Intussen en was er een groot aantal feesten en godsdienstige plechtigheden bij welke voor zoodanige bedenkingen geene aanleiding was; dat waren voornamelijk die godenfeesten, aan welke de knapen werkzaam deelnamen. De lessen bij den citherspeler genoten, verzekeren hun eene plaats vooraan in den stoet, wanneer in den plechtigen optocht die aan de Dionysiën voorafgaat, het overoude beeld van Dionysos wordt overgebracht naar diens tempel, en op de Dionysiën zelf zingen zij met hunne stamgenooten mee in het koor van den wedstrijd der knapen.Van den zelfden aard is hunne deelname bij allerlei bijzondere en openbare feesten. Wanneer er een oom of eenbroer trouwt, dan mag de kleine jongen—en hij alleen, omdat hij nog een reine knaap is—naar de Enneakrounos gaan, om uit die bron het water voor het heilige bad te halen. Een Panathenaeën-optocht, waaraan geen jongens meedoen, laat zich nauwelijks denken, en in menigen eeredienst brengt heiliger werkzaamheid den knaap buiten den kring van zijne school en wijdt hem in in de geheimenissen van den godsdienst. Men behoeft daarbij nog niet terstond te denken aan eene opleiding voor een bepaald priesterschap. Wel teekent ons ongetwijfeld Euripides het ideaal van een ernstig jong Atheensch priester in die treffende figuur van Io, den geloovigen nadenkenden tempeldienaar van Apollo, die met mystieke innigheid zijnen God vereert en diens tempel rein houdt, doch ook zonder voor den tempeldienst bestemd te zijn, verrichtten jonge Atheners naar de rechten van hun geslacht—want meestal gold zoo iets voor hooge eer,—in den cultus diensten tot bijstand van den priester, zooals o.a. Euripides als knaap door de phyle, tot welke hij behoorde, werd benoemd als wijnschenker bij het koor, dat in de maand Thargelion ter eere van Apollo danste vóór het heiligdom van dien God. De gewichtige beteekenis dezer functiën mogen wij niet voorbijzien. De tempeldienst der Grieksche Goden is zoo rijk aan diepzinnige symbolen, en de tempelgebouwen zelf zijn in hunne architectuur zoo afwisselend en leerrijk, dat het verkeer met de priesters die aan het hoofd van de verschillende tempels stonden een even begeerlijke als belangrijke taak voor deze knapen was. Niet het minst voorwaar in de dagen toen nieuwe levensbeschouwingen den ouden godsdienst in gevaar brachten. De priesters toch, meest mannen van aanzien en goeden stand, niet zelden ook, wanneer zij bij keuze benoemd waren, door de indrukwekkende schoonheid hunner persoon bij uitnemendheid geschikt om indruk te maken op hunne jonge volgelingen, hebben hetzeker dikwijls voortreflijk verstaan, aan die knapen den dieperen zin te openbaren van den ritus dien dezen zelf meehielpen volvoeren, hen dikwijls geholpen de ernstige poëzie van den ouden godsdienst anders te leeren begrijpen dan de eenvoudige grammatist het hen had geleerd, en eindelijk in een’ tijd van veldwinnend rationalisme diep in hunnen geest de overtuiging geplant, dat Athene geen Athene meer zou zijn, indien men de stad beroofde van den glans harer tempels.
