IIIIndien onze belangstelling zich bepaalde tot het leven der schooljongens in de periode die aan den Peloponnesischen oorlog voorafging, dan zouden wij met hetgeen hierboven over het onderwijs is gezegd, kunnen volstaan. Heel veel meer dan hetgeen wij hebben opgenoemd leerde—afgezien van het onderricht dat sommigen hun kinderen met het oog op een bepaald vak van levensonderhoud lieten geven—toen ter tijde een Atheensche knaap niet.Maar het spreekt van zelf dat de groote veranderingen, door verkeer met het buitenland zoowel als door eigen nadenken in de godsdienstige en politieke inzichten der Atheensche vaders gebracht, zich ook in den kring hunner zoons lieten gevoelen; trouwens, ook de feiten bewijzen dat. In de vierde eeuw kent men te Athene naast het lager onderwijs ook voortgezet en daarna zelfs hooger onderwijs. En over de juiste inrichting van die beide laatsten was men het te Athene zéér oneens.De theorieën dienaangaande ontwikkeld, gaan voor een deel over de hoofden der knapen heen. Het is niet te hopen, dat de Atheensche jongens in Plato’s Politeia hebben zitten lezen, om te onderzoeken hoe zij moesten worden opgevoed. Maar andere volgelingen van de Socratische school brachten hun opvoedings-idealen in meer populairen vorm ter tafel. De Cyropaedie is zóó geschreven, dat zij volkomen onder het bereik van jongens valt. Of derhalve de Atheensche jongens ook het model van deugdzame eukosmia, hun in deeerste hoofdstukken van Xenophons boekje voor oogen gesteld, gewaardeerd hebben, is zeer de vraag; maar wel kunnen zij zoowel uit de Cyropaedie als uit de tafelgesprekken hunner vaders geleerd hebben, dat te Athene onvoldaanheid met de resultaten van het lager onderwijs begon te heerschen.Er is een pseudoplatonische dialoog, die deze stemming bijzonder duidelijk in ’t licht stelt. Al is Theages, de jonge Athener, die aan dien dialoog zijnen naam geeft, eigenlijk geen knaap meer, zijne opvatting was die van vele knapen en jongelingen.Ziehier den toestand. Een vader, die heel wat te tobben heeft gehad met de opvoeding van zijn zoon, wendt zich in zijne verlegenheid tot Socrates. Hij heeft diep leeren gevoelen dat het in zeker opzicht met kinderen gaat als met planten—van welke deze heereboer blijkbaar meer ondervinding heeft dan van zoons—: „de grootste bezwaren vertoonen zich eerst dan, wanneer het kiempje boven den grond is”. Zoo is het hem ook met zijn jongen gegaan. Iedere dag heeft hem in de opvoeding van dat kind nieuwe moeilijkheden gebracht en nieuwe vragen voorgelegd. Hij heeft die, zoo goed als hij dat kon, beantwoord: hij heeft den jongen laten leeren wat men in zijn’ tijd zoo aan zijn kinderen leeren laat: lezen en verklaren, schrijven, ook muziek en eindelijk de gymnastiek. Maar de knaap is niet tevreden. In plaats van dankbaar, in het bewustzijn dat het nu genoeg is en hij niet meer naar school hoeft, met zijn vader zijne aandacht aan de boomen en de planten te wijden, is hij met een zeer onrustwekkend verlangen voor den dag gekomen: hij wilknapworden. Wat hij daarmee eigenlijk bedoelt, is den vader niet recht duidelijk. „Ik denk haast”—zegt deze—„dat eenige van zijne makkers uit onze buitenwijk hem wonderen hebben verteld van hetgeen de Sophisten aan de jongelui verhalen. Althans hij houdt niet op er bij mij op aan te dringen, dat ik aan deneen of anderen Sophist het noodige honorarium zal betalen om hem in de leer te nemen. Nu, om het geld zou me dat zooveel niet kunnen schelen! Maar ik vrees, dat die sophistenopleiding wel eens heel gevaarlijk zou kunnen worden.”Zooals gezegd, Theages zal wel wat ouder zijn geweest dan de veertienjarige jongens, wier doen en laten ons op dit oogenblik bezighoudt. Maar zijn optreden verstoort toch de rustige harmonie der schilderij die wij van het oud-Atheensche jongensleven trachtten te geven. Vooral omdat zijn type niet alleen staat. Geleid door een meesterschap, dat diepe en aanhoudende sympathie verraadt juist voor de niet meer geheel naieve leergierigheid der knapen van het nieuwe Athene, bevolkt Plato den voorgrond zijner dialogen met zulke leergierigen, wakker in ’t vragen en onvermoeid in ’t luisteren. Charmides de Schoone, die wel zedig is, maar de zedigheid niet kan definieeren, Theaetetus de jongeling, wiens boeiende scherpzinnigheid alle uiterlijke schoonheid kan ontberen, de uiterst beminlijke Lysis, allen zeggen het ons: een nieuwe tijd is aangebroken. De jongens zijn evenmin tevreden met het oude ideaal als de ouders. En wat deze laatsten aangaat: bij hen is, als wij wederom Plato mogen gelooven, tegelijk een gevoel van ontevredenheid met zich zelven ontstaan; zij erkennen ronduit dat Athene achteruit gaat. In den „Laches” van Plato klaagt Lysimachus, de zoon van den grooten Aristides, eerlijk zijn nood aan zijn’ vriend Laches. Hij zegt ongeveer het volgende: „Zie, Laches, mijn vriend Melesias en ik hebben de bittere ervaring opgedaan dat de tijden erg veranderd zijn. Als wij met onze vaders aan tafel zaten, dan wisten die ons altijd wat te vertellen van groote dingen, die zij hadden gedaan. Maar wij? Als Melesias bij mij eet en onze jongens zijn met ons aan tafel—ach, dan hebben we niets dergelijks van ons zelf te vertellen, en we schamen ons daarover genoeg! Endaarvan ligt de schuld bij onze vaders, die ons maar in ’t wild lieten opgroeien, toen we eenmaal volwassen jongens waren geworden. Daarom hebben wij besloten dat het zoo met onze zoons niet zal gaan. Ze moeten wat leeren!”Het verwijt door Lysimachus aan de vaders van oud-Athene gedaan, wordt in verschillenden vorm dikwijls in de Platonische dialogen herhaald. Niet vele vaders zullen echter zóó weinig raad hebben geweten als Lysimachus en zijn vriend Melesias, die „omdat er nu toch iets gedaan moest worden” hun jongens schermen willen laten leeren! Ook willen de meeste knapen iets anders. Ze zijn als Theages, ze willen knap worden. Wat wonder! De opvoeding zelve had zich toch wel iets meer ten doel gesteld dan alleen het kweeken der eukosmia? De zedigheid, door de vrouw van Ischomachus genoemd als eenige vrucht van hare opvoeding, hoe begeerlijk eene deugd ook voor knapen, was toch niet alles wat de grammatist met zijn collega’s hem leeren moest! Eerste en voornaamste eisch van dat onderwijs was: „open hunne oogen”. Welnu, de oogen dezer knapen waren geopend en zij hadden veel gezien. Misschien had hun oor zelfs te veel gehoord. De lichte geestelijke wapenrusting van de Marathonstrijders en hunne zonen was niet meer voldoende voor hen die Athene’s aangezicht hadden zien veranderen in den strijd om de macht, nà den grooten oorlog om de vrijheid ondernomen; het geslacht dat in Thucydides leest vraagt voor zijne kinderen iets anders, dan zij begeerd hadden die alleen Herodotus hadden gelezen.Dat „andere”, men kan het voortgezet onderwijs noemen, en dan sluiten de wenschen van ouders en knapen zich vrij regelmatig aan bij hetgeen als gewoon programma van elementair onderricht door ons reeds is besproken, althans indien wij daarbij in het oog houden, dat vooral de lectuur en de literaire ontwikkeling in het laatste decennium van devijfde eeuw en in den aanvang der vierde zeer waren uitgebreid. De polemiek, door Plato in zijnen „Staat” tegen de poëtisch-literaire opvoeding wegens hare eenzijdigheid en haren misleidenden invloed gevoerd richt zich nog wel in hoofdzaak tegen de oudere dichters; maar het is desniettemin niet lichtzinnig, te onderstellen dat allengs het onderwijs zich ook op dat gebied vrij wat uitbreidde. Naast de manlijke kloeke wijsheid van Solon’s elegieën en jamben, naast de weeke liederen van Mimnermus, de weelderige oden van Sappho, Tyrtaeus’ opwindende krijgszangen of de politieke vermaningen van Theognis moet wel spoedig de Anabasis van Xenophon of zijne Cyropaedie zijn gelezen; de meesten dier boeken zijn zeker wel bruikbare lectuur voor oudere knapen, doch niet voor jongens van acht of tien jaar!Maar met een voortgezet onderwijs van hoofdzakelijk literairen aard waren niet allen tevreden. Velen, die een uitbreiding der leerstof eischten, doch daarbij de niet ongewone dwaling begingen dat zij niet recht onderscheid meer maakten tusschen onderrichten en africhten, althans niet tusschen opvoeden en opleiden, trachtten zonder het oude programma omver te werpen hun doel te bereiken. Zij zetten eenvoudig naast het oude wat nieuws: naast de lagere wiskunde wat hoogere mathesis, naast eenvoudige grammatica wat syntaxis, als voortzetting van de rekenoefeningen wat astronomische theorie!Toch bleef die uitbreiding binnen de grenzen der school; d.w.z. zij gold slechts de voorbereiding tot algemeene beschaving. Levendig zien we dat geïllustreerd door de invoering van het teekenen. In de vierde eeuw begonnen de vaders elkaar meer en meer te vragen: „moeten onze kinderen niet leeren teekenen?” Voor de hand liggend schijnt die vraag niet. Nog in onzen tijd ontbreekt in het stelsel der humanistische opvoeding het teekenen. In ons gymnasiale programma vinden wij het noch als algemeen opvoedingsmiddel,noch als onmisbare voorbereiding voor hen die in hunne studiën de teekenpen dagelijks noodig zullen hebben. Maar de Atheners kenden in Plato’s dagen aan den invloed van het schoone in de opvoeding eene ruimere plaats toe. Hoezeer zij ook het boek over den Staat een utopie noemden, hun hart moest kloppen van trots om ’t geen zij bezaten en van hoop om ’t geen zij verwachtten, als zij Plato’s pleidooi voor de schoonheid lazen. „Wat dunkt u—zoo vraagt Socrates zijn toehoorders, in het vierde boek der Republiek—zullen wij kunnen volstaan met den eisch dat de dichters de beeltenis van de zieleschoonheid herscheppen in hun gedichten, of moeten wij ook toezien op hen die met de handen werken en er voor waken dat zij aan niets, dat in de ziel onedel is, aan niets, dat uit ongebondenheid, uit slaafsche onbeschaafdheid en onwelvoegelijkheid is geboren het aanzijn schenken, hetzij in de afbeelding van dieren en menschen, hetzij in gebouwen of andere werken van kunst. Immers, laten wij dat toe, dan zullen zij die wij wenschen op te voeden tot Wachters van onzen Staat, door al die afbeeldsels van hetgeen slecht is als door ongezonde spijs gevoed, terwijl ze dag aan dag bij kleine beetjes van alle zijden het kwade in zich opnemen, een groot geheel van slechtheid doen opwassen in hun eigene ziel, zonder dat wij dat hebben bemerkt. Neen, wij moeten zoeken naar werkers van het schoone, die met gezonden zin verstaan het karakter van hetgeen schoon en welvoegelijk is na te speuren, opdat onze knapen, als wonende in een gezonde streek, allerwege worden gebaat waar òf hun gezicht òf hun gehoor door de werken der schoonheid wordt aangeraakt, als waaide een luchtstroom hun te gemoet uit een oord van gezondheid”.Gelukkig de stad, waar een wijsgeer zulke woorden mag schrijven, in de rustige verzekerdheid dat geen wansmaak of machteloosheid in de kunst zijn rede maakt tot spotternij. En zeker schreef Plato niet voor doove ooren. De Athenershebben in de vierde eeuw niet geaarzeld om het voorbeeld van de kleine stad Sicyon te volgen, waar door den aandrang van een zeer bekende schildersgroep het teekenonderwijs op de lagere school was ingevoerd. Want de klimmende vaardigheid der schilders, vazen- en fresco-schilders beiden, en niet minder het gewijzigde karakter van de bouwkunst, waar het plastische, het schilderachtige de gestrengheid van den ouden Dorischen stijl meer en meer begon te verdringen, bracht toch zeker menig Atheensch vader die een’ vraaglustigen zoon op zijne wandeling meenam, dikwijls in het nauw. Als zijn jongen wilde weten, wat nu eigenlijk aan den Dorischen stijl van het Parthenon dien wonderbaren ernst geeft, en waarom de Corinthische kolommen de grens der gekunsteldheid naderen zonder die te overschrijden, dan kwam èn hem en weldra anderen die zich voor het onderwijs interesseerden—dat wil dus evenals in onzen tijd zeggen „allen”—de vraag op de lippen: „hoe zullen onze knapen de tempels en de statuen of wandschilderingen, die den trots onzer stad uitmaken, kunnen waardeeren, als zij nooit eens bij eigen pogen om eene lijn van schoonheid na te trekken, hebben ervaren hoevele kansen van dwaling liggen naast dien éénen smallen weg die goed is? En velen voegden daaraan toe: ook de bekoorlijkheid van de natuur en de schoonheid van hare levende schepselen verstaat het best wie getracht heeft die te benaderen met de punt van zijne teekenstift.De twijfel of het teekenen een propaedeutisch vak is of niet, toont reeds aan dat het op de grens ligt. Met steeds meer klem nu zal zich na de invoering van vakken als het teekenen de overtuiging doen hooren, dat een beschaafd man veel moet weten en een vader, die plichtbesef heeft, dus ook zorgen moet dat zijn zoon veel weet. Op het eind van dien weg zien wij in de verte den eisch derenkyklios paideia, de verbinding van hettrivium(grammatica, rhetorica, dialectiek)met hetquadrivium(arithmetiek, muziek, geometrie en astronomie).De Cynische wijsgeer Crates, ijverig leerling van den bekenden Diogenes, spot met deze overlading van vakken, wanneer hij de rampen van den schooljongen, die volgens hem een waardige inleiding vormen tot het door de beschaving misvormde menschen-leven, met zeer sombere kleuren schildert. „Arme jongen,” zoo roept hij, in eene boutade die veel navolging heeft gevonden, den Atheenschen schoolknaap toe: „Arme jongen! Eerst, toen je nog niet kon praten, legde je min je te slapen, als je schreeuwde van den honger; maar schreide je van slaap, dan wou ze je zoet houden met een rammelaar. Nu je aan die kinderrampen ontkomen ben, nu neemt de paedagoog je over, en de gymnastiekmeester en de schoolmeester en de muziekmeester en de teekenmeester. Wacht maar, straks volgen de rekenleeraar en de mathesisleeraar en de pikeur. En door die allen word je met de zweep geregeerd, vóór dag en dauw je bed uitgejaagd en nooit met rust gelaten.”Crates is een Cynicus en als zoodanig wel min of meer genoodzaakt, zoo niet op grond van hetgeen Antisthenes, de stichter dier secte geleerd had, dan toch als volgeling van Diogenes, de geheele schooleducatie af te keuren en openlijk te verkondigen, dat het dwaasheid was de jongens iets te leeren wat zoo weinig nut had als astronomie of muziek. Maar ook onder hen die minder onverzoenlijk tegenover de maatschappij van hun tijd stonden, was in deze dagen zoowel een verschil van inzicht als een ongelijkheid van behoeften ontstaan, die begon scheiding te maken tusschen de Atheensche vaders zoowel als tusschen de zoons. De conservatieven juichen Aristophanes toe, wanneer hij in een geestig geschikte doch brutaal eenzijdige scène van zijne Wolken de nieuwe en de oude Educatie zóó in debat tegenover elkaar stelt, dat al wat eerlijkheid, religie, vaderlandsliefdeen ingetogenheid mag heeten, staat aan de zijde van de oude Educatie, aan den kant van de nieuwe daarentegen het eigenbelang en de list, de begeerte naar genot en de diefachtige bekwaamheid om daartoe de middelen te verwerven! De ouderwetsche vaders wrijven zich bij zulk eene voorstelling in de handen: „Ziedaar een dichter die weet wat hij wil! Juist zoo, de mooie gezondheid, de echtesophrosyne, zelfs hun schoonen blos verspelen die knapen door dat samenhokken bij Socrates.” En thuis gekomen heet het tot den jongen die bedelt om „knap” te worden: „Naar de sophisten ga je niet.”Maar met een verbod alleen is tenslotte nooit een vader verder gekomen. Geen Atheensch vader kon er de oogen voor sluiten, dat hij een keuze moest doen, wilde hij niet zijn jongen na de jaren van de lagere school eenvoudig „los” laten loopen. Dat was niet alleen een eisch van zedelijken aard: ook het standsgevoel schreef het voor; en met Theages’ vader zei menigeen: „om het geld kan het me niet schelen;” daar men besefte dat het hier een eisch gold van politiek zelfbehoud. Athene wordt democratisch bestuurd, de democratie aanvaardt zonder aarzelen de consequentie van haar systeem, en in stijgende mate wordt dus ook aan de onvermogenden door presentiegelden en vacatiegelden de weg geopend om deel te nemen aan de regeering die allen toekomt. Maar desniettegenstaande werden de grenzen, die te Athene de standen onderling scheidden, na den Peloponnesischen oorlog scherper getrokken. Wél maakte de staatswet het voor iederen burger mogelijk, op zijnen tijd zelfs de hoogste staatsambten te bekleeden; maar de economische toestand vergunt dit niet aan allen.—Geweldig bleef intusschen de macht van de Volksvergadering, en van hem die haar kon leiden naar zijnen wil. En daarom was het alleszins begrijpelijk, dat in steeds breederen kring de kern der gegoede burgerij, ook bij dekeus van het voortgezet onderwijs, zocht naar de middelen om hunnen zoons de voorbereiding te geven, die hun in den strijd tegen „de mannen van de straat”, de gunstelingen van den Demos, op politiek terrein de overwinning kon bezorgen.Maar welken weg zullen zij daarbij inslaan?—Dat is eene vraag van hooger onderwijs, zal men antwoorden, en ten deele is dat waar. Doch in de hoofden en harten der Attische knapen zelf klonk die vraag toch ook. En zeker koesterden velen de begeerte van Theages: de Sophisten te hooren.Wat verwachtten zij dan toch van die Sophisten? Niemand teekent dat zoo levendig als Plato in zijn Protagoras. Hippocrates, de jonge, rijke Athener—hij is zeker ouder dan zestien jaar, maar mag ons toch als type dienen—brandt van begeerte om den grooten Protagoras te hooren. Driftig dringt hij bij het krieken van den dag binnen in Socrates’ slaapkamer en schudt dezen wakker met de blijde tijding dat Protagoras in stad is! Uiterst bereidwillig gaat Socrates met hem mee, om hem in het huis van Kallias aan Protagoras voor te stellen, onderweg hem op zijn rustige wijze, doch voorloopig zonder zichtbaar resultaat, aantoonend dat hij in zijne opgewonden begeerte naar de „knapheid”, die Protagoras als een „kleinhandelaar in geleerdheid” te koop biedt, verzuimd heeft te onderzoeken of hij inderdaad begeert op die wijze „knap” te zijn, en of Protagoras wel de man is die hem inderdaad wijsheid kan schenken.—De wijsgeer die alzoo de methode van Socrates tegenover de techniek der sophisten plaatste, heeft wel beseft dat zijne lezers, voorzoover ze behoorden tot de geestverwanten van den jongen Hippocrates, door dat korte gesprek niet van hunne begeerte naar de sophistenwijsheid zouden worden genezen. Daarom doet hij in het vervolg van den dialoog zoo duidelijk uitkomen, hoe hij die mannen der „parate kennis” beschouwt.—Wie het tooneel van Socrates’ en Hippocrates’ intrede in den kring der gasten van Kallias (dien Maecenas der moderne knapheid) eenmaal heeft gelezen, vergeet het niet licht: eerst Protagoras rondwandelend met den stoet van heilbegeerigen, Atheners en vreemdelingen, want ook vreemdelingen zijn hem gevolgd op zijne wegen, vastgehouden door het geluid zijner stem, gelijk eens de dieren, die Orpheus’ schreden volgden geboeid door de betoovering van zijn gezang. Dan Hippias—die Hippias die alles kon, zelfs zijne eigene schoenen maken—tronend op een hoogen zetel, terwijl hij aan de groep der mannen die op lage stoeltjes eerbiedig om hem heen zitten, de geheimenissen der astronomie openbaart. Eindelijk Prodikos, gemakkelijk uitgestrekt op een rustbank en met zijn zware stem aan zijne hoorders eene wijsheid meedeelend, waarvan alleen de gonzende nagalm de ooren van Socrates bereikt.Parodieën op de sophistenwijsheid geeft ons Plato in den Protagoras zoowel als in verscheidene andere dialogen, soms fijn en niet zonder waardeering hunner persoonlijkheid, zooals in den Protagoras, soms spottend bij het minachtende af, zooals in den Euthydemus, soms met vlijmender kunst, in fellen toorn, als in den Gorgias. En ofschoon nu deze bestrijding buiten den kring der jongenswereld ligt, gelijk ook het onderricht zelf derPlatonischeschool, de oorzaak van Plato’s verbittering ligt niet daarbuiten: zij geldt de luidruchtige sympathie met welke de jongelieden deze sophisten inhaalden.Want de sophistiek was een modeartikel. Wat beloofden zij eigenlijk, deze rondreizende leeraars, deze conférenciers, deze specialisten? Is het ons moeilijk op deze vraag een billijk en vooral een juist antwoord te geven, reeds de enthousiasten als Theages of Hippocrates hadden dat antwoord niet zoo gemakkelijk klaar, wanneer hunne vaders, een weinig ontzet over de hooge prijzen—Prodicus vroegƒ 25 voor een korte private instructie in het juiste gebruik der woorden—hen op den man af vroegen, wat nu eigenlijk die vreemdelingen hen kwamen leeren dat zij niet evengoed van hunne eigene meesters hadden kunnen hooren.Het antwoord was zoo moeilijk omdat de sophisten zooveel beloofden. Het duidelijkst klinkt die belofte in de algemeene termen van Protagoras: „wij voeden knapen op tot mannen” d.i. „wij leeren hen politiek inzicht, en dat doen wij op grond van onze ervaring”. Maar als de mannen van Plato’s richting zulk eene belofte hooren, dan trekken zij de weifelende vaders bij het kleed en zeggen: „Gelooft het niet te snel. Protagoras bedoelt niets anders dan dit: „Ik geef aan de jongens zooveel handigheid, dat ze over alles kunnen meespreken en daardoor geschikt schijnen voor de hoogste posities in den staat.”Er zullen vele vaders zijn geweest die in Plato’s waarschuwing juist een sterke aanbeveling der sophistiek zagen; zelfs als zij verder toeluisterden en hoorden hoe reeds Socrates hartelijk gelachen had, toen hij van den schatrijken Kallias vernam dat hij zijn zoons door Euenos van Paros had laten opleiden tot volkomen burgerlijke en politieke bekwaamheid voor de som van ƒ 250.—In den grond der zaak echter voorzag zeker—ook reeds het feit dat de sophisten zoo hooge honoraria konden bedingen bewijst dit—het sophistenonderricht in eene „bestaande behoefte”. En wat bij de groote verscheidenheid in onderwijs en karakter dezer buitenlandsche leeraars de kern van hun onderricht was, kan in hoofdzaak niet twijfelachtig zijn. De jongens wilden knap worden, ja, maar bovenal knap in het spreken. Protagoras’ theologische scepsis en Prodicus’ levensmoede ernst lieten hen waarschijnlijk vrij koel. Maar in den trant van Protagoras uit de filologische ontleding van een oud lied eigene wijsheid met smaakvolle eruditie toe te lichten; door de kunde van Prodicuste leeren hoe zwaar ieder woord weegt en wat men bereikt door uit het onderscheid van elk synoniemenpaar op te klimmen tot scherpe scheiding van alle begrippen; dan eindelijk al die oefening en die wetenschap tot leven, tot nieuw en schitterend leven te brengen door ze te vergulden en te louteren in de kunst van Gorgias—dat was het wat de jonge Atheners hoopten te leeren van de sophisten. Met andere woorden: zij begeerden te dingen naar de glorie der rhetoriek.Op zeer verschillende wijze hebben de mannen, wier woord op het gebied der opvoeding gezag had in het Athene der vierde eeuw, die sophisten-wijsheid bejegend. Van volgelingen der sophisten kunnen wij zwijgen. Dat die niet schaarsch waren, spreekt bij de toenemende macht des woords in de volksvergadering van zelf. Maar ook in de methode van hunne bestrijding openbaart zich een groot onderscheid. Plato, die juist de rhetoriek, de kunst van het woord als middel van overreding, met bitterheid haat, kent geen genade tegenover Gorgias, den Sophist van Leontini. Er is wellicht geen enkele onder Plato’s dialogen, waar op zoo onverbiddelijke wijze de vijand in het nauw wordt gedreven als de Gorgias. Want het is er Plato om te doen geweest, als het ware ten aanhoore van alle Atheensche vaders die een’ „Theages” thuis hadden, den sophist zelven te laten erkennen dat inderdaad de kunst die hij aanprijst slechts eene kunst om de dingen aannemelijk te maken mag heeten, niet eene wetenschap die zoekt naar de waarheid, dat dus voor de rhetoriek—wier terrein de kring der onbevoegden, immers de volksvergadering, is—zaakkennis overbodig is, dat scherp onderscheiden tusschen zedelijk goede en zedelijk slechte dingen niet door haar wordt nagestreefd; kortom, dat zij eene kunst is als die van den kok en den confiseur, of den coiffeur zelfs, d.i. eene schijnkunst.Dialogen als de Gorgias hebben een element van onbillijkheidin zich, dat gewoonlijk aan jonge lezers van onzen tijd veel eerder in het oog valt dan de hooge dialectische waarde der bewijsvoering. Gorgias en zijne medestanders worden door hun geestigen bestrijder al te onbarmhartig uitgekleed, en dat nog wel uit een plunje die hij zelf hun had aangetrokken. De aanleiding echter van die verbitterde vijandschap zal zeker wel hierin zijn te zoeken dat, ook nadat de eerste, grootste Sophisten reeds lang uit Athene waren verdwenen, de utilistische, karakter-ondermijnende africhtings-methode, die in den Gorgias wordt gegeeseld, bleef heerschen in het voortgezette onderwijs.Maar indien dan nu een of andere tegenhanger van Theages eens niet tot zijn vader had gezegd: „ik wilknap”, doch „ik wilwijsworden”, zou dan op het verzoek van zulk eenen vader Plato hebben geantwoord: „zend hem maar bij mij”?Men stelt het dikwijls zoo voor, alsof Plato, behalve den kring van volwassen of bijna volwassen beoefenaars der wijsbegeerte, in zijne Akademie een school van aankomende knapen zou hebben gehad, waar dan—om een betrouwbaren grondslag te leggen voor de studie der dialectiek—voornamelijk mathesis en logica zou zijn gedoceerd. Zeer zeker is die voorstelling in hare algemeenheid onjuist; want Plato, die geen geld voor zijne lessen aannam, heeft zonder twijfel nooit anders dan eene keur van jongens of jongelieden in zijne Akademie toegelaten. Die Akademie zelve is ook geenszins eene inrichting voor knapen. Toen Plato, even buiten Athene, zich een park kocht, bouwde hij zich zelven daar eene woning; hij vereenigde daar in eng aangesloten kring zijne volgelingen om zich heen, en toen hij stierf legateerde hij als fideïcommis de geheele plek, met schoolgebouw, Muzentempel en woningen, aan hem die zijn opvolger als scholarch was.Zoo is de Platonische Akademie eene fundatie geworden,eene op religieuze grondslagen gebouwde, en daardoor ook in hare eigendommen onaantastbare stichting, en zóó werd zij tevens eene particuliere inrichting van onderwijs.Maar eene school voor knapen was die Akademie—zooals wij haar kennen—niet. De vrienden, voor wie Plato op zoo onnavolgbare wijze in zijn Symposion de roeping der wijsbegeerte heeft geteekend, de genooten der Akademie die aanzitten aan de gemeenschappelijke maaltijden, uit hun midden een bestuurder van den Muzentempel kiezen en straks een nieuwen scholarch, dat zijn geen knapen of jongelingen, maar volwassen beoefenaars der philosophie, tot eene vast aaneengesloten corporatie of secte, bijna zou men zeggen „eene gemeente”, vereenigd.En nu hebben om die engere groepen, eerst van Plato’s Akademie, straks van Aristoteles’ Peripatos, zich zeker van den beginne af wel langzamerhand scharen van jongelieden geschikt, aspiranten voor de eer der toelating, edelen-expectant van deze balye des geestes, jonge Atheners van goeden huize, vaak ook zoons van belangstellenden uit den vreemde, ja het is in verloop van tijd mode geworden, dat aanstaande geleerden, dichters of zelfs politici een tijdlang te Athene kwamen studeeren; maar ook deze jongelui—voor welke gaandeweg de onderrichtingsvorm van het Socratische gesprek zich wijzigde tot dien van eene geregelde voordracht—waren geene knapen, doch jonge mannen, die zonder eenige grootspraak kunnen zeggen, dat zij te Athene de colleges van een professor in de philosophie hebben gevolgd.Deze toestanden voeren ons buiten den kring der knapen van de vierde eeuw, ofschoon ook toen reeds de jonge volgelingen der Akademie te Athene bekend genoeg waren, inzonderheid door de voornaamheid van hun optreden, de buitengewone verzorgdheid hunner kleeding en hunne aristocratische afzondering. De eigenlijke scholen van voortgezet onderwijs echter moeten wij zoeken bij mannen als Isocrates.Isocrates! Voor velen onzer tijdgenooten is de naam van dezen „volmaakten stilist” alleen reeds voldoende om hun de langwijligste uren uit hunne worstelingen met het „moeilijke Grieksch” te binnen te brengen en hen met wrevel te vervullen. En inderdaad, de verzameling oraties ons van zijne hand bewaard, hebben in de onkreukbare gladheid harer perioden, iets zeldzaam irriteerends. Ook komt het dezen rhetor niet ten goede, dat het lot zijne gekunsteldheid heeft geplaatst tusschen den bevalligen eenvoud van Lysias en Demosthenes’ gespierden hartstocht, terwijl de mededeeling van den ijdelen woordkunstenaar, dat hij meer jaren had noodig gehad om zijne groote Lofrede op Athene te voltooien dan de Grieken hadden gebruikt om Troje te veroveren, weinig geschikt is om onze sympathie voor dien Panegyricus van zoo langen adem wakker te maken.Maar vele van de eigenschappen, die Isocrates als schrijver ongenietbaar maken, komen hem als leeraar ten goede. In de eerste plaats die nooit falende juistheid van woordenkeus, dat zeldzaam fijne gehoor, die vaste tact in het schikken der woorden, die hem voor het practisch onderwijs in de rhetorica zoo bij uitnemendheid geschikt maakte. Want het was inderdaad rhetorica die hij onderwees; al noemde hij zelf het philosophie. Immers noch het dialectisch zoeken naar eene vèr boven het begrip der jongelingen zwevende waarheid—de „onvruchtbare” bezigheid der mannen van de Akademie—noch de gevaarlijke spitsvondigheden der Sophistiek konden—zoo meende hij—Athene’s jongelingschap op den juisten weg brengen. Dat vermocht naar zijne overtuiging alleen de rhetoriek, gegrondvest op eene propaedeuse zooals slechts zijne school die geven kon.Ons klinkt die belofte als eene zonderlinge grootspraak. De welsprekendheid heeft in onzen modernen staat bijna overal—alleen nog niet tegenover de massa des volks—haren voornaamsten invloed verloren. Maar wanneer wij bedenken hoe ontzaglijk hare macht was te Athene, het Athene der volksvergaderingen en der gerechtshoven van gezworenen, dan verbaast het ons niet dat vele Atheensche vaders, of uit eigen beweging, of gehoorgevend aan den aandrang van een zoon die „vooruit” wilde, de in meer dan één zin „kostbare” leiding van den grooten leermeester inriepen. Zelfs al waren die knapen niet bestemd voor de balie, of geroepen om het volk te leiden, het programma van Isocrates’ onderwijs beloofde veel goeds. Inleiding tot zijne school vormt het geheele lager onderwijs met de muzische en de historische studie, en op den grondslag dezer elementaire ontwikkeling plaatst hij als bekroning van geheel de opvoeding zijne philosophische rhetorica.In den grond was deze philosophische rhetorica niet veel anders dan de literair-historische opvoeding, wier eenzijdigheid Plato zoo aanhoudend had bestreden. Zij putte uit de geschiedenis van het voorgeslacht hare kennis van de ontwikkeling der menschheid, van de goddelijke rechtvaardigheid, van den burgerplicht, van de menschlievende beschaving. Zij deed dat met ernst en met zekere overtuigingskracht, want haar leermeester was niet alleen een man van groote geleerdheid, maar ook een man van politieke standvastigheid en van ruimen blik in de staatkundige verhoudingen zijner stad. En als rhetor èn als leeraar der rhetoriek dwingt deze idealist ons tot eerbied om de reinheid zijner overtuiging, om zijn geloof in de mogelijkheid van een terugkeer tot de oude tijden—te eenzijdig doch met groote zeggingskracht door hem verheerlijkt—en eindelijk om zijn vertrouwen op de zedelijke kracht der rhetorica, zooals hij die onderwees. Want dit was de grondstelling van zijn idealistisch programma: De roeping der rhetorische studie is, dengene die haar beoefent, te vormen tot een gids voor zijne medeburgers: wee dus den leermeester, dievan de edelste kunst een onedel werktuig maakt, en door zijn onderwijs den leerling het gevaarlijke pad wijst, dat voert naar een politieke macht, die op andere grondslagen berust dan loutere en waarachtige burgerdeugd.Het is moeilijk te zeggen, in hoeverre diegenen onder de leerlingen van Isocrates, wien het niet zoozeer te doen was om technische vaardigheid in het spreken, als wel om hetgeen wij zouden noemen de afronding hunner elementaire, zoowel muzische als literaire opvoeding, bevrediging in zijne lessen hebben gevonden. Wat hij hun heeft willen geven, is duidelijk genoeg. Niet de schijnbeschaving of de handige improvisatiekunst der sophisten, maar het rustig zelfvertrouwen, dat de eigenschap is dergenen die eene vaste kennis hebben, en daarbij de zekerheid dat zij daarvan kunnen meedeelen, wèl luidend, omdat hunne stemorganen, en welbehagelijk omdat hunne vrijmoedigheid is geoefend.Dat recept is bevredigend. Maar hoe was de uitwerking? Isocrates zegt herhaaldelijk dat zijne leerlingen hem zeer lief hebben gehad, en wij hebben niet het minste recht dat getuigenis in twijfel te trekken. Maar het is niet het zelfde een leeraar lief te hebben, en zijn onderwijs te waardeeren. Waarlijk, indien wij naar de uitwerking zijner epideiktische redevoeringen op onze eigene leerlingen onze meening over den smaak der Attische knapen mogen vormen, zal menige Athener van zestien jaar gehunkerd hebben weer vrij te komen van het vurig gewenschte en duur betaalde schoolonderricht van Isocrates. Niet in de eerste plaats om het eentonige van de wetten der techniek, want al werkte het voorschrift van al die beproefde zinsformaties, het opbouwen van die hecht ineengevoegde periodes, het toepassen van die vaste rhythmen, als welluidend aangeprezen, doodend op de individueele scheppingskracht van menigen hoorder, het fijn ontwikkelde schoonheidsgevoel van den meester opende toch zijne oorenen zijn gemoed voor eene waardeering van het proza, die hem wellicht zou in staat stellen om nieuw leven te brengen in de literatuur. Maar juist in hetgeen feitelijk behoort tot de groote deugden van den conservatief, ging deze man van nooit versagende welsprekendheid te ver. De vereering der voorvaderlijke zeden, de lofprijzing der daden van het voorgeslacht, de verheffing van Athene’s heerlijkheid verloor, ondanks de oprechtheid van den redenaar, door hare eindelooze herhaling niet weinig aan overtuigingskracht.Het is—alles bijeen genomen—geen wonder, dat in de vierde eeuw zoowel de Atheensche vaders als hun zoons iets anders begeerden naast dit louter theoretische schoolonderricht. Bovendien: met een nadruk die deze idealistische opvoedingsmethode overstemde, liet zich een nieuwe eisch hooren. De les, door een goed deel van Athene’s burgers uit den noodlottigen oorlog met Sparta getrokken, was deze, dat tegenover de wisselzieke politiek van de democratie eene sterke aaneensluiting van het behoudend deel des volks, een nauwkeurig en streng disciplineeren deraristocratischejongelingschap noodig was. Uit dit beginsel ontstond nu in het laatste vierendeel der vierde eeuw een stiptere regeling—en wel eene regeling van staatswege—van het instituut der Ephebie.Wie den naam „Epheben” hoort, denkt het eerst—en te recht—aan die reeks van jongelingen met slapgerande hoeden en fladderende ruitermantels die, gezeten op hunne typische kortnekkige Attische paardjes, in vluggen steigerenden gang ons voorbij snellen op de fries van het parthenon. Zoo goed als later, zijn deze epheben jonge soldaten en dus burgers in staatsdienst en onder staatstoezicht, en wij weten zelfs dat in de vijfde eeuw door de studentikoze dartelheid dezer jonge cavaleristen het staatstoezicht van tijd tot tijd eenige versterking heeft noodig gehad. Maar tegen heteind der vierde eeuw, d.i. in den tijd toen Athene meer en meer hare zelfstandigheid zag verminderen, is dat staatstoezicht hervormd tot eene staatsregeling, waardoor de ephebie als het ware de kroon moest zetten op de vorming van den jongen Athener van voornamen huize. Daarom verdient zij hier onze volle aandacht en zou het onredelijk zijn, op grond van de overweging dat ephebenleven geen knapenleven is, in onze schets de ephebie ter zijde te laten.Epheben zijn letterlijk zij, die de periode van de manbaarheid zijn ingetreden, dus den leeftijd van zestien jaar hebben bereikt; maar in politieken zin worden daaronder verstaan die dienstplichtige jongelieden van 18–20 jaar, die door een onderricht onder staatstoezicht en grootendeels van staatswege gegeven, worden gevormd voor den hoogeren militairen dienst.Zoo erkent dus—na den knaap langen tijd schijnbaar uit het oog te hebben verloren—de staat van Athene den achttienjarigen jongeling als medeburger. Maar niet zonder gewichtige formaliteiten.Met spanning heeft zeker de zeventienjarige, van de beteekenis der burgereer door het onderricht van de laatste jaren zoo diep doordrongen, de maand Pyanepsion (Oct.