VIII.De vierentwintigste meridiaan.Het meten van die basis had achtendertig dagen arbeids vereischt. Den 6denMaart begonnen, was het den 13denAprilgeëindigd. Zonder een oogenblik te verliezen, besloten de aanvoerders der commissie onmiddellijk met de driehoeksmeting voort te gaan. Eerst moest men de breedte van het zuidelijkste punt opnemen, waar de boog van den meridiaan, dien men wilde meten, begon. Dezelfde arbeid moest ook verricht worden aan het noordelijk uiteinde van den boog, en door het verschil in breedten zou men dan weten hoeveel graden het gemeten deel van denmeridiaanlang was. Sedert den 14denApril werden de nauwkeurigste waarnemingen gedaan om de breedte der plaats te bepalen. Toen het meten van de basisgeëindigdwas, hadden William Emery en Michel Zorn reeds eenige nachten de hoogte van verschillende sterren bepaald door middel van den cirkel van Fortin. Die jonge mannen hadden met zulk eene juistheid hunne waarnemingen gedaan, dat de afwijking geen twee seconden bedroeg; die afwijking was waarschijnlijk te wijten aan het verschil der straalbreking, die zijn oorzaak vond in de verandering van de luchtlagen. Uit deze zoo nauwkeurig en bij herhaling gedane waarnemingen kon men met eene meer dan voldoende benadering de breedte van het zuidelijkste punt van den meridiaanboog afleiden. Deze breedte was in decimale graden 27.951789.Toen men op deze wijze de breedte verkregen had, berekende men de lengte, en men bracht dit punt op eene uitmuntende op groote schaal geteekende kaart van zuidelijk Afrika over. Deze kaart toonde de onlangs in dit werelddeel gedane aardrijkskundige ontdekkingen aan, en bovendien de tochten van reizigers en natuuronderzoekers als Livingstone, Anderson, Magyar, Baldwin, Vaillant, Burchell en Lichtenstein. Op deze kaart moest men nu een meridiaan kiezen, waarvan men een gedeelte wilde meten, dat tusschen twee op eenige graden van elkander verwijderde plaatsen gelegen was. Menbegrijpt toch dat, hoe grooter de gemeten boog is, des te meer de invloed van mogelijke dwalingen in de bepaling van breedten zal verminderen. De boog tusschen Duinkerken en Formentera mat bijna tien graden van den meridiaan van Parijs of juister gezegd 9° 56′.Bij de Engelsch-Russische triangulatie, welke men ging ondernemen, moest er met de uiterste omzichtigheid eene keuze van een meridiaan gedaan worden. Men moest zich niet laten terughouden door natuurlijke hinderpalen, zooals onoverkomelijke bergen, groote uitgestrekte watervlakten, waardoor de waarnemers verhinderd zouden zijn om voort te gaan. Dit gedeelte van zuidelijk Afrika scheen gelukkig zeer geschikt te zijn voor een arbeid van deze soort. De verhevenheden van den grond hadden weinig te beteekenen; stroomen waren weinig in aantal en gemakkelijk over te trekken. Men kon op gevaren, maar niet op hinderpalen stuiten.Dit gedeelte van zuidelijk Afrika toch wordt ingenomen door de woestijn Kalahari, eene groote vlakte, die zich van de Oranjerivier tot aan het meer Ngami van 20° tot 29° Z. B. uitstrekt. In de breedte strekt deze vlakte zich uit van den Atlantischen Oceaan ten westen tot aan 25° O. L. van Greenwich. Langs dien 25stenmeridiaan trok in 1849 Dr. Livingstone noordwaarts langs de oostgrens der woestijn, toen hij tot aan het meer Ngami en den waterval der Zambese doordrong. Wat de woestijn zelve betreft, deze verdient eigenlijk dien naam niet; het zijn niet de vlakten van de Sahara, zooals men zou denken, groote zandvlakten zonder eenige groeikracht, die door hare woestheid bijna ontoegankelijk zijn; de Kalahari brengt integendeel eene groote menigte planten voort; de bodem is met overvloedig gras bedekt; er zijn dichte kreupelbosschen en wouden van groote boomen; er is overvloed van beesten, wild en geduchte roofdieren; de Kalahari wordt bewoond door stammen, die vaste woonplaatsen hebben, of doorkruist door nomaden, zooals Boschjesmannen en Bakalahari’s. Doch gedurende het grootste gedeelte van het jaar ontbreekt er water in deze woestijn; talrijke beddingen van beken, die haar doorsnijden, zijn dan uitgedroogd en de droogte van den grond is dan een wezenlijke hinderpaal voor reizigers in dit gedeelte van Afrika. Op dat oogenblik was evenwel de regentijd juist ten einde en men kon nog rekenen op groote massa’s stilstaand water, dat eenigen tijd in kolken, vijvers of beken bewaard blijft.Zoodanig waren de inlichtingen van den jager Mokum. Hij kende de Kalahari, omdat hij er dikwijls of als jager, of voor eenig ander doel doorheen was getrokken, of omdat hij als gids van eenige aardrijkskundige expeditie haar bezocht had. Kolonel Everest en Mathieu Strux kwamen daarin overeen dat deze groote vlakte aan alle gunstige voorwaarden voldeed voor eene goede triangulatie. Nu moest men den meridiaan nog zoeken op welken men een boog van onderscheidene graden meten zou.Kon deze meridiaan aan een der uiteinden van de basis genomen worden, waardoor men niet noodig had om deze basis met een ander punt van de Kalahari door eene aaneenschakeling van nieuwe driehoeksmetingen te verbinden?Deze omstandigheid werd nauwkeurig nagegaan en na eenige woordenwisseling begreep men dat het zuidelijk uiteinde van de basis gemakkelijk als uitgangspunt dienen kon. Deze meridiaan was de 24steten oosten van Greenwich; hij strekte zich over eene lengte van minstens zeven graden, van 20° tot 27° Z. B. uit, zonder eenigen natuurlijken hinderpaal te ontmoeten, althans de beste kaarten wezen dit niet aan. In het noorden alléén doorsneed hij het oostelijk deel van het meer Ngami, maar dit was geen onoverkomelijke hinderpaal, en Arago had wel andere moeilijkheden ondervonden, toen hij de kust van Spanje met de Balearische eilanden door eene geodesische lijn wilde verbinden.Men besloot derhalve dat de te meten boog gemeten zou worden op den 24stenmeridiaan, die, wanneer men hem tot in Europa doortrok, het gemakkelijk zou maken om op Russisch grondgebied een boog op denzelfden meridiaan in het noordelijk halfrond te meten.Aanstonds begon men met den arbeid, en de astronomen hielden zich bezig met het kiezen van een station, dat de tophoek worden moest van een driehoek, die de gemeten basis tot grondslag had. Het eerste station werd rechts van den meridiaan gekozen; het was een eenzame boom, die op eene kleine verhevenheid ongeveer tien kilometers van hen afstond. Men kon hem van de beide uiteinden van de basis goed zien; op die beide punten liet de kolonel palen oprichten. De spitse top van den boom maakte dat men zijne standplaats met de uiterste nauwkeurigheid bepalen kon. Nu maten de astronomen den hoek, dien deze boom met het zuidoostelijk einde van de basis vormde. Die hoek werd met een cirkel van Borda (repetitiecirkel) gemeten; de twee kijkers van het instrument werden zóó geplaatst dat hunne gezichtsassen juist in het vlak van den cirkel lagen; de eene was gericht op het noordwestelijk einde der basis, en de andere op den alleen staanden boom in het noordoosten; zij wezen derhalve door hun stand de wijdte van den hoek aan, die beide stations van elkander scheidde. Men behoeft er niet bij te voegen dat dit wonderschoone instrument met de uiterste nauwkeurigheid was vervaardigd, en de waarnemers zooveel mogelijk de fouten bij hunne waarnemingen kon doen vermijden. En inderdaad kunnen de fouten door talrijke herhalingen met elkander vergeleken en daardoor geheel vermeden worden. Wat