men vond er ook velen bij de bronnen, werwaarts zij, door inwendigen gloed verteerd, gekropen waren om de droge lippen te laven: en als het akeligste en afschuwelijkste, vond men zelfs lijken in het water der regenputten, waarin de lijders door inwendige hitte verteerd, zich geworpen hadden. Weldra werd het verkwikkende bronnat slechts met vrees en huivering beschouwd—het kon toch verontreinigd zijn door afschuwelijke verrotting.—

In de straten lagen de lijken opgehoopt van dezulken, die òf zich zelven daarheen gesleept hadden òf ontzield uit de huizen waren gedragen en in overijlde haast daar neergelegd, òf zelfs van de daken afgeworpen waren, ten einde er, in den wanhopenden angst, ten spoedigste van bevrijd te zijn.

Als men dan deze lijken bijeen zamelde, bracht de afschuw van den Helleen voor de aanraking van doode lichamen, gepaard met den angst voor besmetting, de gemoederen in zoodanige verbijstering, dat stervenden onder dooden, bewusteloozen onder rottende lijken vermengd werden.

Waar door aanverwanten een brandstapel ter verbranding van een afgestorvene was opgericht, daar drongen anderen met hunne dooden er bij en wilden ook deze in dezelfde vlammen werpen,[327]totdat het vuur door de menigte lijken verdoofde en een woeste strijd ontstond om de smeulende brandstapels.

Men meende op te merken, dat de roofvogels en wilde dieren, hoe gretig ook op aas, de onbegraven, aan de pest gestorven dooden, niet aanraakten. Deden zij het echter, dan werden zij zelven weldra eene prooi der ziekte en vielen dood ter neder. Dit gebeurde ook dikwijls met de honden.

De vrees voor besmetting vervreemdde de menschen van elkander. De Agora werd ledig, de worstelscholen bleven onbezocht, het volk durfde zich niet meer op de Pnyx verzamelen. De deuren der huizen waren òf vast gesloten omdat men elke aanraking afweerde, òf stonden geheel open, omdat het huis ledig was en uitgestorven. De vrees verscheurde zelfs de banden des bloeds. Ook zagen velen zich aan de willekeur der slaven prijs gegeven, daar dezen zich thans voor vroegere onderdrukking wreekten door ongehoorzaamheid, trots, het weigeren van hulp, diefstal en onbeschaamde plundering.

Bittere smart wisselde in de gemoederen af met stompzinnige onderwerping. Niet weinigen echter dreef het verlangen om zich te bedwelmen tot woeste uitgelatenheid en tot onbeteugelden lust van genot. Men zocht moed of vergetelheid in verbijstering.

De dolle Meno echter verachtte onverschrokken het gevaar en lachte er om. Hij was overal te vinden, waar de pest in hareafschuwelijkstevormen heerschte. Het liefst scheen hij onder lijken te vertoeven. Men zag hem menigwerf op een hoop doode lichamen zitten, alsof hij zich verheugde over het onheil, en hij spotte met het laffe volk, dat de lijken en hem zelven den verpeste, ontvlood. En daar men opmerkte, dat juist hij, die in dronken overmoed het gevaar tartte, verschoond bleef, vermeerderde het getal van hen, die hetzelfde deden. Weldra waren de straten en pleinen aan dronken onverlaten prijs gegeven, die als ’t ware der Koningin[328]Pest een feestdronk wijdden en lachend hare verschrikkingen trotseerden. Juist dezen waren het ook, die voor geld zich lieten overhalen, om de dooden uit de huizen weg te dragen of in de straten te zoeken en ze ter begraving of ter verbranding wegbrachten. Zij oefenden hun handwerk uit met de ruwe driestheid van menschen, die het niets achten hun leven op het spel te zetten. Zij eischten en namen wat hun lustte, plunderden en roofden, en pleegden in de huizen, waarin hun bedrijf hen voerde, allerlei gewelddadigheden. Ontzag voor de wet bestond er niet meer; want de werkzaamheden der gerechtshoven waren reeds geruimen tijd gestaakt en de misdadiger dacht, dat de pest òf hen, die hem zouden kunnen aanklagen, zou wegrapen, òf hem zelven van de noodzakelijkheid zich te verantwoorden ontheffen.

Maar niet alleen mannen uit de armere en laagste klassen veroorloofden zich de ruwe uitspattingen, ook gegoeden deden hetzelfde: vooral was het de jeugd, die op zulke wijze zich tegen den indruk der haar omringende ellende zocht te wapenen. Velen zagen zich plotseling rijk geworden, doordat de nalatenschap hunner ouders, hunner broeders en zusters of verwanten eensklaps hun deel werd. Daar zij echter moesten vreezen weldra een dergelijk lot te zullen ondergaan, als zij van wie zij geërfd hadden, zochten zij hunne erfenis zooveel mogelijk in genot en in bedwelmende, woeste uitspattingen te verteren. Bij ’t zien van deze plotseling rijk gewordenen kwam ook bij anderen de verwachting op, zich in een dergelijk lot te zullen verblijden: uit die verwachting wederom ontkiemden de hoop en een misdadig verlangen.

Zoo werden ook in dit opzicht de zedelijke banden al zwakker en zwakker, en de overlevenden verheugden zich over de voordeelen, die uit den jammer der algemeene sterfte voor hen voortvloeiden.

Schoon ook de pest met hare vreeselijke gevolgen bij velen de genotzucht tot eene ziekelijke[329]hoogte opdreef, gold echter ook hier de algemeene regel, dat de uitersten elkander raken of het eene uiterste tot het andere overslaat. Bij die teugellooze genotzucht, breidde ook het sombere bijgeloof hoe langer zoo meer zijne heerschappij uit. Weldra hoopten zij, die nog zooeven in woeste dronkenschap en uitgelatenheid heul hadden gezocht, eene nieuwe kracht en een nieuwen troost te vinden in bijgeloovige vereering der Goden.

Mannen als Diopithes traden op, die de ramp, waardoor Athene bezocht werd, als eene straf voorstelden voor de vroegere verachting der Goden, en de woede des volks keerde zich tot hen, die door Diopithes en zijns gelijken als de hoofdoorzaken van den toorn der Goden aangewezen werden.

Nu herinnerde men zich ook dien geheimzinnigen Sabazius-dienst en er werd gesproken van den Metragyrt, die in het gapende Barathron door de overmoedige, dronken Ithyphallers was geworpen. Er werden thans velen gevonden, die meenden, dat men wellicht ten onrechte dien Heiland Sabazius had versmaad, dien Verlosser van alle kwalen, en dat de misdaad, aan den onschuldigen Metragyrt begaan, de eigenlijke oorzaak was van den toorn der Goden en vooral van de wraak des beleedigden Sabazius. Hem te verzoenen, meenden zij, was nu de eerste plicht en het eenige geneesmiddel tegen de menschenverdelgende pest. Zekere te Athene wonende vrouw, eene vreemdelinge, Ninos geheeten, die zich op alle toovenarijen en geheimzinnige zaken verstond, wierp zich tot priesteres van Sabazius op, dien zij den volke zou prediken. Zich te laten wijden tot den dienst van dezen God gold weldra als heiliging en redding. Met zonderlinge gebruiken werd die plechtigheid des bijgeloofs voltrokken: ’t vel eener ree werd den profaan omgehangen, een gewijde drank hem aangeboden; met klei en leem werd hij ingewreven en eene slang werd om zijn borst gewonden. Hij zat daarbij op den grond en met den uitroep: „De ramp ontkwam ik, het betere bekwam ik” stond hij op, nadat[330]de wijding volbracht was. Een nachtelijk Bacchanaal verbond de sombere plechtigheden met de Orgiën der zinnen. Zoo vond uitspatting en bijgeloof zich in den Sabazius-dienst vereenigd. Men zag talrijke omgangen ter eere van Cybele en Sabazius. Velen waren er, die het voorbeeld der Metragyrten volgden en de Sicinnis dansten, terwijl zij zich daarbij geeselden en verwondden. Maar ook de aanhangers van den Phrygischen God5beroemden zich de pest te kunnen stuiten. Zij plaatsten den kranke op een stoel en dansten daaromheen onder woest getier. Zich in deze reien te mengen, gold voor de gezonden als een behoedmiddel tegen de ziekte.

