IX.

IX.Een kraal.Den volgenden dag, 15 April, werd het werk zonder ophouden voortgezet. De hoek, dien de boom met de beide uiteinden van de basis vormde, werd nauwkeurig gemeten. Deze nieuwe meting kon den eersten driehoek doen berekenen. Toen dit gedaan was, werden rechts en links van den meridiaan twee andere stations gekozen, het eene gevormd door een heuvel, die zich zes kilometers verder in de vlakte verhief, het andere aangeduid door een paal, die op ongeveer zeven kilometers afstands in den grond werd geslagen. Zóó ging de triangulatie gedurende eene maand zonder verhindering voort. Den 15denMei waren de astronomen een graad noordwaarts gevorderd na zeven driehoeken te hebben gemeten.Gedurende dezen arbeid waren de kolonel en Mathieu Strux zelden met elkander in aanraking geweest. Men heeft gezien, dat bij het verdeelen van den arbeid en voor het nagaan der metingen de beide geleerden van elkander gescheiden waren. Zij werkten dagelijks op stations, die verscheidene kilometers van elkander aflagen en dit was een waarborg tegen allen mogelijken twist. Als de avond viel, ging elk hunner naar het kamp terug, en betrok weder zijne bijzondere woning. Wel is waar ontstond er nu en dan eenig verschil over de keuze der stations, die in gemeen overleg moesten bepaald worden, doch dit bracht geen ernstig geschil te weeg. Michel Zorn en zijn vriend William konden dus hopen dat, dank zij de scheiding der beide mededingers, de geodesische arbeid kon worden voortgezet zonder eene betreurenswaardige uitbarsting te veroorzaken.Nu de waarnemers den 15denMei, zooals reeds gezegd is, zich op een graad afstands van het zuidelijkste punt van den meridiaanbevonden, waren zij op de hoogte van Lattakou; het Afrikaansche dorp lag 35 kilometers oostwaarts van hun station. Eerst onlangs was een groote kraal op deze plaats gesticht; het was eene goede plaats om halt te houden, en op voorstel van John Murray werd er bepaald dat de karavaan er eenige dagen zou uitrusten. Michel Zorn en William Emery zouden van dien tijd gebruik maken om de hoogte der zon te nemen. Gedurende dit oponthoud zoude Nikolaas Palander zich bezig houden om de maten, die het verschil in hoogte der vizieren aanduidden, te herleiden, ten einde ze met het vlak der zee in overeenstemming te brengen. John Murray zou een weinig verademing zoeken van zijn wetenschappelijken arbeid in het bestudeeren van de fauna dezer streken door middel van geweerschoten.De inboorlingen van zuidelijk Afrika geven den naam van kraal aan een beweegbaar dorp, dat van de eene weide naar de andere kan worden overgebracht. Het is eene beslotene ruimte, waar binnen een dertigtal woningen, die vele honderden inwoners bevatten.De kraal, die de Engelsch-Russische commissie bereikte, was samengesteld uit eene vrij belangrijke verzameling van hutten, die in een kring op de oevers van een in de Kuruman uitvloeiende beek waren opgeslagen. Deze hutten waren gemaakt van op latten gespijkerde, ondoordringbare en van riet gevlochten matten; zij geleken op lage bijenkorven, waarvan de ingang, met een vel gesloten, den bewoner of bezoeker noodzaakte om op zijne knieën er in en er uit te kruipen. Door deze opening ging ook de scherpe rook van den haard naar buiten, zoodat de bewoonbaarheid dezer hutten zeer twijfelachtig was voor ieder ander dan een Hottentot of een Boschjesman.Toen de karavaan er aankwam, was de geheele bevolking in beweging. De wachthonden, die bij elke hut lagen, begonnen vreeselijk te blaffen. De krijgslieden van het dorp trokken naar buiten met lansen, messen en knodsen gewapend, en beschermd door lederen schilden. Hun aantal kon op tweehonderd geschat worden, en duidde de belangrijkheid der kraal aan, die niet minder dan zestig tot tachtig woningen moest bevatten; omringd door palissaden, die bovendien voorzien waren van de vijf of zes voet lange doornachtige stengels der agave, waren deze hutten beschermd tegen de wilde dieren.Evenwel verdwenen de vijandige oogmerken der inboorlingen spoedig, toen de jager Mokum slechts eenige woorden met het opperhoofd der kraal gewisseld had. De karavaan verkreeg de vergunning om zich bij de palissaden op den oever der beek neder te slaan. De Boschjesmannen dachten er zelfs niet aan om den reizigers het gedeelte der weide te betwisten, die zich over eene ruimte van verscheidene kilometers aan weerszijden uitstrekte. De paarden, buffels en andere dieren van de karavaan konden er overvloedigvoedsel vinden, zonder de kraalbewoners eenig nadeel toe te brengen.Het was een woud van hooge acacia’s. (Blz. 63.)Het was een woud van hooge acacia’s. (Blz.63.)Aanstonds werd de legerplaats volgens de aanwijzing van den Boschjesman op de gewone wijze ingericht. De wagens werden ineen kring geplaatst en ieder ging aan zijne eigene bezigheden. John Murray liet dus zijne tochtgenooten aan hunne berekeningen en wetenschappelijke waarnemingen over en vertrok zonder dralen met Mokum. De Engelsche jager zat op zijn gewoon paard en Mokum op zijn tammen zebra; drie honden volgden hen onder allerlei wilde sprongen. Murray en Mokum waren elk met een jachtgeweer met ontplofbare kogels gewapend, hetgeen bewees dat zij het plan hadden om ook op wilde dieren jacht te maken.De beide jagers reden in noordoostelijke richting naar eene boschrijke streek, die eenige kilometers van de kraal aflag. Zij reden naast elkander onder voortdurende gesprekken.»Ik hoop, vriend Mokum,” zeide John Murray, »dat ge nu uwe bij den waterval van Morgheda gedane belofte vervullen zult, door mij in het midden der wildrijkste streken van de aarde te brengen. Doch ge kunt mij gelooven als ik u verzeker dat ik niet in zuidelijk Afrika ben gekomen om hazen te schieten of vossen op te sporen. Die hebben wij in onze Schotsche hooglanden ook; vóór wij een uur verder zijn wil ik.....”»Eén uur!” antwoordde de Boschjesman. »U zult mij niet kwalijk nemen als ik zeg dat het wat snel is, en dat u vooral geduld moet hebben. Ik heb alleen geduld op de jacht, en daarmede koop ik al het ongeduld af, dat ik anders in mijn leven toon. Weet u dan niet mijnheer, dat het jagen op groote dieren eene kunst, zelfs eene wetenschap is, dat men het land en de gewoonten der dieren nauwkeurig moet leeren kennen, hunne gangen nagaan, en dan uren lang om hen heen moet draaien om ze eindelijk onder den wind te naderen? Weet u wel dat men zich wachten moet voor elk ontijdig geluid, voor elken geraasmakenden tred, voor elk onberaden uitkijken? Ik zelf ben dagen achtereen een buffel of gems blijven beloeren, en als ik na zesendertig uren, allernalei listen en lagen het beest geveld had, meende ik mijn tijd niet verloren te hebben.”»Zeer goed, mijn vriend,” antwoordde John Murray, »ik zal zooveel geduld nemen als ge maar wilt; maar laat ons niet vergeten, dat het oponthoud der karavaan slechts drie of vier dagen duurt, en dat we geen uur, zelfs geen minuut moeten verliezen!”»Daar denk ik wel aan,” antwoordde de Boschjesman op zulk een kalmen toon, dat Emery daaraan zijn reismakker van de Oranjerivier niet zou herkend hebben, »dat zal ik wel degelijk in het oog houden; wij zullen alles doodschieten wat ons voorkomt, mijnheer; wij zullen niet kieskeurig zijn: antilope of hert, gnoe of gazelle, alles is goed voor zulke haastige jagers.”»Antilope of gazelle!” riep John Murray uit, »ik vraag zelfs zooveel niet voor mijne eerste jachtpartij in Afrika. Maar wat denkt ge mij dan te laten schieten, mijn dappere Boschjesman?” De jager keek zijn makker met een zonderling gelaat aan en zeide toen opspottenden toon: »Als u verklaart dat u voldaan zijt, dan heb ik niets meer te zeggen; ik meende, dat u niet tevreden zoudt zijn vóór u een paar neushoorns of een paar olifanten hadt geschoten?”....»Jager,” antwoordde de Engelschman, »ik zal gaan waar ge mij brengen wilt. Ik zal schieten op al wat ge mij zult aanwijzen; kom aan dan, vooruit, en laten we maar geen tijd met ijdele praatjes verliezen!”De paarden werden in galop gezet, en de beide jagers naderden pijlsnel het woud. De vlakte, die zij doorreden, verhief zich langzamerhand naar het noordoosten. Hier en daar was zij met kreupelboschjes doorsneden, welker struiken allen in bloei stonden, en uit sommige van welke eene kleverige, doorschijnende en welriekende harst liep, waarvan de inboorlingen wondzalf maken. In schilderachtige groepjes verhieven zich de nuanas of adams-vijgenboomen, welker dertig tot veertig voet hooge stam gekroond werd door een groot bladerdak. In dit dik gebladerte fladderde eene menigte schreeuwende papegaaien die aasden op de zuurachtige vijgen. Verder stonden schilderachtige mimosa’s met groote bloemtrossen, die hare zijdeachtige kruinen zachtkens heen en weder wiegelden, aloës met lange stengels vol helderroode bloemen, welke men in de verte gehouden zou hebben voor koraalstruiken uit de diepte der zee opgehaald. De grond was als bezaaid met bevallige narcisleliën met blauwachtige bladeren, en bood voor de rijdieren een gemakkelijken weg aan. Minder dan een uur na de kraal verlaten te hebben waren Murray en Mokum aan den rand van het bosch; het was een woud van hooge acacia’s, dat zich over eene uitgebreidheid van verscheidene vierkante kilometers uitstrekte. Deze tallooze boomen stonden zonderling dooreen en strengelden hunne takken door elkander, zoodat de zonnestralen op den met doornstruiken en lang gras begroeiden grond niet konden doordringen. Evenwel aarzelden de zebra en het paard niet om onder het dichte bladerdak voort te draven en zich een weg te banen tusschen de onregelmatig door elkaâr gegroeide boomen. Hier en daar waren er open plekken in ’t midden van het woud, waar de jagers telkens bleven stilstaan om het hen omringende bosch te beschouwen.Men moet bekennen dat deze eerste dag voor Murray niet gunstig was: te vergeefs doorkruiste hij met zijn metgezel een gedeelte van het bosch. Geen enkel dier bewoog zich om hen te ontvangen, en Murray dacht met leedwezen aan de Schotsche vlakten, waar men niet lang behoefde te wachten om een schot te lossen. Misschien was de nabijheid der kraal de oorzaak dat het schichtige wild gevlucht was. Wat Mokum betreft, deze toonde noch verwondering, noch spijt. Voor hem was dit geen jacht, doch een haastige tocht door het bosch.Tegen tien uren ’s avonds moest men er aan denken om naar delegerplaats terug te keeren. Murray was boos zonder het te willen bekennen; een jager platzak te huis komen! dat nooit! Hij besloot dus bij zich zelven het eerste het beste dier dat hem voorkwam, vogel of viervoetig dier, wild of verscheurend beest, dood te schieten. Het lot scheen hem te begunstigen; de twee jagers waren geen drie kilometers meer van de kraal, toen een haas op honderd vijftig pas voor John Murray opsprong; deze aarzelde niet en schoot zijne buks op het onschuldige dier af. De Boschjesman uitte een kreet van verontwaardiging. Een kogel voor een onnoozelen haas, dien men met een hagel van kleine 6 neer kon leggen! Maar de Engelsche jager was nu eenmaal op het dier gesteld en rende naar de plaats toe, waar het had moeten vallen; doch te vergeefs, er was geen spoor van het dier te vinden; een weinig bloed op den grond, maar verder niets. Murray zocht onder de struiken en in het hooge gras; ook de honden zochten te vergeefs rond.»Ik heb hem toch geraakt!” riep John Murray.»Maar al te goed!” antwoordde de Boschjesman bedaard. »Als men een haas met een ontplofbaren kogel schiet, dan zou het wel wonder zijn als men er een stukje van terug vond!”En inderdaad, de haas was in kleine brokjes uit elkander gevlogen. Murray steeg geheel teleurgesteld weder te paard en reed zonder een woord meer te spreken naar de legerplaats terug. Den volgenden dag verwachtte de Boschjesman dat de Engelschman hem op nieuw zou voorstellen om op jacht te gaan. Maar de Engelschman, die in zijne eigenliefde gekrenkt was, vermeed eene ontmoeting met Mokum. Hij scheen alle jachtplannen te hebben laten varen en hield zich slechts bezig met instrumenten te verificeeren en waarnemingen te