betreft de noniussen, de waterpassen en de looden draden, waarmede men de juiste plaatsing der toestellen aanwees, dat alles liet niets te wenschen over, de Engelsch-Russische commissie bezat vier cirkels van Borda(repetitiecirkel); twee moesten voor de geodesische waarnemingen dienen, zooals b. v. het meten van hoeken, en met de twee anderen, welker cirkels in eenen vertikalen stand geplaatst waren, konmen door middel van kunstmatige horizons zenithsafstanden bepalen, en derhalve zelfs in een enkelen nacht op een zeer klein deel eener seconde na de breedte van een station berekenen. Bij deze groote driehoeksmeting moest men niet alleen de waarde der hoeken in de geodesische driehoeken berekenen, maar ook op zekere afstanden de middaghoogten der sterren meten, eene hoogte, welke gelijk was aan de breedte van elk station.Groote vuren bleven den ganschen nacht branden. (Blz. 58.)Groote vuren bleven den ganschen nacht branden. (Blz.58.)Den 14denApril begon men dit werk. Kolonel Everest, Michel Zorn en Nikolaas Palander berekenden den hoek, dien het zuidoostelijk uiteinde der basis met den boom vormde, terwijl Mathieu Strux, William Emery en John Murray in het noordwesten den hoek maten, dien dit punt van de basis met denzelfden boom maakte.In dien tijd werd de legerplaats opgebroken, de ossen werden ingespannen en de karavaan begaf zich onder geleide van den Boschjesman naar het eerste station, waar men halt zou houden. Twee wagens onder het toezicht van geleiders en ingericht voor het overbrengen van instrumenten, trokken met de waarnemers mede.Het weder was helder genoeg, en zeer geschikt voor de waarneming. Men had bovendien bepaald dat, als de atmosfeer de waarnemingen moeilijk maakte, deze des nachts zouden gedaan worden door middel van lantaarns of elektrieke lampen, welke de commissie met zich voerde.Toen dien eersten dag de beide hoeken gemeten waren, werd de uitslag dezer meting op de dubbele registers gebracht, na eerst zorgvuldig vergeleken te zijn. Bij het vallen van den avond waren al de astronomen met de karavaan vereenigd onder den boom, die als waarnemingspunt gediend had. Het was een reusachtige apenbroodboom (adansoniaofbaobad), die meer dan 80 voet in omvang had. Zijne schors, die de kleur van syeniet had, gaf hem een eigenaardig voorkomen; onder de verbazende takken van den reus, met een heirleger van eekhoorns bevolkt, die op de eivormige, witvleezige vruchten aasden, kon de geheele karavaan plaats vinden, en voor de Europeanen werd nu door den scheepskok het maal gereed gemaakt, waarbij het aan wildbraad niet ontbrak. De jagers van de troep hadden den omtrek afgeloopen en een aantal antilopen geschoten. Weldra vervulde de geur van dit gebraad de lucht en wekte den eetlust der astronomen op, zoodat zij niet behoefden aangemoedigd te worden om te eten.Na dezen versterkenden maaltijd gingen zij ieder naar hun wagen, terwijl Mokum zijne wachten in den omtrek van het kamp uitzette. Groote vuren van de doode takken van den baobad bleven den geheelen nacht branden, en hielden de wilde beesten op eerbiedigen afstand, die aangetrokken werden door den reuk van het rauwe vleesch.Na een slaap van een paar uren, stonden Michel Zorn en William Emery weder op. Hunne waarnemingen waren nog niet ten einde; zij wilden de breedte van dat station door het waarnemen der sterrehoogte berekenen. Zonder op de vermoeienis van den dag te letten, begonnen zij beiden hunne waarnemingen, en terwijl het gekrijsch der hyena’s en het gebrul der leeuwen in de sombere vlakte weergalmden, bepaalden zij zeer nauwkeurig de verplaatsing, die het zenith ondergaan had, door van het eerste naar het tweede station over te gaan.
VIII.De vierentwintigste meridiaan.Het meten van die basis had achtendertig dagen arbeids vereischt. Den 6denMaart begonnen, was het den 13denAprilgeëindigd. Zonder een oogenblik te verliezen, besloten de aanvoerders der commissie onmiddellijk met de driehoeksmeting voort te gaan. Eerst moest men de breedte van het zuidelijkste punt opnemen, waar de boog van den meridiaan, dien men wilde meten, begon. Dezelfde arbeid moest ook verricht worden aan het noordelijk uiteinde van den boog, en door het verschil in breedten zou men dan weten hoeveel graden het gemeten deel van denmeridiaanlang was. Sedert den 14denApril werden de nauwkeurigste waarnemingen gedaan om de breedte der plaats te bepalen. Toen het meten van de basisgeëindigdwas, hadden William Emery en Michel Zorn reeds eenige nachten de hoogte van verschillende sterren bepaald door middel van den cirkel van Fortin. Die jonge mannen hadden met zulk eene juistheid hunne waarnemingen gedaan, dat de afwijking geen twee seconden bedroeg; die afwijking was waarschijnlijk te wijten aan het verschil der straalbreking, die zijn oorzaak vond in de verandering van de luchtlagen. Uit deze zoo nauwkeurig en bij herhaling gedane waarnemingen kon men met eene meer dan voldoende benadering de breedte van het zuidelijkste punt van den meridiaanboog afleiden. Deze breedte was in decimale graden 27.951789.Toen men op deze wijze de breedte verkregen had, berekende men de lengte, en men bracht dit punt op eene uitmuntende op groote schaal geteekende kaart van zuidelijk Afrika over. Deze kaart toonde de onlangs in dit werelddeel gedane aardrijkskundige ontdekkingen aan, en bovendien de tochten van reizigers en natuuronderzoekers als Livingstone, Anderson, Magyar, Baldwin, Vaillant, Burchell en Lichtenstein. Op deze kaart moest men nu een meridiaan kiezen, waarvan men een gedeelte wilde meten, dat tusschen twee op eenige graden van elkander verwijderde plaatsen gelegen was. Menbegrijpt toch dat, hoe grooter de gemeten boog is, des te meer de invloed van mogelijke dwalingen in de bepaling van breedten zal verminderen. De boog tusschen Duinkerken en Formentera mat bijna tien graden van den meridiaan van Parijs of juister gezegd 9° 56′.Bij de Engelsch-Russische triangulatie, welke men ging ondernemen, moest er met de uiterste omzichtigheid eene keuze van een meridiaan gedaan worden. Men moest zich niet laten terughouden door natuurlijke hinderpalen, zooals onoverkomelijke bergen, groote uitgestrekte watervlakten, waardoor de waarnemers verhinderd zouden zijn om voort te gaan. Dit gedeelte van zuidelijk Afrika scheen gelukkig zeer geschikt te zijn voor een arbeid van deze soort. De verhevenheden van den grond hadden weinig te beteekenen; stroomen waren weinig in aantal en gemakkelijk over te trekken. Men kon op gevaren, maar niet op hinderpalen stuiten.Dit gedeelte van zuidelijk Afrika toch wordt ingenomen door de woestijn Kalahari, eene groote vlakte, die zich van de Oranjerivier tot aan het meer Ngami van 20° tot 29° Z. B. uitstrekt. In de breedte strekt deze vlakte zich uit van den Atlantischen Oceaan ten westen tot aan 25° O. L. van Greenwich. Langs dien 25stenmeridiaan trok in 1849 Dr. Livingstone noordwaarts langs de oostgrens der woestijn, toen hij tot aan het meer Ngami en den waterval der Zambese doordrong. Wat de woestijn zelve betreft, deze verdient eigenlijk dien naam niet; het zijn niet de vlakten van de Sahara, zooals men zou denken, groote zandvlakten zonder eenige groeikracht, die door hare woestheid bijna ontoegankelijk zijn; de Kalahari brengt integendeel eene groote menigte planten voort; de bodem is met overvloedig gras bedekt; er zijn dichte kreupelbosschen en