Zoo ver was het gekomen met het volk der Atheners!

Wat Aspasia gevreesd had en meende te kunnen verhinderen, geschiedde: vreemde en sombere gebruiken drongen door in de heldere en schoone Grieksche wereld, om, zij ’t ook niet terstond tot eene volledige zegepraal te geraken, toch datgene voor te bereiden en te verkondigen, waarin het Helleensche leven als eene heldere ster achter donkere wolken zou ondergaan.

Terwijl te Athene de vreeselijke pest domme vertwijfeling en verbijsterenden waan uitbroedde en voor een vreemd bijgeloof den weg baande, dat niet meer onschuldig was als het inheemsche en overoude, maar integendeel aan den wortel van ’t gezonde leven knaagde, bedreigden verschrikkingen van een anderen aard het Attische land.

De oorlog was opnieuw ontbrand. Andermaal viel het Peloponnesische leger in de landouwen van Attica en drong hare bevolking naar de stad: andermaal was eene sterke vloot, ditmaal door Pericles zelven aangevoerd, uitgeloopen, en wederom dwongen de overwinningen, die zij op de kusten van[331]de Peloponnesus behaalde, den Spartaanschen koning tot overhaasten terugtocht. Doch Potidaeä bood nog steeds weerstand, Corinthe moest belegerd worden en nu eens hier dan weder daar sloeg in de koloniën en verbonden steden de vlam des oproers in lichte laaie uit.

Om Aspasia en zijne beide zoons, Paralus en Xanthippus, aan het dreigend gevaar te onttrekken, had Pericles hun voor den tijd zijner afwezigheid zijn landgoed tot verblijf aangewezen. Derwaarts begaf zich Aspasia met haar gansche gezin. Doch het onheil volgde ook hier, en uit de kweekschool van schoonheid en vernuft werden, na Simaetha, ook Drosis en Prasina weggemaaid. Zij waren door den zegevierenden Pericles uit de gevangenis te Megara bevrijd, slechts om te Athene in den bloei harer jeugd aan den vreeselijken doodsengel ter prooi te vallen.

Wie het kon, ontvluchtte, evenals Aspasia, de verpeste stad en begaf zich naar de landelijke vlekken of de nabijgelegen eilanden, waar het gevaar geringer scheen.

Uiteengescheurd was de vriendenkring van Aspasia. Euripides had reeds voor eenigen tijd Athene verlaten. Hij was een menschenhater geworden en leefde op Salamis in stille afzondering; ’t liefst bracht hij zijn tijd door in die grot aan het strand, waarin hij onder ’t gekletter der wapenen en het gekraak der schepen het levenslicht had aanschouwd. Hier zat hij eenzaam en alleen, en verdiepte zich in gepeinzen, met het oog op de zee gevestigd, en niets verlangde hij van Athene te hooren, dan wat de baren hem toefluisterden, die van daar aanrollend, voor zijne voeten in schuim spatten.

Sophocles leefde nog als te voren in zijne landelijke lustgaarde aan den Cephissus-oever en het hoofd van den lieveling der goden bleef daar gespaard voor den geesel, dien het Noodlot over de Atheners zwaaide. Opgeruimde, levenslustige wijsheid was zijne trouwe gezellin gebleven en had hem geleerd het lot van Pericles te ontwijken,[332]aan niets zijn hart te zeer te hechten en den ernst des levens geene te groote macht over zijn gemoed te verleenen.

Ook het hoofd van Socrates bleef ongedeerd door den geesel, hoewel hij het broeinest der vreeselijke ziekte niet verliet, onverschrokken Athene’s straten doorwandelde, de menschen opzocht in hunne ellende, en overal, waar hij kon, hulp en troost gaf.

De jonge Alcibiades had intusschen de dochter van Hipponicus, de bloeiende Hipparete, als gade zijn huis binnengevoerd.

Ook hij trotseerde met zijn ouden overmoed de verschrikkingen der pest, hoewel hij zag dat de toorn der Goden de Ityphallers niet spaarde en de pest een zijner liefste vrienden, den jongen Demus, den zoon van Pyrilampes, van zijne zijde wegraapte. Toen Pericles met de galeien uitzeilde, bevond Alcibiades zich onder zijn gevolg. Daarom konden de Sabazius-dienaars hun eeredienst verrichten,zondervrees van de woeste Ithyphallers en het gapende Barathron.

De pest nam een weinig af, zooveel ten minste, dat de burger ook weder aan den staat begon te denken en de stad der Atheners van ’t geen haar onmiddellijk had bedreigd, den blik weder kon richten naar hetgeen haar op grooten afstand boven ’t hoofd hing. Opnieuw was de krijgstrompet gestoken, doch de gemoederen waren versaagd: de strijdbare manschap was door de pest gedund en ook op de vloot en vóór Potidaeä zwaaide de doodsengel zijn geesel. Zegevierend streed ook thans Pericles met zijne vloot op de Peloponnesische kust. Doch wat baatte het, dewijl allengs geheel Hellas in partijschappen verdeeld, in den maalstroom werd medegesleept, zoodat de krijg hier verflauwd, ginds weder met nieuwen gloed ontbrandde? Wat nut hadden de zegepralen van Pericles, daar niet alleen de twee groote tegenstanders, maar ook hunne bondgenooten, slaags raakten, terwijl deze zelven echteròfaltijd weifelden òf van partij veranderde?[333]Het opperbevel van één enkele was niet meer mogelijk; wat hier werd veroverd, ging op een verder gelegen punt weder verloren; nergens bood de vijand een beslissenden slag aan; in tallooze kleine gevechten werd de groote Helleensche krijg verbrokkeld.

Op de mare, dat het moedelooze Atheensche volk onderhandelingen met Sparta aan wilde knoopen, keerde Pericles haastig naar Athene terug. Hij hoopte de Atheners met nieuwen moed te bezielen, eene schandelijke vertwijfeling te verhinderen. Maar de Atheners, gedwee en verlamd geworden door de zware bezoeking, waren gunstiger dan ooit gestemd voor de geheime plannen der demagogen en van Diopithes.

DeErechtheüs-priesterwas door de pest aangetast geweest, doch weder genezen. Sedert dien tijd was zijn woeste, fanatieke ijver nog grooter geworden. Eene besturing der Goden zag hij in zijne redding uit het doodsgevaar.

’t Gebeurde op zekeren dag, dat een hoopje burgers op de Agora om een man verzameld was en naar zijne woorden luisterde. Want langzamerhand waagden de Atheners het weder elkander te naderen, terwijl nog kort te voren de een den ander als de pest zelve had geschuwd.

De man, die te midden van het hoopje toehoorders stond, was een van die moedige en vrijzinnige mannen, wier tong thans bij wijlen weder scheen losgemaakt. Hij verstoutte zich niet alleen onverholen tegen de demagogen te ijveren en ten krachtigste Pericles te verdedigen, maar ook het bijgeloof te veroordeelen, dat zich van het Atheensche volk had meester gemaakt. Daar zich onder de toehoorders vele aanhangers van Diopithes en Cleon bevonden, ontstond er weldra een hevige woordenstrijd en de onversaagde kampioen werd ten laatste door de op hem losstormende tegenstanders aangegrepen en mishandeld.

