Streken van Crockston.

Streken van Crockston.De geheele equipage was weldra met de geschiedenis van JennyHalliburttbekend. Crockston vertelde haar nu zonder terughouding. Hij was op bevel van den kapitein van de strafoefening verschoond geworden en zoodra hij in vrijheid was, ging hij naar het ruim, nam er een klein valies uit en bracht het aan juffrouw Jenny. Het jonge meisje kon toen hare eigene kleederen weder aannemen, maar vertoonde zich niet op het dek.De stuurman zag weldra in dat Crockston hoegenaamd geen verstand van de zeevaart had en hij werd van alle dienst ontslagen.Intusschen stoomde deDolfijnsnel den Oceaan over. Den dag nadat de identiteit van mejuffrouw Halliburtt ontdekt was, liep James Playfair met rassche schreden het dek op en neder. Hij had geene enkele poging aangewend om het jonge meisje weder te zien en hun gesprek weder op te vatten.»Heb dank, mijnheer, heb dank voor uw opoffering.” Bladz. 228.»Heb dank, mijnheer, heb dank voor uw opoffering.” Bladz.228.Gedurende die wandeling kwam Crockston hem telkens tegen en keek hem steelsgewijs met een genoeglijken grijns aan. Hij wilde blijkbaar gaarne met den kapitein spreken en begon hem eindelijkzoo indringend aan te kijken dat Playfair er ongeduldig onder werd.»Wat wil je nu weer?” vroeg hij, den Amerikaan aansprekende, »je draait om me heen als een zwemmer om een drijfton!”»Neem me niet kwalijk, kapitein,” antwoordde Crockston; »dat komt omdat ik u iets te zeggen heb.”»Zeg het dan!”»Dat is gemakkelijk; ’t is niets anders dan dat u in den grond een goed mensch zijt.”»Waarom in den grond?”»Nu, in den grond en boven op ook.”»’k Heb je complimenten niet noodig.”»’t Zijn geen complimenten. Daar wacht ik mee totdat u alles gedaan hebt.”»Wat alles?”»Dat is duidelijk. U hebt ons aan boord genomen. Goed. U hebt uw hut aanjuffrouwHalliburtt gegeven. Mooi. U hebt me de straf kwijtgescholden. Zoo goed als het kan. U brengt ons naar Charleston. Overheerlijk. Maar dat is niet alles.”»Niet alles!” herhaalde de kapitein, verbaasd over de aanmatiging van den man.»Neen, zeker niet,” hernam Crockston; »haar vader zit daar gevangen.”»Nu, wat zou dat?”»U moet hem bevrijden.”»Den vader vanjuffrouwHalliburtt bevrijden!”»Natuurlijk. Hij is een achtenswaardig man, een moedig burger. Hij is waard dat men iets om hem waagt.”»Meester Crockston,” antwoordde James Playfair, de wenkbrauwen fronsende; »je schijnt mij een eerste grappenmaker, maar onthoud voortaan dat ’k geen gekheid versta.”»U vergist u, kapitein. ’k Vertel geen grappen. ’k Spreek in ernst. Wat ik u voorstel, schijnt u op het eerste gezicht ongerijmd, maar na eenig nadenken zult u zelf inzien dat u niet minder doen kunt.”»Dan dien meneer Halliburtt bevrijden?”»Zeker. U moet zijn in vrijheidstelling aan generaal Beauregard vragen, die u haar niet weigeren zal.”»En als hij toch weigert?”»Dan moeten we andere middelen te baat nemen,” zei Crockston dood bedaard, »dan moeten we den gevangene voor den neus der Zuidelijken weg halen.”»En ’k zou niet alleen door de vloot der Noordelijken heendringen en de blokkade van Charleston verbreken, maar bovendien nog maken dat ’k weer in zee kwam onder het kanon der forten, enkel om een meneer te helpen dien ’k niet ken, een papierkladder die zijn inkt vergiet in plaats van zijn bloed!”»O, een kanonschot meer of minder!” antwoordde Crockston.»Meester Crockston, als je me weer over die zaak begint, laat ik je in het vooronder opsluiten om je te leeren je tong in bedwang te houden.”Met die woorden zond de kapitein den Amerikaan weg, die onder het heengaan mompelde:»Nu, dat gaat niet kwaad; het balletje is opgeworpen. ’t Zal wel gaan!”Toen James Playfair zoo veel afschuw van de abolitionnisten te kennen gegeven had, was hij verder gegaan dan hij inwendig meende. Hij was geen voorstander van de slavernij; maar hij ontkende dat de slavenquaestie de hoofdoorzaak van den burgeroorlog was. Beweerde hij dan dat de Zuidelijke Staten—acht van de zes en dertig—het recht hadden zich af te scheiden, omdat zij zich uit vrijen wil hadden aangesloten? Dat ook niet eens. Hij had een afkeer van de Noordelijken. Dat was alles. Hij beschouwde hen als afgevallen Engelschen die goed gevonden hadden te doen wat hij nu in de Zuidelijken goedkeurde. Maar bovenal was die Amerikaansche oorlog hem persoonlijk hinderlijk en hij was kwaad op degenen die dien oorlog maakten.Intusschen kwelden hem de insinuaties van Crockston geweldig; hij schudde ze wel van zich af, maar zij drongen zich telkens weder aan hem op en toen hij Jenny den volgenden dag op het dek zag, durfde hij haar niet aanzien.En dat was wezenlijk jammer, want dat jonge meisje met die blonde lokken, met die verstandige zachte oogen, verdiende wel een blik van een jongen man van dertig jaren; maar James was in haar bijzijn niet op zijn gemak; hij gevoelde dat zij eene sterke, edelmoedige ziel bezat, in de school des ongeluks gevormd; hij begreep dat zijn zwijgen gelijk stond met de weigering van haar liefsten wensch. Bovendien zocht Jenny Halliburtt, nadat zij er ten laatste toe gekomen was hare hut te verlaten, het bijzijn van James evenmin als zij hem vermeed, en in den eersten tijd spraken zij elkander weinig of niet.De trouwe Crockston gaf echter den moed niet op om zijn doel te bereiken. Hij had zich eenmaal in het hoofd gesteld, den kapitein ter bevrijding van den heer Halliburtt te gebruiken en met dezen naar Engeland terug te keeren. Dat was zijn doel, terwijl het jonge meisje geen ander doel had dan de gevangenschap haars vaders te gaan deelen.Toen Crockston nu zag dat er niet de minste toenadering ontstond tusschen het jonge meisje en den kapitein, begon hij met de zaak verlegen te worden.»Ik zal ze overrompelen,” dacht hij.En den morgen van den vierden dag trad hij in de hut van JennyHalliburtten wreef zich met het vergenoegdste gelaat in de handen.»Goede tijding!” riep hij; »goede tijding! U raadt nooit wat de kapitein me voorgesteld heeft. Dat is eerst een braaf mensch!”»Heeft hij u voorgesteld...” riep Jenny, wier hart hevig begon te kloppen.»Den heer Halliburtt te bevrijden, hem aan de Zuidelijken te ontkapen en hem mede naar Engeland te nemen.”»Is dat waar?” riep Jenny.»Zoo als ik u zeg, juffrouw. Wat is die James Playfair een moedige kerel! Zoo zijn nu die Engelschen; ze deugen niets of ze zijn volmaakt. Ja, ja! hij kan op mijne dankbaarheid rekenen; ’k wil me voor hem tot moes laten hakken, als het hem pleizier kan doen.”De blijdschap van Jenny op het hooren van die woorden kende geene grenzen. Haar vader bevrijden! Zij zou nooit aan zulk een plan hebben durven denken? En voor haar ging de kapitein van denDolfijnzijn schip en zijn volk wagen!»Zoo is hij nu,” voegde Crockston er bij en,»juffrouw Jenny,hij verdient wel dat u hem bedankt.”»Meer dan dat,” riep het jonge meisje;»een eeuwige vriendschap!”En onmiddellijk verliet zij hare hut om voor James Playfair haar dankbaar gevoel uit te storten.»Dat gaat goed,” mompelde de Amerikaan; »’t zal gaan!”James Playfair wandelde op de kampanje en was, zoo als men denken kan, zeer verwonderd, om niet te zeggen stom van verbazing, toen hij het jonge meisje op zich zag toekomen en hem onder tranen van dankbaarheid de hand reiken, zeggende:»Heb dank, mijnheer, heb dank voor uw opoffering, die ’k nooit van een vreemde gewacht zou hebben.”»Juffrouw,” antwoordde de kapitein, als iemand die niets begreep en niet kon begrijpen, »’k weet niet....”»En u gaat om mijnentwil gevaren trotseeren, misschien uwe belangen benadeelen. U die reeds zoo veel gedaan hebt met me een gastvrijheid aan boord van uw schip te bewijzen waarop ik volstrekt geen recht heb....”»Vergeef me, juffrouw Halliburtt,” antwoordde James Playfair, »maar ’k betuig u dat ’k u volstrekt niet begrijp. ’k Heb me jegens u gedragen zoo als ieder wel opgevoed man zich jegens eene vrouw gedragen zou hebben; en mijn gedrag verdient noch zoo veel dankbaarheid, noch zoo veel dankbetuiging.”»Mijnheer Playfair,” hernam Jenny, »u behoeft niet langer te veinzen; Crockston heeft me alles gezegd.”»Heeft Crockston u alles gezegd? Dan begrijp ik nog veel minder waarom u uit uw hut gekomen zijt om me iets te zeggen dat....”Al sprekende werd de jonge kapitein vrij verlegen met zijne houding; hij herinnerde zich de minachtende wijze waarop hij hetvoorstel van den Amerikaan had aangehoord; maar gelukkig voor hem gunde Jenny hem den tijd niet zich duidelijker te verklaren en viel hem in de rede, zeggende:Hij ontdekte weldra een groot fregat. Bladz. 