doen. Om zich te ontspannen bezocht hij daarna de kraal, waar hij de mannen zich zag oefenen met den boog, of spelen op de gorah, een soort van muziekinstrument, dat gemaakt wordt van eene snaar op een boog gespannen, die de speler doet trillen door er door een struisvogelpen op te blazen. In dien tijd waren de vrouwen met huislijken arbeid bezig, en rookten hennep, iets dat door een groot gedeelte van de inboorlingen bij wijze van tijdverdrijf gedaan werd. Volgens de opmerking van zekere reizigers vermeerdert dat inademen van hennepwalm de krachten des lichaams ten nadeele van die des geestes. En inderdaad velen van die Boschjesmannen schijnen verstompt te zijn door de dronkenschap, die het gevolg is van dit rooken.Den volgende dag, 27 Mei, werd Murray bij het aanbreken van den dag wakker gemaakt met deze hem in het oor gefluisterde woorden:»Ik geloof mijnheer, dat we van daag gelukkiger zullen zijn; maar laat ons geen hazen meer schieten met berghouwitsers!”Dien hij met onbeschrijfelijke kracht heen en weer schudde. (Blz. 68.)Dien hij met onbeschrijfelijke kracht heen en weer schudde. (Blz.68.)Murray werd niet boos toen hij deze spotachtige aanmerking hoorde. De twee jagers verwijderden zich eenige kilometers links van delegerplaats vóór hunne makkers wakker waren. John had ditmaal een eenvoudig jachtgeweer, een prachtstuk uit de fabriek van Goldwin, en veel geschikter voor de jacht op damherten of antilopendan zijne vreeselijke buks. Wel is waar kon men in de vlakte dikhuidige of verscheurende dieren ontmoeten. Maar Murray was nog ontevreden op zich zelven over die ontploffing van den haas, en hij zou liever een leeuw met hagel gedood hebben, dan weder een schot te lossen dat in de jaarboeken van de jacht een ongehoord feit was.Dien dag begunstigde de fortuin de beide jagers, zooals Mokum voorzien had. Zij velden een paar zwarte antilopen, die zeer moeilijk te schieten zijn. Het waren schoone dieren, vier voet hoog, met lange uit elkander staande en bevallig gekronkelde horens, evenals een paar zwaarden. Hun snuit liep spits toe en was aan de zijkanten een weinig plat; zij hadden zwarte pooten, dik en zacht haar, fijne en puntige ooren. Buik en voorhoofd waren wit als sneeuw en staken scherp af tegen het zwarte van den rug, waarlangs golvende manen hingen. De jagers mochten trotsch zijn op zulk eene vangst, want de zwarte antilope werd altijd begeerd door Delejorgue, Vahlberg, Cumming, Baldwin, en andere reizigers, en ’t is dan ook een van de schoonste voortbrengselen uit het dierenrijk in het zuidelijk halfrond.Maar wat vooral het Engelsche jagershart deed kloppen, waren zekere sporen, die de Boschjesman hem toonde aan den rand van een dicht kreupelhout, niet ver van een uitgebreid en diep moeras, dat door reusachtige euphorbiastruiken omringd en welks oppervlakte geheel bezaaid was met de hemelsblauwe bloemkelken van de waterlelie.»Mijnheer,” zeide Mokum, »als u morgen met het aanbreken van den dag op deze plek op de loer wilt gaanliggen, dan zou ik u aanraden uwe buks niet te vergeten.”»Waarom zegt ge dit, Mokum?” vroeg John Murray.»Ziet u die versche sporen op den vochtigen grond?”»Wat, die groote indruksels, zijn dat sporen van dieren? Maar dan hebben de pooten, die ze hebben gemaakt, meer dan een halven vadem in omtrek!”»Dat bewijst alleen,” antwoordde de Boschjesman, »dat het dier, dat zulke sporen achterlaat, minstens negen voeten hoog is.”»Een olifant!” riep Murray uit.»Juist, mijnheer, en als ik me niet bedrieg, is het een volwassen mannetje.”»Morgen dus, Boschjesman.”»Morgen, mijnheer.”De twee jagers kwamen in het kamp terug met hunne zwarte antilopen, die zij over het paard van John Murray gehangen hadden. Die schoone dieren, die zoo zeldzaam gevangen worden, wekten de bewondering van de geheele karavaan op. Allen wenschten Murray geluk, behalve de deftige Mathieu Strux, die op het punt van dierenslechts den Grooten Beer, den Draak, den Centaurus, Pegasus en andere hemellichamen kende.Den volgenden morgen om vier uren wachtten de beide jagers onbeweeglijk op hunne paarden met de honden naast zich te midden van een dik kreupelbosch op de komst van den troep olifanten. Aan versche indrukken hadden zij gezien dat de olifanten in een troep kwamen om in het moeras te drinken. Beiden waren gewapend met gegroefde buksen met ontplofbare kogels. Zij lagen onbeweeglijk en stil sedert ongeveer een half uur in het boschje op de loer, toen zij op vijftig pas afstands van het moeras beweging in het sombere loof bespeurden. Murray had zijne buks gegrepen, maar de Boschjesman hield zijne hand vast en beduidde hem dat hij zijn ongeduld bedwingen moest. Weldra vertoonden zich groote schaduwen; men hoorde het kreupelhout wijken voor eene onweêrstaanbare kracht; het was een geluid van hout dat kraakte, van struiken die vertrapt en tegen den grond verpletterd werden, terwijl een sterk geblaas zich door de takken liet hooren: het was de troep olifanten. Een half dozijn van die reusachtige dieren, bijna even groot als hunne stamverwanten in Indië, naderden langzaam het moeras.Het daglicht, dat langzamerhand sterker was geworden, veroorloofde Murray die sterke dieren te bewonderen. Een van deze, een mannetje van bijzondere grootte, trok vooral zijne aandacht. Het breede voorhoofdsbeen welfde zich tusschen een paar groote ooren, die hem tot op de borst hingen. Zijn kolossale omvang scheen in het schemerlicht nog reusachtiger; het dier slingerde zijn snuit boven het kreupelbosch heen en weer en stiet met zijne gebogen slagtanden tegen dikke boomstammen, die door den schok trilden. Misschien had het dier een voorgevoel van het naderend gevaar. Ondertusschen fluisterde de Boschjesman, zich naar John Murray buigend, dezen in het oor: »Welnu, is die naar uw zin?”John knikte toestemmend.»Welaan dan,” voegde Mokum er bij, »dan zullen wij hem van de rest van den troep scheiden.”Op dat oogenblik kwamen de olifanten aan den rand van het moeras; hunne weeke pooten zakten in den zachten bodem; zij zogen het water met hunne snuiten op, en spoten het in hun wijd keelgat, dat een luid klinkend geklok voortbracht. Het groote mannetje, dat wezenlijk ongerust was, keek om zich heen en snoof met veel geraas de lucht op, om op die wijze te weten te komen of er ook iets verdachts was.Plotseling liet de Boschjesman een bijzonderen kreet hooren. De drie honden begonnen hard te blaffen en sprongen uit het kreupelbosch op den troep olifanten los. Tegelijk riep Mokum tegen zijn makker niets dan het woordje »blijf!” en sprong met zijn zebra door het kreupelbosch om het mannetje den terugtocht af te snijden.Overigens trachtte het prachtige dier niet te vluchten; Murray beloerde hem met den vinger aan den haan van het geweer. De olifant sloeg met zijn snuit tegen de boomen en slingerde zenuwachtig met den staart, waarbij hij geen teekenen meer van ongerustheid, maar van woede gaf. Tot nog toe had hij den vijand slechts vermoed; op dit oogenblik zag hij hem en rende op hem aan.John Murray stond nu op ongeveer zestig pas afstands van het dier; hij wachtte totdat het op veertig genaderd was, mikte toen op de ribben en gaf vuur. Doch eene beweging van het paard verstoorde eenigszins de juistheid van zijn schot; de kogel ging slechts door het weeke vleesch, en bleef daarin zitten, zonder tegen eenig gedeelte aan te komen, dat hard genoeg was om hem te doen ontploffen. De woedende olifant versnelde zijn gang, die eer op een zeer snel loopen, dan op galoppeeren geleek; doch het was snel genoeg om een paard vooruit te komen. Nadat het paard van Murray een oogenblik gesteigerd had, sprong het uit het kreupelbosch, zonder dat de ruiter het kon inhouden. De olifant vervolgde het, terwijl hij de ooren opstak en door zijn snuit blies als door eene trompet. De jager, wiens paard met hem doorging, kneep het dier tusschen zijne krachtige knieën en beproefde eene patroon in zijn geweer te krijgen. De olifant echter begon op hem te winnen; weldra waren beiden in de vlakte buiten het bosch. Murray drukte zijne sporen diep in de zijden van het hollende paard. Twee van de honden renden blaffende en vluchtende met het dier mede; de olifant was op geen twee lengten meer achter hem; de jager voelde reeds zijn sterk geblaas en hoorde het snuiven van den snuit, waarmede hij de lucht zweepte. Elk oogenblik verwachtte hij door dien levenden lazzo van ’t paard gesleurd te worden. Plotseling boog het paard van achteren in elkander. De snuit was op het kruis neergekomen. Het dier liet een smartelijk gehinnik hooren en sprong op zijde; deze sprong redde Murray van een zekeren dood. De olifant door zijn snellen gang voortgejaagd vloog voorbij, maar nam met zijn snuit, waarmede hij over den grond streek, een van de honden op, dien hij met onbeschrijfelijke kracht heen en weer schudde.Hij hieuw met zijn bijl de slagtanden door. (Blz. 70.)Hij hieuw met zijn bijl de slagtanden door. (Blz.70.)Murray had geen ander middel meer dan in het bosch te vluchten; het instinct van het paard bracht er hem heen en weldra vloog het er met vreeselijke vaart in. De olifant was zich zelven ondertusschen weer meester geworden, en begon de vervolging op nieuw, terwijl hij den ongelukkigen hond heen en weer slingerde en diens kop tegen een vijgeboom verpletterde, toen hij het bosch inrende. Het paard sprong in het dichte struikgewas, dat door de met doorns bezette slingerplanten bijna ontoegankelijk was, en bleef staan. De Engelschman had, hoewel hij zich overal gekwetst gevoelde en met bloed bedekt was, geen oogenblik zijne tegenwoordigheid van geestverloren; hij keerde zich om, legde zijne buks met de grootste omzichtigheid aan, en mikte tusschen de struiken door op den schouder van den olifant. De kogel stuitte tegen een been en ontplofte. Hetdier wankelde, en bijna op hetzelfde oogenblik trof hem van den rand van het woud een tweede kogel in de linker zijde. Hij viel op de knieën, bij een kleinen waterplas, half onder het hooge gras verborgen. Daar slurpte hij met zijn snuit het water op en begon zijne wonden te besproeien, terwijl hij nu en dan een klagend geluid liet hooren. Op dit oogenblik verscheen de Boschjesman.»We hebben hem! We hebben hem!” riep Mokum.Inderdaad, het reusachtige dier was doodelijk gewond. Het stiet smartelijke kreten uit en haalde moeilijk adem; zijn staart bewoog zich slechts even en met zijn snuit, waarmede het in den door hem gevormden bloedplas slurpte, spoot het een rood gekleurden regen over het hem omringende kreupelhout uit. Toen begonnen de krachten hem te begeven, hij zonk geheel op de knieën en stierf.Op dat oogenblik kwam Murray uit de doornstruiken te voorschijn; zijne kleederen hingen hem in lappen om het lijf; maar hij had gaarne met zijn eigen huid die jagerszegepraal betaald.»Een verschrikkelijk beest, Boschjesman!” zeide hij, terwijl hij het bekeek, »een verschrikkelijk beest, maar een weinig te zwaar voor mijn weitasch!”»Goed, mijnheer!” antwoordde Mokum. »Wij zullen hem hier uit elkander snijden en slechts de keurigste stukken medenemen. Zie eens welke prachtige slagtanden de natuur hem gegeven heeft! Zij wegen minstens elk vijf en twintig pond, en dat tegen vijf shillings (ƒ 3) het pond, maakt een mooi sommetje.”Terwijl hij zoo sprak, begon de jager het dier in stukken te hakken; hij hieuw met zijn bijl de slagtanden door, en vergenoegde zich verder met de voeten en den snuit, omdat dit de meest geliefkoosde stukken waren, waarop hij de leden der wetenschappelijke commissie wilde onthalen. Hij had voor dit werk eenigen tijd noodig, zoodat hij met den Engelschman niet voor twaalf uren in de legerplaats terug was. Daar liet de Boschjesman de voeten van het reusachtige dier op de Afrikaansche manier koken, door ze te begraven in een gat dat evenals een oven eerst met gloeiende kolen heet was gemaakt. Het spreekt van zelf dat dit gerecht op zijne wezenlijke waarde geschat werd, zelfs door den onverschilligen Palander, en dat John Murray de gelukwenschen van het geheele gezelschap ontving.

