Het sloeg twee uren namiddag, toen zulke ontroering den lijdende Geeraert voor de zesde of zevende maal kwam treffen."Mijn ongelukkige zoon," sprak de vader, "heb moed; deel mij uwen angst mede, misschien zullen mijne woorden u eenigen troost geven. Gij zit daar reeds zoo lang zonder spreken."Geeraart bracht de hand zijns vaders op zijn benepen hart en drukte ze bevende; hij hoorde aan den toon van zijns vaders woorden, dat dit stilzwijgen hem pijnigde. Met eene droge, doffe stem antwoordde hij:"Mijn vader, ik meet den afstand, die mij van de eeuwige schande scheidt. Nog vier uren, en ik zal een vloekbaar en een gevloekt schepsel zijn;—mijne handen zal ik in het bloed van mijnen evennaaste gedoopt hebben. O, ijselijke zekerheid! Dan is de weg des levens achter mij onherroepelijk gesloten.... Er is geen terugkeeren meer aan: ik moet voortgaan zonder omzien, in de baan der schande en der verfoeiing; en indien een medelijdend mensch,—eene vrouw, o, Lina, Lina!—indien een mensch mij de hand toereikt, zal ik weten, dat ik hem geene hand kan teruggeven dan eene, die met menschenbloed is besmet geweest!—Mijn vader, ik kan u niet uitdrukken wat ik gevoel; mijne zinnen zijn ontsteld. Zou ik het u zeggen? O, ja, gij moogt daarbij mijne pijnen afmeten: dezen nacht heb ik mijne hand naar een mes uitgestrekt om mij te dooden—doch het scheen mij, dat uwe hand de mijne met kracht wederhield. Ik dacht dan aan de droefheid, welke mijn dood u zou veroorzaakt hebben, en ik heb geweend totdat het mes mij ontvallen is."Gedurende die woorden had de schrik zich op het magere aangezicht van den ouden beul afgeschetst; twee tranen rolden op zijne wangen; en het was zichtbaar aan de uitdrukking van zijn gelaat, dat een akelig vooruitzicht hem bedroefde. Met smeekende stem riep hij uit:"Mijn zoon, zie den weedom uws ouden vader aan; bepeins, hoe hij lijden moet bij uwe woorden. Weet gij wel, Geeraart, dat gij mij uwen gewissen dood aankondigt? en dat gij mij zegt: dezen avond zal mijn lichaam door eene razende menigte aan stukken getrokken worden, en gij, mijn vader, zult mijne verstrooide ledematen op het Galgeveld niet meer vinden; want men zal mij verpletteren en scheuren, en mijn lijk zal onder de voeten van het volk gemalen worden. Weet gij, wreede zoon, dat uwe woorden die schrikkelijke voorzeggingen behelzen?""Ja, dit weet ik," antwoordde Geeraart met hardnekkige koelheid, die den ouden vader eene siddering over het gansch lichaam joeg.—Wat ijselijk geheim vond hij in het hart zijns zoons!Met pijnlijk geweld richtte hij zich half op in het bed en zijnen zoon tot zich trekkende, sloeg hij de twee armen hem om den hals en omhelsde hem onder eenen tranenvloed."O, Geeraart!" riep hij, "ik versta u, gij wilt sterven! Gij neemt behagen in deze zondige gedachte, in dien afgrijselijken droom. Als een vrijwillig slachtoffer, gaat gij u aan de razernij der menigte ten beste geven ... en ik, die oud en krank ben, ik zal alleen op de wereld blijven? Gij zoudt mij aan de smart overlaten? Gij hebt gewis niet aan de wreede ondankbaarheid van uw voornemen gedacht, Geeraart?De indruk, welken die klachten op den jongeling deden, was verwonderlijk: hij beefde als een beschuldigde, wien men te recht eene grove en schandige misdaad aantijgt. Ziende, hoever de streelende verbeelding eens spoedigen doods hem van het gevoel zijns plichts had doen verdwalen, en overwegende, wat pijn en droefheid zijnen vader treffen moesten, indien hij hem alleen op aarde liet, schrikte hij van zich zelven bij de overtuiging zijner wreedheid. De gedachte, dien dag te sterven, had hem den ganschen nacht toegelachen, en nu moest hij, uit liefde tot zijnen vader, alle pogingen aanwenden om een leven, dat hem lastig viel, te behouden. Hij sprak:"Vader, o, vergeef mij,—ik begrijp mijnen plicht. Ja, ik moet leven. Welaan! ik zal met moed het schavot beklimmen. Dat al de smaad, al de schande, welke een mensch dragen kan, op mij valle; ik zal opstaan tegen den haat en de verfoeiïng! Nu vrees ik niets meer; bereid om den slag met onverschilligheid te geven, zal ik mijne hand in het bloed mijner broederen doopen, zonder dat een gevoel van afgrijzen in mij opkome. Het is gezegd, zij hebben het gewild! Ween niet meer, mijn vader, uw zoon zal beul zijn met een beulshart."Men zou kunnen gelooven, dat Geeraart eensklaps was veranderd en dat de afschrik van bloedvergieten in hem vergaan was, of wel, dat mannelijke moed hem de macht gegeven had om dien schrik te overwinnen; maar het was zoo niet. Geeraart bedroog zich zelven en zijnen vader, en zijne woorden waren slechts voortgesproten uit de innige razernij, die hem had bevangen, wanneer hij zich gedwongen zag te kiezen tusschen twee besluiten, welke hem even pijnlijk, even onmogelijk uit te voeren waren: òf zich den dood ten prooi te geven en zijnen vader de grootste ondankbaarheid te bewijzen, òf wel beul te zijn met hart en ziel. De foltering, voor hem uit die wisselkeus ontstaan, was genoeg zichtbaar aan zijne houding; want hij beefde sterker dan hij ooit gedaan had, en toen hij zeide: ween niet meer, vader! borsten overvloedige tranen uit zijne eigene oogen, en hij kwam met het hoofd tegen de borst zijns vaders te vallen.In dien toestand bleven zij langen tijd, elkander pogende te troosten, doch vruchteloos; want de oude beul vreesde niet zonder reden, dat zijn zoon geenen moed genoeg hebben zou; en Geeraart schrikte van een leven als hetgeen hem voorbereid was, indien hij die eerste vonnisuitvoering kon volbrengen.IVHet was te zeven uren des avonds, dat de veroordeelde schipper Herman moest gerecht worden;—men had het tot dit uur uitgesteld, uit hoofde der volksvermaken, welke er dien dag hadden plaats gehad.Langen tijd vóór het bestemd oogenblik zag men reeds talrijke hoopen volks uit de St-Jorispoort naar het Galgeveld gaan om de wreede vertooning bij te wonen.—Er is niets, dat het volk meer aanlokt dan het beloofd gezicht van een hoofd, dat grimmend van het schavot afrolt, terwijl vergoten bloed den grond met dampend rood komt verven. Wat boos vermaak! Wat booze nieuwsgierigheid, die zich in het vernietigen van den mensch verlustigt!De mare der onthalzing deed er reeds velen op voorhand van ontroering trillen: zij zullen gaan zien! En daar gekomen, toonen zij droefheid en medelijden voor den veroordeelde.—Waarom? Om hunne hatelijke natuur voor zich zelven en voor anderen te verbergen; want zij gevoelen ook de wreedheid, die in hunne schandelijke nieuwsgierigheid verborgen ligt.Het Galgeveld zelf was overdekt met volk; vrouwen van allerlei stand en ouderdom bevonden zich daar met dochters en zonen; en de oude grijsaard, die anders niet uit den hoek der haardstede te jagen was, had zijne laatste krachten verspild, om nog eens zijne stijve leden tot onder het schavot te dragen, en het bloedig schouwspel eener onthoofding bij te wonen.—Het was een grievend vertoog te zien, hoe schaterend en hoe lachend de menigte daar wachtte, terwijl galgen, mikken, raderen boven hunne hoofden met geraamten en halfverteerde lichamen pronkten.Tusschen het ineengedrongen volk en dicht bij het schavot stond Lina; het hart klopte haar sterk in den bangen boezem, en wellicht zou zij daar geweend hebben niettegenstaande degenen, die haar omringden; maar zij was gekomen om Geeraart aan te moedigen, en zij gevoelde, hoe slecht zij door hare tranen dit doel kon bereiken. Haar broeder Frans bevond zich aan hare zijde, netjes opgekleed met eenen breeden hoed en eenen bruinen mantel op de schouders, gelijk meest alle burgers destijds droegen. Lina had hem den akeligen toestand van Geeraart uitgelegd, en hij, met wilde edelmoedigheid begaafd, had onwederroepelijk gezworen den kop in te slaan aan den eerste, die eenen steen naar den jongen beul werpen zou, indien dit moest gebeuren.Daar het reeds laat in den avond en half duister begon te worden, waren de beulsknechten werkzaam op het schavot om alles klaar te maken, en men wachtte niet lang meer; want op dit oogenblik drong de beulskar door het volk en werd door een algemeen geruisch aangekondigd. De veroordeelde Herman, in zwart lijnwaad gekleed, zat met eenen priester achter in het ruim van den wagen; Geeraart met het groote zwaard bevond zich nevens zijnen knecht op den voortrein.Zeggen wat er in het hart van den jongen beul omging, ware niet mogelijk, vermits zijn gelaat niets getuigde; hij hield zijne blikken nederwaarts gevestigd en bezag het volk niet. Voorwaar, indien het zwaard hem niet had doen herkennen, zou men niet hebben kunnen zeggen, wie van beiden, of hij, of Herman de veroordeelde was. Wat men als zeker mocht aanzien, was, dat Geeraart meer door schaamte en droefheid gepeinigd werd dan degene, dien hij rechten moest. Gelukkiglijk voor hem had zijn vader hem verplicht het grijze haar, dat hem een al te zonderling voorkomen gaf, te laten afsnijden, anders hadde de menigte hem reeds bij zijne komst bespot en met scheldwoorden bejegend.De verdwaalde jongeling klom op het schavot zonder het te weten, en was zoodanig door al wat hem omringde, verstomd, dat niets bescheiden, voor zijne oogen of zijnen geest zich opdeed; hij zag Lina ook niet, alhoewel deze hem door haren broeder meermalen teekens deed doen.De beulsknechten wilden den veroordeelde uit de kar op het schavot leiden; doch deze gaf voor, dat hij zijne biecht nog niet wel gesproken had en dat hij nu eerst zijn geweten gansch wilde zuiveren, daar hij wel zag, dat er geen uitkomen meer aan was. Misschien vestigde hij eenige hoop van verlossing op de aanstaande duisternis, die langs hoe meer aangroeide: reeds konden die, welke wat verre achteruit stonden, het schavot zelf niet wel meer zien. Het volk, vreezende, dat de donkerheid de schoone vertooning aan zijne oogen zou onttrekken, begon overluid om de uitvoering van het vonnis te roepen. Dan bracht men den veroordeelde met geweld op het schavot, en men deed hem vooraan op de knieën zitten; de knecht van den scherprechter ontblootte den hals van het slachtoffer en toonde dien met eenen beteekenenden blik aan Geeraart, alsof hij zeggen wilde:—Meester, daar moet gij slaan!Op het gezicht van het bloote vleesch, waarin hij hakken moest, schoot Geeraart op uit zijne gevoelloosheid; zijne beenen begonnen te trillen, dat het schavot er van beefde, en het zwaard viel hem uit de vuist; echter werd dit voor alsdan niet bemerkt, aangezien het teeken tot de uitvoering van het vonnis nog niet gegeven was. De knecht raapte het moordstaal op en gaf het terug aan zijnen meester, die het stuiptrekkend in de vuist wrong.De Roode-Roede of bediende van het halsgerecht gaf het teeken, doch Geeraart hoorde zijne stem, noch zag de roede nedergaan. Dan riep de knecht, terwijl er reeds een kwaadvoorspellend gemor onder het volk liep:"Gauw! Meester, gauw!"Al den moed, al de krachten, welke hem nog overbleven, vereenigende, hief Geeraart het zwaard boven den hals van den veroordeelde, met een waar voornemen om wreedelijk toe te slaan. Hij wist niet, de ongelukkige, waar hij zich bevond, wat hij deed, of wat hij dacht; gansch verloren van schaamte en schrik, was hij in razernij ontstoken en ging eenen slag geven zoo zwaar, als er ooit een op het schavot gegeven werd; maar op dit oogenblik draaide de veroordeelde het hoofd om, en, het dreigende zwaard ziende, liet hij eenen jammerlijken schreeuw. Dan verloor Geeraart in eens al zijnen bijeengeraapten moed, en hij liet het zwaard op het lichaam van Herman vallen, doch zonder kracht en zelfs zonder hem te wonden.De misdadige, die bij het voelen van den slag eene ijskoude over zijn gansch zenuwgestel had gevoeld, en gedacht had dood te zijn, sprong plotseling recht, en zijne armen tot het volk reikende, riep hij om hulp, schreeuwende, dat men hem moedwillig martelde.Er hoefde niets meer om de razernij der menigte te ontsteken; het medelijden gaf in zulk oogenblik eene verf van edelmoed aan de gewelddaden, die zij wilde plegen."Slaat dood! Slaat dood den menschenpijniger!" was alles wat men hoorde. Steenen vlogen om het hoofd van Geeraart; doch niet menigvuldig, want steenen waren er weinig op het Galgeveld te vinden.De verstomde jongeling kwam vooraan op het schavot, kruiste de armen over elkaar, en, zich voorstellende als eenen martelaar, die wil sterven, riep hij met krachtige stem:"Daar, werp mij dood, bloeddorstig volk!"Dit bracht de woede ten top; vrouwen, kinderen en goede burgers vluchtten langs alle kanten van het Galgeveld, en er bleef niets meer op dan het schuim der stad, het kwaadwillig en razend grauw, dat met ongemeen geweld naar het schavot toedrong en den beul er wilde afhalen, ondanks den tegenstand der gerechtsdienaars. Het was een geschreeuw en een gewoel, dat men hoorde, noch zag; eene zee, welke hare schuimende baren ten hemel opwerpt, geeft geen zoo volmaakt denkbeeld van verwarring en woede.Rondom den beul op het schavot waren al de gerechtsdienaren vergaderd, met inzicht om hem te beschermen; maar nog meer om den veroordeelde vast te houden, die nu met geweld poogde uit de handen te geraken. Op dit oogenblik klom een geheime persoon zeer langzaam op het schavot, en, bij den beul gekomen zijnde, suisde hij hem de volgende woorden in het oor:"Geeraart, Lina bezweert u bij uwe liefde voor haar, dat gij haar nog eens komt spreken; zij staat daar beneden;—volg mij!"En dan sprong hij zelf langs de rechterzijde onder het volk, om Geeraart de plaats aan te duiden. De jonge beul gehoorzaamde aan eene liefdegedachte en besloot zijne goede minnares ten minste een laatst vaarwel te zeggen, eer hij nu sterven ging; hij liep van het schavot tot bij Lina, die daar dicht nevens stond te weenen. Frans, de geheime persoon, die hem geroepen had, smeet hem zijnen mantel op de schouders en zette hem zijnen hoed op het hoofd; dan den arm van Lina aan dien van haren minnaar voegende, sprak hij zachtjes tot haar:"Ga stil en onverschillig door het volk tot in het boschken, achter de tweede mik!"Ziende, dat Lina zijn bevel uitvoerde en dat Geeraart sprakeloos zich liet leiden, alsof hij van gevoel ware beroofd geweest, liep hij langs den tegenovergestelden kant van het schavot en begon daar zulk een geschreeuw en gerucht te maken, dat de menigte, geloovende dat hij den beul onder handen had, onstuimiglijk naar die zijde kwam gedrongen, en den weg vrij liet voor Lina en Geeraart. Met een listig inzicht deed Frans niet dan roepen:"Slaat dood! slaat dood! Hier den menschenpijniger! Zijn lichaam moeten wij hebben."En dan wierp hij met steenen naar de gerechtsdienaars en de duisternis, die nu reeds alles met een twijfelachtig grauw gekleurd had, lieten Lina toe haren minnaar uit het gedrang te leiden, zonder dat men hem herkende; want de mantel en de hoed van Frans bedekten genoegzaam zijn beulsgewaad. Nochtans, eer de twee gelieven het aangewezen boschken bereikt hadden, was het schavot door het grauw ingenomen geworden; men had den veroordeelde verlost en laten loopen, en men wilde nu met geweld den beul hebben. Terwijl men de gerechtsdienaren mishandelde, om hen te doen zeggen, waar de scherprechter zich bevond, was er een man die de daad van Frans bemerkt had, toen deze den mantel over Geeraarts schouder wierp: hij had gezien langs welken kant de vrouw met den verkleeden man verdwenen was, en dacht nu met recht, dat dit ongetwijfeld de beul moest zijn.Niets aanhoorende dan zijne woede, liep hij uit al zijne macht door de wegen van het Galgeveld en zag eindelijk Geeraart met Lina, een weinig verder, achter een boschken verdwijnen. Razende van vreugde en toorn, kwam hij op de bevende gelieven aanvallen; en Geeraarts mantel afrukkende, zag hij het beulsgewaad. Zonder meer scheldwoorden te uiten, hief hij zijnen zwaren gaanstok in de hoogte en gaf den ongelukkigen jongeling zulken harden slag op het hoofd, dat hij gevoelloos ten aarde stortte. De wreede moordenaar wilde zijne woede verder nog op het slachtoffer, dat voor hem lag, uitwerken; maar Lina, die nu eerst van hare verslagenheid was teruggekomen, wierp zich vooruit naar hem, en hare twee armen om zijn lichaam slaande, weerhield zij hem, niettegenstaande zijn geweld. De wanhoop en de wraakzucht hadden haar eene kracht bijgezet, welke haar anders niet behoorde; zij wrong hare teedere arme zoo stuiptrekkend om zijne lenden, dat zij hem in banden sloot, gelijk eene tengere slang, die eene machtige prooi in hare kronkels wil verworgen. Het gezicht van het lichaam haars minnaars, dat daar voor levenloos voor haar lag, had haar tot die ongemeene razernij vervoerd. Begrijpende, dat het beter was, met een eenigen vijand, dan met vele te doen te hebben, schreeuwde noch kermde zij, opdat geen mensch op hare stem zou komen toegeloopen. Gelukkig, dat het geraas der menigte, die op het midden van het Galgeveld nog even hardnekkig en even verward naar den beul zocht, het geschreeuw van Geeraarts moordenaar verdoofde; want anders ware Lina gewis in korten tijd van een aantal andere vijanden omringd geweest. Op het oogenblik, dat zij hare laatste krachten in eene geweldige poging verspilde, en voelde, dat zij niet langer tegenstand kon bieden, kwam Frans, haar broeder, juist achter het kreupelbosch uit, en zag zijne zuster vechtende tegen iemand, die hem onbekend was. Het lichaam van Geeraart gaf hem toch seffens het raadselwoord van hetgeen er omging.Een dolle schreeuw van wraakzucht ontvloog zijne borst. Eer Lina hem bemerkt had, sprong hij toe; en zijne twee zware handen op de schouders van den onbekende leggende, rukte hij hem achterover op den grond."Lina!" riep hij, terwijl hij den neergevelden man bij de beenen naar het Galgeveld sleepte, "trek Geeraart tusschen het kreupelbosch; indien hij nog leeft, is hij voor altijd gered en verlost.—Spoed u!"Deze woorden gesproken hebbende, sleurde hij zijnen vijand met zooveel snelheid van daar weg, dat deze geenen tijd had om iets vast te grijpen en weinige klachten kon voortbrengen. Zoodra was Frans niet te midden van het volk geraakt, of hij begon overluid te roepen, altijd zijn slachtoffer voortsleepende:"Zege, zege, hier is de beul!""Slaat dood! slaat dood!" was het schallend antwoord, dat als de schreeuw van dood en vernieling uit de scharen opklom; en allen liepen achter Frans om de slachting te mogen bijwonen. Wanneer de broeder van Lina zich van genoeg razend volk omringd zag, wierp hij den man, dien hij bij de beenen voorttrok, te midden onder hen, hun toeroepende:"Daar is de beul!""Slaat dood! slaat dood!"En honderd slagen van allerlei wapens, van stokken, van steenen, van messen, van stukken hout, vielen in eens op het lijf van den huilenden man, die in de duisternis voor den echten beul aangezien werd; te meer daar de woorden van verschooning, welke hij uitgalmde, van niemand gehoord werden, maar in het algemeen geraas versmolten.