wouden van groote boomen; er is overvloed van beesten, wild en geduchte roofdieren; de Kalahari wordt bewoond door stammen, die vaste woonplaatsen hebben, of doorkruist door nomaden, zooals Boschjesmannen en Bakalahari’s. Doch gedurende het grootste gedeelte van het jaar ontbreekt er water in deze woestijn; talrijke beddingen van beken, die haar doorsnijden, zijn dan uitgedroogd en de droogte van den grond is dan een wezenlijke hinderpaal voor reizigers in dit gedeelte van Afrika. Op dat oogenblik was evenwel de regentijd juist ten einde en men kon nog rekenen op groote massa’s stilstaand water, dat eenigen tijd in kolken, vijvers of beken bewaard blijft.Zoodanig waren de inlichtingen van den jager Mokum. Hij kende de Kalahari, omdat hij er dikwijls of als jager, of voor eenig ander doel doorheen was getrokken, of omdat hij als gids van eenige aardrijkskundige expeditie haar bezocht had. Kolonel Everest en Mathieu Strux kwamen daarin overeen dat deze groote vlakte aan alle gunstige voorwaarden voldeed voor eene goede triangulatie. Nu moest men den meridiaan nog zoeken op welken men een boog van onderscheidene graden meten zou.Kon deze meridiaan aan een der uiteinden van de basis genomen worden, waardoor men niet noodig had om deze basis met een ander punt van de Kalahari door eene aaneenschakeling van nieuwe driehoeksmetingen te verbinden?Deze omstandigheid werd nauwkeurig nagegaan en na eenige woordenwisseling begreep men dat het zuidelijk uiteinde van de basis gemakkelijk als uitgangspunt dienen kon. Deze meridiaan was de 24steten oosten van Greenwich; hij strekte zich over eene lengte van minstens zeven graden, van 20° tot 27° Z. B. uit, zonder eenigen natuurlijken hinderpaal te ontmoeten, althans de beste kaarten wezen dit niet aan. In het noorden alléén doorsneed hij het oostelijk deel van het meer Ngami, maar dit was geen onoverkomelijke hinderpaal, en Arago had wel andere moeilijkheden ondervonden, toen hij de kust van Spanje met de Balearische eilanden door eene geodesische lijn wilde verbinden.Men besloot derhalve dat de te meten boog gemeten zou worden op den 24stenmeridiaan, die, wanneer men hem tot in Europa doortrok, het gemakkelijk zou maken om op Russisch grondgebied een boog op denzelfden meridiaan in het noordelijk halfrond te meten.Aanstonds begon men met den arbeid, en de astronomen hielden zich bezig met het kiezen van een station, dat de tophoek worden moest van een driehoek, die de gemeten basis tot grondslag had. Het eerste station werd rechts van den meridiaan gekozen; het was een eenzame boom, die op eene kleine verhevenheid ongeveer tien kilometers van hen afstond. Men kon hem van de beide uiteinden van de basis goed zien; op die beide punten liet de kolonel palen oprichten. De spitse top van den boom maakte dat men zijne standplaats met de uiterste nauwkeurigheid bepalen kon. Nu maten de astronomen den hoek, dien deze boom met het zuidoostelijk einde van de basis vormde. Die hoek werd met een cirkel van Borda (repetitiecirkel) gemeten; de twee kijkers van het instrument werden zóó geplaatst dat hunne gezichtsassen juist in het vlak van den cirkel lagen; de eene was gericht op het noordwestelijk einde der basis, en de andere op den alleen staanden boom in het noordoosten; zij wezen derhalve door hun stand de wijdte van den hoek aan, die beide stations van elkander scheidde. Men behoeft er niet bij te voegen dat dit wonderschoone instrument met de uiterste nauwkeurigheid was vervaardigd, en de waarnemers zooveel mogelijk de fouten bij hunne waarnemingen kon doen vermijden. En inderdaad kunnen de fouten door talrijke herhalingen met elkander vergeleken en daardoor geheel vermeden worden. Wat betreft de noniussen, de waterpassen en de looden draden, waarmede men de juiste plaatsing der toestellen aanwees, dat alles liet niets te wenschen over, de Engelsch-Russische commissie bezat vier cirkels van Borda(repetitiecirkel); twee moesten voor de geodesische waarnemingen dienen, zooals b. v. het meten van hoeken, en met de twee anderen, welker cirkels in eenen vertikalen stand geplaatst waren, konmen door middel van kunstmatige horizons zenithsafstanden bepalen, en derhalve zelfs in een enkelen nacht op een zeer klein deel eener seconde na de breedte van een station berekenen. Bij deze groote driehoeksmeting moest men niet alleen de waarde der hoeken in de geodesische driehoeken berekenen, maar ook op zekere afstanden de middaghoogten der sterren meten, eene hoogte, welke gelijk was aan de breedte van elk station.Groote vuren bleven den ganschen nacht branden. (Blz. 58.)Groote vuren bleven den ganschen nacht branden. (Blz.58.)Den 14denApril begon men dit werk. Kolonel Everest, Michel Zorn en Nikolaas Palander berekenden den hoek, dien het zuidoostelijk uiteinde der basis met den boom vormde, terwijl Mathieu Strux, William Emery en John Murray in het noordwesten den hoek maten, dien dit punt van de basis met denzelfden boom maakte.In dien tijd werd de legerplaats opgebroken, de ossen werden ingespannen en de karavaan begaf zich onder geleide van den Boschjesman naar het eerste station, waar men halt zou houden. Twee wagens onder het toezicht van geleiders en ingericht voor het overbrengen van instrumenten, trokken met de waarnemers mede.Het weder was helder genoeg, en zeer geschikt voor de waarneming. Men had bovendien bepaald dat, als de atmosfeer de waarnemingen moeilijk maakte, deze des nachts zouden gedaan worden door middel van lantaarns of elektrieke lampen, welke de commissie met zich voerde.Toen dien eersten dag de beide hoeken gemeten waren, werd de uitslag dezer meting op de dubbele registers gebracht, na eerst zorgvuldig vergeleken te zijn. Bij het vallen van den avond waren al de astronomen met de karavaan vereenigd onder den boom, die als waarnemingspunt gediend had. Het was een reusachtige apenbroodboom (adansoniaofbaobad), die meer dan 80 voet in omvang had. Zijne schors, die de kleur van syeniet had, gaf hem een eigenaardig voorkomen; onder de verbazende takken van den reus, met een heirleger van eekhoorns bevolkt, die op de eivormige, witvleezige vruchten aasden, kon de geheele karavaan plaats vinden, en voor de Europeanen werd nu door den scheepskok het maal gereed gemaakt, waarbij het aan wildbraad niet ontbrak. De jagers van de troep hadden den omtrek afgeloopen en een aantal antilopen geschoten. Weldra vervulde de geur van dit gebraad de lucht en wekte den eetlust der astronomen op, zoodat zij niet behoefden aangemoedigd te worden om te eten.Na dezen versterkenden maaltijd gingen zij ieder naar hun wagen, terwijl Mokum zijne wachten in den omtrek van het kamp uitzette. Groote vuren van de doode takken van den baobad bleven den geheelen nacht branden, en hielden de wilde beesten op eerbiedigen afstand, die aangetrokken werden door den reuk van het rauwe vleesch.Na een slaap van een paar uren, stonden Michel Zorn en William Emery weder op. Hunne waarnemingen waren nog niet ten einde; zij wilden de breedte van dat station door het waarnemen der sterrehoogte berekenen. Zonder op de vermoeienis van den dag te letten, begonnen zij beiden hunne waarnemingen, en terwijl het gekrijsch der hyena’s en het gebrul der leeuwen in de sombere vlakte weergalmden, bepaalden zij zeer nauwkeurig de verplaatsing, die het zenith ondergaan had, door van het eerste naar het tweede station over te gaan.