Op dit oogenblik kwam deErechtheüs-priesterdaarlangs, vergezeld door eene menigte zijner aanhangers[334]en vrienden.

Toen hij hoorde dat die man Pericles verdedigd en het vertrouwen der Atheners op de Goden een kleinmoedig bijgeloof had genoemd, namen de trekken van den priester de uitdrukking van onheilspellende toorn aan.

Hij hield een tijdlang zijne oogen strak ten hemel gewend, alsof hij zich in den geest onmiddellijk met de Hemelingen onderhield, en begon toen tot het volk te spreken.

„Weet dan, gij Atheners,” sprak hij, „dat de Goden mij dezen nacht een droom toezonden en mij te rechter tijd op deze plaats hebben doen komen. Te Athene is schuld op schuld gestapeld gedurende eene lange reeks van jaren: Sophisten en godloochenaars hebben u verdwaasd, hetaeren hebben u beheerscht, tempels en godenbeelden zijn er opgericht, niet ter eere der Goden, maar tot ijdele pronk en tot verderf van het eenvoudige en vrome geloof der vaderen. Tot straf voor uwe verbastering, godloochening en weelderigheid treft u nu datgene wat gij lijdt. Niet voor de eerste maal ontlast zich de toorn der Goden over de Hellenen. En gij weet op welke wijze de toorn der Goden in overoude tijden pleegde afgewend te worden. Gij weet, dat de Goden somwijlen alleen door het hoogste aller offers, door een menschenoffer, konden worden verzoend. Grijpt dezen godslasteraar: zijn leven is bovendien reeds door zijne misdadige godloochening volgens de wet verbeurd verklaard. Hij is een misdadiger, reddeloos een kind des doods. Maar in plaats van door de hand van den scherprechter zijne straf te ondergaan, moet hij, volgens het overoude, half vergeten gebruik, den Goden als zoenoffer gebracht worden, moet hij onder de toonen der muziek door de straten geleid en verbrand worden en zijne asch naar alle windstreken verstrooid!”

Terwijl de priester sprak, had zich steeds meer volk verzameld. Daaronder ook Pamphilus. Toen hij hoorde, dat men den vriend en verdediger van[335]Pericles te lijf wilde gaan, was hij onmiddellijk bereid te helpen.

„Ginds aan den oever van den Illissus,” sprak hij, „branden dag en nacht de brandstapels, waarop de door de pest weggemaaiden verteerd worden. Op een van die lustig flikkerende vuren zal ook nog wel een plaatsje zijn voor hem!”

Daarbij greep hij zelf het eerst den schuldige aan en eene menigte der meest woesten onder zijne makkers voegde zich bij hem om den ongelukkige voort te sleepen.

Thans kwam Pericles op de Agora, voornemens om zich naar het buleuterium6te begeven. Hij zag de opschudding en vroeg naar de oorzaak daarvan.

Luid klonk het uit de woeste en opgewonden menigte dat de Goden een zoenoffer verlangden en dat men juist van plan was dit in den persoon van den misdadiger en godloochenaar Mechillus te gaan brengen.

Pericles drong zich midden tusschen het volk, terwijl hij met woorden en gebaren zijne afkeuring te kennen gaf. Diopithes trad hem te gemoet.

En nu stonden de beide mannen, de hoofdaanvoerders van den grooten strijd, die sedert jaren te Athene gestreden werd en der beslissing steeds meer en meer naderde, voor de eerste maal persoonlijk als in een tweegevecht tegenover elkander.

„Terug, Alcmaeönide!” riep deErechtheüs-priester. „Wilt gij ook nu weder den Goden onttrekken wat hun toekomt en wat zij gebiedend verlangen? Wilt gij het volk der Atheners beletten het schuldige zoenoffer te zoeken en eindelijk redding te verkrijgen uit den nood waarin niemand anders dan gij zelf hen hebt gestort? Ziet gij niet, waarheen uwe verblinding dit vroeger door de Goden rijk gezegende volk heeft gevoerd? Uw werk is het, dat het zich van de oude, vrome zeden heeft afgekeerd, dat het naar rijkdom, genot[336]en ijdelen glans heeft gestreefd, dat het het valsche licht is gevolgd en geluisterd heeft naar de woorden der godloochenaars!”

„En gij, Diopithes?” antwoordde Pericles op ernstigen, bedaarden toon, „waarheen denkt gij het volk der Atheners te voeren? Tot dweepzieken moord van burgers—tot hernieuwing van ruwe en onmenschelijke wreedheden, waarvan de Helleensche geest, vooruitgaande op de baan der ontwikkeling en humaniteit, reeds sinds eeuwen zich met afgrijzen heeft afgewend!”

„Dank den Goden, Pericles!” riep Diopithes, „dat zij dezen man in onze hand hebben gegeven—dank den Goden, dat zij zich voor het oogenblik met het bloed van dezen man tevreden stellen! Want als zij den waren schuldigen van ons eischten, den schuldigste uit het geheele volk der Atheners, weet gij wien wij dan moesten vatten en aan de vlammen prijsgeven? Evenals eens de ziener Tiresias den overmoedigen, hoovaardigen Oedipus, zoo moesten wij u toeroepen: Alcmaeönide, gij zijt de schuldige, gij zijt de oorzaak van den toorn der Goden! Een oude vloek rust op uw geslacht! Door u, door uwe handlangers en vrienden is Athene goddeloos geworden, door u is de rampzalige krijg over ons losgebarsten en de ergste geesel in de handen der Goden, de pest, behoorde, tot volledige verzoening door geen ander dan door uw bloed afgewend te worden!”—

„Als het zoo is, als gij zegt,” hernam Pericles rustig, „laat dan dien man los en offer dengene, die u de schuldigste schijnt!”

Tegelijkertijd bevrijdde Pericles den ter dood gewijde uit de hand van Pamphilus. Met een grijnslach van innig welgevallen liet deze zijne eerste prooi los en sloeg onmiddellijk, verheugd om den ruil, de hand aan den hem gehaten, thans zich zelven ten offer biedenden strateeg.

„Wat aarzelt gij?” zei Pericles tot de verbaasde Atheners, die stilzwegen en zich niet verroerden. „Denkt gij, dat ik mij alleen heb aangeboden in[337]de verwachting door u ontzien te worden? Gelooft mij, Atheners, dat het mij vrij onverschillig is, of gij mij spaart dan of gij mij ter dood brengt! Tot het schoonste geluk, den schitterendsten glans, het volle licht der waarheid en der vrijheid meende ik Athene nader gebracht te hebben, en nu zie ik, dat een door de godheid beschikte omkeer—of is ’t een vloek, die met den natuurlijken loop der wereld gepaard gaat?—ons wederom overweldigt en terugvoert naar nacht en dwaling; dat niet alleen uitwendige rampen over Hellas losbreken, maar ook in onzen eigen boezem allengs donkere machten over de heldere en ware zegevieren! Ik dank den Goden, als ik den luister en bloei van mijn vaderland niet overleef!—doodt mij!”

Sprakeloos en roerloos stonden nog altijd de Atheners. Pamphilus werd ongeduldig.

Thans trad een man uit de menigte te voorschijn en zeide, terwijl hij zich bereidde om weg te gaan: „Als gij Pericles wilt dooden, doe het dan zonder mij. Ik wil daar niets van zien. Mij heeft hij eens in Thracië, toen ik zwaar gewond was, met eigen handen gered, terwijl alle anderen voor de overmacht der vijanden vluchten en mij in de hand des vijands wilde achterlaten.”

„Ook ik ga!” riep een tweede. „Ik kreeg van hem in den Samischen oorlog genade, toen de andere strategen, op mij gebeten, mij om een gering vergrijp ter dood wilden veroordeelen.”

„Ook ik wil met de zaak niets te doen hebben,” zei een derde; „ook mij heeft Pericles door zijne voorspraak geholpen, toen ik bij alle overheden te Athene geen recht kon krijgen.”