—Hij leefde geen vierendeel uurs later; de kleederen werden hem van het lichaam gescheurd, en zijne leden zoodanig gepletterd en misvormd dat hij niets meer van de menschelijke gedaante behield, en dienvolgens op geene wijze te herkennen was.Frans liet het dwaze grauw in het onedel werk voortgaan en kwam na eenigen tijd terug bij zijne zuster, die nevens het roerlooze lichaam van haren minnaar geknield nederzat en den Heer om genade voor hem smeekte; hij, Geeraarts gesteltenis vluchtig onderzoekende, bevond, dat zijn hart nog klopte en dat slechts eene bedwelming hem van gevoel had beroofd. Zijne zuster verlatende, liep hij naar eene gracht en besproeide met het water, dat hij medebracht, het aangezicht en de borst van Geeraart, die dan ook allengskens tot zich zelven kwam. Het eerste, dat hij bij zijn ontwaken gevoelde, was de zoen van zijne lieve Lina, die nu schier van blijdschap verging en zelfs geene woorden zou gevonden hebben om haar gevoel uit te drukken, al ware het spreken haar niet door haren broeder verboden geworden.Zoodra Geeraart zijne krachten volledig herwonnen had, vertrokken zij geheimelijk van die plaats en keerden terug naar de stad, alwaar Geeraart zich in het huis van Lina tot den diepen nacht verborgen hield. Toen de klokken het gevreesde middernacht aankondigden, ging hij, van Frans vergezeld, naar de woning zijns vaders en trad onverwachts in zijne kamer.De oude beul, die weenend op het ziekbed den dood zijns zoons betreurde, gaf geen geloof aan hetgeen hij voor eenen bedrieglijken droom, eene begoocheling van zijnen geest aanzag; maar wanneer de driftige omhelzingen van Geeraart hem overtuigd hadden, en dat deze hem met bondige woorden zijne wonderbare verlossing had verklaard, scheen de oude en teedere vader door ontroering te bezwijken; zijne leden verroerden zich niet, zijne wezenstrekken getuigden kalmte; zijne oogen glinsterden wel van vreugde, doch bleven niet min beweegloos en met eene ongemeene scherpheid in de oogen van zijnen zoon gevestigd. Eindelijk ontwakende, richtte hij zich met geweld op en riep:"Mijn zoon, mijn zoon! gij begrijpt uw geluk niet. Niet alleen van martelie zijt gij gered, maar insgelijks van allen smaad, van alle schande. De vloek, die over ons geslacht hangt, eindigt bij den dood ... gij zijt dood, mijn zoon!""En ik heb geen bloed vergoten!" galmde Geeraart met opgetogenheid uit."Ga en leef verre van uwe onrechtvaardige broederen," hernam de vader, "verlaat Antwerpen, trouw uwe goede Lina, bemin ze altijd;—de hemel verleene u een talrijk huisgezin. Uwe zonen zullen toch geene geborene beulen zijn, en gij zult over uwe kinderen niet weenen als ik over u geweend heb. De schatten onzer vaderen behoeden u voor altijd tegen armoede; gebruik ze wel en leef gelukkig...."Zijne stem brak allengskens en verdoofde zich ten eene male, doordien eene al te groote aandoening hem het harte schokte. Geeraart hield zich vastgeklemd aan het magere lichaam zijns ouden vaders en bracht slechts onderbrokene dankzeggingen voort; want hij kon, in dit oogenblik van verrukking en blijdschap, moeilijk woorden vinden om zijn gevoel uit te drukken.Lang nog na dien tijd leefde de beulszoon Geeraart te Brussel, onder eenen anderen naam, gelukkig met zijne vriendin en echtgenoote Lina, die hij even teeder bleef beminnen.—En wanneer hij, ook oud zijnde, op het doodbed eindelijk lag uitgestrekt, omringden talrijke en deugdzame kinderen de legerstede van hunnen vader.DE GEESTZEDENSCHETSGeene stad is rijker aan plaatselijke vertellingen dan Antwerpen. Elke straat heeft er haresageoflegende, doch het is uiterst moeilijk tot de kennis van een zeker getal daarvan te geraken, uit hoofde dat zij meest geweten en verteld worden onder de allerlaagste volksklasse, en zelfs niet tot den geringsten burgerstand opklimmen. Het is met dit vak der nationale overleveringen toegegaan als met vele andere: het kleine volk alleen heeft ze geheel bewaard.Dan, het komt aan weinige schrijvers als gepast of doenlijk voor, zich in de armste kwartieren der stad als vriend en gebuur te doen erkennen, om door dit middel eene volksvertelling of een nog onbekende mirakel uit den mond eener vischvrouw of eener asscheraapster te hooren. Een bijzonder geval nochtans verschafte mij de gelegenheid om eenige dier vertelsels af te luisteren, zonder dat men mijne tegenwoordigheid bemerken kon. De vertellers waren vier jongens, die bijna de mannenjaren bereikt hadden, en bij dag op eenen winkel als leergasten van timmerlieden of smeden arbeidden. Gewis, hunne wijze van verhalen was niet van de fraaiste, doch een van hen vertelde met eenen zekeren zwier, met eene losheid, die aan zijn verhaal een eigenaardig en kluchtig karakter gaf, en mij op de gedachte deed komen, zijne woorden als eene proef van den Antwerpschen tongval door den druk mede te deelen.Onder het afgeslotene venster van een burgerhuis en op eenen keldermond of val gezeten, maanden zij elkander aan om te vertellen; de eerste, die sprak, was:KOBE.—Zeg, Frans, kunde gij die historie, die ze Zondag in de'[2]poesjenellekelder gesp'eld hebben? Ge w'et wel,Snoef[3]die trouwtd op 't leste met de keunigin van Teurrekijë[4].BALTE.—Die kan ekik.FRANS.—Is dâ die va Hanefroeike?Sus.—Och néë, we't het nie meer? Daar komtd'en[5]betooverd kornijn in, dâ diën brief op diën tore' draegt, aen de Princers van Améreka. Kunde gij het nie, Balte?BALTE.—Ik kan ekik alles! Ik kan Malegijs, ik kan Smidje Verholen, ik kan Guldentop, ik kan Sinte Peeter, ik kan Ouw[6]lampen veur nief, ik kan den Betooverden hond, en dâ van 't Steen, en Visserke visserke vangt me nie[7], en, och eer, ik kan er wel honderd ander, as[8]ik ze maar wilde vertellen.FRANS.—Ah wel, laet ons strooikentrek doen. (Zij trekken, wie eerst zal beginnen.)KOBE.—Hoera, viva! 't is Balte! Toe, van doctoor Faussius of van de' kelder onder de Vierschaer.Sus.—Néë, Balte, doe g' et nie. Vertelt liever van den duvel of van tooverhekse' of van spooke'[9].BALTE.—Ah wel, 'k zal eulie[10]'e waerachtig vertelsel vertellen, dâ gebeurd is op de Kleinmarkt; een bitje verder a's de Kornijnepijp, in 't Fransch gezeed[11]la pipe de lapin.KOBE.—Lapin, dat is 'en kat; ge zeg het mis.BALTE.—Zie, dâ gauwke! Lapin is 'en kat,pertang![12]Neen,poesis 'en kat in 't Fransch. Ze riepen ommers altyd tege' diën ouwe' Franschman uit de Mannekestraet:voleur de poes, de kattendief! Dâ wilt tege' mij Fransch spreke'! Wel gij kastekindere', hebtde geulie op de Chantjië gewerkt? Heeft eulie vadergardechougeweest, he? Onder den tijd van de Marriene'?[13]Zwijgt nâ, zulle[14], want ik begin op e' nief[15]. Nâ-w-in die straet daer stond eens 'en huis mê viersteugiëzonder de zolder, zoo groot en zoo schoon a's het paleis van 'ne keunink[16].Maer in datd huis wilde-n-ommers in 't geheel niemand nie wonen, en het bleef jaren lank onnuttig leeg staen, want het spookte-n-er-in.Sus.—Ah! ah! da zal schoon zijn!BALTE,gestoord.—Stilans! houd u' gezicht. Ah wel: op slag van twelf ure dan kwam er iedere' keer 'ne geest die het huis van onder tot boven afliep, en a's dat dan lank geduerd had, dan kwam de geest tege'slag van deneene'achter de straetpoort staen en begost[17]zoo jammerlijk t' huilen en te schreeuwen, dat er iedereencompassiemê kreeg.KOBE,met bange stem.—Zijt de gij dâ, Sus, die daer 'ne zucht gelaten hebt?FRANS.—Eê! hij is bang; hij beeft, ik vuel' het. Wel wâ kieken!BALTE.—A's Kobe zijne' mond nie toehoudt, stamp ik hem van de keldermond.—Na, daer dierf toch niemand in datd huis gaen, al was 't dat de geest niet dé[18]as roepen: verlost mijn' ziel! verlost mijn' ziel!Daer wierd dan gézéed, en 'k geloof ekik datd ook wel, dat het de ziel was van de' lesten heer, daer het huis van geweest was, en dat diën uit gierighad[19]ene groote schat had verbeurge. En ge we't wel, a's iemand sterft me' verbeurge' geld op zijn konsjentie, dat hij dan zoo lank in d'hel moet blijve' brande', tot datd het geld gevonde' weurd[20].A's dâ nâ[21]zoo al heel lank geduerd had, dan kwam er eens 'ene' keer enen ouwe soldaet van de' marmittenoorlog.Dië soldaet heette sterke Jan, en dien had gezéed in 'en herberg, dat hem veur 'ene' niet en 'ne niemendalle, om zoo te zeggen veur ze plesier, 'ene' nacht in het leeg huis zou slapen, a's ze hem honderd gulden op veurhand wilde' geven.Den huisbaes die zé tege' Jan: Is dâ waer? Derfde gij in datd huis slapen!Ja, zé Jan zoo, want ik geef wâ schoon de knoppen, zé hem, van alle spooken en dûvels. Dâ God bewaert, is wel bewaerd!Ah wel, zé den huisbaes, geef me d'hand daer op, zé hem[22]; 't is gedaen. Wâ moet ik u geven, vroeg hem.Hoort, zé Jan, geef me maer al om te beginnen, ene wis buekenhout in klompekes, 'en dozijn flesse' wijn, 'en fles kwak, 'ene koekpot vol spijs en 'en goêi pan om mijn koeken in te bakke'.Dâ zulde gij hebbe', zé den huisbaes,—en a's hem dâ gegeven had, trok Jan tege' den aved[23]mê zijn'provisiein het huis.A's het nâ vier geslagen had, dan droeg hem zijn hout en zijne' koekpot mê spijs in 'en kamer op d'eerstesteugie, daer nog 'en tafel stond mê twee stoele'.Hij begost daer 'e' vier te maken gelak om het huis af te branden, en hij zette zijne' koekpot daer neffe om de spijs te doen gaen.Terwijl dat de spijs nou aen't gaen was, begost Jan de flessen een voor een den hals af te bijten, en hij kreeg op den duer 'e' stuk in zijne' kraeg gelak 'enen' ouwe Zwitser;—maer hij was toch nie' van zijne' center[24]en hij wist heel goed wat hem zé of dé.Dâ was me goed, maer a's hem na lank genoeg gedronken had, begost zijnen beer te danse'[25]. Hij zette dan zijn pan op 't vier en hij lapte daer 'ene' goeije pollepel spijs in.—Dan aen het kissen dat 'e' pleizier was. Het rook er zoo lakker a's aen de deur van 'tLandswelvaren:—zoo 'enen reuk gelak van 'en restoratie.Ah wel, dâ was me goed; de koek van Jan was langs den eene' kant schoon bruin gebakken en hij goeide hem omhoog in de schouw om hem om te draaije'.Maer gelijk hem nou weer op 't vier stond, valt er in eene' keer iet uit de schouw—enpardoefin zijn' pan, en de koek in d'asse!Wel honderd duzed 'k weet nie' watte! riep Jan; zoude dat hier en daer nie' verwense? Bruin en zoo lakker! Daer lé nou mene zieltjeskoek[26]. Maer wa wil ik er aen doen? zeét hem in zijn eige; 't is nâ toch zoo. 'k Zal maer 'ene' nieve pollepel spijs in de pan doen, op goê val hetd uit.Nâ, hij doet dâ, en weer aan 't kissen dat g'er de geeuwhonger zoudt van gekregen hebben al was 't dâ g'in geen drij dage' geten hadde.Maer Jan die laet de' steel van de pan los en hij pakt dat dink op, dat uit de schouw gevalle' was.Raed nâ toch eens wat datd het was?—Het was en doodsbeen uit 'enen arm!Jan die schiet in 'ene' lach en hij zé, zoo al lachende: Ja, denke' ze mij verveerd te make' of veur de zot t' houwe', dan zijn ze wel geleverd mê hun' peerdebeenen! Al was 't dat ze den heele prospot[27]deur de schouw goeide', dan gaf ik er nog geen duit om; mê hun' flauwzen!Maer da was me goed; a's Jan zijne koek nou half gebakke' was, zeét hem zoo in zijn eige': ge zult me deze' keer nie vast hebbe' vieze mannen! 'k Zal de' koek liever half rauw binne' spele'.... En hij steekt zijn hand uit om de koek te pakken, maer in eene' keer valt er 'nen heelen reessel beenen uit de schouw, en pardoef in Jan zijn pan 'en de koek in d' asse!Wel Seezeke van Maderitje! riep Jan; zal ik nou al mijn spijs naer de weêrlicht zien gaen? Wat is dâ nou weêr daer ze daer mê gegoeid hebbe'? Dat is ge'ne kleine potternoster; het is zeker 'en ruggraet van 'e' veuleke. Hoe flauw dat die manne' toch zijn; ze kunne' ne' mensch nog nie' gerust laten ete'.Ja, maer hetgeen dat in zijne pan gevalle' was, ware zoo allemael beentjes aen 'en koor geregen en het was 'en ruggraet van ne' mensch.Jan die begost dan zoodanig kwaad te weurre', dat hem de beenen oppakte en gelijk tege' de' muer aengarzelemente'vaneen sloeg.Hij gink gestoord bij zijne pan zitten en sloeg er van tijd tot tijd 'ene' nieve' spijs in, maar iedere' keer dat hem de' koek wilde-n-uit de pan neme', viel er 't een of 't ander menschenbeen in—en dat duerde zoo lank tot dat er op 't leste 'nen doodskop in viel.Jan die schoot in 'ene' franse koleère en hij goeide den doodskop zoo ver als hem vliege' wou.Dan begost hem gerust te bakken en hij had al 'en schotel vol koeken op de tafel gezet om te gaen ete'.Als hem nâ goed bij de tafel zat en lakker aen 't knabbelen en aen 't zuige' was, komt er in eene' keer 'ne slag.—Jan telde, en 't was twelf ure!Maer Jan heft zijn' oogen op, en hij ziet daer in den hoek, daer hem de beene' gegoeid had, 'e' leelijk geremt staen.Want op slag van twelf ure ware' de beenen allemael aeneen gekropen, en daer stond nâ de geest mê 'e' wit laken op zijne' rug.—En hij was, och arme, zoo mager geweurre' van dat eeuwig rondloope' dâ ge zijn ingewand door zijnen buik kost zien.Jan bezag het spook zoo 'ne' zekeren tijd en hij vreef aan zijn' oogen, want hij docht dat het nie waer was; maer als het spook hem verruerde, dan zag hempormentelakdat het 'ene geest was.Ha, zé Jan, goeien dag, Pietje de Dood! Hoe gaget mê uw gezondhad? Me dunkt, ik heb ouw nog meer gezien. Staetde gij nie in de kerk van Sinte Willebors, mê het Zielenoctaaf! Ge ziet er anders maerarmoyeusuit, Jan Stek! Zie, zoo 'ne koek of drij en zoo 'e' fleske zou u deugd doen. Maer wâ zeg ik? 'k Geloof waerentig dat de koeken deur uwen buik zouwe valle'! want ge draegt 'engilédieà jourgewerkt is. A's ge nochtans eens wilt drinke', zit maer bij!De geest die sprak nie; maer hij dé 'en teeke' mê zijne' vinger, als of hem zegge wilde: kom gij eens hier!Maer Jan die was slum genoeg om het niet te doen.Aperopo, zé hem, Pietje Krakelink, wilde gij daer blijve' staen toe morge', dâ kunde gij gerust doen. Maer a's ik gelak a's gij was, ik ging wat aen 't vier zitte'; want dien hoek is heelroematieken ge moest zoo eens een' valling pakke'. Ah sa, maar zeg m' eens, wat tael spreekte gij? Zeg! is 't vanparlé fransé contre alle mense! Ook al niet? Gaet dan maer naer uw doodkist terug, droogzak!—Zijtde van God, sprekt; zijtde van den duvel, vertrekt!—Maar de geest bleef staan en dé nie als mé zijne' vinger wenken om dâ Jan bij hem zou kome'.Maer Jan ging gerust voort mê eten, en hij zag naer 't spook nie meer om.Als dâ zoo ne'n heelen tijd geduerd had, sloeg het halver een, en de geest die hefte zijn' mager' beenen op en kwam zoo allengskens naer Jan gegaen en hij wenkte-n-altijd mê zene' vinger.Maer Jan stond in eene' keer op en hij riep tege' den geest:Ah sa, Peerlala, 'k heb ouw maer één ding te zegge: ge meugt zoo veul spreken a's ge wilt, maer van me lijf te blijven, zulle', of we weurre kwaei vriende'! A's ge nog wat dichter derft kome', zal ik u die fles eens op uw leelijk gezicht kapot slage'.—Ge zoudt me geeren den nek breken, eh? 'k weet het wel; maer 't zal nie waer zijn; ge kent me nog nie, manneke'!De geest stak zijne' vinger uit en raekte-n-er mê aen Jan zijn hand;—maer op d'hand van Jan was 'en heel blijn gebrand.Wel Nondekeu! riep Jan, wilde gij zoo kennis mé mij make'? Het schijnt da ge warm handen hebt, gebuer? Maer zoo zijn we niet getrouwd, 'k Zal ouw dâ wel afleeren.—Arrê! dat is het eerste koofke!En Jan sloeg het spook mê 'en' lege fles vlak op het scheel van zijne' kop; maer hij raekte de' geest toch nie, want hij sloeg gelak op de' wind.Dan wierd Jan eerst voor goê kwaed. Hij wilde de' geest vastpakken en op de' grond slage', maer dâ liep nie af; want als hem docht dat hem hem vast had, dan vuelden hem niemendalle.Pas op, riep hem, dat duert nou al lank genoeg; ge kunt maer eens gauw gaen zegge' wat dâ ge van mij hebbe' moet. Waerom komde gij mij hier ruzie zueken, eh? 'k heb ommers mê ouw of mê uw heel familie geen affaire? Laat me dan gerust en gaat aen.Maer de geest dé nie a's wenken en naer de deur wijze'.Jan pakte dan zijnen kandelêr en zé tege' de' geest; allo! laet zien wat dâ g' hebbe' wilt. Ga veur, ik zal u volge'.Het spook dé de deur open en wees Jan den trap af; maer Jan was wel slummer, en hij zé altijd: ga zelf veur—want had hem veur gegaen, dan had het spook hem zeker den nek gebroke'.Ze kwamen dan te lange leste beneën, in de gank, en daer lag 'ene zark mé enen ijzere' rink, die er in vast was.Het spook wees aen Jan, dat hem dië zark moest opheffe'; maer Jan die begost te lachen en hij zé: ja g'houd me wa veur de zot, brurke! Als ge geenenikanik[28]in ouwe zak hebt, zulde nog al lank moete' rondloopen. Heft gij de steen zelf op, want ik kan ekik het nie.De geest hefte de' steen op, en daeronder was 'ene groote put, daer drij groot' ijzere' potten in stonde' vol gouwe geld.En zou gauw als Jan het geld gezien had, begost het spook te spreke'.Ziede dâ geld? vroeg het aen Jan.Wel, gij vieze landsman, riep Jan, ge sprekt gelak Vlaemsch? Nou beginne' we malkandere' te verstaen. Fransch kan ik toch ook, zulle', want 'k heb vijf jaer gediend—en Vivan Apoleon! Ja, 'k zien zoo al iet blinken dâ sterk op tienguldestukke' trekt.De geest haelde de drij potten uit de' put en zé mê 'en holle stem:Da zijn drij potte' geld, die ik had verbeurgen eer dat ik dood was.Eer dâ ge dood waert! riep Jan heel verwonderd. Zijde gij dood? Dâ zoude nie zegge', 'k Geloof dâ ge me wat opwindt.Maer de geest die luisterde daer nie naar, en hij zé: Ik heb in d'hel zoo lank moete' brande' tot dat die potte' zoude gevonde' zijn—en gij hebt me nou uit d'hel verlost.Heb ik ouw uit d'hel verlost? riep Jan; dat doe me groot spijt. Ge zijt dan toch 'ene' schoone jonge'! 'k Zal er maer van zwijge', want mijn bloed kokt al!Nou brand ik nie meer, zé de geest,arrê! daer is mijn hand, voelt, nou is ze heel koud....Bedankt veur de goedheid, zé Jan, houdt uw pikkelbeentjes maer stillekes t' huis. Zoo weinig komplementen a's 't meugelijk is. Ik ken u, vogel, gij zijt den duvel te plat, gij!Zie, zé het spook, van die drij potte' goud verzoek ik u dat g'er eenen aen den arme' zoudt geven, eenen aen de kerk om missen veur mijn' ziel te doen, en....Hola, riep Jan, dâ verwensch ik 'en bitje. Ben ik ouwe knecht? Ge maekt gij geen' slechte rekening! En wâ zal ik dan hebbe'? Neen, maer als er wâ drinkgeld overschiet, dan zal ik het doen.... Ge zijt gij ommers toch rijk genoeg, al is 't dâ ge zoo slecht gekleed gaet, en dâ nog al in de' Winter.—Ah wel, wa zegde?Den derde pot, zé de geest, is veur ouw.Veur mij! riep Jan heel blij, wel Simenie! daer weur ik stapel zot van. Kom hier, 'k zal u eens kusse, op uw postelijne kaken.En Jan sprong op vanarreusie; maer hij strunkelde en hij viel in de put en zijn licht uit! Het sloeg juist een uer.Nâ was Jan in den donkere'.Pietje de dood! riep hem zoo hard a's hem kost, waer zijde? He, spookske lief, kom eens hier! Heb ik ouw uit d'hel verlost, ge meugt me nou ook wel uit deze put verlosse'.Maer het spook was weg.Jan die kroop dan mê veul moeite de' put uit en raepte zijn' keers op.Hij ging dan naer boven, en als hem zijn eige' wat gewarmd had en nog twee fleskes had gedronke', viel hem in 't slaep.'s Anderen daegs dé Jan hetgeen dat de geest hem gezéed had. Hij gaf 'ene' pot aen den arme, 'ene' pot aen de kerk en hij hiel 'ene' pot veur zijn eige'.En Jan was rijk, want in zijne pot ware' wel honderd duzed millioen.En Jan woonde dan in 'e' groot huis, en hij hiel sees en peerd, en hij sliep op 'e' fraweelen bed, en hij dronk wijn, en hij gink alle dagen naer d'herberg....En daer kwam 'e' varke mê 'ene' lange snuit, en 't vertelsel is uit!VOETNOTEN:[2]Het bepalend lidwoord, mannelijk enkelvoud, heeft te Antwerpen geene andere verbuiging, dan dat men voor zekere letters welluidendheidshalvedeofdenbezigt, zonder op het geval te letten. Voor de medeklinkers B, D, H, R en T, als ook voor alle klinkers, gebruikt menden, zoowel in nominativo als in accusativo.[3]Men heeft te Antwerpen veel kelders, waar des Winters voor kinderen allerlei vertelsels verbeeld worden, bij middel vanmarionetten, die zijpoesjenellennoemen.Snoefis een personage, die in alle stukken voorkomt en die bijzonder belast is de aanschouwers te vermaken, evenals deArlequin. Het is gewoonlijk de geliefdeacteurvan het geëerd publiek.[4]De helden der Antwerpsche geschiedenissen trouwen op het einde onfeilbaar met eenekeuninksdochter, eeneprincersvan Turkije, Amerika of Spanje, of wel zij vinden, indien het er spookt, eenen grooten ijzeren pot met geld.