VIII.De vierentwintigste meridiaan.Het meten van die basis had achtendertig dagen arbeids vereischt. Den 6denMaart begonnen, was het den 13denAprilgeëindigd. Zonder een oogenblik te verliezen, besloten de aanvoerders der commissie onmiddellijk met de driehoeksmeting voort te gaan. Eerst moest men de breedte van het zuidelijkste punt opnemen, waar de boog van den meridiaan, dien men wilde meten, begon. Dezelfde arbeid moest ook verricht worden aan het noordelijk uiteinde van den boog, en door het verschil in breedten zou men dan weten hoeveel graden het gemeten deel van denmeridiaanlang was. Sedert den 14denApril werden de nauwkeurigste waarnemingen gedaan om de breedte der plaats te bepalen. Toen het meten van de basisgeëindigdwas, hadden William Emery en Michel Zorn reeds eenige nachten de hoogte van verschillende sterren bepaald door middel van den cirkel van Fortin. Die jonge mannen hadden met zulk eene juistheid hunne waarnemingen gedaan, dat de afwijking geen twee seconden bedroeg; die afwijking was waarschijnlijk te wijten aan het verschil der straalbreking, die zijn oorzaak vond in de verandering van de luchtlagen. Uit deze zoo nauwkeurig en bij herhaling gedane waarnemingen kon men met eene meer dan voldoende benadering de breedte van het zuidelijkste punt van den meridiaanboog afleiden. Deze breedte was in decimale graden 27.951789.Toen men op deze wijze de breedte verkregen had, berekende men de lengte, en men bracht dit punt op eene uitmuntende op groote schaal geteekende kaart van zuidelijk Afrika over. Deze kaart toonde de onlangs in dit werelddeel gedane aardrijkskundige ontdekkingen aan, en bovendien de tochten van reizigers en natuuronderzoekers als Livingstone, Anderson, Magyar, Baldwin, Vaillant, Burchell en Lichtenstein. Op deze kaart moest men nu een meridiaan kiezen, waarvan men een gedeelte wilde meten, dat tusschen twee op eenige graden van elkander verwijderde plaatsen gelegen was. Menbegrijpt toch dat, hoe grooter de gemeten boog is, des te meer de invloed van mogelijke dwalingen in de bepaling van breedten zal verminderen. De boog tusschen Duinkerken en Formentera mat bijna tien graden van den meridiaan van Parijs of juister gezegd 9° 56′.Bij de Engelsch-Russische triangulatie, welke men ging ondernemen, moest er met de uiterste omzichtigheid eene keuze van een meridiaan gedaan worden. Men moest zich niet laten terughouden door natuurlijke hinderpalen, zooals onoverkomelijke bergen, groote uitgestrekte watervlakten, waardoor de waarnemers verhinderd zouden zijn om voort te gaan. Dit gedeelte van zuidelijk Afrika scheen gelukkig zeer geschikt te zijn voor een arbeid van deze soort. De verhevenheden van den grond hadden weinig te beteekenen; stroomen waren weinig in aantal en gemakkelijk over te trekken. Men kon op gevaren, maar niet op hinderpalen stuiten.Dit gedeelte van zuidelijk Afrika toch wordt ingenomen door de woestijn Kalahari, eene groote vlakte, die zich van de Oranjerivier tot aan het meer Ngami van 20° tot 29° Z. B. uitstrekt. In de breedte strekt deze vlakte zich uit van den Atlantischen Oceaan ten westen tot aan 25° O. L. van Greenwich. Langs dien 25stenmeridiaan trok in 1849 Dr. Livingstone noordwaarts langs de oostgrens der woestijn, toen hij tot aan het meer Ngami en den waterval der Zambese doordrong. Wat de woestijn zelve betreft, deze verdient eigenlijk dien naam niet; het zijn niet de vlakten van de Sahara, zooals men zou denken, groote zandvlakten zonder eenige groeikracht, die door hare woestheid bijna ontoegankelijk zijn; de Kalahari brengt integendeel eene groote menigte planten voort; de bodem is met overvloedig gras bedekt; er zijn dichte kreupelbosschen en wouden van groote boomen; er is overvloed van beesten, wild en geduchte roofdieren; de Kalahari wordt bewoond door stammen, die vaste woonplaatsen hebben, of doorkruist door nomaden, zooals Boschjesmannen en Bakalahari’s. Doch gedurende het grootste gedeelte van het jaar ontbreekt er water in deze woestijn; talrijke beddingen van beken, die haar doorsnijden, zijn dan uitgedroogd en de droogte van den grond is dan een wezenlijke hinderpaal voor reizigers in dit gedeelte van Afrika. Op dat oogenblik was evenwel de regentijd juist ten einde en men kon nog rekenen op groote massa’s stilstaand water, dat eenigen tijd in kolken, vijvers of beken bewaard blijft.Zoodanig waren de inlichtingen van den jager Mokum. Hij kende de Kalahari, omdat hij er dikwijls of als jager, of voor eenig ander doel doorheen was getrokken, of omdat hij als gids van eenige aardrijkskundige expeditie haar bezocht had. Kolonel Everest en Mathieu Strux kwamen daarin overeen dat deze groote vlakte aan alle gunstige voorwaarden voldeed voor eene goede triangulatie. Nu moest men den meridiaan nog zoeken op welken men een boog van onderscheidene graden meten zou.Kon deze meridiaan aan een der uiteinden van de basis genomen worden, waardoor men niet noodig had om deze basis met een ander punt van de Kalahari door eene aaneenschakeling van nieuwe driehoeksmetingen te verbinden?Deze omstandigheid werd nauwkeurig nagegaan en na eenige woordenwisseling begreep men dat het zuidelijk uiteinde van de basis gemakkelijk als uitgangspunt dienen kon. Deze meridiaan was de 24steten oosten van Greenwich; hij strekte zich over eene lengte van minstens zeven graden, van 20° tot 27° Z. B. uit, zonder eenigen natuurlijken hinderpaal te ontmoeten, althans de beste kaarten wezen dit niet aan. In het noorden alléén doorsneed hij het oostelijk deel van het meer Ngami, maar dit was geen