IX.Een kraal.Den volgenden dag, 15 April, werd het werk zonder ophouden voortgezet. De hoek, dien de boom met de beide uiteinden van de basis vormde, werd nauwkeurig gemeten. Deze nieuwe meting kon den eersten driehoek doen berekenen. Toen dit gedaan was, werden rechts en links van den meridiaan twee andere stations gekozen, het eene gevormd door een heuvel, die zich zes kilometers verder in de vlakte verhief, het andere aangeduid door een paal, die op ongeveer zeven kilometers afstands in den grond werd geslagen. Zóó ging de triangulatie gedurende eene maand zonder verhindering voort. Den 15denMei waren de astronomen een graad noordwaarts gevorderd na zeven driehoeken te hebben gemeten.Gedurende dezen arbeid waren de kolonel en Mathieu Strux zelden met elkander in aanraking geweest. Men heeft gezien, dat bij het verdeelen van den arbeid en voor het nagaan der metingen de beide geleerden van elkander gescheiden waren. Zij werkten dagelijks op stations, die verscheidene kilometers van elkander aflagen en dit was een waarborg tegen allen mogelijken twist. Als de avond viel, ging elk hunner naar het kamp terug, en betrok weder zijne bijzondere woning. Wel is waar ontstond er nu en dan eenig verschil over de keuze der stations, die in gemeen overleg moesten bepaald worden, doch dit bracht geen ernstig geschil te weeg. Michel Zorn en zijn vriend William konden dus hopen dat, dank zij de scheiding der beide mededingers, de geodesische arbeid kon worden voortgezet zonder eene betreurenswaardige uitbarsting te veroorzaken.Nu de waarnemers den 15denMei, zooals reeds gezegd is, zich op een graad afstands van het zuidelijkste punt van den meridiaanbevonden, waren zij op de hoogte van Lattakou; het Afrikaansche dorp lag 35 kilometers oostwaarts van hun station. Eerst onlangs was een groote kraal op deze plaats gesticht; het was eene goede plaats om halt te houden, en op voorstel van John Murray werd er bepaald dat de karavaan er eenige dagen zou uitrusten. Michel Zorn en William Emery zouden van dien tijd gebruik maken om de hoogte der zon te nemen. Gedurende dit oponthoud zoude Nikolaas Palander zich bezig houden om de maten, die het verschil in hoogte der vizieren aanduidden, te herleiden, ten einde ze met het vlak der zee in overeenstemming te brengen. John Murray zou een weinig verademing zoeken van zijn wetenschappelijken arbeid in het bestudeeren van de fauna dezer streken door middel van geweerschoten.De inboorlingen van zuidelijk Afrika geven den naam van kraal aan een beweegbaar dorp, dat van de eene weide naar de andere kan worden overgebracht. Het is eene beslotene ruimte, waar binnen een dertigtal woningen, die vele honderden inwoners bevatten.De kraal, die de Engelsch-Russische commissie bereikte, was samengesteld uit eene vrij belangrijke verzameling van hutten, die in een kring op de oevers van een in de Kuruman uitvloeiende beek waren opgeslagen. Deze hutten waren gemaakt van op latten gespijkerde, ondoordringbare en van riet gevlochten matten; zij geleken op lage bijenkorven, waarvan de ingang, met een vel gesloten, den bewoner of bezoeker noodzaakte om op zijne knieën er in en er uit te kruipen. Door deze opening ging ook de scherpe rook van den haard naar buiten, zoodat de bewoonbaarheid dezer hutten zeer twijfelachtig was voor ieder ander dan een Hottentot of een Boschjesman.Toen de karavaan er aankwam, was de geheele bevolking in beweging. De wachthonden, die bij elke hut lagen, begonnen vreeselijk te blaffen. De krijgslieden van het dorp trokken naar buiten met lansen, messen en knodsen gewapend, en beschermd door lederen schilden. Hun aantal kon op tweehonderd geschat worden, en duidde de belangrijkheid der kraal aan, die niet minder dan zestig tot tachtig woningen moest bevatten; omringd door palissaden, die bovendien voorzien waren van de vijf of zes voet lange doornachtige stengels der agave, waren deze hutten beschermd tegen de wilde dieren.Evenwel verdwenen de vijandige oogmerken der inboorlingen spoedig, toen de jager Mokum slechts eenige woorden met het opperhoofd der kraal gewisseld had. De karavaan verkreeg de vergunning om zich bij de palissaden op den oever der beek neder te slaan. De Boschjesmannen dachten er zelfs niet aan om den reizigers het gedeelte der weide te betwisten, die zich over eene ruimte van verscheidene kilometers aan weerszijden uitstrekte. De paarden, buffels en andere dieren van de karavaan konden er overvloedigvoedsel vinden, zonder de kraalbewoners eenig nadeel toe te brengen.Het was een woud van hooge acacia’s. (Blz. 63.)Het was een woud van hooge acacia’s. (Blz.63.)Aanstonds werd de legerplaats volgens de aanwijzing van den Boschjesman op de gewone wijze ingericht. De wagens werden ineen kring geplaatst en ieder ging aan zijne eigene bezigheden. John Murray liet dus zijne tochtgenooten aan hunne berekeningen en wetenschappelijke waarnemingen over en vertrok zonder dralen met Mokum. De Engelsche jager zat op zijn gewoon paard en Mokum op zijn tammen zebra; drie honden volgden hen onder allerlei wilde sprongen. Murray en Mokum waren elk met een jachtgeweer met ontplofbare kogels gewapend, hetgeen bewees dat zij het plan hadden om ook op wilde dieren jacht te maken.De beide jagers reden in noordoostelijke richting naar eene boschrijke streek, die eenige kilometers van de kraal aflag. Zij reden naast elkander onder voortdurende gesprekken.»Ik hoop, vriend Mokum,” zeide John Murray, »dat ge nu uwe bij den waterval van Morgheda gedane belofte vervullen zult, door mij in het midden der wildrijkste streken van de aarde te brengen. Doch ge kunt mij gelooven als ik u verzeker dat ik niet in zuidelijk Afrika ben gekomen om hazen te schieten of vossen op te sporen. Die hebben wij in onze Schotsche hooglanden ook; vóór wij een uur verder zijn wil ik.....”»Eén uur!” antwoordde de Boschjesman. »U zult mij niet kwalijk nemen als ik zeg dat het wat snel is, en dat u vooral geduld moet hebben. Ik heb alleen geduld op de jacht, en daarmede koop ik al het ongeduld af, dat ik anders in mijn leven toon. Weet u dan niet mijnheer, dat het jagen op groote dieren eene kunst, zelfs eene wetenschap is, dat men het land en de gewoonten der dieren nauwkeurig moet leeren kennen, hunne gangen nagaan, en dan uren lang om hen heen moet draaien om ze eindelijk onder den wind te naderen? Weet u wel dat men zich wachten moet voor elk ontijdig geluid, voor elken geraasmakenden tred, voor elk onberaden uitkijken? Ik zelf ben dagen achtereen een buffel of gems blijven beloeren, en als ik na zesendertig uren, allernalei listen en lagen het beest geveld had, meende ik mijn tijd niet verloren te hebben.”»Zeer goed, mijn vriend,” antwoordde John Murray, »ik zal zooveel geduld nemen als ge maar wilt; maar laat ons niet vergeten, dat het oponthoud der karavaan slechts drie of vier dagen duurt, en dat we geen uur, zelfs geen minuut moeten verliezen!”»Daar denk ik wel aan,” antwoordde de Boschjesman op zulk een kalmen toon, dat Emery daaraan zijn reismakker van de Oranjerivier niet zou herkend hebben, »dat zal ik wel degelijk in het oog houden; wij zullen alles doodschieten wat ons voorkomt, mijnheer; wij zullen niet kieskeurig zijn: antilope of hert, gnoe of gazelle, alles is goed voor zulke haastige jagers.”»Antilope of gazelle!” riep John Murray uit, »ik vraag zelfs zooveel niet voor mijne eerste jachtpartij in Afrika. Maar wat denkt ge mij dan te laten schieten, mijn dappere Boschjesman?” De jager keek zijn makker met een zonderling gelaat aan en zeide toen opspottenden toon: »Als u verklaart dat u voldaan zijt, dan heb ik niets meer te zeggen; ik meende, dat u niet tevreden zoudt zijn vóór u een paar neushoorns of een paar olifanten hadt geschoten?”....»Jager,” antwoordde de Engelschman, »ik zal gaan waar ge mij brengen wilt. Ik zal schieten op al wat ge mij zult aanwijzen; kom aan dan, vooruit, en laten we maar geen tijd met ijdele praatjes verliezen!”De paarden werden in galop gezet, en de beide jagers naderden pijlsnel het woud. De vlakte, die zij doorreden, verhief zich langzamerhand naar het noordoosten. Hier en daar was zij met kreupelboschjes doorsneden, welker struiken allen in bloei stonden, en uit sommige van welke eene kleverige, doorschijnende en welriekende harst liep, waarvan de inboorlingen wondzalf maken. In schilderachtige groepjes verhieven zich de nuanas of adams-vijgenboomen, welker dertig tot veertig voet hooge stam gekroond werd door een groot bladerdak. In dit dik gebladerte fladderde eene menigte schreeuwende papegaaien die aasden op de zuurachtige vijgen. Verder stonden schilderachtige mimosa’s met groote bloemtrossen, die hare zijdeachtige kruinen zachtkens heen en weder wiegelden, aloës met lange stengels vol helderroode bloemen, welke men in de verte gehouden zou hebben voor koraalstruiken uit de diepte der zee opgehaald. De grond was als bezaaid met bevallige narcisleliën met blauwachtige bladeren, en bood voor de rijdieren een gemakkelijken weg aan. Minder dan een uur na de kraal verlaten te hebben waren Murray en Mokum aan den rand van het bosch; het was een woud van hooge acacia’s, dat zich over eene uitgebreidheid van verscheidene vierkante kilometers uitstrekte. Deze tallooze boomen stonden zonderling dooreen en strengelden hunne takken door elkander, zoodat de zonnestralen op den met doornstruiken en lang gras begroeiden grond niet konden doordringen. Evenwel aarzelden de zebra en het paard niet om onder het dichte bladerdak voort te draven en zich een weg te banen tusschen de onregelmatig door elkaâr gegroeide boomen. Hier en daar waren er open plekken in ’t midden van het woud, waar de jagers telkens bleven stilstaan om het hen omringende bosch te beschouwen.Men moet bekennen dat deze eerste dag voor Murray niet gunstig was: te vergeefs doorkruiste hij met zijn metgezel een gedeelte van het bosch. Geen enkel dier bewoog zich om hen te ontvangen, en Murray dacht met leedwezen aan de Schotsche vlakten, waar men niet lang behoefde te wachten om een schot te lossen. Misschien was de nabijheid der kraal de oorzaak dat het schichtige wild gevlucht was. Wat Mokum betreft, deze toonde noch verwondering, noch spijt. Voor hem was dit geen jacht, doch een haastige tocht door het bosch.Tegen tien uren ’s avonds moest men er aan denken om naar delegerplaats terug te keeren. Murray was boos zonder het te willen bekennen; een jager platzak te huis komen! dat nooit! Hij besloot dus bij zich zelven het eerste het beste dier dat hem voorkwam, vogel of viervoetig dier, wild of verscheurend beest, dood te schieten. Het lot scheen hem te begunstigen; de twee jagers waren geen drie kilometers meer van de kraal, toen een haas op honderd vijftig pas voor John Murray opsprong; deze aarzelde niet en schoot zijne buks op het onschuldige dier af. De Boschjesman uitte een kreet van verontwaardiging. Een kogel voor een onnoozelen haas, dien men met een hagel van kleine 6 neer kon leggen! Maar de Engelsche jager was nu eenmaal op het dier gesteld en rende naar de plaats toe, waar het had moeten vallen; doch te vergeefs, er was geen spoor van het dier te vinden; een weinig bloed op den grond, maar verder niets. Murray zocht onder de struiken en in het hooge gras; ook de honden zochten te vergeefs rond.»Ik heb hem toch geraakt!” riep John Murray.»Maar al te goed!” antwoordde de Boschjesman bedaard. »Als men een haas met een ontplofbaren kogel schiet, dan zou het wel wonder zijn als men er een stukje van terug vond!”En inderdaad, de haas was in kleine brokjes uit elkander gevlogen. Murray steeg geheel teleurgesteld weder te paard en reed zonder een woord meer te spreken naar de legerplaats terug. Den volgenden dag verwachtte de Boschjesman dat de Engelschman hem op nieuw zou voorstellen om op jacht te gaan. Maar de Engelschman, die in zijne eigenliefde gekrenkt was, vermeed eene ontmoeting met Mokum. Hij scheen alle jachtplannen te hebben laten varen en hield zich slechts bezig met instrumenten te verificeeren en waarnemingen te doen. Om zich te ontspannen bezocht hij daarna de kraal, waar hij de mannen zich zag oefenen met den boog, of spelen op de gorah, een soort van muziekinstrument, dat gemaakt wordt van eene snaar op een boog gespannen, die de speler doet trillen door er door een struisvogelpen op te blazen. In dien tijd waren de vrouwen met huislijken arbeid bezig, en rookten hennep, iets dat door een groot gedeelte van de inboorlingen bij wijze van tijdverdrijf gedaan werd. Volgens de opmerking van zekere reizigers vermeerdert dat inademen van hennepwalm de krachten des lichaams ten nadeele van die des geestes. En inderdaad velen van die Boschjesmannen schijnen verstompt te zijn door de dronkenschap, die het gevolg is van dit rooken.Den volgende dag, 27 Mei, werd Murray bij het aanbreken van den dag wakker gemaakt met deze hem in het oor gefluisterde woorden:»Ik geloof mijnheer, dat we van daag gelukkiger zullen zijn; maar laat ons geen hazen meer schieten met berghouwitsers!”Dien hij met onbeschrijfelijke kracht heen en weer schudde. (Blz. 68.)Dien hij met onbeschrijfelijke kracht heen en weer schudde. (Blz.68.)Murray werd niet boos toen hij deze spotachtige aanmerking hoorde. De twee jagers verwijderden zich eenige kilometers links van delegerplaats vóór hunne makkers wakker waren. John had ditmaal een eenvoudig jachtgeweer, een prachtstuk uit de fabriek van Goldwin, en veel geschikter voor de jacht op damherten of antilopendan zijne vreeselijke buks. Wel is waar kon men in de vlakte dikhuidige of verscheurende dieren ontmoeten. Maar Murray was nog ontevreden op zich zelven over die ontploffing van den haas, en hij zou liever een leeuw met hagel gedood hebben, dan weder een schot te lossen dat in de jaarboeken van de jacht een ongehoord feit was.Dien dag begunstigde de fortuin de beide jagers, zooals Mokum voorzien had. Zij velden een paar zwarte antilopen, die zeer moeilijk te schieten zijn. Het waren schoone dieren, vier voet hoog, met lange uit elkander staande en bevallig gekronkelde horens, evenals een paar zwaarden. Hun snuit liep spits toe en was aan de zijkanten een weinig plat; zij hadden zwarte pooten, dik en zacht haar, fijne en puntige ooren. Buik en voorhoofd waren wit als sneeuw en staken scherp af tegen het zwarte van den rug, waarlangs golvende manen hingen. De jagers mochten trotsch zijn op zulk eene vangst, want de zwarte antilope werd altijd begeerd door Delejorgue, Vahlberg, Cumming, Baldwin, en andere reizigers, en ’t is dan ook een van de schoonste voortbrengselen uit het dierenrijk in het zuidelijk halfrond.Maar wat vooral het Engelsche jagershart deed kloppen, waren zekere sporen, die de Boschjesman hem toonde aan den rand van een dicht kreupelhout, niet ver van een uitgebreid en diep moeras, dat door reusachtige euphorbiastruiken omringd en welks oppervlakte geheel bezaaid was met de hemelsblauwe bloemkelken van de waterlelie.»Mijnheer,” zeide Mokum, »als u morgen met het aanbreken van den dag op deze plek op de loer wilt gaanliggen, dan zou ik u aanraden uwe buks niet te vergeten.”»Waarom zegt ge dit, Mokum?” vroeg John Murray.»Ziet u die versche sporen op den vochtigen grond?”»Wat, die groote indruksels, zijn dat sporen van dieren? Maar dan hebben de pooten, die ze hebben gemaakt, meer dan een halven vadem in omtrek!”»Dat bewijst alleen,” antwoordde de Boschjesman, »dat het dier, dat zulke sporen achterlaat, minstens negen voeten hoog is.”»Een olifant!” riep Murray uit.»Juist, mijnheer, en als ik me niet bedrieg, is het een volwassen mannetje.”»Morgen dus, Boschjesman.”»Morgen, mijnheer.”De twee jagers kwamen in het kamp terug met hunne zwarte antilopen, die zij over het paard van John Murray gehangen hadden. Die schoone dieren, die zoo zeldzaam gevangen worden, wekten de bewondering van de geheele karavaan op. Allen wenschten Murray geluk, behalve de deftige Mathieu Strux, die op het punt van dierenslechts den Grooten Beer, den Draak, den Centaurus, Pegasus en andere hemellichamen kende.Den volgenden morgen om vier uren wachtten de beide jagers onbeweeglijk op hunne paarden met de honden naast zich te midden van een dik kreupelbosch op de komst van den troep olifanten. Aan versche indrukken hadden zij gezien dat de olifanten in een troep kwamen om in het moeras te drinken. Beiden waren gewapend met gegroefde buksen met ontplofbare kogels. Zij lagen onbeweeglijk en stil sedert ongeveer een half uur in het boschje op de loer, toen zij op vijftig pas afstands van het moeras beweging in het sombere loof bespeurden. Murray had zijne buks gegrepen, maar de Boschjesman hield zijne hand vast en beduidde hem dat hij zijn ongeduld bedwingen moest. Weldra vertoonden zich groote schaduwen; men hoorde het kreupelhout wijken voor eene onweêrstaanbare kracht; het was een geluid van hout dat kraakte, van struiken die vertrapt en tegen den grond verpletterd werden, terwijl een sterk geblaas zich door de takken liet hooren: het was de troep olifanten. Een half dozijn van die reusachtige dieren, bijna even groot als hunne stamverwanten in Indië, naderden langzaam het moeras.Het daglicht, dat langzamerhand sterker was geworden, veroorloofde Murray die sterke dieren te bewonderen. Een van deze, een mannetje van bijzondere grootte, trok vooral zijne aandacht. Het breede voorhoofdsbeen welfde zich tusschen een paar groote ooren, die hem tot op de borst hingen. Zijn kolossale omvang scheen in het schemerlicht nog reusachtiger; het dier slingerde zijn snuit boven het kreupelbosch heen en weer en stiet met zijne gebogen slagtanden tegen dikke boomstammen, die door den schok trilden. Misschien had het dier een voorgevoel van het naderend gevaar. Ondertusschen fluisterde de Boschjesman, zich naar John Murray buigend, dezen in het oor: »Welnu, is die naar uw zin?”John knikte toestemmend.»Welaan dan,” voegde Mokum er bij, »dan zullen wij hem van de rest van den troep scheiden.”Op dat oogenblik kwamen de olifanten aan den rand van het moeras; hunne weeke pooten zakten in den zachten bodem; zij zogen het water met hunne snuiten op, en spoten het in hun wijd keelgat, dat een luid klinkend geklok voortbracht. Het groote mannetje, dat wezenlijk ongerust was, keek om zich heen en snoof met veel geraas de lucht op, om op die wijze te weten te komen of er ook iets verdachts was.Plotseling liet de Boschjesman een bijzonderen kreet hooren. De drie honden begonnen hard te blaffen en sprongen uit het kreupelbosch op den troep olifanten los. Tegelijk riep Mokum tegen zijn makker niets dan het woordje »blijf!” en sprong met zijn zebra door het kreupelbosch om het mannetje den terugtocht af te snijden.Overigens trachtte het prachtige dier niet te vluchten; Murray beloerde hem met den vinger aan den haan van het geweer. De olifant sloeg met zijn snuit tegen de boomen en slingerde zenuwachtig met den staart, waarbij hij geen teekenen meer van ongerustheid, maar van woede gaf. Tot nog toe had hij den vijand slechts vermoed; op dit oogenblik zag hij hem en rende op hem aan.John Murray stond nu op ongeveer zestig pas afstands van het dier; hij wachtte totdat het op veertig genaderd was, mikte toen op de ribben en gaf vuur. Doch eene beweging van het paard verstoorde eenigszins de juistheid van zijn schot; de kogel ging slechts door het weeke vleesch, en bleef daarin zitten, zonder tegen eenig gedeelte aan te komen, dat hard genoeg was om hem te doen ontploffen. De woedende olifant versnelde zijn gang, die eer op een zeer snel loopen, dan op galoppeeren geleek; doch het was snel genoeg om een paard vooruit te komen. Nadat het paard van Murray een oogenblik gesteigerd had, sprong het uit het kreupelbosch, zonder dat de ruiter het kon inhouden. De olifant vervolgde het, terwijl hij de ooren opstak en door zijn snuit blies als door eene trompet. De jager, wiens paard met hem doorging, kneep het dier tusschen zijne krachtige knieën en beproefde eene patroon in zijn geweer te krijgen. De olifant echter begon op hem te winnen; weldra waren beiden in de vlakte buiten het bosch. Murray drukte zijne sporen diep in de zijden van het hollende paard. Twee van de honden renden blaffende en vluchtende met het dier mede; de olifant was op geen twee lengten meer achter hem; de jager voelde reeds zijn sterk geblaas en hoorde het snuiven van den snuit, waarmede hij de lucht zweepte. Elk oogenblik verwachtte hij door dien levenden lazzo van ’t paard gesleurd te worden. Plotseling boog het paard van achteren in elkander. De snuit was op het kruis neergekomen. Het dier liet een smartelijk gehinnik hooren en sprong op zijde; deze sprong redde Murray van een zekeren dood. De olifant door zijn snellen gang voortgejaagd vloog voorbij, maar nam met zijn snuit, waarmede hij over den grond streek, een van de honden op, dien hij met onbeschrijfelijke kracht heen en weer schudde.Hij hieuw met zijn bijl de slagtanden door. (Blz. 70.)Hij hieuw met zijn bijl de slagtanden door. (Blz.70.)Murray had geen ander middel meer dan in het bosch te vluchten; het instinct van het paard bracht er hem heen en weldra vloog het er met vreeselijke vaart in. De olifant was zich zelven ondertusschen weer meester geworden, en begon de vervolging op nieuw, terwijl hij den ongelukkigen hond heen en weer slingerde en diens kop tegen een vijgeboom verpletterde, toen hij het bosch inrende. Het paard sprong in het dichte struikgewas, dat door de met doorns bezette slingerplanten bijna ontoegankelijk was, en bleef staan. De Engelschman had, hoewel hij zich overal gekwetst gevoelde en met bloed bedekt was, geen oogenblik zijne tegenwoordigheid van geestverloren; hij keerde zich om, legde zijne buks met de grootste omzichtigheid aan, en mikte tusschen de struiken door op den schouder van den olifant. De kogel stuitte tegen een been en ontplofte. Hetdier wankelde, en bijna op hetzelfde oogenblik trof hem van den rand van het woud een tweede kogel in de linker zijde. Hij viel op de knieën, bij een kleinen waterplas, half onder het hooge gras verborgen. Daar slurpte hij met zijn snuit het water op en begon zijne wonden te besproeien, terwijl hij nu en dan een klagend geluid liet hooren. Op dit oogenblik verscheen de Boschjesman.»We hebben hem! We hebben hem!” riep Mokum.Inderdaad, het reusachtige dier was doodelijk gewond. Het stiet smartelijke kreten uit en haalde moeilijk adem; zijn staart bewoog zich slechts even en met zijn snuit, waarmede het in den door hem gevormden bloedplas slurpte, spoot het een rood gekleurden regen over het hem omringende kreupelhout uit. Toen begonnen de krachten hem te begeven, hij zonk geheel op de knieën en stierf.Op dat oogenblik kwam Murray uit de doornstruiken te voorschijn; zijne kleederen hingen hem in lappen om het lijf; maar hij had gaarne met zijn eigen huid die jagerszegepraal betaald.»Een verschrikkelijk beest, Boschjesman!” zeide hij, terwijl hij het bekeek, »een verschrikkelijk beest, maar een weinig te zwaar voor mijn weitasch!”»Goed, mijnheer!” antwoordde Mokum. »Wij zullen hem hier uit elkander snijden en slechts de keurigste stukken medenemen. Zie eens welke prachtige slagtanden de natuur hem gegeven heeft! Zij wegen minstens elk vijf en twintig pond, en dat tegen vijf shillings (ƒ 3) het pond, maakt een mooi sommetje.”Terwijl hij zoo sprak, begon de jager het dier in stukken te hakken; hij hieuw met zijn bijl de slagtanden door, en vergenoegde zich verder met de voeten en den snuit, omdat dit de meest geliefkoosde stukken waren, waarop hij de leden der wetenschappelijke commissie wilde onthalen. Hij had voor dit werk eenigen tijd noodig, zoodat hij met den Engelschman niet voor twaalf uren in de legerplaats terug was. Daar liet de Boschjesman de voeten van het reusachtige dier op de Afrikaansche manier koken, door ze te begraven in een gat dat evenals een oven eerst met gloeiende kolen heet was gemaakt. Het spreekt van zelf dat dit gerecht op zijne wezenlijke waarde geschat werd, zelfs door den onverschilligen Palander, en dat John Murray de gelukwenschen van het geheele gezelschap ontving.