230.Hij ontdekte weldra een groot fregat. Bladz.230.»Mijnheer Playfair, toen ’k bij u aan boord kwam, had ik geen ander plan dan naar Charleston te gaan, en daar zouden de Zuidelijken, ondanks al hunne wreedheid, een arm meisje niet belet hebben de gevangenschap met haren vader te deelen. ’k Zou nooit een onmogelijke terugkomst gehoopt hebben; maar nu u zoo edelmoedig zijt mijn gevangen vader te willen bevrijden; wijl u alles wagen wilt om hem te redden, houd u nu overtuigd van mijn innige dankbaarheid en laat me u de hand drukken.”James wist niet wat hij zeggen zou; hij beet zich op de lippen; hij durfde de hand niet aannemen die het jonge meisje hem aanbood. Hij begreep dat Crockston hem »er in had laten loopen,” om hem het terugtreden onmogelijk te maken. En toch kwam het niet in zijn hoofd op eenig gevaar te trotseeren tot bevrijding van den heerHalliburtt. Maar hoe zou hij de hoop van het arme meisje teleurstellen? Hoe kon hij die hand afwijzen die zij hem zoo vriendschappelijk aanbood? Hoe zou hij die tranen van dankbaarheid die haar uit de oogen sprongen in tranen van droefheid doen veranderen?De jonge man deed zijn best om een ontwijkend antwoord te geven, zijne vrijheid van handelen te behouden en zich tot niets te verbinden.»Juffrouw Halliburtt,” zeide hij, »houd u overtuigd dat ik alles doen wil om...” En hij nam het handje van Jenny aan; maar bij de zachte drukking van dat handje voelde hij dat zijn hart smolt en dat zijn hoofd in de war raakte; hij kon geene woorden vinden om zijne gedachten uit te drukken; hij mompelde niets beteekenende woorden.»JuffrouwHalliburtt... om... u..”Crockston die hen van achter een mast gadesloeg, wreef zich in de handen en riep grinnekend:»Het gaat, het gaat, het gaat!”Hoe James Playfair zich uit de verlegenheid zou gered hebben? Dat weet niemand; maar gelukkig voor hem, zoo niet voor denDolfijn, liet de stem van den wachthebbenden matroos zich hooren:»Een zeil!”James Playfair liet onmiddellijk het jonge meisje staan en begaf zich in het want van den fokkemast.Toen die roepstem: »een zeil” uit de ra klonk, had deDolfijnreeds drie vijfden van de reis afgelegd. In de fokkera gekomen, ontdekte kapitein Playfair weldra een groot fregat der Noordelijken, dat met volle stoomkracht op denDolfijnafkwam en hem den pas scheen te willen afsnijden.De kapitein onderzocht het vreemde schip met de meeste nauwkeurigheid, kwam daarna weder op het dek terug en liet den eersten stuurman roepen.»Wat dunkt je van dat schip?” vroeg hij.»’k Houd het er voor, kapitein, dat het een schip van de Noordelijken is, dat onze bedoeling vermoedt.”»Ja, we behoeven geen oogenblik aan zijne nationaliteit te twijfelen,” antwoordde James. »Zie maar.”Op dat oogenblik vertoonde de met sterren bezaaide vlag der Noordelijke Unie zich op de korvet en deze liet op het uitsteken harer vlag een kanonschot volgen.»Een uitnoodiging om de onze te laten zien,” sprak de stuurman. »Welnu, dat kunnen we doen; we behoeven er ons niet voor te schamen.”»Waartoe?” antwoordde James Playfair: »onze vlag zou ons weinig beschermen en den lust van die lieden om ons een bezoek te brengen niet doen vergaan. Neen, we zullen ze vooruit zien te komen.”»Dan moeten we ons haasten,” hernam de stuurman; »als ’k me niet vergis, heb ik die korvet meer gezien, in den omtrek van Liverpool, waar zij een oog kwam houden op de in aanbouw zijnde schepen. ’k Mag geen Matthyssen heeten, als ’k niet »Iroquois” aan zijn spiegel zie staan.”»En is hij een vlugge stoomer?”»Een der beste van de noordelijke marine.”»En hoeveel stukken voert hij?”»Acht!”»Is ’t anders niet!”»Haal de schouders niet op, kapitein,” antwoordde de stuurman op ernstigen toon. »Onder die acht kanonnen zijn er twee op draaiende affuiten, een zestigponder op de voorplecht en een honderdponder op het dek; beiden getrokken kanonnen.”»Duivelsch!” zei James Playfair, »die kanonnen dragen een uur ver.”»Ja, en meer nog, kapitein.”»Nu, stuurman, of die kanonnen honderdponders of vierponders zijn; of ze een uur ver dragen of een minuut, ’t komt op ’t zelfde neer als men gauw genoeg uit den weg komt om hun kogels te ontsnappen. We zullen dien Iroquois eens laten zien hoe men vooruitkomt als men er naar gemaakt is. Laat goed aanstoken, stuurman!”De stuurman bracht den machinist de bevelen des kapiteins over en weldra kronkelde er een zwarte rook uit de schoorsteenen der boot.Dat teeken scheen niet naar den smaak der korvet te zijn; want zij zond denDolfijnhet sein om bij te draaien; doch James Playfair gaf geen acht op het bevel en veranderde niet van koers.»Nu zullen we eens zien wat die Iroquois beginnen zal; hij heeft nu een mooie gelegenheid om zijn honderdponder te probeeren en te zien hoe ver hij draagt. Laat al de stoomkracht gebruiken!”»Nu,” zei de stuurman, »’t zal niet lang duren of we krijgen een saluutschot!”Toen de kapitein op de kampanje kwam, zag hij Jenny Halliburtt bedaard op den rand zitten.»Juffrouw Halliburtt,” zeide hij, »de korvet, die u daar ziet, zal waarschijnlijk jacht op ons maken, en daar ze hare kanonnen gaat gebruiken, bied ik u mijn arm om u naar uw hut te brengen.”»Ik dank u, kapitein,” antwoordde het jonge meisje, terwijl ze James aankeek, »maar ’k ben niet bang voor een kanonschot.”»Er kan toch gevaar bij zijn, ondanks den afstand.”»O, in Amerika worden wij meisjes aan alles gewend, en ’k verzeker u dat ’k niet eens bukken zal voor de kogels van dien Iroquois.”»’k Moet uw dapperheid bewonderen, juffrouw Jenny.”»Nu, laat ons het daar voor houden, en sta me toe bij u te blijven.”»Ik kan u niets weigeren,juffrouwHalliburtt,” antwoordde de kapitein, de bedaardheid van het jonge meisje ziende.Hij had nauwelijks die woorden uitgesproken, of men zag een witte damp uit de schietgaten der korvet te voorschijn komen. Voor dat de dreunende knal van het schot denDolfijnhad kunnen bereiken, snorde een puntkogel, die met eene vreeselijke snelheid schroefsgewijs om zijn as ronddraaide, op de boot toe. Hij was gemakkelijk te volgen in zijn loop, die betrekkelijk bedaard mocht heeten, want de kogels uit een getrokken kanon geschoten, vliegen minder snel dan die uit gladde stukken.Toen de kogel nog twintig vademen van denDolfijnverwijderd was, raakte hij een oogenblik de golven en liet op zijn doortocht eene serie van kleine watervallen achter; daarna kreeg hij weder nieuwe veerkracht, verhief zich in de lucht, vloog over denDolfijnheen, sneed in zijne vaart den stuurboordarm der fokkera af, viel twintig vademen verder weder neer en verdween voor goed in de golven.»Duivelsch!” riep James Playfair, »vooruit! vooruit! de tweede kogel zal zich niet lang laten wachten!”»O,” zei de stuurman, »ze hebben in alle geval tijd noodig om te laden.”»Dat is al heel interessant om te zien,” sprak Crockston die, met de armen over elkander, het tooneel gadesloeg. »En dat zijn nog al onze vrienden die ons die kogels zenden!”»Ben jij daar!” riep James Playfair, den Amerikaan van het hoofd tot de voeten opnemende.»Ja wel, kapitein,” antwoordde Crockston onverstoorbaar; »’k kom eens zien hoe die brave kerels schieten. Niet kwaad, dat moet ik zeggen.”De kapitein wilde hem juist een scherp antwoord geven, toen een tweede kogel aan stuurboordzijde in zee plofte.»Mooi!” riep James Playfair! »we hebben al twee knoopen op dien Iroquois gewonnen. Zij loopen als een drijfton, uw vrienden, hoor je, baas Crockston!”De storm was vreeselijk. Bladz. 235.De storm was vreeselijk. Bladz.235.»’k Zeg niet van neen,” antwoordde de Amerikaan, »en voor het eerst in mijn leven doet het me pleizier.”Een derde kogel bleef ver achter bij de twee eerste en in minderdan tien minuten was deDolfijnbuiten het bereik der korvet.»Een mooi schip dat u kommandeert,” zeide toen Jenny tot den kapitein.»Ja, juffrouw Jenny, eer de dag om is, zal er van die korvet niets meer te zien zijn.”En de uitkomst toonde dat Playfair gelijk had.Dat voorval gaf aanleiding dat de kapitein het karakter van Jenny Halliburtt weder uit een nieuw oogpunt begon te beschouwen. Bovendien was het ijs nu gebroken, en de kapitein en zijne passagier waren dikwijls en lang met elkander in gesprek. Hij vond haar een bedaard, sterk, bedachtzaam, intelligent meisje, dat op Amerikaansche manier in alles oprecht hare meening zeide, en hare opinie met eene overtuiging wist te verdedigen die, zonder dat James het bemerkte, diep in zijn hart doordrong. Zij had haar land lief en was eene hartstochtelijke voorstandster van het groote denkbeeld der Unie; zij sprak over den oorlog met een enthousiasme, zoo als bijna geene andere vrouw zou hebben kunnen aan den dag leggen en meer dan eens was Playfair met zijn antwoord verlegen. Overigens bekommerde de kapitein zich niet veel om de politiek en hij zou wel in belangrijker zaken toegegeven hebben, dan de quaestie over het gelijk of ongelijk der beide partijen in Amerika, wanneer die hem op zulk eene aantrekkelijke wijze betwist geworden waren. Hij gaf zich dus gemakkelijk gewonnen. Maar dat was niet alles en weldra werd »de koopman” in zijne dierbaarste belangen aangetast.»Ja, mijnheer Playfair,” zeide Jenny op zekeren dag, »de dankbaarheid mag geen inbreuk maken op mijn oprechtheid; integendeel. Ik houd u voor bekwaam koopman, het huis Playfair is overal met eer bekend, maar op dit oogenblik doet het iets tegen zijn principes en drijft een handel zijner onwaardig.”»Hoe!” riep James, »zou het huis Playfair het recht niet hebben tot zulk een onderneming?”»Neen! Het verschaft wapenen aan ongelukkigen die in openbaren opstand zijn tegen het wettig gezag van hun land.”»’k Wil niet met u twisten over het recht der Zuidelijken; ’k zal u slechts één ding zeggen: ’k ben een koopman en denk aan de belangen van ons huis. ’k Maak zaken waar ik kan.”»Dat is juist berispelijk, mijnheer James; zoo zijt u door opium aan de Chineezen te verkoopen, dat hen verdierlijkt, even schuldig als op dit oogenblik, nu u aan de Zuidelijken de middelen levert, om een misdadigen oorlog vol te houden.”»Neen, dat is al te kras, juffrouw Jenny, ’k geef u dat volstrekt niet toe...”»Neen, ’t is waar; en als u tot u zelven inkeert, als u de rol die u spelen gaat goed zult begrijpen en de gevolgen waarvoor uin ieders oog verantwoordelijk zijt, goed inziet, zult u mij hierin zoo goed als in al het andere gelijk geven.”James Playfair stond verstomd. Hij liet het jonge meisje staan en liep boos heen, want hij gevoelde zijne onmacht om te antwoorden; daarna pruilde hij een half uur lang als een kind, en kwam eindelijk bij het zonderlinge meisje terug, dat hem met zulk een lieven lach hare meest logische argumenten voorhield.Kortom, of James Playfair het wilde weten of niet, hij was niet meer »naast God schipper van zijn schip.”Zoo schenen, tot groote blijdschap van Crockston, de zaken van den heer Halliburtt op een goeden voet te staan. De kapitein scheen besloten alles te ondernemen om den vader van juffrouw Jenny te bevrijden, al had hij er denDolfijn, zijne lading en de equipage aan moeten wagen en er zich den vloek van zijn waardigen oom Vincent door op den hals moeten halen.