[5]De onbepaalde lidwoorden Een, Eene, Een zijn in AntwerpenEne, En E, deehebbende den klank vanein het Franschele.Voorbeeld: En man, En vrouw, E kind. Voor klinkers en voor de letterHzijn zeEnen, En, En.[6]De uitgangoudewordt verzacht en veranderd inouwe, als: wijzouden, wijzouwen, koude Winter, kouwe Winter.[7]Het woordjeniet, zonder nadruk uitgesproken, verliest dei.[8]De l inalswordt niet uitgesproken; b.v.asik het zag, zou ik het gelooven.[9]Denwordt nooit gehoord in de uitgangen der veelsilbige woorden, die openuitgaan. Men zegtverbinde, honde, zinge, voorverbinden, honden, zingen. Voor de klinkers en de letterH, die hier nooitgeaspireerdis, heeft de verkorting geene plaats. Zelf stelt de Antwerpenaar tusschen alle opeenstootende klinkers, ook tusschen die, welke van zelf versmelten eenenof andere letter om deeuphonie. Hij zegt dus:ik wilden-u-iets, hy maelden-u-immers![10]Het meervoud van het voornaamwoord des tweeden persoons wordt gemaakt met het bijvoegen vanlie, zijnde eene verkorting vanlieden.Men zegtgeulieofgylieeneulieofulie; dit laatste vooraan u, als ook voor de bezittende voornaamw. meervouduw, uwe, uwen; b.v.Geulie weet het. Ik zal eulie straks euliën boek teruggeven.[11]De onvolmaakt verledene tijd van het werkwoordzeggenis als volgt:Ik zé, voor: ik zeide, enz.Gij zèHij zéWij zéën.Gijl. zéetZij zéën.Het verleden deelwoord isgezèed.[12]Het Fransche woordpourtant.[13]Hebt gijlieden onder Napoleon op de scheepstimmerwerf ofChantiergewerkt? Is ulieder vaderGarde-Chiourmeof slavenwachter geweest? Men merke hierbij aan, dat het werkwoordzijnaltijd met het hulpwoordhebbenvervoegd wordt.[14]Zullenis een tusschenwerpsel, dat overmatig in de Antwerpsche straattaal voorkomt: het beteekentverstaat gij het? Hoort gij het?[15]Nieuw, nieuwe, nieuwenis in Antwerpennief, nieve, nieven.[16]Degna denop het einde eener silbe verandert meest altijd ink, alsgang, gank; ding, dink; hij zong, hij zonk.[17]De onvolmaakt verledene tijd van het werkwoordbeginnenis:Ik begost, voor: ik begon, enz.Gij begostHij begostWij begostenGijl. begostZij begosten.Het verleden deelwoord isbegost.[18]De onvolmaakt verledene tijd van het werkwoorddoenis:Ik dé, voor: ik deed, enz.Gij déHij déWij déënGijl. dé of deedZij déën.[19]In de uitgangenheidenlijkverandert de klank derijinaen men spreekt, alsof er stondhad, lak, gezondhad, gemakkelakhad, voorgezondheid, gemakkelijkheid.[20]Deoinorwordt uitgesproken als eene zachteeu: zorg, zeurg; verborgen, verbeurgen; hij wordt, hij weurdt.[21]Nuspreekt men gewoonlijk uitna; deaheeft den korten klank van a innat. Met nadruk wordtnu, nouw.[22]Het persoonlijk voornaamwoordhijwordt alleen gebezigd onmiddellijk vóór het werkwoord, anders zegt menhem. Zag hem dat hem sliep? beteekentzag hij dat hij sliep. Deze regel heeft uitzonderingen.[23]Tegen den avond.[24]Een stuk in den kraag krijgen:dronken worden.—Van zijnen center zijn,van zijn verstand zijn.[25]Honger krijgen.[26]Wanneer er ergens koeken gebakken worden, moet degene, die den eersten koek krijgt, een Vader-ons bidden voor de geloovige zielen in het vagevuur; daarom noemt men den eersten koek den zieltjeskoek.[27]De plaats waar de paarden begraven worden.[28]Mécanique.DE SCHOOLMEESTER TEN TIJDE VAN MARIA THERESIAZEDENSCHETS(Eene tamelijk ruime kamer, waarin eenige groote schrijftafels en lange lessenaars geschikt zijn. Aan den wand hangen een zwart bord en eene wereldkaart. Bij de tafels zitten vele schooljongens, meest tusschen acht en twaalf jaar oud. De schoolmeester gaat heen en weer met een ernstig, ja, bijna grammoedig gelaat; hij houdt een pennemes in de hand en is bezig met pennen te vermaken. Het is zichtbaar, dat het meerdere getal der leerlingen zich onledig houdt met spelen, en weinig aandacht op de woorden des meesters geeft; eenigen slapen, anderen vangen vliegen, sommigen schrijven, maar zijn wezenlijk bezig met mannekens te maken of okentrek te doen.)DE MEESTER,met luider stem en langzaam.—Past op dat gij de buiken van uwe A's wel vol maakt, en dat gij de koppen van uwe B's wel naar omhoog trekt!GEROEP VAN ALLE KANTEN.—Meester, versnijd mijne pen eens!—Monsieur, ma plumeis te slap! De mijne is te stijf!La mienne est trop maigre! De mijne is te vet!VICTOR,een der leerlingen, aan Karel, die nevens hem zit.—Ik heb gedaan, eh na!KAREL,met zachte stem.—Ja, ge zult gij wel op uw' kneukelen krijgen. G'hebt weer altemaalhanepootengemaakt, gelijk gisteren.VICTOR,zijne stem, zonder het te weten, verheffende.—Dan moeten ze mijn' pen maar vermaken.—Karel, willen we watpennekepikdoen, eh?DE MEESTER.—Silencedaar, met datlawijd![29]Victor, pas op dat uw geschrift niet goed is, gij zult het beklagen, vogel!EDWARD,die nevens Victor zit.—Mag ik meêpennekepik[30]doen? 'k Zal eene nieuwe pen geven.VICTOR,bitsig.—Neen, gij moogt niet meedoen,aarzak![31]EDWARD,schreeuwende.—Dan zal ik het zeggen, zie na! Meester, meester, Victor en Karel doen altijdpennekepik!DE MEESTER,met gramschap.—Ha, ze zijn weer bezig,—ik had het gelijk in 't oog. Wacht, luierikken, 'k zal u daar komenpennekepikkenmeteen! (Hij trekt Victor met zijn oor.) 'k Zal u leeren, luie vlegel. Dat ligt daar den heelen dag te spelen, in plaats van te leeren. Zijt ge niet beschaamd, dat gij het geld uwer ouders zoo verkwist, deugniet? Moeten ze mij daarom alle maanden betalen, omdat ge hierpennekepikzoudt doen,bedorvendans?VICTOR,zoo sterk huilende, dat de meester zijne ooren met de vingers stopt.—Ai mij! ai ai! hi hi! och Heer! mijn oor! 'k zal het aan mijn' moeder zeggen—dan ga ik naar een ander' school, zie na!DE MEESTER,streelend.—Wees wijs, Victor, wees wijs, jongen. Gij zult het niet meer doen, niet waar? Laat uw geschrift eens zien. Het is beter dan gisteren,—dat verdient eenenBon[32]. (Hij schrijft eenen bon op het papier van Victor en verwijdert zich.)VICTOR,mompelende.—Met zijnebonsaltijd! Wat kan ik daarmee doen? 'k Ben er vet mee, met zijnebons! Ai mij, mijn oor!EDWARD,tot den meester.—Meester, het is zijn geschrift van gisteren. Hij heeft daar straks eenen grootenRubbensin zijncahier[33]gemaakt.DE MEESTER,tot Edward.—Zwijg! gij weet dat ik geene overdragers kan lijden. (Na eene tusschenpoos tot al de leerlingen.) Geeft acht op hetdicté;—neemt uwecahiers. Zijt gij er altemaal?AL DE LEERLINGEN TE GELIJK EN VERWARD.—Ja, ja, meester!—ik niet!—ik wel!—ik kan mijncahierniet vinden,—mijn pen schrijft niet,—ik heb geen papier!DE MEESTER,dicteerende met slepende stem.—"De wederspannige Absolon ... de we-der-span-ni-ge Ab-so-lon...."VICTOR,Edward bij zijn haar trekkende.—Daar nu,—ga, zeg nu nog, dat wijpennekepikdoen, overdrager. Roep nu, dat ik met uw haar trek, schreeuwbakkes!DE MEESTER.—"De wederspannige Absolon...." Lawijdmakers, gaat gij er daar wat uitscheiden?EDWARD,weenende.—Ai, ai! meester, meester, Victor trekt altijd met mijn haar!DE MEESTER,met ongeduld en tegen den grond stampende.—Zij zullen mij niet laten voortgaan; leert die barbaren dan al! (Dicteerende) "De wederspannige Absolon...." Silence! "Absolon trok op...."EDWARD,roepende.—Meester, nu nijpt hij weer in mijn' kaak!DE MEESTER,dicteerende.—"Absolon trok op ... tegen...." Victor, ik zet u meteen van de school, nijdige jongen dat gij daar zijt!... "trok op tegen het leger zijns vaders.... David ..." Waarom beziet gij mij zoo, Piet? Schrijf dan!PIET.—Frans heeft mijne pen weggenomen, meester.FRANS.—'t Is niet waar, meester, hij heeft ze verloren metpennekepikte doen.DE MEESTER,in gramschap.—Hier gij! Op uwe knieën. Geef daar eens twee kassen. Speel nu nogpennekepik, oudersverdriet, dat gij daar zijt! (Hij plaatst Piet op de knieën in het midden der school en doet hem met elke hand eene schrijfkas in de hoogte houden. Piet weent en snikt; doch dit belet hem niet, zijne tong uit de steken en alle soorten van spottende gezichten te trekken.)Dicteerende: "tegen het leger zijns vaders ... maar de almachtige God ... almachtige God ... strafte de boosheid ... de boosheid van ..." Victor, wat doet gij daar? Ik zie u niet schrijven.VICTOR.—Gij dicteert te gauw, meester. Ik kan u niet bijhouden.DE MEESTER,met wanhoop.—Wel, wel, 't is schrikkelijk zeggen, dat hij mij niet kan volgen! Ik geloof waarachtig, dat ze eenkomplotgemaakt hebben om mij van de school te doen gaan loopen;—maar 't zal niet waar zijn,revolutionairs! Gij zult mij niet verjagen....EDWARD,schreeuwende.—'t Is niet waar, meester; Victor heeft weerokentrek[34]gedaan, terwijl dat g'aan het dicteeren waart.DE MEESTER,met ongeduld.—Ha, zijt gij weerokentrekaan 't doen!—en ik schreeuw mij te barsten voor zulke luie ezels.... 't is om iets van te krijgen!(Hij wendt zich om naar de andere zijde der school.)VICTOR,eenen luiden kaakslag aan Edward gevende.—Daar nu! zeg het nu nog. Kom straks naar buiten, als de school uit is, dan zal ik u eens in de goot slaan, en ga, roep dan uwen vader en uw' moeder maar, labbekak! (Zij vatten elkander bij het haar en vechten met groot gerucht. De meester springt er naar toe, grijpt hen bij den kraag en trekt ze van elkaar.)DE MEESTER,met groote woede.—Deugnieten! Schelmen! 't Is erger dan de kinderen van de Vliersteeg of uit den Zwanengang[35]. Gij zult mij weer doen bloedspuwen, slangen dat gij daar zijt. Maar ik zeg het u: zijt zeker, dat de eerste, die zich nog durft verroeren, de school afvliegt.... Past op! (Groote stilte in de school. Victor steekt zijne hand onder de tafel en nijpt in de beenen van Edward; doch deze durft zich niet roeren. De pijn schetst zich in belachelijke uitdrukkingen op zijn gelaat.)DE MEESTER,bedaard.—Waar waren wij? Ha! (dicteerende) "De boosheid van den ontaarden zoon.... Absolon den veldslag ... Absolon den veldslag ... verloren hebbende ... hebbende, begaf zich op de vlucht...." Frans, gij let er niet op. Gij zijt weer bezig met papier knauwen! Laat eens hooren wat ik het laatst gezegd heb?FRANS.—Heb!DE MEESTER,verbitterd en spijtig.—Wat, heb, ezel? Op de vlucht, heb ik gezegd, (dicteerende) "en reed onder eenen boom door ... doch zijn lang haar ... lang haar ... verwarde in de takken ... van...." Frans, doe datmannekenweg en schrijf ... "De takken van den boom ... boom, en Absolon bleef er aan hangen."(Frans heeft gedurende het dicté eenen bal papier tusschen zijne tanden gekneed, en een uitgesneden manneken er aan gevoegd. Hij werpt het tegen den balk van het verdiep; het blijft er aan hangen.)VICTOR,blijde.—Ai, ai, daar hangt Absolon met zijn lang haar!DE MEESTER,vergramd.—Frans, gij zultnoenoveral[36]blijven bakken. 'k Zal u leeren papier knauwen! Nu zult gij dezen noen niets te knauwen hebben. (Tot al de leerlingen.) Hetdictéis gedaan.—Victor! spel het laatste woord eens.VICTOR,tot Edward.—Wat is het laatste woord? Gaat gij het zeggen, of ik geef u eenen neep.EDWARD.—Neen, nu zeg ik het niet, zie na!VICTORnijpt hem in den rug.—Zegt ge 't nog niet?EDWARD,pijnlijk schreeuwende.—Hangen! Hangen!DE MEESTER,tot Edward.—Het wordt aan u niet gevraagd, schreeuwer. Gij, Victor, spel het laatste woord.VICTOR,onverstaanbaar en zeer gauw.—Abchg—hang ... chrstgen—gen—hangen.DE MEESTER,het hoofd schuddende.—Genoeg, genoeg. Wij zullen het namiddag spellen.—De kleine Catechismussen weg.—De eerste les!(Groot gerucht van kassen en banken. De leerlingen steken hunne cahiers in de laden der lessenaars; de meesten leggen hunne catechismussen open op hunne knieën om beter te kunnen antwoorden. Victor en Karel ziet men niet; zij zitten onder de schrijtafel.)DE MEESTER.—Attentionop de eerste les! Edward, hoevele Goden zijn er?EDWARD,driftig en gauw.—Drie,—'k wil zeggen twee,—neen, maar één.DE MEESTER.—Wat! drie? bottekop! Gij, Victor, hoevele Goden zijn er?VICTOR,zijn hoofd onder de tafel uitstekende.—Zeven: hoovaardigheid, gulzigheid, luiheid, nijd....De MEESTER.—Houd op, ketter!Datweet nog niet, hoeveel Goden dat er zijn. Gaat gij van onder de tafel komen? Wat doet gij daar weer?EDWARD.—Zij spelen met de marbollen in de drie puttekens, meester!FRANS.—Neen, wel, meester, ze doenklontjen-trekenwitbier-zetmet krieksteenen![37]DE MEESTERneemt een reglet en slaat in het wilde onder de tafel.—Schelmen, er uit!—gauw! of ik sla u armen en beenen vaneen....VICTOR en KAREL,onder de tafel heen- en weer kruipende—Ai mij! 't is in mijn oog!—Ai ai, mijnen kop!—Och God, mijnen neus!(Zij komen huilend van onder de tafel. Een van Victors oogen is rood en schijnt eenen harden slag ontvangen te hebben.)DE MEESTER,bij Victor gaande, streelend.—Victor, Victor, nu ziet gij wat er van komt. (Hij neemt hem zoetjes bij de hand.) Kom hier, jongen; zit aan de groote tafel.—Ge moogt in de eerste klasse gaan,—ik zal u een nieuw boek geven.
Het sloeg twee uren namiddag, toen zulke ontroering den lijdende Geeraert voor de zesde of zevende maal kwam treffen."Mijn ongelukkige zoon," sprak de vader, "heb moed; deel mij uwen angst mede, misschien zullen mijne woorden u eenigen troost geven. Gij zit daar reeds zoo lang zonder spreken."Geeraart bracht de hand zijns vaders op zijn benepen hart en drukte ze bevende; hij hoorde aan den toon van zijns vaders woorden, dat dit stilzwijgen hem pijnigde. Met eene droge, doffe stem antwoordde hij:"Mijn vader, ik meet den afstand, die mij van de eeuwige schande scheidt. Nog vier uren, en ik zal een vloekbaar en een gevloekt schepsel zijn;—mijne handen zal ik in het bloed van mijnen evennaaste gedoopt hebben. O, ijselijke zekerheid! Dan is de weg des levens achter mij onherroepelijk gesloten.... Er is geen terugkeeren meer aan: ik moet voortgaan zonder omzien, in de baan der schande en der verfoeiing; en indien een medelijdend mensch,—eene vrouw, o, Lina, Lina!—indien een mensch mij de hand toereikt, zal ik weten, dat ik hem geene hand kan teruggeven dan eene, die met menschenbloed is besmet geweest!—Mijn vader, ik kan u niet uitdrukken wat ik gevoel; mijne zinnen zijn ontsteld. Zou ik het u zeggen? O, ja, gij moogt daarbij mijne pijnen afmeten: dezen nacht heb ik mijne hand naar een mes uitgestrekt om mij te dooden—doch het scheen mij, dat uwe hand de mijne met kracht wederhield. Ik dacht dan aan de droefheid, welke mijn dood u zou veroorzaakt hebben, en ik heb geweend totdat het mes mij ontvallen is."Gedurende die woorden had de schrik zich op het magere aangezicht van den ouden beul afgeschetst; twee tranen rolden op zijne wangen; en het was zichtbaar aan de uitdrukking van zijn gelaat, dat een akelig vooruitzicht hem bedroefde. Met smeekende stem riep hij uit:"Mijn zoon, zie den weedom uws ouden vader aan; bepeins, hoe hij lijden moet bij uwe woorden. Weet gij wel, Geeraart, dat gij mij uwen gewissen dood aankondigt? en dat gij mij zegt: dezen avond zal mijn lichaam door eene razende menigte aan stukken getrokken worden, en gij, mijn vader, zult mijne verstrooide ledematen op het Galgeveld niet meer vinden; want men zal mij verpletteren en scheuren, en mijn lijk zal onder de voeten van het volk gemalen worden. Weet gij, wreede zoon, dat uwe woorden die schrikkelijke voorzeggingen behelzen?""Ja, dit weet ik," antwoordde Geeraart met hardnekkige koelheid, die den ouden vader eene siddering over het gansch lichaam joeg.—Wat ijselijk geheim vond hij in het hart zijns zoons!Met pijnlijk geweld richtte hij zich half op in het bed en zijnen zoon tot zich trekkende, sloeg hij de twee armen hem om den hals en omhelsde hem onder eenen tranenvloed."O, Geeraart!" riep hij, "ik versta u, gij wilt sterven! Gij neemt behagen in deze zondige gedachte, in dien afgrijselijken droom. Als een vrijwillig slachtoffer, gaat gij u aan de razernij der menigte ten beste geven ... en ik, die oud en krank ben, ik zal alleen op de wereld blijven? Gij zoudt mij aan de smart overlaten? Gij hebt gewis niet aan de wreede ondankbaarheid van uw voornemen gedacht, Geeraart?De indruk, welken die klachten op den jongeling deden, was verwonderlijk: hij beefde als een beschuldigde, wien men te recht eene grove en schandige misdaad aantijgt. Ziende, hoever de streelende verbeelding eens spoedigen doods hem van het gevoel zijns plichts had doen verdwalen, en overwegende, wat pijn en droefheid zijnen vader treffen moesten, indien hij hem alleen op aarde liet, schrikte hij van zich zelven bij de overtuiging zijner wreedheid. De gedachte, dien dag te sterven, had hem den ganschen nacht toegelachen, en nu moest hij, uit liefde tot zijnen vader, alle pogingen aanwenden om een leven, dat hem lastig viel, te behouden. Hij sprak:"Vader, o, vergeef mij,—ik begrijp mijnen plicht. Ja, ik moet leven. Welaan! ik zal met moed het schavot beklimmen. Dat al de smaad, al de schande, welke een mensch dragen kan, op mij valle; ik zal opstaan tegen den haat en de verfoeiïng! Nu vrees ik niets meer; bereid om den slag met onverschilligheid te geven, zal ik mijne hand in het bloed mijner broederen doopen, zonder dat een gevoel van afgrijzen in mij opkome. Het is gezegd, zij hebben het gewild! Ween niet meer, mijn vader, uw zoon zal beul zijn met een beulshart."Men zou kunnen gelooven, dat Geeraart eensklaps was veranderd en dat de afschrik van bloedvergieten in hem vergaan was, of wel, dat mannelijke moed hem de macht gegeven had om dien schrik te overwinnen; maar het was zoo niet. Geeraart bedroog zich zelven en zijnen vader, en zijne woorden waren slechts voortgesproten uit de innige razernij, die hem had bevangen, wanneer hij zich gedwongen zag te kiezen tusschen twee besluiten, welke hem even pijnlijk, even onmogelijk uit te voeren waren: òf zich den dood ten prooi te geven en zijnen vader de grootste ondankbaarheid te bewijzen, òf wel beul te zijn met hart en ziel. De foltering, voor hem uit die wisselkeus ontstaan, was genoeg zichtbaar aan zijne houding; want hij beefde sterker dan hij ooit gedaan had, en toen hij zeide: ween niet meer, vader! borsten overvloedige tranen uit zijne eigene oogen, en hij kwam met het hoofd tegen de borst zijns vaders te vallen.In dien toestand bleven zij langen tijd, elkander pogende te troosten, doch vruchteloos; want de oude beul vreesde niet zonder reden, dat zijn zoon geenen moed genoeg hebben zou; en Geeraart schrikte van een leven als hetgeen hem voorbereid was, indien hij die eerste vonnisuitvoering kon volbrengen.IVHet was te zeven uren des avonds, dat de veroordeelde schipper Herman moest gerecht worden;—men had het tot dit uur uitgesteld, uit hoofde der volksvermaken, welke er dien dag hadden plaats gehad.Langen tijd vóór het bestemd oogenblik zag men reeds talrijke hoopen volks uit de St-Jorispoort naar het Galgeveld gaan om de wreede vertooning bij te wonen.—Er is niets, dat het volk meer aanlokt dan het beloofd gezicht van een hoofd, dat grimmend van het schavot afrolt, terwijl vergoten bloed den grond met dampend rood komt verven. Wat boos vermaak! Wat booze nieuwsgierigheid, die zich in het vernietigen van den mensch verlustigt!De mare der onthalzing deed er reeds velen op voorhand van ontroering trillen: zij zullen gaan zien! En daar gekomen, toonen zij droefheid en medelijden voor den veroordeelde.—Waarom? Om hunne hatelijke natuur voor zich zelven en voor anderen te verbergen; want zij gevoelen ook de wreedheid, die in hunne schandelijke nieuwsgierigheid verborgen ligt.Het Galgeveld zelf was overdekt met volk; vrouwen van allerlei stand en ouderdom bevonden zich daar met dochters en zonen; en de oude grijsaard, die anders niet uit den hoek der haardstede te jagen was, had zijne laatste krachten verspild, om nog eens zijne stijve leden tot onder het schavot te dragen, en het bloedig schouwspel eener onthoofding bij te wonen.