–Nov.) zien naderen. In die maand komt de phratria tot welke zijn vader behoort bijeen, om het zeer heilige feest der Apaturiën te vieren, een feest dat jaarlijks in den nazomer, als ook de zeevarenden weer thuis zijn en ter gemeentevergadering verschijnen, door plechtige offers aan den beschermgod Apollo, krachtiger dan eenig feest bij de stamgenooten het gevoel verlevendigt dat zij tot één geslacht behooren. De derde dag van het feest geldt bijzonder den aanstaanden Ephebe. Hebben niet reeds vroeger, kort na zijne geboorte, de leden der phratria bij zijne voorstelling beslist over zijn recht tot erkenning, dan geschiedt dit thans. Ouderwetsche plechtigheid, zeer geschikt om indruk op hem te maken,kenmerkt de gansche handeling. Eerst ziet hij zijn vader met de rechterhand het altaar van Zeus aanraken en hij hoort hem onder plechtigen eed de verzekering afleggen van zijne wettige geboorte; dan volgt de geheime stemming van de evenzeer onder eede staande phrateres, en eindelijk, als de afloop dier stemming gunstig is, brengt hij met zijnen vader voor de phratria het heilige offer datkoureionheet, omdat dien ochtend het scheermes zijne lange jongenslokken heeft afgesneden. De dag blijft verder een feestdag, want van zijn offer en dat zijner genooten worden aan de leden der phratrië, als onthaal, stukken offervleesch gebracht.Is hij nu burger? Hoe zou dit, daar immers de phratrië wel een religieus-historische gemeente doch geen organiek deel van het Atheensche volk uitmaakt! Zonder de erkenning door de phratriën ware iedere verdere erkenning onmogelijk, doch deze opent hem nog slechts de poort om tot de tweede keuring te worden toegelaten.Eenige maanden nl. na de koureotis, in Juli, vóór den aanvang van het Attische ambtsjaar, komen de leden van den Demos zijns vaders bijeen. De demen zijn de districten in welke het geheele Attische gebied is verdeeld. Bij de eerste indeeling van land en bewoners in—toenmaals honderd—demen, woonden dus natuurlijk alle leden van eenzelfden demus bij elkaar. Maar daar het lidmaatschap van een demus niet wisselt door verhuizing, geraakten gaandeweg de leden van eenzelfden demus verspreid over de andere districten, en ontstond eene niet ongewenschte vermenging van parochiale en nationale belangen. Want ieder blijft stemmen in zijn ouden Demos. Gestemd—en onder eede gestemd—wordt nu ook over den aanstaanden burger in den demos. Hij vraagt zich wellicht af, op welken grond en onder welken eed die demoten nu nog weer gaan overdoen, wat de phratrië reeds zoo zorgvuldig heeft gedaan. En de phrateres kennen althans zijnen vader persoonlijk; ze zijner om zoo te zeggen bij geweest, toen zijn vader zijne moeder trouwde. Maar wat weten de demoten, in wier district hij misschien niet eens woont, van de geheele zaak?Maar—wie onder de adspirantburgers alzoo spreekt, heeft zeker niet in de jaren die achter hem liggen de pleitlessen van een advocaat als Isaeus gevolgd, en te huis weinig gehoord van de hardnekkigheid waarmee bij de erkenning als burger bedrog wordt gepleegd. Dat van tijd tot tijd de phratriën in haar geheel eene zuivering tot uitstooting van alle onrechtmatiglijk ingedrongene leden houden, bewijst wel dat er voor eene contrôle van staatswege door de demoten aanleiding was. Voor wie te Athene woont is het burgerschap om politieke, sociale en religieuze redenen zéér veel waard—ook wel een douceur aan de stemhebbende phrateres. Zoo hebben dus de demusleden alle reden om scherp toe te kijken, en lichtvaardig schijnen ze niet tot verwerping te zijn overgegaan. De redenaar Aeschines althans verklaart, dat hij steeds sterk onder den indruk is van den ernst dezer rechters en niet twijfelt, indien hij ten opzichte van een of anderen man hoort verklaren: „Zie hier, dezen hebben de demoten op eer en geweten verworpen als burger.”Onzen knaap verwerpen natuurlijk de demoten niet: zijne stukken zijn in orde, en hij heeft zijne jaren. Toch zal dit laatste nog in een officieel onderzoek voor den Raad der Vijfhonderd worden vastgesteld. Voor het eerst in zijn leven treedt dus de jonge achttienjarige het gebouw binnen, waarin de gewichtigste besluiten van zijnen Staat worden voorbereid. Achttien jaren is hij en hij toont ze; het staat dus niet te vreezen dat hij, zooals de term luidt: „tot de knapen zal worden teruggezet”.Maar minder dan zijn eigene positie van heden, zal hem hier in het Raadhuis, voor welks opengewerkt hek hij zeker wel eens naar binnen heeft gegluurd als er zitting was, de gedachte aan zijnetoekomst vervullen. Nog weinige jaren en het lot zal ook hem kunnen aanwijzen om voor een jaar zitting te nemen in de rij dergenen die hem thans met keurend oog aanstaren.Maar deze plechtige zitting duurt niet lang: hij is goedgekeurd; zijne inschrijving in het demos-boek, die hem alle rechten van het volle burgerschap verleent, is hier bekrachtigd. Als vrij burger van Athene treedt hij uit het Raadhuis; straks wordt hem de ephebenhoed met slap neerhangenden rand op het hoofd gezet, de korte ruitermantel wordt hem omgeslagen; hij is Ephebe.Het allereerste gevolg van deze bevordering is, dat hij nu voor het eerst van zijn leven niet slechts feitelijk, gelijk voorheen, maar ook wettelijk zijne vrijheid kwijt is. Hij is volstrekt onderworpen aan de militaire en civiele autoriteiten, en de samenwerking dezer beiden zal hem zijn ridderslag als afgeëxerceerd en afgestudeerd burger na twee jaren geven. Zijn vader en diens stamgenooten hebben de zaak van deze voorbereiding lang niet luchthartig opgevat: dank zij hunne zorgen is zijne Ephebie thans nauwkeurig gereglementeerd. Vermoedelijk is die regeling wel voor een deel het gevolg van de alles behalve rustige wijze waarop de jonge lieden hunne eerste militaire plichten plachten te vervullen in de vervlogen jaren, toen Aristophanes hun prachtcorps, schitterend, gezien bij de dames—en aanmatigend alsDuitscheCorpsbrüder „in Mütze und Kanonen”—op het tooneel bracht.Thans komen de vaders stamsgewijze bijeen, d.i.ieder in die van de tien phylen (stammen) waartoe zijn demus behoort, en zij zoeken te zamen, iedere groep vaders dus uit zijne eigene phyle, drie, d.i. samen dertig mannen boven de veertig jaar, die zij èn het meest achtenswaard èn het meest geschikt achten om met jongelieden om te gaan, en uit die drietallen wijst dan de volksvergadering, door het gemoedelijk vertrouwen der wetgevende macht van den Demos zelfs in deze zaak als hoogst bevoegde geëerd,tien sophronisten of zedemeesters aan, terwijl ten slotte een kosmeet of ordenaar de opperleiding aanvaardt.Met de hedendaagsche begrippen omtrent de vrijheid van achttien- tot twintig-jarigen en omtrent de wenschelijkheid eener geleidelijke oefening in zelfstandig handelen strookt zeker deze instelling niet; maar wij kunnen uit tal van opschriften zien, dat de Atheensche volksvergadering met de nieuwe, strenge organisatie zeer ingenomen was. Hebben de jonge burgers zich behoorlijk gedragen, zijn ze gehoorzaam geweest aan hunne sophronisten, hebben zij in onderworpenheid aan den kosmeet hunne militaire diensten vervuld, dan worden er onmiddellijk eeredecreten voor hen opgesteld; zij worden bekroond, de schermmeesters, de gymnastiekmeesters worden bekroond, de sophronisten worden geëerd door een gouden krans. En opdat de herinnering aan zooveel burgerdeugd niet spoorloos zou voorbijgaan, wordt het verslag hunner voortreflijkheid gebeiteld in onvergankelijk marmer.Het ligt voor de hand een oogenblik te glimlachen over eene inrichting, die ons zoo weinig in overeenstemming schijnt met de behoeften en wenschen vanachttienjarigen. En toch—wie in de kosmetenzaal van het Atheensche museum een enkel half uur vertoeft, om eens rustig te kijken naar de rij van Attische kosmeten—zij ’t dan ook grootendeels uit lateren tijd—welke aan deze zaal haren naam geeft, hij zal niet heengaan zonder den indruk mee te nemen dat hij een oogenblik heeft vertoefd in een gezelschap van ernstige, beminlijke mannen, paedagogen in den beteren zin des woords, en dat de Atheensche jongens, die waarlijk in hunne schooljaren de sophrosyne hadden leeren hoogschatten, de leiding van zulke sophronisten eer zullen hebben gezocht dan geschuwd. Waarom zou niet menig Attische jongen in den overgang van het schoolleven met zijne gebondenheid en van het huislijk leven metzijne intieme gewoonheid tot de hem nog zoo weinig vertrouwelijke vormen van een zeker niet over-zachtzinnig kamp van jonge recruten zich gaarne hebben neergezet naast dien ouderen vriend zijns vaders, dien man van aanzien in de phyle, die den verleden roem van hunnen stam kan verhalen, de eerezuilen aan hem toonen kan die de namen hunner helden bewaren, hem de campagnejaren beschrijven, in eigen jeugd met de ouders der tegenwoordige leerlingen doorgebracht? Mij dunkt, de meesten onzer hebben ook wel zulk een oom of zulk een vriend huns vaders gekend, aan wien zij bij tijden en in sommige zaken nog gemakkelijker hun vertrouwen schonken dan aan hun eigen vader.Een zoodanige verhouding kon te gemakkelijker tusschen de epheben en hun sophronist ontstaan, omdat de sophronisten als het ware gedelegeerden waren met een algemeene opdracht. Het militaire commando was in handen van den strateeg, want de epheben zijn recruten; zoodra dus de troep in garnizoen is op een of ander vast punt, staan zij onder de bevelen van den plaatselijken commandant en—militair gesproken—niet van den sophronist, ofschoon hij zeker aanwezig is en niet minder zeker gehoorzaamd wordt. Hij zelf gaat blijkbaar met de compagnie mee. Immers uit de staatskas ontvangt de sophronist voor zich zelven eene drachme en voor ieder zijner epheben vier obolen (d.i. ⅔ drachme), en voor die soldij schaft hij alles aan voor de tafel, benevens hetgeen verder in de ménage noodig is, daar tot betere aankweeking van den corpsgeest de epheben gezamelijk, stam aan stam, eten.Men zou kunnen vragen of niet, afgezien van de ideëele behoeften, hier boven geschilderd, naast de militaire overheden de sophronist vrij overbodig is. Het antwoord kan luiden, dat de Atheensche jongens—ondanks de zorg in het onderwijs aan hun sophrosyne gewijd—van aanlegzeker nog al onstuimig zijn geweest. In eene van Demosthenes’ oraties, die een klacht wegens mishandeling toelicht, is eene beschrijving van de wijze waarop jonge soldaten, sinds kort aan de ephebie ontwassen, zich tegenover kameraden van wellicht iets minderen stand gedroegen. Al schetst de redenaar een uitzonderingsgeval, en al overdrijft hij dat misschien, toch doet zijne teekening een merkwaardig licht vallen op de alles behalve straffe tucht, welke in een Grieksch legerkamp kon heerschen in de jaren die aan de nieuwe regeling der ephebie voorafgingen.„Het is nu twee jaar geleden”, zoo laat Demosthenes den eischer zijne lotgevallen verhalen, „dat ons regiment werd opgecommandeerd om een post bij Panakton te betrekken. Nu kregen de zoons van Konon, mijne tegenpartij, hunne tent vlak bij de onze—geenszins naar mijn wensch, want oorspronkelijk is onze vijandschap uit dat feit en uit de botsingen, die daarvan het gevolg waren, ontstaan. Zij hadden de gewoonte, geregeld, onmiddellijk na hun eersten maaltijd hun drinkgelag te beginnen, en dat den ganschen dag voort te zetten, en die gewoonte hielden ze vol zoolang als we daar in garnizoen gelegen hebben. Wij van onzen kant gedroegen ons daarginds echter op geene andere wijze dan wij in de stad gewoon waren. Als nu voor de andere soldaten de tijd aanbrak om voor het middagmaal te zorgen, dan was het meestal met hen wel zoo ver, dat zij in dronkenschap allerlei onbehoorlijkheden begonnen te bedrijven, meest tegen onze bedienden, maar tenslotte ook tegen ons zelven. Want onder de bewering dat onze slaven bij ’t vleesch braden hen in den rook zetten, of dat ze hen uitscholden, of wat dan ook, sloegen ze er op los en smeten hen met vuiligheid, of ze deden nog erger, want eigenlijk was er geen onbeschoftheid of onbehoorlijkheid die zij niet bedreven. Toen wij dit nu zagen en er natuurlijk ergernis van hadden, onderhielden we hen eerst er over; maar daar zijons hoonden en niet ophielden dezelfde onbehoorlijkheden te bedrijven, hebben we eindelijk—geenszins ik alleen zonder de anderen, maar onze tafelgenootenen corps—de zaak voor den strateeg gebracht. De commandant berispte hen streng en bestrafte hen niet alleen wegens hun wandaden ten opzichte van ons, maar ook wegens hun geheele gedrag in het kamp. Evenwel, verre van zich daarover te schamen of een eind aan hun onbehoorlijkheid te maken, kwamen zij dien zelfden avond, zoodra het goed donker was, bij ons binnendringen, en na ons eerst uitgescholden te hebben begonnen ze mij af te ranselen en veroorzaakten ze zooveel geschreeuw en lawaai om onze tent heen, dat de strateeg en de compagniecommandants en eenige van de soldaten kwamen aansnellen, die gelukkig verhinderden dat ons eenig onherstelbaar leed overkwam of dat wij, door hen in hun dronkenschap mishandeld, hun iets aandeden dat niet meer ongedaan kon worden gemaakt....”De gevoelens waarmee de rechters deze rede, omstreeks 340 gehouden, hebben aangehoord, kunnen wij ons zonder moeite voorstellen. Zeker, ze zullen onder ’t luisteren naar deze schets van ’t garnizoensleven wel even zich aan ’t genot der herdenking van eigen ondeugendheden hebben overgegeven; ze zullen bij den voortgang van het pleidooi den jongen, braven pleiter, die hun van zijne deugden geene verzwijgt, wel min of meer een sukkel zijn gaan vinden; onverdiend vonnis misschien, maar niet onbegrijpelijk! Doch zonder twijfel zullen ze tevens hebben gedacht: „met jonge mannen als de zoons van Konon kunnen wij Philippus niet weerstaan; en kampen als dat van Panakton vernietigen alle discipline. Sophronistentoezicht op onze epheben kan dien toestand althans voor den aanvang der militie en voor de kern onzer jongelingschap verbeteren”.De werkzaamheid van den kosmeet en de sophronisten, die aanvangt terstond na hunne benoeming, opent deephebie op zeer karakteristiek Atheensche wijze. Optochten behooren in het algemeen tot de onontbeerlijkste genietingen van dit volk, dat gaarne vertoont en gaarne toekijkt. Maar de optocht die dezen dag wordt gehouden, heeft een eigenaardige beteekenis. De epheben worden namelijk in plechtigen rondgang door hunne bestuurders geleid door de stad „langs de heiligdommen der Goden”. Alsof thans voor het eerst de omheining wegviel die den zedigheidsweg der schoolgaande knapen afscheidde van het algemeene stadsverkeer, zoo gaan zij nu onder hunne sophronisten overal rond. Natuurlijk wordt—in de vierde eeuw!—hier niet de schijn gehandhaafd, als zouden deze jongens nooit vóór dezen de propylaeën hebben bestegen, nooit de oogen hebben opgeslagen naar de majesteit der Olympische goden, rustig tronende op de gevelstukken van het Parthenon. Hunne vaders hebben het ook niet nagelaten hen mee te nemen naar de Acropolis en hun de heerlijkheid van Phidias’ tempel te toonen, hen te wijzen op de gratie der karyatidenhal, hen in hun jeugd te brengen voor de geweldige statue van Athene Polias. Zeker, er zijn in den stoet die daar onder de sophronisten voortmarcheert, niet velen die den optocht der Panathenaeën nooit hebben zien gaan langs den heiligen weg over de burcht, die nooit in de Propylaeën hebben staan turen naar de schoonheid van de Aphrodite Sosandra, die nooit langs den Ilissus hebben gewandeld en den tempel van Aphrodite „in de Tuinen” zijn binnengetreden. Weinigen hunner zullen zeker heden voor het eerst staan voor het altaar van de Twaalf Goden op de markt, dat het middelpunt is van het geheele religieuze leven der Atheners. Maar de epheben zien dat alles op dezen dag met andere oogen. Het is alsof heden hunne stad hun voor het eerst wordt voorgesteld en wel als een stad „vol van de goden”. Maar tevens, terwijl zij voortgaan van altaar tot altaar, langs dentempel van Apollo Pythios, langs het onvoltooide reusachtige heiligdom van Zeus den Olympiër, langs het altaar van Artemis Agrotera—langs al die plekken, wier historische en religieuze beteekenis hun vaders hen op zoo menige stadswandeling hebben doen verstaan, beseffen zij ook dat die rondgang nog iets anders beteekent. Niet alleen worden hun de goden getoond, niet alleen zegt de tocht zelf tot hen: „Jonge Atheners, ziet hier uwe stad. Godsdienstiger zijn er weinige in Griekenland, schooner in hare religie is er geene—beschermt haar en bewaart hare eere!” Maar bovendien,het is hun alsof, op den dag zelven die hen in zekeren zin losmaakt uit de voogdij van hunnen vader, de sophronisten hen opdragen aan eene hoogere voogdij, aan de bescherming der goden die Athene hebben grootgemaakt.De epheben zijn nu na dezen rondgang soldaten, maar men doet het best ze te beschouwen als boven de formatie: in eigenlijk actieven krijgsdienst zijn ze niet, want ze moeten nog allerlei leeren. Crates of een ander anti-militaristisch philosoof moge hen daarom beklagen, hoogstwaarschijnlijk zullen ze dat zelf niet doen: het onderwijs, dat hen wacht bij de van staatswege aangestelde paedotriben, bij den schermmeester, bij de mannen die hen het boogschieten, het speerwerpen, de bediening van de katapult zullen leeren en hun eindelijk de lessen in het zwemmen en ’t paardrijden zullen geven, wat is het voor hunne jonge levenskracht anders dan een lust?Niet meer naar de palaestra voert hen nu de paedotribe, maar naar de gymnasia, naar de schoongelegen Akademia, naar het Lycëum, of elders, waar technischer en strenger de oude oefeningen worden voortgezet. Natuurlijk geldt het hier in de eerste plaats herhaling van al datgene, wat bevorderlijk is voor deeuandria. Want eukosmia en euandria zijn nu eenmaal de eigenschappen die de Atheners in hetuiterlijk van hunne zoons bovenal willen terug vinden: euandria, de evenredige ontwikkeling van alles wat aan het jonge mannenlichaam bevallige kracht en weerstandsvermogen geeft, en eukosmia, die rustige zelfbeheersching die evenver verwijderd is van te zelfbewust pronken met eigen schoonheid als van de onhandige verlegenheid door welke de schroomvallige elke houding en iedere beweging ontsiert.—Het onderscheid van deze gymnasiumoefeningen en de oude palaestra-lessen ligt natuurlijk voornamelijk in de verzwaring, meer dan in de verandering der werkzaamheden. Zoo bijv. in het zeer geliefde oefenspel met denkorykos, den Romeinschen follis, den windbal dien wij in het Engelsche sport alspunchballkennen. Men hing in de Atheensche gymnastiekscholen dien bal aan den zolder op; bij de eerste oefeningen was hij met lucht gevuld, doch voor het ephebenspel eerst met kaf of gerst en straks met zand; ook nam men naar gelang van toenemende kracht en leeftijd grooter model van bal.—De bal hangt juist op de hoogte van den buik des gymnasten. Deze tilt hem op, werpt hem in de hoogte, grijpt hem in de vaart, wacht hem af als hij komt aansuizen, om hem dan met een stevigen vuistslag af te weren of door handig duiken te ontwijken, kortom hij doet den bal draaien en tollen en zwaaien, juist zooals hij wil, om hem daarna door een handig toegepast geleidelijkritardandovan zijne vuist- en palmslagen juist op het oogenblik dat hem dit wordt bevolen weer stil te doen hangen.Voor het pijnlijk en stalend boksen, dat in de palaestra nauwelijks kan zijn beoefend, is dit spel met den hangenden bal eene uitnemende voorbereiding. Intusschen zal ook hier het vuistgevecht, door den paedotribe geleid, wel alleen in den meer eenvoudigen vorm en zeker niet op de bloedige wijze van de Homerische helden of zelfs van de athleten, door Hellenistische dichters beschreven, zijn behandeld. Indezelfde gymnasia kunnen de Atheners getuigen zijn zoowel van de bloedige stooten die twee beroepsathleten,in trainingvoor de Olympische wedstrijden, elkaar toebrengen met hunne met ijzer beslagene handschoenen als van den ephebenstrijd. Deze geschiedt alleen met vuistriemen, die de vingers en de vuist bedekken en dus wel, terwijl ze deze beschermen, de pijnlijkheid van den slag verhoogen, maar niet de kans vermeerderen dat een bloedige wond wordt geslagen.Aan den leider dezer oefeningen wordt zonder twijfel overgelaten, waar hij de grens tusschen de voorbereidende militaire werkzaamheden der epheben, en de beroepsstudiën der athleten meent te moeten leggen, en wij behoeven er geen oogenblik aan te twijfelen of hij heeft dat met nauwkeurig overleg geregeld. De „quaestie der gymnastiek” is van Euripides’ dagen af bij de Atheners eigenlijk nooit van de baan geweest. Zoowel de hygiënische zijde als de sociale, en zelfs de politieke, geeft aan mannen als Plato en Aristoteles uitvoerige beschouwingen in de pen. Bedenken we nu dat de laatstgenoemde zeer ernstig de vraag behandelt, in hoeverre het aan de politieke positie van een staat kan ten goede komen dat hij geregeld uit de kern zijner burgerij athleten vormt om bij de groote nationale wedstrijden te Olympia en elders den naam van de vaderstad hoog te houden, dan kunnen we het waarschijnlijk achten dat de ephebenoefeningen in het gymnasium tweeledig waren: vooreerst die welke, als de balspelen, het springen, de hardloop enz., allen te zamen moesten opleiden tot militaire bruikbaarheid, en daarnaast die waarbij rekening werd gehouden met elks persoonlijken aanleg en lichaamsgesteldheid. Het is toch duidelijk dat een zware, groote kerel tot andere dingen kan worden bekwaam gemaakt dan een klein rap ventje!Het is de verdienste van een goed paedotribe zulk persoonlijkonderscheid vlug op te merken en er met onpartijdigheid in het belang van de epheben gebruik van te maken. Want al behoeven deze jonge Atheners niet juist voor den Olympischen wedstrijd te worden klaar gemaakt, toch heeft zonder twijfel op eenigen hunner de phyle waartoe zij behooren al lang het oog, om hem te doen „uitkomen” in een van de ephebenwedstrijden door welke de Atheners gewoon zijn hunne goden te verheerlijken. En niet minder dan de phyle heeft daarop de jongen zelf gehoopt. De gelegenheden om zich te oefenen hebben hem niet ontbroken: ook nadat hij den palaestra-cursus ten einde had gebracht, bleef hij daar een welkome gast, en na dien tijd staan de gymnasia voor hem open. Nu komt het er op aan, den paedotribe aldaar te overtuigen, dat zijn longen eene flinke capaciteit hebben, zijne borstkas de juiste welving bezit en zijne beenspieren stevig en lenig zijn. Dan zal hij—misschien met gedeeltelijke inkorting of wijziging van zijne militaire verplichtingen—worden aangewezen om zich met de andere uitverkorenen te presenteeren aan den zoogenaamden Gymnasiarchos, d.w.z. aan dien burger zijner phyle, aan wien door den tweeden archont, den Basileus, bij wijze van persoonlijke belasting de taak is opgedragen geworden om in dit jaar de zorg voor die jonge stamgenooten op zich te nemen, wien het vergund werd mee te doen aan den fakkelren op de Panathenaeën of op het Prometheusfeest.Ieder van die feesten heeft te Athene elementen van religieuzen aard in zich, die bij uitstek geschikt zijn om de overwinnings-blijdschap van zulk eenen jongen burger te vermengen met edeler en dieper aandoeningen, gedachten van hoogere orde dan de in ’t eind toch niet zeer diepgaande vreugde over het feit dat men sneller heeft geloopen dan anderen. Dat weet de ephebe, en hij kan het gevoelen wanneer hij mee is toegelaten tot den fakkelwedloop der Prometheia. Hij weet—want toen hij met zijnen vader inhet Dionysustheater de Prometheus-trilogie van Aeschylus zag opvoeren is het hem getoond—dat het altaar van Prometheus nabij den ingang der Akademeia een zeer heilig vuur bewaart, een spraak van de oorspronkelijke gave van God Prometheus, dat de straks te houden lampadedromia (fakkel-loop) de symbolische uitdrukking is van de zelfde daad der voortplanting van het heilige offervuur, welke door het Prometheus-verhaal mythologisch wordt verheerlijkt. Ook is de reden hem niet verborgen, waarom de fakkel straks van het Prometheus-altaar zal worden gedragen naar het groote altaar der stadsgodin op den burcht. Zoo goed als het huiselijke vuur met een brandenden tak van het huisaltaar behoort te worden ontstoken, moet ook de heilige vlam van het stadsaltaar in reinheid worden bewaard—en, voor zoover menschelijke aanraking haar mocht hebben verontreinigd, worden ontsmet—door contact met het outer van den vuurgod. Hoe sneller nu dat geschiedt, hoe minder kans dat bij de overbrenging de vlam iets van hare smetteloosheid zou verliezen. Vandaar de wedijver in den fakkelloop.Reeds is van te voren eene keuring geschied, die de phylenafdeeling aanwijst welke door lichamelijke schoonheid en door gratie van houding de hoogste eer schijnt waardig te zijn; maar als de maanlooze nacht is aangebroken begint de wedloop. Tien jongelingen—uit iedere phyle een—steken hun fakkel aan op het altaar van Prometheus, geen harsfakkels die in den wind van zelf blijven branden, maar vetpotten wier behandeling in den wedloop voorzichtigheid en takt vereischt. Van den Kolonosweg af snellen zij voort, zorgvuldig wakend dat hun fakkel goed blijft branden, noch te fel, zoodat zij den geheelen loop niet zou kunnen strekken, noch zoo kwijnend, dat een windstoot haar dooven kan. Op vaste punten staat voor iederen concurrent een phyle-genoot te wachten die de brandende toorts overneemt.Uit vallen nu natuurlijk al die phylen die niet tot het einde toe hare fakkels brandend gehouden hebben. Maar die phyle is overwinnares, wier fakkel, dank zij de vlugheid en de behendigheid van al hare medewerkende epheben, het eerst brandend is neergelegd op het burcht-altaar van Athene.Aan zulke wedstrijden was het jongelingsleven te Athene rijk. Het karakter dezer Agones is in hoofdzaak hetzelfde en opsomming der verschillende feesten aan welke epheben deel nemen is daarom hier niet noodig, maar wel dient er reeds hier op gewezen dat even als deze afzonderlijke oefening der aanstaande wedloopers zekere afscheiding bracht, ook in het overige onderricht zich, zelfs tusschen zoons van meer vermogende ouders, gaandeweg eenig onderscheid deed gevoelen. Al wordt de geheele ephebengroep van een jaar voor zoover de militaire voorbereiding betreft op een zelfde hoogte gebracht, gelijkheid blijft ook in dezen kring niet bestaan. In de eerste plaats zijn er onder de voornaamste epheben natuurlijk verschillende die, onder instemming zooal niet steun van staatswege, hunne wetenschappelijke studie tijdens de ephebie voortzetten. En dit behoefde nog geen duidelijke scheiding tusschen hen en hunne kameraden te geven; maar iets anders was het in de hoplomachie (de schermkunst). Speerwerpen zal voor de meesten wel een zeer gemakkelijk te leeren taak zijn geweest; in het mikken met de korte lans plachten reeds in de palaestra de Atheners zich vrij geregeld te oefenen.Maar reeds het zwaardschermen bracht verschil, omdat de rijkere jongelui daarin doorgaans allen privaat onderwijs hadden gehad en dus den anderen van ’t begin af de baas waren of de lessen dezer aanvangers niet eens behoefden te volgen. Het belangrijkst echter was de klove, door de rijkunst ontstaan. Wel is het niet onmogelijk dat, even als het zwemmen, ook het paardrijden soms aan alle epheben van een bepaald jaar werd onderwezen; maar zelfs al is dat het geval, bij lange na niet alleepheben zijn financieel in zoo gunstige omstandigheden, dat zij zich straks, als hun tweejarige oefeningstijd is afgeloopen, kunnen doen aanmonsteren bij de cavalerie.Die dat wèl kunnen doen, voelen zich zonder twijfel vrij wat voornamer dan hun collega’s welke maar voor den hoplitendienst bestemd zijn. Het ruitercorps der Atheners was klein en gold, niet om bijzondere strijdbaarheid of deugdelijkheid, doch om den glans van zijn optreden, als een keurbende. Geen wonder! De ruiter moet zelf zijn paard leveren en jaarlijks zich zelven met zijn paard aan eene keuring, ten overstaan van den raad, onderwerpen. Onderhoudt hij zijn paard niet goed, dan wordt hij beboet, heeft zijn paard geen onberispelijke dressuur, staat het niet straf op ’t commando pal, of heeft het moeite mee te komen, dan wordt het dier op reform gesteld en hij zelf uit de lijst der ruiters geschrapt. Kortom, alles wat van een paradecorps kan worden gevorderd, wordt van hem geëischt.Maar daarvoor is dan ook heel wat afzonderlijke oefening noodig. Vergezellen wij dus de epheben op hunne exercitiën, dan zullen wij naar mij voorkomt splitsing in hunne dagtaak moeten maken, en een deel bij de schermles, een deel bij den paedotribe, enkelen bij hun rhetor denken. De jonge ruiters oefenen zich buiten de poort. Nu eens ziet men hen in aaneengesloten gelederen regelmatig voortdraven, zooals ze moeten doen bij den Panathenaeën-optocht, als ze den stoet zullen openen en hunne moeders en zusters tehuis op het platte dak zullen stijgen om hunne glorie te zien. Een andermaal brengt hun rijmeester hen op het doorgraven terrein aan de berghelling en hij laat hen galoppeeren in ’t mulle zand en over de greppels of slooten springen en draven, de gloeiende wegen bestijgen en in den ren afdalen van de steilte, kortom, hij laat hen alles zoo doen, dat het boekje van Xenophon over deruiterkunst, op school gelezen en tehuis door hunne vaders geroemd, als uit de echte praktijk herboren voor hen leeft.Maar die afscheiding der standen duurt althans voorloopig nog niet voort. Want aan tafel vereenigt zich de geheele groep der phyle. Dat eischt de nieuwe verordening, alsof men gehoopt had de verzwakte en verwende Atheensche burgerij door Spartaansche instellingen weer tot de oude kracht te brengen. En niet alleen vereenigen hen die dagelijksche maaltijden—voorproef van het kampleven der aanstaande hoplieten—, ook de intrede in den eigenlijken dienst doet dat. Want nu gaan ze ook den garnizoensdienst leeren, aan den Piraeus betrekken zij de wacht, alsook aan de Munichia-haven, en op den grooten muur die Akte omgeeft, het plataanbladvormige schiereiland dat aan de groote haven ten zuid-westen grenst.De keuze dier plaatsen verdient wel opmerking. In den tijd der reorganisatie van de ephebie zijn dat strategisch uiterst gewichtige punten. Ieder die bedenkt, dat in het laatst der vierde eeuw de Macedoniërs, door eene bezetting in de vesting van Akte te leggen, de stad geheel in hunne macht hielden, zal dit erkennen. Er kan dus ook moeilijk sprake van zijn dat de bewaking dezer linie aan zee eenvoudigweg uitsluitend aan deze achttienjarigen werd toevertrouwd. De regelmatige bezetting zal zeker uit volwassen en geoefende manschappen hebben bestaan. Maar het was goed gezien, onder hunne leiding en toezicht de epheben daarheen te zenden. Op menigen stormachtigen avond konden zij daar de zee, die Athene eens had groot gemaakt en die thans die zelfde stad met zoo vele gevaren bedreigde, hooren slaan tegen de klippen, en terwijl zij in de duisternis staarden, of reeds de vijand naderde, leerde daar hun hart door anderen aandrang dan dien van jongensachtige vrees te kloppen.De oefeningen van het eerste jaar zijn met dezen garnizoensdienstafgeloopen. Maar vóór de ernstiger en zwaarder militie van het tweede ephebenjaar begint, wacht de jongelieden nog een drieledige plechtigheid. Bij de onzekerheid die omtrent de volgorde dezer drie handelingen heerscht, is het niet ongeoorloofd die te bespreken in de orde welke ons het natuurlijkst voorkomt. Allen behooren zij tot de indrukwekkendste gebeurtenissen in het leven van den jongen Atheenschen burger.De voornaamste plechtigheid is de parade voor het volk, in solemneele zitting vergaderd in het theater van Dionysos. Het woord „zitting” is hier niet overdrachtelijk gebruikt. Er was een tijd geweest, dat de Atheners—die, als we hen nagaan in hun publieke leven, wonderwel ter been moeten zijn geweest, want alles doen ze bijna staande—ook in hunne volksvergaderingen niet zaten. Maar die tijden waren voorbij, en daartoe zal zeker de wassende welsprekendheid der volksredenaars wel het hare hebben bijgedragen. En sinds nu (tusschen de jaren 340 en 330) door de zorgen van den overlegzamen staatsman Lycurgus een steenen theater was gebouwd in de heilige aan Dionysos gewijde ruimte, waar ook thans nog de ruïne ons een zoo levendig beeld geeft van de plaats waar de Atheners hun groote Dionysosfeesten vierden, plachten de Atheners gaarne daar te vergaderen. Het behoeft niet gezegd, dat voor eene wapenschouwing die plek bijzonder geschikt was. Zoo werd dus op een bepaalden dag van het jaar het volk daar ter plechtige zitting geroepen. Maar hoogstwaarschijnlijk was daaraan reeds eene andere, korte doch indrukwekkende plechtigheid voorafgegaan, en er is naar mij voorkomt reden om aan te nemen dat deze laatstgenoemde de Dionysische vertooning opende, terwijl de parade er het besluit van was. Die openingsplechtigheid geldt de weezen van die burgers, die in den krijg voor het vaderland zijn gevallen. De staat heeft na den dood der vaders de kostenvan de opvoeding dezer knapen voor zijne rekening genomen, en—althans in de oudere periode, toen de ephebie nog niet tot eene, slechts voor vermogenden toegankelijke weelde was geworden—hen ook doen opnemen in de rij der epheben. En het is een van de aantrekkelijke zijden van het Atheensche volk geweest, dat het dien staatsplicht als staatseer beschouwde. Athene heeft die kinderen harer helden lief, en behandelt ze niet als stadsarmen doch als lievelingszonen; in de jaren toen de Atheners nog altijd zelf den vijand tegemoet gingen—wat uitsleet in de vierde eeuw en eerst in den hachelijken strijd tegen Macedonië weer regel werd—heeft de verzekerdheid dat de Staat „zijne zonen als de herinnering aan zijn’ moed zou eeren” voor menigen soldaat den doodstrijd op het slagveld verlicht.Zoo rusten dan ook de oogen der burgers die de rijen van den schouwburg vullen—velen met hunne kinderen naast zich, die het thans aanvangende schouwspel bijzonder moet treffen—met groot welbehagen op de „Weezen” die, omdat ze den ephebenleeftijd hebben bereikt en dus uit de voogdij van den Staat worden losgemaakt, thans voor het volk treden. De oude Atheensche gewoonten hebben bij zulke handelingen vaak eene op zeer fijn gevoel berustende gratie. Op het oogenblik dat de Staat deze weezen laat heengaan uit zijne voogdij en hen in de maatschappij zendt, geeft het vaderland hen nog een geschenk. Maar dat is niet een „uitzet”, een pak kleeren of zoo iets: het is eene volle wapenrusting als hopliet, de zware bewapening van den volksburger, eene wapenrusting gelijk aan die waarin hunne vaders zijn gestorven. In die panoplia treden ze nu de orchestra binnen, de staatsheraut gaat voor hen uit, en als zij in het midden hun gelid hebben gevormd, één onbewegelijke rij, fel stralend van licht in de voormiddagzon, dan verheft de heraut zijne stem en draagt de boodschap, „zoo treffend en zoo uitnemend van kracht om ook anderenop te wekken tot dappere deugd” voor. „Hoort mij aan, burgers van Athene”, zoo zegt hij—en tot op de bovenste rijen draagt de voortreffelijke akoustiek zijne stem—„Uw volk heeft deze jongelingen, wier vaders op het slagveld in eervollen strijd om uwentwil het leven hebben gelaten, opgevoed tot op dezen dag hunner manbaarheid; nu bekleedt datzelfde vaderland hen met volle wapenrusting, ontslaat hen uit de voogdij met zegenwensch voor hun verder lot en noodigt hen voor heden uit tot de vooraanzitting.”Dan gaan de jonge soldaten, met het diep ontroerende gevoel dat zij heden in aller oogen de eer hunner vaders dragen, heen naar de zetels der vooraanzitting en zij zetten zich neer bij den priester van Dionysos, bij de gezanten der bondsstaten, bij de hooge ambtenaren, eene onderscheiding genietende die zeker niet hunne ijdelheid heeft opgewekt, maar wel hunne begeerte om niet minder te zijn dan hunne vaders. Als zulk een knaap, na zulk een plechtigheid de Dionysische vertooning die dan een aanvang neemt uit zijn eerezetel mee aanschouwende, den Philoctetes van Sophocles ziet opvoeren, en de edele jongelingsfiguur van Neoptolemos voor zich ziet in diens aangrijpenden strijd tusschen politiek belang en karakteradel, dan wordt deze dag een kracht in zijn leven, en er zal heel wat cynisch smalen over rhetorisch vertoon en over speculatie op volkssentimentaliteit noodig zijn, voordat valsche schaamte hem er toe brengt met dezen dag te spotten. Helaas, toch zal menigeen onder deze Staatsweezen, wanneer hij later, krachtens het recht van zijn hooge ambt, wederom plaats neemt op die eerebanken, niet dan met een blos kunnen terugdenken aan den dag toen hij daar zat krachtens het eererecht hem door zijn vader nagelaten.Dan vangen de Dionysia aan. Maar volgens een vast gebruik volgt onmiddellijk op deze feestdagen eene geregelde vergadering van het volksparlement (de ecclesia) in detheaterruimte; en zoodra nu de zaken waarvoor deze vergadering is bestemd zijn afgehandeld, heeft in de orchestra, de middenruimte, ten aanschouwe der leden van de volksvergadering eene regelmatige parade-exercitie van het geheele ephebencorps plaats. Dit is geen wapenschouw, ook geen assaut, want de epheben zijn waarschijnlijk op dat oogenblik nog niet zwaargewapend; het is een uitvoerige, half gymnastische, half militaire vertooning van de bewegingstaktiek der Attische infanterie, het vlugge keeren in eene kwartwending rechts („speerkant”) en links („schildkant”) de halve wending en de geheele, het vormen van rotten en gelederen, de hardloop, de vlugge zwenking: kortom de geheele vereeniging van rapheid in beweging en snelheid in ’t stilstaan, welke door de uitgebreide infanterietaktiek van de Grieksche vechtwijze wordt vereischt. En aan het slot van deze parade komt ook weer een geschenk. Van staatswege worden de epheben nu begiftigd met speer en schild, en hierdoor wordt erkend dat zij thans in den vollen zin behooren tot de hoplieten van Athene, al telt natuurlijk voor de berekening van hunnen volbrachten diensttijd ook reeds het eerste jaar hunner ephebie mede.In hunne volle wapenrusting—en dit is het laatste deel van de drieledige plechtigheid—marcheeren zij nu naar het kleine heiligdom der godin Aglauros, om hunnen ephebeneed af te leggen. Op de zeer steile noordhelling namelijk van de Acropolis, waar zich ook thans nog eenige moeilijk te bereiken grotten bevinden, was ééne grot vrij hoog gelegen, en waarschijnlijk oudtijds met de alleroudste „pelasgische” nederzetting op den burcht door een in de rots uitgehouwen trap verbonden, die de Atheners eerden als het heiligdom van Aglauros, eene van de dochters van Cecrops. Het is niet zoo heel zeker, dat alle Epheben, indien men hen had gevraagd wie deze Aglauros eigenlijk was, en hoe het kwam dat zij naar hare onaanzienlijkegrot, in plaats van bijvoorbeeld naar den grooten tempel van Athene Parthenos, werden gebracht om hun burgereed af te leggen, veel anders zouden hebben weten te antwoorden dan dit, dat deze plek zoo bijzonder heilig was door hoogen ouderdom. Intusschen was hun de oude heilige sage wel bekend: hoe Aglauros en hare zuster Herse zich in den ouden tijd van de rots hadden neergestort in hare ontzetting over hetgeen ze te zien kregen bij het openen van zeker mandje, aan hare zorg toevertrouwd door Athena met het strenge bevel het ongeopend te bewaren. In dit mandje—welke Atheensche knaap wist het niet!—had het kind met de slangevoeten gelegen, Erichthonios, de geheimzinnige stamvader der Atheensche koningen, dien ieder kende als alouden bewoner van het Erechtheum! Vermoedelijk zullen de meeste Epheben met deze vage notie van oude heiligheid wel tevreden zijn geweest, ja de plechtigheid van de eedsformule zal er voor hen misschien door gewonnen hebben, dat het ten deele zoo geheimzinnig vreemde goden waren, die zij als getuigen bij hunne belofte aanriepen. Het formulier namelijk, waarvan men zich in den tijd van de reorganisatie der Ephebie geregeld bediende, luidde aldus: „Ik zal deze heilige wapenen niet te schande maken, noch ooit den wapenbroeder in het gevaar alleen laten naast wien ik gesteld zal zijn. Wat aan onze goden gewijd is of wat geheiligd is door menschelijke vroomheid, zal ik verdedigen, hetzij alleen hetzij met anderen. Het vaderland zal ik aan mijne navolgers overgeven, niet minder doch grooter en krachtiger dan ik het heb ontvangen. Aan hen die het bestuur voeren, zal ik onderworpen zijn met inzicht en aan de wetten, die gesteld zijn, zal ik gehoorzamen, alsook aan degene die het volk van Athene nog stellen mocht in eensgezindheid. En zoo iemand mocht trachten die wetten omver te werpen of aan dezelve niet gehoorzaam mocht zijn, dan zal ik dat niet toelaten doch dien man tegengaan,zoo alleen als met anderen. Ook zal ik de heilige instellingen onzer vaderen in eere houden. Zoo waarlijk helpe mij Aglauros, Enyalios, Ares, Zeus, Thallo, Auxo en Hegemone.”De talrijkheid der namen van de goden die als getuigen worden aangeroepen, is in de oogen der Epheben zelf zeker wel geschikt geweest den ernst van hunnen eed te verhoogen; maar het plechtige van dit slot ligt toch eigenlijk hierin, dat hoe ook de eed zelf naar de behoeften der tijden zich heeft gewijzigd—en wij weten dat dit het geval is omdat ons enkele wijzigingen bekend zijn—de godennamen duidelijk de herinnering bewaren aan de alleroudste tijden der stad. De eed, dien hier de Epheben zweren en dien zij, zooals blijkt uit menige toespeling in de redevoeringen der Attische Oratoren, met eerbied gedurende hun verder leven gedenken, is in waarheid de oude belofte der burgerwacht die de oude stad op den burcht beschermt. Niet Hermes of Apollo, de schutsgoden der mannelijke jongelingschap, worden daarom hier aangeroepen, doch Aglauros, die als priesteresse van de burchtgrot geene andere is dan Athena, de godin der Acropolis zelve, en met haar Thallo en Auxo, naast Aphrodite Hegemone de personificatiën van den landbouw, die de oudste burgers had gevoed.De eed in de Aglaurosgrot neemt nu de Atheensche jongelieden zoozeer definitief in het corps der soldaten op, en is dus zoozeer het einde van den knapenleeftijd, dat onze schets hier behoort te eindigen op het oogenblik dat wij de kleine schare, gekleed in de Thessalische ruitermantels, kort van achteren en van voren met langer afhangende slippen, en met den petasos, den slapgeranden vilten hoed op het kortgeknipte haar, zien afdalen van de Acropolishelling. Met een enkelen oogopslag mogen wij hen dus nog slechts volgen op hunne militaire excursies alsperipoloi, rondgaande troepen, en denken aan hunspitten, hun graven, hun walbouw en hunne wachtposten op de grenzen, waar het spel van den speerworp ernst gaat worden. Wij zien hen in de passen van Oenoë staan, metterdaad leerend hoe daar een kloeke troep, mits goed geoefend, een leger kan tegenhouden dat uit Boeotië oprukt. Straks beklimmen zij Phyle, de steile bergvesting, onvergetelijk in de Attische krijgsgeschiedenis, sinds Thrasybulus zich daar had genesteld ten tijde dat hij aanrukte om Athene van de Dertig te bevrijden. En hetzij ze legeren in de dalen van den Cithaeron, hetzij ze de maan zien schijnen over de kronkelende lijn van Attica’s zeekust, wij weten dat zij straks terug zullen keeren in hunne stad, sterker van lichaam, maar ook sterker van geest. Want nu kennen zij hun land en hebben Atticaliefgekregenuit eigen gemeenschap met den bodem, waarop zij gerust en gestreden hebben.Mogen wij dit slechts kort aanstippen, eveneens ligt het buiten ons bestek te spreken van de latere tijden. Immers de Ephebie zou niet lang meer blijven wat zij in het eind der vierde eeuw nog was. Toen meer en meer in het onder Macedonische heerschappij verzwakkende Athene de overtuiging verkwijnde, die de Ouden had geleerd dat burgerrecht weerplicht insluit, toen werd ook het weerbare corps der Epheben een luxecorps, eene garde voor voorname rijke jongelui, met een eigen bibliotheek en een eigen gymnasium, en voorts met een staf van badopzichters, portiers, geneesmeesters, masseurs en wat dies meer zij. Maar de beschrijving dezer aristocratische corporatie brengt ons—hoe hoog ook soms de inscripties hare praestatiën prijzen—in een geheel ander Athene dan waarvoor onze schets aandacht wilde vragen. Van onze Epheben nemen wij het liefst afscheid wanneer we hen, na kloek volbrachten oefentijd, zien opgaan in de rij der hoplieten die door den strateeg tot den velddienst zijn opgeroepen: op dat oogenblikgeven zij ons het duidelijkst beeld van den volkomen Athener.Wij nemen noode afscheid van dien Ephebe.—„Waarom noode?”vraagt men wellicht; „zouden wij dan onze zonen, zouden onze jongens zich zelf zóó wenschen als hij was?” Mij schijnt zulk een vergelijken altijd onredelijk. Noodlottig en gevaarlijk acht ik elke liefde voor het verleden, die onze liefde voor den tijd waarin ons leven is geplaatst doet versterven. Tevens echter schijnt mij geen liefde zóó verblind als die, welke in hare eenzijdige bewondering voor nieuwere tijden weigert de fouten te zien waardoor ons geslacht kan ondergaan, en genezing te zoeken in de lessen van het verleden. Die lessen ontbreken niet geheel in de geschiedenis der Atheensche jeugd. Ik wil die lessen niet opsommen: mijn doel is bereikt indien de hierboven gegeven schets het Atheensche knapenleven eenigermate heeft doen zien als eene voorbereiding tot den burgerstaat, zooals Pericles die in zijne „grafrede voor de gevallenen” teekent. Immers dit zijn wel de deugden die de Atheensche opvoeding aan de knapen wilde geven: liefde voor eene schoonheid die niet op pracht berust, doch op eenvoud en nagestreefd wordt met inspanning, noch ooit ontaardt in weelderige rust; liefde voor het vaderland, die zich rekenschap geeft van de deugden waardoor het gewassen is, doch niet gelooft in eene volmaaktheid der overgeërfde deugd, door geen nieuw inzicht te verbeteren; liefde voor het goede, die niet meent in eigen boezem de norm der waarheid rond te dragen, doch zonder eigengerechtigdheid het aanziet, dat verscheidenheid van oordeel verscheidenheid van levenswandel brengt.