IX.Een kraal.Den volgenden dag, 15 April, werd het werk zonder ophouden voortgezet. De hoek, dien de boom met de beide uiteinden van de basis vormde, werd nauwkeurig gemeten. Deze nieuwe meting kon den eersten driehoek doen berekenen. Toen dit gedaan was, werden rechts en links van den meridiaan twee andere stations gekozen, het eene gevormd door een heuvel, die zich zes kilometers verder in de vlakte verhief, het andere aangeduid door een paal, die op ongeveer zeven kilometers afstands in den grond werd geslagen. Zóó ging de triangulatie gedurende eene maand zonder verhindering voort. Den 15denMei waren de astronomen een graad noordwaarts gevorderd na zeven driehoeken te hebben gemeten.Gedurende dezen arbeid waren de kolonel en Mathieu Strux zelden met elkander in aanraking geweest. Men heeft gezien, dat bij het verdeelen van den arbeid en voor het nagaan der metingen de beide geleerden van elkander gescheiden waren. Zij werkten dagelijks op stations, die verscheidene kilometers van elkander aflagen en dit was een waarborg tegen allen mogelijken twist. Als de avond viel, ging elk hunner naar het kamp terug, en betrok weder zijne bijzondere woning. Wel is waar ontstond er nu en dan eenig verschil over de keuze der stations, die in gemeen overleg moesten bepaald worden, doch dit bracht geen ernstig geschil te weeg. Michel Zorn en zijn vriend William konden dus hopen dat, dank zij de scheiding der beide mededingers, de geodesische arbeid kon worden voortgezet zonder eene betreurenswaardige uitbarsting te veroorzaken.Nu de waarnemers den 15denMei, zooals reeds gezegd is, zich op een graad afstands van het zuidelijkste punt van den meridiaanbevonden, waren zij op de hoogte van Lattakou; het Afrikaansche dorp lag 35 kilometers oostwaarts van hun station. Eerst onlangs was een groote kraal op deze plaats gesticht; het was eene goede plaats om halt te houden, en op voorstel van John Murray werd er bepaald dat de karavaan er eenige dagen zou uitrusten. Michel Zorn en William Emery zouden van dien tijd gebruik maken om de hoogte der zon te nemen. Gedurende dit oponthoud zoude Nikolaas Palander zich bezig houden om de maten, die het verschil in hoogte der vizieren aanduidden, te herleiden, ten einde ze met het vlak der zee in overeenstemming te brengen. John Murray zou een weinig verademing zoeken van zijn wetenschappelijken arbeid in het bestudeeren van de fauna dezer streken door middel van geweerschoten.De inboorlingen van zuidelijk Afrika geven den naam van kraal aan een beweegbaar dorp, dat van de eene weide naar de andere kan worden overgebracht. Het is eene beslotene ruimte, waar binnen een dertigtal woningen, die vele honderden inwoners bevatten.De kraal, die de Engelsch-Russische commissie bereikte, was samengesteld uit eene vrij belangrijke verzameling van hutten, die in een kring op de oevers van een in de Kuruman uitvloeiende beek waren opgeslagen. Deze hutten waren gemaakt van op latten gespijkerde, ondoordringbare en van riet gevlochten matten; zij geleken op lage bijenkorven, waarvan de ingang, met een vel gesloten, den bewoner of bezoeker noodzaakte om op zijne knieën er in en er uit te kruipen. Door deze opening ging ook de scherpe rook van den haard naar buiten, zoodat de bewoonbaarheid dezer hutten zeer twijfelachtig was voor ieder ander dan een Hottentot of een Boschjesman.Toen de karavaan er aankwam, was de geheele bevolking in beweging. De wachthonden, die bij elke hut lagen, begonnen vreeselijk te blaffen. De krijgslieden van het dorp trokken naar buiten met lansen, messen en knodsen gewapend, en beschermd door lederen schilden. Hun aantal kon op tweehonderd geschat worden, en duidde de belangrijkheid der kraal aan, die niet minder dan zestig tot tachtig woningen moest bevatten; omringd door palissaden, die bovendien voorzien waren van de vijf of zes voet lange doornachtige stengels der agave, waren deze hutten beschermd tegen de wilde dieren.Evenwel verdwenen de vijandige oogmerken der inboorlingen spoedig, toen de jager Mokum slechts eenige woorden met het opperhoofd der kraal gewisseld had. De karavaan verkreeg de vergunning om zich bij de palissaden op den oever der beek neder te slaan. De Boschjesmannen dachten er zelfs niet aan om den reizigers het gedeelte der weide te betwisten, die zich over eene ruimte van verscheidene kilometers aan weerszijden uitstrekte. De paarden, buffels en andere dieren van de karavaan konden er overvloedigvoedsel vinden, zonder de kraalbewoners eenig nadeel toe te brengen.Het was een woud van hooge acacia’s. (Blz. 63.)Het was een woud van hooge acacia’s. (Blz.63.)Aanstonds werd de legerplaats volgens de aanwijzing van den Boschjesman op de gewone wijze ingericht. De wagens werden ineen kring geplaatst en ieder ging aan zijne eigene bezigheden. John Murray liet dus zijne tochtgenooten aan hunne berekeningen en wetenschappelijke waarnemingen over en vertrok zonder dralen met Mokum. De Engelsche jager zat op zijn gewoon paard en Mokum op zijn tammen zebra; drie honden volgden hen onder allerlei wilde sprongen. Murray en Mokum waren elk met een jachtgeweer met ontplofbare kogels gewapend, hetgeen bewees dat zij het plan hadden om ook op wilde dieren jacht te maken.De beide jagers reden in noordoostelijke richting naar eene boschrijke streek, die eenige kilometers van de kraal aflag. Zij reden naast elkander onder voortdurende gesprekken.»Ik hoop, vriend Mokum,” zeide John Murray, »dat ge nu uwe bij den waterval van Morgheda gedane belofte vervullen zult, door mij in het midden der wildrijkste streken van de aarde te brengen. Doch ge kunt mij gelooven als ik u verzeker dat ik niet in zuidelijk Afrika ben gekomen om hazen te schieten of vossen op te sporen. Die hebben wij in onze Schotsche hooglanden ook; vóór wij een uur verder zijn wil ik.....”»Eén uur!” antwoordde de Boschjesman. »U zult mij niet kwalijk nemen als ik zeg dat het wat snel is, en dat u vooral geduld moet hebben. Ik heb alleen geduld op de jacht, en daarmede koop ik al het ongeduld af, dat ik anders in mijn leven toon. Weet u dan niet mijnheer, dat het jagen op groote dieren eene kunst, zelfs eene wetenschap is, dat men het land en de gewoonten der dieren nauwkeurig moet leeren kennen, hunne gangen nagaan, en dan uren lang om hen heen moet draaien om ze eindelijk onder den wind te naderen? Weet u wel dat men zich wachten moet voor elk ontijdig geluid, voor elken geraasmakenden tred, voor elk onberaden uitkijken? Ik zelf ben dagen achtereen een buffel of gems blijven beloeren, en als ik na zesendertig uren, allernalei listen en lagen het beest geveld had, meende ik mijn tijd niet verloren te hebben.”»Zeer goed, mijn vriend,” antwoordde John Murray, »ik zal zooveel geduld nemen als ge maar wilt; maar laat ons niet vergeten, dat het oponthoud der karavaan slechts drie of vier dagen duurt, en dat we geen uur, zelfs geen minuut moeten verliezen!”»Daar denk ik wel aan,” antwoordde de Boschjesman op zulk een kalmen toon, dat Emery daaraan zijn reismakker van de Oranjerivier niet zou herkend hebben, »dat zal ik wel degelijk in het oog houden; wij zullen alles doodschieten wat ons voorkomt, mijnheer; wij zullen niet kieskeurig zijn: antilope of hert, gnoe of gazelle, alles is goed voor zulke haastige jagers.”»Antilope of gazelle!” riep John Murray uit, »ik vraag zelfs zooveel niet voor mijne eerste jachtpartij in Afrika. Maar wat denkt ge mij dan te laten schieten, mijn dappere Boschjesman?” De jager keek zijn makker met een zonderling gelaat aan en zeide toen opspottenden toon: »Als u verklaart dat u voldaan zijt, dan heb ik niets meer te zeggen; ik meende, dat u niet tevreden zoudt zijn vóór u een paar neushoorns of een paar olifanten hadt geschoten?”....»Jager,” antwoordde de Engelschman, »ik zal gaan waar ge mij brengen wilt. Ik zal schieten op al wat ge mij zult aanwijzen; kom aan dan, vooruit, en laten we maar geen tijd met ijdele praatjes verliezen!”De paarden werden in galop gezet, en de beide jagers naderden pijlsnel het woud. De vlakte, die zij doorreden, verhief zich langzamerhand naar het noordoosten. Hier en daar was zij met kreupelboschjes doorsneden, welker struiken allen in bloei stonden, en uit sommige van welke eene kleverige, doorschijnende en welriekende harst liep, waarvan de inboorlingen wondzalf maken. In schilderachtige groepjes verhieven zich de nuanas of adams-vijgenboomen, welker dertig tot veertig voet hooge stam gekroond werd door een groot bladerdak. In dit dik gebladerte fladderde eene menigte schreeuwende papegaaien die aasden op de zuurachtige vijgen. Verder stonden schilderachtige mimosa’s met groote bloemtrossen, die hare zijdeachtige kruinen zachtkens heen en weder wiegelden, aloës met lange stengels vol helderroode bloemen, welke men in de verte gehouden zou hebben voor koraalstruiken uit de diepte der zee opgehaald. De grond was als bezaaid met bevallige narcisleliën met blauwachtige bladeren, en bood voor de rijdieren een gemakkelijken weg aan. Minder dan een uur na de kraal verlaten te hebben waren Murray en Mokum aan den rand van het bosch; het was een woud van hooge acacia’s, dat zich over eene uitgebreidheid van verscheidene vierkante kilometers uitstrekte. Deze tallooze boomen stonden zonderling dooreen en strengelden hunne takken door elkander, zoodat de zonnestralen op den met doornstruiken en lang gras begroeiden grond niet konden doordringen. Evenwel aarzelden de zebra en het paard niet om onder het dichte bladerdak voort te draven en zich een weg te banen tusschen de onregelmatig door elkaâr gegroeide boomen. Hier en daar waren er open plekken in ’t midden van het woud, waar de jagers telkens bleven stilstaan om het hen omringende bosch te beschouwen.Men moet bekennen dat deze eerste dag voor Murray niet gunstig was: te vergeefs doorkruiste hij met zijn metgezel een gedeelte van het bosch. Geen enkel dier bewoog zich om hen te ontvangen, en Murray dacht met leedwezen aan de Schotsche vlakten, waar men niet lang behoefde te wachten om een schot te lossen. Misschien was de nabijheid der kraal de oorzaak dat het schichtige wild gevlucht was. Wat Mokum betreft, deze toonde noch verwondering, noch spijt. Voor hem was dit geen jacht, doch een haastige tocht door het bosch.Tegen tien uren ’s avonds moest men er aan denken om naar delegerplaats terug te keeren. Murray was boos zonder het te willen bekennen; een jager platzak te huis komen! dat nooit! Hij besloot dus bij zich zelven het eerste het beste dier dat hem voorkwam, vogel of viervoetig dier, wild of verscheurend beest, dood te schieten. Het lot scheen hem te begunstigen; de twee jagers waren geen drie kilometers meer van de kraal, toen een haas op honderd vijftig pas voor John Murray opsprong; deze aarzelde niet en schoot zijne buks op het onschuldige dier af. De Boschjesman uitte een kreet van verontwaardiging. Een kogel voor een onnoozelen haas, dien men met een hagel van kleine 6 neer kon leggen! Maar de Engelsche jager was nu eenmaal op het dier gesteld en rende naar de plaats toe, waar het had moeten vallen; doch te vergeefs, er was geen spoor van het dier te vinden; een weinig bloed op den grond, maar verder niets. Murray zocht onder de struiken en in het hooge gras; ook de honden zochten te vergeefs rond.»Ik heb hem toch geraakt!” riep John Murray.»Maar al te goed!” antwoordde de Boschjesman bedaard. »Als men een haas met een ontplofbaren kogel schiet, dan zou het wel wonder zijn als men er een stukje van terug vond!”En inderdaad, de haas was in kleine brokjes uit elkander gevlogen. Murray steeg geheel teleurgesteld weder te paard en reed zonder een woord meer te spreken naar de legerplaats terug. Den volgenden dag verwachtte de Boschjesman dat de Engelschman hem op nieuw zou voorstellen om op jacht te gaan. Maar de Engelschman, die in zijne eigenliefde gekrenkt was, vermeed eene ontmoeting met Mokum. Hij scheen alle jachtplannen te hebben laten varen en hield zich slechts bezig met instrumenten te verificeeren en waarnemingen te doen. Om zich te ontspannen bezocht hij daarna de kraal, waar hij de mannen zich zag oefenen met den boog, of spelen op de gorah, een soort van muziekinstrument, dat gemaakt wordt van eene snaar op een boog gespannen, die de speler doet trillen door er door een struisvogelpen op te blazen. In dien tijd waren de vrouwen met huislijken arbeid bezig, en rookten hennep, iets dat door een groot gedeelte van de inboorlingen bij wijze van tijdverdrijf gedaan werd. Volgens de opmerking van zekere reizigers vermeerdert dat inademen van hennepwalm de krachten des lichaams ten nadeele van die des geestes. En inderdaad velen van die Boschjesmannen schijnen verstompt te zijn door de dronkenschap, die het gevolg is van dit rooken.Den volgende dag, 27 Mei, werd Murray bij het aanbreken van den dag wakker gemaakt met deze hem in het oor gefluisterde woorden:»Ik geloof mijnheer, dat we van daag gelukkiger zullen zijn; maar laat ons geen hazen meer schieten met berghouwitsers!”Dien hij met onbeschrijfelijke kracht heen en weer schudde. (Blz. 68.)Dien hij met onbeschrijfelijke kracht heen en weer schudde. (Blz.68.)Murray werd niet boos toen hij deze spotachtige aanmerking hoorde. De twee jagers verwijderden zich eenige kilometers links van delegerplaats vóór hunne makkers wakker waren. John had ditmaal een eenvoudig jachtgeweer, een prachtstuk uit de fabriek van Goldwin, en veel geschikter voor de jacht op damherten of antilopendan zijne vreeselijke buks. Wel is waar kon men in de vlakte dikhuidige of verscheurende dieren ontmoeten. Maar Murray was nog ontevreden op zich zelven over die ontploffing van den haas, en hij zou liever een leeuw met hagel gedood hebben, dan weder een schot te lossen dat in de jaarboeken van de jacht een ongehoord feit was.Dien dag begunstigde de fortuin de beide jagers, zooals Mokum voorzien had. Zij velden een paar zwarte antilopen, die zeer moeilijk te schieten zijn. Het waren schoone dieren, vier voet hoog, met lange uit elkander staande en bevallig gekronkelde horens, evenals een paar zwaarden. Hun snuit liep spits toe en was aan de zijkanten een weinig plat; zij hadden zwarte pooten, dik en zacht haar, fijne en puntige ooren. Buik en voorhoofd waren wit als sneeuw en staken scherp af tegen het zwarte van den rug, waarlangs golvende manen hingen. De jagers mochten trotsch zijn op zulk eene vangst, want de zwarte antilope werd altijd begeerd door Delejorgue, Vahlberg, Cumming, Baldwin, en andere reizigers, en ’t is dan ook een van de schoonste voortbrengselen uit het dierenrijk in het zuidelijk halfrond.Maar wat vooral het Engelsche jagershart deed kloppen, waren zekere sporen, die de Boschjesman hem toonde aan den rand van een dicht kreupelhout, niet ver van een uitgebreid en diep moeras, dat door reusachtige euphorbiastruiken omringd en welks oppervlakte geheel bezaaid was met de hemelsblauwe bloemkelken van de waterlelie.»Mijnheer,” zeide Mokum, »als u morgen met het aanbreken van den dag op deze plek op de loer wilt gaanliggen, dan zou ik u aanraden uwe buks niet te vergeten.”»Waarom zegt ge dit, Mokum?” vroeg John Murray.»Ziet u die versche sporen op den vochtigen grond?”»Wat, die groote indruksels, zijn dat sporen van dieren? Maar dan hebben de pooten, die ze hebben gemaakt, meer dan een halven vadem in omtrek!”»Dat bewijst alleen,” antwoordde de Boschjesman, »dat het dier, dat zulke sporen achterlaat, minstens negen voeten hoog is.”»Een olifant!” riep Murray uit.»Juist, mijnheer, en als ik me niet bedrieg, is het een volwassen mannetje.”»Morgen dus, Boschjesman.”»Morgen, mijnheer.”De twee jagers kwamen in het kamp terug met hunne zwarte antilopen, die zij over het paard van John Murray gehangen hadden. Die schoone dieren, die zoo zeldzaam gevangen worden, wekten de bewondering van de geheele karavaan op. Allen wenschten Murray geluk, behalve de deftige Mathieu Strux, die op het punt van dierenslechts den Grooten Beer, den Draak, den Centaurus, Pegasus en andere hemellichamen kende.Den volgenden morgen om vier uren wachtten de beide jagers onbeweeglijk op hunne paarden met de honden naast zich te midden van een dik kreupelbosch op de komst van den troep olifanten. Aan versche indrukken hadden zij gezien dat de olifanten in een troep kwamen om in het moeras te drinken. Beiden waren gewapend met gegroefde buksen met ontplofbare kogels. Zij lagen onbeweeglijk en stil sedert ongeveer een half uur in het boschje op de loer, toen zij op vijftig pas afstands van het moeras beweging in het sombere loof bespeurden. Murray had zijne buks gegrepen, maar de Boschjesman hield zijne hand vast en beduidde hem dat hij zijn ongeduld bedwingen moest. Weldra vertoonden zich groote schaduwen; men hoorde het kreupelhout wijken voor eene onweêrstaanbare kracht; het was een geluid van hout dat kraakte, van struiken die vertrapt en tegen den grond verpletterd werden, terwijl een sterk geblaas zich door de takken liet hooren: het was de troep olifanten. Een half dozijn van die reusachtige dieren, bijna even groot als hunne stamverwanten in Indië, naderden langzaam het moeras.Het daglicht, dat langzamerhand sterker was geworden, veroorloofde Murray die sterke dieren te bewonderen. Een van deze, een mannetje van bijzondere grootte, trok vooral zijne aandacht. Het breede voorhoofdsbeen welfde zich tusschen een paar groote ooren, die hem tot op de borst hingen. Zijn kolossale omvang scheen in het schemerlicht nog reusachtiger; het dier slingerde zijn snuit boven het kreupelbosch heen en weer en stiet met zijne gebogen slagtanden tegen dikke boomstammen, die door den schok trilden. Misschien had het dier een voorgevoel van het naderend gevaar. Ondertusschen fluisterde de Boschjesman, zich naar John Murray buigend, dezen in het oor: »Welnu, is die naar uw zin?”John knikte toestemmend.»Welaan dan,” voegde Mokum er bij, »dan zullen wij hem van de rest van den troep scheiden.”Op dat oogenblik kwamen de olifanten aan den rand van het moeras; hunne weeke pooten zakten in den zachten bodem; zij zogen het water met hunne snuiten op, en spoten het in hun wijd keelgat, dat een luid klinkend geklok voortbracht. Het groote mannetje, dat wezenlijk ongerust was, keek om zich heen en snoof met veel geraas de lucht op, om op die wijze te weten te komen of er ook iets verdachts was.Plotseling liet de Boschjesman een bijzonderen kreet hooren. De drie honden begonnen hard te blaffen en sprongen uit het kreupelbosch op den troep olifanten los. Tegelijk riep Mokum tegen zijn makker niets dan het woordje »blijf!” en sprong met zijn zebra door het kreupelbosch om het mannetje den terugtocht af te snijden.Overigens trachtte het prachtige dier niet te vluchten; Murray beloerde hem met den vinger aan den haan van het geweer. De olifant sloeg met zijn snuit tegen de boomen en slingerde zenuwachtig met den staart, waarbij hij geen teekenen meer van ongerustheid, maar van woede gaf. Tot nog toe had hij den vijand slechts vermoed; op dit oogenblik zag hij hem en rende op hem aan.John Murray stond nu op ongeveer zestig pas afstands van het dier; hij wachtte totdat het op veertig genaderd was, mikte toen op de ribben en gaf vuur. Doch eene beweging van het paard verstoorde eenigszins de juistheid van zijn schot; de kogel ging slechts door het weeke vleesch, en bleef daarin zitten, zonder tegen eenig gedeelte aan te komen, dat hard genoeg was om hem te doen ontploffen. De woedende olifant versnelde zijn gang, die eer op een zeer snel loopen, dan op galoppeeren geleek; doch het was snel genoeg om een paard vooruit te komen. Nadat het paard van Murray een oogenblik gesteigerd had, sprong het uit het kreupelbosch, zonder dat de ruiter het kon inhouden. De olifant vervolgde het, terwijl hij de ooren opstak en door zijn snuit blies als door eene trompet. De jager, wiens paard met hem doorging, kneep het dier tusschen zijne krachtige knieën en beproefde eene patroon in zijn geweer te krijgen. De olifant echter begon op hem te winnen; weldra waren beiden in de vlakte buiten het bosch. Murray drukte zijne sporen diep in de zijden van het hollende paard. Twee van de honden renden blaffende en vluchtende met het dier mede; de olifant was op geen twee lengten meer achter hem; de jager voelde reeds zijn sterk geblaas en hoorde het snuiven van den snuit, waarmede hij de lucht zweepte. Elk oogenblik verwachtte hij door dien levenden lazzo van ’t paard gesleurd te worden. Plotseling boog het paard van achteren in elkander. De snuit was op het kruis neergekomen. Het dier liet een smartelijk gehinnik hooren en sprong op zijde; deze sprong redde Murray van een zekeren dood. De olifant door zijn snellen gang voortgejaagd vloog voorbij, maar nam met zijn snuit, waarmede hij over den grond streek, een van de honden op, dien hij met onbeschrijfelijke kracht heen en weer schudde.Hij hieuw met zijn bijl de slagtanden door. (Blz. 70.)Hij hieuw met zijn bijl de slagtanden door. (Blz.70.)Murray had geen ander middel meer dan in het bosch te vluchten; het instinct van het paard bracht er hem heen en weldra vloog het er met vreeselijke vaart in. De olifant was zich zelven ondertusschen weer meester geworden, en begon de vervolging op nieuw, terwijl hij den ongelukkigen hond heen en weer slingerde en diens kop tegen een vijgeboom verpletterde, toen hij het bosch inrende. Het paard sprong in het dichte struikgewas, dat door de met doorns bezette slingerplanten bijna ontoegankelijk was, en bleef staan. De Engelschman had, hoewel hij zich overal gekwetst gevoelde en met bloed bedekt was, geen oogenblik zijne tegenwoordigheid van geestverloren; hij keerde zich om, legde zijne buks met de grootste omzichtigheid aan, en mikte tusschen de struiken door op den schouder van den olifant. De kogel stuitte tegen een been en ontplofte. Hetdier wankelde, en bijna op hetzelfde oogenblik trof hem van den rand van het woud een tweede kogel in de linker zijde. Hij viel op de knieën, bij een kleinen waterplas, half onder het hooge gras verborgen. Daar slurpte hij met zijn snuit het water op en begon zijne wonden te besproeien, terwijl hij nu en dan een klagend geluid liet hooren. Op dit oogenblik verscheen de Boschjesman.»We hebben hem! We hebben hem!” riep Mokum.Inderdaad, het reusachtige dier was doodelijk gewond. Het stiet smartelijke kreten uit en haalde moeilijk adem; zijn staart bewoog zich slechts even en met zijn snuit, waarmede het in den door hem gevormden bloedplas slurpte, spoot het een rood gekleurden regen over het hem omringende kreupelhout uit. Toen begonnen de krachten hem te begeven, hij zonk geheel op de knieën en stierf.Op dat oogenblik kwam Murray uit de doornstruiken te voorschijn; zijne kleederen hingen hem in lappen om het lijf; maar hij had gaarne met zijn eigen huid die jagerszegepraal betaald.»Een verschrikkelijk beest, Boschjesman!” zeide hij, terwijl hij het bekeek, »een verschrikkelijk beest, maar een weinig te zwaar voor mijn weitasch!”»Goed, mijnheer!” antwoordde Mokum. »Wij zullen hem hier uit elkander snijden en slechts de keurigste stukken medenemen. Zie eens welke prachtige slagtanden de natuur hem gegeven heeft! Zij wegen minstens elk vijf en twintig pond, en dat tegen vijf shillings (ƒ 3) het pond, maakt een mooi sommetje.”Terwijl hij zoo sprak, begon de jager het dier in stukken te hakken; hij hieuw met zijn bijl de slagtanden door, en vergenoegde zich verder met de voeten en den snuit, omdat dit de meest geliefkoosde stukken waren, waarop hij de leden der wetenschappelijke commissie wilde onthalen. Hij had voor dit werk eenigen tijd noodig, zoodat hij met den Engelschman niet voor twaalf uren in de legerplaats terug was. Daar liet de Boschjesman de voeten van het reusachtige dier op de Afrikaansche manier koken, door ze te begraven in een gat dat evenals een oven eerst met gloeiende kolen heet was gemaakt. Het spreekt van zelf dat dit gerecht op zijne wezenlijke waarde geschat werd, zelfs door den onverschilligen Palander, en dat John Murray de gelukwenschen van het geheele gezelschap ontving.