„Ook mij! ook mij!” klonk het uit de menigte, en steeds grooter werd het getal der mannen, die zich van den troep afscheidden.

„Door de opzettelijke schuld van Pericles heeft geen Athener ooit rouw gedragen!” klonk het7.[338]

Pamphilus hield zijn offer, dat hem dreigde te ontgaan, krampachtig vast.

„Laat Pericles los, Pamphilus!” riepen eenigen. Daarop schreeuwden nog meerderen hetzelfde en eindelijk ging er maar één kreet uit de gansche menigte op:

„Laat Pericles los, Pamphilus!”—

Aan dezen man konden de Atheners zelfs in hunne slechtste oogenblikken zich niet vergrijpen.

„Nog eens hebt gij gezegevierd!” riep Diopithes honend den bevrijden Pericles toe. „Maar wellicht is dit de laatste uwer triomfen. Op uw hoofd werp ik de schuld, als de Goden onverzoend blijven en hun geesel voortwoedt over ons!”—

Korten tijd na deze gebeurtenis werden de beide zonen van Pericles, Paralus en Xanthippus, door de pest aangetast en vielen als offer der vreeselijke ziekte.

Met innig welgevallen wees deErechtheüs-priesterop den thans duidelijk zich openbarenden vloek der Goden, die nu eindelijk het geslacht derAlcmaeönidengeheel wilden verdelgen.

Het geweld der pest nam weder toe. Aan de verstoring van het zoenoffer, en aan Pericles, die daarvan de schuld was, herinnerden thans onophoudelijk Diopithes en zijne aanhangers. Die schuld en de toorn der Goden schenen ontegenzeggelijk, na de ramp dien de Hemelingen over den man hadden gebracht.

Meer dan ooit waren de gemoederen der Atheners gedrukt en verslagen.

Het veld was vrij gelaten aan de tegenstanders van Pericles.

In eene soort van stompe onverschilligheid liet Pericles, na zooveel rampen ook nog door den plotselingen dood van zijne zonen, door den ondergang van zijn geslacht, diep ter neer geslagen, de dingen haar loop. Het oogenblik voor zijne vijanden, om den lang beraamden, beslissenden slag te slaan, was gekomen.

In eene weinig bezochte volksvergadering werd[339]door lage boosheid voorgesteld hem van zijn ambt als strateeg en zijne andere waardigheden te ontzetten, en de domme verbijstering der meerderheid nam het voorstel aan.

Zou Pericles, de Olympiër, na tientallen van jaren roemrijk den staat te hebben bestuurd, weder een eenvoudig, Atheensch burger worden? Zou Diopithes ten laatste toch gezegevierd hebben?

Welaan dan, gij mannen, zoo riep men thans, die het groote woord onder het volk voert, Cleon, Lysicles, Pamphilus, welbespraakte redenaars en raadgevers op de Pnyx—stelt u aan de spits der vloten en legers! grijpt de teugels, die men aan de handen van den heerschzuchtigen Pericles heeft ontwrongen!

Op de Agora beijvert zich inderdaad weder de onvermoeide Pamphilus, een grooten hoop volks om zich heen verzamelende, ten einde zijn vriend Cleon tot aanvoerder te doen verkiezen, zijn moed, zijne gezindheden, zijne bekwaamheden op te vijzelen.

Na een lang en levendig gesprek treedt eensklaps uit de vergaderden een armoedig man op, van een zonderling, half verwilderd uitzicht en begint tot het volk met vuur te spreken.

„Medeburgers!” roept hij, „wij hebben Pericles afgezet, wij, het Atheensche volk. En dit was goed, in zooverre Pericles daaruit heeft kunnen zien, dat wij hier te Athene nog de volksheerschappij bezitten. In zooverre, zeg ik, was het goed. Overigens echter blijft het toch eene ongehoord domme zaak zich een been af te zagen op het oogenblik, dat men te Olympia een wedren wil gaan houden—en nadat wij van kwaad tot erger zijn vervallen en de os, om zoo te zeggen voor een appel en een ei te krijgen is, en worsthandelaars ons willen wijsmaken, dat zij vogelmelk te koop hebben …”

„De duivel hale u, ellendeling!” viel hem een man uit de heffe des volks verwoed in de rede. „Wilt gij eens zwijgen!”

„Ik wil niet zwijgen!” hernam de opgewondene.[340]„Ik ben een Atheensch burger zoo goed als iemand, en ik vrees geen mensch. Ik ben een man uit Halimus: marskramer was ik en ik heb betere dagen gekend; maar nadat mijne vrouw en kinderen aan de pest zijn gestorven en ik zelf ter nauwernood te midden der lijken van het ziekbed ben opgestaan, heb ik alles laten liggen, zooals het lag, en heb mij hier in de stad als lijkuitdrager verhuurd, dat wil zeggen, ik help de pestlijken uit de huizen naar de brandstapels sleepen.”

Na deze woorden van den man weken allen met zekere huivering terug en hielden zich, door angst gedreven, op een afstand van hem.

De voormalige marskramer uit Halimus stoorde zich echter daaraan volstrekt niet, maar vervolgde:

„Ik beroem er mij op, dat ik, zooals gij mij hier ziet, een man ben van ervaring in staatkundige zaken. Ik behoorde vóór vijftien jaar op de Pnyx tot hen, die vóór den bouw van het Parthenon stemden en die de rechtersoldij en de schouwburggelden toestonden. Ik heb altijd mijn burgerplicht vervuld en het belang van den staat op ’t oog gehad, en ik zeg u, dat de Peloponnesiërs geen runderen en schapen zijn, die zich door den leerlooier Cleon goedschiks hun huid zullen doen touwen. En toen de beide zonen van Pericles aan de pest gestorven waren, had men eigenlijk den ongelukkigen man, den kinderloos geworden vader, moeten beklagen, en hem daarom niet minder achten, noch hem beschouwen als een door den toorn der Goden getroffene en hem als zoodanig vervolgen.”

„Genoeg van Pericles,” viel de verwoede Pamphilus den marskramer in de rede. „Wij willen niets meer hooren van Pericles. Hij deugt tot niets meer. Hij sukkelt, naar men zegt. En wat hebben wij aan een ziekelijk man?”

„Pas op, Pamphilus!”riep de andere; „het geneesmiddel van den zieken leeuw is, zooals het spreekwoord zegt, dat hij een baviaan opeet!”

„Wilt gij mij beschimpen?” schreeuwde de worstmaker, zijn been oplichtende, om zijn tegenstander[341]een trap in de lendenen te geven.

„Kom maar op!” riep de man uit Halimus, „ik zal u zoo looien, dat uw huid er uit ziet als purper! Ik zal u de longen uit het lijf scheuren en uw ingewanden dooreen klutsen!”

Pamphilus week huiverig terug voor de aanraking van den drager van pestlijken.

„Terug!”riep hij, „terug! Waag het niet uwe verpeste hand aan het lichaam van een Atheensch burger te slaan! Terug, ellendeling! Ellendigste, allerellendigste der menschen!”—

„Waarom?” riep de drager van pestlijken, grijnzend. „Gij zult het misschien toch moeten toelaten, dat ik u aanraak! Van zulke knapen als gij zijt hoop ik er nog ettelijke dozijnen op mijn wagen te krijgen! Overigens echter herhaal ik: het was goed, dat wij Pericles afzetten, opdat hij zou zien, dat wij hem kunnen afzetten, als wij willen. Nu hij dit echter gezien heeft, is het beste dat wij heengaan en hem weder aanstellen en hem de vloot weer toevertrouwen; want wij kunnen hem niet missen, zeg ik u—wij hebben geen tweede, hem gelijk, en niet ieder, die eene knots8draagt, is daarom een held.”—

Wat de half verwilderde man uit Halimus op zijne zonderlinge, maar eerlijke manier te berde bracht, was eene moeilijk te bestrijden logica.