IIIIndien onze belangstelling zich bepaalde tot het leven der schooljongens in de periode die aan den Peloponnesischen oorlog voorafging, dan zouden wij met hetgeen hierboven over het onderwijs is gezegd, kunnen volstaan. Heel veel meer dan hetgeen wij hebben opgenoemd leerde—afgezien van het onderricht dat sommigen hun kinderen met het oog op een bepaald vak van levensonderhoud lieten geven—toen ter tijde een Atheensche knaap niet.Maar het spreekt van zelf dat de groote veranderingen, door verkeer met het buitenland zoowel als door eigen nadenken in de godsdienstige en politieke inzichten der Atheensche vaders gebracht, zich ook in den kring hunner zoons lieten gevoelen; trouwens, ook de feiten bewijzen dat. In de vierde eeuw kent men te Athene naast het lager onderwijs ook voortgezet en daarna zelfs hooger onderwijs. En over de juiste inrichting van die beide laatsten was men het te Athene zéér oneens.De theorieën dienaangaande ontwikkeld, gaan voor een deel over de hoofden der knapen heen. Het is niet te hopen, dat de Atheensche jongens in Plato’s Politeia hebben zitten lezen, om te onderzoeken hoe zij moesten worden opgevoed. Maar andere volgelingen van de Socratische school brachten hun opvoedings-idealen in meer populairen vorm ter tafel. De Cyropaedie is zóó geschreven, dat zij volkomen onder het bereik van jongens valt. Of derhalve de Atheensche jongens ook het model van deugdzame eukosmia, hun in deeerste hoofdstukken van Xenophons boekje voor oogen gesteld, gewaardeerd hebben, is zeer de vraag; maar wel kunnen zij zoowel uit de Cyropaedie als uit de tafelgesprekken hunner vaders geleerd hebben, dat te Athene onvoldaanheid met de resultaten van het lager onderwijs begon te heerschen.Er is een pseudoplatonische dialoog, die deze stemming bijzonder duidelijk in ’t licht stelt. Al is Theages, de jonge Athener, die aan dien dialoog zijnen naam geeft, eigenlijk geen knaap meer, zijne opvatting was die van vele knapen en jongelingen.Ziehier den toestand. Een vader, die heel wat te tobben heeft gehad met de opvoeding van zijn zoon, wendt zich in zijne verlegenheid tot Socrates. Hij heeft diep leeren gevoelen dat het in zeker opzicht met kinderen gaat als met planten—van welke deze heereboer blijkbaar meer ondervinding heeft dan van zoons—: „de grootste bezwaren vertoonen zich eerst dan, wanneer het kiempje boven den grond is”. Zoo is het hem ook met zijn jongen gegaan. Iedere dag heeft hem in de opvoeding van dat kind nieuwe moeilijkheden gebracht en nieuwe vragen voorgelegd. Hij heeft die, zoo goed als hij dat kon, beantwoord: hij heeft den jongen laten leeren wat men in zijn’ tijd zoo aan zijn kinderen leeren laat: lezen en verklaren, schrijven, ook muziek en eindelijk de gymnastiek. Maar de knaap is niet tevreden. In plaats van dankbaar, in het bewustzijn dat het nu genoeg is en hij niet meer naar school hoeft, met zijn vader zijne aandacht aan de boomen en de planten te wijden, is hij met een zeer onrustwekkend verlangen voor den dag gekomen: hij wilknapworden. Wat hij daarmee eigenlijk bedoelt, is den vader niet recht duidelijk. „Ik denk haast”—zegt deze—„dat eenige van zijne makkers uit onze buitenwijk hem wonderen hebben verteld van hetgeen de Sophisten aan de jongelui verhalen. Althans hij houdt niet op er bij mij op aan te dringen, dat ik aan deneen of anderen Sophist het noodige honorarium zal betalen om hem in de leer te nemen. Nu, om het geld zou me dat zooveel niet kunnen schelen! Maar ik vrees, dat die sophistenopleiding wel eens heel gevaarlijk zou kunnen worden.”Zooals gezegd, Theages zal wel wat ouder zijn geweest dan de veertienjarige jongens, wier doen en laten ons op dit oogenblik bezighoudt. Maar zijn optreden verstoort toch de rustige harmonie der schilderij die wij van het oud-Atheensche jongensleven trachtten te geven. Vooral omdat zijn type niet alleen staat. Geleid door een meesterschap, dat diepe en aanhoudende sympathie verraadt juist voor de niet meer geheel naieve leergierigheid der knapen van het nieuwe Athene, bevolkt Plato den voorgrond zijner dialogen met zulke leergierigen, wakker in ’t vragen en onvermoeid in ’t luisteren. Charmides de Schoone, die wel zedig is, maar de zedigheid niet kan definieeren, Theaetetus de jongeling, wiens boeiende scherpzinnigheid alle uiterlijke schoonheid kan ontberen, de uiterst beminlijke Lysis, allen zeggen het ons: een nieuwe tijd is aangebroken. De jongens zijn evenmin tevreden met het oude ideaal als de ouders. En wat deze laatsten aangaat: bij hen is, als wij wederom Plato mogen gelooven, tegelijk een gevoel van ontevredenheid met zich zelven ontstaan; zij erkennen ronduit dat Athene achteruit gaat. In den „Laches” van Plato klaagt Lysimachus, de zoon van den grooten Aristides, eerlijk zijn nood aan zijn’ vriend Laches. Hij zegt ongeveer het volgende: „Zie, Laches, mijn vriend Melesias en ik hebben de bittere ervaring opgedaan dat de tijden erg veranderd zijn. Als wij met onze vaders aan tafel zaten, dan wisten die ons altijd wat te vertellen van groote dingen, die zij hadden gedaan. Maar wij? Als Melesias bij mij eet en onze jongens zijn met ons aan tafel—ach, dan hebben we niets dergelijks van ons zelf te vertellen, en we schamen ons daarover genoeg! Endaarvan ligt de schuld bij onze vaders, die ons maar in ’t wild lieten opgroeien, toen we eenmaal volwassen jongens waren geworden. Daarom hebben wij besloten dat het zoo met onze zoons niet zal gaan. Ze moeten wat leeren!”Het verwijt door Lysimachus aan de vaders van oud-Athene gedaan, wordt in verschillenden vorm dikwijls in de Platonische dialogen herhaald. Niet vele vaders zullen echter zóó weinig raad hebben geweten als Lysimachus en zijn vriend Melesias, die „omdat er nu toch iets gedaan moest worden” hun jongens schermen willen laten leeren! Ook willen de meeste knapen iets anders. Ze zijn als Theages, ze willen knap worden. Wat wonder! De opvoeding zelve had zich toch wel iets meer ten doel gesteld dan alleen het kweeken der eukosmia? De zedigheid, door de vrouw van Ischomachus genoemd als eenige vrucht van hare opvoeding, hoe begeerlijk eene deugd ook voor knapen, was toch niet alles wat de grammatist met zijn collega’s hem leeren moest! Eerste en voornaamste eisch van dat onderwijs was: „open hunne oogen”. Welnu, de oogen dezer knapen waren geopend en zij hadden veel gezien. Misschien had hun oor zelfs te veel gehoord. De lichte geestelijke wapenrusting van de Marathonstrijders en hunne zonen was niet meer voldoende voor hen die Athene’s aangezicht hadden zien veranderen in den strijd om de macht, nà den grooten oorlog om de vrijheid ondernomen; het geslacht dat in Thucydides leest vraagt voor zijne kinderen iets anders, dan zij begeerd hadden die alleen Herodotus hadden gelezen.Dat „andere”, men kan het voortgezet onderwijs noemen, en dan sluiten de wenschen van ouders en knapen zich vrij regelmatig aan bij hetgeen als gewoon programma van elementair onderricht door ons reeds is besproken, althans indien wij daarbij in het oog houden, dat vooral de lectuur en de literaire ontwikkeling in het laatste decennium van devijfde eeuw en in den aanvang der vierde zeer waren uitgebreid. De polemiek, door Plato in zijnen „Staat” tegen de poëtisch-literaire opvoeding wegens hare eenzijdigheid en haren misleidenden invloed gevoerd richt zich nog wel in hoofdzaak tegen de oudere dichters; maar het is desniettemin niet lichtzinnig, te onderstellen dat allengs het onderwijs zich ook op dat gebied vrij wat uitbreidde. Naast de manlijke kloeke wijsheid van Solon’s elegieën en jamben, naast de weeke liederen van Mimnermus, de weelderige oden van Sappho, Tyrtaeus’ opwindende krijgszangen of de politieke vermaningen van Theognis moet wel spoedig de Anabasis van Xenophon of zijne Cyropaedie zijn gelezen; de meesten dier boeken zijn zeker wel bruikbare lectuur voor oudere knapen, doch niet voor jongens van acht of tien jaar!Maar met een voortgezet onderwijs van hoofdzakelijk literairen aard waren niet allen tevreden. Velen, die een uitbreiding der leerstof eischten, doch daarbij de niet ongewone dwaling begingen dat zij niet recht onderscheid meer maakten tusschen onderrichten en africhten, althans niet tusschen opvoeden en opleiden, trachtten zonder het oude programma omver te werpen hun doel te bereiken. Zij zetten eenvoudig naast het oude wat nieuws: naast de lagere wiskunde wat hoogere mathesis, naast eenvoudige grammatica wat syntaxis, als voortzetting van de rekenoefeningen wat astronomische theorie!Toch bleef die uitbreiding binnen de grenzen der school; d.w.z. zij gold slechts de voorbereiding tot algemeene beschaving. Levendig zien we dat geïllustreerd door de invoering van het teekenen. In de vierde eeuw begonnen de vaders elkaar meer en meer te vragen: „moeten onze kinderen niet leeren teekenen?” Voor de hand liggend schijnt die vraag niet. Nog in onzen tijd ontbreekt in het stelsel der humanistische opvoeding het teekenen. In ons gymnasiale programma vinden wij het noch als algemeen opvoedingsmiddel,noch als onmisbare voorbereiding voor hen die in hunne studiën de teekenpen dagelijks noodig zullen hebben. Maar de Atheners kenden in Plato’s dagen aan den invloed van het schoone in de opvoeding eene ruimere plaats toe. Hoezeer zij ook het boek over den Staat een utopie noemden, hun hart moest kloppen van trots om ’t geen zij bezaten en van hoop om ’t geen zij verwachtten, als zij Plato’s pleidooi voor de schoonheid lazen. „Wat dunkt u—zoo vraagt Socrates zijn toehoorders, in het vierde boek der Republiek—zullen wij kunnen volstaan met den eisch dat de dichters de beeltenis van de zieleschoonheid herscheppen in hun gedichten, of moeten wij ook toezien op hen die met de handen werken en er voor waken dat zij aan niets, dat in de ziel onedel is, aan niets, dat uit ongebondenheid, uit slaafsche onbeschaafdheid en onwelvoegelijkheid is geboren het aanzijn schenken, hetzij in de afbeelding van dieren en menschen, hetzij in gebouwen of andere werken van kunst. Immers, laten wij dat toe, dan zullen zij die wij wenschen op te voeden tot Wachters van onzen Staat, door al die afbeeldsels van hetgeen slecht is als door ongezonde spijs gevoed, terwijl ze dag aan dag bij kleine beetjes van alle zijden het kwade in zich opnemen, een groot geheel van slechtheid doen opwassen in hun eigene ziel, zonder dat wij dat hebben bemerkt. Neen, wij moeten zoeken naar werkers van het schoone, die met gezonden zin verstaan het karakter van hetgeen schoon en welvoegelijk is na te speuren, opdat onze knapen, als wonende in een gezonde streek, allerwege worden gebaat waar òf hun gezicht òf hun gehoor door de werken der schoonheid wordt aangeraakt, als waaide een luchtstroom hun te gemoet uit een oord van gezondheid”.Gelukkig de stad, waar een wijsgeer zulke woorden mag schrijven, in de rustige verzekerdheid dat geen wansmaak of machteloosheid in de kunst zijn rede maakt tot spotternij. En zeker schreef Plato niet voor doove ooren. De Athenershebben in de vierde eeuw niet geaarzeld om het voorbeeld van de kleine stad Sicyon te volgen, waar door den aandrang van een zeer bekende schildersgroep het teekenonderwijs op de lagere school was ingevoerd. Want de klimmende vaardigheid der schilders, vazen- en fresco-schilders beiden, en niet minder het gewijzigde karakter van de bouwkunst, waar het plastische, het schilderachtige de gestrengheid van den ouden Dorischen stijl meer en meer begon te verdringen, bracht toch zeker menig Atheensch vader die een’ vraaglustigen zoon op zijne wandeling meenam, dikwijls in het nauw. Als zijn jongen wilde weten, wat nu eigenlijk aan den Dorischen stijl van het Parthenon dien wonderbaren ernst geeft, en waarom de Corinthische kolommen de grens der gekunsteldheid naderen zonder die te overschrijden, dan kwam èn hem en weldra anderen die zich voor het onderwijs interesseerden—dat wil dus evenals in onzen tijd zeggen „allen”—de vraag op de lippen: „hoe zullen onze knapen de tempels en de statuen of wandschilderingen, die den trots onzer stad uitmaken, kunnen waardeeren, als zij nooit eens bij eigen pogen om eene lijn van schoonheid na te trekken, hebben ervaren hoevele kansen van dwaling liggen naast dien éénen smallen weg die goed is? En velen voegden daaraan toe: ook de bekoorlijkheid van de natuur en de schoonheid van hare levende schepselen verstaat het best wie getracht heeft die te benaderen met de punt van zijne teekenstift.De twijfel of het teekenen een propaedeutisch vak is of niet, toont reeds aan dat het op de grens ligt. Met steeds meer klem nu zal zich na de invoering van vakken als het teekenen de overtuiging doen hooren, dat een beschaafd man veel moet weten en een vader, die plichtbesef heeft, dus ook zorgen moet dat zijn zoon veel weet. Op het eind van dien weg zien wij in de verte den eisch derenkyklios paideia, de verbinding van hettrivium(grammatica, rhetorica, dialectiek)met hetquadrivium(arithmetiek, muziek, geometrie en astronomie).De Cynische wijsgeer Crates, ijverig leerling van den bekenden Diogenes, spot met deze overlading van vakken, wanneer hij de rampen van den schooljongen, die volgens hem een waardige inleiding vormen tot het door de beschaving misvormde menschen-leven, met zeer sombere kleuren schildert. „Arme jongen,” zoo roept hij, in eene boutade die veel navolging heeft gevonden, den Atheenschen schoolknaap toe: „Arme jongen! Eerst, toen je nog niet kon praten, legde je min je te slapen, als je schreeuwde van den honger; maar schreide je van slaap, dan wou ze je zoet houden met een rammelaar. Nu je aan die kinderrampen ontkomen ben, nu neemt de paedagoog je over, en de gymnastiekmeester en de schoolmeester en de muziekmeester en de teekenmeester. Wacht maar, straks volgen de rekenleeraar en de mathesisleeraar en de pikeur. En door die allen word je met de zweep geregeerd, vóór dag en dauw je bed uitgejaagd en nooit met rust gelaten.”Crates is een Cynicus en als zoodanig wel min of meer genoodzaakt, zoo niet op grond van hetgeen Antisthenes, de stichter dier secte geleerd had, dan toch als volgeling van Diogenes, de geheele schooleducatie af te keuren en openlijk te verkondigen, dat het dwaasheid was de jongens iets te leeren wat zoo weinig nut had als astronomie of muziek. Maar ook onder hen die minder onverzoenlijk tegenover de maatschappij van hun tijd stonden, was in deze dagen zoowel een verschil van inzicht als een ongelijkheid van behoeften ontstaan, die begon scheiding te maken tusschen de Atheensche vaders zoowel als tusschen de zoons. De conservatieven juichen Aristophanes toe, wanneer hij in een geestig geschikte doch brutaal eenzijdige scène van zijne Wolken de nieuwe en de oude Educatie zóó in debat tegenover elkaar stelt, dat al wat eerlijkheid, religie, vaderlandsliefdeen ingetogenheid mag heeten, staat aan de zijde van de oude Educatie, aan den kant van de nieuwe daarentegen het eigenbelang en de list, de begeerte naar genot en de diefachtige bekwaamheid om daartoe de middelen te verwerven! De ouderwetsche vaders wrijven zich bij zulk eene voorstelling in de handen: „Ziedaar een dichter die weet wat hij wil! Juist zoo, de mooie gezondheid, de echtesophrosyne, zelfs hun schoonen blos verspelen die knapen door dat samenhokken bij Socrates.” En thuis gekomen heet het tot den jongen die bedelt om „knap” te worden: „Naar de sophisten ga je niet.”Maar met een verbod alleen is tenslotte nooit een vader verder gekomen. Geen Atheensch vader kon er de oogen voor sluiten, dat hij een keuze moest doen, wilde hij niet zijn jongen na de jaren van de lagere school eenvoudig „los” laten loopen. Dat was niet alleen een eisch van zedelijken aard: ook het standsgevoel schreef het voor; en met Theages’ vader zei menigeen: „om het geld kan het me niet schelen;” daar men besefte dat het hier een eisch gold van politiek zelfbehoud. Athene wordt democratisch bestuurd, de democratie aanvaardt zonder aarzelen de consequentie van haar systeem, en in stijgende mate wordt dus ook aan de onvermogenden door presentiegelden en vacatiegelden de weg geopend om deel te nemen aan de regeering die allen toekomt. Maar desniettegenstaande werden de grenzen, die te Athene de standen onderling scheidden, na den Peloponnesischen oorlog scherper getrokken. Wél maakte de staatswet het voor iederen burger mogelijk, op zijnen tijd zelfs de hoogste staatsambten te bekleeden; maar de economische toestand vergunt dit niet aan allen.—Geweldig bleef intusschen de macht van de Volksvergadering, en van hem die haar kon leiden naar zijnen wil. En daarom was het alleszins begrijpelijk, dat in steeds breederen kring de kern der gegoede burgerij, ook bij dekeus van het voortgezet onderwijs, zocht naar de middelen om hunnen zoons de voorbereiding te geven, die hun in den strijd tegen „de mannen van de straat”, de gunstelingen van den Demos, op politiek terrein de overwinning kon bezorgen.Maar welken weg zullen zij daarbij inslaan?—Dat is eene vraag van hooger onderwijs, zal men antwoorden, en ten deele is dat waar. Doch in de hoofden en harten der Attische knapen zelf klonk die vraag toch ook. En zeker koesterden velen de begeerte van Theages: de Sophisten te hooren.Wat verwachtten zij dan toch van die Sophisten? Niemand teekent dat zoo levendig als Plato in zijn Protagoras. Hippocrates, de jonge, rijke Athener—hij is zeker ouder dan zestien jaar, maar mag ons toch als type dienen—brandt van begeerte om den grooten Protagoras te hooren. Driftig dringt hij bij het krieken van den dag binnen in Socrates’ slaapkamer en schudt dezen wakker met de blijde tijding dat Protagoras in stad is! Uiterst bereidwillig gaat Socrates met hem mee, om hem in het huis van Kallias aan Protagoras voor te stellen, onderweg hem op zijn rustige wijze, doch voorloopig zonder zichtbaar resultaat, aantoonend dat hij in zijne opgewonden begeerte naar de „knapheid”, die Protagoras als een „kleinhandelaar in geleerdheid” te koop biedt, verzuimd heeft te onderzoeken of hij inderdaad begeert op die wijze „knap” te zijn, en of Protagoras wel de man is die hem inderdaad wijsheid kan schenken.—De wijsgeer die alzoo de methode van Socrates tegenover de techniek der sophisten plaatste, heeft wel beseft dat zijne lezers, voorzoover ze behoorden tot de geestverwanten van den jongen Hippocrates, door dat korte gesprek niet van hunne begeerte naar de sophistenwijsheid zouden worden genezen. Daarom doet hij in het vervolg van den dialoog zoo duidelijk uitkomen, hoe hij die mannen der „parate kennis” beschouwt.—Wie het tooneel van Socrates’ en Hippocrates’ intrede in den kring der gasten van Kallias (dien Maecenas der moderne knapheid) eenmaal heeft gelezen, vergeet het niet licht: eerst Protagoras rondwandelend met den stoet van heilbegeerigen, Atheners en vreemdelingen, want ook vreemdelingen zijn hem gevolgd op zijne wegen, vastgehouden door het geluid zijner stem, gelijk eens de dieren, die Orpheus’ schreden volgden geboeid door de betoovering van zijn gezang. Dan Hippias—die Hippias die alles kon, zelfs zijne eigene schoenen maken—tronend op een hoogen zetel, terwijl hij aan de groep der mannen die op lage stoeltjes eerbiedig om hem heen zitten, de geheimenissen der astronomie openbaart. Eindelijk Prodikos, gemakkelijk uitgestrekt op een rustbank en met zijn zware stem aan zijne hoorders eene wijsheid meedeelend, waarvan alleen de gonzende nagalm de ooren van Socrates bereikt.Parodieën op de sophistenwijsheid geeft ons Plato in den Protagoras zoowel als in verscheidene andere dialogen, soms fijn en niet zonder waardeering hunner persoonlijkheid, zooals in den Protagoras, soms spottend bij het minachtende af, zooals in den Euthydemus, soms met vlijmender kunst, in fellen toorn, als in den Gorgias. En ofschoon nu deze bestrijding buiten den kring der jongenswereld ligt, gelijk ook het onderricht zelf derPlatonischeschool, de oorzaak van Plato’s verbittering ligt niet daarbuiten: zij geldt de luidruchtige sympathie met welke de jongelieden deze sophisten inhaalden.Want de sophistiek was een modeartikel. Wat beloofden zij eigenlijk, deze rondreizende leeraars, deze conférenciers, deze specialisten? Is het ons moeilijk op deze vraag een billijk en vooral een juist antwoord te geven, reeds de enthousiasten als Theages of Hippocrates hadden dat antwoord niet zoo gemakkelijk klaar, wanneer hunne vaders, een weinig ontzet over de hooge prijzen—Prodicus vroegƒ 25 voor een korte private instructie in het juiste gebruik der woorden—hen op den man af vroegen, wat nu eigenlijk die vreemdelingen hen kwamen leeren dat zij niet evengoed van hunne eigene meesters hadden kunnen hooren.Het antwoord was zoo moeilijk omdat de sophisten zooveel beloofden. Het duidelijkst klinkt die belofte in de algemeene termen van Protagoras: „wij voeden knapen op tot mannen” d.i. „wij leeren hen politiek inzicht, en dat doen wij op grond van onze ervaring”. Maar als de mannen van Plato’s richting zulk eene belofte hooren, dan trekken zij de weifelende vaders bij het kleed en zeggen: „Gelooft het niet te snel. Protagoras bedoelt niets anders dan dit: „Ik geef aan de jongens zooveel handigheid, dat ze over alles kunnen meespreken en daardoor geschikt schijnen voor de hoogste posities in den staat.”Er zullen vele vaders zijn geweest die in Plato’s waarschuwing juist een sterke aanbeveling der sophistiek zagen; zelfs als zij verder toeluisterden en hoorden hoe reeds Socrates hartelijk gelachen had, toen hij van den schatrijken Kallias vernam dat hij zijn zoons door Euenos van Paros had laten opleiden tot volkomen burgerlijke en politieke bekwaamheid voor de som van ƒ 250.—In den grond der zaak echter voorzag zeker—ook reeds het feit dat de sophisten zoo hooge honoraria konden bedingen bewijst dit—het sophistenonderricht in eene „bestaande behoefte”. En wat bij de groote verscheidenheid in onderwijs en karakter dezer buitenlandsche leeraars de kern van hun onderricht was, kan in hoofdzaak niet twijfelachtig zijn. De jongens wilden knap worden, ja, maar bovenal knap in het spreken. Protagoras’ theologische scepsis en Prodicus’ levensmoede ernst lieten hen waarschijnlijk vrij koel. Maar in den trant van Protagoras uit de filologische ontleding van een oud lied eigene wijsheid met smaakvolle eruditie toe te lichten; door de kunde van Prodicuste leeren hoe zwaar ieder woord weegt en wat men bereikt door uit het onderscheid van elk synoniemenpaar op te klimmen tot scherpe scheiding van alle begrippen; dan eindelijk al die oefening en die wetenschap tot leven, tot nieuw en schitterend leven te brengen door ze te vergulden en te louteren in de kunst van Gorgias—dat was het wat de jonge Atheners hoopten te leeren van de sophisten. Met andere woorden: zij begeerden te dingen naar de glorie der rhetoriek.Op zeer verschillende wijze hebben de mannen, wier woord op het gebied der opvoeding gezag had in het Athene der vierde eeuw, die sophisten-wijsheid bejegend. Van volgelingen der sophisten kunnen wij zwijgen. Dat die niet schaarsch waren, spreekt bij de toenemende macht des woords in de volksvergadering van zelf. Maar ook in de methode van hunne bestrijding openbaart zich een groot onderscheid. Plato, die juist de rhetoriek, de kunst van het woord als middel van overreding, met bitterheid haat, kent geen genade tegenover Gorgias, den Sophist van Leontini. Er is wellicht geen enkele onder Plato’s dialogen, waar op zoo onverbiddelijke wijze de vijand in het nauw wordt gedreven als de Gorgias. Want het is er Plato om te doen geweest, als het ware ten aanhoore van alle Atheensche vaders die een’ „Theages” thuis hadden, den sophist zelven te laten erkennen dat inderdaad de kunst die hij aanprijst slechts eene kunst om de dingen aannemelijk te maken mag heeten, niet eene wetenschap die zoekt naar de waarheid, dat dus voor de rhetoriek—wier terrein de kring der onbevoegden, immers de volksvergadering, is—zaakkennis overbodig is, dat scherp onderscheiden tusschen zedelijk goede en zedelijk slechte dingen niet door haar wordt nagestreefd; kortom, dat zij eene kunst is als die van den kok en den confiseur, of den coiffeur zelfs, d.i. eene schijnkunst.Dialogen als de Gorgias hebben een element van onbillijkheidin zich, dat gewoonlijk aan jonge lezers van onzen tijd veel eerder in het oog valt dan de hooge dialectische waarde der bewijsvoering. Gorgias en zijne medestanders worden door hun geestigen bestrijder al te onbarmhartig uitgekleed, en dat nog wel uit een plunje die hij zelf hun had aangetrokken. De aanleiding echter van die verbitterde vijandschap zal zeker wel hierin zijn te zoeken dat, ook nadat de eerste, grootste Sophisten reeds lang uit Athene waren verdwenen, de utilistische, karakter-ondermijnende africhtings-methode, die in den Gorgias wordt gegeeseld, bleef heerschen in het voortgezette onderwijs.Maar indien dan nu een of andere tegenhanger van Theages eens niet tot zijn vader had gezegd: „ik wilknap”, doch „ik wilwijsworden”, zou dan op het verzoek van zulk eenen vader Plato hebben geantwoord: „zend hem maar bij mij”?Men stelt het dikwijls zoo voor, alsof Plato, behalve den kring van volwassen of bijna volwassen beoefenaars der wijsbegeerte, in zijne Akademie een school van aankomende knapen zou hebben gehad, waar dan—om een betrouwbaren grondslag te leggen voor de studie der dialectiek—voornamelijk mathesis en logica zou zijn gedoceerd. Zeer zeker is die voorstelling in hare algemeenheid onjuist; want Plato, die geen geld voor zijne lessen aannam, heeft zonder twijfel nooit anders dan eene keur van jongens of jongelieden in zijne Akademie toegelaten. Die Akademie zelve is ook geenszins eene inrichting voor knapen. Toen Plato, even buiten Athene, zich een park kocht, bouwde hij zich zelven daar eene woning; hij vereenigde daar in eng aangesloten kring zijne volgelingen om zich heen, en toen hij stierf legateerde hij als fideïcommis de geheele plek, met schoolgebouw, Muzentempel en woningen, aan hem die zijn opvolger als scholarch was.Zoo is de Platonische Akademie eene fundatie geworden,eene op religieuze grondslagen gebouwde, en daardoor ook in hare eigendommen onaantastbare stichting, en zóó werd zij tevens eene particuliere inrichting van onderwijs.Maar eene school voor knapen was die Akademie—zooals wij haar kennen—niet. De vrienden, voor wie Plato op zoo onnavolgbare wijze in zijn Symposion de roeping der wijsbegeerte heeft geteekend, de genooten der Akademie die aanzitten aan de gemeenschappelijke maaltijden, uit hun midden een bestuurder van den Muzentempel kiezen en straks een nieuwen scholarch, dat zijn geen knapen of jongelingen, maar volwassen beoefenaars der philosophie, tot eene vast aaneengesloten corporatie of secte, bijna zou men zeggen „eene gemeente”, vereenigd.En nu hebben om die engere groepen, eerst van Plato’s Akademie, straks van Aristoteles’ Peripatos, zich zeker van den beginne af wel langzamerhand scharen van jongelieden geschikt, aspiranten voor de eer der toelating, edelen-expectant van deze balye des geestes, jonge Atheners van goeden huize, vaak ook zoons van belangstellenden uit den vreemde, ja het is in verloop van tijd mode geworden, dat aanstaande geleerden, dichters of zelfs politici een tijdlang te Athene kwamen studeeren; maar ook deze jongelui—voor welke gaandeweg de onderrichtingsvorm van het Socratische gesprek zich wijzigde tot dien van eene geregelde voordracht—waren geene knapen, doch jonge mannen, die zonder eenige grootspraak kunnen zeggen, dat zij te Athene de colleges van een professor in de philosophie hebben gevolgd.Deze toestanden voeren ons buiten den kring der knapen van de vierde eeuw, ofschoon ook toen reeds de jonge volgelingen der Akademie te Athene bekend genoeg waren, inzonderheid door de voornaamheid van hun optreden, de buitengewone verzorgdheid hunner kleeding en hunne aristocratische afzondering. De eigenlijke scholen van voortgezet onderwijs echter moeten wij zoeken bij mannen als Isocrates.Isocrates! Voor velen onzer tijdgenooten is de naam van dezen „volmaakten stilist” alleen reeds voldoende om hun de langwijligste uren uit hunne worstelingen met het „moeilijke Grieksch” te binnen te brengen en hen met wrevel te vervullen. En inderdaad, de verzameling oraties ons van zijne hand bewaard, hebben in de onkreukbare gladheid harer perioden, iets zeldzaam irriteerends. Ook komt het dezen rhetor niet ten goede, dat het lot zijne gekunsteldheid heeft geplaatst tusschen den bevalligen eenvoud van Lysias en Demosthenes’ gespierden hartstocht, terwijl de mededeeling van den ijdelen woordkunstenaar, dat hij meer jaren had noodig gehad om zijne groote Lofrede op Athene te voltooien dan de Grieken hadden gebruikt om Troje te veroveren, weinig geschikt is om onze sympathie voor dien Panegyricus van zoo langen adem wakker te maken.Maar vele van de eigenschappen, die Isocrates als schrijver ongenietbaar maken, komen hem als leeraar ten goede. In de eerste plaats die nooit falende juistheid van woordenkeus, dat zeldzaam fijne gehoor, die vaste tact in het schikken der woorden, die hem voor het practisch onderwijs in de rhetorica zoo bij uitnemendheid geschikt maakte. Want het was inderdaad rhetorica die hij onderwees; al noemde hij zelf het philosophie. Immers noch het dialectisch zoeken naar eene vèr boven het begrip der jongelingen zwevende waarheid—de „onvruchtbare” bezigheid der mannen van de Akademie—noch de gevaarlijke spitsvondigheden der Sophistiek konden—zoo meende hij—Athene’s jongelingschap op den juisten weg brengen. Dat vermocht naar zijne overtuiging alleen de rhetoriek, gegrondvest op eene propaedeuse zooals slechts zijne school die geven kon.Ons klinkt die belofte als eene zonderlinge grootspraak. De welsprekendheid heeft in onzen modernen staat bijna overal—alleen nog niet tegenover de massa des volks—haren voornaamsten invloed verloren. Maar wanneer wij bedenken hoe ontzaglijk hare macht was te Athene, het Athene der volksvergaderingen en der gerechtshoven van gezworenen, dan verbaast het ons niet dat vele Atheensche vaders, of uit eigen beweging, of gehoorgevend aan den aandrang van een zoon die „vooruit” wilde, de in meer dan één zin „kostbare” leiding van den grooten leermeester inriepen. Zelfs al waren die knapen niet bestemd voor de balie, of geroepen om het volk te leiden, het programma van Isocrates’ onderwijs beloofde veel goeds. Inleiding tot zijne school vormt het geheele lager onderwijs met de muzische en de historische studie, en op den grondslag dezer elementaire ontwikkeling plaatst hij als bekroning van geheel de opvoeding zijne philosophische rhetorica.In den grond was deze philosophische rhetorica niet veel anders dan de literair-historische opvoeding, wier eenzijdigheid Plato zoo aanhoudend had bestreden. Zij putte uit de geschiedenis van het voorgeslacht hare kennis van de ontwikkeling der menschheid, van de goddelijke rechtvaardigheid, van den burgerplicht, van de menschlievende beschaving. Zij deed dat met ernst en met zekere overtuigingskracht, want haar leermeester was niet alleen een man van groote geleerdheid, maar ook een man van politieke standvastigheid en van ruimen blik in de staatkundige verhoudingen zijner stad. En als rhetor èn als leeraar der rhetoriek dwingt deze idealist ons tot eerbied om de reinheid zijner overtuiging, om zijn geloof in de mogelijkheid van een terugkeer tot de oude tijden—te eenzijdig doch met groote zeggingskracht door hem verheerlijkt—en eindelijk om zijn vertrouwen op de zedelijke kracht der rhetorica, zooals hij die onderwees. Want dit was de grondstelling van zijn idealistisch programma: De roeping der rhetorische studie is, dengene die haar beoefent, te vormen tot een gids voor zijne medeburgers: wee dus den leermeester, dievan de edelste kunst een onedel werktuig maakt, en door zijn onderwijs den leerling het gevaarlijke pad wijst, dat voert naar een politieke macht, die op andere grondslagen berust dan loutere en waarachtige burgerdeugd.Het is moeilijk te zeggen, in hoeverre diegenen onder de leerlingen van Isocrates, wien het niet zoozeer te doen was om technische vaardigheid in het spreken, als wel om hetgeen wij zouden noemen de afronding hunner elementaire, zoowel muzische als literaire opvoeding, bevrediging in zijne lessen hebben gevonden. Wat hij hun heeft willen geven, is duidelijk genoeg. Niet de schijnbeschaving of de handige improvisatiekunst der sophisten, maar het rustig zelfvertrouwen, dat de eigenschap is dergenen die eene vaste kennis hebben, en daarbij de zekerheid dat zij daarvan kunnen meedeelen, wèl luidend, omdat hunne stemorganen, en welbehagelijk omdat hunne vrijmoedigheid is geoefend.Dat recept is bevredigend. Maar hoe was de uitwerking? Isocrates zegt herhaaldelijk dat zijne leerlingen hem zeer lief hebben gehad, en wij hebben niet het minste recht dat getuigenis in twijfel te trekken. Maar het is niet het zelfde een leeraar lief te hebben, en zijn onderwijs te waardeeren. Waarlijk, indien wij naar de uitwerking zijner epideiktische redevoeringen op onze eigene leerlingen onze meening over den smaak der Attische knapen mogen vormen, zal menige Athener van zestien jaar gehunkerd hebben weer vrij te komen van het vurig gewenschte en duur betaalde schoolonderricht van Isocrates. Niet in de eerste plaats om het eentonige van de wetten der techniek, want al werkte het voorschrift van al die beproefde zinsformaties, het opbouwen van die hecht ineengevoegde periodes, het toepassen van die vaste rhythmen, als welluidend aangeprezen, doodend op de individueele scheppingskracht van menigen hoorder, het fijn ontwikkelde schoonheidsgevoel van den meester opende toch zijne oorenen zijn gemoed voor eene waardeering van het proza, die hem wellicht zou in staat stellen om nieuw leven te brengen in de literatuur. Maar juist in hetgeen feitelijk behoort tot de groote deugden van den conservatief, ging deze man van nooit versagende welsprekendheid te ver. De vereering der voorvaderlijke zeden, de lofprijzing der daden van het voorgeslacht, de verheffing van Athene’s heerlijkheid verloor, ondanks de oprechtheid van den redenaar, door hare eindelooze herhaling niet weinig aan overtuigingskracht.Het is—alles bijeen genomen—geen wonder, dat in de vierde eeuw zoowel de Atheensche vaders als hun zoons iets anders begeerden naast dit louter theoretische schoolonderricht. Bovendien: met een nadruk die deze idealistische opvoedingsmethode overstemde, liet zich een nieuwe eisch hooren. De les, door een goed deel van Athene’s burgers uit den noodlottigen oorlog met Sparta getrokken, was deze, dat tegenover de wisselzieke politiek van de democratie eene sterke aaneensluiting van het behoudend deel des volks, een nauwkeurig en streng disciplineeren deraristocratischejongelingschap noodig was. Uit dit beginsel ontstond nu in het laatste vierendeel der vierde eeuw een stiptere regeling—en wel eene regeling van staatswege—van het instituut der Ephebie.Wie den naam „Epheben” hoort, denkt het eerst—en te recht—aan die reeks van jongelingen met slapgerande hoeden en fladderende ruitermantels die, gezeten op hunne typische kortnekkige Attische paardjes, in vluggen steigerenden gang ons voorbij snellen op de fries van het parthenon. Zoo goed als later, zijn deze epheben jonge soldaten en dus burgers in staatsdienst en onder staatstoezicht, en wij weten zelfs dat in de vijfde eeuw door de studentikoze dartelheid dezer jonge cavaleristen het staatstoezicht van tijd tot tijd eenige versterking heeft noodig gehad. Maar tegen heteind der vierde eeuw, d.i. in den tijd toen Athene meer en meer hare zelfstandigheid zag verminderen, is dat staatstoezicht hervormd tot eene staatsregeling, waardoor de ephebie als het ware de kroon moest zetten op de vorming van den jongen Athener van voornamen huize. Daarom verdient zij hier onze volle aandacht en zou het onredelijk zijn, op grond van de overweging dat ephebenleven geen knapenleven is, in onze schets de ephebie ter zijde te laten.Epheben zijn letterlijk zij, die de periode van de manbaarheid zijn ingetreden, dus den leeftijd van zestien jaar hebben bereikt; maar in politieken zin worden daaronder verstaan die dienstplichtige jongelieden van 18–20 jaar, die door een onderricht onder staatstoezicht en grootendeels van staatswege gegeven, worden gevormd voor den hoogeren militairen dienst.Zoo erkent dus—na den knaap langen tijd schijnbaar uit het oog te hebben verloren—de staat van Athene den achttienjarigen jongeling als medeburger. Maar niet zonder gewichtige formaliteiten.Met spanning heeft zeker de zeventienjarige, van de beteekenis der burgereer door het onderricht van de laatste jaren zoo diep doordrongen, de maand Pyanepsion (Oct.