onoverkomelijke hinderpaal, en Arago had wel andere moeilijkheden ondervonden, toen hij de kust van Spanje met de Balearische eilanden door eene geodesische lijn wilde verbinden.Men besloot derhalve dat de te meten boog gemeten zou worden op den 24stenmeridiaan, die, wanneer men hem tot in Europa doortrok, het gemakkelijk zou maken om op Russisch grondgebied een boog op denzelfden meridiaan in het noordelijk halfrond te meten.Aanstonds begon men met den arbeid, en de astronomen hielden zich bezig met het kiezen van een station, dat de tophoek worden moest van een driehoek, die de gemeten basis tot grondslag had. Het eerste station werd rechts van den meridiaan gekozen; het was een eenzame boom, die op eene kleine verhevenheid ongeveer tien kilometers van hen afstond. Men kon hem van de beide uiteinden van de basis goed zien; op die beide punten liet de kolonel palen oprichten. De spitse top van den boom maakte dat men zijne standplaats met de uiterste nauwkeurigheid bepalen kon. Nu maten de astronomen den hoek, dien deze boom met het zuidoostelijk einde van de basis vormde. Die hoek werd met een cirkel van Borda (repetitiecirkel) gemeten; de twee kijkers van het instrument werden zóó geplaatst dat hunne gezichtsassen juist in het vlak van den cirkel lagen; de eene was gericht op het noordwestelijk einde der basis, en de andere op den alleen staanden boom in het noordoosten; zij wezen derhalve door hun stand de wijdte van den hoek aan, die beide stations van elkander scheidde. Men behoeft er niet bij te voegen dat dit wonderschoone instrument met de uiterste nauwkeurigheid was vervaardigd, en de waarnemers zooveel mogelijk de fouten bij hunne waarnemingen kon doen vermijden. En inderdaad kunnen de fouten door talrijke herhalingen met elkander vergeleken en daardoor geheel vermeden worden. Wat betreft de noniussen, de waterpassen en de looden draden, waarmede men de juiste plaatsing der toestellen aanwees, dat alles liet niets te wenschen over, de Engelsch-Russische commissie bezat vier cirkels van Borda(repetitiecirkel); twee moesten voor de geodesische waarnemingen dienen, zooals b. v. het meten van hoeken, en met de twee anderen, welker cirkels in eenen vertikalen stand geplaatst waren, konmen door middel van kunstmatige horizons zenithsafstanden bepalen, en derhalve zelfs in een enkelen nacht op een zeer klein deel eener seconde na de breedte van een station berekenen. Bij deze groote driehoeksmeting moest men niet alleen de waarde der hoeken in de geodesische driehoeken berekenen, maar ook op zekere afstanden de middaghoogten der sterren meten, eene hoogte, welke gelijk was aan de breedte van elk station.Groote vuren bleven den ganschen nacht branden. (Blz. 58.)Groote vuren bleven den ganschen nacht branden. (Blz.58.)Den 14denApril begon men dit werk. Kolonel Everest, Michel Zorn en Nikolaas Palander berekenden den hoek, dien het zuidoostelijk uiteinde der basis met den boom vormde, terwijl Mathieu Strux, William Emery en John Murray in het noordwesten den hoek maten, dien dit punt van de basis met denzelfden boom maakte.In dien tijd werd de legerplaats opgebroken, de ossen werden ingespannen en de karavaan begaf zich onder geleide van den Boschjesman naar het eerste station, waar men halt zou houden. Twee wagens onder het toezicht van geleiders en ingericht voor het overbrengen van instrumenten, trokken met de waarnemers mede.Het weder was helder genoeg, en zeer geschikt voor de waarneming. Men had bovendien bepaald dat, als de atmosfeer de waarnemingen moeilijk maakte, deze des nachts zouden gedaan worden door middel van lantaarns of elektrieke lampen, welke de commissie met zich voerde.Toen dien eersten dag de beide hoeken gemeten waren, werd de uitslag dezer meting op de dubbele registers gebracht, na eerst zorgvuldig vergeleken te zijn. Bij het vallen van den avond waren al de astronomen met de karavaan vereenigd onder den boom, die als waarnemingspunt gediend had. Het was een reusachtige apenbroodboom (adansoniaofbaobad), die meer dan 80 voet in omvang had. Zijne schors, die de kleur van syeniet had, gaf hem een eigenaardig voorkomen; onder de verbazende takken van den reus, met een heirleger van eekhoorns bevolkt, die op de eivormige, witvleezige vruchten aasden, kon de geheele karavaan plaats vinden, en voor de Europeanen werd nu door den scheepskok het maal gereed gemaakt, waarbij het aan wildbraad niet ontbrak. De jagers van de troep hadden den omtrek afgeloopen en een aantal antilopen geschoten. Weldra vervulde de geur van dit gebraad de lucht en wekte den eetlust der astronomen op, zoodat zij niet behoefden aangemoedigd te worden om te eten.Na dezen versterkenden maaltijd gingen zij ieder naar hun wagen, terwijl Mokum zijne wachten in den omtrek van het kamp uitzette. Groote vuren van de doode takken van den baobad bleven den geheelen nacht branden, en hielden de wilde beesten op eerbiedigen afstand, die aangetrokken werden door den reuk van het rauwe vleesch.Na een slaap van een paar uren, stonden Michel Zorn en William Emery weder op. Hunne waarnemingen waren nog niet ten einde; zij wilden de breedte van dat station door het waarnemen der sterrehoogte berekenen. Zonder op de vermoeienis van den dag te letten, begonnen zij beiden hunne waarnemingen, en terwijl het gekrijsch der hyena’s en het gebrul der leeuwen in de sombere vlakte weergalmden, bepaalden zij zeer nauwkeurig de verplaatsing, die het zenith ondergaan had, door van het eerste naar het tweede station over te gaan.
VIII.De vierentwintigste meridiaan.