Inderdaad, wie te Athene weder den oorlog wilde, die moest Pericles ook willen. Potidaeä was eindelijk gevallen:—opnieuw, zij het ook met zwakken vleugelslag, ontvouwde zich de hoop. Snel veranderde dan ook weder de stemming onder het bewegelijke volk der Atheners.

Op den volgenden dag stroomden de Atheners naar de Pnyx en herstelden Pericles in al zijne ambten en waardigheden.

Zij meenden, dat het nog de oude Pericles was, aan wien zij zich andermaal toevertrouwden. Zij vergisten zich.[342]

Sophocles was de eerste, die zijn vriend de tijding van het nieuwe besluit des volks bracht.

„De Atheners hebben u alles teruggegeven!” zei de dichter hem gelukwenschende.

„Alles,” hernam Pericles met een bitteren lach, „behalve het vertrouwen op hen, het vertrouwen op het geluk van Athene en het vertrouwen op mij zelven!—

„Diopithes triomfeert toch!” vervolgde hij. „Schijnbaar heeft hij nu ook het onderspit gedolven, maar in waarheid zijn wij te Athene de overwonnenen. De hoogste zijner bedoelingen wel is waar heeft Diopithes niet bereikt, maar wat hij en de zijnen sedert lang voorbereid en gedaan hebben, dat is niet verloren gegaan bij het volk der Atheners!”—

„Verban die sombere gevoelens uit uw hart!” vermaande Sophocles. „Athene en Hellas staan nog op hun glanspunt: nog menig heerlijk gewrocht zullen zij voortbrengen, nog menigen zegekrans behalen. Ons betaamt het niet te klagen, ons, wien het vergund werd, den edelsten bloei ontwikkeld te zien.”

„Maar ook den worm, die aan dien edelsten bloei knaagt!” hernam Pericles. „Nog is hij er niet, de tijd, die zich aankondigt, maar eene donkere toekomst werpt hare schaduw ver voor zich uit. Naar het toppunt van opgewekte vroolijkheid, schoonheid en kennis streefden wij. Van onze droomen heeft zich de droom der schoonheid verwezenlijkt—de andere echter zijn in nacht en verwarring opgegaan. Kort zijn, naar het schijnt, de levenslenten der volkeren en hunne bloesems welken, vóór zij zich nog ten volle hebben ontwikkeld!”

Zoo sprak op dien dag Pericles tot den edelste zijner vrienden.—

Nog eenmaal verhief zich de geweldige, verderfelijke ziekte.

Er kwam bij de verandering der maan een donkere nacht, een nacht, waarin de storm vreeselijk huilde. Koud blies de wind over het Attische land van de kloven en hoogten van den Pindus.[343]Dof sloegen in den Piraeüs de golven tegen de steenen dammen. De schepen in de haven werden heen en weder geslingerd, de masten kraakten, het want gierde. In de ontvolkte straten van Athene loeiden de winden als spoken, zij speelden met de open deuren der verlaten huizen en huilden door de eenzame peristylia. Men wist soms niet of ’t huilen en bulderen van den wind was, dan wel het klagen en zuchten van jammerende moeders, dat men vernam. Over de tinnen, gevels en marmeren beelden van het Parthenon vlogen zwarte wolken. De als wijgeschenken opgehangen schilden sloegen klapperend tegen de architraaf, waaraan zij hingen. Nachtvogels krasten. Het reuzenbeeld der met lans en helm gewapende Athene Promachos trilde op zijn granieten voetstuk.

In dezen donkeren, stormachtigen nacht, waarin ieder zich binnenshuis hield en de straten als schoongeveegd waren, dwaalde een man rond, door eene zonderlinge onrust gedreven. Die man was Socrates. Zijne oude gewoonte om des nachts rond te dolen, ten einde jacht te maken op gedachten, was hem meer en meer eigen geworden: evenwel werd hij zelf meer door gedachten gedreven, dan hij haar najaagde. Zoo zwierf hij ook dien nacht rond, blindelings, als naar een onzeker doel voortgestuwd.

Hij naderde den verlaten oever van den Illissus, waar uitgebrande brandstapels lagen en waar de dolle Meno zat bij hoopen asch en glimmende kolen. De dolle kerel grijnsde, blies de kolen aan en warmde zich daaraan; nu endannam hij een slok uit eene flesch edelen Chiër, die hij uit een door de pestontvolkthuis weggenomen had, welks voorraad den roovers een gemakkelijke buit geworden was.

Hier en daar stiet de voet van den voortijlenden Socrates in het donker op slechts half verbrande, zwart verkoolde ledematen.

En verder vervolgde hij, zonder doel, zijn weg. Eensklaps werd hij getroffen door den geur van viooltjes. Hij treedt nader en komt bij eene bron,[344]die, naar de gewoonte der Atheners, met viooltjes is omplant. Socrates buigt zich neder, om zijn heet voorhoofd te verkoelen en zijne droge lippen zoeken het lavende vocht. Maar ook hier grijnst de dood hem tegen en spoedig wordt de zonderlinge geur der viooltjes hem verklaarbaar. De bron was verontreinigd door een lijk, een dier ongelukkigen, dien de vertwijfelende begeerte naar verkoeling nog in de ure van den doodstrijd naar de bron had gedreven.

Huiverend week Socrates terug. Toen echter zich herstellend plukte hij een der viooltjes, beschouwde het lang en peinzend en zeide: „o gij Attische viooltjes, wie zal in de toekomst u nog roemen en de met viooltjes omkranste Atheners, als uwe gevierde geur zoo vreeselijk vermengd is met de walmen des doods?”—

Hij ijlde terug, dieper de straten in, waar de deuren in den wind klapperden en de moeders als in wedstrijd met de winden huilden en klaagden. Hij staarde naar de Acropolis en zag het zwarte, in lage wolken verscheurde zwerk, dat als krijschende nachtvogels, aan ongeluksgeesten gelijk, het reusachtige beeld van Athene Promachos zweefde …

Alsof de ongeluksgeesten, die hij daar meende te zien, op hem nederdaalden en hem dreigden en vervolgden, doolde Socrates rond. Eensklaps stond hij vóór het huis van Pericles.

Hij bleef staan. Hoe dikwijls was hij over dezen drempel getreden! Hoe lang was ’t geleden, sinds dit voor ’t laatst geschied was!

Hij naderde schier onbewust en onwillekeurig de deur. Hij bemerkte, dat zij niet gesloten was, als ware het vergeten of verzuimd, en zonder bewaker.

Hij trad naar binnen; eenzaam en verlaten was het voorportaal. Geen geluid drong van binnen tot hem door. Huiveringwekkend was de stilte, die hem omgaf.

Thans zag hij uit het peristylium het schijnsel van eenige somber flikkerende lichten.[345]

Eene rilling voer hem door de leden; hij wist niet waarom. Maar tegelijk drong eene onbekende macht hem voorwaarts.

Daar zag hij midden in het peristylium eene legerstede, met purperen kussens opgemaakt. Op de purperen kussens lag een doode, het lichaam gehuld in een schitterend wit gewaad—het voorhoofd omkranst met groenende klimopranken.

Nevens de sponde zat eene vrouw, met gebogen hoofd, bleek en sprakeloos als een steenen beeld.

Socrates bleef op den achtergrond. Hij bleef als vastgenageld staan, zonder een woord te spreken. Zijne oogen staarden strak en als van een krankzinnige op het lijk en op de vrouw, die bij het lijk zat.

Die marmerwitte, onbewegelijke vrouw was Aspasia. De met klimop omkranste doode op de purperen sponde was Pericles, de Olympiër.