–Nov.) zien naderen. In die maand komt de phratria tot welke zijn vader behoort bijeen, om het zeer heilige feest der Apaturiën te vieren, een feest dat jaarlijks in den nazomer, als ook de zeevarenden weer thuis zijn en ter gemeentevergadering verschijnen, door plechtige offers aan den beschermgod Apollo, krachtiger dan eenig feest bij de stamgenooten het gevoel verlevendigt dat zij tot één geslacht behooren. De derde dag van het feest geldt bijzonder den aanstaanden Ephebe. Hebben niet reeds vroeger, kort na zijne geboorte, de leden der phratria bij zijne voorstelling beslist over zijn recht tot erkenning, dan geschiedt dit thans. Ouderwetsche plechtigheid, zeer geschikt om indruk op hem te maken,kenmerkt de gansche handeling. Eerst ziet hij zijn vader met de rechterhand het altaar van Zeus aanraken en hij hoort hem onder plechtigen eed de verzekering afleggen van zijne wettige geboorte; dan volgt de geheime stemming van de evenzeer onder eede staande phrateres, en eindelijk, als de afloop dier stemming gunstig is, brengt hij met zijnen vader voor de phratria het heilige offer datkoureionheet, omdat dien ochtend het scheermes zijne lange jongenslokken heeft afgesneden. De dag blijft verder een feestdag, want van zijn offer en dat zijner genooten worden aan de leden der phratrië, als onthaal, stukken offervleesch gebracht.Is hij nu burger? Hoe zou dit, daar immers de phratrië wel een religieus-historische gemeente doch geen organiek deel van het Atheensche volk uitmaakt! Zonder de erkenning door de phratriën ware iedere verdere erkenning onmogelijk, doch deze opent hem nog slechts de poort om tot de tweede keuring te worden toegelaten.Eenige maanden nl. na de koureotis, in Juli, vóór den aanvang van het Attische ambtsjaar, komen de leden van den Demos zijns vaders bijeen. De demen zijn de districten in welke het geheele Attische gebied is verdeeld. Bij de eerste indeeling van land en bewoners in—toenmaals honderd—demen, woonden dus natuurlijk alle leden van eenzelfden demus bij elkaar. Maar daar het lidmaatschap van een demus niet wisselt door verhuizing, geraakten gaandeweg de leden van eenzelfden demus verspreid over de andere districten, en ontstond eene niet ongewenschte vermenging van parochiale en nationale belangen. Want ieder blijft stemmen in zijn ouden Demos. Gestemd—en onder eede gestemd—wordt nu ook over den aanstaanden burger in den demos. Hij vraagt zich wellicht af, op welken grond en onder welken eed die demoten nu nog weer gaan overdoen, wat de phratrië reeds zoo zorgvuldig heeft gedaan. En de phrateres kennen althans zijnen vader persoonlijk; ze zijner om zoo te zeggen bij geweest, toen zijn vader zijne moeder trouwde. Maar wat weten de demoten, in wier district hij misschien niet eens woont, van de geheele zaak?Maar—wie onder de adspirantburgers alzoo spreekt, heeft zeker niet in de jaren die achter hem liggen de pleitlessen van een advocaat als Isaeus gevolgd, en te huis weinig gehoord van de hardnekkigheid waarmee bij de erkenning als burger bedrog wordt gepleegd. Dat van tijd tot tijd de phratriën in haar geheel eene zuivering tot uitstooting van alle onrechtmatiglijk ingedrongene leden houden, bewijst wel dat er voor eene contrôle van staatswege door de demoten aanleiding was. Voor wie te Athene woont is het burgerschap om politieke, sociale en religieuze redenen zéér veel waard—ook wel een douceur aan de stemhebbende phrateres. Zoo hebben dus de demusleden alle reden om scherp toe te kijken, en lichtvaardig schijnen ze niet tot verwerping te zijn overgegaan. De redenaar Aeschines althans verklaart, dat hij steeds sterk onder den indruk is van den ernst dezer rechters en niet twijfelt, indien hij ten opzichte van een of anderen man hoort verklaren: „Zie hier, dezen hebben de demoten op eer en geweten verworpen als burger.”Onzen knaap verwerpen natuurlijk de demoten niet: zijne stukken zijn in orde, en hij heeft zijne jaren. Toch zal dit laatste nog in een officieel onderzoek voor den Raad der Vijfhonderd worden vastgesteld. Voor het eerst in zijn leven treedt dus de jonge achttienjarige het gebouw binnen, waarin de gewichtigste besluiten van zijnen Staat worden voorbereid. Achttien jaren is hij en hij toont ze; het staat dus niet te vreezen dat hij, zooals de term luidt: „tot de knapen zal worden teruggezet”.Maar minder dan zijn eigene positie van heden, zal hem hier in het Raadhuis, voor welks opengewerkt hek hij zeker wel eens naar binnen heeft gegluurd als er zitting was, de gedachte aan zijnetoekomst vervullen. Nog weinige jaren en het lot zal ook hem kunnen aanwijzen om voor een jaar zitting te nemen in de rij dergenen die hem thans met keurend oog aanstaren.Maar deze plechtige zitting duurt niet lang: hij is goedgekeurd; zijne inschrijving in het demos-boek, die hem alle rechten van het volle burgerschap verleent, is hier bekrachtigd. Als vrij burger van Athene treedt hij uit het Raadhuis; straks wordt hem de ephebenhoed met slap neerhangenden rand op het hoofd gezet, de korte ruitermantel wordt hem omgeslagen; hij is Ephebe.Het allereerste gevolg van deze bevordering is, dat hij nu voor het eerst van zijn leven niet slechts feitelijk, gelijk voorheen, maar ook wettelijk zijne vrijheid kwijt is. Hij is volstrekt onderworpen aan de militaire en civiele autoriteiten, en de samenwerking dezer beiden zal hem zijn ridderslag als afgeëxerceerd en afgestudeerd burger na twee jaren geven. Zijn vader en diens stamgenooten hebben de zaak van deze voorbereiding lang niet luchthartig opgevat: dank zij hunne zorgen is zijne Ephebie thans nauwkeurig gereglementeerd. Vermoedelijk is die regeling wel voor een deel het gevolg van de alles behalve rustige wijze waarop de jonge lieden hunne eerste militaire plichten plachten te vervullen in de vervlogen jaren, toen Aristophanes hun prachtcorps, schitterend, gezien bij de dames—en aanmatigend alsDuitscheCorpsbrüder „in Mütze und Kanonen”—op het tooneel bracht.Thans komen de vaders stamsgewijze bijeen, d.i.ieder in die van de tien phylen (stammen) waartoe zijn demus behoort, en zij zoeken te zamen, iedere groep vaders dus uit zijne eigene phyle, drie, d.i. samen dertig mannen boven de veertig jaar, die zij èn het meest achtenswaard èn het meest geschikt achten om met jongelieden om te gaan, en uit die drietallen wijst dan de volksvergadering, door het gemoedelijk vertrouwen der wetgevende macht van den Demos zelfs in deze zaak als hoogst bevoegde geëerd,tien sophronisten of zedemeesters aan, terwijl ten slotte een kosmeet of ordenaar de opperleiding aanvaardt.Met de hedendaagsche begrippen omtrent de vrijheid van achttien- tot twintig-jarigen en omtrent de wenschelijkheid eener geleidelijke oefening in zelfstandig handelen strookt zeker deze instelling niet; maar wij kunnen uit tal van opschriften zien, dat de Atheensche volksvergadering met de nieuwe, strenge organisatie zeer ingenomen was. Hebben de jonge burgers zich behoorlijk gedragen, zijn ze gehoorzaam geweest aan hunne sophronisten, hebben zij in onderworpenheid aan den kosmeet hunne militaire diensten vervuld, dan worden er onmiddellijk eeredecreten voor hen opgesteld; zij worden bekroond, de schermmeesters, de gymnastiekmeesters worden bekroond, de sophronisten worden geëerd door een gouden krans. En opdat de herinnering aan zooveel burgerdeugd niet spoorloos zou voorbijgaan, wordt het verslag hunner voortreflijkheid gebeiteld in onvergankelijk marmer.Het ligt voor de hand een oogenblik te glimlachen over eene inrichting, die ons zoo weinig in overeenstemming schijnt met de behoeften en wenschen vanachttienjarigen. En toch—wie in de kosmetenzaal van het Atheensche museum een enkel half uur vertoeft, om eens rustig te kijken naar de rij van Attische kosmeten—zij ’t dan ook grootendeels uit lateren tijd—welke aan deze zaal haren naam geeft, hij zal niet heengaan zonder den indruk mee te nemen dat hij een oogenblik heeft vertoefd in een gezelschap van ernstige, beminlijke mannen, paedagogen in den beteren zin des woords, en dat de Atheensche jongens, die waarlijk in hunne schooljaren de sophrosyne hadden leeren hoogschatten, de leiding van zulke sophronisten eer zullen hebben gezocht dan geschuwd. Waarom zou niet menig Attische jongen in den overgang van het schoolleven met zijne gebondenheid en van het huislijk leven metzijne intieme gewoonheid tot de hem nog zoo weinig vertrouwelijke vormen van een zeker niet over-zachtzinnig kamp van jonge recruten zich gaarne hebben neergezet naast dien ouderen vriend zijns vaders, dien man van aanzien in de phyle, die den verleden roem van hunnen stam kan verhalen, de eerezuilen aan hem toonen kan die de namen hunner helden bewaren, hem de campagnejaren beschrijven, in eigen jeugd met de ouders der tegenwoordige leerlingen doorgebracht? Mij dunkt, de meesten onzer hebben ook wel zulk een oom of zulk een vriend huns vaders gekend, aan wien zij bij tijden en in sommige zaken nog gemakkelijker hun vertrouwen schonken dan aan hun eigen vader.Een zoodanige verhouding kon te gemakkelijker tusschen de epheben en hun sophronist ontstaan, omdat de sophronisten als het ware gedelegeerden waren met een algemeene opdracht. Het militaire commando was in handen van den strateeg, want de epheben zijn recruten; zoodra dus de troep in garnizoen is op een of ander vast punt, staan zij onder de bevelen van den plaatselijken commandant en—militair gesproken—niet van den sophronist, ofschoon hij zeker aanwezig is en niet minder zeker gehoorzaamd wordt. Hij zelf gaat blijkbaar met de compagnie mee. Immers uit de staatskas ontvangt de sophronist voor zich zelven eene drachme en voor ieder zijner epheben vier obolen (d.i. ⅔ drachme), en voor die soldij schaft hij alles aan voor de tafel, benevens hetgeen verder in de ménage noodig is, daar tot betere aankweeking van den corpsgeest de epheben gezamelijk, stam aan stam, eten.Men zou kunnen vragen of niet, afgezien van de ideëele behoeften, hier boven geschilderd, naast de militaire overheden de sophronist vrij overbodig is. Het antwoord kan luiden, dat de Atheensche jongens—ondanks de zorg in het onderwijs aan hun sophrosyne gewijd—van aanlegzeker nog al onstuimig zijn geweest. In eene van Demosthenes’ oraties, die een klacht wegens mishandeling toelicht, is eene beschrijving van de wijze waarop jonge soldaten, sinds kort aan de ephebie ontwassen, zich tegenover kameraden van wellicht iets minderen stand gedroegen. Al schetst de redenaar een uitzonderingsgeval, en al overdrijft hij dat misschien, toch doet zijne teekening een merkwaardig licht vallen op de alles behalve straffe tucht, welke in een Grieksch legerkamp kon heerschen in de jaren die aan de nieuwe regeling der ephebie voorafgingen.„Het is nu twee jaar geleden”, zoo laat Demosthenes den eischer zijne lotgevallen verhalen, „dat ons regiment werd opgecommandeerd om een post bij Panakton te betrekken. Nu kregen de zoons van Konon, mijne tegenpartij, hunne tent vlak bij de onze—geenszins naar mijn wensch, want oorspronkelijk is onze vijandschap uit dat feit en uit de botsingen, die daarvan het gevolg waren, ontstaan. Zij hadden de gewoonte, geregeld, onmiddellijk na hun eersten maaltijd hun drinkgelag te beginnen, en dat den ganschen dag voort te zetten, en die gewoonte hielden ze vol zoolang als we daar in garnizoen gelegen hebben. Wij van onzen kant gedroegen ons daarginds echter op geene andere wijze dan wij in de stad gewoon waren. Als nu voor de andere soldaten de tijd aanbrak om voor het middagmaal te zorgen, dan was het meestal met hen wel zoo ver, dat zij in dronkenschap allerlei onbehoorlijkheden begonnen te bedrijven, meest tegen onze bedienden, maar tenslotte ook tegen ons zelven. Want onder de bewering dat onze slaven bij ’t vleesch braden hen in den rook zetten, of dat ze hen uitscholden, of wat dan ook, sloegen ze er op los en smeten hen met vuiligheid, of ze deden nog erger, want eigenlijk was er geen onbeschoftheid of onbehoorlijkheid die zij niet bedreven. Toen wij dit nu zagen en er natuurlijk ergernis van hadden, onderhielden we hen eerst er over; maar daar zijons hoonden en niet ophielden dezelfde onbehoorlijkheden te bedrijven, hebben we eindelijk—geenszins ik alleen zonder de anderen, maar onze tafelgenootenen corps—de zaak voor den strateeg gebracht. De commandant berispte hen streng en bestrafte hen niet alleen wegens hun wandaden ten opzichte van ons, maar ook wegens hun geheele gedrag in het kamp. Evenwel, verre van zich daarover te schamen of een eind aan hun onbehoorlijkheid te maken, kwamen zij dien zelfden avond, zoodra het goed donker was, bij ons binnendringen, en na ons eerst uitgescholden te hebben begonnen ze mij af te ranselen en veroorzaakten ze zooveel geschreeuw en lawaai om onze tent heen, dat de strateeg en de compagniecommandants en eenige van de soldaten kwamen aansnellen, die gelukkig verhinderden dat ons eenig onherstelbaar leed overkwam of dat wij, door hen in hun dronkenschap mishandeld, hun iets aandeden dat niet meer ongedaan kon worden gemaakt....”De gevoelens waarmee de rechters deze rede, omstreeks 340 gehouden, hebben aangehoord, kunnen wij ons zonder moeite voorstellen. Zeker, ze zullen onder ’t luisteren naar deze schets van ’t garnizoensleven wel even zich aan ’t genot der herdenking van eigen ondeugendheden hebben overgegeven; ze zullen bij den voortgang van het pleidooi den jongen, braven pleiter, die hun van zijne deugden geene verzwijgt, wel min of meer een sukkel zijn gaan vinden; onverdiend vonnis misschien, maar niet onbegrijpelijk! Doch zonder twijfel zullen ze tevens hebben gedacht: „met jonge mannen als de zoons van Konon kunnen wij Philippus niet weerstaan; en kampen als dat van Panakton vernietigen alle discipline. Sophronistentoezicht op onze epheben kan dien toestand althans voor den aanvang der militie en voor de kern onzer jongelingschap verbeteren”.De werkzaamheid van den kosmeet en de sophronisten, die aanvangt terstond na hunne benoeming, opent deephebie op zeer karakteristiek Atheensche wijze. Optochten behooren in het algemeen tot de onontbeerlijkste genietingen van dit volk, dat gaarne vertoont en gaarne toekijkt. Maar de optocht die dezen dag wordt gehouden, heeft een eigenaardige beteekenis. De epheben worden namelijk in plechtigen rondgang door hunne bestuurders geleid door de stad „langs de heiligdommen der Goden”. Alsof thans voor het eerst de omheining wegviel die den zedigheidsweg der schoolgaande knapen afscheidde van het algemeene stadsverkeer, zoo gaan zij nu onder hunne sophronisten overal rond. Natuurlijk wordt—in de vierde eeuw!—hier niet de schijn gehandhaafd, als zouden deze jongens nooit vóór dezen de propylaeën hebben bestegen, nooit de oogen hebben opgeslagen naar de majesteit der Olympische goden, rustig tronende op de gevelstukken van het Parthenon. Hunne vaders hebben het ook niet nagelaten hen mee te nemen naar de Acropolis en hun de heerlijkheid van Phidias’ tempel te toonen, hen te wijzen op de gratie der karyatidenhal, hen in hun jeugd te brengen voor de geweldige statue van Athene Polias. Zeker, er zijn in den stoet die daar onder de sophronisten voortmarcheert, niet velen die den optocht der Panathenaeën nooit hebben zien gaan langs den heiligen weg over de burcht, die nooit in de Propylaeën hebben staan turen naar de schoonheid van de Aphrodite Sosandra, die nooit langs den Ilissus hebben gewandeld en den tempel van Aphrodite „in de Tuinen” zijn binnengetreden. Weinigen hunner zullen zeker heden voor het eerst staan voor het altaar van de Twaalf Goden op de markt, dat het middelpunt is van het geheele religieuze leven der Atheners. Maar de epheben zien dat alles op dezen dag met andere oogen. Het is alsof heden hunne stad hun voor het eerst wordt voorgesteld en wel als een stad „vol van de goden”. Maar tevens, terwijl zij voortgaan van altaar tot altaar, langs dentempel van Apollo Pythios, langs het onvoltooide reusachtige heiligdom van Zeus den Olympiër, langs het altaar van Artemis Agrotera—langs al die plekken, wier historische en religieuze beteekenis hun vaders hen op zoo menige stadswandeling hebben doen verstaan, beseffen zij ook dat die rondgang nog iets anders beteekent. Niet alleen worden hun de goden getoond, niet alleen zegt de tocht zelf tot hen: „Jonge Atheners, ziet hier uwe stad. Godsdienstiger zijn er weinige in Griekenland, schooner in hare religie is er geene—beschermt haar en bewaart hare eere!” Maar bovendien,het is hun alsof, op den dag zelven die hen in zekeren zin losmaakt uit de voogdij van hunnen vader, de sophronisten hen opdragen aan eene hoogere voogdij, aan de bescherming der goden die Athene hebben grootgemaakt.De epheben zijn nu na dezen rondgang soldaten, maar men doet het best ze te beschouwen als boven de formatie: in eigenlijk actieven krijgsdienst zijn ze niet, want ze moeten nog allerlei leeren. Crates of een ander anti-militaristisch philosoof moge hen daarom beklagen, hoogstwaarschijnlijk zullen ze dat zelf niet doen: het onderwijs, dat hen wacht bij de van staatswege aangestelde paedotriben, bij den schermmeester, bij de mannen die hen het boogschieten, het speerwerpen, de bediening van de katapult zullen leeren en hun eindelijk de lessen in het zwemmen en ’t paardrijden zullen geven, wat is het voor hunne jonge levenskracht anders dan een lust?Niet meer naar de palaestra voert hen nu de paedotribe, maar naar de gymnasia, naar de schoongelegen Akademia, naar het Lycëum, of elders, waar technischer en strenger de oude oefeningen worden voortgezet. Natuurlijk geldt het hier in de eerste plaats herhaling van al datgene, wat bevorderlijk is voor deeuandria. Want eukosmia en euandria zijn nu eenmaal de eigenschappen die de Atheners in hetuiterlijk van hunne zoons bovenal willen terug vinden: euandria, de evenredige ontwikkeling van alles wat aan het jonge mannenlichaam bevallige kracht en weerstandsvermogen geeft, en eukosmia, die rustige zelfbeheersching die evenver verwijderd is van te zelfbewust pronken met eigen schoonheid als van de onhandige verlegenheid door welke de schroomvallige elke houding en iedere beweging ontsiert.—Het onderscheid van deze gymnasiumoefeningen en de oude palaestra-lessen ligt natuurlijk voornamelijk in de verzwaring, meer dan in de verandering der werkzaamheden. Zoo bijv. in het zeer geliefde oefenspel met denkorykos, den Romeinschen follis, den windbal dien wij in het Engelsche sport alspunchballkennen. Men hing in de Atheensche gymnastiekscholen dien bal aan den zolder op; bij de eerste oefeningen was hij met lucht gevuld, doch voor het ephebenspel eerst met kaf of gerst en straks met zand; ook nam men naar gelang van toenemende kracht en leeftijd grooter model van bal.—De bal hangt juist op de hoogte van den buik des gymnasten. Deze tilt hem op, werpt hem in de hoogte, grijpt hem in de vaart, wacht hem af als hij komt aansuizen, om hem dan met een stevigen vuistslag af te weren of door handig duiken te ontwijken, kortom hij doet den bal draaien en tollen en zwaaien, juist zooals hij wil, om hem daarna door een handig toegepast geleidelijkritardandovan zijne vuist- en palmslagen juist op het oogenblik dat hem dit wordt bevolen weer stil te doen hangen.Voor het pijnlijk en stalend boksen, dat in de palaestra nauwelijks kan zijn beoefend, is dit spel met den hangenden bal eene uitnemende voorbereiding. Intusschen zal ook hier het vuistgevecht, door den paedotribe geleid, wel alleen in den meer eenvoudigen vorm en zeker niet op de bloedige wijze van de Homerische helden of zelfs van de athleten, door Hellenistische dichters beschreven, zijn behandeld. Indezelfde gymnasia kunnen de Atheners getuigen zijn zoowel van de bloedige stooten die twee beroepsathleten,in trainingvoor de Olympische wedstrijden, elkaar toebrengen met hunne met ijzer beslagene handschoenen als van den ephebenstrijd. Deze geschiedt alleen met vuistriemen, die de vingers en de vuist bedekken en dus wel, terwijl ze deze beschermen, de pijnlijkheid van den slag verhoogen, maar niet de kans vermeerderen dat een bloedige wond wordt geslagen.Aan den leider dezer oefeningen wordt zonder twijfel overgelaten, waar hij de grens tusschen de voorbereidende militaire werkzaamheden der epheben, en de beroepsstudiën der athleten meent te moeten leggen, en wij behoeven er geen oogenblik aan te twijfelen of hij heeft dat met nauwkeurig overleg geregeld. De „quaestie der gymnastiek” is van Euripides’ dagen af bij de Atheners eigenlijk nooit van de baan geweest. Zoowel de hygiënische zijde als de sociale, en zelfs de politieke, geeft aan mannen als Plato en Aristoteles uitvoerige beschouwingen in de pen. Bedenken we nu dat de laatstgenoemde zeer ernstig de vraag behandelt, in hoeverre het aan de politieke positie van een staat kan ten goede komen dat hij geregeld uit de kern zijner burgerij athleten vormt om bij de groote nationale wedstrijden te Olympia en elders den naam van de vaderstad hoog te houden, dan kunnen we het waarschijnlijk achten dat de ephebenoefeningen in het gymnasium tweeledig waren: vooreerst die welke, als de balspelen, het springen, de hardloop enz., allen te zamen moesten opleiden tot militaire bruikbaarheid, en daarnaast die waarbij rekening werd gehouden met elks persoonlijken aanleg en lichaamsgesteldheid. Het is toch duidelijk dat een zware, groote kerel tot andere dingen kan worden bekwaam gemaakt dan een klein rap ventje!Het is de verdienste van een goed paedotribe zulk persoonlijkonderscheid vlug op te merken en er met onpartijdigheid in het belang van de epheben gebruik van te maken. Want al behoeven deze jonge Atheners niet juist voor den Olympischen wedstrijd te worden klaar gemaakt, toch heeft zonder twijfel op eenigen hunner de phyle waartoe zij behooren al lang het oog, om hem te doen „uitkomen” in een van de ephebenwedstrijden door welke de Atheners gewoon zijn hunne goden te verheerlijken. En niet minder dan de phyle heeft daarop de jongen zelf gehoopt. De gelegenheden om zich te oefenen hebben hem niet ontbroken: ook nadat hij den palaestra-cursus ten einde had gebracht, bleef hij daar een welkome gast, en na dien tijd staan de gymnasia voor hem open. Nu komt het er op aan, den paedotribe aldaar te overtuigen, dat zijn longen eene flinke capaciteit hebben, zijne borstkas de juiste welving bezit en zijne beenspieren stevig en lenig zijn. Dan zal hij—misschien met gedeeltelijke inkorting of wijziging van zijne militaire verplichtingen—worden aangewezen om zich met de andere uitverkorenen te presenteeren aan den zoogenaamden Gymnasiarchos, d.w.z. aan dien burger zijner phyle, aan wien door den tweeden archont, den Basileus, bij wijze van persoonlijke belasting de taak is opgedragen geworden om in dit jaar de zorg voor die jonge stamgenooten op zich te nemen, wien het vergund werd mee te doen aan den fakkelren op de Panathenaeën of op het Prometheusfeest.Ieder van die feesten heeft te Athene elementen van religieuzen aard in zich, die bij uitstek geschikt zijn om de overwinnings-blijdschap van zulk eenen jongen burger te vermengen met edeler en dieper aandoeningen, gedachten van hoogere orde dan de in ’t eind toch niet zeer diepgaande vreugde over het feit dat men sneller heeft geloopen dan anderen. Dat weet de ephebe, en hij kan het gevoelen wanneer hij mee is toegelaten tot den fakkelwedloop der Prometheia. Hij weet—want toen hij met zijnen vader inhet Dionysustheater de Prometheus-trilogie van Aeschylus zag opvoeren is het hem getoond—dat het altaar van Prometheus nabij den ingang der Akademeia een zeer heilig vuur bewaart, een spraak van de oorspronkelijke gave van God Prometheus, dat de straks te houden lampadedromia (fakkel-loop) de symbolische uitdrukking is van de zelfde daad der voortplanting van het heilige offervuur, welke door het Prometheus-verhaal mythologisch wordt verheerlijkt. Ook is de reden hem niet verborgen, waarom de fakkel straks van het Prometheus-altaar zal worden gedragen naar het groote altaar der stadsgodin op den burcht. Zoo goed als het huiselijke vuur met een brandenden tak van het huisaltaar behoort te worden ontstoken, moet ook de heilige vlam van het stadsaltaar in reinheid worden bewaard—en, voor zoover menschelijke aanraking haar mocht hebben verontreinigd, worden ontsmet—door contact met het outer van den vuurgod. Hoe sneller nu dat geschiedt, hoe minder kans dat bij de overbrenging de vlam iets van hare smetteloosheid zou verliezen. Vandaar de wedijver in den fakkelloop.Reeds is van te voren eene keuring geschied, die de phylenafdeeling aanwijst welke door lichamelijke schoonheid en door gratie van houding de hoogste eer schijnt waardig te zijn; maar als de maanlooze nacht is aangebroken begint de wedloop. Tien jongelingen—uit iedere phyle een—steken hun fakkel aan op het altaar van Prometheus, geen harsfakkels die in den wind van zelf blijven branden, maar vetpotten wier behandeling in den wedloop voorzichtigheid en takt vereischt. Van den Kolonosweg af snellen zij voort, zorgvuldig wakend dat hun fakkel goed blijft branden, noch te fel, zoodat zij den geheelen loop niet zou kunnen strekken, noch zoo kwijnend, dat een windstoot haar dooven kan. Op vaste punten staat voor iederen concurrent een phyle-genoot te wachten die de brandende toorts overneemt.Uit vallen nu natuurlijk al die phylen die niet tot het einde toe hare fakkels brandend gehouden hebben. Maar die phyle is overwinnares, wier fakkel, dank zij de vlugheid en de behendigheid van al hare medewerkende epheben, het eerst brandend is neergelegd op het burcht-altaar van Athene.Aan zulke wedstrijden was het jongelingsleven te Athene rijk. Het karakter dezer Agones is in hoofdzaak hetzelfde en opsomming der verschillende feesten aan welke epheben deel nemen is daarom hier niet noodig, maar wel dient er reeds hier op gewezen dat even als deze afzonderlijke oefening der aanstaande wedloopers zekere afscheiding bracht, ook in het overige onderricht zich, zelfs tusschen zoons van meer vermogende ouders, gaandeweg eenig onderscheid deed gevoelen. Al wordt de geheele ephebengroep van een jaar voor zoover de militaire voorbereiding betreft op een zelfde hoogte gebracht, gelijkheid blijft ook in dezen kring niet bestaan. In de eerste plaats zijn er onder de voornaamste epheben natuurlijk verschillende die, onder instemming zooal niet steun van staatswege, hunne wetenschappelijke studie tijdens de ephebie voortzetten. En dit behoefde nog geen duidelijke scheiding tusschen hen en hunne kameraden te geven; maar iets anders was het in de hoplomachie (de schermkunst). Speerwerpen zal voor de meesten wel een zeer gemakkelijk te leeren taak zijn geweest; in het mikken met de korte lans plachten reeds in de palaestra de Atheners zich vrij geregeld te oefenen.Maar reeds het zwaardschermen bracht verschil, omdat de rijkere jongelui daarin doorgaans allen privaat onderwijs hadden gehad en dus den anderen van ’t begin af de baas waren of de lessen dezer aanvangers niet eens behoefden te volgen. Het belangrijkst echter was de klove, door de rijkunst ontstaan. Wel is het niet onmogelijk dat, even als het zwemmen, ook het paardrijden soms aan alle epheben van een bepaald jaar werd onderwezen; maar zelfs al is dat het geval, bij lange na niet alleepheben zijn financieel in zoo gunstige omstandigheden, dat zij zich straks, als hun tweejarige oefeningstijd is afgeloopen, kunnen doen aanmonsteren bij de cavalerie.Die dat wèl kunnen doen, voelen zich zonder twijfel vrij wat voornamer dan hun collega’s welke maar voor den hoplitendienst bestemd zijn. Het ruitercorps der Atheners was klein en gold, niet om bijzondere strijdbaarheid of deugdelijkheid, doch om den glans van zijn optreden, als een keurbende. Geen wonder! De ruiter moet zelf zijn paard leveren en jaarlijks zich zelven met zijn paard aan eene keuring, ten overstaan van den raad, onderwerpen. Onderhoudt hij zijn paard niet goed, dan wordt hij beboet, heeft zijn paard geen onberispelijke dressuur, staat het niet straf op ’t commando pal, of heeft het moeite mee te komen, dan wordt het dier op reform gesteld en hij zelf uit de lijst der ruiters geschrapt. Kortom, alles wat van een paradecorps kan worden gevorderd, wordt van hem geëischt.Maar daarvoor is dan ook heel wat afzonderlijke oefening noodig. Vergezellen wij dus de epheben op hunne exercitiën, dan zullen wij naar mij voorkomt splitsing in hunne dagtaak moeten maken, en een deel bij de schermles, een deel bij den paedotribe, enkelen bij hun rhetor denken. De jonge ruiters oefenen zich buiten de poort. Nu eens ziet men hen in aaneengesloten gelederen regelmatig voortdraven, zooals ze moeten doen bij den Panathenaeën-optocht, als ze den stoet zullen openen en hunne moeders en zusters tehuis op het platte dak zullen stijgen om hunne glorie te zien. Een andermaal brengt hun rijmeester hen op het doorgraven terrein aan de berghelling en hij laat hen galoppeeren in ’t mulle zand en over de greppels of slooten springen en draven, de gloeiende wegen bestijgen en in den ren afdalen van de steilte, kortom, hij laat hen alles zoo doen, dat het boekje van Xenophon over deruiterkunst, op school gelezen en tehuis door hunne vaders geroemd, als uit de echte praktijk herboren voor hen leeft.Maar die afscheiding der standen duurt althans voorloopig nog niet voort. Want aan tafel vereenigt zich de geheele groep der phyle. Dat eischt de nieuwe verordening, alsof men gehoopt had de verzwakte en verwende Atheensche burgerij door Spartaansche instellingen weer tot de oude kracht te brengen. En niet alleen vereenigen hen die dagelijksche maaltijden—voorproef van het kampleven der aanstaande hoplieten—, ook de intrede in den eigenlijken dienst doet dat. Want nu gaan ze ook den garnizoensdienst leeren, aan den Piraeus betrekken zij de wacht, alsook aan de Munichia-haven, en op den grooten muur die Akte omgeeft, het plataanbladvormige schiereiland dat aan de groote haven ten zuid-westen grenst.De keuze dier plaatsen verdient wel opmerking. In den tijd der reorganisatie van de ephebie zijn dat strategisch uiterst gewichtige punten. Ieder die bedenkt, dat in het laatst der vierde eeuw de Macedoniërs, door eene bezetting in de vesting van Akte te leggen, de stad geheel in hunne macht hielden, zal dit erkennen. Er kan dus ook moeilijk sprake van zijn dat de bewaking dezer linie aan zee eenvoudigweg uitsluitend aan deze achttienjarigen werd toevertrouwd. De regelmatige bezetting zal zeker uit volwassen en geoefende manschappen hebben bestaan. Maar het was goed gezien, onder hunne leiding en toezicht de epheben daarheen te zenden. Op menigen stormachtigen avond konden zij daar de zee, die Athene eens had groot gemaakt en die thans die zelfde stad met zoo vele gevaren bedreigde, hooren slaan tegen de klippen, en terwijl zij in de duisternis staarden, of reeds de vijand naderde, leerde daar hun hart door anderen aandrang dan dien van jongensachtige vrees te kloppen.De oefeningen van het eerste jaar zijn met dezen garnizoensdienstafgeloopen. Maar vóór de ernstiger en zwaarder militie van het tweede ephebenjaar begint, wacht de jongelieden nog een drieledige plechtigheid. Bij de onzekerheid die omtrent de volgorde dezer drie handelingen heerscht, is het niet ongeoorloofd die te bespreken in de orde welke ons het natuurlijkst voorkomt. Allen behooren zij tot de indrukwekkendste gebeurtenissen in het leven van den jongen Atheenschen burger.De voornaamste plechtigheid is de parade voor het volk, in solemneele zitting vergaderd in het theater van Dionysos. Het woord „zitting” is hier niet overdrachtelijk gebruikt. Er was een tijd geweest, dat de Atheners—die, als we hen nagaan in hun publieke leven, wonderwel ter been moeten zijn geweest, want alles doen ze bijna staande—ook in hunne volksvergaderingen niet zaten. Maar die tijden waren voorbij, en daartoe zal zeker de wassende welsprekendheid der volksredenaars wel het hare hebben bijgedragen. En sinds nu (tusschen de jaren 340 en 330) door de zorgen van den overlegzamen staatsman Lycurgus een steenen theater was gebouwd in de heilige aan Dionysos gewijde ruimte, waar ook thans nog de ruïne ons een zoo levendig beeld geeft van de plaats waar de Atheners hun groote Dionysosfeesten vierden, plachten de Atheners gaarne daar te vergaderen. Het behoeft niet gezegd, dat voor eene wapenschouwing die plek bijzonder geschikt was. Zoo werd dus op een bepaalden dag van het jaar het volk daar ter plechtige zitting geroepen. Maar hoogstwaarschijnlijk was daaraan reeds eene andere, korte doch indrukwekkende plechtigheid voorafgegaan, en er is naar mij voorkomt reden om aan te nemen dat deze laatstgenoemde de Dionysische vertooning opende, terwijl de parade er het besluit van was. Die openingsplechtigheid geldt de weezen van die burgers, die in den krijg voor het vaderland zijn gevallen. De staat heeft na den dood der vaders de kostenvan de opvoeding dezer knapen voor zijne rekening genomen, en—althans in de oudere periode, toen de ephebie nog niet tot eene, slechts voor vermogenden toegankelijke weelde was geworden—hen ook doen opnemen in de rij der epheben. En het is een van de aantrekkelijke zijden van het Atheensche volk geweest, dat het dien staatsplicht als staatseer beschouwde. Athene heeft die kinderen harer helden lief, en behandelt ze niet als stadsarmen doch als lievelingszonen; in de jaren toen de Atheners nog altijd zelf den vijand tegemoet gingen—wat uitsleet in de vierde eeuw en eerst in den hachelijken strijd tegen Macedonië weer regel werd—heeft de verzekerdheid dat de Staat „zijne zonen als de herinnering aan zijn’ moed zou eeren” voor menigen soldaat den doodstrijd op het slagveld verlicht.Zoo rusten dan ook de oogen der burgers die de rijen van den schouwburg vullen—velen met hunne kinderen naast zich, die het thans aanvangende schouwspel bijzonder moet treffen—met groot welbehagen op de „Weezen” die, omdat ze den ephebenleeftijd hebben bereikt en dus uit de voogdij van den Staat worden losgemaakt, thans voor het volk treden. De oude Atheensche gewoonten hebben bij zulke handelingen vaak eene op zeer fijn gevoel berustende gratie. Op het oogenblik dat de Staat deze weezen laat heengaan uit zijne voogdij en hen in de maatschappij zendt, geeft het vaderland hen nog een geschenk. Maar dat is niet een „uitzet”, een pak kleeren of zoo iets: het is eene volle wapenrusting als hopliet, de zware bewapening van den volksburger, eene wapenrusting gelijk aan die waarin hunne vaders zijn gestorven. In die panoplia treden ze nu de orchestra binnen, de staatsheraut gaat voor hen uit, en als zij in het midden hun gelid hebben gevormd, één onbewegelijke rij, fel stralend van licht in de voormiddagzon, dan verheft de heraut zijne stem en draagt de boodschap, „zoo treffend en zoo uitnemend van kracht om ook anderenop te wekken tot dappere deugd” voor. „Hoort mij aan, burgers van Athene”, zoo zegt hij—en tot op de bovenste rijen draagt de voortreffelijke akoustiek zijne stem—„Uw volk heeft deze jongelingen, wier vaders op het slagveld in eervollen strijd om uwentwil het leven hebben gelaten, opgevoed tot op dezen dag hunner manbaarheid; nu bekleedt datzelfde vaderland hen met volle wapenrusting, ontslaat hen uit de voogdij met zegenwensch voor hun verder lot en noodigt hen voor heden uit tot de vooraanzitting.”Dan gaan de jonge soldaten, met het diep ontroerende gevoel dat zij heden in aller oogen de eer hunner vaders dragen, heen naar de zetels der vooraanzitting en zij zetten zich neer bij den priester van Dionysos, bij de gezanten der bondsstaten, bij de hooge ambtenaren, eene onderscheiding genietende die zeker niet hunne ijdelheid heeft opgewekt, maar wel hunne begeerte om niet minder te zijn dan hunne vaders. Als zulk een knaap, na zulk een plechtigheid de Dionysische vertooning die dan een aanvang neemt uit zijn eerezetel mee aanschouwende, den Philoctetes van Sophocles ziet opvoeren, en de edele jongelingsfiguur van Neoptolemos voor zich ziet in diens aangrijpenden strijd tusschen politiek belang en karakteradel, dan wordt deze dag een kracht in zijn leven, en er zal heel wat cynisch smalen over rhetorisch vertoon en over speculatie op volkssentimentaliteit noodig zijn, voordat valsche schaamte hem er toe brengt met dezen dag te spotten. Helaas, toch zal menigeen onder deze Staatsweezen, wanneer hij later, krachtens het recht van zijn hooge ambt, wederom plaats neemt op die eerebanken, niet dan met een blos kunnen terugdenken aan den dag toen hij daar zat krachtens het eererecht hem door zijn vader nagelaten.Dan vangen de Dionysia aan. Maar volgens een vast gebruik volgt onmiddellijk op deze feestdagen eene geregelde vergadering van het volksparlement (de ecclesia) in detheaterruimte; en zoodra nu de zaken waarvoor deze vergadering is bestemd zijn afgehandeld, heeft in de orchestra, de middenruimte, ten aanschouwe der leden van de volksvergadering eene regelmatige parade-exercitie van het geheele ephebencorps plaats. Dit is geen wapenschouw, ook geen assaut, want de epheben zijn waarschijnlijk op dat oogenblik nog niet zwaargewapend; het is een uitvoerige, half gymnastische, half militaire vertooning van de bewegingstaktiek der Attische infanterie, het vlugge keeren in eene kwartwending rechts („speerkant”) en links („schildkant”) de halve wending en de geheele, het vormen van rotten en gelederen, de hardloop, de vlugge zwenking: kortom de geheele vereeniging van rapheid in beweging en snelheid in ’t stilstaan, welke door de uitgebreide infanterietaktiek van de Grieksche vechtwijze wordt vereischt. En aan het slot van deze parade komt ook weer een geschenk. Van staatswege worden de epheben nu begiftigd met speer en schild, en hierdoor wordt erkend dat zij thans in den vollen zin behooren tot de hoplieten van Athene, al telt natuurlijk voor de berekening van hunnen volbrachten diensttijd ook reeds het eerste jaar hunner ephebie mede.In hunne volle wapenrusting—en dit is het laatste deel van de drieledige plechtigheid—marcheeren zij nu naar het kleine heiligdom der godin Aglauros, om hunnen ephebeneed af te leggen. Op de zeer steile noordhelling namelijk van de Acropolis, waar zich ook thans nog eenige moeilijk te bereiken grotten bevinden, was ééne grot vrij hoog gelegen, en waarschijnlijk oudtijds met de alleroudste „pelasgische” nederzetting op den burcht door een in de rots uitgehouwen trap verbonden, die de Atheners eerden als het heiligdom van Aglauros, eene van de dochters van Cecrops. Het is niet zoo heel zeker, dat alle Epheben, indien men hen had gevraagd wie deze Aglauros eigenlijk was, en hoe het kwam dat zij naar hare onaanzienlijkegrot, in plaats van bijvoorbeeld naar den grooten tempel van Athene Parthenos, werden gebracht om hun burgereed af te leggen, veel anders zouden hebben weten te antwoorden dan dit, dat deze plek zoo bijzonder heilig was door hoogen ouderdom. Intusschen was hun de oude heilige sage wel bekend: hoe Aglauros en hare zuster Herse zich in den ouden tijd van de rots hadden neergestort in hare ontzetting over hetgeen ze te zien kregen bij het openen van zeker mandje, aan hare zorg toevertrouwd door Athena met het strenge bevel het ongeopend te bewaren. In dit mandje—welke Atheensche knaap wist het niet!—had het kind met de slangevoeten gelegen, Erichthonios, de geheimzinnige stamvader der Atheensche koningen, dien ieder kende als alouden bewoner van het Erechtheum! Vermoedelijk zullen de meeste Epheben met deze vage notie van oude heiligheid wel tevreden zijn geweest, ja de plechtigheid van de eedsformule zal er voor hen misschien door gewonnen hebben, dat het ten deele zoo geheimzinnig vreemde goden waren, die zij als getuigen bij hunne belofte aanriepen. Het formulier namelijk, waarvan men zich in den tijd van de reorganisatie der Ephebie geregeld bediende, luidde aldus: „Ik zal deze heilige wapenen niet te schande maken, noch ooit den wapenbroeder in het gevaar alleen laten naast wien ik gesteld zal zijn. Wat aan onze goden gewijd is of wat geheiligd is door menschelijke vroomheid, zal ik verdedigen, hetzij alleen hetzij met anderen. Het vaderland zal ik aan mijne navolgers overgeven, niet minder doch grooter en krachtiger dan ik het heb ontvangen. Aan hen die het bestuur voeren, zal ik onderworpen zijn met inzicht en aan de wetten, die gesteld zijn, zal ik gehoorzamen, alsook aan degene die het volk van Athene nog stellen mocht in eensgezindheid. En zoo iemand mocht trachten die wetten omver te werpen of aan dezelve niet gehoorzaam mocht zijn, dan zal ik dat niet toelaten doch dien man tegengaan,zoo alleen als met anderen. Ook zal ik de heilige instellingen onzer vaderen in eere houden. Zoo waarlijk helpe mij Aglauros, Enyalios, Ares, Zeus, Thallo, Auxo en Hegemone.”De talrijkheid der namen van de goden die als getuigen worden aangeroepen, is in de oogen der Epheben zelf zeker wel geschikt geweest den ernst van hunnen eed te verhoogen; maar het plechtige van dit slot ligt toch eigenlijk hierin, dat hoe ook de eed zelf naar de behoeften der tijden zich heeft gewijzigd—en wij weten dat dit het geval is omdat ons enkele wijzigingen bekend zijn—de godennamen duidelijk de herinnering bewaren aan de alleroudste tijden der stad. De eed, dien hier de Epheben zweren en dien zij, zooals blijkt uit menige toespeling in de redevoeringen der Attische Oratoren, met eerbied gedurende hun verder leven gedenken, is in waarheid de oude belofte der burgerwacht die de oude stad op den burcht beschermt. Niet Hermes of Apollo, de schutsgoden der mannelijke jongelingschap, worden daarom hier aangeroepen, doch Aglauros, die als priesteresse van de burchtgrot geene andere is dan Athena, de godin der Acropolis zelve, en met haar Thallo en Auxo, naast Aphrodite Hegemone de personificatiën van den landbouw, die de oudste burgers had gevoed.De eed in de Aglaurosgrot neemt nu de Atheensche jongelieden zoozeer definitief in het corps der soldaten op, en is dus zoozeer het einde van den knapenleeftijd, dat onze schets hier behoort te eindigen op het oogenblik dat wij de kleine schare, gekleed in de Thessalische ruitermantels, kort van achteren en van voren met langer afhangende slippen, en met den petasos, den slapgeranden vilten hoed op het kortgeknipte haar, zien afdalen van de Acropolishelling. Met een enkelen oogopslag mogen wij hen dus nog slechts volgen op hunne militaire excursies alsperipoloi, rondgaande troepen, en denken aan hunspitten, hun graven, hun walbouw en hunne wachtposten op de grenzen, waar het spel van den speerworp ernst gaat worden. Wij zien hen in de passen van Oenoë staan, metterdaad leerend hoe daar een kloeke troep, mits goed geoefend, een leger kan tegenhouden dat uit Boeotië oprukt. Straks beklimmen zij Phyle, de steile bergvesting, onvergetelijk in de Attische krijgsgeschiedenis, sinds Thrasybulus zich daar had genesteld ten tijde dat hij aanrukte om Athene van de Dertig te bevrijden. En hetzij ze legeren in de dalen van den Cithaeron, hetzij ze de maan zien schijnen over de kronkelende lijn van Attica’s zeekust, wij weten dat zij straks terug zullen keeren in hunne stad, sterker van lichaam, maar ook sterker van geest. Want nu kennen zij hun land en hebben Atticaliefgekregenuit eigen gemeenschap met den bodem, waarop zij gerust en gestreden hebben.Mogen wij dit slechts kort aanstippen, eveneens ligt het buiten ons bestek te spreken van de latere tijden. Immers de Ephebie zou niet lang meer blijven wat zij in het eind der vierde eeuw nog was. Toen meer en meer in het onder Macedonische heerschappij verzwakkende Athene de overtuiging verkwijnde, die de Ouden had geleerd dat burgerrecht weerplicht insluit, toen werd ook het weerbare corps der Epheben een luxecorps, eene garde voor voorname rijke jongelui, met een eigen bibliotheek en een eigen gymnasium, en voorts met een staf van badopzichters, portiers, geneesmeesters, masseurs en wat dies meer zij. Maar de beschrijving dezer aristocratische corporatie brengt ons—hoe hoog ook soms de inscripties hare praestatiën prijzen—in een geheel ander Athene dan waarvoor onze schets aandacht wilde vragen. Van onze Epheben nemen wij het liefst afscheid wanneer we hen, na kloek volbrachten oefentijd, zien opgaan in de rij der hoplieten die door den strateeg tot den velddienst zijn opgeroepen: op dat oogenblikgeven zij ons het duidelijkst beeld van den volkomen Athener.Wij nemen noode afscheid van dien Ephebe.—„Waarom noode?”vraagt men wellicht; „zouden wij dan onze zonen, zouden onze jongens zich zelf zóó wenschen als hij was?” Mij schijnt zulk een vergelijken altijd onredelijk. Noodlottig en gevaarlijk acht ik elke liefde voor het verleden, die onze liefde voor den tijd waarin ons leven is geplaatst doet versterven. Tevens echter schijnt mij geen liefde zóó verblind als die, welke in hare eenzijdige bewondering voor nieuwere tijden weigert de fouten te zien waardoor ons geslacht kan ondergaan, en genezing te zoeken in de lessen van het verleden. Die lessen ontbreken niet geheel in de geschiedenis der Atheensche jeugd. Ik wil die lessen niet opsommen: mijn doel is bereikt indien de hierboven gegeven schets het Atheensche knapenleven eenigermate heeft doen zien als eene voorbereiding tot den burgerstaat, zooals Pericles die in zijne „grafrede voor de gevallenen” teekent. Immers dit zijn wel de deugden die de Atheensche opvoeding aan de knapen wilde geven: liefde voor eene schoonheid die niet op pracht berust, doch op eenvoud en nagestreefd wordt met inspanning, noch ooit ontaardt in weelderige rust; liefde voor het vaderland, die zich rekenschap geeft van de deugden waardoor het gewassen is, doch niet gelooft in eene volmaaktheid der overgeërfde deugd, door geen nieuw inzicht te verbeteren; liefde voor het goede, die niet meent in eigen boezem de norm der waarheid rond te dragen, doch zonder eigengerechtigdheid het aanziet, dat verscheidenheid van oordeel verscheidenheid van levenswandel brengt.