IX.Een kraal.

Den volgenden dag, 15 April, werd het werk zonder ophouden voortgezet. De hoek, dien de boom met de beide uiteinden van de basis vormde, werd nauwkeurig gemeten. Deze nieuwe meting kon den eersten driehoek doen berekenen. Toen dit gedaan was, werden rechts en links van den meridiaan twee andere stations gekozen, het eene gevormd door een heuvel, die zich zes kilometers verder in de vlakte verhief, het andere aangeduid door een paal, die op ongeveer zeven kilometers afstands in den grond werd geslagen. Zóó ging de triangulatie gedurende eene maand zonder verhindering voort. Den 15denMei waren de astronomen een graad noordwaarts gevorderd na zeven driehoeken te hebben gemeten.Gedurende dezen arbeid waren de kolonel en Mathieu Strux zelden met elkander in aanraking geweest. Men heeft gezien, dat bij het verdeelen van den arbeid en voor het nagaan der metingen de beide geleerden van elkander gescheiden waren. Zij werkten dagelijks op stations, die verscheidene kilometers van elkander aflagen en dit was een waarborg tegen allen mogelijken twist. Als de avond viel, ging elk hunner naar het kamp terug, en betrok weder zijne bijzondere woning. Wel is waar ontstond er nu en dan eenig verschil over de keuze der stations, die in gemeen overleg moesten bepaald worden, doch dit bracht geen ernstig geschil te weeg. Michel Zorn en zijn vriend William konden dus hopen dat, dank zij de scheiding der beide mededingers, de geodesische arbeid kon worden voortgezet zonder eene betreurenswaardige uitbarsting te veroorzaken.Nu de waarnemers den 15denMei, zooals reeds gezegd is, zich op een graad afstands van het zuidelijkste punt van den meridiaanbevonden, waren zij op de hoogte van Lattakou; het Afrikaansche dorp lag 35 kilometers oostwaarts van hun station. Eerst onlangs was een groote kraal op deze plaats gesticht; het was eene goede plaats om halt te houden, en op voorstel van John Murray werd er bepaald dat de karavaan er eenige dagen zou uitrusten. Michel Zorn en William Emery zouden van dien tijd gebruik maken om de hoogte der zon te nemen. Gedurende dit oponthoud zoude Nikolaas Palander zich bezig houden om de maten, die het verschil in hoogte der vizieren aanduidden, te herleiden, ten einde ze met het vlak der zee in overeenstemming te brengen. John Murray zou een weinig verademing zoeken van zijn wetenschappelijken arbeid in het bestudeeren van de fauna dezer streken door middel van geweerschoten.De inboorlingen van zuidelijk Afrika geven den naam van kraal aan een beweegbaar dorp, dat van de eene weide naar de andere kan worden overgebracht. Het is eene beslotene ruimte, waar binnen een dertigtal woningen, die vele honderden inwoners bevatten.De kraal, die de Engelsch-Russische commissie bereikte, was samengesteld uit eene vrij belangrijke verzameling van hutten, die in een kring op de oevers van een in de Kuruman uitvloeiende beek waren opgeslagen. Deze hutten waren gemaakt van op latten gespijkerde, ondoordringbare en van riet gevlochten matten; zij geleken op lage bijenkorven, waarvan de ingang, met een vel gesloten, den bewoner of bezoeker noodzaakte om op zijne knieën er in en er uit te kruipen. Door deze opening ging ook de scherpe rook van den haard naar buiten, zoodat de bewoonbaarheid dezer hutten zeer twijfelachtig was voor ieder ander dan een Hottentot of een Boschjesman.Toen de karavaan er aankwam, was de geheele bevolking in beweging. De wachthonden, die bij elke hut lagen, begonnen vreeselijk te blaffen. De krijgslieden van het dorp trokken naar buiten met lansen, messen en knodsen gewapend, en beschermd door lederen schilden. Hun aantal kon op tweehonderd geschat worden, en duidde de belangrijkheid der kraal aan, die niet minder dan zestig tot tachtig woningen moest bevatten; omringd door palissaden, die bovendien voorzien waren van de vijf of zes voet lange doornachtige stengels der agave, waren deze hutten beschermd tegen de wilde dieren.Evenwel verdwenen de vijandige oogmerken der inboorlingen spoedig, toen de jager Mokum slechts eenige woorden met het opperhoofd der kraal gewisseld had. De karavaan verkreeg de vergunning om zich bij de palissaden op den oever der beek neder te slaan. De Boschjesmannen dachten er zelfs niet aan om den reizigers het gedeelte der weide te betwisten, die zich over eene ruimte van verscheidene kilometers aan weerszijden uitstrekte. De paarden, buffels en andere dieren van de karavaan konden er overvloedigvoedsel vinden, zonder de kraalbewoners eenig nadeel toe te brengen.Het was een woud van hooge acacia’s. (Blz. 63.)Het was een woud van hooge acacia’s. (Blz.63.)Aanstonds werd de legerplaats volgens de aanwijzing van den Boschjesman op de gewone wijze ingericht. De wagens werden ineen kring geplaatst en ieder ging aan zijne eigene bezigheden. John Murray liet dus zijne tochtgenooten aan hunne berekeningen en wetenschappelijke waarnemingen over en vertrok zonder dralen met Mokum. De Engelsche jager zat op zijn gewoon paard en Mokum op zijn tammen zebra; drie honden volgden hen onder allerlei wilde sprongen. Murray en Mokum waren elk met een jachtgeweer met ontplofbare kogels gewapend, hetgeen bewees dat zij het plan hadden om ook op wilde dieren jacht te maken.De beide jagers reden in noordoostelijke richting naar eene boschrijke streek, die eenige kilometers van de kraal aflag. Zij reden naast elkander onder voortdurende gesprekken.»Ik hoop, vriend Mokum,” zeide John Murray, »dat ge nu uwe bij den waterval van Morgheda gedane belofte vervullen zult, door mij in het midden der wildrijkste streken van de aarde te brengen. Doch ge kunt mij gelooven als ik u verzeker dat ik niet in zuidelijk Afrika ben gekomen om hazen te schieten of vossen op te sporen. Die hebben wij in onze Schotsche hooglanden ook; vóór wij een uur verder zijn wil ik.....”»Eén uur!” antwoordde de Boschjesman. »U zult mij niet kwalijk nemen als ik zeg dat het wat snel is, en dat u vooral geduld moet hebben. Ik heb alleen geduld op de jacht, en daarmede koop ik al het ongeduld af, dat ik anders in mijn leven toon. Weet u dan niet mijnheer, dat het jagen op groote dieren eene kunst, zelfs eene wetenschap is, dat men het land en de gewoonten der dieren nauwkeurig moet leeren kennen, hunne gangen nagaan, en dan uren lang om hen heen moet draaien om ze eindelijk onder den wind te naderen? Weet u wel dat men zich wachten moet voor elk ontijdig geluid, voor elken geraasmakenden tred, voor elk onberaden uitkijken? Ik zelf ben dagen achtereen een buffel of gems blijven beloeren, en als ik na zesendertig uren, allernalei listen en lagen het beest geveld had, meende ik mijn tijd niet verloren te hebben.”»Zeer goed, mijn vriend,” antwoordde John Murray, »ik zal zooveel geduld nemen als ge maar wilt; maar laat ons niet vergeten, dat het oponthoud der karavaan slechts drie of vier dagen duurt, en dat we geen uur, zelfs geen minuut moeten verliezen!”»Daar denk ik wel aan,” antwoordde de Boschjesman op zulk een kalmen toon, dat Emery daaraan zijn reismakker van de Oranjerivier niet zou herkend hebben, »dat zal ik wel degelijk in het oog houden; wij zullen alles doodschieten wat ons voorkomt, mijnheer; wij zullen niet kieskeurig zijn: antilope of hert, gnoe of gazelle, alles is goed voor zulke haastige jagers.”»Antilope of gazelle!” riep John Murray uit, »ik vraag zelfs zooveel niet voor mijne eerste jachtpartij in Afrika. Maar wat denkt ge mij dan te laten schieten, mijn dappere Boschjesman?” De jager keek zijn makker met een zonderling gelaat aan en zeide toen opspottenden toon: »Als u verklaart dat u voldaan zijt, dan heb ik niets meer te zeggen; ik meende, dat u niet tevreden zoudt zijn vóór u een paar neushoorns of een paar olifanten hadt geschoten?”....»Jager,” antwoordde de Engelschman, »ik zal gaan waar ge mij brengen wilt. Ik zal schieten op al wat ge mij zult aanwijzen; kom aan dan, vooruit, en laten we maar geen tijd met ijdele praatjes verliezen!”De paarden werden in galop gezet, en de beide jagers naderden pijlsnel het woud. De vlakte, die zij doorreden, verhief zich langzamerhand naar het noordoosten. Hier en daar was zij met kreupelboschjes doorsneden, welker struiken allen in bloei stonden, en uit sommige van welke eene kleverige, doorschijnende en welriekende harst liep, waarvan de inboorlingen wondzalf maken. In schilderachtige groepjes verhieven zich de nuanas of adams-vijgenboomen, welker dertig tot veertig voet hooge stam gekroond werd door een groot bladerdak. In dit dik gebladerte fladderde eene menigte schreeuwende papegaaien die aasden op de zuurachtige vijgen. Verder stonden schilderachtige mimosa’s met groote bloemtrossen, die hare zijdeachtige kruinen zachtkens heen en weder wiegelden, aloës met lange stengels vol helderroode bloemen, welke men in de verte gehouden zou hebben voor koraalstruiken uit de diepte der zee opgehaald. De grond was als bezaaid met bevallige narcisleliën met blauwachtige bladeren, en bood voor de rijdieren een gemakkelijken weg aan. Minder dan een uur na de kraal verlaten te hebben waren Murray en Mokum aan den rand van het bosch; het was een woud van hooge acacia’s, dat zich over eene uitgebreidheid van verscheidene vierkante kilometers uitstrekte. Deze tallooze boomen stonden zonderling dooreen en strengelden hunne takken door elkander, zoodat de zonnestralen op den met doornstruiken en lang gras begroeiden grond niet konden doordringen. Evenwel aarzelden de zebra en het paard niet om onder het dichte bladerdak voort te draven en zich een weg te banen tusschen de onregelmatig door elkaâr gegroeide boomen. Hier en daar waren er open plekken in ’t midden van het woud, waar de jagers telkens bleven stilstaan om het hen omringende bosch te beschouwen.Men moet bekennen dat deze eerste dag voor Murray niet gunstig was: te vergeefs doorkruiste hij met zijn metgezel een gedeelte van het bosch. Geen enkel dier bewoog zich om hen te ontvangen, en Murray dacht met leedwezen aan de Schotsche vlakten, waar men niet lang behoefde te wachten om een schot te lossen. Misschien was de nabijheid der kraal de oorzaak dat het schichtige wild gevlucht was. Wat Mokum betreft, deze toonde noch verwondering, noch spijt. Voor hem was dit geen jacht, doch een haastige tocht door het bosch.Tegen tien uren ’s avonds moest men er aan denken om naar delegerplaats terug te keeren. Murray was boos zonder het te willen bekennen; een jager platzak te huis komen! dat nooit! Hij besloot dus bij zich zelven het eerste het beste dier dat hem voorkwam, vogel of viervoetig dier, wild of verscheurend beest, dood te schieten. Het lot scheen hem te begunstigen; de twee jagers waren geen drie kilometers meer van de kraal, toen een haas op honderd vijftig pas voor John Murray opsprong; deze aarzelde niet en schoot zijne buks op het onschuldige dier af. De Boschjesman uitte een kreet van verontwaardiging. Een kogel voor een onnoozelen haas, dien men met een hagel van kleine 6 neer kon leggen! Maar de Engelsche jager was nu eenmaal op het dier gesteld en rende naar de plaats toe, waar het had moeten vallen; doch te vergeefs, er was geen spoor van het dier te vinden; een weinig bloed op den grond, maar verder niets. Murray zocht onder de struiken en in het hooge gras; ook de honden zochten te vergeefs rond.»Ik heb hem toch geraakt!” riep John Murray.»Maar al te goed!” antwoordde de Boschjesman bedaard. »Als men een haas met een ontplofbaren kogel schiet, dan zou het wel wonder zijn als men er een stukje van terug vond!”En inderdaad, de haas was in kleine brokjes uit elkander gevlogen. Murray steeg geheel teleurgesteld weder te paard en reed zonder een woord meer te spreken naar de legerplaats terug. Den volgenden dag verwachtte de Boschjesman dat de Engelschman hem op nieuw zou voorstellen om op jacht te gaan. Maar de Engelschman, die in zijne eigenliefde gekrenkt was, vermeed eene ontmoeting met Mokum. Hij scheen alle jachtplannen te hebben laten varen en hield zich slechts bezig met instrumenten te verificeeren en waarnemingen te