Ontzield lag daar de Alcmaeönide, de aanvoerder van die onsterfelijke schaar verheven geesten, die Griekenland voor eeuwig hebben verheerlijkt—de held van een gouden bloeitijd der menschheid, die nog altijd naar hem wordt genoemd, dien hij over Hellas gebracht heeft en met welks verval hij zelf ook het leven verliet.

Grooter en statiger nog scheen thans het lichaam van den held, door de pijlen van den doodsengel gevallen. Maar zachtheid lag er, evenals bij zijn leven, ook thans uitgebreid over zijn mannelijk gelaat. Zelfs de pest had die edele trekken niet misvormd. ’t Was, alsof de dood den Olympiër niet verslagen en vernietigd had, maar integendeel den door zielsleed gebrokene weder in zijne volle grootheid opgericht. Verjongd straalde nu weder in de trekken des dooden die opgeruimde kalmte, welke den levende eindelijk ontzonken was, verdwenen was de tweestrijd, dien ten laatste het gemoed van Aspasia’s gemaal was binnengeslopen …

Waarover peinsde de bleeke Aspasia aan de doodsponde van Pericles?

Aan haar geest ging eene schitterende reeks van[346]schoone, grootsche, heerlijke herinneringen voorbij.

Zij dacht aan het oogenblik in de werkplaats van Phidias, waar het vurig oog van dien man voor ’t eerst het hare had ontmoet, waar, na manlijken, ernstigen strijd voor de grootheid en macht van Athene, de schoonheid hem in banden sloeg.

Zijn beeld zweefde voor hare oogen, nu eens hoe hij op het redenaarsgestoelte der Pnyx stond en het volk aan zijne lippen hing—dan weer hoe hij vol fierheid en geestdrift met haar wandelde over de hoogten van de Acropolis, zich verheugend over het heerlijke en grootsche, dat daar onder zijne oogen verrees;—nu eens hoe hij, door begeerte naar krachtige daden aangegrepen, voor Samos zich nieuwe lauweren bevocht—dan weder hoe hij in zalige liefde, het schoonste menschenlot vervullend, op de bloeiende hoogte des levens den bedwelmenden kelk der vreugde met haar ledigde—of hoe hij op de Acropolis in het gezicht van nieuw voleindigde, onsterfelijke gewrochten een verbond met haar sloot, zijne ziel vervuld van grootsche plannen en verwachtingen.

In zijne edele grootheid zweefde hij voor haar geest, in zijne overweldigende macht over de menschen, in zijne gevoeligheid en warmte van hart, in zijne waardige, mannelijke kracht—zacht, verstandig en moedig te gelijk—het toonbeeld van den echten Helleen, te zeer vervuld van geest en gemoed om op te gaan in ruwen heldenzin, en van den anderen kant te ijverig, te degelijk om enkel genoegen te vinden in weekelijk genot, in de bekoring van schoonheid en liefde.

Maar ook zweefde zijn beeld voor hare oogen, hoe hij aan hare zijde wandelde in de dreven der Peloponnesus, hoe meer en meer de ernst met zachte schaduwen over zijn voorhoofd gleed, hoe hij vervuld van het leven en streven van den voortschrijdenden tijd, aangespoord door een voorgevoel eener nieuwe, ernstige, treurige toekomst, zwijgend zijn diepst gevoel verborg, totdat hij ophield een Helleen te zijn in den geest en den zin der schoone[347]vrouw, met wie hij het schitterend vreugdebond der liefde had gesloten, en totdat hij, na den loop der ontwikkeling van het Hellenisme in zijn eigene ziel doorleefd te hebben, door onheilspellende, sombere voorgevoelens aangegrepen, met de macht en grootheid van zijn vaderland zelf bezweek.

Evenals Aspasia’s oog strak op het gelaat van den ontzielden Pericles was gericht, zoo staarde het oog van Socrates onbewegelijk op het bleeke gezicht der vrouw.

In haar scheen hem Hellas verpersoonlijkt, dat treurend zat aan de lijkbaar van den edelste zijner zonen …

Hoe bleek en ernstig zien die trekken van de schoone vrouw, dit eens zoo levenslustige Hellas!

Thans sloeg Aspasia haar oog op en haar blik ontmoette dien van Socrates. Het was een lange, lange blik, dien Aspasia en Socrates wisselden.

Het was een lange, diep ernstigen blik en geen woord zou de gewaarwordingen kunnen uitdrukken, die in dezen langen blik opgesloten lagen.

Geen enkel woord, alleen deze ééne blik werd tusschen hen beiden gewisseld.

Toen verdween Socrates. Als eene spookachtige schim was hij voor de vrouw opgerezen—zonder geluid verdween hij.—Eenzaam zat weder bij de doodsponde van den grooten Helleen, roerloos en marmerbleek, Aspasia.—

Socrates zette zijne nachtelijke wandeling voort. Zonder bepaald plan of doel ijlde hij door de straten, een geruimen tijd met diep bewogen gemoed.

Het geweld van den gierenden en huilenden rukwind had opgehouden. Stiller en nog eenzamer dan te voren was het geworden om den nachtelijken zwerver. Het was reeds lang over middernacht. De morgen kondigde zich van verre aan met eene bijna nog onmerkbare grauwen streep in het Oosten. Maar nog was het nacht, donkere nacht, in de straten van Athene. Door de gescheurde wolken des hemels fonkelden slechts enkele verflauwende sterren.[348]

Plotseling stond voor Socrates een man, reisvaardig, naar het scheen, vergezeld door een slaaf. Hij vestigde den blik strak op Socrates.

Socrates keek op, toen gene hem den weg versperde, en hij herkende Agoracritus.

„Waarheen gaat gij in den donkeren nacht?” vroeg de voormalige makker in Phidias’ werkplaats aan den denker.

„Mij riepen dringende zaken naar Athene,” vervolgde Agoracritus, toen Socrates met het antwoord draalde; „maar ik haast mij weder weg te komen uit de verpeste stad. Ik ga naar Rhamnus, om eindelijk te doen, wat men sinds zoovele jaren van mij verlangt: mijne daar geplaatste Godin met die uiterlijke kenteekenen te versieren, die haar ongetwijfeld van eene Aphrodite tot eene Nemesis zullen maken. Ik heb lang geaarzeld—maar thans drijft mij ook de lust dien menschen te believen. Zij moeten niet langer twijfelen, de mannen in het land van Attica, dat werkelijk de Nemesis in plaats van de lachende Aphrodite midden onder hen staat. Ben ik haar toch geen dank verschuldigd, deze met langzame, maar zekere schreden naderende Godin? Heeft zij mij niet gewroken op de vrouw, die ik haat? De Godin der vergelding heeft hare tenten opgeslagen in het huis van Pericles en Aspasia. En nu vernam ik nog ten laatste, dat de pest voor weinige dagen Pericles aangegrepen en op het ziekbed heeft geworpen.”

Socrates sloeg zijn oogen op, zag Agoracritus in ’t gelaat en zeide zacht:

„Hij is dood.”

Agoracritus zweeg getroffen.

Beiden gingen een eind weegs sprakeloos naast elkander.

„Dood?” vroeg toen Agoracritus.

„Ik zag hem zelf!” hernam Socrates op doffen toon.

Wederom zwegen beiden een tijd lang.

Eindelijk begon Agoracritus:

„Gij hebt Pericles ontzield gezien; mij is het ten[349]deel gevallen Phidias voor mijne oogen in den kerker te zien sterven. Ik was bij hem in zijn laatste ure. Toen ik hoorde, dat hij erg ziek was, ijlde ik naar hem. De menschen zeiden mij, dat hij alle geneesmiddelen en iedere soort van hulp van de hand wees. Pericles had Hippocrates tot hem gezonden: hij echter begon met den geneesheer over de verhoudingen der vormen en lijnen van het menschelijk lichaam te spreken. Want ook thans op zijn ziekbed hield hem datgene bezig, wat hem vroeger alleen bezield had.