III
Indien onze belangstelling zich bepaalde tot het leven der schooljongens in de periode die aan den Peloponnesischen oorlog voorafging, dan zouden wij met hetgeen hierboven over het onderwijs is gezegd, kunnen volstaan. Heel veel meer dan hetgeen wij hebben opgenoemd leerde—afgezien van het onderricht dat sommigen hun kinderen met het oog op een bepaald vak van levensonderhoud lieten geven—toen ter tijde een Atheensche knaap niet.Maar het spreekt van zelf dat de groote veranderingen, door verkeer met het buitenland zoowel als door eigen nadenken in de godsdienstige en politieke inzichten der Atheensche vaders gebracht, zich ook in den kring hunner zoons lieten gevoelen; trouwens, ook de feiten bewijzen dat. In de vierde eeuw kent men te Athene naast het lager onderwijs ook voortgezet en daarna zelfs hooger onderwijs. En over de juiste inrichting van die beide laatsten was men het te Athene zéér oneens.De theorieën dienaangaande ontwikkeld, gaan voor een deel over de hoofden der knapen heen. Het is niet te hopen, dat de Atheensche jongens in Plato’s Politeia hebben zitten lezen, om te onderzoeken hoe zij moesten worden opgevoed. Maar andere volgelingen van de Socratische school brachten hun opvoedings-idealen in meer populairen vorm ter tafel. De Cyropaedie is zóó geschreven, dat zij volkomen onder het bereik van jongens valt. Of derhalve de Atheensche jongens ook het model van deugdzame eukosmia, hun in deeerste hoofdstukken van Xenophons boekje voor oogen gesteld, gewaardeerd hebben, is zeer de vraag; maar wel kunnen zij zoowel uit de Cyropaedie als uit de tafelgesprekken hunner vaders geleerd hebben, dat te Athene onvoldaanheid met de resultaten van het lager onderwijs begon te heerschen.Er is een pseudoplatonische dialoog, die deze stemming bijzonder duidelijk in ’t licht stelt. Al is Theages, de jonge Athener, die aan dien dialoog zijnen naam geeft, eigenlijk geen knaap meer, zijne opvatting was die van vele knapen en jongelingen.Ziehier den toestand. Een vader, die heel wat te tobben heeft gehad met de opvoeding van zijn zoon, wendt zich in zijne verlegenheid tot Socrates. Hij heeft diep leeren gevoelen dat het in zeker opzicht met kinderen gaat als met planten—van welke deze heereboer blijkbaar meer ondervinding heeft dan van zoons—: „de grootste bezwaren vertoonen zich eerst dan, wanneer het kiempje boven den grond is”. Zoo is het hem ook met zijn jongen gegaan. Iedere dag heeft hem in de opvoeding van dat kind nieuwe moeilijkheden gebracht en nieuwe vragen voorgelegd. Hij heeft die, zoo goed als hij dat kon, beantwoord: hij heeft den jongen laten leeren wat men in zijn’ tijd zoo aan zijn kinderen leeren laat: lezen en verklaren, schrijven, ook muziek en eindelijk de gymnastiek. Maar de knaap is niet tevreden. In plaats van dankbaar, in het bewustzijn dat het nu genoeg is en hij niet meer naar school hoeft, met zijn vader zijne aandacht aan de boomen en de planten te wijden, is hij met een zeer onrustwekkend verlangen voor den dag gekomen: hij wilknapworden. Wat hij daarmee eigenlijk bedoelt, is den vader niet recht duidelijk. „Ik denk haast”—zegt deze—„dat eenige van zijne makkers uit onze buitenwijk hem wonderen hebben verteld van hetgeen de Sophisten aan de jongelui verhalen. Althans hij houdt niet op er bij mij op aan te dringen, dat ik aan deneen of anderen Sophist het noodige honorarium zal betalen om hem in de leer te nemen. Nu, om het geld zou me dat zooveel niet kunnen schelen! Maar ik vrees, dat die sophistenopleiding wel eens heel gevaarlijk zou kunnen worden.”Zooals gezegd, Theages zal wel wat ouder zijn geweest dan de veertienjarige jongens, wier doen en laten ons op dit oogenblik bezighoudt. Maar zijn optreden verstoort toch de rustige harmonie der schilderij die wij van het oud-Atheensche jongensleven trachtten te geven. Vooral omdat zijn type niet alleen staat. Geleid door een meesterschap, dat diepe en aanhoudende sympathie verraadt juist voor de niet meer geheel naieve leergierigheid der knapen van het nieuwe Athene, bevolkt Plato den voorgrond zijner dialogen met zulke leergierigen, wakker in ’t vragen en onvermoeid in ’t luisteren. Charmides de Schoone, die wel zedig is, maar de zedigheid niet kan definieeren, Theaetetus de jongeling, wiens boeiende scherpzinnigheid alle uiterlijke schoonheid kan ontberen, de uiterst beminlijke Lysis, allen zeggen het ons: een nieuwe tijd is aangebroken. De jongens zijn evenmin tevreden met het oude ideaal als de ouders. En wat deze laatsten aangaat: bij hen is, als wij wederom Plato mogen gelooven, tegelijk een gevoel van ontevredenheid met zich zelven ontstaan; zij erkennen ronduit dat Athene achteruit gaat. In den „Laches” van Plato klaagt Lysimachus, de zoon van den grooten Aristides, eerlijk zijn nood aan zijn’ vriend Laches. Hij zegt ongeveer het volgende: „Zie, Laches, mijn vriend Melesias en ik hebben de bittere ervaring opgedaan dat de tijden erg veranderd zijn. Als wij met onze vaders aan tafel zaten, dan wisten die ons altijd wat te vertellen van groote dingen, die zij hadden gedaan. Maar wij? Als Melesias bij mij eet en onze jongens zijn met ons aan tafel—ach, dan hebben we niets dergelijks van ons zelf te vertellen, en we schamen ons daarover genoeg! Endaarvan ligt de schuld bij onze vaders, die ons maar in ’t wild lieten opgroeien, toen we eenmaal volwassen jongens waren geworden. Daarom hebben wij besloten dat het zoo met onze zoons niet zal gaan. Ze moeten wat leeren!”Het verwijt door Lysimachus aan de vaders van oud-Athene gedaan, wordt in verschillenden vorm dikwijls in de Platonische dialogen herhaald. Niet vele vaders zullen echter zóó weinig raad hebben geweten als Lysimachus en zijn vriend Melesias, die „omdat er nu toch iets gedaan moest worden” hun jongens schermen willen laten leeren! Ook willen de meeste knapen iets anders. Ze zijn als Theages, ze willen knap worden. Wat wonder! De opvoeding zelve had zich toch wel iets meer ten doel gesteld dan alleen het kweeken der eukosmia? De zedigheid, door de vrouw van Ischomachus genoemd als eenige vrucht van hare opvoeding, hoe begeerlijk eene deugd ook voor knapen, was toch niet alles wat de grammatist met zijn collega’s hem leeren moest! Eerste en voornaamste eisch van dat onderwijs was: „open hunne oogen”. Welnu, de oogen dezer knapen waren geopend en zij hadden veel gezien. Misschien had hun oor zelfs te veel gehoord. De lichte geestelijke wapenrusting van de Marathonstrijders en hunne zonen was niet meer voldoende voor hen die Athene’s aangezicht hadden zien veranderen in den strijd om de macht, nà den grooten oorlog om de vrijheid ondernomen; het geslacht dat in Thucydides leest vraagt voor zijne kinderen iets anders, dan zij begeerd hadden die alleen Herodotus hadden gelezen.Dat „andere”, men kan het voortgezet onderwijs noemen, en dan sluiten de wenschen van ouders en knapen zich vrij regelmatig aan bij hetgeen als gewoon programma van elementair onderricht door ons reeds is besproken, althans indien wij daarbij in het oog houden, dat vooral de lectuur en de literaire ontwikkeling in het laatste decennium van devijfde eeuw en in den aanvang der vierde zeer waren uitgebreid. De polemiek, door Plato in zijnen „Staat” tegen de poëtisch-literaire opvoeding wegens hare eenzijdigheid en haren misleidenden invloed gevoerd richt zich nog wel in hoofdzaak tegen de oudere dichters; maar het is desniettemin niet lichtzinnig, te onderstellen dat allengs het onderwijs zich ook op dat gebied vrij wat uitbreidde. Naast de manlijke kloeke wijsheid van Solon’s elegieën en jamben, naast de weeke liederen van Mimnermus, de weelderige oden van Sappho, Tyrtaeus’ opwindende krijgszangen of de politieke vermaningen van Theognis moet wel spoedig de Anabasis van Xenophon of zijne Cyropaedie zijn gelezen; de meesten dier boeken zijn zeker wel bruikbare lectuur voor oudere knapen, doch niet voor jongens van acht of tien jaar!Maar met een voortgezet onderwijs van hoofdzakelijk literairen aard waren niet allen tevreden. Velen, die een uitbreiding der leerstof eischten, doch daarbij de niet ongewone dwaling begingen dat zij niet recht onderscheid meer maakten tusschen onderrichten en africhten, althans niet tusschen opvoeden en opleiden, trachtten zonder het oude programma omver te werpen hun doel te bereiken. Zij zetten eenvoudig naast het oude wat nieuws: naast de lagere wiskunde wat hoogere mathesis, naast eenvoudige grammatica wat syntaxis, als voortzetting van de rekenoefeningen wat astronomische theorie!Toch bleef die uitbreiding binnen de grenzen der school; d.w.z. zij gold slechts de voorbereiding tot algemeene beschaving. Levendig zien we dat geïllustreerd door de invoering van het teekenen. In de vierde eeuw begonnen de vaders elkaar meer en meer te vragen: „moeten onze kinderen niet leeren teekenen?” Voor de hand liggend schijnt die vraag niet. Nog in onzen tijd ontbreekt in het stelsel der humanistische opvoeding het teekenen. In ons gymnasiale programma vinden wij het noch als algemeen opvoedingsmiddel,noch als onmisbare voorbereiding voor hen die in hunne studiën de teekenpen dagelijks noodig zullen hebben. Maar de Atheners kenden in Plato’s dagen aan den invloed van het schoone in de opvoeding eene ruimere plaats toe. Hoezeer zij ook het boek over den Staat een utopie noemden, hun hart moest kloppen van trots om ’t geen zij bezaten en van hoop om ’t geen zij verwachtten, als zij Plato’s pleidooi voor de schoonheid lazen. „Wat dunkt u—zoo vraagt Socrates zijn toehoorders, in het vierde boek der Republiek—zullen wij kunnen volstaan met den eisch dat de dichters de beeltenis van de zieleschoonheid herscheppen in hun gedichten, of moeten wij ook toezien op hen die met de handen werken en er voor waken dat zij aan niets, dat in de ziel onedel is, aan niets, dat uit ongebondenheid, uit slaafsche onbeschaafdheid en onwelvoegelijkheid is geboren het aanzijn schenken, hetzij in de afbeelding van dieren en menschen, hetzij in gebouwen of andere werken van kunst. Immers, laten wij dat toe, dan zullen zij die wij wenschen op te voeden tot Wachters van onzen Staat, door al die afbeeldsels van hetgeen slecht is als door ongezonde spijs gevoed, terwijl ze dag aan dag bij kleine beetjes van alle zijden het kwade in zich opnemen, een groot geheel van slechtheid doen opwassen in hun eigene ziel, zonder dat wij dat hebben bemerkt. Neen, wij moeten zoeken naar werkers van het schoone, die met gezonden zin verstaan het karakter van hetgeen schoon en welvoegelijk is na te speuren, opdat onze knapen, als wonende in een gezonde streek, allerwege worden gebaat waar òf hun gezicht òf hun gehoor door de werken der schoonheid wordt aangeraakt, als waaide een luchtstroom hun te gemoet uit een oord van gezondheid”.Gelukkig de stad, waar een wijsgeer zulke woorden mag schrijven, in de rustige verzekerdheid dat geen wansmaak of machteloosheid in de kunst zijn rede maakt tot spotternij. En zeker schreef Plato niet voor doove ooren. De Athenershebben in de vierde eeuw niet geaarzeld om het voorbeeld van de kleine stad Sicyon te volgen, waar door den aandrang van een zeer bekende schildersgroep het teekenonderwijs op de lagere school was ingevoerd. Want de klimmende vaardigheid der schilders, vazen- en fresco-schilders beiden, en niet minder het gewijzigde karakter van de bouwkunst, waar het plastische, het schilderachtige de gestrengheid van den ouden Dorischen stijl meer en meer begon te verdringen, bracht toch zeker menig Atheensch vader die een’ vraaglustigen zoon op zijne wandeling meenam, dikwijls in het nauw. Als zijn jongen wilde weten, wat nu eigenlijk aan den Dorischen stijl van het Parthenon dien wonderbaren ernst geeft, en waarom de Corinthische kolommen de grens der gekunsteldheid naderen zonder die te overschrijden, dan kwam èn hem en weldra anderen die zich voor het onderwijs interesseerden—dat wil dus evenals in onzen tijd zeggen „allen”—de vraag op de lippen: „hoe zullen onze knapen de tempels en de statuen of wandschilderingen, die den trots onzer stad uitmaken, kunnen waardeeren, als zij nooit eens bij eigen pogen om eene lijn van schoonheid na te trekken, hebben ervaren hoevele kansen van dwaling liggen naast dien éénen smallen weg die goed is? En velen voegden daaraan toe: ook de bekoorlijkheid van de natuur en de schoonheid van hare levende schepselen verstaat het best wie getracht heeft die te benaderen met de punt van zijne teekenstift.De twijfel of het teekenen een propaedeutisch vak is of niet, toont reeds aan dat het op de grens ligt. Met steeds meer klem nu zal zich na de invoering van vakken als het teekenen de overtuiging doen hooren, dat een beschaafd man veel moet weten en een vader, die plichtbesef heeft, dus ook zorgen moet dat zijn zoon veel weet. Op het eind van dien weg zien wij in de verte den eisch derenkyklios paideia, de verbinding van hettrivium(grammatica, rhetorica, dialectiek)met hetquadrivium(arithmetiek, muziek, geometrie en astronomie).De Cynische wijsgeer Crates, ijverig leerling van den bekenden Diogenes, spot met deze overlading van vakken, wanneer hij de rampen van den schooljongen, die volgens hem een waardige inleiding vormen tot het door de beschaving misvormde menschen-leven, met zeer sombere kleuren schildert. „Arme jongen,” zoo roept hij, in eene boutade die veel navolging heeft gevonden, den Atheenschen schoolknaap toe: „Arme jongen! Eerst, toen je nog niet kon praten, legde je min je te slapen, als je schreeuwde van den honger; maar schreide je van slaap, dan wou ze je zoet houden met een rammelaar. Nu je aan die kinderrampen ontkomen ben, nu neemt de paedagoog je over, en de gymnastiekmeester en de schoolmeester en de muziekmeester en de teekenmeester. Wacht maar, straks volgen de rekenleeraar en de mathesisleeraar en de pikeur. En door die allen word je met de zweep geregeerd, vóór dag en dauw je bed uitgejaagd en nooit met rust gelaten.”Crates is een Cynicus en als zoodanig wel min of meer genoodzaakt, zoo niet op grond van hetgeen Antisthenes, de stichter dier secte geleerd had, dan toch als volgeling van Diogenes, de geheele schooleducatie af te keuren en openlijk te verkondigen, dat het dwaasheid was de jongens iets te leeren wat zoo weinig nut had als astronomie of muziek. Maar ook onder hen die minder onverzoenlijk tegenover de maatschappij van hun tijd stonden, was in deze dagen zoowel een verschil van inzicht als een ongelijkheid van behoeften ontstaan, die begon scheiding te maken tusschen de Atheensche vaders zoowel als tusschen de zoons. De conservatieven juichen Aristophanes toe, wanneer hij in een geestig geschikte doch brutaal eenzijdige scène van zijne Wolken de nieuwe en de oude Educatie zóó in debat tegenover elkaar stelt, dat al wat eerlijkheid, religie, vaderlandsliefdeen ingetogenheid mag heeten, staat aan de zijde van de oude Educatie, aan den kant van de nieuwe daarentegen het eigenbelang en de list, de begeerte naar genot en de diefachtige bekwaamheid om daartoe de middelen te verwerven! De ouderwetsche vaders wrijven zich bij zulk eene voorstelling in de handen: „Ziedaar een dichter die weet wat hij wil! Juist zoo, de mooie gezondheid, de echtesophrosyne, zelfs hun schoonen blos verspelen die knapen door dat samenhokken bij Socrates.” En thuis gekomen heet het tot den jongen die bedelt om „knap” te worden: „Naar de sophisten ga je niet.”Maar met een verbod alleen is tenslotte nooit een vader verder gekomen. Geen Atheensch vader kon er de oogen voor sluiten, dat hij een keuze moest doen, wilde hij niet zijn jongen na de jaren van de lagere school eenvoudig „los” laten loopen. Dat was niet alleen een eisch van zedelijken aard: ook het standsgevoel schreef het voor; en met Theages’ vader zei menigeen: „om het geld kan het me niet schelen;” daar men besefte dat het hier een eisch gold van politiek zelfbehoud. Athene wordt democratisch bestuurd, de democratie aanvaardt zonder aarzelen de consequentie van haar systeem, en in stijgende mate wordt dus ook aan de onvermogenden door presentiegelden en vacatiegelden de weg geopend om deel te nemen aan de regeering die allen toekomt. Maar desniettegenstaande werden de grenzen, die te Athene de standen onderling scheidden, na den Peloponnesischen oorlog scherper getrokken. Wél maakte de staatswet het voor iederen burger mogelijk, op zijnen tijd zelfs de hoogste staatsambten te bekleeden; maar de economische toestand vergunt dit niet aan allen.—Geweldig bleef intusschen de macht van de Volksvergadering, en van hem die haar kon leiden naar zijnen wil. En daarom was het alleszins begrijpelijk, dat in steeds breederen kring de kern der gegoede burgerij, ook bij dekeus van het voortgezet onderwijs, zocht naar de middelen om hunnen zoons de voorbereiding te geven, die hun in den strijd tegen „de mannen van de straat”, de gunstelingen van den Demos, op politiek terrein de overwinning kon bezorgen.Maar welken weg zullen zij daarbij inslaan?—Dat is eene vraag van hooger onderwijs, zal men antwoorden, en ten deele is dat waar. Doch in de hoofden en harten der Attische knapen zelf klonk die vraag toch ook. En zeker koesterden velen de begeerte van Theages: de Sophisten te hooren.Wat verwachtten zij dan toch van die Sophisten? Niemand teekent dat zoo levendig als Plato in zijn Protagoras. Hippocrates, de jonge, rijke Athener—hij is zeker ouder dan zestien jaar, maar mag ons toch als type dienen—brandt van begeerte om den grooten Protagoras te hooren. Driftig dringt hij bij het krieken van den dag binnen in Socrates’ slaapkamer en schudt dezen wakker met de blijde tijding dat Protagoras in stad is! Uiterst bereidwillig gaat Socrates met hem mee, om hem in het huis van Kallias aan Protagoras voor te stellen, onderweg hem op zijn rustige wijze, doch voorloopig zonder zichtbaar resultaat, aantoonend dat hij in zijne opgewonden begeerte naar de „knapheid”, die Protagoras als een „kleinhandelaar in geleerdheid” te koop biedt, verzuimd heeft te onderzoeken of hij inderdaad begeert op die wijze „knap” te zijn, en of Protagoras wel de man is die hem inderdaad wijsheid kan schenken.—De wijsgeer die alzoo de methode van Socrates tegenover de techniek der sophisten plaatste, heeft wel beseft dat zijne lezers, voorzoover ze behoorden tot de geestverwanten van den jongen Hippocrates, door dat korte gesprek niet van hunne begeerte naar de sophistenwijsheid zouden worden genezen. Daarom doet hij in het vervolg van den dialoog zoo duidelijk uitkomen, hoe hij die mannen der „parate kennis” beschouwt.—Wie het tooneel van Socrates’ en Hippocrates’ intrede in den kring der gasten van Kallias (dien Maecenas der moderne knapheid) eenmaal heeft gelezen, vergeet het niet licht: eerst Protagoras rondwandelend met den stoet van heilbegeerigen, Atheners en vreemdelingen, want ook vreemdelingen zijn hem gevolgd op zijne wegen, vastgehouden door het geluid zijner stem, gelijk eens de dieren, die Orpheus’ schreden volgden geboeid door de betoovering van zijn gezang. Dan Hippias—die Hippias die alles kon, zelfs zijne eigene schoenen maken—tronend op een hoogen zetel, terwijl hij aan de groep der mannen die op lage stoeltjes eerbiedig om hem heen zitten, de geheimenissen der astronomie openbaart. Eindelijk Prodikos, gemakkelijk uitgestrekt op een rustbank en met zijn zware stem aan zijne hoorders eene wijsheid meedeelend, waarvan alleen de gonzende nagalm de ooren van Socrates bereikt.Parodieën op de sophistenwijsheid geeft ons Plato in den Protagoras zoowel als in verscheidene andere dialogen, soms fijn en niet zonder waardeering hunner persoonlijkheid, zooals in den Protagoras, soms spottend bij het minachtende af, zooals in den Euthydemus, soms met vlijmender kunst, in fellen toorn, als in den Gorgias. En ofschoon nu deze bestrijding buiten den kring der jongenswereld ligt, gelijk ook het onderricht zelf derPlatonischeschool, de oorzaak van Plato’s verbittering ligt niet daarbuiten: zij geldt de luidruchtige sympathie met welke de jongelieden deze sophisten inhaalden.Want de sophistiek was een modeartikel. Wat beloofden zij eigenlijk, deze rondreizende leeraars, deze conférenciers, deze specialisten? Is het ons moeilijk op deze vraag een billijk en vooral een juist antwoord te geven, reeds de enthousiasten als Theages of Hippocrates hadden dat antwoord niet zoo gemakkelijk klaar, wanneer hunne vaders, een weinig ontzet over de hooge prijzen—Prodicus vroegƒ 25 voor een korte private instructie in het juiste gebruik der woorden—hen op den man af vroegen, wat nu eigenlijk die vreemdelingen hen kwamen leeren dat zij niet evengoed van hunne eigene meesters hadden kunnen hooren.Het antwoord was zoo moeilijk omdat de sophisten zooveel beloofden. Het duidelijkst klinkt die belofte in de algemeene termen van Protagoras: „wij voeden knapen op tot mannen” d.i. „wij leeren hen politiek inzicht, en dat doen wij op grond van onze ervaring”. Maar als de mannen van Plato’s richting zulk eene belofte hooren, dan trekken zij de weifelende vaders bij het kleed en zeggen: „Gelooft het niet te snel. Protagoras bedoelt niets anders dan dit: „Ik geef aan de jongens zooveel handigheid, dat ze over alles kunnen meespreken en daardoor geschikt schijnen voor de hoogste posities in den staat.”Er zullen vele vaders zijn geweest die in Plato’s waarschuwing juist een sterke aanbeveling der sophistiek zagen; zelfs als zij verder toeluisterden en hoorden hoe reeds Socrates hartelijk gelachen had, toen hij van den schatrijken Kallias vernam dat hij zijn zoons door Euenos van Paros had laten opleiden tot volkomen burgerlijke en politieke bekwaamheid voor de som van ƒ 250.—In den grond der zaak echter voorzag zeker—ook reeds het feit dat de sophisten zoo hooge honoraria konden bedingen bewijst dit—het sophistenonderricht in eene „bestaande behoefte”. En wat bij de groote verscheidenheid in onderwijs en karakter dezer buitenlandsche leeraars de kern van hun onderricht was, kan in hoofdzaak niet twijfelachtig zijn. De jongens wilden knap worden, ja, maar bovenal knap in het spreken. Protagoras’ theologische scepsis en Prodicus’ levensmoede ernst lieten hen waarschijnlijk vrij koel. Maar in den trant van Protagoras uit de filologische ontleding van een oud lied eigene wijsheid met smaakvolle eruditie toe te lichten; door de kunde van Prodicuste leeren hoe zwaar ieder woord weegt en wat men bereikt door uit het onderscheid van elk synoniemenpaar op te klimmen tot scherpe scheiding van alle begrippen; dan eindelijk al die oefening en die wetenschap tot leven, tot nieuw en schitterend leven te brengen door ze te vergulden en te louteren in de kunst van Gorgias—dat was het wat de jonge Atheners hoopten te leeren van de sophisten. Met andere woorden: zij begeerden te dingen naar de glorie der rhetoriek.Op zeer verschillende wijze hebben de mannen, wier woord op het gebied der opvoeding gezag had in het Athene der vierde eeuw, die sophisten-wijsheid bejegend. Van volgelingen der sophisten kunnen wij zwijgen. Dat die niet schaarsch waren, spreekt bij de toenemende macht des woords in de volksvergadering van zelf. Maar ook in de methode van hunne bestrijding openbaart zich een groot onderscheid. Plato, die juist de rhetoriek, de kunst van het woord als middel van overreding, met bitterheid haat, kent geen genade tegenover Gorgias, den Sophist van Leontini. Er is wellicht geen enkele onder Plato’s dialogen, waar op zoo onverbiddelijke wijze de vijand in het nauw wordt gedreven als de Gorgias. Want het is er Plato om te doen geweest, als het ware ten aanhoore van alle Atheensche vaders die een’ „Theages” thuis hadden, den sophist zelven te laten erkennen dat inderdaad de kunst die hij aanprijst slechts eene kunst om de dingen aannemelijk te maken mag heeten, niet eene wetenschap die zoekt naar de waarheid, dat dus voor de rhetoriek—wier terrein de kring der onbevoegden, immers de volksvergadering, is—zaakkennis overbodig is, dat scherp onderscheiden tusschen zedelijk goede en zedelijk slechte dingen niet door haar wordt nagestreefd; kortom, dat zij eene kunst is als die van den kok en den confiseur, of den coiffeur zelfs, d.i. eene schijnkunst.Dialogen als de Gorgias hebben een element van onbillijkheidin zich, dat gewoonlijk aan jonge lezers van onzen tijd veel eerder in het oog valt dan de hooge dialectische waarde der bewijsvoering. Gorgias en zijne medestanders worden door hun geestigen bestrijder al te onbarmhartig uitgekleed, en dat nog wel uit een plunje die hij zelf hun had aangetrokken. De aanleiding echter van die verbitterde vijandschap zal zeker wel hierin zijn te zoeken dat, ook nadat de eerste, grootste Sophisten reeds lang uit Athene waren verdwenen, de utilistische, karakter-ondermijnende africhtings-methode, die in den Gorgias wordt gegeeseld, bleef heerschen in het voortgezette onderwijs.Maar indien dan nu een of andere tegenhanger van Theages eens niet tot zijn vader had gezegd: „ik wilknap”, doch „ik wilwijsworden”, zou dan op het verzoek van zulk eenen vader Plato hebben geantwoord: „zend hem maar bij mij”?Men stelt het dikwijls zoo voor, alsof Plato, behalve den kring van volwassen of bijna volwassen beoefenaars der wijsbegeerte, in zijne Akademie een school van aankomende knapen zou hebben gehad, waar dan—om een betrouwbaren grondslag te leggen voor de studie der dialectiek—voornamelijk mathesis en logica zou zijn gedoceerd. Zeer zeker is die voorstelling in hare algemeenheid onjuist; want Plato, die geen geld voor zijne lessen aannam, heeft zonder twijfel nooit anders dan eene keur van jongens of jongelieden in zijne Akademie toegelaten. Die Akademie zelve is ook geenszins eene inrichting voor knapen. Toen Plato, even buiten Athene, zich een park kocht, bouwde hij zich zelven daar eene woning; hij vereenigde daar in eng aangesloten kring zijne volgelingen om zich heen, en toen hij stierf legateerde hij als fideïcommis de geheele plek, met schoolgebouw, Muzentempel en woningen, aan hem die zijn opvolger als scholarch was.Zoo is de Platonische Akademie eene fundatie geworden,eene op religieuze grondslagen gebouwde, en daardoor ook in hare eigendommen onaantastbare stichting, en zóó werd zij tevens eene particuliere inrichting van onderwijs.Maar eene school voor knapen was die Akademie—zooals wij haar kennen—niet. De vrienden, voor wie Plato op zoo onnavolgbare wijze in zijn Symposion de roeping der wijsbegeerte heeft geteekend, de genooten der Akademie die aanzitten aan de gemeenschappelijke maaltijden, uit hun midden een bestuurder van den Muzentempel kiezen en straks een nieuwen scholarch, dat zijn geen knapen of jongelingen, maar volwassen beoefenaars der philosophie, tot eene vast aaneengesloten corporatie of secte, bijna zou men zeggen „eene gemeente”, vereenigd.En nu hebben om die engere groepen, eerst van Plato’s Akademie, straks van Aristoteles’ Peripatos, zich zeker van den beginne af wel langzamerhand scharen van jongelieden geschikt, aspiranten voor de eer der toelating, edelen-expectant van deze balye des geestes, jonge Atheners van goeden huize, vaak ook zoons van belangstellenden uit den vreemde, ja het is in verloop van tijd mode geworden, dat aanstaande geleerden, dichters of zelfs politici een tijdlang te Athene kwamen studeeren; maar ook deze jongelui—voor welke gaandeweg de onderrichtingsvorm van het Socratische gesprek zich wijzigde tot dien van eene geregelde voordracht—waren geene knapen, doch jonge mannen, die zonder eenige grootspraak kunnen zeggen, dat zij te Athene de colleges van een professor in de philosophie hebben gevolgd.Deze toestanden voeren ons buiten den kring der knapen van de vierde eeuw, ofschoon ook toen reeds de jonge volgelingen der Akademie te Athene bekend genoeg waren, inzonderheid door de voornaamheid van hun optreden, de buitengewone verzorgdheid hunner kleeding en hunne aristocratische afzondering. De eigenlijke scholen van voortgezet onderwijs echter moeten wij zoeken bij mannen als Isocrates.Isocrates! Voor velen onzer tijdgenooten is de naam van dezen „volmaakten stilist” alleen reeds voldoende om hun de langwijligste uren uit hunne worstelingen met het „moeilijke Grieksch” te binnen te brengen en hen met wrevel te vervullen. En inderdaad, de verzameling oraties ons van zijne hand bewaard, hebben in de onkreukbare gladheid harer perioden, iets zeldzaam irriteerends. Ook komt het dezen rhetor niet ten goede, dat het lot zijne gekunsteldheid heeft geplaatst tusschen den bevalligen eenvoud van Lysias en Demosthenes’ gespierden hartstocht, terwijl de mededeeling van den ijdelen woordkunstenaar, dat hij meer jaren had noodig gehad om zijne groote Lofrede op Athene te voltooien dan de Grieken hadden gebruikt om Troje te veroveren, weinig geschikt is om onze sympathie voor dien Panegyricus van zoo langen adem wakker te maken.Maar vele van de eigenschappen, die Isocrates als schrijver ongenietbaar maken, komen hem als leeraar ten goede. In de eerste plaats die nooit falende juistheid van woordenkeus, dat zeldzaam fijne gehoor, die vaste tact in het schikken der woorden, die hem voor het practisch onderwijs in de rhetorica zoo bij uitnemendheid geschikt maakte. Want het was inderdaad rhetorica die hij onderwees; al noemde hij zelf het philosophie. Immers noch het dialectisch zoeken naar eene vèr boven het begrip der jongelingen zwevende waarheid—de „onvruchtbare” bezigheid der mannen van de Akademie—noch de gevaarlijke spitsvondigheden der Sophistiek konden—zoo meende hij—Athene’s jongelingschap op den juisten weg brengen. Dat vermocht naar zijne overtuiging alleen de rhetoriek, gegrondvest op eene propaedeuse zooals slechts zijne school die geven kon.Ons klinkt die belofte als eene zonderlinge grootspraak. De welsprekendheid heeft in onzen modernen staat bijna overal—alleen nog niet tegenover de massa des volks—haren voornaamsten invloed verloren. Maar wanneer wij bedenken hoe ontzaglijk hare macht was te Athene, het Athene der volksvergaderingen en der gerechtshoven van gezworenen, dan verbaast het ons niet dat vele Atheensche vaders, of uit eigen beweging, of gehoorgevend aan den aandrang van een zoon die „vooruit” wilde, de in meer dan één zin „kostbare” leiding van den grooten leermeester inriepen. Zelfs al waren die knapen niet bestemd voor de balie, of geroepen om het volk te leiden, het programma van Isocrates’ onderwijs beloofde veel goeds. Inleiding tot zijne school vormt het geheele lager onderwijs met de muzische en de historische studie, en op den grondslag dezer elementaire ontwikkeling plaatst hij als bekroning van geheel de opvoeding zijne philosophische rhetorica.In den grond was deze philosophische rhetorica niet veel anders dan de literair-historische opvoeding, wier eenzijdigheid Plato zoo aanhoudend had bestreden. Zij putte uit de geschiedenis van het voorgeslacht hare kennis van de ontwikkeling der menschheid, van de goddelijke rechtvaardigheid, van den burgerplicht, van de menschlievende beschaving. Zij deed dat met ernst en met zekere overtuigingskracht, want haar leermeester was niet alleen een man van groote geleerdheid, maar ook een man van politieke standvastigheid en van ruimen blik in de staatkundige verhoudingen zijner stad. En als rhetor èn als leeraar der rhetoriek dwingt deze idealist ons tot eerbied om de reinheid zijner overtuiging, om zijn geloof in de mogelijkheid van een terugkeer tot de oude tijden—te eenzijdig doch met groote zeggingskracht door hem verheerlijkt—en eindelijk om zijn vertrouwen op de zedelijke kracht der rhetorica, zooals hij die onderwees. Want dit was de grondstelling van zijn idealistisch programma: De roeping der rhetorische studie is, dengene die haar beoefent, te vormen tot een gids voor zijne medeburgers: wee dus den leermeester, dievan de edelste kunst een onedel werktuig maakt, en door zijn onderwijs den leerling het gevaarlijke pad wijst, dat voert naar een politieke macht, die op andere grondslagen berust dan loutere en waarachtige burgerdeugd.Het is moeilijk te zeggen, in hoeverre diegenen onder de leerlingen van Isocrates, wien het niet zoozeer te doen was om technische vaardigheid in het spreken, als wel om hetgeen wij zouden noemen de afronding hunner elementaire, zoowel muzische als literaire opvoeding, bevrediging in zijne lessen hebben gevonden. Wat hij hun heeft willen geven, is duidelijk genoeg. Niet de schijnbeschaving of de handige improvisatiekunst der sophisten, maar het rustig zelfvertrouwen, dat de eigenschap is dergenen die eene vaste kennis hebben, en daarbij de zekerheid dat zij daarvan kunnen meedeelen, wèl luidend, omdat hunne stemorganen, en welbehagelijk omdat hunne vrijmoedigheid is geoefend.Dat recept is bevredigend. Maar hoe was de uitwerking? Isocrates zegt herhaaldelijk dat zijne leerlingen hem zeer lief hebben gehad, en wij hebben niet het minste recht dat getuigenis in twijfel te trekken. Maar het is niet het zelfde een leeraar lief te hebben, en zijn onderwijs te waardeeren. Waarlijk, indien wij naar de uitwerking zijner epideiktische redevoeringen op onze eigene leerlingen onze meening over den smaak der Attische knapen mogen vormen, zal menige Athener van zestien jaar gehunkerd hebben weer vrij te komen van het vurig gewenschte en duur betaalde schoolonderricht van Isocrates. Niet in de eerste plaats om het eentonige van de wetten der techniek, want al werkte het voorschrift van al die beproefde zinsformaties, het opbouwen van die hecht ineengevoegde periodes, het toepassen van die vaste rhythmen, als welluidend aangeprezen, doodend op de individueele scheppingskracht van menigen hoorder, het fijn ontwikkelde schoonheidsgevoel van den meester opende toch zijne oorenen zijn gemoed voor eene waardeering van het proza, die hem wellicht zou in staat stellen om nieuw leven te brengen in de literatuur. Maar juist in hetgeen feitelijk behoort tot de groote deugden van den conservatief, ging deze man van nooit versagende welsprekendheid te ver. De vereering der voorvaderlijke zeden, de lofprijzing der daden van het voorgeslacht, de verheffing van Athene’s heerlijkheid verloor, ondanks de oprechtheid van den redenaar, door hare eindelooze herhaling niet weinig aan overtuigingskracht.Het is—alles bijeen genomen—geen wonder, dat in de vierde eeuw zoowel de Atheensche vaders als hun zoons iets anders begeerden naast dit louter theoretische schoolonderricht. Bovendien: met een nadruk die deze idealistische opvoedingsmethode overstemde, liet zich een nieuwe eisch hooren. De les, door een goed deel van Athene’s burgers uit den noodlottigen oorlog met Sparta getrokken, was deze, dat tegenover de wisselzieke politiek van de democratie eene sterke aaneensluiting van het behoudend deel des volks, een nauwkeurig en streng disciplineeren deraristocratischejongelingschap noodig was. Uit dit beginsel ontstond nu in het laatste vierendeel der vierde eeuw een stiptere regeling—en wel eene regeling van staatswege—van het instituut der Ephebie.Wie den naam „Epheben” hoort, denkt het eerst—en te recht—aan die reeks van jongelingen met slapgerande hoeden en fladderende ruitermantels die, gezeten op hunne typische kortnekkige Attische paardjes, in vluggen steigerenden gang ons voorbij snellen op de fries van het parthenon. Zoo goed als later, zijn deze epheben jonge soldaten en dus burgers in staatsdienst en onder staatstoezicht, en wij weten zelfs dat in de vijfde eeuw door de studentikoze dartelheid dezer jonge cavaleristen het staatstoezicht van tijd tot tijd eenige versterking heeft noodig gehad. Maar tegen heteind der vierde eeuw, d.i. in den tijd toen Athene meer en meer hare zelfstandigheid zag verminderen, is dat staatstoezicht hervormd tot eene staatsregeling, waardoor de ephebie als het ware de kroon moest zetten op de vorming van den jongen Athener van voornamen huize. Daarom verdient zij hier onze volle aandacht en zou het onredelijk zijn, op grond van de overweging dat ephebenleven geen knapenleven is, in onze schets de ephebie ter zijde te laten.Epheben zijn letterlijk zij, die de periode van de manbaarheid zijn ingetreden, dus den leeftijd van zestien jaar hebben bereikt; maar in politieken zin worden daaronder verstaan die dienstplichtige jongelieden van 18–20 jaar, die door een onderricht onder staatstoezicht en grootendeels van staatswege gegeven, worden gevormd voor den hoogeren militairen dienst.Zoo erkent dus—na den knaap langen tijd schijnbaar uit het oog te hebben verloren—de staat van Athene den achttienjarigen jongeling als medeburger. Maar niet zonder gewichtige formaliteiten.Met spanning heeft zeker de zeventienjarige, van de beteekenis der burgereer door het onderricht van de laatste jaren zoo diep doordrongen, de maand Pyanepsion (Oct.