—Het was een grievend vertoog te zien, hoe schaterend en hoe lachend de menigte daar wachtte, terwijl galgen, mikken, raderen boven hunne hoofden met geraamten en halfverteerde lichamen pronkten.Tusschen het ineengedrongen volk en dicht bij het schavot stond Lina; het hart klopte haar sterk in den bangen boezem, en wellicht zou zij daar geweend hebben niettegenstaande degenen, die haar omringden; maar zij was gekomen om Geeraart aan te moedigen, en zij gevoelde, hoe slecht zij door hare tranen dit doel kon bereiken. Haar broeder Frans bevond zich aan hare zijde, netjes opgekleed met eenen breeden hoed en eenen bruinen mantel op de schouders, gelijk meest alle burgers destijds droegen. Lina had hem den akeligen toestand van Geeraart uitgelegd, en hij, met wilde edelmoedigheid begaafd, had onwederroepelijk gezworen den kop in te slaan aan den eerste, die eenen steen naar den jongen beul werpen zou, indien dit moest gebeuren.Daar het reeds laat in den avond en half duister begon te worden, waren de beulsknechten werkzaam op het schavot om alles klaar te maken, en men wachtte niet lang meer; want op dit oogenblik drong de beulskar door het volk en werd door een algemeen geruisch aangekondigd. De veroordeelde Herman, in zwart lijnwaad gekleed, zat met eenen priester achter in het ruim van den wagen; Geeraart met het groote zwaard bevond zich nevens zijnen knecht op den voortrein.Zeggen wat er in het hart van den jongen beul omging, ware niet mogelijk, vermits zijn gelaat niets getuigde; hij hield zijne blikken nederwaarts gevestigd en bezag het volk niet. Voorwaar, indien het zwaard hem niet had doen herkennen, zou men niet hebben kunnen zeggen, wie van beiden, of hij, of Herman de veroordeelde was. Wat men als zeker mocht aanzien, was, dat Geeraart meer door schaamte en droefheid gepeinigd werd dan degene, dien hij rechten moest. Gelukkiglijk voor hem had zijn vader hem verplicht het grijze haar, dat hem een al te zonderling voorkomen gaf, te laten afsnijden, anders hadde de menigte hem reeds bij zijne komst bespot en met scheldwoorden bejegend.De verdwaalde jongeling klom op het schavot zonder het te weten, en was zoodanig door al wat hem omringde, verstomd, dat niets bescheiden, voor zijne oogen of zijnen geest zich opdeed; hij zag Lina ook niet, alhoewel deze hem door haren broeder meermalen teekens deed doen.De beulsknechten wilden den veroordeelde uit de kar op het schavot leiden; doch deze gaf voor, dat hij zijne biecht nog niet wel gesproken had en dat hij nu eerst zijn geweten gansch wilde zuiveren, daar hij wel zag, dat er geen uitkomen meer aan was. Misschien vestigde hij eenige hoop van verlossing op de aanstaande duisternis, die langs hoe meer aangroeide: reeds konden die, welke wat verre achteruit stonden, het schavot zelf niet wel meer zien. Het volk, vreezende, dat de donkerheid de schoone vertooning aan zijne oogen zou onttrekken, begon overluid om de uitvoering van het vonnis te roepen. Dan bracht men den veroordeelde met geweld op het schavot, en men deed hem vooraan op de knieën zitten; de knecht van den scherprechter ontblootte den hals van het slachtoffer en toonde dien met eenen beteekenenden blik aan Geeraart, alsof hij zeggen wilde:—Meester, daar moet gij slaan!Op het gezicht van het bloote vleesch, waarin hij hakken moest, schoot Geeraart op uit zijne gevoelloosheid; zijne beenen begonnen te trillen, dat het schavot er van beefde, en het zwaard viel hem uit de vuist; echter werd dit voor alsdan niet bemerkt, aangezien het teeken tot de uitvoering van het vonnis nog niet gegeven was. De knecht raapte het moordstaal op en gaf het terug aan zijnen meester, die het stuiptrekkend in de vuist wrong.De Roode-Roede of bediende van het halsgerecht gaf het teeken, doch Geeraart hoorde zijne stem, noch zag de roede nedergaan. Dan riep de knecht, terwijl er reeds een kwaadvoorspellend gemor onder het volk liep:"Gauw! Meester, gauw!"Al den moed, al de krachten, welke hem nog overbleven, vereenigende, hief Geeraart het zwaard boven den hals van den veroordeelde, met een waar voornemen om wreedelijk toe te slaan. Hij wist niet, de ongelukkige, waar hij zich bevond, wat hij deed, of wat hij dacht; gansch verloren van schaamte en schrik, was hij in razernij ontstoken en ging eenen slag geven zoo zwaar, als er ooit een op het schavot gegeven werd; maar op dit oogenblik draaide de veroordeelde het hoofd om, en, het dreigende zwaard ziende, liet hij eenen jammerlijken schreeuw. Dan verloor Geeraart in eens al zijnen bijeengeraapten moed, en hij liet het zwaard op het lichaam van Herman vallen, doch zonder kracht en zelfs zonder hem te wonden.De misdadige, die bij het voelen van den slag eene ijskoude over zijn gansch zenuwgestel had gevoeld, en gedacht had dood te zijn, sprong plotseling recht, en zijne armen tot het volk reikende, riep hij om hulp, schreeuwende, dat men hem moedwillig martelde.Er hoefde niets meer om de razernij der menigte te ontsteken; het medelijden gaf in zulk oogenblik eene verf van edelmoed aan de gewelddaden, die zij wilde plegen."Slaat dood! Slaat dood den menschenpijniger!" was alles wat men hoorde. Steenen vlogen om het hoofd van Geeraart; doch niet menigvuldig, want steenen waren er weinig op het Galgeveld te vinden.De verstomde jongeling kwam vooraan op het schavot, kruiste de armen over elkaar, en, zich voorstellende als eenen martelaar, die wil sterven, riep hij met krachtige stem:"Daar, werp mij dood, bloeddorstig volk!"Dit bracht de woede ten top; vrouwen, kinderen en goede burgers vluchtten langs alle kanten van het Galgeveld, en er bleef niets meer op dan het schuim der stad, het kwaadwillig en razend grauw, dat met ongemeen geweld naar het schavot toedrong en den beul er wilde afhalen, ondanks den tegenstand der gerechtsdienaars. Het was een geschreeuw en een gewoel, dat men hoorde, noch zag; eene zee, welke hare schuimende baren ten hemel opwerpt, geeft geen zoo volmaakt denkbeeld van verwarring en woede.Rondom den beul op het schavot waren al de gerechtsdienaren vergaderd, met inzicht om hem te beschermen; maar nog meer om den veroordeelde vast te houden, die nu met geweld poogde uit de handen te geraken. Op dit oogenblik klom een geheime persoon zeer langzaam op het schavot, en, bij den beul gekomen zijnde, suisde hij hem de volgende woorden in het oor:"Geeraart, Lina bezweert u bij uwe liefde voor haar, dat gij haar nog eens komt spreken; zij staat daar beneden;—volg mij!"En dan sprong hij zelf langs de rechterzijde onder het volk, om Geeraart de plaats aan te duiden. De jonge beul gehoorzaamde aan eene liefdegedachte en besloot zijne goede minnares ten minste een laatst vaarwel te zeggen, eer hij nu sterven ging; hij liep van het schavot tot bij Lina, die daar dicht nevens stond te weenen. Frans, de geheime persoon, die hem geroepen had, smeet hem zijnen mantel op de schouders en zette hem zijnen hoed op het hoofd; dan den arm van Lina aan dien van haren minnaar voegende, sprak hij zachtjes tot haar:"Ga stil en onverschillig door het volk tot in het boschken, achter de tweede mik!"Ziende, dat Lina zijn bevel uitvoerde en dat Geeraart sprakeloos zich liet leiden, alsof hij van gevoel ware beroofd geweest, liep hij langs den tegenovergestelden kant van het schavot en begon daar zulk een geschreeuw en gerucht te maken, dat de menigte, geloovende dat hij den beul onder handen had, onstuimiglijk naar die zijde kwam gedrongen, en den weg vrij liet voor Lina en Geeraart. Met een listig inzicht deed Frans niet dan roepen:"Slaat dood! slaat dood! Hier den menschenpijniger! Zijn lichaam moeten wij hebben."En dan wierp hij met steenen naar de gerechtsdienaars en de duisternis, die nu reeds alles met een twijfelachtig grauw gekleurd had, lieten Lina toe haren minnaar uit het gedrang te leiden, zonder dat men hem herkende; want de mantel en de hoed van Frans bedekten genoegzaam zijn beulsgewaad. Nochtans, eer de twee gelieven het aangewezen boschken bereikt hadden, was het schavot door het grauw ingenomen geworden; men had den veroordeelde verlost en laten loopen, en men wilde nu met geweld den beul hebben. Terwijl men de gerechtsdienaren mishandelde, om hen te doen zeggen, waar de scherprechter zich bevond, was er een man die de daad van Frans bemerkt had, toen deze den mantel over Geeraarts schouder wierp: hij had gezien langs welken kant de vrouw met den verkleeden man verdwenen was, en dacht nu met recht, dat dit ongetwijfeld de beul moest zijn.Niets aanhoorende dan zijne woede, liep hij uit al zijne macht door de wegen van het Galgeveld en zag eindelijk Geeraart met Lina, een weinig verder, achter een boschken verdwijnen. Razende van vreugde en toorn, kwam hij op de bevende gelieven aanvallen; en Geeraarts mantel afrukkende, zag hij het beulsgewaad. Zonder meer scheldwoorden te uiten, hief hij zijnen zwaren gaanstok in de hoogte en gaf den ongelukkigen jongeling zulken harden slag op het hoofd, dat hij gevoelloos ten aarde stortte. De wreede moordenaar wilde zijne woede verder nog op het slachtoffer, dat voor hem lag, uitwerken; maar Lina, die nu eerst van hare verslagenheid was teruggekomen, wierp zich vooruit naar hem, en hare twee armen om zijn lichaam slaande, weerhield zij hem, niettegenstaande zijn geweld. De wanhoop en de wraakzucht hadden haar eene kracht bijgezet, welke haar anders niet behoorde; zij wrong hare teedere arme zoo stuiptrekkend om zijne lenden, dat zij hem in banden sloot, gelijk eene tengere slang, die eene machtige prooi in hare kronkels wil verworgen. Het gezicht van het lichaam haars minnaars, dat daar voor levenloos voor haar lag, had haar tot die ongemeene razernij vervoerd. Begrijpende, dat het beter was, met een eenigen vijand, dan met vele te doen te hebben, schreeuwde noch kermde zij, opdat geen mensch op hare stem zou komen toegeloopen. Gelukkig, dat het geraas der menigte, die op het midden van het Galgeveld nog even hardnekkig en even verward naar den beul zocht, het geschreeuw van Geeraarts moordenaar verdoofde; want anders ware Lina gewis in korten tijd van een aantal andere vijanden omringd geweest. Op het oogenblik, dat zij hare laatste krachten in eene geweldige poging verspilde, en voelde, dat zij niet langer tegenstand kon bieden, kwam Frans, haar broeder, juist achter het kreupelbosch uit, en zag zijne zuster vechtende tegen iemand, die hem onbekend was. Het lichaam van Geeraart gaf hem toch seffens het raadselwoord van hetgeen er omging.Een dolle schreeuw van wraakzucht ontvloog zijne borst. Eer Lina hem bemerkt had, sprong hij toe; en zijne twee zware handen op de schouders van den onbekende leggende, rukte hij hem achterover op den grond."Lina!" riep hij, terwijl hij den neergevelden man bij de beenen naar het Galgeveld sleepte, "trek Geeraart tusschen het kreupelbosch; indien hij nog leeft, is hij voor altijd gered en verlost.—Spoed u!"Deze woorden gesproken hebbende, sleurde hij zijnen vijand met zooveel snelheid van daar weg, dat deze geenen tijd had om iets vast te grijpen en weinige klachten kon voortbrengen. Zoodra was Frans niet te midden van het volk geraakt, of hij begon overluid te roepen, altijd zijn slachtoffer voortsleepende:"Zege, zege, hier is de beul!""Slaat dood! slaat dood!" was het schallend antwoord, dat als de schreeuw van dood en vernieling uit de scharen opklom; en allen liepen achter Frans om de slachting te mogen bijwonen. Wanneer de broeder van Lina zich van genoeg razend volk omringd zag, wierp hij den man, dien hij bij de beenen voorttrok, te midden onder hen, hun toeroepende:"Daar is de beul!""Slaat dood! slaat dood!"En honderd slagen van allerlei wapens, van stokken, van steenen, van messen, van stukken hout, vielen in eens op het lijf van den huilenden man, die in de duisternis voor den echten beul aangezien werd; te meer daar de woorden van verschooning, welke hij uitgalmde, van niemand gehoord werden, maar in het algemeen geraas versmolten.—Hij leefde geen vierendeel uurs later; de kleederen werden hem van het lichaam gescheurd, en zijne leden zoodanig gepletterd en misvormd dat hij niets meer van de menschelijke gedaante behield, en dienvolgens op geene wijze te herkennen was.Frans liet het dwaze grauw in het onedel werk voortgaan en kwam na eenigen tijd terug bij zijne zuster, die nevens het roerlooze lichaam van haren minnaar geknield nederzat en den Heer om genade voor hem smeekte; hij, Geeraarts gesteltenis vluchtig onderzoekende, bevond, dat zijn hart nog klopte en dat slechts eene bedwelming hem van gevoel had beroofd. Zijne zuster verlatende, liep hij naar eene gracht en besproeide met het water, dat hij medebracht, het aangezicht en de borst van Geeraart, die dan ook allengskens tot zich zelven kwam. Het eerste, dat hij bij zijn ontwaken gevoelde, was de zoen van zijne lieve Lina, die nu schier van blijdschap verging en zelfs geene woorden zou gevonden hebben om haar gevoel uit te drukken, al ware het spreken haar niet door haren broeder verboden geworden.Zoodra Geeraart zijne krachten volledig herwonnen had, vertrokken zij geheimelijk van die plaats en keerden terug naar de stad, alwaar Geeraart zich in het huis van Lina tot den diepen nacht verborgen hield. Toen de klokken het gevreesde middernacht aankondigden, ging hij, van Frans vergezeld, naar de woning zijns vaders en trad onverwachts in zijne kamer.De oude beul, die weenend op het ziekbed den dood zijns zoons betreurde, gaf geen geloof aan hetgeen hij voor eenen bedrieglijken droom, eene begoocheling van zijnen geest aanzag; maar wanneer de driftige omhelzingen van Geeraart hem overtuigd hadden, en dat deze hem met bondige woorden zijne wonderbare verlossing had verklaard, scheen de oude en teedere vader door ontroering te bezwijken; zijne leden verroerden zich niet, zijne wezenstrekken getuigden kalmte; zijne oogen glinsterden wel van vreugde, doch bleven niet min beweegloos en met eene ongemeene scherpheid in de oogen van zijnen zoon gevestigd. Eindelijk ontwakende, richtte hij zich met geweld op en riep:"Mijn zoon, mijn zoon! gij begrijpt uw geluk niet. Niet alleen van martelie zijt gij gered, maar insgelijks van allen smaad, van alle schande. De vloek, die over ons geslacht hangt, eindigt bij den dood ... gij zijt dood, mijn zoon!""En ik heb geen bloed vergoten!" galmde Geeraart met opgetogenheid uit."Ga en leef verre van uwe onrechtvaardige broederen," hernam de vader, "verlaat Antwerpen, trouw uwe goede Lina, bemin ze altijd;—de hemel verleene u een talrijk huisgezin. Uwe zonen zullen toch geene geborene beulen zijn, en gij zult over uwe kinderen niet weenen als ik over u geweend heb. De schatten onzer vaderen behoeden u voor altijd tegen armoede; gebruik ze wel en leef gelukkig...."Zijne stem brak allengskens en verdoofde zich ten eene male, doordien eene al te groote aandoening hem het harte schokte. Geeraart hield zich vastgeklemd aan het magere lichaam zijns ouden vaders en bracht slechts onderbrokene dankzeggingen voort; want hij kon, in dit oogenblik van verrukking en blijdschap, moeilijk woorden vinden om zijn gevoel uit te drukken.Lang nog na dien tijd leefde de beulszoon Geeraart te Brussel, onder eenen anderen naam, gelukkig met zijne vriendin en echtgenoote Lina, die hij even teeder bleef beminnen.—En wanneer hij, ook oud zijnde, op het doodbed eindelijk lag uitgestrekt, omringden talrijke en deugdzame kinderen de legerstede van hunnen vader.DE GEESTZEDENSCHETSGeene stad is rijker aan plaatselijke vertellingen dan Antwerpen. Elke straat heeft er haresageoflegende, doch het is uiterst moeilijk tot de kennis van een zeker getal daarvan te geraken, uit hoofde dat zij meest geweten en verteld worden onder de allerlaagste volksklasse, en zelfs niet tot den geringsten burgerstand opklimmen. Het is met dit vak der nationale overleveringen toegegaan als met vele andere: het kleine volk alleen heeft ze geheel bewaard.Dan, het komt aan weinige schrijvers als gepast of doenlijk voor, zich in de armste kwartieren der stad als vriend en gebuur te doen erkennen, om door dit middel eene volksvertelling of een nog onbekende mirakel uit den mond eener vischvrouw of eener asscheraapster te hooren. Een bijzonder geval nochtans verschafte mij de gelegenheid om eenige dier vertelsels af te luisteren, zonder dat men mijne tegenwoordigheid bemerken kon. De vertellers waren vier jongens, die bijna de mannenjaren bereikt hadden, en bij dag op eenen winkel als leergasten van timmerlieden of smeden arbeidden. Gewis, hunne wijze van verhalen was niet van de fraaiste, doch een van hen vertelde met eenen zekeren zwier, met eene losheid, die aan zijn verhaal een eigenaardig en kluchtig karakter gaf, en mij op de gedachte deed komen, zijne woorden als eene proef van den Antwerpschen tongval door den druk mede te deelen.Onder het afgeslotene venster van een burgerhuis en op eenen keldermond of val gezeten, maanden zij elkander aan om te vertellen; de eerste, die sprak, was:KOBE.—Zeg, Frans, kunde gij die historie, die ze Zondag in de'[2]poesjenellekelder gesp'eld hebben? Ge w'et wel,Snoef[3]die trouwtd op 't leste met de keunigin van Teurrekijë[4].BALTE.—Die kan ekik.FRANS.—Is dâ die va Hanefroeike?Sus.—Och néë, we't het nie meer? Daar komtd'en[5]betooverd kornijn in, dâ diën brief op diën tore' draegt, aen de Princers van Améreka. Kunde gij het nie, Balte?BALTE.—Ik kan ekik alles! Ik kan Malegijs, ik kan Smidje Verholen, ik kan Guldentop, ik kan Sinte Peeter, ik kan Ouw[6]lampen veur nief, ik kan den Betooverden hond, en dâ van 't Steen, en Visserke visserke vangt me nie[7], en, och eer, ik kan er wel honderd ander, as[8]ik ze maar wilde vertellen.FRANS.—Ah wel, laet ons strooikentrek doen. (Zij trekken, wie eerst zal beginnen.)KOBE.—Hoera, viva! 't is Balte! Toe, van doctoor Faussius of van de' kelder onder de Vierschaer.Sus.—Néë, Balte, doe g' et nie. Vertelt liever van den duvel of van tooverhekse' of van spooke'[9].BALTE.—Ah wel, 'k zal eulie[10]'e waerachtig vertelsel vertellen, dâ gebeurd is op de Kleinmarkt; een bitje verder a's de Kornijnepijp, in 't Fransch gezeed[11]la pipe de lapin.KOBE.—Lapin, dat is 'en kat; ge zeg het mis.BALTE.—Zie, dâ gauwke! Lapin is 'en kat,pertang![12]Neen,poesis 'en kat in 't Fransch. Ze riepen ommers altyd tege' diën ouwe' Franschman uit de Mannekestraet:voleur de poes, de kattendief! Dâ wilt tege' mij Fransch spreke'! Wel gij kastekindere', hebtde geulie op de Chantjië gewerkt? Heeft eulie vadergardechougeweest, he? Onder den tijd van de Marriene'?[13]Zwijgt nâ, zulle[14], want ik begin op e' nief[15]. Nâ-w-in die straet daer stond eens 'en huis mê viersteugiëzonder de zolder, zoo groot en zoo schoon a's het paleis van 'ne keunink[16].Maer in datd huis wilde-n-ommers in 't geheel niemand nie wonen, en het bleef jaren lank onnuttig leeg staen, want het spookte-n-er-in.Sus.—Ah! ah! da zal schoon zijn!BALTE,gestoord.—Stilans! houd u' gezicht. Ah wel: op slag van twelf ure dan kwam er iedere' keer 'ne geest die het huis van onder tot boven afliep, en a's dat dan lank geduerd had, dan kwam de geest tege'slag van deneene'achter de straetpoort staen en begost[17]zoo jammerlijk t' huilen en te schreeuwen, dat er iedereencompassiemê kreeg.KOBE,met bange stem.—Zijt de gij dâ, Sus, die daer 'ne zucht gelaten hebt?FRANS.—Eê! hij is bang; hij beeft, ik vuel' het. Wel wâ kieken!BALTE.—A's Kobe zijne' mond nie toehoudt, stamp ik hem van de keldermond.