Intussen en was er een groot aantal feesten en godsdienstige plechtigheden bij welke voor zoodanige bedenkingen geene aanleiding was; dat waren voornamelijk die godenfeesten, aan welke de knapen werkzaam deelnamen. De lessen bij den citherspeler genoten, verzekeren hun eene plaats vooraan in den stoet, wanneer in den plechtigen optocht die aan de Dionysiën voorafgaat, het overoude beeld van Dionysos wordt overgebracht naar diens tempel, en op de Dionysiën zelf zingen zij met hunne stamgenooten mee in het koor van den wedstrijd der knapen.Van den zelfden aard is hunne deelname bij allerlei bijzondere en openbare feesten. Wanneer er een oom of eenbroer trouwt, dan mag de kleine jongen—en hij alleen, omdat hij nog een reine knaap is—naar de Enneakrounos gaan, om uit die bron het water voor het heilige bad te halen. Een Panathenaeën-optocht, waaraan geen jongens meedoen, laat zich nauwelijks denken, en in menigen eeredienst brengt heiliger werkzaamheid den knaap buiten den kring van zijne school en wijdt hem in in de geheimenissen van den godsdienst. Men behoeft daarbij nog niet terstond te denken aan eene opleiding voor een bepaald priesterschap. Wel teekent ons ongetwijfeld Euripides het ideaal van een ernstig jong Atheensch priester in die treffende figuur van Io, den geloovigen nadenkenden tempeldienaar van Apollo, die met mystieke innigheid zijnen God vereert en diens tempel rein houdt, doch ook zonder voor den tempeldienst bestemd te zijn, verrichtten jonge Atheners naar de rechten van hun geslacht—want meestal gold zoo iets voor hooge eer,—in den cultus diensten tot bijstand van den priester, zooals o.a. Euripides als knaap door de phyle, tot welke hij behoorde, werd benoemd als wijnschenker bij het koor, dat in de maand Thargelion ter eere van Apollo danste vóór het heiligdom van dien God. De gewichtige beteekenis dezer functiën mogen wij niet voorbijzien. De tempeldienst der Grieksche Goden is zoo rijk aan diepzinnige symbolen, en de tempelgebouwen zelf zijn in hunne architectuur zoo afwisselend en leerrijk, dat het verkeer met de priesters die aan het hoofd van de verschillende tempels stonden een even begeerlijke als belangrijke taak voor deze knapen was. Niet het minst voorwaar in de dagen toen nieuwe levensbeschouwingen den ouden godsdienst in gevaar brachten. De priesters toch, meest mannen van aanzien en goeden stand, niet zelden ook, wanneer zij bij keuze benoemd waren, door de indrukwekkende schoonheid hunner persoon bij uitnemendheid geschikt om indruk te maken op hunne jonge volgelingen, hebben hetzeker dikwijls voortreflijk verstaan, aan die knapen den dieperen zin te openbaren van den ritus dien dezen zelf meehielpen volvoeren, hen dikwijls geholpen de ernstige poëzie van den ouden godsdienst anders te leeren begrijpen dan de eenvoudige grammatist het hen had geleerd, en eindelijk in een’ tijd van veldwinnend rationalisme diep in hunnen geest de overtuiging geplant, dat Athene geen Athene meer zou zijn, indien men de stad beroofde van den glans harer tempels.
Intussen en was er een groot aantal feesten en godsdienstige plechtigheden bij welke voor zoodanige bedenkingen geene aanleiding was; dat waren voornamelijk die godenfeesten, aan welke de knapen werkzaam deelnamen. De lessen bij den citherspeler genoten, verzekeren hun eene plaats vooraan in den stoet, wanneer in den plechtigen optocht die aan de Dionysiën voorafgaat, het overoude beeld van Dionysos wordt overgebracht naar diens tempel, en op de Dionysiën zelf zingen zij met hunne stamgenooten mee in het koor van den wedstrijd der knapen.Van den zelfden aard is hunne deelname bij allerlei bijzondere en openbare feesten. Wanneer er een oom of eenbroer trouwt, dan mag de kleine jongen—en hij alleen, omdat hij nog een reine knaap is—naar de Enneakrounos gaan, om uit die bron het water voor het heilige bad te halen. Een Panathenaeën-optocht, waaraan geen jongens meedoen, laat zich nauwelijks denken, en in menigen eeredienst brengt heiliger werkzaamheid den knaap buiten den kring van zijne school en wijdt hem in in de geheimenissen van den godsdienst. Men behoeft daarbij nog niet terstond te denken aan eene opleiding voor een bepaald priesterschap. Wel teekent ons ongetwijfeld Euripides het ideaal van een ernstig jong Atheensch priester in die treffende figuur van Io, den geloovigen nadenkenden tempeldienaar van Apollo, die met mystieke innigheid zijnen God vereert en diens tempel rein houdt, doch ook zonder voor den tempeldienst bestemd te zijn, verrichtten jonge Atheners naar de rechten van hun geslacht—want meestal gold zoo iets voor hooge eer,—in den cultus diensten tot bijstand van den priester, zooals o.a. Euripides als knaap door de phyle, tot welke hij behoorde, werd benoemd als wijnschenker bij het koor, dat in de maand Thargelion ter eere van Apollo danste vóór het heiligdom van dien God. De gewichtige beteekenis dezer functiën mogen wij niet voorbijzien. De tempeldienst der Grieksche Goden is zoo rijk aan diepzinnige symbolen, en de tempelgebouwen zelf zijn in hunne architectuur zoo afwisselend en leerrijk, dat het verkeer met de priesters die aan het hoofd van de verschillende tempels stonden een even begeerlijke als belangrijke taak voor deze knapen was. Niet het minst voorwaar in de dagen toen nieuwe levensbeschouwingen den ouden godsdienst in gevaar brachten. De priesters toch, meest mannen van aanzien en goeden stand, niet zelden ook, wanneer zij bij keuze benoemd waren, door de indrukwekkende schoonheid hunner persoon bij uitnemendheid geschikt om indruk te maken op hunne jonge volgelingen, hebben hetzeker dikwijls voortreflijk verstaan, aan die knapen den dieperen zin te openbaren van den ritus dien dezen zelf meehielpen volvoeren, hen dikwijls geholpen de ernstige poëzie van den ouden godsdienst anders te leeren begrijpen dan de eenvoudige grammatist het hen had geleerd, en eindelijk in een’ tijd van veldwinnend rationalisme diep in hunnen geest de overtuiging geplant, dat Athene geen Athene meer zou zijn, indien men de stad beroofde van den glans harer tempels.