–Nov.) zien naderen. In die maand komt de phratria tot welke zijn vader behoort bijeen, om het zeer heilige feest der Apaturiën te vieren, een feest dat jaarlijks in den nazomer, als ook de zeevarenden weer thuis zijn en ter gemeentevergadering verschijnen, door plechtige offers aan den beschermgod Apollo, krachtiger dan eenig feest bij de stamgenooten het gevoel verlevendigt dat zij tot één geslacht behooren. De derde dag van het feest geldt bijzonder den aanstaanden Ephebe. Hebben niet reeds vroeger, kort na zijne geboorte, de leden der phratria bij zijne voorstelling beslist over zijn recht tot erkenning, dan geschiedt dit thans. Ouderwetsche plechtigheid, zeer geschikt om indruk op hem te maken,kenmerkt de gansche handeling. Eerst ziet hij zijn vader met de rechterhand het altaar van Zeus aanraken en hij hoort hem onder plechtigen eed de verzekering afleggen van zijne wettige geboorte; dan volgt de geheime stemming van de evenzeer onder eede staande phrateres, en eindelijk, als de afloop dier stemming gunstig is, brengt hij met zijnen vader voor de phratria het heilige offer datkoureionheet, omdat dien ochtend het scheermes zijne lange jongenslokken heeft afgesneden. De dag blijft verder een feestdag, want van zijn offer en dat zijner genooten worden aan de leden der phratrië, als onthaal, stukken offervleesch gebracht.Is hij nu burger? Hoe zou dit, daar immers de phratrië wel een religieus-historische gemeente doch geen organiek deel van het Atheensche volk uitmaakt! Zonder de erkenning door de phratriën ware iedere verdere erkenning onmogelijk, doch deze opent hem nog slechts de poort om tot de tweede keuring te worden toegelaten.Eenige maanden nl. na de koureotis, in Juli, vóór den aanvang van het Attische ambtsjaar, komen de leden van den Demos zijns vaders bijeen. De demen zijn de districten in welke het geheele Attische gebied is verdeeld. Bij de eerste indeeling van land en bewoners in—toenmaals honderd—demen, woonden dus natuurlijk alle leden van eenzelfden demus bij elkaar. Maar daar het lidmaatschap van een demus niet wisselt door verhuizing, geraakten gaandeweg de leden van eenzelfden demus verspreid over de andere districten, en ontstond eene niet ongewenschte vermenging van parochiale en nationale belangen. Want ieder blijft stemmen in zijn ouden Demos. Gestemd—en onder eede gestemd—wordt nu ook over den aanstaanden burger in den demos. Hij vraagt zich wellicht af, op welken grond en onder welken eed die demoten nu nog weer gaan overdoen, wat de phratrië reeds zoo zorgvuldig heeft gedaan. En de phrateres kennen althans zijnen vader persoonlijk; ze zijner om zoo te zeggen bij geweest, toen zijn vader zijne moeder trouwde. Maar wat weten de demoten, in wier district hij misschien niet eens woont, van de geheele zaak?Maar—wie onder de adspirantburgers alzoo spreekt, heeft zeker niet in de jaren die achter hem liggen de pleitlessen van een advocaat als Isaeus gevolgd, en te huis weinig gehoord van de hardnekkigheid waarmee bij de erkenning als burger bedrog wordt gepleegd. Dat van tijd tot tijd de phratriën in haar geheel eene zuivering tot uitstooting van alle onrechtmatiglijk ingedrongene leden houden, bewijst wel dat er voor eene contrôle van staatswege door de demoten aanleiding was. Voor wie te Athene woont is het burgerschap om politieke, sociale en religieuze redenen zéér veel waard—ook wel een douceur aan de stemhebbende phrateres. Zoo hebben dus de demusleden alle reden om scherp toe te kijken, en lichtvaardig schijnen ze niet tot verwerping te zijn overgegaan. De redenaar Aeschines althans verklaart, dat hij steeds sterk onder den indruk is van den ernst dezer rechters en niet twijfelt, indien hij ten opzichte van een of anderen man hoort verklaren: „Zie hier, dezen hebben de demoten op eer en geweten verworpen als burger.”Onzen knaap verwerpen natuurlijk de demoten niet: zijne stukken zijn in orde, en hij heeft zijne jaren. Toch zal dit laatste nog in een officieel onderzoek voor den Raad der Vijfhonderd worden vastgesteld. Voor het eerst in zijn leven treedt dus de jonge achttienjarige het gebouw binnen, waarin de gewichtigste besluiten van zijnen Staat worden voorbereid. Achttien jaren is hij en hij toont ze; het staat dus niet te vreezen dat hij, zooals de term luidt: „tot de knapen zal worden teruggezet”.Maar minder dan zijn eigene positie van heden, zal hem hier in het Raadhuis, voor welks opengewerkt hek hij zeker wel eens naar binnen heeft gegluurd als er zitting was, de gedachte aan zijnetoekomst vervullen. Nog weinige jaren en het lot zal ook hem kunnen aanwijzen om voor een jaar zitting te nemen in de rij dergenen die hem thans met keurend oog aanstaren.Maar deze plechtige zitting duurt niet lang: hij is goedgekeurd; zijne inschrijving in het demos-boek, die hem alle rechten van het volle burgerschap verleent, is hier bekrachtigd. Als vrij burger van Athene treedt hij uit het Raadhuis; straks wordt hem de ephebenhoed met slap neerhangenden rand op het hoofd gezet, de korte ruitermantel wordt hem omgeslagen; hij is Ephebe.Het allereerste gevolg van deze bevordering is, dat hij nu voor het eerst van zijn leven niet slechts feitelijk, gelijk voorheen, maar ook wettelijk zijne vrijheid kwijt is. Hij is volstrekt onderworpen aan de militaire en civiele autoriteiten, en de samenwerking dezer beiden zal hem zijn ridderslag als afgeëxerceerd en afgestudeerd burger na twee jaren geven. Zijn vader en diens stamgenooten hebben de zaak van deze voorbereiding lang niet luchthartig opgevat: dank zij hunne zorgen is zijne Ephebie thans nauwkeurig gereglementeerd. Vermoedelijk is die regeling wel voor een deel het gevolg van de alles behalve rustige wijze waarop de jonge lieden hunne eerste militaire plichten plachten te vervullen in de vervlogen jaren, toen Aristophanes hun prachtcorps, schitterend, gezien bij de dames—en aanmatigend alsDuitscheCorpsbrüder „in Mütze und Kanonen”—op het tooneel bracht.Thans komen de vaders stamsgewijze bijeen, d.i.ieder in die van de tien phylen (stammen) waartoe zijn demus behoort, en zij zoeken te zamen, iedere groep vaders dus uit zijne eigene phyle, drie, d.i. samen dertig mannen boven de veertig jaar, die zij èn het meest achtenswaard èn het meest geschikt achten om met jongelieden om te gaan, en uit die drietallen wijst dan de volksvergadering, door het gemoedelijk vertrouwen der wetgevende macht van den Demos zelfs in deze zaak als hoogst bevoegde geëerd,tien sophronisten of zedemeesters aan, terwijl ten slotte een kosmeet of ordenaar de opperleiding aanvaardt.Met de hedendaagsche begrippen omtrent de vrijheid van achttien- tot twintig-jarigen en omtrent de wenschelijkheid eener geleidelijke oefening in zelfstandig handelen strookt zeker deze instelling niet; maar wij kunnen uit tal van opschriften zien, dat de Atheensche volksvergadering met de nieuwe, strenge organisatie zeer ingenomen was. Hebben de jonge burgers zich behoorlijk gedragen, zijn ze gehoorzaam geweest aan hunne sophronisten, hebben zij in onderworpenheid aan den kosmeet hunne militaire diensten vervuld, dan worden er onmiddellijk eeredecreten voor hen opgesteld; zij worden bekroond, de schermmeesters, de gymnastiekmeesters worden bekroond, de sophronisten worden geëerd door een gouden krans. En opdat de herinnering aan zooveel burgerdeugd niet spoorloos zou voorbijgaan, wordt het verslag hunner voortreflijkheid gebeiteld in onvergankelijk marmer.Het ligt voor de hand een oogenblik te glimlachen over eene inrichting, die ons zoo weinig in overeenstemming schijnt met de behoeften en wenschen vanachttienjarigen. En toch—wie in de kosmetenzaal van het Atheensche museum een enkel half uur vertoeft, om eens rustig te kijken naar de rij van Attische kosmeten—zij ’t dan ook grootendeels uit lateren tijd—welke aan deze zaal haren naam geeft, hij zal niet heengaan zonder den indruk mee te nemen dat hij een oogenblik heeft vertoefd in een gezelschap van ernstige, beminlijke mannen, paedagogen in den beteren zin des woords, en dat de Atheensche jongens, die waarlijk in hunne schooljaren de sophrosyne hadden leeren hoogschatten, de leiding van zulke sophronisten eer zullen hebben gezocht dan geschuwd. Waarom zou niet menig Attische jongen in den overgang van het schoolleven met zijne gebondenheid en van het huislijk leven metzijne intieme gewoonheid tot de hem nog zoo weinig vertrouwelijke vormen van een zeker niet over-zachtzinnig kamp van jonge recruten zich gaarne hebben neergezet naast dien ouderen vriend zijns vaders, dien man van aanzien in de phyle, die den verleden roem van hunnen stam kan verhalen, de eerezuilen aan hem toonen kan die de namen hunner helden bewaren, hem de campagnejaren beschrijven, in eigen jeugd met de ouders der tegenwoordige leerlingen doorgebracht? Mij dunkt, de meesten onzer hebben ook wel zulk een oom of zulk een vriend huns vaders gekend, aan wien zij bij tijden en in sommige zaken nog gemakkelijker hun vertrouwen schonken dan aan hun eigen vader.Een zoodanige verhouding kon te gemakkelijker tusschen de epheben en hun sophronist ontstaan, omdat de sophronisten als het ware gedelegeerden waren met een algemeene opdracht. Het militaire commando was in handen van den strateeg, want de epheben zijn recruten; zoodra dus de troep in garnizoen is op een of ander vast punt, staan zij onder de bevelen van den plaatselijken commandant en—militair gesproken—niet van den sophronist, ofschoon hij zeker aanwezig is en niet minder zeker gehoorzaamd wordt. Hij zelf gaat blijkbaar met de compagnie mee. Immers uit de staatskas ontvangt de sophronist voor zich zelven eene drachme en voor ieder zijner epheben vier obolen (d.i. ⅔ drachme), en voor die soldij schaft hij alles aan voor de tafel, benevens hetgeen verder in de ménage noodig is, daar tot betere aankweeking van den corpsgeest de epheben gezamelijk, stam aan stam, eten.Men zou kunnen vragen of niet, afgezien van de ideëele behoeften, hier boven geschilderd, naast de militaire overheden de sophronist vrij overbodig is. Het antwoord kan luiden, dat de Atheensche jongens—ondanks de zorg in het onderwijs aan hun sophrosyne gewijd—van aanlegzeker nog al onstuimig zijn geweest. In eene van Demosthenes’ oraties, die een klacht wegens mishandeling toelicht, is eene beschrijving van de wijze waarop jonge soldaten, sinds kort aan de ephebie ontwassen, zich tegenover kameraden van wellicht iets minderen stand gedroegen. Al schetst de redenaar een uitzonderingsgeval, en al overdrijft hij dat misschien, toch doet zijne teekening een merkwaardig licht vallen op de alles behalve straffe tucht, welke in een Grieksch legerkamp kon heerschen in de jaren die aan de nieuwe regeling der ephebie voorafgingen.„Het is nu twee jaar geleden”, zoo laat Demosthenes den eischer zijne lotgevallen verhalen, „dat ons regiment werd opgecommandeerd om een post bij Panakton te betrekken. Nu kregen de zoons van Konon, mijne tegenpartij, hunne tent vlak bij de onze—geenszins naar mijn wensch, want oorspronkelijk is onze vijandschap uit dat feit en uit de botsingen, die daarvan het gevolg waren, ontstaan. Zij hadden de gewoonte, geregeld, onmiddellijk na hun eersten maaltijd hun drinkgelag te beginnen, en dat den ganschen dag voort te zetten, en die gewoonte hielden ze vol zoolang als we daar in garnizoen gelegen hebben. Wij van onzen kant gedroegen ons daarginds echter op geene andere wijze dan wij in de stad gewoon waren. Als nu voor de andere soldaten de tijd aanbrak om voor het middagmaal te zorgen, dan was het meestal met hen wel zoo ver, dat zij in dronkenschap allerlei onbehoorlijkheden begonnen te bedrijven, meest tegen onze bedienden, maar tenslotte ook tegen ons zelven. Want onder de bewering dat onze slaven bij ’t vleesch braden hen in den rook zetten, of dat ze hen uitscholden, of wat dan ook, sloegen ze er op los en smeten hen met vuiligheid, of ze deden nog erger, want eigenlijk was er geen onbeschoftheid of onbehoorlijkheid die zij niet bedreven. Toen wij dit nu zagen en er natuurlijk ergernis van hadden, onderhielden we hen eerst er over; maar daar zijons hoonden en niet ophielden dezelfde onbehoorlijkheden te bedrijven, hebben we eindelijk—geenszins ik alleen zonder de anderen, maar onze tafelgenootenen corps—de zaak voor den strateeg gebracht. De commandant berispte hen streng en bestrafte hen niet alleen wegens hun wandaden ten opzichte van ons, maar ook wegens hun geheele gedrag in het kamp. Evenwel, verre van zich daarover te schamen of een eind aan hun onbehoorlijkheid te maken, kwamen zij dien zelfden avond, zoodra het goed donker was, bij ons binnendringen, en na ons eerst uitgescholden te hebben begonnen ze mij af te ranselen en veroorzaakten ze zooveel geschreeuw en lawaai om onze tent heen, dat de strateeg en de compagniecommandants en eenige van de soldaten kwamen aansnellen, die gelukkig verhinderden dat ons eenig onherstelbaar leed overkwam of dat wij, door hen in hun dronkenschap mishandeld, hun iets aandeden dat niet meer ongedaan kon worden gemaakt....”De gevoelens waarmee de rechters deze rede, omstreeks 340 gehouden, hebben aangehoord, kunnen wij ons zonder moeite voorstellen. Zeker, ze zullen onder ’t luisteren naar deze schets van ’t garnizoensleven wel even zich aan ’t genot der herdenking van eigen ondeugendheden hebben overgegeven; ze zullen bij den voortgang van het pleidooi den jongen, braven pleiter, die hun van zijne deugden geene verzwijgt, wel min of meer een sukkel zijn gaan vinden; onverdiend vonnis misschien, maar niet onbegrijpelijk! Doch zonder twijfel zullen ze tevens hebben gedacht: „met jonge mannen als de zoons van Konon kunnen wij Philippus niet weerstaan; en kampen als dat van Panakton vernietigen alle discipline. Sophronistentoezicht op onze epheben kan dien toestand althans voor den aanvang der militie en voor de kern onzer jongelingschap verbeteren”.De werkzaamheid van den kosmeet en de sophronisten, die aanvangt terstond na hunne benoeming, opent deephebie op zeer karakteristiek Atheensche wijze. Optochten behooren in het algemeen tot de onontbeerlijkste genietingen van dit volk, dat gaarne vertoont en gaarne toekijkt. Maar de optocht die dezen dag wordt gehouden, heeft een eigenaardige beteekenis. De epheben worden namelijk in plechtigen rondgang door hunne bestuurders geleid door de stad „langs de heiligdommen der Goden”. Alsof thans voor het eerst de omheining wegviel die den zedigheidsweg der schoolgaande knapen afscheidde van het algemeene stadsverkeer, zoo gaan zij nu onder hunne sophronisten overal rond. Natuurlijk wordt—in de vierde eeuw!—hier niet de schijn gehandhaafd, als zouden deze jongens nooit vóór dezen de propylaeën hebben bestegen, nooit de oogen hebben opgeslagen naar de majesteit der Olympische goden, rustig tronende op de gevelstukken van het Parthenon. Hunne vaders hebben het ook niet nagelaten hen mee te nemen naar de Acropolis en hun de heerlijkheid van Phidias’ tempel te toonen, hen te wijzen op de gratie der karyatidenhal, hen in hun jeugd te brengen voor de geweldige statue van Athene Polias. Zeker, er zijn in den stoet die daar onder de sophronisten voortmarcheert, niet velen die den optocht der Panathenaeën nooit hebben zien gaan langs den heiligen weg over de burcht, die nooit in de Propylaeën hebben staan turen naar de schoonheid van de Aphrodite Sosandra, die nooit langs den Ilissus hebben gewandeld en den tempel van Aphrodite „in de Tuinen” zijn binnengetreden. Weinigen hunner zullen zeker heden voor het eerst staan voor het altaar van de Twaalf Goden op de markt, dat het middelpunt is van het geheele religieuze leven der Atheners. Maar de epheben zien dat alles op dezen dag met andere oogen. Het is alsof heden hunne stad hun voor het eerst wordt voorgesteld en wel als een stad „vol van de goden”. Maar tevens, terwijl zij voortgaan van altaar tot altaar, langs dentempel van Apollo Pythios, langs het onvoltooide reusachtige heiligdom van Zeus den Olympiër, langs het altaar van Artemis Agrotera—langs al die plekken, wier historische en religieuze beteekenis hun vaders hen op zoo menige stadswandeling hebben doen verstaan, beseffen zij ook dat die rondgang nog iets anders beteekent. Niet alleen worden hun de goden getoond, niet alleen zegt de tocht zelf tot hen: „Jonge Atheners, ziet hier uwe stad. Godsdienstiger zijn er weinige in Griekenland, schooner in hare religie is er geene—beschermt haar en bewaart hare eere!” Maar bovendien,het is hun alsof, op den dag zelven die hen in zekeren zin losmaakt uit de voogdij van hunnen vader, de sophronisten hen opdragen aan eene hoogere voogdij, aan de bescherming der goden die Athene hebben grootgemaakt.De epheben zijn nu na dezen rondgang soldaten, maar men doet het best ze te beschouwen als boven de formatie: in eigenlijk actieven krijgsdienst zijn ze niet, want ze moeten nog allerlei leeren. Crates of een ander anti-militaristisch philosoof moge hen daarom beklagen, hoogstwaarschijnlijk zullen ze dat zelf niet doen: het onderwijs, dat hen wacht bij de van staatswege aangestelde paedotriben, bij den schermmeester, bij de mannen die hen het boogschieten, het speerwerpen, de bediening van de katapult zullen leeren en hun eindelijk de lessen in het zwemmen en ’t paardrijden zullen geven, wat is het voor hunne jonge levenskracht anders dan een lust?Niet meer naar de palaestra voert hen nu de paedotribe, maar naar de gymnasia, naar de schoongelegen Akademia, naar het Lycëum, of elders, waar technischer en strenger de oude oefeningen worden voortgezet. Natuurlijk geldt het hier in de eerste plaats herhaling van al datgene, wat bevorderlijk is voor deeuandria. Want eukosmia en euandria zijn nu eenmaal de eigenschappen die de Atheners in hetuiterlijk van hunne zoons bovenal willen terug vinden: euandria, de evenredige ontwikkeling van alles wat aan het jonge mannenlichaam bevallige kracht en weerstandsvermogen geeft, en eukosmia, die rustige zelfbeheersching die evenver verwijderd is van te zelfbewust pronken met eigen schoonheid als van de onhandige verlegenheid door welke de schroomvallige elke houding en iedere beweging ontsiert.—Het onderscheid van deze gymnasiumoefeningen en de oude palaestra-lessen ligt natuurlijk voornamelijk in de verzwaring, meer dan in de verandering der werkzaamheden. Zoo bijv. in het zeer geliefde oefenspel met denkorykos, den Romeinschen follis, den windbal dien wij in het Engelsche sport alspunchballkennen. Men hing in de Atheensche gymnastiekscholen dien bal aan den zolder op; bij de eerste oefeningen was hij met lucht gevuld, doch voor het ephebenspel eerst met kaf of gerst en straks met zand; ook nam men naar gelang van toenemende kracht en leeftijd grooter model van bal.—De bal hangt juist op de hoogte van den buik des gymnasten. Deze tilt hem op, werpt hem in de hoogte, grijpt hem in de vaart, wacht hem af als hij komt aansuizen, om hem dan met een stevigen vuistslag af te weren of door handig duiken te ontwijken, kortom hij doet den bal draaien en tollen en zwaaien, juist zooals hij wil, om hem daarna door een handig toegepast geleidelijkritardandovan zijne vuist- en palmslagen juist op het oogenblik dat hem dit wordt bevolen weer stil te doen hangen.Voor het pijnlijk en stalend boksen, dat in de palaestra nauwelijks kan zijn beoefend, is dit spel met den hangenden bal eene uitnemende voorbereiding. Intusschen zal ook hier het vuistgevecht, door den paedotribe geleid, wel alleen in den meer eenvoudigen vorm en zeker niet op de bloedige wijze van de Homerische helden of zelfs van de athleten, door Hellenistische dichters beschreven, zijn behandeld. Indezelfde gymnasia kunnen de Atheners getuigen zijn zoowel van de bloedige stooten die twee beroepsathleten,in trainingvoor de Olympische wedstrijden, elkaar toebrengen met hunne met ijzer beslagene handschoenen als van den ephebenstrijd. Deze geschiedt alleen met vuistriemen, die de vingers en de vuist bedekken en dus wel, terwijl ze deze beschermen, de pijnlijkheid van den slag verhoogen, maar niet de kans vermeerderen dat een bloedige wond wordt geslagen.Aan den leider dezer oefeningen wordt zonder twijfel overgelaten, waar hij de grens tusschen de voorbereidende militaire werkzaamheden der epheben, en de beroepsstudiën der athleten meent te moeten leggen, en wij behoeven er geen oogenblik aan te twijfelen of hij heeft dat met nauwkeurig overleg geregeld. De „quaestie der gymnastiek” is van Euripides’ dagen af bij de Atheners eigenlijk nooit van de baan geweest. Zoowel de hygiënische zijde als de sociale, en zelfs de politieke, geeft aan mannen als Plato en Aristoteles uitvoerige beschouwingen in de pen. Bedenken we nu dat de laatstgenoemde zeer ernstig de vraag behandelt, in hoeverre het aan de politieke positie van een staat kan ten goede komen dat hij geregeld uit de kern zijner burgerij athleten vormt om bij de groote nationale wedstrijden te Olympia en elders den naam van de vaderstad hoog te houden, dan kunnen we het waarschijnlijk achten dat de ephebenoefeningen in het gymnasium tweeledig waren: vooreerst die welke, als de balspelen, het springen, de hardloop enz., allen te zamen moesten opleiden tot militaire bruikbaarheid, en daarnaast die waarbij rekening werd gehouden met elks persoonlijken aanleg en lichaamsgesteldheid. Het is toch duidelijk dat een zware, groote kerel tot andere dingen kan worden bekwaam gemaakt dan een klein rap ventje!Het is de verdienste van een goed paedotribe zulk persoonlijkonderscheid vlug op te merken en er met onpartijdigheid in het belang van de epheben gebruik van te maken. Want al behoeven deze jonge Atheners niet juist voor den Olympischen wedstrijd te worden klaar gemaakt, toch heeft zonder twijfel op eenigen hunner de phyle waartoe zij behooren al lang het oog, om hem te doen „uitkomen” in een van de ephebenwedstrijden door welke de Atheners gewoon zijn hunne goden te verheerlijken. En niet minder dan de phyle heeft daarop de jongen zelf gehoopt. De gelegenheden om zich te oefenen hebben hem niet ontbroken: ook nadat hij den palaestra-cursus ten einde had gebracht, bleef hij daar een welkome gast, en na dien tijd staan de gymnasia voor hem open. Nu komt het er op aan, den paedotribe aldaar te overtuigen, dat zijn longen eene flinke capaciteit hebben, zijne borstkas de juiste welving bezit en zijne beenspieren stevig en lenig zijn. Dan zal hij—misschien met gedeeltelijke inkorting of wijziging van zijne militaire verplichtingen—worden aangewezen om zich met de andere uitverkorenen te presenteeren aan den zoogenaamden Gymnasiarchos, d.w.z. aan dien burger zijner phyle, aan wien door den tweeden archont, den Basileus, bij wijze van persoonlijke belasting de taak is opgedragen geworden om in dit jaar de zorg voor die jonge stamgenooten op zich te nemen, wien het vergund werd mee te doen aan den fakkelren op de Panathenaeën of op het Prometheusfeest.Ieder van die feesten heeft te Athene elementen van religieuzen aard in zich, die bij uitstek geschikt zijn om de overwinnings-blijdschap van zulk eenen jongen burger te vermengen met edeler en dieper aandoeningen, gedachten van hoogere orde dan de in ’t eind toch niet zeer diepgaande vreugde over het feit dat men sneller heeft geloopen dan anderen. Dat weet de ephebe, en hij kan het gevoelen wanneer hij mee is toegelaten tot den fakkelwedloop der Prometheia. Hij weet—want toen hij met zijnen vader inhet Dionysustheater de Prometheus-trilogie van Aeschylus zag opvoeren is het hem getoond—dat het altaar van Prometheus nabij den ingang der Akademeia een zeer heilig vuur bewaart, een spraak van de oorspronkelijke gave van God Prometheus, dat de straks te houden lampadedromia (fakkel-loop) de symbolische uitdrukking is van de zelfde daad der voortplanting van het heilige offervuur, welke door het Prometheus-verhaal mythologisch wordt verheerlijkt. Ook is de reden hem niet verborgen, waarom de fakkel straks van het Prometheus-altaar zal worden gedragen naar het groote altaar der stadsgodin op den burcht. Zoo goed als het huiselijke vuur met een brandenden tak van het huisaltaar behoort te worden ontstoken, moet ook de heilige vlam van het stadsaltaar in reinheid worden bewaard—en, voor zoover menschelijke aanraking haar mocht hebben verontreinigd, worden ontsmet—door contact met het outer van den vuurgod. Hoe sneller nu dat geschiedt, hoe minder kans dat bij de overbrenging de vlam iets van hare smetteloosheid zou verliezen. Vandaar de wedijver in den fakkelloop.Reeds is van te voren eene keuring geschied, die de phylenafdeeling aanwijst welke door lichamelijke schoonheid en door gratie van houding de hoogste eer schijnt waardig te zijn; maar als de maanlooze nacht is aangebroken begint de wedloop. Tien jongelingen—uit iedere phyle een—steken hun fakkel aan op het altaar van Prometheus, geen harsfakkels die in den wind van zelf blijven branden, maar vetpotten wier behandeling in den wedloop voorzichtigheid en takt vereischt. Van den Kolonosweg af snellen zij voort, zorgvuldig wakend dat hun fakkel goed blijft branden, noch te fel, zoodat zij den geheelen loop niet zou kunnen strekken, noch zoo kwijnend, dat een windstoot haar dooven kan. Op vaste punten staat voor iederen concurrent een phyle-genoot te wachten die de brandende toorts overneemt.Uit vallen nu natuurlijk al die phylen die niet tot het einde toe hare fakkels brandend gehouden hebben. Maar die phyle is overwinnares, wier fakkel, dank zij de vlugheid en de behendigheid van al hare medewerkende epheben, het eerst brandend is neergelegd op het burcht-altaar van Athene.Aan zulke wedstrijden was het jongelingsleven te Athene rijk. Het karakter dezer Agones is in hoofdzaak hetzelfde en opsomming der verschillende feesten aan welke epheben deel nemen is daarom hier niet noodig, maar wel dient er reeds hier op gewezen dat even als deze afzonderlijke oefening der aanstaande wedloopers zekere afscheiding bracht, ook in het overige onderricht zich, zelfs tusschen zoons van meer vermogende ouders, gaandeweg eenig onderscheid deed gevoelen. Al wordt de geheele ephebengroep van een jaar voor zoover de militaire voorbereiding betreft op een zelfde hoogte gebracht, gelijkheid blijft ook in dezen kring niet bestaan. In de eerste plaats zijn er onder de voornaamste epheben natuurlijk verschillende die, onder instemming zooal niet steun van staatswege, hunne wetenschappelijke studie tijdens de ephebie voortzetten. En dit behoefde nog geen duidelijke scheiding tusschen hen en hunne kameraden te geven; maar iets anders was het in de hoplomachie (de schermkunst). Speerwerpen zal voor de meesten wel een zeer gemakkelijk te leeren taak zijn geweest; in het mikken met de korte lans plachten reeds in de palaestra de Atheners zich vrij geregeld te oefenen.Maar reeds het zwaardschermen bracht verschil, omdat de rijkere jongelui daarin doorgaans allen privaat onderwijs hadden gehad en dus den anderen van ’t begin af de baas waren of de lessen dezer aanvangers niet eens behoefden te volgen. Het belangrijkst echter was de klove, door de rijkunst ontstaan. Wel is het niet onmogelijk dat, even als het zwemmen, ook het paardrijden soms aan alle epheben van een bepaald jaar werd onderwezen; maar zelfs al is dat het geval, bij lange na niet alleepheben zijn financieel in zoo gunstige omstandigheden, dat zij zich straks, als hun tweejarige oefeningstijd is afgeloopen, kunnen doen aanmonsteren bij de cavalerie.Die dat wèl kunnen doen, voelen zich zonder twijfel vrij wat voornamer dan hun collega’s welke maar voor den hoplitendienst bestemd zijn. Het ruitercorps der Atheners was klein en gold, niet om bijzondere strijdbaarheid of deugdelijkheid, doch om den glans van zijn optreden, als een keurbende. Geen wonder! De ruiter moet zelf zijn paard leveren en jaarlijks zich zelven met zijn paard aan eene keuring, ten overstaan van den raad, onderwerpen. Onderhoudt hij zijn paard niet goed, dan wordt hij beboet, heeft zijn paard geen onberispelijke dressuur, staat het niet straf op ’t commando pal, of heeft het moeite mee te komen, dan wordt het dier op reform gesteld en hij zelf uit de lijst der ruiters geschrapt. Kortom, alles wat van een paradecorps kan worden gevorderd, wordt van hem geëischt.Maar daarvoor is dan ook heel wat afzonderlijke oefening noodig. Vergezellen wij dus de epheben op hunne exercitiën, dan zullen wij naar mij voorkomt splitsing in hunne dagtaak moeten maken, en een deel bij de schermles, een deel bij den paedotribe, enkelen bij hun rhetor denken. De jonge ruiters oefenen zich buiten de poort. Nu eens ziet men hen in aaneengesloten gelederen regelmatig voortdraven, zooals ze moeten doen bij den Panathenaeën-optocht, als ze den stoet zullen openen en hunne moeders en zusters tehuis op het platte dak zullen stijgen om hunne glorie te zien. Een andermaal brengt hun rijmeester hen op het doorgraven terrein aan de berghelling en hij laat hen galoppeeren in ’t mulle zand en over de greppels of slooten springen en draven, de gloeiende wegen bestijgen en in den ren afdalen van de steilte, kortom, hij laat hen alles zoo doen, dat het boekje van Xenophon over deruiterkunst, op school gelezen en tehuis door hunne vaders geroemd, als uit de echte praktijk herboren voor hen leeft.Maar die afscheiding der standen duurt althans voorloopig nog niet voort. Want aan tafel vereenigt zich de geheele groep der phyle. Dat eischt de nieuwe verordening, alsof men gehoopt had de verzwakte en verwende Atheensche burgerij door Spartaansche instellingen weer tot de oude kracht te brengen. En niet alleen vereenigen hen die dagelijksche maaltijden—voorproef van het kampleven der aanstaande hoplieten—, ook de intrede in den eigenlijken dienst doet dat. Want nu gaan ze ook den garnizoensdienst leeren, aan den Piraeus betrekken zij de wacht, alsook aan de Munichia-haven, en op den grooten muur die Akte omgeeft, het plataanbladvormige schiereiland dat aan de groote haven ten zuid-westen grenst.De keuze dier plaatsen verdient wel opmerking. In den tijd der reorganisatie van de ephebie zijn dat strategisch uiterst gewichtige punten. Ieder die bedenkt, dat in het laatst der vierde eeuw de Macedoniërs, door eene bezetting in de vesting van Akte te leggen, de stad geheel in hunne macht hielden, zal dit erkennen. Er kan dus ook moeilijk sprake van zijn dat de bewaking dezer linie aan zee eenvoudigweg uitsluitend aan deze achttienjarigen werd toevertrouwd. De regelmatige bezetting zal zeker uit volwassen en geoefende manschappen hebben bestaan. Maar het was goed gezien, onder hunne leiding en toezicht de epheben daarheen te zenden. Op menigen stormachtigen avond konden zij daar de zee, die Athene eens had groot gemaakt en die thans die zelfde stad met zoo vele gevaren bedreigde, hooren slaan tegen de klippen, en terwijl zij in de duisternis staarden, of reeds de vijand naderde, leerde daar hun hart door anderen aandrang dan dien van jongensachtige vrees te kloppen.De oefeningen van het eerste jaar zijn met dezen garnizoensdienstafgeloopen. Maar vóór de ernstiger en zwaarder militie van het tweede ephebenjaar begint, wacht de jongelieden nog een drieledige plechtigheid. Bij de onzekerheid die omtrent de volgorde dezer drie handelingen heerscht, is het niet ongeoorloofd die te bespreken in de orde welke ons het natuurlijkst voorkomt. Allen behooren zij tot de indrukwekkendste gebeurtenissen in het leven van den jongen Atheenschen burger.De voornaamste plechtigheid is de parade voor het volk, in solemneele zitting vergaderd in het theater van Dionysos. Het woord „zitting” is hier niet overdrachtelijk gebruikt. Er was een tijd geweest, dat de Atheners—die, als we hen nagaan in hun publieke leven, wonderwel ter been moeten zijn geweest, want alles doen ze bijna staande—ook in hunne volksvergaderingen niet zaten. Maar die tijden waren voorbij, en daartoe zal zeker de wassende welsprekendheid der volksredenaars wel het hare hebben bijgedragen. En sinds nu (tusschen de jaren 340 en 330) door de zorgen van den overlegzamen staatsman Lycurgus een steenen theater was gebouwd in de heilige aan Dionysos gewijde ruimte, waar ook thans nog de ruïne ons een zoo levendig beeld geeft van de plaats waar de Atheners hun groote Dionysosfeesten vierden, plachten de Atheners gaarne daar te vergaderen. Het behoeft niet gezegd, dat voor eene wapenschouwing die plek bijzonder geschikt was. Zoo werd dus op een bepaalden dag van het jaar het volk daar ter plechtige zitting geroepen. Maar hoogstwaarschijnlijk was daaraan reeds eene andere, korte doch indrukwekkende plechtigheid voorafgegaan, en er is naar mij voorkomt reden om aan te nemen dat deze laatstgenoemde de Dionysische vertooning opende, terwijl de parade er het besluit van was. Die openingsplechtigheid geldt de weezen van die burgers, die in den krijg voor het vaderland zijn gevallen. De staat heeft na den dood der vaders de kostenvan de opvoeding dezer knapen voor zijne rekening genomen, en—althans in de oudere periode, toen de ephebie nog niet tot eene, slechts voor vermogenden toegankelijke weelde was geworden—hen ook doen opnemen in de rij der epheben. En het is een van de aantrekkelijke zijden van het Atheensche volk geweest, dat het dien staatsplicht als staatseer beschouwde. Athene heeft die kinderen harer helden lief, en behandelt ze niet als stadsarmen doch als lievelingszonen; in de jaren toen de Atheners nog altijd zelf den vijand tegemoet gingen—wat uitsleet in de vierde eeuw en eerst in den hachelijken strijd tegen Macedonië weer regel werd—heeft de verzekerdheid dat de Staat „zijne zonen als de herinnering aan zijn’ moed zou eeren” voor menigen soldaat den doodstrijd op het slagveld verlicht.Zoo rusten dan ook de oogen der burgers die de rijen van den schouwburg vullen—velen met hunne kinderen naast zich, die het thans aanvangende schouwspel bijzonder moet treffen—met groot welbehagen op de „Weezen” die, omdat ze den ephebenleeftijd hebben bereikt en dus uit de voogdij van den Staat worden losgemaakt, thans voor het volk treden. De oude Atheensche gewoonten hebben bij zulke handelingen vaak eene op zeer fijn gevoel berustende gratie. Op het oogenblik dat de Staat deze weezen laat heengaan uit zijne voogdij en hen in de maatschappij zendt, geeft het vaderland hen nog een geschenk. Maar dat is niet een „uitzet”, een pak kleeren of zoo iets: het is eene volle wapenrusting als hopliet, de zware bewapening van den volksburger, eene wapenrusting gelijk aan die waarin hunne vaders zijn gestorven. In die panoplia treden ze nu de orchestra binnen, de staatsheraut gaat voor hen uit, en als zij in het midden hun gelid hebben gevormd, één onbewegelijke rij, fel stralend van licht in de voormiddagzon, dan verheft de heraut zijne stem en draagt de boodschap, „zoo treffend en zoo uitnemend van kracht om ook anderenop te wekken tot dappere deugd” voor. „Hoort mij aan, burgers van Athene”, zoo zegt hij—en tot op de bovenste rijen draagt de voortreffelijke akoustiek zijne stem—„Uw volk heeft deze jongelingen, wier vaders op het slagveld in eervollen strijd om uwentwil het leven hebben gelaten, opgevoed tot op dezen dag hunner manbaarheid; nu bekleedt datzelfde vaderland hen met volle wapenrusting, ontslaat hen uit de voogdij met zegenwensch voor hun verder lot en noodigt hen voor heden uit tot de vooraanzitting.”Dan gaan de jonge soldaten, met het diep ontroerende gevoel dat zij heden in aller oogen de eer hunner vaders dragen, heen naar de zetels der vooraanzitting en zij zetten zich neer bij den priester van Dionysos, bij de gezanten der bondsstaten, bij de hooge ambtenaren, eene onderscheiding genietende die zeker niet hunne ijdelheid heeft opgewekt, maar wel hunne begeerte om niet minder te zijn dan hunne vaders. Als zulk een knaap, na zulk een plechtigheid de Dionysische vertooning die dan een aanvang neemt uit zijn eerezetel mee aanschouwende, den Philoctetes van Sophocles ziet opvoeren, en de edele jongelingsfiguur van Neoptolemos voor zich ziet in diens aangrijpenden strijd tusschen politiek belang en karakteradel, dan wordt deze dag een kracht in zijn leven, en er zal heel wat cynisch smalen over rhetorisch vertoon en over speculatie op volkssentimentaliteit noodig zijn, voordat valsche schaamte hem er toe brengt met dezen dag te spotten. Helaas, toch zal menigeen onder deze Staatsweezen, wanneer hij later, krachtens het recht van zijn hooge ambt, wederom plaats neemt op die eerebanken, niet dan met een blos kunnen terugdenken aan den dag toen hij daar zat krachtens het eererecht hem door zijn vader nagelaten.Dan vangen de Dionysia aan. Maar volgens een vast gebruik volgt onmiddellijk op deze feestdagen eene geregelde vergadering van het volksparlement (de ecclesia) in detheaterruimte; en zoodra nu de zaken waarvoor deze vergadering is bestemd zijn afgehandeld, heeft in de orchestra, de middenruimte, ten aanschouwe der leden van de volksvergadering eene regelmatige parade-exercitie van het geheele ephebencorps plaats. Dit is geen wapenschouw, ook geen assaut, want de epheben zijn waarschijnlijk op dat oogenblik nog niet zwaargewapend; het is een uitvoerige, half gymnastische, half militaire vertooning van de bewegingstaktiek der Attische infanterie, het vlugge keeren in eene kwartwending rechts („speerkant”) en links („schildkant”) de halve wending en de geheele, het vormen van rotten en gelederen, de hardloop, de vlugge zwenking: kortom de geheele vereeniging van rapheid in beweging en snelheid in ’t stilstaan, welke door de uitgebreide infanterietaktiek van de Grieksche vechtwijze wordt vereischt. En aan het slot van deze parade komt ook weer een geschenk. Van staatswege worden de epheben nu begiftigd met speer en schild, en hierdoor wordt erkend dat zij thans in den vollen zin behooren tot de hoplieten van Athene, al telt natuurlijk voor de berekening van hunnen volbrachten diensttijd ook reeds het eerste jaar hunner ephebie mede.In hunne volle wapenrusting—en dit is het laatste deel van de drieledige plechtigheid—marcheeren zij nu naar het kleine heiligdom der godin Aglauros, om hunnen ephebeneed af te leggen. Op de zeer steile noordhelling namelijk van de Acropolis, waar zich ook thans nog eenige moeilijk te bereiken grotten bevinden, was ééne grot vrij hoog gelegen, en waarschijnlijk oudtijds met de alleroudste „pelasgische” nederzetting op den burcht door een in de rots uitgehouwen trap verbonden, die de Atheners eerden als het heiligdom van Aglauros, eene van de dochters van Cecrops. Het is niet zoo heel zeker, dat alle Epheben, indien men hen had gevraagd wie deze Aglauros eigenlijk was, en hoe het kwam dat zij naar hare onaanzienlijkegrot, in plaats van bijvoorbeeld naar den grooten tempel van Athene Parthenos, werden gebracht om hun burgereed af te leggen, veel anders zouden hebben weten te antwoorden dan dit, dat deze plek zoo bijzonder heilig was door hoogen ouderdom. Intusschen was hun de oude heilige sage wel bekend: hoe Aglauros en hare zuster Herse zich in den ouden tijd van de rots hadden neergestort in hare ontzetting over hetgeen ze te zien kregen bij het openen van zeker mandje, aan hare zorg toevertrouwd door Athena met het strenge bevel het ongeopend te bewaren. In dit mandje—welke Atheensche knaap wist het niet!—had het kind met de slangevoeten gelegen, Erichthonios, de geheimzinnige stamvader der Atheensche koningen, dien ieder kende als alouden bewoner van het Erechtheum! Vermoedelijk zullen de meeste Epheben met deze vage notie van oude heiligheid wel tevreden zijn geweest, ja de plechtigheid van de eedsformule zal er voor hen misschien door gewonnen hebben, dat het ten deele zoo geheimzinnig vreemde goden waren, die zij als getuigen bij hunne belofte aanriepen. Het formulier namelijk, waarvan men zich in den tijd van de reorganisatie der Ephebie geregeld bediende, luidde aldus: „Ik zal deze heilige wapenen niet te schande maken, noch ooit den wapenbroeder in het gevaar alleen laten naast wien ik gesteld zal zijn. Wat aan onze goden gewijd is of wat geheiligd is door menschelijke vroomheid, zal ik verdedigen, hetzij alleen hetzij met anderen. Het vaderland zal ik aan mijne navolgers overgeven, niet minder doch grooter en krachtiger dan ik het heb ontvangen. Aan hen die het bestuur voeren, zal ik onderworpen zijn met inzicht en aan de wetten, die gesteld zijn, zal ik gehoorzamen, alsook aan degene die het volk van Athene nog stellen mocht in eensgezindheid. En zoo iemand mocht trachten die wetten omver te werpen of aan dezelve niet gehoorzaam mocht zijn, dan zal ik dat niet toelaten doch dien man tegengaan,zoo alleen als met anderen. Ook zal ik de heilige instellingen onzer vaderen in eere houden. Zoo waarlijk helpe mij Aglauros, Enyalios, Ares, Zeus, Thallo, Auxo en Hegemone.”De talrijkheid der namen van de goden die als getuigen worden aangeroepen, is in de oogen der Epheben zelf zeker wel geschikt geweest den ernst van hunnen eed te verhoogen; maar het plechtige van dit slot ligt toch eigenlijk hierin, dat hoe ook de eed zelf naar de behoeften der tijden zich heeft gewijzigd—en wij weten dat dit het geval is omdat ons enkele wijzigingen bekend zijn—de godennamen duidelijk de herinnering bewaren aan de alleroudste tijden der stad. De eed, dien hier de Epheben zweren en dien zij, zooals blijkt uit menige toespeling in de redevoeringen der Attische Oratoren, met eerbied gedurende hun verder leven gedenken, is in waarheid de oude belofte der burgerwacht die de oude stad op den burcht beschermt. Niet Hermes of Apollo, de schutsgoden der mannelijke jongelingschap, worden daarom hier aangeroepen, doch Aglauros, die als priesteresse van de burchtgrot geene andere is dan Athena, de godin der Acropolis zelve, en met haar Thallo en Auxo, naast Aphrodite Hegemone de personificatiën van den landbouw, die de oudste burgers had gevoed.De eed in de Aglaurosgrot neemt nu de Atheensche jongelieden zoozeer definitief in het corps der soldaten op, en is dus zoozeer het einde van den knapenleeftijd, dat onze schets hier behoort te eindigen op het oogenblik dat wij de kleine schare, gekleed in de Thessalische ruitermantels, kort van achteren en van voren met langer afhangende slippen, en met den petasos, den slapgeranden vilten hoed op het kortgeknipte haar, zien afdalen van de Acropolishelling. Met een enkelen oogopslag mogen wij hen dus nog slechts volgen op hunne militaire excursies alsperipoloi, rondgaande troepen, en denken aan hunspitten, hun graven, hun walbouw en hunne wachtposten op de grenzen, waar het spel van den speerworp ernst gaat worden. Wij zien hen in de passen van Oenoë staan, metterdaad leerend hoe daar een kloeke troep, mits goed geoefend, een leger kan tegenhouden dat uit Boeotië oprukt. Straks beklimmen zij Phyle, de steile bergvesting, onvergetelijk in de Attische krijgsgeschiedenis, sinds Thrasybulus zich daar had genesteld ten tijde dat hij aanrukte om Athene van de Dertig te bevrijden. En hetzij ze legeren in de dalen van den Cithaeron, hetzij ze de maan zien schijnen over de kronkelende lijn van Attica’s zeekust, wij weten dat zij straks terug zullen keeren in hunne stad, sterker van lichaam, maar ook sterker van geest. Want nu kennen zij hun land en hebben Atticaliefgekregenuit eigen gemeenschap met den bodem, waarop zij gerust en gestreden hebben.Mogen wij dit slechts kort aanstippen, eveneens ligt het buiten ons bestek te spreken van de latere tijden. Immers de Ephebie zou niet lang meer blijven wat zij in het eind der vierde eeuw nog was. Toen meer en meer in het onder Macedonische heerschappij verzwakkende Athene de overtuiging verkwijnde, die de Ouden had geleerd dat burgerrecht weerplicht insluit, toen werd ook het weerbare corps der Epheben een luxecorps, eene garde voor voorname rijke jongelui, met een eigen bibliotheek en een eigen gymnasium, en voorts met een staf van badopzichters, portiers, geneesmeesters, masseurs en wat dies meer zij. Maar de beschrijving dezer aristocratische corporatie brengt ons—hoe hoog ook soms de inscripties hare praestatiën prijzen—in een geheel ander Athene dan waarvoor onze schets aandacht wilde vragen. Van onze Epheben nemen wij het liefst afscheid wanneer we hen, na kloek volbrachten oefentijd, zien opgaan in de rij der hoplieten die door den strateeg tot den velddienst zijn opgeroepen: op dat oogenblikgeven zij ons het duidelijkst beeld van den volkomen Athener.Wij nemen noode afscheid van dien Ephebe.—„Waarom noode?”vraagt men wellicht; „zouden wij dan onze zonen, zouden onze jongens zich zelf zóó wenschen als hij was?” Mij schijnt zulk een vergelijken altijd onredelijk. Noodlottig en gevaarlijk acht ik elke liefde voor het verleden, die onze liefde voor den tijd waarin ons leven is geplaatst doet versterven. Tevens echter schijnt mij geen liefde zóó verblind als die, welke in hare eenzijdige bewondering voor nieuwere tijden weigert de fouten te zien waardoor ons geslacht kan ondergaan, en genezing te zoeken in de lessen van het verleden. Die lessen ontbreken niet geheel in de geschiedenis der Atheensche jeugd. Ik wil die lessen niet opsommen: mijn doel is bereikt indien de hierboven gegeven schets het Atheensche knapenleven eenigermate heeft doen zien als eene voorbereiding tot den burgerstaat, zooals Pericles die in zijne „grafrede voor de gevallenen” teekent. Immers dit zijn wel de deugden die de Atheensche opvoeding aan de knapen wilde geven: liefde voor eene schoonheid die niet op pracht berust, doch op eenvoud en nagestreefd wordt met inspanning, noch ooit ontaardt in weelderige rust; liefde voor het vaderland, die zich rekenschap geeft van de deugden waardoor het gewassen is, doch niet gelooft in eene volmaaktheid der overgeërfde deugd, door geen nieuw inzicht te verbeteren; liefde voor het goede, die niet meent in eigen boezem de norm der waarheid rond te dragen, doch zonder eigengerechtigdheid het aanziet, dat verscheidenheid van oordeel verscheidenheid van levenswandel brengt.