„Toen ik kwam, vertelden mij diegenen, welke in den kerker om hem heen waren, dat hij herhaaldelijk in koortsachtige droomen sprak en zelden iemand meer herkende. Ik ging tot hem en vond hem stervende. Hij herkende mij in den beginne nog even, allengs echter werden zijne gedachten in de hitte der koorts verward. Hij sprak immer door van groote tempels en beeldwerken, van gouden en ivoren standbeelden en marmeren friezen—hij gaf zijnen leerlingen aanwijzingen, geheel en al alsof hij nog in zijne werkplaats was, spoorde hen tot den arbeid aan en berispte de tragen, duidde ook nauwkeurig aan hoe zij dit of dat moesten voltooien en was ontevreden, dat zij het niet geheel naar zijn wil deden. Menigmaal riep hij uitdrukkelijk mij of Alcamenes. Ten laatste echter scheen hij geheel alleen te zijn met zijne heerlijke beelden en zijn Goden en Godinnen, zijne Pallas Athene, zijne Olympische Zeus zweefden voor zijn geest. ’t Was, alsof de Goden van den Olympus allen tot hem nederdaalden en rondom zijn leger stonden, voor hem alleen zichtbaar, terwijl hij stierf; want hij schouwde met een verhelderd gelaat om zich heen, groette hen en sprak hen bij hunne namen aan. Ten laatste echter scheen het, dat Pallas Athene geheel alleen bij hem was achtergebleven en hem wenkte; want hij zei de eensklaps: „Waarheen wilt gij mij voeren? Ik kom!” Daarop richtte hij zich een weinig op, alsof hij wilde opstaan, om met haar, die hem wenkte, te[350]vertrekken; hij zonk echter achterover en blies den laatsten adem uit.

„Hij stierf midden in zijn droomgezicht. Hij stierf schoon, als ooit eenig Helleen, daar het schoonste licht van Hellas nog eenmaal hem omstraalde en de Goden hem als ’t ware van de aarde naar den Olympus voerden, op het oogenblik, dat de nacht des onheils over Athene losbrak, zoodat hij van al dat leed niets meer bemerkte, maar met onbenevelden geest heenging.

„In den beginne had het mij innig smartelijk getroffen te zien, hoe deze man in den kerker op zijne eenzame legerstede lag te sterven; want nadat hij de Athene Promachos op den burg, de Athene Parthenos en het Parthenon zelf, benevens dien Olympischen Zeus te Olympia had geschapen; en zooveel groots en heerlijks, wat niemand heeft overtroffen en niemand ooit zal overtreffen, ’t geen Griekenland de meeste luister heeft aangebracht, was zijn loon van de menschen, dat hij smadelijk en eenzaam stierf in den donkeren kerker.

„Toen ik hem had zien sterven, voelde ik eene aandoening in de ziel, die niet zonder troost was, en ik ging stil heen, nadat ik den meester de oogen toegedrukt en zijn voorhoofd gekust had: ik beklaagde slechts Hellas te meer en ons allen, die achterbleven, nadat de grootsten en besten heen zijn gegaan!”

Na dit verhaal van Agoracritus gingen de beide mannen nog een poos peinzend naast elkander. Toen scheidden zij.

Agoracritus ging noordelijk naar Rhamnus; ook Socrates zette, door innerlijke aandoening gedreven, zijn weg verder voort, doch toen hij nauwelijks een paar schreden gegaan was stiet hij op een ontstoken brandstapel. Daarop waren vele pestlijken geworpen. Onder deze lijken zag Socrates ook den dollen Meno liggen.

De dragers der pestlijken hadden hem, bedwelmd en verdoofd in een vasten slaap, te midden van lijken gevonden en den schijndoode op den brandstapel[351]geworpen, waar de vlam reeds om hem likte. Een hond liep huilend om den brandenden hoop.

Thans greep de vlam den dollen Meno aan. Op dit oogenblik sprong ook de hond op den stapel en verbrandde met zijn meester.

Een zonderling gevoel kwam in Socrates op. „Nu zijt gij vrij, Meno!” sprak hij.

„Nu zijt gij vrij!” herhaalde hij nog verscheiden malen, terwijl hij met een gloeiend voorhoofd zijn weg vervolgde. „Zal er wellicht eens een tijd komen, waarop alle slaven vrij zullen worden?” dacht hij al voortgaande—„of alle vrijen slaven!” voegde hij er peinzend in zich zelven bij—

Hij doorliep nu reeds ver afgelegen straten, niet meer in den omtrek van de stad zelve, maar in hare omstreken, waar landgoederen en tuinen der Atheners met de open dreven afwisselden.

Een zwaluw vloog op en verkondigde den dag, met vluggen wiekslag door de lucht scherende.

Socrates, door zijn daemon geleid, naderde een huis, waarin zekere beweging en drukte heerschten. Vele menschen liepen af en aan.

’t Was de woning van Ariston, een aanzienlijk Athener. Socrates bleef staan en vernam van hen, die daar uit- en ingingen, dat Ariston in dezen nacht een zoontje was geboren. Na, zoovele beelden des doods eene geboorte, een ontwakend leven …

Wederom rees een raadselachtige drang in de borst van Socrates op. Hij betrad het huis van den hem bevrienden man.

Het kind lag in het peristylium, in de armen der voedster. Een hoogbejaarde grijsaard, die een ziener of priester scheen te zijn, hield zijn sneeuwwit hoofd er over gebogen en beschouwde het aandachtig. Ook Socrates sloeg zijn oog op het kind, dat een breed voorhoofd had, een denkersvoorhoofd, en welks gelaat reeds omschenen werd door een zachten, verheven, meer dan kinderlijken ernst.

Plotseling kwam eene bij aangevlogen—eene bij van den naburigen Hymettus—eene der geprezen Attische bijen—zij komt aanvliegen, gonst om ’t[352]hoofd van het kind en raakt een oogenblik zijne lippen aan, even slechts en zonder kwaad te doen, ze als het ware kussend. Toen vliegt zij weder weg.

Bij dit gezicht spreekt de grijze ziener:

„Een goddelijk teeken is de kus van deze Hymettusbij. Van de lippen van dit kind zal eens de taal vloeien, zoeter dan honig!”9

Het zien van dit kind maakt een diepen indruk op Socrates. Hij kan het voorgeval in zijne ziel niet verklaren. Maar de toekomst zal het eens ontsluieren.

De knaap die daar voor de oogen van den rustelooze waarheidzoeker ligt, zal, tot jongeling gerijpt, eene nieuwe zending vervullen.

Zijne lippen zullen druipen van Attischen honig. Maar met de zoetste welsprekendheid zal hij de bitterste leer verkondigen:

Hij zal leeren, dat het lichaam een kerker is der ziel en dat de ziel, zich van hare boeien bevrijdend, opwaarts moet stijgen naar het bovenaardsche. Hij zal leeren, dat Eros de menschenwereld verachten en naar hooger moet streven, naar het heldere rijk der eeuwige, in onveranderlijke schoonheid schitterende gedachten—

En deze leer zal een weergalm vinden aan naburige en verre stranden; zij zal het wachtwoord worden van een nieuwen tijd en op de lippen van een Galilaeër de wereld veroveren—

Met haar echter zal ook in een anderen zin het woord der Sabazius-dienaars en Metragyrten triomfeeren, het sombere woord der zelfkastijding en zelfverloochening—

Socrates ging peinzend uit de woning van Ariston. Hij had nu eene hoogte bereikt, vanwaar hij het Attische land en de zee kon zien, beschenen door de vriendelijke stralen der morgenzon.