Het meten van die basis had achtendertig dagen arbeids vereischt. Den 6denMaart begonnen, was het den 13denAprilgeëindigd. Zonder een oogenblik te verliezen, besloten de aanvoerders der commissie onmiddellijk met de driehoeksmeting voort te gaan. Eerst moest men de breedte van het zuidelijkste punt opnemen, waar de boog van den meridiaan, dien men wilde meten, begon. Dezelfde arbeid moest ook verricht worden aan het noordelijk uiteinde van den boog, en door het verschil in breedten zou men dan weten hoeveel graden het gemeten deel van denmeridiaanlang was. Sedert den 14denApril werden de nauwkeurigste waarnemingen gedaan om de breedte der plaats te bepalen. Toen het meten van de basisgeëindigdwas, hadden William Emery en Michel Zorn reeds eenige nachten de hoogte van verschillende sterren bepaald door middel van den cirkel van Fortin. Die jonge mannen hadden met zulk eene juistheid hunne waarnemingen gedaan, dat de afwijking geen twee seconden bedroeg; die afwijking was waarschijnlijk te wijten aan het verschil der straalbreking, die zijn oorzaak vond in de verandering van de luchtlagen. Uit deze zoo nauwkeurig en bij herhaling gedane waarnemingen kon men met eene meer dan voldoende benadering de breedte van het zuidelijkste punt van den meridiaanboog afleiden. Deze breedte was in decimale graden 27.951789.Toen men op deze wijze de breedte verkregen had, berekende men de lengte, en men bracht dit punt op eene uitmuntende op groote schaal geteekende kaart van zuidelijk Afrika over. Deze kaart toonde de onlangs in dit werelddeel gedane aardrijkskundige ontdekkingen aan, en bovendien de tochten van reizigers en natuuronderzoekers als Livingstone, Anderson, Magyar, Baldwin, Vaillant, Burchell en Lichtenstein. Op deze kaart moest men nu een meridiaan kiezen, waarvan men een gedeelte wilde meten, dat tusschen twee op eenige graden van elkander verwijderde plaatsen gelegen was. Menbegrijpt toch dat, hoe grooter de gemeten boog is, des te meer de invloed van mogelijke dwalingen in de bepaling van breedten zal verminderen. De boog tusschen Duinkerken en Formentera mat bijna tien graden van den meridiaan van Parijs of juister gezegd 9° 56′.Bij de Engelsch-Russische triangulatie, welke men ging ondernemen, moest er met de uiterste omzichtigheid eene keuze van een meridiaan gedaan worden. Men moest zich niet laten terughouden door natuurlijke hinderpalen, zooals onoverkomelijke bergen, groote uitgestrekte watervlakten, waardoor de waarnemers verhinderd zouden zijn om voort te gaan. Dit gedeelte van zuidelijk Afrika scheen gelukkig zeer geschikt te zijn voor een arbeid van deze soort. De verhevenheden van den grond hadden weinig te beteekenen; stroomen waren weinig in aantal en gemakkelijk over te trekken. Men kon op gevaren, maar niet op hinderpalen stuiten.Dit gedeelte van zuidelijk Afrika toch wordt ingenomen door de woestijn Kalahari, eene groote vlakte, die zich van de Oranjerivier tot aan het meer Ngami van 20° tot 29° Z. B. uitstrekt. In de breedte strekt deze vlakte zich uit van den Atlantischen Oceaan ten westen tot aan 25° O. L. van Greenwich. Langs dien 25stenmeridiaan trok in 1849 Dr. Livingstone noordwaarts langs de oostgrens der woestijn, toen hij tot aan het meer Ngami en den waterval der Zambese doordrong. Wat de woestijn zelve betreft, deze verdient eigenlijk dien naam niet; het zijn niet de vlakten van de Sahara, zooals men zou denken, groote zandvlakten zonder eenige groeikracht, die door hare woestheid bijna ontoegankelijk zijn; de Kalahari brengt integendeel eene groote menigte planten voort; de bodem is met overvloedig gras bedekt; er zijn dichte kreupelbosschen en wouden van groote boomen; er is overvloed van beesten, wild en geduchte roofdieren; de Kalahari wordt bewoond door stammen, die vaste woonplaatsen hebben, of doorkruist door nomaden, zooals Boschjesmannen en Bakalahari’s. Doch gedurende het grootste gedeelte van het jaar ontbreekt er water in deze woestijn; talrijke beddingen van beken, die haar doorsnijden, zijn dan uitgedroogd en de droogte van den grond is dan een wezenlijke hinderpaal voor reizigers in dit gedeelte van Afrika. Op dat oogenblik was evenwel de regentijd juist ten einde en men kon nog rekenen op groote massa’s stilstaand water, dat eenigen tijd in kolken, vijvers of beken bewaard blijft.Zoodanig waren de inlichtingen van den jager Mokum. Hij kende de Kalahari, omdat hij er dikwijls of als jager, of voor eenig ander doel doorheen was getrokken, of omdat hij als gids van eenige aardrijkskundige expeditie haar bezocht had. Kolonel Everest en Mathieu Strux kwamen daarin overeen dat deze groote vlakte aan alle gunstige voorwaarden voldeed voor eene goede triangulatie. Nu moest men den meridiaan nog zoeken op welken men een boog van onderscheidene graden meten zou.Kon deze meridiaan aan een der uiteinden van de basis genomen worden, waardoor men niet noodig had om deze basis met een ander punt van de Kalahari door eene aaneenschakeling van nieuwe driehoeksmetingen te verbinden?Deze omstandigheid werd nauwkeurig nagegaan en na eenige woordenwisseling begreep men dat het zuidelijk uiteinde van de basis gemakkelijk als uitgangspunt dienen kon. Deze meridiaan was de 24steten oosten van Greenwich; hij strekte zich over eene lengte van minstens zeven graden, van 20° tot 27° Z. B. uit, zonder eenigen natuurlijken hinderpaal te ontmoeten, althans de beste kaarten wezen dit niet aan. In het noorden alléén doorsneed hij het oostelijk deel van het meer Ngami, maar dit was geen onoverkomelijke hinderpaal, en Arago had wel andere moeilijkheden ondervonden, toen hij de kust van Spanje met de Balearische eilanden door eene geodesische lijn wilde verbinden.Men besloot derhalve dat de te meten boog gemeten zou worden op den 24stenmeridiaan, die, wanneer men hem tot in Europa doortrok, het gemakkelijk zou maken om op Russisch grondgebied een boog op denzelfden meridiaan in het noordelijk halfrond te meten.Aanstonds begon men met den arbeid, en de astronomen hielden zich bezig met het kiezen van een station, dat de tophoek worden moest van een driehoek, die de gemeten basis tot grondslag had. Het eerste station werd rechts van den meridiaan gekozen; het was een eenzame boom, die op eene kleine verhevenheid ongeveer tien kilometers van hen afstond. Men kon hem van de beide uiteinden van de basis goed zien; op die beide punten liet de kolonel palen oprichten. De spitse top van den boom maakte dat men zijne standplaats met de uiterste nauwkeurigheid bepalen kon. Nu maten de astronomen den hoek, dien deze boom met het zuidoostelijk einde van de basis vormde. Die hoek werd met een cirkel van Borda (repetitiecirkel) gemeten; de twee kijkers van het instrument werden zóó geplaatst dat hunne gezichtsassen juist in het vlak van den cirkel lagen; de eene was gericht op het noordwestelijk einde der basis, en de andere op den alleen staanden boom in het noordoosten; zij wezen derhalve door hun stand de wijdte van den hoek aan, die beide stations van elkander scheidde. Men behoeft er niet bij te voegen dat dit wonderschoone instrument met de uiterste nauwkeurigheid was vervaardigd, en de waarnemers zooveel mogelijk de fouten bij hunne waarnemingen kon doen vermijden. En inderdaad kunnen de fouten door talrijke herhalingen met elkander vergeleken en daardoor geheel vermeden worden. Wat betreft de noniussen, de waterpassen en de looden draden, waarmede men de juiste plaatsing der toestellen aanwees, dat alles liet niets te wenschen over, de Engelsch-Russische commissie bezat vier cirkels van Borda(repetitiecirkel); twee moesten voor de geodesische waarnemingen dienen, zooals b. v. het meten van hoeken, en met