Streken van Crockston.De geheele equipage was weldra met de geschiedenis van JennyHalliburttbekend. Crockston vertelde haar nu zonder terughouding. Hij was op bevel van den kapitein van de strafoefening verschoond geworden en zoodra hij in vrijheid was, ging hij naar het ruim, nam er een klein valies uit en bracht het aan juffrouw Jenny. Het jonge meisje kon toen hare eigene kleederen weder aannemen, maar vertoonde zich niet op het dek.De stuurman zag weldra in dat Crockston hoegenaamd geen verstand van de zeevaart had en hij werd van alle dienst ontslagen.Intusschen stoomde deDolfijnsnel den Oceaan over. Den dag nadat de identiteit van mejuffrouw Halliburtt ontdekt was, liep James Playfair met rassche schreden het dek op en neder. Hij had geene enkele poging aangewend om het jonge meisje weder te zien en hun gesprek weder op te vatten.»Heb dank, mijnheer, heb dank voor uw opoffering.” Bladz. 228.»Heb dank, mijnheer, heb dank voor uw opoffering.” Bladz.228.Gedurende die wandeling kwam Crockston hem telkens tegen en keek hem steelsgewijs met een genoeglijken grijns aan. Hij wilde blijkbaar gaarne met den kapitein spreken en begon hem eindelijkzoo indringend aan te kijken dat Playfair er ongeduldig onder werd.»Wat wil je nu weer?” vroeg hij, den Amerikaan aansprekende, »je draait om me heen als een zwemmer om een drijfton!”»Neem me niet kwalijk, kapitein,” antwoordde Crockston; »dat komt omdat ik u iets te zeggen heb.”»Zeg het dan!”»Dat is gemakkelijk; ’t is niets anders dan dat u in den grond een goed mensch zijt.”»Waarom in den grond?”»Nu, in den grond en boven op ook.”»’k Heb je complimenten niet noodig.”»’t Zijn geen complimenten. Daar wacht ik mee totdat u alles gedaan hebt.”»Wat alles?”»Dat is duidelijk. U hebt ons aan boord genomen. Goed. U hebt uw hut aanjuffrouwHalliburtt gegeven. Mooi. U hebt me de straf kwijtgescholden. Zoo goed als het kan. U brengt ons naar Charleston. Overheerlijk. Maar dat is niet alles.”»Niet alles!” herhaalde de kapitein, verbaasd over de aanmatiging van den man.»Neen, zeker niet,” hernam Crockston; »haar vader zit daar gevangen.”»Nu, wat zou dat?”»U moet hem bevrijden.”»Den vader vanjuffrouwHalliburtt bevrijden!”»Natuurlijk. Hij is een achtenswaardig man, een moedig burger. Hij is waard dat men iets om hem waagt.”»Meester Crockston,” antwoordde James Playfair, de wenkbrauwen fronsende; »je schijnt mij een eerste grappenmaker, maar onthoud voortaan dat ’k geen gekheid versta.”»U vergist u, kapitein. ’k Vertel geen grappen. ’k Spreek in ernst. Wat ik u voorstel, schijnt u op het eerste gezicht ongerijmd, maar na eenig nadenken zult u zelf inzien dat u niet minder doen kunt.”»Dan dien meneer Halliburtt bevrijden?”»Zeker. U moet zijn in vrijheidstelling aan generaal Beauregard vragen, die u haar niet weigeren zal.”»En als hij toch weigert?”»Dan moeten we andere middelen te baat nemen,” zei Crockston dood bedaard, »dan moeten we den gevangene voor den neus der Zuidelijken weg halen.”»En ’k zou niet alleen door de vloot der Noordelijken heendringen en de blokkade van Charleston verbreken, maar bovendien nog maken dat ’k weer in zee kwam onder het kanon der forten, enkel om een meneer te helpen dien ’k niet ken, een papierkladder die zijn inkt vergiet in plaats van zijn bloed!”»O, een kanonschot meer of minder!” antwoordde Crockston.»Meester Crockston, als je me weer over die zaak begint, laat ik je in het vooronder opsluiten om je te leeren je tong in bedwang te houden.”Met die woorden zond de kapitein den Amerikaan weg, die onder het heengaan mompelde:»Nu, dat gaat niet kwaad; het balletje is opgeworpen. ’t Zal wel gaan!”Toen James Playfair zoo veel afschuw van de abolitionnisten te kennen gegeven had, was hij verder gegaan dan hij inwendig meende. Hij was geen voorstander van de slavernij; maar hij ontkende dat de slavenquaestie de hoofdoorzaak van den burgeroorlog was. Beweerde hij dan dat de Zuidelijke Staten—acht van de zes en dertig—het recht hadden zich af te scheiden, omdat zij zich uit vrijen wil hadden aangesloten? Dat ook niet eens. Hij had een afkeer van de Noordelijken. Dat was alles. Hij beschouwde hen als afgevallen Engelschen die goed gevonden hadden te doen wat hij nu in de Zuidelijken goedkeurde. Maar bovenal was die Amerikaansche oorlog hem persoonlijk hinderlijk en hij was kwaad op degenen die dien oorlog maakten.Intusschen kwelden hem de insinuaties van Crockston geweldig; hij schudde ze wel van zich af, maar zij drongen zich telkens weder aan hem op en toen hij Jenny den volgenden dag op het dek zag, durfde hij haar niet aanzien.En dat was wezenlijk jammer, want dat jonge meisje met die blonde lokken, met die verstandige zachte oogen, verdiende wel een blik van een jongen man van dertig jaren; maar James was in haar bijzijn niet op zijn gemak; hij gevoelde dat zij eene sterke, edelmoedige ziel bezat, in de school des ongeluks gevormd; hij begreep dat zijn zwijgen gelijk stond met de weigering van haar liefsten wensch. Bovendien zocht Jenny Halliburtt, nadat zij er ten laatste toe gekomen was hare hut te verlaten, het bijzijn van James evenmin als zij hem vermeed, en in den eersten tijd spraken zij elkander weinig of niet.De trouwe Crockston gaf echter den moed niet op om zijn doel te bereiken. Hij had zich eenmaal in het hoofd gesteld, den kapitein ter bevrijding van den heer Halliburtt te gebruiken en met dezen naar Engeland terug te keeren. Dat was zijn doel, terwijl het jonge meisje geen ander doel had dan de gevangenschap haars vaders te gaan deelen.Toen Crockston nu zag dat er niet de minste toenadering ontstond tusschen het jonge meisje en den kapitein, begon hij met de zaak verlegen te worden.»Ik zal ze overrompelen,” dacht hij.En den morgen van den vierden dag trad hij in de hut van JennyHalliburtten wreef zich met het vergenoegdste gelaat in de handen.»Goede tijding!” riep hij; »goede tijding! U raadt nooit wat de kapitein me voorgesteld heeft. Dat is eerst een braaf mensch!”»Heeft hij u voorgesteld...” riep Jenny, wier hart hevig begon te kloppen.»Den heer Halliburtt te bevrijden, hem aan de Zuidelijken te ontkapen en hem mede naar Engeland te nemen.”»Is dat waar?” riep Jenny.»Zoo als ik u zeg, juffrouw. Wat is die James Playfair een moedige kerel! Zoo zijn nu die Engelschen; ze deugen niets of ze zijn volmaakt. Ja, ja! hij kan op mijne dankbaarheid rekenen; ’k wil me voor hem tot moes laten hakken, als het hem pleizier kan doen.”De blijdschap van Jenny op het hooren van die woorden kende geene grenzen. Haar vader bevrijden! Zij zou nooit aan zulk een plan hebben durven denken? En voor haar ging de kapitein van denDolfijnzijn schip en zijn volk wagen!»Zoo is hij nu,” voegde Crockston er bij en,»juffrouw Jenny,hij verdient wel dat u hem bedankt.”»Meer dan dat,” riep het jonge meisje;»een eeuwige vriendschap!”En onmiddellijk verliet zij hare hut om voor James Playfair haar dankbaar gevoel uit te storten.»Dat gaat goed,” mompelde de Amerikaan; »’t zal gaan!”James Playfair wandelde op de kampanje en was, zoo als men denken kan, zeer verwonderd, om niet te zeggen stom van verbazing, toen hij het jonge meisje op zich zag toekomen en hem onder tranen van dankbaarheid de hand reiken, zeggende:»Heb dank, mijnheer, heb dank voor uw opoffering, die ’k nooit van een vreemde gewacht zou hebben.”»Juffrouw,” antwoordde de kapitein, als iemand die niets begreep en niet kon begrijpen, »’k weet niet....”»En u gaat om mijnentwil gevaren trotseeren, misschien uwe belangen benadeelen. U die reeds zoo veel gedaan hebt met me een gastvrijheid aan boord van uw schip te bewijzen waarop ik volstrekt geen recht heb....”»Vergeef me, juffrouw Halliburtt,” antwoordde James Playfair, »maar ’k betuig u dat ’k u volstrekt niet begrijp. ’k Heb me jegens u gedragen zoo als ieder wel opgevoed man zich jegens eene vrouw gedragen zou hebben; en mijn gedrag verdient noch zoo veel dankbaarheid, noch zoo veel dankbetuiging.”»Mijnheer Playfair,” hernam Jenny, »u behoeft niet langer te veinzen; Crockston heeft me alles gezegd.”»Heeft Crockston u alles gezegd? Dan begrijp ik nog veel minder waarom u uit uw hut gekomen zijt om me iets te zeggen dat....”Al sprekende werd de jonge kapitein vrij verlegen met zijne houding; hij herinnerde zich de minachtende wijze waarop hij hetvoorstel van den Amerikaan had aangehoord; maar gelukkig voor hem gunde Jenny hem den tijd niet zich duidelijker te verklaren en viel hem in de rede, zeggende:Hij ontdekte weldra een groot fregat. Bladz. 230.Hij ontdekte weldra een groot fregat. Bladz.230.»Mijnheer Playfair, toen ’k bij u aan boord kwam, had ik geen ander plan dan naar Charleston te gaan, en daar zouden de Zuidelijken, ondanks al hunne wreedheid, een arm meisje niet belet hebben de gevangenschap met haren vader te deelen. ’k Zou nooit een onmogelijke terugkomst gehoopt hebben; maar nu u zoo edelmoedig zijt mijn gevangen vader te willen bevrijden; wijl u alles wagen wilt om hem te redden, houd u nu overtuigd van mijn innige dankbaarheid en laat me u de hand drukken.”James wist niet wat hij zeggen zou; hij beet zich op de lippen; hij durfde de hand niet aannemen die het jonge meisje hem aanbood. Hij begreep dat Crockston hem »er in had laten loopen,” om hem het terugtreden onmogelijk te maken. En toch kwam het niet in zijn hoofd op eenig gevaar te trotseeren tot bevrijding van den heerHalliburtt. Maar hoe zou hij de hoop van het arme meisje teleurstellen? Hoe kon hij die hand afwijzen die zij hem zoo vriendschappelijk aanbood? Hoe zou hij die tranen van dankbaarheid die haar uit de oogen sprongen in tranen van droefheid doen veranderen?De jonge man deed zijn best om een ontwijkend antwoord te geven, zijne vrijheid van handelen te behouden en zich tot niets te verbinden.»Juffrouw Halliburtt,” zeide hij, »houd u overtuigd dat ik alles doen wil om...” En hij nam het handje van Jenny aan; maar bij de zachte drukking van dat handje voelde hij dat zijn hart smolt en dat zijn hoofd in de war raakte; hij kon geene woorden vinden om zijne gedachten uit te drukken; hij mompelde niets beteekenende woorden.»JuffrouwHalliburtt... om... u..”Crockston die hen van achter een mast gadesloeg, wreef zich in de handen en riep grinnekend:»Het gaat, het gaat, het gaat!”Hoe James Playfair zich uit de verlegenheid zou gered hebben? Dat weet niemand; maar gelukkig voor hem, zoo niet voor denDolfijn, liet de stem van den wachthebbenden matroos zich hooren:»Een zeil!”James Playfair liet onmiddellijk het jonge meisje staan en begaf zich in het want van den fokkemast.Toen die roepstem: »een zeil” uit de ra klonk, had deDolfijnreeds drie vijfden van de reis afgelegd. In de fokkera gekomen, ontdekte kapitein Playfair weldra een groot fregat der Noordelijken, dat met volle stoomkracht op denDolfijnafkwam en hem den pas scheen te willen afsnijden.De kapitein onderzocht het vreemde schip met de meeste nauwkeurigheid, kwam daarna weder op het dek terug en liet den eersten stuurman roepen.»Wat dunkt je van dat schip?” vroeg hij.»’k Houd het er voor, kapitein, dat het een schip van de Noordelijken is, dat onze bedoeling vermoedt.”»Ja, we behoeven geen oogenblik aan zijne nationaliteit te twijfelen,” antwoordde James. »Zie maar.”Op dat oogenblik vertoonde de met sterren bezaaide vlag der Noordelijke Unie zich op de korvet en deze liet op het uitsteken harer vlag een kanonschot volgen.»Een uitnoodiging om de onze te laten zien,” sprak de stuurman. »Welnu, dat kunnen we doen; we behoeven er ons niet voor te schamen.”»Waartoe?” antwoordde James Playfair: »onze vlag zou ons weinig beschermen en den lust van die lieden om ons een bezoek te brengen niet doen vergaan. Neen, we zullen ze vooruit zien te komen.”»Dan moeten we ons haasten,” hernam de stuurman; »als ’k me niet vergis, heb ik die korvet meer gezien, in den omtrek van Liverpool, waar zij een oog kwam houden op de in aanbouw zijnde schepen. ’k Mag geen Matthyssen heeten, als ’k niet »Iroquois” aan zijn spiegel zie staan.”»En is hij een vlugge stoomer?”»Een der beste van de noordelijke marine.”»En hoeveel stukken voert hij?”»Acht!”»Is ’t anders niet!”»Haal de schouders niet op, kapitein,” antwoordde de stuurman op ernstigen toon. »Onder die acht kanonnen zijn er twee op draaiende affuiten, een zestigponder op de voorplecht en een honderdponder op het dek; beiden getrokken kanonnen.”»Duivelsch!” zei James Playfair, »die kanonnen dragen een uur ver.”»Ja, en meer nog, kapitein.”»Nu, stuurman, of die kanonnen honderdponders of vierponders zijn; of ze een uur ver dragen of een minuut, ’t komt op ’t zelfde neer als men gauw genoeg uit den weg komt om hun kogels te ontsnappen. We zullen dien Iroquois eens laten zien hoe men vooruitkomt als men er naar gemaakt is. Laat goed aanstoken, stuurman!”De stuurman bracht den machinist de bevelen des kapiteins over en weldra kronkelde er een zwarte rook uit de schoorsteenen der boot.Dat teeken scheen niet naar den smaak der korvet te zijn; want zij zond denDolfijnhet sein om bij te draaien; doch James Playfair gaf geen acht op het bevel en veranderde niet van koers.»Nu zullen we eens zien wat die Iroquois beginnen zal; hij heeft nu een mooie gelegenheid om zijn honderdponder te probeeren en te zien hoe ver hij draagt. Laat al de stoomkracht gebruiken!”»Nu,” zei de stuurman, »’t zal niet lang duren of we krijgen een saluutschot!”Toen de kapitein op de kampanje kwam, zag hij Jenny Halliburtt bedaard op den rand zitten.»Juffrouw Halliburtt,” zeide hij, »de korvet, die u daar ziet, zal waarschijnlijk jacht op ons maken, en daar ze hare kanonnen gaat gebruiken, bied ik u mijn arm om u naar uw hut te brengen.”»Ik dank u, kapitein,” antwoordde het jonge meisje, terwijl ze James aankeek, »maar ’k ben niet bang voor een kanonschot.”»Er kan toch gevaar bij zijn, ondanks den afstand.”»O, in Amerika worden wij meisjes aan alles gewend, en ’k verzeker u dat ’k niet eens bukken zal voor de kogels van dien Iroquois.”»’k Moet uw dapperheid bewonderen, juffrouw Jenny.”»Nu, laat ons het daar voor houden, en sta me toe bij u te blijven.”»Ik kan u niets weigeren,juffrouwHalliburtt,” antwoordde de kapitein, de bedaardheid van het jonge meisje ziende.Hij had nauwelijks die woorden uitgesproken, of men zag een witte damp uit de schietgaten der korvet te voorschijn komen. Voor dat de dreunende knal van het schot denDolfijnhad kunnen bereiken, snorde een puntkogel, die met eene vreeselijke snelheid schroefsgewijs om zijn as ronddraaide, op de boot toe. Hij was gemakkelijk te volgen in zijn loop, die betrekkelijk bedaard mocht heeten, want de kogels uit een getrokken kanon geschoten, vliegen minder snel dan die uit gladde stukken.Toen de kogel nog twintig vademen van denDolfijnverwijderd was, raakte hij een oogenblik de golven en liet op zijn doortocht eene serie van kleine watervallen achter; daarna kreeg hij weder nieuwe veerkracht, verhief zich in de lucht, vloog over denDolfijnheen, sneed in zijne vaart den stuurboordarm der fokkera af, viel twintig vademen verder weder neer en verdween voor goed in de golven.»Duivelsch!” riep James Playfair, »vooruit! vooruit! de tweede kogel zal zich niet lang laten wachten!”»O,” zei de stuurman, »ze hebben in alle geval tijd noodig om te laden.”»Dat is al heel interessant om te zien,” sprak Crockston die, met de armen over elkander, het tooneel gadesloeg. »En dat zijn nog al onze vrienden die ons die kogels zenden!”»Ben jij daar!” riep James Playfair, den Amerikaan van het hoofd tot de voeten opnemende.»Ja wel, kapitein,” antwoordde Crockston onverstoorbaar; »’k kom eens zien hoe die brave kerels schieten. Niet kwaad, dat moet ik zeggen.”De kapitein wilde hem juist een scherp antwoord geven, toen een tweede kogel aan stuurboordzijde in zee plofte.»Mooi!” riep James Playfair! »we hebben al twee knoopen op dien Iroquois gewonnen. Zij loopen als een drijfton, uw vrienden, hoor je, baas Crockston!”De storm was vreeselijk. Bladz. 235.De storm was vreeselijk. Bladz.235.»’k Zeg niet van neen,” antwoordde de Amerikaan, »en voor het eerst in mijn leven doet het me pleizier.”Een derde kogel bleef ver achter bij de twee eerste en in minderdan tien minuten was deDolfijnbuiten het bereik der korvet.»Een mooi schip dat u kommandeert,” zeide toen Jenny tot den kapitein.»Ja, juffrouw Jenny, eer de dag om is, zal er van die korvet niets meer te zien zijn.”En de uitkomst toonde dat Playfair gelijk had.Dat voorval gaf aanleiding dat de kapitein het karakter van Jenny Halliburtt weder uit een nieuw oogpunt begon te beschouwen. Bovendien was het ijs nu gebroken, en de kapitein en zijne passagier waren dikwijls en lang met elkander in gesprek. Hij vond haar een bedaard, sterk, bedachtzaam, intelligent meisje, dat op Amerikaansche manier in alles oprecht hare meening zeide, en hare opinie met eene overtuiging wist te verdedigen die, zonder dat James het bemerkte, diep in zijn hart doordrong. Zij had haar land lief en was eene hartstochtelijke voorstandster van het groote denkbeeld der Unie; zij sprak over den oorlog met een enthousiasme, zoo als bijna geene andere vrouw zou hebben kunnen aan den dag leggen en meer dan eens was Playfair met zijn antwoord verlegen. Overigens bekommerde de kapitein zich niet veel om de politiek en hij zou wel in belangrijker zaken toegegeven hebben, dan de quaestie over het gelijk of ongelijk der beide partijen in Amerika, wanneer die hem op zulk eene aantrekkelijke wijze betwist geworden waren. Hij gaf zich dus gemakkelijk gewonnen. Maar dat was niet alles en weldra werd »de koopman” in zijne dierbaarste belangen aangetast.»Ja, mijnheer Playfair,” zeide Jenny op zekeren dag, »de dankbaarheid mag geen inbreuk maken op mijn oprechtheid; integendeel. Ik houd u voor bekwaam koopman, het huis Playfair is overal met eer bekend, maar op dit oogenblik doet het iets tegen zijn principes en drijft een handel zijner onwaardig.”»Hoe!” riep James, »zou het huis Playfair het recht niet hebben tot zulk een onderneming?”»Neen! Het verschaft wapenen aan ongelukkigen die in openbaren opstand zijn tegen het wettig gezag van hun land.”»’k Wil niet met u twisten over het recht der Zuidelijken; ’k zal u slechts één ding zeggen: ’k ben een koopman en denk aan de belangen van ons huis. ’k Maak zaken waar ik kan.”»Dat is juist berispelijk, mijnheer James; zoo zijt u door opium aan de Chineezen te verkoopen, dat hen verdierlijkt, even schuldig als op dit oogenblik, nu u aan de Zuidelijken de middelen levert, om een misdadigen oorlog vol te houden.”»Neen, dat is al te kras, juffrouw Jenny, ’k geef u dat volstrekt niet toe...”»Neen, ’t is waar; en als u tot u zelven inkeert, als u de rol die u spelen gaat goed zult begrijpen en de gevolgen waarvoor uin ieders oog verantwoordelijk zijt, goed inziet, zult u mij hierin zoo goed als in al het andere gelijk geven.”James Playfair stond verstomd. Hij liet het jonge meisje staan en liep boos heen, want hij gevoelde zijne onmacht om te antwoorden; daarna pruilde hij een half uur lang als een kind, en kwam eindelijk bij het zonderlinge meisje terug, dat hem met zulk een lieven lach hare meest logische argumenten voorhield.Kortom, of James Playfair het wilde weten of niet, hij was niet meer »naast God schipper van zijn schip.”Zoo schenen, tot groote blijdschap van Crockston, de zaken van den heer Halliburtt op een goeden voet te staan. De kapitein scheen besloten alles te ondernemen om den vader van juffrouw Jenny te bevrijden, al had hij er denDolfijn, zijne lading en de equipage aan moeten wagen en er zich den vloek van zijn waardigen oom Vincent door op den hals moeten halen.