doen. Om zich te ontspannen bezocht hij daarna de kraal, waar hij de mannen zich zag oefenen met den boog, of spelen op de gorah, een soort van muziekinstrument, dat gemaakt wordt van eene snaar op een boog gespannen, die de speler doet trillen door er door een struisvogelpen op te blazen. In dien tijd waren de vrouwen met huislijken arbeid bezig, en rookten hennep, iets dat door een groot gedeelte van de inboorlingen bij wijze van tijdverdrijf gedaan werd. Volgens de opmerking van zekere reizigers vermeerdert dat inademen van hennepwalm de krachten des lichaams ten nadeele van die des geestes. En inderdaad velen van die Boschjesmannen schijnen verstompt te zijn door de dronkenschap, die het gevolg is van dit rooken.Den volgende dag, 27 Mei, werd Murray bij het aanbreken van den dag wakker gemaakt met deze hem in het oor gefluisterde woorden:»Ik geloof mijnheer, dat we van daag gelukkiger zullen zijn; maar laat ons geen hazen meer schieten met berghouwitsers!”Dien hij met onbeschrijfelijke kracht heen en weer schudde. (Blz. 68.)Dien hij met onbeschrijfelijke kracht heen en weer schudde. (Blz.68.)Murray werd niet boos toen hij deze spotachtige aanmerking hoorde. De twee jagers verwijderden zich eenige kilometers links van delegerplaats vóór hunne makkers wakker waren. John had ditmaal een eenvoudig jachtgeweer, een prachtstuk uit de fabriek van Goldwin, en veel geschikter voor de jacht op damherten of antilopendan zijne vreeselijke buks. Wel is waar kon men in de vlakte dikhuidige of verscheurende dieren ontmoeten. Maar Murray was nog ontevreden op zich zelven over die ontploffing van den haas, en hij zou liever een leeuw met hagel gedood hebben, dan weder een schot te lossen dat in de jaarboeken van de jacht een ongehoord feit was.Dien dag begunstigde de fortuin de beide jagers, zooals Mokum voorzien had. Zij velden een paar zwarte antilopen, die zeer moeilijk te schieten zijn. Het waren schoone dieren, vier voet hoog, met lange uit elkander staande en bevallig gekronkelde horens, evenals een paar zwaarden. Hun snuit liep spits toe en was aan de zijkanten een weinig plat; zij hadden zwarte pooten, dik en zacht haar, fijne en puntige ooren. Buik en voorhoofd waren wit als sneeuw en staken scherp af tegen het zwarte van den rug, waarlangs golvende manen hingen. De jagers mochten trotsch zijn op zulk eene vangst, want de zwarte antilope werd altijd begeerd door Delejorgue, Vahlberg, Cumming, Baldwin, en andere reizigers, en ’t is dan ook een van de schoonste voortbrengselen uit het dierenrijk in het zuidelijk halfrond.Maar wat vooral het Engelsche jagershart deed kloppen, waren zekere sporen, die de Boschjesman hem toonde aan den rand van een dicht kreupelhout, niet ver van een uitgebreid en diep moeras, dat door reusachtige euphorbiastruiken omringd en welks oppervlakte geheel bezaaid was met de hemelsblauwe bloemkelken van de waterlelie.»Mijnheer,” zeide Mokum, »als u morgen met het aanbreken van den dag op deze plek op de loer wilt gaanliggen, dan zou ik u aanraden uwe buks niet te vergeten.”»Waarom zegt ge dit, Mokum?” vroeg John Murray.»Ziet u die versche sporen op den vochtigen grond?”»Wat, die groote indruksels, zijn dat sporen van dieren? Maar dan hebben de pooten, die ze hebben gemaakt, meer dan een halven vadem in omtrek!”»Dat bewijst alleen,” antwoordde de Boschjesman, »dat het dier, dat zulke sporen achterlaat, minstens negen voeten hoog is.”»Een olifant!” riep Murray uit.»Juist, mijnheer, en als ik me niet bedrieg, is het een volwassen mannetje.”»Morgen dus, Boschjesman.”»Morgen, mijnheer.”De twee jagers kwamen in het kamp terug met hunne zwarte antilopen, die zij over het paard van John Murray gehangen hadden. Die schoone dieren, die zoo zeldzaam gevangen worden, wekten de bewondering van de geheele karavaan op. Allen wenschten Murray geluk, behalve de deftige Mathieu Strux, die op het punt van dierenslechts den Grooten Beer, den Draak, den Centaurus, Pegasus en andere hemellichamen kende.Den volgenden morgen om vier uren wachtten de beide jagers onbeweeglijk op hunne paarden met de honden naast zich te midden van een dik kreupelbosch op de komst van den troep olifanten. Aan versche indrukken hadden zij gezien dat de olifanten in een troep kwamen om in het moeras te drinken. Beiden waren gewapend met gegroefde buksen met ontplofbare kogels. Zij lagen onbeweeglijk en stil sedert ongeveer een half uur in het boschje op de loer, toen zij op vijftig pas afstands van het moeras beweging in het sombere loof bespeurden. Murray had zijne buks gegrepen, maar de Boschjesman hield zijne hand vast en beduidde hem dat hij zijn ongeduld bedwingen moest. Weldra vertoonden zich groote schaduwen; men hoorde het kreupelhout wijken voor eene onweêrstaanbare kracht; het was een geluid van hout dat kraakte, van struiken die vertrapt en tegen den grond verpletterd werden, terwijl een sterk geblaas zich door de takken liet hooren: het was de troep olifanten. Een half dozijn van die reusachtige dieren, bijna even groot als hunne stamverwanten in Indië, naderden langzaam het moeras.Het daglicht, dat langzamerhand sterker was geworden, veroorloofde Murray die sterke dieren te bewonderen. Een van deze, een mannetje van bijzondere grootte, trok vooral zijne aandacht. Het breede voorhoofdsbeen welfde zich tusschen een paar groote ooren, die hem tot op de borst hingen. Zijn kolossale omvang scheen in het schemerlicht nog reusachtiger; het dier slingerde zijn snuit boven het kreupelbosch heen en weer en stiet met zijne gebogen slagtanden tegen dikke boomstammen, die door den schok trilden. Misschien had het dier een voorgevoel van het naderend gevaar. Ondertusschen fluisterde de Boschjesman, zich naar John Murray buigend, dezen in het oor: »Welnu, is die naar uw zin?”John knikte toestemmend.»Welaan dan,” voegde Mokum er bij, »dan zullen wij hem van de rest van den troep scheiden.”Op dat oogenblik kwamen de olifanten aan den rand van het moeras; hunne weeke pooten zakten in den zachten bodem; zij zogen het water met hunne snuiten op, en spoten het in hun wijd keelgat, dat een luid klinkend geklok voortbracht. Het groote mannetje, dat wezenlijk ongerust was, keek om zich heen en snoof met veel geraas de lucht op, om op die wijze te weten te komen of er ook iets verdachts was.Plotseling liet de Boschjesman een bijzonderen kreet hooren. De drie honden begonnen hard te blaffen en sprongen uit het kreupelbosch op den troep olifanten los. Tegelijk riep Mokum tegen zijn makker niets dan het woordje »blijf!” en sprong met zijn zebra door het kreupelbosch om het mannetje den terugtocht af te snijden.Overigens trachtte het prachtige dier niet te vluchten; Murray beloerde hem met den vinger aan den haan van het geweer. De olifant sloeg met zijn snuit tegen de boomen en slingerde zenuwachtig met den staart, waarbij hij geen teekenen meer van ongerustheid, maar van woede gaf. Tot nog toe had hij den vijand slechts vermoed; op dit oogenblik zag hij hem en rende op hem aan.John Murray stond nu op ongeveer zestig pas afstands van het dier; hij wachtte totdat het op veertig genaderd was, mikte toen op de ribben en gaf vuur. Doch eene beweging van het paard verstoorde eenigszins de juistheid van zijn schot; de kogel ging slechts door het weeke vleesch, en bleef daarin zitten, zonder tegen eenig gedeelte aan te komen, dat hard genoeg was om hem te doen ontploffen. De woedende olifant versnelde zijn gang, die eer op een zeer snel loopen, dan op galoppeeren geleek; doch het was snel genoeg om een paard vooruit te komen. Nadat het paard van Murray een oogenblik gesteigerd had, sprong het uit het kreupelbosch, zonder dat de ruiter het kon inhouden. De olifant vervolgde het, terwijl hij de ooren opstak en door zijn snuit blies als door eene trompet. De jager, wiens paard met hem doorging, kneep het dier tusschen zijne krachtige knieën en beproefde eene patroon in zijn geweer te krijgen. De olifant echter begon op hem te winnen; weldra waren beiden in de vlakte buiten het bosch. Murray drukte zijne sporen diep in de zijden van het hollende paard. Twee van de honden renden blaffende en vluchtende met het dier mede; de olifant was op geen twee lengten meer achter hem; de jager voelde reeds zijn sterk geblaas en hoorde het snuiven van den snuit, waarmede hij de lucht zweepte. Elk oogenblik verwachtte hij door dien levenden lazzo van ’t paard gesleurd te worden. Plotseling boog het paard van achteren in elkander. De snuit was op het kruis neergekomen. Het dier liet een smartelijk gehinnik hooren en sprong op zijde; deze sprong redde Murray van een zekeren dood. De olifant door zijn snellen gang voortgejaagd vloog voorbij, maar nam met zijn snuit, waarmede hij over den grond streek, een van de honden op, dien hij met onbeschrijfelijke kracht heen en weer schudde.Hij hieuw met zijn bijl de slagtanden door. (Blz. 70.)Hij hieuw met zijn bijl de slagtanden door. (Blz.70.)Murray had geen ander middel meer dan in het bosch te vluchten; het instinct van het paard bracht er hem heen en weldra vloog het er met vreeselijke vaart in. De olifant was zich zelven ondertusschen weer meester geworden, en begon de vervolging op nieuw, terwijl hij den ongelukkigen hond heen en weer slingerde en diens kop tegen een vijgeboom verpletterde, toen hij het bosch inrende. Het paard sprong in het dichte struikgewas, dat door de met doorns bezette slingerplanten bijna ontoegankelijk was, en bleef staan. De Engelschman had, hoewel hij zich overal gekwetst gevoelde en met bloed bedekt was, geen oogenblik zijne tegenwoordigheid van geestverloren; hij keerde zich om, legde zijne buks met de grootste omzichtigheid aan, en mikte tusschen de struiken door op den schouder van den olifant. De kogel stuitte tegen een been en ontplofte. Hetdier wankelde, en bijna op hetzelfde oogenblik trof hem van den rand van het woud een tweede kogel in de linker zijde. Hij viel op de knieën, bij een kleinen waterplas, half onder het hooge gras verborgen. Daar slurpte hij met zijn snuit het water op en begon zijne wonden te besproeien, terwijl hij nu en dan een klagend geluid liet hooren. Op dit oogenblik verscheen de Boschjesman.»We hebben hem! We hebben hem!” riep Mokum.Inderdaad, het reusachtige dier was doodelijk gewond. Het stiet smartelijke kreten uit en haalde moeilijk adem; zijn staart bewoog zich slechts even en met zijn snuit, waarmede het in den door hem gevormden bloedplas slurpte, spoot het een rood gekleurden regen over het hem omringende kreupelhout uit. Toen begonnen de krachten hem te begeven, hij zonk geheel op de knieën en stierf.Op dat oogenblik kwam Murray uit de doornstruiken te voorschijn; zijne kleederen hingen hem in lappen om het lijf; maar hij had gaarne met zijn eigen huid die jagerszegepraal betaald.»Een verschrikkelijk beest, Boschjesman!” zeide hij, terwijl hij het bekeek, »een verschrikkelijk beest, maar een weinig te zwaar voor mijn weitasch!”»Goed, mijnheer!” antwoordde Mokum. »Wij zullen hem hier uit elkander snijden en slechts de keurigste stukken medenemen. Zie eens welke prachtige slagtanden de natuur hem gegeven heeft! Zij wegen minstens elk vijf en twintig pond, en dat tegen vijf shillings (ƒ 3) het pond, maakt een mooi sommetje.”Terwijl hij zoo sprak, begon de jager het dier in stukken te hakken; hij hieuw met zijn bijl de slagtanden door, en vergenoegde zich verder met de voeten en den snuit, omdat dit de meest geliefkoosde stukken waren, waarop hij de leden der wetenschappelijke commissie wilde onthalen. Hij had voor dit werk eenigen tijd noodig, zoodat hij met den Engelschman niet voor twaalf uren in de legerplaats terug was. Daar liet de Boschjesman de voeten van het reusachtige dier op de Afrikaansche manier koken, door ze te begraven in een gat dat evenals een oven eerst met gloeiende kolen heet was gemaakt. Het spreekt van zelf dat dit gerecht op zijne wezenlijke waarde geschat werd, zelfs door den onverschilligen Palander, en dat John Murray de gelukwenschen van het geheele gezelschap ontving.