Op de zee, in de richting van Sunion, zag hij een vaartuig het zilte nat doorklieven. Hij staarde, in gedachten verzonken, werktuigelijk naar dit vaartuig.[353]

Het droeg den „Satyr” en de „Bacchante”—het droeg Manes en Cora naar het Noorden; het voerde hen een nieuw vaderland te gemoet.

Zij togen daarheen, zalig in het bewustzijn hunner ernstige liefde.

Van de baai uit zagen zij terug en beschouwden, scheidend voor altoos, voor het laatst de stad der Atheners.

Een licht, wit wolkje steeg, niet verre van de Acropolis, uit de stad omhoog in de reine, heldere morgenlucht. Het kwam van den brandstapel, die het zielloos overschot van Pericles in heiligen gloed verteerde.

Dit wolkje steeg omhoog en zweefde om de tinnen van de Acropolis.

Manes en Cora volgden het met hunne oogen, toen het om de witte marmeren kruin van den heiligen Pallas-burg zweefde.

Maar het wolkje verdween, en rein en schitterend doemden in het heldere licht de tinnen en gevels van het Parthenon en der onlangs voltooide Propylaeën op uit de verte.

Hoog verhief zich, boven de ellende en verdeeldheid van de stad der Atheners en der sterfelijke menschenkinderen, de onsterfelijke kruin van den berg.

Uit de puinhoopen van het vergankelijke verrees in het land der Hellenen iets onvergankelijks, zegevierend in eeuwigen glans.

En het scheen te zeggen:

„Verheven ben ik boven het wisselend lot der menschen en hunne nietige ellende. Ik schitter door alle eeuwen heen. Ik besta ten allen tijde. Ik ben als het betooverend licht over de bergen van Hellas, en als de eeuwige glans der wateren in zijne golven!”

Naar het Goede en naar het Schoone streven de volkeren.

Menschelijk en edel is het Goede—goddelijk en onsterfelijk echter het Schoone.

EINDE.

[355]

1De volksregeering.↑2Onder „kalokagathia” verstonden de Grieken die harmonische vereeniging van al wat schoon, goed en edel is; ons „rechtschapenheid” drukt het nog niet voldoende uit.↑3De volgende beschrijving van de pest is ontleend aan de overschoone schildering daarvan door Thucydides, die zelf door de pest is aangetast geweest, Bell. Pelop. Boek II. 47–56.↑4Charon, die de zielen der afgestorvenen over de rivieren in de onderwereld zette. Hij is, naar de mythe, de zoon van Erebus en Nux. Zij, die het veergeld niet konden betalen, moesten als schimmen aan de oevers van den Acheron verwijlen.↑5Attis, (ook Atis, Atys en Attys geschreven) een zoon van Calaüs koning van Phrygië; hij was, naar de mythe, een priester van Cybele. Gestorven zijnde opgewekt, komt hij als de trouwe begeleider van Cybele voor. Te zijner eere werden jaarlijks te Pessinus in Phrygië in de lente feesten gevierd. Wellicht doelt de mythe op het sterven der natuur in den winter en haar ontwaken in de lente.↑6Het raadhuis (bouleuterion).↑7Plutarchus, leven van Pericles, cap. 38, aan welk geschrift veel van het hier vermelde ontleend is.↑8Spreekwijze ontleend aan Heracles. Vergelijk Deel I pag. 220 en de noot.↑9Hier wordt Plato, Socrates’ groote leerling bedoeld.↑

1De volksregeering.↑2Onder „kalokagathia” verstonden de Grieken die harmonische vereeniging van al wat schoon, goed en edel is; ons „rechtschapenheid” drukt het nog niet voldoende uit.↑3De volgende beschrijving van de pest is ontleend aan de overschoone schildering daarvan door Thucydides, die zelf door de pest is aangetast geweest, Bell. Pelop. Boek II. 47–56.↑4Charon, die de zielen der afgestorvenen over de rivieren in de onderwereld zette. Hij is, naar de mythe, de zoon van Erebus en Nux. Zij, die het veergeld niet konden betalen, moesten als schimmen aan de oevers van den Acheron verwijlen.↑5Attis, (ook Atis, Atys en Attys geschreven) een zoon van Calaüs koning van Phrygië; hij was, naar de mythe, een priester van Cybele. Gestorven zijnde opgewekt, komt hij als de trouwe begeleider van Cybele voor. Te zijner eere werden jaarlijks te Pessinus in Phrygië in de lente feesten gevierd. Wellicht doelt de mythe op het sterven der natuur in den winter en haar ontwaken in de lente.↑6Het raadhuis (bouleuterion).↑7Plutarchus, leven van Pericles, cap. 38, aan welk geschrift veel van het hier vermelde ontleend is.↑8Spreekwijze ontleend aan Heracles. Vergelijk Deel I pag. 220 en de noot.↑9Hier wordt Plato, Socrates’ groote leerling bedoeld.↑

1De volksregeering.↑

1De volksregeering.↑

2Onder „kalokagathia” verstonden de Grieken die harmonische vereeniging van al wat schoon, goed en edel is; ons „rechtschapenheid” drukt het nog niet voldoende uit.↑

2Onder „kalokagathia” verstonden de Grieken die harmonische vereeniging van al wat schoon, goed en edel is; ons „rechtschapenheid” drukt het nog niet voldoende uit.↑

3De volgende beschrijving van de pest is ontleend aan de overschoone schildering daarvan door Thucydides, die zelf door de pest is aangetast geweest, Bell. Pelop. Boek II. 47–56.↑

3De volgende beschrijving van de pest is ontleend aan de overschoone schildering daarvan door Thucydides, die zelf door de pest is aangetast geweest, Bell. Pelop. Boek II. 47–56.↑

4Charon, die de zielen der afgestorvenen over de rivieren in de onderwereld zette. Hij is, naar de mythe, de zoon van Erebus en Nux. Zij, die het veergeld niet konden betalen, moesten als schimmen aan de oevers van den Acheron verwijlen.↑

4Charon, die de zielen der afgestorvenen over de rivieren in de onderwereld zette. Hij is, naar de mythe, de zoon van Erebus en Nux. Zij, die het veergeld niet konden betalen, moesten als schimmen aan de oevers van den Acheron verwijlen.↑

5Attis, (ook Atis, Atys en Attys geschreven) een zoon van Calaüs koning van Phrygië; hij was, naar de mythe, een priester van Cybele. Gestorven zijnde opgewekt, komt hij als de trouwe begeleider van Cybele voor. Te zijner eere werden jaarlijks te Pessinus in Phrygië in de lente feesten gevierd. Wellicht doelt de mythe op het sterven der natuur in den winter en haar ontwaken in de lente.↑

5Attis, (ook Atis, Atys en Attys geschreven) een zoon van Calaüs koning van Phrygië; hij was, naar de mythe, een priester van Cybele. Gestorven zijnde opgewekt, komt hij als de trouwe begeleider van Cybele voor. Te zijner eere werden jaarlijks te Pessinus in Phrygië in de lente feesten gevierd. Wellicht doelt de mythe op het sterven der natuur in den winter en haar ontwaken in de lente.↑

6Het raadhuis (bouleuterion).↑

6Het raadhuis (bouleuterion).↑

7Plutarchus, leven van Pericles, cap. 38, aan welk geschrift veel van het hier vermelde ontleend is.↑

7Plutarchus, leven van Pericles, cap. 38, aan welk geschrift veel van het hier vermelde ontleend is.↑

8Spreekwijze ontleend aan Heracles. Vergelijk Deel I pag. 220 en de noot.↑

8Spreekwijze ontleend aan Heracles. Vergelijk Deel I pag. 220 en de noot.↑

9Hier wordt Plato, Socrates’ groote leerling bedoeld.↑

9Hier wordt Plato, Socrates’ groote leerling bedoeld.↑


Back to IndexNext