Streken van Crockston.De geheele equipage was weldra met de geschiedenis van JennyHalliburttbekend. Crockston vertelde haar nu zonder terughouding. Hij was op bevel van den kapitein van de strafoefening verschoond geworden en zoodra hij in vrijheid was, ging hij naar het ruim, nam er een klein valies uit en bracht het aan juffrouw Jenny. Het jonge meisje kon toen hare eigene kleederen weder aannemen, maar vertoonde zich niet op het dek.De stuurman zag weldra in dat Crockston hoegenaamd geen verstand van de zeevaart had en hij werd van alle dienst ontslagen.Intusschen stoomde deDolfijnsnel den Oceaan over. Den dag nadat de identiteit van mejuffrouw Halliburtt ontdekt was, liep James Playfair met rassche schreden het dek op en neder. Hij had geene enkele poging aangewend om het jonge meisje weder te zien en hun gesprek weder op te vatten.»Heb dank, mijnheer, heb dank voor uw opoffering.” Bladz. 228.»Heb dank, mijnheer, heb dank voor uw opoffering.” Bladz.228.Gedurende die wandeling kwam Crockston hem telkens tegen en keek hem steelsgewijs met een genoeglijken grijns aan. Hij wilde blijkbaar gaarne met den kapitein spreken en begon hem eindelijkzoo indringend aan te kijken dat Playfair er ongeduldig onder werd.»Wat wil je nu weer?” vroeg hij, den Amerikaan aansprekende, »je draait om me heen als een zwemmer om een drijfton!”»Neem me niet kwalijk, kapitein,” antwoordde Crockston; »dat komt omdat ik u iets te zeggen heb.”»Zeg het dan!”»Dat is gemakkelijk; ’t is niets anders dan dat u in den grond een goed mensch zijt.”»Waarom in den grond?”»Nu, in den grond en boven op ook.”»’k Heb je complimenten niet noodig.”»’t Zijn geen complimenten. Daar wacht ik mee totdat u alles gedaan hebt.”»Wat alles?”»Dat is duidelijk. U hebt ons aan boord genomen. Goed. U hebt uw hut aanjuffrouwHalliburtt gegeven. Mooi. U hebt me de straf kwijtgescholden. Zoo goed als het kan. U brengt ons naar Charleston. Overheerlijk. Maar dat is niet alles.”»Niet alles!” herhaalde de kapitein, verbaasd over de aanmatiging van den man.»Neen, zeker niet,” hernam Crockston; »haar vader zit daar gevangen.”»Nu, wat zou dat?”»U moet hem bevrijden.”»Den vader vanjuffrouwHalliburtt bevrijden!”»Natuurlijk. Hij is een achtenswaardig man, een moedig burger. Hij is waard dat men iets om hem waagt.”»Meester Crockston,” antwoordde James Playfair, de wenkbrauwen fronsende; »je schijnt mij een eerste grappenmaker, maar onthoud voortaan dat ’k geen gekheid versta.”»U vergist u, kapitein. ’k Vertel geen grappen. ’k Spreek in ernst. Wat ik u voorstel, schijnt u op het eerste gezicht ongerijmd, maar na eenig nadenken zult u zelf inzien dat u niet minder doen kunt.”»Dan dien meneer Halliburtt bevrijden?”»Zeker. U moet zijn in vrijheidstelling aan generaal Beauregard vragen, die u haar niet weigeren zal.”»En als hij toch weigert?”»Dan moeten we andere middelen te baat nemen,” zei Crockston dood bedaard, »dan moeten we den gevangene voor den neus der Zuidelijken weg halen.”»En ’k zou niet alleen door de vloot der Noordelijken heendringen en de blokkade van Charleston verbreken, maar bovendien nog maken dat ’k weer in zee kwam onder het kanon der forten, enkel om een meneer te helpen dien ’k niet ken, een papierkladder die zijn inkt vergiet in plaats van zijn bloed!”»O, een kanonschot meer of minder!” antwoordde Crockston.»Meester Crockston, als je me weer over die zaak begint, laat ik je in het vooronder opsluiten om je te leeren je tong in bedwang te houden.”Met die woorden zond de kapitein den Amerikaan weg, die onder het heengaan mompelde:»Nu, dat gaat niet kwaad; het balletje is opgeworpen. ’t Zal wel gaan!”Toen James Playfair zoo veel afschuw van de abolitionnisten te kennen gegeven had, was hij verder gegaan dan hij inwendig meende. Hij was geen voorstander van de slavernij; maar hij ontkende dat de slavenquaestie de hoofdoorzaak van den burgeroorlog was. Beweerde hij dan dat de Zuidelijke Staten—acht van de zes en dertig—het recht hadden zich af te scheiden, omdat zij zich uit vrijen wil hadden aangesloten? Dat ook niet eens. Hij had een afkeer van de Noordelijken. Dat was alles. Hij beschouwde hen als afgevallen Engelschen die goed gevonden hadden te doen wat hij nu in de Zuidelijken goedkeurde. Maar bovenal was die Amerikaansche oorlog hem persoonlijk hinderlijk en hij was kwaad op degenen die dien oorlog maakten.Intusschen kwelden hem de insinuaties van Crockston geweldig; hij schudde ze wel van zich af, maar zij drongen zich telkens weder aan hem op en toen hij Jenny den volgenden dag op het dek zag, durfde hij haar niet aanzien.En dat was wezenlijk jammer, want dat jonge meisje met die blonde lokken, met die verstandige zachte oogen, verdiende wel een blik van een jongen man van dertig jaren; maar James was in haar bijzijn niet op zijn gemak; hij gevoelde dat zij eene sterke, edelmoedige ziel bezat, in de school des ongeluks gevormd; hij begreep dat zijn zwijgen gelijk stond met de weigering van haar liefsten wensch. Bovendien zocht Jenny Halliburtt, nadat zij er ten laatste toe gekomen was hare hut te verlaten, het bijzijn van James evenmin als zij hem vermeed, en in den eersten tijd spraken zij elkander weinig of niet.De trouwe Crockston gaf echter den moed niet op om zijn doel te bereiken. Hij had zich eenmaal in het hoofd gesteld, den kapitein ter bevrijding van den heer Halliburtt te gebruiken en met dezen naar Engeland terug te keeren. Dat was zijn doel, terwijl het jonge meisje geen ander doel had dan de gevangenschap haars vaders te gaan deelen.Toen Crockston nu zag dat er niet de minste toenadering ontstond tusschen het jonge meisje en den kapitein, begon hij met de zaak verlegen te worden.»Ik zal ze overrompelen,” dacht hij.En den morgen van den vierden dag trad hij in de hut van JennyHalliburtten wreef zich met het vergenoegdste gelaat in de handen.»Goede tijding!” riep hij; »goede tijding! U raadt nooit wat de kapitein me voorgesteld heeft. Dat is eerst een braaf mensch!”»Heeft hij u voorgesteld...” riep Jenny, wier hart hevig begon te kloppen.»Den heer Halliburtt te bevrijden, hem aan de Zuidelijken te ontkapen en hem mede naar Engeland te nemen.”»Is dat waar?” riep Jenny.»Zoo als ik u zeg, juffrouw. Wat is die James Playfair een moedige kerel! Zoo zijn nu die Engelschen; ze deugen niets of ze zijn volmaakt. Ja, ja! hij kan op mijne dankbaarheid rekenen; ’k wil me voor hem tot moes laten hakken, als het hem pleizier kan doen.”De blijdschap van Jenny op het hooren van die woorden kende geene grenzen. Haar vader bevrijden! Zij zou nooit aan zulk een plan hebben durven denken? En voor haar ging de kapitein van denDolfijnzijn schip en zijn volk wagen!»Zoo is hij nu,” voegde Crockston er bij en,»juffrouw Jenny,hij verdient wel dat u hem bedankt.”»Meer dan dat,” riep het jonge meisje;»een eeuwige vriendschap!”En onmiddellijk verliet zij hare hut om voor James Playfair haar dankbaar gevoel uit te storten.»Dat gaat goed,” mompelde de Amerikaan; »’t zal gaan!”James Playfair wandelde op de kampanje en was, zoo als men denken kan, zeer verwonderd, om niet te zeggen stom van verbazing, toen hij het jonge meisje op zich zag toekomen en hem onder tranen van dankbaarheid de hand reiken, zeggende:»Heb dank, mijnheer, heb dank voor uw opoffering, die ’k nooit van een vreemde gewacht zou hebben.”»Juffrouw,” antwoordde de kapitein, als iemand die niets begreep en niet kon begrijpen, »’k weet niet....”»En u gaat om mijnentwil gevaren trotseeren, misschien uwe belangen benadeelen. U die reeds zoo veel gedaan hebt met me een gastvrijheid aan boord van uw schip te bewijzen waarop ik volstrekt geen recht heb....”»Vergeef me, juffrouw Halliburtt,” antwoordde James Playfair, »maar ’k betuig u dat ’k u volstrekt niet begrijp. ’k Heb me jegens u gedragen zoo als ieder wel opgevoed man zich jegens eene vrouw gedragen zou hebben; en mijn gedrag verdient noch zoo veel dankbaarheid, noch zoo veel dankbetuiging.”»Mijnheer Playfair,” hernam Jenny, »u behoeft niet langer te veinzen; Crockston heeft me alles gezegd.”»Heeft Crockston u alles gezegd? Dan begrijp ik nog veel minder waarom u uit uw hut gekomen zijt om me iets te zeggen dat....”Al sprekende werd de jonge kapitein vrij verlegen met zijne houding; hij herinnerde zich de minachtende wijze waarop hij hetvoorstel van den Amerikaan had aangehoord; maar gelukkig voor hem gunde Jenny hem den tijd niet zich duidelijker te verklaren en viel hem in de rede, zeggende:Hij ontdekte weldra een groot fregat. Bladz. 230.Hij ontdekte weldra een groot fregat. Bladz.230.»Mijnheer Playfair, toen ’k bij u aan boord kwam, had ik geen ander plan dan naar Charleston te gaan, en daar zouden de Zuidelijken, ondanks al hunne wreedheid, een arm meisje niet belet hebben de gevangenschap met haren vader te deelen. ’k Zou nooit een onmogelijke terugkomst gehoopt hebben; maar nu u zoo edelmoedig zijt mijn gevangen vader te willen bevrijden; wijl u alles wagen wilt om hem te redden, houd u nu overtuigd van mijn innige dankbaarheid en laat me u de hand drukken.”James wist niet wat hij zeggen zou; hij beet zich op de lippen; hij durfde de hand niet aannemen die het jonge meisje hem aanbood. Hij begreep dat Crockston hem »er in had laten loopen,” om hem het terugtreden onmogelijk te maken. En toch kwam het niet in zijn hoofd op eenig gevaar te trotseeren tot bevrijding van den heerHalliburtt. Maar hoe zou hij de hoop van het arme meisje teleurstellen? Hoe kon hij die hand afwijzen die zij hem zoo vriendschappelijk aanbood? Hoe zou hij die tranen van dankbaarheid die haar uit de oogen sprongen in tranen van droefheid doen veranderen?De jonge man deed zijn best om een ontwijkend antwoord te geven, zijne vrijheid van handelen te behouden en zich tot niets te verbinden.»Juffrouw Halliburtt,” zeide hij, »houd u overtuigd dat ik alles doen wil om...” En hij nam het handje van Jenny aan; maar bij de zachte drukking van dat handje voelde hij dat zijn hart smolt en dat zijn hoofd in de war raakte; hij kon geene woorden vinden om zijne gedachten uit te drukken; hij mompelde niets beteekenende woorden.»JuffrouwHalliburtt... om... u..”Crockston die hen van achter een mast gadesloeg, wreef zich in de handen en riep grinnekend:»Het gaat, het gaat, het gaat!”Hoe James Playfair zich uit de verlegenheid zou gered hebben? Dat weet niemand; maar gelukkig voor hem, zoo niet voor denDolfijn, liet de stem van den wachthebbenden matroos zich hooren:»Een zeil!”James Playfair liet onmiddellijk het jonge meisje staan en begaf zich in het want van den fokkemast.Toen die roepstem: »een zeil” uit de ra klonk, had deDolfijnreeds drie vijfden van de reis afgelegd. In de fokkera gekomen, ontdekte kapitein Playfair weldra een groot fregat der Noordelijken, dat met volle stoomkracht op denDolfijnafkwam en hem den pas scheen te willen afsnijden.De kapitein onderzocht het vreemde schip met de meeste nauwkeurigheid, kwam daarna weder op het dek terug en liet den eersten stuurman roepen.»Wat dunkt je van dat schip?” vroeg hij.»’k Houd het er voor, kapitein, dat het een schip van de Noordelijken is, dat onze bedoeling vermoedt.”»Ja, we behoeven geen oogenblik aan zijne nationaliteit te twijfelen,” antwoordde James. »Zie maar.”Op dat oogenblik vertoonde de met sterren bezaaide vlag der Noordelijke Unie zich op de korvet en deze liet op het uitsteken harer vlag een kanonschot volgen.»Een uitnoodiging om de onze te laten zien,” sprak de stuurman. »Welnu, dat kunnen we doen; we behoeven er ons niet voor te schamen.”»Waartoe?” antwoordde James Playfair: »onze vlag zou ons weinig beschermen en den lust van die lieden om ons een bezoek te brengen niet doen vergaan. Neen, we zullen ze vooruit zien te komen.”»Dan moeten we ons haasten,” hernam de stuurman; »als ’k me niet vergis, heb ik die korvet meer gezien, in den omtrek van Liverpool, waar zij een oog kwam houden op de in aanbouw zijnde schepen. ’k Mag geen Matthyssen heeten, als ’k niet »Iroquois” aan zijn spiegel zie staan.”»En is hij een vlugge stoomer?”»Een der beste van de noordelijke marine.”»En hoeveel stukken voert hij?”»Acht!”»Is ’t anders niet!”»Haal de schouders niet op, kapitein,” antwoordde de stuurman op ernstigen toon. »Onder die acht kanonnen zijn er twee op draaiende affuiten, een zestigponder op de voorplecht en een honderdponder op het dek; beiden getrokken kanonnen.”»Duivelsch!” zei James Playfair, »die kanonnen dragen een uur ver.”»Ja, en meer nog, kapitein.”»Nu, stuurman, of die kanonnen honderdponders of vierponders zijn; of ze een uur ver dragen of een minuut, ’t komt op ’t zelfde neer als men gauw genoeg uit den weg komt om hun kogels te ontsnappen. We zullen dien Iroquois eens laten zien hoe men vooruitkomt als men er naar gemaakt is. Laat goed aanstoken, stuurman!”De stuurman bracht den machinist de bevelen des kapiteins over en weldra kronkelde er een zwarte rook uit de schoorsteenen der boot.Dat teeken scheen niet naar den smaak der korvet te zijn; want zij zond denDolfijnhet sein om bij te draaien; doch James Playfair gaf geen acht op het bevel en veranderde niet van koers.»Nu zullen we eens zien wat die Iroquois beginnen zal; hij heeft nu een mooie gelegenheid om zijn honderdponder te probeeren en te zien hoe ver hij draagt. Laat al de stoomkracht gebruiken!”»Nu,” zei de stuurman, »’t zal niet lang duren of we krijgen een saluutschot!”Toen de kapitein op de kampanje kwam, zag hij Jenny Halliburtt bedaard op den rand zitten.»Juffrouw Halliburtt,” zeide hij, »de korvet, die u daar ziet, zal waarschijnlijk jacht op ons maken, en daar ze hare kanonnen gaat gebruiken, bied ik u mijn arm om u naar uw hut te brengen.”»Ik dank u, kapitein,” antwoordde het jonge meisje, terwijl ze James aankeek, »maar ’k ben niet bang voor een kanonschot.”»Er kan toch gevaar bij zijn, ondanks den afstand.”»O, in Amerika worden wij meisjes aan alles gewend, en ’k verzeker u dat ’k niet eens bukken zal voor de kogels van dien Iroquois.”»’k Moet uw dapperheid bewonderen, juffrouw Jenny.”»Nu, laat ons het daar voor houden, en sta me toe bij u te blijven.”»Ik kan u niets weigeren,juffrouwHalliburtt,” antwoordde de kapitein, de bedaardheid van het jonge meisje ziende.Hij had nauwelijks die woorden uitgesproken, of men zag een witte damp uit de schietgaten der korvet te voorschijn komen. Voor dat de dreunende knal van het schot denDolfijnhad kunnen bereiken, snorde een puntkogel, die met eene vreeselijke snelheid schroefsgewijs om zijn as ronddraaide, op de boot toe. Hij was gemakkelijk te volgen in zijn loop, die betrekkelijk bedaard mocht heeten, want de kogels uit een getrokken kanon geschoten, vliegen minder snel dan die uit gladde stukken.Toen de kogel nog twintig vademen van denDolfijnverwijderd was, raakte hij een oogenblik de golven en liet op zijn doortocht eene serie van kleine watervallen achter; daarna kreeg hij weder nieuwe veerkracht, verhief zich in de lucht, vloog over denDolfijnheen, sneed in zijne vaart den stuurboordarm der fokkera af, viel twintig vademen verder weder neer en verdween voor goed in de golven.»Duivelsch!” riep James Playfair, »vooruit! vooruit! de tweede kogel zal zich niet lang laten wachten!”»O,” zei de stuurman, »ze hebben in alle geval tijd noodig om te laden.”»Dat is al heel interessant om te zien,” sprak Crockston die, met de armen over elkander, het tooneel gadesloeg. »En dat zijn nog al onze vrienden die ons die kogels zenden!”»Ben jij daar!” riep James Playfair, den Amerikaan van het hoofd tot de voeten opnemende.»Ja wel, kapitein,” antwoordde Crockston onverstoorbaar; »’k kom eens zien hoe die brave kerels schieten. Niet kwaad, dat moet ik zeggen.”De kapitein wilde hem juist een scherp antwoord geven, toen een tweede kogel aan stuurboordzijde in zee plofte.»Mooi!” riep James Playfair! »we hebben al twee knoopen op dien Iroquois gewonnen. Zij loopen als een drijfton, uw vrienden, hoor je, baas Crockston!”De storm was vreeselijk. Bladz. 235.De storm was vreeselijk. Bladz.235.»’k Zeg niet van neen,” antwoordde de Amerikaan, »en voor het eerst in mijn leven doet het me pleizier.”Een derde kogel bleef ver achter bij de twee eerste en in minderdan tien minuten was deDolfijnbuiten het bereik der korvet.»Een mooi schip dat u kommandeert,” zeide toen Jenny tot den kapitein.»Ja, juffrouw Jenny, eer de dag om is, zal er van die korvet niets meer te zien zijn.”En de uitkomst toonde dat Playfair gelijk had.Dat voorval gaf aanleiding dat de kapitein het karakter van Jenny Halliburtt weder uit een nieuw oogpunt begon te beschouwen. Bovendien was het ijs nu gebroken, en de kapitein en zijne passagier waren dikwijls en lang met elkander in gesprek. Hij vond haar een bedaard, sterk, bedachtzaam, intelligent meisje, dat op Amerikaansche manier in alles oprecht hare meening zeide, en hare opinie met eene overtuiging wist te verdedigen die, zonder dat James het bemerkte, diep in zijn hart doordrong. Zij had haar land lief en was eene hartstochtelijke voorstandster van het groote denkbeeld der Unie; zij sprak over den oorlog met een enthousiasme, zoo als bijna geene andere vrouw zou hebben kunnen aan den dag leggen en meer dan eens was Playfair met zijn antwoord verlegen. Overigens bekommerde de kapitein zich niet veel om de politiek en hij zou wel in belangrijker zaken toegegeven hebben, dan de quaestie over het gelijk of ongelijk der beide partijen in Amerika, wanneer die hem op zulk eene aantrekkelijke wijze betwist geworden waren. Hij gaf zich dus gemakkelijk gewonnen. Maar dat was niet alles en weldra werd »de koopman” in zijne dierbaarste belangen aangetast.»Ja, mijnheer Playfair,” zeide Jenny op zekeren dag, »de dankbaarheid mag geen inbreuk maken op mijn oprechtheid; integendeel. Ik houd u voor bekwaam koopman, het huis Playfair is overal met eer bekend, maar op dit oogenblik doet het iets tegen zijn principes en drijft een handel zijner onwaardig.”»Hoe!” riep James, »zou het huis Playfair het recht niet hebben tot zulk een onderneming?”»Neen! Het verschaft wapenen aan ongelukkigen die in openbaren opstand zijn tegen het wettig gezag van hun land.”»’k Wil niet met u twisten over het recht der Zuidelijken; ’k zal u slechts één ding zeggen: ’k ben een koopman en denk aan de belangen van ons huis. ’k Maak zaken waar ik kan.”»Dat is juist berispelijk, mijnheer James; zoo zijt u door opium aan de Chineezen te verkoopen, dat hen verdierlijkt, even schuldig als op dit oogenblik, nu u aan de Zuidelijken de middelen levert, om een misdadigen oorlog vol te houden.”»Neen, dat is al te kras, juffrouw Jenny, ’k geef u dat volstrekt niet toe...”»Neen, ’t is waar; en als u tot u zelven inkeert, als u de rol die u spelen gaat goed zult begrijpen en de gevolgen waarvoor uin ieders oog verantwoordelijk zijt, goed inziet, zult u mij hierin zoo goed als in al het andere gelijk geven.”James Playfair stond verstomd. Hij liet het jonge meisje staan en liep boos heen, want hij gevoelde zijne onmacht om te antwoorden; daarna pruilde hij een half uur lang als een kind, en kwam eindelijk bij het zonderlinge meisje terug, dat hem met zulk een lieven lach hare meest logische argumenten voorhield.Kortom, of James Playfair het wilde weten of niet, hij was niet meer »naast God schipper van zijn schip.”Zoo schenen, tot groote blijdschap van Crockston, de zaken van den heer Halliburtt op een goeden voet te staan. De kapitein scheen besloten alles te ondernemen om den vader van juffrouw Jenny te bevrijden, al had hij er denDolfijn, zijne lading en de equipage aan moeten wagen en er zich den vloek van zijn waardigen oom Vincent door op den hals moeten halen.