—Na, daer dierf toch niemand in datd huis gaen, al was 't dat de geest niet dé[18]as roepen: verlost mijn' ziel! verlost mijn' ziel!Daer wierd dan gézéed, en 'k geloof ekik datd ook wel, dat het de ziel was van de' lesten heer, daer het huis van geweest was, en dat diën uit gierighad[19]ene groote schat had verbeurge. En ge we't wel, a's iemand sterft me' verbeurge' geld op zijn konsjentie, dat hij dan zoo lank in d'hel moet blijve' brande', tot datd het geld gevonde' weurd[20].A's dâ nâ[21]zoo al heel lank geduerd had, dan kwam er eens 'ene' keer enen ouwe soldaet van de' marmittenoorlog.Dië soldaet heette sterke Jan, en dien had gezéed in 'en herberg, dat hem veur 'ene' niet en 'ne niemendalle, om zoo te zeggen veur ze plesier, 'ene' nacht in het leeg huis zou slapen, a's ze hem honderd gulden op veurhand wilde' geven.Den huisbaes die zé tege' Jan: Is dâ waer? Derfde gij in datd huis slapen!Ja, zé Jan zoo, want ik geef wâ schoon de knoppen, zé hem, van alle spooken en dûvels. Dâ God bewaert, is wel bewaerd!Ah wel, zé den huisbaes, geef me d'hand daer op, zé hem[22]; 't is gedaen. Wâ moet ik u geven, vroeg hem.Hoort, zé Jan, geef me maer al om te beginnen, ene wis buekenhout in klompekes, 'en dozijn flesse' wijn, 'en fles kwak, 'ene koekpot vol spijs en 'en goêi pan om mijn koeken in te bakke'.Dâ zulde gij hebbe', zé den huisbaes,—en a's hem dâ gegeven had, trok Jan tege' den aved[23]mê zijn'provisiein het huis.A's het nâ vier geslagen had, dan droeg hem zijn hout en zijne' koekpot mê spijs in 'en kamer op d'eerstesteugie, daer nog 'en tafel stond mê twee stoele'.Hij begost daer 'e' vier te maken gelak om het huis af te branden, en hij zette zijne' koekpot daer neffe om de spijs te doen gaen.Terwijl dat de spijs nou aen't gaen was, begost Jan de flessen een voor een den hals af te bijten, en hij kreeg op den duer 'e' stuk in zijne' kraeg gelak 'enen' ouwe Zwitser;—maer hij was toch nie' van zijne' center[24]en hij wist heel goed wat hem zé of dé.Dâ was me goed, maer a's hem na lank genoeg gedronken had, begost zijnen beer te danse'[25]. Hij zette dan zijn pan op 't vier en hij lapte daer 'ene' goeije pollepel spijs in.—Dan aen het kissen dat 'e' pleizier was. Het rook er zoo lakker a's aen de deur van 'tLandswelvaren:—zoo 'enen reuk gelak van 'en restoratie.Ah wel, dâ was me goed; de koek van Jan was langs den eene' kant schoon bruin gebakken en hij goeide hem omhoog in de schouw om hem om te draaije'.Maer gelijk hem nou weer op 't vier stond, valt er in eene' keer iet uit de schouw—enpardoefin zijn' pan, en de koek in d'asse!Wel honderd duzed 'k weet nie' watte! riep Jan; zoude dat hier en daer nie' verwense? Bruin en zoo lakker! Daer lé nou mene zieltjeskoek[26]. Maer wa wil ik er aen doen? zeét hem in zijn eige; 't is nâ toch zoo. 'k Zal maer 'ene' nieve pollepel spijs in de pan doen, op goê val hetd uit.Nâ, hij doet dâ, en weer aan 't kissen dat g'er de geeuwhonger zoudt van gekregen hebben al was 't dâ g'in geen drij dage' geten hadde.Maer Jan die laet de' steel van de pan los en hij pakt dat dink op, dat uit de schouw gevalle' was.Raed nâ toch eens wat datd het was?—Het was en doodsbeen uit 'enen arm!Jan die schiet in 'ene' lach en hij zé, zoo al lachende: Ja, denke' ze mij verveerd te make' of veur de zot t' houwe', dan zijn ze wel geleverd mê hun' peerdebeenen! Al was 't dat ze den heele prospot[27]deur de schouw goeide', dan gaf ik er nog geen duit om; mê hun' flauwzen!Maer da was me goed; a's Jan zijne koek nou half gebakke' was, zeét hem zoo in zijn eige': ge zult me deze' keer nie vast hebbe' vieze mannen! 'k Zal de' koek liever half rauw binne' spele'.... En hij steekt zijn hand uit om de koek te pakken, maer in eene' keer valt er 'nen heelen reessel beenen uit de schouw, en pardoef in Jan zijn pan 'en de koek in d' asse!Wel Seezeke van Maderitje! riep Jan; zal ik nou al mijn spijs naer de weêrlicht zien gaen? Wat is dâ nou weêr daer ze daer mê gegoeid hebbe'? Dat is ge'ne kleine potternoster; het is zeker 'en ruggraet van 'e' veuleke. Hoe flauw dat die manne' toch zijn; ze kunne' ne' mensch nog nie' gerust laten ete'.Ja, maer hetgeen dat in zijne pan gevalle' was, ware zoo allemael beentjes aen 'en koor geregen en het was 'en ruggraet van ne' mensch.Jan die begost dan zoodanig kwaad te weurre', dat hem de beenen oppakte en gelijk tege' de' muer aengarzelemente'vaneen sloeg.Hij gink gestoord bij zijne pan zitten en sloeg er van tijd tot tijd 'ene' nieve' spijs in, maar iedere' keer dat hem de' koek wilde-n-uit de pan neme', viel er 't een of 't ander menschenbeen in—en dat duerde zoo lank tot dat er op 't leste 'nen doodskop in viel.Jan die schoot in 'ene' franse koleère en hij goeide den doodskop zoo ver als hem vliege' wou.Dan begost hem gerust te bakken en hij had al 'en schotel vol koeken op de tafel gezet om te gaen ete'.Als hem nâ goed bij de tafel zat en lakker aen 't knabbelen en aen 't zuige' was, komt er in eene' keer 'ne slag.—Jan telde, en 't was twelf ure!Maer Jan heft zijn' oogen op, en hij ziet daer in den hoek, daer hem de beene' gegoeid had, 'e' leelijk geremt staen.Want op slag van twelf ure ware' de beenen allemael aeneen gekropen, en daer stond nâ de geest mê 'e' wit laken op zijne' rug.—En hij was, och arme, zoo mager geweurre' van dat eeuwig rondloope' dâ ge zijn ingewand door zijnen buik kost zien.Jan bezag het spook zoo 'ne' zekeren tijd en hij vreef aan zijn' oogen, want hij docht dat het nie waer was; maer als het spook hem verruerde, dan zag hempormentelakdat het 'ene geest was.Ha, zé Jan, goeien dag, Pietje de Dood! Hoe gaget mê uw gezondhad? Me dunkt, ik heb ouw nog meer gezien. Staetde gij nie in de kerk van Sinte Willebors, mê het Zielenoctaaf! Ge ziet er anders maerarmoyeusuit, Jan Stek! Zie, zoo 'ne koek of drij en zoo 'e' fleske zou u deugd doen. Maer wâ zeg ik? 'k Geloof waerentig dat de koeken deur uwen buik zouwe valle'! want ge draegt 'engilédieà jourgewerkt is. A's ge nochtans eens wilt drinke', zit maer bij!De geest die sprak nie; maer hij dé 'en teeke' mê zijne' vinger, als of hem zegge wilde: kom gij eens hier!Maer Jan die was slum genoeg om het niet te doen.Aperopo, zé hem, Pietje Krakelink, wilde gij daer blijve' staen toe morge', dâ kunde gij gerust doen. Maer a's ik gelak a's gij was, ik ging wat aen 't vier zitte'; want dien hoek is heelroematieken ge moest zoo eens een' valling pakke'. Ah sa, maar zeg m' eens, wat tael spreekte gij? Zeg! is 't vanparlé fransé contre alle mense! Ook al niet? Gaet dan maer naer uw doodkist terug, droogzak!—Zijtde van God, sprekt; zijtde van den duvel, vertrekt!—Maar de geest bleef staan en dé nie als mé zijne' vinger wenken om dâ Jan bij hem zou kome'.Maer Jan ging gerust voort mê eten, en hij zag naer 't spook nie meer om.Als dâ zoo ne'n heelen tijd geduerd had, sloeg het halver een, en de geest die hefte zijn' mager' beenen op en kwam zoo allengskens naer Jan gegaen en hij wenkte-n-altijd mê zene' vinger.Maer Jan stond in eene' keer op en hij riep tege' den geest:Ah sa, Peerlala, 'k heb ouw maer één ding te zegge: ge meugt zoo veul spreken a's ge wilt, maer van me lijf te blijven, zulle', of we weurre kwaei vriende'! A's ge nog wat dichter derft kome', zal ik u die fles eens op uw leelijk gezicht kapot slage'.—Ge zoudt me geeren den nek breken, eh? 'k weet het wel; maer 't zal nie waer zijn; ge kent me nog nie, manneke'!De geest stak zijne' vinger uit en raekte-n-er mê aen Jan zijn hand;—maer op d'hand van Jan was 'en heel blijn gebrand.Wel Nondekeu! riep Jan, wilde gij zoo kennis mé mij make'? Het schijnt da ge warm handen hebt, gebuer? Maer zoo zijn we niet getrouwd, 'k Zal ouw dâ wel afleeren.—Arrê! dat is het eerste koofke!En Jan sloeg het spook mê 'en' lege fles vlak op het scheel van zijne' kop; maer hij raekte de' geest toch nie, want hij sloeg gelak op de' wind.Dan wierd Jan eerst voor goê kwaed. Hij wilde de' geest vastpakken en op de' grond slage', maer dâ liep nie af; want als hem docht dat hem hem vast had, dan vuelden hem niemendalle.Pas op, riep hem, dat duert nou al lank genoeg; ge kunt maer eens gauw gaen zegge' wat dâ ge van mij hebbe' moet. Waerom komde gij mij hier ruzie zueken, eh? 'k heb ommers mê ouw of mê uw heel familie geen affaire? Laat me dan gerust en gaat aen.Maer de geest dé nie a's wenken en naer de deur wijze'.Jan pakte dan zijnen kandelêr en zé tege' de' geest; allo! laet zien wat dâ g' hebbe' wilt. Ga veur, ik zal u volge'.Het spook dé de deur open en wees Jan den trap af; maer Jan was wel slummer, en hij zé altijd: ga zelf veur—want had hem veur gegaen, dan had het spook hem zeker den nek gebroke'.Ze kwamen dan te lange leste beneën, in de gank, en daer lag 'ene zark mé enen ijzere' rink, die er in vast was.Het spook wees aen Jan, dat hem dië zark moest opheffe'; maer Jan die begost te lachen en hij zé: ja g'houd me wa veur de zot, brurke! Als ge geenenikanik[28]in ouwe zak hebt, zulde nog al lank moete' rondloopen. Heft gij de steen zelf op, want ik kan ekik het nie.De geest hefte de' steen op, en daeronder was 'ene groote put, daer drij groot' ijzere' potten in stonde' vol gouwe geld.En zou gauw als Jan het geld gezien had, begost het spook te spreke'.Ziede dâ geld? vroeg het aen Jan.Wel, gij vieze landsman, riep Jan, ge sprekt gelak Vlaemsch? Nou beginne' we malkandere' te verstaen. Fransch kan ik toch ook, zulle', want 'k heb vijf jaer gediend—en Vivan Apoleon! Ja, 'k zien zoo al iet blinken dâ sterk op tienguldestukke' trekt.De geest haelde de drij potten uit de' put en zé mê 'en holle stem:Da zijn drij potte' geld, die ik had verbeurgen eer dat ik dood was.Eer dâ ge dood waert! riep Jan heel verwonderd. Zijde gij dood? Dâ zoude nie zegge', 'k Geloof dâ ge me wat opwindt.Maer de geest die luisterde daer nie naar, en hij zé: Ik heb in d'hel zoo lank moete' brande' tot dat die potte' zoude gevonde' zijn—en gij hebt me nou uit d'hel verlost.Heb ik ouw uit d'hel verlost? riep Jan; dat doe me groot spijt. Ge zijt dan toch 'ene' schoone jonge'! 'k Zal er maer van zwijge', want mijn bloed kokt al!Nou brand ik nie meer, zé de geest,arrê! daer is mijn hand, voelt, nou is ze heel koud....Bedankt veur de goedheid, zé Jan, houdt uw pikkelbeentjes maer stillekes t' huis. Zoo weinig komplementen a's 't meugelijk is. Ik ken u, vogel, gij zijt den duvel te plat, gij!Zie, zé het spook, van die drij potte' goud verzoek ik u dat g'er eenen aen den arme' zoudt geven, eenen aen de kerk om missen veur mijn' ziel te doen, en....Hola, riep Jan, dâ verwensch ik 'en bitje. Ben ik ouwe knecht? Ge maekt gij geen' slechte rekening! En wâ zal ik dan hebbe'? Neen, maer als er wâ drinkgeld overschiet, dan zal ik het doen.... Ge zijt gij ommers toch rijk genoeg, al is 't dâ ge zoo slecht gekleed gaet, en dâ nog al in de' Winter.—Ah wel, wa zegde?Den derde pot, zé de geest, is veur ouw.Veur mij! riep Jan heel blij, wel Simenie! daer weur ik stapel zot van. Kom hier, 'k zal u eens kusse, op uw postelijne kaken.En Jan sprong op vanarreusie; maer hij strunkelde en hij viel in de put en zijn licht uit! Het sloeg juist een uer.Nâ was Jan in den donkere'.Pietje de dood! riep hem zoo hard a's hem kost, waer zijde? He, spookske lief, kom eens hier! Heb ik ouw uit d'hel verlost, ge meugt me nou ook wel uit deze put verlosse'.Maer het spook was weg.Jan die kroop dan mê veul moeite de' put uit en raepte zijn' keers op.Hij ging dan naer boven, en als hem zijn eige' wat gewarmd had en nog twee fleskes had gedronke', viel hem in 't slaep.'s Anderen daegs dé Jan hetgeen dat de geest hem gezéed had. Hij gaf 'ene' pot aen den arme, 'ene' pot aen de kerk en hij hiel 'ene' pot veur zijn eige'.En Jan was rijk, want in zijne pot ware' wel honderd duzed millioen.En Jan woonde dan in 'e' groot huis, en hij hiel sees en peerd, en hij sliep op 'e' fraweelen bed, en hij dronk wijn, en hij gink alle dagen naer d'herberg....En daer kwam 'e' varke mê 'ene' lange snuit, en 't vertelsel is uit!VOETNOTEN:[2]Het bepalend lidwoord, mannelijk enkelvoud, heeft te Antwerpen geene andere verbuiging, dan dat men voor zekere letters welluidendheidshalvedeofdenbezigt, zonder op het geval te letten. Voor de medeklinkers B, D, H, R en T, als ook voor alle klinkers, gebruikt menden, zoowel in nominativo als in accusativo.[3]Men heeft te Antwerpen veel kelders, waar des Winters voor kinderen allerlei vertelsels verbeeld worden, bij middel vanmarionetten, die zijpoesjenellennoemen.Snoefis een personage, die in alle stukken voorkomt en die bijzonder belast is de aanschouwers te vermaken, evenals deArlequin. Het is gewoonlijk de geliefdeacteurvan het geëerd publiek.[4]De helden der Antwerpsche geschiedenissen trouwen op het einde onfeilbaar met eenekeuninksdochter, eeneprincersvan Turkije, Amerika of Spanje, of wel zij vinden, indien het er spookt, eenen grooten ijzeren pot met geld.[5]De onbepaalde lidwoorden Een, Eene, Een zijn in AntwerpenEne, En E, deehebbende den klank vanein het Franschele.Voorbeeld: En man, En vrouw, E kind. Voor klinkers en voor de letterHzijn zeEnen, En, En.[6]De uitgangoudewordt verzacht en veranderd inouwe, als: wijzouden, wijzouwen, koude Winter, kouwe Winter.[7]Het woordjeniet, zonder nadruk uitgesproken, verliest dei.[8]De l inalswordt niet uitgesproken; b.v.asik het zag, zou ik het gelooven.[9]Denwordt nooit gehoord in de uitgangen der veelsilbige woorden, die openuitgaan. Men zegtverbinde, honde, zinge, voorverbinden, honden, zingen. Voor de klinkers en de letterH, die hier nooitgeaspireerdis, heeft de verkorting geene plaats. Zelf stelt de Antwerpenaar tusschen alle opeenstootende klinkers, ook tusschen die, welke van zelf versmelten eenenof andere letter om deeuphonie. Hij zegt dus:ik wilden-u-iets, hy maelden-u-immers![10]Het meervoud van het voornaamwoord des tweeden persoons wordt gemaakt met het bijvoegen vanlie, zijnde eene verkorting vanlieden.Men zegtgeulieofgylieeneulieofulie; dit laatste vooraan u, als ook voor de bezittende voornaamw. meervouduw, uwe, uwen; b.v.Geulie weet het. Ik zal eulie straks euliën boek teruggeven.[11]De onvolmaakt verledene tijd van het werkwoordzeggenis als volgt:Ik zé, voor: ik zeide, enz.Gij zèHij zéWij zéën.Gijl. zéetZij zéën.Het verleden deelwoord isgezèed.[12]Het Fransche woordpourtant.[13]Hebt gijlieden onder Napoleon op de scheepstimmerwerf ofChantiergewerkt? Is ulieder vaderGarde-Chiourmeof slavenwachter geweest? Men merke hierbij aan, dat het werkwoordzijnaltijd met het hulpwoordhebbenvervoegd wordt.[14]Zullenis een tusschenwerpsel, dat overmatig in de Antwerpsche straattaal voorkomt: het beteekentverstaat gij het? Hoort gij het?[15]Nieuw, nieuwe, nieuwenis in Antwerpennief, nieve, nieven.[16]Degna denop het einde eener silbe verandert meest altijd ink, alsgang, gank; ding, dink; hij zong, hij zonk.[17]De onvolmaakt verledene tijd van het werkwoordbeginnenis:Ik begost, voor: ik begon, enz.Gij begostHij begostWij begostenGijl. begostZij begosten.Het verleden deelwoord isbegost.[18]De onvolmaakt verledene tijd van het werkwoorddoenis:Ik dé, voor: ik deed, enz.Gij déHij déWij déënGijl. dé of deedZij déën.[19]In de uitgangenheidenlijkverandert de klank derijinaen men spreekt, alsof er stondhad, lak, gezondhad, gemakkelakhad, voorgezondheid, gemakkelijkheid.[20]Deoinorwordt uitgesproken als eene zachteeu: zorg, zeurg; verborgen, verbeurgen; hij wordt, hij weurdt.[21]Nuspreekt men gewoonlijk uitna; deaheeft den korten klank van a innat. Met nadruk wordtnu, nouw.[22]Het persoonlijk voornaamwoordhijwordt alleen gebezigd onmiddellijk vóór het werkwoord, anders zegt menhem. Zag hem dat hem sliep? beteekentzag hij dat hij sliep. Deze regel heeft uitzonderingen.[23]Tegen den avond.[24]Een stuk in den kraag krijgen:dronken worden.—Van zijnen center zijn,van zijn verstand zijn.[25]Honger krijgen.[26]Wanneer er ergens koeken gebakken worden, moet degene, die den eersten koek krijgt, een Vader-ons bidden voor de geloovige zielen in het vagevuur; daarom noemt men den eersten koek den zieltjeskoek.[27]De plaats waar de paarden begraven worden.[28]Mécanique.DE SCHOOLMEESTER TEN TIJDE VAN MARIA THERESIAZEDENSCHETS(Eene tamelijk ruime kamer, waarin eenige groote schrijftafels en lange lessenaars geschikt zijn. Aan den wand hangen een zwart bord en eene wereldkaart. Bij de tafels zitten vele schooljongens, meest tusschen acht en twaalf jaar oud. De schoolmeester gaat heen en weer met een ernstig, ja, bijna grammoedig gelaat; hij houdt een pennemes in de hand en is bezig met pennen te vermaken. Het is zichtbaar, dat het meerdere getal der leerlingen zich onledig houdt met spelen, en weinig aandacht op de woorden des meesters geeft; eenigen slapen, anderen vangen vliegen, sommigen schrijven, maar zijn wezenlijk bezig met mannekens te maken of okentrek te doen.)DE MEESTER,met luider stem en langzaam.—Past op dat gij de buiken van uwe A's wel vol maakt, en dat gij de koppen van uwe B's wel naar omhoog trekt!GEROEP VAN ALLE KANTEN.—Meester, versnijd mijne pen eens!—Monsieur, ma plumeis te slap! De mijne is te stijf!La mienne est trop maigre! De mijne is te vet!VICTOR,een der leerlingen, aan Karel, die nevens hem zit.—Ik heb gedaan, eh na!KAREL,met zachte stem.—Ja, ge zult gij wel op uw' kneukelen krijgen. G'hebt weer altemaalhanepootengemaakt, gelijk gisteren.VICTOR,zijne stem, zonder het te weten, verheffende.—Dan moeten ze mijn' pen maar vermaken.—Karel, willen we watpennekepikdoen, eh?DE MEESTER.—Silencedaar, met datlawijd![29]Victor, pas op dat uw geschrift niet goed is, gij zult het beklagen, vogel!EDWARD,die nevens Victor zit.—Mag ik meêpennekepik[30]doen? 'k Zal eene nieuwe pen geven.VICTOR,bitsig.—Neen, gij moogt niet meedoen,aarzak![31]EDWARD,schreeuwende.—Dan zal ik het zeggen, zie na! Meester, meester, Victor en Karel doen altijdpennekepik!DE MEESTER,met gramschap.—Ha, ze zijn weer bezig,—ik had het gelijk in 't oog. Wacht, luierikken, 'k zal u daar komenpennekepikkenmeteen! (Hij trekt Victor met zijn oor.) 'k Zal u leeren, luie vlegel. Dat ligt daar den heelen dag te spelen, in plaats van te leeren. Zijt ge niet beschaamd, dat gij het geld uwer ouders zoo verkwist, deugniet? Moeten ze mij daarom alle maanden betalen, omdat ge hierpennekepikzoudt doen,bedorvendans?VICTOR,zoo sterk huilende, dat de meester zijne ooren met de vingers stopt.—Ai mij! ai ai! hi hi! och Heer! mijn oor! 'k zal het aan mijn' moeder zeggen—dan ga ik naar een ander' school, zie na!DE MEESTER,streelend.—Wees wijs, Victor, wees wijs, jongen. Gij zult het niet meer doen, niet waar? Laat uw geschrift eens zien. Het is beter dan gisteren,—dat verdient eenenBon[32]. (Hij schrijft eenen bon op het papier van Victor en verwijdert zich.)VICTOR,mompelende.—Met zijnebonsaltijd! Wat kan ik daarmee doen? 'k Ben er vet mee, met zijnebons! Ai mij, mijn oor!EDWARD,tot den meester.—Meester, het is zijn geschrift van gisteren. Hij heeft daar straks eenen grootenRubbensin zijncahier[33]gemaakt.DE MEESTER,tot Edward.—Zwijg! gij weet dat ik geene overdragers kan lijden. (Na eene tusschenpoos tot al de leerlingen.) Geeft acht op hetdicté;—neemt uwecahiers. Zijt gij er altemaal?AL DE LEERLINGEN TE GELIJK EN VERWARD.—Ja, ja, meester!—ik niet!—ik wel!—ik kan mijncahierniet vinden,—mijn pen schrijft niet,—ik heb geen papier!DE MEESTER,dicteerende met slepende stem.—"De wederspannige Absolon ... de we-der-span-ni-ge Ab-so-lon...."VICTOR,Edward bij zijn haar trekkende.—Daar nu,—ga, zeg nu nog, dat wijpennekepikdoen, overdrager. Roep nu, dat ik met uw haar trek, schreeuwbakkes!DE MEESTER.—"De wederspannige Absolon...." Lawijdmakers, gaat gij er daar wat uitscheiden?EDWARD,weenende.—Ai, ai! meester, meester, Victor trekt altijd met mijn haar!DE MEESTER,met ongeduld en tegen den grond stampende.—Zij zullen mij niet laten voortgaan; leert die barbaren dan al! (Dicteerende) "De wederspannige Absolon...." Silence! "Absolon trok op...."EDWARD,roepende.