de twee anderen, welker cirkels in eenen vertikalen stand geplaatst waren, konmen door middel van kunstmatige horizons zenithsafstanden bepalen, en derhalve zelfs in een enkelen nacht op een zeer klein deel eener seconde na de breedte van een station berekenen. Bij deze groote driehoeksmeting moest men niet alleen de waarde der hoeken in de geodesische driehoeken berekenen, maar ook op zekere afstanden de middaghoogten der sterren meten, eene hoogte, welke gelijk was aan de breedte van elk station.Groote vuren bleven den ganschen nacht branden. (Blz. 58.)Groote vuren bleven den ganschen nacht branden. (Blz.58.)Den 14denApril begon men dit werk. Kolonel Everest, Michel Zorn en Nikolaas Palander berekenden den hoek, dien het zuidoostelijk uiteinde der basis met den boom vormde, terwijl Mathieu Strux, William Emery en John Murray in het noordwesten den hoek maten, dien dit punt van de basis met denzelfden boom maakte.In dien tijd werd de legerplaats opgebroken, de ossen werden ingespannen en de karavaan begaf zich onder geleide van den Boschjesman naar het eerste station, waar men halt zou houden. Twee wagens onder het toezicht van geleiders en ingericht voor het overbrengen van instrumenten, trokken met de waarnemers mede.Het weder was helder genoeg, en zeer geschikt voor de waarneming. Men had bovendien bepaald dat, als de atmosfeer de waarnemingen moeilijk maakte, deze des nachts zouden gedaan worden door middel van lantaarns of elektrieke lampen, welke de commissie met zich voerde.Toen dien eersten dag de beide hoeken gemeten waren, werd de uitslag dezer meting op de dubbele registers gebracht, na eerst zorgvuldig vergeleken te zijn. Bij het vallen van den avond waren al de astronomen met de karavaan vereenigd onder den boom, die als waarnemingspunt gediend had. Het was een reusachtige apenbroodboom (adansoniaofbaobad), die meer dan 80 voet in omvang had. Zijne schors, die de kleur van syeniet had, gaf hem een eigenaardig voorkomen; onder de verbazende takken van den reus, met een heirleger van eekhoorns bevolkt, die op de eivormige, witvleezige vruchten aasden, kon de geheele karavaan plaats vinden, en voor de Europeanen werd nu door den scheepskok het maal gereed gemaakt, waarbij het aan wildbraad niet ontbrak. De jagers van de troep hadden den omtrek afgeloopen en een aantal antilopen geschoten. Weldra vervulde de geur van dit gebraad de lucht en wekte den eetlust der astronomen op, zoodat zij niet behoefden aangemoedigd te worden om te eten.Na dezen versterkenden maaltijd gingen zij ieder naar hun wagen, terwijl Mokum zijne wachten in den omtrek van het kamp uitzette. Groote vuren van de doode takken van den baobad bleven den geheelen nacht branden, en hielden de wilde beesten op eerbiedigen afstand, die aangetrokken werden door den reuk van het rauwe vleesch.Na een slaap van een paar uren, stonden Michel Zorn en William Emery weder op. Hunne waarnemingen waren nog niet ten einde; zij wilden de breedte van dat station door het waarnemen der sterrehoogte berekenen. Zonder op de vermoeienis van den dag te letten, begonnen zij beiden hunne waarnemingen, en terwijl het gekrijsch der hyena’s en het gebrul der leeuwen in de sombere vlakte weergalmden, bepaalden zij zeer nauwkeurig de verplaatsing, die het zenith ondergaan had, door van het eerste naar het tweede station over te gaan.
Het meten van die basis had achtendertig dagen arbeids vereischt. Den 6denMaart begonnen, was het den 13denAprilgeëindigd. Zonder een oogenblik te verliezen, besloten de aanvoerders der commissie onmiddellijk met de driehoeksmeting voort te gaan. Eerst moest men de breedte van het zuidelijkste punt opnemen, waar de boog van den meridiaan, dien men wilde meten, begon. Dezelfde arbeid moest ook verricht worden aan het noordelijk uiteinde van den boog, en door het verschil in breedten zou men dan weten hoeveel graden het gemeten deel van denmeridiaanlang was. Sedert den 14denApril werden de nauwkeurigste waarnemingen gedaan om de breedte der plaats te bepalen. Toen het meten van de basisgeëindigdwas, hadden William Emery en Michel Zorn reeds eenige nachten de hoogte van verschillende sterren bepaald door middel van den cirkel van Fortin. Die jonge mannen hadden met zulk eene juistheid hunne waarnemingen gedaan, dat de afwijking geen twee seconden bedroeg; die afwijking was waarschijnlijk te wijten aan het verschil der straalbreking, die zijn oorzaak vond in de verandering van de luchtlagen. Uit deze zoo nauwkeurig en bij herhaling gedane waarnemingen kon men met eene meer dan voldoende benadering de breedte van het zuidelijkste punt van den meridiaanboog afleiden. Deze breedte was in decimale graden 27.951789.
Toen men op deze wijze de breedte verkregen had, berekende men de lengte, en men bracht dit punt op eene uitmuntende op groote schaal geteekende kaart van zuidelijk Afrika over. Deze kaart toonde de onlangs in dit werelddeel gedane aardrijkskundige ontdekkingen aan, en bovendien de tochten van reizigers en natuuronderzoekers als Livingstone, Anderson, Magyar, Baldwin, Vaillant, Burchell en Lichtenstein. Op deze kaart moest men nu een meridiaan kiezen, waarvan men een gedeelte wilde meten, dat tusschen twee op eenige graden van elkander verwijderde plaatsen gelegen was. Menbegrijpt toch dat, hoe grooter de gemeten boog is, des te meer de invloed van mogelijke dwalingen in de bepaling van breedten zal verminderen. De boog tusschen Duinkerken en Formentera mat bijna tien graden van den meridiaan van Parijs of juister gezegd 9° 56′.
Bij de Engelsch-Russische triangulatie, welke men ging ondernemen, moest er met de uiterste omzichtigheid eene keuze van een meridiaan gedaan worden. Men moest zich niet laten terughouden door natuurlijke hinderpalen, zooals onoverkomelijke bergen, groote uitgestrekte watervlakten, waardoor de waarnemers verhinderd zouden zijn om voort te gaan. Dit gedeelte van zuidelijk Afrika scheen gelukkig zeer geschikt te zijn voor een arbeid van deze soort. De verhevenheden van den grond hadden weinig te beteekenen; stroomen waren weinig in aantal en gemakkelijk over te trekken. Men kon op gevaren, maar niet op hinderpalen stuiten.
Dit gedeelte van zuidelijk Afrika toch wordt ingenomen door de woestijn Kalahari, eene groote vlakte, die zich van de Oranjerivier tot aan het meer Ngami van 20° tot 29° Z. B. uitstrekt. In de breedte strekt deze vlakte zich uit van den Atlantischen Oceaan ten westen tot aan 25° O. L. van Greenwich. Langs dien 25stenmeridiaan trok in 1849 Dr. Livingstone noordwaarts langs de oostgrens der woestijn, toen hij tot aan het meer Ngami en den waterval der Zambese doordrong. Wat de woestijn zelve betreft, deze verdient eigenlijk dien naam niet; het zijn niet de vlakten van de Sahara, zooals men zou denken, groote zandvlakten zonder eenige groeikracht, die door hare woestheid bijna ontoegankelijk zijn; de Kalahari brengt integendeel eene groote menigte planten voort; de bodem is met overvloedig gras bedekt; er zijn dichte kreupelbosschen en wouden van groote boomen; er is overvloed van beesten, wild en geduchte roofdieren; de Kalahari wordt bewoond door stammen, die vaste woonplaatsen hebben, of doorkruist door nomaden, zooals Boschjesmannen en Bakalahari’s. Doch gedurende het grootste gedeelte van het jaar ontbreekt er water in deze woestijn; talrijke beddingen van beken, die haar doorsnijden, zijn dan uitgedroogd en de droogte van den grond is dan een wezenlijke hinderpaal voor reizigers in dit gedeelte van Afrika. Op dat oogenblik was evenwel de regentijd juist ten einde en men kon nog rekenen op groote massa’s stilstaand water, dat eenigen tijd in kolken, vijvers of beken bewaard blijft.