Streken van Crockston.

De geheele equipage was weldra met de geschiedenis van JennyHalliburttbekend. Crockston vertelde haar nu zonder terughouding. Hij was op bevel van den kapitein van de strafoefening verschoond geworden en zoodra hij in vrijheid was, ging hij naar het ruim, nam er een klein valies uit en bracht het aan juffrouw Jenny. Het jonge meisje kon toen hare eigene kleederen weder aannemen, maar vertoonde zich niet op het dek.De stuurman zag weldra in dat Crockston hoegenaamd geen verstand van de zeevaart had en hij werd van alle dienst ontslagen.Intusschen stoomde deDolfijnsnel den Oceaan over. Den dag nadat de identiteit van mejuffrouw Halliburtt ontdekt was, liep James Playfair met rassche schreden het dek op en neder. Hij had geene enkele poging aangewend om het jonge meisje weder te zien en hun gesprek weder op te vatten.»Heb dank, mijnheer, heb dank voor uw opoffering.” Bladz. 228.»Heb dank, mijnheer, heb dank voor uw opoffering.” Bladz.228.Gedurende die wandeling kwam Crockston hem telkens tegen en keek hem steelsgewijs met een genoeglijken grijns aan. Hij wilde blijkbaar gaarne met den kapitein spreken en begon hem eindelijkzoo indringend aan te kijken dat Playfair er ongeduldig onder werd.»Wat wil je nu weer?” vroeg hij, den Amerikaan aansprekende, »je draait om me heen als een zwemmer om een drijfton!”»Neem me niet kwalijk, kapitein,” antwoordde Crockston; »dat komt omdat ik u iets te zeggen heb.”»Zeg het dan!”»Dat is gemakkelijk; ’t is niets anders dan dat u in den grond een goed mensch zijt.”»Waarom in den grond?”»Nu, in den grond en boven op ook.”»’k Heb je complimenten niet noodig.”»’t Zijn geen complimenten. Daar wacht ik mee totdat u alles gedaan hebt.”»Wat alles?”»Dat is duidelijk. U hebt ons aan boord genomen. Goed. U hebt uw hut aanjuffrouwHalliburtt gegeven. Mooi. U hebt me de straf kwijtgescholden. Zoo goed als het kan. U brengt ons naar Charleston. Overheerlijk. Maar dat is niet alles.”»Niet alles!” herhaalde de kapitein, verbaasd over de aanmatiging van den man.»Neen, zeker niet,” hernam Crockston; »haar vader zit daar gevangen.”»Nu, wat zou dat?”»U moet hem bevrijden.”»Den vader vanjuffrouwHalliburtt bevrijden!”»Natuurlijk. Hij is een achtenswaardig man, een moedig burger. Hij is waard dat men iets om hem waagt.”»Meester Crockston,” antwoordde James Playfair, de wenkbrauwen fronsende; »je schijnt mij een eerste grappenmaker, maar onthoud voortaan dat ’k geen gekheid versta.”»U vergist u, kapitein. ’k Vertel geen grappen. ’k Spreek in ernst. Wat ik u voorstel, schijnt u op het eerste gezicht ongerijmd, maar na eenig nadenken zult u zelf inzien dat u niet minder doen kunt.”»Dan dien meneer Halliburtt bevrijden?”»Zeker. U moet zijn in vrijheidstelling aan generaal Beauregard vragen, die u haar niet weigeren zal.”»En als hij toch weigert?”»Dan moeten we andere middelen te baat nemen,” zei Crockston dood bedaard, »dan moeten we den gevangene voor den neus der Zuidelijken weg halen.”»En ’k zou niet alleen door de vloot der Noordelijken heendringen en de blokkade van Charleston verbreken, maar bovendien nog maken dat ’k weer in zee kwam onder het kanon der forten, enkel om een meneer te helpen dien ’k niet ken, een papierkladder die zijn inkt vergiet in plaats van zijn bloed!”»O, een kanonschot meer of minder!” antwoordde Crockston.»Meester Crockston, als je me weer over die zaak begint, laat ik je in het vooronder opsluiten om je te leeren je tong in bedwang te houden.”Met die woorden zond de kapitein den Amerikaan weg, die onder het heengaan mompelde:»Nu, dat gaat niet kwaad; het balletje is opgeworpen. ’t Zal wel gaan!”Toen James Playfair zoo veel afschuw van de abolitionnisten te kennen gegeven had, was hij verder gegaan dan hij inwendig meende. Hij was geen voorstander van de slavernij; maar hij ontkende dat de slavenquaestie de hoofdoorzaak van den burgeroorlog was. Beweerde hij dan dat de Zuidelijke Staten—acht van de zes en dertig—het recht hadden zich af te scheiden, omdat zij zich uit vrijen wil hadden aangesloten? Dat ook niet eens. Hij had een afkeer van de Noordelijken. Dat was alles. Hij beschouwde hen als afgevallen Engelschen die goed gevonden hadden te doen wat hij nu in de Zuidelijken goedkeurde. Maar bovenal was die Amerikaansche oorlog hem persoonlijk hinderlijk en hij was kwaad op degenen die dien oorlog maakten.Intusschen kwelden hem de insinuaties van Crockston geweldig; hij schudde ze wel van zich af, maar zij drongen zich telkens weder aan hem op en toen hij Jenny den volgenden dag op het dek zag, durfde hij haar niet aanzien.En dat was wezenlijk jammer, want dat jonge meisje met die blonde lokken, met die verstandige zachte oogen, verdiende wel een blik van een jongen man van dertig jaren; maar James was in haar bijzijn niet op zijn gemak; hij gevoelde dat zij eene sterke, edelmoedige ziel bezat, in de school des ongeluks gevormd; hij begreep dat zijn zwijgen gelijk stond met de weigering van haar liefsten wensch. Bovendien zocht Jenny Halliburtt, nadat zij er ten laatste toe gekomen was hare hut te verlaten, het bijzijn van James evenmin als zij hem vermeed, en in den eersten tijd spraken zij elkander weinig of niet.De trouwe Crockston gaf echter den moed niet op om zijn doel te bereiken. Hij had zich eenmaal in het hoofd gesteld, den kapitein ter bevrijding van den heer Halliburtt te gebruiken en met dezen naar Engeland terug te keeren. Dat was zijn doel, terwijl het jonge meisje geen ander doel had dan de gevangenschap haars vaders te gaan deelen.Toen Crockston nu zag dat er niet de minste toenadering ontstond tusschen het jonge meisje en den kapitein, begon hij met de zaak verlegen te worden.»Ik zal ze overrompelen,” dacht hij.En den morgen van den vierden dag trad hij in de hut van JennyHalliburtten wreef zich met het vergenoegdste gelaat in de handen.»Goede tijding!” riep hij; »goede tijding! U raadt nooit wat de kapitein me voorgesteld heeft. Dat is eerst een braaf mensch!”»Heeft hij u voorgesteld...” riep Jenny, wier hart hevig begon te kloppen.»Den heer Halliburtt te bevrijden, hem aan de Zuidelijken te ontkapen en hem mede naar Engeland te nemen.”»Is dat waar?” riep Jenny.»Zoo als ik u zeg, juffrouw. Wat is die James Playfair een moedige kerel! Zoo zijn nu die Engelschen; ze deugen niets of ze zijn volmaakt. Ja, ja! hij kan op mijne dankbaarheid rekenen; ’k wil me voor hem tot moes laten hakken, als het hem pleizier kan doen.”De blijdschap van Jenny op het hooren van die woorden kende geene grenzen. Haar vader bevrijden! Zij zou nooit aan zulk een plan hebben durven denken? En voor haar ging de kapitein van denDolfijnzijn schip en zijn volk wagen!»Zoo is hij nu,” voegde Crockston er bij en,»juffrouw Jenny,hij verdient wel dat u hem bedankt.”»Meer dan dat,” riep het jonge meisje;»een eeuwige vriendschap!”En onmiddellijk verliet zij hare hut om voor James Playfair haar dankbaar gevoel uit te storten.»Dat gaat goed,” mompelde de Amerikaan; »’t zal gaan!”James Playfair wandelde op de kampanje en was, zoo als men denken kan, zeer verwonderd, om niet te zeggen stom van verbazing, toen hij het jonge meisje op zich zag toekomen en hem onder tranen van dankbaarheid de hand reiken, zeggende:»Heb dank, mijnheer, heb dank voor uw opoffering, die ’k nooit van een vreemde gewacht zou hebben.”»Juffrouw,” antwoordde de kapitein, als iemand die niets begreep en niet kon begrijpen, »’k weet niet....”»En u gaat om mijnentwil gevaren trotseeren, misschien uwe belangen benadeelen. U die reeds zoo veel gedaan hebt met me een gastvrijheid aan boord van uw schip te bewijzen waarop ik volstrekt geen recht heb....”»Vergeef me, juffrouw Halliburtt,” antwoordde James Playfair, »maar ’k betuig u dat ’k u volstrekt niet begrijp. ’k Heb me jegens u gedragen zoo als ieder wel opgevoed man zich jegens eene vrouw gedragen zou hebben; en mijn gedrag verdient noch zoo veel dankbaarheid, noch zoo veel dankbetuiging.”»Mijnheer Playfair,” hernam Jenny, »u behoeft niet langer te veinzen; Crockston heeft me alles gezegd.”»Heeft Crockston u alles gezegd? Dan begrijp ik nog veel minder waarom u uit uw hut gekomen zijt om me iets te zeggen dat....”Al sprekende werd de jonge kapitein vrij verlegen met zijne houding; hij herinnerde zich de minachtende wijze waarop hij hetvoorstel van den Amerikaan had aangehoord; maar gelukkig voor hem gunde Jenny hem den tijd niet zich duidelijker te verklaren en viel hem in de rede, zeggende:Hij ontdekte weldra een groot fregat. Bladz. 