—Meester, nu nijpt hij weer in mijn' kaak!DE MEESTER,dicteerende.—"Absolon trok op ... tegen...." Victor, ik zet u meteen van de school, nijdige jongen dat gij daar zijt!... "trok op tegen het leger zijns vaders.... David ..." Waarom beziet gij mij zoo, Piet? Schrijf dan!PIET.—Frans heeft mijne pen weggenomen, meester.FRANS.—'t Is niet waar, meester, hij heeft ze verloren metpennekepikte doen.DE MEESTER,in gramschap.—Hier gij! Op uwe knieën. Geef daar eens twee kassen. Speel nu nogpennekepik, oudersverdriet, dat gij daar zijt! (Hij plaatst Piet op de knieën in het midden der school en doet hem met elke hand eene schrijfkas in de hoogte houden. Piet weent en snikt; doch dit belet hem niet, zijne tong uit de steken en alle soorten van spottende gezichten te trekken.)Dicteerende: "tegen het leger zijns vaders ... maar de almachtige God ... almachtige God ... strafte de boosheid ... de boosheid van ..." Victor, wat doet gij daar? Ik zie u niet schrijven.VICTOR.—Gij dicteert te gauw, meester. Ik kan u niet bijhouden.DE MEESTER,met wanhoop.—Wel, wel, 't is schrikkelijk zeggen, dat hij mij niet kan volgen! Ik geloof waarachtig, dat ze eenkomplotgemaakt hebben om mij van de school te doen gaan loopen;—maar 't zal niet waar zijn,revolutionairs! Gij zult mij niet verjagen....EDWARD,schreeuwende.—'t Is niet waar, meester; Victor heeft weerokentrek[34]gedaan, terwijl dat g'aan het dicteeren waart.DE MEESTER,met ongeduld.—Ha, zijt gij weerokentrekaan 't doen!—en ik schreeuw mij te barsten voor zulke luie ezels.... 't is om iets van te krijgen!(Hij wendt zich om naar de andere zijde der school.)VICTOR,eenen luiden kaakslag aan Edward gevende.—Daar nu! zeg het nu nog. Kom straks naar buiten, als de school uit is, dan zal ik u eens in de goot slaan, en ga, roep dan uwen vader en uw' moeder maar, labbekak! (Zij vatten elkander bij het haar en vechten met groot gerucht. De meester springt er naar toe, grijpt hen bij den kraag en trekt ze van elkaar.)DE MEESTER,met groote woede.—Deugnieten! Schelmen! 't Is erger dan de kinderen van de Vliersteeg of uit den Zwanengang[35]. Gij zult mij weer doen bloedspuwen, slangen dat gij daar zijt. Maar ik zeg het u: zijt zeker, dat de eerste, die zich nog durft verroeren, de school afvliegt.... Past op! (Groote stilte in de school. Victor steekt zijne hand onder de tafel en nijpt in de beenen van Edward; doch deze durft zich niet roeren. De pijn schetst zich in belachelijke uitdrukkingen op zijn gelaat.)DE MEESTER,bedaard.—Waar waren wij? Ha! (dicteerende) "De boosheid van den ontaarden zoon.... Absolon den veldslag ... Absolon den veldslag ... verloren hebbende ... hebbende, begaf zich op de vlucht...." Frans, gij let er niet op. Gij zijt weer bezig met papier knauwen! Laat eens hooren wat ik het laatst gezegd heb?FRANS.—Heb!DE MEESTER,verbitterd en spijtig.—Wat, heb, ezel? Op de vlucht, heb ik gezegd, (dicteerende) "en reed onder eenen boom door ... doch zijn lang haar ... lang haar ... verwarde in de takken ... van...." Frans, doe datmannekenweg en schrijf ... "De takken van den boom ... boom, en Absolon bleef er aan hangen."(Frans heeft gedurende het dicté eenen bal papier tusschen zijne tanden gekneed, en een uitgesneden manneken er aan gevoegd. Hij werpt het tegen den balk van het verdiep; het blijft er aan hangen.)VICTOR,blijde.—Ai, ai, daar hangt Absolon met zijn lang haar!DE MEESTER,vergramd.—Frans, gij zultnoenoveral[36]blijven bakken. 'k Zal u leeren papier knauwen! Nu zult gij dezen noen niets te knauwen hebben. (Tot al de leerlingen.) Hetdictéis gedaan.—Victor! spel het laatste woord eens.VICTOR,tot Edward.—Wat is het laatste woord? Gaat gij het zeggen, of ik geef u eenen neep.EDWARD.—Neen, nu zeg ik het niet, zie na!VICTORnijpt hem in den rug.—Zegt ge 't nog niet?EDWARD,pijnlijk schreeuwende.—Hangen! Hangen!DE MEESTER,tot Edward.—Het wordt aan u niet gevraagd, schreeuwer. Gij, Victor, spel het laatste woord.VICTOR,onverstaanbaar en zeer gauw.—Abchg—hang ... chrstgen—gen—hangen.DE MEESTER,het hoofd schuddende.—Genoeg, genoeg. Wij zullen het namiddag spellen.—De kleine Catechismussen weg.—De eerste les!(Groot gerucht van kassen en banken. De leerlingen steken hunne cahiers in de laden der lessenaars; de meesten leggen hunne catechismussen open op hunne knieën om beter te kunnen antwoorden. Victor en Karel ziet men niet; zij zitten onder de schrijtafel.)DE MEESTER.—Attentionop de eerste les! Edward, hoevele Goden zijn er?EDWARD,driftig en gauw.—Drie,—'k wil zeggen twee,—neen, maar één.DE MEESTER.—Wat! drie? bottekop! Gij, Victor, hoevele Goden zijn er?VICTOR,zijn hoofd onder de tafel uitstekende.—Zeven: hoovaardigheid, gulzigheid, luiheid, nijd....De MEESTER.—Houd op, ketter!Datweet nog niet, hoeveel Goden dat er zijn. Gaat gij van onder de tafel komen? Wat doet gij daar weer?EDWARD.—Zij spelen met de marbollen in de drie puttekens, meester!FRANS.—Neen, wel, meester, ze doenklontjen-trekenwitbier-zetmet krieksteenen![37]DE MEESTERneemt een reglet en slaat in het wilde onder de tafel.—Schelmen, er uit!—gauw! of ik sla u armen en beenen vaneen....VICTOR en KAREL,onder de tafel heen- en weer kruipende—Ai mij! 't is in mijn oog!—Ai ai, mijnen kop!—Och God, mijnen neus!(Zij komen huilend van onder de tafel. Een van Victors oogen is rood en schijnt eenen harden slag ontvangen te hebben.)DE MEESTER,bij Victor gaande, streelend.—Victor, Victor, nu ziet gij wat er van komt. (Hij neemt hem zoetjes bij de hand.) Kom hier, jongen; zit aan de groote tafel.—Ge moogt in de eerste klasse gaan,—ik zal u een nieuw boek geven.
Het sloeg twee uren namiddag, toen zulke ontroering den lijdende Geeraert voor de zesde of zevende maal kwam treffen.
"Mijn ongelukkige zoon," sprak de vader, "heb moed; deel mij uwen angst mede, misschien zullen mijne woorden u eenigen troost geven. Gij zit daar reeds zoo lang zonder spreken."
Geeraart bracht de hand zijns vaders op zijn benepen hart en drukte ze bevende; hij hoorde aan den toon van zijns vaders woorden, dat dit stilzwijgen hem pijnigde. Met eene droge, doffe stem antwoordde hij:
"Mijn vader, ik meet den afstand, die mij van de eeuwige schande scheidt. Nog vier uren, en ik zal een vloekbaar en een gevloekt schepsel zijn;—mijne handen zal ik in het bloed van mijnen evennaaste gedoopt hebben. O, ijselijke zekerheid! Dan is de weg des levens achter mij onherroepelijk gesloten.... Er is geen terugkeeren meer aan: ik moet voortgaan zonder omzien, in de baan der schande en der verfoeiing; en indien een medelijdend mensch,—eene vrouw, o, Lina, Lina!—indien een mensch mij de hand toereikt, zal ik weten, dat ik hem geene hand kan teruggeven dan eene, die met menschenbloed is besmet geweest!—Mijn vader, ik kan u niet uitdrukken wat ik gevoel; mijne zinnen zijn ontsteld. Zou ik het u zeggen? O, ja, gij moogt daarbij mijne pijnen afmeten: dezen nacht heb ik mijne hand naar een mes uitgestrekt om mij te dooden—doch het scheen mij, dat uwe hand de mijne met kracht wederhield. Ik dacht dan aan de droefheid, welke mijn dood u zou veroorzaakt hebben, en ik heb geweend totdat het mes mij ontvallen is."
Gedurende die woorden had de schrik zich op het magere aangezicht van den ouden beul afgeschetst; twee tranen rolden op zijne wangen; en het was zichtbaar aan de uitdrukking van zijn gelaat, dat een akelig vooruitzicht hem bedroefde. Met smeekende stem riep hij uit:
"Mijn zoon, zie den weedom uws ouden vader aan; bepeins, hoe hij lijden moet bij uwe woorden. Weet gij wel, Geeraart, dat gij mij uwen gewissen dood aankondigt? en dat gij mij zegt: dezen avond zal mijn lichaam door eene razende menigte aan stukken getrokken worden, en gij, mijn vader, zult mijne verstrooide ledematen op het Galgeveld niet meer vinden; want men zal mij verpletteren en scheuren, en mijn lijk zal onder de voeten van het volk gemalen worden. Weet gij, wreede zoon, dat uwe woorden die schrikkelijke voorzeggingen behelzen?"
"Ja, dit weet ik," antwoordde Geeraart met hardnekkige koelheid, die den ouden vader eene siddering over het gansch lichaam joeg.—Wat ijselijk geheim vond hij in het hart zijns zoons!
Met pijnlijk geweld richtte hij zich half op in het bed en zijnen zoon tot zich trekkende, sloeg hij de twee armen hem om den hals en omhelsde hem onder eenen tranenvloed.
"O, Geeraart!" riep hij, "ik versta u, gij wilt sterven! Gij neemt behagen in deze zondige gedachte, in dien afgrijselijken droom. Als een vrijwillig slachtoffer, gaat gij u aan de razernij der menigte ten beste geven ... en ik, die oud en krank ben, ik zal alleen op de wereld blijven? Gij zoudt mij aan de smart overlaten? Gij hebt gewis niet aan de wreede ondankbaarheid van uw voornemen gedacht, Geeraart?
De indruk, welken die klachten op den jongeling deden, was verwonderlijk: hij beefde als een beschuldigde, wien men te recht eene grove en schandige misdaad aantijgt. Ziende, hoever de streelende verbeelding eens spoedigen doods hem van het gevoel zijns plichts had doen verdwalen, en overwegende, wat pijn en droefheid zijnen vader treffen moesten, indien hij hem alleen op aarde liet, schrikte hij van zich zelven bij de overtuiging zijner wreedheid. De gedachte, dien dag te sterven, had hem den ganschen nacht toegelachen, en nu moest hij, uit liefde tot zijnen vader, alle pogingen aanwenden om een leven, dat hem lastig viel, te behouden. Hij sprak:
"Vader, o, vergeef mij,—ik begrijp mijnen plicht. Ja, ik moet leven. Welaan! ik zal met moed het schavot beklimmen. Dat al de smaad, al de schande, welke een mensch dragen kan, op mij valle; ik zal opstaan tegen den haat en de verfoeiïng! Nu vrees ik niets meer; bereid om den slag met onverschilligheid te geven, zal ik mijne hand in het bloed mijner broederen doopen, zonder dat een gevoel van afgrijzen in mij opkome. Het is gezegd, zij hebben het gewild! Ween niet meer, mijn vader, uw zoon zal beul zijn met een beulshart."
Men zou kunnen gelooven, dat Geeraart eensklaps was veranderd en dat de afschrik van bloedvergieten in hem vergaan was, of wel, dat mannelijke moed hem de macht gegeven had om dien schrik te overwinnen; maar het was zoo niet. Geeraart bedroog zich zelven en zijnen vader, en zijne woorden waren slechts voortgesproten uit de innige razernij, die hem had bevangen, wanneer hij zich gedwongen zag te kiezen tusschen twee besluiten, welke hem even pijnlijk, even onmogelijk uit te voeren waren: òf zich den dood ten prooi te geven en zijnen vader de grootste ondankbaarheid te bewijzen, òf wel beul te zijn met hart en ziel. De foltering, voor hem uit die wisselkeus ontstaan, was genoeg zichtbaar aan zijne houding; want hij beefde sterker dan hij ooit gedaan had, en toen hij zeide: ween niet meer, vader! borsten overvloedige tranen uit zijne eigene oogen, en hij kwam met het hoofd tegen de borst zijns vaders te vallen.
In dien toestand bleven zij langen tijd, elkander pogende te troosten, doch vruchteloos; want de oude beul vreesde niet zonder reden, dat zijn zoon geenen moed genoeg hebben zou; en Geeraart schrikte van een leven als hetgeen hem voorbereid was, indien hij die eerste vonnisuitvoering kon volbrengen.
Het was te zeven uren des avonds, dat de veroordeelde schipper Herman moest gerecht worden;—men had het tot dit uur uitgesteld, uit hoofde der volksvermaken, welke er dien dag hadden plaats gehad.
Langen tijd vóór het bestemd oogenblik zag men reeds talrijke hoopen volks uit de St-Jorispoort naar het Galgeveld gaan om de wreede vertooning bij te wonen.—Er is niets, dat het volk meer aanlokt dan het beloofd gezicht van een hoofd, dat grimmend van het schavot afrolt, terwijl vergoten bloed den grond met dampend rood komt verven. Wat boos vermaak! Wat booze nieuwsgierigheid, die zich in het vernietigen van den mensch verlustigt!
De mare der onthalzing deed er reeds velen op voorhand van ontroering trillen: zij zullen gaan zien! En daar gekomen, toonen zij droefheid en medelijden voor den veroordeelde.—Waarom? Om hunne hatelijke natuur voor zich zelven en voor anderen te verbergen; want zij gevoelen ook de wreedheid, die in hunne schandelijke nieuwsgierigheid verborgen ligt.
Het Galgeveld zelf was overdekt met volk; vrouwen van allerlei stand en ouderdom bevonden zich daar met dochters en zonen; en de oude grijsaard, die anders niet uit den hoek der haardstede te jagen was, had zijne laatste krachten verspild, om nog eens zijne stijve leden tot onder het schavot te dragen, en het bloedig schouwspel eener onthoofding bij te wonen.—Het was een grievend vertoog te zien, hoe schaterend en hoe lachend de menigte daar wachtte, terwijl galgen, mikken, raderen boven hunne hoofden met geraamten en halfverteerde lichamen pronkten.
Tusschen het ineengedrongen volk en dicht bij het schavot stond Lina; het hart klopte haar sterk in den bangen boezem, en wellicht zou zij daar geweend hebben niettegenstaande degenen, die haar omringden; maar zij was gekomen om Geeraart aan te moedigen, en zij gevoelde, hoe slecht zij door hare tranen dit doel kon bereiken. Haar broeder Frans bevond zich aan hare zijde, netjes opgekleed met eenen breeden hoed en eenen bruinen mantel op de schouders, gelijk meest alle burgers destijds droegen. Lina had hem den akeligen toestand van Geeraart uitgelegd, en hij, met wilde edelmoedigheid begaafd, had onwederroepelijk gezworen den kop in te slaan aan den eerste, die eenen steen naar den jongen beul werpen zou, indien dit moest gebeuren.
Daar het reeds laat in den avond en half duister begon te worden, waren de beulsknechten werkzaam op het schavot om alles klaar te maken, en men wachtte niet lang meer; want op dit oogenblik drong de beulskar door het volk en werd door een algemeen geruisch aangekondigd. De veroordeelde Herman, in zwart lijnwaad gekleed, zat met eenen priester achter in het ruim van den wagen; Geeraart met het groote zwaard bevond zich nevens zijnen knecht op den voortrein.
Zeggen wat er in het hart van den jongen beul omging, ware niet mogelijk, vermits zijn gelaat niets getuigde; hij hield zijne blikken nederwaarts gevestigd en bezag het volk niet. Voorwaar, indien het zwaard hem niet had doen herkennen, zou men niet hebben kunnen zeggen, wie van beiden, of hij, of Herman de veroordeelde was. Wat men als zeker mocht aanzien, was, dat Geeraart meer door schaamte en droefheid gepeinigd werd dan degene, dien hij rechten moest. Gelukkiglijk voor hem had zijn vader hem verplicht het grijze haar, dat hem een al te zonderling voorkomen gaf, te laten afsnijden, anders hadde de menigte hem reeds bij zijne komst bespot en met scheldwoorden bejegend.
De verdwaalde jongeling klom op het schavot zonder het te weten, en was zoodanig door al wat hem omringde, verstomd, dat niets bescheiden, voor zijne oogen of zijnen geest zich opdeed; hij zag Lina ook niet, alhoewel deze hem door haren broeder meermalen teekens deed doen.
De beulsknechten wilden den veroordeelde uit de kar op het schavot leiden; doch deze gaf voor, dat hij zijne biecht nog niet wel gesproken had en dat hij nu eerst zijn geweten gansch wilde zuiveren, daar hij wel zag, dat er geen uitkomen meer aan was. Misschien vestigde hij eenige hoop van verlossing op de aanstaande duisternis, die langs hoe meer aangroeide: reeds konden die, welke wat verre achteruit stonden, het schavot zelf niet wel meer zien. Het volk, vreezende, dat de donkerheid de schoone vertooning aan zijne oogen zou onttrekken, begon overluid om de uitvoering van het vonnis te roepen. Dan bracht men den veroordeelde met geweld op het schavot, en men deed hem vooraan op de knieën zitten; de knecht van den scherprechter ontblootte den hals van het slachtoffer en toonde dien met eenen beteekenenden blik aan Geeraart, alsof hij zeggen wilde:—Meester, daar moet gij slaan!
Op het gezicht van het bloote vleesch, waarin hij hakken moest, schoot Geeraart op uit zijne gevoelloosheid; zijne beenen begonnen te trillen, dat het schavot er van beefde, en het zwaard viel hem uit de vuist; echter werd dit voor alsdan niet bemerkt, aangezien het teeken tot de uitvoering van het vonnis nog niet gegeven was. De knecht raapte het moordstaal op en gaf het terug aan zijnen meester, die het stuiptrekkend in de vuist wrong.
De Roode-Roede of bediende van het halsgerecht gaf het teeken, doch Geeraart hoorde zijne stem, noch zag de roede nedergaan. Dan riep de knecht, terwijl er reeds een kwaadvoorspellend gemor onder het volk liep:
"Gauw! Meester, gauw!"
Al den moed, al de krachten, welke hem nog overbleven, vereenigende, hief Geeraart het zwaard boven den hals van den veroordeelde, met een waar voornemen om wreedelijk toe te slaan. Hij wist niet, de ongelukkige, waar hij zich bevond, wat hij deed, of wat hij dacht; gansch verloren van schaamte en schrik, was hij in razernij ontstoken en ging eenen slag geven zoo zwaar, als er ooit een op het schavot gegeven werd; maar op dit oogenblik draaide de veroordeelde het hoofd om, en, het dreigende zwaard ziende, liet hij eenen jammerlijken schreeuw. Dan verloor Geeraart in eens al zijnen bijeengeraapten moed, en hij liet het zwaard op het lichaam van Herman vallen, doch zonder kracht en zelfs zonder hem te wonden.
De misdadige, die bij het voelen van den slag eene ijskoude over zijn gansch zenuwgestel had gevoeld, en gedacht had dood te zijn, sprong plotseling recht, en zijne armen tot het volk reikende, riep hij om hulp, schreeuwende, dat men hem moedwillig martelde.
Er hoefde niets meer om de razernij der menigte te ontsteken; het medelijden gaf in zulk oogenblik eene verf van edelmoed aan de gewelddaden, die zij wilde plegen.
"Slaat dood! Slaat dood den menschenpijniger!" was alles wat men hoorde. Steenen vlogen om het hoofd van Geeraart; doch niet menigvuldig, want steenen waren er weinig op het Galgeveld te vinden.
De verstomde jongeling kwam vooraan op het schavot, kruiste de armen over elkaar, en, zich voorstellende als eenen martelaar, die wil sterven, riep hij met krachtige stem:
"Daar, werp mij dood, bloeddorstig volk!"
Dit bracht de woede ten top; vrouwen, kinderen en goede burgers vluchtten langs alle kanten van het Galgeveld, en er bleef niets meer op dan het schuim der stad, het kwaadwillig en razend grauw, dat met ongemeen geweld naar het schavot toedrong en den beul er wilde afhalen, ondanks den tegenstand der gerechtsdienaars. Het was een geschreeuw en een gewoel, dat men hoorde, noch zag; eene zee, welke hare schuimende baren ten hemel opwerpt, geeft geen zoo volmaakt denkbeeld van verwarring en woede.
Rondom den beul op het schavot waren al de gerechtsdienaren vergaderd, met inzicht om hem te beschermen; maar nog meer om den veroordeelde vast te houden, die nu met geweld poogde uit de handen te geraken. Op dit oogenblik klom een geheime persoon zeer langzaam op het schavot, en, bij den beul gekomen zijnde, suisde hij hem de volgende woorden in het oor:
"Geeraart, Lina bezweert u bij uwe liefde voor haar, dat gij haar nog eens komt spreken; zij staat daar beneden;—volg mij!"
En dan sprong hij zelf langs de rechterzijde onder het volk, om Geeraart de plaats aan te duiden. De jonge beul gehoorzaamde aan eene liefdegedachte en besloot zijne goede minnares ten minste een laatst vaarwel te zeggen, eer hij nu sterven ging; hij liep van het schavot tot bij Lina, die daar dicht nevens stond te weenen. Frans, de geheime persoon, die hem geroepen had, smeet hem zijnen mantel op de schouders en zette hem zijnen hoed op het hoofd; dan den arm van Lina aan dien van haren minnaar voegende, sprak hij zachtjes tot haar:
"Ga stil en onverschillig door het volk tot in het boschken, achter de tweede mik!"