Intussen en was er een groot aantal feesten en godsdienstige plechtigheden bij welke voor zoodanige bedenkingen geene aanleiding was; dat waren voornamelijk die godenfeesten, aan welke de knapen werkzaam deelnamen. De lessen bij den citherspeler genoten, verzekeren hun eene plaats vooraan in den stoet, wanneer in den plechtigen optocht die aan de Dionysiën voorafgaat, het overoude beeld van Dionysos wordt overgebracht naar diens tempel, en op de Dionysiën zelf zingen zij met hunne stamgenooten mee in het koor van den wedstrijd der knapen.
Van den zelfden aard is hunne deelname bij allerlei bijzondere en openbare feesten. Wanneer er een oom of eenbroer trouwt, dan mag de kleine jongen—en hij alleen, omdat hij nog een reine knaap is—naar de Enneakrounos gaan, om uit die bron het water voor het heilige bad te halen. Een Panathenaeën-optocht, waaraan geen jongens meedoen, laat zich nauwelijks denken, en in menigen eeredienst brengt heiliger werkzaamheid den knaap buiten den kring van zijne school en wijdt hem in in de geheimenissen van den godsdienst. Men behoeft daarbij nog niet terstond te denken aan eene opleiding voor een bepaald priesterschap. Wel teekent ons ongetwijfeld Euripides het ideaal van een ernstig jong Atheensch priester in die treffende figuur van Io, den geloovigen nadenkenden tempeldienaar van Apollo, die met mystieke innigheid zijnen God vereert en diens tempel rein houdt, doch ook zonder voor den tempeldienst bestemd te zijn, verrichtten jonge Atheners naar de rechten van hun geslacht—want meestal gold zoo iets voor hooge eer,—in den cultus diensten tot bijstand van den priester, zooals o.a. Euripides als knaap door de phyle, tot welke hij behoorde, werd benoemd als wijnschenker bij het koor, dat in de maand Thargelion ter eere van Apollo danste vóór het heiligdom van dien God. De gewichtige beteekenis dezer functiën mogen wij niet voorbijzien. De tempeldienst der Grieksche Goden is zoo rijk aan diepzinnige symbolen, en de tempelgebouwen zelf zijn in hunne architectuur zoo afwisselend en leerrijk, dat het verkeer met de priesters die aan het hoofd van de verschillende tempels stonden een even begeerlijke als belangrijke taak voor deze knapen was. Niet het minst voorwaar in de dagen toen nieuwe levensbeschouwingen den ouden godsdienst in gevaar brachten. De priesters toch, meest mannen van aanzien en goeden stand, niet zelden ook, wanneer zij bij keuze benoemd waren, door de indrukwekkende schoonheid hunner persoon bij uitnemendheid geschikt om indruk te maken op hunne jonge volgelingen, hebben hetzeker dikwijls voortreflijk verstaan, aan die knapen den dieperen zin te openbaren van den ritus dien dezen zelf meehielpen volvoeren, hen dikwijls geholpen de ernstige poëzie van den ouden godsdienst anders te leeren begrijpen dan de eenvoudige grammatist het hen had geleerd, en eindelijk in een’ tijd van veldwinnend rationalisme diep in hunnen geest de overtuiging geplant, dat Athene geen Athene meer zou zijn, indien men de stad beroofde van den glans harer tempels.