230.Hij ontdekte weldra een groot fregat. Bladz.230.»Mijnheer Playfair, toen ’k bij u aan boord kwam, had ik geen ander plan dan naar Charleston te gaan, en daar zouden de Zuidelijken, ondanks al hunne wreedheid, een arm meisje niet belet hebben de gevangenschap met haren vader te deelen. ’k Zou nooit een onmogelijke terugkomst gehoopt hebben; maar nu u zoo edelmoedig zijt mijn gevangen vader te willen bevrijden; wijl u alles wagen wilt om hem te redden, houd u nu overtuigd van mijn innige dankbaarheid en laat me u de hand drukken.”James wist niet wat hij zeggen zou; hij beet zich op de lippen; hij durfde de hand niet aannemen die het jonge meisje hem aanbood. Hij begreep dat Crockston hem »er in had laten loopen,” om hem het terugtreden onmogelijk te maken. En toch kwam het niet in zijn hoofd op eenig gevaar te trotseeren tot bevrijding van den heerHalliburtt. Maar hoe zou hij de hoop van het arme meisje teleurstellen? Hoe kon hij die hand afwijzen die zij hem zoo vriendschappelijk aanbood? Hoe zou hij die tranen van dankbaarheid die haar uit de oogen sprongen in tranen van droefheid doen veranderen?De jonge man deed zijn best om een ontwijkend antwoord te geven, zijne vrijheid van handelen te behouden en zich tot niets te verbinden.»Juffrouw Halliburtt,” zeide hij, »houd u overtuigd dat ik alles doen wil om...” En hij nam het handje van Jenny aan; maar bij de zachte drukking van dat handje voelde hij dat zijn hart smolt en dat zijn hoofd in de war raakte; hij kon geene woorden vinden om zijne gedachten uit te drukken; hij mompelde niets beteekenende woorden.»JuffrouwHalliburtt... om... u..”Crockston die hen van achter een mast gadesloeg, wreef zich in de handen en riep grinnekend:»Het gaat, het gaat, het gaat!”Hoe James Playfair zich uit de verlegenheid zou gered hebben? Dat weet niemand; maar gelukkig voor hem, zoo niet voor denDolfijn, liet de stem van den wachthebbenden matroos zich hooren:»Een zeil!”James Playfair liet onmiddellijk het jonge meisje staan en begaf zich in het want van den fokkemast.Toen die roepstem: »een zeil” uit de ra klonk, had deDolfijnreeds drie vijfden van de reis afgelegd. In de fokkera gekomen, ontdekte kapitein Playfair weldra een groot fregat der Noordelijken, dat met volle stoomkracht op denDolfijnafkwam en hem den pas scheen te willen afsnijden.De kapitein onderzocht het vreemde schip met de meeste nauwkeurigheid, kwam daarna weder op het dek terug en liet den eersten stuurman roepen.»Wat dunkt je van dat schip?” vroeg hij.»’k Houd het er voor, kapitein, dat het een schip van de Noordelijken is, dat onze bedoeling vermoedt.”»Ja, we behoeven geen oogenblik aan zijne nationaliteit te twijfelen,” antwoordde James. »Zie maar.”Op dat oogenblik vertoonde de met sterren bezaaide vlag der Noordelijke Unie zich op de korvet en deze liet op het uitsteken harer vlag een kanonschot volgen.»Een uitnoodiging om de onze te laten zien,” sprak de stuurman. »Welnu, dat kunnen we doen; we behoeven er ons niet voor te schamen.”»Waartoe?” antwoordde James Playfair: »onze vlag zou ons weinig beschermen en den lust van die lieden om ons een bezoek te brengen niet doen vergaan. Neen, we zullen ze vooruit zien te komen.”»Dan moeten we ons haasten,” hernam de stuurman; »als ’k me niet vergis, heb ik die korvet meer gezien, in den omtrek van Liverpool, waar zij een oog kwam houden op de in aanbouw zijnde schepen. ’k Mag geen Matthyssen heeten, als ’k niet »Iroquois” aan zijn spiegel zie staan.”»En is hij een vlugge stoomer?”»Een der beste van de noordelijke marine.”»En hoeveel stukken voert hij?”»Acht!”»Is ’t anders niet!”»Haal de schouders niet op, kapitein,” antwoordde de stuurman op ernstigen toon. »Onder die acht kanonnen zijn er twee op draaiende affuiten, een zestigponder op de voorplecht en een honderdponder op het dek; beiden getrokken kanonnen.”»Duivelsch!” zei James Playfair, »die kanonnen dragen een uur ver.”»Ja, en meer nog, kapitein.”»Nu, stuurman, of die kanonnen honderdponders of vierponders zijn; of ze een uur ver dragen of een minuut, ’t komt op ’t zelfde neer als men gauw genoeg uit den weg komt om hun kogels te ontsnappen. We zullen dien Iroquois eens laten zien hoe men vooruitkomt als men er naar gemaakt is. Laat goed aanstoken, stuurman!”De stuurman bracht den machinist de bevelen des kapiteins over en weldra kronkelde er een zwarte rook uit de schoorsteenen der boot.Dat teeken scheen niet naar den smaak der korvet te zijn; want zij zond denDolfijnhet sein om bij te draaien; doch James Playfair gaf geen acht op het bevel en veranderde niet van koers.»Nu zullen we eens zien wat die Iroquois beginnen zal; hij heeft nu een mooie gelegenheid om zijn honderdponder te probeeren en te zien hoe ver hij draagt. Laat al de stoomkracht gebruiken!”»Nu,” zei de stuurman, »’t zal niet lang duren of we krijgen een saluutschot!”Toen de kapitein op de kampanje kwam, zag hij Jenny Halliburtt bedaard op den rand zitten.»Juffrouw Halliburtt,” zeide hij, »de korvet, die u daar ziet, zal waarschijnlijk jacht op ons maken, en daar ze hare kanonnen gaat gebruiken, bied ik u mijn arm om u naar uw hut te brengen.”»Ik dank u, kapitein,” antwoordde het jonge meisje, terwijl ze James aankeek, »maar ’k ben niet bang voor een kanonschot.”»Er kan toch gevaar bij zijn, ondanks den afstand.”»O, in Amerika worden wij meisjes aan alles gewend, en ’k verzeker u dat ’k niet eens bukken zal voor de kogels van dien Iroquois.”»’k Moet uw dapperheid bewonderen, juffrouw Jenny.”»Nu, laat ons het daar voor houden, en sta me toe bij u te blijven.”»Ik kan u niets weigeren,juffrouwHalliburtt,” antwoordde de kapitein, de bedaardheid van het jonge meisje ziende.Hij had nauwelijks die woorden uitgesproken, of men zag een witte damp uit de schietgaten der korvet te voorschijn komen. Voor dat de dreunende knal van het schot denDolfijnhad kunnen bereiken, snorde een puntkogel, die met eene vreeselijke snelheid schroefsgewijs om zijn as ronddraaide, op de boot toe. Hij was gemakkelijk te volgen in zijn loop, die betrekkelijk bedaard mocht heeten, want de kogels uit een getrokken kanon geschoten, vliegen minder snel dan die uit gladde stukken.Toen de kogel nog twintig vademen van denDolfijnverwijderd was, raakte hij een oogenblik de golven en liet op zijn doortocht eene serie van kleine watervallen achter; daarna kreeg hij weder nieuwe veerkracht, verhief zich in de lucht, vloog over denDolfijnheen, sneed in zijne vaart den stuurboordarm der fokkera af, viel twintig vademen verder weder neer en verdween voor goed in de golven.»Duivelsch!” riep James Playfair, »vooruit! vooruit! de tweede kogel zal zich niet lang laten wachten!”»O,” zei de stuurman, »ze hebben in alle geval tijd noodig om te laden.”»Dat is al heel interessant om te zien,” sprak Crockston die, met de armen over elkander, het tooneel gadesloeg. »En dat zijn nog al onze vrienden die ons die kogels zenden!”»Ben jij daar!” riep James Playfair, den Amerikaan van het hoofd tot de voeten opnemende.»Ja wel, kapitein,” antwoordde Crockston onverstoorbaar; »’k kom eens zien hoe die brave kerels schieten. Niet kwaad, dat moet ik zeggen.”De kapitein wilde hem juist een scherp antwoord geven, toen een tweede kogel aan stuurboordzijde in zee plofte.»Mooi!” riep James Playfair! »we hebben al twee knoopen op dien Iroquois gewonnen. Zij loopen als een drijfton, uw vrienden, hoor je, baas Crockston!”De storm was vreeselijk. Bladz. 235.De storm was vreeselijk. Bladz.235.»’k Zeg niet van neen,” antwoordde de Amerikaan, »en voor het eerst in mijn leven doet het me pleizier.”Een derde kogel bleef ver achter bij de twee eerste en in minderdan tien minuten was deDolfijnbuiten het bereik der korvet.»Een mooi schip dat u kommandeert,” zeide toen Jenny tot den kapitein.»Ja, juffrouw Jenny, eer de dag om is, zal er van die korvet niets meer te zien zijn.”En de uitkomst toonde dat Playfair gelijk had.Dat voorval gaf aanleiding dat de kapitein het karakter van Jenny Halliburtt weder uit een nieuw oogpunt begon te beschouwen. Bovendien was het ijs nu gebroken, en de kapitein en zijne passagier waren dikwijls en lang met elkander in gesprek. Hij vond haar een bedaard, sterk, bedachtzaam, intelligent meisje, dat op Amerikaansche manier in alles oprecht hare meening zeide, en hare opinie met eene overtuiging wist te verdedigen die, zonder dat James het bemerkte, diep in zijn hart doordrong. Zij had haar land lief en was eene hartstochtelijke voorstandster van het groote denkbeeld der Unie; zij sprak over den oorlog met een enthousiasme, zoo als bijna geene andere vrouw zou hebben kunnen aan den dag leggen en meer dan eens was Playfair met zijn antwoord verlegen. Overigens bekommerde de kapitein zich niet veel om de politiek en hij zou wel in belangrijker zaken toegegeven hebben, dan de quaestie over het gelijk of ongelijk der beide partijen in Amerika, wanneer die hem op zulk eene aantrekkelijke wijze betwist geworden waren. Hij gaf zich dus gemakkelijk gewonnen. Maar dat was niet alles en weldra werd »de koopman” in zijne dierbaarste belangen aangetast.»Ja, mijnheer Playfair,” zeide Jenny op zekeren dag, »de dankbaarheid mag geen inbreuk maken op mijn oprechtheid; integendeel. Ik houd u voor bekwaam koopman, het huis Playfair is overal met eer bekend, maar op dit oogenblik doet het iets tegen zijn principes en drijft een handel zijner onwaardig.”»Hoe!” riep James, »zou het huis Playfair het recht niet hebben tot zulk een onderneming?”»Neen! Het verschaft wapenen aan ongelukkigen die in openbaren opstand zijn tegen het wettig gezag van hun land.”»’k Wil niet met u twisten over het recht der Zuidelijken; ’k zal u slechts één ding zeggen: ’k ben een koopman en denk aan de belangen van ons huis. ’k Maak zaken waar ik kan.”»Dat is juist berispelijk, mijnheer James; zoo zijt u door opium aan de Chineezen te verkoopen, dat hen verdierlijkt, even schuldig als op dit oogenblik, nu u aan de Zuidelijken de middelen levert, om een misdadigen oorlog vol te houden.”»Neen, dat is al te kras, juffrouw Jenny, ’k geef u dat volstrekt niet toe...”»Neen, ’t is waar; en als u tot u zelven inkeert, als u de rol die u spelen gaat goed zult begrijpen en de gevolgen waarvoor uin ieders oog verantwoordelijk zijt, goed inziet, zult u mij hierin zoo goed als in al het andere gelijk geven.”James Playfair stond verstomd. Hij liet het jonge meisje staan en liep boos heen, want hij gevoelde zijne onmacht om te antwoorden; daarna pruilde hij een half uur lang als een kind, en kwam eindelijk bij het zonderlinge meisje terug, dat hem met zulk een lieven lach hare meest logische argumenten voorhield.Kortom, of James Playfair het wilde weten of niet, hij was niet meer »naast God schipper van zijn schip.”Zoo schenen, tot groote blijdschap van Crockston, de zaken van den heer Halliburtt op een goeden voet te staan. De kapitein scheen besloten alles te ondernemen om den vader van juffrouw Jenny te bevrijden, al had hij er denDolfijn, zijne lading en de equipage aan moeten wagen en er zich den vloek van zijn waardigen oom Vincent door op den hals moeten halen.