Ziende, dat Lina zijn bevel uitvoerde en dat Geeraart sprakeloos zich liet leiden, alsof hij van gevoel ware beroofd geweest, liep hij langs den tegenovergestelden kant van het schavot en begon daar zulk een geschreeuw en gerucht te maken, dat de menigte, geloovende dat hij den beul onder handen had, onstuimiglijk naar die zijde kwam gedrongen, en den weg vrij liet voor Lina en Geeraart. Met een listig inzicht deed Frans niet dan roepen:
"Slaat dood! slaat dood! Hier den menschenpijniger! Zijn lichaam moeten wij hebben."
En dan wierp hij met steenen naar de gerechtsdienaars en de duisternis, die nu reeds alles met een twijfelachtig grauw gekleurd had, lieten Lina toe haren minnaar uit het gedrang te leiden, zonder dat men hem herkende; want de mantel en de hoed van Frans bedekten genoegzaam zijn beulsgewaad. Nochtans, eer de twee gelieven het aangewezen boschken bereikt hadden, was het schavot door het grauw ingenomen geworden; men had den veroordeelde verlost en laten loopen, en men wilde nu met geweld den beul hebben. Terwijl men de gerechtsdienaren mishandelde, om hen te doen zeggen, waar de scherprechter zich bevond, was er een man die de daad van Frans bemerkt had, toen deze den mantel over Geeraarts schouder wierp: hij had gezien langs welken kant de vrouw met den verkleeden man verdwenen was, en dacht nu met recht, dat dit ongetwijfeld de beul moest zijn.
Niets aanhoorende dan zijne woede, liep hij uit al zijne macht door de wegen van het Galgeveld en zag eindelijk Geeraart met Lina, een weinig verder, achter een boschken verdwijnen. Razende van vreugde en toorn, kwam hij op de bevende gelieven aanvallen; en Geeraarts mantel afrukkende, zag hij het beulsgewaad. Zonder meer scheldwoorden te uiten, hief hij zijnen zwaren gaanstok in de hoogte en gaf den ongelukkigen jongeling zulken harden slag op het hoofd, dat hij gevoelloos ten aarde stortte. De wreede moordenaar wilde zijne woede verder nog op het slachtoffer, dat voor hem lag, uitwerken; maar Lina, die nu eerst van hare verslagenheid was teruggekomen, wierp zich vooruit naar hem, en hare twee armen om zijn lichaam slaande, weerhield zij hem, niettegenstaande zijn geweld. De wanhoop en de wraakzucht hadden haar eene kracht bijgezet, welke haar anders niet behoorde; zij wrong hare teedere arme zoo stuiptrekkend om zijne lenden, dat zij hem in banden sloot, gelijk eene tengere slang, die eene machtige prooi in hare kronkels wil verworgen. Het gezicht van het lichaam haars minnaars, dat daar voor levenloos voor haar lag, had haar tot die ongemeene razernij vervoerd. Begrijpende, dat het beter was, met een eenigen vijand, dan met vele te doen te hebben, schreeuwde noch kermde zij, opdat geen mensch op hare stem zou komen toegeloopen. Gelukkig, dat het geraas der menigte, die op het midden van het Galgeveld nog even hardnekkig en even verward naar den beul zocht, het geschreeuw van Geeraarts moordenaar verdoofde; want anders ware Lina gewis in korten tijd van een aantal andere vijanden omringd geweest. Op het oogenblik, dat zij hare laatste krachten in eene geweldige poging verspilde, en voelde, dat zij niet langer tegenstand kon bieden, kwam Frans, haar broeder, juist achter het kreupelbosch uit, en zag zijne zuster vechtende tegen iemand, die hem onbekend was. Het lichaam van Geeraart gaf hem toch seffens het raadselwoord van hetgeen er omging.
Een dolle schreeuw van wraakzucht ontvloog zijne borst. Eer Lina hem bemerkt had, sprong hij toe; en zijne twee zware handen op de schouders van den onbekende leggende, rukte hij hem achterover op den grond.
"Lina!" riep hij, terwijl hij den neergevelden man bij de beenen naar het Galgeveld sleepte, "trek Geeraart tusschen het kreupelbosch; indien hij nog leeft, is hij voor altijd gered en verlost.—Spoed u!"
Deze woorden gesproken hebbende, sleurde hij zijnen vijand met zooveel snelheid van daar weg, dat deze geenen tijd had om iets vast te grijpen en weinige klachten kon voortbrengen. Zoodra was Frans niet te midden van het volk geraakt, of hij begon overluid te roepen, altijd zijn slachtoffer voortsleepende:
"Zege, zege, hier is de beul!"
"Slaat dood! slaat dood!" was het schallend antwoord, dat als de schreeuw van dood en vernieling uit de scharen opklom; en allen liepen achter Frans om de slachting te mogen bijwonen. Wanneer de broeder van Lina zich van genoeg razend volk omringd zag, wierp hij den man, dien hij bij de beenen voorttrok, te midden onder hen, hun toeroepende:
"Daar is de beul!"
"Slaat dood! slaat dood!"
En honderd slagen van allerlei wapens, van stokken, van steenen, van messen, van stukken hout, vielen in eens op het lijf van den huilenden man, die in de duisternis voor den echten beul aangezien werd; te meer daar de woorden van verschooning, welke hij uitgalmde, van niemand gehoord werden, maar in het algemeen geraas versmolten.—Hij leefde geen vierendeel uurs later; de kleederen werden hem van het lichaam gescheurd, en zijne leden zoodanig gepletterd en misvormd dat hij niets meer van de menschelijke gedaante behield, en dienvolgens op geene wijze te herkennen was.
Frans liet het dwaze grauw in het onedel werk voortgaan en kwam na eenigen tijd terug bij zijne zuster, die nevens het roerlooze lichaam van haren minnaar geknield nederzat en den Heer om genade voor hem smeekte; hij, Geeraarts gesteltenis vluchtig onderzoekende, bevond, dat zijn hart nog klopte en dat slechts eene bedwelming hem van gevoel had beroofd. Zijne zuster verlatende, liep hij naar eene gracht en besproeide met het water, dat hij medebracht, het aangezicht en de borst van Geeraart, die dan ook allengskens tot zich zelven kwam. Het eerste, dat hij bij zijn ontwaken gevoelde, was de zoen van zijne lieve Lina, die nu schier van blijdschap verging en zelfs geene woorden zou gevonden hebben om haar gevoel uit te drukken, al ware het spreken haar niet door haren broeder verboden geworden.
Zoodra Geeraart zijne krachten volledig herwonnen had, vertrokken zij geheimelijk van die plaats en keerden terug naar de stad, alwaar Geeraart zich in het huis van Lina tot den diepen nacht verborgen hield. Toen de klokken het gevreesde middernacht aankondigden, ging hij, van Frans vergezeld, naar de woning zijns vaders en trad onverwachts in zijne kamer.
De oude beul, die weenend op het ziekbed den dood zijns zoons betreurde, gaf geen geloof aan hetgeen hij voor eenen bedrieglijken droom, eene begoocheling van zijnen geest aanzag; maar wanneer de driftige omhelzingen van Geeraart hem overtuigd hadden, en dat deze hem met bondige woorden zijne wonderbare verlossing had verklaard, scheen de oude en teedere vader door ontroering te bezwijken; zijne leden verroerden zich niet, zijne wezenstrekken getuigden kalmte; zijne oogen glinsterden wel van vreugde, doch bleven niet min beweegloos en met eene ongemeene scherpheid in de oogen van zijnen zoon gevestigd. Eindelijk ontwakende, richtte hij zich met geweld op en riep:
"Mijn zoon, mijn zoon! gij begrijpt uw geluk niet. Niet alleen van martelie zijt gij gered, maar insgelijks van allen smaad, van alle schande. De vloek, die over ons geslacht hangt, eindigt bij den dood ... gij zijt dood, mijn zoon!"
"En ik heb geen bloed vergoten!" galmde Geeraart met opgetogenheid uit.
"Ga en leef verre van uwe onrechtvaardige broederen," hernam de vader, "verlaat Antwerpen, trouw uwe goede Lina, bemin ze altijd;—de hemel verleene u een talrijk huisgezin. Uwe zonen zullen toch geene geborene beulen zijn, en gij zult over uwe kinderen niet weenen als ik over u geweend heb. De schatten onzer vaderen behoeden u voor altijd tegen armoede; gebruik ze wel en leef gelukkig...."
Zijne stem brak allengskens en verdoofde zich ten eene male, doordien eene al te groote aandoening hem het harte schokte. Geeraart hield zich vastgeklemd aan het magere lichaam zijns ouden vaders en bracht slechts onderbrokene dankzeggingen voort; want hij kon, in dit oogenblik van verrukking en blijdschap, moeilijk woorden vinden om zijn gevoel uit te drukken.
Lang nog na dien tijd leefde de beulszoon Geeraart te Brussel, onder eenen anderen naam, gelukkig met zijne vriendin en echtgenoote Lina, die hij even teeder bleef beminnen.—En wanneer hij, ook oud zijnde, op het doodbed eindelijk lag uitgestrekt, omringden talrijke en deugdzame kinderen de legerstede van hunnen vader.
Geene stad is rijker aan plaatselijke vertellingen dan Antwerpen. Elke straat heeft er haresageoflegende, doch het is uiterst moeilijk tot de kennis van een zeker getal daarvan te geraken, uit hoofde dat zij meest geweten en verteld worden onder de allerlaagste volksklasse, en zelfs niet tot den geringsten burgerstand opklimmen. Het is met dit vak der nationale overleveringen toegegaan als met vele andere: het kleine volk alleen heeft ze geheel bewaard.
Dan, het komt aan weinige schrijvers als gepast of doenlijk voor, zich in de armste kwartieren der stad als vriend en gebuur te doen erkennen, om door dit middel eene volksvertelling of een nog onbekende mirakel uit den mond eener vischvrouw of eener asscheraapster te hooren. Een bijzonder geval nochtans verschafte mij de gelegenheid om eenige dier vertelsels af te luisteren, zonder dat men mijne tegenwoordigheid bemerken kon. De vertellers waren vier jongens, die bijna de mannenjaren bereikt hadden, en bij dag op eenen winkel als leergasten van timmerlieden of smeden arbeidden. Gewis, hunne wijze van verhalen was niet van de fraaiste, doch een van hen vertelde met eenen zekeren zwier, met eene losheid, die aan zijn verhaal een eigenaardig en kluchtig karakter gaf, en mij op de gedachte deed komen, zijne woorden als eene proef van den Antwerpschen tongval door den druk mede te deelen.
Onder het afgeslotene venster van een burgerhuis en op eenen keldermond of val gezeten, maanden zij elkander aan om te vertellen; de eerste, die sprak, was:
KOBE.—Zeg, Frans, kunde gij die historie, die ze Zondag in de'[2]poesjenellekelder gesp'eld hebben? Ge w'et wel,Snoef[3]die trouwtd op 't leste met de keunigin van Teurrekijë[4].
BALTE.—Die kan ekik.
FRANS.—Is dâ die va Hanefroeike?
Sus.—Och néë, we't het nie meer? Daar komtd'en[5]betooverd kornijn in, dâ diën brief op diën tore' draegt, aen de Princers van Améreka. Kunde gij het nie, Balte?
BALTE.—Ik kan ekik alles! Ik kan Malegijs, ik kan Smidje Verholen, ik kan Guldentop, ik kan Sinte Peeter, ik kan Ouw[6]lampen veur nief, ik kan den Betooverden hond, en dâ van 't Steen, en Visserke visserke vangt me nie[7], en, och eer, ik kan er wel honderd ander, as[8]ik ze maar wilde vertellen.
FRANS.—Ah wel, laet ons strooikentrek doen. (Zij trekken, wie eerst zal beginnen.)
KOBE.—Hoera, viva! 't is Balte! Toe, van doctoor Faussius of van de' kelder onder de Vierschaer.
Sus.—Néë, Balte, doe g' et nie. Vertelt liever van den duvel of van tooverhekse' of van spooke'[9].
BALTE.—Ah wel, 'k zal eulie[10]'e waerachtig vertelsel vertellen, dâ gebeurd is op de Kleinmarkt; een bitje verder a's de Kornijnepijp, in 't Fransch gezeed[11]la pipe de lapin.
KOBE.—Lapin, dat is 'en kat; ge zeg het mis.
BALTE.—Zie, dâ gauwke! Lapin is 'en kat,pertang![12]Neen,poesis 'en kat in 't Fransch. Ze riepen ommers altyd tege' diën ouwe' Franschman uit de Mannekestraet:voleur de poes, de kattendief! Dâ wilt tege' mij Fransch spreke'! Wel gij kastekindere', hebtde geulie op de Chantjië gewerkt? Heeft eulie vadergardechougeweest, he? Onder den tijd van de Marriene'?[13]Zwijgt nâ, zulle[14], want ik begin op e' nief[15]. Nâ-w-in die straet daer stond eens 'en huis mê viersteugiëzonder de zolder, zoo groot en zoo schoon a's het paleis van 'ne keunink[16].
Maer in datd huis wilde-n-ommers in 't geheel niemand nie wonen, en het bleef jaren lank onnuttig leeg staen, want het spookte-n-er-in.
Sus.—Ah! ah! da zal schoon zijn!
BALTE,gestoord.—Stilans! houd u' gezicht. Ah wel: op slag van twelf ure dan kwam er iedere' keer 'ne geest die het huis van onder tot boven afliep, en a's dat dan lank geduerd had, dan kwam de geest tege'slag van deneene'achter de straetpoort staen en begost[17]zoo jammerlijk t' huilen en te schreeuwen, dat er iedereencompassiemê kreeg.
KOBE,met bange stem.—Zijt de gij dâ, Sus, die daer 'ne zucht gelaten hebt?
FRANS.—Eê! hij is bang; hij beeft, ik vuel' het. Wel wâ kieken!
BALTE.—A's Kobe zijne' mond nie toehoudt, stamp ik hem van de keldermond.
—Na, daer dierf toch niemand in datd huis gaen, al was 't dat de geest niet dé[18]as roepen: verlost mijn' ziel! verlost mijn' ziel!
Daer wierd dan gézéed, en 'k geloof ekik datd ook wel, dat het de ziel was van de' lesten heer, daer het huis van geweest was, en dat diën uit gierighad[19]ene groote schat had verbeurge. En ge we't wel, a's iemand sterft me' verbeurge' geld op zijn konsjentie, dat hij dan zoo lank in d'hel moet blijve' brande', tot datd het geld gevonde' weurd[20].
A's dâ nâ[21]zoo al heel lank geduerd had, dan kwam er eens 'ene' keer enen ouwe soldaet van de' marmittenoorlog.
Dië soldaet heette sterke Jan, en dien had gezéed in 'en herberg, dat hem veur 'ene' niet en 'ne niemendalle, om zoo te zeggen veur ze plesier, 'ene' nacht in het leeg huis zou slapen, a's ze hem honderd gulden op veurhand wilde' geven.
Den huisbaes die zé tege' Jan: Is dâ waer? Derfde gij in datd huis slapen!
Ja, zé Jan zoo, want ik geef wâ schoon de knoppen, zé hem, van alle spooken en dûvels. Dâ God bewaert, is wel bewaerd!
Ah wel, zé den huisbaes, geef me d'hand daer op, zé hem[22]; 't is gedaen. Wâ moet ik u geven, vroeg hem.
Hoort, zé Jan, geef me maer al om te beginnen, ene wis buekenhout in klompekes, 'en dozijn flesse' wijn, 'en fles kwak, 'ene koekpot vol spijs en 'en goêi pan om mijn koeken in te bakke'.
Dâ zulde gij hebbe', zé den huisbaes,—en a's hem dâ gegeven had, trok Jan tege' den aved[23]mê zijn'provisiein het huis.
A's het nâ vier geslagen had, dan droeg hem zijn hout en zijne' koekpot mê spijs in 'en kamer op d'eerstesteugie, daer nog 'en tafel stond mê twee stoele'.
Hij begost daer 'e' vier te maken gelak om het huis af te branden, en hij zette zijne' koekpot daer neffe om de spijs te doen gaen.
Terwijl dat de spijs nou aen't gaen was, begost Jan de flessen een voor een den hals af te bijten, en hij kreeg op den duer 'e' stuk in zijne' kraeg gelak 'enen' ouwe Zwitser;—maer hij was toch nie' van zijne' center[24]en hij wist heel goed wat hem zé of dé.
Dâ was me goed, maer a's hem na lank genoeg gedronken had, begost zijnen beer te danse'[25]. Hij zette dan zijn pan op 't vier en hij lapte daer 'ene' goeije pollepel spijs in.—Dan aen het kissen dat 'e' pleizier was. Het rook er zoo lakker a's aen de deur van 'tLandswelvaren:—zoo 'enen reuk gelak van 'en restoratie.
Ah wel, dâ was me goed; de koek van Jan was langs den eene' kant schoon bruin gebakken en hij goeide hem omhoog in de schouw om hem om te draaije'.
Maer gelijk hem nou weer op 't vier stond, valt er in eene' keer iet uit de schouw—enpardoefin zijn' pan, en de koek in d'asse!
Wel honderd duzed 'k weet nie' watte! riep Jan; zoude dat hier en daer nie' verwense? Bruin en zoo lakker! Daer lé nou mene zieltjeskoek[26]. Maer wa wil ik er aen doen? zeét hem in zijn eige; 't is nâ toch zoo. 'k Zal maer 'ene' nieve pollepel spijs in de pan doen, op goê val hetd uit.
Nâ, hij doet dâ, en weer aan 't kissen dat g'er de geeuwhonger zoudt van gekregen hebben al was 't dâ g'in geen drij dage' geten hadde.
Maer Jan die laet de' steel van de pan los en hij pakt dat dink op, dat uit de schouw gevalle' was.
Raed nâ toch eens wat datd het was?—Het was en doodsbeen uit 'enen arm!
Jan die schiet in 'ene' lach en hij zé, zoo al lachende: Ja, denke' ze mij verveerd te make' of veur de zot t' houwe', dan zijn ze wel geleverd mê hun' peerdebeenen! Al was 't dat ze den heele prospot[27]deur de schouw goeide', dan gaf ik er nog geen duit om; mê hun' flauwzen!
Maer da was me goed; a's Jan zijne koek nou half gebakke' was, zeét hem zoo in zijn eige': ge zult me deze' keer nie vast hebbe' vieze mannen! 'k Zal de' koek liever half rauw binne' spele'.... En hij steekt zijn hand uit om de koek te pakken, maer in eene' keer valt er 'nen heelen reessel beenen uit de schouw, en pardoef in Jan zijn pan 'en de koek in d' asse!
Wel Seezeke van Maderitje! riep Jan; zal ik nou al mijn spijs naer de weêrlicht zien gaen? Wat is dâ nou weêr daer ze daer mê gegoeid hebbe'? Dat is ge'ne kleine potternoster; het is zeker 'en ruggraet van 'e' veuleke. Hoe flauw dat die manne' toch zijn; ze kunne' ne' mensch nog nie' gerust laten ete'.
Ja, maer hetgeen dat in zijne pan gevalle' was, ware zoo allemael beentjes aen 'en koor geregen en het was 'en ruggraet van ne' mensch.
Jan die begost dan zoodanig kwaad te weurre', dat hem de beenen oppakte en gelijk tege' de' muer aengarzelemente'vaneen sloeg.
Hij gink gestoord bij zijne pan zitten en sloeg er van tijd tot tijd 'ene' nieve' spijs in, maar iedere' keer dat hem de' koek wilde-n-uit de pan neme', viel er 't een of 't ander menschenbeen in—en dat duerde zoo lank tot dat er op 't leste 'nen doodskop in viel.
Jan die schoot in 'ene' franse koleère en hij goeide den doodskop zoo ver als hem vliege' wou.
Dan begost hem gerust te bakken en hij had al 'en schotel vol koeken op de tafel gezet om te gaen ete'.
Als hem nâ goed bij de tafel zat en lakker aen 't knabbelen en aen 't zuige' was, komt er in eene' keer 'ne slag.—Jan telde, en 't was twelf ure!
Maer Jan heft zijn' oogen op, en hij ziet daer in den hoek, daer hem de beene' gegoeid had, 'e' leelijk geremt staen.
Want op slag van twelf ure ware' de beenen allemael aeneen gekropen, en daer stond nâ de geest mê 'e' wit laken op zijne' rug.—En hij was, och arme, zoo mager geweurre' van dat eeuwig rondloope' dâ ge zijn ingewand door zijnen buik kost zien.
Jan bezag het spook zoo 'ne' zekeren tijd en hij vreef aan zijn' oogen, want hij docht dat het nie waer was; maer als het spook hem verruerde, dan zag hempormentelakdat het 'ene geest was.
Ha, zé Jan, goeien dag, Pietje de Dood! Hoe gaget mê uw gezondhad? Me dunkt, ik heb ouw nog meer gezien. Staetde gij nie in de kerk van Sinte Willebors, mê het Zielenoctaaf! Ge ziet er anders maerarmoyeusuit, Jan Stek! Zie, zoo 'ne koek of drij en zoo 'e' fleske zou u deugd doen. Maer wâ zeg ik? 'k Geloof waerentig dat de koeken deur uwen buik zouwe valle'! want ge draegt 'engilédieà jourgewerkt is. A's ge nochtans eens wilt drinke', zit maer bij!
De geest die sprak nie; maer hij dé 'en teeke' mê zijne' vinger, als of hem zegge wilde: kom gij eens hier!
Maer Jan die was slum genoeg om het niet te doen.
Aperopo, zé hem, Pietje Krakelink, wilde gij daer blijve' staen toe morge', dâ kunde gij gerust doen. Maer a's ik gelak a's gij was, ik ging wat aen 't vier zitte'; want dien hoek is heelroematieken ge moest zoo eens een' valling pakke'. Ah sa, maar zeg m' eens, wat tael spreekte gij? Zeg! is 't vanparlé fransé contre alle mense! Ook al niet? Gaet dan maer naer uw doodkist terug, droogzak!—Zijtde van God, sprekt; zijtde van den duvel, vertrekt!—Maar de geest bleef staan en dé nie als mé zijne' vinger wenken om dâ Jan bij hem zou kome'.
Maer Jan ging gerust voort mê eten, en hij zag naer 't spook nie meer om.
Als dâ zoo ne'n heelen tijd geduerd had, sloeg het halver een, en de geest die hefte zijn' mager' beenen op en kwam zoo allengskens naer Jan gegaen en hij wenkte-n-altijd mê zene' vinger.
Maer Jan stond in eene' keer op en hij riep tege' den geest:
Ah sa, Peerlala, 'k heb ouw maer één ding te zegge: ge meugt zoo veul spreken a's ge wilt, maer van me lijf te blijven, zulle', of we weurre kwaei vriende'! A's ge nog wat dichter derft kome', zal ik u die fles eens op uw leelijk gezicht kapot slage'.—Ge zoudt me geeren den nek breken, eh? 'k weet het wel; maer 't zal nie waer zijn; ge kent me nog nie, manneke'!