Den volgenden dag, 15 April, werd het werk zonder ophouden voortgezet. De hoek, dien de boom met de beide uiteinden van de basis vormde, werd nauwkeurig gemeten. Deze nieuwe meting kon den eersten driehoek doen berekenen. Toen dit gedaan was, werden rechts en links van den meridiaan twee andere stations gekozen, het eene gevormd door een heuvel, die zich zes kilometers verder in de vlakte verhief, het andere aangeduid door een paal, die op ongeveer zeven kilometers afstands in den grond werd geslagen. Zóó ging de triangulatie gedurende eene maand zonder verhindering voort. Den 15denMei waren de astronomen een graad noordwaarts gevorderd na zeven driehoeken te hebben gemeten.

Gedurende dezen arbeid waren de kolonel en Mathieu Strux zelden met elkander in aanraking geweest. Men heeft gezien, dat bij het verdeelen van den arbeid en voor het nagaan der metingen de beide geleerden van elkander gescheiden waren. Zij werkten dagelijks op stations, die verscheidene kilometers van elkander aflagen en dit was een waarborg tegen allen mogelijken twist. Als de avond viel, ging elk hunner naar het kamp terug, en betrok weder zijne bijzondere woning. Wel is waar ontstond er nu en dan eenig verschil over de keuze der stations, die in gemeen overleg moesten bepaald worden, doch dit bracht geen ernstig geschil te weeg. Michel Zorn en zijn vriend William konden dus hopen dat, dank zij de scheiding der beide mededingers, de geodesische arbeid kon worden voortgezet zonder eene betreurenswaardige uitbarsting te veroorzaken.

Nu de waarnemers den 15denMei, zooals reeds gezegd is, zich op een graad afstands van het zuidelijkste punt van den meridiaanbevonden, waren zij op de hoogte van Lattakou; het Afrikaansche dorp lag 35 kilometers oostwaarts van hun station. Eerst onlangs was een groote kraal op deze plaats gesticht; het was eene goede plaats om halt te houden, en op voorstel van John Murray werd er bepaald dat de karavaan er eenige dagen zou uitrusten. Michel Zorn en William Emery zouden van dien tijd gebruik maken om de hoogte der zon te nemen. Gedurende dit oponthoud zoude Nikolaas Palander zich bezig houden om de maten, die het verschil in hoogte der vizieren aanduidden, te herleiden, ten einde ze met het vlak der zee in overeenstemming te brengen. John Murray zou een weinig verademing zoeken van zijn wetenschappelijken arbeid in het bestudeeren van de fauna dezer streken door middel van geweerschoten.

De inboorlingen van zuidelijk Afrika geven den naam van kraal aan een beweegbaar dorp, dat van de eene weide naar de andere kan worden overgebracht. Het is eene beslotene ruimte, waar binnen een dertigtal woningen, die vele honderden inwoners bevatten.

De kraal, die de Engelsch-Russische commissie bereikte, was samengesteld uit eene vrij belangrijke verzameling van hutten, die in een kring op de oevers van een in de Kuruman uitvloeiende beek waren opgeslagen. Deze hutten waren gemaakt van op latten gespijkerde, ondoordringbare en van riet gevlochten matten; zij geleken op lage bijenkorven, waarvan de ingang, met een vel gesloten, den bewoner of bezoeker noodzaakte om op zijne knieën er in en er uit te kruipen. Door deze opening ging ook de scherpe rook van den haard naar buiten, zoodat de bewoonbaarheid dezer hutten zeer twijfelachtig was voor ieder ander dan een Hottentot of een Boschjesman.

Toen de karavaan er aankwam, was de geheele bevolking in beweging. De wachthonden, die bij elke hut lagen, begonnen vreeselijk te blaffen. De krijgslieden van het dorp trokken naar buiten met lansen, messen en knodsen gewapend, en beschermd door lederen schilden. Hun aantal kon op tweehonderd geschat worden, en duidde de belangrijkheid der kraal aan, die niet minder dan zestig tot tachtig woningen moest bevatten; omringd door palissaden, die bovendien voorzien waren van de vijf of zes voet lange doornachtige stengels der agave, waren deze hutten beschermd tegen de wilde dieren.

Evenwel verdwenen de vijandige oogmerken der inboorlingen spoedig, toen de jager Mokum slechts eenige woorden met het opperhoofd der kraal gewisseld had. De karavaan verkreeg de vergunning om zich bij de palissaden op den oever der beek neder te slaan. De Boschjesmannen dachten er zelfs niet aan om den reizigers het gedeelte der weide te betwisten, die zich over eene ruimte van verscheidene kilometers aan weerszijden uitstrekte. De paarden, buffels en andere dieren van de karavaan konden er overvloedigvoedsel vinden, zonder de kraalbewoners eenig nadeel toe te brengen.

Het was een woud van hooge acacia’s. (Blz. 63.)Het was een woud van hooge acacia’s. (Blz.63.)

Het was een woud van hooge acacia’s. (Blz.63.)

Aanstonds werd de legerplaats volgens de aanwijzing van den Boschjesman op de gewone wijze ingericht. De wagens werden ineen kring geplaatst en ieder ging aan zijne eigene bezigheden. John Murray liet dus zijne tochtgenooten aan hunne berekeningen en wetenschappelijke waarnemingen over en vertrok zonder dralen met Mokum. De Engelsche jager zat op zijn gewoon paard en Mokum op zijn tammen zebra; drie honden volgden hen onder allerlei wilde sprongen. Murray en Mokum waren elk met een jachtgeweer met ontplofbare kogels gewapend, hetgeen bewees dat zij het plan hadden om ook op wilde dieren jacht te maken.

De beide jagers reden in noordoostelijke richting naar eene boschrijke streek, die eenige kilometers van de kraal aflag. Zij reden naast elkander onder voortdurende gesprekken.

»Ik hoop, vriend Mokum,” zeide John Murray, »dat ge nu uwe bij den waterval van Morgheda gedane belofte vervullen zult, door mij in het midden der wildrijkste streken van de aarde te brengen. Doch ge kunt mij gelooven als ik u verzeker dat ik niet in zuidelijk Afrika ben gekomen om hazen te schieten of vossen op te sporen. Die hebben wij in onze Schotsche hooglanden ook; vóór wij een uur verder zijn wil ik.....”

»Eén uur!” antwoordde de Boschjesman. »U zult mij niet kwalijk nemen als ik zeg dat het wat snel is, en dat u vooral geduld moet hebben. Ik heb alleen geduld op de jacht, en daarmede koop ik al het ongeduld af, dat ik anders in mijn leven toon. Weet u dan niet mijnheer, dat het jagen op groote dieren eene kunst, zelfs eene wetenschap is, dat men het land en de gewoonten der dieren nauwkeurig moet leeren kennen, hunne gangen nagaan, en dan uren lang om hen heen moet draaien om ze eindelijk onder den wind te naderen? Weet u wel dat men zich wachten moet voor elk ontijdig geluid, voor elken geraasmakenden tred, voor elk onberaden uitkijken? Ik zelf ben dagen achtereen een buffel of gems blijven beloeren, en als ik na zesendertig uren, allernalei listen en lagen het beest geveld had, meende ik mijn tijd niet verloren te hebben.”

»Zeer goed, mijn vriend,” antwoordde John Murray, »ik zal zooveel geduld nemen als ge maar wilt; maar laat ons niet vergeten, dat het oponthoud der karavaan slechts drie of vier dagen duurt, en dat we geen uur, zelfs geen minuut moeten verliezen!”

»Daar denk ik wel aan,” antwoordde de Boschjesman op zulk een kalmen toon, dat Emery daaraan zijn reismakker van de Oranjerivier niet zou herkend hebben, »dat zal ik wel degelijk in het oog houden; wij zullen alles doodschieten wat ons voorkomt, mijnheer; wij zullen niet kieskeurig zijn: antilope of hert, gnoe of gazelle, alles is goed voor zulke haastige jagers.”

»Antilope of gazelle!” riep John Murray uit, »ik vraag zelfs zooveel niet voor mijne eerste jachtpartij in Afrika. Maar wat denkt ge mij dan te laten schieten, mijn dappere Boschjesman?” De jager keek zijn makker met een zonderling gelaat aan en zeide toen opspottenden toon: »Als u verklaart dat u voldaan zijt, dan heb ik niets meer te zeggen; ik meende, dat u niet tevreden zoudt zijn vóór u een paar neushoorns of een paar olifanten hadt geschoten?”....

»Jager,” antwoordde de Engelschman, »ik zal gaan waar ge mij brengen wilt. Ik zal schieten op al wat ge mij zult aanwijzen; kom aan dan, vooruit, en laten we maar geen tijd met ijdele praatjes verliezen!”

De paarden werden in galop gezet, en de beide jagers naderden pijlsnel het woud. De vlakte, die zij doorreden, verhief zich langzamerhand naar het noordoosten. Hier en daar was zij met kreupelboschjes doorsneden, welker struiken allen in bloei stonden, en uit sommige van welke eene kleverige, doorschijnende en welriekende harst liep, waarvan de inboorlingen wondzalf maken. In schilderachtige groepjes verhieven zich de nuanas of adams-vijgenboomen, welker dertig tot veertig voet hooge stam gekroond werd door een groot bladerdak. In dit dik gebladerte fladderde eene menigte schreeuwende papegaaien die aasden op de zuurachtige vijgen. Verder stonden schilderachtige mimosa’s met groote bloemtrossen, die hare zijdeachtige kruinen zachtkens heen en weder wiegelden, aloës met lange stengels vol helderroode bloemen, welke men in de verte gehouden zou hebben voor koraalstruiken uit de diepte der zee opgehaald. De grond was als bezaaid met bevallige narcisleliën met blauwachtige bladeren, en bood voor de rijdieren een gemakkelijken weg aan. Minder dan een uur na de kraal verlaten te hebben waren Murray en Mokum aan den rand van het bosch; het was een woud van hooge acacia’s, dat zich over eene uitgebreidheid van verscheidene vierkante kilometers uitstrekte. Deze tallooze boomen stonden zonderling dooreen en strengelden hunne takken door elkander, zoodat de zonnestralen op den met doornstruiken en lang gras begroeiden grond niet konden doordringen. Evenwel aarzelden de zebra en het paard niet om onder het dichte bladerdak voort te draven en zich een weg te banen tusschen de onregelmatig door elkaâr gegroeide boomen. Hier en daar waren er open plekken in ’t midden van het woud, waar de jagers telkens bleven stilstaan om het hen omringende bosch te beschouwen.