De geheele equipage was weldra met de geschiedenis van JennyHalliburttbekend. Crockston vertelde haar nu zonder terughouding. Hij was op bevel van den kapitein van de strafoefening verschoond geworden en zoodra hij in vrijheid was, ging hij naar het ruim, nam er een klein valies uit en bracht het aan juffrouw Jenny. Het jonge meisje kon toen hare eigene kleederen weder aannemen, maar vertoonde zich niet op het dek.

De stuurman zag weldra in dat Crockston hoegenaamd geen verstand van de zeevaart had en hij werd van alle dienst ontslagen.

Intusschen stoomde deDolfijnsnel den Oceaan over. Den dag nadat de identiteit van mejuffrouw Halliburtt ontdekt was, liep James Playfair met rassche schreden het dek op en neder. Hij had geene enkele poging aangewend om het jonge meisje weder te zien en hun gesprek weder op te vatten.

»Heb dank, mijnheer, heb dank voor uw opoffering.” Bladz. 228.»Heb dank, mijnheer, heb dank voor uw opoffering.” Bladz.228.

»Heb dank, mijnheer, heb dank voor uw opoffering.” Bladz.228.

Gedurende die wandeling kwam Crockston hem telkens tegen en keek hem steelsgewijs met een genoeglijken grijns aan. Hij wilde blijkbaar gaarne met den kapitein spreken en begon hem eindelijkzoo indringend aan te kijken dat Playfair er ongeduldig onder werd.

»Wat wil je nu weer?” vroeg hij, den Amerikaan aansprekende, »je draait om me heen als een zwemmer om een drijfton!”

»Neem me niet kwalijk, kapitein,” antwoordde Crockston; »dat komt omdat ik u iets te zeggen heb.”

»Zeg het dan!”

»Dat is gemakkelijk; ’t is niets anders dan dat u in den grond een goed mensch zijt.”

»Waarom in den grond?”

»Nu, in den grond en boven op ook.”

»’k Heb je complimenten niet noodig.”

»’t Zijn geen complimenten. Daar wacht ik mee totdat u alles gedaan hebt.”

»Wat alles?”

»Dat is duidelijk. U hebt ons aan boord genomen. Goed. U hebt uw hut aanjuffrouwHalliburtt gegeven. Mooi. U hebt me de straf kwijtgescholden. Zoo goed als het kan. U brengt ons naar Charleston. Overheerlijk. Maar dat is niet alles.”

»Niet alles!” herhaalde de kapitein, verbaasd over de aanmatiging van den man.

»Neen, zeker niet,” hernam Crockston; »haar vader zit daar gevangen.”

»Nu, wat zou dat?”

»U moet hem bevrijden.”

»Den vader vanjuffrouwHalliburtt bevrijden!”

»Natuurlijk. Hij is een achtenswaardig man, een moedig burger. Hij is waard dat men iets om hem waagt.”

»Meester Crockston,” antwoordde James Playfair, de wenkbrauwen fronsende; »je schijnt mij een eerste grappenmaker, maar onthoud voortaan dat ’k geen gekheid versta.”

»U vergist u, kapitein. ’k Vertel geen grappen. ’k Spreek in ernst. Wat ik u voorstel, schijnt u op het eerste gezicht ongerijmd, maar na eenig nadenken zult u zelf inzien dat u niet minder doen kunt.”

»Dan dien meneer Halliburtt bevrijden?”

»Zeker. U moet zijn in vrijheidstelling aan generaal Beauregard vragen, die u haar niet weigeren zal.”

»En als hij toch weigert?”

»Dan moeten we andere middelen te baat nemen,” zei Crockston dood bedaard, »dan moeten we den gevangene voor den neus der Zuidelijken weg halen.”

»En ’k zou niet alleen door de vloot der Noordelijken heendringen en de blokkade van Charleston verbreken, maar bovendien nog maken dat ’k weer in zee kwam onder het kanon der forten, enkel om een meneer te helpen dien ’k niet ken, een papierkladder die zijn inkt vergiet in plaats van zijn bloed!”

»O, een kanonschot meer of minder!” antwoordde Crockston.

»Meester Crockston, als je me weer over die zaak begint, laat ik je in het vooronder opsluiten om je te leeren je tong in bedwang te houden.”

Met die woorden zond de kapitein den Amerikaan weg, die onder het heengaan mompelde:

»Nu, dat gaat niet kwaad; het balletje is opgeworpen. ’t Zal wel gaan!”

Toen James Playfair zoo veel afschuw van de abolitionnisten te kennen gegeven had, was hij verder gegaan dan hij inwendig meende. Hij was geen voorstander van de slavernij; maar hij ontkende dat de slavenquaestie de hoofdoorzaak van den burgeroorlog was. Beweerde hij dan dat de Zuidelijke Staten—acht van de zes en dertig—het recht hadden zich af te scheiden, omdat zij zich uit vrijen wil hadden aangesloten? Dat ook niet eens. Hij had een afkeer van de Noordelijken. Dat was alles. Hij beschouwde hen als afgevallen Engelschen die goed gevonden hadden te doen wat hij nu in de Zuidelijken goedkeurde. Maar bovenal was die Amerikaansche oorlog hem persoonlijk hinderlijk en hij was kwaad op degenen die dien oorlog maakten.

Intusschen kwelden hem de insinuaties van Crockston geweldig; hij schudde ze wel van zich af, maar zij drongen zich telkens weder aan hem op en toen hij Jenny den volgenden dag op het dek zag, durfde hij haar niet aanzien.

En dat was wezenlijk jammer, want dat jonge meisje met die blonde lokken, met die verstandige zachte oogen, verdiende wel een blik van een jongen man van dertig jaren; maar James was in haar bijzijn niet op zijn gemak; hij gevoelde dat zij eene sterke, edelmoedige ziel bezat, in de school des ongeluks gevormd; hij begreep dat zijn zwijgen gelijk stond met de weigering van haar liefsten wensch. Bovendien zocht Jenny Halliburtt, nadat zij er ten laatste toe gekomen was hare hut te verlaten, het bijzijn van James evenmin als zij hem vermeed, en in den eersten tijd spraken zij elkander weinig of niet.

De trouwe Crockston gaf echter den moed niet op om zijn doel te bereiken. Hij had zich eenmaal in het hoofd gesteld, den kapitein ter bevrijding van den heer Halliburtt te gebruiken en met dezen naar Engeland terug te keeren. Dat was zijn doel, terwijl het jonge meisje geen ander doel had dan de gevangenschap haars vaders te gaan deelen.

Toen Crockston nu zag dat er niet de minste toenadering ontstond tusschen het jonge meisje en den kapitein, begon hij met de zaak verlegen te worden.

»Ik zal ze overrompelen,” dacht hij.

En den morgen van den vierden dag trad hij in de hut van JennyHalliburtten wreef zich met het vergenoegdste gelaat in de handen.

»Goede tijding!” riep hij; »goede tijding! U raadt nooit wat de kapitein me voorgesteld heeft. Dat is eerst een braaf mensch!”

»Heeft hij u voorgesteld...” riep Jenny, wier hart hevig begon te kloppen.

»Den heer Halliburtt te bevrijden, hem aan de Zuidelijken te ontkapen en hem mede naar Engeland te nemen.”

»Is dat waar?” riep Jenny.

»Zoo als ik u zeg, juffrouw. Wat is die James Playfair een moedige kerel! Zoo zijn nu die Engelschen; ze deugen niets of ze zijn volmaakt. Ja, ja! hij kan op mijne dankbaarheid rekenen; ’k wil me voor hem tot moes laten hakken, als het hem pleizier kan doen.”

De blijdschap van Jenny op het hooren van die woorden kende geene grenzen. Haar vader bevrijden! Zij zou nooit aan zulk een plan hebben durven denken? En voor haar ging de kapitein van denDolfijnzijn schip en zijn volk wagen!

»Zoo is hij nu,” voegde Crockston er bij en,»juffrouw Jenny,hij verdient wel dat u hem bedankt.”

»Meer dan dat,” riep het jonge meisje;»een eeuwige vriendschap!”

En onmiddellijk verliet zij hare hut om voor James Playfair haar dankbaar gevoel uit te storten.

»Dat gaat goed,” mompelde de Amerikaan; »’t zal gaan!”

James Playfair wandelde op de kampanje en was, zoo als men denken kan, zeer verwonderd, om niet te zeggen stom van verbazing, toen hij het jonge meisje op zich zag toekomen en hem onder tranen van dankbaarheid de hand reiken, zeggende:

»Heb dank, mijnheer, heb dank voor uw opoffering, die ’k nooit van een vreemde gewacht zou hebben.”

»Juffrouw,” antwoordde de kapitein, als iemand die niets begreep en niet kon begrijpen, »’k weet niet....”