Zoodanig waren de inlichtingen van den jager Mokum. Hij kende de Kalahari, omdat hij er dikwijls of als jager, of voor eenig ander doel doorheen was getrokken, of omdat hij als gids van eenige aardrijkskundige expeditie haar bezocht had. Kolonel Everest en Mathieu Strux kwamen daarin overeen dat deze groote vlakte aan alle gunstige voorwaarden voldeed voor eene goede triangulatie. Nu moest men den meridiaan nog zoeken op welken men een boog van onderscheidene graden meten zou.
Kon deze meridiaan aan een der uiteinden van de basis genomen worden, waardoor men niet noodig had om deze basis met een ander punt van de Kalahari door eene aaneenschakeling van nieuwe driehoeksmetingen te verbinden?
Deze omstandigheid werd nauwkeurig nagegaan en na eenige woordenwisseling begreep men dat het zuidelijk uiteinde van de basis gemakkelijk als uitgangspunt dienen kon. Deze meridiaan was de 24steten oosten van Greenwich; hij strekte zich over eene lengte van minstens zeven graden, van 20° tot 27° Z. B. uit, zonder eenigen natuurlijken hinderpaal te ontmoeten, althans de beste kaarten wezen dit niet aan. In het noorden alléén doorsneed hij het oostelijk deel van het meer Ngami, maar dit was geen onoverkomelijke hinderpaal, en Arago had wel andere moeilijkheden ondervonden, toen hij de kust van Spanje met de Balearische eilanden door eene geodesische lijn wilde verbinden.
Men besloot derhalve dat de te meten boog gemeten zou worden op den 24stenmeridiaan, die, wanneer men hem tot in Europa doortrok, het gemakkelijk zou maken om op Russisch grondgebied een boog op denzelfden meridiaan in het noordelijk halfrond te meten.
Aanstonds begon men met den arbeid, en de astronomen hielden zich bezig met het kiezen van een station, dat de tophoek worden moest van een driehoek, die de gemeten basis tot grondslag had. Het eerste station werd rechts van den meridiaan gekozen; het was een eenzame boom, die op eene kleine verhevenheid ongeveer tien kilometers van hen afstond. Men kon hem van de beide uiteinden van de basis goed zien; op die beide punten liet de kolonel palen oprichten. De spitse top van den boom maakte dat men zijne standplaats met de uiterste nauwkeurigheid bepalen kon. Nu maten de astronomen den hoek, dien deze boom met het zuidoostelijk einde van de basis vormde. Die hoek werd met een cirkel van Borda (repetitiecirkel) gemeten; de twee kijkers van het instrument werden zóó geplaatst dat hunne gezichtsassen juist in het vlak van den cirkel lagen; de eene was gericht op het noordwestelijk einde der basis, en de andere op den alleen staanden boom in het noordoosten; zij wezen derhalve door hun stand de wijdte van den hoek aan, die beide stations van elkander scheidde. Men behoeft er niet bij te voegen dat dit wonderschoone instrument met de uiterste nauwkeurigheid was vervaardigd, en de waarnemers zooveel mogelijk de fouten bij hunne waarnemingen kon doen vermijden. En inderdaad kunnen de fouten door talrijke herhalingen met elkander vergeleken en daardoor geheel vermeden worden. Wat betreft de noniussen, de waterpassen en de looden draden, waarmede men de juiste plaatsing der toestellen aanwees, dat alles liet niets te wenschen over, de Engelsch-Russische commissie bezat vier cirkels van Borda(repetitiecirkel); twee moesten voor de geodesische waarnemingen dienen, zooals b. v. het meten van hoeken, en met de twee anderen, welker cirkels in eenen vertikalen stand geplaatst waren, konmen door middel van kunstmatige horizons zenithsafstanden bepalen, en derhalve zelfs in een enkelen nacht op een zeer klein deel eener seconde na de breedte van een station berekenen. Bij deze groote driehoeksmeting moest men niet alleen de waarde der hoeken in de geodesische driehoeken berekenen, maar ook op zekere afstanden de middaghoogten der sterren meten, eene hoogte, welke gelijk was aan de breedte van elk station.
Groote vuren bleven den ganschen nacht branden. (Blz. 58.)Groote vuren bleven den ganschen nacht branden. (Blz.58.)
Groote vuren bleven den ganschen nacht branden. (Blz.58.)
Den 14denApril begon men dit werk. Kolonel Everest, Michel Zorn en Nikolaas Palander berekenden den hoek, dien het zuidoostelijk uiteinde der basis met den boom vormde, terwijl Mathieu Strux, William Emery en John Murray in het noordwesten den hoek maten, dien dit punt van de basis met denzelfden boom maakte.
In dien tijd werd de legerplaats opgebroken, de ossen werden ingespannen en de karavaan begaf zich onder geleide van den Boschjesman naar het eerste station, waar men halt zou houden. Twee wagens onder het toezicht van geleiders en ingericht voor het overbrengen van instrumenten, trokken met de waarnemers mede.
Het weder was helder genoeg, en zeer geschikt voor de waarneming. Men had bovendien bepaald dat, als de atmosfeer de waarnemingen moeilijk maakte, deze des nachts zouden gedaan worden door middel van lantaarns of elektrieke lampen, welke de commissie met zich voerde.
Toen dien eersten dag de beide hoeken gemeten waren, werd de uitslag dezer meting op de dubbele registers gebracht, na eerst zorgvuldig vergeleken te zijn. Bij het vallen van den avond waren al de astronomen met de karavaan vereenigd onder den boom, die als waarnemingspunt gediend had. Het was een reusachtige apenbroodboom (adansoniaofbaobad), die meer dan 80 voet in omvang had. Zijne schors, die de kleur van syeniet had, gaf hem een eigenaardig voorkomen; onder de verbazende takken van den reus, met een heirleger van eekhoorns bevolkt, die op de eivormige, witvleezige vruchten aasden, kon de geheele karavaan plaats vinden, en voor de Europeanen werd nu door den scheepskok het maal gereed gemaakt, waarbij het aan wildbraad niet ontbrak. De jagers van de troep hadden den omtrek afgeloopen en een aantal antilopen geschoten. Weldra vervulde de geur van dit gebraad de lucht en wekte den eetlust der astronomen op, zoodat zij niet behoefden aangemoedigd te worden om te eten.
Na dezen versterkenden maaltijd gingen zij ieder naar hun wagen, terwijl Mokum zijne wachten in den omtrek van het kamp uitzette. Groote vuren van de doode takken van den baobad bleven den geheelen nacht branden, en hielden de wilde beesten op eerbiedigen afstand, die aangetrokken werden door den reuk van het rauwe vleesch.
Na een slaap van een paar uren, stonden Michel Zorn en William Emery weder op. Hunne waarnemingen waren nog niet ten einde; zij wilden de breedte van dat station door het waarnemen der sterrehoogte berekenen. Zonder op de vermoeienis van den dag te letten, begonnen zij beiden hunne waarnemingen, en terwijl het gekrijsch der hyena’s en het gebrul der leeuwen in de sombere vlakte weergalmden, bepaalden zij zeer nauwkeurig de verplaatsing, die het zenith ondergaan had, door van het eerste naar het tweede station over te gaan.