De geest stak zijne' vinger uit en raekte-n-er mê aen Jan zijn hand;—maer op d'hand van Jan was 'en heel blijn gebrand.
Wel Nondekeu! riep Jan, wilde gij zoo kennis mé mij make'? Het schijnt da ge warm handen hebt, gebuer? Maer zoo zijn we niet getrouwd, 'k Zal ouw dâ wel afleeren.—Arrê! dat is het eerste koofke!
En Jan sloeg het spook mê 'en' lege fles vlak op het scheel van zijne' kop; maer hij raekte de' geest toch nie, want hij sloeg gelak op de' wind.
Dan wierd Jan eerst voor goê kwaed. Hij wilde de' geest vastpakken en op de' grond slage', maer dâ liep nie af; want als hem docht dat hem hem vast had, dan vuelden hem niemendalle.
Pas op, riep hem, dat duert nou al lank genoeg; ge kunt maer eens gauw gaen zegge' wat dâ ge van mij hebbe' moet. Waerom komde gij mij hier ruzie zueken, eh? 'k heb ommers mê ouw of mê uw heel familie geen affaire? Laat me dan gerust en gaat aen.
Maer de geest dé nie a's wenken en naer de deur wijze'.
Jan pakte dan zijnen kandelêr en zé tege' de' geest; allo! laet zien wat dâ g' hebbe' wilt. Ga veur, ik zal u volge'.
Het spook dé de deur open en wees Jan den trap af; maer Jan was wel slummer, en hij zé altijd: ga zelf veur—want had hem veur gegaen, dan had het spook hem zeker den nek gebroke'.
Ze kwamen dan te lange leste beneën, in de gank, en daer lag 'ene zark mé enen ijzere' rink, die er in vast was.
Het spook wees aen Jan, dat hem dië zark moest opheffe'; maer Jan die begost te lachen en hij zé: ja g'houd me wa veur de zot, brurke! Als ge geenenikanik[28]in ouwe zak hebt, zulde nog al lank moete' rondloopen. Heft gij de steen zelf op, want ik kan ekik het nie.
De geest hefte de' steen op, en daeronder was 'ene groote put, daer drij groot' ijzere' potten in stonde' vol gouwe geld.
En zou gauw als Jan het geld gezien had, begost het spook te spreke'.
Ziede dâ geld? vroeg het aen Jan.
Wel, gij vieze landsman, riep Jan, ge sprekt gelak Vlaemsch? Nou beginne' we malkandere' te verstaen. Fransch kan ik toch ook, zulle', want 'k heb vijf jaer gediend—en Vivan Apoleon! Ja, 'k zien zoo al iet blinken dâ sterk op tienguldestukke' trekt.
De geest haelde de drij potten uit de' put en zé mê 'en holle stem:
Da zijn drij potte' geld, die ik had verbeurgen eer dat ik dood was.
Eer dâ ge dood waert! riep Jan heel verwonderd. Zijde gij dood? Dâ zoude nie zegge', 'k Geloof dâ ge me wat opwindt.
Maer de geest die luisterde daer nie naar, en hij zé: Ik heb in d'hel zoo lank moete' brande' tot dat die potte' zoude gevonde' zijn—en gij hebt me nou uit d'hel verlost.
Heb ik ouw uit d'hel verlost? riep Jan; dat doe me groot spijt. Ge zijt dan toch 'ene' schoone jonge'! 'k Zal er maer van zwijge', want mijn bloed kokt al!
Nou brand ik nie meer, zé de geest,arrê! daer is mijn hand, voelt, nou is ze heel koud....
Bedankt veur de goedheid, zé Jan, houdt uw pikkelbeentjes maer stillekes t' huis. Zoo weinig komplementen a's 't meugelijk is. Ik ken u, vogel, gij zijt den duvel te plat, gij!
Zie, zé het spook, van die drij potte' goud verzoek ik u dat g'er eenen aen den arme' zoudt geven, eenen aen de kerk om missen veur mijn' ziel te doen, en....
Hola, riep Jan, dâ verwensch ik 'en bitje. Ben ik ouwe knecht? Ge maekt gij geen' slechte rekening! En wâ zal ik dan hebbe'? Neen, maer als er wâ drinkgeld overschiet, dan zal ik het doen.... Ge zijt gij ommers toch rijk genoeg, al is 't dâ ge zoo slecht gekleed gaet, en dâ nog al in de' Winter.—Ah wel, wa zegde?
Den derde pot, zé de geest, is veur ouw.
Veur mij! riep Jan heel blij, wel Simenie! daer weur ik stapel zot van. Kom hier, 'k zal u eens kusse, op uw postelijne kaken.
En Jan sprong op vanarreusie; maer hij strunkelde en hij viel in de put en zijn licht uit! Het sloeg juist een uer.
Nâ was Jan in den donkere'.
Pietje de dood! riep hem zoo hard a's hem kost, waer zijde? He, spookske lief, kom eens hier! Heb ik ouw uit d'hel verlost, ge meugt me nou ook wel uit deze put verlosse'.
Maer het spook was weg.
Jan die kroop dan mê veul moeite de' put uit en raepte zijn' keers op.
Hij ging dan naer boven, en als hem zijn eige' wat gewarmd had en nog twee fleskes had gedronke', viel hem in 't slaep.
's Anderen daegs dé Jan hetgeen dat de geest hem gezéed had. Hij gaf 'ene' pot aen den arme, 'ene' pot aen de kerk en hij hiel 'ene' pot veur zijn eige'.
En Jan was rijk, want in zijne pot ware' wel honderd duzed millioen.
En Jan woonde dan in 'e' groot huis, en hij hiel sees en peerd, en hij sliep op 'e' fraweelen bed, en hij dronk wijn, en hij gink alle dagen naer d'herberg....
En daer kwam 'e' varke mê 'ene' lange snuit, en 't vertelsel is uit!
[2]Het bepalend lidwoord, mannelijk enkelvoud, heeft te Antwerpen geene andere verbuiging, dan dat men voor zekere letters welluidendheidshalvedeofdenbezigt, zonder op het geval te letten. Voor de medeklinkers B, D, H, R en T, als ook voor alle klinkers, gebruikt menden, zoowel in nominativo als in accusativo.
[3]Men heeft te Antwerpen veel kelders, waar des Winters voor kinderen allerlei vertelsels verbeeld worden, bij middel vanmarionetten, die zijpoesjenellennoemen.Snoefis een personage, die in alle stukken voorkomt en die bijzonder belast is de aanschouwers te vermaken, evenals deArlequin. Het is gewoonlijk de geliefdeacteurvan het geëerd publiek.
[4]De helden der Antwerpsche geschiedenissen trouwen op het einde onfeilbaar met eenekeuninksdochter, eeneprincersvan Turkije, Amerika of Spanje, of wel zij vinden, indien het er spookt, eenen grooten ijzeren pot met geld.
[5]De onbepaalde lidwoorden Een, Eene, Een zijn in AntwerpenEne, En E, deehebbende den klank vanein het Franschele.Voorbeeld: En man, En vrouw, E kind. Voor klinkers en voor de letterHzijn zeEnen, En, En.
[6]De uitgangoudewordt verzacht en veranderd inouwe, als: wijzouden, wijzouwen, koude Winter, kouwe Winter.
[7]Het woordjeniet, zonder nadruk uitgesproken, verliest dei.
[8]De l inalswordt niet uitgesproken; b.v.asik het zag, zou ik het gelooven.
[9]Denwordt nooit gehoord in de uitgangen der veelsilbige woorden, die openuitgaan. Men zegtverbinde, honde, zinge, voorverbinden, honden, zingen. Voor de klinkers en de letterH, die hier nooitgeaspireerdis, heeft de verkorting geene plaats. Zelf stelt de Antwerpenaar tusschen alle opeenstootende klinkers, ook tusschen die, welke van zelf versmelten eenenof andere letter om deeuphonie. Hij zegt dus:ik wilden-u-iets, hy maelden-u-immers!
[10]Het meervoud van het voornaamwoord des tweeden persoons wordt gemaakt met het bijvoegen vanlie, zijnde eene verkorting vanlieden.Men zegtgeulieofgylieeneulieofulie; dit laatste vooraan u, als ook voor de bezittende voornaamw. meervouduw, uwe, uwen; b.v.Geulie weet het. Ik zal eulie straks euliën boek teruggeven.
[11]De onvolmaakt verledene tijd van het werkwoordzeggenis als volgt:Ik zé, voor: ik zeide, enz.Gij zèHij zéWij zéën.Gijl. zéetZij zéën.Het verleden deelwoord isgezèed.
[12]Het Fransche woordpourtant.
[13]Hebt gijlieden onder Napoleon op de scheepstimmerwerf ofChantiergewerkt? Is ulieder vaderGarde-Chiourmeof slavenwachter geweest? Men merke hierbij aan, dat het werkwoordzijnaltijd met het hulpwoordhebbenvervoegd wordt.
[14]Zullenis een tusschenwerpsel, dat overmatig in de Antwerpsche straattaal voorkomt: het beteekentverstaat gij het? Hoort gij het?
[15]Nieuw, nieuwe, nieuwenis in Antwerpennief, nieve, nieven.
[16]Degna denop het einde eener silbe verandert meest altijd ink, alsgang, gank; ding, dink; hij zong, hij zonk.
[17]De onvolmaakt verledene tijd van het werkwoordbeginnenis:Ik begost, voor: ik begon, enz.Gij begostHij begostWij begostenGijl. begostZij begosten.Het verleden deelwoord isbegost.
[18]De onvolmaakt verledene tijd van het werkwoorddoenis:Ik dé, voor: ik deed, enz.Gij déHij déWij déënGijl. dé of deedZij déën.
[19]In de uitgangenheidenlijkverandert de klank derijinaen men spreekt, alsof er stondhad, lak, gezondhad, gemakkelakhad, voorgezondheid, gemakkelijkheid.
[20]Deoinorwordt uitgesproken als eene zachteeu: zorg, zeurg; verborgen, verbeurgen; hij wordt, hij weurdt.
[21]Nuspreekt men gewoonlijk uitna; deaheeft den korten klank van a innat. Met nadruk wordtnu, nouw.
[22]Het persoonlijk voornaamwoordhijwordt alleen gebezigd onmiddellijk vóór het werkwoord, anders zegt menhem. Zag hem dat hem sliep? beteekentzag hij dat hij sliep. Deze regel heeft uitzonderingen.
[23]Tegen den avond.
[24]Een stuk in den kraag krijgen:dronken worden.—Van zijnen center zijn,van zijn verstand zijn.
[25]Honger krijgen.
[26]Wanneer er ergens koeken gebakken worden, moet degene, die den eersten koek krijgt, een Vader-ons bidden voor de geloovige zielen in het vagevuur; daarom noemt men den eersten koek den zieltjeskoek.
[27]De plaats waar de paarden begraven worden.
[28]Mécanique.
(Eene tamelijk ruime kamer, waarin eenige groote schrijftafels en lange lessenaars geschikt zijn. Aan den wand hangen een zwart bord en eene wereldkaart. Bij de tafels zitten vele schooljongens, meest tusschen acht en twaalf jaar oud. De schoolmeester gaat heen en weer met een ernstig, ja, bijna grammoedig gelaat; hij houdt een pennemes in de hand en is bezig met pennen te vermaken. Het is zichtbaar, dat het meerdere getal der leerlingen zich onledig houdt met spelen, en weinig aandacht op de woorden des meesters geeft; eenigen slapen, anderen vangen vliegen, sommigen schrijven, maar zijn wezenlijk bezig met mannekens te maken of okentrek te doen.)
DE MEESTER,met luider stem en langzaam.—Past op dat gij de buiken van uwe A's wel vol maakt, en dat gij de koppen van uwe B's wel naar omhoog trekt!
GEROEP VAN ALLE KANTEN.—Meester, versnijd mijne pen eens!—Monsieur, ma plumeis te slap! De mijne is te stijf!La mienne est trop maigre! De mijne is te vet!
VICTOR,een der leerlingen, aan Karel, die nevens hem zit.—Ik heb gedaan, eh na!
KAREL,met zachte stem.—Ja, ge zult gij wel op uw' kneukelen krijgen. G'hebt weer altemaalhanepootengemaakt, gelijk gisteren.
VICTOR,zijne stem, zonder het te weten, verheffende.—Dan moeten ze mijn' pen maar vermaken.—Karel, willen we watpennekepikdoen, eh?
DE MEESTER.—Silencedaar, met datlawijd![29]Victor, pas op dat uw geschrift niet goed is, gij zult het beklagen, vogel!
EDWARD,die nevens Victor zit.—Mag ik meêpennekepik[30]doen? 'k Zal eene nieuwe pen geven.
VICTOR,bitsig.—Neen, gij moogt niet meedoen,aarzak![31]
EDWARD,schreeuwende.—Dan zal ik het zeggen, zie na! Meester, meester, Victor en Karel doen altijdpennekepik!
DE MEESTER,met gramschap.—Ha, ze zijn weer bezig,—ik had het gelijk in 't oog. Wacht, luierikken, 'k zal u daar komenpennekepikkenmeteen! (Hij trekt Victor met zijn oor.) 'k Zal u leeren, luie vlegel. Dat ligt daar den heelen dag te spelen, in plaats van te leeren. Zijt ge niet beschaamd, dat gij het geld uwer ouders zoo verkwist, deugniet? Moeten ze mij daarom alle maanden betalen, omdat ge hierpennekepikzoudt doen,bedorvendans?
VICTOR,zoo sterk huilende, dat de meester zijne ooren met de vingers stopt.—Ai mij! ai ai! hi hi! och Heer! mijn oor! 'k zal het aan mijn' moeder zeggen—dan ga ik naar een ander' school, zie na!
DE MEESTER,streelend.—Wees wijs, Victor, wees wijs, jongen. Gij zult het niet meer doen, niet waar? Laat uw geschrift eens zien. Het is beter dan gisteren,—dat verdient eenenBon[32]. (Hij schrijft eenen bon op het papier van Victor en verwijdert zich.)
VICTOR,mompelende.—Met zijnebonsaltijd! Wat kan ik daarmee doen? 'k Ben er vet mee, met zijnebons! Ai mij, mijn oor!
EDWARD,tot den meester.—Meester, het is zijn geschrift van gisteren. Hij heeft daar straks eenen grootenRubbensin zijncahier[33]gemaakt.
DE MEESTER,tot Edward.—Zwijg! gij weet dat ik geene overdragers kan lijden. (Na eene tusschenpoos tot al de leerlingen.) Geeft acht op hetdicté;—neemt uwecahiers. Zijt gij er altemaal?
AL DE LEERLINGEN TE GELIJK EN VERWARD.—Ja, ja, meester!—ik niet!—ik wel!—ik kan mijncahierniet vinden,—mijn pen schrijft niet,—ik heb geen papier!
DE MEESTER,dicteerende met slepende stem.—"De wederspannige Absolon ... de we-der-span-ni-ge Ab-so-lon...."
VICTOR,Edward bij zijn haar trekkende.—Daar nu,—ga, zeg nu nog, dat wijpennekepikdoen, overdrager. Roep nu, dat ik met uw haar trek, schreeuwbakkes!
DE MEESTER.—"De wederspannige Absolon...." Lawijdmakers, gaat gij er daar wat uitscheiden?
EDWARD,weenende.—Ai, ai! meester, meester, Victor trekt altijd met mijn haar!
DE MEESTER,met ongeduld en tegen den grond stampende.—Zij zullen mij niet laten voortgaan; leert die barbaren dan al! (Dicteerende) "De wederspannige Absolon...." Silence! "Absolon trok op...."
EDWARD,roepende.—Meester, nu nijpt hij weer in mijn' kaak!
DE MEESTER,dicteerende.—"Absolon trok op ... tegen...." Victor, ik zet u meteen van de school, nijdige jongen dat gij daar zijt!... "trok op tegen het leger zijns vaders.... David ..." Waarom beziet gij mij zoo, Piet? Schrijf dan!
PIET.—Frans heeft mijne pen weggenomen, meester.
FRANS.—'t Is niet waar, meester, hij heeft ze verloren metpennekepikte doen.
DE MEESTER,in gramschap.—Hier gij! Op uwe knieën. Geef daar eens twee kassen. Speel nu nogpennekepik, oudersverdriet, dat gij daar zijt! (Hij plaatst Piet op de knieën in het midden der school en doet hem met elke hand eene schrijfkas in de hoogte houden. Piet weent en snikt; doch dit belet hem niet, zijne tong uit de steken en alle soorten van spottende gezichten te trekken.)
Dicteerende: "tegen het leger zijns vaders ... maar de almachtige God ... almachtige God ... strafte de boosheid ... de boosheid van ..." Victor, wat doet gij daar? Ik zie u niet schrijven.
VICTOR.—Gij dicteert te gauw, meester. Ik kan u niet bijhouden.
DE MEESTER,met wanhoop.—Wel, wel, 't is schrikkelijk zeggen, dat hij mij niet kan volgen! Ik geloof waarachtig, dat ze eenkomplotgemaakt hebben om mij van de school te doen gaan loopen;—maar 't zal niet waar zijn,revolutionairs! Gij zult mij niet verjagen....
EDWARD,schreeuwende.—'t Is niet waar, meester; Victor heeft weerokentrek[34]gedaan, terwijl dat g'aan het dicteeren waart.
DE MEESTER,met ongeduld.—Ha, zijt gij weerokentrekaan 't doen!—en ik schreeuw mij te barsten voor zulke luie ezels.... 't is om iets van te krijgen!
(Hij wendt zich om naar de andere zijde der school.)
VICTOR,eenen luiden kaakslag aan Edward gevende.—Daar nu! zeg het nu nog. Kom straks naar buiten, als de school uit is, dan zal ik u eens in de goot slaan, en ga, roep dan uwen vader en uw' moeder maar, labbekak! (Zij vatten elkander bij het haar en vechten met groot gerucht. De meester springt er naar toe, grijpt hen bij den kraag en trekt ze van elkaar.)
DE MEESTER,met groote woede.—Deugnieten! Schelmen! 't Is erger dan de kinderen van de Vliersteeg of uit den Zwanengang[35]. Gij zult mij weer doen bloedspuwen, slangen dat gij daar zijt. Maar ik zeg het u: zijt zeker, dat de eerste, die zich nog durft verroeren, de school afvliegt.... Past op! (Groote stilte in de school. Victor steekt zijne hand onder de tafel en nijpt in de beenen van Edward; doch deze durft zich niet roeren. De pijn schetst zich in belachelijke uitdrukkingen op zijn gelaat.)
DE MEESTER,bedaard.—Waar waren wij? Ha! (dicteerende) "De boosheid van den ontaarden zoon.... Absolon den veldslag ... Absolon den veldslag ... verloren hebbende ... hebbende, begaf zich op de vlucht...." Frans, gij let er niet op. Gij zijt weer bezig met papier knauwen! Laat eens hooren wat ik het laatst gezegd heb?
FRANS.—Heb!
DE MEESTER,verbitterd en spijtig.—Wat, heb, ezel? Op de vlucht, heb ik gezegd, (dicteerende) "en reed onder eenen boom door ... doch zijn lang haar ... lang haar ... verwarde in de takken ... van...." Frans, doe datmannekenweg en schrijf ... "De takken van den boom ... boom, en Absolon bleef er aan hangen."
(Frans heeft gedurende het dicté eenen bal papier tusschen zijne tanden gekneed, en een uitgesneden manneken er aan gevoegd. Hij werpt het tegen den balk van het verdiep; het blijft er aan hangen.)
VICTOR,blijde.—Ai, ai, daar hangt Absolon met zijn lang haar!
DE MEESTER,vergramd.—Frans, gij zultnoenoveral[36]blijven bakken. 'k Zal u leeren papier knauwen! Nu zult gij dezen noen niets te knauwen hebben. (Tot al de leerlingen.) Hetdictéis gedaan.—Victor! spel het laatste woord eens.
VICTOR,tot Edward.—Wat is het laatste woord? Gaat gij het zeggen, of ik geef u eenen neep.
EDWARD.—Neen, nu zeg ik het niet, zie na!
VICTORnijpt hem in den rug.—Zegt ge 't nog niet?
EDWARD,pijnlijk schreeuwende.—Hangen! Hangen!
DE MEESTER,tot Edward.—Het wordt aan u niet gevraagd, schreeuwer. Gij, Victor, spel het laatste woord.
VICTOR,onverstaanbaar en zeer gauw.—Abchg—hang ... chrstgen—gen—hangen.
DE MEESTER,het hoofd schuddende.—Genoeg, genoeg. Wij zullen het namiddag spellen.—De kleine Catechismussen weg.—De eerste les!
(Groot gerucht van kassen en banken. De leerlingen steken hunne cahiers in de laden der lessenaars; de meesten leggen hunne catechismussen open op hunne knieën om beter te kunnen antwoorden. Victor en Karel ziet men niet; zij zitten onder de schrijtafel.)
DE MEESTER.—Attentionop de eerste les! Edward, hoevele Goden zijn er?
EDWARD,driftig en gauw.—Drie,—'k wil zeggen twee,—neen, maar één.
DE MEESTER.—Wat! drie? bottekop! Gij, Victor, hoevele Goden zijn er?
VICTOR,zijn hoofd onder de tafel uitstekende.—Zeven: hoovaardigheid, gulzigheid, luiheid, nijd....
De MEESTER.—Houd op, ketter!Datweet nog niet, hoeveel Goden dat er zijn. Gaat gij van onder de tafel komen? Wat doet gij daar weer?
EDWARD.—Zij spelen met de marbollen in de drie puttekens, meester!
FRANS.—Neen, wel, meester, ze doenklontjen-trekenwitbier-zetmet krieksteenen![37]
DE MEESTERneemt een reglet en slaat in het wilde onder de tafel.—Schelmen, er uit!—gauw! of ik sla u armen en beenen vaneen....
VICTOR en KAREL,onder de tafel heen- en weer kruipende—Ai mij! 't is in mijn oog!—Ai ai, mijnen kop!—Och God, mijnen neus!
(Zij komen huilend van onder de tafel. Een van Victors oogen is rood en schijnt eenen harden slag ontvangen te hebben.)
DE MEESTER,bij Victor gaande, streelend.—Victor, Victor, nu ziet gij wat er van komt. (Hij neemt hem zoetjes bij de hand.) Kom hier, jongen; zit aan de groote tafel.—Ge moogt in de eerste klasse gaan,—ik zal u een nieuw boek geven.