»En u gaat om mijnentwil gevaren trotseeren, misschien uwe belangen benadeelen. U die reeds zoo veel gedaan hebt met me een gastvrijheid aan boord van uw schip te bewijzen waarop ik volstrekt geen recht heb....”

»Vergeef me, juffrouw Halliburtt,” antwoordde James Playfair, »maar ’k betuig u dat ’k u volstrekt niet begrijp. ’k Heb me jegens u gedragen zoo als ieder wel opgevoed man zich jegens eene vrouw gedragen zou hebben; en mijn gedrag verdient noch zoo veel dankbaarheid, noch zoo veel dankbetuiging.”

»Mijnheer Playfair,” hernam Jenny, »u behoeft niet langer te veinzen; Crockston heeft me alles gezegd.”

»Heeft Crockston u alles gezegd? Dan begrijp ik nog veel minder waarom u uit uw hut gekomen zijt om me iets te zeggen dat....”

Al sprekende werd de jonge kapitein vrij verlegen met zijne houding; hij herinnerde zich de minachtende wijze waarop hij hetvoorstel van den Amerikaan had aangehoord; maar gelukkig voor hem gunde Jenny hem den tijd niet zich duidelijker te verklaren en viel hem in de rede, zeggende:

Hij ontdekte weldra een groot fregat. Bladz. 230.Hij ontdekte weldra een groot fregat. Bladz.230.

Hij ontdekte weldra een groot fregat. Bladz.230.

»Mijnheer Playfair, toen ’k bij u aan boord kwam, had ik geen ander plan dan naar Charleston te gaan, en daar zouden de Zuidelijken, ondanks al hunne wreedheid, een arm meisje niet belet hebben de gevangenschap met haren vader te deelen. ’k Zou nooit een onmogelijke terugkomst gehoopt hebben; maar nu u zoo edelmoedig zijt mijn gevangen vader te willen bevrijden; wijl u alles wagen wilt om hem te redden, houd u nu overtuigd van mijn innige dankbaarheid en laat me u de hand drukken.”

James wist niet wat hij zeggen zou; hij beet zich op de lippen; hij durfde de hand niet aannemen die het jonge meisje hem aanbood. Hij begreep dat Crockston hem »er in had laten loopen,” om hem het terugtreden onmogelijk te maken. En toch kwam het niet in zijn hoofd op eenig gevaar te trotseeren tot bevrijding van den heerHalliburtt. Maar hoe zou hij de hoop van het arme meisje teleurstellen? Hoe kon hij die hand afwijzen die zij hem zoo vriendschappelijk aanbood? Hoe zou hij die tranen van dankbaarheid die haar uit de oogen sprongen in tranen van droefheid doen veranderen?

De jonge man deed zijn best om een ontwijkend antwoord te geven, zijne vrijheid van handelen te behouden en zich tot niets te verbinden.

»Juffrouw Halliburtt,” zeide hij, »houd u overtuigd dat ik alles doen wil om...” En hij nam het handje van Jenny aan; maar bij de zachte drukking van dat handje voelde hij dat zijn hart smolt en dat zijn hoofd in de war raakte; hij kon geene woorden vinden om zijne gedachten uit te drukken; hij mompelde niets beteekenende woorden.

»JuffrouwHalliburtt... om... u..”

Crockston die hen van achter een mast gadesloeg, wreef zich in de handen en riep grinnekend:

»Het gaat, het gaat, het gaat!”

Hoe James Playfair zich uit de verlegenheid zou gered hebben? Dat weet niemand; maar gelukkig voor hem, zoo niet voor denDolfijn, liet de stem van den wachthebbenden matroos zich hooren:

»Een zeil!”

James Playfair liet onmiddellijk het jonge meisje staan en begaf zich in het want van den fokkemast.

Toen die roepstem: »een zeil” uit de ra klonk, had deDolfijnreeds drie vijfden van de reis afgelegd. In de fokkera gekomen, ontdekte kapitein Playfair weldra een groot fregat der Noordelijken, dat met volle stoomkracht op denDolfijnafkwam en hem den pas scheen te willen afsnijden.

De kapitein onderzocht het vreemde schip met de meeste nauwkeurigheid, kwam daarna weder op het dek terug en liet den eersten stuurman roepen.

»Wat dunkt je van dat schip?” vroeg hij.

»’k Houd het er voor, kapitein, dat het een schip van de Noordelijken is, dat onze bedoeling vermoedt.”

»Ja, we behoeven geen oogenblik aan zijne nationaliteit te twijfelen,” antwoordde James. »Zie maar.”

Op dat oogenblik vertoonde de met sterren bezaaide vlag der Noordelijke Unie zich op de korvet en deze liet op het uitsteken harer vlag een kanonschot volgen.

»Een uitnoodiging om de onze te laten zien,” sprak de stuurman. »Welnu, dat kunnen we doen; we behoeven er ons niet voor te schamen.”

»Waartoe?” antwoordde James Playfair: »onze vlag zou ons weinig beschermen en den lust van die lieden om ons een bezoek te brengen niet doen vergaan. Neen, we zullen ze vooruit zien te komen.”

»Dan moeten we ons haasten,” hernam de stuurman; »als ’k me niet vergis, heb ik die korvet meer gezien, in den omtrek van Liverpool, waar zij een oog kwam houden op de in aanbouw zijnde schepen. ’k Mag geen Matthyssen heeten, als ’k niet »Iroquois” aan zijn spiegel zie staan.”

»En is hij een vlugge stoomer?”

»Een der beste van de noordelijke marine.”

»En hoeveel stukken voert hij?”

»Acht!”

»Is ’t anders niet!”

»Haal de schouders niet op, kapitein,” antwoordde de stuurman op ernstigen toon. »Onder die acht kanonnen zijn er twee op draaiende affuiten, een zestigponder op de voorplecht en een honderdponder op het dek; beiden getrokken kanonnen.”

»Duivelsch!” zei James Playfair, »die kanonnen dragen een uur ver.”

»Ja, en meer nog, kapitein.”

»Nu, stuurman, of die kanonnen honderdponders of vierponders zijn; of ze een uur ver dragen of een minuut, ’t komt op ’t zelfde neer als men gauw genoeg uit den weg komt om hun kogels te ontsnappen. We zullen dien Iroquois eens laten zien hoe men vooruitkomt als men er naar gemaakt is. Laat goed aanstoken, stuurman!”

De stuurman bracht den machinist de bevelen des kapiteins over en weldra kronkelde er een zwarte rook uit de schoorsteenen der boot.

Dat teeken scheen niet naar den smaak der korvet te zijn; want zij zond denDolfijnhet sein om bij te draaien; doch James Playfair gaf geen acht op het bevel en veranderde niet van koers.

»Nu zullen we eens zien wat die Iroquois beginnen zal; hij heeft nu een mooie gelegenheid om zijn honderdponder te probeeren en te zien hoe ver hij draagt. Laat al de stoomkracht gebruiken!”

»Nu,” zei de stuurman, »’t zal niet lang duren of we krijgen een saluutschot!”

Toen de kapitein op de kampanje kwam, zag hij Jenny Halliburtt bedaard op den rand zitten.

»Juffrouw Halliburtt,” zeide hij, »de korvet, die u daar ziet, zal waarschijnlijk jacht op ons maken, en daar ze hare kanonnen gaat gebruiken, bied ik u mijn arm om u naar uw hut te brengen.”

»Ik dank u, kapitein,” antwoordde het jonge meisje, terwijl ze James aankeek, »maar ’k ben niet bang voor een kanonschot.”

»Er kan toch gevaar bij zijn, ondanks den afstand.”

»O, in Amerika worden wij meisjes aan alles gewend, en ’k verzeker u dat ’k niet eens bukken zal voor de kogels van dien Iroquois.”

»’k Moet uw dapperheid bewonderen, juffrouw Jenny.”

»Nu, laat ons het daar voor houden, en sta me toe bij u te blijven.”

»Ik kan u niets weigeren,juffrouwHalliburtt,” antwoordde de kapitein, de bedaardheid van het jonge meisje ziende.

Hij had nauwelijks die woorden uitgesproken, of men zag een witte damp uit de schietgaten der korvet te voorschijn komen. Voor dat de dreunende knal van het schot denDolfijnhad kunnen bereiken, snorde een puntkogel, die met eene vreeselijke snelheid schroefsgewijs om zijn as ronddraaide, op de boot toe. Hij was gemakkelijk te volgen in zijn loop, die betrekkelijk bedaard mocht heeten, want de kogels uit een getrokken kanon geschoten, vliegen minder snel dan die uit gladde stukken.

Toen de kogel nog twintig vademen van denDolfijnverwijderd was, raakte hij een oogenblik de golven en liet op zijn doortocht eene serie van kleine watervallen achter; daarna kreeg hij weder nieuwe veerkracht, verhief zich in de lucht, vloog over denDolfijnheen, sneed in zijne vaart den stuurboordarm der fokkera af, viel twintig vademen verder weder neer en verdween voor goed in de golven.

»Duivelsch!” riep James Playfair, »vooruit! vooruit! de tweede kogel zal zich niet lang laten wachten!”

»O,” zei de stuurman, »ze hebben in alle geval tijd noodig om te laden.”

»Dat is al heel interessant om te zien,” sprak Crockston die, met de armen over elkander, het tooneel gadesloeg. »En dat zijn nog al onze vrienden die ons die kogels zenden!”

»Ben jij daar!” riep James Playfair, den Amerikaan van het hoofd tot de voeten opnemende.

»Ja wel, kapitein,” antwoordde Crockston onverstoorbaar; »’k kom eens zien hoe die brave kerels schieten. Niet kwaad, dat moet ik zeggen.”

De kapitein wilde hem juist een scherp antwoord geven, toen een tweede kogel aan stuurboordzijde in zee plofte.

»Mooi!” riep James Playfair! »we hebben al twee knoopen op dien Iroquois gewonnen. Zij loopen als een drijfton, uw vrienden, hoor je, baas Crockston!”

De storm was vreeselijk. Bladz. 235.De storm was vreeselijk. Bladz.235.

De storm was vreeselijk. Bladz.235.

»’k Zeg niet van neen,” antwoordde de Amerikaan, »en voor het eerst in mijn leven doet het me pleizier.”

Een derde kogel bleef ver achter bij de twee eerste en in minderdan tien minuten was deDolfijnbuiten het bereik der korvet.

»Een mooi schip dat u kommandeert,” zeide toen Jenny tot den kapitein.

»Ja, juffrouw Jenny, eer de dag om is, zal er van die korvet niets meer te zien zijn.”

En de uitkomst toonde dat Playfair gelijk had.

Dat voorval gaf aanleiding dat de kapitein het karakter van Jenny Halliburtt weder uit een nieuw oogpunt begon te beschouwen. Bovendien was het ijs nu gebroken, en de kapitein en zijne passagier waren dikwijls en lang met elkander in gesprek. Hij vond haar een bedaard, sterk, bedachtzaam, intelligent meisje, dat op Amerikaansche manier in alles oprecht hare meening zeide, en hare opinie met eene overtuiging wist te verdedigen die, zonder dat James het bemerkte, diep in zijn hart doordrong. Zij had haar land lief en was eene hartstochtelijke voorstandster van het groote denkbeeld der Unie; zij sprak over den oorlog met een enthousiasme, zoo als bijna geene andere vrouw zou hebben kunnen aan den dag leggen en meer dan eens was Playfair met zijn antwoord verlegen. Overigens bekommerde de kapitein zich niet veel om de politiek en hij zou wel in belangrijker zaken toegegeven hebben, dan de quaestie over het gelijk of ongelijk der beide partijen in Amerika, wanneer die hem op zulk eene aantrekkelijke wijze betwist geworden waren. Hij gaf zich dus gemakkelijk gewonnen. Maar dat was niet alles en weldra werd »de koopman” in zijne dierbaarste belangen aangetast.

»Ja, mijnheer Playfair,” zeide Jenny op zekeren dag, »de dankbaarheid mag geen inbreuk maken op mijn oprechtheid; integendeel. Ik houd u voor bekwaam koopman, het huis Playfair is overal met eer bekend, maar op dit oogenblik doet het iets tegen zijn principes en drijft een handel zijner onwaardig.”

»Hoe!” riep James, »zou het huis Playfair het recht niet hebben tot zulk een onderneming?”

»Neen! Het verschaft wapenen aan ongelukkigen die in openbaren opstand zijn tegen het wettig gezag van hun land.”

»’k Wil niet met u twisten over het recht der Zuidelijken; ’k zal u slechts één ding zeggen: ’k ben een koopman en denk aan de belangen van ons huis. ’k Maak zaken waar ik kan.”

»Dat is juist berispelijk, mijnheer James; zoo zijt u door opium aan de Chineezen te verkoopen, dat hen verdierlijkt, even schuldig als op dit oogenblik, nu u aan de Zuidelijken de middelen levert, om een misdadigen oorlog vol te houden.”

»Neen, dat is al te kras, juffrouw Jenny, ’k geef u dat volstrekt niet toe...”

»Neen, ’t is waar; en als u tot u zelven inkeert, als u de rol die u spelen gaat goed zult begrijpen en de gevolgen waarvoor uin ieders oog verantwoordelijk zijt, goed inziet, zult u mij hierin zoo goed als in al het andere gelijk geven.”

James Playfair stond verstomd. Hij liet het jonge meisje staan en liep boos heen, want hij gevoelde zijne onmacht om te antwoorden; daarna pruilde hij een half uur lang als een kind, en kwam eindelijk bij het zonderlinge meisje terug, dat hem met zulk een lieven lach hare meest logische argumenten voorhield.

Kortom, of James Playfair het wilde weten of niet, hij was niet meer »naast God schipper van zijn schip.”

Zoo schenen, tot groote blijdschap van Crockston, de zaken van den heer Halliburtt op een goeden voet te staan. De kapitein scheen besloten alles te ondernemen om den vader van juffrouw Jenny te bevrijden, al had hij er denDolfijn, zijne lading en de equipage aan moeten wagen en er zich den vloek van zijn waardigen oom Vincent door op den hals moeten halen.


Back to IndexNext