Men moet bekennen dat deze eerste dag voor Murray niet gunstig was: te vergeefs doorkruiste hij met zijn metgezel een gedeelte van het bosch. Geen enkel dier bewoog zich om hen te ontvangen, en Murray dacht met leedwezen aan de Schotsche vlakten, waar men niet lang behoefde te wachten om een schot te lossen. Misschien was de nabijheid der kraal de oorzaak dat het schichtige wild gevlucht was. Wat Mokum betreft, deze toonde noch verwondering, noch spijt. Voor hem was dit geen jacht, doch een haastige tocht door het bosch.

Tegen tien uren ’s avonds moest men er aan denken om naar delegerplaats terug te keeren. Murray was boos zonder het te willen bekennen; een jager platzak te huis komen! dat nooit! Hij besloot dus bij zich zelven het eerste het beste dier dat hem voorkwam, vogel of viervoetig dier, wild of verscheurend beest, dood te schieten. Het lot scheen hem te begunstigen; de twee jagers waren geen drie kilometers meer van de kraal, toen een haas op honderd vijftig pas voor John Murray opsprong; deze aarzelde niet en schoot zijne buks op het onschuldige dier af. De Boschjesman uitte een kreet van verontwaardiging. Een kogel voor een onnoozelen haas, dien men met een hagel van kleine 6 neer kon leggen! Maar de Engelsche jager was nu eenmaal op het dier gesteld en rende naar de plaats toe, waar het had moeten vallen; doch te vergeefs, er was geen spoor van het dier te vinden; een weinig bloed op den grond, maar verder niets. Murray zocht onder de struiken en in het hooge gras; ook de honden zochten te vergeefs rond.

»Ik heb hem toch geraakt!” riep John Murray.

»Maar al te goed!” antwoordde de Boschjesman bedaard. »Als men een haas met een ontplofbaren kogel schiet, dan zou het wel wonder zijn als men er een stukje van terug vond!”

En inderdaad, de haas was in kleine brokjes uit elkander gevlogen. Murray steeg geheel teleurgesteld weder te paard en reed zonder een woord meer te spreken naar de legerplaats terug. Den volgenden dag verwachtte de Boschjesman dat de Engelschman hem op nieuw zou voorstellen om op jacht te gaan. Maar de Engelschman, die in zijne eigenliefde gekrenkt was, vermeed eene ontmoeting met Mokum. Hij scheen alle jachtplannen te hebben laten varen en hield zich slechts bezig met instrumenten te verificeeren en waarnemingen te doen. Om zich te ontspannen bezocht hij daarna de kraal, waar hij de mannen zich zag oefenen met den boog, of spelen op de gorah, een soort van muziekinstrument, dat gemaakt wordt van eene snaar op een boog gespannen, die de speler doet trillen door er door een struisvogelpen op te blazen. In dien tijd waren de vrouwen met huislijken arbeid bezig, en rookten hennep, iets dat door een groot gedeelte van de inboorlingen bij wijze van tijdverdrijf gedaan werd. Volgens de opmerking van zekere reizigers vermeerdert dat inademen van hennepwalm de krachten des lichaams ten nadeele van die des geestes. En inderdaad velen van die Boschjesmannen schijnen verstompt te zijn door de dronkenschap, die het gevolg is van dit rooken.

Den volgende dag, 27 Mei, werd Murray bij het aanbreken van den dag wakker gemaakt met deze hem in het oor gefluisterde woorden:»Ik geloof mijnheer, dat we van daag gelukkiger zullen zijn; maar laat ons geen hazen meer schieten met berghouwitsers!”

Dien hij met onbeschrijfelijke kracht heen en weer schudde. (Blz. 68.)Dien hij met onbeschrijfelijke kracht heen en weer schudde. (Blz.68.)

Dien hij met onbeschrijfelijke kracht heen en weer schudde. (Blz.68.)

Murray werd niet boos toen hij deze spotachtige aanmerking hoorde. De twee jagers verwijderden zich eenige kilometers links van delegerplaats vóór hunne makkers wakker waren. John had ditmaal een eenvoudig jachtgeweer, een prachtstuk uit de fabriek van Goldwin, en veel geschikter voor de jacht op damherten of antilopendan zijne vreeselijke buks. Wel is waar kon men in de vlakte dikhuidige of verscheurende dieren ontmoeten. Maar Murray was nog ontevreden op zich zelven over die ontploffing van den haas, en hij zou liever een leeuw met hagel gedood hebben, dan weder een schot te lossen dat in de jaarboeken van de jacht een ongehoord feit was.

Dien dag begunstigde de fortuin de beide jagers, zooals Mokum voorzien had. Zij velden een paar zwarte antilopen, die zeer moeilijk te schieten zijn. Het waren schoone dieren, vier voet hoog, met lange uit elkander staande en bevallig gekronkelde horens, evenals een paar zwaarden. Hun snuit liep spits toe en was aan de zijkanten een weinig plat; zij hadden zwarte pooten, dik en zacht haar, fijne en puntige ooren. Buik en voorhoofd waren wit als sneeuw en staken scherp af tegen het zwarte van den rug, waarlangs golvende manen hingen. De jagers mochten trotsch zijn op zulk eene vangst, want de zwarte antilope werd altijd begeerd door Delejorgue, Vahlberg, Cumming, Baldwin, en andere reizigers, en ’t is dan ook een van de schoonste voortbrengselen uit het dierenrijk in het zuidelijk halfrond.

Maar wat vooral het Engelsche jagershart deed kloppen, waren zekere sporen, die de Boschjesman hem toonde aan den rand van een dicht kreupelhout, niet ver van een uitgebreid en diep moeras, dat door reusachtige euphorbiastruiken omringd en welks oppervlakte geheel bezaaid was met de hemelsblauwe bloemkelken van de waterlelie.

»Mijnheer,” zeide Mokum, »als u morgen met het aanbreken van den dag op deze plek op de loer wilt gaanliggen, dan zou ik u aanraden uwe buks niet te vergeten.”

»Waarom zegt ge dit, Mokum?” vroeg John Murray.

»Ziet u die versche sporen op den vochtigen grond?”

»Wat, die groote indruksels, zijn dat sporen van dieren? Maar dan hebben de pooten, die ze hebben gemaakt, meer dan een halven vadem in omtrek!”

»Dat bewijst alleen,” antwoordde de Boschjesman, »dat het dier, dat zulke sporen achterlaat, minstens negen voeten hoog is.”

»Een olifant!” riep Murray uit.

»Juist, mijnheer, en als ik me niet bedrieg, is het een volwassen mannetje.”

»Morgen dus, Boschjesman.”

»Morgen, mijnheer.”

De twee jagers kwamen in het kamp terug met hunne zwarte antilopen, die zij over het paard van John Murray gehangen hadden. Die schoone dieren, die zoo zeldzaam gevangen worden, wekten de bewondering van de geheele karavaan op. Allen wenschten Murray geluk, behalve de deftige Mathieu Strux, die op het punt van dierenslechts den Grooten Beer, den Draak, den Centaurus, Pegasus en andere hemellichamen kende.

Den volgenden morgen om vier uren wachtten de beide jagers onbeweeglijk op hunne paarden met de honden naast zich te midden van een dik kreupelbosch op de komst van den troep olifanten. Aan versche indrukken hadden zij gezien dat de olifanten in een troep kwamen om in het moeras te drinken. Beiden waren gewapend met gegroefde buksen met ontplofbare kogels. Zij lagen onbeweeglijk en stil sedert ongeveer een half uur in het boschje op de loer, toen zij op vijftig pas afstands van het moeras beweging in het sombere loof bespeurden. Murray had zijne buks gegrepen, maar de Boschjesman hield zijne hand vast en beduidde hem dat hij zijn ongeduld bedwingen moest. Weldra vertoonden zich groote schaduwen; men hoorde het kreupelhout wijken voor eene onweêrstaanbare kracht; het was een geluid van hout dat kraakte, van struiken die vertrapt en tegen den grond verpletterd werden, terwijl een sterk geblaas zich door de takken liet hooren: het was de troep olifanten. Een half dozijn van die reusachtige dieren, bijna even groot als hunne stamverwanten in Indië, naderden langzaam het moeras.

Het daglicht, dat langzamerhand sterker was geworden, veroorloofde Murray die sterke dieren te bewonderen. Een van deze, een mannetje van bijzondere grootte, trok vooral zijne aandacht. Het breede voorhoofdsbeen welfde zich tusschen een paar groote ooren, die hem tot op de borst hingen. Zijn kolossale omvang scheen in het schemerlicht nog reusachtiger; het dier slingerde zijn snuit boven het kreupelbosch heen en weer en stiet met zijne gebogen slagtanden tegen dikke boomstammen, die door den schok trilden. Misschien had het dier een voorgevoel van het naderend gevaar. Ondertusschen fluisterde de Boschjesman, zich naar John Murray buigend, dezen in het oor: »Welnu, is die naar uw zin?”

John knikte toestemmend.

»Welaan dan,” voegde Mokum er bij, »dan zullen wij hem van de rest van den troep scheiden.”

Op dat oogenblik kwamen de olifanten aan den rand van het moeras; hunne weeke pooten zakten in den zachten bodem; zij zogen het water met hunne snuiten op, en spoten het in hun wijd keelgat, dat een luid klinkend geklok voortbracht. Het groote mannetje, dat wezenlijk ongerust was, keek om zich heen en snoof met veel geraas de lucht op, om op die wijze te weten te komen of er ook iets verdachts was.

Plotseling liet de Boschjesman een bijzonderen kreet hooren. De drie honden begonnen hard te blaffen en sprongen uit het kreupelbosch op den troep olifanten los. Tegelijk riep Mokum tegen zijn makker niets dan het woordje »blijf!” en sprong met zijn zebra door het kreupelbosch om het mannetje den terugtocht af te snijden.Overigens trachtte het prachtige dier niet te vluchten; Murray beloerde hem met den vinger aan den haan van het geweer. De olifant sloeg met zijn snuit tegen de boomen en slingerde zenuwachtig met den staart, waarbij hij geen teekenen meer van ongerustheid, maar van woede gaf. Tot nog toe had hij den vijand slechts vermoed; op dit oogenblik zag hij hem en rende op hem aan.

John Murray stond nu op ongeveer zestig pas afstands van het dier; hij wachtte totdat het op veertig genaderd was, mikte toen op de ribben en gaf vuur. Doch eene beweging van het paard verstoorde eenigszins de juistheid van zijn schot; de kogel ging slechts door het weeke vleesch, en bleef daarin zitten, zonder tegen eenig gedeelte aan te komen, dat hard genoeg was om hem te doen ontploffen. De woedende olifant versnelde zijn gang, die eer op een zeer snel loopen, dan op galoppeeren geleek; doch het was snel genoeg om een paard vooruit te komen. Nadat het paard van Murray een oogenblik gesteigerd had, sprong het uit het kreupelbosch, zonder dat de ruiter het kon inhouden. De olifant vervolgde het, terwijl hij de ooren opstak en door zijn snuit blies als door eene trompet. De jager, wiens paard met hem doorging, kneep het dier tusschen zijne krachtige knieën en beproefde eene patroon in zijn geweer te krijgen. De olifant echter begon op hem te winnen; weldra waren beiden in de vlakte buiten het bosch. Murray drukte zijne sporen diep in de zijden van het hollende paard. Twee van de honden renden blaffende en vluchtende met het dier mede; de olifant was op geen twee lengten meer achter hem; de jager voelde reeds zijn sterk geblaas en hoorde het snuiven van den snuit, waarmede hij de lucht zweepte. Elk oogenblik verwachtte hij door dien levenden lazzo van ’t paard gesleurd te worden. Plotseling boog het paard van achteren in elkander. De snuit was op het kruis neergekomen. Het dier liet een smartelijk gehinnik hooren en sprong op zijde; deze sprong redde Murray van een zekeren dood. De olifant door zijn snellen gang voortgejaagd vloog voorbij, maar nam met zijn snuit, waarmede hij over den grond streek, een van de honden op, dien hij met onbeschrijfelijke kracht heen en weer schudde.

Hij hieuw met zijn bijl de slagtanden door. (Blz. 70.)Hij hieuw met zijn bijl de slagtanden door. (Blz.70.)

Hij hieuw met zijn bijl de slagtanden door. (Blz.70.)

Murray had geen ander middel meer dan in het bosch te vluchten; het instinct van het paard bracht er hem heen en weldra vloog het er met vreeselijke vaart in. De olifant was zich zelven ondertusschen weer meester geworden, en begon de vervolging op nieuw, terwijl hij den ongelukkigen hond heen en weer slingerde en diens kop tegen een vijgeboom verpletterde, toen hij het bosch inrende. Het paard sprong in het dichte struikgewas, dat door de met doorns bezette slingerplanten bijna ontoegankelijk was, en bleef staan. De Engelschman had, hoewel hij zich overal gekwetst gevoelde en met bloed bedekt was, geen oogenblik zijne tegenwoordigheid van geestverloren; hij keerde zich om, legde zijne buks met de grootste omzichtigheid aan, en mikte tusschen de struiken door op den schouder van den olifant. De kogel stuitte tegen een been en ontplofte. Hetdier wankelde, en bijna op hetzelfde oogenblik trof hem van den rand van het woud een tweede kogel in de linker zijde. Hij viel op de knieën, bij een kleinen waterplas, half onder het hooge gras verborgen. Daar slurpte hij met zijn snuit het water op en begon zijne wonden te besproeien, terwijl hij nu en dan een klagend geluid liet hooren. Op dit oogenblik verscheen de Boschjesman.

»We hebben hem! We hebben hem!” riep Mokum.

Inderdaad, het reusachtige dier was doodelijk gewond. Het stiet smartelijke kreten uit en haalde moeilijk adem; zijn staart bewoog zich slechts even en met zijn snuit, waarmede het in den door hem gevormden bloedplas slurpte, spoot het een rood gekleurden regen over het hem omringende kreupelhout uit. Toen begonnen de krachten hem te begeven, hij zonk geheel op de knieën en stierf.

Op dat oogenblik kwam Murray uit de doornstruiken te voorschijn; zijne kleederen hingen hem in lappen om het lijf; maar hij had gaarne met zijn eigen huid die jagerszegepraal betaald.

»Een verschrikkelijk beest, Boschjesman!” zeide hij, terwijl hij het bekeek, »een verschrikkelijk beest, maar een weinig te zwaar voor mijn weitasch!”

»Goed, mijnheer!” antwoordde Mokum. »Wij zullen hem hier uit elkander snijden en slechts de keurigste stukken medenemen. Zie eens welke prachtige slagtanden de natuur hem gegeven heeft! Zij wegen minstens elk vijf en twintig pond, en dat tegen vijf shillings (ƒ 3) het pond, maakt een mooi sommetje.”

Terwijl hij zoo sprak, begon de jager het dier in stukken te hakken; hij hieuw met zijn bijl de slagtanden door, en vergenoegde zich verder met de voeten en den snuit, omdat dit de meest geliefkoosde stukken waren, waarop hij de leden der wetenschappelijke commissie wilde onthalen. Hij had voor dit werk eenigen tijd noodig, zoodat hij met den Engelschman niet voor twaalf uren in de legerplaats terug was. Daar liet de Boschjesman de voeten van het reusachtige dier op de Afrikaansche manier koken, door ze te begraven in een gat dat evenals een oven eerst met gloeiende kolen heet was gemaakt. Het spreekt van zelf dat dit gerecht op zijne wezenlijke waarde geschat werd, zelfs door den onverschilligen Palander, en dat John Murray de gelukwenschen van het geheele gezelschap ontving.


Back to IndexNext