Indien onze belangstelling zich bepaalde tot het leven der schooljongens in de periode die aan den Peloponnesischen oorlog voorafging, dan zouden wij met hetgeen hierboven over het onderwijs is gezegd, kunnen volstaan. Heel veel meer dan hetgeen wij hebben opgenoemd leerde—afgezien van het onderricht dat sommigen hun kinderen met het oog op een bepaald vak van levensonderhoud lieten geven—toen ter tijde een Atheensche knaap niet.
Maar het spreekt van zelf dat de groote veranderingen, door verkeer met het buitenland zoowel als door eigen nadenken in de godsdienstige en politieke inzichten der Atheensche vaders gebracht, zich ook in den kring hunner zoons lieten gevoelen; trouwens, ook de feiten bewijzen dat. In de vierde eeuw kent men te Athene naast het lager onderwijs ook voortgezet en daarna zelfs hooger onderwijs. En over de juiste inrichting van die beide laatsten was men het te Athene zéér oneens.
De theorieën dienaangaande ontwikkeld, gaan voor een deel over de hoofden der knapen heen. Het is niet te hopen, dat de Atheensche jongens in Plato’s Politeia hebben zitten lezen, om te onderzoeken hoe zij moesten worden opgevoed. Maar andere volgelingen van de Socratische school brachten hun opvoedings-idealen in meer populairen vorm ter tafel. De Cyropaedie is zóó geschreven, dat zij volkomen onder het bereik van jongens valt. Of derhalve de Atheensche jongens ook het model van deugdzame eukosmia, hun in deeerste hoofdstukken van Xenophons boekje voor oogen gesteld, gewaardeerd hebben, is zeer de vraag; maar wel kunnen zij zoowel uit de Cyropaedie als uit de tafelgesprekken hunner vaders geleerd hebben, dat te Athene onvoldaanheid met de resultaten van het lager onderwijs begon te heerschen.
Er is een pseudoplatonische dialoog, die deze stemming bijzonder duidelijk in ’t licht stelt. Al is Theages, de jonge Athener, die aan dien dialoog zijnen naam geeft, eigenlijk geen knaap meer, zijne opvatting was die van vele knapen en jongelingen.
Ziehier den toestand. Een vader, die heel wat te tobben heeft gehad met de opvoeding van zijn zoon, wendt zich in zijne verlegenheid tot Socrates. Hij heeft diep leeren gevoelen dat het in zeker opzicht met kinderen gaat als met planten—van welke deze heereboer blijkbaar meer ondervinding heeft dan van zoons—: „de grootste bezwaren vertoonen zich eerst dan, wanneer het kiempje boven den grond is”. Zoo is het hem ook met zijn jongen gegaan. Iedere dag heeft hem in de opvoeding van dat kind nieuwe moeilijkheden gebracht en nieuwe vragen voorgelegd. Hij heeft die, zoo goed als hij dat kon, beantwoord: hij heeft den jongen laten leeren wat men in zijn’ tijd zoo aan zijn kinderen leeren laat: lezen en verklaren, schrijven, ook muziek en eindelijk de gymnastiek. Maar de knaap is niet tevreden. In plaats van dankbaar, in het bewustzijn dat het nu genoeg is en hij niet meer naar school hoeft, met zijn vader zijne aandacht aan de boomen en de planten te wijden, is hij met een zeer onrustwekkend verlangen voor den dag gekomen: hij wilknapworden. Wat hij daarmee eigenlijk bedoelt, is den vader niet recht duidelijk. „Ik denk haast”—zegt deze—„dat eenige van zijne makkers uit onze buitenwijk hem wonderen hebben verteld van hetgeen de Sophisten aan de jongelui verhalen. Althans hij houdt niet op er bij mij op aan te dringen, dat ik aan deneen of anderen Sophist het noodige honorarium zal betalen om hem in de leer te nemen. Nu, om het geld zou me dat zooveel niet kunnen schelen! Maar ik vrees, dat die sophistenopleiding wel eens heel gevaarlijk zou kunnen worden.”
Zooals gezegd, Theages zal wel wat ouder zijn geweest dan de veertienjarige jongens, wier doen en laten ons op dit oogenblik bezighoudt. Maar zijn optreden verstoort toch de rustige harmonie der schilderij die wij van het oud-Atheensche jongensleven trachtten te geven. Vooral omdat zijn type niet alleen staat. Geleid door een meesterschap, dat diepe en aanhoudende sympathie verraadt juist voor de niet meer geheel naieve leergierigheid der knapen van het nieuwe Athene, bevolkt Plato den voorgrond zijner dialogen met zulke leergierigen, wakker in ’t vragen en onvermoeid in ’t luisteren. Charmides de Schoone, die wel zedig is, maar de zedigheid niet kan definieeren, Theaetetus de jongeling, wiens boeiende scherpzinnigheid alle uiterlijke schoonheid kan ontberen, de uiterst beminlijke Lysis, allen zeggen het ons: een nieuwe tijd is aangebroken. De jongens zijn evenmin tevreden met het oude ideaal als de ouders. En wat deze laatsten aangaat: bij hen is, als wij wederom Plato mogen gelooven, tegelijk een gevoel van ontevredenheid met zich zelven ontstaan; zij erkennen ronduit dat Athene achteruit gaat. In den „Laches” van Plato klaagt Lysimachus, de zoon van den grooten Aristides, eerlijk zijn nood aan zijn’ vriend Laches. Hij zegt ongeveer het volgende: „Zie, Laches, mijn vriend Melesias en ik hebben de bittere ervaring opgedaan dat de tijden erg veranderd zijn. Als wij met onze vaders aan tafel zaten, dan wisten die ons altijd wat te vertellen van groote dingen, die zij hadden gedaan. Maar wij? Als Melesias bij mij eet en onze jongens zijn met ons aan tafel—ach, dan hebben we niets dergelijks van ons zelf te vertellen, en we schamen ons daarover genoeg! Endaarvan ligt de schuld bij onze vaders, die ons maar in ’t wild lieten opgroeien, toen we eenmaal volwassen jongens waren geworden. Daarom hebben wij besloten dat het zoo met onze zoons niet zal gaan. Ze moeten wat leeren!”
Het verwijt door Lysimachus aan de vaders van oud-Athene gedaan, wordt in verschillenden vorm dikwijls in de Platonische dialogen herhaald. Niet vele vaders zullen echter zóó weinig raad hebben geweten als Lysimachus en zijn vriend Melesias, die „omdat er nu toch iets gedaan moest worden” hun jongens schermen willen laten leeren! Ook willen de meeste knapen iets anders. Ze zijn als Theages, ze willen knap worden. Wat wonder! De opvoeding zelve had zich toch wel iets meer ten doel gesteld dan alleen het kweeken der eukosmia? De zedigheid, door de vrouw van Ischomachus genoemd als eenige vrucht van hare opvoeding, hoe begeerlijk eene deugd ook voor knapen, was toch niet alles wat de grammatist met zijn collega’s hem leeren moest! Eerste en voornaamste eisch van dat onderwijs was: „open hunne oogen”. Welnu, de oogen dezer knapen waren geopend en zij hadden veel gezien. Misschien had hun oor zelfs te veel gehoord. De lichte geestelijke wapenrusting van de Marathonstrijders en hunne zonen was niet meer voldoende voor hen die Athene’s aangezicht hadden zien veranderen in den strijd om de macht, nà den grooten oorlog om de vrijheid ondernomen; het geslacht dat in Thucydides leest vraagt voor zijne kinderen iets anders, dan zij begeerd hadden die alleen Herodotus hadden gelezen.
Dat „andere”, men kan het voortgezet onderwijs noemen, en dan sluiten de wenschen van ouders en knapen zich vrij regelmatig aan bij hetgeen als gewoon programma van elementair onderricht door ons reeds is besproken, althans indien wij daarbij in het oog houden, dat vooral de lectuur en de literaire ontwikkeling in het laatste decennium van devijfde eeuw en in den aanvang der vierde zeer waren uitgebreid. De polemiek, door Plato in zijnen „Staat” tegen de poëtisch-literaire opvoeding wegens hare eenzijdigheid en haren misleidenden invloed gevoerd richt zich nog wel in hoofdzaak tegen de oudere dichters; maar het is desniettemin niet lichtzinnig, te onderstellen dat allengs het onderwijs zich ook op dat gebied vrij wat uitbreidde. Naast de manlijke kloeke wijsheid van Solon’s elegieën en jamben, naast de weeke liederen van Mimnermus, de weelderige oden van Sappho, Tyrtaeus’ opwindende krijgszangen of de politieke vermaningen van Theognis moet wel spoedig de Anabasis van Xenophon of zijne Cyropaedie zijn gelezen; de meesten dier boeken zijn zeker wel bruikbare lectuur voor oudere knapen, doch niet voor jongens van acht of tien jaar!
Maar met een voortgezet onderwijs van hoofdzakelijk literairen aard waren niet allen tevreden. Velen, die een uitbreiding der leerstof eischten, doch daarbij de niet ongewone dwaling begingen dat zij niet recht onderscheid meer maakten tusschen onderrichten en africhten, althans niet tusschen opvoeden en opleiden, trachtten zonder het oude programma omver te werpen hun doel te bereiken. Zij zetten eenvoudig naast het oude wat nieuws: naast de lagere wiskunde wat hoogere mathesis, naast eenvoudige grammatica wat syntaxis, als voortzetting van de rekenoefeningen wat astronomische theorie!
Toch bleef die uitbreiding binnen de grenzen der school; d.w.z. zij gold slechts de voorbereiding tot algemeene beschaving. Levendig zien we dat geïllustreerd door de invoering van het teekenen. In de vierde eeuw begonnen de vaders elkaar meer en meer te vragen: „moeten onze kinderen niet leeren teekenen?” Voor de hand liggend schijnt die vraag niet. Nog in onzen tijd ontbreekt in het stelsel der humanistische opvoeding het teekenen. In ons gymnasiale programma vinden wij het noch als algemeen opvoedingsmiddel,noch als onmisbare voorbereiding voor hen die in hunne studiën de teekenpen dagelijks noodig zullen hebben. Maar de Atheners kenden in Plato’s dagen aan den invloed van het schoone in de opvoeding eene ruimere plaats toe. Hoezeer zij ook het boek over den Staat een utopie noemden, hun hart moest kloppen van trots om ’t geen zij bezaten en van hoop om ’t geen zij verwachtten, als zij Plato’s pleidooi voor de schoonheid lazen. „Wat dunkt u—zoo vraagt Socrates zijn toehoorders, in het vierde boek der Republiek—zullen wij kunnen volstaan met den eisch dat de dichters de beeltenis van de zieleschoonheid herscheppen in hun gedichten, of moeten wij ook toezien op hen die met de handen werken en er voor waken dat zij aan niets, dat in de ziel onedel is, aan niets, dat uit ongebondenheid, uit slaafsche onbeschaafdheid en onwelvoegelijkheid is geboren het aanzijn schenken, hetzij in de afbeelding van dieren en menschen, hetzij in gebouwen of andere werken van kunst. Immers, laten wij dat toe, dan zullen zij die wij wenschen op te voeden tot Wachters van onzen Staat, door al die afbeeldsels van hetgeen slecht is als door ongezonde spijs gevoed, terwijl ze dag aan dag bij kleine beetjes van alle zijden het kwade in zich opnemen, een groot geheel van slechtheid doen opwassen in hun eigene ziel, zonder dat wij dat hebben bemerkt. Neen, wij moeten zoeken naar werkers van het schoone, die met gezonden zin verstaan het karakter van hetgeen schoon en welvoegelijk is na te speuren, opdat onze knapen, als wonende in een gezonde streek, allerwege worden gebaat waar òf hun gezicht òf hun gehoor door de werken der schoonheid wordt aangeraakt, als waaide een luchtstroom hun te gemoet uit een oord van gezondheid”.
Gelukkig de stad, waar een wijsgeer zulke woorden mag schrijven, in de rustige verzekerdheid dat geen wansmaak of machteloosheid in de kunst zijn rede maakt tot spotternij. En zeker schreef Plato niet voor doove ooren. De Athenershebben in de vierde eeuw niet geaarzeld om het voorbeeld van de kleine stad Sicyon te volgen, waar door den aandrang van een zeer bekende schildersgroep het teekenonderwijs op de lagere school was ingevoerd. Want de klimmende vaardigheid der schilders, vazen- en fresco-schilders beiden, en niet minder het gewijzigde karakter van de bouwkunst, waar het plastische, het schilderachtige de gestrengheid van den ouden Dorischen stijl meer en meer begon te verdringen, bracht toch zeker menig Atheensch vader die een’ vraaglustigen zoon op zijne wandeling meenam, dikwijls in het nauw. Als zijn jongen wilde weten, wat nu eigenlijk aan den Dorischen stijl van het Parthenon dien wonderbaren ernst geeft, en waarom de Corinthische kolommen de grens der gekunsteldheid naderen zonder die te overschrijden, dan kwam èn hem en weldra anderen die zich voor het onderwijs interesseerden—dat wil dus evenals in onzen tijd zeggen „allen”—de vraag op de lippen: „hoe zullen onze knapen de tempels en de statuen of wandschilderingen, die den trots onzer stad uitmaken, kunnen waardeeren, als zij nooit eens bij eigen pogen om eene lijn van schoonheid na te trekken, hebben ervaren hoevele kansen van dwaling liggen naast dien éénen smallen weg die goed is? En velen voegden daaraan toe: ook de bekoorlijkheid van de natuur en de schoonheid van hare levende schepselen verstaat het best wie getracht heeft die te benaderen met de punt van zijne teekenstift.
De twijfel of het teekenen een propaedeutisch vak is of niet, toont reeds aan dat het op de grens ligt. Met steeds meer klem nu zal zich na de invoering van vakken als het teekenen de overtuiging doen hooren, dat een beschaafd man veel moet weten en een vader, die plichtbesef heeft, dus ook zorgen moet dat zijn zoon veel weet. Op het eind van dien weg zien wij in de verte den eisch derenkyklios paideia, de verbinding van hettrivium(grammatica, rhetorica, dialectiek)met hetquadrivium(arithmetiek, muziek, geometrie en astronomie).
De Cynische wijsgeer Crates, ijverig leerling van den bekenden Diogenes, spot met deze overlading van vakken, wanneer hij de rampen van den schooljongen, die volgens hem een waardige inleiding vormen tot het door de beschaving misvormde menschen-leven, met zeer sombere kleuren schildert. „Arme jongen,” zoo roept hij, in eene boutade die veel navolging heeft gevonden, den Atheenschen schoolknaap toe: „Arme jongen! Eerst, toen je nog niet kon praten, legde je min je te slapen, als je schreeuwde van den honger; maar schreide je van slaap, dan wou ze je zoet houden met een rammelaar. Nu je aan die kinderrampen ontkomen ben, nu neemt de paedagoog je over, en de gymnastiekmeester en de schoolmeester en de muziekmeester en de teekenmeester. Wacht maar, straks volgen de rekenleeraar en de mathesisleeraar en de pikeur. En door die allen word je met de zweep geregeerd, vóór dag en dauw je bed uitgejaagd en nooit met rust gelaten.”
Crates is een Cynicus en als zoodanig wel min of meer genoodzaakt, zoo niet op grond van hetgeen Antisthenes, de stichter dier secte geleerd had, dan toch als volgeling van Diogenes, de geheele schooleducatie af te keuren en openlijk te verkondigen, dat het dwaasheid was de jongens iets te leeren wat zoo weinig nut had als astronomie of muziek. Maar ook onder hen die minder onverzoenlijk tegenover de maatschappij van hun tijd stonden, was in deze dagen zoowel een verschil van inzicht als een ongelijkheid van behoeften ontstaan, die begon scheiding te maken tusschen de Atheensche vaders zoowel als tusschen de zoons. De conservatieven juichen Aristophanes toe, wanneer hij in een geestig geschikte doch brutaal eenzijdige scène van zijne Wolken de nieuwe en de oude Educatie zóó in debat tegenover elkaar stelt, dat al wat eerlijkheid, religie, vaderlandsliefdeen ingetogenheid mag heeten, staat aan de zijde van de oude Educatie, aan den kant van de nieuwe daarentegen het eigenbelang en de list, de begeerte naar genot en de diefachtige bekwaamheid om daartoe de middelen te verwerven! De ouderwetsche vaders wrijven zich bij zulk eene voorstelling in de handen: „Ziedaar een dichter die weet wat hij wil! Juist zoo, de mooie gezondheid, de echtesophrosyne, zelfs hun schoonen blos verspelen die knapen door dat samenhokken bij Socrates.” En thuis gekomen heet het tot den jongen die bedelt om „knap” te worden: „Naar de sophisten ga je niet.”
Maar met een verbod alleen is tenslotte nooit een vader verder gekomen. Geen Atheensch vader kon er de oogen voor sluiten, dat hij een keuze moest doen, wilde hij niet zijn jongen na de jaren van de lagere school eenvoudig „los” laten loopen. Dat was niet alleen een eisch van zedelijken aard: ook het standsgevoel schreef het voor; en met Theages’ vader zei menigeen: „om het geld kan het me niet schelen;” daar men besefte dat het hier een eisch gold van politiek zelfbehoud. Athene wordt democratisch bestuurd, de democratie aanvaardt zonder aarzelen de consequentie van haar systeem, en in stijgende mate wordt dus ook aan de onvermogenden door presentiegelden en vacatiegelden de weg geopend om deel te nemen aan de regeering die allen toekomt. Maar desniettegenstaande werden de grenzen, die te Athene de standen onderling scheidden, na den Peloponnesischen oorlog scherper getrokken. Wél maakte de staatswet het voor iederen burger mogelijk, op zijnen tijd zelfs de hoogste staatsambten te bekleeden; maar de economische toestand vergunt dit niet aan allen.—Geweldig bleef intusschen de macht van de Volksvergadering, en van hem die haar kon leiden naar zijnen wil. En daarom was het alleszins begrijpelijk, dat in steeds breederen kring de kern der gegoede burgerij, ook bij dekeus van het voortgezet onderwijs, zocht naar de middelen om hunnen zoons de voorbereiding te geven, die hun in den strijd tegen „de mannen van de straat”, de gunstelingen van den Demos, op politiek terrein de overwinning kon bezorgen.
Maar welken weg zullen zij daarbij inslaan?—Dat is eene vraag van hooger onderwijs, zal men antwoorden, en ten deele is dat waar. Doch in de hoofden en harten der Attische knapen zelf klonk die vraag toch ook. En zeker koesterden velen de begeerte van Theages: de Sophisten te hooren.
Wat verwachtten zij dan toch van die Sophisten? Niemand teekent dat zoo levendig als Plato in zijn Protagoras. Hippocrates, de jonge, rijke Athener—hij is zeker ouder dan zestien jaar, maar mag ons toch als type dienen—brandt van begeerte om den grooten Protagoras te hooren. Driftig dringt hij bij het krieken van den dag binnen in Socrates’ slaapkamer en schudt dezen wakker met de blijde tijding dat Protagoras in stad is! Uiterst bereidwillig gaat Socrates met hem mee, om hem in het huis van Kallias aan Protagoras voor te stellen, onderweg hem op zijn rustige wijze, doch voorloopig zonder zichtbaar resultaat, aantoonend dat hij in zijne opgewonden begeerte naar de „knapheid”, die Protagoras als een „kleinhandelaar in geleerdheid” te koop biedt, verzuimd heeft te onderzoeken of hij inderdaad begeert op die wijze „knap” te zijn, en of Protagoras wel de man is die hem inderdaad wijsheid kan schenken.—De wijsgeer die alzoo de methode van Socrates tegenover de techniek der sophisten plaatste, heeft wel beseft dat zijne lezers, voorzoover ze behoorden tot de geestverwanten van den jongen Hippocrates, door dat korte gesprek niet van hunne begeerte naar de sophistenwijsheid zouden worden genezen. Daarom doet hij in het vervolg van den dialoog zoo duidelijk uitkomen, hoe hij die mannen der „parate kennis” beschouwt.—Wie het tooneel van Socrates’ en Hippocrates’ intrede in den kring der gasten van Kallias (dien Maecenas der moderne knapheid) eenmaal heeft gelezen, vergeet het niet licht: eerst Protagoras rondwandelend met den stoet van heilbegeerigen, Atheners en vreemdelingen, want ook vreemdelingen zijn hem gevolgd op zijne wegen, vastgehouden door het geluid zijner stem, gelijk eens de dieren, die Orpheus’ schreden volgden geboeid door de betoovering van zijn gezang. Dan Hippias—die Hippias die alles kon, zelfs zijne eigene schoenen maken—tronend op een hoogen zetel, terwijl hij aan de groep der mannen die op lage stoeltjes eerbiedig om hem heen zitten, de geheimenissen der astronomie openbaart. Eindelijk Prodikos, gemakkelijk uitgestrekt op een rustbank en met zijn zware stem aan zijne hoorders eene wijsheid meedeelend, waarvan alleen de gonzende nagalm de ooren van Socrates bereikt.
Parodieën op de sophistenwijsheid geeft ons Plato in den Protagoras zoowel als in verscheidene andere dialogen, soms fijn en niet zonder waardeering hunner persoonlijkheid, zooals in den Protagoras, soms spottend bij het minachtende af, zooals in den Euthydemus, soms met vlijmender kunst, in fellen toorn, als in den Gorgias. En ofschoon nu deze bestrijding buiten den kring der jongenswereld ligt, gelijk ook het onderricht zelf derPlatonischeschool, de oorzaak van Plato’s verbittering ligt niet daarbuiten: zij geldt de luidruchtige sympathie met welke de jongelieden deze sophisten inhaalden.
Want de sophistiek was een modeartikel. Wat beloofden zij eigenlijk, deze rondreizende leeraars, deze conférenciers, deze specialisten? Is het ons moeilijk op deze vraag een billijk en vooral een juist antwoord te geven, reeds de enthousiasten als Theages of Hippocrates hadden dat antwoord niet zoo gemakkelijk klaar, wanneer hunne vaders, een weinig ontzet over de hooge prijzen—Prodicus vroegƒ 25 voor een korte private instructie in het juiste gebruik der woorden—hen op den man af vroegen, wat nu eigenlijk die vreemdelingen hen kwamen leeren dat zij niet evengoed van hunne eigene meesters hadden kunnen hooren.
Het antwoord was zoo moeilijk omdat de sophisten zooveel beloofden. Het duidelijkst klinkt die belofte in de algemeene termen van Protagoras: „wij voeden knapen op tot mannen” d.i. „wij leeren hen politiek inzicht, en dat doen wij op grond van onze ervaring”. Maar als de mannen van Plato’s richting zulk eene belofte hooren, dan trekken zij de weifelende vaders bij het kleed en zeggen: „Gelooft het niet te snel. Protagoras bedoelt niets anders dan dit: „Ik geef aan de jongens zooveel handigheid, dat ze over alles kunnen meespreken en daardoor geschikt schijnen voor de hoogste posities in den staat.”
Er zullen vele vaders zijn geweest die in Plato’s waarschuwing juist een sterke aanbeveling der sophistiek zagen; zelfs als zij verder toeluisterden en hoorden hoe reeds Socrates hartelijk gelachen had, toen hij van den schatrijken Kallias vernam dat hij zijn zoons door Euenos van Paros had laten opleiden tot volkomen burgerlijke en politieke bekwaamheid voor de som van ƒ 250.—
In den grond der zaak echter voorzag zeker—ook reeds het feit dat de sophisten zoo hooge honoraria konden bedingen bewijst dit—het sophistenonderricht in eene „bestaande behoefte”. En wat bij de groote verscheidenheid in onderwijs en karakter dezer buitenlandsche leeraars de kern van hun onderricht was, kan in hoofdzaak niet twijfelachtig zijn. De jongens wilden knap worden, ja, maar bovenal knap in het spreken. Protagoras’ theologische scepsis en Prodicus’ levensmoede ernst lieten hen waarschijnlijk vrij koel. Maar in den trant van Protagoras uit de filologische ontleding van een oud lied eigene wijsheid met smaakvolle eruditie toe te lichten; door de kunde van Prodicuste leeren hoe zwaar ieder woord weegt en wat men bereikt door uit het onderscheid van elk synoniemenpaar op te klimmen tot scherpe scheiding van alle begrippen; dan eindelijk al die oefening en die wetenschap tot leven, tot nieuw en schitterend leven te brengen door ze te vergulden en te louteren in de kunst van Gorgias—dat was het wat de jonge Atheners hoopten te leeren van de sophisten. Met andere woorden: zij begeerden te dingen naar de glorie der rhetoriek.
Op zeer verschillende wijze hebben de mannen, wier woord op het gebied der opvoeding gezag had in het Athene der vierde eeuw, die sophisten-wijsheid bejegend. Van volgelingen der sophisten kunnen wij zwijgen. Dat die niet schaarsch waren, spreekt bij de toenemende macht des woords in de volksvergadering van zelf. Maar ook in de methode van hunne bestrijding openbaart zich een groot onderscheid. Plato, die juist de rhetoriek, de kunst van het woord als middel van overreding, met bitterheid haat, kent geen genade tegenover Gorgias, den Sophist van Leontini. Er is wellicht geen enkele onder Plato’s dialogen, waar op zoo onverbiddelijke wijze de vijand in het nauw wordt gedreven als de Gorgias. Want het is er Plato om te doen geweest, als het ware ten aanhoore van alle Atheensche vaders die een’ „Theages” thuis hadden, den sophist zelven te laten erkennen dat inderdaad de kunst die hij aanprijst slechts eene kunst om de dingen aannemelijk te maken mag heeten, niet eene wetenschap die zoekt naar de waarheid, dat dus voor de rhetoriek—wier terrein de kring der onbevoegden, immers de volksvergadering, is—zaakkennis overbodig is, dat scherp onderscheiden tusschen zedelijk goede en zedelijk slechte dingen niet door haar wordt nagestreefd; kortom, dat zij eene kunst is als die van den kok en den confiseur, of den coiffeur zelfs, d.i. eene schijnkunst.
Dialogen als de Gorgias hebben een element van onbillijkheidin zich, dat gewoonlijk aan jonge lezers van onzen tijd veel eerder in het oog valt dan de hooge dialectische waarde der bewijsvoering. Gorgias en zijne medestanders worden door hun geestigen bestrijder al te onbarmhartig uitgekleed, en dat nog wel uit een plunje die hij zelf hun had aangetrokken. De aanleiding echter van die verbitterde vijandschap zal zeker wel hierin zijn te zoeken dat, ook nadat de eerste, grootste Sophisten reeds lang uit Athene waren verdwenen, de utilistische, karakter-ondermijnende africhtings-methode, die in den Gorgias wordt gegeeseld, bleef heerschen in het voortgezette onderwijs.
Maar indien dan nu een of andere tegenhanger van Theages eens niet tot zijn vader had gezegd: „ik wilknap”, doch „ik wilwijsworden”, zou dan op het verzoek van zulk eenen vader Plato hebben geantwoord: „zend hem maar bij mij”?
Men stelt het dikwijls zoo voor, alsof Plato, behalve den kring van volwassen of bijna volwassen beoefenaars der wijsbegeerte, in zijne Akademie een school van aankomende knapen zou hebben gehad, waar dan—om een betrouwbaren grondslag te leggen voor de studie der dialectiek—voornamelijk mathesis en logica zou zijn gedoceerd. Zeer zeker is die voorstelling in hare algemeenheid onjuist; want Plato, die geen geld voor zijne lessen aannam, heeft zonder twijfel nooit anders dan eene keur van jongens of jongelieden in zijne Akademie toegelaten. Die Akademie zelve is ook geenszins eene inrichting voor knapen. Toen Plato, even buiten Athene, zich een park kocht, bouwde hij zich zelven daar eene woning; hij vereenigde daar in eng aangesloten kring zijne volgelingen om zich heen, en toen hij stierf legateerde hij als fideïcommis de geheele plek, met schoolgebouw, Muzentempel en woningen, aan hem die zijn opvolger als scholarch was.
Zoo is de Platonische Akademie eene fundatie geworden,eene op religieuze grondslagen gebouwde, en daardoor ook in hare eigendommen onaantastbare stichting, en zóó werd zij tevens eene particuliere inrichting van onderwijs.
Maar eene school voor knapen was die Akademie—zooals wij haar kennen—niet. De vrienden, voor wie Plato op zoo onnavolgbare wijze in zijn Symposion de roeping der wijsbegeerte heeft geteekend, de genooten der Akademie die aanzitten aan de gemeenschappelijke maaltijden, uit hun midden een bestuurder van den Muzentempel kiezen en straks een nieuwen scholarch, dat zijn geen knapen of jongelingen, maar volwassen beoefenaars der philosophie, tot eene vast aaneengesloten corporatie of secte, bijna zou men zeggen „eene gemeente”, vereenigd.
En nu hebben om die engere groepen, eerst van Plato’s Akademie, straks van Aristoteles’ Peripatos, zich zeker van den beginne af wel langzamerhand scharen van jongelieden geschikt, aspiranten voor de eer der toelating, edelen-expectant van deze balye des geestes, jonge Atheners van goeden huize, vaak ook zoons van belangstellenden uit den vreemde, ja het is in verloop van tijd mode geworden, dat aanstaande geleerden, dichters of zelfs politici een tijdlang te Athene kwamen studeeren; maar ook deze jongelui—voor welke gaandeweg de onderrichtingsvorm van het Socratische gesprek zich wijzigde tot dien van eene geregelde voordracht—waren geene knapen, doch jonge mannen, die zonder eenige grootspraak kunnen zeggen, dat zij te Athene de colleges van een professor in de philosophie hebben gevolgd.
Deze toestanden voeren ons buiten den kring der knapen van de vierde eeuw, ofschoon ook toen reeds de jonge volgelingen der Akademie te Athene bekend genoeg waren, inzonderheid door de voornaamheid van hun optreden, de buitengewone verzorgdheid hunner kleeding en hunne aristocratische afzondering. De eigenlijke scholen van voortgezet onderwijs echter moeten wij zoeken bij mannen als Isocrates.
Isocrates! Voor velen onzer tijdgenooten is de naam van dezen „volmaakten stilist” alleen reeds voldoende om hun de langwijligste uren uit hunne worstelingen met het „moeilijke Grieksch” te binnen te brengen en hen met wrevel te vervullen. En inderdaad, de verzameling oraties ons van zijne hand bewaard, hebben in de onkreukbare gladheid harer perioden, iets zeldzaam irriteerends. Ook komt het dezen rhetor niet ten goede, dat het lot zijne gekunsteldheid heeft geplaatst tusschen den bevalligen eenvoud van Lysias en Demosthenes’ gespierden hartstocht, terwijl de mededeeling van den ijdelen woordkunstenaar, dat hij meer jaren had noodig gehad om zijne groote Lofrede op Athene te voltooien dan de Grieken hadden gebruikt om Troje te veroveren, weinig geschikt is om onze sympathie voor dien Panegyricus van zoo langen adem wakker te maken.
Maar vele van de eigenschappen, die Isocrates als schrijver ongenietbaar maken, komen hem als leeraar ten goede. In de eerste plaats die nooit falende juistheid van woordenkeus, dat zeldzaam fijne gehoor, die vaste tact in het schikken der woorden, die hem voor het practisch onderwijs in de rhetorica zoo bij uitnemendheid geschikt maakte. Want het was inderdaad rhetorica die hij onderwees; al noemde hij zelf het philosophie. Immers noch het dialectisch zoeken naar eene vèr boven het begrip der jongelingen zwevende waarheid—de „onvruchtbare” bezigheid der mannen van de Akademie—noch de gevaarlijke spitsvondigheden der Sophistiek konden—zoo meende hij—Athene’s jongelingschap op den juisten weg brengen. Dat vermocht naar zijne overtuiging alleen de rhetoriek, gegrondvest op eene propaedeuse zooals slechts zijne school die geven kon.
Ons klinkt die belofte als eene zonderlinge grootspraak. De welsprekendheid heeft in onzen modernen staat bijna overal—alleen nog niet tegenover de massa des volks—haren voornaamsten invloed verloren. Maar wanneer wij bedenken hoe ontzaglijk hare macht was te Athene, het Athene der volksvergaderingen en der gerechtshoven van gezworenen, dan verbaast het ons niet dat vele Atheensche vaders, of uit eigen beweging, of gehoorgevend aan den aandrang van een zoon die „vooruit” wilde, de in meer dan één zin „kostbare” leiding van den grooten leermeester inriepen. Zelfs al waren die knapen niet bestemd voor de balie, of geroepen om het volk te leiden, het programma van Isocrates’ onderwijs beloofde veel goeds. Inleiding tot zijne school vormt het geheele lager onderwijs met de muzische en de historische studie, en op den grondslag dezer elementaire ontwikkeling plaatst hij als bekroning van geheel de opvoeding zijne philosophische rhetorica.
In den grond was deze philosophische rhetorica niet veel anders dan de literair-historische opvoeding, wier eenzijdigheid Plato zoo aanhoudend had bestreden. Zij putte uit de geschiedenis van het voorgeslacht hare kennis van de ontwikkeling der menschheid, van de goddelijke rechtvaardigheid, van den burgerplicht, van de menschlievende beschaving. Zij deed dat met ernst en met zekere overtuigingskracht, want haar leermeester was niet alleen een man van groote geleerdheid, maar ook een man van politieke standvastigheid en van ruimen blik in de staatkundige verhoudingen zijner stad. En als rhetor èn als leeraar der rhetoriek dwingt deze idealist ons tot eerbied om de reinheid zijner overtuiging, om zijn geloof in de mogelijkheid van een terugkeer tot de oude tijden—te eenzijdig doch met groote zeggingskracht door hem verheerlijkt—en eindelijk om zijn vertrouwen op de zedelijke kracht der rhetorica, zooals hij die onderwees. Want dit was de grondstelling van zijn idealistisch programma: De roeping der rhetorische studie is, dengene die haar beoefent, te vormen tot een gids voor zijne medeburgers: wee dus den leermeester, dievan de edelste kunst een onedel werktuig maakt, en door zijn onderwijs den leerling het gevaarlijke pad wijst, dat voert naar een politieke macht, die op andere grondslagen berust dan loutere en waarachtige burgerdeugd.
Het is moeilijk te zeggen, in hoeverre diegenen onder de leerlingen van Isocrates, wien het niet zoozeer te doen was om technische vaardigheid in het spreken, als wel om hetgeen wij zouden noemen de afronding hunner elementaire, zoowel muzische als literaire opvoeding, bevrediging in zijne lessen hebben gevonden. Wat hij hun heeft willen geven, is duidelijk genoeg. Niet de schijnbeschaving of de handige improvisatiekunst der sophisten, maar het rustig zelfvertrouwen, dat de eigenschap is dergenen die eene vaste kennis hebben, en daarbij de zekerheid dat zij daarvan kunnen meedeelen, wèl luidend, omdat hunne stemorganen, en welbehagelijk omdat hunne vrijmoedigheid is geoefend.
Dat recept is bevredigend. Maar hoe was de uitwerking? Isocrates zegt herhaaldelijk dat zijne leerlingen hem zeer lief hebben gehad, en wij hebben niet het minste recht dat getuigenis in twijfel te trekken. Maar het is niet het zelfde een leeraar lief te hebben, en zijn onderwijs te waardeeren. Waarlijk, indien wij naar de uitwerking zijner epideiktische redevoeringen op onze eigene leerlingen onze meening over den smaak der Attische knapen mogen vormen, zal menige Athener van zestien jaar gehunkerd hebben weer vrij te komen van het vurig gewenschte en duur betaalde schoolonderricht van Isocrates. Niet in de eerste plaats om het eentonige van de wetten der techniek, want al werkte het voorschrift van al die beproefde zinsformaties, het opbouwen van die hecht ineengevoegde periodes, het toepassen van die vaste rhythmen, als welluidend aangeprezen, doodend op de individueele scheppingskracht van menigen hoorder, het fijn ontwikkelde schoonheidsgevoel van den meester opende toch zijne oorenen zijn gemoed voor eene waardeering van het proza, die hem wellicht zou in staat stellen om nieuw leven te brengen in de literatuur. Maar juist in hetgeen feitelijk behoort tot de groote deugden van den conservatief, ging deze man van nooit versagende welsprekendheid te ver. De vereering der voorvaderlijke zeden, de lofprijzing der daden van het voorgeslacht, de verheffing van Athene’s heerlijkheid verloor, ondanks de oprechtheid van den redenaar, door hare eindelooze herhaling niet weinig aan overtuigingskracht.
Het is—alles bijeen genomen—geen wonder, dat in de vierde eeuw zoowel de Atheensche vaders als hun zoons iets anders begeerden naast dit louter theoretische schoolonderricht. Bovendien: met een nadruk die deze idealistische opvoedingsmethode overstemde, liet zich een nieuwe eisch hooren. De les, door een goed deel van Athene’s burgers uit den noodlottigen oorlog met Sparta getrokken, was deze, dat tegenover de wisselzieke politiek van de democratie eene sterke aaneensluiting van het behoudend deel des volks, een nauwkeurig en streng disciplineeren deraristocratischejongelingschap noodig was. Uit dit beginsel ontstond nu in het laatste vierendeel der vierde eeuw een stiptere regeling—en wel eene regeling van staatswege—van het instituut der Ephebie.
Wie den naam „Epheben” hoort, denkt het eerst—en te recht—aan die reeks van jongelingen met slapgerande hoeden en fladderende ruitermantels die, gezeten op hunne typische kortnekkige Attische paardjes, in vluggen steigerenden gang ons voorbij snellen op de fries van het parthenon. Zoo goed als later, zijn deze epheben jonge soldaten en dus burgers in staatsdienst en onder staatstoezicht, en wij weten zelfs dat in de vijfde eeuw door de studentikoze dartelheid dezer jonge cavaleristen het staatstoezicht van tijd tot tijd eenige versterking heeft noodig gehad. Maar tegen heteind der vierde eeuw, d.i. in den tijd toen Athene meer en meer hare zelfstandigheid zag verminderen, is dat staatstoezicht hervormd tot eene staatsregeling, waardoor de ephebie als het ware de kroon moest zetten op de vorming van den jongen Athener van voornamen huize. Daarom verdient zij hier onze volle aandacht en zou het onredelijk zijn, op grond van de overweging dat ephebenleven geen knapenleven is, in onze schets de ephebie ter zijde te laten.
Epheben zijn letterlijk zij, die de periode van de manbaarheid zijn ingetreden, dus den leeftijd van zestien jaar hebben bereikt; maar in politieken zin worden daaronder verstaan die dienstplichtige jongelieden van 18–20 jaar, die door een onderricht onder staatstoezicht en grootendeels van staatswege gegeven, worden gevormd voor den hoogeren militairen dienst.
Zoo erkent dus—na den knaap langen tijd schijnbaar uit het oog te hebben verloren—de staat van Athene den achttienjarigen jongeling als medeburger. Maar niet zonder gewichtige formaliteiten.
Met spanning heeft zeker de zeventienjarige, van de beteekenis der burgereer door het onderricht van de laatste jaren zoo diep doordrongen, de maand Pyanepsion (Oct.–Nov.) zien naderen. In die maand komt de phratria tot welke zijn vader behoort bijeen, om het zeer heilige feest der Apaturiën te vieren, een feest dat jaarlijks in den nazomer, als ook de zeevarenden weer thuis zijn en ter gemeentevergadering verschijnen, door plechtige offers aan den beschermgod Apollo, krachtiger dan eenig feest bij de stamgenooten het gevoel verlevendigt dat zij tot één geslacht behooren. De derde dag van het feest geldt bijzonder den aanstaanden Ephebe. Hebben niet reeds vroeger, kort na zijne geboorte, de leden der phratria bij zijne voorstelling beslist over zijn recht tot erkenning, dan geschiedt dit thans. Ouderwetsche plechtigheid, zeer geschikt om indruk op hem te maken,kenmerkt de gansche handeling. Eerst ziet hij zijn vader met de rechterhand het altaar van Zeus aanraken en hij hoort hem onder plechtigen eed de verzekering afleggen van zijne wettige geboorte; dan volgt de geheime stemming van de evenzeer onder eede staande phrateres, en eindelijk, als de afloop dier stemming gunstig is, brengt hij met zijnen vader voor de phratria het heilige offer datkoureionheet, omdat dien ochtend het scheermes zijne lange jongenslokken heeft afgesneden. De dag blijft verder een feestdag, want van zijn offer en dat zijner genooten worden aan de leden der phratrië, als onthaal, stukken offervleesch gebracht.
Is hij nu burger? Hoe zou dit, daar immers de phratrië wel een religieus-historische gemeente doch geen organiek deel van het Atheensche volk uitmaakt! Zonder de erkenning door de phratriën ware iedere verdere erkenning onmogelijk, doch deze opent hem nog slechts de poort om tot de tweede keuring te worden toegelaten.
Eenige maanden nl. na de koureotis, in Juli, vóór den aanvang van het Attische ambtsjaar, komen de leden van den Demos zijns vaders bijeen. De demen zijn de districten in welke het geheele Attische gebied is verdeeld. Bij de eerste indeeling van land en bewoners in—toenmaals honderd—demen, woonden dus natuurlijk alle leden van eenzelfden demus bij elkaar. Maar daar het lidmaatschap van een demus niet wisselt door verhuizing, geraakten gaandeweg de leden van eenzelfden demus verspreid over de andere districten, en ontstond eene niet ongewenschte vermenging van parochiale en nationale belangen. Want ieder blijft stemmen in zijn ouden Demos. Gestemd—en onder eede gestemd—wordt nu ook over den aanstaanden burger in den demos. Hij vraagt zich wellicht af, op welken grond en onder welken eed die demoten nu nog weer gaan overdoen, wat de phratrië reeds zoo zorgvuldig heeft gedaan. En de phrateres kennen althans zijnen vader persoonlijk; ze zijner om zoo te zeggen bij geweest, toen zijn vader zijne moeder trouwde. Maar wat weten de demoten, in wier district hij misschien niet eens woont, van de geheele zaak?
Maar—wie onder de adspirantburgers alzoo spreekt, heeft zeker niet in de jaren die achter hem liggen de pleitlessen van een advocaat als Isaeus gevolgd, en te huis weinig gehoord van de hardnekkigheid waarmee bij de erkenning als burger bedrog wordt gepleegd. Dat van tijd tot tijd de phratriën in haar geheel eene zuivering tot uitstooting van alle onrechtmatiglijk ingedrongene leden houden, bewijst wel dat er voor eene contrôle van staatswege door de demoten aanleiding was. Voor wie te Athene woont is het burgerschap om politieke, sociale en religieuze redenen zéér veel waard—ook wel een douceur aan de stemhebbende phrateres. Zoo hebben dus de demusleden alle reden om scherp toe te kijken, en lichtvaardig schijnen ze niet tot verwerping te zijn overgegaan. De redenaar Aeschines althans verklaart, dat hij steeds sterk onder den indruk is van den ernst dezer rechters en niet twijfelt, indien hij ten opzichte van een of anderen man hoort verklaren: „Zie hier, dezen hebben de demoten op eer en geweten verworpen als burger.”
Onzen knaap verwerpen natuurlijk de demoten niet: zijne stukken zijn in orde, en hij heeft zijne jaren. Toch zal dit laatste nog in een officieel onderzoek voor den Raad der Vijfhonderd worden vastgesteld. Voor het eerst in zijn leven treedt dus de jonge achttienjarige het gebouw binnen, waarin de gewichtigste besluiten van zijnen Staat worden voorbereid. Achttien jaren is hij en hij toont ze; het staat dus niet te vreezen dat hij, zooals de term luidt: „tot de knapen zal worden teruggezet”.Maar minder dan zijn eigene positie van heden, zal hem hier in het Raadhuis, voor welks opengewerkt hek hij zeker wel eens naar binnen heeft gegluurd als er zitting was, de gedachte aan zijnetoekomst vervullen. Nog weinige jaren en het lot zal ook hem kunnen aanwijzen om voor een jaar zitting te nemen in de rij dergenen die hem thans met keurend oog aanstaren.
Maar deze plechtige zitting duurt niet lang: hij is goedgekeurd; zijne inschrijving in het demos-boek, die hem alle rechten van het volle burgerschap verleent, is hier bekrachtigd. Als vrij burger van Athene treedt hij uit het Raadhuis; straks wordt hem de ephebenhoed met slap neerhangenden rand op het hoofd gezet, de korte ruitermantel wordt hem omgeslagen; hij is Ephebe.
Het allereerste gevolg van deze bevordering is, dat hij nu voor het eerst van zijn leven niet slechts feitelijk, gelijk voorheen, maar ook wettelijk zijne vrijheid kwijt is. Hij is volstrekt onderworpen aan de militaire en civiele autoriteiten, en de samenwerking dezer beiden zal hem zijn ridderslag als afgeëxerceerd en afgestudeerd burger na twee jaren geven. Zijn vader en diens stamgenooten hebben de zaak van deze voorbereiding lang niet luchthartig opgevat: dank zij hunne zorgen is zijne Ephebie thans nauwkeurig gereglementeerd. Vermoedelijk is die regeling wel voor een deel het gevolg van de alles behalve rustige wijze waarop de jonge lieden hunne eerste militaire plichten plachten te vervullen in de vervlogen jaren, toen Aristophanes hun prachtcorps, schitterend, gezien bij de dames—en aanmatigend alsDuitscheCorpsbrüder „in Mütze und Kanonen”—op het tooneel bracht.Thans komen de vaders stamsgewijze bijeen, d.i.ieder in die van de tien phylen (stammen) waartoe zijn demus behoort, en zij zoeken te zamen, iedere groep vaders dus uit zijne eigene phyle, drie, d.i. samen dertig mannen boven de veertig jaar, die zij èn het meest achtenswaard èn het meest geschikt achten om met jongelieden om te gaan, en uit die drietallen wijst dan de volksvergadering, door het gemoedelijk vertrouwen der wetgevende macht van den Demos zelfs in deze zaak als hoogst bevoegde geëerd,tien sophronisten of zedemeesters aan, terwijl ten slotte een kosmeet of ordenaar de opperleiding aanvaardt.
Met de hedendaagsche begrippen omtrent de vrijheid van achttien- tot twintig-jarigen en omtrent de wenschelijkheid eener geleidelijke oefening in zelfstandig handelen strookt zeker deze instelling niet; maar wij kunnen uit tal van opschriften zien, dat de Atheensche volksvergadering met de nieuwe, strenge organisatie zeer ingenomen was. Hebben de jonge burgers zich behoorlijk gedragen, zijn ze gehoorzaam geweest aan hunne sophronisten, hebben zij in onderworpenheid aan den kosmeet hunne militaire diensten vervuld, dan worden er onmiddellijk eeredecreten voor hen opgesteld; zij worden bekroond, de schermmeesters, de gymnastiekmeesters worden bekroond, de sophronisten worden geëerd door een gouden krans. En opdat de herinnering aan zooveel burgerdeugd niet spoorloos zou voorbijgaan, wordt het verslag hunner voortreflijkheid gebeiteld in onvergankelijk marmer.
Het ligt voor de hand een oogenblik te glimlachen over eene inrichting, die ons zoo weinig in overeenstemming schijnt met de behoeften en wenschen vanachttienjarigen. En toch—wie in de kosmetenzaal van het Atheensche museum een enkel half uur vertoeft, om eens rustig te kijken naar de rij van Attische kosmeten—zij ’t dan ook grootendeels uit lateren tijd—welke aan deze zaal haren naam geeft, hij zal niet heengaan zonder den indruk mee te nemen dat hij een oogenblik heeft vertoefd in een gezelschap van ernstige, beminlijke mannen, paedagogen in den beteren zin des woords, en dat de Atheensche jongens, die waarlijk in hunne schooljaren de sophrosyne hadden leeren hoogschatten, de leiding van zulke sophronisten eer zullen hebben gezocht dan geschuwd. Waarom zou niet menig Attische jongen in den overgang van het schoolleven met zijne gebondenheid en van het huislijk leven metzijne intieme gewoonheid tot de hem nog zoo weinig vertrouwelijke vormen van een zeker niet over-zachtzinnig kamp van jonge recruten zich gaarne hebben neergezet naast dien ouderen vriend zijns vaders, dien man van aanzien in de phyle, die den verleden roem van hunnen stam kan verhalen, de eerezuilen aan hem toonen kan die de namen hunner helden bewaren, hem de campagnejaren beschrijven, in eigen jeugd met de ouders der tegenwoordige leerlingen doorgebracht? Mij dunkt, de meesten onzer hebben ook wel zulk een oom of zulk een vriend huns vaders gekend, aan wien zij bij tijden en in sommige zaken nog gemakkelijker hun vertrouwen schonken dan aan hun eigen vader.
Een zoodanige verhouding kon te gemakkelijker tusschen de epheben en hun sophronist ontstaan, omdat de sophronisten als het ware gedelegeerden waren met een algemeene opdracht. Het militaire commando was in handen van den strateeg, want de epheben zijn recruten; zoodra dus de troep in garnizoen is op een of ander vast punt, staan zij onder de bevelen van den plaatselijken commandant en—militair gesproken—niet van den sophronist, ofschoon hij zeker aanwezig is en niet minder zeker gehoorzaamd wordt. Hij zelf gaat blijkbaar met de compagnie mee. Immers uit de staatskas ontvangt de sophronist voor zich zelven eene drachme en voor ieder zijner epheben vier obolen (d.i. ⅔ drachme), en voor die soldij schaft hij alles aan voor de tafel, benevens hetgeen verder in de ménage noodig is, daar tot betere aankweeking van den corpsgeest de epheben gezamelijk, stam aan stam, eten.
Men zou kunnen vragen of niet, afgezien van de ideëele behoeften, hier boven geschilderd, naast de militaire overheden de sophronist vrij overbodig is. Het antwoord kan luiden, dat de Atheensche jongens—ondanks de zorg in het onderwijs aan hun sophrosyne gewijd—van aanlegzeker nog al onstuimig zijn geweest. In eene van Demosthenes’ oraties, die een klacht wegens mishandeling toelicht, is eene beschrijving van de wijze waarop jonge soldaten, sinds kort aan de ephebie ontwassen, zich tegenover kameraden van wellicht iets minderen stand gedroegen. Al schetst de redenaar een uitzonderingsgeval, en al overdrijft hij dat misschien, toch doet zijne teekening een merkwaardig licht vallen op de alles behalve straffe tucht, welke in een Grieksch legerkamp kon heerschen in de jaren die aan de nieuwe regeling der ephebie voorafgingen.
„Het is nu twee jaar geleden”, zoo laat Demosthenes den eischer zijne lotgevallen verhalen, „dat ons regiment werd opgecommandeerd om een post bij Panakton te betrekken. Nu kregen de zoons van Konon, mijne tegenpartij, hunne tent vlak bij de onze—geenszins naar mijn wensch, want oorspronkelijk is onze vijandschap uit dat feit en uit de botsingen, die daarvan het gevolg waren, ontstaan. Zij hadden de gewoonte, geregeld, onmiddellijk na hun eersten maaltijd hun drinkgelag te beginnen, en dat den ganschen dag voort te zetten, en die gewoonte hielden ze vol zoolang als we daar in garnizoen gelegen hebben. Wij van onzen kant gedroegen ons daarginds echter op geene andere wijze dan wij in de stad gewoon waren. Als nu voor de andere soldaten de tijd aanbrak om voor het middagmaal te zorgen, dan was het meestal met hen wel zoo ver, dat zij in dronkenschap allerlei onbehoorlijkheden begonnen te bedrijven, meest tegen onze bedienden, maar tenslotte ook tegen ons zelven. Want onder de bewering dat onze slaven bij ’t vleesch braden hen in den rook zetten, of dat ze hen uitscholden, of wat dan ook, sloegen ze er op los en smeten hen met vuiligheid, of ze deden nog erger, want eigenlijk was er geen onbeschoftheid of onbehoorlijkheid die zij niet bedreven. Toen wij dit nu zagen en er natuurlijk ergernis van hadden, onderhielden we hen eerst er over; maar daar zijons hoonden en niet ophielden dezelfde onbehoorlijkheden te bedrijven, hebben we eindelijk—geenszins ik alleen zonder de anderen, maar onze tafelgenootenen corps—de zaak voor den strateeg gebracht. De commandant berispte hen streng en bestrafte hen niet alleen wegens hun wandaden ten opzichte van ons, maar ook wegens hun geheele gedrag in het kamp. Evenwel, verre van zich daarover te schamen of een eind aan hun onbehoorlijkheid te maken, kwamen zij dien zelfden avond, zoodra het goed donker was, bij ons binnendringen, en na ons eerst uitgescholden te hebben begonnen ze mij af te ranselen en veroorzaakten ze zooveel geschreeuw en lawaai om onze tent heen, dat de strateeg en de compagniecommandants en eenige van de soldaten kwamen aansnellen, die gelukkig verhinderden dat ons eenig onherstelbaar leed overkwam of dat wij, door hen in hun dronkenschap mishandeld, hun iets aandeden dat niet meer ongedaan kon worden gemaakt....”
De gevoelens waarmee de rechters deze rede, omstreeks 340 gehouden, hebben aangehoord, kunnen wij ons zonder moeite voorstellen. Zeker, ze zullen onder ’t luisteren naar deze schets van ’t garnizoensleven wel even zich aan ’t genot der herdenking van eigen ondeugendheden hebben overgegeven; ze zullen bij den voortgang van het pleidooi den jongen, braven pleiter, die hun van zijne deugden geene verzwijgt, wel min of meer een sukkel zijn gaan vinden; onverdiend vonnis misschien, maar niet onbegrijpelijk! Doch zonder twijfel zullen ze tevens hebben gedacht: „met jonge mannen als de zoons van Konon kunnen wij Philippus niet weerstaan; en kampen als dat van Panakton vernietigen alle discipline. Sophronistentoezicht op onze epheben kan dien toestand althans voor den aanvang der militie en voor de kern onzer jongelingschap verbeteren”.
De werkzaamheid van den kosmeet en de sophronisten, die aanvangt terstond na hunne benoeming, opent deephebie op zeer karakteristiek Atheensche wijze. Optochten behooren in het algemeen tot de onontbeerlijkste genietingen van dit volk, dat gaarne vertoont en gaarne toekijkt. Maar de optocht die dezen dag wordt gehouden, heeft een eigenaardige beteekenis. De epheben worden namelijk in plechtigen rondgang door hunne bestuurders geleid door de stad „langs de heiligdommen der Goden”. Alsof thans voor het eerst de omheining wegviel die den zedigheidsweg der schoolgaande knapen afscheidde van het algemeene stadsverkeer, zoo gaan zij nu onder hunne sophronisten overal rond. Natuurlijk wordt—in de vierde eeuw!—hier niet de schijn gehandhaafd, als zouden deze jongens nooit vóór dezen de propylaeën hebben bestegen, nooit de oogen hebben opgeslagen naar de majesteit der Olympische goden, rustig tronende op de gevelstukken van het Parthenon. Hunne vaders hebben het ook niet nagelaten hen mee te nemen naar de Acropolis en hun de heerlijkheid van Phidias’ tempel te toonen, hen te wijzen op de gratie der karyatidenhal, hen in hun jeugd te brengen voor de geweldige statue van Athene Polias. Zeker, er zijn in den stoet die daar onder de sophronisten voortmarcheert, niet velen die den optocht der Panathenaeën nooit hebben zien gaan langs den heiligen weg over de burcht, die nooit in de Propylaeën hebben staan turen naar de schoonheid van de Aphrodite Sosandra, die nooit langs den Ilissus hebben gewandeld en den tempel van Aphrodite „in de Tuinen” zijn binnengetreden. Weinigen hunner zullen zeker heden voor het eerst staan voor het altaar van de Twaalf Goden op de markt, dat het middelpunt is van het geheele religieuze leven der Atheners. Maar de epheben zien dat alles op dezen dag met andere oogen. Het is alsof heden hunne stad hun voor het eerst wordt voorgesteld en wel als een stad „vol van de goden”. Maar tevens, terwijl zij voortgaan van altaar tot altaar, langs dentempel van Apollo Pythios, langs het onvoltooide reusachtige heiligdom van Zeus den Olympiër, langs het altaar van Artemis Agrotera—langs al die plekken, wier historische en religieuze beteekenis hun vaders hen op zoo menige stadswandeling hebben doen verstaan, beseffen zij ook dat die rondgang nog iets anders beteekent. Niet alleen worden hun de goden getoond, niet alleen zegt de tocht zelf tot hen: „Jonge Atheners, ziet hier uwe stad. Godsdienstiger zijn er weinige in Griekenland, schooner in hare religie is er geene—beschermt haar en bewaart hare eere!” Maar bovendien,het is hun alsof, op den dag zelven die hen in zekeren zin losmaakt uit de voogdij van hunnen vader, de sophronisten hen opdragen aan eene hoogere voogdij, aan de bescherming der goden die Athene hebben grootgemaakt.
De epheben zijn nu na dezen rondgang soldaten, maar men doet het best ze te beschouwen als boven de formatie: in eigenlijk actieven krijgsdienst zijn ze niet, want ze moeten nog allerlei leeren. Crates of een ander anti-militaristisch philosoof moge hen daarom beklagen, hoogstwaarschijnlijk zullen ze dat zelf niet doen: het onderwijs, dat hen wacht bij de van staatswege aangestelde paedotriben, bij den schermmeester, bij de mannen die hen het boogschieten, het speerwerpen, de bediening van de katapult zullen leeren en hun eindelijk de lessen in het zwemmen en ’t paardrijden zullen geven, wat is het voor hunne jonge levenskracht anders dan een lust?
Niet meer naar de palaestra voert hen nu de paedotribe, maar naar de gymnasia, naar de schoongelegen Akademia, naar het Lycëum, of elders, waar technischer en strenger de oude oefeningen worden voortgezet. Natuurlijk geldt het hier in de eerste plaats herhaling van al datgene, wat bevorderlijk is voor deeuandria. Want eukosmia en euandria zijn nu eenmaal de eigenschappen die de Atheners in hetuiterlijk van hunne zoons bovenal willen terug vinden: euandria, de evenredige ontwikkeling van alles wat aan het jonge mannenlichaam bevallige kracht en weerstandsvermogen geeft, en eukosmia, die rustige zelfbeheersching die evenver verwijderd is van te zelfbewust pronken met eigen schoonheid als van de onhandige verlegenheid door welke de schroomvallige elke houding en iedere beweging ontsiert.—Het onderscheid van deze gymnasiumoefeningen en de oude palaestra-lessen ligt natuurlijk voornamelijk in de verzwaring, meer dan in de verandering der werkzaamheden. Zoo bijv. in het zeer geliefde oefenspel met denkorykos, den Romeinschen follis, den windbal dien wij in het Engelsche sport alspunchballkennen. Men hing in de Atheensche gymnastiekscholen dien bal aan den zolder op; bij de eerste oefeningen was hij met lucht gevuld, doch voor het ephebenspel eerst met kaf of gerst en straks met zand; ook nam men naar gelang van toenemende kracht en leeftijd grooter model van bal.—De bal hangt juist op de hoogte van den buik des gymnasten. Deze tilt hem op, werpt hem in de hoogte, grijpt hem in de vaart, wacht hem af als hij komt aansuizen, om hem dan met een stevigen vuistslag af te weren of door handig duiken te ontwijken, kortom hij doet den bal draaien en tollen en zwaaien, juist zooals hij wil, om hem daarna door een handig toegepast geleidelijkritardandovan zijne vuist- en palmslagen juist op het oogenblik dat hem dit wordt bevolen weer stil te doen hangen.
Voor het pijnlijk en stalend boksen, dat in de palaestra nauwelijks kan zijn beoefend, is dit spel met den hangenden bal eene uitnemende voorbereiding. Intusschen zal ook hier het vuistgevecht, door den paedotribe geleid, wel alleen in den meer eenvoudigen vorm en zeker niet op de bloedige wijze van de Homerische helden of zelfs van de athleten, door Hellenistische dichters beschreven, zijn behandeld. Indezelfde gymnasia kunnen de Atheners getuigen zijn zoowel van de bloedige stooten die twee beroepsathleten,in trainingvoor de Olympische wedstrijden, elkaar toebrengen met hunne met ijzer beslagene handschoenen als van den ephebenstrijd. Deze geschiedt alleen met vuistriemen, die de vingers en de vuist bedekken en dus wel, terwijl ze deze beschermen, de pijnlijkheid van den slag verhoogen, maar niet de kans vermeerderen dat een bloedige wond wordt geslagen.
Aan den leider dezer oefeningen wordt zonder twijfel overgelaten, waar hij de grens tusschen de voorbereidende militaire werkzaamheden der epheben, en de beroepsstudiën der athleten meent te moeten leggen, en wij behoeven er geen oogenblik aan te twijfelen of hij heeft dat met nauwkeurig overleg geregeld. De „quaestie der gymnastiek” is van Euripides’ dagen af bij de Atheners eigenlijk nooit van de baan geweest. Zoowel de hygiënische zijde als de sociale, en zelfs de politieke, geeft aan mannen als Plato en Aristoteles uitvoerige beschouwingen in de pen. Bedenken we nu dat de laatstgenoemde zeer ernstig de vraag behandelt, in hoeverre het aan de politieke positie van een staat kan ten goede komen dat hij geregeld uit de kern zijner burgerij athleten vormt om bij de groote nationale wedstrijden te Olympia en elders den naam van de vaderstad hoog te houden, dan kunnen we het waarschijnlijk achten dat de ephebenoefeningen in het gymnasium tweeledig waren: vooreerst die welke, als de balspelen, het springen, de hardloop enz., allen te zamen moesten opleiden tot militaire bruikbaarheid, en daarnaast die waarbij rekening werd gehouden met elks persoonlijken aanleg en lichaamsgesteldheid. Het is toch duidelijk dat een zware, groote kerel tot andere dingen kan worden bekwaam gemaakt dan een klein rap ventje!
Het is de verdienste van een goed paedotribe zulk persoonlijkonderscheid vlug op te merken en er met onpartijdigheid in het belang van de epheben gebruik van te maken. Want al behoeven deze jonge Atheners niet juist voor den Olympischen wedstrijd te worden klaar gemaakt, toch heeft zonder twijfel op eenigen hunner de phyle waartoe zij behooren al lang het oog, om hem te doen „uitkomen” in een van de ephebenwedstrijden door welke de Atheners gewoon zijn hunne goden te verheerlijken. En niet minder dan de phyle heeft daarop de jongen zelf gehoopt. De gelegenheden om zich te oefenen hebben hem niet ontbroken: ook nadat hij den palaestra-cursus ten einde had gebracht, bleef hij daar een welkome gast, en na dien tijd staan de gymnasia voor hem open. Nu komt het er op aan, den paedotribe aldaar te overtuigen, dat zijn longen eene flinke capaciteit hebben, zijne borstkas de juiste welving bezit en zijne beenspieren stevig en lenig zijn. Dan zal hij—misschien met gedeeltelijke inkorting of wijziging van zijne militaire verplichtingen—worden aangewezen om zich met de andere uitverkorenen te presenteeren aan den zoogenaamden Gymnasiarchos, d.w.z. aan dien burger zijner phyle, aan wien door den tweeden archont, den Basileus, bij wijze van persoonlijke belasting de taak is opgedragen geworden om in dit jaar de zorg voor die jonge stamgenooten op zich te nemen, wien het vergund werd mee te doen aan den fakkelren op de Panathenaeën of op het Prometheusfeest.
Ieder van die feesten heeft te Athene elementen van religieuzen aard in zich, die bij uitstek geschikt zijn om de overwinnings-blijdschap van zulk eenen jongen burger te vermengen met edeler en dieper aandoeningen, gedachten van hoogere orde dan de in ’t eind toch niet zeer diepgaande vreugde over het feit dat men sneller heeft geloopen dan anderen. Dat weet de ephebe, en hij kan het gevoelen wanneer hij mee is toegelaten tot den fakkelwedloop der Prometheia. Hij weet—want toen hij met zijnen vader inhet Dionysustheater de Prometheus-trilogie van Aeschylus zag opvoeren is het hem getoond—dat het altaar van Prometheus nabij den ingang der Akademeia een zeer heilig vuur bewaart, een spraak van de oorspronkelijke gave van God Prometheus, dat de straks te houden lampadedromia (fakkel-loop) de symbolische uitdrukking is van de zelfde daad der voortplanting van het heilige offervuur, welke door het Prometheus-verhaal mythologisch wordt verheerlijkt. Ook is de reden hem niet verborgen, waarom de fakkel straks van het Prometheus-altaar zal worden gedragen naar het groote altaar der stadsgodin op den burcht. Zoo goed als het huiselijke vuur met een brandenden tak van het huisaltaar behoort te worden ontstoken, moet ook de heilige vlam van het stadsaltaar in reinheid worden bewaard—en, voor zoover menschelijke aanraking haar mocht hebben verontreinigd, worden ontsmet—door contact met het outer van den vuurgod. Hoe sneller nu dat geschiedt, hoe minder kans dat bij de overbrenging de vlam iets van hare smetteloosheid zou verliezen. Vandaar de wedijver in den fakkelloop.
Reeds is van te voren eene keuring geschied, die de phylenafdeeling aanwijst welke door lichamelijke schoonheid en door gratie van houding de hoogste eer schijnt waardig te zijn; maar als de maanlooze nacht is aangebroken begint de wedloop. Tien jongelingen—uit iedere phyle een—steken hun fakkel aan op het altaar van Prometheus, geen harsfakkels die in den wind van zelf blijven branden, maar vetpotten wier behandeling in den wedloop voorzichtigheid en takt vereischt. Van den Kolonosweg af snellen zij voort, zorgvuldig wakend dat hun fakkel goed blijft branden, noch te fel, zoodat zij den geheelen loop niet zou kunnen strekken, noch zoo kwijnend, dat een windstoot haar dooven kan. Op vaste punten staat voor iederen concurrent een phyle-genoot te wachten die de brandende toorts overneemt.Uit vallen nu natuurlijk al die phylen die niet tot het einde toe hare fakkels brandend gehouden hebben. Maar die phyle is overwinnares, wier fakkel, dank zij de vlugheid en de behendigheid van al hare medewerkende epheben, het eerst brandend is neergelegd op het burcht-altaar van Athene.
Aan zulke wedstrijden was het jongelingsleven te Athene rijk. Het karakter dezer Agones is in hoofdzaak hetzelfde en opsomming der verschillende feesten aan welke epheben deel nemen is daarom hier niet noodig, maar wel dient er reeds hier op gewezen dat even als deze afzonderlijke oefening der aanstaande wedloopers zekere afscheiding bracht, ook in het overige onderricht zich, zelfs tusschen zoons van meer vermogende ouders, gaandeweg eenig onderscheid deed gevoelen. Al wordt de geheele ephebengroep van een jaar voor zoover de militaire voorbereiding betreft op een zelfde hoogte gebracht, gelijkheid blijft ook in dezen kring niet bestaan. In de eerste plaats zijn er onder de voornaamste epheben natuurlijk verschillende die, onder instemming zooal niet steun van staatswege, hunne wetenschappelijke studie tijdens de ephebie voortzetten. En dit behoefde nog geen duidelijke scheiding tusschen hen en hunne kameraden te geven; maar iets anders was het in de hoplomachie (de schermkunst). Speerwerpen zal voor de meesten wel een zeer gemakkelijk te leeren taak zijn geweest; in het mikken met de korte lans plachten reeds in de palaestra de Atheners zich vrij geregeld te oefenen.Maar reeds het zwaardschermen bracht verschil, omdat de rijkere jongelui daarin doorgaans allen privaat onderwijs hadden gehad en dus den anderen van ’t begin af de baas waren of de lessen dezer aanvangers niet eens behoefden te volgen. Het belangrijkst echter was de klove, door de rijkunst ontstaan. Wel is het niet onmogelijk dat, even als het zwemmen, ook het paardrijden soms aan alle epheben van een bepaald jaar werd onderwezen; maar zelfs al is dat het geval, bij lange na niet alleepheben zijn financieel in zoo gunstige omstandigheden, dat zij zich straks, als hun tweejarige oefeningstijd is afgeloopen, kunnen doen aanmonsteren bij de cavalerie.
Die dat wèl kunnen doen, voelen zich zonder twijfel vrij wat voornamer dan hun collega’s welke maar voor den hoplitendienst bestemd zijn. Het ruitercorps der Atheners was klein en gold, niet om bijzondere strijdbaarheid of deugdelijkheid, doch om den glans van zijn optreden, als een keurbende. Geen wonder! De ruiter moet zelf zijn paard leveren en jaarlijks zich zelven met zijn paard aan eene keuring, ten overstaan van den raad, onderwerpen. Onderhoudt hij zijn paard niet goed, dan wordt hij beboet, heeft zijn paard geen onberispelijke dressuur, staat het niet straf op ’t commando pal, of heeft het moeite mee te komen, dan wordt het dier op reform gesteld en hij zelf uit de lijst der ruiters geschrapt. Kortom, alles wat van een paradecorps kan worden gevorderd, wordt van hem geëischt.
Maar daarvoor is dan ook heel wat afzonderlijke oefening noodig. Vergezellen wij dus de epheben op hunne exercitiën, dan zullen wij naar mij voorkomt splitsing in hunne dagtaak moeten maken, en een deel bij de schermles, een deel bij den paedotribe, enkelen bij hun rhetor denken. De jonge ruiters oefenen zich buiten de poort. Nu eens ziet men hen in aaneengesloten gelederen regelmatig voortdraven, zooals ze moeten doen bij den Panathenaeën-optocht, als ze den stoet zullen openen en hunne moeders en zusters tehuis op het platte dak zullen stijgen om hunne glorie te zien. Een andermaal brengt hun rijmeester hen op het doorgraven terrein aan de berghelling en hij laat hen galoppeeren in ’t mulle zand en over de greppels of slooten springen en draven, de gloeiende wegen bestijgen en in den ren afdalen van de steilte, kortom, hij laat hen alles zoo doen, dat het boekje van Xenophon over deruiterkunst, op school gelezen en tehuis door hunne vaders geroemd, als uit de echte praktijk herboren voor hen leeft.
Maar die afscheiding der standen duurt althans voorloopig nog niet voort. Want aan tafel vereenigt zich de geheele groep der phyle. Dat eischt de nieuwe verordening, alsof men gehoopt had de verzwakte en verwende Atheensche burgerij door Spartaansche instellingen weer tot de oude kracht te brengen. En niet alleen vereenigen hen die dagelijksche maaltijden—voorproef van het kampleven der aanstaande hoplieten—, ook de intrede in den eigenlijken dienst doet dat. Want nu gaan ze ook den garnizoensdienst leeren, aan den Piraeus betrekken zij de wacht, alsook aan de Munichia-haven, en op den grooten muur die Akte omgeeft, het plataanbladvormige schiereiland dat aan de groote haven ten zuid-westen grenst.
De keuze dier plaatsen verdient wel opmerking. In den tijd der reorganisatie van de ephebie zijn dat strategisch uiterst gewichtige punten. Ieder die bedenkt, dat in het laatst der vierde eeuw de Macedoniërs, door eene bezetting in de vesting van Akte te leggen, de stad geheel in hunne macht hielden, zal dit erkennen. Er kan dus ook moeilijk sprake van zijn dat de bewaking dezer linie aan zee eenvoudigweg uitsluitend aan deze achttienjarigen werd toevertrouwd. De regelmatige bezetting zal zeker uit volwassen en geoefende manschappen hebben bestaan. Maar het was goed gezien, onder hunne leiding en toezicht de epheben daarheen te zenden. Op menigen stormachtigen avond konden zij daar de zee, die Athene eens had groot gemaakt en die thans die zelfde stad met zoo vele gevaren bedreigde, hooren slaan tegen de klippen, en terwijl zij in de duisternis staarden, of reeds de vijand naderde, leerde daar hun hart door anderen aandrang dan dien van jongensachtige vrees te kloppen.
De oefeningen van het eerste jaar zijn met dezen garnizoensdienstafgeloopen. Maar vóór de ernstiger en zwaarder militie van het tweede ephebenjaar begint, wacht de jongelieden nog een drieledige plechtigheid. Bij de onzekerheid die omtrent de volgorde dezer drie handelingen heerscht, is het niet ongeoorloofd die te bespreken in de orde welke ons het natuurlijkst voorkomt. Allen behooren zij tot de indrukwekkendste gebeurtenissen in het leven van den jongen Atheenschen burger.
De voornaamste plechtigheid is de parade voor het volk, in solemneele zitting vergaderd in het theater van Dionysos. Het woord „zitting” is hier niet overdrachtelijk gebruikt. Er was een tijd geweest, dat de Atheners—die, als we hen nagaan in hun publieke leven, wonderwel ter been moeten zijn geweest, want alles doen ze bijna staande—ook in hunne volksvergaderingen niet zaten. Maar die tijden waren voorbij, en daartoe zal zeker de wassende welsprekendheid der volksredenaars wel het hare hebben bijgedragen. En sinds nu (tusschen de jaren 340 en 330) door de zorgen van den overlegzamen staatsman Lycurgus een steenen theater was gebouwd in de heilige aan Dionysos gewijde ruimte, waar ook thans nog de ruïne ons een zoo levendig beeld geeft van de plaats waar de Atheners hun groote Dionysosfeesten vierden, plachten de Atheners gaarne daar te vergaderen. Het behoeft niet gezegd, dat voor eene wapenschouwing die plek bijzonder geschikt was. Zoo werd dus op een bepaalden dag van het jaar het volk daar ter plechtige zitting geroepen. Maar hoogstwaarschijnlijk was daaraan reeds eene andere, korte doch indrukwekkende plechtigheid voorafgegaan, en er is naar mij voorkomt reden om aan te nemen dat deze laatstgenoemde de Dionysische vertooning opende, terwijl de parade er het besluit van was. Die openingsplechtigheid geldt de weezen van die burgers, die in den krijg voor het vaderland zijn gevallen. De staat heeft na den dood der vaders de kostenvan de opvoeding dezer knapen voor zijne rekening genomen, en—althans in de oudere periode, toen de ephebie nog niet tot eene, slechts voor vermogenden toegankelijke weelde was geworden—hen ook doen opnemen in de rij der epheben. En het is een van de aantrekkelijke zijden van het Atheensche volk geweest, dat het dien staatsplicht als staatseer beschouwde. Athene heeft die kinderen harer helden lief, en behandelt ze niet als stadsarmen doch als lievelingszonen; in de jaren toen de Atheners nog altijd zelf den vijand tegemoet gingen—wat uitsleet in de vierde eeuw en eerst in den hachelijken strijd tegen Macedonië weer regel werd—heeft de verzekerdheid dat de Staat „zijne zonen als de herinnering aan zijn’ moed zou eeren” voor menigen soldaat den doodstrijd op het slagveld verlicht.
Zoo rusten dan ook de oogen der burgers die de rijen van den schouwburg vullen—velen met hunne kinderen naast zich, die het thans aanvangende schouwspel bijzonder moet treffen—met groot welbehagen op de „Weezen” die, omdat ze den ephebenleeftijd hebben bereikt en dus uit de voogdij van den Staat worden losgemaakt, thans voor het volk treden. De oude Atheensche gewoonten hebben bij zulke handelingen vaak eene op zeer fijn gevoel berustende gratie. Op het oogenblik dat de Staat deze weezen laat heengaan uit zijne voogdij en hen in de maatschappij zendt, geeft het vaderland hen nog een geschenk. Maar dat is niet een „uitzet”, een pak kleeren of zoo iets: het is eene volle wapenrusting als hopliet, de zware bewapening van den volksburger, eene wapenrusting gelijk aan die waarin hunne vaders zijn gestorven. In die panoplia treden ze nu de orchestra binnen, de staatsheraut gaat voor hen uit, en als zij in het midden hun gelid hebben gevormd, één onbewegelijke rij, fel stralend van licht in de voormiddagzon, dan verheft de heraut zijne stem en draagt de boodschap, „zoo treffend en zoo uitnemend van kracht om ook anderenop te wekken tot dappere deugd” voor. „Hoort mij aan, burgers van Athene”, zoo zegt hij—en tot op de bovenste rijen draagt de voortreffelijke akoustiek zijne stem—„Uw volk heeft deze jongelingen, wier vaders op het slagveld in eervollen strijd om uwentwil het leven hebben gelaten, opgevoed tot op dezen dag hunner manbaarheid; nu bekleedt datzelfde vaderland hen met volle wapenrusting, ontslaat hen uit de voogdij met zegenwensch voor hun verder lot en noodigt hen voor heden uit tot de vooraanzitting.”
Dan gaan de jonge soldaten, met het diep ontroerende gevoel dat zij heden in aller oogen de eer hunner vaders dragen, heen naar de zetels der vooraanzitting en zij zetten zich neer bij den priester van Dionysos, bij de gezanten der bondsstaten, bij de hooge ambtenaren, eene onderscheiding genietende die zeker niet hunne ijdelheid heeft opgewekt, maar wel hunne begeerte om niet minder te zijn dan hunne vaders. Als zulk een knaap, na zulk een plechtigheid de Dionysische vertooning die dan een aanvang neemt uit zijn eerezetel mee aanschouwende, den Philoctetes van Sophocles ziet opvoeren, en de edele jongelingsfiguur van Neoptolemos voor zich ziet in diens aangrijpenden strijd tusschen politiek belang en karakteradel, dan wordt deze dag een kracht in zijn leven, en er zal heel wat cynisch smalen over rhetorisch vertoon en over speculatie op volkssentimentaliteit noodig zijn, voordat valsche schaamte hem er toe brengt met dezen dag te spotten. Helaas, toch zal menigeen onder deze Staatsweezen, wanneer hij later, krachtens het recht van zijn hooge ambt, wederom plaats neemt op die eerebanken, niet dan met een blos kunnen terugdenken aan den dag toen hij daar zat krachtens het eererecht hem door zijn vader nagelaten.
Dan vangen de Dionysia aan. Maar volgens een vast gebruik volgt onmiddellijk op deze feestdagen eene geregelde vergadering van het volksparlement (de ecclesia) in detheaterruimte; en zoodra nu de zaken waarvoor deze vergadering is bestemd zijn afgehandeld, heeft in de orchestra, de middenruimte, ten aanschouwe der leden van de volksvergadering eene regelmatige parade-exercitie van het geheele ephebencorps plaats. Dit is geen wapenschouw, ook geen assaut, want de epheben zijn waarschijnlijk op dat oogenblik nog niet zwaargewapend; het is een uitvoerige, half gymnastische, half militaire vertooning van de bewegingstaktiek der Attische infanterie, het vlugge keeren in eene kwartwending rechts („speerkant”) en links („schildkant”) de halve wending en de geheele, het vormen van rotten en gelederen, de hardloop, de vlugge zwenking: kortom de geheele vereeniging van rapheid in beweging en snelheid in ’t stilstaan, welke door de uitgebreide infanterietaktiek van de Grieksche vechtwijze wordt vereischt. En aan het slot van deze parade komt ook weer een geschenk. Van staatswege worden de epheben nu begiftigd met speer en schild, en hierdoor wordt erkend dat zij thans in den vollen zin behooren tot de hoplieten van Athene, al telt natuurlijk voor de berekening van hunnen volbrachten diensttijd ook reeds het eerste jaar hunner ephebie mede.
In hunne volle wapenrusting—en dit is het laatste deel van de drieledige plechtigheid—marcheeren zij nu naar het kleine heiligdom der godin Aglauros, om hunnen ephebeneed af te leggen. Op de zeer steile noordhelling namelijk van de Acropolis, waar zich ook thans nog eenige moeilijk te bereiken grotten bevinden, was ééne grot vrij hoog gelegen, en waarschijnlijk oudtijds met de alleroudste „pelasgische” nederzetting op den burcht door een in de rots uitgehouwen trap verbonden, die de Atheners eerden als het heiligdom van Aglauros, eene van de dochters van Cecrops. Het is niet zoo heel zeker, dat alle Epheben, indien men hen had gevraagd wie deze Aglauros eigenlijk was, en hoe het kwam dat zij naar hare onaanzienlijkegrot, in plaats van bijvoorbeeld naar den grooten tempel van Athene Parthenos, werden gebracht om hun burgereed af te leggen, veel anders zouden hebben weten te antwoorden dan dit, dat deze plek zoo bijzonder heilig was door hoogen ouderdom. Intusschen was hun de oude heilige sage wel bekend: hoe Aglauros en hare zuster Herse zich in den ouden tijd van de rots hadden neergestort in hare ontzetting over hetgeen ze te zien kregen bij het openen van zeker mandje, aan hare zorg toevertrouwd door Athena met het strenge bevel het ongeopend te bewaren. In dit mandje—welke Atheensche knaap wist het niet!—had het kind met de slangevoeten gelegen, Erichthonios, de geheimzinnige stamvader der Atheensche koningen, dien ieder kende als alouden bewoner van het Erechtheum! Vermoedelijk zullen de meeste Epheben met deze vage notie van oude heiligheid wel tevreden zijn geweest, ja de plechtigheid van de eedsformule zal er voor hen misschien door gewonnen hebben, dat het ten deele zoo geheimzinnig vreemde goden waren, die zij als getuigen bij hunne belofte aanriepen. Het formulier namelijk, waarvan men zich in den tijd van de reorganisatie der Ephebie geregeld bediende, luidde aldus: „Ik zal deze heilige wapenen niet te schande maken, noch ooit den wapenbroeder in het gevaar alleen laten naast wien ik gesteld zal zijn. Wat aan onze goden gewijd is of wat geheiligd is door menschelijke vroomheid, zal ik verdedigen, hetzij alleen hetzij met anderen. Het vaderland zal ik aan mijne navolgers overgeven, niet minder doch grooter en krachtiger dan ik het heb ontvangen. Aan hen die het bestuur voeren, zal ik onderworpen zijn met inzicht en aan de wetten, die gesteld zijn, zal ik gehoorzamen, alsook aan degene die het volk van Athene nog stellen mocht in eensgezindheid. En zoo iemand mocht trachten die wetten omver te werpen of aan dezelve niet gehoorzaam mocht zijn, dan zal ik dat niet toelaten doch dien man tegengaan,zoo alleen als met anderen. Ook zal ik de heilige instellingen onzer vaderen in eere houden. Zoo waarlijk helpe mij Aglauros, Enyalios, Ares, Zeus, Thallo, Auxo en Hegemone.”
De talrijkheid der namen van de goden die als getuigen worden aangeroepen, is in de oogen der Epheben zelf zeker wel geschikt geweest den ernst van hunnen eed te verhoogen; maar het plechtige van dit slot ligt toch eigenlijk hierin, dat hoe ook de eed zelf naar de behoeften der tijden zich heeft gewijzigd—en wij weten dat dit het geval is omdat ons enkele wijzigingen bekend zijn—de godennamen duidelijk de herinnering bewaren aan de alleroudste tijden der stad. De eed, dien hier de Epheben zweren en dien zij, zooals blijkt uit menige toespeling in de redevoeringen der Attische Oratoren, met eerbied gedurende hun verder leven gedenken, is in waarheid de oude belofte der burgerwacht die de oude stad op den burcht beschermt. Niet Hermes of Apollo, de schutsgoden der mannelijke jongelingschap, worden daarom hier aangeroepen, doch Aglauros, die als priesteresse van de burchtgrot geene andere is dan Athena, de godin der Acropolis zelve, en met haar Thallo en Auxo, naast Aphrodite Hegemone de personificatiën van den landbouw, die de oudste burgers had gevoed.
De eed in de Aglaurosgrot neemt nu de Atheensche jongelieden zoozeer definitief in het corps der soldaten op, en is dus zoozeer het einde van den knapenleeftijd, dat onze schets hier behoort te eindigen op het oogenblik dat wij de kleine schare, gekleed in de Thessalische ruitermantels, kort van achteren en van voren met langer afhangende slippen, en met den petasos, den slapgeranden vilten hoed op het kortgeknipte haar, zien afdalen van de Acropolishelling. Met een enkelen oogopslag mogen wij hen dus nog slechts volgen op hunne militaire excursies alsperipoloi, rondgaande troepen, en denken aan hunspitten, hun graven, hun walbouw en hunne wachtposten op de grenzen, waar het spel van den speerworp ernst gaat worden. Wij zien hen in de passen van Oenoë staan, metterdaad leerend hoe daar een kloeke troep, mits goed geoefend, een leger kan tegenhouden dat uit Boeotië oprukt. Straks beklimmen zij Phyle, de steile bergvesting, onvergetelijk in de Attische krijgsgeschiedenis, sinds Thrasybulus zich daar had genesteld ten tijde dat hij aanrukte om Athene van de Dertig te bevrijden. En hetzij ze legeren in de dalen van den Cithaeron, hetzij ze de maan zien schijnen over de kronkelende lijn van Attica’s zeekust, wij weten dat zij straks terug zullen keeren in hunne stad, sterker van lichaam, maar ook sterker van geest. Want nu kennen zij hun land en hebben Atticaliefgekregenuit eigen gemeenschap met den bodem, waarop zij gerust en gestreden hebben.
Mogen wij dit slechts kort aanstippen, eveneens ligt het buiten ons bestek te spreken van de latere tijden. Immers de Ephebie zou niet lang meer blijven wat zij in het eind der vierde eeuw nog was. Toen meer en meer in het onder Macedonische heerschappij verzwakkende Athene de overtuiging verkwijnde, die de Ouden had geleerd dat burgerrecht weerplicht insluit, toen werd ook het weerbare corps der Epheben een luxecorps, eene garde voor voorname rijke jongelui, met een eigen bibliotheek en een eigen gymnasium, en voorts met een staf van badopzichters, portiers, geneesmeesters, masseurs en wat dies meer zij. Maar de beschrijving dezer aristocratische corporatie brengt ons—hoe hoog ook soms de inscripties hare praestatiën prijzen—in een geheel ander Athene dan waarvoor onze schets aandacht wilde vragen. Van onze Epheben nemen wij het liefst afscheid wanneer we hen, na kloek volbrachten oefentijd, zien opgaan in de rij der hoplieten die door den strateeg tot den velddienst zijn opgeroepen: op dat oogenblikgeven zij ons het duidelijkst beeld van den volkomen Athener.
Wij nemen noode afscheid van dien Ephebe.—„Waarom noode?”vraagt men wellicht; „zouden wij dan onze zonen, zouden onze jongens zich zelf zóó wenschen als hij was?” Mij schijnt zulk een vergelijken altijd onredelijk. Noodlottig en gevaarlijk acht ik elke liefde voor het verleden, die onze liefde voor den tijd waarin ons leven is geplaatst doet versterven. Tevens echter schijnt mij geen liefde zóó verblind als die, welke in hare eenzijdige bewondering voor nieuwere tijden weigert de fouten te zien waardoor ons geslacht kan ondergaan, en genezing te zoeken in de lessen van het verleden. Die lessen ontbreken niet geheel in de geschiedenis der Atheensche jeugd. Ik wil die lessen niet opsommen: mijn doel is bereikt indien de hierboven gegeven schets het Atheensche knapenleven eenigermate heeft doen zien als eene voorbereiding tot den burgerstaat, zooals Pericles die in zijne „grafrede voor de gevallenen” teekent. Immers dit zijn wel de deugden die de Atheensche opvoeding aan de knapen wilde geven: liefde voor eene schoonheid die niet op pracht berust, doch op eenvoud en nagestreefd wordt met inspanning, noch ooit ontaardt in weelderige rust; liefde voor het vaderland, die zich rekenschap geeft van de deugden waardoor het gewassen is, doch niet gelooft in eene volmaaktheid der overgeërfde deugd, door geen nieuw inzicht te verbeteren; liefde voor het goede, die niet meent in eigen boezem de norm der waarheid rond te dragen, doch zonder eigengerechtigdheid het aanziet, dat verscheidenheid van oordeel verscheidenheid van levenswandel brengt.